woensdag 17 augustus 2022

Het kanon (Willem Wittkampf)



Willem Wittkampf was tot voor kort niet meer dan een naam voor mij. Ik wist dat hij journalist was en goede dingen geschreven had, maar meer niet. Onlangs kreeg ik zijn Verzameld Werk cadeau. Waarschijnlijk doe ik hem pas recht als ik schrijf over zijn interviews of over zijn stukjes in Het Parool. Die laatste ondertekende hij alleen met Willem en zo'n stukje werd al gauw de Willem genoemd, zoals de stukjes van Carmiggelt Kronkels zouden gaan heten. 

Maar dat heb ik allemaal nog niet gelezen. In het Verzameld Werk ben ik voorin begonnen, met een novelle uit 1950: Het kanon. In 1949 werd het werk (in manuscript) bekroond met de Reina Prinsen Geerligsprijs, twee jaar na De avonden van Gerard Reve. Later zou de prijs toegekend worden aan onder anderen Harry Mulisch, Remco Campert, J. Bernlef en Oek de Jong. 

Een kanon in de straat

Het verhaal speelt zich af tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog: de Duitser rijden een kanon een straat in en plaatsen het bij iemand (Bakker) in de tuin. 'Dat kanon bracht de oorlog bij ons in de straat. Zo voelden we het allemaal', schrijft Wittkamp. Het kanon wordt geplaatst, maar erg afschrikwekkend is het niet. Er staat maar een enkele oude Duitser bij en het kanon doet het alleen als je er met een zware hamer op slaat. Er is maar één granaat. 

Als de oorlog over is, valt het kanon in handen van twee jongemannen, die deel uitmaken van het verzet. Het is niet duidelijk of ze als verzetslieden zich ook inderdaad verzet hebben. Ze claimen wel de overwinning op de Duitsers:

'Hedenochtend,' zei hij. 'Hedenochtend gingen de tot het uiterste getergde ondergrondse strijdkrachten tot de aanval over en versloegen de wrede overweldigers die on te lang reeds in knechtschap hielden!'

Met het kanon op pad

Het kanon wordt op een wagen gehesen en er wordt mee door het dorp gesjouwd, eigenlijk zonder dat het veel uithaalt. De burgemeester wordt gearresteerd wegens samenwerking met de vijand, maar ze kunnen hem niet opgesloten houden. 

De verteller is de eigenaar van een fotozaak, die hoopt geld te verdienen aan de bevrijding. Zo heeft hij foto's van de koningin af laten drukken. Bovendien kunnen mensen bij hem op de foto in uniformen van Duitsers. Op de helm is dan wel met grote letter 'Oranje' geschilderd. Hij heeft een plakkaat opgehangen met de tekst 'Laat u fotograferen in het ondergrondse strijdgewaad!

Deze middenstander ziet aan het begin vanuit zijn winkel hoe het kanon de straat binnenkomt. Het is dan weer niet zo waarschijnlijk dat hij alle gesprekken ook kan verstaan, maar dat laten we maar even passeren. Tot het eind toe is hij betrokken bij het kanon. Als dat zijn eigendom is, kan hij ook mensen daarbij fotograferen. De twee jongens willen het kanon echter niet afgeven. 

Knulligheid

De knulligheid van alles is zeer vermakelijk. Die herinnering heb ik ook aan Pastorale 1943 van Vestdijk (dat in 1948 gepubliceerd is), maar ik ben daar ook veel van vergeten. Het is niet een van de topwerken van Vestdijk. 

Dat zal Het kanon ook niet van Wittkampf zijn. Amusant, best leuk, maar daar houdt het ook wel mee op. Maar net als bij Vestdijk zal het tekenen van het verzet als een stelletje amateurs toch wel controversieel zijn geweest. In de jaren zestig (toen ik kind was) verschenen er nog veel boeken waarin alle verzetslieden helden waren. 

Oorlogsverelden

Wittkampf maakte zelf ook deel uit van het verzet. Hij had te maken met hulp aan piloten, maar werd opgepakt. Hij kwam in Duitsland terecht en is na een maand of drie weer losgelaten. Later heeft hij enkele maanden in kamp Amersfoort gezeten. Willem sprak nooit over wat hem in de oorlog overkomen was.

Zijn journalistieke loopbaan heeft zich helemaal bij Het Parool afgespeeld. Eerst bij het illegale Parool, na de oorlog bij de krant die nog steeds bestaat. 

Dat is te lezen in 'Wie was Willem?' een biografische schets door Gijs Groenteman, die opgenomen is in het Verzameld Werk. De interviews van Wittkampf moeten legendarisch geweest zijn. Hij is wel de beste interviewer van Nederland genoemd. 

Hoewel Het
kanon
 niet meer dan een aardig verhaal is, heeft het me wel nieuwsgierig gemaakt naar ander werk van Wittkampf. Het zal nog wel even duren, maar dan ga ik dat toch ook eens inkijken. 

dinsdag 16 augustus 2022

Blikken op de boekenkast 1: Joop ter Heul tussen de dichters

Deze week heb ik mijn studeerkamer geordend. Dat was ook wel nodig. Vlak voor de vakantie nam ik ontslag bij de school waar ik veertien jaar heb gewerkt en nam ik een baan aan bij een school dicht bij mijn huis (een kwartier te voet). Dat betekende dat ik ook de boeken mee naar huis moest nemen die ik in de loop van de jaren naar Utrecht had vervoerd. Dat was meer dan ik ingeschat had: zeven tassen en drie dozen. Allemaal boeken om de leerlingen enthousiast te maken voor het lezen. 


Die tassen en dozen had ik uitgepakt op de vloer van mijn studeerkamer, het paste natuurlijk niet meer allemaal in de kasten. En dan was er ook nog mijn bureau, waar ik geregeld iets 'even' op leg. Dat was ook al behoorlijk aangegroeid. 

Indeling

Als ik achter mijn bureau zit, heb ik rechts vier kasten vol (voornamelijk) poëzie, links drie kasten vol proza, achter mijn rug twee kasten vol allerhande, waarop ik in een volgende bijdrage nog terug zal komen. Verder staan in de woonkamer nog twee kasten, gevuld met graphic novels, Er staan stapels en dozen op zolder en er staan nog heel veel dozen 'achter het schot.'

Toen ik acht jaar geleden naar dit huis verhuisde, heb ik dertig dozen met boeken weggedaan. Gelukkig heb ik ze altijd aan mensen kunnen geven die er belangstelling voor hadden. De eerste boeken die ik in zo'n weggeefdoos legde, gingen me aan het hart, maar ik werd steeds rigoureuzer. En soms sloeg toch nog de twijfel toe.

Ik herinner me, dat ik bij mijn vorige huis een doos in handen had met zo'n beetje het volledige werk van Alfred Kossmann. De man heeft een interessant oeuvre bij elkaar geschreven, maar er is bijna niemand die het leest, gok ik. Eigenlijk zou ik een keer over hem moeten schrijven, dacht ik. Maar bij de verhuizing daarvoor had ik met dezelfde doos in handen gestaan en ik had er zeven jaar niet naar omgekeken. Zou ik dat de komende zeven jaar wel doen? Misschien wel niet. 

Van de boeken had ik wel afstand kunnen doen, maar ik wilde nog geen afstand nemen van het idee dat ik er iets mee zou gaan doen. De doos ging dus weer mee en staat nu achter het schot. 

Poëzie

De poëziekasten zijn eigenlijk het makkelijkst. Nou ja, ik heb in de loop der jaren wel bundels eruitgehaald en alleen maar teruggelegd op de andere boeken, in plaats van netjes teruggeplaatst. Maar in principe hoef ik bij de gedichten niet zulke moeilijke keuzes te maken. Het meeste wil ik gewoon laten staan. De bundels staan alfabetisch op naam van de dichter en aan het eind heb ik nog een kast die voor tweederde gevuld is met bloemlezingen. 

Tussen de derde en de vierde plank van elke kast is wat meer ruimte, dus daar staan de wat grotere boeken. Dat is niet allemaal poëzie. In een van de kasten staat bijvoorbeeld de serie Het aanzien van. Leuk om af en toe in te bladeren, maar dat komt er maar weinig van. 

poëziekasten


Ik zet alles weer netjes op alfabet, kijk of ik iets dubbel heb en als ik aan het eind ruimte tekortkom, doe ik wat bloemlezingen weg. Die kan ik altijd weggeven aan leerlingen. Of ik zet ze in de 'Bieb van Bunt' die sinds gisteravond voor mijn huis staat. Zeer passend cadeau van de kinderen. 

Maar ik wil niet bij elke nieuwe bundel een bloemlezing weg hoeven doen. En daarom hou ik rekening met de groei. Op sommige planken heb ik aan het het uiteinde andere boeken staan, die ik weg kan halen als ik de ruimte nodig heb. En zo kan het dus gebeuren dat Joop ter Heul tussen de poëzie staat. Ik hoop dat mij dat in de toekomst van pas komt. 

Toen ik dacht dat ik klaar was, zag ik nog een hele stapel Campert (proza en poëzie) in de vensterbank staan. Ik had na zijn dood over hem willen schrijven, maar ik vond er toen geen tijd voor. Nu lees ik in zijn bundel Mijn dood en ik. Daar schrijf ik dan mettertijd over. 


Wolkers

Nog even verder over mijn studeerkamer: Wolkers blikt op mij neer. Die foto is in 2002 genomen toen ik hem interviewde op een hotelkamer vlakbij het Vondelpark. Hij zou op bezoek gaan bij Remco Campert. Het was de bedoeling dat het stuk geplaatst zou worden in een vrijdagkrant, in verband met een weekendtentoonstelling van zijn schilderijen. Maar een niet zo oplettende redacteur dacht dat zo'n interview een week later ook nog wel interessant zou zijn. Toen is het dus helemaal niet geplaatst. 

Het gereedschap van de recensent
Ik hield er in ieder geval een foto aan over. En een handtekening in een boek. Vleiend, maar dat 'in vriendschap' was alleen maar vriendelijkheid van Wolkers. We hadden daarvoor alleen maar een paar keer gebeld. Ik zou hem namelijk al eerder interviewen, op Texel. Maar vlak daarvoor werd zijn beeld op Texel (Tot hier en niet verder) vernield en daar was Wolkers erg overstuur van. Toen hebben we het gesprek uitgesteld.

Onder het portret van Wolkers staat het gereedschap van de recensent, maar dat is alleen maar voor deze gelegenheid gedaan. 

Wat nog volgt

In de loop van de volgende weken zal ik vaker blikken op mijn boekenkast werpen. Bij het proza heb ik wel lastige keuzes moeten maken. Die hoop ik te verantwoorden. En waarom staat het werk van sommige bekende schrijvers niet in mijn kast, maar wel dat van bijvoorbeeld Geert van Beek en Loekie Zvonik? Daarover dus later. 

vrijdag 12 augustus 2022

Buitenleven (Nina Polak)



Tijdens het lezen van de roman Buitenleven van Nina Polak zat er vaag een andere auteur in mijn hoofd, maar ik wist niet welke en ook niet of het terecht was. Pas toen ik het boek uit had, schoot mij Minke Douwesz te binnen. Ik heb indertijd genoten van Strikt (2003) en  Weg (2009). Google vertelt me dat er binnenkort een nieuwe roman van haar uitkomt. Daar ben ik wel benieuwd naar. 

Het zal de landelijke setting wel zijn uit de boeken Douwesz die meeneuriet bij het buitenleven van Rivka Schaap en Esse Lukassen. Ze kopen een huis in het dorp Onderweer, in het noorden van het land. Een huis met een tuin en met uitzicht op de maisvelden. 

Geen paradijs

Maar niet alles is paradijselijk. Het huis blijkt minder rustig dan gedacht: er komen wandelaars vlak langs de tuin. Rivka, die schrijfster is, komt maar niet tot schrijven en Esse knoopt wel erg nauwe banden aan met Eva Alta, een tv-psychiater, die door sommigen wordt aangezien voor een soort goeroe. Haar boek is een succes. Eva raadt Esse aan om te stoppen met haar medicatie (citalopram), maar de vraag is of dat wel goed zal uitwerken. 

Dat het uiteindelijk misgaat tussen Rivka en Eva weten we al na een paar bladzijden. Aan het begin van de roman blijkt het al een tijd niet goed te gaan, met Riva, die zich teruggetrokken heeft in haar woning en staand aan het aanrecht blikjes tonijn leeglepelt. Ze heeft zich net weer bij elkaar geraapt, als ze aan Esse moet denken:
en daarmee, wist ze, was Esse dichtbij met haar geur en haar huid en al dat zinnelijke, onmisbare, verlorene.

Plattelandsjeugd

De plattelandsjeugd zit bepaald niet te wachten op twee vrouwen die samenwonen en laat dat merken. Kwajongenswerk of bedreiging? Je hebt het idee dat er steeds iets broeit op de achtergrond en dat wordt concreter als Rivka kennismaakt met Sibold, wiens broertje Berend niet bepaald de braafste is. Waartoe is hij in staat?
 
Eigenlijk gebeurt er niet zo heel veel in Buitenleven, maar dat heeft het boek ook niet nodig. Je merkt dat de spanning oploopt, dat niet alles meer klopt. Ligt dat aan de plek? Rivka spreekt de gedachte uit:
'Essie,' zie ze, 'ik denk niet dat goed voor ons is.'
'Wat?'
'Dit, hier, deze plek. Eva Alta. We hebben het afgelopen jaar meer ruziegemaakt over die vrouw dan over wat dan ook ooit.'
Die oplopende spanning tussen de vrouwen doet trouwens ook denken aan Weg van Douwesz. 

Depressie

Esse heeft op hoog niveau gebasketbald en je mag aannemen dat ze zich daarvoor heeft moeten inzetten en veel discipline heeft moeten hebben. Maar die daadkracht vloeit weg als ze depressief is. Ze heeft bovendien  het idee dat Rivka haar haar depressie kwalijk neemt en dat zou weer te maken hebben met de afkomst van haar vriendin. Rivka komt uit een familie die de Holocaust heeft meegemaakt. Wat stelt een depressie daarbij vergeleken voor?

De oplopende spanning, niet alleen tussen Rivka en Esse, maar ook in het verhaal loopt zo op, dat het uit de hand loopt. Vrij fors zelfs. Maar Polak weet het verhaal wel geloofwaardig te houden. 

Geen grip

Rivka en Esse bedoelen het goed, maar het leven glipt tussen hun vingers door. Ze krijgen er geen grip op. Ze twijfelen aan zichzelf en aan elkaar. Omdat het vertelperspectief afwisselend bij Rivka en Esse ligt, krijgen we beide kanten van het verhaal mee. In de proloog hebben we alleen het verhaal van Rivka en misschien daardoor staat die toch iets dichterbij en leef je net wat meer met haar mee.

Je zou Buitenleven kunnen zien als een roman over een relatie die misgaat, maar na afloop had ik het idee dat het om meer gaat, al kon ik daar ook weer niet precies de vinger op leggen. Ik heb het met veel plezier gelezen en ik denk dat het geworstel mij aanspreekt: het idee dat we ons allemaal maar voorttobben door ons leven. 

Stijl

Polak heeft een heldere stijl, waarin er altijd wel weer zinnetjes zijn die oplichten. Op een gegeven moment hoort ze het verhaal aan van Doris, die helemaal leegloopt:
De slachtoffertaal jakkerde als een dorsmachine over Rivka's vredige weiland.
Die dorsmachine die maar doorjakkert, dat vind ik wel een sterk beeld. Wel met de opmerking dat een dorsmachine eigenlijk niks te zoeken heeft op een weiland. Maar op een akker jakkert het nu eenmaal wat minder lekker. 

Ook over Gebrek is een groot woord was ik indertijd positief, maar nu ik eraan terugdenk, had ook dat boek iets ongrijpbaars. Alsof ik net niet helder kreeg waar het boek echt over ging. Dat heb ik bij Buitenleven ook. Ik zie dat als een kwaliteit van het boek. Een boek dat lekker leest en toch niet simpel is. 

donderdag 11 augustus 2022

Non-retour (Patrick Jusseaume / Jean-Laurent Truc / Olivier Mangin)


Op de cover van het album Non-Retour staat onder de titel 'Algerije, juli 1962'. Voor veel Franse lezers zal dat al heel wat zeggen, voor Nederlandse lezers behoeft dat waarschijnlijk enige uitleg. Die krijgen we overigens ook, tijdens het verhaal. 

Van 1954 tot 1962 werd er in Algerije een dekolonisatieoorlog uitgevochten. In juli 1962 erkende Frankrijk de onafhankelijkheid van het land. Veel Fransen keerden halsoverkop terug naar Frankrijk. 

Laatste vlucht

Bij het begin van Non-Retour zien we de passagiers aanschuiven voor wat misschien wel de laatste mogelijkheid zal worden om per vliegtuig van Colomb-Béchar naar Marseille te gaan. De mensen lijken wat gelaten, militairen kijken waakzaam toe. De personages die een rol zullen spelen worden tijdens het wachten geïntroduceerd door scenarioschrijver Jean-Laurent Truc. Dat gaat op een vrij natuurlijke manier: een moeder met kinderen, een man die een album van Buck Danny aan het oudste zoontje uitleent, een dame die aanbiedt te helpen, een chagrijnige militair, een geheimzinnige man met leren jack.

Het is een vlucht waarop van alles gebeurt: een poging tot kaping, een opdracht om te landen in Oran (een stad in Algerije), een mogelijk tekort aan brandstof. Er is een centrale rol voor de hoofdhostess Anne, die een gemakkelijke verbinding is tussen de cockpit en de passagiers. Bovendien blijken de gezagvoerder en zij een verleden te hebben: ze vlogen ook al samen in 1954, bij de laatste vlucht uit Indochina. De situatie daar was enigszins vergelijkbaar. 

Tussendoor zijn er verschillende flashbacks die wat rust brengen en tegelijkertijd de personages meer achtergrond en daardoor meer diepgang geven. Iedereen heeft zijn eigen verhaal en in het vliegtuig zitten dus niet alleen zoveel passagiers, maar even zoveel levensverhalen.

Waargebeurd

De basis van Non-Retour is een gebeurtenis uit het leven van Jean-Laurent Truc. Hij was de oudste zoon van het gezin dat meeging met de vlucht die de hoofdlijn is in het verhaal. Zijn vader was piloot, zodat het niet vreemd is dat het jongetje in de strip houdt van de avonturen van Buck Danny. Zo tumultueus als in het album was de vlucht niet, maar je moet er natuurlijk wel een goed verhaal van maken. 

Die autobiografische achtergrond is terug te vinden in het dossier dat aan het verhaal is toegevoegd. Daarin wordt verwezen naar de reis die Jean-Laurent Truc als jongetje maakte. Paginagroot is de fraaie foto van het gezin afgedrukt. Die foto werd genomen door vader, die niet meekon naar Frankrijk. Dat maakt het extra dramatisch. 

Ook vertelt Truc over de samenwerking met de tekenaar Patrick Jusseaume, die nog wel voor een aantal bladzijden de potloodtekeningen heeft kunnen maken, maar het album niet heeft kunnen voltooien. Hij overleed in 2017. Jusseaume werd overigens geboren in weer een andere Franse kolonie: Ivoorkust. 

Tekeningen

Achter in het album zijn twee bladzijden opgenomen met voorbereidende tekeningen van Jusseaume, waarin hij de verschillende personages portretteert en dertien bladzijden van de strip in  potlood, waarvan er een ook geïnkt is. We kunnen het dossier, het verhaal van Truc, plus de tekeningen van Jusseaume voor een groot deel zien als een eerbetoon aan de tekenaar. 

De uiteindelijke tekeningen zijn gemaakt door Olivier Mangin. Doordat we ook aardig wat originele tekeningen hebben, kunnen we zien welke keuzes Mangin heeft gemaakt. Uiteindelijk werken zijn tekeningen, dus dat heeft hij goed gedaan.  

De inkleuring is van de hand van Albertine Ralenti. Bij de flashbacks is ervoor gekozen om geen witte achtergrond te gebruiken, maar een gekleurde, zodat meteen duidelijk is dat we een tijdsprong maken. Dat is overigens ook aan de rest van de inkleuring te zien. Dat zorgt ervoor dat je moeiteloos door de wisselingen van tijd leest. 

Blijft je bij

Non-Retour is misschien niet veel meer dan een gemiddeld verhaal, maar het maakt toch indruk. Waarschijnlijk doordat je het niet alleen als verhaal kunt lezen. Je neemt de historische context automatisch mee en dan is het ook nog een verhaal dat voor de schrijver een persoonlijke betekenis heeft. Daardoor blijft het je meer bij dan een verhaal over een willekeurige vliegreis met hindernissen.

Uitgeverij Silvester heeft haar best gedaan en heeft er een mooie uitgave van gemaakt: hardcover, zeer uitgebreid dossiergedeelte en een stofomslag met een tekening aan de binnenkant. Mooi gedaan.

Titel: Non-Retour. Algerije, juli 1962.
Scenario: Jean-Laurent Truc
Tekeningen: Patrick Jusseaume / Olivier Mangin
Inkleuring: Albertine Ralenti
Vertaling: Frederik van Wonterghem
Uitgever: Silvester
's-Hertogenbosch 2022, 76 blz. 24,95 euro. (hardcover)


woensdag 10 augustus 2022

Wormmaan (Mariken Heitman)


Elke is een veredelaar. Ze houdt zich bezig met het verbeteren van gewassen en ze heeft net een teleurstelling moeten slikken: de pompoen die ontwikkeld is door het bedrijf waar ze werkt, mag niet op de markt gebracht worden. Een concurrerend bedrijf heeft eenzelfde pompoen ontwikkeld en die was net wat eerder met de aanvraag. 

Na deze tegenslag neemt Elke ontslag. Ze trekt naar een waddeneiland, waar haar familie al tijden een huisje heeft. Daar wil ze aan de slag met erwten. Eigenlijk wil ze die niet veredelen, maar ontedelen: ze wil de oererwt terugtelen, dus eigenlijk de erwt laten verwilderen. 

Natuurlijke orde

Vlak voordat Elke ontslag neemt, is ze bij een gesprek over jongens die nu eenmaal met auto's spelen en meisjes met poppen, alsof dat de natuurlijke orde is. Daarvan is Elke niet zo overtuigd. Het heersende paradigma ziet zichzelf niet als paradigma, maar als natuurlijke orde. Wat afwijkt is gevaarlijk en misschien wel in de war. Maar misschien is niet de eenling in de war, maar het systeem. 

Innerlijk heeft Elke heel wat gesprekken te voeren met de vrouw die ze nooit geworden is. Die heeft ze nooit ruimte gegeven, maar die houdt haar nog steeds voor dat ze het zichzelf moeilijk maakt en dat het allemaal zoveel makkelijker zou zijn als ze zich maar aanpaste. Maar Elke weet dat het ongemak zal blijven. Als ze zich aanpast, schaamt ze zich voor zichzelf, als ze zich niet aanpast, schaamt ze zich voor het ongemak van de ander. 

Ra

Parallel aan het verhaal van Elke lezen we het verhaal van Ra, negenduizend jaar eerder. Ra is gevlucht en komt aan bij een gemeenschap die sinds een tijdje de landbouw beoefent. Ze heeft erwtenplanten bij zich. Het is voor anderen niet altijd duidelijk wie Ra is. Ze wordt een middenmens genoemd en soms wordt over haar gesproken met 'hij' en 'hem'. 

Net zoals er bij Elke commentaar gegeven wordt door de vrouw die ze nooit geworden is, wordt er bij Ra commentaar geleverd door de voorouders, die het leven al achter de rug hebben en van een afstandje toezien wat Ra allemaal overkomt. 

Het zijn van een middenfiguur komt geregeld terug in de roman. Zo is er de legende over de stiergod, die half mens en half stier is. De erwt is tweeslachtig, evenals de worm en het oudste beeld van een god is een fallus met borsten. 

Floresmens

Ook een eiland is een middenwereld en daarop kunnen ontwikkelingen anders gaan dan op het vasteland. Op Flores werden overblijfselen aangetroffen van de kleine Floresmens. Er zijn niet alleen bewijzen voor dwergolifanten, maar ook voor gigantische ooievaars, varanen en ratten. Oom Filip, aan wie Elke goede herinneringen heeft, vertelt over een dwerghertje dat vroeger op het eiland voorkwam.

Niet voor niets trekt Elke naar een eiland. Als je ergens kans hebt op een alternatieve ontwikkeling, is het daar.  

In Wormmaan wemelt het van de interessante gedachten. Bijvoorbeeld dat door de ontwikkelingen in de landbouw niet alleen de gewassen zijn aangepast aan de mens, maar dat mens zich ook aangepast heeft aan de gewassen. In die zin zijn niet alleen de gewassen gedomesticeerd, maar ook de mens. 

Elke wil de erwt ontedelen, maar eigenlijk wil ze ook zelf verwilderen: ze heeft zich genoeg aangepast. Als kind weigerde ze ooit bij een verkleedpartij een bh aan te trekken. Het was heel lastig om zich aan druk te onttrekken; het was weliswaar een spel, maar meedoen was verplicht. 

Aanpassen

Wormmaan gaat om dat systeem van aanpassen, van het kijken naar dat wat afwijkt als niet kloppend met het systeem. Elke zet vraagtekens bij het systeem zelf. 

Ik kan niet uitleggen hoe vervreemdend het is als je binnenwereld conflicteert met buiten. Dat je aan jezelf gaat twijfelen, eerst. Hoe dat verschil uiteindelijk resulteert in schaamte en dat je schamen voor jezelf een niet te winnen strijd is. Ik kan hem niet uitleggen hoe groot het belang is te bewijzen dat niet ik, maar de wereld, in de war is.

Ze bindt de strijd aan met het rigide categoriseren. Maar ze is natuurlijk onderdeel van het systeem en verwilderen, buiten het systeem leven is lastig. 

Wat mij geschikt maakt voor domesticatie, is niet mijn lichaam, de behoefte aan aandacht of zelfbeschikking. Het is mijn slaafse roedelgedrag, mijn ontvankelijkheid voor schaamte en mijn neiging naar het ondergrondse.  Dát staat verwildering in de weg.

Ze zou willen zijn als een steen, ongevoelig voor blikken en stemmen. Die steen speelt overigens ook een rol in het verhaal Ra, waar de Moedersteen als een soort godheid wordt vereerd. 

Elke moet diep gaan, zelfs letterlijk onder de grond, waar ze het gesprek aangaat met een koor van wormen. Pas daarna vindt ze de weg weer omhoog. 

Genieten van vragen

Van Wormmaan heb ik zeer genoten, vooral vanwege de vragen die het oproept. Over onze verhouding met de natuur en met wat wij natuurproducten noemen, maar ook bij de manier waarop we gedomesticeerd zijn. Hoe we binnen een systeem leven dat voor velen van ons zo vanzelfsprekend is, dat we het niet hoeven te zien of  het niet menen te hoeven zien. Over identiteit en natuurlijke orde en over hoe natuurlijk die eigenlijk is. Over het verlangen om te verwilderen en over of ons dat goed zou doen. En over de stem van degene die we nooit geworden zijn, maar die ons wellicht nog van tijd tot toespreekt. 

Het is lang geleden dat een roman mij zo aan het werk gezet heeft. Ik heb van Wormmaan genoten (en geniet er nog steeds van). Of ik alles begrepen heb, weet ik niet, maar mijn wiskundeleraar leerde mij al decennia geleden: als je het niet snapt, bewonder je het maar. Dat kan ik met dit boek volop doen. 

dinsdag 9 augustus 2022

Storm 33 - De archivaris van het licht (Rob van Bavel, Romano Molenaar)

 


Met fantasy heb ik een wat moeizame relatie. Van tijd tot tijd heb ik op dat gebied zeker een goede leeservaring, maar ik moet altijd wel voor het verhaal gewonnen worden. Dat heb ik overigens ook bij sciencefiction. Verder is het bij reeksen altijd lastig dat je midden in een grote verhaallijn valt. Als het goed is, is er weinig voorkennis nodig om mee te gaan en per album heb je meestal wel een afgerond verhaal. 

Deel 33 van Storm, De archivaris van het licht heb ik indertijd in Eppo gelezen, maar een verhaal in afleveringen werkt toch anders dan in een album, waarin je alles achter elkaar door kunt lezen. Soms is een verhaal beter in een album. In dit geval twijfel ik eraan. 

De spies

Storm, Roodhaar en Nomad komen aan op Famencia Si Fem Dicoloro. Het zijn zes continenten boven elkaar, die door een soort spies bij elkaar gehouden worden. Op de openingspagina zie je op een los drijvend stuk rots ook mensjes staan, maar die zijn eigenlijk te groot. In het verhaal zijn de continenten veel groter. 

Een mooi afgerond verhaal is dit 33e deel bepaald niet. Eerst is er een ontmoeting met de zwerfmoordenaar, tijdens een optreden van illusionist, die met zijn lange blonde haar wel iets wegheeft van Hans Klok. Er zitten wat knipogen in het verhaal. Zo noemt Storm de illusionist Copperfield, een naam die voor de lezers van de strip bekender zal zijn dan voor de personen in Pandarve. Aan de ene kant is dat wel leuk, aan de andere kant haalt het je ook uit de illusie van het verhaal. 

De illusionist raadt Storm aan om zijn moeder te bellen en even later duiken de drie in een telefooncel, in een ultieme poging om te ontkomen aan hun achtervolgers. Indertijd vond ik het bij de verhalen over het keizerrijk Trigië al lastig dat men vloog in straalvliegtuigen en schoot met straalpistolen, maar tegelijkertijd op paardachtige wezen reed en vocht met het zwaard. Dat is hier eigenlijk ook zo. In een wereld waarin je kunt bellen, hoef je eigenlijk niet meer met het zwaard te vechten, wat Roodhaar en Storm wel doen. Maar goed, daar kun je overheen stappen. 

Compositie

Bezwaarlijker vind ik dat de eerste vijftien bladzijden (de ontsnapping aan de zwerfmoordenaar) niets te maken hebben met het tweede deel van het verhaal, het eigenlijke verhaal over de archivaris van het licht. Eigenlijk hadden we het eerste gedeelte kunnen missen. De scenarioschrijver, Rob van Bavel, zal met de eerste deel wel een bedoeling hebben gehad, maar binnen de grenzen van dit album is mij die niet duidelijk. 

Het idee van die archivaris is overigens heel aardig. Hij houdt zich bezig met wat hij lichtdelven noemt. Er zijn wezens in het universum van Pandarve wier ogen het licht vasthouden en opslaan wat ze gezien hebben. Als ze gestorven zijn, bevatten die oogkristallen een soort beeldbank. De archivaris conserveert die beelden, maar hij gebruikt ze ook om mensen te chanteren. Dat kan natuurlijk niet goed gaan en het loopt uit op een confrontatie met mensen die verhaal komen halen. 

Het is een spannend verhaal met een open einde. In een vervolgdeel zal duidelijk moeten worden hoe het echt is afgelopen. 

Drijfveren?

Het precaire van de situatie is wel duidelijk en dat zorgt er ook wel voor dat je door wilt lezen. Aan de andere kant blijf je als lezer (ik althans) ook wel op een afstandje en grijpt het niet echt aan. Ik heb het idee dat het een scène, een episode die ook een andere had kunnen zijn. Er lijkt niet echt iets te zijn dat Storm, Roodhaar en Nomad drijft, ze hebben geen doel, geen streven, waardoor alles wat ze overkomt iets toevalligs krijgt. Zo'n verhaal kun je in een paar albums vertellen, maar ook in vijftig of honderd. Maar misschien is dat ook de bedoeling.

De tekeningen van Romano Molenaar zijn altijd interessant. Hij houdt van volle plaatjes met veel mensen en dan is het goed dat daartussendoor ook tekeningen opgenomen zijn met meer ruimte, waarin je bijvoorbeeld alleen het het ruimteschip van de archivaris zijn weg ziet zoeken.

Popperig

In de loop der jaren zijn de personages wel wat veranderd. Roodhaars gezicht heeft op sommige tekeningen iets popperigs, wat haar wat kinderlijker maakt. Ook Storm is zijn echte ruigheid kwijtgeraakt, voor mijn gevoel. 

Heel enthousiast ben ik niet geworden van dit verhaal, maar misschien ben ik gewoon niet de juiste lezer. En verveeld heb ik me ook weer niet. Maar ik heb wel het idee dat er een wat dwingender verhaallijn nodig is, anders kan deze reeks nog eindeloos ongericht doorgaan en dan zou ik toch al gauw mijn interesse verliezen. 

Reeks: Storm - De kronieken van Pandarve
Deel 33: De archivaris van het licht
Scenario: Rob van Bavel
Tekeningen: Romano Molenaar
Uitgeverij: L
Oosterhout 2022, 48 blz. 9,95 euro (softcover)  

maandag 8 augustus 2022

De zaak-Marietje Kessels (Liselotte van Leest)

 


Op dinsdag 21 augustus 1900 verdween de elfjarige Marietje Kessels. Ze woonde in Tilburg, was dochter van een fabrikant van muziekinstrumenten en ging nog even naar haar muziekleraar, bij wie ze nooit aankwam. Er werd men man en macht naar haar gezocht, maar het duurde toch nog een paar dagen voordat haar lichaam werd teruggevonden. In de kerk. 

De zaak is meer dan honderd jaar oud. Nooit is duidelijk geworden wie de moordenaar (en verkrachter) van Marietje is geweest. Liselotte van Leest zette alles op een rijtje en deed, met hulp van deskundigen, nader onderzoek. Dat is te lezen in De zaak-Martietje Kessels, dat leest als een roman. 

Van Leest is niet de eerste die zich op deze cold case stort. In 1988 publiceerde Ed Schilders Moordhoek. De reconstructie van de moord op Marietje Kessels in een katholieke kerk. Hij spoorde als eerste het dossier van de advocaat en de hoofdverdachte op en hij bekeek het dagboek van Marietjes vader. Maar hij had niet het strafdossier van justitie tot zijn beschikking. 

Helder en spannend

Van Leest presenteert haar bevindingen helder in het boek. Na het voorwoord en de proloog volgen drie delen: I De verdwijning, II Het justitieel onderzoek, III De zitting en IV Het onderzoek naar een honderdtwintig jaar oude moordzaak. Deel I en III zijn strikt chronologisch, waardoor je als lezer niet meer informatie hebt dan de mensen op dat moment. Dat maakt het spannend: ontwikkelt ideeën over wat er gebeurd is, maar pas later zal al dan niet duidelijk worden of die kloppen. 

Er komen veel getuigenissen voor en die kloppen lang niet altijd met elkaar, waardoor de feiten niet in alle gevallen duidelijk zijn. Van Leest helpt ons er zicht op te houden door het aan te geven als een getuigenis niet overeenkomt met wat we al weten of denken te weten.
 

Verdachten

Er zijn verschillende verdachten. Al gauw wordt de schilder August Mutsaers opgepakt. Hij was bij de kerk aan het werk. Maar de koster, Johan van Isterdael, is misschien wel veel verdachter. Kloppen zijn verhalen wel? En dan hebben we nog de pastoor, George van Zinnicq Bergmann en de kapelaans, Berkvens en Völker, die ook gemakkelijk toegang hadden tot het kerkgebouw en daardoor in de gelegenheid zijn geweest. 

Tijdens het lezen van het boek waan je je terug in 1900. Tilburg is dan, volgens Van Leest, de grootste stad in Noord-Brabant, maar de wijk waarin de kerk staat, heeft iets weg van een dorp, dat je in de loop van het boek een beetje leert kennen. De beeldende beschrijvingen van Van Leest helpen daarbij. Omtrent de feiten is ze heel strikt geweest, maar bij de inkleuring, bij het maken van het verhaal, heeft ze wel dingen ingevuld met haar fantasie. Dat maakt het boek lekkerder om te lezen. De personen leven en je krijgt zicht op hun leefomgeving. Een fotokatern van personen en van gebouwen in de buurt zou in dit geval ook zeker gepast zijn, maar dat ontbreekt. 

En passant krijg je weetjes mee, over bijvoorbeeld de gezondheidszorg in die tijd. Cholera was van tijd tot tijd een groot probleem. Nu weten we dat besmet drinkwater hierbij een cruciale rol speelt. Kinderen die borstvoeding krijgen, hebben daarom geen last van deze ziekte. Maar borstvoeding geven stond juist in een slecht daglicht. De kinderen moesten zo snel mogelijk van de borst, zodat de moeder weer klaar was voor een nieuwe zwangerschap. 

Kritiek op aanpak van de zaak

In de opsporing van het lichaam en het bepalen van de dader zijn rare fouten gemaakt. Hier en daar is echt wel wat blijven liggen. De kapelaans zijn bijvoorbeeld nooit serieus verhoord. Maar de elkaar tegensprekende getuigenissen maakten het de speurders ook niet altijd makkelijk. Het blijkt maar weer eens hoe lastig het is om te bepalen of een ooggetuigenverslag betrouwbaar is. 

De kerk had een onaantastbare status en het was niet de bedoeling dat die in het gedrang kwam. Er is wel degelijk, op hoog niveau, moeite gedaan om de kerk buiten schot te houden. Daarop geeft Van Leest expliciet kritiek. 

Manier van schrijven

De moord op Marietje Kessels is een droevige gebeurtenis, maar doordat er al zoveel tijd verstreken is, was ik tijdens het lezen vooral gespitst op de mogelijke dader. De manier waarop Van Leest schrijft, voerde mij moeiteloos door het boek. 

Van tijd tot tijd is er ook wel degelijk iets te lachen. Een enkel voorbeeld: Op de derde dag van het proces wordt Mie Panhuijsen gehoord, eigenaresse van een bierhuis tegenover de kerk. Van Leest beschrijft haar als volgt:
Ze had uitgepakt voor de gelegenheid: haar haren waren keurig opgestoken in een pompadour en haar volle lichaam, dat al een compleet elftal inclusief wissels aan kinderen had gebaard, ging schuil onder een hoogsluitende, zwarte japon en een bijpassend kort jasje met pofmouwen. 
Dan heb je me wel. Ook als de vader wordt beschreven 'met een gezicht zo bleek als een graflelie.' Het is altijd prettig als je merkt dat de auteur aandacht heeft besteed aan de stijl, zonder dat het aandachttrekkerig wordt. 

Natuurlijk zijn er wel details waar ik mijn vraagtekens bij heb, bijvoorbeeld als Van Leest vertelt dat er een kalf geveild wordt of dat dode varkens aan hun aarseinde hangen, maar het zijn details. 

Inzicht in de tijd van toen

De zaak-Marietje Kessels is een boeiend boek, dat inzicht geeft in de tijd van toen (1900), maar dat ook laat zien hoe justitie met gebrekkige middelen (DNA-onderzoek was natuurlijk nog niet mogelijk) een zaak moest oplossen. Er was zeker sprake van een tunnelvisie, waardoor de aandacht wel erg op de schilder kwam te liggen en minder op de geestelijken, al is er wel degelijk moeite gedaan om de zaak goed uit te zoeken, inclusief geluidsproeven: vanuit welk punt in de kerk is het geschreeuw van een meisje waar te horen?

In de epiloog laat Van Leest ook nog weten dat er een dun persoonlijk draadje was: haar overgrootmoeder was het beste vriendinnetje van Marietje Kessels. Ze vertelt ook hoe het de verschillende personen is vergaan in de periode na het proces. 

True crime is niet bepaald mijn lievelingsgenre, waarschijnlijk doordat het soms iets voyeuristisch heeft of doordat de makers de sensatie zoeken. Maar bij De zaak-Marietje Kessels heb ik zonder belemmering met heel veel interesse kunnen lezen. Een boek voor een vrij breed publiek, lijkt me. 


De zaak-Marietje Kessels. De onopgeloste kindermoord in de Tilburgse Noorhoekkerk. Uitgeverij Volt, Amsterdam/Antwerpen 2022