woensdag 7 december 2016

Paul de Wispelaere (1928 - 2016) overleden


Op sommige terreinen ben ik nauwkeurig, maar op andere kleeft de slordigheid mij aan. Televisiekijken laat ik zo'n beetje geheel verslonzen en ik lees ook niet dagelijks de nieuwtjes uit de literatuur. Als er echt iets belangrijks gebeurt, kom ik het meestal wel tegen, op Facebook of Twitter, maar dat laatste medium open ik ook niet dagelijks.

Gisteravond, thuisgekomen van een gezellig etentje met mijn nazaten, snuffelde ik nog wat op het internet. Op Tzum (ook veel te lang niet bijgehouden) kwam ik een bericht tegen waarvan ik toch even rechtop ging zitten: Paul de Wispelaere overleden. Afgelopen vrijdag, 2 december, al!

Er is wel aandacht aan besteed, laat Google mij zien, maar het is mij ontgaan. Ik wist ook niet dat Paul de Wispelaere tot voor kort nog leefde. Nooit meer aan hem gedacht. De laatste jaren zijn boeken niet meer ingekeken. Op de site van de Volkskrant  schreef Paul Depondt op 4 december een mooi overzicht van leven en werken van De Wispelaere - informatief, betrokken.

Boeken van De Wispelaere stonden in mijn boekenkast, ergens tussen die van Leon de Winter en Jan Wolkers. Ze overleefden enkele verhuizingen en kwamen daarna in een doos terecht, op zolder achter het schot. Moeilijk vindbaar. Geen zin om het schot los te schroeven, op de knieën te gaan, doos voor doos te controleren. Ik weet zo ook wel welke boeken ik heb opgeborgen: Een eiland worden (1963), Mijn levende schaduw (1965), Tussen tuin en wereld (1978), Brieven uit Nergenshuizen (1986).

Het verkoolde alfabet (1992) heb ik een tijdlang willen lezen, maar blijkbaar was het verlangen niet zo brandend dat het me warm gehouden heeft. Over Paul-tegenpaul (1970) twijfel ik. Ik heb het boek, als ik het bij de laatste verhuizing tenminste niet in de dozen 'Kan weg' heb gedaan. Ik zie de voorkant voor me. Maar heb ik het boek ook gelezen? Waarschijnlijk wel, maar ik heb er geen herinnering aan.

Zo vergaat het me een beetje met alle boeken van De Wispelaere. In de jaren tachtig las ik veel auteurs die het zogenaamde 'andere' proza schreven: Ivo MichielsHugo RaesSybren Polet - dat soort auteurs. Daar hoorde Paul de Wispelaere ook bij, al zat hij aan het randje van dat andere proza.

Het werk van De Wispelaere is  niet alleen wat wij toen noemden 'experimenteel'. Het is niet alleen een 'taalding' (met excuses voor het lelijke woord), maar er is ook altijd betrokkenheid, emotie. En De Wispelaere heeft ook een fraaie stijl. Zijn zinnen lezen prettig, roepen gemakkelijk beelden op.

Terugdenkend aan zijn boeken, is het toch vooral de sfeer die me bijblijft. Meer dan de precieze inhoud. Zijn Brieven uit Nergenshuizen herinner ik me het duidelijkst. Een oudere man, een jongere vrouw. De brieven die hij aan haar schrijft. Hoe je de aantrekkingskracht voelt en hoe hij afstand houdt. Hoe dat verandert.

Experimenteel is dat allemaal niet en ik meen me te herinneren dat ik het boek net een tikje te sentimenteel vond. Te gevoelerig, te week aan het einde. Terwijl ik het optik, vraag ik me af of mijn herinnering klopt. Aantekeningen heb ik niet over het boek gemaakt en hoe licht wordt iemand bedrogen door zijn geheugen.

Mocht ik het me wel goed herinneren, waarom is dan juist dat boek me goed bijgebleven? Meer dan bijvoorbeeld Tussen tuin en wereld. Ik zie dat boek voor me. Het was een gebonden uitgave, aangeschaft bij ECI, een deel uit de serie Schrijvers van Nu. Ik herinner me een groene omgeving waarin de hoofdpersoon zich bewoog. Maar misschien wordt dat juist wel ingegeven door het groene plaatje op de voorkant. Of door die 'tuin' in de titel.

En de hoofdpersoon is een schrijver. In veel boeken van De Wispelaere gaat het ook over het schrijven. Dat zal hier ook het geval geweest zijn.

Voor zover ik weet, is Het verkoolde alfabet goed verkocht, zoals wel meer delen van de reeks Privé-domein. Het is een dagboekachtig boek, wat Paul-tegenpaul eigenlijk ook is. Zijn er veel mensen die indertijd Brieven uit Nergenshuizen hebben gekocht? Misschien wel.

Maar een bekende schrijver is Paul de Wispelaere er niet mee geworden. Wel kreeg hij in 1998 de Prijs der Nederlandse Letteren en dat is een prijs met aanzien. Dan ben je opgenomen in een mooi rijtje.

Tijdens het leven van De Wispelaere is het vergeten echter al begonnen. Ik wist niet dat hij nog leefde en daarin zal ik niet de enige geweest zijn. In de Volkskrant werd bij het in memoriam de verkeerde foto geplaatst: namelijk die van Herman de Coninck. Ook op hem daalt het stof dus neer. Hij had toch een bekende kop, een bekende stem, werk dat iedereen las. Nu kent men het verschil niet meer tussen zijn kop en die van De Wispelaere.

De arme boeken van De Wispelaere! Het zijn goede boeken, ze zijn het lezen waard. Maar wie leest ze nog! Af en toe zal er toch nog wel iemand zijn die zo'n boek per ongeluk of expres meeneemt, het leest en zich verbaast? Nooit geweten, dat. En die zich dan nog zo'n boek aanschaft en aan anderen doorvertelt dat hij een oude auteur herontdekt heeft. Dat zal gebeuren. Vast.

Foto boven: afbeelding van een luisterboek waarop Paul de Wispelaere onder andere een fragment leest uit Het verkoolde alfabet en de slotscène van Tussen tuin en wereld

dinsdag 6 december 2016

Dijk. Een vergelijking. (H.M. van den Brink)


Waarom kocht ik de roman Dijk? Ik hoorde bij het radioprogramma Kunststof een interview met de auteur en toen was mijn interesse wel gewekt. Maar misschien was het toch de omslag met die monumentale letters die zo'n beetje de hele voorkant in beslag nemen. Die voorkant deed mij uiteindelijk naar het boek van H.M. van den Brink grijpen, vermoed ik, en het kopen.

De titel verwijst naar de hoofdpersoon, Karl Dijk. 'Een naam als twee klappen met de vlakke hand op een hard oppervlak. Een tafelblad. Een toonbank. Een schokvrije marmeren tafel met weeginstrumenten.'  Zo staat het, bijna aan het eind, in het boek.

Dat is mooi omschreven. Vooral ook door die twee korte zinnetjes van elk twee woorden, die ook een beetje klinken als zo'n klap op het tafelblad. En de weeginstrumenten staan er niet voor niets. Karl Dijk is namelijk werkzaam bij de Dienst van het IJkwezen.

Het verhaal wordt verteld door een collega van Dijk, die hem jarenlang van nabij heeft meegemaakt. Hij is ook degene die de toespraak schrijft die de directrice bij het afscheid van Dijk zal voorlezen. Daartoe mag hij het dossier van Dijk inzien.

Op dat afscheid verschijnt Dijk overigens niet. Het afscheid is de rode draad door het boek. De directrice leest de toespraak voor en ondertussen komen er allerlei herinneringen van de ik-figuur boven aan zijn werk als ijker en aan zijn collega Karl.

Ruim een jaar later, als de verteller ziek is en koorts heeft, blijkt hij Karl Dijk nog steeds niet uit zijn gedachten te kunnen zetten. Hij weet ook niet zeker meer of iets nu werkelijk gebeurt of gebeurd is of dat hij het zich verbeeldt of verbeeld heeft.

Het duurde even voordat ik mij echt overgaf aan Dijk. Misschien kwam dat doordat ik door drukten niet lekker kon doorlezen. Op een gegeven moment greep het boek mij.

Ten eerste vanwege het onderwerp. Je leest niet elke dag over iemand die weeg- of meetinstrumenten moet controleren. Het had ook een koeienschetser, een mollenvanger of een meteropnemer kunnen zijn - ik raakte geïnteresseerd in de man en zijn bijzondere beroep.

Bovendien geeft Van den Brink prachtige anekdotes over het IJkwezen. Bijvoorbeeld hoe van tijd tot tijd iemand met een kilo van Delft naar Frankrijk moet reizen om te kijken of het Nederlandse normgewicht nog deugt. Eigenlijk komt, in fragmenten, op die manier de hele geschiedenis van de Dienst van het IJkwezen langs.

Toen de mensen zelf thermometers in huis konden halen die niet geijkt waren, is het verval begonnen, volgens Dijk. Dat kun je je goed voorstellen. De Dienst werd geprivatiseerd, er vielen woorden als klantvriendelijkheid en dan is het werk van de ijker voorgoed veranderd. Zoiets doet iets met je beroepstrots, lijkt me.

Van den Brink heeft de gave om zintuiglijk te schrijven. Vooral de geuren in het boek zijn mij goed bijgebleven. Of die nu zijn van een dorpscafé waar niemand meer komt of van een kaaswinkeltje op een boerderij. Het lezen van die gedeelten heb ik als een feest ervaren.

De passages over wat de verteller meemaakt bij zijn controles krijgen in de loop van het boek steeds meer een metaforisch karakter. Er zit veel tragiek in de kleine zelfstandigen die het hoofd boven water proberen te houden. Ze lijken vergelijkbaar met de ijker die het ambachtelijke handwerk steeds meer ziet verdwijnen en die ook maar moet proberen om zijn leven leefbaar te houden.

De ondertitel van Dijk is niet voor niets 'Een vergelijking'. Je kunt het leven van Dijk vergelijken met dat van de verteller, maar ook de geschiedenis van het IJkwezen met de Werdegang van Dijk en de verteller. En het ijken is natuurlijk per definitie gebaseerd op vergelijking.

Hoe ingehouden Dijk ook geschreven is, toch is het een emotioneel boek. Je merkt hoe de verteller betrokken is bij Dijk, al hebben ze dat onderling nooit in woorden expliciet gemaakt. Maar hij is ook betrokken bij zijn werk en tegelijkertijd bij de mensen die hij moet controleren; voor wie hij begrip heeft, zelf als ze frauderen. Hij moet rechtvaardig zijn, hij kan niet anders, en toch geeft hem dat soms een naar gevoel. Van den Brink beschrijft dat vanzelfsprekend mooier:
Ik keek hem nog eens aan, schudde mijn hoofd en verliet, nog steeds zonder een woord te zeggen, de zaak.
Zelfs na een kwartier lopen in de frisse lucht leek het alsof ik nog niet helemaal buiten was. Alles kleefde aan mij, ik raakte het niet kwijt, de zure kaaslucht, de kou die nooit uit de gebarsten plavuizen zou verdwijnen, de wollen truien van de man en de vrouw, de wanhoop van hun armoe, die traan die er wel of die er niet was geweest, het kleine, dierlijke gejammer.
Nu was ik correct geweest en eerlijk, ja zelfs vriendelijk, geen regel of voorschrift had ik overtreden, en toch voelde het alsof ik het niet slechter had kunnen doen. 
De vergelijking uit de ondertitel komt op verschillende plaatsen terug in het boek. Bijvoorbeeld als de verteller kijkt naar zijn kinderen. Ik citeer een lange passage.
Maar dat gevoel nam af naarmate ze groter en ouder werden. Ze leken verder weg maar tegelijkertijd dichterbij omdat de afstand me in staat stelde verschillen op te merken, te vergelijken. Ik zag Ada in hen. Ik zag mijzelf. En ik zag zoveel dat tot geen van ons beiden herleidbaar was, dat het niet anders kon of dat verschil was het bewijs van hun zelfstandigheid van hun eigen bestaan. En dat bestaan bewoog. Die beweging was eigenlijk het bewijs. Of nóg een bewijs. Het was helemaal niet noodzakelijk dat een van beide gewichten op de schaal onveranderlijk bleef. Het was zelfs van het grootste belang dat dat niet zo was, dat alles bleef veranderen. De directrice had gelijk. Evenwicht was niet wenselijk. Evenwicht was steriel. Evenwicht was dood. Dijk wist dat niet, want Dijk had geen kinderen. 
De verteller vergelijkt de kinderen met zichzelf, met zijn vrouw, met elkaar misschien en daardoor ziet hij dat evenwicht niet het laatste woord heeft. Dat beweging inherent is aan het bestaan. Maar voor een ijker is dat wel een lastig besef. Wat blijft er nog van je werk over als de grootheden waarmee je meet niet meer vaststaan? Voor Dijk blijven de grootheden bestaan, voor Dijk blijft het absolute de maatstaf. Dat maakt hem ook tot de tragische figuur, die het uiteindelijk niet zal redden.

Mischien gaat Dijk wel daarover: over absolute en relatieve normen. Of die wel bestaan. En of het goed is die op te leggen. Over de normen die Karl Dijk zichzelf en anderen oplegt. De verteller vergelijkt zich met Dijk. En de lezer? Wat is onze norm? Streven wij naar evenwicht?

Dit soort vragen stelt Van Den Brink niet of in ieder geval niet expliciet. Dat is het mooie ervan. Dijk lijkt eenvoudig: het verhaal van een man met een bijzonder beroep. Het evenwicht, de harmonie, wordt verstoord als hij niet op zijn eigen afscheid verschijnt. Dan pas zien we dat er al lange tijd van alles aan het verschuiven was en de verteller ziet het nog weer later, als hij meer dan een jaar later koortsig thuis is en Karl Dijk maar niet uit zijn hoofd kan krijgen.

Die koorts blijft de lezer waarschijnlijk wel bespaard, maar Karl Dijk zal ook nog lang in ons hoofd blijven hangen.

donderdag 24 november 2016

Toen en nu (Annie Salomons)


Zouden er nog mensen zijn die rechtop gaan zitten bij het horen van de naam Annie Salomons? Ik vrees van niet. Nooit ontmoette ik iemand die enthousiast was over haar romans of haar gedichten. Ze verstoft in het hoekje waar ook namen te vinden zijn als Herman Robbers, Arnold Clerx, H.J. Schimmel, Noto Soeroto, den Ouden Heer Smits, Ignatia Lubeley. Het is een willekeurige greep.

Maar misschien herinnert iemand zich Herinneringen uit de oude tijd, een deel in de reeks Privé-domein (1984), een bundeling van eerder verschenen boekjes. Ik las indertijd het eerste deel, uit 1957. Ze beschrijft daarin schrijvers die ze gekend heeft. Erg leuk om te lezen. Misschien moet ik op zolder eens achter het schot kruipen om het op te duikelen en het te herlezen.

In mijn boekenkast stond al een tijdje, ongelezen, Toen en nu. Herinneringen uit een lang leven. Het is Ooievaarpocket die goed verkocht. In 1961 verscheen de eerste druk (tienduizend exemplaren) en in 1962 de tweede, in dezelfde oplage. Salomons rondde het in 1960 af, volgens de datering van het voorwoord. Zij vond toen dus al dat ze een lang leven had geleid.

In 1960 was Salomons vijfenzeventig jaar oud. Het zou nog twintig jaar duren voordat ze zou overlijden. Hopelijk heeft ze van haar oude dag genoten.

In Toen en nu begint Salomons met haar vroegste herinneringen; die aan het huis in Rotterdam waarin ze opgroeide bijvoorbeeld. Tot die herinneringen behoort dat ze op haar derde verjaardag (dat moet in 1888 geweest zijn) het topje van haar ringvinger verloor, toen haar vinger beklemd raakte tussen een klapstoel. Salomons:
M'n hand was verbonden en hing in een doek. Wekenlang kreeg ik elke dag een glas rode wijn om het bloedverlies te herstellen. 
Een andere herinnering gaat over het laatste oordeel:
Ik stelde me voor, dat er treinen zouden komen, die telkens een speciale categorie van mensen naar de eeuwigheid zouden vervoeren: een trein voor oude mensen; een trein voor blinden; een trein voor kinderen. In het station, waar al die treinen zouden komen voorrijden, was een ontastbaar lugubere sfeer. Toen ik, ruim een halve eeuw later, Verstdijk's boek "De kelner en de levenden" las, schrok ik ervan daarin diezelfde onwezenlijke gruwel te vinden, die mijn vierjarig hoofdje zozeer beangstigd had.  
In het hoofdstukje 'Wisselende wet' buigt Salomons zich over veranderde zeden en dan vooral over het uiterlijk en de mode. Toen Salomons in de zesde klas van het gymnasium zat, droeg ze een japon tot op de grond. Als het regende moest ze die rok dus ophouden, om hem niet door de modder te laten slepen.
Maar een kortere rok zou voor een volwassen meisje niet behoorlijk zijn geweest. "Trek je rok af; ik zie je enkel", was een gewone waarschuwing. Tegenwoordig neemt niemand er aanstoot aan, als de nauwe rokjes zo hoog opgetrokken zijn, dat je de knieën ziet. Ofschoon ik dit nog altijd niet mooi kan vinden.
 Over vrouwen in broeken had Salomons ook zo haar oordeel:
Het is alles betrekkelijk: een meisje dat gaat zeilen, is netter uitgerust met een broek dan met een japon. Maar het wordt natuurlijk iets anders als een Europees meisje in een broek gaat lopen, omdat ze zich verbeeldt, dat dat pikant staat. Ik pleeg daar zakelijk op te reageren: "Als 't lekker warm is, moet je het maar doen. Mooi staat het niet. Een man heeft nu eenmaal smalle heupen. Een vrouw is meestal breder gebouwd en dat komt in een broek erg uit. Maar 't nuttige gaat voor." Zo'n beschouwing werkt meestal ontnuchterend. Als je er fel tegenin ging, zou het juist boeiend en aantrekkelijk worden. 
Salomons heeft met haar man, Han van Wageningen drie jaar lang (1924 - 1927) op Sumatra (Medan) geleefd. Ze verdroeg de hitte slecht, lees ik op Wikipedia. Salomons, achteraf:
Als ik aan de jaren in dat verre land terugdenk en aan al het mooie en boeiend vreemde, dat ik daar heb mogen zien en beleven, dan voel ik me dankbaar dat ik er ben geweest. Al ben ik nóg dankbaarder, dat ik er niet heb hoeven blijven. 
Ze oordeelt mild over de Europeanen in Nederlandsch-Indië. Ze had wel grote moeite om zich aan te passen, maar ze besefte dat in de wildernis andere normen gelden dan in de geciviliseerde steden.
Dezelfde ontembare kracht, die hen tafels en borden kapot deed smijten; die hen te paard een eetzaal deed binnenrijden en met hun schoenen aan over een gedekte tafel wandelen, staalde hen ook in hun strijd met de bijna onoverkomelijke moeilijkheden van een anders geaard volk, een vijandig klimaat en ziekten zonder tal. Diezelfde kracht deed hen volharden en doorzetten, waar zwakker, voorzichtiger en misschien ook wel braver en fijner jongens de worsteling al lang hadden opgegeven.  
 In de laatste hoofdstukken besteedt Salomons aandacht aan de vijf dagen oorlog, aan het overlijden van haar man en aan de moeilijke tijd tijdens de bezetting. Ze eindigt met het hoofdstukje 'Tevreden ouderdom'.

Toen en nu is een boeiend boekje. Salomons observeert scherp. Ze kan met afstand naar haar tijd, maar ook naar zichzelf kijken. Bovendien kan ze dat prettig leesbaar opschrijven. Leuk om te lezen!

In Het vrije volk van 9 juni 1961 wordt Toen en nu besproken. 'Het laat zich heel plezierig lezen', schrijft de recensent, die fijntjes wijst op de sociale klasse waarin de schrijfster is opgegroeid:
Natuurlijk zijn de herinneringen van Annie Salomons, die het ook in haar jeugd, nu een driekwart eeuw geleden, materieel niet moeilijk heeft gehad, anders dan die van een met meer aardse zorgen gekwelde.
In De Telegraaf van 29 juli 1961 is Jan Spierdijk kritisch; hij vindt het boekje te particulier. Hij schrijft dat haar toon 'wordt bepaald door mildheid, innerlijke warmte [en] vertedering over een mooi en lang leven.'

Het spreekt hem niet aan, vooral niet wat betreft de laatste hoofdstukken. De eerste, met haar vroegste herinneringen, vindt hij beter te verteren:
Zo is "Toen en nu" dierbaar om de gloeikousjes en de blauwkousjes, om het "Toen" maar niet om het "Nu". 
Ook de recensent (B.S.) in het Algemeen Handelsblad van 21 juli 1961 is niet onverdeeld positief. Lieve herinneringen van een pittig schrijfster, vindt hij. Maar ook:
Deze herinnering[en] hebben, behoudens een enkele opmerking, welke de scherpe opmerkingsgave en het heldere inzicht, gepaard aan een verkwikkende zelfspot van de schrijfster verraadt, een al te beperkte horizon.
K.F. (Dat zal Kees Fens wel zijn), bespreekt het boekje in De Tijd/De Maasbode van 7 juli 1961. Hij is over het algemeen positief, al vindt hij Salomons wel erg openhartig, bijvoorbeeld over het overlijden van haar man.
Wie het hoofdstukje "Weduwe" nuchter benadert (...) krijgt al lezend een zekere gêne over zich, ingewijd als hij wordt in tere aangelegenheden, waarover men doorgaans onder vier betraande ogen spreekt.  
Ook met het openlijk uitgesproken godsvertrouwen van Salomons (in de latere hoofdstukken) heeft Fens moeite.

Het particuliere van Toen en nu lijkt me in deze tijd niet opmerkelijk. Blijkbaar werd daar in 1961 anders over gedacht. Volgens mij voelt niemand zich meer gegeneerd door Annie Salomons vertelt. Maar oordeelt u vooral zelf.

zondag 20 november 2016

Lezing Saskia van der Jagt


Op zondag 20 november hield Saskia van der Jagt een lezing in de Vluchtheuvelkerk in Zetten. Op 18 september had Colet van der Ven een lezing gehouden over de wortels van het kwaad. Ook Saskia van der Jagt sprak zich uit over het kwaad.

Veel mensen hebben het idee dat goed en kwaad duidelijk te scheiden en te onderscheiden zijn: goed is Lucky Luke, kwaad zijn de Daltons. Maar soms is het een kwestie van perceptie of interpretatie. Iets kan goed bedoeld zijn, maar als kwaad gezien worden.

Van der Jagt illustreerde dat met passages uit haar eigen leven: hoe er een verwijdering ontstond tussen haar en haar vader, juist op het moment dat ze hem probeerde te troosten. Voor haar had het tot gevolg dat ze een tijd lang op straat leefde.

Verder vertelde ze over de tijd dat ze in de wapenhandel zat en dat ze dat kon doen zonder zich daar schuldig over te voelen. Voor de een zijn de wapens het kwaad, voor de ander zijn de wapens nodig om zich tegen het kwaad te beschermen.

Daarover schreef Saskia van der Jagt al eerder een roman, die aanvankelijk Probeer het mortuarium heette, maar die herdrukt is onder de titel Schieten verleer ik nooit.

Goed en kwaad liggen dicht bij elkaar, volgens Van der Jagt; je raakt gauw over de grens heen. Maar je kunt ook weer terug die grens over. Het kwaad hoeft niet alleen maar een slechte naam te hebben; het veroorzaakt ook het goede. Zonder kwaad zou er bijvoorbeeld geen vergiffenis zijn.

Verder vertelde ze over het kind dat ze adopteerde. Het was ziek en zwak en ze besefte dat ze alles moest doen om het kind een goed leven te geven en een goede moeder voor haar te zijn. Dat bleek niet meer te verenigen met de wapenhandel. Het was een omslagpunt in haar leven, dat ze ook wel God of het goddelijke wil noemen.

De aanwezigen waren onder de indruk van het persoonlijke verhaal dat Saskia van der Jagt vertelde. Er werd nog lang met haar en met elkaar nagepraat.


zaterdag 19 november 2016

De gelukkige huisvrouw (Knipoog 57)


Heleen van Royen ken ik alleen van de tv en van wat er over haar geschreven is. Het lied van Dorine Wiersma, 'Stoute Heleen' heb ik beluisterd en ik heb een interview met haar gezien waarbij ze vierentwintig uur lang met een interviewer opgesloten zat. Dat was overigens een aardig gesprek, waaruit blijkt dat de schrijfster een gecompliceerde vrouw is.

Haar boeken heb ik aan mij voorbij laten gaan en nooit heb ik de aanvechting gehad die te gaan lezen. De titels ken ik wel. Bijvoorbeeld De gelukkige huisvrouw. Dat klinkt als een uitdrukking uit de jaren vijftig of zestig. Het boek is ook verfilmd en daar heb ik zelfs wel eens wat goeds over gehoord. Ook nooit bekeken.

Blijkbaar is De gelukkige huisvrouw in brede kring bekend. Ik trof in ieder geval een knipoog ernaar aan in NRC Handelsblad van november 2016. Het is een wat onhandige knipoog: 'De ongelukkige, Zweedse huisvrouw', een bespreking van Zorgen voor het gezin van de schrijfster Kristina Sandberg. De verwijzing is duidelijk, maar de kop loopt niet zo lekker.

Er is een site 'De hebberige huisvrouw' en dat allitereert tenminste. Of het ook een knipoog naar De gelukkige huisvrouw is, weet ik niet. We hadden immers, al veel eerder, ook 'de vliegende huisvrouw', Fanny Blankers-Koen (zie bijvoorbeeld hier). En in de Bijbel (Spreuken 30) komen we de deugdzame huisvrouw tegen.

Zo zullen er wel meer soorten huisvrouwen zijn. Omdat in de kop van Freriks 'ongelukkige' staat, roept dat al gauw De gelukkige huisvrouw op. Hoe gelukkig die huisvrouw in het boek van Van Royen is, weet ik niet. De huisvrouw in het boek van Sandberg, Maj is in ieder geval wel degelijk ongelukkig. Freriks spreekt van haar 'toenemende wanhoop'.  En even verder:
Ze twijfelt aan zichzelf als moeder, aan zichzelf als minnares, aan zichzelf als dochter van haar moeder. 
Niet een gelukkige huisvrouw dus. De kop die Freriks bedacht is ook niet zo'n heel gelukkige knipoog, maar die werkt wel.

vrijdag 18 november 2016

Groter dan de lucht, erger dan de zon (Daan Remmerts de Vries)


Je leest altijd te weinig. Ik lees altijd te weinig, bedoel ik. Zo had ik ooit het plan om De harpij van A.N. Ryst te lezen. Het is er nooit van gekomen. Ik typ het hier, ook om mezelf aan dat boek te herinneren. Het is een omvangrijke roman en achter het pseudoniem schuilt Daan Remmerts de Vries.

Die schrijver kan weinig kwaad doen bij mij sinds ik Godje heb gelezen. Drie jaar geleden las ik Tijgereiland. Uit wat ik er toen over schreef, blijkt dat ik daar wat minder tevreden over was. Minder ook dan wat ik mij herinner.

Intussen heb ik zijn laatste boek gelezen, Groter dan de lucht, erger dan de zon. Het was een kanshebber voor de Gouden Griffel, maar die ging naar Anna Woltz. Van haar moet ik toch ook eens wat lezen.

Maar goed, het boek van Remmerts de Vries dus. Dat gaat over een moeilijke jongen, Elmer. Hij is moeilijk voor zijn omgeving en moeilijk voor zichzelf. Hij laat bijvoorbeeld een jongen struikelen die van de trap af loopt. Dat is begrijpelijk, gezien de voorgeschiedenis, maar natuurlijk niet goed te keuren. Elmer moet van school af.

Het gezin verhuist van Heiloo naar Amersfoort, in verband met het werk van moeder en in de vakantie gaat Elmer op zomerkamp op Vlieland, waar hij zich zo goed mogelijk staande probeert te houden. Op een gegeven moment krijgt hij een klap met een soeplepel en daarna is alles anders.

Hij hoort een stem in zijn hoofd. Die stem is van een zekere Lomax. De stem spreekt hem toe. Aanvankelijk lijkt dat Elmer te helpen, maar hij krijgt er ook last van.

Het is de vraag hoe wij die stem moeten duiden. Heeft Elmer een stoornis? Is het de innerlijke stem die iedereen wel heeft, waarmee je gewoonlijk jezelf toespreekt?

Elmer komt op een nieuwe school, waar ook weer moeilijkheden opduiken. Hij is niet een willoos slachtoffer en is best bereid een daad te stellen tegenover een pestkop, zoals hij dat ook al op zijn vorige school deed. Dat brengt hem in de problemen.

Samen met zijn moeder gaat hij terug naar Vlieland. Intussen heeft hij waan- en dwanggedachten ontwikkeld, die zijn leven ernstig bemoeilijken. Zo is hij ervan overtuigd dat hij zich onzichtbaar kan maken. Ook weet hij zeker dat hij slecht is:
En ik, ik was slecht. Ik had begrepen dat ik er niet van kon vluchten, ook niet hier, dat ik me er niet voor zou kunnen verbergen, nergens, omdat het iets was wat in me zat; zolang ik leefde zou ik een gevaar zijn voor de mensen om me heen.
En daarmee was mijn slechtheid overal; ik zou er nooit aan kunnen ontsnappen. Daarmee was het groter nog dan de bedrieglijke lucht en erger dan de spiedende zon. 
Uiteindelijk gaat hij de strijd aan met de stemmen in zijn hoofd. Dat is eigenlijk niet de goede uitdrukking. Hij begrijpt dat je niet altijd hoeft te strijden en dat je niet op alle vragen antwoorden hoeft te vinden. Sommige vragen zijn antwoorden, leert hij van Arri, een jongen met wie hij vriendschap sluit.

Je kunt je afvragen of Arri van een andere orde is dan Lomax. Waarschijnlijk bestaat Arri wel in de werkelijkheid, maar hij is naast de stem van Lomax ook een tegenstem.

Ik vond Groter dan de lucht, erger dan de zon wel een mooi boek. Je kunt goed meeleven met Elmer, zonder dat nu tot in detail uitgelegd hoeft te worden wat er met hem aan de hand is. Elmer is een interessant personage, slachtoffer en dader tegelijk.

Net als in Tijgereiland is er een soort doorbraak in de verhouding met de moeder. Hoe liefdevol de ouders van Elmer ook zijn, meestal praten ze niet echt met hem. Dat gaat uiteindelijk toch gebeuren.

Ook in dit boek speelt Remmerts de Vries met de vorm; het tweede deel is in dagboekvorm geschreven. Ook het eerste en het derde deel zijn in de ik-vorm geschreven, maar niet in de dagboekvorm. Eerlijk gezegd heb ik niet het idee dat dat veel verschil maakt. In Tijgereiland haalde ingrijpen in de vorm (overstappen naar de hij-vorm) ook niet veel uit.

De kracht van Remmerts de Vries zit in andere zaken. Hij kan ons dicht bij een personage laten komen, in welke situatie die ook is. Remmerts de Vries heeft mededogen met zijn personages, maar hij laat ook zien dat er een kracht in hen schuilt, waarmee ze hun problemen tegemoet kunnen treden. Daar kunnen veel lezers moed uit putten.

donderdag 17 november 2016

Uit het leven van Dik Trom (Knipoog 56)



Ach, de boeken van je jeugd! Arendsoog, Pietje Bell, Buffalo Bill, de reeks over Biggles, Paddeltje, enkele deeltjes over de Kameleon - ik kan de passages zo weer voor me halen. En Dik Trom?

Dik Trom heb ik wel gelezen, maar pas later, toen ik er eigenlijk al te groot voor was. De boeken over Dik Trom waren volgens mij niet bij ons in huis. Of zou mijn kleine broertje ze gehad hebben? Voor zover ik weet, leende ik een deel van een neefje.

De boeken van Dik Trom zijn legendarisch. Niet omdat ze zo goed zijn. Een echte verhaallijn is er bijvoorbeeld nauwelijks in te ontdekken, maar in de boeken over Pietje Bell en de Kameleon is hetzelfde het geval. Dik Trom was, zeker toen het boek verscheen, wel verfrissend: geen modelfiguur, maar een echt kind. Een jongen met een goed hart, een rijk gevoel voor humor en een onverschrokkenheid bij onverwachte situaties. Veel kinderen, jongens vooral, hebben gesmuld van zijn avonturen.

Vooral het beeld van Dik die achterstevoren op een ezel zit, zal iedereen bijstaan, ook als hij het boek niet gelezen heeft. Volgens mij heeft die afbeelding vaak of misschien wel altijd op de voorkant gestaan van Uit het leven van Dik Trom.

Er zijn ook verschillende sculpturen gemaakt van Dik Trom op de ezel. Een ervan staat in Hoofddorp. Een foto ervan vond ik bij het bericht over een Dik-Trom-app.

Naast het beeld van Dik op de ezel is er een zinnetje beroemd geworden: 'Het is een bijzonder kind, dat is-ie!' Een uitspraak van vader Trom, die maar niet echt boos kon worden op zijn kind. Wie dat wil nalezen, leze de originele tekst op DBNL.

Honderdvijfentwintig jaar na de eerste uitgave is Uit het leven van Dik Trom opnieuw uitgegeven door uitgeverij Kluitman. Het Reformatorisch Dagblad besteedt er aandacht aan. Janneke de Jong zet boven haar artikel: 'Een bijzonder boek, dat is het', waarmee ze duidelijk knipoogt naar de uitspraak van vader Trom.

Er blijken veel van dit soort knipogen te zijn. 'Iets is bijzonder, dat is het' of 'Iets is bijzonder en dat is het'. Die 'en' sluipt er gemakkelijk tussen, omdat die de zin soms wat ritmischer maakt.

Enkele voorbeelden: een bijzonder schooltje (het schoolgebouwtje van Etersheim), een bijzondere methode (EMDR); een bijzonder bouwwerk (nationaal paleis van Pena); een bijzonder fonds (het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten), een bijzondere jongen (naar aanleiding van Schooldagen van Coetzee); een bijzondere filmmaker (Henk van der Linden, de verfilmer van Pietje Bell, vreemd genoeg); een bijzonder wijkje (Heksenberg); een bijzonder hotel (Hotel Kunturwassi Colca en ook een hotel in Wolvega); een bijzonder merk (Saab); een bijzonder mens (Fred Rutten); een bijzonder bos (in Kolham); een bijzonder dorp (Westkapelle); een bijzondere bridger (Bob Drijver); een bijzondere zitzak. De lijst kan met gemak langer gemaakt worden.

Het lijkt me te bewijzen dat Dik Trom, of in ieder geval het zinnetje uit het boek, nog springlevend is. En dat na honderdvijfentwintig jaar! Terecht dus dat Janneke de Jong schrijft: 'Een bijzonder boek, dat is het'.