donderdag 29 januari 2026

Afgestoft: Ik ben een bijl (Erik-Jan Harmens)

Bij het rommelen in de besprekingen die ik ooit geschreven heb, kom ik ook wel eens stukken tegen waarvan ik helemaal niet meer wist dat die ooit uit mijn toetsenbord zijn gekomen. Een daarvan is de recensie van de bloemlezing Ik ben een bijl van Erik Jan Harmens. De bespreking verscheen in Liter, jaargang 13, nr. 57 (2010). 

De bloemlezing staat nog in mijn kast en pas bladerde ik er nog doorheen. De bundel heeft een prettig formaat (niet te klein) en leest lekker, maar ik kwam niet verder dan hier en daar een gedicht. Nu ik mijn oude recensie heb doorgelezen staat me weer bij wat voor bundel het was. 

In mijn bespreking ga ik in op de inleiding, waarover indertijd blijkbaar gedoe was geweest, en op de keuze van de dichters. Ik citeer geen enkel gedicht en dat vind ik achteraf wel vreemd. Het is toch wel prettig als in een stuk over poëzie ook poëzie te lezen zou zijn. 

Maar misschien kreeg ik wel de opdracht om dat niet te doen. Ik herinner me dat er ook recensies waren waarin ik een gedicht niet in de oorspronkelijke vorm mocht opnemen, maar alleen binnen mijn prozatekst, met slashes tussen de regels. Hoe het precies zat, kan ik niet meer terughalen. 



Bijltjesdag in de poëzie


Er zijn poëziebloemlezingen die iedere literatuurliefhebber op zijn minst van naam kent: Nieuwe griffels, schone leien, Atonaal en ‘De Dikke Komrij’ bijvoorbeeld. Het zijn bloemlezingen die nieuwe dichters een podium gaven of oude dichters herontdekten of aandacht vroegen voor een andersoortige poëzie. In Komrijs bloemlezing moesten de veelgeprezen experimentelen een paar passen terugdoen en de vormvasten en ironischen kregen meer aandacht dan ze decennialang gehad hadden.

Pogingen om via een bloemlezing de poëzie een duwtje in een andere richting te geven, zijn al meer gedaan. Lava en Zwagerman probeerden dat met Maximaal (1988), wat wel wat rumoer opleverde en bovendien een bloemlezing van dichters die zich niet in het maximale geronk herkenden (Ieder hangt aan zijn gevallen toren, Rogi Wieg), maar toch bloedde het allemaal vrij snel dood.

Met Ik ben een bijl probeert Erik-Jan Harmens een weg vrij te hakken voor wat ik toch maar geëngageerde poëzie noem. Over de inleiding die aan de bloemlezing vooraf gaat is al veel te doen geweest. Die zou rammelen, zichzelf tegenspreken, soorten gedichten uitsluiten die toch in de bloemlezing opgenomen zijn en meer nog.

Het zal wel, maar in ieder geval schreef Harmens een inleiding die je in één ruk uit leest. ‘Ik wil poëzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Ik wil poëzie die zich aan iets committeert. Ik wil poëzie die zich op zijn minst aan zichzelf committeert.’ Zo begint Harmens.

Verderop schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Ik wil poëzie die de schrijver de kop heeft gekost. Ik wil poëzie die wordt afgewezen maar als een onder water gedrukte voetbal met een buts komt bovendrijven. Ik wil poëzie die op de schrijversvakschool wordt weggehoond. Ik wil poëzie die niet helemaal de bedoeling is.’

Betrokkenheid, dat is wat Harmens van de dichters vraagt. Hij blieft geen dichters die met een verontschuldigend gezicht zeggen dat het maar poëzie is wat ze schrijven, dat een gedicht niet meer is dan een ding van woorden. Hij wil poëzie die erin hakt.

Tja. Het is mooi hoor, zulke bevlogen dichters, die met een megafoon hun poëzie aan de man brengen; die met bloed schrijven; die hoge idealen hebben. Ze schrijven misschien prachtige gedichten, maar misschien ook blijven ze steken in het gebral.

Ik wantrouw predikers altijd een beetje en hoe prettig woest Harmens ook schrijft, ik begin toch bedenkend te hummen als hij bijvoorbeeld beweert dat we in een wereld van haat geen liefdesgedichten meer kunnen schrijven, omdat dat niet meer dan entertainment zou zijn. Pardon? Het sprookjesachtige ‘Hooglied’ van Menno van der Beek zal door Harmens dan ook wel in de entertainmenthoek geduwd worden, maar het houdt het bijvoorbeeld prima tegen de achtergrond van 11 september 2001. Ook hier staat een toren in brand en een brandweerman klimt ‘als een vlieg tegen het glas’ omhoog. Ondanks die wereld vol haat blijven er dromen bestaan en dichters die geloven ‘dat hij het haalt en dat hij bij haar past’. In de dagen dat CNN op bijna alle tijden op bijna alle tv-schermen verscheen is zo'n gedicht bijna een subversieve daad.

Ach, ik vergeef Harmens graag wat doordraverij. Als hij dan tenminste goede gedichten selecteert en dat heeft hij wel gedaan. Hij selecteerde dichters die in 1998 of later debuteerden. Daarbij smokkelde hij wel een beetje af en toe. Hilbrand Rozema en Menno Wigman bijvoorbeeld debuteerden een jaar eerder met een bundel en in tijdschriften waren hun gedichten waarschijnlijk nog eerder te lezen. Dat soort onnauwkeurigheden lijkt me overigens vergeeflijk.

De dichters met het grootst aantal gedichten in Ik ben een bijl zijn Menno Wigman, Ilja Leonard Pfeijffer, Ramsey Nasr (niet zo heel veel gedichten, maar wel heel veel bladzijden), Saskia de Jong en Alfred Schaffer, een keuze die me te verdedigen lijkt.

Natuurlijk missen we mensen. Hanz Mirck wordt in elke recensie als ontbreker genoemd, waardoor hij door deze bloemlezing meer aandacht krijgt dan wanneer hij wel opgenomen zou zijn. Maar ook René Puthaar, Jane Leusink, Tjitske Jansen, Wouter Godijn, Philip Hoorne en Quirien van Haelen zien we niet terug. Hebben ze te weinig kwaliteit? Te weinig betrokkenheid? Bij Van Haelen kan ik me dat laatste voorstellen, maar we weten het niet.

Van de dichters die wel opgenomen zijn, kan ik niet altijd zeggen dat hun gedichten met de bijl gehakt zijn. Van het gedicht van Erik Harteveld (die al in 1955 geboren werd) druipt bijvoorbeeld de weemoed en eigenlijk vond ik dat wel prettig; een gedicht waarin de wind even gaat liggen tussen al die gedichten waarin het stormt.

Veel gedichten in de bundel hebben namelijk behoorlijk wat vaart en houden ervan te laten merken dat ze krachtig zijn. ‘De metro ramt de voorkant van de dag’ (Menno Wigman) lezen we dan, of ‘de hemel stort zich met bakken te pletter’ (Peter Holvoet-Hansen). Het zal misschien onzin zijn, maar soms moest ik toch terugdenken aan de futuristen van zo'n eeuw geleden. Natuurlijk doel ik niet op de politieke stellingname binnen het futurisme, maar wel op de vaart, de dynamiek, die in veel van de werken uit die tijd terug te vinden was.

Over de keuze van de gedichten is altijd te twisten. Zo snap ik niet waarom van Hilbrand Rozema niets is opgenomen uit zijn bundel Slagveldtoerisme, waarin toch genoeg betrokken gedichten staan. Van Maria Barnas moeten ook betere gedichten te vinden zijn en van Mustafa Stitou had ik wel wat meer gewild. Er is altijd iets te zeuren als je wilt.

In de eerste plaats heb ik echter een interessante bundel gelezen, met werk van dichters die ik voor een deel niet of slecht kende. De bundel heeft me nieuwsgierig en enthousiast gemaakt. Dat lijkt me genoeg.

woensdag 28 januari 2026

Afgestoft: Dierbaar boek. Mein System (Aaron Nimzowitsch)

In het blad Liter was er ooit een rubriek 'Dierbaar boek' en ook ik werd gevraagd een stukje te schrijven over een boek dat mij dierbaar was. Dat stukje werd gepubliceerd in jaargang 8, nummer 38 (2005). Ik weet niet meer of ik lang moest nadenken over de keuze van het boek. 

In zo'n rubriek kies je natuurlijk altijd een boek uit je verre verleden, maar als je veel gelezen hebt, zijn er altijd veel kandidaten. Het boek dat me nu als eerste te binnen schiet is Tippeltje van W.G. van de Hulst jr. dat ik cadeau kreeg op het kerstfeest van de eerste klas van de lagere school. Hoe vaak ik het gelezen heb, weet ik niet, maar het is mij altijd dierbaar gebleven. 

Verder moet ik denken aan Kladboek van Jeroen Brouwers, waarvan ik ondersteboven was en aan de bloemlezingen Voorbij de laatste stad van Gerrit Achterberg en Lees maar, er staat niet wat er staat. Het waren de eerste dichtbundels die ik kocht. 

Mogelijk zijn die boeken ook in mijn gedachten voorbijgekomen, maar ik koos voor een boek van een markante schaker, Aaron Nimzowitsch. Dat boek is niet alleen belangrijk geweest voor mijn begrip van het schaakspel, maar het is vooral ook geschreven in een heerlijke stijl. 

Nu het Tata Steel Chesstoernooi bezig is (dat in mijn gedachten nog steeds het Hoogovenstoernooi is), lijkt het me wel gepast om mijn stukje over dit boek onder het stof uit te halen. 


Mein System (1925/1926) van Aaron Nimzowitsch (1886-1935)

Achttien was ik, net geworden. In mijn boekenkast stonden nauwelijks dichtbundels: bloemlezingen uit het werk van Nijhoff en Achterberg waarschijnlijk, misschien enkele exemplaren van het tijdschrift Gedicht, dat geredigeerd werd door Remco Campert. Het zou nog bijna twee jaar duren voordat ik de verzamelde gedichten van een dichter zou kopen: Leopold, op advies van Anne Schipper.

Wel had ik al een rij schaakboeken in mijn kast staan. Openingenvademecum van Frits Roessel, bijvoorbeeld, een hele reeks prismapockets van Hans Bouwmeester, plus zo'n pocket over de match Fischer-Spasski. En Euwe natuurlijk, Oordeel en plan, na bestudering van welk boek ik voor het eerst het idee had dat ik echt iets van het schaakspel ging begrijpen.

Maar toen ik net achttien was, kocht ik een boek dat niet alleen een uitstekend schaakboek was, maar dat ook nog eens zeer onderhoudend geschreven was: Mein System, van Aaron Nimzowitsch. Waarom ik juist dit boek toen aangeschaft heb (ongetwijfeld bij Van der Galie in Utrecht), weet ik niet meer. Misschien wel vanwege de blauwe, kunstleren band, met gouden letters. Een mooi ingebonden boek, dat prettig openviel, lekker rook, gemakkelijk in de hand lag. Waarschijnlijk wist ik daar in de winkel nog niet dat ik een van de meest invloedrijke schaakboeken uit de geschiedenis in mijn hand had.

Mein System verscheen oorspronkelijk in vijf afleveringen in de jaren 1925/1926. Nimzowitsch (Riga, 1886) was als schaker toen al wel bekend. Zo won hij samen met Aljechin het toernooi in St. Petersburg in 1914. Maar na een slecht toernooi in dezelfde stad, in hetzelfde jaar, verscheen hij jarenlang niet achter het schaakbord.

Niet iedereen zal dat betreurd hebben. Nimzowitsch kon in de omgang bepaald onaangenaam zijn. In een partij tegen Walter John verscheen hij drie kwartier te laat in de toernooizaal, bekeek toen eerst uitgebreid de schilderijen aan de wand, voerde een zet uit zonder te gaan zitten en wandelde weer verder. Voor de eerste zestien zetten gebruikte hij maar vijf minuten, op de zeventiende zet bracht hij een subtiel pionoffer, dat hem uiteindelijk materieel voordeel opleverde. Zijn tegenstander was toen al zo geïrriteerd, dat hij de partij niet opgaf, maar nog tientallen zetten in verloren stelling doorspeelde. Zo maak je geen vrienden.

Nimzowitsch was een sombere, ietwat boosaardige man, overtuigd van zijn eigen gelijk, ook als zijn prestaties achter het schaakbord dat niet aan konden tonen.

In geschrifte laat hij zich voor het eerst gelden in 1912 in een open brief aan dr. Siegbert Tarrasch in Deutsches Wochenschach. Tarrasch, een gerespecteerde schaakmeester, had zich laatdunkend uitgelaten over de ‘lelijke’ en ‘afschuwelijke’ zetten van Nimzowitsch. Fijntjes wijst Nimzowitsch erop dat hij met dit soort zetten wel van Tarrasch heeft gewonnen. Een jaar later valt Nimzowitsch de klassieke, orthodoxe opvattingen van Tarrasch aan in een opstel van twaalf bladzijden, dat verschijnt in de Wiener Schachzeitung onder de titel ‘Entspricht Dr. Tarraschs Die moderne Schachpartie wirklich moderner Auffassung?’

Daarna blijft het een tijdje stil rond Nimzowitsch en zijn ideeën over het schaakspel. Pas in 1923 vermeldt een Oostenrijkse schaakkrant dat Nimzowitsch in Denemarken voordrachten vol humor houdt over moderne schaakstrategie. Intussen heeft hij zijn ‘systeem’ geconstrueerd, dat de basis zal worden van wat indertijd het hypermoderne of ook wel neoromantische schaak genoemd werd.

Niet alles van wat Nimzowitsch beweert, is nieuw, maar wel nieuw is dat hij allerlei losse elementen met elkaar in verband brengt. Bovendien ontwikkelt hij technieken, die in zijn tijd zonder meer revolutionair waren. Nog steeds zal iedere schaker die termen als ‘Prophylaxe’ en ‘Überdeckung’ hoort, onmiddellijk de naam van Nimzowitsch roepen en wanneer ik op het schaakbord met een oprukkende vrijpion geconfronteerd word, spreekt nog steeds Nimzowitsch mij toe: ‘Hemmen, blockieren und vernichten!’

Mein System is een glashelder boek, waarin de schrijver zeer nauwgezet uitlegt hoe er volgens hem geschaakt moet worden. Daarbij hoort ‘der Lernende’ steeds de spreektoon waarop alles geschreven is. Ongetwijfeld komt dat door de vele voordrachten die aan het schrijven vooraf zijn gegaan.

Nimzowitsch is een meeslepend schrijver. De tweede aflevering besteedt hij onder andere aan de behandeling van de vrijpion. Maar eerst neem hij afscheid van het onderwerp uit de vorige aflevering, de open lijn:
Der aufmerksame Leser hat es bereits erraten, ja wir sind in die offene Linie geradezu vernarrt [zijn erop verliefd geworden tb], wir können sie nicht so ohne weiteres entlassen; ein letztes Abschiednehmen noch und dann noch ein allerletztes und dann ein Winken mit Tüchern: sieht sie uns noch? Ja, sie hat uns gesehen, schau, nun flüstert sie ihrem Begleiter, dem Vorpostenritter, etwas zu. Leb Wohl!- Wir zerdrücken eine Träne und wenden uns neuen Dingen zu. Nun sind es andere Helden, mit denen wir uns zo beschäftigen hätten, die Freibauern.

Het is geen wonder dat ik het schaakboek las als een avonturenroman. Zulke schaaklyriek zou ik later alleen bij de nog grotere schrijver J.H. Donner lezen, als hij het kleine schaakpionnetje op a5 liefdevol zou toespreken (‘Mooi klein ding, randpion ben je, niet meer dan één veldje mag je bestrijken. Je bent zo klein, bijna niets en je hebt de hele partij daar op je plaatsje gestaan, maar al die tijd was mijn hoop op jou gebouwd’).

Ik liet me meeslepen door wat ik las en de beelden die Nimzowitsch gebruikte, zetten zich in mij vast. Een ‘zwemverbod’ legde Nimzowitsch mij op: niet maar wat heen en weer zetten (zwemmen) maar een aanvalsdoel kiezen. Daadkracht eiste Nimzowitsch van mij, vooral tegen de vrijpion. ‘Het is een misdadiger die achter slot en grendel hoort’, schreef hij, ‘milde Masznahmen, wie polizeiliche Aufsicht seien nicht genügend!’ De ‘officieren’ moesten alle ‘kastetrots’ laten varen en zich om de nederige pion groeperen. Een afruil van zwakke pionnen wordt bij Nimzowitsch een uitruil van krijgsgevangenen, van een verdedigende toren roept hij ‘er soll sterben!’

Het zou mij niet verbazen als de makers van de film Lang leve de koningin gespiekt hadden bij Nimzowitsch. Zijn koning is werkelijk een vorst:
Met langzame passen nadert de koning het centrum. Daar aangekomen roept hij de gezamenlijke ministers en raadslieden bij zich, sterkt zich door een copieus ontbijt, consulteert zijn ministers, ontbijt nog eens (de koning ontbijt, ter onderscheiding van gewone stervelingen, tweemaal), consulteert nog een keer de bijeengekomen raadslieden en dan pas kiest hij het hem (en de raadgevers) goed dunkend krijgstoneel. (vert. tb)

Wie durft hierna nog onbedachtzame zetten met zijn koning te doen?

Ik ben Nimzowitsch, naast Euwe natuurlijk, veel dank verschuldigd, zoals de schaakwereld veel te danken heeft aan Mein System

In de jaren na het verschijnen van het boek zou Nimzowitsch zijn beste toernooien spelen: Dresden 1926, waar hij won met 8,5 punt uit negen partijen! Niet minder dan anderhalve punt voorsprong op nummer twee, de latere wereldkampioen Aljechin, die weer sterke schakers als Rubinstein en Tartakower achter zich liet. Een jaar later won hij in Londen een zeskamp met zelfs twee punten voorsprong, in 1928 won hij een sterk toernooi in Berlijn (voor Bogoljubow en Tartakower) en in 1929 won hij in Karlsblad, voor Capablanca (wereldkampioen van 1920 tot 1927), Rubinstein, Spielman en onze eigen Euwe. Daarna speelde hij nog zeven toernooien. In vijf ervan eindigde hij bij de eerste drie. 

Hij stierf in 1935, 48 jaar oud. Zijn naam leeft nog voort in twee openingen: Nimzo-Indisch en de Nimzowitschverdediging. Zijn boek, Mein System, is onsterfelijk.

dinsdag 27 januari 2026

Zanger Ronald zingt de blues (Walter van den Berg)

'Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodslag.' Dat is de openingszin van de roman Schuld van Walter van den Berg. Die broer is Ron, zanger Ronald, de hoofdpersoon van Van den Bergs nieuwe roman Zanger Ronald zingt de blues

In deze roman wordt ook duidelijk dat Van dode mannen win je niet over dezelfde personages gaat. Ik denk dat ik dat bij het lezen van Schuld nog niet in de gaten had. In Schuld is de verteller Cor, een schrijver, de broer van Ron. Samen zijn opgegroeid in een gezin met een gewelddadige stiefvader, in wiens hoofd we zitten bij het lezen van Van dode mannen win je niet. Daar heet het zoontje overigens Wesley, maar met terugwerkende kracht is het boek nu getrokken in de wereld van Ron en Cor. 

Ron heeft indertijd de grens getrokken nadat de stiefvader steeds weer de grenzen van de moeder overschreed. Zo heeft hij het in ieder geval onthouden. Ook heeft hij steeds het verhaal verteld dat hij een marinier doodgeslagen heeft, omdat die zijn vrouw te na kwam. In Schuld lezen we al dat Ron de schuld voor die moord op zich genomen heeft, maar dat het verhaal net iets anders in elkaar zit. 

Joop en Annie

Ron komt aan het begin van Zanger Ronald zingt de blues bij een begrafenis een bekende tegen: Joop Vissekom, die zo genoemd wordt vanwege zijn dikke brillenglazen, waarachter zijn ogen als vissen heen en weer gaan. Samen gaan ze wat drinken in een kroeg, waar ze een vrouw oppikken, Annie. 

Die ochtend is Ron, samen met zijn broer Cor, naar het ziekenhuis geweest, waar Ron te horen heeft gekregen dat hij kanker heeft in een ver gevorderd stadium. Dat moet hij vertellen aan zijn vriendin Millie, maar dat stelt hij uit. Ook moet hij contact opnemen met zijn zoon Kevin, maar dat gaat ook al lastig. 

Intussen heeft Ron toch aan Joop en Annie verteld wat er met hem aan de hand is en Joop wil meteen een benefietconcert organiseren en daar moet ook Marco Borsato aan meedoen. Annie heeft het maar alvast gedeeld op de sociale media, waar het meteen belangstelling trekt als een soort project X. Tussendoor schrijft Ron aan een lied, een vertaling van een nummer van Johnny Cash, 'Folsom Prison Blues'. Een lied over een gevangenis en over iemand die een moord op zijn geweten heeft. 

Zoals alles in het leven van Ron loopt het allemaal niet uit op een groot succes. Wel zoekt hij zijn broer Cor op, die hij altijd als bevoorrecht heeft gezien. Hun confrontatie is het hoogtepunt van het boek. 

Verhalen

In Zanger Ronald zingt de blues gaat het om het vertellen van verhalen: aan jezelf, aan anderen. Een verhaal waarmee je kunt leven en waarvan je hoopt dat anderen het geloofwaardig vinden. Maar wat gebeurt er als dat verhaal wegvalt? 

Ook aan schuldgevoelens ligt een verhaal ten grondslag. Zo heeft Ron zich altijd schuldig gevoeld over het feit dat hij doorgeslapen heeft toen zijn doodzieke vader wakker werd en zich de trap op sleepte. Ron had hem willen dragen. 

Voor het overlijden van zijn vader heeft Ron ook een verhaal: hij was een proefkonijn voor de medische industrie. Ron ziet meer complotten. Zo gelooft hij ook in de chemtrails. Net als iedereen kiest hij de verhalen waarin hij wenst te geloven, alleen blijken de zijne in de loop van het verhaal niet houdbaar, waardoor zijn hele leven aan het wankelen raakt. 

Cor laat aan Ron zien dat hun verhalen verschillen. Ron heeft zich als een soort held gezien die zijn stiefvader een halt toeriep, maar misschien klopt dat verhaal niet. Dan is het verhaal waarmee hij geleefd heeft een leugen. Ron heeft alleen maar haatgevoelens ten opzichte van zijn stiefvader. Dat vindt Cor maar gemakkelijk; voor hem liggen de zaken veel genuanceerder. Ron blijkt nooit gezien te hebben welke positie Cor vroeger heeft gehad. 

Eenvoudig/gecompliceerd

Aan de ene kant is Zanger Ronald zingt de blues een eenvoudig boek en dat is het ook als het gaat om de verhaalgebeurtenissen. Zo heel veel gebeurt er niet. Het hele gedoe over het benefietconcert dat uit de hand dreigt te lopen is zo over the top dat het me deed denken De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde van Erik Jan Harmens. Maar ook bij dat onderdeel van het verhaal zijn er weinig ontwikkelingen, zeker als je het vergelijkt met de gevolgen van de sociale media in Ruimte. Aan het einde van het boek vermoedt Ron dat dat ook de overweldigende belangstelling voor het concert maar een verhaal is geweest waarin hij graag wilde geloven. 

Psychologisch gezien is het boek gecompliceerder. Het gaat over de verhouding tussen ouders en kinderen en tussen broers, over loyaliteiten tegen de klippen op, over schuldgevoel, over weten wat je moet doen maar je geblokkeerd voelen om dat ook daadwerkelijk te doen. Door de diagnose die Ron heeft gekregen gaan er dingen schuiven in zijn leven: hij wordt gedwongen de balans op te maken en te bepalen wat er echt belangrijk is in het leven. 

Van den Berg bedt dat in in de tocht van Ron en Joop Vissekom, die vooral langs de kroegen gaat. Net als in de vorige boeken weet de auteur goed de toon van mensen te raken en dat is aangenaam om te lezen. Toch zit er vooral in de eerste helft van het boek wel heel weinig plot, wat een zekere landerigheid tot gevolg heeft. Niet onaardig om te lezen, maar ik was nog niet echt verkocht. Pas bij het gesprek tussen Ron en Cor staat alles onder spanning en dan merk je wat er allemaal op het spel staat. Voor mijn gevoel werd het pas daar een goed boek. 

Krabbelen

Met Zanger Ronald zingt de blues heeft Walter van den Berg weer een boek geschreven waarin hij het leven verkent van iemand die altijd tweede rang gezeten heeft bij het toneel van het leven, die moet krabbelen en weet dat het nooit echt wat wordt, maar hij moet toch door. Dat soort mensen beziet Van den Berg met mededogen en hij laat zien dat er ook iets groots zit en het blijven volhouden tegen beter weten in, in het maar doorgaan omdat het alternatief nog minder aantrekkelijk is. 

De spreektoon waarin het boek geschreven is, houdt het luchtig, maar daaronder schuilt een diepe tragiek. Het tragische is niet dat er dingen niet lukken in het leven van Ron, want daar is hij wel aan gewend. Hij zou ooit voetballer worden en hij zal ook gedroomd hebben dat hij een bekende zanger zou worden. Maar dit gaat dieper. Dit gaat over de kern van zijn leven: over het besef dat hij met lege handen staat, dat het verhaal waarin hij geleefd heeft voorbij is en dat hij nergens op terug kan vallen. Uiteindelijk doet hij het enige wat hij nog kan doen. 

Naschrift: Walter van den Berg liet me weten dat Wesley in Van dode mannen win je niet een zelfstandig personage is, maar dat Ron en Cor wel zijdelings genoemd worden. 


Eerder schreef ik over ander werk van Walter van den Berg:

maandag 26 januari 2026

Doe eens lief (Willem Ritstier)

Er komen allerlei boeken en albums ter bespreking op mijn bureau terecht. Soms zijn dat uitgaven die precies in mijn straatje passen, andere keren vraag ik mij af of ik er wel de juiste recensent voor ben. Dat laatste speelt ook bij Doe eens lief van Willem Ritstier.

Ritstier is een duizendpoot in stripland. Niet alleen tekende en schreef hij graphic novels waarin hij dicht bij zijn eigen leven bleef, maar hij schreef ook voor tientallen albums, in allerlei genres, het scenario, waarvan sommige genomineerd werden voor penning van het Stripschap en die soms die penning ook daadwerkelijk kregen. In 2017 werd hem de Stripschapprijs toegekend. Daarnaast tekent Ritstier wenskaarten en hij heeft ook prentenboeken op zijn naam staan. 

Doe eens lief zit dicht tegen de wenskaarten aan. Er komen geen mensen in voor, de tekeningen zijn toegankelijk en aangenaam en de boodschap is positief. 

Kat

Op elke tekening komt een witte kat, met een dikke staart, voor. Voor mijn gevoel heeft de kat ook iets hondachtigs qua uiterlijk, maar qua gedrag is het een kat. Hij kan in ieder geval op een hek of een tak plaatsnemen. Het maakt ook niet uit of het een kat is en ook niet wat voor soort kat het dan is: het dier heeft iets universeels en ook iets menselijks. Als lezer identificeer je je met dit dier. 

Voor op het boek staat een groot hart en bovenop zitten de poes en een muis. Traditioneel zijn dat gezworen vijanden, maar de poes blaast een hartje in de richting van de muis en geeft zo gevolg aan de opdracht in de titel. Ook zien we op een tekening de poes een roos aanbieden aan een vogeltje. Er zit niets kwaads in het dier. 

Tekst

In het boek staat er op elke pagina een tekening en soms beslaat een tekening twee pagina's. Elke tekening heeft een boodschap of een advies, zoals 'Geluk kun je delen', 'Blijf zoals je herinnerd wilt worden', 'Je bent altijd genoeg', 'Houd van het leven. Dan houdt het leven ook van jou.' Een van de woorden in elke uitspraak is in het rood afgedrukt (en soms zijn dat er twee) om de kern van de boodschap uit te drukken. 

In het persbericht wordt de link gelegd met De jongen, de mol, de vos en het paard van Charly Mackesy. Ik heb nog even de bespreking opgezocht die ik daarover geschreven heb, want ik voelde bij het lezen ervan hetzelfde ongemak. 

Boodschap

Dat ongemak zit niet in het positieve van de boodschap. We hebben in onzekere tijden al het positieve nodig en daar is ook zeker behoefte aan. Het is meer dat ik moeite heb met expliciete boodschappen. Het zou onvriendelijk zijn om daarvoor het woord prekerigheid te gebruiken, maar wellicht komt een boek met een boodschap voor mij toch in die hoek terecht. 

Maar Doe eens lief is vooral vriendelijk. Het is geschreven met een groot hart voor de medemensen en voor het leven en het spoort mensen aan er het beste van te maken. Tegen die intentie kan niemand bezwaar hebben. Maar al die lievigheid werd me ook wel eens te veel. 

Er zijn in dit boek ook tekeningen zonder tekst: waarin de poes gewoon gelukkig is, vaak van kleine dingen. Van die tekeningen heb ik eigenlijk veel meer genoten, waarschijnlijk omdat ze minder sturend zijn. Soms staat er wel een hartje in de tekening en dat is me eigenlijk al te expliciet. 

Maar zoals gezegd, misschien ben ik wel niet de juiste bespreker voor juist dit boekje. Net zoals het boekje van Mackesy heeft dit de potentie om aan te sluiten bij een groot publiek. Niet alleen vanwege de positieve boodschap, maar ook omdat het een heel mooi uitgegeven boek is: gebonden, hardcover, linnen rug. Bovendien kan het als cadeauboek bij zo ongeveer elke gelegenheid gegeven worden. De boodschap is zo universeel, dat je daar niet een bepaalde feestdag of omstandigheid bij nodig hebt. 

Willem Ritstier, Doe eens lief. 2025, 108 blz. € 21,99 (gebonden, hardcover, linnen rug)

Eerder schreef ik over ander werk van Willem Ritstier.
Scenario en tekeningen:
Wills kracht
Opstaan... En doorgaan

Scenario:
De duistere orde (Jack Pott boek 6)
Paniek op Curaçao (Jeff Rylander 1)
Noodweer op Curaçao (Jeff Rylander 2)



vrijdag 23 januari 2026

Tosca (Maud Vanhauwaert)


Tot vlak hiervoor leefde ik in de veronderstelling dat ik Tosca van Maud Vanhauwaert opgenomen had in het lijstje met de tien beste boeken van 2023 die ik niet gelezen had, maar daar staat het niet in. De helft van de boeken in dat lijstje heb ik intussen gelezen en ook het boek van Vanhauwaert. Ik wist vooraf eigenlijk niet waarover het zou gaan, maar ik herinnerde me wel dat ik veel positieve reacties langs had zien komen, dus ik had er wel vertrouwen in. Mijn boekhandelaar was er intussen wel klaar mee en legde de roman in de bakken met boeken die hij na nieuwjaar niet meer in zijn winkel wilde. Daar heb ik het uit gehaald. 

De titel, Tosca, verwijst naar het begrip 'toska' en dat wordt uitgelegd in het motto, een citaat van Nabokov. Toska is een complex begrip dat verwijst naar een diepe pijn zonder directe oorzaak, een doffe pijn in de ziel, een diep verlangen zonder iets om naar te verlangen. Er zitten nog veel meer kanten aan. Het kan ook verveling zijn. Over dat gevoel zal de roman dus gaan. 

Vanhauwaert spelt het woord niet als 'toska', maar als 'tosca'. Wellicht om esthetische redenen, maar ook omdat ze dan een aantal haakjes in het woord kwijt kan: T()s(a. Op die haakjes kom ik nog terug. 

Aline

De hele roman is eigenlijk een lange brief, van May Solovjov aan haar redacteur Daniël. In de brief vertelt ze wat ze allemaal meegemaakt heeft met een zeventienjarig meisje (dat in de loop van het boek achttien wordt), Aline Verstraete. Die stuurt haar een berichtje nadat ze een lezing van May heeft bijgewoond. Uit het bericht kun je opmaken dat ze plannen heeft om haar leven te beëindigen. Verder stuurt ze een tekening: een portret van May, waarin die erg op haar vader lijkt. 

May gaat het contact met Aline aan en ze ontmoet haar ook verschillende keren. Het meisje leidt een lastig leven. Zo is ze een nacht in de week dakloos en wordt ze gepest omdat ze op meisjes valt en dat gepest loopt uit op gewelddadigheden. Er zijn in het verhaal fasen waarop Aline uitgebreid schrijft wat er allemaal aan de hand is, maar praten doet ze nauwelijks en ze heeft ook geregeld last van angstaanvallen. 

Vertalen

May is vertaalster en geeft ook les in vertaalkunde, maar Aline is moeilijk te lezen en nog moeilijker te vertalen. Of ze op haar woord te geloven is, weet May niet zeker, maar ze gaat mee in haar verhaal, ook omdat ze bang is dat Aline wat overkomt. 

Aline neemt geregeld contact met May op en dringt zo in haar leven, zowel op haar werk als in haar privé-leven. May leeft samen met Lou, die al vergeefse pogingen heeft gedaan om zwanger te worden. Je zou kunnen zeggen dat May ook een soort moederrol vervult: ze probeert Aline te beschermen. 

Wit

Alles wat Aline schrijft aan May, zet ze tussen haakjes. Vandaar dus de haakjes op de cover. Soms plaatst ze de tekst zelfs tussen dubbele haakjes. Alleen haar laatste brief staat niet tussen haakjes. Op de afbeelding hierboven is het niet te zien, maar op de haakjes na is de omslag wit. Titel en naam van de schrijfster zijn in reliëf aangebracht. Het wit is belangrijk in Tosca. 

Door het hele boek staan er gedichten en juist bij gedichten speelt ook het wit van de pagina mee. De gedichten hebben iets te maken met de tekst die er vlak voor of vlak na staat, maar het verband is ook weer niet overduidelijk. Zo wordt Aline in de prozatekst vergeleken met de belangrijkste pion op het spelbord en eindigt het eerstvolgende gedicht met 'een zwevende pion / in de klamme hand van een aarzelende schaker'. 

De dood wordt vergeleken met 'het oneindige wit':

De mogelijkheid jezelf te kunnen opheffen. Het is zoals met kleuren. Leg alle kleuren bij elkaar en je krijgt een verblindend wit licht. Niet anders is de dood. Het niet is het zuivere alles. 

Al eerder hebben we dan een gedicht gelezen over iemand die met sneeuwbollen op de markt staat en ze mee naar huis neemt, waarna ze maar met de bollen blijft schudden, zodat het wit niet neerdaalt. En Aline heeft al tegen May gezegd: 'U houdt van witruimtes die je op veel manieren kunt interpreteren.' Verder is er een gedicht waarin een ruimte met alles erin wit geverfd wordt, ook de ik en de jij in de ruimte: 'opdat wij onmerkbaar in elkaar // over zouden kunnen gaan'.

Vader

Ook de vader van May mompelt ergens een gedicht met daarin 'het wit dat grenzeloos maakt'. Vader heeft ooit naar het Westen moeten vluchten. May wil dichter bij hem komen. Misschien is haar fascinatie voor de Russische literatuur en haar drang tot vertalen een manier om dichter bij haar vader te komen. Misschien is de hele geschiedenis met Aline ook maar een omweg naar haar vader. De slotzin van Tosca lijkt dat te suggereren. 

Vaak gaat het in de roman over het naderen van mensen het afstand nemen. May en haar vader, May en Aline, May en Lou. Afstand nemen klinkt te actief, want soms gebeurt het gewoon. En misschien gaat het boek ook wel over dicht bij jezelf komen of verder van jezelf weg raken. May schrijft ergens: 

Meer nog dan dat ik bang was haar te verliezen, was ik misschien bang na haar dood mezelf te verliezen. 

Niet eenduidig

Al mijn opmerkingen plaats ik met een zekere omzichtigheid, want zo eenduidig is Tosca niet, maar dat is juist het boeiende van het boek. Het verband tussen wat in het verhaal verteld wordt lijkt op het verband zoals je dat soms in poëzie aantreft: je merkt dat dingen met elkaar te maken hebben, maar als je ze wilt definiëren, onttrekken ze zich aan je waarneming. Maar zo gaat het ook met May en Aline. Steeds als May denkt duidelijker te krijgen wie Aline is, tast ze in het duister. In het wit, bedoel ik. 

Het maakt Tosca wel tot een fascinerende roman. Het onderwerp interesseert me, ook door mijn vrijwilligerswerk bij 113 Zelfmoordpreventie. Ik zal het mijn collega's dan ook zeker aanbevelen, zoals ik dat ook deed met Wolf van Lara Taveirne. 

Maar het intrigerende van Tosca zit vooral ook in de manier waarop het geschreven is. Wat Aline meemaakt met May is vaak spannend. Ik vertel er niet te veel over, omdat ik wil dat er nog veel te ontdekken blijft in het boek. Maar er is meer dan het verhaal van die twee. Er zijn andere verhaallijnen die parallel lopen of er haaks op staan en je bent al ver in het boek voordat je je afvraagt hoe betrouwbaar de verhalen van Aline zijn en hoe betrouwbaar May is als verteller. Waar is ze eigenlijk mee bezig?

Tosca is een boek dat je niet uithebt als je de laatste bladzijde hebt gelezen. De personages gaan nog even door in je hoofd, zodat je wel terug moet bladeren en zeker de gedichten nog eens moet lezen en altijd heb je het idee dat het boek je gedeeltelijk ontglipt en juist dat het prachtige is. Geweldig boek!

donderdag 22 januari 2026

Winter


(column, voorgelezen bij Cultureel Café Dante)

Het is winter. Weliswaar is de sneeuw weg en wordt er niet meer geschaatst op natuurijs, maar wie het wereldnieuws volgt, zet zijn kraag op, slaat de sjaal een extra keer om de hals en drukt de bontmuts wat dieper in de ogen: kilte alom. En dan zitten we nog wel op een vrij rustig plekje op aarde en niet in Taiwan, Venezuela of Groenland, om van Oekraïne, Gaza, Soedan of Iran nog maar te zwijgen.

Maar veel mensen maken zich zorgen, en terecht. Alles wat op het wereldtoneel stabiel leek, is aan het schuiven gegaan en veel zekerheden brokkelen af onder onze vingers. Geen wonder dat mensen kampen met depressie en burn-out, dat er gesprekken gevoerd worden waarbij zorgelijk gekeken wordt. Het is winter en Van de Hulst zou zeggen dat het ‘bitter, bitter koud’ is.

In 2024 bleek uit een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam dat mensen in tijden van angst en onzekerheid optimistischer worden en daarop wordt ook wel ingespeeld: een toekomstig premier roept steeds dat het wel kan en iemand die premier had willen zijn roept dat de zon gaat schijnen in Nederland. Maar om ons heen horen we vooral het woord crisis: klimaatcrisis, wooncrisis, asielcrisis, energiecrisis, geopolitieke crisis.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde eind 2025 het onderzoek Naar een toekomst die jongeren toekomt. Daarin werd aan jongeren gevraagd naar de zorgen die ze hebben om de toekomst, maar ook naar datgene wat hen kon steunen. Een aantal vragen ging over het ‘cultureel kapitaal’: hoe vaak ga je naar een museum, zijn er boeken in huis? Blijkbaar is de cultuur een medicijn tegen de somberheid. Juist de cultuur kan ons optillen uit onze dagelijkse sores.

Ik merkte dat zelf aan het eind van de coronaperiode (ook al een crisis!), toen ik voor het eerst weer naar een expositie kon. Ik dacht dat ik de tijd van lockdowns aardig was doorgekomen, maar pas toen die voorbij was, merkte ik hoezeer ik de kunst gemist had.

En daarom is het zo mooi dat er hier maandelijks een cultureel café is. Niet alleen omdat het gezellig is, niet alleen omdat er mooie dingen te zien en te horen zijn, maar ook uit oogpunt van de volksgezondheid. Ik snap dat Dante de drempel laag wil houden en alleen een vrijwillige bijdrage vraagt in de collectezak, maar als je voor de toegang flink zou moeten betalen, zou je dat geld terug moeten kunnen krijgen van je ziektekostenverzekering. Een avond Dante spaart heel veel andere zorg uit.

Je kunt op zo’n donderdagavond gaan sporten, maar het is belangrijker voor je mentale gezondheid om je onder te dompelen in een cultuurbad. Hier is het warm, hier schijnt de zon, hier kan het wél. Hier kun je je jas uitdoen en je sjaal af, en leg die bontmuts maar op de kapstok.

Buiten is het winter, buiten heerst de kou, wat buiten gebeurt laat je tanden klapperen. Maar wij zitten hier met muziek, zalf voor onze ziel. Met kunst, balsem voor onze ogen. Met elkaar, met de warmte die we elkaar geven. We veroorzaken onze kleine geestelijke klimaatverandering en als we aan het eind van de avond naar huis gaan, lijkt de kou ons minder te deren. Er gloeit iets in ons waar we nog lang op kunnen teren.

(bron illustratie: Chatgpt)

Afgestoft: Glinsteringen (diverse auteurs)

In Liter nr. 48, jaargang 10 (2007) besprak ik de verhalenbundel Glinsteringen, verschenen ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum van de christelijke schrijversvereniging Schrijvenderwijs. Volgens de ondertitel zijn het hoopvolle verhalen, maar ik vond indertijd de kwaliteit hopeloos. 

Waarom heb ik het indertijd besproken? Ongetwijfeld omdat het mij gevraagd werd en als je zo'n bundel gaat lezen hoop je dat het uiteindelijk toch nog wat wordt. En Liter was toen een christelijk tijdschrift, dus misschien moest het daar indertijd ook gewoon besproken worden. 

Hoe het intussen is met de vereniging Schrijvenderwijs weet ik niet. Ik zag pas een groepsfoto voorbijkomen van de nieuwjaarsbijeenkomst, dus de vereniging bestaat nog. Ik hoop dat de leden het gezellig hebben met elkaar, maar ook dat ze elkaar opstuwen tot het schrijven van betere boeken. Laten we er het beste van hopen. 

 


Hopeloze verhalen


De protestants-christelijke auteursvereniging Schrijvenderwijs bestaat vijfentwintig jaar. Ter gelegenheid van dat jubileum verscheen er bij uitgeverij Mozaïek een bundel ‘hoopvolle verhalen’, Glinsteringen. Dat het een jubileumbundel betreft, blijkt uit al het zilver dat in de verhalen voorkomt: Een zilveren (!) bies waarmee het hout van een ledikant is afgezet, twee zilveren bruiloften, zilverreigers, een lied waarin ‘silvery night’ voorkomt, pillen die in een zilverkleurige strip zitten, een ring (die niet van zilver blijkt te zijn), zilveren morgennevel, zilverpapier, een zilveren beker, de zilveren glinstering van een meer. ‘De oplettende lezer ziet af en toe het zilver glinsteren,’ schreef Joke Verweerd in het woord vooraf, voor het geval al dat nadrukkelijke edelmetaal toch nog aan onze aandacht zou zijn ontsnapt.

Deze glinsterende verhalen heb ik gelezen en zelfs herlezen, maar het viel me niet mee. Twee verhalen, van Hans Werkman en Gerrit Kraa, zijn redelijk van kwaliteit, maar alle andere zijn werkelijk hopeloos.

Het grootste mankement van de Schrijvenderwijsschrijvers is dat ze alles, maar dan ook werkelijk alles uitleggen: ‘Atlas, je weet wel, met de wereldbol op zijn rug.’ (Lijda Hammenga); ‘de diabolo, de duivel’ (Gerrit Kraa); ‘Ik zal je vertellen hoe dat komt, in de hoop dat je het begrijpt en het verdriet voelt, terwijl er ook plaats is voor een glimlach.’ (Cees Pols). Je voelt je als lezer behandeld als een klein kind.

Misschien dat verscheidene auteurs werkzaam zijn in het onderwijs, misschien zijn het eigenlijk kinderboekenschrijvers; ik weet het niet. In ieder geval hebben ze vaak een overduidelijke bedoeling met het verhaal en die bedoeling moet op de lezer overgebracht worden. Het lijkt vooral niet de bedoeling dat je als lezer zelf associaties hebt, dat je de ruimte krijgt om te interpreteren, dat je blijft zitten met vragen. De meeste verhalen hebben dan ook een alwetende verteller of in ieder geval passages waarin zo'n verteller opduikt. En anders zijn het de personages wel die de lezer eens even uit zullen leggen hoe het allemaal zit.

Gevoelens bijvoorbeeld worden niet duidelijk uit het gedrag van de personages of uit wat ze zeggen, maar doordat verteld wordt wat ze voelen. ‘Paul is verrast,’ schrijft Lijda Hammenga. En een bladzijde verder: ‘Ik ben verrast, laat Paul weten.’ Rob Visser schrijft: ‘Woest keek Martin zijn vader aan.’ En even verderop: ‘En, stelt hij al analyserend vast, er is niet enkel de pijn om begraven idealen en onvergefelijke fouten, om hun leven dat ging zoals het ging, waardoor hij uiteindelijk zijn geloof, hoop en liefde verloor. Ook zijn trots is gekrenkt, bekent hij zichzelf onwillig.’

Als personages wat zeggen, wordt er vaak aan toegevoegd hoe ze dat zeggen of wat ze erbij voelen: ‘jubelt Tessa’, ‘fronst Paul’, ‘daagt ze hem uit’, ‘wimpelt hij af’, ‘schampert ze’, ‘bitste Martin’, ‘dacht Nathanaël bitter’, ‘zoekt Jessica naar een excuus’, ‘begrijpt Hanneke’. Er wordt van alles gemompeld, gesist of hoe dan ook gezegd. Vooral bij Lijda Hammenga en Janwillem Blijdorp woekeren dit soort toevoegingen.

Veel van die toevoegingen zijn volstrekt overbodig: ‘Toch wil ik weten wat er gebeurt, hield Abigaïl vol’ (Frans van Houwelingen); ‘Wat kost die beker? vraagt Hanneke zakelijk’ (Janwillem Blijdorp); ‘Op een lang en gelukkig leven, wenste ze hem toe’ (weer Blijdorp). En een enkele keer schiet de constructie helemaal uit de bocht: ‘Die cadeaus! schoot Martin te binnen’ (Rob Visser).

Veel verhalen zijn vergeven van de clichés. Zweet ‘gutst’ van gezichten; als iemand ziek is, is hij ‘aan bed gekluisterd’; als iemand moet blozen, ‘schoot het bloed naar zijn hoofd’; een lachje ‘krult’ om de mond; als iemand onder de douche vandaan komt, wipt ze ‘proestend’ de handdoek van het haakje; ‘kostbare herinneringen’ worden ‘gekoesterd’ ‘op een speciaal plekje’ in het hart; soms komt over iemand ‘een wonderlijke rust’; men drinkt ‘verrukkelijk geurende koffie’; iemand volgt een ander ‘als een schaduw’; als je niet meer kunt ontsnappen, zit je natuurlijk ‘als een rat in de val’; adem ‘stokt’, zelfs ‘plotseling’ en ‘in de keel’.

Stijl is trouwens toch een zwak punt van veel schrijvers. Al die bijvoeglijke naamwoorden en die verduidelijkende bijwoorden! ‘Daardoorheen bleef dat bleke, doorgroefde gezicht van zijn vader en dat bijna tedere afscheidsgebaar als een niet weg te vagen beeld voor zijn ogen hangen.’ (Rob Visser); ‘Met een ruk draait het meisje haar hoofd om, zodat het glanzende haar sierlijk rond haar schouders zwiert. Haar bovenlichaam volgt de beweging elegant, evenals haar lange, slanke benen. De hoge hakken, waarvan ze geen enkele hinder lijkt te hebben, klikken kordaat over het versleten parket als ze de winkel verlaat.’ (Guurtje Leguijt).

Bouquetreeks, inderdaad. Vooral als de liefde in het verhaal komt. Dan wil Schrijvenderwijs ons graag de meest uitgekauwde clichés serveren: ‘Aldoor was tussen hen een soort spanning geweest, maar geen vonk, geen uitslaande brand. Wel had hij haar willen aanraken, om dichter bij haar te zijn en haar soepele zachtheid te voelen.’ (Joke Verweerd); ‘Hun blikken haken inéén, tasten elkaars gezicht af. Haar handen reiken naar de zijne. Ze kust hem op de wang.’ (Lijda Hammenga); ‘Hij drukte haar ranke lichaam tegen zich aan.’ (Rob Visser); ‘Wat een verrassing, zegt ze schor. Waarom?’ Tussen de borden en pannen door pakt Guus haar hand. Zijn ogen zoeken de hare. Daarom.’ (Nettie Dees).

Eigenlijk kun je je niet voorstellen dat een redacteur het manuscript in handen heeft gehad. Het zou mij niet verbazen als de secretaris en de voorzitter van de vereniging naar de uitgeverij zijn gestapt met een grote zak geld en bedongen hebben dat het boek zonder enige verandering werd uitgegeven. Een beetje redacteur struikelt toch over een zin als: ‘Haar keelgat is een bodemloze put, waarin ze voortdurend water kan gieten zonder dat haar dorst ook maar iets verlicht.’ (Eeuwoud Koolmees)? Volgens mij verlicht dorst nooit. En hoe ziet volgens u een dovend vuur eruit? Gerbrand Fenijn: ‘Achter de verbrijzelde boogramen flakkert het licht van een dovend vuur.’ Joke Verweerd schrijft: ‘Hij slikt moeilijk en onverwacht lijkt hij te stikken in een hoestbui.’ Ik verslikte me in ‘onverwacht’.

Inhoudelijk stellen de verhalen weinig voor. Meestal zijn het zoetsappige verhaaltjes, waarin er wat moeilijkheden opduiken, maar uiteindelijk loopt het goed af. De vrouw die het huwelijksbed in tweeën wil zagen, ziet het portret van haar man op de vloer liggen: ‘Ze pakte de foto op, veegde voorzichtig wat zaagsel van het lijstje en zette hem toen terug waar hij altijd had gestaan, op haar nachtkastje.’ (Gerry Velema). De vrouw die vermoedt dat haar man vreemd gaat, blijkt alleen maar door haar man verrast te worden (Nettie Dees). De vrouw die zich ongemakkelijk voelt bij het gedrag van haar superieur, neemt resoluut ontslag (Ina van der Beek). De man die zich ergert aan zijn vader, krijgt toch begrip voor hem (Rob Visser).

Het geloof is onvermijdelijk in een bundel van protestants-christelijke auteurs. Ook op dat gebied verlaten de auteurs nauwelijks de platgetreden paden en heel diep gaat het allemaal niet. Lijda Hammenga: ‘Weet je, hoop is onmisbaar, Paul. Hoop heeft met God te maken. Hij doet hoopvolle dingen.’ Paul neemt wel even de tijd om de woorden op zich in te laten werken. De man wiens dochter slachtoffer was van de moordenaar die aan het kruis tot inkeer komt, moet aanvankelijk niets van Jezus hebben, maar komt toch tot het inzicht dat hij de messias kan zijn. (Frans van Houwelingen) en Hans Mouthaan laat zijn personage inzien dat we niet bezorgd hoeven te zijn omdat de hemelse vader voor ons zorgt.

Kortom, Glinsteringen is een bundel met een en al treurigheid: verhalen met weinig diepgang, in een onbeholpen stijl geschreven. Als we het van Schrijvenderwijs moeten hebben, is er totaal geen hoop voor de christelijke literatuur.