maandag 16 juli 2018

Armando (1929 - 2018) overleden

Foto: Conny Meslier

Armando is overleden, we weten het intussen allemaal. Hij is 88 geworden, een leeftijd waarop iemand weg kan vallen. Maar toch. Zijn werk blijft, zeggen ze. Zijn schilderijen, zijn sculpturen, zijn boeken, zijn muziek. Ja, ja, maar na iemands dood kan het snel gaan. Wie leest bijvoorbeeld Hellema nog? Hotz? Alberts?

Aantekeningen over de vijand

Wanneer begon ik Armando's werk te lezen? Ik haal zijn boeken uit mijn boekenkast. Het zijn er meer dan twintig. Welke was de eerste? Aantekeningen over de vijand, vermoed ik. Een Salamanderpocket, uitgekomen in 1985, door mij gekocht in 'dec '86', zo lees ik voor in het boek. Later zou ik de oorspronkelijke uitgave kopen (1981).

De pocket heb ik gelezen en herlezen, zie ik: ik heb alle 'aantekeningen' genummerd (het zijn er 648) en op een kladblaadje heb ik woorden genoteerd die vaker terugkwamen: 'plek', 'landschap', 'bomen/bos', 'vijand', 'dader', 'aantekeningen'. Achter elk woord staan de nummers van de aantekeningen die erop betrekking hebben. Bij 'aantekeningen' staat bijvoorbeeld '79'. De betreffende aantekening luidt:
Daar zit hij, beneden, aan het water, hij zit aantekeningen over z'n verleden te maken. Een gewone man, zo te zien. 
Het zou de schrijver zelf kunnen zijn.

Ik heb geprobeerd grip op het boekje te krijgen, vermoed ik. Wellicht zijn de aantekeningen van enkele jaren later, nadat de roman De straat en het struikgewas (1988) uitgekomen was. Dat heb ik laten lezen door de cursisten van de Volksuniversiteit in Wageningen waar ik indertijd een cursus 'Hedendaagse literatuur' gaf.

Voor in De straat en het struikgewas staat 'Van Amber en Ingrid'. Dat waren twee dierbare leerlingen en 1988 was het jaar dat ik vertrok als docent op de christelijke mavo in Zetten, bijna aan het eind van het schooljaar. Ik vermoed dat Amber en Ingrid mij een boekenbon hebben gegeven en dat ik daar dit boek van Armando van gekocht heb. Andere boeken die ik mij van mijn afscheid van de mavo herinner zijn: de biografie van Couperus door F.L. Bastet en de Verzamelde gedichten van Willem de Mérode.

Na Aantekeningen over de vijand was ik verkocht: ik wilde alles van Armando lezen. In dezelfde maand, december 1986 dus, kocht ik Machthebbers (1983) en Krijgsgewoel (1986). Heb ik toen ook meteen Uit Berlijn (1982) gekocht? Het is een soortgelijk boek: stukken die in NRC hebben gestaan. Voor in het boek staat alleen, dun in potlood, mijn naam. Later zou ik ook dat niet meer doen.

Iedereen die bovengenoemde boeken leest, zit meteen in de thematiek van het werk van Armando. Vaak wordt er een verband gelegd met de Tweede Wereldoorlog. Als kind groeide de schrijver immers op in de buurt van kamp Amersfoort. Later zou hij er met Hans Verhagen een documentaire over maken en daar kwam weer een boek van uit: Geschiedenis van een plek (1980). Dat heb ik ooit de bibliotheek geleend.

De jongen met het mes

In De straat en het struikgewas komt een jongen voor, die best de schrijver zou kunnen zijn. De jongen steekt een soldaat neer:
Ze liepen langs de bomen en langs het struikgewas, over een hobbelig en zanderig terrein met lange, gele grassprieten, de jongen voorop, de soldaat  met het pistool achter 'm. De jongen deed of hij struikelde over een tak, hij greep met de ene hand naar z'n voet en met de andere hand naar z'n mes. De soldaat snauwde iets en schopte de jongen tegen z'n rug, greep 'm in z'n kraag om 'm overeind te trekken, de jongen draaide zich snel om en stak het mes diep in de buik van de soldaat.
Gelukkig maar dat het mes zo scherp was.
De soldaat greep naar het mes, maar de jongen schoof de bevende handen van de soldaat met een ruk opzij en trok het mes er weer uit. Hij zag nog dat de soldaat op z'n knieën viel en hij rende weg, door het bos.
Onderweg stak hij het mes diep in de aarde.
Was Armando die jongen? Ik heb er ooit een journalist naar horen vragen. Het zou kunnen dat het Peter van Ingen was, toen Armando te gast was bij Zomergasten. Hij zei onverstoorbaar dat het 'een jongen' was. De presentator had het trouwens best lastig die avond, als ik het mij tenminste goed herinner. Als Armando een fragment had laten zien, zei Van Ingen bijvoorbeeld: 'De vraag is natuurlijk: waarom?' Waarop Armando antwoordde: 'Ja, dat dacht ik al', om vervolgens geen antwoord te geven. Op zo'n vraag kon hij ook antwoorden met 'Dat zou ik ook wel eens willen weten.'

In ieder geval vertelde Armando niet dat hij die jongen was. Misschien was hij het ook niet. Het doet er waarschijnlijk niet toe. De oorlog was al dichtbij genoeg. De kleine Armando, die toen nog Herman Dirk van Dodeweerd heette, zag de plek waar hij speelde veranderd worden in een kamp. Zijn ouders hadden twee onderduikers in huis, die opgepakt werden. Armando zag de bewakers, zag de gevangenen, zag het kamp, zag de plek.

Schuldig landschap

En de bomen, die alles gezien hebben en niets gezegd hebben. 'Schuldig landschap' noemde hij dat, zowel in zijn boeken als in zijn beeldend werk. Daarover ben ik in de jaren tachtig en negentig ook meteen boeken gaan kopen, bijvoorbeeld Armando, schilder-schrijver uit 1985. Vooral de rand van het woud kon de vijand zien. Er zijn dan ook verschillende schilderijen die 'Waldrand' heten. We komen ook titels tegen als 'Feindbeobachtung', 'Gefechtsfeld' en dus ook 'Schuldig landschap'.

De uitdrukking 'schuldig landschap' werd gevleugeld en zong zich los van Armando: anderen namen hem over, maar tegelijkertijd moet iedereen bij 'schuldig landschap' aan Armando denken. Tientallen malen is hij erover ondervraagd en daar zal hij wel eens moe van geworden zijn. In 2006 schreef hij erover in Gedoe:
Schuldig 
De schaduwrijke woudzoom en het bladerdak spraken er schande van, tenminste, dat hoopte hij. De werkelijkheid was anders, ze spraken er géén schande van, hij wist wel beter, ze bekommerden zich nergens maar dan ook nergens om. Hij nam ze hun onverschilligheid nogal kwalijk. Niet dat ie ze 'schuldig' noemde zoals iemand dat ooit had gedaan, maar hij duidde het hun euvel, dat weet ik zeker.
Ik ken hem namelijk goed. Het is nog erger: soms denk ik dat ik 'hij' ben, al lopen we in tegengestelde richting. Ik ben moe. 

Hij schilderde ook vlagen ('Fahne'), die geëxposeerd werden in het Stedelijk museum in Amsterdam. Later zou Armando schrijven dat vlagen steeds meer op bijlen gaan lijken als je ze lang achter elkaar schildert. Grote zwarte valggen, zijn het. Vlaggen om achteraan te marcheren.

Dat Armando over de oorlog schrijft zal zeker te maken hebben met de Tweede Wereldoorlog, maar ze gaan daar niet over. In zijn werk heeft 'de oorlog' een bredere betekenis. Het is meer de aanduiding van de natuurlijke staat van de mens en in zijn tekeningen zie je de oorlog zelfs terug in het tekenproces, het gevecht dat in de lijnvoering zit, de weerstand die nauwelijks overwonnen is.

Daarover schreef ook Ernst van Alphen in Armando; Vormen van herinnering (2000), een doorwrocht boek, aanbevolen voor ieder die dieper wil doordringen in het werk van Armando.

De SS'ers

Het werk van Armando is zeer divers, maar je zou ook kunnen zeggen dat het steeds hetzelfde is, in een andere vorm. Een opmerkelijk boek is De SS'ers (1967, met Hans Sleutelaar). Armando had toen nog niet meer gepubliceerd dan Verzamelde gedichten (1964). Het boek bevat gesprekken met Nederlandse SS'ers, maar de samenstellers haalden alle vragen weg, zodat de oud-SS'ers ononderbroken aan het woord blijven. Vaak zijn de stukjes binnen de hoofdstukken vrij kort. Armando heeft altijd een voorliefde voor korte stukjes gehouden, waarover straks meer.

Het boek riep weerstand op. In De Volkskrant van 1 juli 1967 besprak B. Groen het boek in een recensie met de titel 'Nederlandse SS huilt uit aan de borst van Armando en Sleutelaar'.
Het boek pretendeert een beeld te geven van de Nederlandse SS in oorlogstijd maar is in wezen niet anders dan een verzameling wat huilerige, niet geslaagde rechtvaardigingen.
Groen vond dat de zwakheid van het boek zat in het zomaar laten praten van de SS'ers. Dat zal ook het schokkende geweest zijn. In zijn stukjes uit Berlijn zou Armando, een kleine twintig jaar later ook 'Flarden' opnemen, opgetekende gesprekken. Geen duiding, geen kader; de lezer moet maar zien wat hij ermee doet. Het lijkt me een krachtig middel om de lezer aan het werk te zetten.

Hans van Straten noemde het in Het vrije volk van 15 juli 1967 'een knap interviewboek'. In het Limburgs Dagblad van 9 augustus schreef S.B. dat het boek geen antwoord geeft op de vraag wat lammeren in tijgers kon veranderen. De recensent signaleerde ook een 'Jan Cremeriaaanse' verteltrant, een zekere verlekkerdheid waarmee de gruwelen aan het front beschreven werden.

De recensent in Trouw van 20 juli 1967 achtte De SS'ers 'een gevaarlijk boek zonder tegenspraak'. In een kort stukje in het Algemeen Handelsblad wordt gezegd dat het hier geen gesprekken met oud-SS'ers betreft: 'men kan ze doodgewoon SS-er noemen'. Het stuk dat er in de Friese koerier aan gewijd wordt, eindigt met:


Waarnemen

De SS'ers past goed in het werk van Armando: observeren, waarnemen wat er om je heen gebeurt. Niet meteen oordelen, omdat dat het waarnemen in de weg staat. En tegelijk weten dat de ander net zo min te vertrouwen is als jijzelf.

Je weet al hoe het met de mensheid is en elke keer word je er opnieuw mee geconfronteerd. Nog steeds leidt het tot verbazing.  Armando heeft het in veel gedichten en in korte stukjes verwoord. In mijn boekenkast vind ik bundels terug als De haperende schepping (2003), Het wel en wee (2005), Gedoe (2006), Soms (2007), Nee (2008), Gedichten 2009 (2009), Eindelijk (2009) en Stemmen (2013).

Uit Eindelijk:
Gelijk 

Hij redeneerde en redeneerde, hij bezwoer, hij zwetste, hij leuterde. Ofschoon ik met een half oor luisterde, gaf ik hem gelijk, want mijn ondervinding is dat iedereen gelijk heeft. Ik soms ook. 
Ik denk dat het schrijven in korte stukjes, in momentopnamen, wel goed past bij wat Armando te vertellen heeft: er is geen groot verhaal, geen doorgaande lijn, zelfs een beroep op causaliteit is verdacht. De dingen gebeuren.

Mensen doen dingen en het heeft geen zin om naar redenen te vragen. Ze doen ze en dat is genoeg. Armando was wars van psychologiseren en was in zijn werk ook nooit op zoek naar zijn eigen drijfveren.

Uit Nee:
Ik weet nog steeds niet wie ik ben, en ik heb het voor zover mij bekend nooit geweten. 

Een weerzinwekkend schepsel

En soms zijn de dingen die gebeuren verschrikkelijk, maar dat is niet zo gek. De mens deugt immers niet.
Uit Gedoe:
Na indringende onderzoeken is het allang bekend dat de mens, op enkele uitzonderingen na, een minderwaardig, zo niet weerzinwekkend schepsel is. Daarom houd ik me bezig, liever gezegd moet ik me helaas bezighouden met een opvallende eigenschap van de mens, namelijk dat hij of zij met het grootste gemak de ander verraadt. 
Dat de mens een weerzinwekkend schepsel is, lijkt vooral een constatering, niet een emotionele afwijzing. Armando heeft niet zoveel op met emoties. Ook een emotie is immers een interpretatie van de aanleiding ervan. We hebben maar te accepteren dat de zaken zijn zoals ze zijn. We hoeven ons er niet tegen te verzetten, we kunnen ons er hooguit over verbazen.

Uit Eindelijk:
Opdracht 
Ik zeg het je midden in je smoel: ik ben op de wereld gekomen om me te verbazen. Ik heb kennelijk een opdracht meegekregen en die luidt: verbaas je en zet die verbazing om in kunst.
Want kun je me uitleggen waarom ik me dan zo druk heb gemaakt m'n leven lang? Ik vraag me dat op neerslachtige momenten af. Nee, ik heb die idiote opdracht maar te aanvaarden.
Met tegenzin, dat wel, laten we elkaar goed begrijpen. Ik vind dat juk, want het is een juk, soms net een schrikbewind, maar vertel het niet verder alsjeblieft, want dan krijg ik de grootste last.
Ondanks alles zing ik een kwiek lied. 
Je zou Armando een brenger van een sombere boodschap kunnen noemen, maar het is ook de zanger van een kwiek lied. Ik vind het werk van Armando uiterst geestig, ondanks de donkere ondertoon. Of misschien wel door die donkerheid.


Humor

De humoristische kant van Armando werd het bekendst door Herenleed, met Cherry Duyns en Johnny van Doorn. Op YouTube zijn verschillende voorbeelden te vinden. Ook zonder beeld blijven de teksten overeind. Ik heb verschillende dialogen met veel plezier voorgelezen aan mijn leerlingen en een enkele keer schiet mij, bij het aantrekken van een sok de zinsnede 'een omlfoerstheid van wol' te binnen.

De dialogen zijn we 'absurd' genoemd en dat zijn ze ook. Maar het absurde is voor Armando een gegeven van het leven. Hij kan de dingen die wij gewoon vinden met verbazing waarnemen en wat wij absurd noemen weergeven alsof het gewoon is.

Een voorbeeld ('De damesgestalte') vindt u hier.

Genoeg. En nooit genoeg. Armando was een veelzijdig kunstenaar, met een hecht oeuvre. Het is het lezen en herlezen waard. Hopelijk komt dat ervan, ook bij mensen die zijn werk tot nu toe ongelezen lieten.

Tot slot een stukje uit Gedoe:
Onherbergzaam 
Als ik erop terugkijk, op m'n zogenaamde bonte leven, dan kan ik het met één woord samenvatten en dat woord luidt: 'onherbergzaam'.
Ja, wat dacht je dan. Natuurlijk was het, en is het nog steeds, onherbergzaam, dat valt niet te ontkennen. Als je goed oplet merk je het. En dan kun je wel net doen alsof het niet zo is: het is wel zo, het is onherbergzaam. Maar, en ik zeg het met nadruk, wees niet treurig. Ben je mal. Nee, hoor.
Waarom kijk ik eigenlijk terug op m'n leven, waarom. Daar is geen enkele reden toe. Weet je wat het is? Opschepperij, dat is het. Trek je d'r niks van aan.

Wat ik ooit in het Nederlands Dagblad over Armando schreef, is verdwenen achter de betaalmuur. Op de site van Liter schreef ik over Stemmen, net als op Bunt Blogt.

De foto van Armando is beschikbaar gesteld door Conny Meslier. Haar site vindt u hier.

vrijdag 13 juli 2018

Iris (Lo Hartog van Banda / Thé Tjong Khing)


De ondertitel van Iris is 'Een roman voor kijkers' en dat is helemaal terecht. Al bij het doorbladeren van het boek raak je onder de indruk van de tekeningen: de felle kleuren, de sierlijke lijnen, de hallucinante beelden - elk plaatje is een kunstwerk.

Iris is een beeldroman, getekend door Thé Tjong Khing, naar een scenario van Lo Hartog van Banda. Het zijn niet de eersten de besten. Onder deze bijdrage plaats ik links naar werk van dit tweetal dat ik eerder besprak. Zowel scenarioschrijver als tekenaar lijken in Iris het beste uit zichzelf gehaald te hebben.

Wie door het boek bladert waant zich terug in de jaren zestig en dat is niet zo vreemd. Iris werd gepubliceerd in 1968. Het woord 'psychedelisch' dringt zich op: de droombeelden, de kleuren, de vloeiende lijnen. Dit boek is de jaren zestig.

Het meisje Iris komt terecht in handen van iemand die geld aan haar wil verdienen. Zij moet het nieuwe idool worden, maar het gaat niet om haar maar om het beeld dat van haar gecreëerd wordt. Haar vriend Mark probeert haar te bevrijden.

Identiteit en imago

Het probleem is hedendaags: identiteit en imago kunnen ver uit elkaar lopen en het imago is wat het publiek voorgeschoteld krijgt. Mark gaat de strijd aan en hij krijgt Iris inderdaad te pakken, maar uiteindelijk wint de amusementsindustrie. Opwekkend is de strekking van het verhaal niet. Toch wordt het nergens al te zwaar. Wellicht komt dat ook door  het kleurgebruik: met zulke uitbundige kleuren zonder nuancering komt er al gauw een zekere lichtheid over je.

Iris wordt gereduceerd tot een beeld: er worden poppen van haar verkocht en bij het optreden ziet het publiek een soort hologram. Met de begrippen beeld en werkelijkheid wordt het hele boek door gespeeld: maskers, verkleedpartijen, pruiken. In het begin lijkt Iris bijvoorbeeld als twee druppels water op Twiggy, met haar korte blonde haar, maar later heeft ze lang zwart haar.

In de wereld die Banda gecreëerd heeft liggen de taboes anders dan in de werkelijke wereld. Niet op seks bijvoorbeeld, maar wel op het niet dragen van een pruik. Je zou ook kunnen zeggen dat in die maatschappij echtheid vermeden moet worden. Onze sympathie ligt dan automatisch bij Mark, met zijn oprechte gevoelens voor Iris.

Dossier

Iris is een prachtig boek: niet alleen is het een intrigerend verhaal dat heerlijk getekend is, maar er is ook een uitgebreid dossier (door Rudy Vrooman) aan toegevoegd. We krijgen veel informatie over de tijd van ontstaan, met veel voorbeelden van iconische vrouwen die in strips terechtgekomen zijn. Een bekend voorbeeld is Brigitte Bardot, die duidelijk herkenbaar is in Barbarella. Françoise Hardy kende ik alleen van enkele  nummers uit de Top 40 ('Tous les garçons et les filles'), maar ik had er geen idee van dat ze ook een stijlicoon is geweest. Het dossier gaat er uitgebreid op in, evenals op de personen die Khing gebruikte als voorbeeld voor zijn personages.

Ook de link met de Pop Art is duidelijk. Vrooman maakt die  expliciet. In het dossier wordt Iris in een context geplaatst, waardoor je weet in welke culturele omgeving het album indertijd ontstaan is. Juist omdat het verhaal aanspreekt, wil je er als lezer zoveel mogelijk van weten en ik heb het complete boek dan ook bijzonder geïnteresseerd gelezen.

Natuurlijk komen we ook meer te weten over Khing en we krijgen zelfs enkele pagina's van de kleurenstrip Arman & Ilva, die ook opmerkelijk is door het kleurgebruik.

Deze uitgave van Iris is voorbeeldig: mooi vormgegeven en vooral een complete uitgave, waarbij alles wat je zou willen lezen over de tijd, over de strip, over de tekenaar en de scenarist er gewoon in staat. Een boek dat je niet uit hebt, als je het gelezen hebt, maar waarin je opnieuw gaat bladeren en lezen. Heerlijk!
Mark vindt Iris terug. Misschien wel de bekendste tekening uit het album.



Tekening van Hanco Kolk als hommage aan Thé Tjong Khing
Eerder schreef ik over Arman & Ilva: Het bevroren verledenCamilla. En verder over Student Tijloos en Opa en Oma.

Titel: Iris. Een roman voor kijkers.
Scenario: Lo Hartog van Banda
Tekeningen: Thé Tjong Khing
Uitgeverij: Sherpa, Haarlem 2018
Groot format, hardcover, 160 blz. € 45,00

maandag 2 juli 2018

Dichten met de wind mee (Harry Oonk)


Harry Oonk was de afgelopen drie jaren stadsdichter van Ede. Hoe hij dat werd, leest u hier. Het gebeurde tijdens een verkiezingsavond waarop hij verschillende ronden lang met meerderheid van stemmen verkozen werd en ook de jury wilde hem als stadsdichter. Jammer genoeg werd indertijd de uitslag bekendgemaakt door een wethouder die meende ook zelf een gedichtje in elkaar te moeten knutselen, maar die beschamende vertoning zijn we al half vergeten.

Dat Oonk stadsdichter werd, was niet zo verwonderlijk. Hij schrijft gedichten die je na de eerste keer lezen of aanhoren snapt, er zit vaak humor in zijn werk en hij kan het prima op een podium brengen.

Aan het einde van zijn stadsdichtersperiode heeft Oonk een bundel uitgebracht, met daarin een keuze uit de gedichten van de laatste drie jaren: Dichten met de wind mee. Het zijn 73 gedichten geworden, met bij elk gedicht een afbeelding, meestal een tekening die Oonk op de computer maakte/bewerkte.

Stadsdichtersgedichten

Wat precies de eisen zijn die aan een stadsdichter gesteld worden, is niet helemaal helder, maar je zou je kunnen voorstellen dat hij bij belangrijke gebeurtenissen binnen de gemeente een gedicht schrijft. Laten we zeggen: vier keer per jaar.

Maar in Dichten met de wind mee vinden we slechts vier gedichten die je zou kunnen verbinden met het stadsdichterschap: 'Ede', 'Stadsdichterstrots', 'Koopzonden in Ede', 'Vader en dichter'. Afgaand op mijn geheugen meen ik bovendien te kunnen zeggen dat minstens een van die gedichten al geschreven werd in de strijd om het stadsdichterschap. Mogelijk gaat het zelfs om twee gedichten.

We kunnen ook nog 'De schaamte voorbij' meerekenen, dat inhoudelijk weliswaar niets met Ede van doen heeft, maar het is wel geschreven voor het Taalhuis en vervult dus wel een functie binnen de Edese gemeenschap.

Al met al is het aantal stadsdichtersgedichten nogal schamel. Wellicht heeft Harry Oonk, die een veelschrijver is, meer stadsgedichten geschreven, maar zijn die niet door de selectie gekomen. Dan is er niets aan te merken op zijn productie als stadsdichter, maar kennelijk wel op de kwaliteit van de stadsgedichten.

Beeldspraak

Oonk is een voorleesdichter: zijn gedichten moeten het hebben van het horen. Dan bereiken ze de luisteraar vrij gemakkelijk. Ze zijn eenvoudig, zodat ze goed te volgen zijn en geen nadenken vereisen.

Op papier wordt het al lastiger. Een gedichtje lezen gaat vaak nog wel, maar bij herlezing valt het meestal door de mand: soms is het inhoudelijk schriel en vaak is de beeldspraak niet consistent. Dan krijg je een strofe als:
Uit de kerkers van mijn grijze brij,
sprokkel ik botjes van toen en ooit.
De weke delen zijn vergaan,
maar het juichen vergeet je nooit.
'Geheugen' heet het gedicht en het onderwerp wordt uit deze strofe ook al duidelijk. De 'kerkers' en de 'grijze brij' verwijzen natuurlijk naar de opbergruimte diep in het geheugen. Maar de twee beelden passen niet bij elkaar: kerkers in brij - dat zie ik nog niet gebeuren.

De dichter sprokkelt botjes. Hij vertelt ons dat 'de weke delen' zijn vergaan, maar dat zal wel niet het merg van het bot zijn, maar dat wat om het bot heen zat. En dan de wonderlijke zin 'Maar het juichen vergeet je nooit'. Het gaat hier toch juist om het bij elkaar sprokkelen van herinneringen? Dan is dat 'Maar' vreemd gekozen. Ook is mij niet duidelijk wat het juichen met de botjes te maken heeft.

De laatste strofe begint met: 'In de rimpels van mijn geheugen / spelen plaatjes, door de klok gezeefd.' Het gaat mij hier nu even niet over de gezeefde plaatjes, al is dat dubieus geformuleerd, maar om de herhaling: we krijgen geen nieuw inzicht, maar iets wat al eerder in het gedicht te lezen is geweest.

In een aantal gedichten van Oonk is er geen ontwikkeling, maar wordt in de verschillende strofen steeds hetzelfde gezegd, maar dan met andere woorden. Dat is in dit gedicht ook min of meer het geval. Daar wordt het gedicht niet altijd beter van. De dichter kan namelijk net zo lang variëren als hij wil; een gedicht had ook korter of langer kunnen zijn, waarmee de uiteindelijke versie wat toevalligs krijgt.

Wel blijkt daaruit het taalplezier, dat in veel van de gedichten aan te treffen is: woordspelingen, associaties, paradoxen, taalgrapjes - Oonk weet er wel raad mee. Ze doen het natuurlijk ook goed bij het voorlezen.

In het gedicht 'Stadsdichterstrots' schrijft Oonk: 'poëzie is niet bedoeld / voor boodschappen of berichten', Maar Oonk is bepaald niet vies van boodschappen al is het maar een minimale boodschap als 'We moeten helemaal niks'. Maar meestal houdt hij het bij observaties en een gedachte erover.

Geen pretentie 

Ik denk niet na over
of ik kunst maak,
of pruts of knutsel.
Ik maak maar wat.
Laat anderen bepalen
of het wat doet of niet. (...)
Dat schrijft Harry Oonk in 'Ist das Kunst oder kann das weg?' Het tekent de bescheiden opvatting die hij heeft over zijn dichterschap. Of het kunst is maakt hem niet uit. Hij knutselt wat met de taal en beleeft daar plezier aan.

Het is maar goed dat Oonk geen literaire pretentie heeft: zijn gedichtjes zijn amusement, aardig om te lezen of te horen, maar bij nauwkeurige lezing vallen ze als poëzie door de mand.

Wellicht heeft Oonk dezelfde houding ten opzichte van zijn tekeningen. Ook die zijn soms grappig en ze doen het aardig als illustratie, maar met kunst heeft het allemaal niet veel te maken. Daarvoor zijn ze te eenduidig of ligt het bedoelde effect er te dik op. Het kleurgebruik is vaak uitbundig en in sommige gevallen veel te bont (zoals bijvoorbeeld op het omslag). Binnen in de bundel zijn de illustraties overigens in zwartwit.

Vaak zijn er op de tekeningen mensen afgebeeld die dicht bij de dichter staan of die hij bewondert. Hij kan ook boeiend over hen vertellen. Ik hoor Oonk dan ook liever praten over bijvoorbeeld Goethe dan dat ik het betreffende gedichtje lees of de illustratie bekijk. Ik denk dat de tekeningen niet zozeer waarde hebben als afzonderlijke werkjes, maar samen geven ze wel een beeld van de dichter en van wat hem dierbaar is.

Publiek

Ongetwijfeld is er voor Dichten met de wind mee een publiek, zoals er ook voor de versjes van Toon Hermans indertijd publiek was. Het zullen vaak niet de gebruikelijke poëzielezers zijn, maar mensen die lol beleven aan het spelen met taal en die best af en toe een gedichtje willen lezen, als daar verder niet te veel over nagedacht hoeft te worden.

Mij zijn de gedichtjes te flodderig, wat zal komen door het hoge tempo waarin Oonk schrijft. Maar iets langer nadenken, iets meer schrappen, iets meer vijlen had ongetwijfeld betere gedichten opgeleverd. En wellicht ook gedichten die je nog eens kunt herlezen en waarin dan ook nog iets nieuws te ontdekken is. Nu lijkt alles opgeofferd aan de toegankelijkheid.

Dichten met de wind mee heet de bundel en dat lijkt te wijzen op het kiezen van de gemakkelijke weg: de dichter waait mee met de woorden. Ik zou gewenst hebben dat Oonk vaker de tegenwind had opgezocht, eigenzinniger was geweest, geen genoegen had genomen met 'wel aardig'. Dat zou de bundel ongetwijfeld interessanter hebben gemaakt.


De vorige bundel van Harry Oonk, Gediggies, besprak ik hier. En hier de bundel van de vorige stadsdichter, Arjan Keene.