woensdag 12 april 2017

Amanda (Jelmer Jepsen)


Aan sommige schrijvers kom je als lezer niet toe en van andere schrijvers weet je niet eens dat ze bestaan. Onlangs beluisterde ik een podcast van een interview met Jelmer Jepsen. Nooit geweten dat hij schrijver was. Jelmer Jepsen is een goede naam voor een schrijver: allitererend, niet te verwarren met een andere en het is niet eens een pseudoniem. Ik herinnerde me bij het horen van de naam prompt een gezicht: ooit zat Jelmer in de schoolbank in het lokaal waar ik lesgaf.

Uit het interview bleek dat Jepsen zojuist zijn derde roman gepubliceerd heeft, Amanda. Zijn twee eerdere romans zijn: Vallen als het heet is en De circusvrouw. De uitgever is Xander Uitgevers, waarvan ik ook al nooit gehoord had. Of er meer literatuur bij deze uitgever uitkomt, heb ik niet nagekeken. Erg nauwkeurig wordt ten burele van Xander niet gewerkt. Op de flaptekst staat de zinsnede '...als de media hier lucht van krijgt...' en in het boek gaat het geregeld fout met het voorzetsel (achterzetsel) dat een woordgroep afsluit; dat wordt steeds aan het werkwoord geplakt. Enkele voorbeelden: 'dat jij hier het plein afloopt'; 'wanneer jij de straat inloopt'; 'dat eerst de gedetineerde de ruimte werd ingeleid'; 'als je (...) van het klimrek afkletterde'. Over dat verschijnsel schreef ik eerder hier.

Het is flauw om de auteur verantwoordelijk te houden; de uitgever had moeten controleren en geen onnauwkeurigheden moeten doorlaten als 'dat ze haar gewicht verloor' (bedoeld is: evenwicht); 'kinderen van elf wiens moeder achter de tralies zit'; 'Naar verluid'; 'als ze zich niet vergistte' - storende slordigheden die voorkomen hadden kunnen worden.

Jepsen moet het overigens niet van zijn stijl hebben. Daar had best wat meer aan geslepen kunnen worden. Sommige weinigzeggende dialogen hadden geschrapt of ingekort kunnen worden, andere zinnen  hadden zonder woorden als 'gewoon' of 'daadwerkelijke' gekund.

Maar Jepsen kan wel een personage scheppen en een verhaal opzetten. Hoofdpersoon in deze roman is de elfjarige Amanda, een eigenzinnig kind. Haar moeder is overleden, denkt ze, maar al gauw komt ze erachter dat moeder in de gevangenis zit. Omdat vader niet zo op haar let, kan Amanda haar eigen gang gaan. Ze heeft een bijzonder huisdier, de boa constrictor Gloria. Als haar vader overlijdt, staat haar Amanda er alleen voor. Ze heeft een groots plan en dat gaat ze ten uitvoer brengen. Daarvoor onderneemt ze een reis door Florida.

De lezer leeft moeiteloos mee met Amanda, al is ze niet geheel geloofwaardig. Zo is ze wel erg zelfstandig voor een elfjarige en haar verbale vaardigheid is buitengewoon, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een brief die ze aan de buren schrijft. Op de eerste bladzijde wordt verteld dat ze altijd muziek hoort in haar hoofd, maar vervolgens komt dat niet meer terug in het boek. Er is genoeg aan Amanda dat je aan haar doet twijfelen, maar de gebeurtenissen en haar onbevangen manier van redeneren nemen je toch mee het verhaal.

In het eerste deel ligt het perspectief bij Amanda. Daarna laat Jepsen ons ook meeleven met andere personages. Pas dan komt het verhaal goed op gang. Amanda wordt opgemerkt door de media en dan barst het circus los. Haar vader is overleden, maar Amanda heeft dat stil gehouden. Heeft ze misschien haar vader vermoord?

Jepsen weet het hele gedoe met de media goed te beschrijven. De advocaat van Amanda is zich zeer bewust van de gewekte belangstelling en maakt er handig gebruik van.

Amanda is een smakelijk verhaal, waarin getoond wordt hoe een meisje in bijzondere omstandigheden zich staande houdt. Het meisje is daarin zo uitzonderlijk, dat er weinig herkenning zal zijn.

Na lezing van het boek vroeg ik me af of ik nu meer gelezen had dan een aardig verhaal. Stilistisch is het niet bijzonder goed, de hoofdpersoon is interessant vanwege haar uitzonderlijkheid en haar omstandigheden en je voelt je ook wel enigszins met haar verbonden, maar ze raakte me slechts oppervlakkig.

Misschien mist Amanda vooral noodzaak. Je hebt niet het idee dat er iets verteld moest worden. Er is een onderhoudend verhaal in elkaar gezet en dat is het dan. Dat is me te weinig.

vrijdag 31 maart 2017

Gekke Fritske / Mensen met een beperking

Met taal kun je niet voorzichtig genoeg zijn. Zo gauw je iets benoemt, bestaat het immers. Er zijn bijvoorbeeld ziekten die alleen in bepaalde landen bestaan. Alleen daar hebben ze er een woord voor. Duitsers hebben nogal eens last van hun bloedsomloop, hun Kreislauf. Daar hebben we hier nog nooit van gehoord. We hebben er geen woord voor, dus bestaat het niet. Of andersom: in Duitsland hebben ze er een woord voor en daarom bestaat het.

Het luistert dan ook nauw hoe je iets noemt: terrorist of vrijheidsstrijder, activist of relschopper, alternatieve of complementaire geneeskunde, probleemwijken of krachtwijken, allochtonen of mensen met een migratieachtergrond. De manier waarop je iets benoemt, laat je visie erop zien, maar bepaalt mede je visie.

In Trouw van 30 maart 2017 las ik: 'Een baan voor iedereen met een beperking'. Vroeger zouden we 'gehandicapten' hebben gezegd, waarbij we ook nog het onderscheid maakten tussen lichamelijk en geestelijk gehandicapten. Nu zeggen we: 'Mensen met een beperking.'

Maar dat zijn wij allemaal! Mensen zonder beperking bestaan namelijk niet. We hebben allemaal een beperkte intelligentie, ook de heel slimmen onder ons. We zijn lichamelijk beperkt; we kunnen bijvoorbeeld niet vliegen.

'Mensen met een beperking' is dus een rare term: er wordt beoogd een subcategorie aan te geven, maar eigenlijk gebeurt dat niet. In het artikel kom ik ook een preciezere uitdrukking tegen: 'arbeidsbeperkten', 'mensen met een arbeidsbeperking' dus, maar die term slaat strikt genomen ook op alle mensen.

We kunnen nog meer muggen gaan ziften. Er bestaat bijvoorbeeld niet zoveel verschil tussen een beperking en een handicap. In ieder geval is duidelijk wie er bedoeld worden: mensen met een extra beperking, een beperking (of een handicap) die de meeste andere mensen niet hebben.

In mijn jeugd werd ook het woord 'handicap' niet gebruikt. 'Ongelukkig', herinner ik me: 'Bij de buren hebben ze een ongelukkig kind'. Dat was niet een kind dat niet gelukkig was of 'niet goed in zijn vel' zat, maar een lichamelijk of geestelijk gehandicapt kind. Als het in lichte mate was, zei men: 'Die is niet helemaal zoals een ander'.

Een oom en tante van mijn vader hadden 'ongelukkige kinderen'. Die zijn niet oud geworden. Ik herinner me hen niet. Mogelijk waren ze al voor mijn geboorte overleden of toen ik nog heel klein was. Ik had een hobbelpaard dat van een van die kinderen was geweest. Het was een haan, waarvan de kam was afgezaagd. De jongen die erin gezeten had, had een gebogen gestalte en zou zich anders aan de kam gestoten hebben.

Tegenwoordig kan 'ongelukkig' in zo'n geval niet meer gebruikt worden. We denken daarbij meteen aan iemands gemoedstoestand. Ons persoonlijk welbevinden is zo belangrijk geworden, dat we ons af zijn gaan vragen of we wel gelukkig zijn. Blijkbaar was dat in mijn jeugd minder van belang.

Ik denk dat indertijd in de benaming 'ongelukkig' ook wel medelijden meespeelde, wat de term iets bevoogdends geeft. Degene die een ander een 'ongelukkige' noemt, zal mogelijk sympathie hebben voor die ongelukkige, maar hij plaatst zich ook boven hem.

Die sympathie herinner ik me sterk. Bij ons in het dorp was er een man die Gekke Fritske werd genoemd. Ik heb nooit geweten hoe zijn achternaam luidde. Het was een magere man, die iets van een jongen in zich had. Hij droeg een pak, als mijn geheugen mij niet bedriegt, reed op een damesfiets (zo'n omamodel) en rookte sigaretten, met getuite lippen.

Fritske was 'niet helemaal zoals een ander'. Hij liep moeilijk; misschien was hij spastisch. Maar meestal fietste Fritske door het dorp en groette de mensen die hij tegenkwam. Iedereen groette hem terug. Bij elke bruiloft was hij aanwezig. Hij feliciteerde het bruidspaar, dronk een kop koffie, at een stukje taart en verdween weer. Misschien dat ik mij hem daarom in pak herinner.

Als Fritske nu geleefd zou hebben, zou hij vast niet Gekke Fritske genoemd zijn.' Iemand 'gek' noemen, kan niet meer. Je mag van jezelf zeggen dat je gekke Henkie niet bent, en ook dat je 'een heel gek mens bent', maar je noemt een ander niet gek. Toch was 'Gekke Fritske' bepaald geen scheldnaam.

Nooit heb ik iemand negatief gehoord over Fritske. Misschien kwam dat ook wel doordat hij vaak goed gehumeurd was en geen overlast veroorzaakte. Hij werd niet speciaal begeleid, voor zover ik weet; hij ging niet naar een dagopvang. Fritske fietste door het dorp, waar iedereen een beetje op hem lette.

Ik moet oppassen dat ik niet nostalgisch word. Met het huidige verkeer zou dat fietsen van Fritske waarschijnlijk gevaarlijk zijn en er zijn nu veel minder mensen die overdag thuis zijn of in de boomgaard of op het land aan het werk zijn. Die touwtjes uit de brievenbus waar Terlouw het over had, zijn niet voor niets verdwenen.

Wel heb ik het idee dat de taal toen onschuldiger was. Dat het minder nauw luisterde hoe je iemand noemde. Fritske was 'niet zoals een ander' en werd daarom 'Gekke Fritske' genoemd. Iedereen zou het vreemd gevonden hebben als we hem 'iemand met een beperking' of 'iemand met een uitdaging' hadden genoemd. Fritske behoorde niet tot een categorie. Hij was Fritske en niemand anders.

Naschrift: Het licht spastische dat ik me van Fritske herinnerde, kon mijn moeder niet bevestigen. Ze vertelde wel dat Fritske ook op de bruiloft van mijn ouders is geweest. Zij waren echter net met de fotograaf mee. Hij heeft toen mijn oom en tante gefeliciteerd, die er ook netjes uitzagen en een corsage op hadden. Mijn moeder wist niet zeker meer of Fritske voor een stukje taart of voor een borreltje kwam.

woensdag 29 maart 2017

Makkelijk leven (Herman Koch)


Het is altijd prettig als een verteller in een roman een 'stem' heeft, een herkenbare toon, een verteltrant die onmiskenbaar bij hem hoort. Schrijvers als Walter van den Berg en Dimitri Verhulst kunnen heel goed zo'n verteller opvoeren. Ook Herman Koch kan het.

In zijn nieuwe boek, het Boekenweekgeschenk Makkelijk leven steekt de verteller, Tom Sanders, als volgt van wal:
Ik schrijf zelfhulpboeken.
Ik denk dat u mij wel kent. Van mijn succesvolste boek, Makkelijk leven, zijn wereldwijd meer dan veertig miljoen exemplaren verkocht. Is dat succes mij naar mijn hoofd gestegen? Ja en nee. Kort na het verschijnen van de achttiende druk -toen alleen nog in het Nederlands, en wat lijkt dat inmiddels lang geleden!- kocht ik een zwarte Jaguar XF. Julia, mijn vrouw, trok het gezicht dat ze ook altijd trekt wanneer ik haar vertel dat er 's avonds Champions League-voetbal op tv is en we dus niet uit eten kunnen.
Je ziet het plaatje meteen voor je: een schrijver van zelfhulpboeken - dat roept al meteen associaties op. Het is ook nog een succesvol schrijver, die al gewend is aan zijn succes. Hij lijkt zich te moeten inhouden, wil hij zich niet nog luider op de borst kloppen. Als hij het heeft over de achttiende druk van zijn boek, wat natuurlijk al een enorm succes is, vermeldt hij er terloops bij dat dat nog alleen maar in Nederland was, waaruit iedereen kan concluderen dat het echt grote succes toen nog moest komen. Het lijkt dan ook wel erg lang geleden.

Het is een man die gewend is zijn zin te krijgen. Als zijn vrouw een etentje gepland heeft, gaat het voetbal voor.

De toon is gezet. Verschillende keren heeft Koch voor zijn boeken een hoofdpersoon gekozen met wie wat was, die niet helemaal normaal was. Dat is bij Tom Sanders niet het geval. Hij is niet sympathiek, maar je kunt wel gemakkelijk meegaan in zijn gedachtegang.

Koch bekijkt de wereld van het zelfhulpboek met ironie. De hoofdpersoon heeft weliswaar een zelfhulpboek geschreven, maar dat is tegelijkertijd een anti-zelfhulpboek: luister niet naar al die adviezen en neem het leven een beetje makkelijk. Aan het eind van het Boekenweekgeschenk zijn de regels voor het makkelijk leven opgenomen. De eerste regel:
Probeer problemen niet altijd op te lossen door eraan te denken; vaak worden ze eerder opgelost door er niet aan te denken.
Het aardige is dat het boek naar zichzelf verwijst: de hoofdpersoon heeft succes als auteur van het boek Makkelijk leven en dat boek hebben wij in handen. De regels achter in het boek zouden we als leefregels kunnen gebruiken.

Tom Sanders leeft zelf ook naar die regels, maar in dit verhaal lukt hem dat niet helemaal en dat wordt zijn ondergang. Op een feestje staat zijn schoondochter voor de deur. Hanna, met wie hij niet zoveel op heeft. Ze blijkt mishandeld door haar man, Stefan, de zoon van Tom en Julia. Tom praat met Hanna en belooft haar met zijn zoon te gaan praten, maar dat schuift hij, trouw aan zijn eigen regels, op de lange baan.

Die regel ('Stel altijd uit tot morgen wat je vandaag nog zou kunnen doen') hanteert hij wel. Maar een andere ('Probeer niemand te veranderen, ook jezelf niet') lijkt hij vergeten. Zijn schoondochter ziet hij zelfs als een project. Om kort te gaan: het project mislukt en Tom blijft met lege handen achter. Hij kan proberen om in zijn eentje het makkelijk leven in praktijk te brengen.

Boekenweekgeschenken zijn altijd maar dun; het verhaal moet dus in een beperkt aantal bladzijden verteld worden. Behalve de keer dat Salman Rushdie het Geschenk mocht schrijven. Dat het zo kort moet, is ook voor Makkelijk leven een nadeel. Het begin is heel aardig: boeiende hoofdpersoon, met wie je moet meeleven maar van wie je tegelijkertijd wat afstand neemt. En een interessant dilemma: je moet je zoon, die zelfs je favoriete zoon is, aanspreken als hij je schoondochter, die bepaald niet je favoriet is, te lijf is gegaan.

Maar daarna is het grote stappen, gauw thuis. Koch is genoeg schrijver om daar nog iets aardigs van te maken, zodat het niet helemaal in elkaar zakt, maar erg sterk is het slot toch niet.

Als Boekenweekgeschenk lijkt Makkelijk leven me geslaagd: geschikt voor een breed publiek en gewoon een heel aardig verhaal. Maar liever had ik gehad de Koch er een echte roman van had gemaakt. Nou ja, dat is de doem van Boekenweekgeschenken.


Zie ook de recensie van Zomerhuis met zwembad

dinsdag 28 maart 2017

StripGlossy


Wie zich bij wil lezen, op welk gebied dan ook, merkt dat er zoveel gepubliceerd wordt, dat het onmogelijk is om alles bij te houden. Dat geldt ook voor strips. Er komen veel nieuwe strips uit, er is een stroom aan integrale herdrukken en daarnaast wordt er in tijdschriften en op websites uitgebreid over strips geschreven. De stapel van wat je wilt lezen is altijd hoger dan van wat je kunt lezen.

De StripGlossy is begonnen aan haar tweede jaargang. Al vier keer is het tijdschrift op mijn mat gevallen en ik merk dat ik het altijd lees. Soms ligt het even voordat ik eraan begin, maar ik lees het. Helemaal. Dat is op zich al een wonder.

Het blad ziet er mooi uit: stevig (het valt ook na herhaald doorbladeren en lezen niet uit elkaar), mooi papier, waarop de kleuren goed uitkomen. Dat maakt het aantrekkelijk om te pakken en door te bladeren.

Verder heeft het een goede mix van strips en stukken over strips. Dat evenwicht is prettig. Op de vast terugkerende elementen verheug ik me altijd weer. De strip Llewelyn Flint, die we ons nog herinneren van Peter van Straaten, is weer opgepakt door Fred de Heij, met Ger Apeldoorn als scenarist en dat pakt bijzonder goed uit.


Ook een vast element: de stripbattle, waarbij drie striptekenaars over hetzelfde thema tekenen. Of de parodie door Kim Duchateau. Of Ger Apeldoorn die ons in kort bestek laat delen in zijn brede kennis op stripgebied. In Stripglossy nummer 4 vertelt hij over Jacovitti en ik had meteen zin om terug te gaan bladeren in oude nummers van Pep om nog eens te genieten van Cocco Bill.


StripGlossy wordt gemaakt met respect voor de historie die Nederland heeft op stripgebied. Oude leeuwen als Daan Jippes, Martin Lodewijk, Dick Matena en Jan van Haasteren komen uitgebreid aan bod. Matena is behalve een goed tekenaar ook een goed verteller, zoals ook blijkt uit zijn stukjes in Eppo. Hij is altijd goed voor heerlijke anekdotes.

In nummer 4 krijgt Willem Ritstier de ruimte. Hij kreeg dit jaar de Stripschapprijs, die prestige heeft en publiciteit oplevert, maar waaraan nog steeds geen geldbedrag verbonden is. Zou dat door middel van crowdfunding niet te verhelpen zijn?

Ritstier is een van onze beste scenarioschrijvers, die intussen kan bogen op een groot oeuvre. Hij blijkt ook bezig te zijn aan een graphic novel, waarbij het overlijden van zijn vrouw het uitgangspunt is. Heftige stof, en  naar het boek dat dat op zal leveren ben ik nu al benieuwd.

Wellicht is StripGlossy niet het meest doorwrochte blad, maar het is aantrekkelijk, afwisselend en nodigt daardoor uit tot lezen. Uit het hele blad spreekt het plezier waarmee het gemaakt wordt en het enthousiasme voor strips. Iemand die ook maar een beetje van strips houdt, kan daar moeilijk weerstand aan bieden.

Een los nummer van StripGlossy kost € 8,95. Bij een jaarabonnement worden er drie nummers voor diezelfde stuksprijs door de post bezorgd. Wie een abonnement voor langere tijd neemt, krijgt korting. Bij een abonnement voor drie jaar betaal je bijvoorbeeld €6,95 per stuk. Bezoek voor verdere informatie de site.

zondag 26 maart 2017

Liefde in beeld (Margreet de Heer)


Intussen zijn ze bekend en ze vormen een mooi rijtje in menige boekenkast: de boekjes van Margreet de Heer waarin ze een onderwerp in kaart brengt. Dat deed ze tot nu toe met filosofie, religie, wetenschappen en wereldheerschappij. Nu heeft ze de liefde onder een vergrootglas gelegd in het boekje Liefde in beeld.

De werkwijze van De Heer is in elk boek hetzelfde. Ze onderzoekt verschillende facetten van het onderwerp en tekent haar bevindingen. Door het hele boek heen loopt er een figuurtje rond dat geënt is op haarzelf, en haar man Yiri vormt ook een personage. Ze verwoorden vragen en gedachten die gemakkelijk bij de lezer opkomen als hij de informatie tot zich neemt.

Tegelijkertijd maken die figuurtjes het boek persoonlijk. De kracht van de boeken van De Heer is dat ze niet alleen informatie geven, maar ook een vorm van zelfonderzoek zijn. De auteur gaat haar eigen twijfels niet uit de weg, maar ziet die juist onder ogen. Als tegenwicht loopt er door dit boek een schooljufachtig figuurtje, dat de tegenstem verwoordt en de opvattingen uit die niet passen bij het Margreetfiguurtje.

De algemene informatie over het onderwerp zou iedereen kunnen geven. Die is ook wel te vinden op informatieve websites. De meerwaarde van bijvoorbeeld Liefde in beeld zit, behalve in de tekeningen waarin je meteen de hand De Heer herkent, in de persoonlijke aanpak. Dat is iets wat je niet zomaar ergens anders kunt vinden.

De Heer treedt haar onderwerp altijd met een open geest tegemoet. Ze is nieuwsgierig, wil weten hoe dingen precies zitten, heeft belangstelling voor andere tijden, andere culturen, andere opvattingen.

In Liefde in beeld krijgen we dan ook een brede blik op het onderwerp. Ze belicht bijvoorbeeld zeven soorten liefde, seks (door De Heer steeds als 'sex'  gespeld), de Kama Sutra, het Hooglied, de Boeketreeks, het sprookje, de gevaren van samenwonen en van kinderen, soorten huwelijken, de werking van verliefdheid, liefde als verslaving.

Altijd heeft Margreet de Heer een aangenaam opgewekte toon, die zo'n beetje alles goed verteerbaar maakt. Ook als het personage twijfels heeft, zich zorgen maakt of boos is, blijft er een ironische afstand, waardoor je automatisch blijft glimlachen. Tijdens het lezen van Liefde in beeld hou of krijg je vanzelf een goed humeur.

Liefde in beeld komt in mijn boekenkast naast de andere vier deeltjes te staan en naast de geschiedenis van het beeldverhaal die De Heer tekende en schreef (zie hier). Ze zullen er nog verschillende keren uit gehaald worden.
Titel: Liefde in beeld
Tekst en tekeningen: Margreet de Heer
Uitgever: Meinema
Zoetermeer 2017; 128 blz. € 16,95

Hier een verslagje van een lezing door Margreet de Heer.

maandag 20 maart 2017

Boven de straat hangt een witte lucht (Anne Büdgen)


Voor mij ligt de roman Boven de straat hangt een witte lucht van Anne Büdgen. Ook de ondertitel staat op het voorplat: 'Dagboek van Anna Meesink'.

Het boek opent met een wat aanstellerige tekst:
Neem een stapel notities. Laat ze lang rijpen in een donkere kamer. Kijk ze niet in om het proces niet te verstoren. Als ze voldoende vergeten zijn, weekt u voorzichtig de gedichten los. Dit moet met precisie gebeuren zodat er geen flarden fragmenten meekomen. Laat ze in hun geheel in een kom glijden, met of zonder titel. Kies nu enkele verhalen en slordig geschreven gedachten en giet ze erbij. Mocht u intussen personages tegenkomen, snijd ze gerust in een andere vorm. Laat herinneringen uitlekken. Voeg een flinke scheut fictie toe en een eetlepel dingen die gebeurd hadden kunnen zijn. 
Wie we als auteur van dit stukje tekst moeten zien, is niet helemaal duidelijk. Dat zou Anne Büdgen kunnen zijn, maar ook haar hoofdpersoon, Anna Meesink.  Ze maakt op wat omslachtige manier duidelijk dat een deel van het boek fictie is en een deel gebaseerd op 'notities'.  Dat losweken van de gedichten lijkt erop te duiden dat ook die in de notities te vinden waren. Of dat zo is of dat ze later zijn toegevoegd maakt voor het boek niets uit.

De rest van Boven de straat hangt een witte lucht is verdeeld in drie delen: 'Bewaar nooit', 'Sterf niet op een dinsdag' en 'Wie springt'. Elk deel begint met een stukje tekst dat niet de vorm heeft van een dagboek. De drie stukjes zijn in de je-vorm geschreven. De verteller is een schrijfster, die intussen al kinderen heeft. Ze kijkt terug op de dagboekentijd.

Net als het openingsstukje lijden de drie stukjes aan aanstellerigheid, aan de nadrukkelijke poging iets op een bijzondere of mooie manier te verwoorden. Wil Büdgen ons laten zien dat Anna schrijfster is geworden en dat ze nog steeds bij tijden de neiging tot dramatiseren heeft?

Over het algemeen laat Büdgen Anna in de dagboekgedeelten vrij sober schrijven. Af en toe schiet ze ook hier uit de bocht: '(...) en hoop ik zo dat er in de hemel ook milkshakes zijn of vriendinnen om mee te lachen tot er scheurtjes in ons geluk schieten.' Dat laatste stukje van de zin is mooischrijverij, die niet past bij de stijl waarin Anna gewoonlijk schrijft.

In de dagboekaantekeningen zijn Bijbelteksten opgenomen die passen bij wat Anna vertelt. Maar ook liedteksten, en gedichten die Anna geschreven heeft. Ze zijn, gezien Anna's leeftijd, niet slecht, maar ook niet interessant. Ze voegden eigenlijk niets toe aan wat het meisje al in proza verteld had. Ik merkte dat ik in de loop van het boek de neiging moest onderdrukken om de gedichten over te slaan.

Anna is bijna veertien jaar oud aan het begin van Boven de stad. Het begin van het dagboek ziet er niet uit als bij iemand die net aan een dagboek begonnen is. Blijkbaar schreef ze al eerder. Een dagboek bijhouden en ook nog gedichten schrijven: Anna moet wel van schrijven houden. Het is opmerkelijk dat ze in haar dagboek bijna nooit reflecteert op het schrijven.

Op bladzijde 66 vertelt ze dat ze een gedicht geschreven heeft en niet precies weet wat het betekent. Pas op de helft van het boek schrijft ze: 'De pen in mijn hand is de vijand. Elk woord dat ik schrijf is een leugen.' Even verderop lezen we over het schrijven van een sonnet. Dat is het wel zo ongeveer.

Een groot deel van het gemiddelde puberleven speelt zich af op school. Ook daarover schrijft Anna geruime tijd nauwelijks. Een vermelding dat ze geen Franse woordjes kan leren als ze moet huilen of dankbaarheid omdat God haar hielp bij het huiswerk. Daar blijft het aanvankelijk bij. Pas verderop in het boek krijgen we ineens te horen dat het op school niet goed gaat.

Anna groeit op in een orthodox christelijk gezin (Gereformeerde Bond van de Nederlandse Hervormde Kerk) in Gouda.  Haar ouders zijn gescheiden; de kinderen ontmoeten vader van tijd tot tijd bij een oom en tante thuis. Anna heeft een oudere broer, Han, een jongere zus (Ruth) en een broertje, Leo.

Moeder moet haar best doen om het gezin draaiende te houden. Daardoor schiet de aandacht voor de kinderen er wel eens bij in. Misschien zit het ook niet in het karakter van moeder om haar affectie te tonen. Han onttrekt zich steeds meer aan het gezin, Leo heeft gedragsproblemen en wordt uit huis geplaatst en Anna moet in haar eentje haar weg zien te vinden. Over Ruth lezen we niet zo heel veel.

Vooral vader heeft de orthodox christelijke opvoeding in het gezin gebracht. Moeder heeft een niet-kerkelijke achtergrond. In de loop van het boek beginnen de strakke regels waaraan het gezin zich gehouden heeft te verwateren. Er komt een piepkleine tv in huis, later draagt Anna van tijd tot tijd een broek en aan het eind van het boek laat ze haar haren knippen, wat voor haar voelt als het stellen van een daad.

Onder invloed van een buurvrouw gaat Anna meer en meer haar heil zoeken bij een evangelische gemeente. Met moeder treft ze een regeling: dat mag één keer per maand. Ze gaat ook aan aan het avondmaal, wat niet mogelijk geweest zou zijn in de kerk van haar ouders. Daar moet je belijdenis gedaan hebben voordat dat mag.

Er zijn perioden dat Anna veel met het geloof bezig is:
God niet vergeten. Soms merk ik dat ik een paar uur niet aan Hem gedacht heb en dan bid ik. Hoe kan Hij mij bereiken als ik Hem uit het oog verlies?
Ze kent daarin momenten van piekeren ('Waarom heeft God de mens niet zó geschapen dat hij zelf iets zou kunnen doen om zijn schuld op te heffen'), maar ook van blijdschap ('Ik sprong op en danste. Ik zong van Jeruzalem en de Messias verscheen boven de huizen van de Jasmijnlaan.').

Anna is een gecompliceerd persoon: ze wil graag geloven, maar ze wil zich ook afzetten tegen de 'refo's' op haar school. Ze is bij tijden somber, maar dat blijkt meestal niet uit het dagboek. Dat ze pillen slikt om er een eind aan te maken, is voor de lezer dan ook nauwelijks voorbereid. Er zijn wel wat fantasieën, bijvoorbeeld dat ze weg zou kunnen zweven uit het raam, maar dat kun je nauwelijks zelfmoordfantasieën noemen.

Op een gegeven moment gaat ze zich punkachtig kleden en opmaken. Dat wordt vermeld, maar verderop lijkt het geen rol meer te spelen. We krijgen een versnipperd beeld van Anna, alsof er nauwelijks doorgaande lijnen zijn in het boek. Misschien is dat typerend voor het gebrek aan cohesie dat Anna in haar leven ervaart; misschien heeft de schrijfster gewoon niet zo goed grip gekregen op haar personage.

Boven de straat hangt een witte lucht leest aardig vlot, maar het is niet een heel goed boek. Het moet het vooral hebben van de verschillende scènes, die soms goed getroffen zijn. De problematische relatie tussen Anna en haar moeder bijvoorbeeld komt gemiddeld genomen wel goed uit de verf.

Als een boek zich in een wat zwaarder christelijk milieu afspeelt, wordt het in de kringen die getekend worden altijd de maat genomen. Zijn de personages wel representatief? Is er wel recht gedaan aan het milieu? Het is een onzinnige eis. Personages moeten geloofwaardig zijn binnen de roman en goede personages zijn meestal niet representatief. In de Bijbel is Jona een interessante profeet: hij gehoorzaamt niet aan God. Hij is waarschijnlijk juist interessant doordat hij niet representatief is en dus niet een gemiddelde profeet.

Franca Treur is redelijk welwillend besproken, voor zover ik weet, maar zij heeft op dit punt wel vragen gekregen. Dat zal met Anne Büdgen ook wel weer gebeuren. De hoofdpersonen uit Dorsvloer vol confetti en Boven de straat hangt een witte lucht zijn wel met elkaar te vergelijken: meisjes uit een christelijk gezin die hun weg zoeken. Maar de verschillen zijn er ook: bij Treur wordt een plattelandsgemeenschap beschreven, terwijl de hoofdpersoon van Büdgen in een provinciestad opgroeit. De gezinssituatie van Anna Meesink is ook veel minder stabiel dan die in het boek van Treur.

Beide boeken missen een sterke verhaallijn en moeten het hebben van de afzonderlijke gebeurtenissen. Treur heeft wel veel duidelijker een karakter neergezet, waardoor er meer evenwicht in haar boek zit.

Boven de straat hangt een witte lucht is het prozadebuut van Anne Büdgen. Eerder publiceerde ze twee dichtbundels. Ik vind deze roman niet heel goed, maar ik heb me meestal niet verveeld tijdens het lezen. Laten we de volgende boeken van Büdgen maar afwachten.

zondag 19 maart 2017

Thierry en Joop

Op 16 maart jl. schreef Anne Fleur Dekker op Joop.nl het artikeltje 'Thierry Baudet is Wilders in schaapskleren'. Het is maar een kort stukje, nog geen driehonderd woorden, maar Dekker ('Activist en blogger') krijgt het toch voor elkaar om in dat korte bestek verschillende malen uit de bocht te vliegen. 

Na de titel volgt, cursief gedrukt, de zin:
De lijsttrekker praatte verkrachting goed en deed racistische uitspraken, maar komt nog steeds in Tweede Kamer
Dat is een wat onhandige zin na een titel waarin twee lijsttrekkers worden genoemd, maar het is toch wel duidelijk dat hier Thierry Baudet wordt bedoeld. De zin lijkt me een samenvatting vooraf. Ik laat die voor wat die is.

Opvattingen van auteur of personage?

 Dan krijgen we een citaat:
Vraag het ook maar eens aan een verkrachter. Even los van al het tegengestribbel en uiterlijk verzet: vrouwen reageren ontzettend op zulke nietsontziende mannelijkheid. In veel gevallen komen ze ook gewoon klaar (…)
Dekker noemt het een gruwelijk citaat. Ze legt uit dat het niet uit een psychologische thriller of uit de memoires van een seriemoordenaar komt, maar uit 'het boek van nieuwbakken Tweede Kamerlid Thierry Baudet'.

Over de inhoud van het citaat ga ik verderop in. Dekker geeft aan dat ze over zo'n citaat niet begonnen zou zijn als het uit een psychologische thriller geplukt zou zijn. In een roman kunnen er nu eenmaal personages rondlopen met vreemde opvattingen.

Maar het boek van Baudet, Voorwaardelijke liefde, is ook een roman. Blijkbaar mag je een schrijver van een psychologische roman niet afrekenen op de opvattingen van zijn personages, maar Thierry Baudet wel.

Dekker ziet wel in dat dat niet helemaal zuiver is. Daarom schrijft ze: 
Goed, het boek is officieel een roman en dus fictie, maar Baudet heeft zich in meerdere interviews geïdentificeerd met de hoofdpersoon.
Ze geeft toe dat het boek een roman is (en dus fictie), maar ze zwakt het af door te zeggen dat het 'officieel' een roman is en dat Baudet zich in 'meerdere interviews' heeft geïdentificeerd met de hoofdpersoon.

Welke interviews dat zijn, vermeldt ze niet, maar ik neem aan dat ze die zo zou kunnen noemen. Of ze de roman van Baudet gelezen heeft, is mij niet duidelijk. Ze verwijst naar een recensie op de site van HP/De Tijd (van de hand van Dries Muus), die weinig heel laat van Voorwaardelijke liefde.

De roman van Baudet heb ik niet gelezen. Voordat ik het stukje van Dekker las, wist ik niet eens dat Baudet een roman geschreven had. Maar ik wil wel ingaan op de veronderstelling dat je een schrijver verantwoordelijk mag houden voor de uitlatingen van zijn personages, in ieder geval wanneer hij zich met hen identificeert.

Dat lijkt me onzin. Een schrijver identificeert zich altijd met zijn personages: hij moet zich inleven in hun manier van denken, wil hij geloofwaardig over hen kunnen schrijven. Bij literatuur zal de autobiografie van de schrijver altijd meespelen, ook als hij stof gebruikt die ver van zijn eigen leven af staat. Een romanpersonage van Louis Ferron zei ooit, weliswaar overdrijvend: 'Zelfs een bloembollencatalogus is nog autobiografisch'.

Bij schrijvers lopen fictie en werkelijkheid wel eens door elkaar. Jan Siebelink bijvoorbeeld had tijdens het schrijven van zijn bestseller Knielen op een bed violen een briefje op zijn bureau liggen met de tekst 'Hem loslaten'. Die 'Hem' is zijn vader, die model stond voor de hoofdpersoon van de roman. Siebelink probeerde nadrukkelijk een personage van zijn vader te maken, maar in zijn hoofd leken die twee wel heel erg op elkaar. In interviews kreeg Siebelink vragen over het personage Hans Sievez, maar vaak gaf hij een antwoord dat op zijn vader sloeg.

Maar ook als fictie en autobiografie niet goed te scheiden zijn, moet je een roman als een roman beoordelen. Waarschijnlijk heeft ook Baudet stukken uit zijn eigen leven in de roman verwerkt. Maar hij heeft ook meteen afstand genomen, bijvoorbeeld door de hoofdpersoon een andere naam te geven (Gregor).

Het boek kan niet dienen om er argumenten aan te ontlenen, het is fictie en niet alleen 'officieel'. In een roman mogen racisten, moordenaars, verkrachters, activisten, bloggers of milieuvervuilers voorkomen. Ze mogen de wet overtreden en ze mogen stevige meningen hebben: het zijn personages. Je mag een schrijver daar niet op afrekenen, zoals het ook onterecht is als je de acteur die de schurk gespeeld heeft, verwijt dat hij een slecht karakter heeft.

Een schrijver is niet verantwoordelijk voor de uitlatingen van zijn personages, al heeft hij hun die uitlatingen zelf in de mond gelegd. Kun je een auteur wel verantwoordelijk houden voor de strekking van zijn roman? Dat lijkt me wel. Bij een roman die oproept tot geweld kun je best kritisch schrijven over de strekking. Maar ook dat is een mijnenveld. Het kan in ieder geval niet op de van-dik-hout-zaagt-men-planken-manier die Dekker hanteert.

Eerder besprak ik hier Van dode mannen win je niet, een roman over een extreem gewelddadige man, die het hele boek door zijn gedrag probeert te rechtvaardigen tegenover een jongen. Hij wil hem laten inzien dat diens moeder niet voor niets door hem in elkaar geslagen is; ze had het er zelf naar gemaakt.

De hele roman zitten wij als lezer in het hoofd van de hoofdpersoon. De auteur neemt geen afstand van zijn personage. Het gevolg is dat het boek ons laat nadenken over hoe het is om zo'n gewelddadige man te zijn. Iemand die oppervlakkig leest, zou kunnen beweren dat Van den Berg het wereldbeeld van zo'n man niet alleen duidelijk maakt, maar ook propageert. Dat is niet het geval.

Goedpraten van verkrachting

Aangezien Dekker gauw thuis wil zijn, maakt ze grote stappen: twee zinnen verder al noemt ze Baudet 'iemand die verkrachting goedpraat'. Hier wordt de bocht wel erg grof afgesneden.

Ten eerste gaat het om een personage en niet om Thierry Baudet en ten tweede kan ik niet uit het citaat halen dat het personage verkrachting goedpraat. Hij zegt alleen dat vrouwen tijdens een verkrachting een orgasme kunnen krijgen. Of dat zo is, wist ik hiervoor niet, maar hier, in het boek Seksuologie (2004), kwam ik dat wel tegen. Ik neem maar even aan dat dat klopt.

Er zijn ook verschillende fora waarin slachtoffers hun verhaal doen, hier bijvoorbeeld, maar dat zijn niet te checken verhalen. Dat vrouwen in 'veel gevallen' een orgasme krijgen tijdens een verkrachting krijgen zal wel overdreven zijn; in Seksuologie wordt gesproken over 'soms'.

Ik kan niet inzien dat er hier sprake is van goedpraten van verkrachting, niet door het personage Gregor en al helemaal niet door Thierry Baudet.

Misgoynie

Het zijn overigens niet de enige beschuldigingen die Dekker uit:
Hij laat zich wel vaker niet alleen seksistisch, maar zelfs misogyn en racistisch uit. 
Ze geeft daarbij twee links. Voor 'misogyn' verwijst ze naar het artikel 'Julien Blanc heeft volkomen gelijk' waarin Thierry Baudet, de versiergoeroe Julien Blanc gelijkgeeft. Het artikel is (opnieuw) gepubliceerd op The Post Online. Baudet verwijst in het artikel naar een bericht op dezelfde site waarin vermeld wordt dat Blanc niet toegelaten wordt tot Groot-Brittannië.

Of het artikel van Baudet een uiting van vrouwenhaat (misogynie) is, kun je betwijfelen. Hij doet nogal generaliserende uitspraken over vrouwen, die niet al te slim overkomen en het is begrijpelijk dat hij daarop aangevallen wordt. Ook in de eerder genoemde recensie krijgt Baudet het verwijt dat hij overhaaste generalisaties gebruikt. Of die uitingen zijn van misogynie weet ik niet. Misschien wel. Maar misschien had de bewering dat Baudet zich 'wel vaker' misogyn uitlaat iets steviger onderbouwd kunnen worden.

Racisme

Ook bij de beschuldiging van racisme geeft Dekker een bewijsplaats: een discussie tussen Baudet en Sylvana Simons. Het onderwerp van de discussie is de vraag of er quota opgelegd moeten worden om ervoor te zorgen dat de politiek en het bedrijfsleven een betere afspiegeling vormen van de diversiteit in de samenleving. Simons is daarvoor, Baudet denkt dat zulke quota niet werken. Bij de discussie tussen de 'Lagerhuisleden' blijkt dat ook daar de meningen verdeeld zijn.

Deze discussie wordt door Anne Fleur Dekker gepresenteerd als het argument voor Baudets racisme, maar ik kan dat racisme werkelijk niet terugvinden. Veronderstelt Dekker dat iedereen die het met Sylvana Simons oneens is bij voorbaat al een racist is? Dat moet haast wel.

Voor de duidelijkheid: Sylvana Simons is mij sympathiek Baudet bepaald niet. Ik had veel liever dat haar partij in de Kamer was gekomen dan het Forum voor Democratie. Maar dat wil niet zeggen dat alle tegenstanders van Simons racistisch zijn. Of zo'n quotum werkt, weet ik niet. Daar zal wel onderzoek naar gedaan zijn. Als niets doen niet helpt, moet er misschien wat geprobeerd worden en zo'n quotum kan misschien een zetje geven.

Van het artikeltje van Anne Fleur Dekker is intussen weinig over: ze beschuldigt Thierry Baudet ervan dat hij verkrachting goedpraat, waarvoor ze alleen een uitspraak van een personage aanhaalt waarin verkrachting helemaal niet goedgepraat wordt.

Voor de beschuldiging van misogynie geeft ze een enkele bewijsplaats, waarover je van mening kunt verschillen en het argument dat ze geeft bij de beschuldiging van racisme onderbouwt haar stelling niet. Daarmee wil ik niet beweren dat Baudet geen racistische of  misogyne opvattingen huldigt. Dat blijkt alleen niet uit het artikeltje van Dekker.

Volgens Dekker hebben de media zich vooral gericht op Wilders (wiens uitspraken zij 'fascistoïde' noemt) en 'wordt er geen woord gerept over Baudet die een overwinning heeft behaald.'  'Onbegrijpelijk' zegt Dekker.

Haar bewering is aantoonbaar onjuist. Eerder in het artikel geeft ze een link naar Het Lagerhuis en verwijst ze naar Pauw & Jinek die aandacht besteedden aan Baudet.  Ook na Baudets overwinning besteedden Pauw en Jinek aandacht aan het Forum voor Democratie.


Dekker zet de PVV en het Forum voor Democratie zo ongeveer op één lijn. Een onderbouwing geeft ze daarbij niet. Doet Baudet net als Wilders 'fascistoïde' uitspraken? Het is belangrijk om nu het Forum voor Democratie in de gaten te houden zegt Dekker, 'en met verzet daar ook op in te spelen'. Dat is wat ongelukkig geformuleerd. Blijkbaar moeten we ons verzetten tegen het Forum voor Democratie. Hoe dat verzet eruit moet zien, wordt niet uitgelegd.

Het doel van het verzet is het 'voorkomen dat FvD ooit net zo groot, dan niet groter wordt dan de PVV'. Het Forum voor Democratie is de kleinste partij in de Tweede Kamer. Natuurlijk kan die partij groeien, maar suggereren dat de partij een gevaar kan opleveren (voor wie of wat eigenlijk?) heeft op zijn minst de schijn van demagogie.

Anne Fleur Dekker noemt zichzelf 'activist en blogger' en haar stukje zal wel een activistische of blogachtige toon hebben, maar dat is het dan ook wel. Inhoudelijk stelt het weinig voor. Of Joop een redactie heeft die bijdragen beoordeelt, weet ik niet. Dat naar het schrijfseltje van Dekker niet kritisch gekeken is, is duidelijk.

Het soort uithalen als in 'Thierry Baudet is Wilders in schaapskleren' diskwalificeren slechts de schrijfster van het  artikel en daarmee de site waarop het geplaatst is.