Posts tonen met het label Geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geschiedenis. Alle posts tonen

donderdag 10 september 2026

Penicillinezalf, Haarlemmerolie, levertraan en Sloan's liniment

 

Mijn ouders gebruikten medicijnen die ik tegenwoordig nooit meer tegenkom. Zo herinner ik me de penicillinezalf, een gelig goedje uit een tube. Als ik een gat in mijn knie gevallen had, deed mijn moeder het op een gaasje en dat ging op de wond. 

Pas nu vraag ik me af of je in die tijd antibiotica zonder doktersrecept kon krijgen. Indertijd vond ik het niet vreemd dat de tube gewoon in de la van het keukenkastje lag. Ik heb kort gezocht op Delpher en in oude kranten komt het geregeld voor, bijvoorbeeld hier. Het middel werd wel verkocht op plaatsen waarin veemarkten gehouden werden, dus mogelijk heeft mijn vader het ooit van 'de mart' meegebracht. 

Indertijd werd al gewaarschuwd tegen het onoordeelkundig gebruik van het middel. Voor zover ik weet, heeft mijn vader het nooit voor het vee gebruikt. 

Haarlemmerolie

Verder hadden we natuurlijk de Haarlemmerolie, een wijdverbreid middel. Ik gok dat al mijn ooms en tantes het in huis hadden. Het zou tegen zo'n beetje alles helpen. Volgens mij gebruikten wij het voornamelijk bij kiespijn en oorpijn. Een watje werd doordrenkt met de sterk ruikende olie en aangebracht in het oor of in de holle kies. Natuurlijk ging de pijn na een tijdje over en dan zou dat door de bruine vloeistof komen. Waarschijnlijk was het de placebowerking. 

Dat er ook capsules waren met Haalemmerolie was iets van later datum, dacht ik, maar ik vond een advertentie uit 1940 waarin de capsules al werden aangeprezen. 

Suriname, Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad 2 januari 1940

Levertraan

Als de 'r' in de maand was (van september tot en met april dus) slikten we een lepel levertraan. Aanvankelijk was dat traan, olie, met een smaakje: sinaasappelsmaak. Later was het de pure, gele olie. De eetlepels die wij thuis hadden, hadden een behoorlijke afmeting, dus het was een beste slok. In mijn herinnering hadden mijn zusje en mijn broertje er nogal moeite mee. Ik vond het ook helemaal niet lekker, maar ik nam maar snel de slok om ervan af te zijn. Mijn moeder erkende ook wel dat het goedje niet lekker smaakte en daarom kregen we meteen na de lepel olie een schep suiker. En daarna snel naar bed. 

Net als de Haarlemmerolie was de levertraan in mijn jeugd al beschikbaar in capsules. Maar die hadden wij niet. Ik vermoed dat je met wat er in de eetlepel ging verscheidene capsules had kunnen vullen. 

Leeuwarder Courant, 4 januari 1958

Sloan's liniment

Verder was er Sloan, een al heel oud middel. Het zat in een flesje dat in een doosje zat en daarop stond het hoofd afgebeeld van een man met een snor. Later zou ik vinden dat die man op mijn ome Ab leek. Mijn moeder gebruikte het als ze last had van haar rug. Als je het spul erop smeerde (het was verkrijgbaar als zalf en als vloeistof), ging de huid gloeien en dat had blijkbaar een verlichtende werking. 

De oudste advertentie voor dit middel kwam ik tegen in de Sheboygan Nieuwsbode, de oudste Nederlandstalige krant in Amerika, die bestond van 1849 tot 1861. De advertentie stamt uit 1851.


Hierboven staat maar een stukje van de advertentie. Het middel blijkt ook bedoeld voor hoornvee en paarden en werd gebruikt bij aandoeningen aan de 'galblaas, verrekking der pezen, kneuzingen, gekwetste pooten, ringbeen, gezwollen enkels, nekgezwel, wratten, spatten, fistel, zadelknobbel, verwrikking, kreupelheid, stijve pooten, stramheid, schurft en paardenziekte.' Letterlijk een paardenmiddel dus. 

Sloan had ook Conditie Poeder, dat ook al een wonderbaarlijke werking had. Het verdrijft 'elke ontsteking en koorts, zuivert het bloed, maakt het vel los, reinigt het water en versterkt elk deel des ligchaams.' Verder heeft het zich een uitmuntend middel voor de volgende ziekten getoond: 'stijfheid, ziekte, vastheid der huid, gebrek aan eetlust, inwendige verrekking, geel water, ontsteking der oogen, vermoeijenis van harden arbeid; ook rhumatiek (gewoonlijk stijfheid genoemd) hetwelk in dit land voor zo menig paard doodelijk is. Het is ook een veilig en zeker middel voor hoest en verkoudheid, welke zoo vele noodlottige ziekten na zich slepen.'

Dat het ook helpt bij 'ziekte' is altijd handig. Dan kun je het overal voor gebruiken. Het tekstje is ondertekend door W.B. Sloan, die nog vertelt dat het middel volkomen veilig is: 'Deze remedies schaden nimmer en genezen altijd, indien de voorschriften worden opgevolgd.' Het hoofddepot bevond zich indertijd in Chicago. 

Blijkbaar hebben de middelen van Sloan in de loop der jaren de oversteek over de oceaan gemaakt en waren ze zelfs in Herveld te koop. Zou mijn moeder het flesje bij Engeltje Dekker gekocht hebben? Toen ik klein was, werd er flink reclame voor gemaakt. En vaak hoefde er geen uitleg bij. Ik kwam een advertentie uit 1960 tegen waarin alleen verteld werd dat het overal verkrijgbaar was.

Het Nieuws, Algemeen Dagblad, 17 mei 1960

Hoe dan ook, wij hadden een flesje Sloan's liniment in huis. We spraken de naam trouwens uit als 'Slowan'. Toen wij klein waren, moesten mijn zusje en ik onszelf soms bezighouden, omdat mijn ouders 'achter' aan het werk waren. Mijn vader molk de koeien en mijn moeder zal ze intussen wel gevoerd hebben en de deel geveegd hebben met een rijshouten bezem. 

Toen mijn moeder eens binnen ging kijken of haar kinderen wel braaf waren en deur naar de gang opende, kwam de kat in paniek de deel op rennen. Hij ging via de stalladder de hooizolder op, likte zich driftig, maar werd daar niet rustiger door. 

Mijn moeder haastte zich naar binnen, waar ze mijn zusje aantrof die op haar buik op de divan lag, met haar trui omhoog. De huid van haar rug, was helemaal rood. Mijn moeder zag het flesje Sloan's liniment en begreep meteen het verband. Ze nam mijn zusje op en hield haar rug onder de pomp om de Sloan van haar af te spoelen. 'Lientje had een zere rug', zei ik. 

Ma snapte ook wel dat niet alles uit het flesje op de rug van mijn zusje terecht was gekomen. Ze vroeg me wat er met de rest van de inhoud gebeurd was. 'Dat heb ik op de poes gedaan', vertelde ik. Er is nog naar het beestje gezocht, maar het is nooit meer gevonden. Mogelijk heb ik door mijn gesmeer de dood van het dier op mijn geweten. Mijn zusje hield er geen nadelige gevolgen aan over. 

Nieuwe Vlaardingsche Courant, 14 november 1962

De foto boven deze bijdrage is uit 1962. In dat jaar werd ik drie en werd mijn zus een jaar oud. Ook de betreffende poes is te zien, die niet veel ouder geworden zal zijn dan op de foto. Hieronder nog een foto van mijn vader en moeder op de deel. In de vaten zat meel (of misschien ook wel biks) dat mijn vader er met de 'meelkop' uit schepte. Links achter aan de muur de 'kippenklok', die ervoor zorgde dat op een bepaalde momenten het licht in het kippenhok aan- of uitging. 

Op deze foto zie je een trap tegen de hooizolder staan. In mijn herinnering was het een ladder, de 'stalleer'. 

maandag 7 september 2026

Ik moest vanmorgen denken 2, Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen (Jacques Klöters)

Geregeld schrijft Jacques Klöters stukken op Facebook, die allemaal beginnen met 'Ik moest vanmorgen denken'. Af en toe lees ik zo'n bijdrage en dan lees ik die ook altijd uit, al is het behoorlijk wat tekst. Ik vind dat ik dat vaker moet doen, maar daar komt het dan toch niet altijd van. Blijkbaar ga ik op een andere manier om met het medium dan deze bijdragen van mij vragen. 

Maar gelukkig is er ook een boek van en dat heb ik besteld. Voorop staat als titel Ik moest vanmorgen denken, maar op de titelpagina staat ook nog Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen. Deel 2. Dat suggereert dat er ook een deel 1 is, maar dat ken ik dan weer niet. Het boek telt acht hoofdstukken, die alle beginnen met de zinsnede 'Ik moest vanmorgen denken', maar ik vermoed dat er verschillende stukken van Facebook samengevoegd en omgevormd zijn tot een enkel hoofdstuk.

De vreugde uitdragen

Voor in het boek nam Klöters een motto van Montaigne op:

Maar wij moeten in ons leven juist de vreugde
uitdragen en de droefenis zoveel mogelijk verkroppen.

Dat is wel de sfeer die uit het boek spreekt: het heeft een zekere monterheid en dat is een van de dingen die het lezen aangenaam maakt. 

Een groot deel van wat Klöters schrijft behelst herinneringen, aan een tijd die voorbij is, aan mensen die hij gekend heeft en dat zijn ook vaak mensen die wij kennen, maar niet van zo dichtbij. We kennen ze van de televisie, de radio, het theater, van hun plaatjes, van hun teksten. 

Achterwaarts begrijpen

Klöters vraagt zich wel af wat hij in de stukjes doet. Hij blikt om, maar niet met nostalgie, niet met chagrijn of verdriet om wat voorbij is. 

Maar begrijp me niet verkeerd. Ik ben niet van 'hadden we die tijd maar terug en wat is er veel verloren gegaan'. Mij gaat het om het verlangen zelf naar toen, de geamuseerdheid om toen, de vreugde die de herinnering aan toen oproept, de kennis van nu die ik leg naast mijn herinneringen aan toen. Immers: het leven dient voorwaarts geleefd te worden en achterwaarts begrepen. 

Dat laatste verwijst naar een bekend citaat van Sören Kierkegaard. Een ander die hij aanhaalt is Walter Benjamin:

De filosoof Walter Benjamin (1892 - 1940) onderzocht zijn Berlijnse jeugd om zich in te enten met zijn herinneringen, zodat hij beter bestand zou zijn tegen de kwalen die hem wachtten. Daar lijkt het bij mij meer op. Ik kijk vooral naar het verleden om het heden te kunnen begrijpen en ook een beetje om weg te schuilen voor de toekomst. 

En even verderop schrijft hij:

Wat ik vooral wil is in taal de wereld oproepen waarvan ik deel heb uitgemaakt. Een enkele keer probeer ik zelfs terug in de tijd te reizen en de wereld binnen te stappen van mijn voorouders, omdat ik wil weten waar ik vandaan kom. 

Rondlopen in het verleden

Soms lijkt hij werkelijk rond te lopen in dat verleden. Dat doet me denken aan het boek Waar was je nou? (2005), van K. Schippers waarin iemand via een foto in zijn verleden stapt. Klöters doet iets soortgelijks: hij gaat terug naar de jaren veertig en ziet daar zijn vader rondlopen. Hij observeert hem: 

Wat steekt mijn vader af bij al deze mensen in zijn driedelige kamgaren kostuum en met zijn mooie nieuwe derby op zijn hoofd. Hij hoort er al niet meer bij, hij neemt alleen waar. Hoe oud zou hij zijn? Een jaar of twintig, een ouwelijke jongeman die zich omhoogwerkt uit zijn haveloze jeugd. Een man die op weg is naar het mooie licht en de zuivere lucht van het chique Amsterdam Zuid. Zijn kleren zijn er al. 

Maar hij doet het ook met zijn jongere ik, wat me doet denken aan Tomas Lieske die in Alles kantelt (2010) zichzelf ontmoet toen hij nog een kind was. 

Mijn vroegere ik - lang haar en een baard - is in gesprek met journalist Jan Bart Klaster van Het Parool. Ik ben druk aan het woord. Cabaret moet een voorbeeldfunctie hebben, hoor ik mezelf zeggen. 

Klöters wil zijn jongere ik toespreken en vertellen dat cabaret helemaal niets moet, maar hij wordt natuurlijk niet opgemerkt. 

Op de bal

Vaker neemt Klöters afstand van het gedrag van een ik in het verleden. Hij vertelt hoe hard hij bijvoorbeeld Arthur Japin beoordeeld heeft. Het gaat niet om het oordeel, maar op de manier waarop hij dat verwoordde. En hij was het ook nog vergeten. 

Kritiek moet. Desnoods harde kritiek, om gehoord te worden. Maar die moet op het werk zelf gericht zin en mag nooit de mens degraderen. En ja, ik heb dat vroeger vaak gedaan, in mijn cabarettijd en dus kennelijk ook als leraar. Het is iets waarvoor ik me nu geneer en wat me nu stoort op internet, op de tv en in het cabaret. Op de man spelen en niet op de bal. 

Klöters spaart zichzelf niet, maar tegelijkertijd blijft hij loyaal aan zichzelf. Ook bij kritiek op zichzelf speelt hij op de bal. En dat doet hij ook bij anderen. 

Veel van zijn observaties zijn uit de eerste hand, wat ze bijzonder aantrekkelijk maakt. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe Jaap van de Merwe optrad voor een publiek dat slechts uit een tiental mensen bestond. Van de Merwe was bitter, juist tegen de mensen die er wel waren. Tot iemand zei: 'Meneer Van de Merwe, zou u hiermee óp willen houden? Ik heb zo'n goede herinnering aan uw werk, en dat maakt u allemaal kapot vanavond.' Het moet een pijnlijk moment geweest zijn. Maar hij introduceert Van de Merwe wel als 'de grote tekstschrijver', waarmee hij hem recht doet. 

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Freek de Jonge, een van de allergrootsten in het cabaret, maar die ook buiten het theater veel aandacht gevraagd heeft, wat hem niet altijd goed gedaan heeft. Ook daarin is Klöters niet vergoelijkend terwijl hij de loyaliteit blijft behouden. Ook hierin wil hij achterwaarts begrijpen en vraagt hij zich af hoe het toch zit. 

Maar hij heeft met zijn succes natuurlijk ook zijn ziel aan de duivel verkocht. Wie is die duivel? Het publiek? Het geld? De roem en aandacht? Ik denk dat het de duivel in hemzelf is, de man die alsmaar aan het werk wil, alsmaar wil scoren, nooit tevreden is, steeds beter moet, bang is voor de achtervolgers. 

Don Quishocking

Natuurlijk komt de geschiedenis van Don Quishocking terug, van het eerste contact met George en Anke Groot tot het programma We zijn volstrekt in de war. Toen ik de LP Trappen op (1978) kocht, had de groep zich al ruimschoots bewezen en kende iedereen de beroemdste liedjes en conferences. Maar ook die groep moest ooit ergens beginnen en het maar zien te maken. Het is een mooi stuk geschiedenissen geworden, verteld in scènes. 

Af en toe kwam er toch wel een weemoedig gevoel over me: al die mensen, waarvan er sommigen al gestorven zijn, in een fase van hun leven dat ze zich nog moesten bewijzen, dat ze nog moesten uitgroeien tot wie ze later zouden worden. Schrijvers als Jan Boerstoel, Willem Wilmink en Hans Dorrestijn, bijvoorbeeld. Maar ook Gerrit Komrij, Tom van Deel, Carel Peeters, Adriaan van Dis. En dan zijn er natuurlijk herinneringen aan artiesten als Heinz Polzer (drs. P.), Adèle Bloemendaal, Toon Hermans, Jules de Corte. 

Er komt een generatie voorbij als een gebergte met heel veel toppen. Het is ook een generatie die voorbij lijkt, wat droevig genoeg is. 

Soms voelt het of ik met een grote schuiver van de tafel word geborsteld. Er zijn al heel wat kruimels omlaag getuimeld, we raken met steeds minder, nog even en dan zijn we outsiders over de rand gekieperd en gaat iedereen rustig door tot het hun tijd is. 

Maar zolang iemand nog een stem heeft, zolang hij nog zijn bijdragen op Facebook kan schrijven en er een boek van kan maken, is het zeker nog zijn tijd. Klöters schrijft niet alleen toegankelijk, maar hij schrijft ook goed: scherpe observaties, nauwkeurig verwoord. En de milde blik waarmee hij de wereld en zichzelf beziet en is aangenaam in de mediawereld, die vooral lijkt in te spelen op polarisatie. Aan de ene kant formuleert Klöters scherp en trefzeker, maar in zijn gedachten is hij een zoeker, die altijd de nuance bij de hand heeft. 

Achter in het boek is een handig register van namen opgenomen, zodat je op kunt zoeken waar er geschreven is over bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt, Friedrich Nietzsche of Youp van 't Hek. 

maandag 17 augustus 2026

70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties (Roelof Bouwman / Minke de Vogel)

Reclame geeft een goed beeld van de tijd waarin die ontstaat. Misschien niet meteen van hoe die tijd is, maar wel van wat de idealen uit die tijd waren. Waarschijnlijk denken we nu bij reclame vooral aan filmpjes, maar er was een tijd dat radiospotjes veel belangrijker waren. En dan waren er ook nog de advertenties in de gedrukte media. 

Over dat laatste gaat het 70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties. En dan natuurlijk alleen voor de jaren zeventig. 

Ik vermoed dat de jaren zeventig bepalend zijn geweest voor mijn jeugd. In 1971 ging ik naar de middelbare school, in 1980 ging ik werken: ik werd aangesteld als docent Nederlands op een mavo. In de avonduren deed ik de opleiding Nederlands MO-A en later MO-B. 

Het gezin waarin ik geboren werd was zeker niet typisch een jaren zeventig gezin: we gingen naar een orthodox christelijke kerk en hadden geen tv. Maar wel een radio en de vriendjes die ik had, waren allemaal van buiten de kerk. Verder kan niemand zich onttrekken aan de tijd waarin hij leeft. Wat dat voor tijd is, kun je het best achteraf bepalen. En het kijken naar advertenties is waarschijnlijk wel een goede manier om dat te doen. 

Representatief?

Vooraf: als je dit boek leest, moet je er maar op vertrouwen dat de keuze van de advertenties representatief is. Waarschijnlijk zijn de auteurs van het boek, Roelof Bouwman en Minke de Vogel op zoek gegaan naar advertentie die het levensgevoel van de jaren zeventig weerspiegelen en dan ontkom je waarschijnlijk niet helemaal aan de confirmation bias: je hebt al een beeld van de jaren zeventig en je vindt dan voornamelijk advertenties die dat aan dat beeld voldoen. Maar goed, dat zijn wel advertenties die daadwerkelijk in de jaren zeventig in tijdschriften hebben gestaan. 

Het boek 70's is trouwens prachtig uitgegeven: harde kaft, gebonden, leeslint, mooie kleurenafbeeldingen; kosten nog moeiten gespaard. Achterin een handig register waardoor de advertentie gemakkelijk terug te zoeken zijn. Voorin een stukje van Kees van Kooten ('Koolden jiers'):

Achteraf bezien was het allemaal de schuld van dat jubeljaar 1968, waarin plotsklaps alles kon en mocht en moest gebeuren, tot heil van het stralende decennium der zeventiger jaren dat eraan kwam! Een vrolijke revolutie in de muziek, de mode en alle kunsten.

Het gevoel van vrijheid spreekt uit veel advertenties. Uitbundig kleurgebruik, veel bloot, zonder dat dat erotiserend was. Meer dan in de decennia ervoor ging het over eigen keuzes maken, de dingen doen jij belangrijk of fijn of lekker vindt. 

Verder staan er voor in het boek nog twee artikelen: een over de seventies in retrospectief, 'Hoezo narigheid en zwarigheid' en een over de tijdschriften in de jaren zeventig 'Boordevol advertenties'. In het eerste artikel wordt verteld hoe aan het eind van het decennium bij de terugblikken de schrijvers ervan blij lijken te zijn dat die periode voorbij is. Verder zijn de jaren zeventig te boek komen te staan als het begin van het ik-tijdperk, maar in de advertenties wordt juist vaak de saamhorigheid geprezen van 'Draai een Drum voor elkaar' tot 'Shell helpt' en 'De NMB denkt met u mee'. 

Tijdschriften

Er waren veel tijdschriften in die tijd, zeker in vergelijking met het decennium ervoor, en in allerlei soorten: van opiniebladen, vrouwenbladen, familiebladen, stripbladen en popbladen tot roddelbladen en sportbladen. En dan de oplagen! TROS Kompas: 861.281 in 1979, Libelle 709.276 in datzelfde jaar. Maar ook de Marion (394.699 in 1974) deed het goed. Ik herinner me het blad nog: klein formaat, met in het midden de raderbladen die mijn moeder uitspreidde op de tafel, raderwieltje in de hand. Avenue was in mijn ogen indertijd een chique blad: glad papier, mooie foto's. Mijn ome Ab en tante Rhea (die toen nog Ria heette) hadden er een abonnement op. Ik las achterin de bijdragen van Cees Nooteboom. Het was ook dik en zal vrij duur geweest zijn. Toch had het in 1977 een oplage van 114.989 exemplaren. 

In de rest van het boek zijn de advertenties gegroepeerd naar het soort producten waarvoor reclame wordt gemaakt. Bij elke categorie krijg je minstens vijf voorbeelden, soms meer. In verband met de Tabaks- en rookwarenwet mochten advertentie voor nog bestaande merken (Drum, Samson, Camel, Caballero en Pall Mall) niet in het boek worden opgenomen. Maar heel veel andere merken vind je hier wel: Rider, Bison shag, Belinda, Kelly (halvaret), Gladstone Mild.

Natuurlijk kan niet alles opgenomen worden en bij het bladeren en lezen schoten mij allerlei merken te binnen die er ook nog waren. Zo rookte mijn dikke ome Henk Unic Shag. Wij hadden vier Henks in de familie, dus we moesten er altijd bij vertellen welke Henk het was. Deze werd door mijn moeder ook wel kortweg 'd'n dikke' genoemd. 

Ik realiseer me nu ook hoeveel soorten shag er in een blauw pakje zaten: Van Nelle, Samson, Drum, Rider, Bison. Misschien dat daarom Unic me bijgebleven is en dat ik nu ik dit typ moet denken aan Twin, donkergroen pakje. Ik had het merk van de shag van mijn oom overigens verkeerd onthouden. Ik was ervan overtuigd dat hij Union shag rookte. 

Mijn vader heeft lang gerookt. Het was zo ver dat hij 's ochtends zijn eerste sigaret niet meer in één keer op kon roken: te weinig adem. Toen werd hij ziek (voorhoofdsholteontsteking), waardoor hij een week lang niet kon roken. Toen is hij meteen gestopt. Dat zal omstreeks 1970 geweest zijn. Maar wat rookte hij? Ik heb hem nooit een sigaret zien draaien, dus het geen sjekkies geweest zijn. Hij rookte trouwens ook een tijd lang pijp. 

Bier

Behalve voor shag en sigaretten werd er natuurlijk ook voor andere genotmiddelen geadverteerd: drank ('Schat, staat de Bokma koud?' 'Ha fijn, ha fijn, een borrel van Florijn') en voor de kinderen voor limonade ('Green Spot, zonder prik', 'Likkebaardendlekkerlessend...' enzovoort). En natuurlijk waren er de bierreclames, waarbij er een stel opvallend afwezigen zijn: twee advertenties voor Heineken, maar Grolsch staat er niet in, terwijl de slogan 'Vakmanschap is meesterschap' toch heel lang is meegegaan. En bij Amstel wel de slogan 'De beste drinkers drinken het, 's Lands beste brouwers brouwen het'. Maar niet: 'Dit is de man, dit is zijn bier'. En ook niet: 'Zo, nu eerst een Bavaria!' Maar misschien is die van na de jaren zeventig. 

Verder valt het op dat er nog zo weinig bekende Nederlanders figureren in de reclames. Goed, Piet Bambergen heft het glas Skol en Martine Bijl mag een glas Stella Artois inschenken ('Twee blondjes met karakter'), maar verder zijn de BN'ers zo ongeveer afwezig. Of zaten ze toen ook al meer in de spotjes op tv dan in de tijdschriftadvertenties?

Voor het geval dat het niet duidelijk geworden is, door alle zijpaden die ik bewandeld heb: ik heb heel erg genoten van 70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties. Ten eerste door alle advertenties die erin staan, waarvan sommige werkelijk prachtig zijn, maar ook door de stroom herinneringen die die advertenties op gang brengen. 

Dat ik elke keer vertel wat er niet in het boek staat, wil niet zeggen, dat ik vind dat er zoveel ontbreekt, maar het toont aan dat het boek zoveel associaties op gang brengt. En ik snap ook best dat een boek niet uitputtend kan zijn. Het is al lastig welke categorieën je moet kiezen. Onder het kopje 'Rustig rieleksen' zijn nu advertenties voor thee, koffie en melk samengebracht, terwijl die drie categorieën ook afzonderlijk waarschijnlijk al heel wat advertenties opgeleverd zouden hebben. 

Koffie, thee en melk

Bij de koffie zie je de Moccona, de oploskoffie, die in die tijd iets nieuws geweest zal zijn, zoals eerder de gemalen koffie dat was ('snelfiltermaling'), na de opkomst van de koffiefilter en het koffiezetapparaat. Ik weet nog dat mijn moeder en grootmoeder de koffie zelf maalden. Mijn grootmoeder (van moeders kant) had een vierkante, houten koffiemolen, met de slinger aan de bovenkant, mijn moeder had er eentje aan de muur, of liever gezegd aan de deurpost bij de deur tussen de keuken en de 'geut'. Later kwamen er elektrische koffiemolens. 

Er waren al theezakjes, zie ik in de advertenties. Wanneer zijn die gekomen? Even zoeken op Delpher levert me op dat er in 1959 al theezakjes zijn. Dan worden ze in de Friese Koerier van 4 februari gepresenteerd als de nieuwe manier van theezetten. Ik vermoed dat mijn moeder nog de hele jaren zestig thee gezet heeft van 'losse thee', waar ik ook weer naar terugga. Maar de producenten hebben jarenlang geld verdiend aan thee gezet uit zakjes met theegruis. 

Voor melk wordt er al heel lang reclame gemaakt door de branche. Als kind hoorde ik alleen maar dat melk gezond was en ik had dan ook het idee dat de reclames door de overheid of het Gezondheidscentrum de publieke ruimte in gestuurd werden. Ik las in die tijd de gedichtjes van Mies Bouhuys over Joris Driepinter. Dat waren geweldige gedichtjes, met leuke tekeningen. Stonden die in de Donald Duck? In de Sjors? Eppo? Hoe dan ook, wat mij betreft zouden die gedichtjes alsnog een apart boekje verdienen. De afbeelding haalde ik hier vandaan. 

Liever naakt dan namaak

Een advertentie die ik me meteen herinnerde was die met de slogan 'Liever naakt dan namaak', een reclame voor 'zuiver scheerwol'. In een tijd dat er nogal wat synthetische stoffen waren (terlenka, dralon, acrlyl) deed zoiets het blijkbaar goed. Op de afbeelding zien we een naakte man in een vliegtuigstoel, krant op zijn kruis. Volgens mij waren hier veel verschillende advertenties van. Ik zal ze gelezen hebben in de Libelle, de Margriet of in de Revu, die toen al wel Nieuwe Revu geheten zal hebben. Al las ik dat laatste blad vooral in de jaren zestig bij mijn grootouders (van vaders kant). Op rommelmarkten en kringlopen kijk ik altijd naar jaargangen van de Revu (die ook nog Revue) geheten heeft uit die tijd. Ik kom ze nooit tegen. Wie ze heeft en ze kwijt wil: geef een seintje. 

Het is leuk om te zien hoe er nieuwe apparaten op de markt kwamen, zoals de polaroid camera en waarschijnlijk kun je ook een heel serie maken met advertenties voor scheerapparaten door de jaren heen, waarbij je kunt zien hoe die zich hebben ontwikkeld. De Philishave komt trouwens in het boek voor. Over oude advertenties voor stofzuigers heb ik al eerder geschreven. 

Is 70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties alleen maar een boek voor oude mensen die zwelgen in de nostalgie? Dat lijkt me niet. Ik kan me voorstellen dat jonge mensen het met verwondering zullen doorbladeren, maar wellicht ook met bewondering voor de levenslust die er uit de advertenties straalt, de vrijheid die erin ademt. 

Het boek is al in 2020 verschenen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam, maar toen is het aan mijn aandacht ontsnapt. Ik kreeg het dit jaar op mijn verjaardag en was er erg blij mee. 

maandag 3 augustus 2026

Koloniale oorlogen in Indonesië (Piet Hagen)

Over het lezen van Koloniale oorlogen in Indonesië (2018) van Piet Hagen heb ik lang gedaan. Het is heel dik (duizend pagina's) en het bevat heel veel informatie. Bovendien word je niet zo vrolijk van de inhoud, dus ik legde het soms na tien of twintig bladzijden opzij. Het leest trouwens niet moeilijk; het is helder geschreven. 

Ik had al van het boek gehoord of erover gelezen en toen ik vorig jaar een keer met mijn vriendin in Bronbeek was, zag ik het staan bij de tweedehands boeken. Aan de ene kant leek het me heel interessant, maar ik wist niet of ik het op kon brengen om het ook daadwerkelijk te gaan lezen. Toen ik even niet keek, kocht mijn vriendin het en ze gaf het me later op mijn verjaardag. 

Vijfhonderd oorlogen

Piet Hagen schreef een geschiedenis van Indonesië aan de hand van de oorlogen die er gewoed hebben. Dan heb je ook meteen de hele geschiedenis, want eigenlijk waren er altijd oorlogen. Hoeveel dat er waren is moeilijk te zeggen. Als er een strijd plaatsvindt, is dat dan een nieuwe oorlog of hoort die nog bij de oorlog die eigenlijk al aan de gang was? Dat is lastig te bepalen. Dat erkent Hagen ook. Hij komt grofweg tot zo'n vijfhonderd oorlogen tussen koloniale troepen en Indonesische legers, strijdgroepen en religieuze of politieke bewegingen. 

Die koloniale troepen waren trouwens niet alleen Nederlandse legers (maar bijvoorbeeld ook Britse, Spaanse, Portugese en Franse) en als het Nederlandse legers waren, waren het niet alleen Nederlandse soldaten. 

Verder beschrijft Hagen ook onderlinge oorlogen. Indonesië is een groot land, dat uit verschillende vorstendommen bestond (en het zullen ook niet allemaal vorstendommen geweest zijn). 

De geschiedenis is op allerlei manieren toegankelijk gemaakt: voor in het boek is een tiental kaarten opgenomen, die ik vooral in het begin nauwgezet moest raadplegen om een beeld te hebben van de plaatsen waar het zich afpeelde. Aan het eind van het boek is er een personenregister opgenomen, een chronologische lijst van opstanden, expedities en oorlogen en een woordenlijst. Hagen verantwoordt natuurlijk de illustraties, maar ook de spelling die hij gebruikt. Ik moest nogal wennen aan de spelling Aceh dat ik altijd als Atjeh ben tegengekomen. Hagen hanteerde zoveel mogelijk de moderne Indonesische spelling. 

Tijdens het lezen kon ik niet ontsnappen aan de constatering dat het in Indonesië zo'n beetje altijd al oorlog is geweest en dat dat aan heel veel mensen het leven heeft gekost. Zo'n drie à vier miljoen Indonesiërs, berekent Hagen. 

De vanzelfsprekendheid van het kolonialisme is verbijsterend. Er zijn altijd wel proteststemmen geweest, ook in de koloniserende landen, maar het kolonialisme werd door heel veel Europeanen geaccepteerd. Het is bizar dat in 1914 maar liefst 84 procent van het aardoppervlak beheerst werd door Europeanen. Vanuit dat oogpunt bezien is het weer niet zo vreemd dat we zo lang een europacentrische blik op de geschiedenis hebben gehad. 

Als kind ben ik opgegroeid met het idee dat Nederlands-Indië 'van ons' was en dat de gekoloniseerden blij mochten zijn met de overheersing door Nederland. Dat idee heb ik natuurlijk achter me gelaten, zoals bijna iedereen, neem ik aan. Maar ik heb me nooit afgevraagd hoe het in Indonesië was voordat de Nederlanders er waren, zoals ik me ook nooit afgevraagd heb hoe het met de koloniën ging toen Nederland geen zelfstandig land was, maar onderdeel van het Franse rijk, onder Napoleon. 

Indonesië ligt op de route tussen China en Japan enerzijds en India anderzijds. Dat het op zo'n handelsroute handig is om tussenstops te maken spreekt vanzelf. Er zijn dan ook al gauw mensen die zich vestigen en later mensen die immigreren. Aan het begin van de zeventiende eeuw woonden er in Indonesië bijvoorbeeld al veel Chinezen (alleen in Banten al drieduizend). 

Malakka

De Straat van Malakka is een belangrijke zee-engte. De moslimstaat Malakka had vanaf 1400 een leidende positie in de wereldhandel. De stad Malakka had mogelijk 100.000 inwoners, wat voor die tijd gigantisch geweest moet zijn. Ter vergelijking: in die tijd had Utrecht (dat toen veel groter was dan Amsterdam) 13.000 inwoners. 

In de vijftiende eeuw is daar de eerste koloniale confrontatie, waarbij Portugezen gevangengenomen worden. Vanaf dan is er eigenlijk voortdurend oorlog of de dreiging ervan. Na de Portugezen komen er de Spanjaarden, vanaf de andere kant, via de Filipijnen. 

Religie

Godsdienst heeft al vanaf lang geleden een rol gespeeld. De islam ontstond in de zevende eeuw in de Arabische steden Mekka en Medina en verbreidde zich vandaar. Al in de achtste eeuw waren er in Zuid-China islamitische kolonies. Vanaf de negende eeuw zijn er moslimpredikers in Indonesië. 

Godsdienst wordt ook een twistpunt voor kolonisatoren. Hagen:

In 1578 stelden de Spanjaarden een ultimatum aan de sultan van Brunei, waarin ze eisten dat het evangelie overal verkondigd mocht worden. Inwoners die zich tot het christendom bekeerden, mocht geen strobreed in de weg worden gelegd. Daarentegen moest elke missionaire activiteit van moslims vanuit Brunei zowel in Kalimantan als in de Filipijnen worden gestaakt, aangezien 'de religie van Mohammed een valse en slechte leer en het christendom de ware leer' was. 

Vanaf 1595 bemoeien de Engelsen en de Nederlanders zich met het gebied dat later Indonesië zal heten. In de zestiende eeuw voeren er overigens ook al Franse schepen naar deze streek. De handel stond voorop en toen Cornelis en Frederik de Houtman, namens de Veerse Compagnie een tocht naar de archipel begonnen, kregen ze de opdracht mee zo mogelijk de vrede te bewaren. 

Het zal ons aangenaam wezen dat al deze handel geschiedt zonder bloed te storten noch enige overlast aan de inwoners des lands te doen. 

De Houtman ging op 1 juli 1599 voor anker in de baai van Aceh. Die strijd kwam er overigens toch. 

VOC:  handel en oorlog

In 1602 wordt de Verenigde Oostindische Compagnie opgericht. Er is een dubbel doel: handel en oorlog. In de woorden van Jan Pieterszoon Coen, in 1614:

Per experientie behoorden de Heeren wel bekent te wesen, dat in Indiën den handel gedreven en gemainteneert moet worden onder beschuttinge ende faveur van U eygene wapenen [...] in voege dat den handel sonder d'oorloge noch d'oorloge sonder den handel nyet gemainteneert connen werden.

Waar ik ook nooit bij stil had gestaan: Nederland was in de zestiende en zeventiende eeuw in oorlog met Spanje (wat vroeger de Tachtigjarige Oorlog heette en later de Hollandse Opstand) en dat dat natuurlijk meespeelde in de confrontatie in de Indische archipel. Op een gegeven moment was er een Twaalfjarig Bestand. Maar in de parktijk ging de strijd in Azië gewoon door en de VOC ging door met haar expansiebeleid. Aan het begin van de zeventiende eeuw besteedde de Republiek een groter deel van het bruto nationaal product aan oorlogen dan enig ander Europees land. 

Alleen al in de eerste twee decennia van de zeventiende eeuw kaapte de VOC zo'n tweehonderd schepen van Europese, Chinese en Indonesische concurrenten, met een totale opbrengst van 10 à 20 miljoen gulden. 

Er werden ook veel mensen naar Indonesië vervoerd. Op het hoogtepunt van haar bestaan had de VOC in Azië gemiddeld 25.000 man in dienst. Het aandeel militairen lag meestal tussen de veertig en zestig procent. 

Er stierven ook veel mensen, niet alleen in oorlogen, maar ook door ziekte en door schipbreuken (bijna 250 in twee eeuwen). 

De Grote Ambonese Oorlog

Het is ondoenlijk over alle oorlogen wat te zeggen, maar elke keer weer sta ik versteld van het aantal slachtoffers, vooral aan Indonesische kant. De Grote Ambonese of Hoamoalse Oorlog duurde van 1651 tot 1658. Waarschijnlijk is de uitroeiing van de mensen op de Bandaeilanden bekender dan deze oorlog, maar deze ging ook over kruidnagel. 

Er is onvrede op Hoamoal en die uit zich in 1651 in een reeks verrassingsaanvallen, waarbij 150 doden vallen, niet alleen Europeanen, maar ook slaven van de VOC. Op acht plaatsen gaan er versterkingen van de compagnie verloren. 

Daarop besluit de regering in Batavia alle nagelbomen op Hoamoal te vernietigen. Ook op andere eilanden gebeurt dat met nagel- vrucht- en sagobomen. De oorlog kost 1500 mensenlevens. Ongeveer 12.000 bewoners worden uit hun dorpen gehaald en naar Ambon en Manipa getransporteerd. De eilanden Kelang en Buano worden ontvolkt. 

Gerrit Knaap schat dat de bevolking in het Ambonese kerngebied tussen 1630 en 1660 met 25.000 afnam; hij spreekt van een 'meedogenloze strijd' die vooral moslims het leven kostte - meer dan bij de volkerenmoord op Banda.  

Chinezenmoord

Ook opvallend: hoe vaak de agressie zich richtte op het Chinese deel van de bevolking. In 1740 ging in Batavia het gerucht dat de Chinezen een opstand voorbereidden. Een voorstel om de hele stad van Chinezen te zuiveren werd door de Raad van Indië verworpen, maar wel werd de opdracht gegeven om alle Chinese huizen op wapens te doorzoeken. 

Het leidde op 9 en 10 oktober tot grootschalige plundering en tot pogroms op Chinezen. Meer dan zeshonderd huizen gingen in vlammen op. De meeste Chinezen waren niet bewapend en konden zich dus niet verdedigen. Het dodental liep op tot 5.000 à 10.000, onder wie veel gevangenen en zieken. Na afloop was bijna geen Chinees meer in de stad te bekennen. 

In het Tijdschrift voor Nederlands-Indië uitte W.R. van Hoëvell zijn afschuw:

Er is geen pen welke al de gruwelen kan beschrijven, toen gepleegd. Al wat tot de Chinese natie behoort, arm en rijk, oud en jong, schuldig en onschuldig, al wat men ontmoet, wordt meedogenloos vermoord. Zwangere vrouwen, zogende moeders, argeloze kinderen, bevende grijsaards worden door het zwaard geveld. De weerloze gevangenen wordt als schapen de keel afgesneden. 

Maar in de kerk is er een dankdienst na afloop. De schriftlezing is uit 1 Samuël 6, de verzen 6 tot en met 13. De strijd tegen de Chinezen wordt blijkbaar vergeleken met die van Israël tegen de Filistijnen. De Raad van Indië en gouverneur-generaal Valckenier hebben de slachting gedoogd en wellicht ook aangemoedigd. Vier dagen na het begin van de moordpartij had de Raad ter bestrijding van de Chinezen buiten de stad nog een premie gezet op elk afgeslagen hoofd. 

Het einde van de VOC

In 1799 wordt de VOC ontbonden. Piet Hagen:

Internationale concurrentie, slecht bestuur, te hoge kosten en schulden, privéhandel en smokkel, corruptie, nepotisme, hoge sterftecijfers door ziekten - het zijn allemaal factoren die hebben meegespeeld. Maar het meest in het oog springt toch de zelfoverschatting van de compagnie, die dacht met militair geweld de internationale handel naar haar hand te kunnen zetten. 

Piet Hagen houdt grofweg een chronologische volgorde aan, maar soms concentreert hij zich op een gebied om te bekijken hoe daar de koloniale strijd een tijd lang gevoerd werd. 

Het beeld is wel dat er altijd oorlog is geweest. Achteraf is prima te begrijpen dat gekeken werd op welke plekken ter wereld er handel te drijven was, maar het is niet meer voor te stellen dat men ooit gedacht heeft ook recht op een land te kunnen doen gelden. Je komt bij een land waar mensen wonen, je gaat oorlog voeren en daarna denk je dat het land van jou is. Het is een heel rare gedachte, maar na verloop van tijd wordt die vanzelfsprekend. Zoals gezegd: ik ben opgegroeid met de vanzelfsprekendheid dat Nederland koloniën had. 

Hagen vertelt dat Nederland in de Indonesische archipel een grondgebied verwierf dat zestigmaal het eigen oppervlak besloeg. Met Suriname en de Nederlandse Antillen erbij was het koninkrijk in 1899 de tweede koloniale macht ter wereld, na Groot Brittannië. 

De Nederlandse grondwet van 1814 gaf de koning bij uitsluiting het oppergezag over de koloniën. Pas in 1848 zouden de Staten-Generaal medezeggenschap krijgen en zelfs daarna zou het nog twintig jaar duren voordat het Nederlandse parlement de Indische begroting mocht vastsstellen. 

Dwangarbeiders

Hagen besteedt verder aandacht aan het leger, waarvoor mensen vaak met illegale middelen werden geronseld. Verder was het lot van koelies, dwangarbeiders, verschrikkelijk. 

Zo werden in 1849 voor de derde Bali-expeditie 2000 Madurese koelies geprest, die zo zwak en ziekelijk waren dat er na twee maanden nog maar 300 over waren. Tijdens de Bali-expeditie van 1868 sloegen 1500 dragers op de vlucht. Paul van 't Veer schat dat in de Aceh-oorlog 25.000 koelies zijn omgekomen. Ze stierven 'als ratten'. 

De straffen die koelies kregen, zouden we nu kenmerken als mishandeling. In 1881 (ruim na de afschaffing van de slavernij dus), kwam aan het licht dat geketende dwangarbeiders het jaar daarvoor in Aceh zo waren mishandeld dat zij aan hun verwondingen bezweken. 

Volgens officieren van gezondheid bestonden de straffen uit twintig of meer harde slagen met rotans die met touw omwonden en in urine gedrenkt waren. De soms centimeters diepe wonden leidden tot gangreen, waarbij delen van de huid en het onderliggend weefsel verrotten en afstierven. 

De zaak kwam ook in de Nederlandse pers en werd behandeld in de Tweede Kamer. De klacht tegen de beheerder van de dwangarbeiders werd geseponeerd. 

Excessen?

Later zou het geweld in Nederlands-Indië gerelativeerd worden: het zouden excessen betreffen. Intussen weten we veel meer, bijvoorbeeld door het boek De brandende kampongs van generaal Spoor. Hagen:

Hoe belangrijk het onderzoek naar excessen ook is, fundamenteler is de vraag of niet al het oorlogsgeweld ter wille van eigen economische belangen 'excessief' is. Met welk recht kan een koloniserende mogendheid handelsvoordelen afdwingen via oorlogvoering?

Hagens boek bevat zoveel wetenswaardigheden dat je kunt blijven citeren. Hoe dichter bij in de tijd, hoe meer het mensen betreft van wie we ons nog een levendige voorstelling kunnen maken. Bijvoorbeeld de leden van het koningshuis. Zo was er in 1894 een expeditie naar Lombok. Daarbij vielen nogal wat slachtoffers. Aan koloniale kant: 524 soldaten (23 procent), 37 officieren (33 procent) en 414 dwangarbeiders (30 procent) waren gesneuveld, zwaargewond of vermist. 

De reactie van de latere minister-president, die kort daarna zelf als militair naar Lombok zou gaan: 'Wij zullen niet weten wat genade is! Het is onze heilige roeping Mataram en Cakranegara voor eeuwig met de grond gelijk te maken.' 

Op 31 augustus, de veertiende verjaardag van kroonprinses Wilhelmina, stuurde koningin-regentes Emma een telegram aan de gouverneur-generaal waarin ze sprak van 'in het duister gepleegd verraad' en verklaarde ervan overtuigd te zijn dat het leger 'op schitterende wijze zijn roemvolle naam [zou] handhaven en bevestigen. Beide koninginnen en het vaderland hebben het oog op u gevestigd.' Het koninklijk enthousiasme wakkerde de oorlogszucht verder aan. Overal in het land werden inzamelingen gehouden en meldden zich vrijwilligers.

Hendrik Colijn

Over Colijn gesproken: die nam als tweede luitenant deel aan de gevechten op Lombok. Hij kreeg daarvoor de Militaire Willemsorde. In een brief aan zijn vrouw schreef hij:

Ik heb negen vrouwen en drie kinderen die genade vroegen op één hoop moeten zetten en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar 't kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. 

Hij schrijft er ook over in een brief aan zijn ouders:

Zelfs jonge, schone vrouwen met zuigelingen op de arm streden mee en wierpen uit de daken stukken lood op ons, terwijl anderen zelfs de lans hanteerden. Gelukkig stonden mijn dappere Ambonezen als een muur. Na de achtste aanval bleven nog enige weinigen over die genade vroegen, ik geloof dertien. De soldaten keken mij vragend aan. Een dertigtal mijner manschappen was dood of gewond. ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Enige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij omdraaide waren ook die dertien dood. 

Wie kan dat nu lezen zonder kwaad te worden, zonder te beseffen hoe gruwelijk Nederland huishield in Indonesië? En waarom krijgt zo iemand een eervolle Orde en later een politieke carrière in plaats van straf? 

Hagen constateert dat de veronderstelling dat er in de negentiende eeuw buiten Java relatief weinig koloniale oorlogen waren, volkomen onjuist is. Paul van 't Veer beschouwde de 'rustige' negentiende eeuw al als 'één lange, ononderbroken oorlog'.

Ook over de twintigste eeuw, met natuurlijk de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog weet Hagen veel treffende details te geven, maar die laat ik hier ongenoemd. Ik heb al veel van je geduld geëist door zo veel over Hagens boek te schrijven. 

Ik heb bijvoorbeeld nog niet verteld dat er ook een mooi katern met illustraties is opgenomen, maar dat zie je wel als je misschien zelf dit boek gaat lezen. Het is een onthutsend boek. Zelfs als je weet hoe erg het kolonialisme in Indonesië heeft gewoed, dan nog vallen veel details je rauw op het dak. Dat daar excuses voor aangeboden zijn, is niet meer dan terecht. Als staat past ons diepe schaamte. 

Koloniale oorlogen in Indonesië is een indrukwekkend boek, met een schat aan informatie. Zelfs als je wel zo ongeveer weet wat er gebeurd is in wat toen Nederlands-Indië werd genoemd, zul je versteld staan van de gang van zaken toen. 


Misschien heb je ook belangstelling voor wat ik eerder schreef over:

Het mooiste meisje aan boord (H.W. Beijerinck)
Rubber (M.W. Székely-Lulofs)
Nog pas gisteren (Maria Dermoût)
Getekend verleden (Tom van der Geugten)
Sleuteloog (Hella Haasse)
Lichter dan ik (Dido Michielsen)
De tolk van Java (Alfred Birney)
Indocomics (Ruud den Drijver)
Multatuli's Max Havelaar (Eric Heuvel/Jos van Waterschoot)
De schaduw van de Tambora (Philip Dröge)
Adat (M.A.M. Renes-Boldingh)
Saïdjah en Adinda (Dick Matena)
Tropische jaren (Cornets de Groot)
Gerucht en geweld (Beb Vuyk)

vrijdag 10 juli 2026

Dubbelleven. Geertruida Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie (Maite Karssenberg)

 

Het was een opwelling, denk ik. Ik las iets over Dubelleven, de biografie van Geertruida Muysken-Kapteyn en ik besloot dat ik dat boek, geschreven door Maite Karssenberg wilde lezen. Ik vroeg een recensie-exemplaar aan bij De Arbeiderspers en een paar dagen later werd dat bezorgd, op een regenachtige dag. De bezorger had het door mijn brievenbus gewrongen en had daarvoor zelfs de kartonnen envelop moeten verwijderen. Het boek lag gehavend op de mat. Maar ik had het. 


Ik hou van het lezen van biografieën. Niet alleen krijg je een beeld van het leven van de geportretteerde, maar ook van de tijd waarin zij of hij leefde en als dat een tijd is die je zelf hebt meegemaakt, maakt het ook nog allerlei herinneringen wakker. 

Het einde van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw hebben zeker mijn interesse. Voor de duidelijkheid: dat is een tijd die ik niet heb meegemaakt.  Maar ik heb bijvoorbeeld wel heel erg genoten van de brieven van Willem Witsen en het boek Oorlogsenthousiasme van Ewoud Kieft. En van veel meer, natuurlijk. 

Geertruyda Kapteyn-Muysken (1855 - 1920) kende ik, ik moet het met schaamte bekennen, helemaal niet. Ze maakte deel uit van de eerste feministische golf in Nederland  (maar niet alleen in Nederland), al wordt haar naam niet genoemd op de Wikipediapagina die daaraan gewijd is. Daar worden wel de namen genoemd van bijvoorbeeld Aletta Jacobs, Wilhelmina Drucker en Clara Wigmann. De naam van die laatste kende ik alleen door het instituut dat naar haar genoemd is. 

Maite Karssenberg dook in het leven Geertruida Muysken en doet niet alleen verslag van dat leven en van de opvattingen van Muysken, maar ook van haar eigen zoektocht. Daarbij gaat ze niet voor de biografeerde staan, maar ze laat zien hoe ze haar sporen heeft proberen te vinden, hoe ze het huis bezocht waar Geertruida gewoond heeft, hoe ze zich probeert voor te stellen hoe Geertruida met die lange rokken wandelingen maakt in de natuur door dat ook te doen. Ze probeert Muysken te naderen, maar nadert ook zichzelf, komt op die manier dichter bij een antwoord op de vraag hoe je een authentiek persoon kunt zijn. 

Vehikel voor filosofisch onderzoek

Een biografie als vehikel voor filosofisch onderzoek, noemt ze het. Ik geef een uitgebreid citaat uit de inleiding. 
Geertruida is voor mij een prisma. Mijn blik in haar leven opende een heel scala aan filosofische vragen. Haar ontwikkeling, haar worstelingen, de precisie van haar zelfinzicht, de thema's die haar bezighielden, de ideeën die ze zo gepassioneerd verkondigde -ze boden me een manier om na te denken. Over de spanning tussen het zelf en de ander, tussen binnenwereld en buitenwereld, het bewuste en het onbewuste. Over man-vrouwverhoudingen, seksualiteit, de liefde en de dubbelzijdigheid van het huwelijk. Over de werking van de menselijke psyche en de -vaak schrikbarende- mores van de psychiatrie. Over hoe momenten van de diepste mentale kwetsbaarheid zowel waarheid als vernietiging kunnen voortbrengen. Over moederschap als gevangenis en als manier van zelfverwerkelijking, over vriendschap als bron van levensgeluk en over de spanning tussen moeder en dochter. Over maatschappelijk engagement, feminisme en solidariteit. Over hoe de strijd voor individuele vrijheid tekortschiet zonder een visie op collectieve groei. Over de kracht van fictie, van toewijding, van idealisme. En over wat kennis is, en waarom puur intellectuele kennis tekortschiet. 
Natuurlijk krijgen we de levensloop van Geertruida te lezen. Ze bezocht de mms, de allereerste van Nederland, opgericht in 1867. Dat er dan sinds kort een middelbare school voor meisjes bestaat, laat al zien dat er dingen aan het veranderen zijn, dat vrouwen nieuwe terreinen betreden. 

Geertruida is bevriend met Martha van Vloten, die later zal trouwen met Frederik van Eeden. Haar zussen Kitty en Betsy zullen trouwen met respectievelijk Albert Verwey en Willem Witsen. Er zijn brieven bewaard die de twee vriendinnen elkaar schreven, maar veel meer van Martha aan Geertruida dan andersom. Karssenberg, altijd helder over haar bronnen, realiseert zich dat we daardoor een beeld krijgen van Geertruida, maar dat dat niet betekent dat we weten hoe ze werkelijk was.
Via Martha zie ik Geertruida. Maar hoewel Martha's beeld levensecht is, zie ik van Geertruida alleen de contouren. Hoe de jonge Geertruida werkelijk was blijft een mysterie, nog versterkt door de per definitie ondoordringbare gebeurtenissen van de zomer van 1875. 
In de zomer van 1875 wordt Geertruida in  het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Utrecht opgenomen. Aangezien er toen nog geen AVG was, is haar patiëntendossier bewaard. Verderop in haar leven zal Geertruida nog enkele keren opgenomen worden. De Nederlandsche Vereeniging voor Psychiatrie was opgericht in 1871 en nagenoeg alle gestichtsartsen (een dertigtal) waren erbij aangesloten. Ook op dat gebied zouden er nog veel veranderingen volgen.

Huwelijk

Geertruida wil zich ontwikkelen. Ze volgt lessen letterkunde en geschiedenis bij Willem Doorenbos. Ze heeft ook al contact gezocht met Helene Mercier (wier naam ik op andere plekken ook als Helena Mercier en Hélène Mercier gespeld heb gezien). Ze trouwt met Albert Kapteyn, een ingenieur die zich bezighoudt met een remsysteem voor treinen. Ze gaan wonen in Londen.

Opregte Haarlemsche Courant, 22 december 1880

Algemeen Handelsblad, 23 december 1880


Geertruida wordt moeder, aanvankelijk van twee kinderen (Olga, 1881 en May, 1883). Ze doet aan anticonceptie, maar er wordt nog een derde kind geboren (Albert, 1886). Er worden brieven geschreven (bijvoorbeeld aan haar zus Marie) en er is een dagboek overgeleverd. Door de hele biografie heen zijn er teksten van Geertruida opgenomen, cursief gezet, zodat je de informatie uit de eerste hand krijgt.  

Dubbelleven

Het huiselijk leven is niet gemakkelijk, ook niet als je personeel hebt. Dat moet immers aangestuurd worden. Geertruida moet zich in de praktijk met andere dingen bezighouden dan waar haar hoofd mee bezig wil zijn. Dat is een van de verklaringen van de titel van de biografie: je zou kunnen zeggen dat Geertruida een dubbelleven leidde: een huiselijk leven en een intellectueel en maatschappelijk leven. In het laatste hoofdstuk van de biografie, wordt er veel aandacht besteed aan haar dochter Olga. Ook in dat opzicht is er  sprake van een dubbel leven: dat van Geertruida en dat van haar dochter. Verder zou je nog kunnen zeggen dat zowel het leven van Geertruida als van haar biograaf doorklinkt in dit boek. 

Geertruida wordt lid van een van de eerste vrouwenclubs in Londen, de Pioneer Club. Het verbaasde me hoeveel clubs, verenigingen en tijdschriften waren, waarin de vrouwenzaak bepleit werd. Steeds proef je de overtuiging dat dingen anders kunnen en dat daarvoor wat moet gebeuren. Er hangt (niet alleen in Londen, maar ook op andere plekken in Europa) een aanstekelijk idealisme. 

Karssenberg beschrijft dat er een congres van de Internationale Vrouwenraad plaatsvindt. Zo'n drieduizend vrouwen overal vandaan, die dagenlang samen zijn, naar lezingen luisteren, discussiëren. De wind van verandering die er waait, moet aangenaam aangevoeld hebben. 


Het nieuws van den dag, 8 mei 1912

Netwerk

En Geertruida gaat publiceren, over bijvoorbeeld ethiek. Ze houdt zich diepgaand bezig met waar het naar toe moet met de maatschappij, ziet voor zichzelf grote lijnen waaraan ze wil vasthouden. Intussen heeft ze een uitgebreid netwerk. Zo onderhoudt ze (wat later in haar leven) een briefwisseling met Domela Nieuwenhuis. Inspiratiefiguren zijn voor haar onder meer de dichter/filosoof Jean-Marie Guyeau en de anarchist Peter Kropotkin. 

In 1901 verhuist ze naar Zwitserland, een verandering van locatie, maar een voortzetting van haar ontwikkeling. In 1906 verhuist ze met Albert naar Nederland. 

Geertruida leefde in een bevoorrechte klasse en ze had wellicht relatief veel vrijheid. Maar ze heeft zich ook bekneld gevoeld en ze was strijdbaar om niet alleen voor zoveel mogelijk vrouwen meer vrijheden te bevechten, maar ook om voor zoveel mogelijk mensen een betere maatschappij vorm te geven. Karssenberg geeft toe dat Muysken in haar geschriften niet altijd de soepelste stijl hanteert, maar ze heeft in ieder geval haar ideeën verspreid, door geschriften en spreekbeurten. 

Maite Karssenberg heeft een prachtige biografie geschreven, die al snel na verschijnen op de longlist voor de Libris Geschiedenisprijs is verschenen. Het is een persoonlijk boek geworden, waarin Karssenberg Geertruida zo dicht mogelijk wil naderen om te doorgronden waarmee ze bezig was en wat dat nu nog kan betekenen. In Geertruida brandde een vuur (dat haar zelf misschien van tijd tot tijd verteerde) en de warmte van dat vuur (ook van de biografe) voel je in dit boek. Er tintelt iets in. Ondanks dat lang niet alles zo gemakkelijk verloopt in Muyskens leven, voel je de gedrevenheid en de hoop op wat er ooit bereikt kan worden. Het doel voor ogen houden en compromisloos doorgaan. Dat is een instelling waarvoor je bewondering kunt hebben. 

Lezen dus. Niet alleen omdat Geertruida dat verdient, maar ook om een blik te krijgen op een tijd waarin zo duidelijk idealen werden nagestreefd. En natuurlijk ook omdat Karssenberg het verdient, die Dubbelleven met hart en ziel geschreven moet hebben. 

Maite Karssenberg, Dubbelleven. Geertruyda Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie. Uitg. Arbeiderspers, 2026; 472 blz. € 29,99

Tubantia, 7 maart 1908



Het Vaderland, 6 december 1911
Eerder schreef ik over de biografieën van:

dinsdag 5 mei 2026

De glazen kroon 2: Rozebeke, doodse vlakte (Richemond / Benato / Poupelin)

In sommige gedeelten van de geschiedenis raak ik keer op keer verdwaald en dan moet ik even nakijken hoe het zit. Dat geldt ook voor het tijdperk waarin de stripreeks De glazen kroon zich afspeelt. Wellicht is het leven van Karel VI van Frankrijk (1368 - 1422) voor een Frans (of zelfs Vlaams) lezerspubliek gesneden koek, maar ik moet steeds weer moeite doen om de zaken op een rijtje te krijgen. 

In de strip wordt er inspanning genoeg geleverd om aan de lezers de situatie duidelijk te maken. Op de binnenkant van de cover staan de belangrijkste personages getekend, er is een samenvatting van wat er aan het verhaal voorafging en er is een nawoord van de scenarioschrijfster, waarin duidelijk wordt dat zij haar bronnen goed kent en die verantwoord gebruikt.

Karel VI is de zoon van Karel V (1338 - 1380), bijgenaamd de Wijze (niet te verwarren met de veel later levende kiezer Karel V, die hier in Nederland bekender is). Toen Karel V stierf, was zijn zoon nog maar 12 jaar oud en dus te jong om zijn vader zelfstandig op te volgen. De eerste acht jaar werd hij daarom bijgestaan door een Regentschapsraad, waarin drie broers van zijn vader zitting hadden: de hertogen Lodewijk I van Anjou, Jan van Berry en Filips de Stoute, hertog van Bourgondië. Ze waren echter vooral op eigen voordeel uit. 

De kroon van Karel VI wordt een glazen kroon genoemd. In de strip zegt zijn vader: 'Vergeet nooit dat de kroon broos is, ze kan breken, net als glas.' De ironie wil dat Karel later de waan zal krijgen dat zijn lichaam van glas is. Daaraan dankt hij zijn bijnaam 'de waanzinnige'. Dat zal voor zijn ooms weer een aanleiding zijn om meer macht naar zich toe te trekken. 

Slag bij Westrozebeke

In deel 2 van de stripreeks, Rozebeke, doodse vlakte, is dat allemaal nog niet aan de hand. Er is wel veel onrust. Zo is er opstand in Vlaamse steden. De vorst, Lodewijk van Male moet daardoor de hulp inroepen van Karel VI. Diens oom, Filips de Stoute, is gehuwd met een dochter van Lodewijk, Margaretha van Male. Maar er is ook een belang voor Karel: als de steden niet onder controle van de vorst komen, zal dat kunnen leiden tot opstand in meer steden. 

Ook in Engeland is er opstand geweest, tegen de jonge vorst Richard II, die slechts tien jaar oud was toen hij de troon besteeg. Er wordt overigens gevreesd dat de Vlaamse steden Engeland om hulp zullen vragen. 

Karel VI trekt naar Vlaanderen. Uiteindelijk loopt dat uit op de slag bij Westrozebeke (1382), die in het Frans en het Engels de Slag bij Rozebeke (Rosebecque) wordt genoemd. Als het je interesseert en als je een levendig beeld van de betreffende slag wilt krijgen, kun je aflevering 8 van de podcast Stoute schoenen beluisteren, waarin Bart van Loo er levendig over vertelt, vanuit Vlaams perspectief.

Hij geeft daarin wel een goed beeld van het verloop van de strijd en hij maakt een vergelijking met The Battle of the Bastards uit The game of Thrones.

Visioen

Voor op het album zien we het slagveld na de slag: het land ligt bezaaid met lijken, er komt een stroom bloed naar ons toe en in de verte staat een hert. Dat hert heeft te maken met een visioen van Karel VI: hij ziet een gevleugeld hert en dat is voor hem het teken dat hij de Vlamingen zal verslaan. Dat visioen is getekend in het hart van het album, waar er een spread aan gewijd is. 

De slag wordt gewonnen door Karel VI en daarna wordt er door zijn leger geplunderd en gemoord. Zo worden de gouden sporen, die buitgemaakt zijn in de Guldensporenslag (1302) bij Kortrijk geroofd en Kortrijk wordt in brand gestoken. Westrozebeke wordt trouwens gespaard. 

Net als in deel 1 (zie link hieronder) zit er weer veel geschiedenis in dit tweede deel van De glazen kroon. Scenarioschrijfster France Richemond heeft zich terdege in de stof verdiept en zij heeft haar best gedaan er een verhaal van te maken. Door Karel VI en de jonge mensen in zijn omgeving als belangrijke personen te kiezen maakt zij het ook gemakkelijk voor de lezer om zich te identificeren met de personages. Omdat de situatie ingewikkeld is, is er redelijk wat tekst nodig om alles duidelijk te maken. Dat vergt wel wat van de lezer, maar de stof is zeker interessant. Mij gaf het aanleiding om nog meer informatie te zoeken over deze boeiende tijd. 

De tekeningen van Tommaso Bennato zijn uitstekend. Ze zetten de heftige gebeurtenissen niet extra dik aan en dat is een goede keuze. Daarbij helpt ook de fraaie inkleuring door Hugo Poupelin

Deel 3 van De glazen kroon is in voorbereiding. 

Reeks: De glazen kroon
Deel 2: Rozebeke, Doodse vlakte
Scenario: France Richemond
Tekeningen: Tommaso Bennato
Inkleuring: Hugo Poupelin
Vertaling: Frederik van Wonterghem
Uitgever: Silvester Strips
2025, 56 blz. € 10,95 (softcover) € 21,95 (hardcover)


maandag 12 januari 2026

Onderweg (Aimée de Jongh/Tina De Gendt)

We leven onder een (weliswaar demissionaire) regering waarin migratie uitsluitend als probleem wordt gezien, als iets wat bestreden moet worden. En dat veronderstelt weer dat migratie tegengehouden kan worden, al laten de cijfers over de lange termijn zien dat er vooral een constante waar te nemen is. Men leze het werk van Hein de Haas. 

Wat is het dan heerlijk dat je ook eens een ander geluid hoort en dat geluid klinkt helder in het boek Onderweg, Migraties die de wereld veranderden van Aimée de Jongh en Tina de Gendt. De eerste zorgt daarin voor de illustraties, de tweede voor de tekst. In het boek (mooi, groot formaat en hardcover) worden belangrijke migraties uit de geschiedenis van de mens geschetst, te beginnen bij de eerste, ca. 72.000 jaar voor Christus: die van het Afrikaanse continent naar Azië en Europa. Het boek eindigt met vluchtelingen voor de kust van Lesbos en klimaatvluchtelingen in Tsjaad. 

Tijdperken

De geschiedenis van de mensen is verdeeld in tijdperken. Bij elk tijdperk krijgen we, na een korte inleiding, een wereldkaart waarop enkele migraties uit dat tijdperk zijn aangegeven, zodat je je goed kunt voorstellen op welk deel van de wereld die zich afspelen. Verder staat er steeds aangegeven hoe groot de wereldbevolking was aan het begin van het tijdperk en hoe groot die is aan het einde ervan. De eerste periode, 'De mens verspreidt [zich]' loopt van 100.000 v.C. tot 10.000 v.C. De wereldbevolking loopt dan op van 1 miljoen naar 4 miljoen. 

Onder aan de dubbele pagina is er steeds een tijdlijn waarop belangrijke gebeurtenissen uit dat tijdperk zijn aangegeven. Daarna worden de migraties dichtbij gehaald in verhaalvorm, in de ik-vorm verteld door iemand die de migratie meemaakt. En er is puntsgewijs beknopte, zakelijke informatie. De tekst is geplaatst in een tekening, van Aimée de Jongh aan wier werk ik al eerder aandacht gaf. Zie de links onderaan. Zij moest dus niet alleen een aansprekende tekening bij elke migratie maken, maar ook kijken waar ze ruimte voor de tekst kon maken in die tekening. In alle gevallen is dat goed gelukt. De tekst staat op wisselende plekken op de pagina, wat voorkomt dat de indeling statisch wordt, een strak format waaraan iedereen zich moet houden. Nu komt het losser over en dat is prettig. 

Op de cover zie je een rij migranten, waarbij de tijden door elkaar lopen. Iemand op blote voeten, gekleed in een dierenhuid loopt achter iemand met een telefoon aan zijn oor. Die rij mensen komt ook terug aan het begin van elk hoofdstuk, waarin enkele mensen oplichten in de rij: over hen zal het dit hoofdstuk gaan. Zo'n rij helpt om de continuïteit van de migratie de laten zien: een migratie staat nooit op zich, maar maakt deel uit van een traditie van migraties. 

In de koffer

Elk hoofdstuk sluit af met 'In de koffer': wat nemen we mee van deze migraties? Aan het einde van het hoofdstuk 'Verre reizen, 1350 - 1750' worden bijvoorbeeld genoemd: de krant, het woordenboek, het horloge, ballet en shampoo. Wat dat ballet betreft: 'Dankzij het huwelijk tussen tussen de Franse koning en de Italiaanse Catherina de' Medici werd ballet dé rage van de zestiende eeuw. Sindsdien reist de dans de wereld rond: de rokjes, de schoentjes én de dansers zelf natuurlijk.'

Zoals gezegd: het is prettig dat in Onderweg migratie getrokken wordt uit de sfeer waarin die nu vaak ter sprake komt. Verder is het verfrissend dat de geschiedenis nu eens niet bezien wordt vanuit onze eigen positie. Ik heb op de lagere school nog les gehad in 'vaderlandse geschiedenis'. Later werd dat 'geschiedenis', maar die geschiedenis was nog steeds eurocentrisch, zoals op de wereldkaart Europa ook steeds in het centrum lag. 

In Onderweg zoomen we afwisselend uit, zodat we de hele wereld zien, en in, waarbij we bepaald worden wat er op dat moment op deze specifieke plek van de wereld gebeurde. Ook dat is prettig: opgetild worden uit het benauwde wereldje van bijvoorbeeld de nationale politiek en je een deel voelen van de hele wereld. 

Kinderen en jongeren

Omdat de vertellers in de verhalen stukjes veelal kinderen zijn, is Onderweg ook uitstekend geschikt voor kinderen en jongeren. Het zou daarom heel geschikt zijn om het op scholen te verspreiden. Ik ga het deze week ook op school laten zien. 

Midden in Onderweg is 'Het Onderwegboekje' opgenomen, dat als volgt wordt ingeleid:

Ondertussen hebben we het door. Migratie is geen sprookje. Heel vaak migreren mensen niet uit vrije wil, maar omdat ze gedwongen worden of uit nood. En als mensen ergens aankomen, begint het verhaal vaak pas. Waarom blijven mensen dan migreren? Wat betekent het voor hun leven? Voor het leven van ons allemaal? Migratie roept heel veel vragen op. Dus laat ons die vooral blijven stellen. Aan onszelf en aan elkaar.

En daarna volgen die vragen, zoals 'Waarom migreren mensen?' en 'Is migratie nu anders dan vroeger?' De lezers worden uitgenodigd om grootouders, buren of klasgenoten te interviewen en om in oude fotoalbums te duiken, op zoek naar verhalen achter migratie. 

Tekst en tekeningen

De teksten van Tina De Gendt zijn bijzonder helder en heel aansprekend. Ze weet de gebeurtenissen van lang geleden op die manier dichtbij te brengen. Dat we ons goed kunnen voorstellen wat er in die tijd gebeurd is, komt natuurlijk ook door de tekeningen van Aimée de Jongh, die altijd toegankelijk zijn. Ze zijn sfeervol en ze maken maken door hun kleurrijkheid het boek heel prettig om doorheen te bladeren. 

Je kunt Onderweg van de eerste tot de laatste bladzijde lezen (zoals ik heb gedaan), maar het leent zich ook uitstekend om hapsnap tot je te nemen of om je eens wat te verdiepen in een enkele migratie. En hopelijk helpt het een beetje om migratie uit de probleemhoek te halen en om die minder te bekijken vanuit het gezichtspunt van de gesettelde die het liefst zo min mogelijk verandering wil omdat hij nu eenmaal al goed zit en meer uit dat van de migrant.

Onderweg, Migraties die de wereld veranderden. Aimée de Jongh (tekeningen) & Tina De Gendt (tekst). Uitg. Lannoo, 2025, 104 blz. (€ 27,99)

Eerder schreef ik over ander werk van Aimée de Jongh