dinsdag 4 augustus 2020

Scherven / Littekens (Erik de Graaf)


Wie 'de oorlog' zegt, heeft het over de Tweede Wereldoorlog. Dat laat wel zien hoe belangrijk die oorlog voor ons is, nog steeds. We hebben de romans gelezen, we hebben de films gezien, we hebben de verhalen uit onze familie gehoord - zoveel jaren na de oorlog heeft bijna iedereen nog een connectie met die oorlog. 

De manier waarop we erover praten is wel veranderd. In het begin was het het verhaal van helden en schurken en van de scherpe scheiding tussen goed en fout. Langzamerhand kwam er meer aandacht voor de grijstinten. 

Tweeluik

Erik de Graaf publiceerde in 2010 de beeldroman Scherven. Dat was het eerste deel van een tweeluik, maar op het tweede deel moesten we nogal wachten. Nu, na tien jaar, is er Littekens. Als je de boeken naast elkaar legt, vormen de voorkant samen een afbeelding. 

Niet alleen heeft de Graaf een tweede deel gemaakt, hij heeft ook het eerste deel nog eens nauwkeurig bijgewerkt: de lettering op zwarte ondergrond gebeurde opnieuw, waardoor de leesbaarheid beter werd, de plaatsing van tekstballonnen werd soms aangepast (of van de tekst in tekstballonnen), heel veel klanknabootsingen werden veranderd en die worden nu niet meer in witte, maar in zwarte letters afgedrukt. 

De stukken die zich in het verleden afspelen, werden in grijzen of in sepia/bruinen ingekleurd. De grijzen zijn nu minder grijs geworden, waardoor ze al een beetje naar sepia neigen. 

Verhaal

Het verhaal is hetzelfde gebleven: een jaar na de oorlog is Victor op een begraafplaats, om zijn omgekomen vriend Chris te gedenken. Daar ontmoet hij Esther, die hij al die tijd niet gezien heeft.  Ze vertellen elkaar wat er in de afgelopen jaren gebeurd is. 

Het verhaal van Victor staat in Scherven, dat van Esther in Littekens. Victor is, net als Chris, soldaat geweest. Toen de strijd voorbij was, werden Victor en Chris aangehouden. Omdat de laatste een pistool bij zich had, werd hij neergeschoten. Later ging Victor bij het verzet. 

Esther moest, samen met haar zusje Ruth onderduiken. Ruth heeft de oorlog niet overleefd en degenen bij wie Esther onderdook, waren niet louter weldoeners. Zowel Victor als Esther zijn met littekens uit de oorlog gekomen. 

Ze hebben zelfverwijt, maar Victor zegt ook: 'Als het er echt op aankomt, kies je voor jezelf. Als  een dier dat wil overleven. Op instinct. Ten koste van alles.' Pas daarna kun je blijkbaar aan anderen denken. De euforie van de bevrijding is bij hen geheel afwezig: het land is bevrijd, maar de oorlog zit nog in hun hoofd. 

Gewone mensen

Het mooie van het tweeluik van De Graaf is dat hij gewone mensen tekent, mensen die we, op een andere plaats, in een andere tijd, zelf hadden kunnen zijn: mensen die er ook maar het beste van proberen te maken en die daarbij natuurlijk fouten maken of domme dingen doen. Gewone mensen in een ongewone tijd. 

Achter in elk deel krijgen we een inkijkje in de familiegeschiedenis van De Graaf. Aan de hand van foto's en afbeeldingen van documenten vertelt De Graaf het werkelijke verhaal, waarmee het stripgedeelte, dat als fictie leest, meer lading krijgt. 

De afronding van het verhaal is misschien net iets te glad, maar ik kan me voorstellen dat er iets rondgemaakt moest worden na het vertellen over levens die in losse eindjes eindigden. 

Stilering

De Graaf gebruikt veel stilering in zijn tekening, waardoor er stilte in komt. Die past goed bij het verhaal. Ook bij de actiemomenten, omdat die zich in het verleden afspelen en we die duidelijk door terugblikken te zien krijgen, wat toch al afstand geeft. Je zou het kunnen zien als een terughoudende manier van vertellen: niets wordt vet aangezet, het verhaal moet zijn werk doen. Dat dat verhaal geen effectbejag nodig heeft, toont de kracht ervan. 

Soms is er wel iets aan te merken op de weergave van personen. Op bijvoorbeeld bladzijde 130 en 143 van Scherven lijken me de armen te kort, maar eigenlijk heb ik me daar niet zo aan gestoord. Er is veel zorg besteed aan de tekeningen, maar het is De Graaf vooral heel erg om het verhaal te doen. 

De tekeningen hebben bij de inkleuring een korrel gekregel, die past bij de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Ook het grijsje dat in sommige kleuren gemengd is, werkt daaraan mee. Dat maakt de kleuren overigens ook wat zachter. De zorgvuldigheid zien we tot in de papierkleur die de achtergrond vormt voor de tekeningen. Die is wit als het gaat om een passage in 1946, zwart bij een flashback in grijs en net niet wit bij de passages in sepia/bruin. Omdat de tekeningen geen kaders hebben, wordt de omgevingskleur belangrijker. 

Erik de Graaf heeft twee mooie boeken afgeleverd, waarin de oorlog dichtbij komt. In het nawoord in beide delen vertelt hij het familieverhaal, waarmee hij mensen herdenkt die anders misschien vergeten zouden zijn. Het is mooi dat hun levens weer even mogen oplichten. 

Titels: Scherven. Littekens
Tekst en tekeningen: Erik de Graaf
Uitgever: Dupuis
 z.pl. 2020; 264 blz. (per deel), € 25,00 (per deel), softcover.  

maandag 3 augustus 2020

Liefde, liefde (Fleur Bourgonje)


Sommige schrijvers schrijven boeken, andere bouwen aan oeuvre. Fleur Bourgonje is een oeuvrebouwer: elke roman of dichtbundel is een nieuwe steen in het bouwwerk. Toen ik in een boekhandel onlangs haar nieuwe roman Liefde, liefde zag liggen, nam ik die zonder nadenken mee. Weer een Bourgonje, immers. Bovendien had ik in het lijstje met de beste romans die ik in 2015 las haar vorige roman, Uitval, bovenaan gezet. Het leek het sluitstuk van het oeuvre. 

Maar gelukkig is Bourgonje doorgegaan. In haar nieuwe roman komen vijf mensen samen op het Chileense eiland Fortuna, wat door sommigen zo'n beetje als het einde van de wereld wordt gezien. Ze zullen daar een nacht bij volle maan doorbrengen op het strand. 

Maria is er een jaar eerder ook al geweest. De duiker Rafael heeft aan de dichter en verhalenverteller Julian gevraagd om een beetje op haar te letten. De andere drie zijn Ricky (opaaldelver), Aline (op weg naar een vluchtelingenkamp om hulp te verlenen) en Carlos (leidde ooit een mislukte revolutie). 

De gebeurtenissen zijn niet zo spectaculair: er wordt brandhout verzameld, iemand gaat de zee in, iemand verwondt zijn hand. Maar eigenlijk gaat het bij Fleur Bourgonje nooit om de gebeurtenissen. Die zijn aanleiding. Of ze worden tot symbool van waar de personages mee worstelen. Wat er in de personages gebeurt, is altijd belangrijker dan wat er om hen heen plaatsvindt en misschien is het zelfs zo dat wat er beschreven wordt er net iets minder toe doet dan wat er gesuggereerd wordt. Niet alleen het hoofd van de personages is belangrijk, ook het hoofd van de lezer. 

Volle maan

Volle maan op het strand - dat is een setting die wat belooft:
Zijn ervaring heeft hem geleerd dat een strand bij volle maan de ultieme plek is voor het vrijgeven van geheimen, het opbiechten van wandaden, ook voor het verwoorden van verlangens en dromen. Het is een nachtlang een plek van kwijtschelding, inzicht en vergetelheid; bij het aanbreken van de dag is alles zoals het was: het geheim wordt teruggenomen, de wandaad ontkend, het inzicht beneveld, de driften en dromen nog dieper dan voorheen weggedrukt.
Op zo'n nacht kunnen de vijf zichzelf confronteren met het belangrijkste in hun leven en erover vertellen. Het benaderen van de kern was ook al belangrijk in Uitval. Alle vijf de personen hebben een verleden, waarover ze niet praten. Ook dat kennen we uit eerdere boeken, bijvoorbeeld de roman Onderstroom (1995), waarin een man en een vrouw beiden een verleden met zich meezeulen waar de ander niet van afweet en uit Oostenwind, koningskind (1997)

Al deze personen hebben iemand achtergelaten: Julian rouwt om de dood van Joanne, Ricky heeft zijn moeder achtergelaten en heeft een hoer weggestuurd die zwanger van hem was, Aline heeft haar echtgenoot verlaten om te gaan werken in vluchtelingenkamp, Carlos heeft de revolutie gediend ten koste van zijn gezin en Maria is een man kwijtgeraakt. Ze hebben ook allemaal iets te verzwijgen, iets waar ze liever niet over praten of zelfs nooit over gepraat hebben. 

Schimmen

Zullen zij bij volle maan hun hart openleggen, vertellen wat de last is die ze dragen? Op het eiland gaat het verhaal dat bij vollemaan de zielen van overledenen over de oceaan terugkomen om zich een nacht lang met hun geliefden te verenigen. Op een gegeven moment zijn die geliefden er. Als het gezelschap om het vuur zit, zijn ook de schimmen, de schaduwen, aanwezig. 

Dat soort magische momenten is een constante in het werk van Fleur Bourgonje: van haar debuut Spoorloos (1985), waar de vrienden op een verjaardag aanwezig zijn, ook degenen die slachtoffer geworden zijn van het regime, tot Uitval (2015) waarin de overleden ouders aanwezig zijn. Een ander duidelijk voorbeeld is De bedrieglijke warmte van vuur (1993), waarin de wereld van de doden en de levenden niet altijd te scheiden zijn. Het is een soort magie dat ik associeer met Zuid-Amerikaanse schrijvers als Gabriel García Márquez, maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik er te weinig van weet om zo'n losse associatie te onderbouwen. 

Het verhaal wordt verteld in korte hoofdstukjes, waarin we steeds bij een ander personage in het hoofd zitten. Zo komt de lezer te weten wat er werkelijk aan de hand is en welke zaken de personen voor elkaar verborgen houden. Het gevolg is dat je als lezer op intieme voet verkeert met de personages. Je weet zelfs dingen die hun geliefden niet weten: 'Een ziel heeft spelonken waar geen licht in valt. Ook niet de blik van een echtgenoot, of minnaar.' 


Eilandbewoners

Er is een tegenstelling tussen de vijf en de eilandbewoners. Die laatsten leven hun levens en vallen samen met wat ze doen. De duiker Rafael zegt daarover;
Ik duik, red soms mensenlevens, eet, drink, en verwek kinderen. Dat is mijn leven, ik weet niet beter. Mijn vrouw ook niet. Waar zouden we hier naar moeten verlangen?
De mensen van buiten het eiland hebben een andere manier van leven en soms maakt die inbreuk op het eilandleven. Daarover schreef Bourgonje bijvoorbeeld in Stromboli.  In de vijf mensen  in Liefde, liefde zit onrust: ze zijn losgeraakt van iets wat een 'thuis' is en ze zijn op zoek naar een manier om het leven leefbaar te maken of te houden. Het lijkt soms of ze daarbij moeten kiezen tussen trouw aan anderen of aan zichzelf en de keuzes die ze gemaakt hebben, hebben pijn opgeleverd. Aan het eind van het boek, verwoordt Maria het zo:
'Ach, wat is wijsheid. Iedereen leeft zijn of haar leven zo goed en zo kwaad als het kan liefst waardig, eerlijk, met open vizier, maar lijkt dat niet mogelijk, dan met geheime afspraken, verzwegen vragen, ontwijkende antwoorden, een afgewende blik. Of het zich afspeelt in een atelier, een villa, een tent of onder de blote hemel, dat maakt niet uit. Iedereen moet zien stand te houden. Niet omver waaien, niet verregenen, niet verschroeien, niet verdrinken. Doorlopen, almaar doorlopen. Vergezeld of alleen. Trouw aan de ander maar vooral aan zichzelf proberen te blijven. Ook in de liefde, ook in het verliezen van de liefde.'

Liefde, liefde

Het woord is gevallen, liefde. Twee keer komt het in de titel voor. Maar wat is het? Kijkend in het hoofd van Aline lezen we:
van haar thuis gebleven geliefde houdt ze, de filmer begeerde ze, Ricky wond haar vanmiddag op en nu dwingender nog, Carlos, maar welk gevoel het woord 'liefde' verdient, weet ze, nu ze vrij is, niet meer. 
Of is er liefde in al die voorbeelden en heeft de liefde nu eenmaal veel verschijningsvormen? En wat we liefde noemen kan van alles zijn, blijkt uit een mooie scène over Julian en Maria:
Als vanzelfsprekend omhelzen ze tenslotte elkaar. Niet uit verlangen, nee. Ook niet uit angst. Het is iets anders dat hen, nu, hier, in elkaars armen drijft. Is het de behoefte elkaar te troosten voor wie en wat verloren ging of nog verloren zal gaan en niet, nergens terug te vinden is; is het de wil elkaar te beschermen tegen het nu eens onbarmhartige dan weer barmhartige verstrijken van de tijd; is het een intuïtief weten van iets dat onverwoordbaar bleef? Ze stellen zich deze vragen niet, de mogelijkheden hangen om hen heen en bewegen mee met de wind. Tot opeens vier oude woorden door de onzichtbare waaier heen dringen. Iemand fluistert 'ik hou van je', maar wie van de twee, wie? Of is het de oceaan die ruist?
Sorry voor het lange citaat, maar ik kon niet meer stoppen met typen. Ook qua stijl bevalt het werk van Bourgonje mij nogal. 

Eerlijkheid

In Uitval is het juist de liefde die de schrijfster (personage in die roman) probeert te benaderen. Ze merkt dat er eerlijkheid voor nodig is, nietsontziendheid. De personages in Liefde, liefde gaat het misschien niet om eerlijkheid tegenover anderen, maar tegenover zichzelf. De schimmen houden hun een spiegel voor en vragen hun daarin te kijken en te leven met de aanblik. Met welk verhaal leven ze verder?

Iedereen maakt een verhaal van zijn leven. Altijd weer komen er in het werk van Fleur Bourgonje verbeelders voor, mensen die een werkelijkheid creëren. Bijvoorbeeld een architect in Labyrint, een beeldhouwster in De bedrieglijke warmte van vuur en Julian is dichter, Maria schildert. Joanne, de vrouw om wie Julian treurt is tuinarchitect. Maria komt aan het slot tot de conclusie dat ze een nieuw verhaal moet gaan bedenken, waarin leven, liefde en dood voorkomen. 

In Uitval probeert een schrijfster tot de kern van haar leven te komen door de roman die ze geschreven heeft en herleest. Het moet het verhaal worden waarin haar leven weerklinkt. 

Weinig nieuws

Een kwaadaardige lezer kan opmerken dat er weinig nieuws te lezen is in deze roman van Fleur Bourgonje: weer mensen met een verzwegen verleden, weer mensen die op zoek zijn en helderheid proberen te verkrijgen, weer geweld (in het verhaal van Carlos), weer relaties waarin mensen zich niet (kunnen) laten kennen. 

Dat is zo, maar juist dat bewonder ik aan het werk van Bourgonje. Zoals Cézanne steeds dezelfde berg schilderde, hamert zij op hetzelfde aambeeld om een nieuwe roman te smeden. In haar werk gaat het niet om de afzonderlijke verhalen, maar om het leven zelf, om het universele, dat terug te vinden is in alle personages en alle lezers. Het blijkt ook uit de verhalen die Julian vertelt en uit de uitwerking die zijn woorden hebben:
hoe ze tranen kunnen oproepen hoewel er die dag niets droevigs is gebeurd, het droevige moet er dus al geweest zijn, misschien altijd al. Dat is wat ze willen horen uit zijn mond, dat alles er altijd al was en altijd zal blijven, zowel in de houten huizen van hun eiland als in de hoge stenen gebouwen in de steden van het continent. 

Hoge inzet

Het is de hoge gooi, die indruk op me maakt. Voor mijn gevoel staat er bij de boeken van Bourgonje altijd wat op het spel en is geen enkele roman vrijblijvend. Daarbij komt de lyrische stijl, die mij zeer aanstaat. Verder is de schrijfster goed in het doseren van de informatie. Al aan het begin weten we dat Maria iets komt zoeken op het eiland en van Julian weten we al snel dat hij treurt om Joanne. Stukje bij beetje krijgen we meer informatie en pas aan het eind van het boek weten we wat er bedoeld wordt met de vraag die Julian op de eerste bladzijde al stelt: 'Ga je het haar bij thuiskomst vertellen?'

Omdat de manier van werken nogal afwijkt van wat de gemiddelde schrijver doet, snap ik wel dat Liefde, liefde niet een boek voor iedereen is en dat er mensen zijn die meer 'verhaal' willen. Dat moet dan maar. 

Liefde, liefde is uitgegeven bij Uitgeverij Nachtwind, een uitgeverij die ik niet kende. Er blijken niet in de eerste plaats literaire boeken uitgegeven te worden. De uitgever heeft er wel een mooi boek van gemaakt: gebonden, stofomslag, leeslint en aan het begin, het eind en tussen de hoofdstukken door grafiek van Angelique Kleijne. 

Mooi, mooi. Kijk eens of Liefde, liefde iets voor je is. En als dat zo is, dan kun je met een gerust hart ook de rest van het oeuvre kopen en lezen. 

vrijdag 31 juli 2020

Suske en Wiske Junior: Terug voor het eten

Bunt Blogt

Eerlijk gezegd ben ik nooit een fanatiek lezer van Suske en Wiske geweest. Wel werd ik even opgepord door Suske en Wiske, De Perfecte Podcast. En zes jaar geleden schreef ik over drie uitgaven die te maken hadden met Suske en Wiske. 

Maar de strip is natuurlijk een klassieker, dus van tijd tot tijd een bericht is wel op zijn plaats. Deze keer een deel van Suske en Wiske Junior: Terug voor het eten. Dit is het tweede deel in deze reeks. Kim Duchateau schreef het scenario en Charel Cambré deed het tekenwerk. Duchateau kennen we onder andere van Esther Verkest en Cambré van Amoras. In tegenstelling tot de reguliere albums over Suske en Wiske is de junior-versie geen doorlopend verhaal, maar zijn het losse gags. 

Van de bekende figuren zijn Tante Sidonia en Professor Barabas aanwezig, Lambiek en Jerom komen niet voor. Doordat Barabas er is, kunnen de kinderen af en toe gebruikmaken van de tijdmachine. 

School

Suske en Wiske zijn nog klein: basisschoolleeftijd. Ze moeten dus naar school, waar Wiske nog wel eens problemen heeft, omdat ze haar huiswerk niet af heeft. Waarschijnlijk heeft de tekenaar overigens een school uit zijn eigen jeugd voor ogen gehad: het schoolbord wordt nog met een sponsje schoongemaakt en er wordt waarschijnlijk nog met krijt op geschreven. Geen whiteboard  en al helemaal geen smart board. 

Suske en Wiske zijn waarschijnlijk nog te jong voor een smartphone en ze kijken ook geen tv. Wel is er een computer in huis, al staat er ook nog een ouderwetse transistorradio aan. Zouden jonge kinderen die herkennen?

De hoofdpersonen zijn twee ondernemende kinderen, die zelf een raket en een tijdmachine bouwen, zelfstandig gaan liften en op vakantie gaan. Vaak zijn ze uit op avontuur en ik denk dat heel aantrekkelijk is voor de lezers. Met zulke kinderen wil je je wel identificeren. Ze zijn bovendien bepaald niet geïntimideerd door volwassenen.

Luchtig

De stemming is overal luchtig en de verhalen zijn grappig. De kinderen krijgen niet te maken met grote emoties of gebeurtenissen die hen ernstig uit hun evenwicht brengen. Het zijn kleine ongemakken, die ze op een originele manier proberen te overwinnen. 

De tekeningen zijn in drie stroken op de pagina geplaatst en de afzonderlijke plaatjes zijn redelijk groot, waardoor de tekstballonnen ook ruim kunnen zijn. Ook voor lezers met weinig leeservaring is de tekst goed te lezen. Cambré heeft een heldere stijl, die we gewend zijn van Suske en Wiske, maar zijn lijn is soepeler dan bij de verhalen zoals ik mij die herinner.

Wel heb ik een tijdje zitten kijken naar de voorkeurshand van Wiske: ze schildert met rechts, maar gooit een pijltje met links. Op het achterplat houdt ze Schanulleke vast met haar linkerhand en met die hand gooit ze ook een fles in zee. Suske lijkt me linkshandig, gezien zijn schrijfhand (maar op een andere bladzij schrijft hij met rechts) en de hand waarmee hij een hamer hanteert.  Ook een schipbreukeling blijkt linkshandig, net als een ridder en zelfs de hond Tobias heeft links als voorkeurspoot. Dat is een hoog percentage linkshandigen, wat in het kader van de emancipatie van deze minderheid te prijzen valt. Op de achterpagina van het nieuwe jeugdstripblad Jump (waarover binnenkort meer) blijkt Lisa, ook getekend door Cambré ook al linkshandig.


Maar waarschijnlijk ben ik een muggenzifter. Geen kind kijkt naar de voorkeurshand van een stripfiguur. Ik vermoed dat Cambré steeds een oplossing kiest die het best in de tekening past. Als je iemand schuin van voren ziet, kun je hem het best iets laten doen met de hand die het verst van de kijker weg is, zodat de arm niet het zicht ontneemt op wat daarachter gebeurt. 

Het valt wel op dat de kinderen in een witte wereld leven: de kinderen op school, de bezoekers bij een expositie, de mensen aan het strand - zo te zien zijn het bijna allemaal witte westerlingen. Alleen bij het uitgaan van de school zien we één kind met een migratieachtergrond. Voor een strip die in het heden speelt is dat misschien niet zo aannemelijk. 

Op de laatste pagina van Terug voor het eten is er nog een cameo voor Willy Vandersteen himself (bril met  rechthoekige glazen, geprononceerde kin, regenjas). Hij wordt 'een of andere striptekenaar' genoemd. Eigenlijk is een cameo altijd een hommage en het is mooi dat de geestelijke vader van Suske en Wiske op deze manier geëerd wordt, al zal de knipoog eerder bedoeld zijn voor de ouders van de lezertjes dan voor de kinderen zelf. 

Daar is ook geen bezwaar tegen. Een volwassene leest snel door de tweeëndertig bladzijden en kan nog best genieten van de grapjes. Laat dat maar aan Kim Duchateau over. Beginnende lezers zullen er iets langer over doen, maar zullen toch nog vrij snel door het album heen zijn. Of dat jammer is of nu juist stimulerend, kan ik moeilijk inschatten. Voor kinderen lijkt het me ook geen bezwaar om een strip verschillende keren te lezen. Lol zullen ze er wel aan beleven. 

Reeks: Suske en Wiske Junior
Deel 2: Terug voor het eten
Scenario: Kim Duchateau
Tekeningen: Charel Cambré
Uitgever: Standaard Uitgeverij
Antwerpen 2020, 32 blz. € 6,50 softcover

donderdag 30 juli 2020

Maarten Biesheuvel (1939 - 2020) overleden


Vandaag maakte de NOS bekend dat J.M.A. (Maarten) Biesheuvel na een korte ziekte is overleden. Hij werd 81 jaar oud. Biesheuvel schreef een fikse stapel verhalenbundels en werd verschillende keren bekroond: hij ontving de F. Bordewijkprijs en de P.C. Hooftprijs. Sinds 2015 bestaat de J.M.A. Biesheuvelprijs, die uitgereikt wordt aan de auteur van een verhalenbundel. De prijs is in 2020 niet uitgereikt wegens gebrek aan kwaliteit.

In de bovenkooi

In 1972 debuteerde Biesheuvel  met de bundel In de bovenkooi. Dat boek las ik pas in de tweede helft van de jaren zeventig, toen ik op een internaat verbleef. Ik vond het wonderlijke verhalen, die soms een beetje ouderwets aandeden. In de verhalen werden verder schrijvers genoemd waarvan ik nog niet had gehoord en ik wilde in die tijd zo'n beetje alles lezen. 

Sommige verhalen zijn mij bijgebleven: 'Oculaire Biesheuvel', met een heel lange opsomming en natuurlijk ook 'Brommer op zee', waarin iemand die wachtloopt op een schip een brommer over het water ziet rijden. Ergens (maar waar?) heb ik ooit (maar wanneer?) de anekdote gelezen dat Maarten 't Hart Biesheuvel complimenteerde met het wonderlijke verhaal. Biesheuvel vertrouwde hem toen toe dat het in werkelijkheid geen brommer was die hij op zee had zien rijden, maar een scooter. In het verhaal had hij er echter een brommer van gemaakt, om het wonder nog wat groter te maken. 

Zo'n anekdote, voor wat die waard is, illustreert wel hoe het in het hoofd van Biesheuvel werkt. De argeloze lezer zou kunnen vinden dat het gegeven van een brommer op zee goed bedacht was. Voor Biesheuvel was het wellicht een werkelijkheid. 

In een groot deel van zijn leven was hij niet stabiel. Hij werd verschillende keren opgenomen in een inrichting en moest medicijnen slikken. In deze eerste bundel komt ook voor dat hij Karel van het Reve voor God aanzag. Tenminste, als ik het mij goed herinner. Ik heb indertijd In de bovenkooi geleend uit de bibliotheek. En ook weer netjes teruggebracht. 

De verpletterende werkelijkheid

Het eerste boek van Biesheuvel dat ik kocht was De verpletterende werkelijkheid (1979). Ik kocht het in 1980, zie ik voor in het boek. Intussen had Biesheuvel nog drie andere bundels gepubliceerd: Slechte mensen (1973), Het nut van de wereld (1975) en De weg naar het licht (1977). 

Verschillende verhalen uit De verpletterende werkelijkheid staan mij nog goed bij. In 1980 begon ik als leraar Nederlands, op een mavo, en ik heb voor de leeslessen in ieder geval 'De kaartenmakers' gekopieerd. Terwijl ik dit typ, begin ik te twijfelen. Of heb ik dat verhaal pas gebruikt toen ik al lesgaf op mijn tweede school, een lyceum? Daar ging ik in 1988 werken. Ik weet het niet meer. 

Het verhaal over de twee Noren die de ideale landkaart wilden maken herinner ik me nog goed, evenals het 'Relaas van een schipbreukeling.' Veel verhalen van Biesheuvel hebben te maken met de grote vaart. In dit verhaal wordt er een schipbreukeling opgepikt door een schip. Het blijkt maar een tijdelijke redding. 

Hilarisch is ook het verhaal 'Op de grote weg,' over een klunzige lifter. Dat verhaal wordt ook door Biesheuvel voorgelezen in de podcast Het beste van Biesheuvel. Die podcast is overigens aan te bevelen. Het is heerlijk om Biesheuvel zelf voor te horen lezen en er wordt in de inleiding ook nog wat context gegeven. 

Ik heb De verpletterende werkelijkheid altijd een goede bundel gevonden, met een diversiteit aan verhalen. Er is een verhaal dat verwijst naar Aus dem Leben eines Taugenichts, dat ik als leerling met de klas gelezen had. 

De steen der wijzen 

De volgende boeken van Biesheuvel, Duizend vlinders (1981) en De Bruid (1982) kocht en las ik niet, maar de twee erna wel: De steen der wijzen (1983) en Reis door mijn kamer (1985). Wat ik indertijd van de verhalen vond, is me niet bijgebleven en ik had toen nog niet de gewoonte om passages aan te strepen. Wel zie ik dat er in De steen der wijzen een verhaal staat over een goudvis. 

Dat doet me denken aan een verhaal dat zijn zus, Ada Loman - Biesheuvel ooit schreef. Ze publiceerde twee verhalenbundels en sommige van die verhalen hebben een autobiografische achtergrond. In een ervan krijgt de jonge Maarten een goudvis op zijn verjaardag. Het kunnen er ook twee zijn; mijn geheugen verschaft daarover geen zekerheid. De jongen wil de goudvis voor zichzelf houden en eigenlijk mag ook niemand anders ernaar kijken. 

De volgende ochtend blijkt de goudvis dood te zijn. De jongen heeft hem meegenomen naar bed. De vis sprong van vreugde op in zijn hand, volgens zijn verklaring, maar kon toch niet zo lang buiten de kom. Ook in Biesheuvels verhaal 'De goudvis' (dat een heel andere setting heeft) overleeft de goudvis het niet. 

Reis door mijn kamer

Van Reis door mijn kamer is mij in ieder geval het titelverhaal bijgebleven, waarin we een rondleiding van de schrijver krijgen en uitleg bij allerlei voorwerpen. De ik-figuur staat dicht bij de schrijver, zoals wel vaker het geval is in verhalen van Biesheuvel. Ook zijn vrouw Eva wordt er nog in genoemd. 

Of ik Godencirkel (1986) en De angstkunstenaar (1987) gelezen heb, weet ik niet meer. De titels zijn me vertrouwd, maar ik zie ze niet in mijn boekenkast. Maar goed, op zolder, achter 'het schot,' staan ook nog heel wat dozen met boeken. 

Boekenweekgeschenk / Carpe diem

In 1988 schreef Biesheuvel het Boekenweekgeschenk, Een overtollig mens. Zijn werk kwam daardoor flink in de belangstelling te staan, maar intussen was de grootste productiviteit van de schrijver voorbij.  In  1989 verscheen Carpe diem een duidelijk dunnere bundel dan de voorgaande. Het is het laatste boek dat ik van Biesheuvel kocht. 
 
In 2008 kwam zijn Verzameld werk uit: drie mooie delen, gebonden, dundruk, leeslint, in cassette. Ik kreeg het, maar ik weet niet meer van wie of ter gelegenheid waarvan. Ik las hier en daar een verhaal, maar voor de rest stond het monument te wachten in mijn kast. Ooit heb ik het weggegeven aan iemand die de verhalen daadwerkelijk zou gaan lezen. 

Af en toe kwam Biesheuvel nog in de publiciteit. Hij werd dan, samen met zijn vrouw, geïnterviewd. Soms werd hij dan emotioneel. Ik heb wel eens zo'n gesprek gezien, met een dubbel gevoel. Aan de ene kant gunde ik het werk van Biesheuvel wel de publiciteit, maar werd de schrijver toch niet een beetje geëxposeerd als een curiositeit? Niet dat dat de bedoeling van de programmamakers was, maar was dat dan toch niet het onbedoelde gevolg? Had hij misschien tegen zichzelf beschermd moeten worden. Ik weet het niet. 

Biesheuvel was een markante man. Hij had sommige schrijvers uit de wereldliteratuur goed gelezen (en herlezen) en hij hield van muziek. In veel interviews barstte hij uit in gezang. Hij had een welluidende stem, waarmee hij wat nasaal sprak. Zijn gereformeerde jeugd kwam ook in verschillende interviews ter sprake. Die is ook wel terug te vinden in sommige verhalen. Verder moet ik denken aan de sigaren die hij rookte.

Sigaren

Die geur van sigaren hing ook bij ons vroeger in de kamer tijdens verjaardagen, waarbij ooms as op hun vest morsten. De volgende ochtend was die geur nog te ruiken. Soms denk ik de sigarengeur te ruiken in de verhalen, wat natuurlijk onzin is. 

Maar in de verhalen zit wel een beetje de geur van vroeger. Veel verhalen lijken zich af te spelen in een al dan niet onbestemd verleden. Soms is een verhaal hecht gecomponeerd, maar Biesheuvel vond het ook niet erg om af te dwalen en om zijpaden te bewandelen. Het verhaal ging dan maar door, in lange alinea's en soms als een massief stuk tekst. Vaak heb je het idee dat de schrijver tegen je spreekt, ook door de tussenzinnetjes die hij gebruikt. Wie Biesheuvel eenmaal heeft horen voorlezen, hoort trouwens ook altijd stem in de verhalen. Bij mij werkt het in ieder geval zo. 

In 2018 verscheen Verhalen uit het gekkenhuis, dat voor een groot deel een bundeling van oudere verhalen is, maar het bevat ook brieven die Maarten vanuit het 'gekkenhuis' aan Eva schreef. Sommige van die brieven dicteerde hij aan een medepatiënt.

Biesheuvel is niet meer. Zoals gezegd: een markant mens, een markante schrijver. Zijn beste verhalen zullen ongetwijfeld nog een hele tijd meekunnen. Ze zullen gelezen en herlezen worden. Laten we met dat laatste meteen beginnen. 

De documentaire De angstkunstenaar vind je hier



Een held van onze tijd (1981)
Biesheuvel leest voor

 Foto bovenaan: de achterkanten van de bundels (met de klok mee): De steen der wijzen, Carpe diem en De verpletterende werkelijkheid. 

Groepstherapie. Deel 1: De dansende ster (Manu Larcenet)


'De mens moet nog chaos om zich heen hebben om een dansende ster te kunnen baren.' Dat is een citaat van Nietzsche en het geeft het personage Manu Larcenet weer enige moed. 

Manu Larcenet is de schepper van een mooi oeuvre, waaronder het vierluik Blast, dat me soms naar adem deed happen van bewondering. In het eerste deel van Groepstherapie voert hij zichzelf op personage. Daarbij haakt hij aan bij zijn succes: we zien een collage van krantenberichten, waarin dat succes flink overdreven wordt. Volgens de berichten zou hij de Nobelprijs voor literatuur hebben gekregen, een terroristische aanslag voorkomen hebben en behoren tot de vijf rijkste Fransen.

Artist's block

Maar intussen gaat het minder goed met Larcenet. Hij worstelt met een soort artist's block: er komen alleen nog maar plichtmatig getekende stripjes uit zijn handen. Op de openingspagina zien we hem staan in een desolaat landschap, onweer boven zijn hoofd, mislukte tekeningen verfrommeld in zijn handen. De snippers worden meegevoerd met de wind. 


Hij noemt zichzelf 'een uitgespeelde artiest' en de krantenkoppen die hij zich voor ogen haalt zijn ongenadig. Maar hij geeft het niet op. Er is chaos in hem, dus hij moet in staat zijn om een dansende ster te kunnen baren. Met medicijnen tracht hij het teveel aan chaos binnen de perken te houden. 

Kunstgeschiedenis

Het helpt hem allemaal niet en hij vraagt zich af of de kunstenaars in het verleden met dezelfde problemen kampten. Hij gaat terug in de kunstgeschiedenis: de makers van grottekeningen, Raphaël, Leonardo da Vinci, Cézanne. Het zijn grappige scènes, inventief gedaan. Tegelijkertijd tonen ze, een beetje hapsnap, de evolutie van de kunst. Alsof de kunstgeschiedenis hierop moest uitlopen: via allerlei hoogtepunten loopt het uit op een tekenaar die worstelt met een gebrek aan ideeën. 

Tussendoor verkent hij allerlei stijlen, van Manga (De Ninja-slager) tot Peanuts. Maar steeds loopt hij tegen de muur van zijn blokkade op. Aan het eind van dit eerste deel wordt de tekenaar opgenomen in een psychiatrische instelling. 

Natuurlijk is Larcenet niet de eerste striptekenaar die lastige tijden doormaakt. Denk aan het Burn-out dagboek van Maaike Hartjes of aan Zwartkijken van Franquin. Hartjes was vooral introspectief: op zoek naar wat er in haar aan de hand was, Franquin keerde zich tot de zwarte humor. Het cynisme leek het enige houvast te zijn. 

Larcenet schetst zijn innerlijke strijd, maar roept daarbij de verbeelding te hulp en houdt het licht door de humor. Dat doet denken aan wat cabaretier Hans Dorrestijn ooit zei over zijn depressie: dat zelfs de psycholoog moest lachen als hij erover vertelde. Door de humor wordt De dansende ster een leuk album. 

Maar die humor werkt juist zo goed, vanwege de sombere ondertoon. Je hebt het idee dat de donkerte zo diep is, dat de enige manier om erover te praten de omweg is: er grappen over maken. Dat relativeert de donkerte niet, maar accentueert die juist. Dat maakt het eerste deel van Groepstherapie tot een schrijnend album, waarom je desondanks breed kunt glimlachen. 

Titel: Groepstherapie 1: De dansende ster
Auteur: Manu Larcenet
Uitgever: Dargaud
Brussel 2020; 56 blz € 15,95, hardcover



woensdag 29 juli 2020

Wij zijn licht (Gerda Blees)


In de zomer van 2017 kwam een woongroep in Utrecht in het nieuws, toen een van de vier leden overleed. Ze stierf ogenschijnlijk een natuurlijke dood, maar de verdenking was dat haar medische zorg onthouden was. De leden leefde in de overtuiging dat ze zonder voedsel konden en zouden kunnen leven van het licht. Berichten daarover zijn gemakkelijk te vinden, bijvoorbeeld hier

Gerda Blees nam dat gegeven als uitgangspunt voor de roman Wij zijn licht. Ze heeft niet geprobeerd de werkelijkheid te reconstrueren, maar heeft er fictie van gemaakt, een verhaal dat ongetwijfeld ook raakvlakken zal hebben met de krantenwerkelijkheid, maar die doet hier niet terzake. 


Klank en Liefde

De woongroep Klank en Liefde bestaat uit vier personen. De spil is Melodie van Hellingen. Zo'n beetje alles wat er gebeurt, komt uit haar brein. Verder hebben we haar zus, Elisabeth. Zij is degene aan het begin van het boek net overleden is. Ten slotte zijn er Petrus en Muriël. 

Na het overlijden van Elisabeth worden de andere drie leden van de woongroep in hechtenis genomen. De zaak wordt onderzocht door Liesbeth en Ton. Liesbeth zal, samen met haar collega Asif de ondervragingen doen. We komen de gang van zaken, evenals de aanloop, te weten door het verslag van 'dingen' in de omgeving. 

Beschrijven vanuit iets anders dan een mens is niet nieuw, maar het komt niet veel voor. In Perenbomen bloeien wit van Gerbrand Bakker ligt het perspectief aan het eind van het boek bij een hond, Maarten 't Hart gebruikte in een verhaal in De zaterdagvliegers een skelet (achter in een lokaal) als beschouwer en Willem Jan Otten in Specht en zoon een schildersdoek. 

Blees kiest bijvoorbeeld: de nacht, de plaats delict, dagelijks brood, de feiten, een sinaasappelgeur, twee sigaretten, weerstand, voorlopige conclusies, licht. Een enkele keer kiest ze voor een persoon of personen: de buren, de raadsvrouw, de ouders (of eigenlijk de vader). In de eerste zin van elk hoofdstuk wordt het perspectief al duidelijk: 'Wij zijn de nacht.' 'Wij zijn de plaats delict.' 'Wij zijn dagelijks brood.'

Wij-perspectief

Dat is een lastig perspectief en in de praktijk komt het vaak neer op een verhulde ik-verteller. Bij het hoofdstuk over de ouders komt alleen de vader aan het woord en bij het hoofdstuk over Klank en Liefde wordt de wij-vorm ook verschillende keren losgelaten. In zinnen als 'En schoorvoetend heeft Liefde Klank gelijk moeten geven' heb je eigenlijk de hij/zij-vorm van vertellen. Storend is dat overigens allerminst. 

De wij-vorm blijkt ook goed hanteerbaar bij iets enkelvoudigs: 'Wij zijn een pen.' Natuurlijk had de schrijfster in zo'n hoofdstuk ook voor de ik-vorm kunnen kiezen, maar dat zou minder sterk zijn geweest. Door de bijzondere wij-vorm in het hele boek zo goed als het kan vol te houden, wordt Wij zijn licht veel hechter van structuur. 

Dementie

Wel had ik mijn bedenkingen bij hoofdstuk 18, 'Wij zijn dementie.' Daarin lijkt de dementie aan zichzelf te lijden. Maar in het hoofdstuk over de twijfel is die niet twijfelachtig en de weerstand is ook niet halsstarrig in het hoofdstuk dat daaraan gewijd is. De keuze voor de wat warrige dementie vond ik dus niet helemaal consequent, maar juist in dat hoofdstuk staat wel een prachtige lange zin. 

Ook in het hoofdstuk over de twijfel komt er een zin voor van bijna vier pagina's lang, in het relaas van Muriël, helemaal weergegeven in een soort erlebte rede. In het hoofdstuk van de dementie is er een zin van vergelijkbare lengte, waarbij Blees veel meer vrijheid neemt qua zinsbouw, wat ze wel al voorbereid heeft door de staat waarin dementie vertelt. Deze passage deed mij denken aan wat Ivo Michiel wel doet in Het boek Alfa. Een stukje:
(...) en na het eten komen ze haar helpen zeggen ze, ze helpen haar naar een bed en ze kleden haar uit, dat doen ze gewoon, waarom ook niet, en dan verschonen ze haar luier en zeggen ze welterusten, wat toch lief is van ze, en het is lekker warm en warm, het ding doet het niet, het ding dat het koud maakt, maar morgen misschien wel, en beter te warm dan te koud, maar iets klopt er toch niet, want er was eerst een man en er was ook een naam, Elisabeth, en tranen waren er ook en nu komen er nieuwe tranen zomaar uit het niets lijkt het wel (...)
Dit deel is geschreven vanuit de dementerende moeder van Elisabeth en Melodie. Het zit erg goed in elkaar. Na de laatste zin ontbreekt de punt, waardoor het wat verwarde denken overgaat in het witte van de bladzijde. Een heerlijke vondst, waar ik zeer van genoten heb. De laatste keer dat ik zo enthousiast was over het ontbreken van een punt was bij het slot van de roman Letter en geest van Frans Kellendonk. 

Groepsdynamiek

Maar nu het verhaal. De leden van de woongroep worden gescheiden, waardoor de groepsdynamiek verbroken wordt. Muriël en Petrus gaan zich afvragen waarmee ze bezig zijn geweest en of dat wel de juiste manier is. Aan het eind van het boek komt de groep weer samen. De vraag is wat er dan gebeurt: valt de groep uit elkaar of wordt de draad van voor Elisabeths dood weer opgepakt? Dat vertel ik maar even niet en ook niet of de lezer wel antwoord krijgt op die vraag. 

In ieder geval zie je hoe dwingend Melodie kan zijn. Laten we ervan uitgaan dat ze niet bij voorbaat boosaardig is en het beste zoekt voor de groepsleden. Maar de lezer, als buitenstaander, heeft ongetwijfeld ernstige twijfels bij de ideeën van Melodie. Maar als groepslid kun je je daar moeilijk aan onttrekken, omdat de groep ook een zekere veiligheid biedt. En wie ben je eigenlijk als je geen lid meer van de groep zou zijn?

Een van de buitenstaanders is Liesbeth, die belast is het met onderzoek. Voor haar is deze zaak confronterend, want ze heeft een dochter die eigenlijk niet meer wil eten en Liesbeth weet niet zo goed hoe ze daarmee moet omgaan: 
En opnieuw zoekt Liesbeth tevergeefs naar een antwoord op de vraag hoe je accepterend kunt zijn, niet in discussie kunt gaan en niet beschuldigend kunt overkomen zonder mee te gaan in iemands waan. 

Het wereldwijde web

In het hoofdstuk over het wereldwijde web kijkt Elisabeht op de website van de woongroep, waarin Melodie verslag heeft gedaan van het 'negendagenproces,' waarin afstand genomen werd van voedsel of het overstijgen van voedsel: spiritueel op een niveau komen waarop je voedsel niet meer nodig zou hebben. 

Andere handige manieren waarop Blees ons aan de informatie helpt zijn bijvoorbeeld een WhatsApp-gesprek tussen de broers en zus van Melodie en Elisabeth ('Wij zijn de Hellinkjes'), door wat Muriël schrijft ('Wij zijn een pen') en door het rapport dat opgesteld wordt over de zaak ('Wij zijn voorlopige conclusies'). Dat brengt afwisseling in het boek, waarbij toch de strakke vorm gehandhaafd blijft. 

Lichtheid

Het onderwerp is behoorlijk zwaar, maar er is ook lichtheid in het boek. Bijvoorbeeld in dit gedeelte, waarin we een inkijkje krijgen in het hoofd van Petrus, iemand met een niet zo gemakkelijk karakter. Vaak schiet hij in de weerstand. Hij doet enorm zijn best en daar wil hij ook wel eens voor gewaardeerd worden.
Dat iemand hem daar toch ook weleens een keer voor zou mogen prijzen, dat hij nooit meer in een gevecht is terechtgekomen, of dronken langs de kant van de weg is wakker geworden, en dat hij sinds hij bij Melodie woont nooit meer ergens is ontslagen. Omdat hij ook geen werk had, dat is wel zo, maar toch. 
De laatste zin van dit gedeelte vind ik heel erg grappig en tegelijkertijd is het aandoenlijk om te merken hoezeer Petrus ernaar verlangt om gezien te worden en gewaardeerd. 

Effectief

Wij zijn licht is een beklemmende roman, waarin je leest hoe het bijna sektarische van een woongroep mensen in zijn macht krijgt en hoe mensen met goede bedoelingen verschrikkelijke dingen kunnen veroorzaken. Blees heeft een vorm gevonden om dat over te brengen, die niet alleen origineel is, maar die ook bijzonder effectief blijkt te zijn. Wij zijn licht lijkt me een boek dat aan het eind van jaar gaat verschijnen in de lijstjes met de beste boeken. Juryleden wrijven al in hun handen. 

dinsdag 28 juli 2020

Een Engelsman in mijn boom (Olivia Burton / Mahi Grand)


Ze heeft nooit veel contact gehad met haar vader, maar als een goede dochter gaat Olivia Burton wel naar zijn begrafenis. Daar ontmoet ze een oude oom, die haar vertelt dat ze afstamt van de beroemde Sir Richard Burton (1821 - 1890). Dat was een wonderlijke man met een avontuurlijk leven. Hij ging op expeditie naar de bronnen van de Nijl, kreeg het voor elkaar om als eerste westerling, vermomd, in Mekka te komen, vertaalde de Kamasoetra, was bij gelegenheden spion en meer, meer, meer.

Olivia besluit zich te verdiepen in deze voorvader, wiens leven zo verschilt van het hare; ze is lerares Frans. Ze leest wat ze over hem kan vinden, duikt in archieven en reist hem na. En wij, de lezers, reizen met haar mee. 



Kalme gedrevenheid

Je zou kunnen zeggen dat het verhaal niet zo spectaculair is: aankomen bij een museum dat gesloten is of aanwezig zijn bij een congres, maar toch blijft het boeien. Dat heeft te maken met de kalme gedrevenheid van Olivia. Nooit laat ze zich gaan, nooit vertoont ze heftige emoties, maar ze gaat door. 

Als ik even mag psychologiseren: ze heeft haar vader maar losjes meegemaakt en blijkbaar is ze op zoek naar vastigheid in haar stamboom, naar een persoon om je mee te identificeren, naar -vooruit maar- een geestelijke vader. De zoektocht naar Richard Burton is zo ook een zoektocht naar zichzelf en de zoektocht naar de bronnen van de Nijl, een zoektocht naar haar eigen wortels. 

Ook Olivia reist naar waar de Nijl ontspringt en speurt naar wat er over is van Burtons zoektocht anderhalve eeuw geleden. En haar voorvader reist met haar mee. De tekenaar, Mahi Grand, heeft hem er steeds bij getekend. Het verhaal van Olivia is getekend in sepia dat een beetje naar het paars neigt. Het verhaal van Burton is in kleur. Hij is dan ook zelf aan het woord en vertelt aan haar en ons zijn verhaal. 

Maar Burton is ook aanwezig als ze vragen van publiek beantwoordt of als ze op reis is. Ze merkt dat hij, aanwezig, afwezig, invloed op haar heeft en haar woorden in de mond geeft die ze anders niet gekozen heeft. Op het hoogtepunt, als Olivia de bronnen van de Nijl nadert, is het gehele verhaal in kleur: de verhalen van Burton en van Olivia zijn samengevallen en de tijd daartussen is weggevallen. 

Hoogtepunt


Je zou kunnen zeggen dat ze hem daar werkelijk gevonden heeft. Olivia trekt verder, naar Rwanda en zegt tegen Burton: 'Ik neem je mee als je wil.' Daarop antwoordt hij: 'Ik adopteer je.' 

Maar hoe het nu precies zit met die afstamming is dan nog steeds niet duidelijk. Sir Richard kan niet letterlijk een voorvader van haar zijn, want Burton had geen kinderen. Hij zit vermoedelijk wel ergens in haar stamboom, maar waar? In België zal ze daar meer duidelijkheid over krijgen. Daarover lezen we in het laatste hoofdstuk, 'Belgenmoppen.'

Naast de grote lijn, de zoektocht naar Sir Richard Burton, zijn er verschillende kleine gebeurtenissen die markant zijn. Olivia komt namelijke op plaatsen waar niet iedereen komt: ze komt in de problemen doordat ze rookt in de nabijheid van een politiebureau, moet een boete betalen omdat ze een plastic tas heeft en krijgt een emmer warm water om zich te 'douchen'. Ook dat soort dingetjes maakt het verhaal leuk om te lezen. 

Op zoek naar een identiteit

Maar de werkelijke kracht van Een Engelsman in mijn boom is de inzet waarmee het verhaal verteld wordt: iemand op zoek naar een groot doel, maar eigenlijk op zoek naar een identiteit. Iemand die erachter komt dat je maar weinig zekerheden nodig hebt. De laatste tekst in het boek is van Martinus von Biberach, die oorspronkelijk luidde:

Ich leb und ich waiß nit, wie lang
Ich stirb und waiß nit wann
Ich far und waiß nit, wahin
Mich wundert, daß ich froelich bin.

Hier is het vertaald als: 'Ik weet niet waar ik vandaan kom / Ik weet niet wanneer ik sterven zal / Ik weet niet wie ik ben / Ik verbaas me dat ik zo vrolijk ben'. Jammer van dat 'zo,' dat de tekst net iets minder sterk maakt, maar dat woord is vaker in het citaat van Von Biberach geschoven. Dat er '14e eeuw' achter staat is fout: dat had had vijftiende eeuw moeten zijn. Maar ach, wat zullen we daarom malen? We leven, in onzekerheid van afkomst en toekomst. Maar we leven. 

Titel: Een Engelsman in mijn boom
Scenario en tekeningen: Olivia Burton, Mahi Grand
Uitgeverij: Scratch
z.pl., 2020, 224 blz. € 24,90; hardcover


maandag 27 juli 2020

Taal voor de leuk (Paulien Cornelisse)


In 2009 debuteerde Paulien Cornelisse met Taal is zeg maar echt mijn ding, een boek met stukjes over taal, dat gigantisch goed verkocht werd, als mijn geheugen mij niet bedriegt. Ik las het en vond het amusant. Leuker dan ik verwacht had, geloof ik, al was die verwachting nauwelijks op iets gebaseerd. 

Het volgende, soortgelijke boek, En dan nog iets (2012) liet ik aan mij voorbijgaan. Het derde boek, De verwarde cavia (2016) probeerde ik als podcast. Ik ben nog wel een hoofdstuk of tien ver gekomen, maar daarna bracht ik het niet meer op. Het is het verhaal van een cavia, die verder praat en doet als een mens en zich moet zien te redden in de kantoortuin. Ik zag de satirische trekjes wel, maar uiteindelijk vond ik het niet meer dan 'leuk' en dat was voor mij te weinig. 

In 2018 verscheen er weer een boek met taalstukjes, Taal voor de leuk. Ik zag het in de winkel liggen, maar kocht het niet. Dit jaar kreeg ik het echter cadeau. Het was een dag waarop ik meer cadeaus kreeg en eerlijk gezegd weet ik niet meer of dit van een van mijn kinderen of van alle kinderen kreeg. Mijn jongste dochter overhandigde het en intussen heb ik het gelezen. 

Korte stukjes

Zoals gezegd, het zijn korte stukjes. Voor in het boek staat dat de meeste stukken, in iets andere vorm eerder zijn gepubliceerd in NRC Handelsbld en nrc.next. Sommige stukjes zijn heel kort, soms maar vier regels. Soms kunnen die gezien worden als een soort naschrift bij een ander stukje, maar soms ook staan ze op zichzelf. Ze zouden als bladvulling gebruikt kunnen zijn. Niet alle bijdragen gaan overigens over taal, maar het overgrote deel wel. 

Taal voor de leuk is bijzonder aangenaam om te lezen. Ten eerste zijn het korte stukjes, die je even tussendoor kunt lezen. Maar een heel stel achter elkaar blijkt ook te kunnen: ook dan verveelt Cornelisse niet. 

Ten tweede is het prettig dat je dingen herkent, soms van taalgebruikers om je heen en soms van jezelf. Paulien Cornelisse heeft een scherp oor, dat gespitst is op taalgebruik. Ze signaleert nieuwigheden, die een tijdje later alweer gebruikelijk zijn (of verdwenen, maar ook dan is het goed dat het gesignaleerd is). Bij elk verschijnsel verzint Cornelisse voorbeeldzinnen, die altijd duidelijk zijn en grappig zijn ze meestal ook. 

Over het 'de' in de titel: 'We zijn met kerst met z'n allen naar een huisje gegaan, gewoon voor de gezellig.' En als een voorbeeld van een constructie die niet kan: 'Die man wíl gewoon niet gelukkig zijn - volgens mij werkt hij bij die kippenslachterij voor de stom.' Het woord 'kippenslachterij' doet het hem: een concreet woord, waarbij gemakkelijk associaties op te roepen zijn. Je kunt je voorstellen dat iemand daar niet voor zijn plezier werkt. Ook worden er in citaten soms eigennamen gebruikt, waardoor je je meteen een persoon voorstelt: 'De sierkarpers van oom Herman zijn helaas allemaal vershredderd.' Goed gedaan. 

Geen oordeel

Verder is het sympathiek dat Cornelisse vooral signaleert en niet oordeelt. Nergens wordt de vinger geheven, waardoor de leessfeer prettig blijft. Ze komt geregeld zelf in haar stukjes voor, maar nooit in een glansrol. Die bescheidenheid, die misschien af en toe ook best minder had gemogen, zorgt ervoor dat de lezer het idee heeft dat hij niet tegen de schrijfster hoeft op te zien en dat zij net zo'n krabbelaar is als hijzelf. 

Soms maakt een beeldspraak veel duidelijk. Bijvoorbeeld in het stukje over de typering 'capabel': 'Capabel is een grijze archiefkast op een beige tapijt.' Je snapt meteen waarom iemand niet capabel genoemd wil worden. 

Aangestreept

Nog enkele dingen die ik aangestreept heb. Bij het lezen woord 'shredder' realiseerde ik me dat ik dat altijd als 'schredder' heb uitgesproken. Ik vermoed dat mij dat ingegeven is door het personage Storm, in Debiteuren/crediteuren van Jiskefet. Waarschijnlijk hoorde ik hem dat woord uitspreken toen ik het nog niet kende en daarna heb ik het overgenomen. 

Cornelisse citeert een juf van de basisschool, die de kinderen aansprak met 'Dames! Heren ook!' Die juf is in de leer geweest bij Koot en Bie, van Het Simplisties Verbond. 

'Ik weet niet wie 'een blik' is gaan gebruiken in overdrachtelijke zin, maar het is er wel al een hele tijd,' schrijft Cornelisse. Volgens mij is Wim Kan de bedenker van 'een blik'. Als ik het mij goed herinner ging het in een van de oudejaarsshows over 'een blik agenten opentrekken.'

Bij het merk Fristi verwondert de schrijfster zich over de 'i' aan het eind van het woord. Die komt inderdaad niet veel in het Nederlands voor, maar bij 'tosti' wel. 

Super

In een zinnetje vertelt ze dat voor het woord 'supermarkt' nog niets super was, maar dat klopt niet: bij het tanken van benzine ('Kijkglas moet vol zijn! Afleveren zonder luchtbellen') kon je kiezen tussen 'normaal' en 'super'. Er was zelfs indertijd een flauw mopje waarin op de vraag 'Vind je dat normaal?' het antwoord was: 'Nee, ik vind het super!'

Ach, het ene stukje is natuurlijk meer geslaagd dan het andere, maar over het algemeen weet Cornelisse goed de aandacht vast te houden. Aan het eind is er vaak een zin die het stukje stevig afrondt. Een enkele keer lukt dat minder. In een stukje over verkeerd verstaan ('Anders nog niets') zegt een moeder 'Blote benen'. Voor de lezer is al duidelijk dat ze eigenlijk 'nota bene' zegt. Het is jammer dat dat aan het eind ook nog uitgelegd wordt. 

Verder moet ik eraan wennen dat Cornelisse 'sex' schrijft in plaats van 'seks' een (een enkel keertje) 'vleien' als ze 'vlijen' bedoeld. 

Wat me vooral bijblijft is de oplettendheid die uit de stukjes blijkt. Nieuwigheden hebben de neiging geleidelijk in de taal te sluipen en voor je het weet, gebruik je die, zonder dat je je ervan bewust bent. Het is mooi dat iemand je dan laat zien wat er gebeurt en dan ook nog op een onderhoudende manier. 

donderdag 16 juli 2020

Het beste uit onszelf (Michael Bijnens)



Vooraf: Bunt Blogt heeft een aantal weken stilgelegen. Aan het eind van het drukke schooljaar lukte het me niet meer om rustig te schrijven. Ik had Het beste uit onszelf toen al uit. Er zit dus enige tijd tussen lezen en bespreken. Ik hoop dat dat niet al te zeer te merken is. 


Met de tweederangs comedian Lewis gaat het niet zo best. Hij woont samen met zijn manisch-depressieve kat Robin Williams, drinkt te veel, eet te veel. Hij kan aan de kost komen in het circuit waarin hij optreedt, maar dat is het dan ook wel. Dat is de situatie aan het begin van de roman Het beste uit onszelf van Michael Bijnens.

Tijdens een optreden in een toeristenkelder ziet hij achter in de ruimte een bekend gezicht: dat van zijn dochter Amy, die op haar achttiende, acht jaar geleden het huis heeft verlaten en niet meer teruggekomen is. Intussen is Lewis gescheiden van Samantha, Amy's moeder. Er is ook nog een zoon, Alexander, die indertijd zestien jaar oud was en die nu dus vierentwintig is. 

Na zijn optreden gaat Lewis meteen op zoek naar Amy. Snel daarna zal Amy bij hem aankloppen, maar ook weer verdwijnen, waarna Lewis haar moet zoeken in een metrostation. Uiteindelijk zal ze gaan werken bij het bedrijf van haar moeder en haar broer, Balance Inc., groot geworden met een meditatie-app. 

Het verschijnen en verdwijnen van Amy doet Lewis vragen stellen over zichzelf en over wat hij voor Amy kan betekenen. Hij wil in ieder geval zijn best voor haar doen, maar de vraag is of hij dat kan en of hij niet zelf haar probleem is. De avond dat Amy in de zaal zat, was misschien wel als een definitief afscheid bedoeld. 

Vaart

Het begin van Bijnens roman heeft aardig wat vaart: er worden vragen bij de lezer opgeroepen en er start een zoektocht. Jammer genoeg gaat verderop die vaart er behoorlijk uit. Bijnens heeft er namelijk voor gekozen om niet het verhaal het werk te laten doen, maar om voornamelijk in gesprekken duidelijk te maken wat de problemen zijn. 

Dat is jammer, want in die gesprekken wordt veel benoemd wat misschien beter impliciet had kunnen blijven. Ook bij het beschrijven van gebeurtenissen zijn er steeds duidende zinnetjes. Een voorbeeld:
Ik liep naar haar toe en zag dat ze haar handen voor haar gezicht hield. Omdat ze nu nergens meer heen kon kroop ze weg in zichzelf. 
Dat Lewis ziet dat Amy de handen voor haar gezicht houdt, hoeft al niet vermeld te worden. Als er staat dat ze de handen voor haar gezicht houdt, is het wel duidelijk dat hij dat ziet. En die uitleggende tweede zin is ook overbodig. De lezer mag blijkbaar vooral niet zelf denken. 

Nog een voorbeeld. Voordat Lewis wat gaat zeggen, krijgt de lezer deze uitleg;
In plaats van die moed op te brengen, was ik niet in staat - voor de zoveelste keer in mijn leven - om mij over mijn kinderlijke kwaadheid heen te zetten, en gooide ik nog meer olie op het vuur in een poging die woede te bemeesteren.
'Wat heb ik jou in godsnaam misdaan?' vroeg ik.
Al die uitleg, in plaats van het verhaal door te laten gaan - het doet onmachtig aan. Dat geldt ook voor het overbrengen van de emoties. Als iemand kwaad is, kun je dat merken doordat er vaak 'fucking' wordt gezegd. Beeldspraak staat er vaak vanwege de beeldspraak en niet om iets duidelijker te maken:
Mijn romp had zich over de bank uitgespreid als het lijnenspel van een peuter die een kubistisch kunstwerk had nagebouwd met wrakhout.

Onnatuurlijk

Dialogen zijn vooral bedoeld om op te helderen wat er aan de hand is en vaak is de taal te barok en daardoor onnatuurlijk. De ouders van Amy praten met elkaar:
We moeten het er met haar over hebben. Ik denk dat die hele geschiedenis onder het tapijt vandaan moet komen. Pas als het lukt om alle emotionele krochten die er in het gangenstelsel van Amy's trauma verscholen zitten aan te raken, dan... dan pas kan onze dochter zijn wie ze zou willen zijn. 
Welja! Erg geloofwaardig vind ik zo'n passage niet. 

Soms zijn de retorische trucjes te opzichtig. Een opsomming in drieën werkt vaak goed. Maar niet als je die binnen een regel of tien drie keer tegenkomt;
Noem mij de klootzak, noem mij de loser, noem mij de narcistische lul.
Doe het samen met je moeder, met je broer, met de rest van de wereld. 
Want ik zocht nog steeds naar haar gezicht. Naar haar lege en wanhopige ogen. Naar een reactie. Naar de haat die ik zo van haar verlangde. 

Heftig

De problematiek in de roman is heftig, maar die was misschien beter overgekomen als Bijnens die niet steeds zo zwaar had aangezet en zo nadrukkelijk benoemd had. Het gevolg is, bij mij althans, dat ik wel snapte de het voor de personages zo moeilijk was, maar dat het me nauwelijks wat deed. 

Aan het eind blijkt ook nog dat Lewis in een schriftje aan het schrijven is en dat wat hij schrijft dus dit boek is en dan is het nog minder geloofwaardig. Tot die vermelding blijkt niet dat we met zo'n verslag te maken hebben. 

Podcast

Tot nu toe heeft Het beste uit onszelf weinig aandacht gekregen, wat niet zo heel vreemd is. Om opnieuw aandacht voor de roman te vragen bracht Michael Bijnens een podcast uit, waarin het hele boek wordt voorgelezen. Ik lees dat de meeste voorlezers Vlaamse en Nederlandse acteurs zijn, maar niet uitsluitend. Tussen de vele voor mij onbekende namen zag ik die van Chris Kijne, bekend van de radio, en Els Dottermans, die ook in Zandman al prachtig voorlas. 

De vormgeving van de podcast is prettig en in de afleveringen die ik beluisterd heb, wordt er goed voorgelezen. Ook bij de podcast Uitgelezen verhalen leze acteurs verhalen goed voor. Tijdens de lockdown werd ook de Decamorone voorgelezen. Dat was bedroevend slecht. Maar aan de podcast van Het beste uit onszelf val je je geen buil. Goed gemaakt, maar de bezwaren tegen het boek blijven natuurlijk ook geldig bij de podcast. 

Michael Bijnens, Het beste uit onszelf. Uitgeverij Pluim, Amsterdam/Antwerpen 2020. 248 blz. € 21,99

vrijdag 26 juni 2020

Podcast: Nooit geweten, Supplement, Radio Bergeijk


Nooit geweten

Weetjes zijn heerlijk, zowel de zinnige als de onzinnige. Ik hou van boeken met lijstjes: rare records, de opmerkelijkste dingen die ooit uit de lucht zijn komen vallen, politici die minder dan een week in functie zijn geweest - dat soort dingen. Trivialiteiten en wetenswaardigheden strijden om voorrang. 

Een bron van veel weetjes is Wikipedia. Dat weet intussen iedereen wel. Op elk gebied kun je je via dit medium verdiepen. Teun Duynstee heeft daarom Wikipedia als uitgangspunt genomen voor zijn podcast Nooit geweten. Waarschijnlijk zal dat, 'Nooit geweten,'  ook de reactie van veel luisteraars zijn na het horen van een aflevering.  

Vijf afleveringen

Tot nu toe zijn er vijf afleveringen geweest en ik vind ze allemaal interessant: over het geheugen van de eerste computers, over de kunstenares Artemisia Gentileschi, over iemand die na zijn dood nog een moord pleegde, over de co-prinsen van Andorra en over de introductie van de decimale tijd. 

Duynstee heeft een prettige, rustige stem en zijn manier van vertellen houdt je goed bij de les. De vormgeving, met fraaie muziek in inleiding en tussendoor, helpt mee om het geheel prettig te maken. Aan het eind is er een oproep om te doneren aan Wikipedia en dus niet aan de podcast. Dat is een sympathiek gebaar. 

De spreiding van de onderwerpen zorgt ervoor dat iedereen wel iets aantreft van zijn interessegebied: computers, geschiedenis, kunst, politiek/staatsgeschiedenis, tijdrekening. En dat allemaal in een klein kwartiertje per aflevering. 

Uitzonderlijke verhalen

De verhalen zijn uitzonderlijk: een kunstenares die als meisje verkracht wordt, aangifte doet tegen de dader en gemarteld wordt tijdens het verhoor. En dan ook nog uitgroeit tot een beroemdheid, wier werken een zaal met die van Caravaggio mogen delen. Of wat te denken over de persoon die na zijn dood er nog voor kan zorgen dat zijn vijand het loodje legt? En wist u dat Macron co-prins van Andorra is?

Het zijn heerlijke verhalen om te horen en ook om door te vertellen. Zegt het voort! De podcast heeft ook een account op Twitter (@nooitpodcast).



Supplement

De podcast Supplement ken ik nog niet zo lang. In iTunes zijn er op dit moment ruim veertig afleveringen beschikbaar. Ze hebben allemaal te maken met klassieke muziek, maar de diversiteit is groot. 

'De komedie is ten einde' is een hoorspel over de laatste dagen van Ludwig van Beethoven. Er is meer over Beethoven, bijvoorbeeld 'Opus 130', over het laatste strijkkwartet van Beethoven en er is ook een  aflevering over Beethovens opera Fidelio

Zeer genoten heb ik van de serie 'Zin in muziek', die niet alleen gaat over zin hebben in muziek, maar ook over de zin van muziek. Aan de hand van gedachten van René Gude gaat Trouw-journalist Henk Steenhuis, samen met altviolist Huub Beckers in gesprek met het publiek over het zintuiglijke, het zinnelijke, het zinrijke en het zinvolle in de muziek. Nog niet al die afleveringen heb ik beluisterd, maar wat ik gehoord heb, dwong mij tot scherp luisteren en nadenken en dat is altijd prettig. 

Andere series binnen deze podcast zijn 'De schatkamer van Willem Jeths', 'Debussy in spiegelbeeld' en 'Op zoek naar het ongekende'. 

Het aardige is dat je gewoon wat afleveringen kunt kiezen en dat je niet alles hoeft te beluisteren. Voor wie van klassieke muziek houdt, is er veel leerzaams, moois en leuks te vinden. Ik had bijvoorbeeld nooit van de componist Tom Bruynèl gehoord. In een enkele aflevering krijg je toch een beeld van hem. Van zijn muziek, maar ook van zijn karakter. Leuk detail: hij had een geit die Koteletje heette. 

Supplement is een podcast van NPO Radio 4. De afleveringen vind je op de bijbehorende site.


Radio Bergeijk

Je zou Radio Bergeijk gerust een instituut kunnen noemen. Het programma heeft dan ook een lange geschiedenis. Tussen 2001 en 2007 waren er meer dan zeshonderd uitzendingen, die allemaal nog terug horen zijn. Daarna was het radiostation een tijdje weg, maar in 2019 kwam het terug, onder de karakterisering 'radiomagazine'. 

Radio Bergeijk is een parodie op lokale radio. Het plaatsje Bergeijk bestaat overigens echt en sommige verwijzingen naar de werkelijkheid (Theater De Kattendans) kloppen gewoon. Maar vaak wordt er overdreven en hebben de personages absurde trekken. 

Centrale figuren in de podcast zijn Toon Spoorenberg (gespeeld door Pieter Bouwman) en Peer van Eersel (gespeeld door George van Houts). Beide spelers nemen ook andere personages voor hun rekening. Veel werd geïmproviseerd. Dat had tot gevolg dat de ene aflevering wat spetterender was dan de andere, maar ook een minder geslaagde aflevering heeft zijn functie: ook die laat zien hoe het mis kan gaan bij de lokale radio. 

Dat ik de aflevering van de eerste serie beluisterde, is alweer een tijdje geleden. Ik genoot er zeer van. Sommige dingen waren zeker niet politiek correct en in een tijd van beeldenstorm had daar gemakkelijk kritiek op kunnen komen. Maar dat gebeurt door mensen die niet inzien hoe humor en hoe satire werkt. 

De tweede serie, vanaf 2019, moest even op gang komen. Ik was er nog niet meteen voor gewonnen. Toon en Peer waren weer als vanouds, maar naar mijn mening waren er in het begin te veel mensen die 'stemmetjes' gebruikten en dat verveelde toch wat. 

Er zijn veel vaste rubrieken. Vaak is de titel van de rubriek al duidelijk, maar is er ook een ondertitel, die hetzelfde overbodig nog eens zegt. Ook bij de aankondiging: Radio Bergeijk, het radiostation voor Bergeijk. 

Intussen zijn er alweer veel goede afleveringen. Juist doordat sommige zaken worden uitvergroot, realiseer je je waar de gevoeligheden in onze maatschappij liggen en waarom je de indruk hebt dat dingen op of over het randje zijn. 

dinsdag 23 juni 2020

Comanche integraal, De sheriffs (Hermann / Greg)


De uitdrukking 'het wilde Westen' ken ik uit mijn jeugd. Het beeld van een deel van Amerika is bij mij grotendeels gevormd door de 'cowboyboekjes' die ik las. Bij elk boekje werd die wereld bevestigd of een beetje uitgebouwd. Ik had er geen idee van of het beeld dat ik mij vormde historisch wel klopte. 

Het woord 'historisch' klopt al niet met mijn beleving. Voor mijn gevoel was de wereld van cowboys en indianen niet iets van vroeger, maar van dat moment, alleen op een andere plek. Of beter nog: in een parallelle wereld. En in ons spel konden wij van het ene op het andere moment die wereld in stappen, met onze klappertjespistolen. 

Maar de verhalen gingen natuurlijk wel degelijk terug naar een historische werkelijkheid. Ik denk dat ik dat vooral besefte bij het bekijken van de serie Deadwood: een stadje dat zich ontwikkelt en waar langzaamaan de reguliere machtsstructuren gevormd moeten worden. Er moet bestuur komen en rechtspraak, om een tegenwicht te bieden aan het recht van de sterkste. 

Avonturenverhalen

In strips zijn westerns meestal vooral avonturenverhalen: er is een probleem en dat moet opgelost worden. Als het kan met vernuft, maar in ieder geval ook met schieten. Karakters zijn vaak schematisch: helden en schurken. 

Soms merk je dat de wereld zich aan het ontwikkelen is: er wordt een spoorlijn aangelegd, er wordt olie of goud gevonden. Het zijn bronnen van conflict die het verhaal op gang brengen. 

Comanche is een beroemde westernserie. Ik schreef eerder over de integrale uitgave, door uitgeverij Sherpa. Ik plaats de linkjes onder aan dit stuk. Ook voorde personages Comanche en Red Dust verandert de wereld: het wilde gaat ervan af, de gereglementeerde wereld doet zijn intrede. 


Beschaving

In het derde deel van de serie, De sheriffs, wordt dat al duidelijk op de allereerste bladzijde: Comanche past een hoedje. Wel met de nodige reserve en onwennigheid, maar de verkoopster vertelt dat de beschaving in opmars is. Met het hoedje op haar hoofd trekt Comanche overigens behoorlijk wat bekijks. Vanzelfsprekend is deze vorm van beschaving blijkbaar niet. 

Aan de manier waarop Comanche reageert, kun je overigens merken dat haar ongepolijste kant dicht bij de oppervlakte zit. 

Als striplezer sta je meteen in dubio: aan de ene kant gun je iemand een geregeld leven, maar je leest ook omdat je een western wilt, waar de wetteloosheid inherent aan het leven is. 

In dit deel zijn drie verhalen opgenomen, die vroeger als aparte albums zijn verschenen: De opstand (1976), Duivelsvinger (1977) en De sheriffs (1980). In De opstand is er van rust en een geregeld leven overigens geen sprake: de indianen (zo noem ik ze toch nog maar even) komen in opstand. 

In westerns zijn de indianen meestal min of meer wilden: ze wonen niet in huizen, maar in tenten en leven van de jacht. Het lijkt alsof ze zich bevinden in de fase van jagers/verzamelaars. Soms wordt er iets duidelijk over hun godsdienst of hun wijsheid, maar meestal is het beeld eenduidiger en vormen ze alleen de vijand. 

Fotograaf

In De opstand heeft Red Dust een genuanceerde kijk op de opstand van een groep Cheyennes. Dat is niet zo vreemd: hij werkte immers al lange tijd samen met Maanvlek, een 'native American'. Opstandige indianen - dat is een tekening het oude, Wilde Westen. Aan de andere kant is er de beschaving, in de vorm van een fotograaf, met keurig gekapte snor en baard, die een reportage gaat maken, vanuit een luchtballon. Hij ziet de bewoners van het platteland waarschijnlijk als de authentieke mensen die hij wil vastleggen. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar je voelt al aan dat die mensen als exoten zullen worden weggezet.


Ook in Duivelsvinger treedt de beschaving in: er is een verkiezingscampagne. De indianen zijn een soort circusattractie geworden en een oude revolverheld, Duivelsvinger, heeft zijn verleden achter zich gelaten en leidt een geregeld leven, samen met zijn dochter. 

Maar ook hier blijken de regels niet afdoende: soms moet er ingegrepen worden, soms moet iemand het recht bevechten, ook als dat anderen of hemzelf het leven kan kosten. En het wordt alleen maar lastiger als er mensen zijn die het een eer vinden op de dood van een legendarische schutter op hun naam te schrijven. 

Verstoring van de rust

Ook De sheriffs opent met het geregelde leven: een huis dat geschilderd wordt. En ook hier wordt de rust verstoord: enkele sheriffs komen Red Dust halen om samen met hen het recht te herstellen. Het is geen gemakkelijke klus en in westerns betekent dat ook altijd dat het leven van de mannen gevaar loopt. De sheriffs strijden voor de goede zaak, zodat de sympathie van de lezer helemaal naar hen uitgaat. 

Ook binnen de groep is er overigens wel verschil van mening in hoeverre het recht moet worden toegepast: kan eergevoel zo aangetast zijn dat je het recht in eigen hand mag nemen? Op het moment van de beslissende strijd, krijgt alle sheriffs een ster om op te spelden: het moet duidelijk zijn dat zij het recht vertegenwoordigen. 

De groep mensen die samen het recht handhaven, is een topos in veel westerns. Je ziet ze op de plaats van de strijd arriveren als de ruiters van de Apocalyps, het recht belangrijker achtend dan hun leven. Als lezer weet je dat er, ook aan de kant van de 'goeden', slachtoffers gaan vallen, maar dat uiteindelijk het recht zegeviert. 

Dat is een geruststellende gedachte: het goede wordt beloond, het kwaad bestraft. Ieder van ons kent het kwaad en we zijn geneigd het meer buiten ons te zoeken dan in onszelf. Het geloof dat het goede zal overwinnen is dus meteen het geloof dat het met ons goed zal aflopen. 

De verhalen over Comanche (of over Red Dust) zijn geen zoetsappige verhalen. Daar heeft Greg wel voor gezorgd. De wereld is niet bij voorbaat een veilige plaats en het lot of kwaadwilligen kunnen altijd toeslaan. Daar hoef je je niet bij neer te leggen: je kunt altijd vechten. Voor de overwinning of vechtend ten onder gaan. 

Tekeningen

Over de tekeningen van Hermann is al veel gezegd: de man kan alles tekenen. Hij heeft aandacht voor de morsigheid van het leven, gebruikt soms een onverwacht perspectief en maakt nooit iets mooier dan het is. 

Voor de cover van dit album heeft uitgeverij Sherpa gekozen voor een tekening die voor mijn gevoel een beetje blijft wringen. Het perspectief zal de verhoudingen wel wat vertekenen, maar heeft Red Dust niet een beetje korte benen en komt hij in het geheel ook niet een beetje gedrongen over? En wat moet ik vinden van de inkleuring, waarbij paard en ruiter ongeveer dezelfde kleur hebben? De oorspronkelijke covers van de de albums waarin de afzonderlijke verhalen gepubliceerd werden, spraken mij meer aan. 

Qua kleurstelling komt deze cover wel in de buurt van die van de eerste twee delen, maar daar waren de lijnen wat minder grof en was er meer detaillering.

Inkleuring

Hermann kleurt soms eigenzinnig in. Gezichten van witte mensen kunnen bruin ingekleurd worden of oranje. Hij durft ook (onder aan bladzijde 32) een groot deel van het decor ongekleurd te laten. Zijn kleuren kunnen hard zijn (een strakblauwe lucht), maar hij kan ook ineens meer naar de zachtere kleuren neigen. 

Binnen een verhaal kan de inkleuring sterk variëren. De eerste vier bladzijden van De opstand bevatten veel bruin en rood, wat ze voor mijn gevoel wat zwaarder maakt, waarna er een paar bladzijden komen met meer licht. 

Comanche is een interessante strip, omdat ze niet een typische western is, maar een strip over mensen, met hun niet altijd gemakkelijke karakter en hun morele dilemma's. Daardoor kan een verhaal dat zich afspeelt in een compleet andere wereld dan de onze toch dicht bij ons staan. 

De andere delen van de integrale uitgave van Comanche:

Reeks: Comanche (integrale uitgave)
Deel: De Sheriffs
Scenario: Greg
Tekeningen: Hermann
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2020, 160 blz. € 65,-  (groot formaat hardcover)

vrijdag 19 juni 2020

Podcast: De plantage van onze voorouders, De rotonde, Het oord.

Drie podcasts: een witte en een zwarte vrouw graven in het verleden en in zichzelf, gesprekken over de afslagen die mensen in het leven nemen en een hoorspel over een sekte. 

De plantage van onze voorouders

Dit is een tijd waarin iedereen bepaald wordt bij zijn afstamming. Er zijn overal demonstraties met de slogan 'Black Lives Matter', er worden standbeelden neergehaald, discussies laaien op. Niemand kan meer zeggen dat hij of zij zich er nooit van bewust geweest is welke kleur hij heeft. 

Juist in deze periode komt de podcast De plantage van onze voorouders online. Dat is toeval, want aan deze podcast is al enkele jaren gewerkt. 

Maartje Duin stamt uit een oud, adellijk geslacht. De familie bezit bijvoorbeeld een landgoed in Zeeland. Deze omstandigheid heeft tot gevolg dat er veel geschiedenis door de familie bewaard is: historische voorwerpen, foto's, portretten. In zo'n familie word je bijna automatisch met het verleden geconfronteerd.

Suikerplantage

Maartje vraagt zich af welke rol haar familie gespeeld heeft ten tijde van de slavernij. Er was sprake van een suikerplantage. Hield de familie slaven? Veel archieven staan tegenwoordig online en bij het doorzoeken daarvan komt Duin de familienaam Bouva tegen. Ze legt contact met een afstammeling van de mensen met deze naam: Peggy Bouva

Het is een precaire situatie: de slavernij speelt een rol in het verleden van Bouva en Duin. Hun voorouders hadden te maken met dezelfde plantage, maar in volstrekt verschillende positie. Het mooie is dat Maartje niet alleen laat zien hoe dat contact verloopt, maar er ook op reflecteert op het moment dat ze een gesprek terughoort. 

Tot nu heb ik drie afleveringen beluisterd. Uit interviews heb ik op kunnen pikken dat de twee podcastmakers in latere afleveringen samen naar Suriname gaan en dat zal ook boeiend zijn. 

Aan het werk!

En wij, de luisteraars? Als de donder aan het werk natuurlijk. Ik ken het boek Wij slaven van Suriname van Anton de Kom. Van titel. Nooit gelezen. Ook het boek van Karin Amatmoekrim over De Kom: nooit gelezen. Wel Harriet Beecher - Stowe. Haar boek heette toen, in vertaling, De negerhut van oom Tom. Daar heb ik als kind niet bij stilgestaan. Het is een rare en onnodige vertaling. 

Ook van Albert Helman las ik verschillende boeken en van Cynthia Mc Leod, die ik ooit interviewde. Hier heb ik een serie bijdragen geplaatst over 'Zwart en wit', onder andere over Anousha Nzume. Van de meeste van die boeken heb ik wel wat opgestoken, maar het was altijd kennis over iets wat niet met mij te maken had, wat zich buiten mij afspeelde. Bij Nzume kon dat niet meer. 

De plantage van mijn voorouders is een zoektocht in het verleden, maar ook een zoektocht in het heden en in jezelf. Het lijkt me dat ook elke luisteraar er iets mee zou moeten. Nou ja, we leven in een vrij land, maar het zou mooi zijn als mensen vragen gingen stellen, vooral aan zichzelf. Het zal nog lastig genoeg zijn, vrees ik. 

Juist dat vind ik het goede aan deze podcast. Niet alleen dat de maaksters in alle eerlijkheid vragen stellen aan elkaar en aan zichzelf, maar dat je als lezer ook niet ontkomt aan het nadenken over je eigen perspectief. Ik ervaar De plantage van mijn ouders niet als boodschapperig en toch komt de boodschap aan. 

Wie meer wil weten, vindt gemakkelijk meer informatie. Bijvoorbeeld hier.

De Rotonde

Er zijn veel, heel veel podcasts met interviews. Soms heb ik de neiging om daar maar niet over te schrijven: qua vorm lijken die interviews immers vaak op elkaar. Maar het is altijd interessant om naar een goed gesprek te luisteren, of de podcast nu Nooit meer slapen, Die Huis, Rauw of Touché heet. 

Deze week weer zo'n podcast: De Rotonde. De titel heeft een dubbele betekenis: aan de ene kant heet de gelegenheid waarin het gesprek plaatsvindt De Rotonde. Aan de andere kant neemt de presentatrice, Christel Van Dyck, met haar gast door welke afslagen hij in het leven heeft genomen. 

Een enkele keer wordt er vermeld dat het gesprek plaatsvindt tijdens het ontbijt, maar daar is niets van terug te horen. Dat is eigenlijk wel jammer. Voor mijn gevoel had het gesprek net zo goed in de studio gehouden kunnen worden. 

Wikipedia

Van de gast wordt eerst de Wikipediapagina doorgenomen. Bij de meeste gasten betreft dat alleen zaken die met hun beroep te maken hebben en niet met hun persoonlijke leven. Daarom wordt die pagina aangevuld met informatie van mensen die dichtbij hen staan: familie, vrienden, geliefden. 

Dat valt meestal goed bij de gast en het gevolg is blijkbaar dat hij of zij zich meteen op zijn of haar gemak voelt. Het valt me op hoe gemakkelijk de gasten praten. Van Dyck durft door te vragen en ze gaat moeilijke zaken niet uit de weg. Ze geeft ook tegengas en dat doet ze vaak met een grapje, waardoor de gast merkt dat de kritiek niet kwaadaardig is. Hij blijft daardoor bereid om serieus in te gaan op de vragen. 

Het leven van de gast wordt chronologisch doorgenomen: van geboorte en jeugd tot de houding tegenover de dood. Dat zijn bij voorbaat intieme vragen, maar elke gast gaat daarop in, meestal met weinig terughoudendheid. Aan het eind wordt er een tekst in het gastenboek geschreven, wat een beetje lijkt op de tegel bij Kunststof. 

Sfeer

Veel van de gasten van Van Dyck ken ik niet of maar oppervlakkig. Maar ik heb een aantal gesprekken met plezier beluisterd. De sfeer kan sterk verschillen. Het gesprek met de acteur Wim Opbrouck (ooit Zomergast) is heel vrolijk, het gesprek met Theo Francken ontroerend. Vooral dat laatste gesprek vond ik indrukwekkend. 

Francken kende ik als een uitermate harde politicus, maar dit werd een heel persoonlijk gesprek, ook over de uitzettingen van uitgeprocedeerde asielzoekers. Ik heb meteen het gesprek met Jan Janbon ook gedownload. Eens luisteren hoe dat verloopt. 

Herr Seele blijkt iemand te zijn met bijzondere opvattingen. Van Dyck laat hem in zijn waarde en gaat overal serieus op in, zodat hij helemaal tot zijn recht kan komen. 

Door het gesprek heen zijn jingles (of bumpers?) opgenomen. Het geluid is vrij hard en altijd komt zo'n riedeltje (dat doet denken aan de slogan van de TROS) op een ongelegen moment. Zouden die niet gewoon weg mogen? Ik ervaar ze als zeer storend. 

Wie een goed gesprek wil horen: kies er een uit van De Rotonde. Er is keus genoeg: er zijn meer dan honderd afleveringen beschikbaar. En er staan genoeg mensen tussen die ook in Nederland waarschijnlijk wel bekend zijn: Kamagurka, Peter Koelewijn, Bart Peeters, Dirk de Wachter, Els De Schepper en veel meer. Dit is de website. 


Het Oord

Op de website van Het Oord wordt de podcast 'de allereerste Vlaamse fictiepodcast' genoemd. Tja, misschien ligt dat aan het woord 'podcast'. Want ik downloadde al een aantal jaren geleden de geweldige serie Commissaris Van In en ver daarvoor was er al Nick Holland, de Belgische tegenhanger van Paul Vlaanderen.

Maar goed, laten we de podcast beoordelen. De situatie is: er worden op 27 maart 2019 meer dan veertig lichamen gevonden in een privébos. Aan de hand van gevonden dagboeken en audiofragmenten wordt gereconstrueerd wat er gebeurd is. 

Dat is een beetje omslachtig. Het verhaal had ook meteen als hoorspel kunnen beginnen, zonder deze omtrekkende beweging. Bovendien wordt de afloop op deze manier al verklapt. 

Het verhaal gaat over een sekte: een charismatische leider, met veel volgelingen. Langzaam loopt de boel uit de hand en dan komt men tot drastische maatregelen. Dat is een schema dat bij dit soort verhalen al vaker is gehanteerd, maar dat is niet zo erg. 

In het begin is het spel van sommige spelers wat houterig, maar dat wordt gaandweg beter. Het kan ook zijn dat je als luisteraar dan zo nieuwsgierig geworden bent dat de manier van spelen je minder uitmaakt. 

Het verhaal is boeiend. Een belangrijke figuur is de dochter van de leider, die bepaald geen willoze volger van haar vader is. Door iemand te nemen te zo dicht bij de leider staat, is het ook mogelijk om meer te laten zien van de kant van de leider. Je zou hem anders als dader kunnen zien en de volgelingen als slachtoffers, maar nu zit er ook een tragische kant aan de leider. 

Aardig verhaal dat de spanning goed weet vast te houden.