maandag 15 juni 2026
De koning zonder kroon (Toni Carbos)
woensdag 18 maart 2026
De laatste schaker (Max Pam)
Er zijn verschillende literaire werken waarin het schaken centraal staat. De bekendste zijn Schachnovelle van Stefan Zweig en De verdediging van Nabokov. Gerrit Krol schreef Een schaaknovelle (2002) en onlangs besprak ik Schijnoffers van Daan Heerma van Voss. Aan dat rijtje kan nu een roman toegevoegd worden: De laatste schaker van Max Pam.
Plaats van handeling is een cruiseschip waarop de grootmeester Viktor Sanders de mensen moet vermaken met het schaakspel. Zo geeft hij simultaanseances en verzorgt hij een schaakrubriek in het krantje dat verspreid wordt onder de passagiers.
Sanders heeft deze klus ooit overgenomen van de schaker Merlijn Domar in wie gemakkelijk de schaker Hein Donner is te herkennen. Pam heeft wel wat met de tijd moeten schuiven. Er hangt ergens een poster van de Netflixserie The Queen's Gambit en die kwam online toen Donner al lang overleden was. Het is verder vreemd dat er nog ergens een demonstratiebord met magnetische stukken staat. Je zou denken dat dat bord al lang door een scherm vervangen zou zijn.
Half verhuld
De naam Domar lijkt wel een beetje op Donner en Pam doet zoiets vaker om een schaker half verhuld op te voeren. Zo heet Genna(di) Sosonko in het boek Gennadi Bobonko. Sanders vindt overigens The Queen's gambit een slechte serie. Hij herkent in de hoofdpersoon stukjes van schakers die in het echt bestaan hebben en verder klopt er weinig van, vindt hij.
Schakers uit de werkelijkheid tot voorbeeld nemen voor zijn personages doet Pam ook. Aan boord is bijvoorbeeld ook de wonderlijke schaker Lunamann, die door Sanders verdacht wordt van fraude. Die heeft wel wat trekken van Hans Niemann en Sanders ontmoet ook nog de schaker Bashir Karajan, die in de verte doet denken Yasser Seirawan. Dat Sanders aangesproken wordt omdat hij een simultaan gaf in spijkerbroek doet denken aan wat er gebeurde met Magnus Carlsen die, ondanks een waarschuwing, in spijkerbroek aan het bord verscheen.
Sanders moet zich schikken naar de regels aan boord. Zo moet hij in elke simultaan een partij verliezen, zodat de winnaar of winnares een prijs kan krijgen. Het is ook niet de bedoeling dat hij zijn partijen zo snel mogelijk wint. Schaken moet amusement zijn en de deelnemers moeten er wel lol aan beleven.
Het schaken aan boord is een slap aftreksel van het schaken waar Sanders voor staat. Dat leeft nog een beetje voort in Merlijn Domar, wiens leven bijna voorbij is. Hij is een levensgenieter, een hartstochtelijk roker en drinker, waarbij schaken een onderdeel van zijn leven was. Donners dochter, Marian, komt ook nog voor in het boek. Zij schreef het Zelfverwoestingsboek, dat bij Pam The Beauty of Self-Destruction heet.
Hoogtepunt van het schaken aan boord zal een partij zijn tussen Sanders en Lunamann. Bashir helpt Sanders aan een variant die hij zelf nooit heeft kunnen gebruiken en die Sanders in de partij daadwerkelijk kan inzetten. Hoe dat precies afloopt en hoe Lunamann reageert, verklap ik niet.
Dood van Domar
De laatste schaker eindigt met de dood van Merlijn Domar. Je zou kunnen zeggen dat met hem er een manier van schaken, die ook een manier van leven was, gestorven is. Sanders heeft ook zo'n leven van grote gebaren nagestreefd, maar hij is terechtgekomen in het schaken aan boord van een cruiseschip, waarbij hij om den brode heel veel concessies moet doen. De laatste ontmoeting van Sanders en Domar is een mooi gedeelte in het boek.
Ongetwijfeld is De laatste schaker een weemoedig boek. Aan de ene kant is het ook een boek van een ouder iemand die vindt dat vroeger alles beter was, maar het is ook een heel aardig verhaal en vooral ook een pleidooi voor een leven waarin je juist geen concessies doet en zo dicht mogelijk bij je idealen blijft.
Pam zal met deze roman niet de shortlist of zelfs maar de longlist met gegadigden voor een literaire prijs halen, maar het is wel een heel aardig boek, dat vlot leest en dat ook nog ergens over gaat.
woensdag 28 januari 2026
Afgestoft: Dierbaar boek. Mein System (Aaron Nimzowitsch)
In het blad Liter was er ooit een rubriek 'Dierbaar boek' en ook ik werd gevraagd een stukje te schrijven over een boek dat mij dierbaar was. Dat stukje werd gepubliceerd in jaargang 8, nummer 38 (2005). Ik weet niet meer of ik lang moest nadenken over de keuze van het boek.
In zo'n rubriek kies je natuurlijk altijd een boek uit je verre verleden, maar als je veel gelezen hebt, zijn er altijd veel kandidaten. Het boek dat me nu als eerste te binnen schiet is Tippeltje van W.G. van de Hulst jr. dat ik cadeau kreeg op het kerstfeest van de eerste klas van de lagere school. Hoe vaak ik het gelezen heb, weet ik niet, maar het is mij altijd dierbaar gebleven.
Verder moet ik denken aan Kladboek van Jeroen Brouwers, waarvan ik ondersteboven was en aan de bloemlezingen Voorbij de laatste stad van Gerrit Achterberg en Lees maar, er staat niet wat er staat. Het waren de eerste dichtbundels die ik kocht.
Mogelijk zijn die boeken ook in mijn gedachten voorbijgekomen, maar ik koos voor een boek van een markante schaker, Aaron Nimzowitsch. Dat boek is niet alleen belangrijk geweest voor mijn begrip van het schaakspel, maar het is vooral ook geschreven in een heerlijke stijl.
Nu het Tata Steel Chesstoernooi bezig is (dat in mijn gedachten nog steeds het Hoogovenstoernooi is), lijkt het me wel gepast om mijn stukje over dit boek onder het stof uit te halen.
Mein System (1925/1926) van Aaron Nimzowitsch (1886-1935)
Achttien was ik, net geworden. In mijn boekenkast stonden nauwelijks dichtbundels: bloemlezingen uit het werk van Nijhoff en Achterberg waarschijnlijk, misschien enkele exemplaren van het tijdschrift Gedicht, dat geredigeerd werd door Remco Campert. Het zou nog bijna twee jaar duren voordat ik de verzamelde gedichten van een dichter zou kopen: Leopold, op advies van Anne Schipper.Wel had ik al een rij schaakboeken in mijn kast staan. Openingenvademecum van Frits Roessel, bijvoorbeeld, een hele reeks prismapockets van Hans Bouwmeester, plus zo'n pocket over de match Fischer-Spasski. En Euwe natuurlijk, Oordeel en plan, na bestudering van welk boek ik voor het eerst het idee had dat ik echt iets van het schaakspel ging begrijpen.
Maar toen ik net achttien was, kocht ik een boek dat niet alleen een uitstekend schaakboek was, maar dat ook nog eens zeer onderhoudend geschreven was: Mein System, van Aaron Nimzowitsch. Waarom ik juist dit boek toen aangeschaft heb (ongetwijfeld bij Van der Galie in Utrecht), weet ik niet meer. Misschien wel vanwege de blauwe, kunstleren band, met gouden letters. Een mooi ingebonden boek, dat prettig openviel, lekker rook, gemakkelijk in de hand lag. Waarschijnlijk wist ik daar in de winkel nog niet dat ik een van de meest invloedrijke schaakboeken uit de geschiedenis in mijn hand had.
Mein System verscheen oorspronkelijk in vijf afleveringen in de jaren 1925/1926. Nimzowitsch (Riga, 1886) was als schaker toen al wel bekend. Zo won hij samen met Aljechin het toernooi in St. Petersburg in 1914. Maar na een slecht toernooi in dezelfde stad, in hetzelfde jaar, verscheen hij jarenlang niet achter het schaakbord.
Niet iedereen zal dat betreurd hebben. Nimzowitsch kon in de omgang bepaald onaangenaam zijn. In een partij tegen Walter John verscheen hij drie kwartier te laat in de toernooizaal, bekeek toen eerst uitgebreid de schilderijen aan de wand, voerde een zet uit zonder te gaan zitten en wandelde weer verder. Voor de eerste zestien zetten gebruikte hij maar vijf minuten, op de zeventiende zet bracht hij een subtiel pionoffer, dat hem uiteindelijk materieel voordeel opleverde. Zijn tegenstander was toen al zo geïrriteerd, dat hij de partij niet opgaf, maar nog tientallen zetten in verloren stelling doorspeelde. Zo maak je geen vrienden.
Nimzowitsch was een sombere, ietwat boosaardige man, overtuigd van zijn eigen gelijk, ook als zijn prestaties achter het schaakbord dat niet aan konden tonen.
In geschrifte laat hij zich voor het eerst gelden in 1912 in een open brief aan dr. Siegbert Tarrasch in Deutsches Wochenschach. Tarrasch, een gerespecteerde schaakmeester, had zich laatdunkend uitgelaten over de ‘lelijke’ en ‘afschuwelijke’ zetten van Nimzowitsch. Fijntjes wijst Nimzowitsch erop dat hij met dit soort zetten wel van Tarrasch heeft gewonnen. Een jaar later valt Nimzowitsch de klassieke, orthodoxe opvattingen van Tarrasch aan in een opstel van twaalf bladzijden, dat verschijnt in de Wiener Schachzeitung onder de titel ‘Entspricht Dr. Tarraschs Die moderne Schachpartie wirklich moderner Auffassung?’
Daarna blijft het een tijdje stil rond Nimzowitsch en zijn ideeën over het schaakspel. Pas in 1923 vermeldt een Oostenrijkse schaakkrant dat Nimzowitsch in Denemarken voordrachten vol humor houdt over moderne schaakstrategie. Intussen heeft hij zijn ‘systeem’ geconstrueerd, dat de basis zal worden van wat indertijd het hypermoderne of ook wel neoromantische schaak genoemd werd.
Niet alles van wat Nimzowitsch beweert, is nieuw, maar wel nieuw is dat hij allerlei losse elementen met elkaar in verband brengt. Bovendien ontwikkelt hij technieken, die in zijn tijd zonder meer revolutionair waren. Nog steeds zal iedere schaker die termen als ‘Prophylaxe’ en ‘Überdeckung’ hoort, onmiddellijk de naam van Nimzowitsch roepen en wanneer ik op het schaakbord met een oprukkende vrijpion geconfronteerd word, spreekt nog steeds Nimzowitsch mij toe: ‘Hemmen, blockieren und vernichten!’
Mein System is een glashelder boek, waarin de schrijver zeer nauwgezet uitlegt hoe er volgens hem geschaakt moet worden. Daarbij hoort ‘der Lernende’ steeds de spreektoon waarop alles geschreven is. Ongetwijfeld komt dat door de vele voordrachten die aan het schrijven vooraf zijn gegaan.
Nimzowitsch is een meeslepend schrijver. De tweede aflevering besteedt hij onder andere aan de behandeling van de vrijpion. Maar eerst neem hij afscheid van het onderwerp uit de vorige aflevering, de open lijn:
Der aufmerksame Leser hat es bereits erraten, ja wir sind in die offene Linie geradezu vernarrt [zijn erop verliefd geworden tb], wir können sie nicht so ohne weiteres entlassen; ein letztes Abschiednehmen noch und dann noch ein allerletztes und dann ein Winken mit Tüchern: sieht sie uns noch? Ja, sie hat uns gesehen, schau, nun flüstert sie ihrem Begleiter, dem Vorpostenritter, etwas zu. Leb Wohl!- Wir zerdrücken eine Träne und wenden uns neuen Dingen zu. Nun sind es andere Helden, mit denen wir uns zo beschäftigen hätten, die Freibauern.
Het is geen wonder dat ik het schaakboek las als een avonturenroman. Zulke schaaklyriek zou ik later alleen bij de nog grotere schrijver J.H. Donner lezen, als hij het kleine schaakpionnetje op a5 liefdevol zou toespreken (‘Mooi klein ding, randpion ben je, niet meer dan één veldje mag je bestrijken. Je bent zo klein, bijna niets en je hebt de hele partij daar op je plaatsje gestaan, maar al die tijd was mijn hoop op jou gebouwd’).
Ik liet me meeslepen door wat ik las en de beelden die Nimzowitsch gebruikte, zetten zich in mij vast. Een ‘zwemverbod’ legde Nimzowitsch mij op: niet maar wat heen en weer zetten (zwemmen) maar een aanvalsdoel kiezen. Daadkracht eiste Nimzowitsch van mij, vooral tegen de vrijpion. ‘Het is een misdadiger die achter slot en grendel hoort’, schreef hij, ‘milde Masznahmen, wie polizeiliche Aufsicht seien nicht genügend!’ De ‘officieren’ moesten alle ‘kastetrots’ laten varen en zich om de nederige pion groeperen. Een afruil van zwakke pionnen wordt bij Nimzowitsch een uitruil van krijgsgevangenen, van een verdedigende toren roept hij ‘er soll sterben!’
Het zou mij niet verbazen als de makers van de film Lang leve de koningin gespiekt hadden bij Nimzowitsch. Zijn koning is werkelijk een vorst:
Met langzame passen nadert de koning het centrum. Daar aangekomen roept hij de gezamenlijke ministers en raadslieden bij zich, sterkt zich door een copieus ontbijt, consulteert zijn ministers, ontbijt nog eens (de koning ontbijt, ter onderscheiding van gewone stervelingen, tweemaal), consulteert nog een keer de bijeengekomen raadslieden en dan pas kiest hij het hem (en de raadgevers) goed dunkend krijgstoneel. (vert. tb)
Wie durft hierna nog onbedachtzame zetten met zijn koning te doen?
Ik ben Nimzowitsch, naast Euwe natuurlijk, veel dank verschuldigd, zoals de schaakwereld veel te danken heeft aan Mein System.
dinsdag 17 april 2012
Jan Timman. De geest van het spel
Het zal je gebeuren: je heet Jan Timman, je bent een geniaal schaker en er wordt een biografie over je geschreven. En dan is de biograaf John Kuipers. Tja.
Kuipers heeft ervoor gekozen om een journalistieke biografie te schrijven in plaats van een wetenschappelijke. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat hij bijna niets verantwoordt. Achter in het boek noemt hij weliswaar zijn bronnen, maar van kranten en tijdschriften wordt alleen de titel genoemd. Wat zegt het mij dat ik weet dat Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad zijn geraadpleegd? De boeken die Kuipers noemt, hebben een onvolledige titelbeschrijving.
Ook in de biografie is Kuipers bijzonder slordig, wanneer hij moet verantwoorden waar hij zijn informatie vandaan heeft. Op bladzijde 179 bijvoorbeeld citeert hij een stel krantenkoppen en hij noemt keurig de kranten waar die uit komen maar bij de laatste zegt hij alleen dat dat een kop is van 'een ander'. Over welke krant hebben we het? Maakt blijkbaar niet uit; Kuipers heeft het ergens gelezen.
Dat gerommel met bronnen maakt dat je vaak niet meer kunt zien wat nu informatie is en wat Kuipers' interpretatie van die informatie. Beroerd genoeg, maar eigenlijk vind ik dat niet het ergste. Dat is namelijk de stijl waarin het boek geschreven is.
Kuipers heeft een soort luchtigheid en misschien zelfs wel lolligheid in zijn stijl die al na een paar bladzijden tegen gaat staan. Het is gebabbel, waarmee hij waarschijnlijk aan de bar wel wegkomt, maar niet in een boek. Bovendien is hij zelf veel te veel aanwezig. Ik heb het idee dat het zicht op Timman mij steeds ontnomen wordt door de kletsende kop van Kuipers die ervoor zit.
Natuurlijk heb ik het boek wel met interesse gelezen, want het gaat over Timman. Veel nieuws staat er niet in, maar het bekende is wat geordend. Er staan aardige foto's in (al is er een foto twee keer afgedrukt) en het boek geeft ook best een aardig overzicht.
Maar een idee zit er niet achter, visie ontbreekt. Erg diep gaat het ook allemaal niet. Ik heb niet het idee dat Kuipers echt tot Timman is doorgedrongen. Daardoor bevat dit boek ook zo weinig nieuws.
Kuipers heeft blijkbaar gegokt op een publiek van niet-schakers. Er is namelijk geen schaakpartij in het boek terug te vinden, zelfs nog geen diagrammetje van bijvoorbeeld Timmans beroemde eindspel tegen Velimirovic. Ook miste ik de wedstrijdtabellen van de belangrijkste toernooien waaraan Timman deelgenomen heeft.
Een zo groot schaker als Timman verdient een betere biografie en dus een betere biograaf dan deze kwebbelkont.
![]() |
| Timman - Velimirovic, Rio de Janeiro 1979 |
donderdag 5 april 2012
Schakers. Portretten
Onder Nederlandse schakers zitten nogal wat schrijvers. Tim Krabbé is waarschijnlijk de bekendste. Geen grootmeester, maar wel een schaker op hoofdklasseniveau. En Hein Donner, wiens geweldige boek De Koning ook wel tot de literatuur doorgedrongen is, evenals zijn korte stukjes, in bundels als Na mijn dood geschreven en Geen patiënten.
Donner was een man van grote gebaren en dat zie je ook terug in zijn barokke stijl. Indertijd nam ik een abonnement op het blad Schaakbulletin omdat Donner daarin schreef. Ook Hans Ree schrijft (met boeken als Een man merkt nooit iets en God is niet koppig). En dan hebben we natuurlijk Jan Timman.
Timman is misschien wel de meest talentvolle schaker die Nederland ooit heeft gehad. Hij is nooit wereldkampioen geweest, zoals Max Euwe, en hij schoot op beslissende momenten soms net tekort. Maar hij heeft een glanzende carrière gehad, waarin hij in schitterende stijl zijn partijen speelde. Hij speelt overigens nog steeds.
En hij kan schrijven. Zijn boek over de kwalificaties voor het wereldkampioenschap, Het smalle pad, was prachtig geschreven, ook voor niet-schakers. Nu is er een boek met portretten van scakers, met de eenvoudige titel Schakers en de ondertitel Portretten. Timman schetst daarin portretten van Aljechin, Botwinnik, Larsen, Tal, Spasski, Fischer, Andersson, Kasparov, Judith Polgar en de huidige nummer 1 van de wereld, Magnus Carlsen.
Toen ik de inhoudsopgave zag, verbaasde ik me over twee dingen. Allereerst verwonderde het mij dat er geen hoofdstuk aan Karpov was gewijd. Maar in het hoofdstuk over Kasparov komt al zoveel Karpov voor, dat ik wel begrijp dat een apart hoofdstuk niet meer zo nodig was.
Verder staat, voor mijn gevoel, Andersson een beetje vreemd in het rijtje. Waarom wel een hoofdstuk voor Andersson en niet voor bijvoorbeeld Kortsjnoi, Short of Anand? Ik denk dat Timman een correctie wilde geven op het beeld dat er van de Zweed bestaat. Bij Ulf Andersson denken veel schakers aan een remiseschuiver en daarmee doen we hem geen recht, al is het beeld begrijpelijk.
Timmans boek bevat prachtige portretten, die heel goed geschreven zijn. Mijn leerlingen mogen dit boek zo op hun literatuurlijst zetten. Hoogtepunten zijn voor mij de hoofdstukken over Aljechin en Tal. Alle portretten zijn eigenlijk ook een portret van Timman. Hij laat zien waarom hij van sommige schakers partijen bestudeerde en hoe hij hen in de dagelijkse omgang meemaakte. Soms maakt hij zijstapjes naar zijn eigen carrière, op een prettige reportageachtige manier, zonder opdeborstklopperij, maar ook zonder misplaatste bescheidenheid.
Meestal kan Timman aardig afstand houden en is hij mild in zijn oordeel, zonder overigens fouten van schakers (zoals het antisemitisme van Fischer) te vergoelijken. Alleen bij Kasparov proef je door alles heen de moeite die Timman had met de manier waarop de grote K. zijn zin altijd wilde doordrukken. Timman zal daar ook zelf veel vervelende ervaringen mee gehad hebben toen hij met Kasparov in het bestuur zat van Grand Masters Association.
Een enkele keer schiet Timman uit de bocht. In het portret van Polgar staat bijvoorbeeld het truttige zinnetje 'Uiteraard moest ik vreselijk lachen om haar snedige reactie'. Maar over het algemeen is Timmans stijl vlekkeloos. Mooie observaties, mooi verwoord. Zo vergelijkt hij Ulf Andersson met een tennisser: 'In het schaken had hij ook een soort baseline van waaruit hij zijn acties ondernam.'
Verder staat het boek ook vol met prachtige anekdotes, bijvoorbeeld over Mischa Tal, die na een winstpartij drie verschillende vrouwen belde om steeds hetzelfde te vertellen: 'Door aan jou te denken heb ik mijn partij gewonnen.'
Wie wil weten hoe goed Timman schrijft, leze het boek. Laat Timman vooral blijven schrijven.










