dinsdag 13 februari 2018

Pruimen van ooit


Opal
Ze zijn er niet meer de boomgaarden uit mijn jeugd, maar ik weet er nog moeiteloos de weg. Die in Herveld, tussen de Merkenhorststraat en de Dijkstraat, bestond uit twee boomgaarden, verbonden door een brug van bielzen, die mijn vader eigenhandig heeft gebouwd. Er kon met gemak een wagen
volgeladen met kisten fruit overheen. Later kwam daar de boomgaard van mijn opa bij, in Loenen, bij Slijk-Ewijk. In beide boomgaarden stonden, naast de appels en de peren, pruimenbomen.

Op deze plaats haalde ik eerder herinneringen op aan de appelrassen en de perenrassen uit mijn jeugd. Nu zijn de pruimenrassen aan de beurt.

Early Laxton
Ik vermoed dat er in de boomgaard in Herveld niet zo heel veel pruimenbomen stonden. Ik heb er maar weinig herinneringen aan. Wel aan de Early Laxton, een hoogstammetje vlak achter het schuurtje dat misschien vroeger wel een kippenhok geweest was, maar waarin later een of twee varkens huisden. Het was een wat gammel gebouwtje en in een strenge winter vroor het in het schuurtje zo hard dat een zeug bevriezingsverschijnselen vertoonde.

De Early Laxton noemden wij 'Allyakson', tenminste zo verstond ik het. Het was een vroege pruim en als de Early Laxtons begonnen te rijpen, was het pruimenseizoen begonnen. Pas nu ik dit typ, realiseer ik me, of meen ik me te herinneren, dat er ook een paar Opals in de buurt van het hoogstammetje stonden. In Loenen hadden we die ook. Ik heb de Opal altijd een smakelijke pruim gevonden en hij heeft zich goed gehouden. We treffen hem na zoveel decennia nog steeds in de supermarkt aan.

In de achterste boomgaard stond een oude pruimenboom, die een beetje scheefgezakt was. Ik zie nog hoe mijn moeder de hoge brandnetels eromheen met haar klompen plattrapte en mij daarna optilde, zodat ik kon kijken in een holletje in de stam. Daarin zat een nest jonge vogels. Koolmeesjes, zei mijn moeder. Ik vond het een wonderlijke ervaring.
Eldense Blauwe

Ik gok erop dat de boom een Eldense Blauwe was, een ras dat toen al als oud werd gezien. In mijn herinnering zijn de pruimen heerlijk. Er zat een dof waasje op, dat je er ook af kon poetsen, zodat de pruimen glommen, maar met waas waren ze eigenlijk mooier. Als de pruim goed rijp was, kleurde het vruchtvlees een beetje rood. De blauwe pruimen werden liefkozend 'Blauwkes' genoemd.

Er waren ook 'Gruuntjes', Reine Claude Verte, die een beetje geel werden als ze goed rijp waren. Ook dat pruimenras was in mijn jeugd al oud. Lekkere pruimen, vonden we. Mijn moeder maakte er ook wel jam van. Soms stoofde mijn moeder pruimen. Wij noemden dat 'slemp' en we deden het zowel over de pap als op brood. In de pruimentijd was er altijd slemp, meestal gemaakt van de 'stek', de pruimen die niet gaaf meer waren, maar bijvoorbeeld aangepikt door de vogels.
Gruuntjes

In 1969 verhuisden we naar de Schoolstraat in Herveld. De boerderij werd eerst bewoond door twee broers. Nog voordat die weg waren, vroeg mijn vader of hij alvast in het weitje achter de boerderij pruimenbomen mocht poten. Er stonden al wat bomen (waaronder een boom Gruuntjes), aan de rand, bij de muur van de mestvaalt. Mijn vader pootte het weitje vol met hoogstammen. Dan kon het jongvee eronder weiden. We hebben het weitje ook wel eens gehooid.

Wat voor pruimen waren het? Czaren? De Czar ('Saar', zeiden we) was een vrij grote, maar flauwe pruim. We hebben die zeker gehad. In mijn herinnering plantte mijn vader twee rassen in het weitje, om en om. Misschien toch niet de Czar? Die is zelfbestuivend, voor zover ik weet. Stonden er 'Bellevijns' in het weitje? 'Bellevijn', zo zeiden wij het, maar eigenlijk heette de pruim Belle de Louvain, Schone van Leuven. De pruimen hadden ook een bijnaam, die wij veelvuldig gebruikten: 'Hingstekloten'.

In Loenen hadden we ook pruimen. Langs de sloot, aan twee kanten van de boomgaard, stond een rij 'Wijnpruimen'. Zo noemden wij ze, maar ze hadden ook andere namen: Perzikpruim of Monsieur Hâtif. Ze brachten altijd veel op bij de veiling, herinner ik me, terwijl ik ze helemaal niet zo lekker vond. De Wijnpruim had 'beurtjaren': op sommige jaren zat er bijna niets aan de bomen en op andere jaren waren de bomen afgeladen vol.

Of ze zo vol zaten dat ze 'gedund' moesten worden, weet ik niet meer. Het gebeurde wel. Een pruimenboom is niet zo sterk en als een boom goed vol zat, kon een tak zo zwaar worden dat hij afscheurde. Die moest dan ondersteund worden. Als een boom te vol zat, bleven de pruimen ook veel te klein en dan was het verstandig om ze uit te dunnen.

Natuurlijk hadden we ook 'Vikken', Reine Victoria. Een sterke pruim, die het altijd goed deed. Soms zat er wat hars aan de pruim en voor mijn gevoel kwam die hars uit de pit, maar dat weet ik niet zeker.
Reine Claude d'Oullins

Verder hadden we 'Daltans' (Reine Claude d'Althann), 'Doeljes' (Reine Claude d'Oullins), Ontario's en ook Vroege Tolse. Die heeft mijn vader aangepoot; in mijn allervroegste jeugd hadden we ze niet. Maar waar stonden ze? Ik heb er geen beeld meer bij.

Zo is er wel meer waar ik niet meer zeker van ben. Hadden wij Sint Hubertus? De naam komt mij bekend voor maar de herinnering is zo vaag, dat ik haar wantrouw. Misschien dat mijn broer het weet.

Hadden wij Kwetsen? Waarschijnlijk niet, maar ik ken de naam wel. Ik herinner mij ook de 'Krozen' (Oranje Kroosjespruim). Stonden die vlak bij de 'pèrdstal'? In de vroegere paardenstal had mijn vader varkenshokken gemetseld. Bij de achterdeur konden de varkens naar buiten. Er stonden bij die deur, of misschien daar in de buurt, achter de 'lòds' (de loods), ook enkele pruimenbomen. Daar zaten ook wilde pruimen bij, die zuur waren en die je eigenlijk niet kon eten. Ze werden niet geplukt. We noemden ze 'vèrkenspruimen', waarschijnlijk omdat de varkens ze altijd opaten. Varkens lusten alles.

Er waren en zijn natuurlijk meer pruimenrassen, Bleu de Belgique, Dubbele Boerenwitte, Mirabelle de Nancy. Ik heb vroeger wel eens iemand over de Mirabellen horen praten, maar eigenlijk heb ik er geen herinnering aan.

Wat de rassen tegenwoordig zijn, weet ik nauwelijks. Bij mijn broer eet ik wel eens een pruim die mij totaal onbekend voorkomt. Sommige pruimen hebben geen naam, alleen maar een nummer. Dat is een ras in ontwikkeling, voor zover ik weet. Broer oogst in een jaar meer pruimen dan ik in mijn hele leven bij elkaar heb gezien, vermoed ik. Hij en zijn (en mijn) neef hebben boomgaarden in Nederland en Polen. Ze noemen zich wel de Pruimenmeesters. Grote kans dat de pruimen die je bij Albert Heyn koopt geoogst zijn in de boomgaarden van B&B-fruit, van de Pruimenmeesters dus.

In de zomervakantie van 2017 dacht ik in Maribor, in Slovenië, de oude, vertrouwde Eldense Blauwe nog te zien. Ik kocht een kilo en stuurde een berichtje naar mijn broer, die antwoordde 'Stanley waarschijnlijk'. Van dat ras had ik zelfs nog nooit gehoord.

De hedendaagse pruimenrassen zullen ongetwijfeld voordelen hebben: meer kilo's aan de boom, minder kwetsbaar, fraai ogend. Maar ik word vooral blij bij de herinnering aan de Gruuntjes, de Blauwkes en al die andere oude pruimenrassen. In mijn herinnering worden ze elk jaar lekkerder.


De foto van de Eldense Blauwe komt van deze site en die van de Opal komt hiervandaan.

Mijn moeder, met de plukschort, bij de wijnpruimen
Mijn vader bij de wijnpruimen. Ze werden aan de groene kant geplukt en rijpten verder in de kist.


maandag 12 februari 2018

Hallo witte mensen (Anousha Nzume)


Het sinterklaasfeest ligt alweer een tijdje achter ons, maar iedereen herinnert zich nog de felle discussies over zwarte, roetvegen- en regenboogpieten. De emoties lopen al een paar jaar hoog op, bij beide partijen. Ook als er geen Piet te bekennen is, zijn er discussies waarin zwart en wit perspectief richtinggevend zijn: wat doen we met standbeelden van mensen die in het verleden als helden werden gezien en nu niet meer? Noem je iemand wit of blank? Moeten musea gedekolinseerd worden?

Alles wat met wit en zwart te maken heeft, staat in de belangstelling en dat lijkt me alleen maar goed. Laat er maar over gepraat worden. Vanaf 2011 heb ik op deze plaats af en toe een duit in het zakje gedaan. Door een column of door te schrijven over jeugdboeken als Toen de Amboneesjes kwamen en De wonderlijke avonturen van Meelmuts en Roetkop, maar ook over Bob in China. Intussen heb ik ook Hallo witte mensen van Anousha Nzume gelezen.

Het boekje van Nzume heeft afgelopen jaar veel aandacht gekregen, waarvan veel mij vervolgens  ontgaan is. Pas zeer onlangs hoorde ik dat er zelfs een tegenboekje (Hallo zwarte mensen!) geschreven is. Ik hoorde al wel meteen het interview met Nzume bij Nooit meer slapen. Dat was een ongemakkelijk gesprek. Voor de interviewer heb ik gewoonlijk veel waardering, maar deze keer zat blijkbaar zijn ergernis hem in de weg.

Toen ik het boekje van Nzume kocht, verwachtte ik wat te kunnen leren van Hallo witte mensen. En ook verwachtte ik dat het me tegen de haren in zou strijken. Met dat laatste is het eigenlijk wel meegevallen. Nou ja, Nzume spreekt de lezer vaak aan met 'lieve witte mensen', terwijl je niet het idee krijgt dat ze jou als lezer zo lief vindt. Van mij had ze me ook wel neutraler mogen aanspreken, al vind ik het niet zo'n belangrijk punt.

Veel mensen voelen zich aangevallen door Nzume, heb ik begrepen. Dat mag -we leven in een vrij land- maar ze doet juist keer op keer erg haar best om mensen niet persoonlijk iets kwalijk te nemen. Eerder probeert ze uit te leggen hoe het zit met institutioneel racisme: er zijn mechanismen in onze maatschappij die het op sommige vlakken per definitie voor zwarte mensen of mensen van kleur lastiger maken. Het gaat niet om de schuld van individuën, maar om hoe dingen werken in onze samenleving. Natuurlijk wisten we dat al, maar Nzume legt het duidelijk uit en dwingt ons daar ook naar te kijken en dus ook te kijken naar onze eigen positie daarin.

Je hebt als witte mens de neiging om te kijken naar onze maatschappij als een wereldje waarin alles goed geregeld is en ieders rechten gewaarborgd zijn, omdat je het als zodanig ervaart. Ik leef in ieder geval in de luxe positie dat ik bijna nooit na hoef te denken over mijn kleur, zoals ik ook niet na hoef te denken over mijn geslacht, dat ik geloof ik 'gender' behoor te noemen. Nzume vraagt ons om vanzelfsprekendheden te bevragen, na te denken over hoe onze maatschappij zal zijn voor mensen met een andere achtergrond dan de onze.

Hoofdstuk voor hoofdstuk neemt Nzume de lezer mee. Daarbij moet ze wel generaliseren.  Als ze het heeft over 'witheid', moet ze wel veel op een hoop vegen. Dat is niet zo erg, vind ik. Maar ze kan natuurlijk de jij-bak verwachten dat voor haar alle witten hetzelfde zijn. Dat klopt overigens niet als je het boek nauwkeurig leest.

Natuurlijk is er een apart hoofdstuk over Zwarte Piet. Daar is niet zoveel nieuws meer over te zeggen. De standpunten zijn ingenomen en verder zal, neem ik aan, de tijd zijn werk moeten doen. Over tien jaar zal de roetvegenpiet meer voorkomen dan de zwarte.

Bij het laatste hoofdstuk, over culturele toe-eigening, kon ik de gedachtegang van Nzume niet delen. Ze noemt als voorbeeld een hipstertent die döner gaat verkopen met poespas eromheen. Dat mag niet, want döner komt oorspronkelijk ergens anders vandaan. Bovendien stoot je de authentieke dönerverkoper het brood uit de mond. Volgens Nzume, althans.

Ik blijk blind te zijn voor het probleem. Ik weet ook wel dat bijvoorbeeld de worksongs een verre voorganger vormen van de huidige jazz, maar ik heb geen bezwaar tegen witte jazzmusici. Miles Davis en Chet Baker kunnen naast elkaar bestaan, lijkt me. En pizza hoef ik niet per se bij een Italiaan te eten.

In het debat over zwart en wit luistert het taalgebruik nauw. Je zegt niet 'blank' maar 'wit'. Ik weet niet of het veel uitmaakt. In Zuid-Afrika werd er ook tijdens de Apartheid al over 'witmensen' gesproken, bijvoorbeeld. Ik vind het trouwens prima; als iemand er last van heeft dat ik 'blank' zeg, wil ik best 'wit' zeggen. Zo'n grote moeite is dat nu ook weer niet.

Spreken over 'tot slaaf gemaakten' in plaats van over 'slaven' vind ik al wat onhandiger. John Jansen van Galen trok in een column voor het radioprogramma OVT een vergelijking met 'scholieren'/'tot scholier gemaakten'. We spreken ook van 'krijgsgevangenen' al snappen we wel dat ze tot krijgsgevangene gemaakt zijn. Mij lijkt het niet zo'n wezenlijk punt.

Ook heb ik moeten wennen aan de uitdrukking 'mensen van kleur'. Veel termen in het debat zijn letterlijk vertaald uit het Engels en misschien verklaart dat de vreemde term. We kenden natuurlijk wel het onderscheid van iets met of zonder kleur, maar 'van kleur' kwam vroeger niet voor in het Nederlands. Je kon 'van'. gebruiken bij een materiaal ('van plastic', 'van goud') of bij herkomst ('van Afrika', 'van Amsterdam') maar niet bij kleur. De uitdrukking ging een tijdlang tegen mijn taalgevoel in. Iets of iemand had kleur, vond ik, maar kon niet van kleur zijn. Maar we spreken ook van 'een politicus van formaat' en dat lijkt me een soortgelijke constructie. Het zal wel een kwestie van wennen zijn.

Wat Nzume me duidelijk gemaakt heeft, is dat dingen ingewikkeld liggen. Dat het te gemakkelijk is om van iets wat je niet als probleem ervaart te verklaren dat het dus geen probleem is. Het lijkt me daarom goed om te luisteren en te observeren. Naar wat er omgaat in de maatschappij, in de ander (al of niet van kleur), in jezelf. Zo gauw we in de verdediging schieten, is het gesprek voorbij en dan schieten we niet op. Zoveel mogelijk geluk lijkt me belangrijker dan gelijkkringen.

En laten we ook blijven lezen. Op mijn lijstje van boeken die ik wil aanschaffen staan zowel Witte onschuld van Gloria Wekker als Het zwartwitdenken voorbij van Piet Emmer. Het kan even duren voor ik eraan toe kom. Als het zover is, zal ik er in ieder geval over schrijven.

zondag 4 februari 2018

Jonathan Cartland (Blanc-Dumont/Harlé)


















Van zo'n beetje elke succesvolle serie van een jaar of veertig geleden wordt tegenwoordig een integrale heruitgave gemaakt. Dat is handig: zo hou je de boel makkelijk bij elkaar. Maar de ene uitgave is de andere niet.

Uitgeverij Sherpa houdt al jaren een naam hoog op het gebied van mooie uitgaven. Nu zijn de eerste twee delen verschenen van Jonathan Cartland: De indianenvriend en Het laatste konvooi naar Oregon. Er is gekozen voor een uitgave in zwart-wit op groot formaat. Indertijd las ik Cartland in kleur, dus het is wel even wennen, maar het werkt wel. Ook bij de reeks Mister Blueberry koos Sherpa voor zwart-wit. Daar was, beter dan in de albums van Cartland het tekenproces terug te zien.

Bij Cartland had de inkleuring mogelijk niet misstaan, maar daar zal ik niet over zeuren, want de albums zijn wel een lust voor het oog. Mooi groot formaat, papier dat zwaar genoeg is, prettige lettering en tekeningen waarnaar je blijft kijken. 

Cartland is geen revolverheld, geen vechtjas, geen archetypische cowboy. Maar hij heeft een groot rechtvaardigheidsgevoel en hij is niet bang. Dat hij op sommige punten afwijkt van de gebruikelijke hoofdpersonen, maakt hem interessant. Het karakter wordt goed uitgediept en de makers besparen Cartland niet veel. Als hij treurt om de dood van zijn vrouw, komt hij op de bodem van de put terecht en je vraagt je af of hij ooit nog kan opkrabbelen. De tragiek van Cartland is voor elke lezer onontkoombaar.

De eerste twee delen van de serie zijn qua verhaal aardig, maar bepaald geen hoogtepunten. Het karakter van de hoofdpersoon mag dan origineel zijn, Het verhaal is niet altijd verrassend. Bij het deel over het konvooi kun je bijvoorbeeld al voorspellen welke elementen je tegenkomt: een wagen met een gebroken wiel, een voertuig dat neerstort in de diepte, een aanval van indianen.

De reeks moet met deze eerste twee delen nog duidelijk op gang komen, qua verhaal. Qua vormgeving en tekenwerk is het allemaal heerlijk. Het was voor mij weer een tijdje geleden dat ik een album over Jonathan Cartland las, maar ik was wel meteen terug bij de sfeer die ik me herinnerde en natuurlijk bij de krachttermen die Cartland bezigt en die op mij altijd wat grappig overkomen: 'Jumpin' Jehosaphat!' 'Holy Goat!' 'Go to Blazes!' 'Smoking Jericho!'

De meerwaarde van integrale uitgaven is niet alleen de zorgvuldige vormgeving, maar ook het dossier met extra informatie. In deel 1 bestaat dat uit enkele pagina's over de samenwerking tussen de tekenaar Michel Blanc-Dumont en scenariste Laurence Harlé en een compleet kort verhaal.

In het tweede deel vinden we een autobiografische schets van Blanc-Dumont, altijd aardig, al kan hij beter tekenen dan schrijven. Maar dat de tekenaar zelf aan het woord is, geeft toch een extraatje. Daarna volgt een mooie verzameling illustraties en covers van het blad Round-Up. 

De sterkste delen van de reeks Jonathan Cartland moeten nog verschijnen. De liefhebbers zullen daar niet op wachten en meteen de eerste twee delen kopen.



Titel: De indianenvriend
Titel: Het laatste konvooi aar Oregon
Tekeningen: Michel Blanc-Dumont
Tekst: Laurence Harlé
Uitgever: Sherpa, Haarlem 2017
groot formaat hardcover, 64 blz. zwart-wit; € 29,95

vrijdag 2 februari 2018

Menno Wigman (1966 - 2018) overleden

Foto: Bianca Sistermans/De Beeldunie

De angst. De witte wimpers van de angst
dat ik mijn leven heb verschreven.
Het werk van Menno Wigman ken ik nog maar kort. In 2012 kocht ik zijn bundel Mijn naam is Legioen, een krachtige bundel, waarin ik veel gelezen heb. Ik nam hem op in het lijstje met beste poëzie van 2012, waarop alleen de verzamelde gedichten van P.C. Hooft hoger eindigden. Mijn recensie staat hier.

Er was aardig wat belangstelling voor de bundel, waarvan uiteindelijk zes drukken verkocht zouden worden. Vaak werd in recensies dit gedicht geciteerd:
Kamer 421 
Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels
en geen daarvan die zijn verwekker kent. 
Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon
en zoek haar op en weet niet wie ik groet.
Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.
Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot. 
Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
Ik lepel bevend eten in haar mond
en weet haast zeker dat ze me nog kent. 
Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.
Het gedicht zet krachtig in. Hard, ook. Maar het heeft ook een zachte kant. De moeder heeft ooit haar zoon voorgelezen en ingestopt en hij lepelt eten in haar mond, wat een liefdevolle daad is. En dan die merels. Nu nog niet, maar ze zullen er zijn.

Wigman was een scherp observeerder, een niets ontziend kijker. Ik denk dat waarneming ten grondslag ligt aan alle kunst en Wigman verstond de kunst van het waarnemen, doordat hij geen concessies deed. Hij wilde ook het lelijke, het onvolmaakte, het verkeerde zien en daarover schrijven.

Dat schrijven deed hij in zeer strakke gedichten: regelmatige strofen, rijm hier en daar, metrum. Ik heb wel eens gedacht (en ook geschreven) dat hij een strakke vorm nodig had, omdat alles in toom te houden wat er aan emoties en gedachten woelt dieper in het gedicht.

En natuurlijk maakt vorm een wezenlijk onderdeel uit van wat Wigman goede poëzie vindt. In een uitzending van OBA Live vertelde Marita Mathijssen, bij wie hij studeerde, en met wie hij verschillende keren sprak, dat hij als dichter eigenlijk voortbouwt op de literatuur in de negentiende eeuw (Baudelaire bijvoorbeeld), meer dan op bijvoorbeeld de Tachtigers.

In verschillende gedichten zien we de dichter naar zichzelf kijken en horen we hem zichzelf de vraag stellen die J.C. Bloem verwoordde in 'Dichterschap': 'Is dit genoeg,;een stuk of wat gedichten, / Voor de rechtvaardiging van een bestaan'? Zie ook het citaat hierbovenaan: altijd met schrijven bezig geweest en heb je dan je leven niet verschreven, in plaats van dat je het geleefd hebt?

Het gedicht waaruit het citaat komt, 'De weg van alle boeken', eindigt met:
Ik wil de hemel en ik wil de straat,
ik wil in zestigduizend hoofden ruisen
en iedereen een tand uitslaan 
voor ik de weg van alle boeken ga
en roemloos bij De Slegte sta.
Slordig met geluk (2016) las ik in 2017. Daarover schreef ik hier. Het is een goede bundel en in het lijstje met bundels die ik het afgelopen jaar las, plaatste ik het zelfs bovenaan. Nu las ik vorig jaar niet zo heel veel poëzie, maar het zou me niet verbazen als het boek ook hoog geëindigd zou zijn als ik wel veel gedichtenbundels had gelezen.

Gisteravond zocht ik de bundel, maar ik vond hem niet. Niet teruggezet in de boekenkast of niet op de goede plek teruggezet. Ik weet dat de bundel nog een tijdje in mijn leskamer op school gelegen heeft en nog wat rondgezworven heeft in mijn huis. Hij zal wel ergens op mijn studeerkamer liggen, maar ik zie hem niet. Te slordig met Slordig met geluk.

Ook in deze bundel zijn de gedichten strak van vorm. Wigman moet er lang aan gewerkt hebben, zo goed lopen ze. Hij was een dichter die de lat voor zichzelf hoog legde en alleen het allerbeste goed genoeg vond of misschien maar amper goed genoeg.

Menno Wigman stierf aan een hartkwaal. In Slordig met geluk blikt hij al vooruit op wat er kan gebeuren met een hart dat niet goed meer is.
Opname 
Het kan je overkomen in een pashok,
je pakt een jas, trekt weg en zakt ineen. 
Het kan gebeuren bij een zebrapad
of in een kassarij – bij tastbaar licht 
of ’s nachts wanneer je op een foto klikt.
De dag zal komen, niet meteen, niet nu, 
maar plotseling is daar het kale uur.
De wereld kantelt en de film begint: 
een veld vol varens, golvend licht, je hoort
je moeders stem en zweeft en valt en stikt. 
En nu je lichaam in het Lucas ligt
komt traag en zwaar een zon op in je hoofd. 
Het daagt. Je hart heeft moeten hoesten.
Even, heel even viel de stroom uit in je bast. 
Je ligt en wacht. En onder je twee voeten
die morgen onversaagd de straat begroeten.
In dit gedicht ligt de 'ik' in het ziekenhuis en hij gaat ervan uit dat hij de volgende dag weer 'onversaagd' het leven tegemoet kan treden. Dat is er deze keer dus niet van gekomen.

In de bundel is ook een gedicht opgenomen dat Wigman schreef bij een eenzame uitvaart. Die van Wigman zal niet eenzaam zijn. Ik lees op de sociale media reacties op zijn overlijden. Er zijn veel mensen die hem goed gekend hebben en die hem aardig of zelfs lief vonden. Vinden. Vonden.

Laten we hem het gedicht meegeven dat hij een andere dode meegaf. Nu hij, net als de wellicht anonieme dode 'zonder reiskompas een pad aftast'. Vaarwel.

Aarde, wees niet streng 
Aarde, hier komt een eerzaam lichaam aan
waarin een magistrale zon is opgegaan.
Achter de ogen scheen een zomermaand,
het middenrif liep vol zacht avondlicht
en bij de hartstreek rees een tovermaan. 
De handpalm voelde water, streelde dieren,
de voeten kusten stranden, kusten steen. Inzicht.
Er sloop vreemd inzicht in het hoofd, de tong
werd scherp, er huisden vuisten in de vingers
en de hand bevocht brood, geld, eer, seks, licht. 
Je kunt er heel wat boeken over lezen.
Je kunt er zelf een schrijven. Aarde, wees niet streng
voor deze man die honderd sleutels had,
nu zonder reiskompas een pad aftast
en hier zijn eerste nacht doorbrengt.

De bundel Mijn naam is Legioen werd bekroond met Awater Poëzieprijs 2012,  Slordig met geluk werd onlangs genomineerd voor de tweejaarlijkse Ida Gerhardt poëzieprijs. voor Zwart als kaviaar (2001) kreeg hij de Jan Campertprijs en in 2015 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de A. Roland Holstprijs. 

donderdag 1 februari 2018

Poëzie heeft gevolgen in de echte wereld (Nanne Nauta)



Wie een cadeautje ontvangt, wordt geacht blij verrast te zijn en het geschenk te bewonderen. In het algemeen houden mensen zich aan die ongeschreven regel. Indertijd heb ik overigens erg genoten van een stuk van Jan Hein Donner in Schaakbulletin over zijn vijftigste verjaardag. Hij noemde de cadeaus, de gevers en wat er mis wat met wat hij van hen ontving. Zelfs de taart vond geen genade in zijn ogen.

Het kan dus wel, een eerlijke mening geven over een geschenk. Bij de Literaire Boekhandel Lijnmarkt in Utrecht kreeg ik, ter gelegenheid van de Poëzieweek, naast het bundeltje van Verhelst een boekje van Nanne Nauta: Poëzie heeft gevolgen in de echte wereld. Kom, laten we dat gegeven paard eens in de bek kijken.

In de inleiding, waarin de corrector overigens een opzichtige fout liet zitten, vertelt Nauta hoe hij tot zijn tekst gekomen is. De aanleiding is een artikel van de wetenschapper Erik Verlinde: ‘Emergent Gravity and the Dark Universe’, waarin de theorie verwoord wordt dat alles bestaat uit informatie.

Naar aanleiding daarvan verschenen er artikelen waarin het woord ‘informatie’ natuurlijk vaak voorkwam. Nauta nam een tekst uit de NRC, verving steeds het woord ‘informatie’ door ‘poëzie’, paste de tekst nog wat aan en had toen een eigen artikel.

Het artikel van Nauta, ‘Poëzie heeft gevolgen in de echte wereld’, lees je als een tekst over poëzie en tegelijkertijd vervang je in je hoofd het woord ‘poëzie’ door het oorspronkelijke woord ‘informatie’, zoals in een kwantumcomputer iets tegelijk een 0 en een 1 kan zijn. Je leest dus eigenlijk tegelijkertijd twee teksten. Dat is een aardige ervaring.

Natuurlijk moest Nauta hier en daar wat aanpassen in het artikel en natuurlijk klopt daarna nog niet alles, maar het opmerkelijke is dat al lezend toch de gedachte je bekruipt dat poëzie overal is en zelfs op kosmische schaal invloed heeft.

Aan de tekst heeft Nauta voetnoten toegevoegd. Daarin klinkt hij meer door dan in de tekst zelf. Jammer genoeg gaat hij dan soms voor het gemakkelijke succes van de flauwiteit. ‘Kwantumpoëzie’ wordt dan in verband gebracht met een ‘woondiscounter’, maar dat is dan weer niet toe te passen op de rest van de tekst. Net zo melig zijn de commentaren bij ‘qpoëzie’ (verband met QMusic) en ‘superpoëzie’.

Wat dat laatste voorbeeld betreft: ‘superpoëzie’ verwijst naar de situatie waarin iets zowel ‘gesloten’ als ‘dicht’ kan zijn (zowel 0 als 1). De noot daarbij verwijst naar de meerduidigheid van poëzie en is ter zake, fris, verhelderend en ook grappig, maar als daarachter staat: ‘wat zeg ik, superpoëzie’, dan wordt de tekst zelf onderuit gehaald, waarna je niet veel meer overhoudt.

Beter op dreef is Nauta in de noten waarin hij verwijst naar poëzie. Bij een systeem dat zich tegelijkertijd in twee toestanden kan bevinden (een kat in een doos, die tegelijkertijd dood en levend is) citeert hij Bernlef:
Deuren 
Duwen
Trekken
Op het artikel volgen nog drie, nou ja, eigenlijk twee, gedichten. Niet wereldschokkend, maar toch aardig. En toepasselijk.

Poëzie heeft gevolgen in de echte wereld is een geintje, met een serieuze ondertoon. Je gaat bijna vanzelf de wat-alsvraag stellen: Wat als poëzie werkelijk de grondslag van alles zou zijn?

Het experiment zou geslaagder geweest zijn als Nauta het project zelf serieuzer genomen zou hebben. Hoe serieuzer je een grap uitvoert, hoe beter hij wordt. Juist in de noten had Nauta effectiever kunnen zijn. Atte Jongstra ging in een van zijn verhalen zo ver dat hij alleen de noten en niet de tekst publiceerde. Ook dat was een grap, maar met ernst uitgevoerd, waardoor het werkte.

Misschien is het doel om de lezer er voortdurend op te wijzen dat we de tekst als niet meer dan een grapje moeten zien. Maar dan kunnen we er gewoon onze schouders over ophalen en dat zou ook weer jammer zijn.

woensdag 31 januari 2018

Peren van ooit

Zwijndrechtse wijnpeer
Wie voor peren naar de supermarkt gaat, heeft niet veel keus: Conference, Doyenné de Comice en natuurlijk Gieser Wildeman. Meestal is dat het wel. Hier schreef ik over de appelrassen die ik me herinner uit mijn jeugd. De perenrassen van toen mogen er ook zijn.

Mijn vroegste herinneringen gaan terug naar de Juttepeer. Ik zie de vrij kleine peertjes voor me, maar ik weet niet meer hoe ze smaakten. Mijn herinnering geldt vooral de boom, waarvan de onderste tak bijna horizontaal uit de stam kwam. Mijn vader had daar een schommel aan opgehangen en daarop heb ik als kind heel wat uren doorgebracht. Toen ik groter werd, kon ik me ook aan die tak ophijsen en daarna verder in de boom klimmen.
Juttepeer

Bij het huis aan de Merkenhorststraat stond ook een rij perenbomen, parallel aan de weg, langs de groentetuin, maar ik kan me niet meer herinneren welke peren dat waren. Ik zal er mijn moeder naar vragen.

We hadden meer perenbomen in Herveld. In de achterste bongerd stonden er wat. Er stond bijvoorbeeld een rijtje peren langs de heg die de boomgaard scheidde van het huis van de dominee. Ik vermoed dat het Gieser Wildemannen geweest zijn. Toen mijn oom Ab als jonge man meehielp met de pluk, zong hij keihard rocknummers, zodat die in de pastorie te horen zouden zijn: 'One, two, three o'clock, four o'clock, rock!' klonk het dan door de boomgaard en: 'Hey Baberiba!'

Maar de scherpste herinneringen aan perenrassen heb ik aan de peren uit de boomgaard in Loenen. Als je over 'het slag' de boomgaard in kwam had je aan je linkerhand een stuk of vier Zwijndrechtse Wijnperen. Daar hadden wij een hekel aan. Het waren namelijk heel hoge bomen. Mijn broer en ik hadden een ladder (een leer) van dertig sporten, mijn vader had 'een 43-sporter', een zwaar gevaarte. Daar torenden de bomen overigens nog boven uit.

Wij plukten tot zover we erbij konden en dat was al niet gemakkelijk. Sommige takken reikten ver naar buiten. Je stak dan een been door de leer, klemde een sport in je knieholte en ging achterover hangen om de peren te bereiken. Ik was daar geen held in, maar het moest toch gebeuren.

Als wij klaar waren, kwam mijn vader met de lange leer, zodat de toppen geplukt konden worden. Ik zie nog hoe hij zorgvuldig de 43-sporter in de boom plaatste, mijn broer aankeek en zei: 'Toe maar, jong.' Mijn broer die ook opzag tegen het klusje antwoordde: 'Het oude brood moet eerst op,' waarna mijn vader naar boven klom.

Als we de Zwijndrechtse aan het plukken waren, kon het al flink slecht weer zijn. Het waren de laatste peren van het seizoen. Als ik het mij tenminste goed herinner.

Tegenover de Zwijndrechtse wijnperen stonden de peren die wij de Lucassen noemen: Buerré Alexander Lucas. Ik kwam ook wel de spelling Buerré Alexandre Lucas tegen. Hier las ik dat de peer 'matig' smaakt, maar zo herinner ik mij hem helemaal niet. Peren moet je eten als ze goed rijp zijn en dan is de Alexander Lucas best lekker. Alle perenrassen die beginnen met Buerré (wij zeiden Bré) hebben een iets wrange smaak. Daar moet je wel van houden.

Buerré Hardy, wel wat roder dan in mijn herinnering
Het waren stevige peren, die Lucassen, en als we ze oogstten, maakte mijn moeder er altijd een lekker toetje mee: perendroom. Ze kookte de geschilde, hele peren in rode wijn (dat zal wel een vruchtenwijn geweest zijn). Ieder kreeg een schaaltje met een peer, onderin nog wat wijn en eroverheen chocolademousse. We pakten de peer bij het steeltje en lepelden hem zo op.

Er waren veel soorten bré-peren, maar wij hadden alleen nog de Buerré Hardy, als ik het goed heb. Die was donkerder en bruiner van kleur. Alleen maar lekker als hij goed rijp was. Er stonden een paar bomen in het veldje met Lucassen. Mijn vader pootte er ook een paar stoofperen tussen: Bredero's, vrij ronde peren, die een rode blos konden krijgen.

Wij waren als kinderen niet zo in stoofperen geïnteresseerd. Natuurlijk vonden we ze lekker, maar je kon ze niet zo van de boom eten. Het schillen, zeker van de kleinere peren, was trouwens een heel werk. Mijn vader nam dan een deel voor zijn rekening.

Wij hadden natuurlijk in Loenen ook verschillende bomen met Gieser Wildeman. We hadden verder nog Saint Rémy, waarvan ik niet beter wist of het ras heette Sinteremie. Dat was het wel wat wij aan stoofperen hadden. Ik had in die tijd al wel gehoord van IJsbouten of Winterjannen, maar ik herinner mij niet dat die in onze boomgaard stonden.

De lekkerste peer vonden wij Triumph de Vienne, die wij Triums noemden. Je vindt ze nog wel eens in de supermarkt. Als hij goed rijp is, is de Triumph een erg smakelijke en sappige peer. Laat je hem te lang liggen, dan wordt hij 'buikziek' en rot hij vanbinnenuit.

Triumph de Vienne
Conference hadden we heel wat. Wij spraken over Conferenten. De vogels lustten ze ook en in de toppen van de bomen waren soms verschillende peren aangepikt. Daarin zaten dan vaak wespen. Dat betekende dat je goed moest uitkijken bij het plukken: een peer kon er aan de voorkant gaaf uitzien en aan de achterkant vol wespen zitten.

De mooiste peer vond ik de Bonne Louise, die Bonne Louise d'Avranches blijkt te heten: een glimmende peer met een donkerrode blos. In mijn herinnering spraken wij de naam van het ras uit als 'Bonnewie' of 'Bollewies'. Een doodenkele keer kom ik ze tegen bij de groenteman en dan koop ik ze altijd, voor een deel uit jeugdsentiment, vermoed ik. De smaak vind ik nog altijd goed, maar ook die zal wel beïnvloed zijn door mijn herinneringen.
Bonne Louise d'Avranches

Ik herinner mij ook perenrassen die mijn vader niet teelde. Ome Wout had Claps (Clapps Favourite) en Légipont en ook Precose, waarvan de naam uitgesproken werd met o van 'roze'. De volledige naam is Précose de Trévoux. Ik geloof dat Ome Wout ook Doyenné de Commice had, maar dat weet ik niet zeker.

Verder herinner ik me de Kruidenier. Had ome Kors die? Misschien wel. Ook van het ras Maagdenpeer had ik toen wel eens gehoord. Misschien viel ooit wel eens in een gesprek de naam Kweepeer of Dirkjespeer of Pondspeer, maar ik vermoed dat ik die pas later heb leren kennen, in een fruittuin.

Intussen zijn er veel nieuwe rassen gekomen: Condo, Concorde, Sweet Sensation. Mijn broer zal er nog wel een paar uit zijn mouw kunnen schudden. Natuurlijk zijn het goede peren en ze zullen ook best smakelijk zijn, maar ik heb toch de neiging om eerst te grijpen naar de lekkere peren uit mijn jeugd, zoals de Triumphs en de Bollewies. En anders kan ik nog altijd een Conference eten. Ik vond hem indertijd niet bijzonder, maar de peer heeft zich in de loop van de decennia altijd kunnen handhaven en het zou me niet verbazen als het een van de meest verkochte peren blijkt te zijn.

En dan waren er nog veel meer rassen, waarbij ik geen voorstelling en geen herinnering heb. Maar het is mooi om de namen voor je uit te mompelen: Bloedpeer, Winterrietpeer, Kleipeer, Noord-Hollandse Suikerpeer, Comptesse de Paris, Dubbele Flip, Buerré Superfin, Buerré Chaboceau (Jefkespeer), Durondeau, Jodenpeer.

Naschrift: mijn moeder vertelde me dat het rijtje peren naast de moestuin bestond uit in ieder geval winterjannen. Mogelijk stonden er nog andere peren tussen.
Bert van Binsbergen maakte mij attent op 'het recht van overpoot': het recht om over de sloot, in de berm bomen te poten. Ik weet dat mijn ome Kors zo'n rijtje stoofperen had in de berm. Het recht van overpoot dat ook onder andere namen voorkomt (recht van voorpoting, recht van pootstede, recht van aanschot) stamt uit de tijd voor 1838. Daarna zijn er geen pootrechten meer ontstaan. Kijk hier voor meer details.
Henk Romein maakte me er attent op dat er zoete en zure bredero's waren en dat het ras Kapel-Avezaatse bestond. 

dinsdag 30 januari 2018

Wà gij? (Daan Viergever)


Vroeger was er in het dorpje Zetten een uitstekende boekhandel, die zich goed staande kon houden, mede doordat de scholen de schoolboeken en de boeken voor bibliotheek bij het zaakje betrokken. Maar tegenwoordig is het armoe troef. Tot voor kort was er nog een computerwinkeltje dat ook in boeken deed, maar de boeken gingen eruit en werden onlangs verkocht met dertig procent korting.

Het was een droevige vertoning: een jeugdboekengids van vijf jaar geleden, een HP/De Tijd die een half jaar oud was en verder wat los spul. Maar ik vond er ook het boekje Wà gij? met als ondertitel: 'Verhalen in het Betuws door Djerk van Hanje van Mie'. Onder dat pseudoniem publiceerde Daan Viergever zijn stukjes in een plaatselijk blaadje. Hij las ze ook wel voor bij Radio Gelderland.

Viergever is werkzaam geweest in het onderwijs, maar heeft zijn sporen ook verdiend in het spitten in de streekgeschiedenis. Bovendien heeft hij heel wat opgetreden als entertainer met zijn verhalen in het Betuws.

De stukjes die verzameld zijn in Wà gij? werden gepubliceerd of voorgelezen in de periode 1992 - 2003. Voor in het boek staat '1923 - 2003'. Het is niet duidelijk waarop dat eerste jaartal slaat.

Voor op, voor in en achter op het boek laat Viergever zich portretteren als een plattelander of misschien wel als een boer: pet op en een kiel aan. Ik vermoed dat die grijs is en ik meen me te herinneren dat wij de kiel een 'keel' noemden. Zo laat hij zien dat hij geen buitenstaander is, maar deel uitmaakt van wat hij beschrijft.

Ik had nooit eerder iets gelezen van Viergever; het leek me gewoon leuk om wat te lezen in het Betuws, dat mijn moedertaal is. Ik had eerder ook wel andere boekjes gekocht met titels als Groebele ien de ben, Bètuwse Brökskes en Vad'je van Valburg vertelt. En ik las al lang geleden werk van Attie Nieboer en J.J. Cremer.

De korte columnachtige stukken van Viergever (58 stuks) zijn goed gelukt. Meestal weet hij een stukje mooi rond te breien door aan het slot aan te sluiten bij het begin. Verder neemt hij je in de loop van het boek mee in de loop van het jaar. Dat geeft structuur aan het werk. Behalve dat is Viergever een onderhoudend verteller, die de spreektoon goed weet te vatten in wat hij schrijft.

Stukjes in het dialect hebben, misschien juist wel doordat ze in het dialect geschreven zijn, de neiging wat nostalgisch te worden, maar dat is niet erg. Ze zullen ook bedoeld zijn om oude verhalen over te brengen, die anders wellicht verloren zouden zijn gegaan.

Maar Viergever sluit ook aan bij wat indertijd de actualiteit was: de aanleg van de Betuwelijn, de aanleg van straatverlichting langs het Hemmense pad, het afval in de bermen. Daarmee ontstijgt hij de nostalgie.

Sommige anekdotes zijn kostelijk. Bijvoorbeeld over een analfabete man die een brief krijgt als reactie op een contactadvertentie die zijn collega's voor hem geplaatst hebben. Hij kan de brief zelf niet lezen, dus laat hij hem voorlezen. Hij stopt echter wel de vingers in de oren van de voorlezer, want die hoeft niet te horen wat er in de brief staat.

Bijna alle stukjes eindigen met 'wà gij?' Dat is een uitdrukking in het Betuws waarmee je om bevestiging vraagt. Het betekent zoveel als: 'Nietwaar?' 'Dat vind jij toch zeker ook?' Er komen in de stukjes nog meer fraaie Betuwse uitdrukkingen voor. Sommige waren mij bekend, maar de volgende kende ik nog niet. Als je het hebt over iets dat zich in de verre toekomst afspeelt: 'da's nog zo wijd weg, dan schèt d'r een ekster die nou nog gin kont het.' Of de weerspreuken: 'Een rad um de maon zal in règen en wijnd vergaon' en 'Een rad um de zon, doar schrauwe vrouw en kijnder om'. En vergèt ok nie: 'D'n donder in ut dorre hout gif een vurjoar, schroal en koud.'

Uit alle stukjes blijkt een warme betrokkenheid bij de streek en in het bijzonder bij het fruit. Daaraan worden heel wat stukjes gewijd. Ook met een zekere weemoed. Er zijn in de loop der jaren immers heel wat boomgaarden gerooid. In Andelst en Herveld zouden voor de oorlog niet minder dan 103 kersenboomgaarden te tellen geweest zijn.

Als een kersenplukker een dubbele kers vond, moest er jenever komen, vertelt Viergever. Mij was het gebruik niet bekend, maar mijn moeder bevestigde het. Volgens haar werd de dubbele kers pontificaal opgehangen in de 'tent' die in elke kersenboomgaard tijdens de kersenoogst gespannen was. Wij hadden geen kersen, maar Ome Wout in Loenen wel. Ik herinner mij dat mijn tante kersenpannenkoeken bakte als er een dubbele kers gevonden werd.

Mijn moeder sprak verder over het stoken van een vuurtje in de kersenboomgaard waarboven vogels gebraden werden en ook dat er vaak een vaatje zoute haring in de kersentent stond. Het moet voor mijn tijd geweest zijn en Viergever zegt er niets over.

Wà gij is een leuke bundel. De stukjes geven zicht op een stukje plattelandsleven van vroeger en ook nog wel van nu. Bovendien is Viergever een onderhoudend verteller. Degenen die moeite hebben met het Betuws, moeten zich het advies van de schrijver maar ter harte nemen: hardop lezen. Dan zal het wel te doen zijn.