Posts tonen met het label Nederlands Dagblad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederlands Dagblad. Alle posts tonen

donderdag 14 mei 2026

Afgestoft: Dieperik / Waar was ik weer (Leo Pleysier)

Het is een tijdje geleden dat ik een oude recensie heb afgestoft. Laat ik dat nu maar weer eens doen. Het is een niet zo lange recensie, over twee uitgaven, maar eigenlijk over vier boeken. Het stukje stond op 10 december 2010 in Nederlands Dagblad. 

De roman Dieperik van Leo Pleysier was net verschenen, een behoorlijke tijd na het enorme succes van Wit is altijd schoon (1989). Naar aanleiding daarvan verschenen in 1989 drie van zijn vroege romans samen in een band in herdruk onder de titel Waar was ik weer? Ik noem de drie titels in het stukje hieronder, al had bij de eerste roman het jaartal 1978 moeten staan. 

Maar waarom besprak ik Waar was ik weer? in 2010. Werd het toen weer herdrukt? Eigenlijk besprak ik de drie boeken niet, wat ook niet gekund had in zo'n kort bestek. Als mijn geheugen mij niet bedriegt kreeg ik wel het beoogde aantal woorden van het stukje als richtlijn. 

Van Pleysier heb ik best wat gelezen, maar ik heb ook nog het een en ander van hem niet gelezen. Een boek als Heel de tijd (2018) zou ik toch eigenlijk wel moeten lezen. 

Er is nog heel veel wat niet recent is en wat het lezen waard is. Binnenkort schrijf ik over De ziener van Simon Vestdijk en ik wil het komende jaar ook weer het een en ander van Hella Haasse en Arthur van Schendel lezen en ik heb ook wel zin in werk van bijvoorbeeld A.H. Nijhoff, Clare Lennaert, Melati van Java, Wilma en Top Naeff. Het is geen belofte dat ik dat ook ga doen, maar het is wel een geheugensteuntje voor mezelf als ik binnenkort een boek van de stapel moet nemen. 

En hopelijk grijp jij een keer naar een boek van Leo Pleysier. Je moet in ieder geval Wit is altijd schoon lezen, maar hij heeft veel meer goede boeken geschreven. 

 

De diepte aan de oppervlakte


Een jongetje rijdt op zijn fiets op het erf van een boerderij een parcours in de vorm van een acht. Buiten, op een bank zit zijn moeder een paar emmers prinsessenbonen klaar te maken voor de weck. Het is zomer.

Een vredig tafereeltje. Leo Pleysier begint er zijn nieuwe roman Dieperik mee. Maar eigenlijk is het helemaal niet zo vredig, want het hoofd van het jongetje Michel barst bijna uit elkaar, omdat er iets in zit wat hij niet mag vertellen. Niet van zichzelf en niet van Nonkel Wies, die bij hen inwoont.

In de epiloog legt de verteller uit dat het dit beeld van het fietsende jongetje is, waar hij taal aan toegevoegd heeft.
En zo is die herinnering nu verdubbeld geraakt tot twee herinneringen: die ene mét woorden, de andere zonder.
Wie Dieperik gelezen heeft, zou zijn schouders op kunnen halen en kunnen zeggen dat het boek nauwelijks over iets gaat: zo'n gebeurtenisje en dat wat uitgesponnen is. Maar juist dat kan Leo Pleysier heel goed: de zaken klein houden, de kleine dingen beschrijven, zodat je weet hoe het ruikt op de boerderij, hoe de mensen praten, wat voor weer het is en hoe dat voelt. Groter hoeft het voor mij, eigenlijk, niet. 

Pleysier laat die kleine dingen bijna achteloos zien. Hij poetst ze niet op, maakt ze niet zwaar symbolisch, wijdt er geen ronkende zinnen aan. Hij is de soberheid zelf en hij weet dat dat genoeg is.

Zijn zinnen lopen gemakkelijk, alsof er nauwelijks aan gewerkt is. Dat is natuurlijk de kunst. Je mag als schrijver zwoegen en zweten, maar de lezer moet dat er niet aan af kunnen zien. Pleysier verstaat die kunst. Het lijkt of hij bij ons aan de keukentafel zit en het ons rustig vertelt. 

Op het hoogtepunt van het verhaal dat Pleysier ons vertelt (en dat ik maar even niet onthul), schieten er zinnen door de hoofdpersoon heen. Het is een bonte verzameling uitspraken van drie bladzijden lang, waarin de vrouw van Potifar, Boerke Naas, Roodkapje, Kapitein Haddock, Herodes, Nonkel Fik en Anton van Wilderode naast elkaar kunnen staan. In het tweede deel van het boek is er nog zo'n lijst, waarin Pleysier aangeeft hoe de tijd verstrijkt. Hij rijgt daarin grote gebeurtenissen aan kleine, bijna zeven bladzijden lang. Het werkt.

Deze opsommingen doen denken aan die in eerdere boeken van Pleysier. Drie daarvan (De razernij der winderige dagen (1977), De weg naar Kralingen (1981) en Kop in kas (1983) zijn onlangs herdrukt in één band, onder de titel Waar was ik weer? 

Het eerste boek begint meteen met een reeks korte zinnetjes onder elkaar: '
Op de boerenbuiten wonen.
In het aloude Kempenland.
In het land van berk en brem.
Het heideland.
De wónderfrisse perel aan de Dietse kroon.
En zo verder. De weg naar Kralingen heeft tegen het einde een inventarislijst van vier bladzijden lang. Hoewel we ze van hem gewend zijn, zijn in Dieperik toch beide opsommingen verrassend en bovendien bijzonder effectief. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die Pleysier verwijten dat hij met zijn laatste boek niet meer de dieperik in gegaan is. Het is een verwijt dat ook ooit Marijke Höweler kreeg, die trouwens een totaal ander schrijfster was dan Pleysier is. Maar haar antwoord zou Pleysier zo in de mond kunnen nemen: 'Bij mij zit de diepte aan de oppervlakte'. 

Dat is Dieperik: een anekdote, een onbeduidendheid, die een heel leven lang in iemand door kan blijven zeuren. Niet iedereen kan dat beschrijven op een manier die blijft boeien. Pleysier wel.

Van Pleysier recenseerde ik ook:

vrijdag 2 januari 2026

Afgestoft: Verdwenen tijd (Thomas Verbogt)

Bij het werk van Thomas Verbogt heb ik een dubbel gevoel. Aan de ene kant lees ik het graag en ik heb er ook heel wat van gelezen. Het is altijd prettig geschreven in een soepele stijl, het leest eigenlijk altijd wel goed. En aan de andere kant blijft er weinig van hangen, zijn er maar weinig boeken bij die ik echt goed vind. Zijn titels vergeet ik ook altijd. En als ik ze mij herinner, weet ik niet meer bij welk verhaal ze horen. 

Het zijn sympathieke boeken, helemaal niet slecht, maar dat is het dan ook wel. En eigenlijk vind ik dat net te weinig. 

Van Verdwenen tijd herinner ik me niet zo veel meer. 'Niet zo goed', kwam bij me boven. In ieder geval minder goed dan bijvoorbeeld Perfecte stilte. In 2009 besprak ik Verdwenen tijd. De recensie stond op 4 september 2009 in het Nederlands Dagblad. Ik vond het boek inderdaad niet zo goed. Maar ook na het lezen van de recensie komen de herinneringen aan het verhaal nauwelijks boven. Dat zal niet alleen aan het boek, maar ook aan de recensie liggen. 

De anekdote over het voorlezen van het verhaal van het jongetje in de drumband staat me nog wel helder voor ogen. Ik weet niet meer waar Verbogt het voorlas, maar wel dat ik er erg om moest lachen. En verder zag ik Verbogt vroeger wel eens bij een theatervoorstelling in de kleine zaal van de schouwburg in Arnhem. Hij zal dan wel een recensie over de voorstelling hebben moeten schrijven. In mijn herinnering had hij altijd een flaphoed op, die hij de hele tijd ophield. Misschien klopt dat helemaal niet, maar zo heb ik het onthouden. 

Verbogt zal best boeken geschreven hebben waarvoor iemand zijn hoed kan afnemen, maar ik vermoed dat Verdwenen tijd er niet eentje van is. Ik krijg in ieder geval niet de neiging om het te gaan herlezen. Maar als je nooit iets van Verbogt las, zou je dat toch moeten doen. Zoals ik al schreef: sympathieke boeken, soepel geschreven. Ze zijn aangenaam in de omgang. Probeer maar eens. 

Verbogt wil alles verklaren


Ooit hoorde ik Thomas Verbogt een verhaal voorlezen waarin de ik-figuur als klein jongetje moest meelopen met een drumband. Het ging helemaal mis, doordat de pet of de kolbak of welk hoofddeksel het ook was, over zijn ogen zakte. Nooit heb ik het verhaal ergens gelezen, maar het is een literatuurervaring waar ik nog altijd met veel plezier aan terugdenk.

Stiekem had ik dan ook gehoopt dat ook Verbogts nieuwe roman, Verdwenen tijd, zo'n soort boek zou zijn. Een beetje weemoed, wat ironie, een vleug absurdisme en dat alles in een soepele stijl die het lezen aangenaam maakt.

Voor een deel is Verdwenen tijd ook zo'n boek. De hoofdpersoon, Robert van Noorden, een graag geziene gast in tv-programma's, haalt herinneringen op aan bijvoorbeeld de palingen die zijn vader kocht op de kermis. Hoe hij de krant openvouwde en hoe ze zich dan glimmend van het vet toonden. Of hij herinnert zich de sunlightzeep waar vroeger iedereen naar rook. Of hoe zijn vader met een boek van Graham Greene thuiskwam en dat ging zitten lezen.

Het zijn kleine gebeurtenissen, met veel liefde beschreven. Ingehouden, licht weemoedig. Op die momenten krijgt Verbogt het voor elkaar een gevoel op te roepen dat verwant is aan dat wat hij bij de hoofdpersoon suggereert.

Schuldgevoel

Maar er zijn ook andere momenten.

Van Noorden heeft een extreem groot schuldgevoel. Het is zo groot dat hij zich over zo'n beetje alles schuldig voelt. Wanneer dat met ironie wordt verteld, kun je erom glimlachen. Remco Campert zou een dergelijke personage zo kunnen neerzetten. Maar bij Verbogt krijg je toch al snel het idee dat het allemaal wel heel erg gemeend is.

Goed, hij houdt wel een lichte toon, maar eigenlijk relativeert dat het schuldgevoel nauwelijks en dat is ook niet zo vreemd, want Verbogt heeft dat nodig voor de plot.

Zo'n plot had van mij niet gehoefd. Ik had wel een beetje willen meeleven met Van Noorden, me betrokken willen voelen bij zijn doen en laten, willen genieten van de toon waarop Verbogt vertelt, maar nee, Verbogt wil meer. Er is een plot. Er blijkt een gebeurtenis uit het verleden te zijn die heel veel verklaart.

Van Noorden heeft die gebeurtenis verdrongen, maar uiteindelijk realiseert hij zich toch wat er gebeurd is. Dat verklaart van alles, maar dat is tegelijkertijd het probleem. Door de plot zo zwaar aan te zetten, bereikt Verbogt dat je het idee krijgt dat het daar alleen maar om gaat. Het ophelderen van het verleden overschaduwt zo'n beetje alle andere zaken in het boek en bovendien wekt het de suggestie dat het raadsel Robert van Noorden daarmee opgelost is. Eigenlijk voelde ik me een beetje bekocht, toen bleek dat veel te verklaren was door één gebeurtenis in het verleden.

Ook verloor het boek er veel van zijn geheimzinnigheid door.

Ernst

Het is trouwens geen kattenpis, wat er in het verleden gebeurd is. Vandaar ook de ernst in het boek, die Verbogt met een lichte stijl niet weggewerkt krijgt.

Soms kan lichtheid het erge en het ernstige alleen maar benauwender maken, maar ook dat gebeurt niet. Het relativerende, dat ik zo waardeerde in het drumbandverhaal, ontbreekt voor mijn gevoel.
Misschien heeft Verbogt geprobeerd een echt degelijke roman te schrijven, zo eentje die hem een plaats geeft in de serieuze literatuur. Op een van de flappen van Verdwenen tijd staan blurbteksten van Thomas Rosenboom en Arnon Grunberg. Nadat je dit boek gelezen hebt, kun je ze eigenlijk alleen nog maar ironisch opvatten.

In bijvoorbeeld zijn stukjes in De Gelderlander valt juist de pretentieloosheid op. Verbogt schrijft daarin vaak over kleine gebeurtenissen, op een bescheiden toon. Maar in veel geval zijn die stukjes gewoon goed. Het lijkt erop alsof Verbogt nu eens meer wilde, grotere sprongen wilde maken. Misschien is daarvoor zijn polsstok niet lang genoeg.


Eerder schreef ik over andere boeken van Thomas Verbogt:

vrijdag 21 november 2025

Afgestoft: De beiaard en de dove man (Walter van den Broeck)

Ooit dacht ik dat Walter van den Broeck (1941 - 2024) ook in Nederland een bekende auteur zou worden. Zijn roman Brief aan Boudewijn (1980) werd alom geprezen en het boek werd goed verkocht. Er zijn genoeg mensen die het oeuvre van Van den Broeck kennen, maar er zijn ook nog heel wat die nooit wat van hem gelezen hebben of die zelfs niet van hem gehoord hebben. Dat is jammer. 

In de loop der jaren heb ik heel wat van deze auteur gelezen en na zijn overlijden schreef ik een stuk waarin al die boeken voorbijkomen. Ik zal nog wat links hieronder opnemen. 

De meeste boeken van Van den Broeck herinner ik mij als goed (tot uitstekend). Over Een lichtgevoelige jongen (2001) was ik wat minder te spreken, geloof ik. Maar verder heb ik alles met een zekere gretigheid en met veel waardering gelezen. 

Hieronder een recensie van De beiaard en de dove man, waarin Walter van den Broeck een afspraak heeft met zijn vader, die al wat ouder is. In veel boeken put Van den Broeck uit zijn eigen leven en dus ook in deze roman. De bespreking was te lezen in Nederlands Dagblad , 12 november 2004.

Een van de laatste boeken van Van den Broeck is Crossroads. Onderaan vind je de link naar de bespreking. Onlangs is postuum het laatste boek van Van den Broeck verschenen: Averechts. Dat ga ik zeker nog lezen. 



Een slot dat een hele roman rechtvaardigt


Walter van den Broeck blijft in zijn boeken graag dicht bij zijn eigen leven. De ik-figuur heet in de meeste boeken Walter, zoon van Robert en Elvire, echtgenoot van Eliane, net als in de werkelijkheid buiten de roman. Dat geeft sommige van zijn boeken iets van een kroniek. In Aantekeningen van een stambewaarder (1977) bracht hij zijn voorvaderen in kaart, in Brief aan Boudewijn (1980) de gemeenschap waarin hij opgroeide.

Zijn werk wordt daardoor bijna automatisch coherent. Ook de boeken die wat minder nadrukkelijk autobiografisch zijn, worden door de lezer gemakkelijk ingepast in het leven van de schrijver, of beter: in zijn levensverhaal. Al in het debuut, De troonopvolger (1967) komt er een vaderfiguur voor die heel wat trekken vertoont van Robert van den Broeck. Deze Robert leren we beter kennen in de al genoemde boeken over Van den Broecks voorvaderen en zijn jeugdland en veel ruimte krijgt de vader in Het gevallen baken (1991), als de vader in zijn laatste dagen is.

Met De Beiaard en de dove man heeft Van den Broeck opnieuw een vaderboek geschreven. Het is vlak voor Kerst, 1980, het jaar waarin de schrijver met Brief aan Boudewijn doorgebroken is bij een breder publiek. Behalve geluk heeft hem dat ook zorgen gebracht: 
Wat mij nog glashelder voor ogen staat is dat Eliane en ik op een avond, vlak voor het slapengaan, een inventaris zaten op te maken van wat ons de voorbije maanden in de schoot was geworpen, en ik haar aan het eind in de ogen keek en zei: 'Als ge maar weet dat we hiervoor ooit zwaar gestraft zullen worden.'
De schrijver zit samen met zijn slechthorende vader in café De Beiaard, waar ze wachten op de populaire dj Chico, met wie Walter een afspraak heeft. Walter hoopt door Chico aan een cadeau voor zijn vader te kunnen komen (een gehoorapparaat). 
Niet om de ouwe schurk een plezier te doen, maar om hem eindelijk, eindelijk, eindelijk eens alles naar het hoofd te kunnen slingeren wat al zolang op mijn lever ligt, zonder ook maar één enkele keer onderbroken te worden. 
Het gaat namelijk niet goed tussen Walter en zijn vader: 
Wat is er toch met me? Bij elk gesprek moet ik minstens een dozijn keer krachtig de aanvechting onderdrukken om hem de keel dicht te knijpen of minstens zo lang te slaan en te trappen dat hij er een klein maar blijvend letsel aan overhoudt. 
Nog steeds moet de zoon zich afzetten tegen de vader, tegen zijn maniertjes, tegen zijn opvattingen. Nog steeds voert hij een gevecht.

Opgescheept

Een boek als Indische duinen van Adriaan van Dis is knap, doordat het alle onaangename kanten van de vader laat zien, terwijl het toch een liefdevol portret blijft. Ook Het gevallen baken herinner ik mij als zo'n boek, waarin de verbondenheid met de ouders blijft bestaan, ondanks hun gezeur en de ergernissen van de zoon. In De beiaard en de dove man is er van die verbondenheid eigenlijk niets meer over. De zoon is net zo doof voor de vader als de vader voor de zoon. Er is bij Walter alleen nog de ergernis, die soms de haat dicht nadert. Hoe goed beschreven ook, voor mij maakte dat het boek platter, minder spannend. Vader en zoon zitten met elkaar opgescheept in De Beiaard, want Chico komt niet opdagen. Veelal zwijgen ze en de gedachten van de zoon gaan uit naar het verleden. Ook die passages zijn niet altijd even treffend.

Chico

Na het eerste van de drie delen had ik de neiging het boek zuchtend terzijde te schuiven, maar dat heb ik gelukkig niet gedaan. Het boek wordt namelijk ruimschoots gered door de laatste twee delen, al komen ook daar de flauwe woordspelletjes voor. In het tweede deel leren we de joviale Chico kennen, een karakter dat meteen boeit. Net als Walter is Chico succesvol, maar hij heeft de prijs van dat succes al moeten betalen en onder zijn vrolijkheid klinken de bastonen van zijn droefheid en zijn ongeluk.

Over het derde deel kan ik niet te veel zeggen zonder de plot weg te geven. Van den Broeck drijft het verhaal tot grote hoogte. De woede van Walter op Chico over diens wegblijven wordt groot, maar de verbondenheid met de dj blijft, en de dreiging, als prijs voor het succes, die al het hele boek op de loer lag, wordt werkelijkheid. De lezer wordt meegezogen met de loop van de gebeurtenissen en met wat er in het hoofd en het hart van Walter gebeurt. Een mooi slot, dat zich meten kan met het beste dat Van den Broeck geschreven heeft.

vrijdag 7 november 2025

Afgestoft: Vormen van herinnering (Ernst van Alphen)

Deze keer haal ik een recensie van een non-fictieboek onder het stof vandaan. Een boek over Armando, geschreven door Ernst van Alphen, Vormen van herinnering. Het is een boeiende studie van het werk van Armando, waarbij het als een geheel wordt gezien. Zowel zijn literaire als zijn beeldende werk wordt meegenomen. 

Indertijd vond ik het geen gemakkelijk boek, maar omdat ik gefascineerd was (en ben) door het werk van Armando, wilde ik het graag lezen. Van Alphen dringt diep door in Armando's werk en helpt om dat werk beter te begrijpen. 

De recensie verscheen in Nederlands Dagblad van 11 mei 2001. Ik heb op Bunt Blogt al verschillende keren over Armando geschreven. De laatste keer ging het over de bundel Gedoe. Onderaan die bijdrage vind je links naar de andere stukken over Armando waaronder het uitgebreide in memoriam dat ik schreef na zijn overlijden in 2018. 


 

Sporen van de oorlog


Wie over het werk van Armando praat, kan niet om de oorlog heen. Zijn schilderijen en tekeningen dragen titels als Gefechtsfeld, Feindbeobachtung en Kriegsverwendungsfähig. Zijn boeken noemt hij bijvoorbeeld Krijgsgewoel en Aantekeningen over de vijand. Dat de oorlog Armando zo bezighoudt, is niet verwonderlijk: hij groeide als kind op in de buurt van kamp Amersfoort. Later, toen hij al in Berlijn woonde, schreef hij daarover: 
Het gebeurt wel eens dat ik midden in deze hardhandige stad plotseling de hei ruik. Dat is natuurlijk maar verbeelding, toch ruik ik duidelijk de hei. Dan komen de herinneringen: knarsende grintpaden en vrolijke familieleden. De hijgende vijand ook, die daar ronddoolde om te oefenen, hij moest, hij kon niet anders. De kruitdamp. De dorst. De verborgen wapens, de resten van uniformen en de speurtocht naar soldatenlaarzen. Buit. Roof. De dreiging. En de geuren van de namiddag, het versterven. De vermoeide zon. De galm.
Zowel in zijn literaire als in zijn beeldende werk heeft hij een heel eigen kijk op de oorlog ontwikkeld. Armando verklaart het landschap en vooral de bosrand schuldig. De bomen hebben alles gezien, ze zijn getuigen en ze hebben niets verteld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het werk van Armando door veel analisten autobiografisch geduid is.

Ernst van Alphen, hoogleraar literatuurwetenschap aan de universiteit van Leiden, vindt die opvatting te beperkt. Hij staat sterk als hij zegt dat Armando zich zelf altijd verzet heeft tegen een expressionistische opvatting van zijn werk. Van Alphen beschouwt Armando's oeuvre als een geheel. 

Het is niet nieuw om Armando's schilderijen en boeken met elkaar te vergelijken, maar Van Alphen betrekt ook de tekeningen en de bronzen in zijn analyse. Bovendien beschouwt hij niet alleen het recentere werk, maar ook het oudere, toen Armando betrokken was bij experimentele literaire tijdschriften en bij nieuwe bewegingen in de beeldende kunst, zoals de Nul-groep en de Informelen. In plaats van een breuk tussen het vroege en het latere werk, ziet hij juist de grote lijn. 

Armando wordt vaak als een eenling in de kunst gezien. Van Alphen laat zien dat Armando niet zo alleen is. Op elk deelgebied heeft hij verwanten en voorgangers. Voor de schilderijen noemt Van Alphen Caravaggio als verwant kunstenaar wat betreft de aandacht voor de oppervlakte, de huid van het schilderen. De vergelijking is interessant en maakt veel duidelijk over de werking van de schilderijen van Armando, al lijken mij de verschillen tussen Armando en Caravaggio ook evident. 

Ook bij de bronzen gaat Van Alphen in op het oppervlak. Het oppervlak van Armando's beelden lijkt veroorzaakt te zijn door krachten van buitenaf, zoals die van water of wind. Wat dat betreft zijn ze verwant met de bronzen van Per Kirkeby. De vervagende vormen zorgen ervoor dat je bij Armando eerder van figuren dan van mensen spreekt. Een figuur kan dan een 'persoon', een 'menselijk figuur' zijn, maar het kan ook 'vorm' of 'structuur' betekenen. 

Van Alphen plaatst Armando daarin tegenover bijvoorbeeld Giacometti wiens beelden altijd mensen blijven. In zijn tekeningen vertoont Armando verwantschap met Cy Twombly, wiens werk kalligrafische trekken heeft. De verwijzing naar het schrijven heeft hierin niets van doen met de vorm en al helemaal niet met de boodschap, maar met het gebaar dat ermee gemoeid is. Twombly heeft geen soepele manier van 'schrijven', eerder lijken zijn tekeningen met de linkerhand gemaakt. Diezelfde 'linkshandigheid' is versterkt terug te vinden bij Armando, wiens lijn een enorme spanning kent, alsof er een gevecht is tussen potlood en papier.

In Armando's tekeningen zit geweld, zou je kunnen zeggen en dat gaat ook op voor zijn schilderijen. Geweld is hier niet alleen onderwerp, in het tekenen zelf zit geweld, Het gewelddadige, de vernietiging, zit in het maken. 

Dat Armando met het gewelddadige de oorlog wil tonen is een wijd verbreide opvatting. Armando spreekt echter vaak in algemene zin over 'de vijand', 'de plek', 'het krijgsgewoel' waardoor het lijkt alsof oorlog voor hem een metafoor voor de menselijke conditie geworden is. 

Van Alphen spreekt die opvatting tegen. Wanneer de Tweede Wereldoorlog alleen gebruikt zou worden als metafoor, is dat een nivellering van alle gruwelijkheden van toen. Volgens hem wil Armando ons juist doordringen van het volstrekt unieke van oorlogservaringen. Armando's taal is niet metaforisch maar indexicaal. Zoals rook een indexicaal teken is voor vuur en een voetspoor van de aanwezigheid van de mens, zo schildert en tekent Armando indexen van de oorlog. Armando laat sporen zien. 

De schuld van de bomen, waarover ik eerder schreef, ligt dan ook daarin dat zij de sporen niet laten zien, dat ze niet getuigen. Ze groeien gewoon door en verraden daardoor hun indexicale betekenis. Dat alles maar doorgaat komt natuurlijk door de tijd die maar doorgaat alsof er niets gebeurd is. 

Van Alphen laat zien dat Armando ook de voorbijgaande tijd zelf als 'vijand' ziet. Armando is in zijn werk op zoek naar de verleden tijd: niet naar zozeer naar de verloren tijd maar eerder naar de tijd die alles verloren doet gaan. Armando's werk is dan ook geen herinnering aan wat gebeurd is. Eerder is er sprake van wat men in het Engels re-enactment noemt, het opnieuw ten uitvoer brengen. In het schilderij gebeurt, op een indexicale manier, wat al gebeurd is. Vandaar het gewelddadige in Armando's werk, zowel wat onderwerp als wat werkwijze betreft. De titel van Van Alphens boek, Vormen van herinnering, lijkt me dan ook niet helemaal terecht. Juist in de herinnering wordt geaccepteerd dat de tijd er is, dat je terugdenkt aan dat wat gebeurd is.

Wat Armando doet, is iets anders dan herinneren. Armando's inzet is indrukwekkend en natuurlijk schiet hij tekort in zijn werk. Daarom acht hij ook zijn eigen werk schuldig. Ook zijn werk kan niet getuigen zoals het zou moeten. Ook daarom is het begrijpelijk dat de agressie in het werk zich tegen zichzelf keert. 

Al tijden ben ik gefascineerd door het werk van Armando. Via zijn literaire werk ben ik bij zijn beeldend werk terechtgekomen en het heeft me niet meer losgelaten. Door het boek van Van Alphen is mijn bewondering voor wat Armando doet alleen maar toegenomen. Tegelijk voel ik me als kijker en lezer schuldig: mag ik zoiets wel mooi vinden? Das unschöne Schöne noemde Armando het en das Furchtbar-Schöne. Inderdaad, Armando's werk is tegelijk mooi en verschrikkelijk in de meest letterlijke betekenis van het woord. Verontrustend werk met alleen maar schuldige kijkers en lezers.

donderdag 9 oktober 2025

Afgestoft: De tien wetten der verleiding (Anja Sicking)

Van Anja Sicking las ik het eerst haar tweede boek, De stomme zonde (2005), goede historische roman. Vrij snel daarna (denk ik) las ik haar debuut, Het Keuriskwartet (2000), een aardig, vlot geschreven roman. Haar derde roman, De tien wetten der verleiding (2009) besprak ik in Nederlands Dagblad, 11 september 2009. Die recensie staat hieronder. 

En daarna verloor ik het werk van Sicking uit het oog. Dat Ferrari's in de hemel (2016) en De visionair (2022) verschenen, is mij geheel ontgaan. Nu ik dat net opgezocht heb, krijg ik toch wel zin om een van die twee te gaan proberen. 

De eerste drie boeken nemen drie geheel verschillende onderwerpen bij de kop en ik ben wel benieuwd wat ze in haar latere boeken aan de orde heeft gesteld. Misschien moet ik eens kijken of ze in de bibliotheek staan. Maar eerst maar eens het stapeltje wegwerken dat ik gekocht heb en al die boeken die er al langer liggen.  


Derde roman Sicking leest vlot, maar stelt teleur

 
Het tweede boek van een schrijver is altijd lastig. Een debuut willen de recensenten nog wel met enige welwillendheid bespreken, maar de opvolger ervan wordt zelfs het minste gebrek aangerekend. Tenminste, dat is het verhaal dat de ronde doet. Bij Anja Sicking ging dat in ieder geval niet op. 

Haar debuut, Het keuriskwartet, werd positief besproken en zelfs bekroond, met de Geertjan Lubberhuizenprijs. Het is een vlot geschreven boek, dat een mooie inkijk geeft in de wereld van conservatoriumstudenten. Al vanaf het begin weet je dat de belangrijkste personen een misdaad op hun geweten hebben, maar pas aan het einde van het boek kom je te weten wat er precies is gebeurd. 

Sickings tweede boek was waarschijnlijk zelfs nog beter dan haar debuut. De stomme zonde werd ook in deze krant geprezen als knappe historische roman, die de tijd doet herleven dat homoseksuelen in Nederland hun leven niet zeker waren. Het boek is intussen vertaald in het Duits en het Engels.

Scholiere

Maar nu is er een derde boek, De tien wetten der verleiding, en eerlijk gezegd stelt dat me toch een beetje teleur. Wel moet ik toegeven dat ook deze derde roman vlot leest, helder geschreven is en dat de schrijfster niet terugvalt op eerdere onderwerpen, maar weer iets heel nieuws bij de kop neemt: een middelbare scholiere in het jaar 1977.

Wat er in dat jaar buiten het schoolwereldje van Merel Zilver gebeurt, noemt Sicking wel, maar daar blijft het bij. De kaping van een trein door Molukkers, de gijzeling van een klas met schoolkinderen, het proces rond Pieter Menten, de veroordeling van de leiders van de Baader Meinhofgroep - je hebt niet het idee dat het de personages echt wat doet. Al kun je je afvragen wat de scholieren dan wel bezighoudt.

Merel zegt bijvoorbeeld wel dat ze houdt van de muziek van Easy Cure (waaruit later The Cure zal groeien), maar wat haar aanspreekt in die muziek, welke teksten haar bijblijven - we komen het niet te weten. Misschien is de muziek ook niet zo belangrijk voor Merel, maar moet ze wel zeggen dat ze Easy Cure goed vindt. Ze hoort immers bij het groepje leerlingen dat zich TC noemt, Timo's Cure, en dat dan ook rond Timo gegroepeerd is. Binnen dat groepje zegt iedereen van Easy Cure te houden.

TC is een groep waar je niet zomaar bij komt en nu Merel toegelaten is, wil ze er koste wat kost bij blijven, ook als de groep over Merels grenzen heen gaat.

Als TC Leonne, een nieuwe leerlinge die Merel nog van een vorige school kent, een afstraffing wil geven, probeert Merel dat wel te voorkomen en bij te sturen, maar ze grijpt niet in. Het is een halfslachtige houding, die zich vroeg of laat natuurlijk tegen haar moet keren en dat gebeurt dan ook. Merel doet haar best, maar ze blijft een eenling, die niet echt hoort bij de groepjes in haar omgeving. Ze woont bij haar gescheiden vader, die weinig thuis is. Ze maakt de huiskamer schoon in de hoop dat hij het dan gezelliger vindt en het dus prettiger zal vinden thuis te komen. Haar moeder is druk met de vrouwenpraatgroep, de zogeheten sharinggroep. Eigenlijk moet Merel het zelf allemaal maar zo'n beetje uitzoeken.

Aandoenlijk

De tien wetten der verleiding begint met een proloog, wordt onderbroken door enkele intermezzi en wordt besloten door het hoofdstuk 'Voorbij het einde', dat een soort epiloog is. Hierin ligt het perspectief niet bij Merel, maar bij een alwetende verteller, die dus afstand kan nemen. Dat is aardig bedacht en zo kan de schrijfster wat ideeën kwijt over de meervoudigheid van de persoonlijkheid en over groepsvorming, maar deze hoofdstukken voegen eigenlijk niet zo heel veel aan het boek toe. Het lijkt alsof Sicking het verhaal op zich blijkbaar te licht vond en het toch nog enige zwaarte wilde geven.

Het boek dat Merel uit de boekenkast van haar moeder meegenomen heeft en dat dezelfde titel heeft als Sickings roman, is ook al zo'n boek dat er voor mijn gevoel echt bijgesleept is. Het is niet geïntegreerd in de hele roman.

Ach, die Merel heeft wel een zekere aandoenlijkheid en ook met die andere jongeren die het leven moeten leren en ermee experimenteren, kun je wel compassie hebben, maar het is allemaal net te weinig. Het wordt dus wachten op het vierde boek, want dat Sicking meer kan dan ze nu laat zien, is voor mij duidelijk.

Eerder schreef ik over:

dinsdag 26 augustus 2025

Afgestoft: Het satijnen hart (Remco Campert)

De vakantie is voorbij en voordat alles goed op gang is in het nieuwe schooljaar zal ik ook af en toe op vrije dag wat moeten doen. Dat het maakt het lastig om regelmatig te schrijven, maar ik ga mijn best doen. Vier nieuwe recensies per week, zoals de afgelopen weken, zal wel niet lukken, omdat ik deze en komende week ook op zaterdag werk, maar drie probeer ik te redden. En anders zal ik af en toe een oude bespreking plaatsen die hier nog niet eerder te lezen was. 

Deze keer eentje die eerder te lezen was op 1 september van 2006 in Nederlands Dagblad. Het is een recensie van Het satijnen hart van Remco Campert.  Het is maar een korte recensie. Mogelijk had ik een aantal woorden gekregen waarbinnen het allemaal moest gebeuren, mogelijk was ik na een beperkt aantal woorden uitgepraat. Ik kan het niet meer nagaan. Voor zover ik weet heb ik ook nog ergens een stukje over Dagboek van een poes (2007) en over Om vijf uur in de middag (2010). Die heb je nog tegoed. 


       

Geen grote woorden, maar kleine daden 


Er gebeurt niet veel in de laatste roman van Remco Campert. De bejaarde schilder Van Otterlo schildert al jaren niet meer. Maar dan verneemt hij het bericht van de dood van Cissy, een vroegere vriendin van hem en langzaamaan beginnen er dingen te verschuiven in zijn leven. Het satijnen hart opent met de zin 'Mijn beste schilderij maakte ik toen ik tegen de zestig was'. Het is ook meteen zo ongeveer het laatste schilderij dat hij maakte en de lezer weet al gauw dat het iets met Cissy te maken heeft, al krijgt hij geen details, zodat er behoorlijk wat te raden overblijft. Het boek eindigt met: 'Ik ben alleen in een suizende stilte, het geluid van de kunst. Mijn ogen tasten het lege doek af.' Van Otterlo is klaar om weer te gaan schilderen.

Tussen begin en eind zijn er wat gesprekken tussen de schilder en zijn vriend (Jongerius jr.) en ook spreekt hij geregeld zijn halfzus Bettina. Zijn oude atelier wordt opgeknapt, er worden wat herinneringen verhaald en dat is het dan. Inhoudelijk mager, zou je zeggen en misschien is het dat ook wel.

Vervalsen

Toch boeit het boek. Natuurlijk door de soepele Campertstijl, maar dat niet alleen. Campert weet met kleine middelen duidelijk te maken wat er verandert in het leven van Van Otterlo. De schilder heeft veel succes gehad met zijn werk en dat succes heeft zijn werk misschien wel gecorrumpeerd. 

Is het mogelijk dat ik vanaf een bepaald moment in mijn leven mijn eigen werk heb vervalst? Dat ik iets nieuws heb toegevoegd in de stijl van het mij oude bekende, waarmee ik beroemd ben geworden en veel geld heb verdiend? Dat toen de passie gedoofd was ik dat niet wilde toegeven en niet beter wist te doen dan mijzelf herhalen? Kun je je eigen handtekening vervalsen?

Altijd heeft Van Otterlo zijn kunst op de eerste plaats gesteld. Dat was zijn grote liefde. De vriendinnen kwamen op de tweede plaats. Door de dood van Cissy moet hij zich realiseren dat hij mensen tekort heeft gedaan. Hij moet opnieuw zijn positie in het leven bepalen. 

Misschien heeft Bettina gelijk en valt er ook aan mij nog iets te doen. Grote kans natuurlijk dat het oude bouwsel dat ik ben instort als ik aan de constructie ga morrelen. Een nieuw behangetje is al heel wat. Dat moet dan wel van eigen makelij zijn.

Misschien is juist dat wel het knappe van Het satijnen hart: het doet bescheiden alsof iemand slechts een nieuw behangetje plakt op de muren van het huis dat zijn leven is, terwijl hij wezenlijke dingen aan de constructie verandert. Campert schreef al decennia geleden in een van zijn bekendste gedichten dat verzet niet met grote woorden begint, maar met kleine daden. Ook Het satijnen hart is een boek vol kleine daden. Er wordt een atelier opgeruimd, iemand gaat een schilderij maken. En ineens is alles anders.

Over andere boeken van Remco Campert:

donderdag 31 juli 2025

Afgestoft: Paradijs verloren (Cees Nooteboom)

Een paar maanden geleden sprak ik een fanatieke lezeres, die vertelde dat ze nog nooit iets van Nooteboom gelezen had. Omdat ik twee exemplaren van Rituelen (1980) had, gaf haar er eentje van. Wel bedacht ik dat ik ook al lang niets van Nooteboom gelezen had. In de jaren dat ik hier schrijf, heb ik alleen Allerzielen (1998) besproken en dat is ook al meer dan tien jaar geleden: in 2013. 

In de loop der jaren las ik zeker vijftien boeken van Nooteboom en dan nog zijn poëzie. Een aantal van zijn reisboeken en romans/novellen als Rituelen, Een lied van schijn en wezen (1981), Mokusei! (1982), In Nederland (1984), De boeddha achter de schutting (1986). In de eerste helft van de jaren tachtig las ik veel van wat er van Nooteboom verscheen, met tussendoor zijn oudere werk: Philip en de anderen (1954), De verliefde gevangene (1958), De ridder is gestorven (1963). 

In de jaren negentig deed ik mee met de tv-quiz De conaisseur. Toen Rituelen aan de orde kwam, dacht ik te kunnen scoren met het citeren van de beginzin van de roman: 'Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde stonden de aandelen Philips 149,60'. Maar ik wist niet meer hoe hoog de aandelen nu precies stonden en de punten gingen mijn neus voorbij. 

Van wat Nooteboom na 2000 geschreven heeft, heb ik alleen 's Nachts komen de vossen (2009) gelezen en Paradijs verloren (2004). Over dat laatste boek heb ik geschreven. De recensie stond op 3 december 2004 in het Nederlands Dagblad. 

Nu ik de bespreking teruglees, vind ik het schandalig dat ik de laatste decennia zo weinig aandacht aan Nooteboom heb besteed. Hij is een van onze grote schrijvers en een slecht boek van hem heb ik nog nooit gelezen. Ik heb ook wel zin in boeken als De omweg naar Santiago (1992) of In de sporen van Don Quichotte (2016). Maar even zien of het daar ook van komt. Maar als Nooteboom toch een keer de Nobelprijs mag winnen, zullen veel van zijn boeken herdrukt worden en dan (her)leest iedereen zijn werk. 

 


Wie schrijft ons leven? 

Begin jaren tachtig werd in de literaire tijdschriften gediscussieerd over verbeelding en werkelijkheid. De zogeheten Revisorauteurs hadden het onderwerp zo ongeveer tot hun gezamenlijke thema gemaakt en iemand als Maarten 't Hart moest niets van de ingenieus in elkaar gezette boeken hebben. 'Kroonluchters die niet branden kunnen' noemde hij ze. Nooteboom hield zich buiten de discussie, maar antwoordde met een roman: Een lied van schijn en wezen, waarin hij liet zien hoe een personage groeit, hoe een roman ontstaat. De werkelijkheid van de schrijver en de werkelijkheid die de schrijver verbeeldt in wat hij schrijft, groeien in deze roman steeds dichter naar elkaar toe en gaan uiteindelijk door elkaar lopen: de schrijver komt in zijn eigen roman terecht.

Met zijn nieuwe roman Paradijs verloren verwijst Nooteboom naar Een lied van schijn en wezen, maar ook naar bijvoorbeeld Mokusei. De fotograaf die een ongelukkige liefde beleefd heeft in Japan, komt ook in Nootebooms nieuwe roman nog even om de hoek kijken. Het eigenlijke verhaal (als we daarvan tenminste mogen spreken) gaat over Alma, die in Sao Paulo de verkeerde wijk in rijdt en slachtoffer wordt van groepsverkrachting. Ze gaat later met haar vriendin Almut naar Australië, waar ze een week lang intensief samenleeft met een Aboriginal kunstenaar. Uiteindelijk komt ze aan in Perth, waar ze in een kunstproject een engel speelt. In het tweede deel staat de criticus Erik Zondag centraal. Hij volgt een gezondheidskuur in Oostenrijk en ontmoet Alma, die hij drie jaren daarvoor in Perth als engel heeft ontmoet.

De twee delen van het verhaal worden omsloten door een proloog en een epiloog waarin de schrijver van het verhaal centraal staat. Hij ontmoet Alma, of de vrouw die het personage Alma in hem gewekt heeft.
De roman besluit met een citaat uit Paradise lost, het epos van Milton dat de zondeval tot onderwerp heeft. In het geciteerde gedeelte uit de twaalfde zang zijn Adam en Eva net verdreven uit het paradijs, waarbij ze getroost worden door de gedachte dat God ook op aarde bij hen zal zijn: 
Zoo gaan zij hand aan hand, zij 't ook met trage schreden,
Gebukt en 't oog gevest op 't eens zoo Zalig Eden, 
Een vreemde Wereld in, die hun als woonplaats beidt.
De schepper van een boek doet hetzelfde: hij stuurt zijn personages de wereld in. 
Een, twee jaar heb je met mensen geleefd, je hebt ze namen gegeven die al dan niet bij ze passen, je hebt ze laten lijden of lachen, ze hebben jou laten lijden of lachen, en daarna heb je ze op weg gestuurd, de wijde wereld in. Je hoopt dat het ze goed gaat, dat ze genoeg adem hebben om nog een tijdlang te bestaan. Je hebt ze alleen gelaten, maar het gevoel dat je hebt is dat zij jou alleen hebben gelaten.

De personages worden uit het paradijs verdreven en de schrijver heeft hun gang bepaald. Binnen het universum van het boek is de schrijver alwetend. Hij kan dus zinnen schrijven als: 'Wij gunnen hem deze nacht waarin hij droomloos slaapt (denkt hij).' Erik Zondag denkt dat het een 'krankzinnig, idioot toeval' is dat hij Alma in Oostenrijk na drie jaar weer ontmoet. Maar wij weten dat de schrijver het zo bedacht heeft. 

Alma verliest het paradijs als slachtoffer van een groepsverkrachting. Met haar vriendin Almut gaat ze naar Australië, op zoek naar 'iets wat Sickness Dreaming Place heette', omdat ze zich dat altijd als iets paradijselijks hebben voorgesteld. Maar een paradijselijke toestand is op deze aarde niet te bereiken. Juist in de woestijn, als ze alles achter zich gelaten heeft, komt Alma het dichtst bij een gevoel van harmonie, alsof ze haar bestemming heeft gevonden: 'Ik ben aangekomen. En als ik wegga hoef ik niets mee te nemen, ik heb alles al bij me.' 

In de wereld zullen mensen en personages het moeten zien te redden en volgens de schrijver is dat ook niet zo erg. Hij laat zijn personage in de epiloog zeggen: 
Heeft u weleens nagedacht over degene die het paradijs bedacht heeft? Een plek zonder misverstanden? De mateloze verveling die daar moet heersen kan alleen maar als straf bedoeld zijn. Zoiets kan alleen een heel slechte schrijver verzinnen.

Dezelfde coupé

De schrijver is natuurlijk ook maar een personage. Dat hij zijn personage in de epiloog ontmoet is geen toeval: 'Natuurlijk zitten we in dezelfde coupé. Wie dat bedacht heeft wist wat hij deed.' De lezer weet wie dat bedacht heeft: de schrijver van Paradijs verloren, Cees Nooteboom. Of het Nootebooms bedoeling is geweest, weet ik niet, maar meteen komt bij mij de vraag op wie de regie heeft over het leven van Nooteboom, van mij, van iedereen. Toch mooi dat Milton al in het boek van Nooteboom het antwoord mag geven:
Heel de Aarde was hun toch, door God, ter woon gegeven, De Algoede was hun daar, als Leidsman, bijgebleven, Hij zal hun vader zijn, wat heil hun ook ontviel.

Dat is het antwoord dat de gelovige geeft. De ongelovige zal ongetwijfeld willen weten wie Gods leven schrijft. Nooteboom speelt een geraffineerd spel met verbeelding en werkelijkheid, met de scheiding tussen engelen en mensen, met toeval en voorbeschikking en dat ook nog in een stijl die zo elegant is, dat de meeste schrijvers die slechts kunnen benijden. Paradijs verloren is 'een vreemde wereld' die de lezer een aangename tijd lang 'als woonplaats beidt'.

donderdag 10 juli 2025

Afgestoft: Het jaar waarin mijn vader stierf (Rob van Essen)

Weer een oude recensie, eentje die op 17 maart 2006 in het Nederlands Dagblad stond. Ik was verrast toen ik het stukje terugvond. Ik wist namelijk niet meer dat ik Het jaar waarin in mijn vader stierf, van Rob van Essen, gelezen had. Dat de vader van de schrijver de jeugdboekenschrijver G. van Essen was, wist ik wel. Ik heb ooit tegen de zoon gezegd dat ik Het hol op de hei gelezen heb. Dat was bij een cultureel café waarin zijn zus enkele nummers zong. 

Maar dat Van Essen in dit boek het hele oeuvre van zijn vader naloopt en hem probeert te benaderen in alles wat die vader geschreven heeft, dat was ik helemaal kwijt. Toch vreemd. Daarom ben ik blij dat ik deze recensie weer vond. Eigenlijk krijg ik wel zin om het boek te gaan herlezen, ondanks het zuinige oordeel in het eerste deel van de recensie. Die zin wordt misschien wel opgewekt door de citaten. Dan is het maar goed dat ik ze opgenomen heb. 

Toen ik deze recensie schreef, had ik van Van Essen waarschijnlijk alleen nog maar Kwade dagen (2002) gelezen. Ook daarover heb ik geschreven. Dat stukje hou je nog tegoed. 

Van Het jaar waarin mijn vader stierf herinner ik me ook de cover niet. Voor zover ik weet, bezit ik het boek niet meer. En de plaatjes die ik ervan vind op internet, maken niets bij me wakker. Bovendien zijn ze van een dusdanige kwaliteit dat ik ze hier niet kan plaatsen. Daarom heb ik maar gekozen voor de omslag van een boek van Van Essens vader. Dat boek durf ik niet te herlezen, bang dat ik de mooie herinnering bederf. 


Een liefdevol portret van vader 

'Dagboeken zijn óf onpersoonlijk, óf oninteressant', schrijft Rob van Essen in Het jaar waarin mijn vader stierf. Persoonlijke dagboeken zijn blijkbaar per definitie niet interessant. Misschien heeft Van Essen gelijk: iemands persoonlijke aantekeningen zijn niet bij voorbaat de moeite van het lezen waard. De dagboekenschrijver zal er een vorm voor moeten vinden, er moet gestileerd worden en daarvoor is enige afstand nodig. Het lijkt me niet dat daardoor een dagboek ook onpersoonlijker wordt. 

Het nieuwe boek van Van Essen is een dagboekachtig boek. De twaalf hoofdstukken dragen als titels de namen van de maanden en zijn verder gevuld met korte stukjes, alsof het dagboekaantekeningen zijn. Voor een groot deel gaan die aantekeningen over de vader van de schrijver, G. van Essen, die in reformatorische kringen bekend werd door zijn jeugdboeken (Het hol op de hei bijvoorbeeld) en zijn columns. Van Essen beschrijft de aftakeling en de dood van zijn vader en verder lezen wij waarmee de schrijver zich zoal bezighoudt: telkens weer een fietstochtje naar Oudewater, de opmerking dat hij aan zijn roman (Engeland is gesloten) heeft gewerkt en of dat een beetje lukte, optredens, gesprekken, overwegingen. Daar had een redacteur best wat in mogen snoeien. Veel van die stukjes zijn slaapverwekkend: oninteressante gebeurtenissen en meningen waar niemand van opkijkt. Goed, de belevenissen van de schrijver op een 'kunstcamping' zijn zeer onderhoudend, maar die hadden in een apart verhaal ondergebracht kunnen worden. 
 

Strakker 

 Het kiezen voor een dagboekachtige vorm, lijkt vooral gemakzuchtig. In zo'n boek kun je immers van alles kwijt en je hoeft je over de compositie niet zo te bekommeren. Het lijkt me dat Het jaar waarin mijn vader stierf gewonnen zou hebben bij een strakkere compositie. Ton van Reen schreef ooit een dergelijk boek, alweer enkele decennia geleden: Het winterjaar. Ook hij nam het sterfjaar van zijn vader als beginpunt, maar vond een hechte vorm voor wat hij te vertellen had: om het andere hoofdstuk jeugdherinneringen en beschrijvingen van 'het winterjaar'. 

Wat Van Essen over zijn vader te schrijven heeft, is interessant genoeg. Hij neemt het hele oeuvre van G. van Essen door, waarbij hij zijn vader niet spaart. Hij ziet hoe zijn vader in sommige boeken vervalt in het laten vertellen van anekdotes door een van de personages, hoe hij stukken uit ouder werk hergebruikt in latere boeken of columns, hoe hij eerder geschreven stukjes verchristelijkt om zijn publiek of de uitgever te behagen. De schets van het oeuvre van G. van Essen is vooral een liefdevol portret. In alles wat zijn vader geschreven heeft, gaat de zoon naar hem op zoek, hopend zo de man te leren kennen die hij in zijn leven eigenlijk niet echt heeft kunnen peilen. 
(...) van hem heb ik mijn hele leven iemand anders gemaakt dan hij is. Een beter iemand, iemand die meer consideratie en interesse voor zijn omgeving kon opbrengen, iemand die een groter hart bezat dan hij daadwerkelijk deed.
Dat wil hij nu niet meer. Hij wil nu werkelijk weten wie zijn vader was en wat voor verstandhouding ze nu eigenlijk hadden. 

Verzameling 

Daarvoor zoekt hij niet alleen in de jeugdboeken en de columns die de vader schreef, maar ook in andere dingen die hij naliet, zoals een hele verzameling recensies over literatuur, die gepubliceerd zijn in het Reformatorisch Dagblad en gedichten die hij heeft overgeschreven en voorzien van plaatjes. Waarom legde vader die verzameling aan? Voor zichzelf? Voor zijn kinderen? 
Opeens grijpt het me naar de keel. Ik wil dat hij dit leuk vond om te doen; ik geloof niet dat ik ertegen zou kunnen als ik er op een of andere manier achter kwam dat hij dit met de moed der wanhoop heeft gedaan.
 Tussendoor beschrijft van Essen de aftakeling van zijn vader. Ook daarin spaart hij zijn vader (en vooral ook zichzelf) niet. 
Mijn vader heeft een gesprek met de cardioloog van het ziekenhuis gehad. Toen hij te horen kreeg dat hij een heel slecht, versleten hart had, moet hij in huilen zijn uitgebarsten. Eigenlijk valt dat me tegen. Het is een ergernis waar ik me voor schaam, maar ik voel me toch een beetje bekocht.
De beschrijvingen van het aflopende leven van de vader deden me denken aan Het verzet van Harmen Wind. Ook daar was er de ongemakkelijkheid van omgang tussen vader en zoon en ook daar straalde de warmte door de beschrijvingen heen. Juist door die warmte, die genegenheid tegen wil en dank, kunnen de moeilijke dingen gezegd worden, kunnen de negatieve kanten van de vader genoteerd worden. Daardoor ook is Het jaar waarin mijn vader stierf in zijn beste passages een ontroerend boek. 

donderdag 3 juli 2025

Afgestoft: Langzame wals (Robert Haasnoot)

Mijn agenda loopt vol, maar gelukkig heb ik vaak nog een oude recensie bij de hand, zoals deze: over Langzame wals (2008) van Robert Haasnoot. De bespreking was eerder te lezen in Nederlands Dagblad van 12 december 2008. Ik dacht dat ik meer recensies van Haasnoot op Bunt Blogt had staan, maar ik vond alleen die van Duinbrand (2020, link onderaan), terwijl ik zeker weet dat ik ook Waanzee (1999), Steenkind (2002) en De heugling (2005) heb gelezen. Maar blijkbaar heb ik over die boeken niet geschreven. 

Hoe het de komende tijd met de recensies gaat, moet ik nog even zien. Vrijdag tot en met zondag ben ik de hort op, dus dan komt er van schrijven in ieder geval niets. En volgende week werk ik zes dagen en ik vermoed dat ik niet elke avond nog puf heb om wat te plaatsen. 

Het plan is om nog een bespreking te plaatsen van Take 7 (2007). Verder probeer ik tijd te vinden om nog iets te schrijven over Ignatia Lubeley en over de dikke graphic novel Soldaat-hovenier van Joris Versmassen. En intussen lees ik in verloren kwartiertjes natuurlijk gewoon door. 


Lodewijk Pincoffs, een beminnelijke oplichter 


Lodewijk Pincoffs (1827-1911) heeft veel verdiensten: hij gaf in Rotterdam de aanzet tot de havenuitbreidingen en hij was onder andere betrokken bij de oprichting van de Holland-Amerikalijn, de Rotterdamsche Bank en de vestiging van de Heinekenbrouwerij in de Maasstad. Hij was raadslid, lid van de Provinciale Staten en lid van de Eerste Kamer. Twee keer werd hij gevraagd om minister van Financiën te worden, maar die verzoeken wees hij van de hand. Pas na heel veel jaren werd hij in Rotterdam ook geëerd. Eind vorige eeuw werden er een plein, een brug en een straat naar hem vernoemd. Intussen heeft hij ook zijn standbeeld en is er een hotel dat zijn naam draagt. 

Pincoffs was zeer bemiddeld. In 1872 richt hij de Rotterdamsche Handelsvereeniging op met een kapitaal dat voor die tijd formidabel is: vijftien miljoen gulden. Het lijkt of niets hem kan deren, maar aan zijn Afrikaansche Handelsvereeniging verliest hij alleen maar en uiteindelijk kost hem dat de kop. Hij neemt via Frankrijk en Engeland de wijk naar de Verenigde Staten, een schuld van miljoenen achterlatend.

Fraudeur 

Een man met een interessant leven dus. Dat moet ook Robert Haasnoot gedacht hebben, die Pincoffs koos als hoofdpersoon voor zijn nieuwe roman, Langzame wals . Hij laat ons Pincoffs zien in het Amerikaanse plaatsje Paterson, de geboorteplaats van de auteur. Pincoffs is in gesprek met Emma, die wacht op haar man, die onder de invloed gekomen is van de Fenianen, een groep anti-Engelse Ieren. Hij is verdwenen en Emma weet niet waarheen. 

Stukje bij beetje krijgen we de geschiedenissen van Emma en Lodewijk te horen. Haasnoot krijgt het voor elkaar de lezer meteen het verhaal in te trekken en hem niet meer los te laten. We worden meegesleept en willen alleen nog maar doorlezen. Al snel weten we dat Pincoffs niet alleen een knap zakenman is, maar ook een fraudeur. Toch verliest hij niet de sympathie van de lezer, waarschijnlijk omdat je de omstandigheden meer als de oorzaak ziet dan het karakter van Pincoffs. 

Hoe interessant het verhaal van de gevluchte zakenman ook is, blijkbaar vond Haasnoot het niet voldoende, want hij gaf ook Emma een verhaal. Ook dat verhaal is best de moeite waard, maar de vraag is wat het in dit boek doet. Het zal wel de bedoeling zijn geweest dat de beide verhalen een soort langzame wals aangingen om in één dans op te gaan, maar dat is toch eigenlijk niet gelukt. Het blijven twee losse verhalen van twee mensen die elkaar min of meer toevallig ontmoeten. 

Mij stoorde dat, al moeten we misschien niet zoveel coherentie van een boek verwachten. In het werkelijke leven komen ook mensen elkaar tegen die verder weinig meer gemeen hebben dan de tijd en de plaats waarop ze elkaar ontmoeten. 

Kwetsbaar 

Haasnoot heeft vooral een mooi boek geschreven, waarin twee mensen tot leven komen: een verzonnen vrouw en een Joodse zakenman die echt bestaan heeft. Ze zijn van vlees en bloed en je leeft met ze mee, je hebt met ze te doen, alsof je ze kent. 

Je merkt hoe verbeten Emma erachter probeert te komen wat er met haar man is gebeurd, hoe ze probeert grip op de zaken te krijgen, en hoe ze daarbij bereid is over grenzen te gaan. En van Lodewijk vraag je je af of het hem lukt om uit handen te blijven van degenen die hem willen laten boeten voor zijn boekhoudstrapatsen. 

Deze mensen komen elkaar min of meer toevallig tegen. Ze praten met elkaar, omdat ze landgenoten zijn en op die manier schuilen ze ook een beetje bij elkaar. Emma is er niet op uit om Lodewijk te verleiden en hij is niet uit op een lichamelijk avontuurtje, maar je merkt dat hij toch niet ongevoelig voor haar is en hoe hij uiteindelijk haar nabijheid nodig heeft als troost. Op dat moment is Lodewijk, die kort daarvoor een machtig man was, heel erg kwetsbaar en dat is ronduit ontroerend. 

Zo schetst Haasnoot een geloofwaardig en veelzijdig beeld van een gecompliceerd mens. Pincoffs werd bij verstek veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf. Hij probeerde nog wat te verdienen in de sigarenhandel, maar dat lukte niet best. Uiteindelijk stierf hij in behoeftige omstandigheden. 

Recensies van ander werk van Robert Haasnoot:

woensdag 25 juni 2025

Afgestoft: Verzameld werk (J.M.A. Biesheuvel)

Het verblijf in Griekenland, bij mijn zoon en schoondochter, zit er weer op, en er ligt weer veel op mijn bureau. Ik moet dus even zien wanneer ik aan nieuwe recensies toekom. De bedoeling is dat ik, deze week of volgende week, ga schrijven over Kijk niet om! van Michelle van Dijk. Tot dan plaats ik af en toe nog iets ouds, zodat je in ieder geval minimaal drie keer in de week iets te lezen hebt. 

Deze keer heb ik een recensie afgestoft die op 10 oktober 2008 in het Nederlands Dagblad stond. Onderwerp van bespreking is het Verzameld werk van J.M.A. Biesheuvel, dat werkelijk prachtig uitgegeven werd. Het staat niet meer in mijn boekenkast. Ik kon er iemand een plezier mee doen en toen heb ik het weggegeven. 

Veel van het werk van Biesheuvel had ik al gelezen, toen het Verzameld werk verscheen. In de recensie noem ik De verpletterende werkelijkheid, maar daarvoor had ik In de bovenkooi (1972) en mogelijk ook Slechte mensen (1973), al noem ik dat laatste boek niet in het stuk dat ik schreef als In Memoriam. Daarin geef ik een beeld van mijn leesgeschiedenis wat betreft het werk van Biesheuvel. 

Daarin vertel ik ook dat ik in het Verzameld werk 'hier en daar een verhaal' gelezen heb. Dat kan niet kloppen, want ik recenseerde het en dan moet ik het werk goed gelezen hebben. Niet alles wat ik al kende heb ik herlezen. Dat kan kloppen. 

Het werk van Biesheuvel is mij sympathiek, al is de herinnering eraan misschien beter dan het werk zelf. Daar zal ik mee geconfronteerd zijn tijden het lezen van dit Verzameld werk. 

Ik schreef over Biesheuvel:

     Een zerk in de boekenkast

 Maarten Biesheuvel is geëerd met de P.C. Hooftprijs en zijn uitgever eert hem met de uitgave van het verzameld werk. Drie kloeke delen dundruk met in elk een leeslint, prachtig gedaan. Behalve alle eerder gebundelde verhalen van Biesheuvel bevat dit Verzameld werk ook het fotoboek Biesboek, een artikel van Karel van het Reve waarin hij Biesheuvel vergelijkt met Tsjechov en een bio-bibliografische schets door Onno Blom. Wie deze drie delen in huis heeft, heeft dus werkelijk Biesheuvel compleet.

Toen de schrijver vorig jaar de P.C. Hooftprijs kreeg toegekend, was dat een regelrechte verrassing: hij had immers sinds het eind van de jaren tachtig nauwelijks gepubliceerd en zijn laatste bundels waren bepaald niet lovend besproken. Het leek wel of men Biesheuvel een beetje moe was.

Velen spraken wel hun verbazing uit over het feit dat juist Biesheuvel een van de meest prestigieuze prijzen in de Nederlandse letteren ontving, maar weinigen heb ik erover horen mopperen. Dat zal enerzijds te maken hebben met welwillendheid ten opzichte van de auteur. Van Biesheuvel kennen we niet alleen zijn verhalen, maar ook zijn leven; zijn uiterlijk, zijn nasale stem, zijn gewoonten, zijn wanen en zijn angsten. Vaak is hij gefilmd en geïnterviewd en de literatuurliefhebber zal Bies zo'n beetje als een goede kennis beschouwen, die hij wel een meevaller gunt. Anderzijds heeft Biesheuvel ongetwijfeld een oeuvre bij elkaar geschreven dat met dat van geen enkele andere schrijver in de hedendaagse Nederlandse letteren is te vergelijken. Alleen al de klassieker 'Brommer op zee' getuigt van een absurdisme dat veel auteurs niet aan zouden durven.

Absurd

Vaak beginnen Biesheuvels verhalen op een klassieke, clichématige manier: 'Noud van Houten, een eenzame en verlegen man van vierendertig jaar, zat in een hoekje in het zand en de zon brandde genadeloos op de overkapping waar hij onder zat.' Of: 'Peter en Neeltje Glazemaker zitten met Kerstmis in de huiskamer, het is winter, en buiten sneeuwt het.' Of: 'Als je roeit in een ouderwetse vissersboot in de buurt van een stad, kun je vaak iets grappigs of absurds meemaken.' En daarna ontrolt zich het verhaal. Je krijgt te lezen wat je eigenlijk al verwacht: bijvoorbeeld dat iemand in zo’n vissersboot dan ook iets merkwaardigs meemaakt, zeker wanneer het verhaal ook nog ‘In de roeiboot’ heet.

Het gevolg is wel dat je door blijft lezen, want je wilt weten wat precies dan dat grappige of absurde voorval is. In het roeibootverhaal is dat eigenlijk nogal een mager gegeven: de ikfiguur zit in zijn boot op een stil plekje te luisteren naar de merels, als er iemand aankomt die denkt dat hij zit te vissen. De man begint een gesprek, terwijl de roeier dat niet wil; hij wil immers naar de merels luisteren. Als de man merkt dat de roeier helemaal niet aan het vissen is, begint hij te schelden, de roeier roeit zijn bootje naar huis en gaat op zijn kamer zitten, tegen zichzelf zeggend dat het zijn eigen schuld is. Hij had meteen moeten zeggen dat die man weg moest gaan, omdat hij naar de vogels zat te luisteren. "Het ergste is dat ik geen tweede keer tegen het vallen van de nacht op dezelfde plek naar de merels durf te gaan luisteren omdat er dan misschien nog iets gekkers gebeurt!" Verhaal uit.

Zerk

Ach, aardig om te lezen, maar eigenlijk niet veel meer dan dat. Stilistisch is het wel opmerkelijk (al die bijvoeglijke naamwoorden!), maar je raakt bepaald niet onder de indruk van de kwaliteit. De enige zin die ik nog eens herlezen heb, is: 

Alle mensen hebben weleens zorgen, nu was ik van zorgen verlost, de boot gleed zo soepel door het water en mijn riemen maakten van die lieflijke kolkjes, net kuiltjes in de wangen van een mooie glimlachende vrouw.

De vergelijking van de kolkjes met de kuiltjes in de wangen is mooi gevonden, maar meteen is het weer overbodig om de vrouw te laten glimlachen. Dat ze de kuiltjes waarschijnlijk niet heeft als ze chagrijnig kijkt, kunnen we zelf ook wel bedenken. Van het Reve vindt dat Biesheuvel met Tsjechov te vergelijken is omdat hij onbekommerd clichés gebruikt en vanwege het feit dat hij de gemoedstoestand van een personage beschrijft in plaats van toont. Dat mag zo zijn, maar dat wil niet zeggen dat dat kwaliteiten zijn.

Het herlezen van het werk van Biesheuvel is me niet meegevallen. Het lukt hem wel van tijd tot tijd om te boeien, om je mee te nemen het verhaal in en je vast te houden, ondanks alle uitweidingen, maar te vaak vond ik het allemaal niet meer dan ‘aardig’. De bundel De verpletterende werkelijkheid, een van de bundels waar ik, als mijn geheugen me niet bedriegt, indertijd van genoten heb, heb ik maar niet meer herlezen, zodat ik in ieder geval de goede herinnering heb behouden.

Overigens valt bij herlezing van Biesheuvels verhalen op dat het christelijk geloof er geen grote rol in speelt, hoewel men dat veelal wel aanneemt.

Ik gun Biesheuvel van harte deze mooie uitgave, maar ik vrees dat het tegelijkertijd de zerk is op het graf van zijn oeuvre. Misschien is dat maar goed ook. We kunnen af en toe voor die zerk blijven staan en het goede gedenken van de verhalen waar we ooit van genoten hebben. Veel meer zit er, vrees ik, niet in.

donderdag 19 juni 2025

Afgestoft: Witte veder (Sanneke van Hassel)

Korte verhalen zouden meer gelezen moeten worden en meer gewaardeerd. En we hebben ze te kust en te keur. Kijk maar in je boekenkast: F.B. Hotz, Mensje van Keulen, J.M.A. Biesheuvel, Hermine de Graaf, Maarten 't Hart, Manon Uphoff, Jamal Ouariachi, Fleur Bourgonje, Hellema, Nelly Heykamp, Frans Kellendonk. En Sanneke van Hassel natuurlijk. 

Hier heb ik al heel wat recensies van boeken van haar geplaatst, maar ik kwam er kort geleden achter dat de recensie van Witte veder (2007) hier nog nooit geplaatst is. Hij was eerder te lezen in Nederlands Dagblad van 31 augustus. Helemaal onderaan zal de links naar besprekingen van ander werk van haar plaatsen. 



Speuren naar een streepje licht

Sanneke van Hassel debuteerde in 2005 met IJsregen, een bundel met bijzonder sterke korte verhalen. Haar tweede bundel Witte veder is net zo prachtig en krachtig als haar debuut 

De hoofdpersonen in Van Hassels verhalen staan er vaak alleen voor: een zwangere vrouw in de tram, een bejaarde man wiens nieuwe geliefde een reis maakt, een moeder die wacht op haar kind, een schrijfster die voor de radio moet voorlezen, terwijl haar vriend een vrouw op bezoek heeft. Vaak verkeren ze in niet zulke prettige situaties en moeten ze zichzelf zien te redden. 

Dat doen ze zo goed en zo kwaad als ze kunnen. 'Ik zit hier goed,' zegt de dementerende vrouw die haar kleindochter op bezoek heeft. Maar ze weet niet of het juli of december is, ze kan de afwas niet goed meer doen, vergeet het licht aan te doen, hoewel het al donkert, gooit bijna niet alleen de verwelkte bloemen maar ook de vaas in de prullenbak. Haar toon is opgewekt, maar de situatie is uitzichtloos. Het verhaal is geschreven zonder enig sentiment. Een enkele keer kom je te weten wat de kleindochter vindt. Als ze melkresten in een schoon glas aantreft, vraagt ze zich bijvoorbeeld af of de thuiszorg de kastjes niet controleert, verder geen emoties. Of liever gezegd: Van Hassel benoemt de emoties niet, maar ze roept ze natuurlijk wel op. Het is aan de lezer om boos te worden om de toestand van de oude vrouw of om mededogen te voelen. 

Tuimelbeker 

Dat maakt de verhalen prettig om te lezen; de schrijfster zit je niet in de weg met haar uitleg, ze vraagt je niet dwingend haar te volgen, maar ze toont slechts de situaties en jij kunt bepalen wat je daarvan vindt. Tenminste, die suggestie wekken Van Hassels verhalen, maar intussen weet ze maar al te goed waarmee ze bezig is. In 'Nader' bijvoorbeeld krijgt een echtpaar een kunstenares te eten. De vrouw des huizes moet zich bekommeren om haar twee kinderen en ook nog de maaltijd bereiden, terwijl haar man zich met het bezoek bezighoudt. 
Klaas en Madeleine lachen, haar trui valt open als ze naar voren buigt en dat doet ze veelvuldig. 
Is het verontwaardiging? Het gevoel afgewezen te zijn? Je weet het niet precies. De vrouw ervaart het waarschijnlijk als onprettig, maar het wordt net niet gezegd. Verder op de avond, als Klaas en Madeleine gezoend hebben: 
Klaas doet een stap opzij, veegt zijn mond af en kijkt tersluiks naar mij. Koeltjes droog ik een nog niet afgewassen tuimelbeker af. 
Zo'n laatste zin is precies raak. De vrouw wil niets laten merken, maar intussen is ze verward. En dan is het ook nog een tuimelbeker, die ze in haar handen heeft. Een beker die haar wijst op haar moederschap en die grote afstand schept tot de wellust van haar echtgenoot. 

Het verhaal eindigt met: 
Ik ruim de kamer op. Eén muur heb ik groen geverfd, dat vinden de kinderen leuk, dacht ik. Zij hebben er niets over gezegd en Klaas ook niet, maar ik denk dat het invloed heeft, ook dat ik af en toe bloemen koop of de bank verplaats.
De troost van de illusie. Als lezer vermoed je dat het allemaal niet uitmaakt, dat het bestaan van de vrouw vrij troosteloos blijft, maar heel misschien heeft ze gelijk. Eigenlijk geldt dat voor nagenoeg alle verhalen: ze beschrijven een wereld waarin het maar moeizaam leven is, maar misschien valt het mee, misschien staat de deur op een kier en valt daardoor een streepje licht. Vaak blijven de personages daarnaar speuren. In hun naïviteit, hun optimisme of hun moed. En wij hoeven alleen maar te genieten van de subtiliteit waarmee Sanneke van Hassel ons dat allemaal presenteert. Wat ze serveert, eten we met kleine hapjes, maar eigenlijk willen we meer. Meer, meer! Kom op met de volgende bundel, Van Hassel!

Eerder schreef ik over:
IJsregen (2005)
Nest (2010)
Ezels (2012)

dinsdag 17 juni 2025

Afgestoft: Negen levens (Robert Anker)

Deze keer stof ik een recensie af van een boek dat een beetje weg was uit mijn geheugen, Negen levens van Robert Anker. De bespreking stond op 6 januari 2006 in het Nederlands Dagblad. Anker is een geweldig dichter en ik bewaar goede herinneringen aan bundels als Waar ik nog ben (1979), Van het balkon (1983) en Nieuwe veters (1987). 

Van zijn proza las ik in ieder geval De thuiskomst van kapitein Rob (1992), Vrouwenzand (1998) en Fortuyn en liefde (2009). Van dat laatste boek heb ik nog ergens een recensie. Die zal ik nog plaatsen. Ik denk dat Ankers bekendste boek Hajar en Daan (2004) is en dat heb ik weer niet gelezen. Dat had ik eigenlijk wel moeten doen, want het komt geregeld op boekenlijsten van leerlingen voor. Ik ga het ook wel lezen. Beloofd! Maar het kan even duren. En ik wil ook Een soort Engeland (2001) lezen. Dat werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs. 

Het is raar wat het geheugen doet met je herinneringen. Mijn recensie van Negen levens is nogal zuinig, terwijl in mijn herinnering het een aardig boek is, al had ik niet meer heel goed geweten waarover het ging. In de recensie lees ik dat ik Vrouwenzand een goed boek vond, terwijl er in mijn geheugen de sticker 'gaat wel' op geplakt is, net als op Fortuyn en liefde. Ik zou de boeken moeten herlezen om te controleren in hoeverre dat klopt. Maar er zijn nog honderden boeken die ik nog niet gelezen heb en die zullen wel weer voorgaan. 


Vermoeiend veel herinneringen


In 1980 schreef Walter van den Broeck de roman Brief aan Boudewijn, een roman die inderdaad een lange brief is aan de toenmalige koning van België. In het boek voert de kleine Walter de koning aan de hand mee door het dorpje waarin hij is opgegroeid, Olen in de Kempen. De koning en de verteller bezoeken huis voor huis en komen uiteindelijk aan bij het geboortehuis van Van den Broeck waar de koning Walter, de schrijver in spe, zijn koninklijke vulpen aanreikt. Het boek maakte indruk: het beleefde herdruk op herdruk en de toeristen kwamen met bussen naar Olen om te kijken naar de werkelijkheid achter het boek.

Rober Anker doet nu in Negen levens iets soortgelijks. Hij schetst een zelfportret aan de hand van het dorp waarin hij gewoond heeft, Oostwoud, in de buurt van Hoorn. Van den Broeck werkte langzaam naar het huis van zijn jeugd toe, Anker begint ermee. Hij verkent in het eerste hoofdstuk het huis 'op dreumeshoogte' en daarna volgt de omgeving van het huis en de rest van het dorp. Daarin hanteert hij een minder strakke structuur dan Van den Broeck. 

Hete thee 

Hoewel er in elk hoofdstuk wel een kern te ontdekken valt waaromheen het vertelde draait, heb je na veel lezen in Negen levens toch vooral het idee dat er een emmer met herinneringen over je uitgestort wordt. Dat is niet altijd onaangenaam. Vooral in het begin van het boek beleefde ik af en toe dat er bij mij herinneringen wakker geschud werden aan mijn eigen jeugd en mijn eigen dorp. Hete thee (of was het koffie?), schrijft Anker, werd op het schoteltje gegoten om af te koelen en ik zie weer voor me hoe dat bij mij thuis (altijd haast, want men moest weer aan het werk) ook gebeurde. Jarenlang had ik dat beeld niet meer voor me gezien. 

Hoe verder je in het boek leest, hoe meer je de indruk krijgt dat Anker Negen levens vooral voor zichzelf heeft geschreven, dat hij tijdens het schrijven zich verbaasd heeft over hoeveel herinneringen er boven kwamen en dat hij al die herinneringen toen ook maar opgeschreven heeft. Niet alle herinneringen zijn voor de lezer echter interessant. Dat moeder voor de grap letters verwisselt (een scheetje beef, het piest precas, de verkante keer, Heetboven) wordt gepresenteerd als iets grappigs, maar het zijn juist de voorbeelden die iedereen al kent en die het lezen dus eigenlijk niet waard zijn. Personages komen tot leven wanneer de schrijver ze iets eigens meegeeft, niet wanneer we over hen datgene lezen wat we van veel anderen al kennen. 

Ambachtsschool 

Om te laten zien hoe authentiek het allemaal is wat hij vertelt, heeft Anker ook foto's in het boek opgenomen, waarbij ook precies verteld wordt wie er allemaal op de klassenfoto's staan. Leuk voor de heemkundige kring, maar het zal de gemiddelde lezer niet interesseren of het meisje links vooraan nu Rietje Wagenmaker of Anneke Blokker heet. 

Hetzelfde geldt voor de beschrijving van de omgeving: 
Links de watertoren en de ambachtsschool, rechts een laboratorium dat iets met koeien en melk te maken had en dan hobbelden we over de spoorrails of moesten we wachten voor de spoorbomen om de trein naar Alkmaar of Amsterdam te laten passeren. Aan de overkant de Ford-showroom van Geerling & Winkel.
Het zal wel. Als er over watertoren, ambachtsschool, laboratorium en showroom verder niets verteld wordt, zegt het allemaal weinig. Je leest het en je bent het weer kwijt en eigenlijk gaat het met de personen al net zo: 
Naast ons woonde buur Hutje, geboren Ott, weduwe van Gerben Smit, de man van de duizend sigaren in tien weken.
Ik vermoed dat die sigarenroker eerder in het boek genoemd is, maar ik kan het me niet meer herinneren. 

In Negen levens verwijst Anker enkele keren naar twee van zijn andere boeken: De thuiskomst van kapitein Rob en Vrouwenzand. Beide boeken heb ik gelezen en ik meen me zelfs te herinneren dat ik het goede boeken vond. Maar ook van die boeken weet ik niet meer waarover ze gingen. Natuurlijk ligt dat aan mij, maar nu ik Negen levens gelezen heb, begin ik te vermoeden dat het ook aan Rob Anker ligt. Over een paar jaar weet ik over Negen levens waarschijnlijk niet veel meer dan dat het over Ankers jeugd in een dorpje ging. Sympathiek boek, met vermoeiend veel herinneringen. Meer zal er wel niet van overblijven. 

Ik kan het mis hebben, maar ik vermoed dat de bussen met literaire toeristen die naar het Olen van Walter van den Broeck gingen, het Oostwoud van Robert Anker niet aan zullen doen.

dinsdag 3 juni 2025

Afgestoft: Waar was je nou (K. Schippers)

Na de afgestofte recensies uit de jaren tachtig en negentig is het wel weer eens tijd voor een recensie uit deze eeuw. Het is die van Waar was je nou van K. Schippers. Wat ik daarover schreef, verscheen op 6 augustus 2005 in het Nederlands Dagblad. 

Schippers is een van mijn lievelingsauteurs. In zijn boeken gebeuren dingen die in de werkelijkheid niet kunnen en die toch geloofwaardig zijn. Dat maakt het lezen van zijn boeken tot een avontuur. Tomas Lieske is een vergelijkbaar auteur. 

Vaak zijn er meer werkelijkheden in de roman en iemand kan soms van de ene werkelijkheid overstappen naar de andere, gewild of ongewild. Bij Lieske vind je dat bijvoorbeeld in romans als Door de waterspiegel en De vrolijke verrijzenis van Arago. Links naar wat ik over andere boeken van Schippers geschreven heb, plaats ik onderaan. 

In de recensie zoals die in het Nederlands Dagbald stond kwam een enorme fout voor, die ik intussen gecorrigeerd heb. Ik noemde een film van Woody Allen. Bedoeld was The purple rose of Cairo, maar ik schreef The yellow rose of Texas. Dat is echter een lied. Daarover is een heel verhaal te vertellen, maar dat is iets voor een andere keer of een andere plaats. Ik realiseer me dat ik deze fout vaker heb gemaakt, al weet ik niet precies meer waar. 

Bij het nalezen van de recensie, herinnerde ik me weer dat de roman begint met iemand die zich buitensluit. Dat doet me nu denken aan Raam, sleutel van Robbert Welagen.

Van Waar was je nou heb ik heel erg genoten. Zo speels, maar ook zo weemoedig. En in zo'n heerlijke stijl! Nu ik mijn recensie herlezen heb, bedenk ik dat ik ook weer eens wat van Schippers zou moeten herlezen, maar meestal komt van zo'n voornemen niets terecht. Op mijn laptop heb ik nog een recensie van De hoedenwinkel (2008). Die zal ik hier een keer plaatsen. En er zijn ook nog romans van Schippers die ik niet gelezen heb, zoals Vluchtig eigendom (1993) en Poeder en wind (1996). Die moest ik ook maar eens zien op te duikelen. 

Van de recensie hieronder vind ik dat die vrij plotseling ophoudt. Mocht ik maar een beperkt aantal woorden gebruiken en zat ik aan de limiet? Ik weet het niet meer. De tussenkopjes zijn waarschijnlijk niet door mij bedacht, maar door een redacteur. Ik heb ze laten staan. 

Als je nog niets van Schippers gelezen hebt, is Waar was je nou overigens een uitstekende roman om mee te beginnen. 


Taalplezier, kijkplezier  

K. Schippers schrijft aanstekelijke roman 


Het lijkt een onbetekenend voorval: iemand zegt tegen zijn Turkse groenteman 'tien pers', waarop de man de sinaasappels pakt. De klant prijst hem, dat hij het Nederlands zo goed begrijpt. 'Alleen hier', antwoordt de groenteman, 'Buiten niet.' 

Dit is een korte scène aan het begin van de roman Waar was je nou van K. Schippers. De klant is de hoofdpersoon, Ruud, die naar buiten loopt en zich afvraagt wat de groenteman bedoeld kan hebben. Hij concludeert dat de man het Nederlands slechts beheerst voorzover het met zijn koopwaar te maken heeft. Buiten de winkel is hij onthand: hij zal het woord niet weten voor dakgoot of merel. Zijn taal is in twee stukken opgedeeld. Tijdens eerste lezing hobbel je over zo'n voorval heen: je volgt verder het verhaal en vergeet de groenteboer, maar bij het terugbladeren valt op dat het zo'n beetje de hele roman gaat over twee werelden, een wereld waar je bij hoort, waarin je participeert en een wereld waar je niet bij kunt. Niet voor niets opent Waar was je nou met Ruud die de deur van zijn huis achter zich dichttrekt, zonder dat hij zijn sleutels bij zich heeft; hij heeft zich buitengesloten, heeft geen toegang meer tot zijn dagelijkse wereld. 

Momentopname 

Ruud gaat naar het huis van zijn moeder, die een paar maanden eerder overleden is. Als eigenaar van een fotozaak heeft hij vooral aandacht voor de foto's die zijn moeder maakte. Ook een foto toont een andere wereld dan die waarin je leeft. Het is een opname van een moment. Er is tijd aan voorafgegaan, er is tijd op gevolgd, maar dat is allemaal niet te zien. Ook het tijdstip dat de foto vastgelegd heeft, is allang voorbij. 

Maar als Ruud de foto's bekijkt, kan hij zo de kleuren invullen, bedenken wat de mensen op de foto tegen elkaar zeggen, horen welke geluiden er klinken. Alsof hij niet een plaatje uit het verleden ziet, maar alsof nu gebeurt wat de foto toont. Alsof hij niet langer buiten de wereld van de foto gesloten is, maar er zo in kan stappen. 

Woody Allen deed het omgekeerde in zijn film The purple rose of Cairo: daar stapte een van de personages van het bioscoopdoek en ging zich bewegen in de wereld buiten de film. Michael Ende liet in Die unendliche Geschichte zijn hoofdpersoon deelnemen in de werkelijkheid van het boek dat hij aan het lezen was. Schippers doet iets soortgelijks als Ende: hij laat Ruud verdwijnen in de foto, de grenzen van tijd en ruimte vallen weg, Ruud is weer terug in de tijd toen hij nog een kind was. Hij kan daarin rondlopen met het bewustzijn en de kennis van de volwassene, genieten van wat voorbij hoort te zijn, maar toch nog even is. Ruud weet hoe hij terug moet komen in de werkelijkheid van buiten de foto, maar hij wil ook graag een tastbaar bewijs meenemen naar het heden: een broche van zijn moeder, die ze wel eens uitleende aan haar vriendin Chris. 

Schippers speelt een magnifiek spel met verschillende werkelijkheden, verschillende werelden. Overal zie je parallellen en spiegelingen en steeds weer moet je je afvragen hoe werkelijk deze werkelijkheid nu weer is. 

Pink 

De hechte compositie dwingt bewondering af. Maar er is meer. Door de oude foto's hangt er in het boek een milde weemoed, die niet sentimenteel wordt. Het kan bijna niet anders of bij de lezer verschijnt automatisch een glimlach op zijn gezicht. 

En dan zijn er nog de scherpe observaties, de precieze stijl. Zelfs met een pink van zijn schrijfhand schrijft Schippers korte uitweidinkjes als: 
In het café heeft Slim haar pink niet onder controle. Het is de vinger die nauwelijks iets doet en toch is hij niet te vertrouwen. Min of meer werkeloos begeleidt hij haar gebaren, als een versiering bijna, een vrije vinger die niet meedoet aan drinken, eten, een deur openmaken, vlug even over je voorhoofd wrijven. Hij is de edelman onder de vingers. Zelfs als Slim thuis in een pan roert, zweeft de pink in het niets, heeft hij de allure van de getuige die minzaam toekijkt, terwijl de andere vingers het vuile werk opknappen.
Taalplezier. Kijkplezier. Waar was je nou is een aanstekelijk boek.

Verder schreef ik over:

woensdag 14 mei 2025

Afgestoft: Sysiphus' bakens (Jeroen Brouwers)

Het is examentijd en dat betekent ook: correctietijd. De eerste groene enveloppen van de Staatsexamens, vol met betogen en beschouwingen, liggen alweer op mijn bureau en daar komen ook nog de centrale examens bij. Deze week zal ik ook nog controleren en mijn zoon is weer binnen de landgrenzen, wat ook tijd vraagt, die ik overigens graag besteed. Maar het kan zijn dat ik daardoor niet elke werkdag hier iets kan plaatsen. 

Wel heb ik tot nu toe dapper doorgelezen, dus binnenkort zal ik wel melden wat je nog te verwachten hebt. 

Voor vandaag heb ik een oude recensie afgestoft, op 15 mei 2009 gepubliceerd in het Nederlands Dagblad. Het is een van de 'Feuilletons' van Jeroen Brouwers, dat hij wijdde aan twee zaken: iets met het koningshuis en vooral de gang van zaken omtrent de Prijs van de Nederlandse Letteren, die een jury hem ooit toebedacht had, maar die Brouwers zou weigeren. Vooral over de toenmalige minister, Ronald H.A. Plasterk is Brouwers niet te spreken. 

Ik hou van de polemieken van Brouwers, die altijd onderhoudend en scherp zijn. Als je ze leest, heb je de neiging het met hem eens te zijn, al is hij ook wel eens uit de bocht gevlogen. Over Brouwers heb ik al veel geschreven. Onderaan voeg ik een lijst met links toe. Die kun je aanklikken en dan kun je verder lezen over Brouwers, maar het is natuurlijk nog beter om het werk van Brouwers zelf te lezen. 

Haantje Hoedemans en de hakstroprijs 


Het is alweer twee jaar geleden dat Jeroen Brouwers de prijs toegekend werd die ooit De Grote Prijs der Nederlandse Letteren heette. In 2007 was dat 'Grote' er al af. Brouwers weigerde de prijs. Omdat het bedrag te laag was, lazen we in zo'n beetje alle artikelen erover. 

Even was er geritsel in de krantenpagina's, even was de literatuur nieuws en daarna was het weer stil. Nou ja, de Taalunie besloot om voor volgende laureaten het bedrag te verhogen van 16.000 euro naar 60.000 euro, waarvan de schrijver 40.000 werkelijk op zijn bankrekening bijgeschreven zou krijgen. Brouwers had daar natuurlijk niets meer aan. 

Voor de lezer is het maar goed dat de zaken gelopen zijn zoals ze gingen: die heeft nu Sisyphus' bakens tot zijn beschikking, een 'vloekschrift', zoals Brouwers het noemt, waarin de schrijver eens haarfijn uit de doeken doet hoe de gang van zaken omtrent de Prijs was en wat hij daarvan vindt. Achter in het boek staat, zoals altijd bij Brouwers, een namenregister, zodat elke acteur in het drama opzoekbaar is. De bibliografie die daarna opgenomen is, is niet compleet: de laatste 'Feuilletons' pasten niet meer op de bladzijde en blijkbaar wilde de uitgever voor het geringe bedrag het boek niet nog dikker maken.

Cultuurkukel 


Eigenlijk maakt het niet zoveel uit of je het met Brouwers eens bent of niet: je geniet van de trefzekerheid van zijn stijl. Bovendien zijn Brouwers' polemieken uiterst vermakelijk. Een van de running gags is bijvoorbeeld dat de Prijs steeds terugkomt onder een andere benaming: hakstroprijs, fopspeenprijsje, kippenverenprijsje, holle-kiesprijs, confettiprijsje, poffertjesprijs, kliekjesprijs, ezeltjeprikprijs en meer nog, veel meer. 

Naast de Taalunie moet vooral minister Ronald H.A. Plasterk het ontgelden. 'Haantje Hoedemans' wordt meestal aangeduid met 'Ha!', maar hij krijgt ook wel benamingen en kwalificaties mee als Jantje Pedantje, kaviaarsocialist, cultuurkukel, debuterend ministerbaasje, hopman Ha! met zijn hoedje en gitaartje. Niet altijd even fijnzinnig, dat is zo, maar als je het hele verhaal leest, krijg je er wel begrip voor. Het is namelijk niet zo dat Brouwers de prijs geweigerd heeft vanwege het in zijn ogen te lage bedrag, maar vanwege de overduidelijke onwil van Plasterk om iets aan het bedrag te doen, waarbij hij eenvoudig zijn Vlaamse collega Bert Anciaux, die een volstrekt andere mening had, opzij schoof. Brouwers: 
Vanwege die kwade wil, vanwege die starre verbetenheid bij het uitkrassen van veto's over reële mogelijkheden tot reanimatie van dode dingen als reglementen, vanwege die Hollandse neerbuigendheid tegenover Vlamingen, vanwege dat jezuïtische Haagse gelieg tegen mij, besloot ik de mij toegeschoven oneer niet te accepteren. Om deze redenen, en om geen enkele andere, besloot ik de Nobelprijs der Lage Landen, mij intussen door dit alles te onnobel, af te wijzen.

Prachtige stem 


Het is duidelijk dat minister Plasterk een bedenkelijke rol heeft gespeeld in dezen. Natuurlijk is Brouwers subjectief, maar in zijn polemieken kloppen de feiten gewoonlijk en die spreken voor zich. 

De Taalunie krijgt ook verschillende vegen uit de pan. Bijvoorbeeld omdat de organisatie een filmmaker een filmpje van een kwartier liet maken, dat volgens Brouwers niet veel voorstelde, maar waarvoor deze filmmaker wel het dubbele kreeg van het geld waarmee Brouwers' complete oeuvre geëerd zou worden. 

Heel wat minder trefzeker is Brouwers als hij spreekt over het koningshuis, waarbij hij verslag doet van een lunch, die naar ik aanneem gefingeerd is. Willem-Alexander (de toekomstige Rex Lex, kroonkurk, de oranje dansbroek) en Máxima komen er niet best van af, maar hier heeft de schrijver wel erg veel veronderstellingen nodig die later als feiten gepresenteerd worden. 

Het zal de lezer een zorg zijn. Die wil gewoon genieten van de mooie zinnen waarin Brouwers zijn woede gegoten heeft. Dat lijkt me ook het probleem van Brouwers, een probleem dat ook Multatuli al signaleerde. Toen die schreef over de uitbuiting van de Javanen, prezen velen zijn boek, maar niemand deed er wat aan. Tenminste, volgens Multatuli, die zich daarin vergeleek met een moeder wier kind in het water gevallen was. Ze schreeuwde om hulp en kreeg als reactie: ,,Mevrouw, wat hebt u toch een prachtige stem''. Ook Brouwers' stem willen we graag nog heel vaak horen, waarbij het ons niet zoveel kan schelen wat hij roept. Dat de schrijver daar weer boos om wordt, kan ik me voorstellen en het is ook terecht, maar ik vrees dat het niet anders is. 

Eerder schreef ik over andere boeken van Jeroen Brouwers:
Briefwisseling 1968 - 1986 (met Geert van Oorschot)