zondag 21 augustus 2016

Zomerhuis met zwembad (Herman Koch)

Weer een oude recensie die ik hier nog niet heb laten lezen. Ooit gepubliceerd in het Nederlands Dagblad.

Een dokter is ook maar een mens

Sinds Het diner is Herman Koch een auteur voor het grote publiek geworden. Het lijkt erop dat de auteur zich dat net iets te veel bewust is geweest toen hij Zomerhuis met zwembad schreef.

Herman Koch was al jarenlang een auteur die mooie boeken schreef als Red ons, Maria Montanelli en Denken aan Bruce Kennedy, toen hij overstapte naar een andere uitgever, die op een andere manier de publiciteit zocht. Het gevolg was een daverend succes voor Het diner.

Het boek heeft ongetwijfeld een lichte kant: de sneren naar de restaurantwereld, waarmee veel lezers zich geamuseerd zullen hebben. Maar er is ook een ernstiger ondertoon in het verhaal van twee paar ouders wier kinderen ver over de schreef zijn gegaan. Wat doe je dan? Kies je voor het recht of voor je kind? Of kies je voor je kind doordat je voor het recht kiest?

Ook in Zomerhuis met zwembad komt zo’n dilemma voor: een arts wordt ervan verdacht dat hij de dood van een patiënt veroorzaakt heeft. Niet door nalatigheid of door een verkeerde beoordeling, maar misschien wel met opzet. Moet je als arts altijd gewoon goed je beroep uitoefenen of is het soms begrijpelijk dat je woede je handelen bepaalt en niet je professionaliteit?

Koch is iemand die prima een plot in elkaar kan schroeven en mij past dan ook enige terughoudendheid in het weergeven van de inhoud. Aan het eind van het boek is in ieder geval duidelijk wat de arts gedaan heeft bij zijn patiënt Ralph Meier en waarom.

We leven met de arts Marc Schlosser mee, volgen zijn gedachtegang en proberen hem ook gevoelsmatig te volgen. Maar minder dan in Het diner vragen we ons af wat wij in een dergelijke situatie zouden doen. Waarschijnlijk doordat de arts zich dat ook nauwelijks afvraagt. Hij doet gewoon wat hij meent te moeten doen. Van een moreel dilemma lijkt eigenlijk geen sprake.

Veel meer dan een boek dat prikt in de gezapigheid van de lezer is Zomerhuis met zwembad een spannend boek dat vooral ook niet veel meer lijkt te willen zijn dan dat. Een boek waarin je wel door moet lezen, omdat je nu eenmaal wilt weten wat er gebeurd is aan het strand op de avond waarom het allemaal draait, de avond van het vuurwerk. Maar als je dat weet, heb je het boek ook wel uit.

Zomerhuis met zwembad houdt de drempel laag, misschien wel omdat de auteur zich aldoor ervan bewust geweest is dat het de bedoeling is dat honderdduizenden zonder struikelen over die drempel moeten kunnen stappen.

Ook dan kun je nog best zeggen dat deze roman knap in elkaar zit, dat je het boek met plezier gelezen hebt, dat Koch goed kan schrijven. Ik heb absoluut geen bezwaar tegen het spannende of tegen het amuserende en vind dat een kwaliteit van het boek, maar wel mis ik wat. Iets wat meer is dan een verhaal, iets wat mij aan het denken zet over het boek en misschien wel over mezelf. Dat gebeurt niet in Zomerhuis met zwembad.

Misschien komt dat doordat de personages allemaal toch net te ver van me af staan. Ze doen me denken aan een stripverhaal dat er op het eerste gezicht realistisch uitziet, maar waarbij de karikatuur altijd op de loer ligt.

Net als Het diner, heeft deze roman zijn satirische kanten. Vooral in het begin, als de hoofdpersoon duidelijk laat merken hoe verveeld hij is door al die kwaaltjes van zijn interessante patiënten: ‘Ik plaats de stethoscoop op hun borst, en daarna op hun rug. Even diep ademhalen, zeg ik. Rustig uitademen. Ik luister niet echt. Ik probeer althans niet echt te luisteren. Vanbinnen klinken alle menselijke lichamen hetzelfde.’

Verder herkennen we uit het vorige boek wat de band met hun kind met ouders kan doen en uit Red ons, Maria Montanelli de overgevoeligheid voor het gepruts aan ogen. De een zal zeggen dat Koch zijn eigen werk herkauwt, maar je kunt ook zeggen dat hij zichzelf trouw blijft.

Wie Zomerhuis met zwembad dichtslaat, zal moeten erkennen dat het boek goed in elkaar zit en zo’n boek is altijd welkom in de literatuur. Maar stiekem had ik wat meer verwacht.


Dat is wat ik indertijd schreef. Nu ik het herlezen heb, snap ik dat ik, terecht of niet, nooit begonnen ben aan Geachte heer M. Ik heb het idee dat dat boek minder verkocht is dan de twee ervoor. In ieder geval wordt het minder gelezen door leerlingen. Ik kom het eigenlijk nooit tegen op boekenlijsten. 

zaterdag 20 augustus 2016

Nest (Sanneke van Hassel)


Bij het struinen in mijn computer kom ik af en toe een zwerftekst tegen: een oude recensie, die nog niet op deze plaats gepubliceerd is. Onderstaande recensie verscheen, in 2010 neem ik aan, in het Nederlands Dagblad.

Bij mijn leerlingen (vooral bij de meisjes) is Nest enkele jaren populair geweest voor de boekenlijst. Intussen is dat wat afgezakt.

Geen vuiltje aan de lucht in Schoonoord


Julia van Wees is zestien. En zwanger. Na vijf maanden vertelt ze het haar ouders, die meteen aan het redderen slaan. Wat Julia daarvan vindt, is blijkbaar niet zo belangrijk.

Het gezin Van Hees woont in Schoonoord, een wijk waar alleen mensen uit de betere kringen zich hebben gevestigd. Een wijk waar, naar de naam de oordelen, geen vuiltje aan de lucht is en die schijn moet vooral opgehouden worden.

In haar eerste roman, Nest, geeft Sanneke van Hassel niet alleen een scherp beeld van het nest waarin Julia opgroeit, maar ook van de boom waarin dat nest zich bevindt: de wijk, het milieu. Mensen die het materieel gezien goed hebben, maar verder van alles tekortkomen. Mensen die alles kunnen regelen, maar niet echt contact met elkaar kunnen maken.

Van Hassel schreef eerder de verhalenbundels IJsregen (2005) en Wite Veder (2007). Daarin staan prachtige verhalen, sober van stijl. In Nest maakt Van Hassel gebruikt van de techniek van het verhalen schrijven: ze bouwde het boek op uit bijzonder korte hoofdstukjes. De meeste tellen maar drie of vier bladzijden.

Het perspectief verschuift per hoofdstukje: vader Heppe, moeder Belia, zus Malou, maar ook de bevriende arts, een trompettist die in dezelfde straat woont en een tante (mevrouw P.J.M. barones van der Does de Willevoorde). Julia komt aanvankelijk niet aan het woord. Pas aan het eind van het boek lezen we, in het langste hoofdstuk, wat zij ervaart. Om des plots wille kan daar op deze plaats verder weinig van gezegd worden.

De opbouw van Nest is bijzonder effectief. Eigenlijk staat Julia buitenspel. Iedereen cirkelt om haar heen en heeft zo zijn eigen problemen en zijn eigen gedachten over wat er aan de hand is. Julia staat er eigenlijk alleen voor. Omdat het perspectief niet naar Julia verschuift, kunnen wij als lezer ons ook niet met haar bemoeien: we komen niet dichter bij haar.

Een boek met zoveel buitenkantmensen kan gemakkelijk satirisch worden. Voor je het weet is het niet meer dan het neerhalen van een façade. Daar heeft Van Hassel niet voor gekozen. Als lezer krijg je af en toe toch ook mededogen met deze mensen en hun lege levens.

Dat er meer is dan je laten zien op de juiste bijeenkomsten, blijkt bijvoorbeeld uit het verhaal van de trompettist die optreedt op een benefietconcert. Hij legt zijn ziel en zaligheid in zijn spel, maar dat pikt het publiek nauwelijks op. Alleen Malou, Julia’s zus, blijkt wel goed geluisterd te hebben: 
Het waren niet echt liedjes of zo, maar ik vond het wel heftig... Het was alsof je jezelf binnenstebuiten keerde. Allemaal stukjes van de wereld om je heen. Hoe je af en toe denkt iets te snappen van wat er gebeurt, of je ontmoet iemand en denkt: die hoort de dingen hetzelfde als ik. Die ziet wat ik zie. Maar dan is het weer verdwenen, uit je handen geglipt, dan sta je weer in je eentje en weet niet welke kant je op moet.
Malou is ook degene die scherp ziet hoe het er in haar gezin aan toe gaat: ‘Hier wordt alleen tegen je gezegd hoe je je hoort te gedragen, of hoe je je niet hoort te gedragen – eigenlijk vooral dat laatste.’

Het is lastig om bij het schetsen van oppervlakkige levens zelf niet oppervlakkig te worden. Het is Van Hassel gelukt om niet te vallen in die valkuil. Weliswaar is Nest niet een ‘diep’ boek geworden, maar de zere plekken die Van Hassel vluchtig aanraakt blijven ook nog schrijnen als je het boek uit hebt.


(In 2012 verscheen van Van Hassel de verhalenbundel 2012. Daarover schreef ik hier)

dinsdag 16 augustus 2016

Art. 285b (Christiaan Weijts)


Bijna vier jaar geleden plaatste ik Euforie van Christiaan Weijts op het lijstje 'De beste romans van 2012 (die ik niet gelezen heb)'. Intussen heb ik meer dan de helft van de boeken op dat lijstje gelezen, maar het boek van Weijts nog niet. In de zomervakantie las ik wel Weijts' romandebuut, waarmee hij meteen doorbrak, Artikel 285 b. (2006).

Hoofdpersoon is Sebastiaan Steijn, een pianist van 25, die zijn leven niet helemaal op orde heeft. Hij heeft wel een zekere structuur om zich aan vast te houden: hij geeft pianolessen en speelt als achtergrondpianist in een restaurant. Maar zijn financiën zijn een rommeltje (hoewel of misschien wel doordat hij geregeld uitstapjes naar het buitenland maakt) en zijn huis is dat eigenlijk ook.

Sebastiaan wordt op zekere dag aangeklaagd op grond van artikel 285b. In zijn geval betekent dat: stalking. Hij heeft zijn ex-vriendin Victoria Fabers belaagd met telefoonoproepen en berichten. De ontwikkelingen in deze verhaallijn zijn steeds verteld in de ik-vorm.

Daartussendoor wordt verteld hoe het zover heeft kunnen komen. Daarbij wordt Sebastiaan steeds aangeduid als 'verdachte'. Je zou die delen kunnen zien als een onderzoeksrapport, maar ook als de verdediging van Sebastiaan.

Victoria Fabers is studente aan de dansopleiding. Ze verdient bij als danseres in een stripteaseclub. Daar ontmoet Sebastiaan haar. Ze komen in een relatie terecht. Victoria heeft al met tientallen mannen het bed gedeeld, maar met Sebastiaan komt het daar niet van, omdat zij een heel ander soort relatie hebben, volgens Victoria. Dat gegeven deed mij denken aan Vals licht (1991) van Joost Zwagerman, waarin de hoofdpersoon verliefd wordt op een prostituee, die ook niet met hem naar bed gaat.

Victoria is grillig, wat haar onvoorspelbaar maakt. Weijts karakteriseert haar verder door haar taalgebruik. Een voorbeeld:
Ze draaide zich om en zei: 'Oké, we kutten er niet meer over. En help me even met inkopen doen voor als die chicks hier straks komen chillen. Die piano is trouwens een afdankertje van een tante van Anne. Maar als hij gestemd is, is hij echt vet de koning weet je wel.'
Modieus en dus clichématig taalgebruik, aan de platte kant. Heel intelligent komt de spreekster niet over, wat niet zo lijkt te kloppen met haar gedrag.

Sebastiaan Steijn knoopt daarnaast een relatie aan met een op dat moment vijftienjarige Italiaanse leerlinge, Rosa. Met haar speelt hij Scarlatti. Zowel de relatie met Victoria als die met Rosa hebben een obsessionele kant.

Door alles heen loopt de muziek. Gezien zijn beroep is Sebastiaan veel met muziek bezig, maar door Rosa raakt hij ook gefascineerd door de muziek van Scarlatti. Hij komt tot een theorie die het ontstaan van sonates van Scarlatti moet verklaren.

De gedeelten in Art 285b die over muziek gaan, zijn heerlijk. Niet alleen zit Weijts vol met leuke anekdoten uit de muziekgeschiedenis, maar hij kan bovendien over een muziekstuk of het spelen daarvan fascinerend vertellen. Op het gebied van klassieke muziek ben ik een leek, maar deze passages heb met veel plezier gelezen.

Een hoogtepunt in het boek is de passage waarin Steijn Scarlatti speelt voor publiek, terwijl hij denkt aan Victoria. Zijn spel gaat over in improvisatie, waarin veel Liszt verwerkt is. De muziek en zijn gedachten zwepen elkaar op. De roes die dat veroorzaakt is prachtig beschreven.

De muziek verbindt Steijn uiteraard met Rosa, met wie hij samen speelt, maar ook met Victoria, die hij wel eens op de piano begeleidt als zij oefent voor een dansvoorstelling. Het bespelen van een piano en het liefdesspel zijn al vaker met elkaar vergeleken en ook daarnaar verwijst Weijts. Verschillende keren vertelt hij hoe Beethoven eerst zijn handen over de toetsen liet gaan voordat hij ging spelen:
Wist je dat Beethoven altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon? Daar is wel wat voor te zeggen. Zoals: het klavier ligt voor je, languit, als een vrouw, onder de dunste zijde. Met je palmen glijd je over het landschap van haar ribben en wrijf je de naakte huid tevoorschijn. Je voelt de randen van de toetsen, je hoort het doffe geratel waarmee ze terugvallen, een voor een.
Niet voor niets is het eerste wat Victoria van Sebastiaan vraagt haar te vingeren, of zo je wilt, haar te bespelen.

Art. 285b heb ik geboeid gelezen, al heeft het boek me niet op alle momenten overtuigd. Als de relatie tussen Rosa en Sebastiaan uit is, lijkt ze wel erg snel uit zijn gedachten te verdwijnen. Pas later in het boek duikt ze weer op.

Het slot van het boek, waarin Sebastiaan zich vrij moet pleiten van de beschuldigingen, is aardig maar ook niet meer dan dat. Erg verrassend is het niet.

De hele roman draait om de aangifte die Victoria gedaan heeft tegen Steijn. Maar waarom ze aangifte deed, wordt nauwelijks duidelijk. Ze heeft al meer verknipte ex-vriendjes, tegen wie ze, voor zover we weten, nooit aangifte heeft gedaan. Waarom ze nu wel deze stap zet, wordt niet aannemelijk gemaakt.

Het zijn smetjes, maar het boek blijft voor de rest aardig overeind. Ik snap dan ook wel dat Art. 285b veel waardering heeft gekregen. Weijts kreeg voor het boek de Anton Wachterprijs en werd genomineerd voor de AKO-prijs en De Gouden Uil.


Hier reageer ik op een column van Weijts.

maandag 15 augustus 2016

De maagd Marino (Yves Petry)


In mijn jeugd zeiden predikanten wel eens over mensen: ‘sprekende nadat zij gestorven zijn’. Het ging dan over overleden dominees van wie preken gelezen konden worden. Volgens mij hoorde daar ook de term ‘overjarig koren’ bij.

Ook in de literatuur zijn er personages die spreken nadat zij gestorven zijn, in romans die zich afspelen in het hiernamaals. Een man van horen zeggen (1984) bijvoorbeeld, van Willem Jan Otten. De hoofdpersoon is overleden hij bestaat nog voor zover hij herinnerd wordt. Langzaam zie je hem inkrimpen tot een anekdote die een ober elk jaar nog vertelt.

Mij schiet ook Een gouden beker (1982) van Alfred Kossmann te binnen. En De trein der traagheid  (1950) van Johan Daisne verkent het grensgebied tussen leven en dood.

Ook in De maagd Marino (2010) is er een overleden verteller, al zit het hier wel wat ingewikkelder. Yves Petry vernam dat een man zijn vriend gedood had, op diens verzoek, diens penis en enkele smakelijke delen had afgesneden en die vervolgens had opgegeten. Je kunt dat zien als een gruweldaad, wat het natuurlijk ook is, maar misschien ook wel als een daad van liefde. Hij schreef deze roman om weer te geven hoe het gegaan kon zijn; hoe het zover kon komen.

Marino Mund is jongeman met een weinig spectaculair leven. Hij heeft een winkeltje, vooral omdat zijn moeder dat wil. Hij komt in contact met de klant Bruno Klaus. Uiteindelijk zal hij Bruno op diens verzoek doden.

Meteen in het begin wordt de dood van Bruno al beschreven. Daarna krijgen we de ontwikkelingen die volgen (Marino wordt natuurlijk opgepakt), maar vooral ook wat er aan vooraf gegaan is. De verteller is de overleden Bruno, maar het is Marino die de aantekeningen maakt. Bruno zet hem tot die aantekeningen aan.
Tenslotte ben ik niet meer dan een elektromagnetische siddering die door Marino’s hersenlobben woelt op zoek naar de woorden die hopelijk recht zullen doen aan de ware aard van onze verhouding.
Marino maakt de aantekeningen, maar daarbij is de stem van Bruno wel heel erg bepalend. Marino lijkt niet meer dan een doorgeefluik te zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit deze passage:
Ik haast me hieraan toe te voegen dat ik degene ben, en niet Marino, die de hoogtepunten waartoe zijn stille talent hem soms voert probeert te benaderen met deze armzalige overdrijvingen. Ik heb me inderdaad wat laten gaan. Ik ben nu eenmaal Marino niet. Hijzelf heeft het nooit op die manier omschreven.
De ik, Bruno, corrigeert zichzelf soms: Ik beschrijf deze toch alleen maar – ik laat Marino deze tocht alleen maar beschrijven – om te kunnen aankomen bij het eindpunt ervan.

Bruno zegt dat hij Marino heeft gedwongen tot het gebruiken van de ik-vorm. ‘Als ik genoegen had genomen met de hij-vorm, had ik net zo goed in leven kunnen blijven.’

Bruno is dwingend aanwezig in het hoofd van Marino, maar Marino heeft zelf ook een bedoeling met de aantekeningen:
Hoe overtuigender hij onze geschiedenis onder woorden zal kunnen brengen, des te onwerkelijker zal ze worden. Hoe betekenisvoller ze zal lijken, des te fictiever ze zal zijn. Hoe meer hij erin zal slagen mij tot een volwaardig personage te reduceren, des te minder zal ik wegen als de herinnering aan een bestaand persoon. Hoe levendiger dit verhaal wordt, des te scherper zal het zich onderscheiden van het echte leven. Hoe meer het in fictie is omgezet, des te minder zal het tot de feiten behoren. En aan het eind zal het dan misschien wel zijn alsof er helemaal niets is gebeurd…
Wie een roman leest, accepteert de werkelijkheid daarin, maar tegelijkertijd weet hij dat een roman is. De Revisorauteurs hebben indertijd veel met dat gegeven gespeeld. Een goed voorbeeld daarvan is Letter en geest (1982) van Frans Kellendonk, waarin Felix Mandaat niet tot de liefde kan komen, omdat hij geen mens maar een personage is, die in de punt na de laatste zin (die overigens ontbreekt) verdwijnt. Als het boek uit is, bestaat het personage niet meer.

Binnen de werkelijkheid van de roman De maagd Marino vertelt Marino wat hij meegemaakt heeft zodanig dat het een verhaal wordt, wat het voor de lezer natuurlijk al is. Petry speelt hierin een mooi spel met werkelijkheid en verbeelding.

Dat past ook goed bij wat Bruno overkomen is. Hij gaf college over hoogtepunten van de literatuur, maar van de ene op de andere dag kon hij dat niet meer op een geloofwaardige manier doen. Heeft het literaire werk uit zichzelf kracht, of ontleent het die kracht aan de verbeelding van de lezer?

Bruno:
Ik zag in dat de kracht waarmee ze me zo vaak hadden weten te verbluffen gewoonweg de mijne was. Hun meesterschap was het die deze sluimerende kracht had weten op te spannen tot een boog van woorden. Maar zonder mijn geesteskracht zouden hun woorden niets te betekenen hebben gehad. Dat was niet pretentieus bedoeld. Het hield veeleer de erkenning in van het feit dat mijn literaire potentie op haar beurt niets te betekenen had zonder hun meesterschap. Wat voor kracht of gevoeligheid ik ook bezat, alleen in de handen van een ander kwam die tot haar recht.
Marino maakt dus de aantekeningen, Bruno is de drijvende kracht. Zo krijgen we de werkelijke gebeurtenissen te horen. Of krijgen we een andere versie, een ander verhaal? Of is de werkelijkheid ook maar een verhaal? Bruno smeekt Marino aan het eind van het boek om de pagina’s niet te wissen: ‘Ik ben meer gesteld op deze Bruno dan op de Bruno die ik speelde toen ik zelf nog Bruno was.’

De maagd Marino is een heerlijk spel met verhaal en werkelijkheid, of met verschillende verhalen, of met verschillende werkelijkheden. Daarbij komt dat het geschreven is in een uitstekende stijl, die uitnodigt tot citeren. Enkele voorbeelden:
Ook was ik nooit zo dol geweest op beharing die uit hemdsmouwen kwam gespoten en doorliep tot aan de vingerkootjes, of van borsthaar dat uit de halsopening van een hemd omhoogwoekerde tot waar de raspende zone van de baardgroei begon.
De verkeersdrukte leek al zijn aandacht op te eisen. Hij hing met zijn hoofd boven het stuur, de bestuurdersruimte vullend als een reusachtige sprinkhaan met half toegevouwen ledematen.
Die stijl zorgt ervoor dat je verder wilt lezen. De plot is in het begin al verklapt, zou je kunnen zeggen, maar er blijven dan nog genoeg vragen over die het lezen gang geven. Bijvoorbeeld hoe Marino en Bruno met elkaar in contact gekomen zijn en hoe Marino uiteindelijk opgepakt is.

Steeds als ik een goed boek gelezen heb, vraag ik me af waarom ik niet meer van de auteur gelezen heb. Nooit eerder las ik iets van Yves Petri. Van Peter Terrin las ik alleen Post Mortem, van Annelies Verbeke twee boeken, waaronder het topboek Dertig dagen, van Saskia de Coster alleen Held. Ik heb nog heel wat Vlaams werk te gaan. Nu de tijd nog vinden.


donderdag 4 augustus 2016

Ik verbind u door (Vonne van der Meer)

Er is een mechanisme in mijn leesgedrag dat ik zelf niet helemaal snap. Al verschillende keren is het gebeurd dat ik van een schrijver zo'n beetje alles lees en dan ineens stopt het, terwijl ik de schrijver nog wel waardeer. In de boekhandel valt mijn keuze dan net niet op een boek van de betreffende auteur.

Dat is bijvoorbeeld gebeurd bij Vonne van der Meer. Haar vroege werk heb ik gelezen. Ik genoot van haar verhalenbundels en romans. Alleen het toneelstuk Weiger nooit een dans (1996) en de verzamelbundel De verhalen (1997) sloeg ik over. Tot en met de drie eilandboeken (1999, 2001, 2002) las ik alles. En daarna hield het zo'n beetje op.

In 2012 las ik Zondagavond. Daarover schreef ik hier. Ik nam me voor meer van Van der Meer te lezen, maar bijna vierenhalf jaar lang kwam daar niets van. Tijd om iets goed te maken. Ik begin met Ik verbind u door, uit 2004, de eerste roman na de eilandboeken.

De insteek van de roman is origineel. Een man (Berend) wil 's ochtends vrijen met zijn vrouw (Edith), maar voordat de vrijpartij goed op gang kan komen, herinnert zij zich een vervelende uitspraak van iemand, kort daarvoor. Om met Paaltjens te spreken: 'In een wip was de lust / Om te vrijen gebluscht', waarop de man wrevelig reageert.

Zijn stemming is voor die dag verpest en die ontstemdheid wordt doorgegeven van de een naar de ander. Soms wordt er ook iets goedgemaakt, maar de rode lijn is het doorgeven van een onaangenaam gevoel. Uiteindelijk loopt dat zelfs uit op een moord. Dat is misschien een spoiler, maar ik ga ervan uit dat na twaalf jaar er al zoveel uittreksels in omloop zijn dat ik niet al te scrupuleus hoef te zijn in dezen.

Boven het verhaal zweeft een 'ik', van wie ik aanvankelijk dacht dat het de schrijfster was, die nieuwsgierig kijkt naar hoe haar personages zich gaan gedragen. Het blijkt echter om een engel te gaan, die steeds duidelijker laat merken dat hij/zij een engel is: 'Mijn pennen begonnen te trillen, mijn veren ruisten.'

De engel ziet toe op de personages en hoopt dat ze het kwaad, dat maar voortwoekert, om zullen weten te smeden tot iets goeds. Hoe dramatisch die lijn van het kwaad ook eindigt, uiteindelijk is er toch een wending ten goede. Zoals de engel zegt:
Een moord kan nooit het laatste woord zijn, is nooit het einde, eerder een begin. Maar het begin van wat? Van een nieuw verhaal, van weer zo'n keten van kleine en grote wreedheden, of van iets anders?
Het blijkt de aanzet tot iets positiefs te zijn, zelfs voor de moordenaar. En aan het slot van het boek zwaait de camera terug naar Berend en Edith, die goedmaken wat er in de ochtend fout is gegaan.

Van der Meer heeft met Ik verbind u door waarschijnlijk de weg van het kwaad willen laten zien: hoe een kleinigheid kan uitgroeien tot iets groots. Hierbij noemt ze de onvermijdelijke vlinder die met een vleugelslag een tornado veroorzaakt, maar van het oude vrouwtje dat de woorden in de mond gelegd krijgt, kan ik dat nog wel hebben.

Die weg van het kwaad wordt halverwege het boek nog eens beschreven:
Dan baande het venijn zich een weg, woekerde voort, vertakte zich razendsnel, alle kanten uit en tot ver over de landsgrenzen, onzichtbaar voor een mensenoog. Alleen het oog dat iedere ziel peilt en alle zielen tegelijk, kan nog volgen waar naartoe, naar wie het venijn stroomt, bij wie het binnensluipt, als het tenminste niet verblind wordt door tranen.
Dat oog dat iedere ziel peilt, is in deze roman dat van de engel. Maar Van der Meer wil blijkbaar ook laten zien dat het kwaad niet het laatste woord heeft en dat er een sterke tegenkracht is, hoewel die niet alle gevolgen van het kwaad weg kan nemen.

Vonne van der Meer is een schrijfster die haar vak verstaat: ze kan goed verhoudingen tussen mensen beschrijven. Een enkele opmerking kan de stemming al veranderen. Dat doet ze geloofwaardig. Ze beschrijft dat soort situaties subtiel en vaak heeft ze daar niet eens zoveel woorden voor nodig.

Maar er is ook best wat op Ik verbind u door aan te merken. Doordat het boek de opzet heeft van een estafette, lijkt het alsof de oorzaak van het gedrag van mensen vooral ligt buiten hen. Iemand doet vervelend omdat een ander persoon vervelend tegen hem gedaan heeft. Die versimpeling zal de schrijfster niet helemaal voor haar rekening willen nemen, maar de opzet van het boek nodigt daar wel toe uit.

Voor de compositie van het boek had Van der Meer dat natuurlijk ook nodig. Je kunt het niet gebruiken dat er halverwege een personage verschijnt dat na een chagrijnige opmerking, 'Stik!' zegt en zijn schouders ophaalt.

Dat het boek zo positief eindigt, vond ik ook niet geloofwaardig. Wel wat Berend en Edith betreft, maar dat de moordenaar liefdevol een kopje koffie aangeboden krijgt, vond ik wel sterk. Ik had het idee dat er blijkbaar iets positiefs moest komen. Van der Meer vindt dat het kwaad niet het laatste woord mag hebben en dat is een mooi ideaal, maar de vraag is hoe realistisch dat is.

Ik verbind u door is een aardige roman, maar ook niet zo heel veel meer dan dat. Het boek zal mijn boekenkast niet halen. Intussen heb ik wel Winter in Gloster Huis in huis gehaald. Daarover later.

dinsdag 19 juli 2016

Meisjesboeken van weleer (Kristine Goedhart)



Als je, zoals ik, al half bejaard bent, lijkt de wereld van vroeger overzichtelijk. Dat komt natuurlijk doordat je indertijd nog een kind was, met een beperkte blik en met minder verantwoordelijkheden. Ook bij de keuze van boeken was er helderheid. Jongens lazen jongensboeken en meisjes hadden hun eigen boeken. Ik hield indertijd erg van de boeken van Arendsoog en meer nog van die over Buffalo Bill. Bij strips las ik de Sjors of de Pep, maar ook wel de Tina. Die was natuurlijk voor meisjes, maar ik las domweg alle strips die ik te pakken kon krijgen.

Kristine Goedhart schreef het boek Meisjesboeken van weleer en het onderwerp trok mij meteen aan. Weliswaar was ik een jongensboekenlezer, maar in de loop van de jaren glipte daar ook wel eens een meisjesboek tussendoor. School-idyllen bijvoorbeeld, Rekel, van Cissy van Marxveldt en zelfs Goud-Elsje (maar dat was een opdracht bij een college over serieboeken).

Toen ik in 1980 begon met lesgeven op een mavo, bemoeide ik me ook met de schoolbibliotheek. Daarin stond van alles: niet alleen literatuur, maar ook informatieve boeken, strips, jeugdboeken. Daar waren heel wat meisjesboeken bij, die zo veel gelezen werden, dat ze in de eerste week van de vakantie gerepareerd moesten worden. Dan zat ik te plakken aan Zet hem op, Claudia! (Cok Grashoff), aan Merel bewaart een geheim (Anneke Bloemen) of een deeltje van de Olijke Tweeling (Arja Peters). Al bij het doorbladeren van het boek van Goedhart, zag ik veel bekende titels voorbijkomen.

Goedhart geeft geen verhandeling over het meisjesboek en ze houdt niet een chronologische volgorde aan. Nou ja, er zit wel chronologie in haar boek, maar die betreft haar eigen leesgeschiedenis: ze bespreekt eerst de boeken die ze op jonge leeftijd las en daarna de boeken die ze later tot zich nam.

Aan het begin van de geschiedenis van de meisjesboeken plaatst Goedhart De historie van mejuffouw Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken. Daar is best iets voor te zeggen. Later in haar boek laat ze zich ontvallen dat Beatrijs en Mariken van Nieumeghen ook meisjesboeken zijn, en dat lijkt me niet terecht. Weliswaar speelt een jonge vrouw, respectievelijk een meisje een hoofdrol in deze werken, maar het beoogde publiek bestond zeker niet in de eerste plaats uit meisjes.

In de loop van Meisjesboeken van weleer passeren heel wat boeken de revue. Er is ook een subgenre, de kostschoolverhalen, dat Goedhart zelf beoefent. Ik ken dat soort verhalen vooral uit Tina.

De boeken over Rozemarijntje (W.G. van de Hulst) heb ik nooit als meisjesboeken gezien, net zo min als Afke’s tiental of Pippi Langkous. Andere boeken van Van de Hulst (Gerdientje, Anneke en de sik, Van drie domme zusjes) noemt Goedhart niet. Zij neemt haar leesautobiografie als uitgangspunt, dus die boeken zal ze niet gelezen hebben. In mijn herinnering werden alle boeken van Van de Hulst zowel door jongens als door meisjes gelezen.

De boeken die Goedhart als meisje las, heeft ze voor een groot deel opnieuw gelezen en ze doet verslag van haar leeservaring. Ze probeert er ook achter te komen waarom ze die boeken vroeger zo fijn vond om te lezen. Geregeld komt terug dat het aantrekkelijk is dat kinderen hun gang kunnen gaan zonder toezicht van de ouders.

Aan het eind wordt een apart hoofdstuk gewijd aan de Bouquetreeks. Goedhart parafraseert daarin Jos den Bekker, die beweert dat de Bouquetreeks ‘zeer emanciperend’ zou werken, omdat de boeken niet alleen door vrouwen worden gelezen, maar ook geschreven. In die zin zijn borduurpatronen ook emanciperend.

Goedhart citeert een scène uit een bouquetreeksboekje en beweert dat die zo uit Pride and Prejudice van Jane Austen zou kunnen komen, alleen is de bouqetscène ‘erg clichématig’. Tja, dat is juist het argument waarmee je kunt verdedigen dat de boeken van Austen de bouquetreeks verre te boven gaan.

Over het algemeen is Goedhart solidair met de boeken die ze herleest en dat is logisch. Je koestert de herinnering aan die boeken en die wil je niet zomaar kwijt. Bij sommige boeken vindt de volwassen Goedhart niet meer het genoegen terug dat haar jongere ik eraan beleefd moet hebben. Over Onder moeders vleugels, van Louisa M. Alcott schrijft ze: 'Bij herlezing valt me op dat de toon in dit boek wel erg moraliserend is, het is bijna irritant braaf.' Ook Diet Kramer valt haar tegen.

Er staat veel aardigs in het boek van Goedhart. Slechts een enkele keer betrap ik haar op een onnauwkeurigheid. De Zonnebloemserie van Kluitman was bijvoorbeeld geen serie voor meisjes. De boeken over de Kameleon verschenen ook in deze serie.

Goedhart heeft geen wetenschappelijke pretenties, maar een register op schrijversnamen zou handig geweest zijn. Waarschijnlijk moest Meisjesboeken van weleer goedkoop blijven; de afbeeldingen van boeken zijn niet in kleur. Dat is niet zo erg, maar sommige illustraties zijn ronduit van slechte kwaliteit. Dat geldt ook voor de afgebeelde boeken, in kleur, op de binnenkant van het kaft. Flodderwerk van de uitgever.

Dat is jammer, want Meisjesboeken van weleer is een aardig boek. Goedhart schrijft dat ze hoopt dat de lezer gaat nadenken over wat hij of zij vroeger las. Daar nodigt ze inderdaad toe uit, juist door haar persoonlijke aanpak. Daar had ze wat mij betreft best wat radicaler voor mogen kiezen. Dan hadden de Wikipdia-achtige biografietjes van de schrijfsters weggelaten kunnen worden. Juist in het weergeven van die persoonlijke leesgeschiedenis is Goedhart op haar best.

Het zou mooi zijn als er ook een mannelijke tegenhanger zou verschijnen, waarin we kunnen lezen over Paddeltje en Scheepsmaat Woeltje, over Bob Evers en Zeven jongens en 'n ouwe schuit en natuurlijk over Buffalo Bill en Arendsoog. Ik verheug me er nu al op.

Auteur: Kristine Goedhart
Titel: Meisjesboeken van weleer
Uitgever: Querido
Amsterdam/Antwerpen 2016, 216 blz. € 19,99

maandag 18 juli 2016

Wildzang (Gijs IJlander)


In stoffige uithoeken van mijn computer kom ik soms stukjes tegen waarvan ik niet meer wist dat ik ze nog had. Als ik er met de plumeau overheen ben gegaan, blijft er niet altijd wat over waarover ik tevreden ben, maar soms vind ik dat zo'n artikeltje best nog mee kan.

Onderstaande recensie, waarschijnlijk zes jaar geleden in het Nederlands Dagblad gepubliceerd, wil ik graag opnieuw aan de openbaarheid prijsgeven, al was het maar omdat IJlander meer aandacht verdient dan hij nu krijgt. Bij de boeken die ik ter vergelijking noem had ik, als ik de recensie op dit moment had moeten schrijven, ook Dit is mijn hof van Chris De Stoop kunnen noemen. Dat boek heb ik overigens nog niet gelezen.


Vier schapen en een oude trekker



Een jaar of vier geleden kloste er ineens een roman over een boer onze literatuur binnen: Boven is het stil, van Gerbrand Bakker. Het boek stampte fier met zijn klompen op de vloer en trok daarmee duizenden lezers. Vorig jaar was er opnieuw een roman die aandacht vroeg voor het boerenbedrijf: Dorsvloer vol confetti, van Franca Treur. Intussen scoort seizoen na seizoen het tv-programma Boer zoekt vrouw de hoogste kijkcijfers.

Het zou kunnen zijn dat we in deze tijd van volle agenda’s graag ons even in gedachten verplaatsen naar de boer en dan niet naar de boer met zijn melkrobot en zijn mestboekhouding, maar naar eentje die leeft bij de seizoenen, in een boerderij onder een Ruysdaelhemel. Hij stapt rustig over zijn akkers en weilanden, plukt een aar, klopt een paard in de hals en kijkt naar de wolken, terwijl hij aan zijn pijp lurkt. Zo’n boer, met die rust, daar willen we ons wel even in verplaatsen.

Het zou mij dan ook niet verbazen als het nieuwe boek van Gijs IJlander, Wildzang, zijn lezers wel weet te vinden. Middelpunt van het boek is de boerderij Wildzang. Het gebouw staat er nog, maar het boerenbedrijf is zo ongeveer weg: vier schapen en een oude trekker; meer stelt het eigenlijk niet voor. Om de boerderij heen rukt de nieuwbouwwijk op. De oude boer is opgenomen in een verzorgingshuis en zijn zoon, Bertus Berkhout, een snelle jongen die doet in vakantieverblijven in Portugal, trekt in de boerderij tot hij de verkoop van het huis geregeld heeft.

Maar het lijkt wel of de boer in hem wakker wordt, als hij in de boerderij woont. Hij neemt de zorg voor de schapen op zich en probeert de trekker weer aan de praat te krijgen. Bijzonder sfeervol weet IJlander dat allemaal te beschrijven. Als hij de bepaald niet probleemloze geboorte van een lam beschrijft, lijkt het alsof je als lezer over de afscheiding van strobalen meekijkt; je staat er met je neus bovenop.

Het ideaal van het rustige leven in een stolpboerderij wordt overigens aardig aangetast: een moeder met twee kinderen kraakt het knechtenverblijf, de bewoners van de nieuwe wijk zien boer Berkhout liever vandaag dan morgen vertrekken en intussen gaat er in Portugal van alles mis met Berkhouts bedrijfje.

Behalve aan de romans van Gerbrand Bakker en Franca Treur doet Wildzang mij ook denken aan Een leeg landschap van Willem van Toorn. Ook daarin wordt niet alleen beschreven hoe de omgeving verandert: een dorp wordt opgeslokt door de stad. In beide boeken wordt niet alleen beschreven wat er gebeurt, maar impliciet of expliciet maken de auteurs zich boos over de gang van zaken. Je voelt bij beiden de betrokkenheid bij hoe het vroeger was en de pijn over de teloorgang daarvan.

Die betrokkenheid proef je door het hele boek van IJlander heen en juist daardoor leest het prettig: de lezer kan zich gemakkelijk identificeren met Bertus Berkhout. De nieuwbakken boer wordt niet alleen aan het denken gezet over zijn omgeving, maar ook over zichzelf. Hij maakt met zijn vakantieaccommodaties op time-sharebasis immers deel uit van de wereld die een aanslag pleegt op het platteland.

De kraakster op zijn erf ziet hij aanvankelijk als tegenstander. De kinderen jagen achter de schapen aan en smijten met de biks en hij vertrouwt de motieven van hun moeder, Ellen, bepaald niet. Ze zegt gevlucht te zijn voor haar man, maar de relatie tussen die twee lijkt heel behoorlijk. Hij probeert dan ook haar uit het huis gezet te krijgen.

Na verloop van tijd leert hij meer ontspannen met haar om te gaan. Hij ziet in dat zijn werkelijke tegenstander de gemeente is, die de boerderij als een project ziet dat koste wat kost door moet gaan. Men zal zich door zo’n nepboer niet van die plannen af laten brengen.

Hoe prettig Wildzang ook leest, een perfect boek is het bepaald niet. Zo laat Bertus Berkhout zijn Portugese besognes wel erg gemakkelijk achter zich. Wat de rol van zijn medewerker Dennis daar is, wordt niet duidelijk. Je vermoedt dat hij de zaak oplicht, maar het lijkt of IJlander het niet de moeite waard vindt om daar verder op in te gaan.

Ook hoe het zit met de relatie met Bertus’ vrouw Ingrid komen we nauwelijks te weten. Er lijkt maar weinig ruimte te zijn voor haar in het hoofd van Berkhout en dus in het boek van IJlander.

Het eind van het boek is nogal heftig en daarover kan ik dan ook niet in details treden. Het lijkt erop alsof IJlander een deus ex machina nodig had waarna hij snel een slot aan het boek kon breien. Er blijkt nog meer duisters mee te spelen en de vraag is waarom IJlander dat allemaal nodig had. Eerlijk gezegd vond ik het slot ronduit teleurstellend.

Ondanks dat blijft een groot deel van het boek overeind staan. Sterker nog: ik merk dat mijn teleurstelling over het slot kleiner is dan mijn sympathie voor de rest van het boek. Maar dat komt misschien door de boer in mij.

Wildzang (roman)
Gijs IJlander. Uitg. Cossee, Amsterdam 2010; 268 blz. € 19,90

Hier schreef ik over Vergeef ons onze zwakheid, een recenter (en beter) boek van Gijs IJlander.