Posts tonen met het label Dietsche Warande & Belfort. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dietsche Warande & Belfort. Alle posts tonen

zaterdag 28 juni 2025

Afgestoft: Vogelzaken (Tonnus Oosterhoff)

Deze week heb ik hier weinig geplaatst en helemaal geen recensie van net gelezen boeken. Ik hou je een beetje zoet met nog een oude recensie. Die komt uit Dietsche Warande & Belfort, 137ste jaargang nr. 4, augustus 1992. Het is hetzelfde nummer als waarin ik schreef over Teheran, een zwanezang van F. Springer, die ik al een keer afstofte. 

Het stukje gaat over de verhalenbundel Vogelzaken van Tonnus Oosterhoff. Oosterhoff is een uitmuntend dichter, van wie ik veel te weinig gelezen heb. Toen hij deze verhalenbundel publiceerde, in 1991, had hij verder alleen de dichtbundel Boerentijger (1990) op zijn naam staan. Hij heeft daarna heel wat gedichten- en verhalenbundels en enkele romans gepubliceerd. Wat de gedichten betreft: bijvoorbeeld De ingeland (1993) en Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2002). Wat er tegenwoordig op zijn website gebeurt, weet ik niet, maar toen experimenteerde hij met gedichten waarvan de woorden verschenen en verdwenen, zo verkennend wat het nieuwe medium aan mogelijkheden bood. Heel interessant. 

Volgende week hoop ik weer het een ander hier te plaatsen, maar mijn agenda is aardig aan het vollopen. Dinsdag moet ik naar Heeze om mondelinge examens af te nemen. Dat doe ik al veertien jaar, maar dit jaar is het de eerste keer in het nieuwe seizoen en dan moet ik wel zorgen dat ik goed voorbereid ben. Hoe dan ook, ik hou je op de hoogte. 

De mens is boosaardig

Laat ik maar met de deur in huis vallen: de verhalenbundel Vogelzaken, het prozadebuut van Tonnus Oosterhoff, is een raar boek. De verhalen hebben een merkwaardige lengte (het kortste is maar drie regels lang), gaan over de vreemdste zaken (een dronken man ontmoet een paling, een jongetje doodt een hond met een breinaald, een Tsjechische rups moet een rivier over, een pedagoog kan zijn eigen kind niet de baas), zijn geschreven in een stijl die niet te vergelijken is met die van iemand anders en ze zijn volkomen plotloos; ze houden ineens op. 

Vooral dat laatste geeft mij problemen. Ik weet domweg niet of ik het typische einde van de meeste verhalen nu goed vind of niet. Veel verhalen wekken de indruk fragmenten te zijn van langere verhalen; eigenlijk eindigen ze helemaal niet. Het lijkt erop dat Oosterhoff zich niet bekommerd heeft om de compositie van het verhaal en tegelijkertijd is het mogelijk dat hij heel precies uitgeknobbeld heeft waar hij het verhaal het beste af kan breken om de lezer te verwarren. Of uit te dagen. Of te irriteren. 

De opmerkelijke bouw van de verhalen is zo karakteristiek, dat ik ze onrecht zou doen als ik ze vergeleek met die van andere schrijvers. Maar het eigene van de verhalen is natuurlijk niet alleen vanuit de bouw te verklaren. Ook de sfeer is bijzonder.

Vaak hangt er in de verhalen een dreiging die zwaar op het leven drukt. De personages zijn niet bepaald levensgenieters. Vaak voelen ze zich hier op aarde of in hun leven niet thuis en hebben ze weinig illusies. De arts in 'De dokter' formuleert het zo: 

Geachte collega, Niets wat bestaat is mijns inziens waar. Niets op aarde is goed. De mens is boosaardig. Al het aardse verdient afkeuring. De wereld kent geen rede. De mens is veranderlijk en slecht. 

De mensen in Vogelzaken hebben inderdaad weinig goeds van elkaar en van het leven te verwachten. Narigheid, tegenvallers, tegenwerking, ziekte en uiteindelijk de dood zijn hun deel. Toch heeft Oosterhoff geen sombere bundel geschreven. 

Dat komt door zijn stijl, waarin hij nuchter alles registreert. Zelfs een vergelijking als 'Haar hart klampte zich als een jong zwart aapje aan de ruggegraat' vertoont in het verhaal geen zwierigheid; zij is geen krul, maar een constatering. Het gaat niet om het mooie van de vergelijking, maar om een zo scherp mogelijke verwoording van de waarneming. Dat constaterende, dat nauwkeurig registrerende, verhoogt de objectiviteit van het verhaal: zo is de werkelijkheid. De lezer kan dan ook moeilijk anders dan de werkelijkheid accepteren die in het verhaal opgeroepen wordt. 

Het is knap van de schrijver dat hij de lezer in zo'n positie weet te manoeuvreren, want de voorvallen die hij voorgeschoteld krijgt, zijn uitzonderlijk. Of, beter gezegd, de aparte voorvallen zijn niet zo uitzonderlijk, maar ze zijn steeds opgenomen in het grillige verloop van het verhaal, waardoor ze onvoorspelbaar en uitzonderlijk worden. Toch accepteert de lezer ze onvoorwaardelijk. Het beeldend vermogen van de stijl, waarvan ik al een voorbeeld gegeven heb, zorgt ervoor dat het gelezene gemakkelijk gevisualiseerd kan worden, zodat de lezer dicht bij het verhaal blijft. Gefascineerd volgt hij de schrijver. 

Het is mij gebleken dat die fascinatie (bij mij althans) blijft, ook na herhaaldelijke lezing. Een duidelijker bewijs dat deze verhalen kwaliteit hebben, heb ik niet nodig.  

dinsdag 20 mei 2025

Afgestoft: De tedere tirannie (Robert Vernooy)

Deze week is het druk met de correctie voor de Staatsexamens en een paar andere afspraken. Dat wil zeggen dat het moeilijk wordt om elke keer een nieuwe recensie te plaatsen. Dat zou eigenlijk wel moeten, want mijn schrijven loopt al enkele weken achter op mijn lezen. Daarom probeer ik toch tot een minimum van drie nieuwe stukjes per week te komen. Als ik dat niet red, moet je het doen met wat ouder werk. 

Deze keer een recensie van De tedere tirannie van Robert Vernooy, ooit gepubliceerd in Dietsche Warande & Belfort, 137e jaargang, nummer 6 (december 1992). In hetzelfde nummer besprak ik ook Zeehond in wormgat van Lucas Hüsgen. 

Robert Vernooy is een interessant schrijver, van wie ik veel gelezen heb. Ik dacht dat ik ook een recensie had geschreven van De tijd van de gesel (1996), maar als dat zo is, kan ik daar niet meer bij. Abonnementhouders van een bibliotheek hebben sinds begin deze maand geen toegang meer tot Literom. 

In het nummer van DW&B staan interessante stukken: gedichten van Christine D'Haen en Hubert van Herreweghen, een interview met Armando door Wam de Moor, een artikel van Rita Ghesquiere over boeken die zich op het grensgebied van jeugdliteratuur en literatuur bevinden en een artikel (alweer door Wam de Moor) over thema's en motieven in het werk van Margriet de Moor. 

In de tijd dat ik het stukje over De tedere tirannie schreef, was het merk Dr. Oetker blijkbaar alleen nog maar bekend van de pudding en niet bijvoorbeeld van de pizza. 

Voor je eigen bestwil

In zijn essaybundel In de contramine ontpopte Robert Vernooy zich als een cultuurcriticus. Ook in zijn nieuwe roman, De tedere tirannie, vinden we die cultuurkritiek terug. Het meest expliciet in de geciteerde fragmenten van het boek Gezondheid als gemeenschapstucht van de (natuurlijk gefingeerde) Dolf Oetker. Ik vermoed dat die naam gewoon een aardigheidje is, een speelse verwijzing naar de pakjes pudding, maar het kan ook zijn dat Vernooy, juist door deze naam te kiezen, de geciteerde fragmenten wil relativeren of ironiseren, dat hij ons duidelijk wil maken: het zijn maar instant-wijsheden. 

Wat Oetker beweert, is op zich helemaal niet zo dwaas. Afwijking bestaat slechts bij de gratie van een norm, zegt hij. Ziekte is in onze cultuur een afwijking, omdat gezondheid de norm is. Zo bezien impliceert een diagnose een moreel oordeel. 

De tedere tirannie opent met een motto van Italo Svevo: 'ziekte is een overtuiging.' Iemand kiest ervoor af te wijken. Want misschien is de meerderheid wel ziek. Dan moet de gezonde minderheid geholpen worden, zegt Oetker. Wat als hulp tot ons komt is eigenlijk een vorm van onderdrukking, een tedere tirannie, die iedere afwijking wil corrigeren. 

Ziekte en gezondheid zijn politieke symptomen, maar als 'een patiënt' 'geholpen' moet worden, zegt men nooit dat hij staatsgevaarlijk is, maar dat hij een gevaar voor zichzelf is. De hulp is dus altijd 'voor je eigen bestwil', maar die bestwil wordt altijd door anderen bepaald. 

Vernooy concretiseert de zorgzame samenleving in de tekening van Camping De Groene Vrede. Hij opent met een paginalange advertentie voor deze camping. Daarin staat onder andere:

Privacy staat bij ons voorop, wat echter niet wil zeggen dat er helemaal geen aandacht aan u wordt besteed. Integendeel! Persoonlijk contact met onze gasten vinden wij net zo belangrijk. Bij ons bent u niet alleen maar een nummer. 
Ook wat betreft de veiligheid heeft De Groene Vrede een streepje voor op de meeste andere campings. Videocamera's waken dag en nacht over uw welzijn, evenals onze discrete ordedienst, die er zorg voor draagt dat uw fijne vakantie niet wordt bedorven door dieven, herrieschoppers of andere ongewenste elementen. Mocht er iets zijn, dan is er altijd iemand in de buurt. 

Dat kan allemaal inderdaad geruststellend zijn, maar het kan ook als heel bedreigend ervaren worden. 

Alles wordt beheerst, alles is geregeld. In het hoogseizoen is er op de camping zelfs 'professionele recreatiebegeleiding'. Ook daarin is de zorg bijna tiranniek geworden:

Nog steeds zijn er mensen die niet meedoen. Ik wil geen namen noemen, maar volgens mij weten we allemaal wie ik bedoel. 

De camping is opgezet en wordt beheerd door Ad, de vader van Jessica. Jessica is iemand die afwijkt. Ze heeft overal 'behoorlijk de balen van' en ze lijdt aan anorexia. Op de camping komt ze in contact met Jasper, die volgens zijn omgeving ook al slecht aangepast is. Hij is gitarist in een band die rioolrock speelt en binnen die band neemt hij het meest extreme standpunt in. Hij vindt dat er geen covers maar eigen nummers gespeeld moeten worden. Ook is hij in de criminaliteit beland en stelen is voor hem dan ook zo ongeveer een gewoonte geworden. 

Uiteindelijk loopt Jessica met Jasper van huis weg. Ze duiken onder in een bunker en proberen daar hun  eigen leventje te leiden. Jessica houdt het niet vol. Ze is moe, doordat ze lichamelijk niet zo sterk is, maar ze is ook moe van het leven. Voor haar hoeft het dan ook niet meer. Ze besluit zelfmoord te plegen (door een grote dosis medicijnen in te nemen) en Jasper doet uit solidariteit met haar mee. 

Jessica overlijdt inderdaad, maar Jasper komt in een coma terecht, waarin hij levend gehouden wordt. 'In een vrije maatschappij moet iedereen ook vrij zijn om te kiezen of, wanneer en waaraan hij of zij kapot wil gaan', had Dolf Oetker al geschreven. Maar Jasper leeft nu eenmaal niet in een vrije maatschappij, hij bevindt zich in een zorgzame samenleving. Jessica merkte al eerder op dat veel mensen domweg niet kunnen accepteren dat sommige verhalen slecht aflopen en dat de hoofdpersoon daar helemaal niet mee zit. Die mensen willen dan per se helpen, natuurlijk voor de eigen bestwil van degene met wie het verkeerd dreigt te gaan. 

Wat Jasper overkomt, is wel wrang. Zijn oma lag namelijk ook al een hele tijd in coma. Ze had uitdrukkelijk te kennen gegeven dat ze 'abgespritzt' wilde worden, maar niemand wilde haar het definitieve spuitje geven. Jasper had al eens met de gedachte gespeeld haar te helpen en de slangen los te rukken. Maar hij had er de kans niet voor gekregen. Nu verkeert hij in dezelfde situatie als zijn oma: levenloos en toch niet dood. 

De tedere tirannie eindigt met de weergave van een televisieprogramma waarin Jessica's vader vertelt over wat er gebeurd is. Ook Dolf Oetker is in de studio. In het hele boek speelt televisie een rol. Alle hoofdstukken op een na beginnen met een televisiebeeld, meestal met ondertiteling. De teksten zijn vaak, meer dan de beelden, van toepassing op het hoofdstuk dat volgt, maar niet altijd. Soms lijken beeld en tekst willekeurig gekozen. Dat doet me denken aan Vernooys vorige roman, De dingen die er niet toe doen, waarin reclameteksten geciteerd en vervormd werden. Soms was dat functioneel, maar soms ook pasten die teksten totaal niet in hun context. Vernooy houdt er nu eenmaal van de lezer te verwarren. 

De televisie heeft voor Vernooy positieve en negatieve kanten. Aan de ene kant kan hij afgeven op de koekeloercultuur en aan de andere kant weet hij, dat hij met de televisie opgegroeid is en dat die dus deel van hem is gaan uitmaken. Ook daarom zal de televisie een prominente plaats hebben in deze roman, zoals in Wraak! van Joost Niemöller het computerspelletje een rol speelde. 

Zoals gezegd, het boek eindigt met een stuk uit een praatprogramma. Door het hele boek heen zijn monologen en dialogen opgenomen, die zo uit een praatprogramma kunnen komen. Maar soms zijn het ook duidelijk fragmenten van gesprekken met bijvoorbeeld een psychotherapeut. Vaak vormen die gesprekken een commentaar achteraf, een reflectie op wat er gebeurd is. Dat betekent dat er wat afstand komt, maar tegelijkertijd wordt de betrokkenheid groter: de lezer krijgt direct te horen wat de figuren bewoog. Het zal Vernooys bedoeling wel zijn ook therapeutische gesprekken te ironiseren. 

Misschien is dat wel een van de sterke kanten van De tedere tirannie. Er wordt iets beweerd, dat wordt geïroniseerd, maar daarbij blijft zowel de ernstige als de ironische kant gehandhaafd. Ook dat zal bij sommige lezers verwarring veroorzaken. Precies wat Vernooy wil. 

donderdag 20 februari 2025

Afgestoft: De wetten (Connie Palmen)

Al wapperend met mijn stofdoek kwam ik dit tegen: een recensie van De wetten van Connie Palmen. Het boek verscheen in 1991, ik recenseerde het meteen, maar door gerommel bij Dietsche Warande & Belfort werd de bespreking pas geplaatst in het eerste nummer van 1992 (februari, 137ste jaargang). Eronder staat nog wel keurig 'juni 1991'. Mocht ik iets geschreven hebben wat in andere recensies naar voren gebracht is in het tweede halfjaar van 1991, dan kan ik niet van plagiaat beschuldigd worden. Nou ja, beschuldigd worden kan altijd, maar ik kan me vrijpleiten. 

Voor op het nummer van DW&B staat aangekondigd dat er een essay in staat met als titel 'Is de Sovjetliteratuur dood?' Er worden twee boeken van Adriaan van Dis (Het beloofde land en In Afrika) besproken en er is een analyse van een gedicht van Herman de Coninck. 

Eigenlijk was ik indertijd meer geïnteresseerd in het gesprek dat Wam de Moor, Henny van Boekel en Toine Heymans hadden met H.H. ter Balkt. Titel: 'Eigenlijk is het nergens pluis meer'. 

Bij het nalezen van mijn bespreking valt me wel de frikkerigheid op waarmee ik 'taalfouten' signaleer. Als er iemand voor op de vingers getikt moet worden, is dat de redacteur en niet de auteur, lijkt me nu. En misschien had ik er indertijd gewoon niets over moeten zeggen. 

De afbeelding hieronder is niet de omslag van de eerste druk. Ik heb net nog gerommeld in dozen op zolder, maar het lijkt erop dat ik het boek in de loop der jaren kwijtgeraakt ben. 

Voor zover mijn herinnering klopt, heb ik na De wetten nog het een ander van Palmen gelezen, maar niet alles. De vriendschap (1995) las ik meteen na verschijnen; I.M. liet ik even aan mij voorbijgaan, maar ik las het later toch en toen viel het mij mee; De erfenis (1998) was een Boekenweekgeschenk - meteen gelezen. Geheel de uwe (2002) sloeg ik over. Het staat in mijn boekenkast, zie ik, tweedehands gekocht. Nog niet gelezen. Jij zegt het (2015) las ik vorig jaar pas. Goed boek. 


Een personage in het verhaal van een ander

In De wetten, het debuut van Connie Palmen, wordt een kunstwerk beschreven. Het is een theepot, waarvan de tuit dichtzit en het deksel vastgelijmd is. Boven het handvat zit een schenktuit. Op de buitenkant van de pot staat verschillende keren de tekst: 'Wees maar niet bang liefste, als het erin zit komt het er ook wel uit.'

Deze theepot lijkt me een beeld van de hoofdpersoon in deze roman, de filosofiestudente Marie Deniet. Ze wil schrijfster worden en op haar veertiende droomt ze dat ze op voorhand de Nobelprijs voor de literatuur gekregen heeft voor alles wat ze nog zal gaan schrijven. Het moet er alleen nog wel uit komen. 

Als het boek begint, is Marie vijfentwintig jaar oud. Ze is op zoek naar de wetten die de grondslag voor het leven vormen. In de zeven hoofdstukken die het boek telt, maken we kennis met de zeven leermeesters van Marie: de astroloog, de epilepticus, de filosoof, de priester, de fysicus, de kunstenaar en de psychiater. Alle zeven maken ze haar iets duidelijk over het leven en over haarzelf. 

Voor de astroloog wordt het bestaan gestructureerd door de sterren. De epilepticus heeft zijn ziekte die eenheid in zijn leven brengt. Hij ziet ziekte als een beeldspraak waarin iemand zich kristalliseert. De filosoof brengt Marie onder andere het verband tussen zien, liefde en denken bij, met de priester voert ze gesprekken over priesterschap en schrijverschap, de fysicus laat haar zien dat niets absoluut of onaantastbaar is, bij de kunstenaar leert ze de liefde kennen, waarna ze uiteindelijk bij de psychiater terechtkomt, aan wie ze haar hele verhaal vertelt. Dat verhaal blijkt het boek te zijn dat we voor ons hebben. Wat erin zit, is er inderdaad uit gekomen. 

De filosoof zegt op een gegeven moment tegen Marie dat ze iets bezit 'dat waarschijnlijk een voorwaarde is voor het bedrijven van iedere vorm van kunst, een soort synthese tussen hartstocht en afstandelijkheid.' Al eerder had de astroloog geconstateerd dat hartstocht voor Marie hartstocht van de geest was: 'Jouw genot ligt verankerd in je koppetje, in het leren.'

De afstandelijkheid en ook het afgescheiden zijn lijken me kernbegrippen in De wetten. In het hele boek worden er uitspraken over gedaan, waarvan pas later blijkt dat die alle van toepassing zijn op het schrijverschap. De astroloog zegt over Marie:

Jij moet alleen zijn om over de wereld na te kunnen denken, maar jij moet zelfs alleen zijn om met anderen in contact te kunnen treden, om ze te laten profiteren van je kennis. 

De priester constateert over het priesterschap: 'In dienst van het heilige staan betekent apart gezet worden, van de gemeenschap van de de mensen afgescheiden worden.' Later maakt hij zelf de vergelijking tussen de priester en de schrijver: beiden vervullen de woorddienst. Marie laat zich ook zelf uit over de afzondering:

De afzondering was de enige positie waaruit ik het leven meende te kunnen bevrijden van haar betekenisloosheid en van waaruit ik van de eenzame, zielloze dingen tekens kon maken, zodat ze nog ergens, in een zelfverzonnen verband, betekenis konden hebben. Het leven had mij nodig. Zonder mij bleef het nergens. 

Het geven van betekenis, het leggen van verbanden, heeft consequenties voor de afzondering. Lucas Asbeek, de kunstenaar, denkt helemaal op zichzelf iemand te kunnen zijn, volkomen los van de anderen. Marie vertelt hem dat de anderen altijd nodig zijn om hem betekenis te geven. Een mens wordt dan opgenomen in een verhaal. Hij wordt een personage in het verhaal van een ander. 



In haar doctoraalscriptie is Marie ook hiermee bezig. De scriptie krijgt de titel Het lot van een personage. Plato en Socrates spelen er een rol in. We kennen Socrates alleen als 'personage' in het 'verhaal' van Plato. We zijn dan beland bij begrippen als kunst en leven, schijn en werkelijkheid,


waarheid en leugen. Ook in De wetten zelf zitten dergelijke vormen van dualiteit. Het boek bevat duidelijk autobiografische elementen, maar wordt nadrukkelijk gepresenteerd als roman. Connie Palmen heeft van zichzelf een personage gemaakt, Marie Deniet.

Met die naam is ook het een en ander aan de hand. Enerzijds Maria, de uitverkorene, anderzijds de zelfontkenning. De verschillende leermeesters geven Marie steeds een andere naam, zoals Theresa of Monsieur Lune. De priester noemt haar Em of Emmeke. Dat deed mij denken aan een andere Marie, Mariken van Nieumeghen, wier naam veranderd werd in Emmeken. Zij verkocht haar ziel aan de duivel om de zeven 'vri consten' te leren. Al in het begin van het boek zegt de astroloog tegen Marie, dat ze haar ziel verkoopt voor een beetje kennis. Het boek beslaat zeven jaar, zoals Mariken zeven jaar met de duivel verkeerde. 

Toen Mariken naar het wagenspel Masscheroen keek en begon te huilen, zag de duivel dat ze los van hem was (heksen kunnen niet huilen). Hij nam haar mee in de lucht en liet haar vallen. Het motto van De wetten is een citaat van Samuel Beckett: 'Als ik val, zal ik huilen van geluk.' Voordat Marie kennismaakt met de kunstenaar en de liefde, ervaart ze iets wat ze 'de val' noemt. Achteraf noemt ze het een stille week, waarin ze volkomen afgesloten van de wereld geleefd heeft. Ten slotte is wat Marie aan haar psychiater vertelt, te vergelijken met de biecht die Mariken aflegt. 

Een aardige parallel, al is het de vraag of die door de schrijfster zo bedoeld is. Haar signaleren is in ieder geval in de geest van het boek: de lezer verleent betekenis aan wat geschreven is. 

Als we de relaties tussen Marie en haar leermeesters beschouwen, zien we dat die gaandeweg het boek intenser worden en zich meer lichamelijk gaan uiten. Dat is nodig, omdat kennis alleen uiteindelijk niet voldoende blijkt. Als haar gevraagd wordt 'Wat zoekt ge nu dan nog om de keuze voor het schrijven te moeten rechtvaardigen', antwoordt Marie: 'Dat wat ik nog niet ken, de liefde.' Die leert ze kennen bij Lucas Asbeek, de kunstenaar. 

Ze ziet hoe anders haar relatie met Lucas is dan die met de andere mannen. 

Ik heb van geen van deze mannen gehouden zoals ik van Lucas hield, hou. Ik geloof ook niet dat een van deze mannen mij heeft liefgehad, niet echt. Misschien was dat ook onmogelijk. Ik was niet op zoek naar liefde. Ik zocht die wetten. 

Maar ook de liefde kent haar wetten: 'Is het een wet van de echte liefde, vraag ik aan Lucas, dat je bijeen bent en dan weer uit elkaar gaat?' Achteraf bekent ze aan haar psychiater: 'Bij Lucas was ik Marie, hartenvrouw Ik kwam met harten uit en heb verloren.'

De wetten is, ondanks de lichtheid soms, een ernstig boek. De filosofie in het boek is niet een sausje, maar bijna een noodzaak. De hoofdpersoon worstelt met existentiële problemen. Dat zal een van de redenen zijn waarom het boek zoveel succes heeft; in twee maanden was het aan de zevende druk toe, de schrijfster is geïnterviewd voor radio en televisie. 

Alom wordt Palmens stijl geroemd en dat lijkt me deels terecht. Ik kan best genieten van een zin als 'In je jeugd lijkt het leven een tam dier dat zich aan je voeten uitstrekt en genoeg heeft aan wat armzalige strelingen om jou voor eeuwig trouw te blijven', ik zie de gewaagde samentrekkingen en de verrassende overgangen van verleden naar tegenwoordige tijd, ik ben onder de indruk van de hoeveelheid registers die Palmen tot haar beschikking heeft, maar ik kan me ook ergeren aan de tientallen taalfouten: 'het leven en haar betekenisloosheid', 'Daniël draaide hen zijn rug toe', 'handelswijze', 'borstkast', 'een hand tegen zijn wang aangevleid', 'de meest optimale vorm'. Toch doen ze voor mij niets af aan de waarde van het boek. De wetten is een interessante ideeënroman. Of een ontwikkelingsroman. Of de wordingsgeschiedenis van een schrijverschap.