vrijdag 6 december 2019

Podcast Papa en mama zijn gescheiden, Wat mij raakt, Café Boon





Papa en mama zijn gescheiden

Zes afleveringen telt de podcast Papa en mama zijn gescheiden. In alle afleveringen zijn kinderen van gescheiden ouders aan het woord. Zij vertellen hoe de scheiding van hun ouders verlopen is, hoe het nu met die twee is en wat het hele gedoe met de kinderen zelf heeft gedaan.

De podcast wordt gemaakt door Laura Kors. Ik moest af en toe een beetje wennen aan haar klinkers. Een woord als 'jammer' neigt dan naar 'jommer'. Maar daar kun je gemakkelijk doorheen luisteren. 

Openhartig

Kors begint bij zichzelf: ook zij is kind van gescheiden ouders. Haar moeder scheidde zelfs drie maal. Misschien zorgt dat er mede voor dat de kinderen best openhartig tegen haar zijn, al vermoed ik dat Kors gewoon een goede interviewer is, die kinderen ook wel over andere onderwerpen aan het woord had gekregen. 

De afleveringen hebben achtereenvolgens de titels 'De aanloop naar de scheiding,' 'Het gevoel te moeten kiezen,' Tussen twee huishoudens in,' 'Ze zijn weer verliefd,' 'Nieuwe familieleden,' en 'Tips van kinderen.' Dat is een logische en heldere volgorde.

Er komt een beperkt aantal kinderen aan het woord. Die kon ik eigenlijk niet uit elkaar houden, maar dat geeft ook niet. Het gaat niet om de individuele verhalen, maar om het palet aan ervaringen. Daarin zitten overeenkomsten, maar ook onderlinge verschillen. 

Nog steeds ruzie

Opvallend is dat enkele ouders, verschillende jaren na de scheiding, nog steeds op ruzieachtige manier met elkaar omgaan. Ik neem aan dat de ruzies mede een oorzaak waren om uit elkaar te gaan. Waarom men die dan toch in stand houdt, is wat duister. 

Het doet denken aan de graphic novel Hondsdol van Victor Meijer, die ik deze week besprak. Dat boek gaat over een kind van gescheiden ouders, dat een beetje tussen twee gezinnen in valt en op zoek is naar houvast. 

Het is mooi dat de serie besluit met de tips van de kinderen, die vertellen hoe je voordeel kunt halen uit een scheiding. Het is immers niet alleen maar ellende.

Papa en mama zijn gescheiden is een mooie podcast, die strikt het perspectief van het kind aanhoudt. Er is veel wijsheid en begrip te vinden in de kinderen en veel loyaliteit, soms op het schrijnende af. Het mooie is dat er zoveel aandacht is voor wat kinderen meemaken. Daar hoor je anders alleen verhalen van volwassenen over. Het is goed dat de kinderen nu zelf eens hun verhaal mogen doen. 

Voor verdere informatie: zie de site.



Wat mij raakt

Soms hoef je iemand maar weinig te vragen om een mooi verhaal te krijgen. De startvraag voor de podcast Wat mij raakt is blijkbaar: 'Wat raakt je?' en daar geven mensen dan antwoord op.

Dat levert zeven korte afleveringen op, elk van nog geen vijf minuten. Eerlijk gezegd had ik er niet heel veel van verwacht; obligate verhalen van mensen die ergens diep door geroerd zijn.

Maar het is me meegevallen. Misschien komt het door de diversiteit van de verhalen: van bekommernis om de aarde tot dingen uit het persoonlijke leven. Om antwoord te geven op de vraag 'Wat raakt je?' konden mensen zelf iets inspreken. Als er veel mensen gebeld hebben, kun je daar goed een selectie uit maken om op die manier de variatie te bewerkstelligen.

Die afwisseling maakt het beluisteren prettig. Misschien komt dat ook doordat het korte afleveringen zijn, die je snel even tussendoor kunt horen. Sterker nog: alle afleveringen na elkaar beluisteren zou tussendoor kunnen. 

Tijdsbeeld

De podcast is sober: drie korte antwoorden en verder niets. Het riep herinneringen op aan de podcast 1 minuut, waar ook mensen (soms ook kinderen) kort aan het woord komen. Als zo'n podcast lang loopt, zou die ook een tijdsbeeld kunnen geven: waardoor worden mensen geraakt en in hoeverre verandert dat in de loop van de jaren. Je kunt ja dan wel afvragen of wat de mensen vertellen typerend is of dat die juist laten zien wat er in een tijd uitzonderlijk is. Bij een podcast van deze lengte ontstaat zo'n beeld eigenlijk nog niet.

Aan de ene kant is het aardig om te luisteren naar Wat mij raakt en aan de andere kant zit er, door de korte bijdragen, ook een zekere vluchtigheid ingebakken, waardoor je zo weer vergeten bent wat je gehoord hebt.

Voor zover ik kan zien is de podcast na deze zeven afleveringen ook voorbij. Wie weet komt er ooit nog een vervolgje. Dat is gemakkelijk te maken, lijkt me, dus duur hoeft het niet te zijn.






Café Boon

Al eerder heb ik de loftrompet gestoken over de podcasts van de Belgische cultuurzender Klara, bijvoorbeeld toen ik schreef over Het hart van NapoleonVenezia en Cher Claude (over Debussy). Ik heb ook weer erg genoten van Café Boon.

Boon is natuurlijk Louis Paul Boon, een van de grote schrijvers van ons taalgebied. Op vier achtereenvolgende avonden zond Klara een uitzending over Boon uit. In mei was het namelijk veertig jaar geleden dat Boon overleden was.

Op elke avond stond een boek centraal: De Kapellekensbaan, Mijn kleine oorlog, Pieter  Daens en Mieke Maaikes obscene jeugd. Gespreksleiders waren Pat Donnez en Heleen Debruyne. In alle avonden werd de vraag gesteld of het werk van Boon nog relevant is.

Kapellekensbaan

Je zou kunnen zeggen dat De Kapellekensbaan symbool staat voor Vlaanderen, maar Vlaanderen heeft binnen Europa intussen misschien een andere plaats. Wat is er veranderd? Er is natuurlijk ook aandacht voor de vorm: de roman is, zeker voor die tijd, behoorlijk experimenteel van opzet.

In Mijn kleine oorlog gaat het om de sociale bewogenheid van Boon. Hij schreef eerst dat hij de mensen een geweten wou schoppen, maar zette daar later achter: 'Wat heeft het allemaal voor zin?'

In Pieter Daens bekommert de journalist Daens, broer van de priester Adolf Daens zich om de fabrieksarbeiders. Wat is de rol van de media nu?

Feminateek

De laatste avond gaat over Boon en de vrouwen. Hij verzamelde een Fenomenale Feminateek en Mieke Maaike is op haar negende als seksueel actief. Wat vinden we eigenlijk van de manier waarop Boon vrouwen portretteert?

Het zijn allemaal boeiende uitzendingen. Bij elke aflevering zijn er twee gasten, van wie er eentje werkelijk een kenner is van het werk van Boon (bijvoorbeeld zijn biograaf). Het levert boeiende gesprekken op, al had ik wel het idee dat Johan de Stoop (aflevering 2) liever over zijn eigen werk sprak dan over dat van Louis Paul Boon.

Er wordt niet omstandig uitgelegd waarover de boeken gaan. Een korte aanduiding en de rest wordt bekend verondersteld. Dat vond ik prettig. Ik vermoed dat mensen die het werk van Boon niet kennen overigens niet af hoeven te haken. In de loop van de gesprekken komt er veel van Boon boven water.

Van Boon heb ik verschillende boeken gelezen. Vooral van De Kapellekensbaan was ik onder de indruk. Ik heb indertijd meteen erna Zomer te Termuren gelezen. Door deze uitzendingen heb ik zin gekregen Boon weer te gaan lezen. Eens even kijken of er nog een ongelezen Boon in mijn boekenkast staat.

Alle uitzendingen (van een klein uurtje per stuk) vind je hier.

woensdag 4 december 2019

Smibanese woordenboek 2.0 (Soortkill)


Als ik het boek niet cadeau had gekregen, had ik het wellicht nooit gezien en dus ook niet gekocht en niet gelezen: het Smibanese woordenboek 2.0, geschreven door Soortkill. Nooit van deze man gehoord en ook nooit gehoord van Smibanese. Ik wist niet eens of je het moest uitspreken met een e-klank, of met een i-klank. Dat laatste, trouwens.

Het Smibanese woordenboek 2.0 is een woordenboek van straattaal. Er is al eerder een versie verschenen, vandaar die 2.0. Ik heb begrepen dat het vooral het werk is van een enkel persoon, Soortkill, een twintiger. Op detailniveau heb ik best wat aan te merken, maar eerst wil ik mijn bewondering uitspreken voor het gigantische werk dat hij verzet heeft. Het boek telt driehonderd bladzijden, waarvan 275 gevuld met de betekenis van woorden, uitdrukkingen, plaatsnamen en afkortingen.

De omslag van het boek is gemaakt door Wessel Rossen. We zien flatgebouwen die tegelijk boeken zijn. Het zijn flats zoals ze wel in de Bijlmer te vinden zijn. Die wijk heet tegenwoordig anders en in straattaal is de benaming Smib. Vandaar de titel.

Achterstevoren

Het boek is achterstevoren gedrukt. Daardoor wijkt het wel af van wat gebruikelijk is, maar ik heb het idee dat het verder niets toevoegt. Eigenlijk is alleen de volgorde van de bladzijden achterstevoren. De bladzijden zelf lees je nog steeds van boven naar beneden. Misschien was het consequenter geweest om de achterstevorenheid door te voeren op lemmaniveau in plaats van per bladzijde.

Eigenlijk vond ik het alleen maar lastig. Als je twee bladzijden naast elkaar leest, moet je van rechtsonder overspringen naar linksboven. Maar goed, het is een klein ongemak.

Van niet alle trefwoorden heb ik gecontroleerd of ze in de goede volgorde staan. Bij [merd] is er iets vreemds: dat komt twee keer voor; een keer op de juiste plaats en een keer na [merrie]. Ook [zakken] komt twee keer voor. Dat had in hetzelfde lemma gekund.

Uitspraak

Bij elk behandeld woord wordt de woordsoort genoemd en daarna krijgen we een aanduiding van de uitspraak. Vreemd genoeg wordt daar in de inleiding geen uitleg bij gegeven. Soms staat in de fonetische weergave een apostrof, wat ik uitgelegd heb als een accentteken. Maar helemaal kom ik er niet uit. Soms staan er meer apostrofs. Wil dat zeggen dat het woord meer accenten heeft? Achter [badpak] staat bijvoorbeeld: b'atp'ak. En wat te denken van b'atr'a b'ess'ev'e cr'ea'p? Voor mij werd het niet duidelijk.

Enkele keren krijgen we geen aanwijzing voor de uitspraak: bij bijvoorbeeld [boos], [brain], [douk], [fastmoney], [kwijt] en soms wist ik niet wat ik met de aanwijzing voor de uitspraak moest. Bij [gilla] staat g'illa en bij [gimma] gih'ma, wat suggereert dat de eerste klinker van beide woorden niet hetzelfde wordt uitgesproken. Maar hoe dat verschil klinkt, is mij niet duidelijk. Ook bij de woorden [glock] (g'lock) en [glok] (g'lok) is het verschil in uitspraak mij niet helder. Mij lijkt dat je het verschil tussen een ck-klank en een k-klank niet kunt horen.

Bij [held] staat hel'dt, maar hoe spreek je zo'n 'dt' uit? Iets soortgelijks doet zich voor bij de dubbel -n van [plan]: plann. Misschien was het toch beter geweest om de algemeen aanvaarde uitspraakaanduidingen bij woordenboeken te gebruiken dan er zelf eentje in elkaar te knutselen.

Woordsoorten

De aanduiding van de woordsoorten is op zijn zachtst gezegd niet vlekkeloos. Enkele voorbeelden [blokjesswag] (bnw.) 'kleding van Luis Vuitton'. Uit de omschrijving van de betekenis blijkt al dat het om een zelfstandig naamwoord moet gaan. Achter [selfmade] staat (znw.), maar de voorbeelden geven alleen maar bijvoeglijke naamwoorden.

Als de goede woordsoort achter het woord staat vermeld, gaat Soortkill soms in de fout bij de beschrijving van de betekenis. bij [lomp] en [materialistisch] staat keurig (bnw.), maar de betekenis begint met 'een persoon die...' alsof het om een zelfstandig naamwoord zou gaan. Uit de voorbeelden blijkt dan dat het toch een bijvoeglijk naamwoord betreft. Hetzelfde zien we bij [viral] (bnw.): 'content die...' en bij [strippen] (ww.): 'iemand die zich uitkleedt.'

Bij werkwoorden zou eigenlijk altijd het hele werkwoord vermeld moeten worden, maar bijvoorbeeld [baren] -schreeuwen- staat er niet in. Dat is ondergebracht bij [baar].

Betekenis

Na woordsoort en uitspraak volgt de betekenis of volgen de betekenissen. Daarna worden er voorbeelden gegeven. Mogelijk zijn dat citaten uit rapteksten, maar de bron wordt niet vermeld. Die twee samen (betekenissen/citaten) vormen de kern van Smibanese woordenboek 2.0 en ze bevatten een schat aan informatie. Juist de citaten maken duidelijk in welke context de woorden gebruikt kunnen worden.

Ook hier heb ik wel weer wat aan te merken, niet om te zeuren, maar omdat ik vermoed dat er ook nog wel een versie 3.0 komt. Ik zie dit woordenboek als een werk in uitvoering, dat steeds vollediger en steeds beter zal worden. De versie die we nu hebben, bevat al veel informatie die elders niet zo gestructureerd te vinden is.

In het woordenboekgedeelte komen niet alleen woorden met hun betekenis voor, maar er zijn ook encyclopedische lemma's, die bijvoorbeeld op personen ingaan. Juist als dat personen uit de hiphopcultuur zijn, is dat wel gepast, maar misschien hadden die lemma's beter in een aparte afdeling gekund.

Tijdloos

Bovendien moeten de omschrijvingen wel zo zijn dat ze tijdloos zijn. Bij [Hef] staat: 'Hef Bundy, een 32-jarige rapper uit Hoogvliet, Rotterdam.' Zo gauw hij jarig is geweest, is de omschrijving gedateerd.

In een straattaalwoordenboek zouden alleen lemma's moeten voorkomen van woorden die exclusief zijn voor straattaal of die in die taal een eigen betekenis hebben. Jammer genoeg komen er ook woorden in voor die in het Nederlands exact hetzelfde betekenen. Dat geldt bijvoorbeeld voor: [economie], [iets], [isis], [jaloezie], [Jellinek], [kakken], [lachgas], [lullen], [materialistisch], [optie], [pissen], [racist], [Twitter], [Über], [vmbo-k].

Mening

Soms lijken woorden opgenomen omdat de beschrijver zijn mening wil geven. Bij [jaloezie]: 'helaas een van de sterkst heersende emotie [sic] tussen niggas onderling.' Bij [mazi] lezen we: 'een kankerdomme Italiaanse auto van het merk Maserati.' Ik denk dat een woordenboek niet bedoeld is voor meningen ('helaas', 'kankerdomme') en ook niet om leuk te doen. Dat helpt niet als je wilt dat het woordenboek serieus genomen wordt.

De humor in de citaten is natuurlijk prima en die werkt ook goed. Maar bij de beschrijving van de betekenis zou helderheid voorop moeten staan. Bij [doobie] luidt de eerste omschrijving: 'een wonderbaarlijk brandende consistentie die door inhalatie een sterke sensatie opwekt, wat in veel gevallen gepaard gaat met een gevoel van geluk.' Dat maakt weinig duidelijk.

Het woord 'consistentie' lijkt me hier niet correct. Wordt er 'substantie' bedoeld? Uit de voorbeelden blijkt verder dat er met [doobie] een joint wordt bedoeld. Maar wat je inhaleert is niet de joint.

Vreemd

Soms was ik verbaasd over een betekenis: bij [shooter] lees ik: 'een nigger die met iemand is die een wapen op zak heeft, en nooit huiverig is om hem te gebruiken.' Dus je bent niet een shooter als je gewapend bent, maar als er iemand naast je loopt die gewapend is. Dat bevreemdt mij.

Bij [head] staat als woordsoort 'ww.' en als betekenis: 'hoofd krijgen'. Maar uit de voorbeelden blijkt dat niet [head] het werkwoord is, maar [head geven]. Het is vreemd dat dat juist 'hoofd krijgen' betekent.

Bij [brokko gaan] is de betekenis 'stukgaan van het lachen'. Een voorbeeld is: 'Me telefoon is al een tijdje brokko'. Dat is voor het eerst dat ik lees over een telefoon die bezwijkt onder een lachstuip.

Ontbrekend

Soms wordt in betekenissen verwezen naar een ander trefwoord. Die woorden worden niet altijd in het woordenboek behandeld. Bij [snol] wordt verwezen naar [lons] en bij [haze] naar [loudpack], maar die woorden komen verder niet terug.

Helemaal ontbreken: [sjembek], dat ik ken van de Jeugd van Tegenwoordig, en [shout-out], dat alleen terugkomt bij de afkortingen. Wellicht ontbreekt er meer, maar dat kan ik niet beoordelen.

Engels
In het Smibanese zijn er verschillende woorden die terug te leiden zijn naar het Engels. [backa] terug(gaan), [backitop] je bil op iemands erogene zone drukken, [bika] fiets, [bradda] broer, [dadda] vader, [liqa] alcoholische dranken, [loekoe] kijken, [payen] betalen, [picca], foto, afbeelding. Sommige van die woorden hebben intussen wel de Nederlandse uitspraak: [backa], [payen].

Ik neem aan dat die vernedelandsing van de uitspraak een ontwikkeling is. [Fashion] wordt nog uitgesproken als 'fe'sh'ion', maar bij [fancy] is er al de Nederlandse a-klank. Opmerkelijk is dat [flawless] uitgesproken wordt als 'flah'ness', waarbij mij weer niet duidelijk is hoe je zo'n dubbel -s dan uitspreekt.

Omdraaien

Opmerkelijk veel woorden in het Smibanees zijn ontstaan door het omdraaien van woorden of het door elkaar husselen van lettergrepen. Ik geef een uitgebreide lijst, waarvan ik niet pretendeer dat die compleet is. Er zullen er wel meer staan in het Smibanese woordenboek 2.0, maar alleen deze heb ik genoteerd. Erachter zet ik het oorspronkelijke woord en zo nodig de betekenis.
[akdov] vodka, [ams] sma, meisje, [am] ma, moeder, [ap] pa, [asof] fosa, jonge god, [arrap] parra, paranoïde, boos, [assif] fissa, feest, [deerb] breed, [deim] meid, [diem] meid, [dgaam] maagd, [dliw] wild, [doeg] (goed), [doul] loud, [drah] hard, [duih] huid, [duo] oud, [feeb] beef, ruzie, [feen] neef, [fits] stiff, stijf, [fots] stof, [gaal] laag, [gaarv] vraag, [glov] vlog, [gnal] lang, [gnaps] spang, lekker, [goerv] vroeg, [ijlb] blij, [kab] bak, auto, [keg] gek, [kols] slok, [leig] geil, [lens] snel, [lik] kill, gozer, [lip] pil, drug in de vorm van een pil, [lov] vol, [merd] derm, sterk, [mod] dom, [moorts] stroom, [naals] slaan, [neets] steen, hasjblok, [neilk] klein, [nek] ken, van kennen, [nijp] pijn, [nuip] puin, puinhoop, [nute] tune, [od] dough, geld, [ome] emo, [ottof] fotto, stad ,[raalk] klaar, [rev] ver), [rieb] bier, [rieh] hier, [ruud] duur, [ruup] puur, [saab] baas, [skin] niks, [snol] lons, [soob] boos, [sub] bus, [taal] laat, [taalp] plaat, [teab] beat, [teeh] heet, [toem] moet, [toorg] groot, [tui] uit, [tuib] buit, [Us] Su, Suriname, [yob] (boy)
Opvallend is dat het omkeren soms op letterniveau gebeurt (meid -> diem), maar vaker op klankniveau (meid -> deim). Het omkeren is zo kenmerkend dat dat ook een reden kan zijn waarom je het woordenboek achterstevoren moet lezen. 

Husselen

Nog meer gehussel. Bij veel woorden wordt de eerste lettergreep omgedraaid, maar blijft de uitgang hetzelfde. 
[comro] mokro, Marokkaan, [cyla] lycamobile, [doby] body, [doce] code, [domel] model, [fiwey] wifey, [ginner] nigger, [ioege] goeie, [ijoerba] broeja, verwarring, [kalle] lakken, iets betalen, [kannen] nakken, iets stelen, iemand verslaan, [karbie] barkie, honderd, [keunen] neuken, [knorden] dronken, [koboe] bokoe, alle Afrikanen [koomsen] smoken, [koren] roken, [labbie] ballie, voetbal, [lakkie] kallie, joint, [lavven] vallen, [lebben] bellen, [lichen] chillen, [ligga] gilla, geil, [loca] cola, [loeven] voelen, [lommy] molly, xtc [lopo] polo, [mafilie] familie, [Mijjy] Jimmy, Jimmy Woo, [moken] komen, [naku] kanu, pistool, [nibbe] binnen, [nippen] pinnen, [noepie] poenie, kutje, [noezen] zoenen, [piewen] wiepen, seks hebben, [polen] lopen, [rappa] parra, paranoïde, boos, Paradiso, [riewie] wierie, wiet, [rotie] torie, verhaal, [sijhen] hijsen, [stolfen] flotsen, neuken, [tabbie] battie, homoseksuele man, [tammen] matten, [tarpen] praten, [tippen] pitten, [toergen] groeten, [wouben] bouwen, [yappen] payen, betalen, [yub(en)] buyen, kopen.
In enkele woorden zijn de letters op nog een andere manier door elkaar geroerd:
[knalbe] blank, [leesp] speels, [motro] motor, [ornop] porno, [pigrou] groupie, [stav] vast, vastzitten [Stoo], Amsterdam-Oost.
Ook in uitdrukkingen komt het omdraaien van woorden of een deel ervan voor:
[Je gaat mah.] Je gaat ham, je oefent invloed uit.
[Leb me.] Bel me.
[op je duih] op je huid, geen ruimte laten voor iemand
[Woub het breed] Bouw het breed, draai een dikke joint.
[Woub stie] Bouw iets.
Soms is er een getal opgenomen in de spelling van een woord. Enkele voorbeelden: [le7nesh], [ma3seb], [sel3a]. Dat heb ik niet steeds genoteerd, dus ook daar zullen meer voorbeelden van zijn.

Door de vele voorbeelden is duidelijk dat er een systeem zit in de straattaal. Voor wie er aandacht voor heeft is te herleiden waar de woorden vandaan komen, maar voor een oppervlakkige lezer/luisteraar is er niets van te maken.

Je kunt zeggen dat straattaal op die manier mensen buitensluit, maar ik denk dat het insluiten van mensen nog veel meer opgaat: wie de taal spreekt, hoort erbij, is deel van de groep. Taal is een van de groepskenmerken, zoals misschien ook kleding of voorkeur voor muziek dat is.

Uitleiding

Aan het eind van het boek is er nog een uitleiding, met wat informatie over de Bijlmer en over de Smibanese University. De vraag is of dat wel functioneel is in een boek dat toch in de eerste plaats een woordenboek is. Mij boeide het wat minder.

Aan de andere kant wil Smibanese woordenboek 2.0 waarschijnlijk niet alleen woorden verklaren, maar ook een opening geven naar een cultuur. De 'hood' (de buurt) is daarbij belangrijk. Daar ligt immers je loyaliteit. Muziek is daarin niet alleen een uitingsvorm, maar ook een manier om te laten zien dat je er bent. De teksten hebben dus ook een emancipatorisch karakter.

Eerlijk gezegd ben ik niet dol op Nederlandse rappers, omdat ik Nederlandstalige teksten beoordeel als was ik een poëzieredacteur. Dan vallen veel liedteksten door de mand. Maar dat geldt ook voor teksten van witte artiesten. Ooit heb ik geschreven over het lied Laura van Jan Smit. Als je dat tot op de millimeter gaat bekijken blijft er ook niets over.

Misschien is het daarom zinvoller om te kijken naar hoe de teksten functioneren, wat ze uitdragen en wat ze doen, niet alleen voor de rapper, maar ook voor de groep. Natuurlijk zal er onder het koren van de rapteksten ook veel kaf te vinden zijn, maar wellicht hebben de beste teksten andere kwaliteiten dan waarop ik gewend ben een tekst te beoordelen.

Gigantisch karwei

In ieder geval heeft Soortkill een gigantisch karwei geklaard. Die klus is nog niet af en die komt misschien ook niet af. Taal is voortdurend in beweging en woordenboeken lopen altijd achter de feiten aan.

Maar hij heeft wel een deel van de taal ontsloten dat voor veel Nederlanders een gesloten gebied is. Dit boek heeft een tweeledige werking. Aan de ene kant is het een trots boek, waarin de groep die gewoon is deze taal te gebruiken met opgeheven hoofd kan laten zien hoe die taal in elkaar zit en hoe subtiel sommige betekenisverschillen zijn.

Aan de andere kant is het ook een uitgestoken hand: we houden die taal niet voor onszelf. Wat wij te vertellen hebben, is ook bedoeld voor mensen die zich als buitenstaander beschouwen. Dat is een mooi gebaar. Daar mogen veel mensen dankbaar voor zijn.

Soortkill. Foto: Texas Schiffmacher. Foto beschikbaar gesteld door uitgeverij Pluim
Titel: Smibanese woordenboek 2.0
Auteur: Soortkill
Uitgever: Pluim
Amsterdam/Antwerpen 2019. 304 blz.; € 19,99

dinsdag 3 december 2019

Hondsdol (Victor Meijer)


Het is nooit een pretje als je ouders uit elkaar gaan en als ze eenmaal gescheiden zijn, wordt het niet altijd gemakkelijker. De hoofdpersoon van Hondsdol, een graphic novel van Victor Meijer, zit een beetje tussen twee ouders in. Moeder heeft elke keer een nieuwe vriend. Nu is het Arnold, met wie ze heel luidruchtig de liefde bedrijft. De jongen zal op een gegeven moment tegen zijn hond vertellen: 'Weet je, mama is met mannen een raceauto. Ze gaat keihard en vervolgens vliegt ze uit de bocht.'

Hij heeft ook nog een vader, die op loopafstand woont en bij wie hij dus gemakkelijk kan binnenwippen. Maar vader drinkt nogal en bovendien wil hij niets goeds over moeder horen. Hij geeft zijn zoon zelfs de opdracht om een wig te drijven tussen moeder en haar nieuwe vriend.

De enige van wie de jongen steun krijgt, is zijn nieuwe hond, Sinas, met wie hij lange gesprekken voert en die gelukkig ook gewoon terugpraat. Maar moeder wil Sinas absoluut niet in huis hebben.

Blauw en roze

Victor Meijer vertelt het verhaal in tekeningen die hoofdzakelijk zijn ingekleurd in blauwen. De roze Sinas steekt daar mooi bij af. Alsof in een koude wereld hij het enige is wat warmte verschaft. Verder zijn er wel gekleurde letters, bijvoorbeeld bij de teksten die moeder roept tijdens de veelvuldige vrijpartijen. Ze maken het geluid indringend, onontkoombaar.

Het blauw, dat vaak donker is, is ook een nachtkleur. Daardoor krijgt het het hele verhaal iets droomachtigs. Dat helpt de lezer waarschijnlijk om van de verhaalwerkelijkheid mee te gaan de verbeelding in. We zijn al in een droomsfeer en kijken dan niet meer vreemd op van onwaarschijnlijke gebeurtenissen.

De kaders van de tekeningen lijken strak, maar zijn met de hand getrokken, waardoor het al te strakke al verdwenen is. Kaders zonder strakke lijnen vergemakkelijken ook de indruk dat dit niet 'de' werkelijkheid is. Er zijn ook enkele tekeningen zonder kader.

Droom/werkelijkheid

Nadat moeder de hond de deur heeft gewezen, volgt er een wonderlijk avontuur, zonder tekst. Het zou werkelijkheid kunnen zijn, maar ook een droom of fantasie. Het lijkt een manier waarop de jongen probeert te ontsnappen aan de omstandigheden.

In het avontuur (zo blijf ik het maar even noemen) komt er bijvoorbeeld een meisje voor met veel schedels om zich om heen. De jongen en het meisje drinken zelfs hun limonade uit een schedel en het meisje danst met geraamten. Blijkbaar gaat ze vertrouwelijk om met de dood en somber is die dood bepaald niet.

Heeft de jongen doodsfantasieën? Ziet hij de dood als mogelijkheid nu het leven zo lastig is? Uiteindelijk neemt hij afscheid van het meisje en gaat met Sinas naar zijn vader.

Weglopen

De situatie van de jongen lijkt uitzichtloos: zijn ouders zijn druk met hun eigen bezigheden en hij moet zichzelf maar zien te redden.  De jongen loopt weg van huis, samen met Sinas; ze zullen wel voor zichzelf zorgen. Sinas is na verloop van tijd zelfs van mening dat de ouders dood moeten. Hij is het hele boek roze geweest, maar nu groeit hij uit tot een reusachtige blauwe hond. Het is de koude woede van de jongen die hem doet uitgroeien.

Ook dit avontuur kan een kern van werkelijkheid bevatten, maar het kan ook een fantasie zijn. Eigenlijk maakt het niet uit. De fantasieën zullen voor de jongen ook wel werkelijk zijn. Maar hij kan niet langer meegaan in een gedachte waarin zijn ouders dood moeten; hij houdt van ze. Het zijn mensen die fouten maken, maar ze bedoelen het niet verkeerd.

Het is schrijnend en herkenbaar: de loyaliteit van een kind aan zijn ouders. Hij is de begripvolle, hij is degene die snapt waarom de ouders doen zoals ze doen. Het komt over als parentificatie. Bij die gedachten kan Sinas niet langer een roofdier zijn. Hij wordt weer het makke roze hondje.

Het leven moet geleefd worden en veel keus heb je daarin niet. Dat lijkt het inzicht dat de jongen opdoet. Dat is allemaal geen lolletje. Gelukkig heeft hij een hond.

Kind van gescheiden ouders

Victor Meijer heeft zich al eerder beziggehouden met de positie van een kind na de scheiding, in zijn roman Snoepreis. Daar is het de moeder die de vader zwart probeert te maken, in Hondsdol is het juist de vader die geen goed woord overheeft voor moeder.

De hond die symbolisch uitgroeit tot een roofdier, doet sterk denken aan Panter van Brecht Evens, waarin het gemis van een overleden moeder tastbaar wordt in een panter.

Het verhaal  van Meijer werkt goed, doordat alles wordt getoond, maar niets wordt uitgelegd. Dat zet de lezer aan het werk: hij moet meedenken met het verhaal, waardoor hij eigenlijk zelf meespeelt. Als lezer ben je het jongetje.

Geen uitleg

Uitleg stuurt niet alleen de lezer, maar reduceert ook het verhaal tot een enkele mogelijkheid. Daarom is het goed dat Victor Meijer zich verre houdt van uitleg. Hij toont het verhaal, de interpretatie is aan de lezer.

De jongen bevindt zich in een complexe situatie: hij heeft ouders aan wie hij niet zoveel lijkt te hebben, maar het zijn wel zijn ouders, ondanks de dingen die ze doen of nalaten. Die complexiteit laat Meijer bestaan: er wordt geen probleem opgelost; alleen in het denken van de jongen verandert iets.

Misschien heeft ieder van ons een hond in zich en het zou mooi zijn als we ons realiseren dat het belangrijk is wat we ermee doen: laten we hem uitgroeien tot een roofdier of wordt het een makker? Misschien steunt hij ons niet eens, maar hij is er tenminste. Dat is al wat.

Als toegift is er aan het eind van het boek nog een extraatje: enkele tekeningen en schetsen. Een toetje na een voedzame maaltijd.

Titel: Hondsdol
Tekst en tekeningen: Victor Meijer
Uitgever: Scratch Books
Amsterdam 2019, hardcover, 160 blz. € 29,90

vrijdag 29 november 2019

De dolende god (Fabrizio Dori)


De Bijbel, de Griekse en Romeinse mythen en sagen, en de sprookjes van Grimm en Andersen - die leveren de oerverhalen voor onze westerse fictie. Geen wonder dat je in allerlei romans, maar ook in graphic novels, verwijzingen tegenkomt.

Fabrizio Dori sluit met De dolende god nauw aan bij de klassieke godenwereld. Hoofdpersoon is Eustis, een sater uit het gezelschap rond de god Dionysos. Hij leeft echter in de mensenwereld en niet in een ver verleden, maar nu. Na een conflict met Artemis is hij naar 'onze' wereld verbannen.

In die wereld en in die tijd is Eustis natuurlijk niet helemaal op zijn plaats. Hij is dan ook een stevige drinker geworden, die in het open veld leeft. Wel komen er mensen langs om hem te consulteren; hij lijkt wijsheid te bezitten waarmee hij mensen kan helpen.

Queeste

Eustis krijgt overigens de kans van Hekate om terug te keren naar de godenwereld, maar dan moet hij wel een opdracht vervullen. Dat is het startpunt van een klassieke queeste: iemand moet een taak volbrengen en zal wellicht onderweg op nieuwe opdrachten stuiten. We kennen het uit de ridderromans, de jacht op de graal of op het zwevende schaakbord, maar het komt ook voor in bijvoorbeeld het jeugdboek Koning van Katoren van Jan Terlouw.

De queeste staat natuurlijk ook symbool voor de tocht die iedereen in zijn leven maakt: de opdrachten die op je weg komen, het doel dat je je gesteld hebt en dat je misschien wel nooit zult bereiken, hoe je moet omgaan met teleurstellingen, hoe je erachter komt dat misschien de zoektocht zelf het doel was.

Twee werkelijkheden

Eustis leeft in twee werkelijkheden, maar je kunt je afvragen of hij de enige is. Hij suggereert dat er ook anderen zijn die soms even kunnen kijken in een andere werkelijkheid, maar voor hen is dat niet te verdragen. Duidelijk is de verwijzing naar Vincent van Gogh, in wiens werk al te merken is hoe hij de dagelijkse werkelijkheid anders ervaart dan zijn medemensen. Prachtig is daarover geschreven door Jeroen Brouwers in de roman Winterlicht, die beschrijft hoe Van Gogh zich moest haasten, omdat het schot waarmee hij zichzelf uit het leven zou schieten al op hem wachtte.

In De dolende god mag Van Gogh een etmaal lang de wereld zien door de ogen van Eustis, maar hij kan het niet aan om de wereld in haar pure, woeste staat te zien. Dori tekent deze scène in de stijl van Van Gogh, waardoor de kunstenaar vanuit het dodenrijk lijkt door te dringen in de wereld van het boek.

Hoe langer je leest in het boek van Fabrizio Dori, hoe meer verwijzingen naar kunst je gaat zien. De vrouw op de titelpagina zou door Mucha getekend kunnen zijn, andere bladzijden doen aan Gauguin of aan Toorop denken, en er zijn ook tekeningen die verwijzen naar afbeeldingen uit de oudheid.

Het onbewuste

Eigenlijk staat het hele verhaal bol van de allusies: niet alleen naar kunstenaars en naar de godenwereld, maar ook Sigmund Freud wordt afgebeeld. Dat is natuurlijk niet voor niets. Je kunt zeggen dat de tocht van Eustis zich afspeelt in twee werelden buiten hem, maar het zouden natuurlijk ook innerlijke werelden kunnen zijn. Freud was degene die het onbewuste postuleerde, een wereld binnen ons waartoe we niet bewust toegang hebben, maar die wel invloed heeft.

De dolende god is een fantasierijk boek, waarin geen genoegen wordt genomen met de dagelijkse werkelijkheid. Misschien moeten we allemaal wel reiken naar werkelijkheden die de tastbare wereld ontstijgen of die ergens diep in ons verborgen zijn. Dori's verhaal gaat verder dan het realisme en hij sleept de lezer mee naar werkelijkheden waarin je niet weet wat je te wachten zal staan.

Symbolen

De tekeningen van Fabrizio Dori zijn heerlijk; het tekenplezier spat ervan af. Wie langer naar de tekeningen kijkt, ziet allerlei details, die overigens niet altijd gemakkelijk te duiden zijn. Er is bijvoorbeeld een ruimte waarin een laptop staat, zodat je weet dat je je in het heden bevindt. Aan de wand hangt het symbool van de vrijmetselarij, maar ook de driehoek met het alziende oog, een christelijk symbool. Verder een foto van een ufo en van een vliegtuig dat de Twin Towers in zal gaan vliegen, plus een portret van Adolf Hitler. Boven de deur hangt een geweer (wat een verwijzing naar Tsjechov zou kunnen zijn) en naast de tafel staat een bijl. In ieder geval zindert de ruimte van lading die aangebracht is door de afbeeldingen.

De inkleuring van de tekeningen doet schilderachtig aan. Juist door de manier van inkleuren worden de gedachten aan andere kunstenaars opgewekt. De tekeningen zijn helemaal volgekleurd; het achtergrondwit speelt geen rol. Dat past bij een roman die zelf vol is, misschien wel volgepropt. En toch is het verhaal niet zwaar geworden en is er ruimte om te ademen. Soms is de sfeer dromerig, soms is er een zekere dreiging, soms is er luchtigheid, maar altijd word je opgetild door de fantasierijkheid, door het vertel- en tekenplezier.

De dolende god is een boek om gretig te lezen en om daarna rustig te herlezen, plaatje voor plaatje proevend. Het kan je vele kleurrijke uren bezorgen.

donderdag 28 november 2019

Podcast: Verstrikt, Annet, Een nijlpaard kon lachen

Deze week drie podcasts die onderling nogal verschillen: over zelfdoding, over Waku Waku en over iemand die vrijwilligerswerk doet.

Verstrikt


Podcasts worden gemaakt door individuën, maar ook door kranten, tijdschriften en omroepen. Een podcast van een regionale krant (Dagblad van het Noorden) werd al eerder besproken: De kofferbakmoord. En vorige week besprak ik van Omroep Brabant Ik sla mijn vrouw (na het klikken even naar beneden scrollen).

Ook Omroep Gelderland heeft podcasts. Maarten Dallinga maakte al eerder het mooie Anoniem intiem, over homo-ontmoetingsplaatsen, en van dezelfde omroep is Zo leven jij en ik in 2040, een podcast over nieuwe technologische ontwikkelingen, die niet alleen wat zegt over een mogelijke toekomst, maar ook over nu.

Zelfdoding

Dezelfde Maarten Dallinga heeft de podcast Verstrikt gemaakt, waarvan ik nu drie afleveringen heb beluisterd. Het is een podcast over zelfdoding. Hij interviewt nabestaanden, maar hij doet meer. Een van de aanleidingen is een periode in zijn leven (2012), waarin hijzelf worstelde met het leven en nadacht over de dood.

In de eerste aflevering vertelt hij dat aan zijn ouders en voor hen is dat wel even schrikken. Het typeert de nietsontziendheid van Dallinga. Hij wil ook zichzelf niet ontzien en dat betekent dat hij de afstand tot zijn onderwerp en dus tot zijn gesprekspartners zo klein mogelijk houdt.

Die gesprekspartners, bijvoorbeeld de nabestaanden worden daardoor ook uitgenodigd om zich te tonen en dat doen ze dan ook. Hun relaas is aangrijpend. En dat komt ook weer aan bij de interviewer, die na een gesprek soms even tijd nodig heeft om zich te herpakken.

Voorkomen

Niet alleen wil Dallinga laten zien wat er gebeurt bij de omgeving van iemand die door zelfdoding om het leven is gekomen, maar hij wil ook weten hoe je suïcide zou kunnen voorkomen. Hij praat bijvoorbeeld met iemand die een toneelvoorstelling voor jongeren heeft gemaakt, Game over, en hij gaat erheen als die voorstelling wordt gespeeld op een middelbare school.

Het slechtste wat je kunt doen, is er niet over praten, wordt in de podcast gezegd. Dat geldt dus voor de omgeving. Er is schroom om bij mensen die worstelen met problemen door te vragen. Dat blijkt ook bij een workshop waarin dat doorvragen geoefend wordt.

Dallinga heeft zichzelf met deze podcast een zware taak opgelegd, maar het resultaat is een indrukwekkende podcast. In totaal worden het vijf afleveringen, waarvan ik alleen maar hoop dat veel mensen ernaar gaan luisteren. Als ik dit schrijf, zijn er drie afleveringen beschikbaar. Hieronder voeg ik linkjes toe naar de site van Omroep Gelderland, waar nog wat meer informatie is te vinden. Verder vind je de podcast weer op de bekende plaatsen te vinden, maar bijvoorbeeld ook hier.

Aflevering 1 Hoe is het om suïcidaal te zijn?
Aflevering 2 Hoe is het als een naaste suïcidaal is? Hoe is het om een dierbare aan zelfdoding te verliezen?
Aflevering 3 Wat kun je doen om zelfdoding te voorkomen?


Een nijlpaard kon lachen

Veel mensen keken vroeger naar Waku Waku, een televisieprogramma met dierenfilmpjes, bedoeld als amusement, maar ook om kennis van dieren bij te brengen. Dat programma komt weer in ieders herinnering bij de podcast Een nijlpaard kon lachen, van Michiel Eijsbouts.

Ik herinner me dat het in de jaren negentig op de maandagavond te zien was. Op het moment dat ik vertrok naar mijn schaakclub, zat mijn toenmalige vrouw het met de kinderen te bekijken. In de podcast wordt overigens verteld dat het programma op vrijdag werd vertoond. Maar misschien was dat later.

De oom van Michiel Eijsbouts, oom Wim, was setdresser bij Waku Waku. Nadat het programma ineens stopte, ging het niet goed met oom Wim. Michiel Eijsbouts probeert erachter te komen wie die oom Wim nu eigenlijk was en hoe het met hem gegaan is na het stoppen van het programma.

Satirisch

Zo'n zoektocht naar een oom kan interessant zijn, maar Eijsbouts vond dat hij een 'satirische' podcast moest maken. Zo noemde hij het tenminste in een interview bij het radioprogramma Kunststof.

In de eerste aflevering heeft dat tot gevolg dat er, vooral in het begin, overdreven veel vormgeving aan de tekst is toegevoegd. Verder zijn veel gesprekken gespeeld en dat is nogal duidelijk. Ze worden er niet interessanter door. Het verhaal is bovendien niet consistent. De 'vader' van de presentator zegt eerst dat tante Cor (de weduwe van oom Wim) niet meer helemaal compos mentis is, maar later in de aflevering blijkt daar niet zo veel van.

Doordat veel gesprekken (of misschien wel alle) gespeeld zijn, vraag je je wel af in hoeverre je het hele verhaal serieus kunt nemen. Heeft er wel zo'n oom Wim bestaan? Als die oom niet bestaan heeft, is de podcast alleen amusement en dat is me te weinig.

Zo grappig is de podcast niet. Mensen die overdreven hun best doen om Brabants te praten, bekende Nederlands die (zelfs postuum) zogenaamd iets zeggen over het programma, terwijl wel duidelijk is dat die uitspraken over iets heel anders gingen - het houdt vooral het verhaal op. De lolligheid is niet aan mij besteed. Als ik satire wil horen, luister ik wel naar Radio Bergeijk. Volop satire en nog leuk ook.

Hybride

Voor mijn gevoel heeft Eijsbouts geen keuze gemaakt. Aan de ene kant een persoonlijk speurtocht en aan de andere kant de ironie. Door het hybride karakter van de podcast komt geen van beide kanten goed uit de verf. De twee kanten van de podcast versterken elkaar niet, maar doen elkaar afbreuk. De podcast wordt er minder grappig en minder informatief door. Als genre is de podcast wellicht een experiment en als zodanig te waarderen. Gelukt vind ik het experiment niet.

Er zijn intussen twee afleveringen te beluisteren. Je vindt ze hier.


Annet

Op de site heet de podcast van Bas Keijzer Podcast Annet, wat een beetje een vreemde naam is. Zoiets als Film Turks Fruit of Roman Bezonken rood. Ik ga er daarom maar van uit dat de naam gewoon Annet is. Op diezelfde webpagina lees ik: 'Annet is allemachtig 88,' maar aan het begin van de podcast is ze 87. Dat klinkt natuurlijk net wat minder lekker. 

Bas wil vrijwilligerswerk gaan verrichten, om iets zinvols in zijn leven te doen. Hij zal een eenzame vrouw, Annet, gaan bezoeken. In korte afleveringen, van niet meer dan vijf minuten, leest Bas een tekst voor die hij geschreven heeft over zijn wederwaardigheden. 

Af en toe is er een geluidje in de tekst gemonteerd: een telefoon die overgaat, iemand die een trap op loopt, het inschenken van koffie. Er is dan een knipje in de tekst gemaakt, waar het geluid in geplaatst is. Daardoor willen de schaarse geluiden maar geen geheel worden met de voorgelezen tekst. 

Nu is een tekst voorlezen ook niet meteen het spannendste wat je kunt doen bij een podcast. Waarom is Annet niet te horen in deze podcast? Waarom alleen maar een verslag achteraf. 

Het verhaal an sich is ook niet zo boeiend. Door het afstandelijke van het voorlezen komt Annet (na vijf afleveringen althans) niet dichterbij en we komen ook niet te weten of ze eenzaam is en wat eenzaamheid met iemand doet. Alleen dat Bas een brave man is die heus wel goede dingen doet in zijn leven. Maar ook dat is verder niet zo heel erg boeiend. Voor mij, tenminste.

Ik heb het idee dat Keijzer een verslagje geschreven heeft van zijn vrijwilligerswerk, dat opgelezen heeft en het in stukjes heeft geknipt. Hier en daar een geluidje ertussen en het is weer klaar. De mogelijkheden van podcast zijn nauwelijks benut. 

De korte afleveringen zijn wel snel beluisterd, maar ik vraag me af of mensen het volhouden om de hele serie te gaan volgen. 

dinsdag 26 november 2019

Prinses Simone 1: Een doodgewone prinses (Robbert Damen)


Zouden strips per definitie genderneutraal zijn? Toen ik ze als kind ging lezen, las ik alles wat ik te pakken kon krijgen: mijn neefje Gerrit had een abonnement op Donald Duck, mijn vriendje Gerard op Sjors en later op Eppo en zijn zus Ina las Tina, dus daar kreeg ik ook wel eens een stapeltje van mee. Mijn zus kreeg of nam (maar dat zal later geweest zijn) een abonnement op Anita en dat was waarschijnlijk een spin-off van Tina. Jongens- of meisjesstrips - het maakte me niet uit. Nou ja, het onderscheid had ik wel in de gaten, maar mijn leeshonger trok zich er niets van aan.

Eerlijk gezegd heb ik al jarenlang het blad Tina niet meer ingekeken, maar het is er nog steeds en ik vermoed dat veel van de strips erin nog steeds gericht zijn op meisjes. Aanhangers van identiteitspolitiek zullen mij verwijten dat ik als oude man daarom geen oordeel mag hebben over een Tina-strip. Maar dat zal me aan mijn posterieur roesten. Vandaag schrijf ik over het eerste deel van de reeks Prinses Simone, Een doodgewone prinses, geschreven en getekend door Robbert Damen.

Eenderland

Prinses Simone is de kroonprinses van het kleine staatje Eenderland. Dat land zal wel zo heten omdat er veel dingen eender zijn als in Nederland. Simone woont in een paleis en even verder op hetzelfde terrein woont haar oma, die ze Echnie (Echt niet) noemt. Dat paleis lijkt nogal op Drakensteyn, waar prinses Beatrix woont. De ouders van Simone zijn koning Bruno en koningin Nova. Zij zal wel niet uit Eenderland komen, want ze heeft een accent: ze zegt 'diet' en 'iek' als ze 'dit' en 'ik' bedoelt en ze zegt geen 'bandiet', maar 'bandietski'.
Simone bij oma Echnie

In het eerste verhaal krijgt prinses Simone te horen dat ze naar een gewone school zal gaan en niet meer privé-onderwijs zal krijgen. Dat wordt namelijk te duur. Naar een reguliere school, net als alle andere kinderen - dat is nu net wat Simone wil. Ze wil vooral gewoon zijn.

Uitzonderingspositie

Maar ook op de nieuwe school wordt zij in een uitzonderingspositie geplaatst. Bijna niemand behandelt haar als een gewoon meisje. Eigenlijk is er maar één meisje dat een beetje normaal doet en dat is het meisje Ché, de dochter van de enige republikein in het staatje, die in de klas overigens ook een soort uitzonderingspositie inneemt. Ze ziet er alternatief uit en is nogal eigenzinnig.

Natuurlijk zijn er ook jongens in het spel. Simone vindt de buurjongen wel interessant. Hij is een boerenzoon en rijdt op een wit paard. Hij blijkt ook nog Prince te heten. Ja, ja, Prince op het witte paard. En Ché heet natuurlijk niet voor niets naar Che Guevara. Het ligt allemaal net iets te veel voor de hand om leuk te zijn. Voor een volwassen lezer, in ieder geval.

Simone en Ché sluiten vriendschap en ze blijken ook nog allebei verliefd op Prince. Dat is overigens een verhaallijntje dat verder niet wordt afgemaakt.

Simone en Ché worden vriendinnen

Kleine wereld

Het album bestaat uit zeven verhalen van elk vijf bladzijden lang. Het zijn vijf episoden uit hetzelfde leven. De wereld van Simone wordt heel klein gehouden. Zo lijkt het alsof ze op school maar van een enkele docente les krijgt, de chagrijnige lerares van wie ze al eerder het onderwijs op het paleis verzorgde. Voor de jonge lezertjes wordt de wereld zo overzichtelijk gehouden. Ik vraag me af of dat wel nodig is en of ook een jonge lezeres niet wat meer wereld aankan.

Het wereldje is ook een beetje tijdloos gehouden. Weliswaar zijn er auto's, maar een eigen telefoon heeft prinses Simone niet, net als al haar klasgenoten. Er zijn geen computers te zien, Netflix lijkt niet te bestaan en er wordt zelfs niet naar de tv gekeken. Donald Duck is intussen wel wat actueler dan Prinses Simone.

Tekeningen

De tekeningen worden gekenmerkt door strakke, vrij dikke lijnen voor wat (of wie) de aandacht moet krijgen. Wat meer bij het decor hoort, moet het doen met iets dunnere lijnen. Je moet ervan houden, denk ik. Ik vond tijdens het lezen dat mijn aandacht wel erg opzichtig gestuurd werd. De tekenstijl is helder en dat leest in ieder geval gemakkelijk weg. Opmerkelijk is dat er onder de ogen van de personen vaak horizontale lijnen worden gezet, waardoor je de indruk krijgt dat American Football de nationale sport is.

Meisjes zullen Prinses Simone best een leuke strip vinden. Veel verder dan 'aardig' kom ik toch niet. Wellicht omdat er inhoudelijk niet zo heel veel aan te beleven is. Leven met bezuinigingen (eerste verhaal), het al dan niet een uitzonderingspositie innemen, het sluiten van vriendschap, het verliefd zijn op dezelfde jongen - dat is het wel zo ongeveer. Luchtig, amusant, vlot verteld. Maar inhoudelijk mag het allemaal iets meer body krijgen.

Reeks: Prinses Simone
Deel 1: Een doodgewone prinses
Tekst en tekeningen: Robbert Damen
Uitgeverij: Personalia
Leens 2019, softcover, 40 blz. € 5,95

maandag 25 november 2019

Alles is oké (Ivo Victoria)


De meest hechte verbinding is die tussen ouders en kind, vermoed ik. Iedereen kan je ex worden (ex-partner, ex-werkgever, ex-buurman), maar ex-ouders en ex-kinderen bestaan niet. Die band lijkt een gegeven en die stopt niet als mensen overlijden. Ook als mensen, door ruzie bijvoorbeeld, geen contact meer hebben met hun naaste familieleden, blijven ze er, soms tegen wil en dank, mee verbonden.

Het is dus niet zo vreemd dat er over bijvoorbeeld moeders een hele reeks romans te noemen is: Een vlucht regenwulpen (Maarten 't Hart), De junival (Jan Wolkers), Sprakeloos (Tom Lanoye), Moedervlekken (Arnon Grunberg), Ik kom terug (Adriaan van Dis), Magdalena (weer Maarten 't Hart), Eva (Bregje Bleeker) en er is veel meer.

Ook Ivo Victoria heeft een roman over zijn moeder geschreven. Nooit eerder iets van hem gelezen. Zijn romans kwamen voorbij in recensies in dag- en weekbladen en nooit voelde ik de behoefte om een van die boeken aan te schaffen. Daarmee heb ik hem wellicht ten onrechte verwaarloosd. Maar na het beluisteren van enkele interviews naar aanleiding van de roman Alles is oké, heb ik nu toch eindelijke het bewuste boek van hem gekocht.

Toppunt van kracht

Voor op de roman staat: 'Een zoon wil zijn moeder nog één keer laten schitteren.' Daarin verschilt de roman van Victoria van de andere romans over moeders in de laatste fase van hun leven. Ook Victoria vertelt ons hoe de moeder aftakelt, vergeetachtig wordt, dingen door elkaar haalt en ook nog te veel drinkt. Maar daartussendoor vlecht hij het verhaal van mevrouw Stevens, godsdienstdocente op een basisschool, die verwikkeld is geraakt in een conflict met de directeur, waarna haar salaris niet meer wordt overgemaakt. Daarin zien we mevrouw Stevens op het toppunt van haar kracht: een vrouw die zich niet op haar kop laat zitten en die opkomt voor haar rechten.

De verteller in de roman lijkt erg op Ivo Victoria. Hij heet Hans, net als de schrijver in het dagelijkse leven; Ivo Victoria is een pseudoniem. Op de titelpagina staat 'Roman' en toch lees ik het vooral als een autobiografisch boek (zoals het boek van Bregje Bleeker, dat autobiografisch is, als een roman leest). Een boek als Alles is oké lijkt me tegelijkertijd een roman en een autobiografisch boek. We hoeven het boek niet te beperken door het in een van de twee laatjes op te bergen.

Zoon Hans woont in Amsterdam  en moet elke keer een behoorlijk eind rijden als hij zijn moeder wil bezoeken, die in België woont. Ook aan hun gesprekken is te merken dat moeder en zoon Vlaamse roots hebben. Hij noemt haar 'moederke', zij hem 'manneke' of ook wel 'zoeteke'. Moeder probeert haar leven op de rails te houden, bijvoorbeeld door aantekeningen te maken, die ze later niet meer snapt. Het doet een beetje denken aan de man in de graphic novel Rimpels van Paco Roca.

Redderen

De zoon brengt eten mee bij zijn bezoek en hij zorgt ervoor dat ze alcoholvrije wijn drinkt. Hij reddert, maar hij ontkomt niet aan het besef dat moeder afglijdt. Uiteindelijk zal moeder het niet redden en uiteindelijk zal ze overlijden, zoals iedereen.

In het slot van het boek, als moeder al overleden is, is ze nog steeds op een of andere manier aanwezig en ze praat tegen hem. Dat doet denken aan Wit is altijd schoon van Leo Pleysier, waarin een overleden moeder maar blijft doorratelen tegen haar zoon.

De stem die hij hoort, houdt het contact gaande. Aan het eind van haar leven verliep dat contact niet altijd goed, omdat de boodschappen niet altijd meer overkwamen. En Hans had ook een directere manier tot contact: hij ging dan bij zijn moeder op schoot zitten, niet alleen als klein kind. 'Doe nog 'ns goei, moeder,' zei hij dan.

Dat directe contact kon nog lang. Hij beschrijft het ontroerend in deze scène:
En daar zit ik, half op haar, aan de tafel, ik verdeel mijn gewicht zodat het kan, druk mijn lippen op haar verweerde wang, ruik haar geur, de geur van een vervagende moeder, vermengd met die van sigaretten en drank en ik leg mijn hoofd op haar schouder, en zo roken we en zo drinken we voort en zo lopen de tranen over onze wangen. 
Dat ook bij moeder de tranen over de wangen lopen, geeft aan dat ook zij dit contact bewust meemaakt en wie weet wat er in haar daardoor wordt aangeraakt.

Mevrouw Stevens

Dat moeder zo aftakelt, is vooral een pijnlijk besef vanwege haar sterke persoonlijkheid in het verleden. Dat merken we aan het verhaal over mevrouw Stevens, dat niet eens zo spectaculair is, maar dat wel de onverzettelijkheid van Hans' moeder illustreert. Die stabiele mevrouw Stevens is overigens niet alleen een heldin, want dat zou haar reduceren tot een plat karakter. Victoria laat haar ook zien als klein meisje, in hetzelfde schoolgebouw. Haar vader was toen directeur. Het was oorlog en de school werd gebombardeerd. Het kleine meisje overleefde het bombardement en werd veilig naar huis vervoerd, maar ze moest de hele tijd denken aan haar nieuwe boekentas, die ze niet had kunnen meenemen.

Ergens in de wegschemerende moeder moet nog dat kleine meisje zijn en ook de sterke lerares, die niet buigt voor een kwaadwillende directeur en die dus ook de overwinning behaalt. Dat is het mooie van Alles is oké - er wordt niet getoond dat moeder vroeger sterk was en nu niet meer; doordat de verhaallijnen door elkaar geweven worden is moeder het allemaal tegelijkertijd: zwak en sterk, hulpbehoevend en zelfstandig. Vooral het tekenen van die gelijktijdigheid van de verschillende versies van dezelfde persoon is mooi gedaan door Victoria.

Ook de dialogen tussen moeder en zoon zijn fraai gedaan. Moeder raakt af en toe de draad een beetje kwijt, maar doet haar best de schijn op te houden en de zoon probeert liefdevol moeder niet te zeer te laten falen en toch eerlijk te zijn. Het is een precair evenwicht dat de schrijver daarin bewaart, maar dat gaat hem goed af.

Voortstuwen of tegenhouden?

Het nadenken over de moeder behelst ook het nadenken over wat de rol van moeder in het leven van Hans is geweest: heeft ze hem voortgestuwd of heeft ze hem tegengehouden? Of hebben we hier dezelfde gelijktijdigheid: heeft ze hem voortgestuwd door hem tegen te houden?

Alles is oké wijkt vooral af van andere moederboeken door de constructie. Het vervlechten van het verhaal van mevrouw Stevens met dat van moederke is een vondst en het werkt heel goed. Het verhaal over mevrouw Stevens is ook goed verteld: je wilt weten hoe haar strijd met de directeur verloopt en Victoria last op spannende momenten (vlak voordat ze de deur van de directeurskamer opent bijvoorbeeld) vertragingen in om de spanningen hoger op te voeren.

Op andere momenten was het boek me net iets te traag, of te gestileerd: ik kreeg de indruk dat het de schrijver dan te veel te doen was om de mooie beschrijvingen. Maar als geheel vond ik Alles is oké een geslaagd boek. Het zal wellicht nog wel eens ergens op een shortlist verschijnen.