Posts tonen met het label Het Boek van Nu. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Het Boek van Nu. Alle posts tonen

woensdag 27 februari 2013

Pierre Dubois over Bernlef, Wolkers en Krol (1961)

Ergens in 1961 schrijft Pierre H. Dubois in Het Boek van Nu een recensie over een stel dunne boekjes. Het dikste is 164 bladzijden. De prijzen lopen uiteen van twee gulden tot ƒ 4,50 voor de niet gebonden boeken. Het dikste, gebonden boek, van A.L. Schneiders kost ƒ 7,90.

De namen van de auteurs: A.L. Schneiders, J. Bernlef, J. Wolkers, P. van Gestel, Gerrit Krol en Gerdy Pendel. Ik licht in dit stukje alleen de gedeelten eruit die gewijd zijn aan Bernlef, Wolkers en Krol, auteurs die later bekend zouden worden bij een redelijk groot tot groot publiek. De namen van Schneiders en Van Gestel kunnen we waarschijnlijk ook nog wel plaatsen, Pendel is vergeten.

Bernlef had in 1959 de Reina Prinsen Geerligsprijs ontvangen voor zijn verhalenbundel Stenen spoelen en zijn dichtbundel Kokkels. Dubois noemt de verhalen in Stenen spoelen 'zeer kort; het zijn nauwelijks schetsen die vrijwel geen gelegenheid laten tot karakterisering van personages.' Het gaat in de deze bundel meer om de sfeer, 'een sfeer van wanhopig verzet tegen de dodelijke vereenzaming van het het isolement, een verzet dat soms op een vorm van krankzinnigheid uitloopt.'

Het eindoordeel van Dubois is positief:
Maar in de kort samengebalde anecdotes die Bernlef tot zijn verhalen ombouwt heeft hij toch kans gezien een talent te demonstreren dat niet zo gering is en dat, dunkt mij, wel dat van een echt verteller is, geen Scandinavische, maar eerder een Amerikaanse. Zijn gevoeligheid is misschien wat subtieler, maar zijn verteltrant even elliptisch, zakelijk en suggestief. Redenen te over om met belangstelling een verdere ontwikkeling te volgen waarvan de mogelijkheden ruimschoots voorhanden zijn. 
'Het meest oorspronkelijke talent van de jonge schrijvers die hier vermeld worden, lijkt mij zonder twijfel Jan Wolkers', schrijft Dubois. Hij bespreekt de verhalenbundel Serpentina's petticoat  en noemt het:
Een fascinerend, buitengewoon indringend boek, waarvan ieder verhaal een surrealistische obsessie bezit en geschreven is vanuit een bittere noodzaak.
Als onderwerpen noemt Dubois oorlog, ziekte en dood. Wolkers' verhalen doen hem denken aan die van Hermans in Paranoia.
Ze zijn glashard en helder en van de andere kant geladen met een bezwerende poëzie, die overigens niets liefelijks heeft, maar wreed en meedogenloos is. 
Dubois constateert dat van bijna alle verhalen 'een penetrant sadisme' uitgaat. Een indringend sadisme dus.
Of misschien moet men zeggen masochisme, want het is zo persoonlijk, zo dwingend, dat men zich afvraagt of het niet in de eerste plaats tegen de schrijver zelf gericht is.
Afrondend schrijft Dubois:
Het boekje van Jan Wolkers is een van de merkwaardigste publicaties van de laatste tijd. Niet alleen omdat het een oorspronkelijk en belangrijk talent is, maar ook omdat zich in zijn schrijverschap een geest symbolisch realiseert, die perspectieven opent op de psychologie van een tijd. Het zou de moeite waard zijn om uitvoerig studie te maken van deze eerste kleine bundel van Jan Wolkers, omdat die in wat hij openbaart zo verrassend veel doet vermoeden van wat hij verbergt.
Dubois herkent dus meteen het talent van Wolkers. Ik had altijd het idee dat het vroege werk van Wolkers ook morele oordelen opgeroepen heeft. Niet bij Dubois dus.

De rokken van Joy Scheepmaker van Gerrit Krol noemt Dubois: 'Niet zonder belang'. Nadat hij wat over de inhoud van het boek heeft verteld, schrijft hij:
In wezen is het boek een monoloog, de poging om uit de vereenzaming los te maken en weer contact met de mensen te krijgen.
Maar dit alles komt uit het boek wel los en het geeft er een sympathieke toon aan, terwijl Gerrit Krol erin geslaagd is om dit effect met literaire middelen te bewerken.
Dat klinkt vrij vaag, vind ik. Wat moeten we bijvoorbeeld met die 'sympathieke toon'? Zegt dat iets over de kwaliteit van het boekje? Het zou zomaar kunnen dat Dubois niet zo goed raad wist met Krol, maar er toch iets aardigs over wilde zeggen.

Ook voor de drie andere schrijvers is Dubois overigens behoorlijk vriendelijk. Over Van Gestel zegt hij nog wel dat diens verhalen 'op zichzelf niet zeer belangrijk' zijn, maar dat ze wel de capaciteiten tonen van een jong schrijver die tot belangrijker werk in staat is. Van Gestel zou later vooral geprezen worden om zijn werk voor jongeren, bijvoorbeeld de prachtige jeugdroman Winterijs. 

Dubois blijkt alweer aardig zicht te hebben op de schrijvers die later uit zouden groeien tot grotere of ronduit grote schrijvers. Zo onderkende hij ook het talent van Mulisch, Hermans, Claus en Haasse. Al constateerde hij ook dat niet al hun boeken even sterk waren. Tanchelijn van Mulisch kon op weinig genade rekenen. Dubois had een goede neus voor talent.

De foto die bij het artikel van Dubois afgedrukt was.


vrijdag 8 februari 2013

Pierre H. Dubois over Willem Brakman in 1962



Al verschillende keren heb ik geschreven over de stukken van Pierre H. Dubois in het tijdschrift Het Boek van Nu, eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Ik had die jaargangen er nu eenmaal liggen en ik was benieuwd hoe Dubois oordeelde over jonge auteurs, die later tot de groten zouden behoren. Ik las Dubois' stukken over onder anderen over Mulisch, Claus, Hermans, Haasse en Campert. En ook over Willem Brakman. Bij het debuut van Brakman signaleerde Dubois 'een niet geringe literaire begaafdheid' en dat leverde een boek op 'dat zeer goed geschreven is'.

In 1961, het jaar waarin hij debuteerde, publiceerde Brakman ook zijn tweede boek, Die ene mens. Ook daarover schreef Dubois, begin 1962, onder de titel 'Protest tegen de menselijke maat'. In mijn ingebonden jaargangen kan ik niet nagaan wat de exacte datum was.

Dubois begint met te verwijzen naar Een winterreis van Brakman, dat hij 'klaarblijkelijk autobiografisch' noemt. Ook de nieuwe roman is 'kennelijk autobiografisch', de hoofdpersoon is opnieuw Willem Akijn. In het eerste deel van de roman staat de verhouding van Akijn tot zijn moeder centraal. Dubois is enthousiast over Brakmans tekening van dat personage:
men moet erkennen dat Brakman er uitstekend in slaagt niet alleen om die binding suggestief te beschrijven, maar bovendien om een buitengewoon knappe en levensechte schildering van de slovende, krachtige, onoverwinnelijke moeder te geven. Dat is een prestatie op zichzelf, die men los van het boek kan waarderen, in zekere zin een meesterstuk, op zijn minst een sterk staal van literaire potentie. Maar die prestatie staat allerminst op zichzelf. Ook in het geheel van het boek is de creatie van deze indrukwekkende vrouwenfiguur een bijzonder belangrijk element.
Dubois vraagt zich wel af of de schrijver dat allemaal zo bedoeld heeft. 'Of is de kracht van deze figuur hem dank zij haar realiteit ontsnapt?' Hij denkt dat dat laatste het geval is geweest.

Dubois vat kort het tweede en derde deel van Die ene mens samen en kijkt dan terug op het hele boek:
De nieuwe roman van Brakman maakt door zijn opeenvolging van episodes een enigszins verbrokkelde indruk. Het is niet een homogeen geheel geworden zoals het vorige boek. Toch is het, lijkt mij, van kwaliteit niet minder, wanneer ik die kwaliteit althans binnen bepaalde perken zien wil.
Daar is in de eerste plaats de stijl en de verteltrant van Brakman: intelligent, ironisch, met een eigenaardige humor, die in zijn spotternij een duidelijke overgevoeligheid probeert te bedwingen en daar dan ook vrijwel steeds in slaagt. Zijn beelden zijn dikwijls oorspronkelijk.
Iets anders is het met de toon van zijn roman. Die toon is voor een deel gewild onverschillig, wat binnen een bepaalde akoestiek cynisch kan klinken. Maar werkelijk cynisch is toch iets anders. Brakman kan niet verbergen - en dat behoort tot de beste kwaliteiten van zijn boek - dat achter zijn uitingen zijn angst voor de dood en voor de vernietiging doorklinken.
Het minst geslaagd vindt Dubois de gesprekken die Akijn in het tweede hoofdstuk heeft met de heer Koetsier en met de 'jezuïet'. Dubois noemt die 'gezocht, kwasi-grappig en los geschreven, maar in feite doen zij nogal krampachtig aan. Beter vindt hij de gesprekken met zuster Grijp.

Een van die gesprekken citeert hij. Volgens hem vormt de geciteerde passage de sleutel tot een goed begrip van Akijn '(en waarschijnlijk ook van Willem Brakman)'.
Er zijn mensen die van de dood uitgaan en het leven aanvaarden wanneer het zich onweerstaanbaar aan hen opdringt, en er zijn mensen die van het leven uitgaan en de dood pas aanvaarden, wanneer zij er niet aan kunnen ontsnappen.
Akijn en zijn auteur behoren volgens Dubois tot de eerste groep:
het is zelfs het diepere motief waarom dit boek werd geschreven. Dat dit thema zo duidelijk en overtuigend overkomt, is de voornaamste positieve hoedanigheid van Brakman's schrijverschap. 
Dat betekent trouwens nog niet dat Die ene mens een gaaf boek is.
Het had zonder twijfel aanzienlijk sterker kunnen zijn, wanneer hij niet teveel had overgelaten aan een instinctief drijven op een zekere spontane reflex. 
Dubois heeft het idee dat Brakman wat te veel drijft op zijn talent en
al te gemakkelijk toegeeft aan de aandrang om bepaalde momenten uit te schrijven in plaats an ze in te perken en functioneel in het verhaal in te voegen.
Aan het eind wil Dubois toch nog even benadrukken dat Die ene mens wel degelijk een goed boek is:
Ondanks die compositie-zwakte is "Die ene mens"een opmerkelijk boek, dat het schrijverschap van Brakman ten volle bevestigt als een innerlijke noodzakelijkheid, een afgedwongen protest tegen de menselijke staat.
Eerlijk gezegd weet ik niet eens meer of ik Die ene mens wel heb gelezen. Misschien wel niet. Ik ga niet beloven dat ik dat wel zal gaan doen of dat ik andere boeken van Brakman ga (her)lezen. In dit geval staan er geen wetten tussen droom en daad, maar wel praktische bezwaren. Bijvoorbeeld dat dat een etmaal maar vierentwintig uur heeft.

(foto is overgenomen uit Het Boek van Nu)

dinsdag 22 januari 2013

Pierre H. Dubois over Remco Campert (1961)


In 1961 verscheen Het leven is vurrukkulluk, het romandebuut van Remco Campert. Pierre H. Dubois besprak het in Het Boek van Nu. In de inleiding van zijn recensie laat Dubois meteen zijn enthousiasme blijken:
Het is misschien geen meesterwerk, maar het is een allerplezierigst en voortreffelijk boek, dat men met ononderbroken genoegen leest, hetgeen men werkelijk niet van iedere roman die op het ogenblik verschijnt, kan zeggen. 
Hij noemt Vurrukkulluk 'een spontaan boek', waarbij hij aantekent dat hij natuurlijk niet weet of Campert met veel of weinig moeite het boek heeft geschreven. Die moeite is in ieder geval niet aan het boek af te zien.
Bijna achteloos, en tegelijk sierlijk, met een weinig voorkomende kunstigheid, die volmaakt ongekunsteld is en een talent openbaart, zoals we er in ons land eigenlijk geen ander vergelijkbaar kennen.
Ik vermoed dat Dubois hiermee niet bedoelt dat jonge schrijvers als Hermans en Mulisch minder talent zouden hebben dan Campert, maar dat dat een ander talent is. Nadat Dubois geconstateerd heeft dat Camperts roman 'door en door dichterlijk' is vertelt hij nog maar eens dat Campert een bijzonder boek heeft geschreven.
Er zijn maar weinig auteurs in ons land in staat om met een zo argeloos handgebaar zoveel leven op het papier te brengen.
Dubois vertelt iets over de verhaallijn, die hij 'eenvoudig' noemt en vindt in het boek steeds 'de sfeer van het "understatement"'. Hij legt uit dat Camperts ironie 'te gevoelig is om genadeloos sarcasme te worden, maar ook niet te spits en te spiritueel om louter goedige humor te worden.'

De personages Mees en Boelie ziet Dubois als twee kanten van één en dezelfde figuur, 'die Campert zèlf is, niet autobiografisch, maar een personage dat zijn eigen geaardheid meekrijgt [...]' Wat de twee personages gemeen hebben, is volgens Dubois 'de eenzaamheid van het isolement'.

Het leven is vurrukkulluk heeft ook een documentaire waarde, vindt Dubois: het geeft een beeld van een generatie, die 'zo concreet, spontaan, intuïtief, instinctief mogelijk [wil] leven'. Daarbij ziet hij Campert niet als een wilde levensgenieter:
hij is er te fijn, te teer te subtiel voor. Hij heeft begrip voor de houding van wie maar raak willen leven, hij heeft er zelfs sympathie voor, vooral als het er op een zeker moment inderdaad van komt. Maar hij staat er sceptisch en ironisch tegenover. 
Nog maar een citaat, want Dubois meent heel wat te ontdekken in het boekje van Campert:
Die wonderlijke combinatie van rust en onrust weerspiegelt zich rechtstreeks in wat hij schrijft: onder het oppervlak van een vloeiende, ironische volkomen beheerste, lichte en schijnbaar ook aan de oppervlakte blijvende stijl gaan tal van spanningen schuil, algemeen-menselijke, persoonlijke, psychologische, erotische e.d. die men soms als een zenuwtrilling langs de huid van zijn proza ziet vluchten, snel en onmiddellijk weer bedwongen, maar net voldoende om er een waarde aan te geven die men in de moedwil van al te veel proza mist. 
Van de woordgrapjes van Campert en de vreemde spelling van sommige woorden ('sunnyle', 'oh fon', 'saaj-jans-fiction') is Dubois minder gecharmeerd, maar hij vindt ze niet storend.

Hij sluit zijn stuk af met:
Maar hoe dan ook, wie zich even natuurlijk voor deze roman openstelt als Remco Campert de indruk wekt zijn verhaal natuurlijk te schrijven, zal aan dit uitstekende boek, dat een voortreffelijk staal van Camperts zeer persoonlijk talent is, veel plezier kunnen beleven, plezier van een dichterlijke orde.
 Het boek van Campert las ik een goed jaar geleden; ik schreef er een klein stukje over. Ik hou erg van het werk van Campert, maar dit boek viel me juist een beetje tegen. Toch moet het bij verschijnen iets bijzonders zijn geweest, anders had Dubois niet zo uitgepakt.

Mijn leerlingen vonden er niet zoveel meer aan en ik vermoed dan ook dat de reanimatie door de actie Nederland Leest niet werkelijk meer het leven in het boek kan blazen. Het heeft een mooie tijd gehad, maar die zal nu wel voorbij zijn.
De foto van Campert stond afgedrukt bij de recensie in Het Boek van Nu

dinsdag 11 december 2012

Pierre H. Dubois over Brakman in 1961


In 1961 -de exacte datum kan ik niet achterhalen- recenseerde Pierre H. Dubois de debuutroman van Willem Brakman, Een winterreis. Dubois herkende het talent van Brakman en hij prees het boek dan ook, hoewel hij het niet zomaar een goed boek vond.

Dubois schrijft in de eerste alinea van zijn recensie dat Brakman een persoonlijke stijl heeft, 'die op sommige plaatsen enigszins door Vestdijk beïnvloed lijkt'. Verder noemt hij: 'een laconieke droge humor, een zakelijke, bizar aandoende wijze van observeren en een pikante manier van objectiveren van de eigen gevoelens.'

Na wat over de inhoud verteld te hebben, constateert hij dat er niet zoveel verhaal bij te pas komt. 'Het is een mijmerend geschreven boek, meer een verslag van een onderzoek dan een roman.'

Daarna vertelt Dubois wat van de inhoud van het slot van Een winterreis. Hij vervolgt met:
Hoe moedwillig ook dit slot mag zijn, Brakman heeft kans gezien om de onwaarschijnlijkheid ervan toch op grote hoogte aanvaardbaar te maken. Dat veronderstelt een niet geringe literaire begaafdheid en daarvan getuigt het hele boek dat zeer goed geschreven is. Brakman verstaat in sterke mate de kunst om uiteenlopende personages in korte, maar rake karakteristieken tot leven te brengen. Zijn observatievermogen is zeer goed geoefend en hij weet er op oorspronkelijke en diep indringende wijze uitdrukking aan te geven.
Het is voor mijn gevoel dit onmiskenbare talent dat zijn boek van een lange tijd dreigende monotonie redt. De echtheid van het schrijverschap en de echtheid van het initiale gevoel dat tot dit boek inspireerde, bepalen er de waarde van.
Meteen daarna schrijft hij dat het werk als roman mislukt is, 'omdat het een kompositie mist'. Dat vindt hij niet zo vreemd. Hij ziet Een winterreis als 'een afrekening met een jeugd'.  Daarom lijkt het Dubois ook een noodzakelijk boek.
Maar een noodzakelijk boek is nog iets anders dan een gave of goede roman. Men zou eerder misschien nog kunnen spreken van de rudimenten van een roman, en zelfs -in de mate waarin de jeugd van een schrijver de wortelstok van zijn oeuvre vormt- van de rudimenten van een roman-oeuvre.
Want dat Willem Brakman wel door zal gaan met schrijven lijkt mij na dit boek wel nauwelijks aan twijfel onderhevig. Het vertegenwoordigt typisch een uitgangspunt voor een schrijverschap, waarvan het mij zou verbazen als het niet nog meer pijlen op zijn boog zou blijken te hebben. 
Daar zou Dubois gelijk in krijgen. Brakman was een bijzonder productieve schrijver. Zijn bibliografie telt zo'n vijfenzeventig boeken. Dat oeuvre dat Dubois al verwachtte, kwam er wel.

Brakman is een schrijver die veel goede kritieken heeft gekregen, maar wiens werk maar matig verkocht. Een weekend naar Oostende vond wel een wat groter publiek, maar de meeste andere boeken gingen aan de massa voorbij.

Intussen is Brakman alweer vierenhalf jaar dood. Nooit hoor ik meer zijn naam noemen, nooit lees ik meer iets over hem en eerlijk gezegd heb ik ook nooit meer iets van hem gelezen, terwijl ik altijd van zijn boeken genoten heb. De romans van Brakman spetteren van het taalplezier. Ik heb ze lang niet allemaal gelezen. Waarom koop ik ze dan niet en ga ze alsnog lezen? Ik ben mezelf een raadsel.

donderdag 6 december 2012

Pierre H. Dubois over Harry Mulisch in 1961


In Het Boek van Nu, ergens in 1961, bespreekt Pierre H. Dubois het nieuwe boek van Harry Mulisch, Voer voor psychologen. In 1960 had hij Mulisch' toneelstuk Tanchelijn nog vakkundig weggeschreven. Hij noemde het stuk 'én als toneelstuk én als kunstwerk, een mislukking'. Een jaar daarvoor had hij Het stenen bruidsbed 'niet in alle opzichten geslaagd' genoemd, maar vond hij het toch 'een opmerkelijk sterk boek'. En in 1957 schreef hij over Mulisch: 'Naar mijn mening is Harry Mulisch dan ook niet een groot schrijver, maar wel een zeer groot talent, ongetwijfeld het grootste dat sedert enige jaren aan de Nederlandse literatuur is toegevoegd.

Bij Voer voor psychologen lijkt Dubois geen enkel voorbehoud meer te hebben. Hij vindt het een prachtig boek.
Het resultaat van dit alles is een boek, chaotisch, bizar, voor sommigen in sommige opzichten provocerend, brutaal, gedurfd, meeslepend, fascinerend, kortom uniek. Ik vergat het woord irritant, een begrip dat voor mij persoonlijk in dit boek helemaal niet aan de orde komt, maar dat ongetwijfeld voor tal van lezers op allerlei gronden een factor zal zijn om tegen het boek gefundeerde bezwaren in te brengen.
In dezelfde alinea noemt Dubois het boek 'een zeldzaam curieus en boeiend fenomeen [...] dat van een buitengewoon authentiek schrijverschap getuigt'. Hij vertelt er meteen bij dat G.K. van het Reve over dit boek heeft verteld dat de auteur een aframmeling verdient, maar daar neemt hij afstand van.

Dubois is er bijzonder over te spreken dat Mulisch zichzelf opvoert als personage, zonder dat hij fictie schrijft.
Harry Mulisch heeft dit merkwaardigs gepresteerd: dat hij het inderdaad doet en dat het tegelijk echt is. Want ook het ònechte, de comedie, de aanstellerij is echt, het is zelfs, wat mij betreft, de eerste maal dat ik van de echtheid daarvan bij Harry Mulisch overtuigd geraakt ben. Misschien wel juist omdat hij het niet voortdurend is en eensklaps een heel andere kant op kan.
Dubois legt uit dat Mulisch, door de constructie die hij gekozen heeft, het over zichzelf kan hebben en tegelijkertijd het niet over zichzelf kan hebben, maar over het personage Harry Mulisch.
Ik ken geen ander voorbeeld van een boek dat zo principieel, zo grondig en zo klemmend alle kritiek door zijn structuur eenvoudigweg te niet doet. De ene Mulisch beaamt werktuigelijk, of zelfs spontaan en overtuigend, wat tegen de ander te berde wordt gebracht. 
In het vervolg noemt Dubois nog met waardering Mulisch' 'Zelfportret met tulband', dat ook in Voer te vinden is. In de slotalinea geeft hij nog even een fikse stoot op de klaroen:
Voer voor psychologenis een van de verrassendste boeken, sedert tientallen jaren in onze literatuur verschenen. 
Dubois heb ik uit zijn stukken leren kennen als een kundig criticus. Hij zal wel gelijk hebben en Voer voor psychologen zal wel een goed boek zijn. Ik kocht ooit een afgeschreven exemplaar bij de bibliotheek en las het begin. Verder kwam ik niet, al weet ik niet meer waarom. De openingszin is me bijgebleven.

Het boek moet nog in een doos zitten, maar ik ga er niet naar zoeken. Van Mulisch heb ik zeker een stuk of vijftien boeken gelezen, maar dit liet ik ongelezen. Dubois is dood; die zal er mij niet meer voor op mijn kop geven.

woensdag 22 augustus 2012

Pierre H. Dubois over Willem G. van Maanen in 1960

Willem G. van Maanen
foto: Hans Roest
Pierre H. Dubois was de grote recensent van het blad Het boek van nu. Natuurlijk, mensen als P.H. Ritter jr., Hans Andreus en Raymond Brulez mochten er ook zijn, maar deze keer, ergens in de tweede helft van 1960, opende het blad met de beschouwing van Dubois. Over Willem G. van Maanen. Diens laatste roman, Taal noch teken, was niet zo gunstig ontvangen. Men vond dat de bedoelingen van Van Maanen niet duidelijk waren en dat de beweegredenen van de personages 'vaag en mistig' waren.

Dubois is het met die constateringen eens, maar hij vindt niet dat ze iets zeggen over de kwaliteit van het boek. Dat het boek zoveel interpretaties toelaat, pleit volgens hem niet tegen het boek, omdat dat nu juist het onderwerp van het boek is. Het boek heet immers niet voor niets Taal noch teken. Het is overigens de vierde roman van Van Maanen. De drie voorgaande hebben
stuk voor stuk het bewijs [...] geleverd, niet alleen van het talent van de schrijver, maar bovendien van wat typisch zijn eigen, persoonlijke thema is, hetgeen in dit nieuwe boek weer blijkt.
Van Maanens boeken gaan, volgens Dubois, over droom en werkelijkheid.
Het belangrijkste in zijn werk is inderdaad de identificatie van het leven en de droom, het leven dus dat als droom wordt gezien en ervaren, wat tot gevolg heeft dat de sacrosancte 'werkelijkheid' irreëel wordt en omgekeerd dat wat als onwerkelijk, als 'gedroom' betiteld pleegt te worden in de realiteit de toon gaat aangeven, - met al de kortsluitingen van dien.
De hoofdpersoon van Taal noch teken, Kazan, is een toneelschrijver en een van de bijfiguren, Merle, is een toneelspeler. Dan zijn 'andere' werkelijkheden niet ver weg. In Van Maanens boek is uiteindelijk niet duidelijk wat werkelijkheid is en wat verbeelding.
De lezer die zich voor het personage interesseert, die zich in het boek heeft kunnen inleven, moet voor zichzelf nagaan wáár de breuk ligt tussen droom en werkelijkheid, in de eigen werkelijkheid van het wereldje dat Van Maanen in zijn boek heeft opgeroepen.
 Dubois bedoelt dat 'wereldje' niet pejoratief, maar hij vindt het
een merkwaardige microchaos [...], waarvan de symboliek griezelig spits en griezelig rijk en veelvuldig wordt, wanneer men erover begint na te denken. Er zijn weinig hedendaagse Nederlandse romans die met zo weinig middelen en een dergelijke vanzelfsprekendheid binnen het gegeven van hun eigen kader, zoveel aanknopingspunten bieden met het denken en zulke associatieve mogelijkheden bezitten met betrekking tot de symboliek van de werkelijkheid.
'Een van de weinge Nederlandse romans'. Dat is nogal wat. In 1960, waarin Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans al geweldige romans hadden afgeleverd. Wellicht kan Van Maanen zich met hen meten. Dubois signaleert bij Van Maanen de invloed van Kafka, ook al zo'n grote naam.

Dubois blijft overigens kritisch. Al eerder schreef hij over Haasse dat ze talentvol was, maar dat haar roman Cider voor arme mensen 'niet overtuigend' was. Ook bij Van Maanen heeft hij wel aanmerkingen. Bij een van de bijfiguren signaleert Dubois iets geconstrueerds. Dat is volgens hem ook de zwakke kant van het schrijverschap van Van Maanen: 'de verleiding van zijn thematiek tot een te starre, een te weinig bewegende fictie.
Maar dat mag toch geen reden zijn om aan Taal noch teken de waardering en de bewondering te onthouden, waarop dit verhaal wegens de bijzondere kwaliteiten, die de gebreken ervan wezenlijk overtreffen, aanspraak mag maken.  
 Ik kan mij voorstellen dat Van Maanen blij geweest is met deze recensie. Toen hij dit stuk las, was hij veertig, nog niet op de helft van zijn leven. Meer dan driekwart van zijn oeuvre moest hij nog schrijven. Hij had nog een lange weg te gaan naar de vergetelheid.

dinsdag 10 juli 2012

Pierre Dubois over Hella Haasse in 1960

Illustratie bij de recensie van Dubois
In het blad Het Boek van Nu was Pierre H. Dubois een prominent criticus. Al eerder (zie label) heb ik recensies van hem uit dat blad samengevat. In 1960 recenseert hij van Hella Haasse de roman Cider voor arme mensen. In de titel maakt hij meteen zijn oordeel duidelijk: 'Talentvol, maar niet overtuigend.

Nadat Dubois de inhoud van het boek heeft samengevat, noemt hij de kwaliteiten van Haasse:
Hella Haasse beschikt [...] over veel talent; zij is in staat om in een zeer verzorgd Nederlands, en soms bewonderenswaardig knappe formuleringen, met feilloze goede smaak en met een vrijwel steeds waakzame intelligentie op de lezer over te brengen wat zij te zeggen heeft. Wat dit betreft is haar nieuwe roman een goed boek. 
Maar Dubois heeft wel zijn bedenkingen.
En toch bevredigt het niet. Misschien juist omdat Hella Haasse teveel gehinderd wordt door die idee van een "bewuste vrijwillig verantwoordelijke persoonlijkheid".
Dat laatste is een verwijzing naar wat Hella Haasse schreef in een boekje Schrijvers blootshoofds, waaruit Dubois al eerder citeerde.
Die gedachte, al of niet bewust, geeft aan haar werk een nadrukkelijk humanistisch-ethisch accent dat geen levensvatbaarheid heeft, omdat het als een stempel op het verhaal wordt gedrukt, of liever nog "en filigrane" door de personages en hun problematiek heenloopt.
Dubois maakt geen bezwaar tegen de humanistisch-ethisch tendens in het boek. Maar wel vindt hij dat de boodschap (als ik dat woord tenminste mag gebruiken) veel te nadrukkelijk aanwezig is, zodat die belangrijker lijkt dan de personages of de handeling. Dubois:
Die personages op zichzelf doen niet aan als werkelijk. Ze zijn er niet van het begin af aan en men raakt er niet echt mee vertrouwd. Zij hebben geen diepte, alleen oppervlakte: er wordt wel diepte gesuggereerd, maar die is afkomstig van de schrijfster en niet organisch met haar Marta en haar Reinier verbonden. Zij zeggen ook te veel de dingen die men zou moeten zien of voelen.
Kijk, daar hebben we de richtlijn die intussen bij elke schrijver bekend is en waartegen slechte schrijvers nogal eens zondigen: show, don't tell!

Dubois geeft verder aan dat hij het verhaal 'wat erg schematisch gecomponeerd' vindt. Weliswaar geeft hij toe dat er 'zeer knappe en nogal subtiele draden gespannen [zijn] van de ene situatie naar de andere', maar hij vindt dat men die draden te goed ziet. Dubois zegt nog maar weer eens iets over de personages:
[D]ie figuren zelf zijn te bedacht; zij lijken wel op mensen, zij handelen als mensen - en Hella Haasse verstaat de kunst de gelijkenis bedriegelijk te doen zijn, omdat zij scherp kan observeren - maar zij zijn in feite gecomponeerde verbeeldingen van ideeën-conglomeraten. Die denkbeelden op zichzelf zijn wat in de wereld der conventie "verstandig" heet. Daar is niets op tegen, wanneer zij een natuurlijke belichaming gevonden hadden in personages die handelden zoals zij doen, omdat zij denken, zoals zij het schijnen te doen. Maar zij doen het niet overtuigend genoeg om van dit zo zorgvuldig en met talent geschreven boek ook een overtuigende roman te maken. 
En daarmee kon Haasse het doen. Hoe Cider voor arme mensen indertijd ontvangen is, weet ik niet. Wel vond ik een recensie van de herdruk uit 2007, door Cindy Hoetmer in De Groene Amsterdammer. Ook zij constateert: 'In 1960 was men zeker nog niet zo overtuigd van de show don't tell-methode'. Nou ja, Dubois was er wel van overtuigd, Haasse moest er nog achter komen.

Hoetmer noemt Haasse's taalgebruik 'levendig, zorgvuldig en niet opvallend oubollig'. Ze vindt dat de problematiek van het boek niet relevant meer is, maar schrijft ook: 'Het boek is prachtig geschreven en het verhaal is beklemmend maar mooi. Bij de ontknoping [...] stonden de tranen in mijn ogen.'

En daarna zegt ze dat ze toch liever een hedendaags boek gelezen had en dat Hella Haasse haar tijd nu wel gehad heeft. Ze eindigt met: 'Oude schrijvers lopen in de weg'.

Al in het begin van haar stuk verklaart Hoetmer dat ze nog nooit wat van Haasse gelezen heeft en dat ze zich bij het lezen beperkt tot de hedendaagse literatuur. Bij Tsjechov gaapt ze. Hm. Misschien vindt de componist van de nummers van Frans Bauer Bach ook wel saai en vindt hij ook wel dat oude componisten in de weg lopen.

Als ik moet kiezen tussen de hedendaagse recensent Hoetmer en de oude Dubois, kies ik toch voor Dubois.

zaterdag 19 mei 2012

Pierre Dubois over Harry Mulisch in 1960


In 1959 had Pierre Dubois zeer lovend geschreven over Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch. 'Roman van apocalyptische allure', schreef hij boven zijn stuk. Kijk ook even hier. Maar in 1960 staat er boven Dubois' stuk over Mulisch 'Een spectaculaire mislukking'. Het staat in Het Boek van Nu en gaat over Tanchelijn.

Dubois begint zijn artikel met een stand van zaken in de Nederlandse toneelliteratuur van dat moment. Daarna komt hij op Mulisch:
Mulisch is in onze letteren meer een verschijnsel, lijkt mij, dan (vooralsnog) een verschijning. Hij blijkt zich te hebben voorgenomen met alle mogelijke middelen zich aan de publieke belangstelling op te dringen, aan de weg te timmeren, zoals dat heet. Dat lukt hem vrij goed en het spreekt vanzelf dat dit op deze manier niet mogelijk zou zijn zonder talent en zonder intelligentie. Mulisch beschikt over beide, maar met zijn eerste toneelstuk heeft hij, althans wat mij betreft, bewezen dat dit bepaald niet volstaat.
Dat Dubois het talent van Mulisch onderkende was al duidelijk, maar ik proef toch ook ergernis over het publieke optreden van Mulisch. Dat lijkt Dubois tegen te staan, zeker nu de nog jonge schrijver een toneelstuk heeft geschreven dat Dubois mislukt vindt.

Over de historische Tanchelijn is weinig bekend. In 1112 schreven kanunniken een brief aan de aartsbisschop van Keulen om zich te beklagen over deze ketter, die door Vlaanderen, Brabant en Zeeland trok en ook aanhang verwierf. Hij noemt zich aan God gelijk, verlooft zich met Maria en zweert de kerkelijke eredienst af. In 2001 schreef Sander Pleij nog een kort stukje over hem in De Groene Amsterdammer, waarin hij ook een uitspraak van Mulisch over de vrouw citeert:
Een vrouw is niet iets dat mooi en niet iets, dat lelijk is. Een vrouw heeft geen verstand, geen gevoel en geen wil: maar wat zij heeft, daar huilen de wolven om.
Mulisch schrijft dus over deze ketter een toneelstuk en hij noemt het 'kroniek van een ketter, geen historisch toneelstuk in vijf bedrijven'. Dubois vraagt zich af of je een stuk wel een kroniek moet noemen als het niet historisch is en als je geen historisch stuk schrijft, moet je ook niet de historsiche namen gebruiken, vindt Dubois. Verder heeft Mulisch volgens hem volstrekt geen begrip van de religieuze problematiek:
Afgezien daarvan is het niet duidelijk, waarom een schrijver een religieus probleem of tenminste de hoofdfiguren uit een religieus drama zou gebruiken zonder veel, men mag wel zeggen zonder enig begrip van de religieuze problematiek waarbuiten dit drama niet denkbaar is. 
Mulisch zet Tanchelijn af tegen in Nederland vereerde grootheden als Willem de Zwijger, Erasmus en Hugo de Groot, die hij representanten van het gematigde voortbestaan noemt. In Tanchelijn ziet hij iets volstrekt anders: 'de grandioze smak zonder gevolgen'. De reactie van Dubois:
Dan blijft niettemin een andere vraag, namelijk in hoeverre hij erin is geslaagd de grootheid van Tanchelijn, van diens 'grandioze smak' wáár te maken.
Everwachter is in het stuk van Mulisch de man achter de schermen, die Tanchelijn regisseert. Tot die tijd predikt die namelijk vooral 'in bed'. Everwachter stelt Tanchelijn het volk voor als een vrouw, met wie hij naar bed moet gaan. Aanvankelijk gaat alles naar wens en Tanchelijn heeft succes, maar Everwachter verliest zijn greep en hij wordt zelfs gevangen genomen. Hij wordt weer vrijgelaten op voorwaarde dat hij Tanchelijn zal (laten) vermoorden. Dubois:
Wat is er voor grootheid in de 'smak' van Tanchelijn? Toch niet zijn waanzin of hysterie, neem ik aan, die op zich geen enkele grootheidsnorm bezit en voor een dergelijke kwalificatie alleen in aanmerking zou komen, wanneer hij het gevolg was van een bepaalde tot in het extreme doorgetrokken verbeeldingskracht. Daarvan is geen sprake.
Dubois vermeldt dat Mulisch geput heeft uit de redevoeringen van Lou de Palingboer, die hij 'als psycho-pathologisch verschijnsel interessant' noemt. Maar om die in grootheid nu te zetten tegenover Erasmus en Hugo de Groot.. Tanchelijn is meer een warhoofd, vindt Dubois
'en wanneer Mulisch zich hem, zijn woorden en zijn daden, als een soort  explosieve stof heeft voorgesteld, vergist hij zich: het is in de meest letterlijke zin van het woord 'much ado about nothing'.
En Everwachter, het brein achter Tanchelijn, is ook niet interessant. Hij mist inhoud:
'Zijn reservoir aan 'ideeën' is bijzonder mager en het helpt niet, erg diepzinnig te doen over een paar denkbeelden, die inderdaad alleen maar uitgedacht en niet doorleefd zijn, en zelfs niet dóórgedacht. Meer dan invallen zijn het niet en van enige samenhangende innerlijke structuur, van eenheid van personage, is er dan ook geen sprake.
Dubois mist in Tanchelijn authenticiteit en daar had het toneelstuk het juist van moeten hebben, omdat het qua originaliteit niet verder komt dan 'een paar kleine vondsten'. En verder:
Dramaturgisch getuigt het van een zeker besef van modern toneel, maar gerealiseerd is het niet, omdat zich niet realiseren laat wat er niet is en omdat bij afwezigheid daarvan spectaculaire 'vullingen' de leegte niet verdoezelen kunnen.
Het literaire aspect bevalt Dubois ook al niet. De 'cadensen', die als lyrisch intermezzo zijn bedoeld, missen bezieling en zijn daarom ook als beeldspraak gezocht (of, zoals Dubois schrijf: 'gezócht') en missen werkelijk effect. De dialogen zullen wel bedoeld zijn om te choqueren, vermoedt Dubois, maar dat 'schok-element' heeft nog maar weinig uitwerking. Het toneelpubliek was toen al wel wat gewend. Het stuk klinkt verder levendig genoeg, 'maar bestaat voornamelijk uit weinig steekhoudends en veel uiterst goedkope spitsvondigheden'.

Het eindoordeel van Dubois is ondubbelzinnig. Hij kan alleen maar tot de conclusie komen 'dat Tanchelijn én als toneelstuk én als kunstwerk, een mislukking is.'

Op de site Nader tot Reve las ik dat Mulisch en Reve elkaar ontmoetten bij de première van Tanchelijn. Reve vond het stuk ook niks: 'Gedurende bijna de gehele vertoning van Tanchelijn heb ik me, evenals het grootste deel van het publiek, danig verveeld.' Het stuk werd overigens in 1961 wel bekroond met de Visser Neerlandiaprijs 1960.

In mijn boekenkast kon ik Tanchelijn niet terugvinden, al weet ik zeker dat ik het heb. Ik zie de omslag voor me. Het moet dus in een doos zitten, want ik heb het niet weggedaan. Wanneer heb ik het gelezen? Voor mijn dertigste, laten we zeggen zo'n vijfentwintig jaar geleden. Ik kon mij er geen details meer van herinneren. Veel verder dan een ketter met volgelingen en de naam Everwachter bracht mijn geheugen het niet. Als we Pierre Dubois en Gerard Reve moeten geloven, hoef ik het ook niet te herlezen.




dinsdag 3 april 2012

P.C. Hooftprijs 1959

In 1959 werd de P.C. Hooftprijs niet toegekend. De prijs wordt afwisselend aan een auteur van poëzie, verhalend proza en beschouwend proza uitgereikt. In 1959 was het verhalend proza aan de beurt. De jury, bestaande uit Gerard Knuvelder, Anna Blaman, C. Rijnsdorp, Emmy van Lokhorst en Jacques den Haan vond geen geschikte kandidaat.

In Het Boek van Nu verbaast Pierre H. Dubois zich daarover. Hij vraagt zich af of het wel nodig was dat de jury afzag van een advies aan de staatssecretaris. Hij legt uit dat de P.C. Hooftprijs weliswaar vaak als een oeuvreprijs wordt gezien, maar dat de prijs ook toegekend kan worden vanwege een enkel werk. Vestdijk kreeg hem  bijvoorbeeld voor De Vuuraanbidders. (Dat was in 1950. In 1953 had Bordewijk de prijs gekregen, o.a. voor De doopvont en in 1956 Anna Blaman, toen al wel voor haar gehele oeuvre. T.B.)

Was er uit de afgelopen drie jaar niet zo'n werk te vinden? vraagt Dubois zich af. Hij geeft als voorbeeld De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Bij dit boek bijvoorbeeld kan een jury in deze samenstelling het moeilijk hebben, suggereert Dubois. Hermans' boek is 'door de overgrote meerderheid van de competente kritiek in Nederland beschouwd en besproken (...) als een boek van uitzonderlijke kwaliteit'. Maar het zou kunnen zijn dat het boek door de juryleden niet alleen op literaire gronden wordt beoordeeld.

Dubois kan zich voorstellen dat het katholieke jurylid (Knuvelder dus) en het 'christelijke' lid (Rijnsdorp) tegen een dergelijke roman inhoudelijke bezwaren hebben. Dan hoeft er nog maar één jurylid te zijn dat literaire bezwaren heeft en de meerderheid is tegen. Het is maar een gedachte, zegt Dubois: 'wij zeggen niet dat het zo geschiedde'.

Er kan, volgens Dubois, ook op een andere manier gestemd worden. Als er geen schrijver is die een meerderheid van de stemmen heeft, dan kun je toch van de mogelijke kandidaten er een paar elimineren, totdat je er eentje overhoudt? 'Wanneer de jury er dan alleen voor zorgt op de kandidatenlijst geen figuren te plaatsen, waarmee zij zich onder geen beding kunnen verenigen, zou het probleem althans iets eenvoudiger zijn geworden.'

Tot zover Dubois. Uit de notulen van de juryvergadering blijkt dat Hermans inderdaad een kandidaat was. Blaman en Den Haan waren voor Hermans. Ina Boudier-Bakker en Anton Koolhaas waren ook in de race en vooral ook Maria Dermoût, die de steun kreeg van Rijnsdorp en Van Lokhorst en bij de tweede vergadering stemde ook Knuvelder voor Dermoût. Deze informatie is te vinden in Willem Frederik Hermans in de prijzen van Rob Delvigne (2005).

In 1962 kreeg Theun de Vries de P.C. Hooftprijs, maar in 1965 ging het weer mis: de jury kwam er niet uit. Er waren drie schrijvers genomineerd: Gerard Reve (die toen nog G.K. van het Reve heette), Anton Koolhaas en Harry Mulisch.

Drie jaar later (1968) kreeg Reve de prijs alsnog. Mulisch moest tot 1977 wachten en Koolhaas tot 1992. Hermans kreeg de prijs in 1977, maar weigerde hem omdat hem bij vergissing een te hoog prijzengeld was toegezegd. Maria Dermoût heeft de prijs nooit gekregen.

Ook in later jaren was er nog wel gedoe om de prijs, maar in dit bestek laat ik dat even zitten.

Omslag van de eerste druk (1958)
waarin 'Damocles' de c nog had.

zaterdag 17 maart 2012

Pierre Dubois over Harry Mulisch in 1959

Portret bij het artikel van Dubois

In 1959 publiceerde Harry Mulisch een van zijn grote romans: Het stenen bruidsbed. Tot die tijd had hij drie romans geschreven. Zijn eerste, uit 1952, archibald strohalm (waarom moet dat toch zonder hoofdletters?) was verrassend, maar ik vrees dat het bij herlezing nauwelijks houdbaar zal blijken. De diamant (1954) was niet veel bijzonders, maar in Het zwarte licht (1957) begint Mulisch op stoom te komen en bijvoorbeeld het beiaardconcert van Maurits Akelei in dit boek is onvergetelijk.

Maar Het stenen bruidsbed, over het bombardement op Dresden, was andere koek. Hier leren we de schrijver kennen die later van zichzelf zou zeggen: 'Ik ben de oorlog'. Na 1959 was Mulisch overigens niet scheutig met romans. Het duurde meer dan tien jaar voor De verteller (1970) er was daarna duurde het vijf jaar tot Twee vrouwen (1975), waarmee er een nieuwe helderheid in het proza van Mulisch kwam. Dan weer een stilte van zeven jaar tot de klapper De aanslag gepubliceerd werd. Daarmee begon voor Mulisch, qua romans de meest productieve periode, met vijf romans in tien jaar. De andere vier zijn Hoogste tijd, De pupil, De elementen en De ontdekking van de hemel, in 1992. Dat laatste boek is Het Grote Werk van de grote schrijver, maar eigenlijk hou ik meer van Hoogste tijd. 

Terug naar 1959. Pierre Dubois besprak in Het Boek van Nu Mulisch' nieuwe roman en herkende meteen de kwaliteit van het werk:''t boeiendste boek dat hij tot nu toe heeft geschreven'. De titel van zijn recensie is zelfs: 'Roman van apocalyptische allure'. Verder noemt hij het boek:
het eerste boek van Mulisch waarin hij werkelijk een schrijver is, niet meer een talentvol litterator. Er is niet meer de wat blufferige lust om te laten zien wat hij allemaal wel kan, een volstrekt "uiterlijke" schrijflust, hoe bewonderenswaardig dat zuiver als vermogen ook kan zijn. De nieuwe roman is klaarblijkelijk geschreven, omdat Mulisch getroffen is door een ontdekking van menselijke, of als men wil onmenselijke, onlust, hopeloosheid, zinloosheid, wreedheid.
Dubois ziet dat Het stenen bruidsbed anders is dan de vorige boeken van Harry Mulisch, die hij nu beschouwt als vingeroefeningen, meer voortgekomen uit besef dan uit ervaring. Verder vertelt Dubois ons dat Mulisch in 1956 naar Oost-Duitsland is geweest, naar Dresden. Dat ligt misschien voor de hand en het kan zijn dat het algemeen bekend is, maar ik wist het niet.

Het bombardement op Rotterdam, schrijft Dubois, 'zo evident barbaars', maakte ons normgevoel niet tot een absurditeit, maar bevestigde het. Dat was anders bij het bombardement op Dresden, waar mensen die aan 'onze' kant stonden een bombardement aangingen dat je misschien ook wel kunt zien als 'pure wraak of loutere moordlust'.
Dat betekent dat het morele waardebesef in die tijd wel degelijk was aangetast en dat het persoonlijke morele normgevoel inderdaad een absurditeit werd. En het gevolg daarvan kon dus ook wezen dat het individuele geweten van oorlogvoerenden bekneld raakte, dat zij ieder op zich geconfronteerd konden worden met de vraag naar hun persoonlijke verantwoordelijkheid voor hun oorlogsdaden. 
Daarna gaat Dubois dieper in op de inhoud van Het stenen bruidsbed. Hij haalt er mooie dingen uit, maar die laat ik even zitten. Ik stap over naar het eindoordeel:
Het boek is niet in alle opzichten geslaagd. Het weefsel ervan is niet overal even hecht en niet overal is het verhaal even fascinerend. Maar dat neemt niet weg dat het geheel toch de indruk nalaat van een opmerkelijk sterk boek, een roman die ons iets "doet" en die, afgezien van particuliere -en nogal aanvechtbare- visies zoals de theorie van historie en anti-historie, soms korte maar penetrante bespiegelingen en observaties bevat (over liefde en huwelijk bv.), welke het scherp en verrassend markeren.
Dat het geen "katharsis" geeft, is in dit geval nogal aannemelijk en men voelt er ook de behoefte niet zo aan, al vormt de brandende auto aan het slot meer een symbolisch afgerond dan een werkelijk bevredigend einde.
Het valt me op dat je in 1959 'penetrante' nog in de betekenis van 'doordringende' of 'scherpe' kon gebruiken, zonder dat dat een oordeel inhield. Misschien vergis ik me, maar ik heb het idee dat we tegenwoordig 'een penetrante geur' of 'een penetrant geluid' vooral onaangenaam vinden.

Verder wil ik even mijn vinger leggen bij die katharsis. Dubois schrijft dat hij die niet mist, maar blijkbaar vindt hij toch dat hij zo'n katharsis even moet noemen. Kennelijk verwachtten lezers zoiets. De zinloosheid van het oorlogsgeweld zou dan toch nog tot iets goeds moeten leiden, al is het maar binnen het personage Norman Corinth. De gemak gunt Mulisch ons gelukkig niet.

zondag 4 maart 2012

Pierre Dubois over Marnix Gijsen en Hugo Claus in 1958

Illustratie bij het artikel van Dubois
Al eerder en nog eerder schreef ik over het tijdschrift Het boek van nu, waarin in 1957 en 1958 boeken van Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans werden besproken. De recensent, Pierre H. Dubois, herkende het talent van de jonge schrijvers en verdedigde het.

In 1958 besprak hij ook de verhalenbundel De zwarte keizer, van Hugo Claus. In hetzelfde stuk waarin hij Mijn vriend, de moordenaar van Marnix Gijsen bespreekt. Het is wel heel lang geleden dat ik iets van Gijsen heb gelezen. Ik herinner mij dat ik indertijd, als vrij jonge lezer nog wel onder de indruk was van de verhalenbundel De diaspora en verder heb ik natuurlijk Klaaglied om Agnes en het boekenweekgeschenkje Overkomst dringend gewenst, dat ik minder geslaagd vond. Van Mijn vriend, de moordenaar had ik zelfs nog nooit gehoord.

Dubois typeert Gijsen als een moralist en als een romancier die ook iets van essayist in zich meedraagt. Over de verhalenbundel schrijft hij: 'Het boek bestaat uit een vijftal verhalen die uitstekend zijn geschreven en die een boeiend geheel vormen.'

Langs de verschillende verhalen doorwandelt Dubois Mijn vriend, de moordenaar. Hij eindigt met:
'Het merkwaardigst is misschien bij hem nog de paradoxale vermenging van een buitengewoon grote pudeur, een krampachtige verlegenheid met de behoefte aan een volstrekte openhartigheid. Het laatste wordt onder invloed van het eerste vrijwel nooit in werkelijkheid, slechts in schijn bereikt. Niet omdat Gijsen niet durft, maar omdat hij daartoe belet wordt door een eindeloos subtiel en geraffineerd besef van betrekkelijkheid. Zijn lezers behoeven dat niet te betreuren, zij danken er een proza aan vol van fijn genuanceerde geestelijke schakeringen. En waarom zou de grootste eerlijkheid van een zo tot zelfbespiegeling geneigd temperament niet de zuivere nuance zijn..'
 Een lovende recensie dus; Gijsen zal op zijn minst geglimlacht hebben. Hij was toen bijna zestig en had al in 1951 het boek geschreven dat zijn bekendste werk zou blijven: Klaaglied om Agnes. Mijn indruk is dat in de jaren zestig de jonge schrijvers hem snel voorbijgesneld zijn en hem ver achter zich hebben gelaten.

Dubois zal Hugo Claus in hetzelfde stuk besproken hebben, omdat hij nu eenmaal ook een Vlaming is en ook een verhalenbundel heeft geschreven. Van De zwarte keizer herinner ik me alleen het titelverhaal en ik vermoed dat ik de andere verhalen nooit gelezen heb.

In 1958 was Claus al geen onbekende schrijver meer. Hij de Oostakkerse gedichten al gepubliceerd, Een bruid in de morgen al en De metsiers, De hondsdagen en Een koele minaar. Allemaal boeken die ooit gelezen heb.

Dubois plaatst Claus tegenover Gijsen, al signaleert hij dat bij Claus de eerlijkheid ook door pudeur wordt geremd.
'De verhalen, die hij in de bundel "De Zwarte Keizer" heeft verzameld en die een periode van ongeveer tien jaar bestrijken, zijn in de gebruikelijke zin van het woord juist bijzonder openhartig. Hij schijnt geenszins geremd door bepaalde crue schilderingen en over de sexualiteit schrijft hij onomwonden. Maar men zou zich, dunkt mij, ernstig vergissen, wanneer men hem op grond daarvan een gebrek aan subtiliteit zou verwijten. De pudeur bij Claus zit elders: het is de schaamte over gevoelsuitstortingen, waarvan de openbaarmaking hem veel kwetsbaarder zou maken dan de man-en-paard noemende beschrijvingen in sommige van zijn verhalen.'
Gijsen duikt in zijn personages en probeert ze te duiden. Claus doet dat niet, hij blijft aan de buitenkant en beschrijft hoe ze zich gedragen. Dubois:
'Maar zijn subtiliteit is hier bepaald niet geringer dan bij Marnix Gijsen. Waar Gijsen zich in psychologische analyses verdiept en die uiterst nauwkeurig weet uit te drukken geeft Claus de weerspiegeling daarvan in de plastiek van zijn verhalen. Hij is in dat opzicht veel wezenlijker een dichter dan Gijsen, zonder ook maar enigszins te vervallen in lyrische pathetiek.' 
Dubois noemt Claus ook nog 'een verteller van een meesterlijke begaafdheid'. Hij vergelijkt hem nog een keertje met Gijsen:
'De verbeeldingskracht van het proza van Claus is op zijn beste ogenblikken buitengewoon sterk en bereikt dan een niveau dat aan Gijsen niet is voorbehouden. Maar ze komen zeldzamer voor, terwijl Gijsen zich vrijwel altijd gelijk blijft en ook waar zijn boeken niet gelijk in waarde zijn een proza schrijft van grote zuiverheid.'
Claus zou uitgroeien tot een gigant in zijn generatie, die zowel in zijn gedichten als zijn toneelstukken als zijn verhalen en romans de absolute top bereikte. Een jaar of tien geleden was hij eigenlijk de enige in het Nederlandse taalgebied die in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor literatuur. Hij heeft hem nooit gekregen, al gaat het verhaal dat de uitgeverij in een bepaald jaar er zo zeker van was dat de Grote Prijs toegekend zou worden aan Claus dat de kaartjes voor de receptie al gedrukt waren. Op dit moment lijkt me Nooteboom de Nederlandse hoop.

In ieder geval werd het talent van Claus aan het eind van de jaren vijftig onderkend door Dubois. Er wordt nog wel eens beweerd dat bij het begin van de de carrière van Mulisch, Hermans, Claus, Reve en Wolkers de gevestigde literatuur zeer geschokt was. Daar is bij Dubois niets van te merken.

Hugo Claus in 1958

zondag 18 december 2011

Pierre Dubois over W.F. Hermans in 1958


Het portret van W.F. Hermans dat bij het artikel van Dubois was afgedrukt
 Al eerder schreef ik over Mulisch en Hermans in 1957, voor zover dat te lezen was in Het boek van nu, band 1957/1958. Een band verder, op bladzijde 81 en 82 (dat zal wel najaar 1958 geweest zijn), schrijft Pierre H. Dubois lyrisch over de nieuwe roman van W.F. Hermans, De donkere kamer van Damokles.

Maar liefst anderhalve bladzijde besteedt Dubois aan de bespreking van de roman. Ik citeer het begin:

Ik geloof niet dat iedere uitgave van een boek van Willem Frederik Hermans een gebeurtenis is, maar er bestaat wel een grote kans op en zeker is het dat voor zijn nieuwste roman die zijn beste en belangrijkste is, ook al zijn er passages in “De Tranen der Acacia’s”, die warmer, onmiddellijker zijn dan vrijwel alles uit : “De Donkere kamer van Damocles”. Maar dit laatste boek is veel strakker, klaarder, ondanks zijn dubbelzinnigheden en zijn ambivalentie; het is voortreffelijk gecomponeerd en snel en boeiend geschreven. Zuiver als roman beoordeeld Hermans hier een vaardigheid bereikt, die men meesterlijk mag noemen.

Het is duidelijk: Dubois neemt zijn hoed af voor Hermans en maakt een diepe buiging. In de laatste regel van het citaat wil hij Hermans wel ‘meesterlijk’ noemen, als hij het boek tenminste als roman beoordeelt. Dat lijkt een voorbehoud, maar dat is het niet.

Meteen erna schrijft hij dat het De donkere kamer ook een van de meest persoonlijke boeken van Hermans is. Volgens Dubois geeft Hermans zich bloot in dit boek, ‘hoezeer ook weer vermomd in de diverse personages, waarin een schrijver zich onbewust splitst.’

Nadat hij wat verteld heeft over de inhoud en lijntjes getrokken heeft en die wij intussen allemaal op school hebben leren zien, vertelt Dubois nog wat over de waarde van het boek:

De waarde van deze roman is dan ook tweeledig: er is in de eerste plaats de zuiver litteraire betekenis van het boek die groot is door de ongewone suggestieve kracht, die niet slechts de lezer in zijn ban brengt en houdt, maar ook in hoge mate evocatief is: de gestalte – niet van Osewoudt – maar van het monstrueuze fatum dat alles beheerst en met alles speelt, rijst levensgroot achter het boek op.

En dat is de tweede betekenis van het boek, opgeroepen door de litteraire waarde ervan, een algemeen-menselijke, of liever een filosofische. Om die filosofische betekenis zullen velen wellicht het boek afwijzen als negatief. Dat lijkt mij onjuist. In het algemeen is het begrip “negatief”een begrip dat in de litteraire kritiek niet op zijn plaats is. Een goed boek, d.w.z. een geslaagd boek, is nooit negatief. Maar nog afgezien daarvan is een boek niet nagatief wanneer het uitdrukking geeft aan een persoonlijke waarheid. Het is daarbij van geen enkel belang of die “waarheid”ook in een breder verband gezien juist is, of in overeenstemming met wat men ten onrechte als objectieve werkelijkheid noemt.

Een paar alinea’s verder schrijft Dubois zijn slotalinea. Voor wie het nog niet begrepen had:

Willem Frederik Hermans heeft met “De Donkere kamer van Damocles” een uiterst boeiend en belangwekkend boek boek geschreven, een van de aangrijpendste romans uit de laatste jaren voor wie in staat is het wanhopige geluid van een stem te horen door de vermommingen van sarcasme, spot, verbittering en ironie heen”

Je merkt dat Dubois Hermans niet alleen gemotiveerd prijst, maar dat hij hem ook bij voorbaat verdedigt tegen mensen die het boek ‘negatief’ zullen noemen. Hermans werd al wel gezien als een groot schrijver. In mijn vorige stukje over Mulisch en Hermans citeerde ik Greshoff die over ´de letterjeugd´ schreef: ‘voor hen begint alle litteratuur met W.F. Hermans, die hun patriarch is.’  Met die ´letterjeugd´ bedoelde Greshoff overigens niet de jonge lezers, maar de jonge schrijvers, die niet meer omkijken naar de oude schrijvers, waartoe Greshoff natuurlijk ook behoorde. Voor een deel van het publiek was Hermans blijkbaar nog steeds controversieel en dus behoefde hij verdediging.

Het zal wel een kwestie van leeftijd zijn geweest. Hermans was zevenendertig toen hij Damokles publiceerde, Dubois was vier jaar ouder en Greshoff was zeventig.


Pierre H. Dubois


maandag 10 oktober 2011

Mulisch en Hermans in 1957



Een mens leest soms curieuze dingen. Dit mens, in ieder geval. Zo kreeg ik een ingebonden jaargang in handen van het tijdschrift Het boek van nu. Het moet een maandblad zijn, maar er is niet meer te zien waar het ene nummer ophoudt en het andere begint.

In ieder geval heb ik de band 1957/1958 voor me. Daarin bespreekt Pierre H. Dubois onder de titel ‘Schrijvers in de wereld van vandaag’ een prozawerk van Simon Vinkenoog (Wij helden) en de verhalenbundel De versierde mens van Harry Mulisch.

Over Mulisch schrijft Dubois:

‘Harry Mulisch, die op de flap van zijn boek de memorabele woorden schrijft: “Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan,” heeft zich sedertdien in diverse toonaarden door de kritiek horen toevoegen dat hij inderdaad gelijk heeft. En of dit waar is of niet, hij heeft in elk geval op een ander punt gelijk, namelijk daar waar hij op dezelfde flap schrijft: “Er zijn schrijvers die alleen boeken schrijven met het oogmerk zichzelf hier genieën te nomen. Ook ondergetekende heeft zich in dit genre diabolische buitensporigheden veroorloofd, die tot zijn verbazing en tevredenheid toch steeds overtroffen werden door de kritiek.”
Naar mijn mening is Harry Mulisch dan ook niet een groot schrijver, maar wel een zeer groot talent, ongetwijfeld het grootste dat sedert enige jaren aan de Nederlandse litteratuur is toegevoegd. Er is meer: Mulisch maakt een goede kans om een groot schrijver te worden. Dat hij het nog niet is – dat wil zeggen, naar mijn mening het nog niet is – ligt aan de manier waarop zijn boeken zijn geschreven, aan de wijze waarop hij ons zijn inhoud presenteert, en vooral aan het bewustzijn dat hijzelf van die inhoud heeft.’

En verderop:
‘Geen schrijver als Mulisch, ook Hermans niet in “De god denkbaar, denkbaar de god” slaagt erin om zo reëel en tastbaar de chaos op te roepen, de verstoring van de orde te laten zien, ons de verschrikkelijkste dingen af te schilderen.’

Van de Grote Drie was blijkbaar toen nog geen sprake, maar Mulisch en Hermans gingen al wel de concurrentie met elkaar aan.

In een ander stuk, ook terug te vinden in dezelfde band van Het boek van nu schrijft Jan Greshoff een artikel onder de titel ‘Er gaapt een afgrond tussen jong en oud’. Daarin duikt Hermans op:

‘Iemand die in verbinding met de letterjeugd staat, verzekerde mij na talloze gesprekken met de allerbelangrijkste vertegenwoordigers daarvan: voor hen begint alle litteratuur met W.F. Hermans, die hun patriarch is.’

De tijd waarin de nu doden nog jong waren. De tijd waarin de literatuur zijn dubbele ‘t’ nog had. Het is goed om je door die heen te kunnen bladeren.

Een jonge Hermans, maar misschien niet uit 1957