donderdag 22 september 2016

Jheronimus Bosch (Griffo)



Op de site Literair Nederland besprak ik het album Jheronimus Bosch van Griffo, waarin de vreemde wezens op de doeken van Jeroen Bosch worden gezien als vastgelegde demonen.

Hoe lang kun je demonen bedwingen?


Jeroen Bosch is hot dit jaar, niet alleen in de kunstwereld, maar ook in de stripwereld. Zo verscheen er een stripbiografie door Marcel Ruijters en Suske en Wiske gingen met de tijdmachine terug naar de tijd van de schilder. Evi Nijs schreef en tekende Alex, en het geheim van Jeroen Bosch. Ook Griffo (Werner Goelen) sluit zich aan bij dit rijtje, met zijn album Jheronimus Bosch.

Griffo neemt ons mee naar de jonge Bosch, die bezocht wordt door demonen. Hij schildert ze, maar demonen laten zich niet zo gemakkelijk vastleggen. Daar heeft hij een demonicide voor nodig. Zo gauw hij dat heeft, kan hij de demonen vangen in zijn schilderijen en daardoor onschadelijk maken.

Daarnaast lezen we het verhaal van Mathilde de Vlaeminck, die in de huidige tijd belast is met de restauratie van een schilderij van Bosch. Zullen de demonen vrijkomen als zij met het schilderij aan de slag gaat?

Lees de rest van de recensie hier.


woensdag 21 september 2016

Engelenwoede (Frans Willem Verbaas)


Het heeft een tijdje geduurd voor ik wat ging lezen van Frans Willem Verbaas.  Het eerst las ik zijn vierde roman, De vierde vrouw (2015) over Karl Barth. Ik schreef daarover hier. Het boek verraste me.

Zijn debuut, Sneeuw in Afrika (2006) las ik later (zie hier). Dat is duidelijk minder, maar het is nog steeds een aardig boek. Nu heb ik ook Engelenwoede gelezen. Vreemd genoeg is in het boek niet te vinden van welk jaar het is. Waarom de uitgever dat niet vermeldt is mij onduidelijk. Het blijkt van 2007 te zijn.

Erik Gouderak is predikant, met hart voor zijn vak. Dat vak slokt veel tijd op. Zijn vrouw Lucia stelt hem daarom voor de keus: of het gezin of het predikantschap. In afwachting van zijn beslissing trekt ze bij haar broer in.

In de tijd dat Lucia weg is, houdt Erik een dagboek bij en dat dagboek is de roman Engelenwoede. Een dagboek nodigt uit tot gepeins en dan ook nog gepeins van een predikant. Dat doet het ergste vermoeden.

Voor een deel komen die vermoedens uit. Eriks notities over de preken die hij voorbereidt en over de situatie waarin hij zich bevindt zijn niet altijd even boeiend. Hij beschrijft ook wat hij meemaakt en daarvan vraag je je weer af of een dagboekschrijver daarvan zo uitgebreid verslag had gedaan.

Het aardige van Engelenwoede is dat de hoofdpersoon zijn irritante kantjes heeft. Verbaas heeft hem bepaald niet geïdealiseerd. De kinderen, die bij Erik blijven, komen een groot deel van de roman nauwelijks uit de verf. Van de zoon wordt alleen maar verteld wat hij kookt, want daarin heeft hij lol, en het meisje ligt vaak te lezen op de bank. Pas tegen het eind, als het meisje wegloopt van huis, lijken ze mee te gaan doen.

Stilistisch is Verbaas soms aardig en soms wordt de lezer getrakteerd op clichés. Dan lijken lippen op rijp fruit, bijvoorbeeld.

Engelenwoede is niet een boek dat ik aan anderen zou aanbevelen. Blijkbaar is het een voetstap die Verbaas heeft moeten zetten om bij De vierde vrouw aan te komen. In te grote delen is Erik verdiept in zijn eigen leven en bezigheden, zonder dat dat voor de lezer interessant wil worden. Tegen het einde heeft Verbaas een droom nodig die natuurlijk betekenis heeft voor het verhaal. Dat is meestal geen best teken.

Om een indruk te geven van passages die mij uitnodigden om de lezing van het boek te staken:
Heb anderhalve nachtfilm gekeken, ben tegelijk doodmoe en klaarwakker. Kan het niet opbrengen naar bed te gaan. Naar ons bed. Ons bed. Een echtelijk bed is heilige grond, zoiets als een kerk, een plaats van ontmoeting en intimiteit, een plek des heils. Doe uw kleren van uw lichaam, want de plaats waar gij gaat liggen naast uw vrouw, is een heilige plaats. Maar alles wat heilig is, wordt vroeg of laat geschonden. Ze heeft door haar vertrek ons bed verontheiligd. Ik zou in de logeerkamer kunnen gaan slapen, maar die gedachte is zo treurig. 
Zelfs als Gouderak zwelgt in zelfmedelijden kan hij de preektoon niet achter zich laten. Misschien wilde Verbaas wel juist duidelijk maken hoe interessantdoenerig Erik is, maar na zo'n passage had ik vooral de indruk dat het boek niks meer kon worden.

Het loopt trouwens allemaal goed af, al gaat dat niet vanzelf. Maar iets zoets heeft het eind wel. Verbaas heeft ook nog de roman Heilig vuur geschreven, maar voorlopig heb ik wel even genoeg Verbaas gehad.

zondag 18 september 2016

Lezing Colet van der Ven: De wortels van het kwaad


Op zondag 18 september heeft Colet van der Ven een lezing gehouden in de Vluchtheuvelkerk in Zetten over het kwaad. Zit het kwaad in ieder van ons? En hoe komt het dat sommigen zich wenden tot geweld en anderen niet?

Van der Ven illustreert haar verhaal met bekende experimenten als het Milgramexperiment (zie hier), waarbij mensen bereid bleken een ander stroomstoten tot een dodelijke sterkte toe te dienen en het experiment van de Stanfordgevangenis, waarbij mensen de rol van gevangene of van bewaker moesten spelen (zie hier).

Het aanwenden van geweld kan zowel op kleine als op grote schaal: van pesten tot genocide. In de voorbeelden die Van der Ven geeft, blijken dezelfde mechanismen werkzaam te zijn: bijvoorbeeld groepsdruk, mensen reduceren tot één eigenschap, het taalgebruik, het wij/zij-denken.

Ze verzet zich tegen Abram de Swaan en zijn boek Compartimenten van vernietiging (zie bijvoorbeeld hier). De Swaan zou daarin degenen bestreden hebben die zeggen dat het kwaad in elk mens schuilt. Van der Ven nuanceert: 'Het kwaad schuilt ook in elk mens.'

Ook Philip Zimbardo heeft zich in een Tedtalk uitgelaten over de manier waarop goede mensen tot het kwaad komen. (Zie hier).

Van der Ven noemt Hannah Arendt en 'de banaliteit van het kwaad'. We bekijken daarbij een stukje van de speelfilm uit 2013.


Niet alle mensen maken in dezelfde situatie dezelfde keuzen. Van der Ven noemt het Reservebataljon 101 in de Tweede Wereldoorlog, waar ook Richard Browning over sprak (zie hier). Het bataljon schoot op 13 juli 1942 vijftienhonderd Joden dood in het plaatsje Jezefow. De commandant, majoor Trapp, gaf de soldaten de gelegenheid om er niet aan mee te doen en hun wapen in te leveren. Slechts een klein deel deed dat daadwerkelijk.

Hoe komen mensen ertoe om niet mee te doen met de groep? Hoe nemen ze verantwoordelijkheid, desnoods tegen de stroom in? Bewustzijn, zegt Van der Ven. Je realiseren waarmee je bezig bent. Beseffen dat je een mens bent en dat de ander dat ook is. Je kunt je trainen in situaties die een morele beslissing van je vragen.

Halverwege de lezing luisterden we naar Wende Snijders, die bezingt hoe je iemand met messen in zijn zakken en spijkers in zijn schouders tegemoet kunt treden. Door zijn verdriet te zien, door hem te erkennen.


Na afloop worden er nog vragen gesteld en onder de koffie daarna gaan de gesprekken nog door. 

donderdag 15 september 2016

Zandkasteel (Peeters/Lévi)


Er zijn in de loop van de tijd al heel wat verhalen verteld waarin de tijd gemanipuleerd wordt. A.F.Th. van der Heijden schetste het leven van de eendagsmensen in Het leven uit een dag, Martin Amis liet de tijd teruglopen in Time Arrow, net als Jan Hanlo in het gedicht 'Wij komen ter wereld'. Er is discussie geweest over het gedicht 'Tijd' van M. Vasalis, dat begint met:
Ik droomde, dat ik langzaam leefde ....
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. 'k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen .....
Leeft de ik langzaam of juist snel? was het discussiepunt. Zie bijvoorbeeld hier.

Scenarioschrijver Pierre Oscar Lévi doet iets soortgelijks in de beeldroman Zandkasteel. Hier zijn het de mensen die snel leven, terwijl de natuur zijn normale tempo behoudt.

De titel verwijst naar de lokatie, het strand. Maar een zandkasteel is ook het minst stevige kasteel dat er bestaat: een flinke golf en het is weg. Die kwetsbaarheid, de zekerheid van verval, ligt ook in de titel besloten. Misschien is zelfs ons leven een zandkasteel. We staan niet stil bij het fragiele ervan, totdat de golven komen. Alle muren die we optrekken zullen de tand des tijds niet kunnen weerstaan. Uiteindelijk zijn we weerloos.

Het verhaal, getekend door Frederik Peeters, speelt zich af op een stukje strand. Er drijft een lijk in het water en we denken al gauw aan een misdaad. Maar er blijkt meer aan de hand. De mensen op het strand zijn in een versnelde tijd terechtgekomen. De kinderen worden zienderogen groter en volwassen en ook de andere mensen verouderen snel. Het vreemde is dat de omgeving zich niets van deze versnelde tijd aan lijkt te trekken: de natuur verandert niet, de dagen blijven even lang.

De versnelling van de tijd is misschien gebonden aan die ene plek, maar de mensen kunnen die plek niet verlaten. Ze zijn gedoemd te wachten op hun dood. In de tussentijd houden ze zichzelf en elkaar bezig. Zo wordt er een verhaal verteld over een koning, die de dood aangezegd krijgt. Binnen zeven jaar zal de boodschapper terugkomen om de ziel van de koning op te eisen.

De koning laat een burcht bouwen die de boodschapper buiten moet sluiten en op die manier denkt hij de dood op afstand te houden. De burcht zal zijn tombe worden. Voor de dood is ook een stevige burcht slechts een zandkasteel.

Aan het eind van het verhaal leeft er nog maar één personage. Ze bouwt een zandkasteel. Natuurlijk weet ze dat het geen stand zal houden, zoals ze weet dat ze het niet zal overleven, maar wat kan ze anders? Als lezer kun je je op die laatste bladzijden alleen nog maar met dit personage identificeren. Jij bent degene die zandkastelen bouwt. Tegen beter weten in.

Levi en Peeters zuigen de lezer gemakkelijk het verhaal in. Vanaf het begin zijn er vragen waar de lezer antwoord op wil hebben. Dan wil je wel doorlezen. En als je weet wat er aan de hand is, wil je weten hoe de personages zich in deze situatie zullen houden.

De tekeningen zijn in zwart-wit en eerlijk gezegd heb ik de kleur niet gemist. Peeters heeft zeker aandacht voor het decor en voor de natuur, maar meer ligt de nadruk op de personen: hen volg je. Het verouderingsproces van de personen heeft Peeters goed weergegeven. Vreemd is wel dat de haren niet mee lijken te groeien en je merkt ook niet dat de nagels snel langer worden. Ik realiseerde me dat pas nadat ik het boek uit had.

Je kunt zeggen dat Peeters (of Lévi) de situatie toch niet helemaal goed doordacht heeft, maar bij een zo symbolisch verhaal, zijn zulke details misschien minder belangrijk. Het boek werkt waarschijnlijk op een dieper niveau dan dat van het verhaal. Dat verhaal wordt overtuigend verteld. Je vraagt je bijvoorbeeld niet af hoe dat nu precies zit met de snelle tijd en ook niet hoe dat nu gekomen is. Daar wordt (gelukkig) ook niets over uitgelegd. Het is een werkelijkheid die we accepteren.

Daaronder ligt de laag waarop wij worden aangesproken. We stellen ons geen vragen over de details van het verhaal, maar over de betekenis ervan. We worden geraakt op zingevingsniveau. Dat is de kracht van Zandkasteel.


Eerder schreef ik over de serie Aama van Frederik Peeters. Die bijdragen vind je hier en hier.



Titel: Zandkasteel
Tekeningen: Frederik Peeters
Scenario: Pierre Oscar Lévi
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2016; hardcover, 112 blz. € 24,95

Zijne vrouw zet bloedzuigers (Charles de Coster)


In 1964 verscheen er bij de Wereldbibliotheek een curieus boekje: Zijne vrouw zet bloedzuigers, met als ondertitel: 'De zeer persoonlijke indrukken van een reis, in 1877 ondernomen naar Amsterdam, Zaandam, Broek in Waterland, Monnikendam, Volendam, Hoorn, Scheveningen, Marken en Urk, door Charles de Coster.' Ja, die! Die van Tijl Uilenspiegel.

De Coster reisde in 1877 door Nederland in opdracht van het tijdschrift Le Tour du Monde. Het Franssprekende publiek wist blijkbaar weinig van Nederland en De Coster zou daarom Nederland verkennen en zijn reisindrukken noteren.

Hij reisde naar Amsterdam, bezocht een paar plaatsen in Noord-Holland, maakte tripjes naar Scheveningen, Marken, Urk en Schokland en voer door naar Kampen. Over die laatste plaats heeft hij, voor zover ik weet, niets genoteerd. De Coster keerde terug naar Brussel, werd ziek en stierf in 1879. Hij was al met zijn aantekeningen aan de slag geweest, maar hij kon ze niet volledig uitwerken. Na zijn dood werd het verslag gepubliceerd in de staat waarin het gevonden werd.

Dat verslag leest prettig. De Coster kijkt goed en schrijft fris. Wat hij genoteerd had tijdens zijn reis had hij al wel uitgewerkt in complete zinnen. Wellicht dat hij meer had willen componeren aan het geheel, maar verder leest de tekst niet als een concept.

Van Amsterdam geeft De Coster een levendig beeld. We komen te weten dat in die tijd dienstboden graag gekleed gaan in lila en rose, dat er 'omnibussen' rijden waaraan trossen mensen hangen en dat de stad 'electrische brandmelders' heeft. Amsterdam is goed verlicht:
En overal die verbazingwekkende, overvloedige verlichting. Straatlantaarns in zeer groot aantal schitterden tussen de hoge bomen op de kaden en weerspiegelden zich als lange vuurslangen in het water. 
Soms zijn het de kleine zinnetjes tussendoor die blijven hangen. Bijvoorbeeld dat de walvisvaart nog een kans maakt. Of dat Joden herkenbaar zijn aan hun accent:
Ik trek er al vroeg op uit, vastbesloten om veel te zien. Mijn allereerste ontmoeting is die met de Nieuwmarkt, die in werkelijkheid een oude markt is. Men verkoopt er slechts oude rommel, lompen en ordinair aardewerk. Het nasaal accent van de verkopers toont voldoende aan dat het Jodenkwartier niet ver is. 
Dat 'Jodenkwartier' heeft De Coster ook bezocht. Hij vertelt over kinderen die al op jonge leeftijd handel drijven, over de vrolijkheid en de spotlust die hij overal bespeurt ('men is geneigd gekheid te maken') en uitgebreid staat hij stil bij het uiterlijk van de Joodse Amsterdammers. Het zijn beschrijvingen die tegenwoordig racistisch aandoen:
De mensen van dit ras zijn óf zeer knap om te zien - óf afstotelijk. Dat geldt vooral voor de Nederlandse Joden. Tengevolge van ontbering en armoede veranderen de trekken, en de ogen zinken terug onder de wenkbrauwbogen; het voorhoofd wordt vet en olieachtig; de dikke lippen, die lijken op die van sommige negers, beginnen de neus te naderen, waarvan de vorm soms overdreven is; het lichaam wordt gezet, de handen zetten op en de gang wordt zwaar. (...)
De vrouwen doorlopen alle stadia van schoonheid en lelijkheid. Ik heb blonde en bruine Jodinnetjes gezien die ongelooflijk knap waren, en daarnaast andere die onwaarschijnlijk lelijk waren, met gemene, grijnzende gezichten, zoals Hogarth ze niet heeft kunnen dromen. Sommige arme oude vrouwen zijn afschuwelijk in hun kleurloze lompen: ze hebben platte, magere gezichten, bleke dikke lippen en een monsterachtig grote neus die tussen hun slappe wangen naar voren steekt als een snavel.
Je zou kunnen vermoeden dat er achter deze beschrijving een afkeer van Joden schuilt, maar dat blijkt uit de rest van het hoofdstuk niet. De Coster prijst de Joden en zegt 'dat dit ras ijverig is en van alle hout pijlen weet te snijden, liever dan dat het bedelen gaat.'

Hij wijst daarbij op een uithangbord, waaraan dit boekje uiteindelijk zijn titel te danken heeft:
Levi Roboam, koopman in sigaren, lekkertjes en zuurtjes en kwaad yzer, boodschaplooper voor de geburen, knipt vogeltongen en snyt honds en katte worm; zyne vrouw houd kinder-school, zet bloedzuigers en maakt schriftlektuer voor ongeleerden.  
De Coster praat veel met mensen. Bij de militairen hoort hij stoere verhalen. Bijvoorbeeld hoe een soldaat al voor de vierde keer iemand gered heeft uit het water. Hij was die vierde keer wel vergeten dat hij in zijn borstrok 'een flink pak met lood'  droeg. Volgens De Coster is hij geen uitzondering:
Deze koelbloedigheid bij hun heldhaftigheid is een karaktertrek van de Hollanders en vooral van officieren en soldaten.
Bij het hoofdstukje 'Vermaak' noemt De Coster onder andere de 'satirische schetsen die betrekking hebben op de eigentijdse politieke misstappen, op het omverwerpen van dynastieën en op de nederlaag van partijen die vijandig staan tegenover de liberale massa van het volk.' Dat geeft geen problemen:
Als men zelf in de zaal heeft gezeten beseft men dat men hier in een werkelijk vrij land is. De overheid, vertegenwoordigd door de politie, grijpt alleen maar in om te applaudisseren. 
De Coster houdt ervan te generaliseren: 'Het is overigens karakteristiek voor de Hollandse meisjes, dat ze steeds glimlachen en opgewekt zijn.' Daar zal men toch ook toen al wel bij gefronst hebben.

Zyne vrouw zet bloedzuigers is een vermakelijk boekje. Het is altijd prettig om te lezen wat een buitenstaander vindt. Dat is ook het aantrekkelijke van boekjes als Do ist der Bahnhof (Annette Birschel), The Undutchables (Colin White en Lauri Boucke) en Waar die andere God woondt (J. Rentes de Carvalho). Voor de huidige lezer geeft het niet alleen de blik van de buitenstaander, maar we krijgen ook een kijkje in de geschiedenis.

De Coster heeft een vlotte pen. Sommige van zijn beschrijvingen zijn vondsten. Zo vergelijkt hij Volendammers met insecten:
Op andere plaatsen zag men een heel klein op zijn staart staand kevertje een zwarte gedaante aanspreken, die dan zijn arm legde om het kevertje; dan liep het kevertje weer terug in omgekeerde richting.
Toen we dichterbij kwamen zagen we dat de grote en kleine meikevers vrouwen en meisjes waren uit Volendam. Het was hun smalle taille en het waren hun wijduitstaande rokken - zeven over elkaar, die de glorie uitmaken van de Nederlandse vrouwen - die hun zo op insecten deden lijken. 
Het boekje van de Coster is geïllustreerd met verscheidene tekeningen. De herkomst daarvan wordt niet vermeld. Stonden deze tekeningen ook in de oorspronkelijke uitgave? Dat wordt niet duidelijk.

Voor wie wat in het boekje wil grasduinen. Het is hier te downloaden of online te lezen.

vrijdag 9 september 2016

De trein van 10:11 (Henk Stoorvogel)


Een collega maakte me attent op de novelle De trein van 10:11, van Henk Stoorvogel. Ik had van de schrijver en van het boekje nog nooit gehoord. Het blijkt een christelijk Boekenweekgeschenk geweest te zijn, in 2011. Actieboek, bedoel ik, want Boekenweekgeschenk is een beschermde term en die mogen de christelijke boekhandels niet gebruiken voor hun geschenkboek.

De trein van 10:11 is een aardig boekje. Het speelt zich af in een dorpje in de buurt van Hannover, waar een fotograaf, Alexander Wanne, de oorlog probeert door te komen. Het is intussen eind 1941 en de oorlog en het bewind laten zich wel voelen. Wanne moet er niet veel van hebben.

Er zijn nog weinig mannen in het dorpje. De meesten zijn opgeroepen voor het leger. Alexander, die kreupel loopt, is in de eerste oorlogsjaren nog vrijgesteld. Later zal hij wel ingezet worden om te helpen als Hannover gebombardeerd wordt.

Er zijn enkele zondagen waarop om 10:11 uur er een trein met op transport gestelde Joden door het dorpje komt. Ze gillen en daarom laat de dominee rond die tijd een extra psalm zingen. Achter in het boek verantwoordt Stoorvogel zich:
Een Duitser vertelde hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog lid was geweest van een klein kerkje in een stad in Duitsland. Zondag na zondag werden de gelovigen tijdens de dienst opgeschrikt door voorbijrijdende treinen, met daarin mensen die schreeuwden om hulp. Naarmate de treinen bleven rijden gingen de gelovigen steeds harder zingen om het gegil maar niet te hoeven horen.
Het is moeilijk voor te stellen dat de Joden de hele weg gegild hebben. Dat kost namelijk nogal wat energie en er is ook niets van te verwachten. Wie zou mensen in een rijdende trein immers kunnen helpen?

Stoorvogel noemt bovendien zijn bron niet. Waar heeft hij het verhaal van die ene Duitser aangetroffen? Zijn er andere bronnen die zijn verhaal bevestigen? De oprechtheid van die ene Duitser wil ik niet in twijfel trekken, maar het geheugen is per definitie onbetrouwbaar. Waarom vermeldt Stoorvogel niet of hij de uitspraken gecheckt heeft?Dit punt is wel belangrijk, omdat zo ongeveer het hele boekje staat of valt met het geluid dat de Joden maken.

In een werk van fictie hoeft niet alles werkelijk zo gebeurd te zijn als het beschreven is, maar de gebeurtenissen in het boek moeten wel aannemelijk zijn. Dat iets onaannemelijk is, wil overigens niet zeggen dat het niet werkelijk gebeurd kan zijn.

Het hard zingen om het geroep van de Joden niet te horen kun je zien als een vorm van wegkijken. Natuurlijk ook als een vorm van zelfbehoud. Alexander Wanne is niet slecht, maar hij is ook geen held. Hij is iemand zoals wij bijna allemaal zijn.

Aan de ene kant wil Alexander Wanne best wat doen voor de Joden. Hij maakt bijvoorbeeld ook foto's van Joden die op transport gaan en dat is beslist niet zonder risico. Aan de andere kant beseft hij ook dat zijn gezin hem nodig heeft en dat hij voorzichtig moet zijn. Als een Joods meisje om onderdak vraagt, kiest hij voor zijn eigen veiligheid. Achteraf vindt hij dat laf.

Stoorvogel laat zien dat iemand niet moedig of laf hoeft te zijn, maar het ook beide kan zijn en hoe zwaar het kan zijn als je een keuze moet maken. Elke keuze kan een slechte keuze zijn. Het krachtenveld waarin iemand zich bevindt schetst Stoorvogel indringend. Je voelt hoe iemand verscheurd kan raken door de krachten om hem heen.

Stilistisch is De trein van 10:11 niet bijzonder. Op één bladzijde lezen we bijvoorbeeld zowel de uitdrukking 'zo snel als zijn vermoeide benen mij konden dragen' als 'een ogenblik later werden dromen werkelijkheid'. Dit soort zinnen had een kritische redacteur eruit moeten ziften.

In boeken uit de christelijke hoek wordt vaak veel gepeinsd en veel gepraat, om van het gepreek maar te zwijgen. Bij Stoorvogel is er gelukkig ook aandacht voor de gebeurtenissen en dat leest prettig. Wel wordt aan het eind van het boek veel uitgelegd en expliciet gemaakt, wat afbreuk doet.

Maar met Alexander Wanne heeft Stoorvogel wel een personage geschapen dat wellicht af en toe op zal duiken in onze herinnering. Dat is zeker wat waard.

zondag 4 september 2016

De opwindvogelkronieken (Haruki Murakami)


In de tijd die mijn baan mij overlaat, probeer ik wat te volgen van de Nederlandse literatuur. Daarin schiet ik ernstig tekort. Aan de buitenlandse literatuur kom ik meestal helemaal niet toe. Een leerlinge sprak daar haar verbazing over uit en deed mij De opwindvogelkronieken van Haruki Murakami cadeau. Van die schrijver moest ik toch wat lezen, vond ze. Natuurlijk had ze gelijk. Ik heb bijna 900 bladzijden lang genoten.

De hoofdpersoon in deze omvangrijke roman is Tōru Okada. Hij zegt zijn baan bij een advocatenkantoor op. Van zijn vrouw, Kumiko, hoeft hij geen haast te maken met het zoeken naar een nieuwe baan en dat doet hij dan ook niet. Hij lijkt een rustig leventje te hebben, maar dat wordt ernstig verstoord.

Hij wordt namelijk lastiggevallen met telefoontjes van een vrouw die zegt hem te kennen, zodat hij na een tijdje de telefoon zelfs niet meer opneemt. De kat van Kumiko en Tōru is zoek en bij zijn speurtocht komt hij in een steeg bij een leegstaand huis met een duister verleden. In de buurt ervan ontmoet hij een meisje, May Kasahara, dat niet meer naar school gaat. Ze zullen nog verschillende keren met elkaar te maken krijgen. En hij ontmoet twee zussen, met de wonderlijke namen Malta en Kreta. Ze hebben bijzondere gaven.

Het leven van Tōru Okada raakt pas goed ontregeld als zijn vrouw niet meer thuiskomt. Hij vermoedt dat zijn zwager, Noburu Wataya er iets mee te maken heeft. Die werkt aan een politieke carrière. Hij speelt ook een rol in het leven van Kreta Kanō, die zegt door hem 'bezoedeld' te zijn, al weten we op dat moment nog niet wat dat betekent. Tōru besluit zich niet bij de situatie neer te leggen en alles te doen om Kumiko weer naar huis te halen.

De opwindvogelkronieken is een wonderlijk boek. Het is mij niet duidelijk of ik het boek wonderlijk vind omdat het Japans is, of omdat het van Murakami is. Misschien zijn diens werken ook binnen de Japanse literatuur afwijkend.

Het boek lezen als de weergave van een aantal gebeurtenissen is niet goed mogelijk. Daarvoor komen er te veel dingen in voor die rationeel niet te volgen zijn. Zo worden er dromen gemanipuleerd en van de ene dag op de andere heeft Tōru Okada een vlek op zijn wang. Ook zijn er verschillende werkelijkheden waartussen Tōru heen en weer kan pendelen. Is de andere wereld zijn brein? Het zou kunnen.

Tōru ziet de dingen die hem overkomen als tekenen. Hij is een betekeniszoeker, die zijn eigen leven probeert te duiden. De gebeurtenissen in zijn leven ziet hij als signalen; ze dragen boodschappen met zich mee. Hij heeft het idee dat hij door diep na te denken kan snappen wat 'men' hem probeert duidelijk te maken. Daarom gaat hij ook geregeld op de bodem van een droogstaande put zitten. Daar denkt hij na, of misschien mediteert hij wel, om tot inzicht te komen.

De opwindvogelkronieken is bepaald geen liefelijk boek. Een bejaarde militair vertelt bijvoorbeeld zijn verhalen, die zich afspelen in een oorlogstijd: de luitenant was betrokken bij de oorlog in Mantsjoerije. Ook in die verhalen komt een put voor, zoals er wel meer dwarsverbindingen zijn tussen de verschillende personages.  De verhalen van luitenant Mamiya zijn rauw. Zo vertelt hij over Boris de Viller, die mensen letterlijk laat villen. Hij zal de man later ook nog tegenkomen in een kamp.

De titel verwijst naar een vogel die Tōru vaak hoort, maar niet te zien krijgt. Het dier maakt een mechanisch geluid, alsof een veer wordt opgewonden. Tōru stelt zich voor dat de vogel elke dag de veren van de wereld opwindt, wat dat dan ook betekent. Er zijn veel dwarsverbindingen en leidmotieven in De opwindvogelkronieken. Vogels is er eentje van. Bij het verlaten huis staat een beeld van een klapwiekende vogel en er wordt vaak verwezen naar De diefachtige ekster van Rossini.

Zoals Tōru Okada speurt naar de kern van het probleem en misschien ook wel naar de kern van het leven, wordt de lezer uitgedaagd om betekenis te hechten aan alles wat de schrijver ons aanreikt. Misschien denken we na over de krochten van onze geest of over de vraag of geweld altijd slecht is. Over de vraag of we onszelf en anderen kunnen kennen. Over de vraag of er een plan ten grondslag leeft aan ons leven en of er dus wel een vogel, een iets, of een iemand is die veren van de wereld opdraait.

Haruki Murakami lezen is een bevreemdende bezigheid, maar het is ook boeiend. Je komt terecht in een wonderlijke wereld, die oppervlakkig bezien overeenkomsten vertoont met de wereld die je kent, maar die tegelijkertijd volstrekt anders is. Ik ben mijn leerlinge dankbaar voor het boek dat ze me gaf, waarmee ze me een ervaring heeft gegeven die ik anders misgelopen zou zijn.