vrijdag 28 november 2025

Afgestoft: interview met Anton Korteweg

In de zevende jaargang van Liter (2004) stond het verslag van het gesprek dat ik indertijd had met de dichter Anton Korteweg. Het leek me aardig om dat eens onder het stof uit te halen. 

Voor zover ik weet, heb ik hem tijdens dat gesprek met 'je' aangesproken, maar in het tijdschrift stond 'u' (op een paar vragen na). Ongetwijfeld heeft de redactie mij verzocht om de u-vorm te gebruiken. Het kan ook nog zijn dat de eindredacteur dat eigenhandig heeft veranderd. Met mijn toestemming uiteraard. Maar ik heb nu overal de 'je' weer teruggebracht. 

Ik reisde voor het gesprek indertijd naar Den Haag, naar het Letterkundig Museum waarvan Anton Korteweg directeur was. Intussen is dat instituut omgedoopt tot het Literatuurmuseum en het zal uit Den Haag vertrekken. 

In het interview ga ik steeds uit van de gedichten van Korteweg en aan de hand daarvan komen we ook op het leven en de opvattingen van Korteweg. Ik was wel erg gericht op gedichten die verwijzen naar zijn christelijke achtergrond, merk ik. 



Een grote hand, waarin ik nooit en graag verdwijnen wou 

In gesprek met Anton Korteweg


Anton Korteweg werd geboren op 31 januari 1944, volgde de lagere school in Zevenbergen, een jaar de mulo en daarna de gymnasiumafdeling van het christelijk lyceum in Dordrecht. In 1963 begon hij de studies Nederlandse letterkunde en Algemene literatuurwetenschap in Leiden. In de literatuurwetenschap studeerde hij af. Zeven jaren was hij docent op een middelbare school in Leiden, anderhalf jaar wetenschappelijk ambtenaar moderne Nederlandse letterkunde bij H.A. Gomperts. Sinds 1979 is hij hoofdconservator, en vanaf 1986 directeur van het Letterkundig Museum. Hij publiceerde negen dichtbundels.

In  je vroege bundels komen veel verwijzingen voor naar bijbelteksten en gezangen. Dat doet een calvinistische achtergrond veronderstellen.
Dat klopt wel, al is niet alles onmiddellijk op mij terug te voeren. Die hele sfeer is mij natuurlijk wel erg bekend, dat calvinisme in West-Brabant. Ik heb het erger gemaakt dan het was, voor de duidelijkheid.
Mijn vader was secretaris van de Noord-Brabantse Maatschappij van Landbouw, een voorlichtende functie voor boeren, mijn grootvaders waren boer. Mijn grootvader Korteweg was een betrekkelijk patriarchale, ouderwetse, calvinistische boer en heel veel van de sfeer van die boerderij heb ik naar mijn ouders getransformeerd om het allemaal toch nog wat treffender te maken.

Van dat calvinisme heb je afscheid genomen?
In Leiden ben ik nog wel actief Nederlands Hervormd geweest, in de studentengemeente, maar daar heb ik na een paar jaar afscheid van genomen.

In hoeverre duidt die overvloed van citaten op heimwee naar die wereld?
Niet echt heimwee, maar ik vind het wel allemaal heel erg bruikbaar. Zo'n Psalm 139 (uit een recentere bundel) heb ik op verzoek van de KRO geschreven. Toen ben ik toch weer getroffen door de kracht en de schoonheid van zo'n psalm.
 
Wij samen (psalm 139)

Onder en boven, je bent om mij heen; ik in je, je
weet van mij alles. Dat je me omringt, vooruit, me
doordringt, alles weet uit hoofde van jij, nou ja, maar
dat je daar ook nog op uit bent! Geen
plaats van je is er die, wil hij, niet ziet mij, die
niet in zich heeft mij. Ver weg of dichtbij, in
de kraag pak je me; geen kant kan ik op, in
Den Haag niet en nergens - licht is er niets bij.
Niet raak ik me ergens in kwijt en niet
in de tijd; wat ik ook maar van plan ben, waar
en wanneer, je wist allang dat ik toen dat en dat - dat
ik knap in elkaar, heb je wel voor gezorgd.

Gebonden zijn, gekend, in iemand - erg is het, maar
niet is nog erger misschien. En hoe dan ook altijd, ik
denk aan je, op de gekste momenten en nooit
niet eens niet. Het moet wel dat ik van je hou, de
pest heb aan wie dat aan jou. Ken me dan maar, weet
wie ik ben en doe maar.

Zit die aantrekkelijkheid alleen in de taal?
Het is ook het hele idee van een alomvattend geheel, een heel grote hand waar iedereen in zit. Iemand die je van het begin, van in de moederschoot tot het eind helemaal kent, dat is een verbluffende gedachte, die even beangstigend als prettig is. Die dubbelheid zit erin.

Bij dit gedicht overheerst volgens mij het positieve van het geloof.
Dat komt door het slot, denk ik. Verder komt het neer op wat ik voor Geen beter leven als motto heb gebruikt, een citaat van Kafka: Das Gefühl haben, gebunden zu sein, und gleichzeitig das andere, dass, wenn man losgebunden würde, es noch ärger wäre. Dat houdt mij al heel erg lang bezig.
Ik schrijf er ook over in ‘Meer speciaal’: ‘Wie heb ik immers nog dan mij tot er / te vallen in die grote hand van jou, waarin / ik altijd al me nooit en graag verdwijnen wou.’

Zoek

Liever is het mij te dwalen door het dal van
diepe duisternis, in mijzelf verward en
vrezend alle kwaad, verlangend naar
wie ik ontvlucht ben, dan dat ik het moet
meemaken dat je me weervindt, weerloos en met
horens verstrikt in de struiken natuurlijk.

En dat je mij dan dragen zou en terug
zou voeren naar de grote kudde waarvan jij
altijd al wist dat ik daarvan een heel,
een heel klein schaapje was, natuurlijk. Nee.

Spaar mij de ontferming van
die reddende armen van jou.

Voor mijn gevoel is de strekking van ‘Wij samen’ tegengesteld aan die van ‘Zoek’. Daar vraagt de ik-persoon aan God om hem niet te redden.
Die reddende armen komen weer uit een gezang (‘Ver van de troon der tronen’): ‘die als met reddende armen / ons zegenend omsloot’. Er zitten in mijn werk nog meer toespelingen op gezangen dan op bijbelteksten. Verder natuurlijk Psalm 23, het offer van Izak en het kindergebedje ‘Laat mij van uw grote kudde / toch een heel klein schaapje zijn’.
Ik zat altijd veel te lezen in die gezangenbundel, vooral in de afdeling ‘Liederen van troost en bemoediging’. Daarin stond ook ‘Leid vriend'lijk Licht’, van John Henry Newman, een kardinaal die tot groot verdriet van de anglicanen katholiek geworden is. De vertaling is van Jacqueline van der Waals, een onderschat dichteres, die misschien in protestants-christelijke kringen nog wel gelezen wordt, maar die ook elders gelezen zou moeten worden.
Die Newman, daar las ik over in die biografietjes achter in de bundel. Dat vond ik eigenlijk minstens zo leuk als die gezangen, en de preken waren natuurlijk altijd ongehoord vervelend. Newman werd getypeerd als ‘een engel die zijn weg verloren heeft’. Dat was bekeken van anglicaans standpunt, maar je kunt het in de puberteit ook op jezelf betrekken.
Ik hoefde trouwens niet eens elke zondag naar de kerk, hoewel dat wel op prijs gesteld werd. Aan die preken bewaar ik niet of nauwelijks herinneringen, maar ik ben daar wel heel mooie poëzie tegengekomen en ik denk wel dat dat mij gevormd heeft.

Dan is het ook niet toevallig dat je poëzie van negentiende-eeuwse predikanten bloemleest (Vinger Gods, wat zijt gij groot!).
Nee, precies. Maar die mensen schreven ook relevante poëzie. Iemand als Ter Haar schreef over het Darwinisme, iets wat de mensen in het midden van de negentiende eeuw net zo bezighield als nu de integratie van allochtonen: ‘Wat ziet gij mij half tartend aan, gij rijkbehaarde baviaan’, of zoiets. En Beets schrijft over de duinwaterleiding van Amsterdam en de drooglegging van de Haarlemmermeer.
Dichters worden vaak gezien als wereldvreemde types, die maatschappelijk irrelevante karweitjes opknappen, voor zover ze maatschappelijk al iets doen, en dat was met de domineedichters helemaal niet het geval. Ze behoorden tot de notabelen. Dat is iets wat ik bij mezelf ook wel een beetje terugzie. Vandaar mijn sympathie voor die mensen als figuren.

De verloren zoon

Laat éen uw leidsman wezen op
het smalle pad, zong moeder altijd, maar
hoe gaat dat als je jong bent? Groots,
meeslepend wil je leven, God, gebod
trotserend. Je verruilde 't dorp
voor grote stad en echt, je deed je best:
een kleintje pils, het bidden voor het eten
vergeten, en zowaar ook af en toe
een trut. Nou nou. Nu is hij weer op weg
naar 't vaderhuis, - onlesbaar heimwee naar
moeders indringend zingen drijft hem voort.

Dit gedicht begint al met een gezang: Ga niet alleen door 't leven. En Marsman zit er natuurlijk ook in.

Is dat een echt of een papieren heimwee?
Het is vooral een heimwee op papier. Vooral in die vroegere gedichten was ik me er erg van bewust dat een gedicht een pointe moest hebben en dat de tekst een effect bij een lezer moest bewerkstelligen. Dat is het nadeel van het feit dat je Nederlands hebt gestudeerd. Aafjes heeft ooit gezegd dat je als dichter een beetje dom moet zijn, zeker als lyricus, en daar zit eigenlijk wel iets in. Ik ben altijd met poëzie bezig geweest en dat vind je dan in de vorm van toespelingen terug in de gedichten. Misschien wel eens meer dan goed is voor het gedicht. Je gaat zo'n gedicht als een tekst zien die een bepaald effect bij de lezer teweeg moet brengen, meer dan bijvoorbeeld iets wat echt gebeurd is.

Reiger

Die, sloot verlaten, in de hemel
uit vissen meende te moeten gaan,

ving het vuur, hing, maanden nog, aan
een hoogspanningskabel te waaien,
steeds rafeliger en valer.

Was eindelijk zo mooi versleten,
als was hij nooit reiger geweest.

Toen kon ik me weer vergeten.

Een bloemlezing gaf je de titel Comfortabel ongelukkig mee.
Als een mens dat bereikt heeft, is dat nog niet zo beroerd, want heel veel mensen zijn oncomfortabel ongelukkig.

Waaruit bestaat dat ongeluk? Het niet realiseren van een hoog doel, zoals bijvoorbeeld in ‘Reiger’?
Daar is het een soort Prometheusmotief. Het is ook een waarschuwing aan mijzelf. Een reiger moet niet in de hemel uit vissen gaan, maar laag bij de grond blijven, daar moet hij het van hebben. Hij hoeft helemaal niet zo hoog en als hij dat wel doet, loopt het slecht met hem af. Het is een emblematisch gedicht, een beetje Jan Luyken. En ik zag die reiger elke dag, als ik tussen Leiden en Den Haag fietste. Misschien wel een jaar lang kwam ik hem tegen. En dat wordt dan een metafoor, maar er zit geen spijt in, dat heb ik me er niet zo bij voorgesteld. Wel dat het misgaat als je je te ver van huis waagt, zoals ook in ‘Het lied der dwaze bijen’.

Ook je dagelijks werk komt terug in de poëzie. Je spreekt er met een zekere relativering over.
Dat is ook zo. Ik heb een heel relativerende instelling, maar ik neem het wel serieus. Dat relativeren is voor mij een manier om de zaak in de hand te houden.

Kun je binnen de poëzie het werk relativeren en andersom?
Dat is het voordeel van twee banen. Ik ben redelijk productief als dichter, ik heb vierhonderd gedichten gepubliceerd, maar ik heb ook een heel drukke baan. Het een gaat niet in de tijd van het ander. Maar als het niet lukt met de poëzie, heb je je werk nog en als het met het werk minder gaat, dan heb je je poëzie nog.
Verder ben ik wel zo calvinistisch dat ik mij toch een soort klaploper zou voelen als ik alleen maar een bundeltje in vier jaar zou maken en dan ook nog met geld van het Fonds voor de Letteren of zo. Er zijn mensen die dat doen, en geen kwaad woord daarover. Ik zie mijn positie als luxe: ik ben onafhankelijk. Ik zou het vervelend vinden, als ik elke drie of vier jaar een bundel zou moeten maken.

Er moet ook gepresteerd worden.
Dat heb ik persoonlijk. Dat is nog een uitvloeisel van het calvinisme. Ik kan wel erg genieten van allerlei dingen, iets wat sommige calvinisten niet kunnen, maar ik vind ook wel dat je dingen moet doen, ook al is ons leven maar een momentje tussen twee stilten.

Poëzie is blijkbaar niet zo belangrijk dat het de hoofdreden van bestaan mag zijn.
Grote dichters als Nijhoff, Achterberg, Ouwens, Kouwenaar en Ter Balkt mogen best hun hele leven lang niks anders doen dan dichten. Een stuk of wat gedichten is zeker genoeg voor de rechtvaardiging van een bestaan. Maar ik voel me er niet prettig bij. Dichters als Vroman en Kopland hebben overigens ook altijd een baan gehad.

Wat is voor jou dan de positie van je poëzie?
Ik heb het wel eens vergeleken met een potloodje. De puntenslijper is het leven en het slijpsel zijn de gedichten. Je wordt door het leven gedraaid in een puntenslijper en de gedichten zijn wat eraf valt.

Geen doel, maar een gevolg.
Poëzie is een gevolg. Omdat ik leef, schrijf ik gedichten en omdat ik dit leven leid, schrijf ik dit soort gedichten.

Liefst niet

Heb een ijzeren diensthuis voor acht uur per dag maar
kan er bij zitten. Ook van het gezin is het huis
niet zo wijd - warm is het wel. Zelf beide
gekozen, wat scheelt, maar afgezien daarvan
wou ik toch liefst niet uitgeleid: ik wantrouw wat
op eigen kracht niet kan worden bereikt.

Dus wolk noch vuurkolom voor mij. Maar mocht je ooit
geknecht me neer doen zitten bij me, heb ik niemand
dan jou, wil ik weg, dan zal ik toch, vrees ik, je vragen
om dekking. Mag je je hand uitstrekken tegen hen
die me belagen. En redden. Als ik maar niet
verlangen hoef naar wat je me verlaten liet.

Je beschrijft het werk als een diensthuis.
Ja, dat is een exodusgedicht. Het was natuurlijk vreselijk voor de joden. Ze wilden weg uit Egypte en dan blijkt het allemaal alleen maar erger te worden. Dan blijf ik maar liever hier, zeg ik in dat gedicht. Ik zeg dat ik wantrouw wat niet op eigen kracht bereikt kan worden. Nu hoef ik ook nooit een god te verwijten dat hij mij hier vandaan gevoerd heeft, met het verlangen naar de vleespotten.

Heeft het ook te maken met het uitgeleid zijn uit een religieuze jeugd?
Ik heb met niet veel pijn afscheid genomen van het geloof. Ik heb geen diepe crisis gehad of zo, ik ben er meer van weggedreven. En ik heb er nog steeds heel veel begrip voor. Maar dat kan ook niet anders, dat blijkt ook wel uit mijn gedichten. Het is een werkzaam deel van mijn gedachtegoed.

Die relativering waarover we het hadden, komt niet alleen terug als het over het werk gaat. In alles is er een gelijkmatigheid van gemoed.
Iemand als Montaigne was zijn hele leven bezig om een gelijkmatige levenshouding te vinden. Dat spreekt mij erg aan.

Zo'n houding is toch niet alleen maar winst?
Nou ja, misschien ben je de toppen kwijt, maar ik voel toch wel iets voor zo'n stoïcijnse levensopvatting, zonder dat ik dat nou ook echt bestudeerd heb, hoor. Je dood is daarin eigenlijk het belangrijkste moment in je leven. Als je kunt sterven zonder angst, heb je het goed gedaan.

Angst

Geen duizend angsten, maar één vrees:
er is alleen jezelf als straks het leven
boven je hoofd zich gesloten heeft.

Geen andere handen dan de eigen twee.
Geen ander haar om zich aan op te trekken
dan eigen haar - dat plotseling ontbreekt

Je schrijft ook een gedicht als ‘Angst’.
Jazeker, dat heb ik ook geschreven. Wat moet ik daar verder over zeggen?

Misschien dat daar de gelijkmatigheid tekortschiet.
Ja, dit soort gedachten heb ik natuurlijk ook, anders schrijf ik het niet op. Dit is een doodsangstgedicht.

Zo'n voorland verschilt nogal van dat van een christen, voor wie de bestemming over de dood heen ligt.
Zeker, hier is ineens niks meer. Deze hele bundel is gebaseerd op een regel van Bloem ‘het is even / tussen twee stilten luid geweest’. En tussen die twee stilten van voor de geboorte en na de dood, tussen die twee oneindigheden zit heel kort het leven. De bundel begint met geboortegedichten en eindigt met doodsgedichten.

Als het leven niet meer is dan een kuch in de kosmos, waarom zou iemand dan nog schrijven?
Bij alle melancholie die mij ongetwijfeld eigen is, beschik ik toch ook nog over een behoorlijke dosis levenslust en vitaliteit. Anders stapte ik niet elke dag op de fiets.

Ode aan de fiets

Zo roerloos als kan in beweging; met
mist op de wei nog het liefst - wel
licht is het dan maar niets is er
dat iets hoeft te zijn al, geen koe
en geen hek en geen stad in de verte;
wat er is, is alleen maar een fiets
met aan weerszij draaiende benen.

Ook trap je, hoe ver ook van huis
en hoe donker de nacht, met gemak
zelf je vriendelijk licht bij elkaar.
En is soms je koplamp kapot,
zingt altijd nog je dynamo,
wat ook al zo prettig geruststelt.

Maar vooral, als je aankomt, je bent
het dan helemaal zelf die aankomt -
leeg, opgewekt, hondsmoe.
 
Zo moet het straks ook vooral
jij zijn en geen ander die stilvalt.

Eerder publiceerde ik hier interviews met:

donderdag 27 november 2025

Wachtkamer (Frederik Hautain)

 

Helemaal helder heb ik het niet, maar ik vermoed dat het een podcast is geweest die me zette op het spoor van de roman Wachtkamer van Frederik Hautain. Die naam had ik behoren te kennen, want ik besprak ooit de strip Molly, waarvoor hij het scenario schreef. Mogelijk hoorde ik over de roman in de podcast Stripjournaal. Ik was meteen geïnteresseerd in het onderwerp: een kind dat opgroeit in een geloofsgemeenschap, een sekte. In dit geval die van Jehova's Getuigen. 

Kinderen die opgroeien in een godsdienstig milieu, al dan niet sektarisch, dat kennen we uit de literatuur. Ik heb verschillende van die boeken gerecenseerd. Ik neem een lijstje met links onderaan op. Veel van die boeken gaan terug op jeugdervaringen van de auteur en dat is hier ook het geval. 

Er is een tijd geweest dat auteurs zich in dat soort boeken vooral afzetten tegen hun jeugd. Dat is zo'n beetje voorbij, heb ik de indruk. Er wordt in de boeken vooral geschetst hoe het was om in zo'n omgeving op te groeien. 

Er is natuurlijk ook een ander soort lezers, voor wie religie niet meer een vanzelfsprekendheid is. Maar er is wel nieuwsgierigheid naar het geloof, vooral bij jongeren, bleek onlangs uit een onderzoek.

Uitgesloten

Bij literatuur over Jehova's Getuigen schieten mij eigenlijk alleen de boeken van Paulo van Vliet te binnen. In Uitgesloten (1997) beschrijft hij hoe de jonge hoofdpersoon wordt uitgesloten van de gemeenschap als hij een relatie aanknoopt met een meisje van buiten. Zijn familieleden mogen niet meer met hem praten en ze mogen hem zelfs niet meer aankijken. 

In Elite (2001) gaat het over een ander aspect: de dood van de vader. Die had gered kunnen worden, als hij een bloedtransfusie toegediend had gekregen. Maar dat is bij de Jehova's Getuigen verboden. In het bijbelboek Leviticus staat dat de ziel in het bloed zit en dat brengt de Getuigen tot hun standpunt. Tegenwoordig worden in Nederland ouders van jonge kinderen overigens tijdelijk uit de ouderlijke macht ontzet om de kinderen toch een levensreddende bloedtransfusie toe te kunnen dienen. 

Robin

De hoofdpersoon van Wachtkamer, Robin Steur, groeit op in een gezin dat dicht bij de Jehova's Getuigen leeft. Moeder is ooit uit de Jehova's Getuigen gestapt (of gezet) toen ze een relatie met vader aanknoopte. Opa en oma horen nog bij de Getuigen, dus die zullen geen contact hebben gehad met de twee kleinkinderen, Robin (zeven jaar oud) en Jaak (bijna zes, bij het begin van het boek). Het is dan het jaar 2002. 

Maar door een vriendin van moeder, zoekt moeder toch weer contact met de Jehova's Getuigen en de kinderen gaan mee. Pas later zal ook vader de overstap maken. 

Dat de aanslag op de Twin Towers een jaar eerder geweest is, is in het gesprek tussen moeder Suzanne en haar vriendin Diana wel een argument. De Jehova's Getuigen zijn erg bezig met de eindtijd en het aanstaande laatste oordeel. Er is een tijd geweest dat ze ook vertelden in welk jaar dat zou gebeuren (1975 bijvoorbeeld), maar die voorspellingen kwamen nooit uit. De laatste tijd hoor ik er niet meer van. 

De relatie tussen de ouders is niet zo goed; er is afstand:

De keren dat we voor het avondeten met vier rond de tafel zitten, voelt het telkens alsof er tussen mama en pap een vijfde stoel staat, die geen van beiden durft aan te raken. 

Vertelperspectief

Uit het citaat blijkt dat we kijken door de ogen van de zesjarige Robin. Dat perspectief werkt over het algemeen goed. Robin komt terecht in een omgeving die helemaal nieuw voor hem is. Van godsdienst en Bijbel weet hij helemaal niets. 

Hautain weet dat perspectief in het begin niet altijd goed vast te houden. Zo beschrijft hij Millie, een klasgenootje:

Millie, een meisje uit mijn klas dat op basis van haar kapsel en sproetjes de evenknie van Pippie Langkous zou kunnen zijn.

Dat hij bij het horen van het woord Armageddon meteen weet dat het uit tien letters bestaat, is voor een zesjarige ook niet aannemelijk. 

Maar meestal gaat het goed en kun je goed meeleven met Robin, die eraan moet wennen dat moeder, conform de richtlijnen van de Jehova's Getuigen, geen verjaardagen meer wil vieren en ook het sinterklaasfeest niet. 

Robin gaat gemakkelijk mee met het nieuwe (of oude) geloof van zijn moeder. Hij kijkt op naar Tim, die een paar jaar ouder is dan hij en meer kennis heeft. Tim wordt een soort voorbeeld. Robin doet erg zijn best. Hij gaat mee langs de deuren, waar hij na een tijdje het woord mag doen en ook binnen de gemeenschap mag hij af en toe een soort meditatie houden. Hij heeft besloten zich te laten dopen, zodat hij als volwaardig broeder kan meedraaien. 

Intussen gaat de tijd door. Robin is naar de middelbare school gegaan. Hij heeft een leven bij de Jehova's Getuigen en een leven daarbuiten en die twee zitten elkaar niet eens zo heel erg in de weg. Wel houdt hij zich een beetje afzijdig, wat hem bij sommige jongens de bijnaam Robinson oplevert. 

Twijfel

De eerste twijfel aan het geloof ontstaat bij Robin bij de dood van broeder Elseviers. Net als in Paulo van Vliets Elite wordt de bloedtransfusie geweigerd en Frans Elseviers overlijdt. De broeders vertellen het in de gemeenschap:

Het was broeder Elseviers uitdrukkelijke wens God te allen tijde trouw te blijven en zijn wil te doen. Broeder Smits en broeder Vondelaar hebben het medische personeel daar ook op gewezen. Er werd geen bloed toegediend. 

Was het niet beter geweest als Frans was blijven leven? Robin komt er niet uit. 

Millie

Als hij in de examenklas van de middelbare school zit, ontmoet hij Millie, zijn klasgenootje van de basisschool. Met haar mag hij natuurlijk niet omgaan, maar dat doet hij wel. Het betekent dat hij die ontmoetingen geheim moet houden.

Zijn liefde voor Millie heeft wel grote gevolgen. Die trekt hem weg bij de Jehova's Getuigen, want die twee gaan niet samen.  Bovendien wordt hij er zich bewust van dat voor anderen zijn manier van denken helemaal niet vanzelfsprekend is. 

Witte kamer

In dit deel van de roman komen er geregeld hoofdstukken voor die gezet zijn in cursieve letters. Erboven staat het lemniscaatteken. In de hoofdstukken wordt er steeds een 'je' toegesproken, die ook een 'ik' zou kunnen zijn. De persoon bevindt zich in een witte kamer, waar hij de muren aftast. Er is een hoofdstuk dat alleen bestaat uit vier bladzijden lang de woorden 'De Muren'. Op die bladzijden staan de letters overigens niet cursief. 

Waarschijnlijk verwijst de titel naar deze witte kamer. Die wordt een wachtkamer genoemd. Alsof iemand nog even moet wachten voordat het echte leven begint. 

De 'je' is alleen en moet wennen aan zijn nieuwe situatie:

Je hebt zo lang doorgebracht in het donker dat je het wit nauwelijks kunt plaatsen. Het voelt eng. Unheimlich. (....) Het heeft je tijd gekost. Maar je bent er wel in geslaagd. Je hebt de staven van de cel een voor een doorgezaagd. Maar hun restanten blijven zitten in de omkadering. 

Het is het beeld van iemand die zich losmaakt, maar die beseft dat het systeem ook nog ergens in hem zit. De verandering van denken is heel groot: 

Als je er goed over nadenkt, kan dit niet anders dan de waarheid zijn, werd plots: als je er even over nadenkt, kan dit niet de waarheid zijn. 

Als Robin blijft volharden en kiest voor een relatie met Millie, zal hij natuurlijk uitgesloten worden. Hij legt de weg af, die zijn moeder ooit heeft afgelegd. Om niet alles te verklappen, laat ik even in het midden of dat zo gebeurt en hoe de zaken lopen. 

Wachtkamer is een boek dat een goed beeld geeft van hoe een sektarische omgeving een vanzelfsprekendheid kan worden voor een kind en hoe dat kind zijn best doet. Robin wil het vooral goed doen, niet voor de eer, maar om de gemeenschap te dienen. Hij had in het begin nog veel kennis in te halen, maar hij werkt die achterstand ijverig weg. Al heeft hij het nog wel een keer over de zeven plagen van Egypte. Dat waren er tien. 

Het proces van losmaking gaat vrij snel. Ik had gedacht dat er een langere tijd van twijfel aan vooraf zou gaan. Maar mogelijk waren die twijfels er wel al langer (sinds de dood van Frans Elseviers), maar bleven ze lange tijd latent. 

De cursieve gedeelten spraken me het minst aan: te vaag, een beetje zweverig, te nadrukkelijk symbolisch. Maar goed, die neem ik wel op de koop toe. Wachtkamer lijkt me van belang vanwege het onderwerp en het is ook nog heel aardig geschreven. 

Hij komt terug

Hiervoor schreef Hautain de roman Hij komt terug (2024). Ook dat gaat over iemand die zijn familie achter zich laat: de hoofdpersoon gaat naar Vlieland. Als hij na tien jaar het verzoek krijgt om terug te keren, ziet hij dat als een kans om de banden definitief door te knippen. 

Ik heb Hij komt terug niet gelezen, maar het lijkt me in zekere zin over hetzelfde onderwerp te gaan. Waarschijnlijk heeft Hautain in Wachtkamer de fictie nog verder teruggedrongen. 

Hautain is heel productief. Hij schrijft ook gedichten en scenario's voor strips. Ongetwijfeld zal er nog veel meer uit zijn vingers komen. Het lijkt me boeiend om dat te volgen. 


Eerder schreef ik over:

Blinde wereld (Ellen Heijmerix)
Een stem uit de hemel (Systse van der Veen)
Een lamp voor mijn voet (Liesbeth Labeur)
Mazzel tov (Margot Vanderstraeten)
Nooit meer donker (Trudi Blom)
Zwarte dauw (Rachel Visscher)
Witter dan sneeuw (Michelle van Dijk)
Sla ons met medelijden (Peter van Beek)
Altijd zondag (Kees Versluis)
Zwaartekracht (Annemieke Reesink)
Dorsvloer vol confetti (Franca Treur)

woensdag 26 november 2025

Afgestoft: Van de hak op de tak

Het literaire tijdschrift 't Kofschip bevatte in nagenoeg elk nummer een afdeling 'Van de hak op de tak', waarin boeken kort besproken werden. Soms was dat wel heel kort. Vooral Ugo Verbeke verstond de kunst om een hele stapel boeken weg te werken op een enkele pagina. Of de lezers veel aan die signaleringen hebben gehad, weet ik niet.

Zo schreef Verbeke over Fractaal van Leo Vroman:

Bijna jaarlijks verschijnt van Vroman een dichtbundel. De poëzie van deze auteur heeft te maken met ruimte, hoeveelheid, dimensie. Vanuit die optiek benadert de auteur tastbare onderwerpen waarmee ieder te maken heeft: liefde, natuur.

Die bundel had misschien wel een wat uitgebreidere bespreking verdiend. 

Ik denk dat Verbeke zijn stukjes in hoog tempo schreef en dan ging er ook wel eens wat mis. Doeschka Meijsing noemde hij tot twee keer toe Droeschka Meijsing en over De route van de rondvaartboot van Lenze L. Bouwers schreef hij dat het een debuut was (Het is zijn vierde bundel). 

Ik dacht dat ik geregeld zo'n kort stukje had geleverd, maar ik vind er maar een paar. 


Twee korte besprekingen

A. Moonen, De wurger van Delft

Volgens de ondertitel staan er verhalen in het nieuwste boek van A. Moonen, De wurger van Delft. In het boek lezen we ergens: 'Mijn verhalen voor De Wurger zijn als een roman te lezen.' Inderdaad ervoer ik dit boek meer als een geheel dan als een verzameling stukjes. Voor deze stukjes is 'verhalen' niet altijd een doeltreffend woord. Soms zijn het brieven, soms dagboekachtige notities, soms een soort columns en soms -jazeker- heuse verhalen. Uit al deze stukjes krijgen we een beeld van de verteller, zijn bezigheden, zorgen, angsten, grappen.

De stijl van A. Moonen is markant. Sommige passages heb ik, juist vanwege de stijl, met bewondering gelezen. Andere daarentegen ergerden mij. Ook vanwege de stijl. Vooral de vele neologismen, die vaak veel te duidelijk grappig bedoeld waren, wekten die ergernis op. Als geheel vind ik het boek niet bijster interessant. De vele trivialiteiten maken het lezen niet altijd tot een pretje. Niet vanwege hun stuitende omschrijving, maar vanwege hun overbodigheid. 'Waarom moet ik dat in vredesnaam allemaal lezen?' vroeg ik me vaak af.  

('t Kofschip, vijftiende jaargang nr. 3, (mei/juni 1987)


Koen Vermeiren, De vrolijke eenzaamheid

Kurt, een man van ruim dertig jaar, schrijft al vanaf zijn zeventiende. Hij besluit zijn leven op papier te zetten. Hij merkt dat er steeds meer spanning komt tussen wat hij schrijft en de werkelijkheid. Aan het einde van het boek komt hij achter zijn schrijftafel vandaan. Hij zal een reis gaan maken. 

Dit is in het kort de inhoud van De vrolijke eenzaamheid van Koen Vermeiren. Vermeiren toont in dit boek dat hij weet wat schrijven is; ik heb boeiende, goed geschreven passages aangetroffen 

Ik heb me echter ook geërgerd. Zo gauw Vermeiren begint te filosoferen of te psychologiseren wordt het gezeur. Mijns inziens hadden heel wat van die zeurgedeelten domweg geschrapt kunnen worden. Laat Vermeiren zich maar beperken tot wat hij kan: een goed verhaal vertellen. 

('t Kofschip, Zeventiende jaargang nr. 1, (januari/februari 1987)


Knobbelgeschiedenis

Bijzonder zijn de lotgevallen van mijn stukje over de roman Knobbelgeschiedenis van Bert Decorte. Het is goed om te bedenken dat indertijd alles per post ging. Het was nog de tijd van voor de e-mail. Ik kreeg van tijd tot tijd een stapeltje boeken toegestuurd, ik las ze, tikte mijn recensies en stuurde die in een grote envelop terug. Na verloop van tijd werden er dan een stel geplaatst, andere schoven door naar een volgend nummer. 

Ik hield het allemaal niet zo bij, ik zou wel zien wanneer er wat gepubliceerd werd. Tot ik mij realiseerde dat het toch wel erg lang geleden was dat ik het stukje over Knobbelgeschiedenis had opgestuurd. Juist toen ik dat bedacht had, ontmoette ik mijn redacteur, Hervé J. Casier, in Blankenberge en ik vroeg hoe het met dat stukje was. Hij antwoordde: 'Gij weet niet wie Bert Decorte is.' Dat wist ik inderdaad niet. De beste man bleek over het uitdelen van de subsidies te gaan. Hij voegde me ook nog toe dat ik 'couragie' had. 

Daarop vertelde ik Casier dat hij van tevoren had kunnen zeggen dat de recensie positief had moeten zijn. Dan had ik kunnen weigeren. Maar ik had de vrije hand, dacht ik, en ik heb het boek besproken zoals ik gedaan heb. Dat was inderdaad nogal negatief. 

Casier dacht even na en zei toen dat hij het zou regelen. In het volgende nummer stond mijn stukje over Knobbelgeschiedenis, maar niet bij 'Van de hak op de tak', niet bij de besprekingen van prozawerken (waar ook wel eens en kortere bespreking tussendoor glipte), maar bij de poëziebesprekingen, ergens onder aan een bladzijde, als een soort bladvulling. Iedereen tevreden, denk ik. 

Dit is tenminste zoals ik het onthouden heb. Ik hoop dat het ook echt zo gebeurd is. Casier (ik hoop van harte dat hij nog leeft en dat hij nog heel lang zal leven) zal het kunnen bevestigen of ontkrachten. 



Bert Decorte, Knobbelgeschiedenis

Knobbelgeschiedenis bevat Decortes herinneringen aan de mobilisatie van het Belgische leger in 1939 en de Duitse Blitzkrieg in 1940. Volgens de achterflap zou dit boek 'doortrokken' zijn 'van afkeer voor militair geweld en wapengekletter'. Dat is nogal overdreven. Wel ademt het boek een geest van 'geen zin hebben in de oorlog', maar dat is nog geen anti-militarisme. Waar het anti-militarisme duidelijker naar voren komt, maakt het op mij een gekunstelde indruk. Bij die passages moet ik sterk denken aan modieus geklets. Het boek is overigens voor het grootste gedeelte gevuld met onbenulligheden en oninteressante feiten. Dit alles geschreven in een matige tot redelijke stijl, maar er zijn ook passages aan te wijzen die stilistisch zo slecht zijn, dat ik ze een middelbare scholier niet vergeven zou hebben. Laat deze Babbelgeschiedenis de lezers bespaard blijven. 

('t Kofschip, vijftiende jaargang nr. 4, (september-oktober 1987)

dinsdag 25 november 2025

God Speed (Eloi Rousseau / Romain Hugault)

De weken zijn vol en dan is mijn hoofd het ook. Ik probeer zo goed mogelijk mijn weblog bij te houden, maar daarnaast heb ik een baan en vrijwilligerswerk en natuurlijk mijn sociale omgeving, zodat ik wel eens in ademnood kom of een naar gevoel in mijn buik krijg van alles wat moet. 

Maar lezen en schrijven vormen ook een binnendoorweggetje naar een overzichtelijke wereld, waarnaar ik graag ontsnap. Op de tafel in de kamer ligt een hele stapel albums die binnengekomen zijn en die om een recensie vragen en dat is niet alleen iets wat moet, maar ook wat mag. Nu zal ik niet aan al die albums toekomen: er moeten keuzes gemaakt worden. 

Jaren dertig

Een album (albumpje) pakte ik er al snel uit, omdat het qua uiterlijk zo afwijkt van de rest. Het is Godspeed, uitgekomen bij uitgeverij Silvester. Het heeft een wat kleiner formaat en is wat dunner en het ziet eruit als een vooroorlogse comic. De tekeningen en de hele vormgeving (inclusief de advertenties) ademen de sfeer van de jaren dertig van de vorige eeuw. Daar viel ik meteen voor. 

In het album krijgen we het begin van een verhaal: Lloyd Fairbanks is een jonge piloot en mecanicien. Hij wordt door de piloot Lowell Finley naar Los Angeles gehaald, waar Lloyd meer mogelijkheden heeft. Finley bereidt zich voor op het breken van het snelheidsrecord. 

We krijgen een goed beeld van het begin van de luchtvaart. In een vliegtuig zitten is een attractie, waar mensen graag voor betalen en er zijn allerlei wedstrijden. Aanvankelijk mag Lloyd in Los Angeles alleen de hangars aanvegen, tot blijkt dat hij echt verstand heeft van vliegtuigen en ook nog kan vliegen. De dochter van de baas, Liz Leixter, die zelf ook vliegt, bezorgt Lloyd een betere positie, wat Lowell Finley weer slecht kan hebben. 

Als Finleys baas een uitnodiging tot een wedstrijd aanneemt, waarbij er veel op het spel staat, kan Finley niet in actie komen, omdat hij te veel gedronken heeft. Lloyd zal zijn plaats moeten innemen. 

Hoe dat verder gaat, zullen we lezen in het volgende deel. De reeks albums zal namelijk vier delen gaan tellen, die later ook nog zullen uitkomen als twee gewone albums. 

Identificatie

Het verhaal is aardig. Er is een held met wie je je kunt identificeren. Die zal ongetwijfeld nog moeilijkheden tegenkomen op zijn weg naar de top, maar die zullen wel overwonnen worden. Leuk om te lezen, maar ook niet zoveel meer dan dat. 

Het album bevat ook nog een interview met het personage Lowell Finley. Dat is wel onderhoudend, maar het voegt weinig toe aan het verhaal. 

Het scenario is geschreven door Eloi Rousseau en de tekeningen zijn van Romain Hugault. Die zijn mooi strak en ze roepen goed de historische setting op. Het bijzondere van deze uitgave is vooral de vormgeving, die je even de illusie geeft dat je teruggaat in de tijd.

Reeks: Godspeed
Deel: 1
Scenario: Eloi Rousseau
Tekeningen: Romain Hugault
Uitgever: Silvester
2025, € 6,95 (softcover)





maandag 24 november 2025

Hoogspanning. Hoe ik mijn stem verloor (Nora Fischer)

Soms moet ik aan het begin van een boek overtuigd worden. Ik had dat bijvoorbeeld bij Adat van M.A.M. Renes Boldingh en ik had het ook bij Hoogspanning, het boek van Nora Fischer. In het begin van dat boek beschrijft ze haar eigen geboorte en ik vond dat tijdens het lezen wat gekunsteld, aanstellerig - ik weet niet goed wat het juiste woord is. Ik was in ieder geval niet overtuigd. 

Natuurlijk snap ik dat je bij een boek over je leven bij het begin wilt beginnen en ik zie de functie ook wel: ineens in het licht staan, de camera meteen op je gericht (door vader) en dat zal ook later in het leven een rol spelen. Maar ik las toen toch verder met enig voorbehoud. 

Eigenlijk was ik vlak na dat begin wel overtuigd. Fischer kan goed schrijven, vertelt onderhoudend en formuleert scherp. En vooral: ze kijkt scherp, vooral naar zichzelf. Ze wil weten hoe het mechanisme van haar lichaam en haar geest werkt en dat probeert ze zo precies mogelijk te verwoorden. 

Toen ik Hoogspanning aangekondigd zag, wist ik meteen dat ik het wilde lezen. Daarbij zal meegespeeld hebben dat ik eens een week met mijn lief op Texel heb doorgebracht, waarbij we zo'n beetje elke avond het album Hush (2018) hebben gedraaid op onze hotelkamer. Fischer zingt op dat album liederen van lang geleden (Scarlatti, Monteverdi, Vivaldi, Purcell), maar wel begeleid door een elektrische gitaar. Prachtig. Vond ik toen, vind ik nu.

Maar ik wilde ook wel lezen hoe ze met spanning geworsteld heeft en hoe het is als een naaste een eind aan haar leven maakt. De haakjes daarin haakten in de oogjes in mijn leven: ik heb jarenlang leerlingen met faalangst begeleid en doe vrijwilligerswerk bij 113 Zelfmoordpreventie. 

Muzikaal nest

Nora Fischer komt uit een muzikaal nest, waarbij beide ouders professioneel in de muziek werkzaam zijn op het hoogste niveau. Nora speelde piano, kreeg later les op de klarinet, maar ontdekte uiteindelijk het instrument waarmee ze het best overweg kon: haar stem. 

Ook zij bereikte het hoogste niveau: optreden over de hele wereld, met gerenommeerde orkesten. Ze beschrijft hoe dat ging. Het was hard werken, maar het ging ook met een zeker gemak. Soms moest ze op de valreep voor iemand invallen, maar ze kon de stukken altijd zingen en dan ook nog loepzuiver. 

Maar de druk is er altijd. Ook als kind ervaart ze die al:

Ik kan me weinig ergers voorstellen dan een fóút te maken, en dat Vader dat hoort, of Oom of Tante of Grootvader met hun hoge intellectuele eisen. 

Vooral vader (de dirigent Iván Fischer) is belangrijk. Hij is veel afwezig en ze wil juist voor hem goed presteren. Het lijkt wel of ze op die manier wil laten zien dat ze een goede dochter is. 

Met deze Goddelijke Vader, die ik zo weinig te zien krijg door zijn Goddelijke Carrière, maar in wiens aura de wereld zoveel meer kleur heeft. 

Innerlijke stem

Uit de citaten is al te merken dat Nora Fischer van hoofdletters houdt. Er komen geen namen in Hoogspanning voor, maar mensen worden aangeduid met hun betrekking tot de ik-figuur. Verder staan er door het hele boek heen cursief gedrukte zinnen. Het is de innerlijke stem die op die manier expliciet gemaakt wordt. Die stem zegt bijvoorbeeld dat ze iedere minuut van haar leven nuttig moet besteden, anders is ze lui, of dat ze zich mooier voordoet dan ze is. 

Nora Fischer is in de muziekwereld terechtgekomen, maar het is lastig om daarin haar weg te vinden. Op het conservatorium houdt ze het niet uit. Ze houdt niet van de zangstem die klassieke zangeressen opzetten, met veel vibrato. Ze heeft andere ideeën over muziek, maar weet niet goed hoe ze verder moet. Ze probeert van alles en krijgt dan toch succes in de klassieke muziek. 

Haar zus reageert daarop met 'Pff!' en de innerlijke stem verwoordt de boodschap die Nora daarachter vermoedt:

Nou, je hebt in elk geval je glamoureuze spotlight gekregen, en we zijn allemaal weer naar je vele trucjes aan het kijken, hè? Ga jij maar de narcistische show-off uithangen, in plaats van eens goed om je heen te kijken. Naar daklozen die als kakkerlakken worden genegeerd: naar vluchtelingen op rubberen bootjes die massaal in de zee verdrinken; naar dieren die in laboratoria worden geterroriseerd. Dus dít is wat jij besluit te doen?

Zus

Het gaat niet goed met Zus. Nora heeft al een keer een afscheidsbrief gevonden en gelezen, waarin zij ook zelf voorkomt en ze probeert er voor haar zus te zijn zoveel ze kan, maar ze leidt een leven waarbij ze weinig op dezelfde plek verblijft. 

Bovendien heeft ze ook haar eigen problemen. De ontspannenheid en de vanzelfsprekendheid dreigen te wijken uit haar zingen. Er zijn hoge noten die zich vreemd gaan gedragen, ze kan niet meer vertrouwen op haar eigen stem, ondanks de pillen die ze slikt om er geen last van te hebben. In Hoogspanning worden de noten en de stem beschreven als personages, die eigenzinnig zijn en zich maar niet in het gareel terug laten duwen. 

Dat is een ernstig probleem, zeker als je als zangeres van je stem afhankelijk bent, als je min of meer je stem bent, als die een groot deel van je identiteit uitmaakt. Het plezier in het zingen is altijd een middel geweest om goed te presteren, maar het zingen wordt nu hard werken en het gaat gepaard met angst en onzekerheid. 

Parallellen

Zus en Nora zijn opgegroeid in hetzelfde systeem en ze worstelen ermee op hun eigen manier. In Hoogspanning worden verschillende keren de parallellen beschreven.

Waarom kunnen wij allebei niet van onszelf houden? Waarom kunnen wij allebei niet van het leven houden? Waarom verdrinken wij allebei in keiharde zelfkritiek, in keiharde oordelen, in keiharde zelfafwijzing? Waarom kunnen we onszelf alleen maar door de afkeurende ogen van anderen zien?

En op een andere plaats:

Vanbinnen zijn we beiden doodsbange meisjes die zich in allerlei bochten wringen om van hun zelfafwijzing te vluchten. De ene rent naar adoratie en succes, de ander naar Nietzsche. Laten we ons hier dan in godsnaam allebei uit bevrijden. 

Maar Zus lukt het niet om zich te bevrijden. Nora verklaart tegen een vriendin dat ze bang is dat Zus nu echt een eind aan haar leven gaat maken, maar dat zij, Nora, hardop wil zeggen dat ze alles gedaan heeft wat in haar macht ligt. Als er iemand naar Zus op weg is, is die uiteindelijk al van grote hoogte gesprongen. 

Oorzaken

De ondertitel van Hoogspanning is Hoe ik mijn stem verloor. Het is moeilijk te begrijpen voor een buitenstaander dat iemand die zo succesvol is in de muziekwereld, die daar keihard voor werkt, maar die ook met een zekere vanzelfsprekendheid presteerde, dat kwijtraakt. Ook voor Nora Fischer zelf is het moeilijk om dat te bevatten. 

Ze zoekt naar antwoorden en zo'n beetje alles passeert de revue: het marktdenken, het perfectionisme uit Amerika, het calvinisme van Moeders kant, het patriarchaat, het geld, het schoolsysteem, de sociale media, de doodzieke maatschappij en ten slotte, hoofdletters:

IK WIJT HET AAN ALLES ALLES ALLES DAT ERVOOR HEEFT GEZORGD DAT ZOWEL ZUS ALS IK DOOR DE BOMEN VAN HET BOS VAN DEZE OORVERDOVENDE OORDELEN NIET MEER KONDEN ZIEN WIE WE OOIT WAREN. 

Het zijn allemaal oorzaken buiten zichzelf, die ze opsomt, maar die hebben zich wel op een of andere manier in haar vastgezet. Het zijn altijd de hoge bomen die het meeste wind vangen en iedereen die op hoog niveau presteert, weet dat er weinig hoeft mis te gaan om dat niveau niet meer te kunnen halen. Bij een schaatser op een WK kan een enkele misslag fataal zijn. Dat geeft druk, die kan stimuleren, maar die ook kan verlammen. 

In de klassieke muziek speelt het zeker ook. Ooit vertelde de violist Herman Krebbers (1923 - 2018) over de faalangst waar hij last van kreeg. Niet alleen stond die hem in de weg, maar hij schaamde zich er ook voor. Toch vertelde hij erover. 

Op al die mogelijke oorzaken zegt Fischer overigens 'NEE'. Zo simpel is het antwoord niet. 

Fischer is intussen andere dingen gaan doen. Zo staat ze in het theater met haar voorstelling De sprong. En ze heeft dus een boek geschreven, dat behoorlijk wat aandacht krijgt. 

Ja

Hoogspanning eindigt met 'JA'. Het gaat in het boek wel heel snel, in zo'n veertig pagina's van 'nee' naar 'ja'. Ik zal niet zeggen dat dat te gemakkelijk gaat, want veel gemak zit er niet in de tweede helft van het boek, maar wel kun je je afvragen hoe stevig zo'n 'ja' kan zijn. Dat er ook ruimte mag zijn voor twijfel is natuurlijk winst. 

Bij het lezen van het slot moest ik denken aan iemand die ik niet goed kende, maar die mij vertelde dat ze een opleiding tot clown had gevolgd, waar ze verder trouwens weinig mee gedaan had. Het belangrijkste dat ze geleerd had: altijd 'ja' zeggen. Het lijkt me hartstikke moeilijk. Je hebt immers al gauw een voorbehoud bij de hand. 

In ieder geval zeg ik 'ja' tegen het boek van Nora Fischer. Ze heeft scherp geobserveerd, nauwkeurig geformuleerd en ze neemt de lezer gemakkelijk mee in het verhaal van haar leven, waarbij je je er tegelijkertijd van bewust bent dat het geen verhaal is of in ieder geval veel meer dan een verhaal. 

vrijdag 21 november 2025

Afgestoft: De beiaard en de dove man (Walter van den Broeck)

Ooit dacht ik dat Walter van den Broeck (1941 - 2024) ook in Nederland een bekende auteur zou worden. Zijn roman Brief aan Boudewijn (1980) werd alom geprezen en het boek werd goed verkocht. Er zijn genoeg mensen die het oeuvre van Van den Broeck kennen, maar er zijn ook nog heel wat die nooit wat van hem gelezen hebben of die zelfs niet van hem gehoord hebben. Dat is jammer. 

In de loop der jaren heb ik heel wat van deze auteur gelezen en na zijn overlijden schreef ik een stuk waarin al die boeken voorbijkomen. Ik zal nog wat links hieronder opnemen. 

De meeste boeken van Van den Broeck herinner ik mij als goed (tot uitstekend). Over Een lichtgevoelige jongen (2001) was ik wat minder te spreken, geloof ik. Maar verder heb ik alles met een zekere gretigheid en met veel waardering gelezen. 

Hieronder een recensie van De beiaard en de dove man, waarin Walter van den Broeck een afspraak heeft met zijn vader, die al wat ouder is. In veel boeken put Van den Broeck uit zijn eigen leven en dus ook in deze roman. De bespreking was te lezen in Nederlands Dagblad , 12 november 2004.

Een van de laatste boeken van Van den Broeck is Crossroads. Onderaan vind je de link naar de bespreking. Onlangs is postuum het laatste boek van Van den Broeck verschenen: Averechts. Dat ga ik zeker nog lezen. 



Een slot dat een hele roman rechtvaardigt


Walter van den Broeck blijft in zijn boeken graag dicht bij zijn eigen leven. De ik-figuur heet in de meeste boeken Walter, zoon van Robert en Elvire, echtgenoot van Eliane, net als in de werkelijkheid buiten de roman. Dat geeft sommige van zijn boeken iets van een kroniek. In Aantekeningen van een stambewaarder (1977) bracht hij zijn voorvaderen in kaart, in Brief aan Boudewijn (1980) de gemeenschap waarin hij opgroeide.

Zijn werk wordt daardoor bijna automatisch coherent. Ook de boeken die wat minder nadrukkelijk autobiografisch zijn, worden door de lezer gemakkelijk ingepast in het leven van de schrijver, of beter: in zijn levensverhaal. Al in het debuut, De troonopvolger (1967) komt er een vaderfiguur voor die heel wat trekken vertoont van Robert van den Broeck. Deze Robert leren we beter kennen in de al genoemde boeken over Van den Broecks voorvaderen en zijn jeugdland en veel ruimte krijgt de vader in Het gevallen baken (1991), als de vader in zijn laatste dagen is.

Met De Beiaard en de dove man heeft Van den Broeck opnieuw een vaderboek geschreven. Het is vlak voor Kerst, 1980, het jaar waarin de schrijver met Brief aan Boudewijn doorgebroken is bij een breder publiek. Behalve geluk heeft hem dat ook zorgen gebracht: 
Wat mij nog glashelder voor ogen staat is dat Eliane en ik op een avond, vlak voor het slapengaan, een inventaris zaten op te maken van wat ons de voorbije maanden in de schoot was geworpen, en ik haar aan het eind in de ogen keek en zei: 'Als ge maar weet dat we hiervoor ooit zwaar gestraft zullen worden.'
De schrijver zit samen met zijn slechthorende vader in café De Beiaard, waar ze wachten op de populaire dj Chico, met wie Walter een afspraak heeft. Walter hoopt door Chico aan een cadeau voor zijn vader te kunnen komen (een gehoorapparaat). 
Niet om de ouwe schurk een plezier te doen, maar om hem eindelijk, eindelijk, eindelijk eens alles naar het hoofd te kunnen slingeren wat al zolang op mijn lever ligt, zonder ook maar één enkele keer onderbroken te worden. 
Het gaat namelijk niet goed tussen Walter en zijn vader: 
Wat is er toch met me? Bij elk gesprek moet ik minstens een dozijn keer krachtig de aanvechting onderdrukken om hem de keel dicht te knijpen of minstens zo lang te slaan en te trappen dat hij er een klein maar blijvend letsel aan overhoudt. 
Nog steeds moet de zoon zich afzetten tegen de vader, tegen zijn maniertjes, tegen zijn opvattingen. Nog steeds voert hij een gevecht.

Opgescheept

Een boek als Indische duinen van Adriaan van Dis is knap, doordat het alle onaangename kanten van de vader laat zien, terwijl het toch een liefdevol portret blijft. Ook Het gevallen baken herinner ik mij als zo'n boek, waarin de verbondenheid met de ouders blijft bestaan, ondanks hun gezeur en de ergernissen van de zoon. In De beiaard en de dove man is er van die verbondenheid eigenlijk niets meer over. De zoon is net zo doof voor de vader als de vader voor de zoon. Er is bij Walter alleen nog de ergernis, die soms de haat dicht nadert. Hoe goed beschreven ook, voor mij maakte dat het boek platter, minder spannend. Vader en zoon zitten met elkaar opgescheept in De Beiaard, want Chico komt niet opdagen. Veelal zwijgen ze en de gedachten van de zoon gaan uit naar het verleden. Ook die passages zijn niet altijd even treffend.

Chico

Na het eerste van de drie delen had ik de neiging het boek zuchtend terzijde te schuiven, maar dat heb ik gelukkig niet gedaan. Het boek wordt namelijk ruimschoots gered door de laatste twee delen, al komen ook daar de flauwe woordspelletjes voor. In het tweede deel leren we de joviale Chico kennen, een karakter dat meteen boeit. Net als Walter is Chico succesvol, maar hij heeft de prijs van dat succes al moeten betalen en onder zijn vrolijkheid klinken de bastonen van zijn droefheid en zijn ongeluk.

Over het derde deel kan ik niet te veel zeggen zonder de plot weg te geven. Van den Broeck drijft het verhaal tot grote hoogte. De woede van Walter op Chico over diens wegblijven wordt groot, maar de verbondenheid met de dj blijft, en de dreiging, als prijs voor het succes, die al het hele boek op de loer lag, wordt werkelijkheid. De lezer wordt meegezogen met de loop van de gebeurtenissen en met wat er in het hoofd en het hart van Walter gebeurt. Een mooi slot, dat zich meten kan met het beste dat Van den Broeck geschreven heeft.

donderdag 20 november 2025

Berlijnse trilogie 2: Het handwerk van de beul (Kerr/Bosisserie/Warzala)

 

Bernie Gunther is een detective in Duitsland aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het eerste deel van de Berlijnse trilogie (zie link onderaan), waarin hij de hoofdpersoon is, begon in 1936, in het tweede deel, Het handwerk van de beul, zijn we twee jaar later. Voor op het album zien we Bernie met op de achtergrond een vernielde Joodse winkel. Dat verwijst duidelijk naar de Kristallnacht, de nacht van 9 op 10 november 1938, een pogrom gericht tegen Joodse inwoners van Duitsland. De actie duurde overigens langer dan die ene nacht. De naam Kristallnacht wordt in Nederland nog wel gebruikt, maar in Duitsland spreekt men liever van de Reichspogromnacht en Novemberpogrome 1938. Die nacht komt voor aan het eind van dit album. 

Gunther leeft in een roerige tijd op een roerige plaats. De nazi's hebben het voor het zeggen en van hen wil hij zich verre houden. Daarom is hij ooit vertrokken bij de Kriminalpolizie (Kripo) en voor zichzelf begonnen, samen met zijn compagnon Stahlecker. 

Terug naar de Kripo

Maar de machtige arm is krachtig en Gunther wordt in dit tweede album min of meer gedwongen om terug te keren tot de Kripo. Intussen is hij bezig met een lastige zaak. De uitgeefster Frau Lange roept hem te hulp. Haar zoon wordt afgeperst naar aanleiding van zijn briefwisseling met dr. Kindermann, hoofd van een kliniek in Wannsee. Uit de brieven blijkt dat ze een intieme relatie hadden, wat moeilijk ligt in Nazi-Duitsland. 

Terug bij de Kripo moet Gunther een zaak oplossen waarin jonge vrouwen verdwijnen en dood teruggevonden worden. De zaak is uit de pers gehouden, maar men maakt zich er wel zorgen om. Bernie pakt beide zaken aan op zijn bekende manier: rustig, maar onverschrokken: overal op af stappend. Hij laat zich zelfs opnemen in de kliniek van Kindermann. 

Hoe gevaarlijk de tijd is waarin hij opereert, blijkt wel als zijn collega Stahlecker vermoord wordt. Diens zoon geeft meteen de Joden de schuld daarvan. Daar zijn geen aanwijzingen voor, maar de Joden zijn immers de schuld van alles. Het handwerk van de beul maakt goed duidelijk van welke stemming het rijk doortrokken is. 

Scenario

Dat is in de eerste plaats de verdienste van Philip Kerr (1956-2018) op wiens historische thrillers het scenario gebaseerd is. Maar ook als je dat materiaal als uitgangspunt hebt, is het een prestatie van de scenarist, Pierre Boisserie, om er een verhaal van te maken waarin je je steeds bewust bent van de dreiging en de beklemming. 

Gunther reageert vaak laconiek, onderkoeld, maar hij is zich bewust van het kwaad en hij kan slecht tegen onrechtvaardigheid. Aan het eind gaat hij dan ook in gesprek met de zoon van Stahlecker, die inziet dat zijn boosheid tegen de verkeerde groep mensen is verricht. 

Over zichzelf zegt Gunther: 

Zeker, ik geef toe dat ik niet al te veel scrupules heb als het gaat over het vullen van mijn zakken, maar een ding wist ik zeker: ik was het zat om met mijn vingers te draaien terwijl er schurken de winkel beroofden. 

Aan de ene kant is er de dreiging, zijn er mensen die voortdurend op hun hoede moeten zijn, die hun leven niet zeker zijn, en aan de andere kant is er een groep die zich amuseert, die danst op de rand van de vulkaan. Het is een gecompliceerde wereld en Boisserie geeft die helder mee. 

Om recht te doen, moet Gunther ver gaan. Verder dan hij kan verantwoorden. Hij moet zijn handen vuil maken, zich verlagen tot het handwerk van de beul. Dat zit hem dwars, maar hij doet het wel. Dat maakt hem tot een geloofwaardige figuur. Je identificeert je met hem, geniet van zijn ironische opmerkingen en gedachten, maar hij is niet alleen maar een personage dat deugt. Zo gladjes is het allemaal gelukkig niet. 

Tekeningen

De tekeningen zijn van François Warzala en ze zijn ingekleurd door Marie Galopin. Ze zijn strak en rustig: er is weinig beweging, er zijn weinig grote emoties. Ook daarin is alles onderkoeld. De kleuren zijn gedekt en vrij donker. Geen uitbundigheid, wat past bij het verhaal. 

De combinatie van tekeningen en verhaal maakt deze strip zo goed, denk ik. Je krijgt niet alleen het verhaal van Bernie Gunther, dat al goed in elkaar zit. Draadje voor draadje ontwart hij de kluwen van gebeurtenissen. Maar je wordt ook ondergedompeld in een naargeestige tijd. Dat kreeg Sarah van der Maas ook zo goed voor elkaar in haar roman Een tijd als deze. 

Het handwerk van de beul is het tweede deel van de Berlijnse trilogie. De delen zijn uitstekend los van elkaar te lezen. Na dit deel ben ik wel heel erg benieuwd naar het derde, waarin we ons ongetwijfeld nog dichter bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bevinden. 


Reeks: Berlijnse trilogie
Deel 2: Het handwerk van de beul
naar de boeken van Philip Kerr
Scenario: Pierre Boisserie
Tekeningen: François Warzala
Inkleuring: Marie Galopin
Vertaler: Dieter van Tilburgh
Uitgever: Scratch Books
2025, 144 blz. € 29,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over:

woensdag 19 november 2025

Afgestoft: Medeklinker bij 'Moedertaal' (Benno Barnard)

Eind jaren negentig fuseerden de tijdschriften Woordwerk en Bloknoot tot Liter. Dat was nog een heel gedoe. Niet omdat de redacties zo ver uit elkaar lagen, want die waren het wel eens, maar om het zakelijk geregeld te krijgen. Ik herinner me nog een bespreking met iemand van uitgeverij Kok, die uiteindelijk op niets uitliep. Het breekpunt was het abonneebestand: was dat eigendom van de uitgeverij of van het tijdschrift? Wij vonden dat dat bij het tijdschrift hoorde en toen wilde Kok niet meer. Als ik het mij tenminste goed herinner. Dat kun je navragen bij Dirk Zwart of Hans Werkman. 

Deze keer heb ik een bijdrage uit de eerste jaargang van Liter afgestoft. Het gaat om de rubriek 'Klinker en medeklinker'. Mogelijk bestaat die nog steeds. In die bijdrage stond een gedicht centraal. De dichter zelf schreef iets over het gedicht (de klinker) en iemand anders ook (de medeklinker). Hieronder gebeurt dat bij het gedicht 'Moedertaal' van Benno Barnard. Zijn bijdrage heb ik, om auteursrechtelijke redenen, niet opgenomen, maar die kun je nakijken in Liter nummer 4, oktober 1998. 

Ik dacht dat ik later nog een keer de rol van medeklinker had vervuld, bij een gedicht van Victor Vroomkoning, maar nu vind ik het niet terug. Waarschijnlijk heb ik me dus gewoon vergist. 


Moedertaal


In memoriam Christina van Malde, 1919 - 1995

U hebt het witte gezicht van de melk
die ik dronk in het huis aan de Amstel
waar ik geboren ben. (Zeker past Parijs u
nog in de lente, maar de zomer barstte uit
uw deux-pièces, het werd november; en nu
vulden regen en schemering de ruit:
een negentiende eeuw legde haar blanke hand
op mijn leven.) Mama, ik weet het wel,
ik was een boze bloem met een roze kelk
en ik ben niet veranderd. Ik ben iemand, niemand,
        Nederland.
En nog altijd zuigt mijn grote mond
op de consonant die ik zo lekker vond,
nog altijd is mijn oudste klinker een en al verbazing
over mijn gulzigheid en mijn verzadiging.
Ik zal mijn hele leven melk hebben gegeten. 

U herinnert mij aan dingen die ik nooit geweten heb.
U maakt rijmpjes, zoals vroeger, en vangt mij in het web
        van Sebastiaan.
Vandaag was u weer mijn gouvernante met het knotje:
vandaag hebben we redelijkheid, zedelijkheid,
de vlucht der vogels en een beetje God gedaan. 

Pas hier in Antwerpen ben ik van u gaan houden
als van een verloofde met blauw geslagen ogen
en het hart van een leeuwin. Vaak zit u aan de bar
te babbelen, maar zijn uw naakte benen in elkaar
        verstrengeld
om het kleine roofdier te beschermen... Ik slik
uw diftongen als ouwels en noem u Lieve,
want iemand moet u zonder ironie zo noemen;
        ik neem u
mee naar huis en hoor in mijn slaap uw onzekere hakken
op de glanzende honingraat van de kasseien.

U bent Katinka genoemd door mijn latere vader. 
U bent mijn moeder die niet naar me luistert,
maar praat dat het gedrukt staat op mijn muren.
        O dode moeder,
morgen is er weer een nacht waarin ik opschrijf:

ik ben niet alleen van mijzelf. 

 

De moeder de taal [medeklinker] 

‘Schrijf op!’ zei de schoolmeester en alle kinderen pakten braaf hun pen, ‘de ik in het gedicht is niet gelijk aan de dichter. Pennen neer.’ Natuurlijk heeft de schoolmeester vaak gelijk, maar als Benno Barnard een in memoriam wijdt aan Christina van Malde en haar in het gedicht moeder noemt, is het voor mij de moeder van de dichter.

Een dode moeder en daarnaast een zoon die naar haar kijkt. Meteen staat dat beeld op mijn netvlies, zoals toen ik Wit is altijd schoon van Leo Pleysier las. Wat maakt iemand tot je moeder? Ze heeft je gebaard, ze heeft je gezoogd. Het witte gezicht aan het eind van het leven en de witte melk aan het begin ervan raken elkaar. Het witte gezicht van de dood, de melk die leven geeft.

De gedachten dwalen terug naar het geboortehuis op die dag in november. Altijd november, altijd regen. En dan die negentiende eeuw waar ik niet goed raad mee weet, maar haar blanke hand is wit als melk en voor mijn gevoel beschermend. Een hand als van een moeder.

Mama. Het eerste woord dat een moeder van haar kind hoort. Het eerste wat hij ook na haar dood tegen haar zegt. Het kind was een parasiet, die de levenssappen uit zijn moeder zoog. Een uitzuiger, schreef Hans Werkman mij, en dat is inderdaad het goede woord. O, kijk die gulzigerd eens! Zijn hele leven zal het kind daaraan herinnerd worden.

En nog steeds zuigt het kind, maar nu op ‘de consonant die ik zo lekker vond’. Hij zuigt de taal in. De moedertaal, die hem al vóór de paplepel is ingegeven. De taal waarin de moeder rijmpjes opzei: ‘Dit is de spin Sebastiaan, het is niet goed met hem gegaan.’


Een moeder heeft vele gedaanten. Soms is ze een gouvernante, met een afstandelijk knotje. Ze leert het kind redelijkheid en zedelijkheid. Geen knuffelmoeder deze keer, geen moeder om mee te hikken van het lachen. Een moeder om van te houden?

Dat werd ze pas toen de dichter in Antwerpen was, op afstand. Van iemand houden ‘als van een verloofde met blauw geslagen ogen’. Een mooie zin, vind ik. Een zin die als een stomp je hoofd binnenkomt. Natuurlijk vind ik meteen braaf dat je een verloofde niet moet slaan en weet ik tegelijkertijd dat je iemand alleen pijn kunt doen als je van haar houdt. Misschien geldt het tegenovergestelde ook: dat je niet van iemand kunt houden zonder haar pijn te doen. Iedereen kan je ex-verloofde worden, maar ex-moeders bestaan niet. Ze hebben het hart van een leeuwin en zullen zich nooit laten wegjagen.

Naast Oedipus aan de bar gezeten, herkent de dichter de moeder in de vrouwen die hij daar ontmoet. Hun naakte benen doen niet direct moederachtig aan; waar de moeder een schoot heeft, hebben zij een klein roofdier. Of een boze bloem met een roze kelk.

Deze keer zuigt de dichter hun taal niet gulzig op. Hij slikt de diftongen als ouwels. Een sacrale handeling. Ouwels zijn symbool van iets groters. Zo slikt de dichter de diftongen om zich verbonden te weten met de moeder van zijn taal.

Ik ‘noem u Lieve, want iemand moet u zonder ironie zo noemen’. Ik vraag me af waarom die zin mij zo treft, waarom ik elke keer als ik het gedicht lees, even moet wachten na deze zin. Misschien omdat het zo pijnlijk is: als de dichter het niet doet, zou niemand de moeder Lieve noemen. Of alleen ironisch, wat misschien nog wel erger is. De moeder luistert niet naar haar zoon. Al noemt hij haar duizend keer Lieve, het kan niet meer tot haar doordringen. Ze is dood, maar de moedertaal blijft. Moeder praat door (net als bij Pleysier), ze voedt haar zoon nog steeds met haar taal.

Hoe het verder moet na de dood van je moeder? Je durft niet ver de toekomst in te kijken. Morgen is er weer een dag, zeggen we dan, maar zelfs die is er niet. Er is geen dag waarin de zon opgaat en de grazige weiden en de stille wateren beschijnt. Morgen is er alleen een nacht om slapeloos te zijn en om op te schrijven in de moedertaal: ik ben niet alleen van mijzelf. De dichter die zozeer van taal gemaakt is, weet dat hij daarin ook en vooral door de moeder gevormd is. Het is niet alleen zijn taal. Ook een gestorven moeder blijft een moeder. Die band reikt over de dood heen. Het lijkt me een troost te weten dat je altijd iemands kind blijft, dat je niet alleen van jezelf hoeft te zijn.

dinsdag 18 november 2025

Schijnoffers (Daan Heerma van Voss)

Het werd tijd dat ik eens wat meer ging lezen van Daan Heerma van Voss. Tot voor kort had ik alleen maar een verhaal van hem gelezen, in de bundel Morgen beginnen we weer opnieuw (link: onderaan). Dat vond ik wel een goed verhaal. Verder las ik nooit wat van hem. 

Maar Schijnoffers kon ik niet laten liggen. Het speelt zich namelijk af in de schaakwereld en als amateurschaker heeft dat mijn belangstelling. 

Drie personen spelen een belangrijke rol in de roman: David, een journalist, en zijn beide ouders Ella Leeuwin en Max de Nobel. Max is de schaker en is duidelijk gemodelleerd naar Jan Timman. Het is niet voor het eerst dat we Timman tegenkomen in de literatuur. Hij was ook het onderwerp van Geheime liefde (1977) van Laurie Langenbach. 

Parallellen

Schijnoffers is geen roman over Timman al zijn de parallellen overduidelijk: Max en Timman hadden beiden een vrouw met Surinaamse roots, die beroemd zou worden met het schrijven van een kookboek. Ze wonnen beiden het interzonetoernooi in Taxco (1985) en mochten uiteindelijk spelen om de wereldtitel, tegen Karpov. Alleen was dat bij Timman in een andere cyclus, in 1993. In Schijnoffers lijkt dat dezelfde cyclus te zijn als waarin Max het toernooi van Taxco won. 

Het gevolg van al die parallellen is wel dat ik de roman van Heerma van Voss gelezen heb terwijl ik door twee brillen over elkaar keek. Die van de roman en  die van een weergave van het tot fictie gemaakte leven van Jan Timman. 

Dat komt ook doordat Heerma van Voss vaak dicht tegen de werkelijkheid aan blijft zitten. Verschillende namen van schakers uit die tijd (Michael Tal, Boris Spasski, Anatoli Karpov, Gary Kasparov) worden genoemd. Andere schakers krijgen dan weer niet hun eigen naam: Romanishin wordt bijvoorbeeld Romanshev en Nigel Short wordt ironisch genoeg de grootmeester Long. 

Jan Timman behoorde tot de absolute wereldtop. Er was een tijd dat hij na Kasparov en Karpov de beste was. Dat hij mocht spelen om het wereldkampioenschap was min of meer een gelukje: Kasparov en Short besloten te spelen buiten de bond om, waarna Timman en Karpov om het wereldkampioenschap mochten strijden. De match werd gespeeld op verschillende plaatsen: Zwolle, Arnhem, Amsterdam en Jakarta. Indertijd ben ik in Arnhem gaan kijken, bij een partij die Timman jammer genoeg verloor. 

Daar gaat Heerma van Voss niet direct op in. In de beschrijving van het toernooi in Taxco zit je als lezer dichter op het schaken, verder blijft het toch een beetje op de achtergrond. Sommige verwijzingen naar het schaakspel doen vreemd aan: 'Max schoof zijn eerste zwarte pion naar voren. Romanshev bewoog een wit paard naar F6'. Dat zal wel f3 geweest zijn (met kleine letter). De observatie is trouwens van Ella, die niets van schaken weet, maar blijkbaar wel wil noemen welk veld het betreft. De koning omleggen na een verloren partij zal een grootmeester ook niet snel doen. Een handdruk volstaat. 

Spionage

In het heden gaat David op onderzoek uit, nadat zijn vroegere vriendje en buurjongen, Laurens Priem, hem aanwijzingen verstrekt over een spionageaffaire waarbij hun ouders mogelijk betrokken zijn geweest. In de strijd tussen de Sovjet-Unie en het Westen zouden ook een Nederlands bedrijf en de Nederlandse overheid een rol gespeeld kunnen hebben. De Priems waren bevriend met de De Nobels. Ze gingen bijvoorbeeld samen op vakantie. 

Dat schaken en politiek met elkaar verweven zijn, is niet opzienbarend. Lange tijd waren de Sovjetschakers oppermachtig, tot Bobby Fischer in 1972 wereldkampioen werd. Viktor Kortsjnoj speelde drie keer tegen Anatoli Karpov om het wereldkampioenschap. Kortsjnoj vroeg in 1976 politiek asiel aan in Nederland. Later speelden Karpov en Kasparov verschillende keren tegen elkaar. Kasparov ging na zijn schaakloopbaan de politiek in en voerde oppositie tegen de Russische regering. Karpov verdedigt op dit moment juist Poetin. De politieke strijd tussen de Sovjet-Unie en het Westen was in het schaken overduidelijk. 

Verhouding met ouders

Aan de ene kant is Schijnoffers een spionageroman, waarin David de kluwen van aanwijzingen steeds verder ontwart. Maar net zo belangrijk (eigenlijk belangrijker) is zijn verhouding tot zijn ouders. Niet voor niets gaat hij naar Paramaribo om zo dichter bij zijn moeder te komen en met zijn vader heeft hij altijd een problematische relatie gehad. 

Dat hij tegen Max wil spelen (en ook nog denkt dat dat een echte partij zou kunnen worden) is wel erg naïef. Max is niet zomaar een sterke schaker, hij behoort tot de wereldtop. David zou nooit een kans gehad hebben. Ook niet als Max al jaren niet meer geschaakt zou hebben. 

David krijgt de gelegenheid om te publiceren over de spionageaffaire waarbij een Nederlands bedrijf en de Nederlandse overheid betrokken zouden kunnen zijn. Die kans laat hij voorbijgaan, omdat hij vermoedt dat er nog meer te ontdekken is. Op eigen houtje start hij een onderzoek, waarbij hij ook graaft in het eigen verleden. Zo gaat hij naar de plaats waar de gezinnen De Nobel en Priem verschillende keren gezamenlijk hun vakantie doorgebracht hebben. 

Ontmoeting met vader

Intussen hebben Max en David al lang geen contact meer met elkaar. David weet aanvankelijk niet eens waar Max is, maar uiteindelijk zoekt hij hem op in Duitsland, waar Max zich teruggetrokken heeft. Intussen heeft de fictie het geheel overgenomen en is er eigenlijk geen relatie meer met de werkelijkheid. 

Het is wel een mooi gedeelte van de roman. David zou kunnen publiceren over wat hij allemaal ontdekt heeft, maar uiteindelijk is de ontmoeting met zijn vader belangrijker. Dat ze tegen elkaar gaan schaken en dat David zijn vader partij kan geven is onwaarschijnlijk en wel erg zwaar symbolisch, maar goed, dat nemen we op de koop toe. 

Osch, de collega met wie David samenwerkt voor het artikel zegt tegen David dat hij een vaderskindje is dat zich heeft wijsgemaakt dat hij een moederskindje is. Wat zijn vader voor hem betekent, ontdekt David tijdens zijn zoektocht en de uiteindelijke confrontatie met zijn vader. 

In Schijnoffers is er ook aardig wat aandacht voor Ella die terugblikt op het begin van haar relatie met Max, die samenviel met het toernooi in Taxco. 

Symboliek

Het schaken is aan de ene kant decor, het is een deel van de setting, maar de symboliek strekt zich uit tot hoe de personages met elkaar omgaan. Die symboliek wordt soms nadrukkelijk expliciet gemaakt: 'Bij nader inzien was ze nooit een dame geweest, maar een pion die toevallig de overkant van het bord had bereikt. En toen werd het bord onder haar vandaan gerukt.'

Natuurlijk is schaken een spel en je zou het ook als een vorm van escapisme kunnen zien: door te schaken houd je je niet bezig met het echte leven. Bij het schaken heb je weliswaar een tegenstander met wie je af moet rekenen, maar voor de rest heb je veel in eigen hand. De regels staan vast. Dat houvast van het schaken zoeken de personages ook in de wereld om hen heen. 

Ook het gedoe met de spionage heeft iets weg van een schaakpartij: twee tegenstanders proberen elkaar te verslaan. Ze brengen soms een schijnoffer om er voordeel uit te halen, doen stille zetten, waarvan pas later de bedoeling duidelijk wordt en uiteindelijk zal er iemand verliezen. 

Het spionagegegeven is een aardige manier om het verhaal gaande te houden. David wil niet alleen ontwarren wat er indertijd aan de hand geweest is, maar door in het verleden te graven, graaft hij ook in zichzelf en in de relatie met zijn vader. Tussendoor lezen we hoe zijn moeder alles beleefd heeft. 

Uiteindelijk draait het niet om de spionage en ook niet om het schaken. Ze zijn ook niet alleen maar decor, eerder zijn het spiegels waarvoor het echte verhaal (van David die zijn weg zoekt) zich afspeelt en waarin de verhoudingen, al dan niet symbolisch, weerspiegeld worden. 

Schijnoffers heb ik met plezier gelezen. De aanleiding was, behalve dat het in deze roman over schaken gaat, ook het idee dat ik eens wat meer van Daan Heerma van Voss wilde lezen. Dit is een onderhoudende roman, die lekker leest. Langzaamaan krijgt het verhaal meer lading, om uit te lopen op een mooi slot, waarin David zijn vader opzoekt. Als je daar bent aangekomen, zijn mogelijke parallellen met de echte wereld al lang niet meer belangrijk en hoop je alleen dat David wat meer helderheid krijgt over zijn leven en daarna weer verder kan. 

Eerder schreef ik over: