maandag 10 oktober 2011

Mulisch en Hermans in 1957



Een mens leest soms curieuze dingen. Dit mens, in ieder geval. Zo kreeg ik een ingebonden jaargang in handen van het tijdschrift Het boek van nu. Het moet een maandblad zijn, maar er is niet meer te zien waar het ene nummer ophoudt en het andere begint.

In ieder geval heb ik de band 1957/1958 voor me. Daarin bespreekt Pierre H. Dubois onder de titel ‘Schrijvers in de wereld van vandaag’ een prozawerk van Simon Vinkenoog (Wij helden) en de verhalenbundel De versierde mens van Harry Mulisch.

Over Mulisch schrijft Dubois:

‘Harry Mulisch, die op de flap van zijn boek de memorabele woorden schrijft: “Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan,” heeft zich sedertdien in diverse toonaarden door de kritiek horen toevoegen dat hij inderdaad gelijk heeft. En of dit waar is of niet, hij heeft in elk geval op een ander punt gelijk, namelijk daar waar hij op dezelfde flap schrijft: “Er zijn schrijvers die alleen boeken schrijven met het oogmerk zichzelf hier genieën te nomen. Ook ondergetekende heeft zich in dit genre diabolische buitensporigheden veroorloofd, die tot zijn verbazing en tevredenheid toch steeds overtroffen werden door de kritiek.”
Naar mijn mening is Harry Mulisch dan ook niet een groot schrijver, maar wel een zeer groot talent, ongetwijfeld het grootste dat sedert enige jaren aan de Nederlandse litteratuur is toegevoegd. Er is meer: Mulisch maakt een goede kans om een groot schrijver te worden. Dat hij het nog niet is – dat wil zeggen, naar mijn mening het nog niet is – ligt aan de manier waarop zijn boeken zijn geschreven, aan de wijze waarop hij ons zijn inhoud presenteert, en vooral aan het bewustzijn dat hijzelf van die inhoud heeft.’

En verderop:
‘Geen schrijver als Mulisch, ook Hermans niet in “De god denkbaar, denkbaar de god” slaagt erin om zo reëel en tastbaar de chaos op te roepen, de verstoring van de orde te laten zien, ons de verschrikkelijkste dingen af te schilderen.’

Van de Grote Drie was blijkbaar toen nog geen sprake, maar Mulisch en Hermans gingen al wel de concurrentie met elkaar aan.

In een ander stuk, ook terug te vinden in dezelfde band van Het boek van nu schrijft Jan Greshoff een artikel onder de titel ‘Er gaapt een afgrond tussen jong en oud’. Daarin duikt Hermans op:

‘Iemand die in verbinding met de letterjeugd staat, verzekerde mij na talloze gesprekken met de allerbelangrijkste vertegenwoordigers daarvan: voor hen begint alle litteratuur met W.F. Hermans, die hun patriarch is.’

De tijd waarin de nu doden nog jong waren. De tijd waarin de literatuur zijn dubbele ‘t’ nog had. Het is goed om je door die heen te kunnen bladeren.

Een jonge Hermans, maar misschien niet uit 1957

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen