dinsdag 21 februari 2017

Zijn gelovigen gevaarlijk?

Zijn gelovigen gevaarlijk? Deze vraag stel ik in het radioprogramma Kerkvenster en ik neem aan dat van degenen die hiernaar luisteren het overgrote deel gelovig is. Voornamelijk zullen het brave mensen zijn, die trouw hun belasting betalen, hun buren vriendelijk groeten en de poep van hun hond opruimen. Wellicht doen ze vrijwilligerswerk voor kerk of vaderland. Suggereren dat deze mensen gevaarlijk kunnen zijn, is bijna lachwekkend.

Toch heeft de president van de Verenigde Staten het vaste voornemen om mensen uit Amerika te weren, alleen maar vanwege het feit dat ze uit een land komen waarvan de inwoners voornamelijk gelovigen zijn.

Ik hoor u al sputteren: ja, maar Donald Trump is dan ook een beetje gek. Of: ja, maar daar gaat het over moslims en dat zijn toch wel andere gelovigen dan christenen, joden of boeddhisten.

Mogelijk hebt u een punt, maar christenen zijn niet zonder schuld. Mijn tienertijd viel in de jaren zeventig, toen ik zeer geregeld op het journaal hoorde over aanslagen in Noord-Ierland, waar protestanten en katholieken elkaar naar het leven stonden.

Verder kennen we de Ku Klux Klan, die ook geïnspireerd zei te zijn door christelijke idealen. En Anders Breivik, die in Noorwegen in 2011 bijna tachtig mensen doodde, noemde zichzelf een conservatief christen.

Er zijn veel meer voorbeelden te noemen. Van de abortusarts George Tiller die in 2009 tijdens een kerkdienst in Kansas werd doodgeschoten door andere christenen tot The Lord's Resistance Army, de beweging die in Oeganda gewapende aanslagen pleegde. De leider was Joseph Kony, die zichzelf tot messias had uitgeroepen.

Er zijn en waren dus genoeg christelijke terroristen, maar dat wil niet zeggen dat christenen gevaarlijk zijn en dat de plaatselijke politie de luisteraars van Kerkvenster in de gaten moet houden. Vraag aan de gemiddelde christen hoe groot de terreurdreiging vanuit christelijke hoek is en hij zal je uitlachen. Die dreiging is er niet.

Natuurlijk zullen er altijd gekken zijn die een aanslag plegen of een poging daartoe doen. Zo'n gek kan ook nog zeggen dat hij de wil van God uitvoert of dat hij het ware christendom wil herstellen, maar niemand zal het christelijk geloof daarvoor verantwoordelijk stellen. Zo'n gek is niet representatief. Hij is de uitzondering, niet de regel.

Maar hoe zit het dan met de terroristen die na het plegen van een aanslag 'Allahu Akhbar' roepen? Zijn dat geen moslims die op gewelddadige wijze hun geloof uitdragen?

Zeker wel, maar dat zegt niets over het overgrote deel van de moslims dat dat niet doet. Het feit dat de aanslagen het nieuws halen, laat al zien dat het uitzonderingen zijn. Het zou pas beroerd zijn als ze niet meer nieuwswaardig zouden zijn.

Onder moslims zijn er zeker extremisten die door terreur hun doel willen bereiken, zoals die er ook zijn of waren onder christenen. De gewone moslim in de straat zal zich niet gerepresenteerd voelen door dat terrorisme en zal zeggen dat islam en terrorisme niet kunnen samengaan.

Door de eeuwen zijn er christenen en moslims geweest die zich bij hun terroristische daden beriepen op het geloof. Zit er dan toch niet iets gewelddadigs in het geloof? In de heilige boeken staan genoeg teksten waarin het geweld bepaald niet geschuwd wordt. Als jongetje heb ik wel gezongen dat God de kop van de vijand zou 'verslaan' en die harige schedel zou vellen. (Zie hier). En ongetwijfeld heb ik gedacht dat ik dat ook zelf wel wilde doen.

Veel van die teksten worden nu niet meer letterlijk genomen. Daar kunnen we een geloof niet op afrekenen.

Maar in elk orthodox geloof zit een zekere radicaliteit, die je vooral duidelijk ziet bij bekeerlingen. Geen fellere anti-rokers dan degenen die zelf gerookt hebben. De omwenteling, de bekering, wordt gemarkeerd door een duidelijk andere manier van leven. Mensen gaan zich anders kleden, nemen andere voedingsgewoonten aan, meten zich een ander taalgebruik aan.

De orthodoxie wil zich onderscheiden van de gematigdheid en weet haarscherp aan te duiden op welke punten er verschil is. Wel of geen burka, of lange broek, of vaccinatie, of tv. Wie radicaal is, kan nog steeds heel liefdevol tegenover zijn medemensen staan, maar hij kan ook alles afwijzen wat niet aan zijn norm beantwoordt.

Het is niet de regel, maar er zullen altijd uitzonderingen zijn. Er zullen altijd mensen zijn die doorslaan. Dat heeft niet per se met het geloof te maken; wel met radicale keuzes. Veel mensen volgen een dieet, een enkeling gaat daar zo in op dat het een bedreiging gaat vormen voor de eigen gezondheid. Pim Fortuyn werd vermoord door een dierenactivist, Els Borst door iemand die het als een goddelijke opdracht zag de politica te doden die de legalisering van euthanasie door de Kamer had geloodst.

Het zijn allemaal voorbeelden van uitwassen van radicale keuzes en die kunnen inderdaad aan het geloof gerelateerd zijn. Maar het zijn uitzonderingen, het is niet de regel. Uitzonderingen zullen er altijd zijn; in elke groep komen gekken voor. Zoals er ook gekken op de weg rijden, door de supermarkt schuifelen of naar een religieus radioprogramma luisteren. Maar het zijn er zo weinig, dat we ons gedrag er niet door hoeven laten te bepalen. De presentator van Kerkvenster zal hoogstwaarschijnlijk ook vanavond weer veilig zijn huis bereiken.


zie ook: Gelovigen en humor

donderdag 9 februari 2017

Het Rijk deel 1: Het seizoen der demonen (Boiscommun/Runberg)


Er zijn heel wat strips waarin de personages geen mensen maar dieren zijn. We denken hierbij aan de meeste verhalen in Donald Duck, maar ook aan Maus, Olivier B. Bommel en Blacksad Daar is nu een nieuwe serie bij gekomen: Het Rijk, geschreven door Sylvain Grunberg en getekend door Olivier Boiscommun.

De dieren in al deze strips lijken verdacht veel op mensen: ze lopen op twee benen, hebben kleren aan en praten. Bij Maus van Art Spiegelman gaat het eigenlijk om mensen, die er alleen maar als dieren uitzien: de Joden zijn muizen, de Duitsers katten en de Polen varkens. Door er dieren van te maken, zijn de 'soorten' uit elkaar te houden.

Bij de andere strips lijkt de keuze van de dieren meer toevallig, al drukken gelijke soorten wel vaak een verwantschap uit. De eenden in de Donald Duck zijn allemaal familie.

Ook in Het Rijk zijn de dieren als mensen getekend. De drie hoofdpersonen zijn een tijger (Isaac), een luipaardwijfje (Octavia) en een bok (Pantacrius). Zij zijn gekleed als mensen en hebben allerlei uiterlijke kenmerken van mensen. Zo heeft Octavia lang, blond haar en borsten. In dit verhaal is er duidelijk afstand genomen van de mensen. Dat je dieren dan toch als mensen tekent, is misschien niet helemaal consequent.

Het Rijk speelt zich af in een post-apocalyptische wereld, net als bijvoorbeeld het geval is bij Simon van de rivier en Jeremiah. Bij het Rijk zijn de mensen verdwenen en de dieren zijn de baas. Het is een harde wereld waarin ieder moet proberen zich staande te houden.

Wel zijn er nog herinneringen aan de tijd dat de cultuur door mensen werd beheerst: vervallen bouwwerken, zoals de Eiffeltoren, zijn duidelijk herkenbaar. De drie huurlingen verhuren zich aan Jason, zijn echtgenote Daphnis en hun kinderen, die in een groep op weg zijn naar de tempel van de Cathardische monnik-krijgers om daar veiligheid te zoeken. Ze hebben slaven, kruiden en offerandes bij zich, waarmee ze toegang hopen te verkrijgen.

Het klimaat heeft intussen al zijn mildheid verloren: het weer kan plotseling omslaan en natuurrampen liggen voortdurend op de loer. De klimaatproblemen zijn een erfenis van de mensen, die intussen verdwenen zijn. De herinnering aan de mensen is er nog wel: als de natuur plotseling gevaarlijk is (bijvoorbeeld bij een stormvloed) zeggen de dieren dat de mensengoden hun demonen hebben losgelaten. Deel 1 van Het Rijk heet dan ook Het seizoen der demonen.

Vreemd genoeg worden ook sommige dieren nog 'mensen' genoemd. De karavaan van Jason bereikt (op blz. 13) een huisje dat in brand staat. Iemand vraagt: 'Wat is er met die mensen gebeurd?' 'Iedereen is vermoord' is het antwoord, maar de enige doden die we zien, zijn dieren.

In dit eerste deel zullen Isaac, Octavia en Pancratius de tempel nog niet bereiken. Wel krijgen we achter in het album een vooruitblik op het tweede deel. Daar zien we een afbeelding van de tempel: een vervallen kerncentrale.

Het Rijk combineert enkele motieven die al bekend zijn: dieren als hoofdpersoon en post-apocalyptische wereld. De klimaatomslag is een interessant gegeven in deze serie, net als de rol van de religie. Van de mensheid is de religie nog over. Die lijkt niet op de bestaande godsdiensten (voor zover we dat uit het eerste deel kunnen concluderen), maar verwijst meer naar de mensen zelf, die mythische vormen hebben aangenomen. Ze kunnen demonen opdrachten geven.

Binnen de dierenwereld is er een soort wisselwerking tussen het georganiseerd zijn in clans en individuen die hun eigen gang gaan. Sommige clans zijn homogeen (die van de Daimlachs bestaat bijvoorbeeld uit wilde zwijnen), andere worden gevormd door verschillende groepen dieren. De drie huurlingen zijn duidelijk zelfstandige individuen die een bondgenootschapje zijn aangegaan. Ze hebben ieder hun eigen achtergrond.

Octavia wil het bijvoorbeeld liever niet over haar verleden hebben, maar aan het teken dat ze op haar huid draagt, is te zien dat ze ooit slaaf was van de oerossen.

De wereld na de mensheid is een chaotische en bedreigende wereld. Veel dieren zijn intelligent, maar ze moeten zich ook fysiek goed kunnen weren. De groepen waarin ze leven, moeten voor veiligheid zorgen. Dat sluit aan bij de kudden en roedels waarin dieren op dit moment in het wild leven.

De drie huurlingen kunnen uitstekend vechten. Het zijn helden, met wie je je als lezer kunt identificeren, maar hedendaagse helden hebben ook hun duistere kanten. Daar zullen we wellicht in volgende delen nog meer over lezen.

Het scenario van Sylvain Runberg heeft van Het rijk  een interessant verhaal gemaakt, dat net iets meer biedt dan soortgelijke verhalen. Deel 1 maakt nieuwsgierig naar de volgende delen.

De tekeningen van Olivier Boiscommun zijn technisch in orde. Hij weet goed de mimiek van dieren te treffen. Soms wordt kwaadaardigheid wat vet aangezet, maar dat komt wel de helderheid van het verhaal ten goede.

De inkleuring (aquarel) is prachtig. Veel bladzijden ogen, door het gebruik van deze techniek een beetje bleek, maar ze zijn zeer stemmig en zowel de decors als de personages op de voorgrond zijn met veel aandacht getekend. Een goede indruk van de manier van tekenen is terug te vinden op deze video's, waarop je Octavia en Isaac ziet ontstaan.



Het Rijk lijkt me een serie die volgers gaat krijgen, die steeds weer uitkijken naar een nieuw deel.

Serie:    Het Rijk
Deel 1: Het seizoen der demonen
Tekst:   Sylvain Runberg
Tekeningen: Olivier Boiscommun
Uitgever: Le Lombard
softcover, 56 blz. € 7,95

woensdag 8 februari 2017

Rain Man (Knipoog 58)


Voor op de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad van zaterdag 28 januari staat de afbeelding van een jongetje met een gaasachtige boerka om. Het doet in de verte ook wel denken aan de outfit van een imker. Ik heb er geen idee van wat ermee gesuggereerd wordt. Een soort opgeslotenheid wellicht.

De afbeelding verwijst naar een artikel op pagina 4 en 5 van de bijlage, 'Nu kopzorgen, straks koppositie' van Julie Wevers. Wevers wijdt het artikel aan het brein van mensen met autisme. Ze worden gezien als mensen met een achterstand, maar hun hersenen lijken minder snel te verouderen dan die van mensen zonder autisme. Misschien omdat ze levenslang hun brein aan het trainen zijn.

Bij het plaatje op de voorkant heeft de redacteur de titel 'Brain Man' gezet, wat natuurlijk naar dat brein verwijst. Het roept ook de titel van een film in herinnering: Rain Man (1988). Ik heb indertijd die film in de bioscoop gezien en was ervan onder de indruk.

Waarschijnlijk zou ik in die tijd van zo'n beetje elke film onder de indruk zijn geweest. Ik ben opgegroeid in een gezin waarin een bioscoop gezien werd als een poel van verderf. Pas in de jaren tachtig durfde ik een bioscoop te betreden zonder het idee te hebben dat ik ter plekke neergebliksemd werd.

Rain Man gaat over een autistische man, Raymond (gespeeld door Dustin Hofman), die een film lang optrekt met zijn yupbroer, gespeeld door Tom Cruise. Autisme was in die tijd, neem ik aan, nog niet zo bekend. Dat het grote publiek op deze manier een beeld kreeg van iemand met autisme, was mooi meegenomen, al neem ik aan dat het de maker van de film niet daarom te doen was.

'Brain man' is een mooie knipoog naar de film, omdat er zowel een verwijzing naar het brein als naar autisme (de film Rain Man) in doorklinkt.



dinsdag 7 februari 2017

Het fonkelt in 't Dok (Degenaar/Sloothaak)


Lemmer - de naam heb ik vroeger moeten leren bij aardrijkskunde. Ik kan de plaats aanwijzen op een blinde kaart; ik ken iemand die er opgegroeid is; ik zou ernaartoe kunnen rijden zonder navigatiesysteem. Maar verder weet ik weinig van het dorp of het stadje af, eerlijk gezegd.

Daarom heb ik met belangstelling Het fonkelt in 't Dok gelezen een boekje met gedichten van Job Degenaar en schilderijen van Lammert Sloothaak, die samen een beeld geven van Lemmer. De schilderijen van Sloothaak zijn helder van kleur, wat ze iets lichts geeft. In de lichtblauwe luchten drijven vaak wat wolkjes die doen denken aan die van René Magritte. Onder elk schilderij staat welk deel van Lemmer is weergegeven.

De schilderijen zijn statisch, elke beweging ontbreekt. Zelfs als er een vliegende meeuw geschilderd is, heb je het idee dat het dier stil in de lucht hangt. De mensen op de schilderijen lijken stil te staan, alsof ze poseren.

Sommige schilderijen geven het heden weer, maar er zijn ook afbeeldingen uit een tijd ver voor de onze. Zeilschepen, een handkar, paard-en-wagen. Het perspectief is op enkele plaatjes overdreven aangebracht, zodat er een zekere vertekening optreedt.

Uit alle schilderijen spreekt verstilling. Een kwaadwillende kijker zou eruit kunnen concluderen dat er in Lemmer niets te doen is, maar ik vermoed dat Sloothaak eerder heeft willen laten zien dat de tijd is blijven stilstaan: de inkijkjes in Lemmer ademen steeds dezelfde sfeer, welke tijd ze ook weergeven. Ook in het heden sijpelt het verleden door.

Dat verwoordt Degenaar fraai in het openingsgedicht:
Zuiderzeehaven De Lemmer 
Tussen de sluisdeuren van vandaag
sijpelt wat voorbij is; soms gutst het
over de herfstige kaden, verwaait
bij de ophaalbrug in bonkige verhalen
over storm, averij en vissersleed 
Het gloeit op gevels in de morgenzon
bruist op terrassen, fonkelt in 't Dok
mijmert in de late lichtval op zeilen:
een kracht die hier eeuwen aardde
en bestaansgrond, toekomst bracht 
Historie geeft ons, passanten, een dak
de diepte herbergt het oppervlak
Het is mooi dat het water dat tussen de sluisdeuren door sijpelt het beeld oproept van het verleden dat het heden binnensijpelt. En soms blijft het niet bij sijpelen. Meer dan de gebouwen roepen de verhalen het verleden wakker.

Dat gebeurt ook bij de schilderijen en de gedichten. De tijd waarin je leeft is soms een andere dan de beleefde tijd. Degenaar neemt de lezer in sommige gedichten nadrukkelijk mee: 'Minder afgeleid kijken we uit over de lege / havens'. Samen met de dichter kijkt de lezer over die havens uit.

Niet elk gedicht kon me bekoren. De apostrof, die ook in de titel voorkomt, duikt vaak op, ook als dat niet nodig was geweest ('m'n verwanten', 'z'n stille blauwe sloten', 'aan 't wiegend zonnewater'). Sommige formuleringen doen slordig aan. Het gedicht 'Joodse begraafplaats Tacozijl' begint met 'Als een terugblik ligt het daar'. Het is de vraag wat er met 'het' bedoeld wordt. Het begraafplaats zal het niet zijn.

Het best is Degenaar op dreef als hij gedachten weergeeft. Bij het gedicht over de Joodse begraafplaats wordt bedacht dat degenen die er begraven liggen de Tweede Wereldoorlog niet mee hebben moeten maken. Mooi is ook de slotstrofe van dat gedicht:
Veraf, in het blauw van de oude
Zuiderzee, daagt Jeruzalem
Vaak beperkt Degenaar zich tot observaties, beschrijven wat je ziet en dat op een wat originele manier proberen te doen. Meestal levert dat niet zo heel veel meer op dan een plaatje in woorden en dat is me eigenlijk te mager. Maar misschien zijn dat soort gedichten juist in een bundel als deze wel gepast.

Van tijd tot tijd zijn er zinsneden die ik aan moest strepen: 'verwaaide visserszonen'; 'dit verre heden'; 'Een lege bus vervoert gemoedsrust'. Mooi gezegd. Verder zijn de gedichten toegankelijk, zodat ze geschikt voor een vrij breed publiek.

Dat publiek zal zich waarschijnlijk beperken tot mensen die in Lemmer wonen of gewoond hebben of die op zijn minst Lemmer kennen. Die hebben aan Het fonkel in 't Dok een leuk bladerboek, waarin aardige schilderijen en gedichten te vinden zijn. Op bescheiden schaal zal het zijn weg wel vinden.

Job Degenaar en Lammert Sloothaak, Het fonkelt in 't Dok. Lemmer en omgeving in 22 schilderijen en gedichten. Uitg. Liverse, Dordrecht 2016. 66 blz. € 12,95

zaterdag 4 februari 2017

Een brug te ver (Knipoog 57)


De geschiedenis is bekend: in 1944 wilden de Geallieerden de Rijn bij Arnhem oversteken. De operatie Market Garden werd een mislukking: de brug bleef in handen van de Duitsers. Cornelius Ryan schreef er een boek over: A bridge too far (1974), waarvan in 1977 een verfilming verscheen.

Boek en film werden bekend. Zelfs zo bekend, dat 'een brug te ver' een uitdrukking werd, die zoiets betekent als 'nog niet haalbaar' of 'hier haak ik af'. Je kunt de uitdrukking gebruiken in zinnen als: 'De pensioengerechtigde leeftijd zal uiteindelijk naar zeventig jaar moeten, maar dat is voor de meeste politieke partijen nu nog een brug te ver.' Of: 'Ik wil mij best inzetten voor mijn werk, maar doorwerken met de Kerst is een brug te ver.'

Max Verstappen zei in 2016 (zie hier): 'Het wereldkampioenschap is een brug te ver' en op een blog las ik, ook 2016, 'Is outsourcing van gezondheidszorg een brug te ver?' In de Culemborgse Courant bleek een coalitie met de Christen-Unie een brug te ver (2014); voor een PSV-fan was reageren dat (Eindhovens Dagblad, 2016); en het hergebruik van composieten was niet langer een brug te ver (Composites.nl, 2015). Je hoeft werkelijk niet lang te zoeken om dit soort verwijzingen te vinden.

Omdat de uitdrukking 'een brug te ver' zo algemeen is, en zo breed inzetbaar, kun je daar natuurlijk op variëren. Dat gebeurde in NRC Handelsblad van donderdag 2 februari 2017. Aanleiding was deze keer letterlijk een brug: de Merwedebrug. die eind 2016 ruim twee maanden niet toegankelijk was voor bussen en vrachtwagens, omdat er scheurtjes in de brug ontdekt waren. Zie hier.

In de serie 'Verdeeld Nederland' schreef Arjen Schreuder een artikel over de Merwedebrug, verlucht met foto's van Rien Zilvold, onder de titel  'Een brug te smal'. Dat lijkt een vreemde titel, maar die verwijst naar de vraag of ons wegennet wel robuust genoeg is en voldoende capaciteit heeft. Het verbreden van wegen en bruggen leidt natuurlijk tot meer capaciteit. De hele fotoreportage is te zien op de site van NRC.

Dat iets een brug te ver is, zullen we nog geregeld horen en wellicht dat er ook nog variaties voorbijkomen: een brug te smal, een brug te hoog, een brug te duur.

vrijdag 3 februari 2017

Wederzijds (Kees 't Hart)


De schrijfster Marijke Höweler kreeg ooit het verwijt dat haar boeken diepte misten. Ze antwoordde dat in haar werk de diepte aan de oppervlakte zat. Ik kan mij voorstellen dat Kees 't Hart op dezelfde vraag eenzelfde antwoord zou kunnen geven.

Van het werk van 't Hart weet ik niet zo veel. Ik las alleen Teatro Olimpico, een hilarische roman. En natuurlijk heb ik wel eens een artikel over de schrijver gelezen. In een interview hoorde ik hem vertellen over zijn nieuwe roman en ik besloot die te kopen.  Doordat veel werk van 't Hart iets luchtigs heeft, zal het door sommige lezers wellicht ook als oppervlakkig gezien worden. Laten we dan aan de uitspraak van Höweler denken.

Wederzijds gaat over een keurig echtpaar. De man, van middelbare leeftijd, is conrector op een school voor voortgezet onderwijs. Zijn vrouw Wies is twintig jaar jonger. De roman is het verslag dat ze bijhouden van wat hun overkomen is.

Het begon met een kabelkastje aan de gevel van het huis van het echtpaar. Van tijd tot tijd zette iemand met een spuitbus daarop zijn tag. De man schilderde daarna braaf zijn kastje. Hij ergerde zich hoogstens een beetje. Je moet immers niet overal over zeuren.

Dan blijkt er een vereniging te zijn, Wederzijds, die overlast aanpakt. Ze pakt niet de daders aan, maar de familie van de daders. Als je meedoet, betaal je contributie (vierhonderd euro) en af en toe moet je hand- en spandiensten verrichten.

Het echtpaar doet mee en voor ze het weten, zijn ze betrokken bij een toch wat verdachte organisatie. 't Hart kan uitstekend zijn personages in een lastige positie brengen. Je ziet als lezer aankomen dat het fout moet gaan, maar je kunt niets doen. Ook schrijfsters als Renate Dorrestein en Maria Stahlie hebben daarvan een handje.

Je voelt je als lezer toch al betrokken bij het echtpaar, omdat het bedachtzame, verstandige mensen zijn. Ze hebben vanaf het begin hun bedenkingen:
Er zat een luchtje aan, vermoedden we, als je hieraan mee ging doen bevond je je op een hellend vlak. Eigen rechter spelen, dat kon de bedoeling niet zijn, daar waren we tegen.
Het zijn maar kleine dingetjes die Wederzijds van hen verwacht: kijken of er in een straat iets gebeurt; een tijdje een fiets in huis nemen. Onschuldig met een luchtje.

De echtelieden proberen meer zicht te krijgen op Wederzijds, maar telefoonnummers blijken na een tijdje opgeheven en mensen blijken onder wisselende namen te opereren. En Vice Versa? Is dat een concurrerende organisatie of hebben we hier ook te maken met Wederzijds?

Doordat de organisatie zo schimmig is, is ook niet duidelijk waarbij Wederzijds nu wel of niet betrokken is. Als er een school afbrandt waarin kunstenaars huizen die voor overlast zorgen, is bijvoorbeeld niet duidelijk wat de oorzaak is. De politie gaat ermee aan het werk. Het echtpaar probeert in ieder geval niet de verdenking op zich te laden, maar dat valt niet mee.

Waar het allemaal op uitloopt, ga ik hier niet verklappen. Dat het van kwaad tot erger gaat, wordt in de loop van de roman al wel duidelijk.

Je zou kunnen zeggen dat Wederzijds niet meer is dan een luchtig verhaal. Het staat behoorlijk ver af van de werkelijkheid die we dagelijks ervaren. Nou ja, er zijn genoeg mensen die vinden dat 'de politiek' niet genoeg doet aan het oplossen van maatschappelijke problemen en er is aardig wat boosheid. Maar het opzetten van een organisatie om gericht daders (of liever gezegd hun familieleden) aan te pakken is nog wel een ander paar mouwen.

De roman van 't Hart zou je amusement kunnen noemen, maar er lijkt me meer aan te hand. Wederzijds  laat zien hoe mensen op het hellend vlak terechtkomen. Dat je met de beste bedoelingen kwaad kunt doen. Ik moest ook meteen denken aan Wil van Jeroen Olyslaegers waarover ik onlangs schreef: over een politieagent uit de Tweede Wereldoorlog, die steeds een stapje verder gaat in de samenwerking met de Duitsers.

De vergelijking met de kikker in het water dat langzaam opgewarmd wordt, is al vaak gemaakt: wij zijn goed in het reageren op zich plotseling opdoende veranderingen, maar bij langzame ontwikkelingen hebben we de neiging mee te gaan met de stroom en ons niet te verzetten. Dat blijkt ook bij dit echtpaar.

Dit onderwerp, dat ook heel zwaar kan zijn, behandelt 't Hart op een lichte manier. Zo neemt hij de lezer ongemerkt mee in de problematiek. Wij hadden allemaal deze conrector kunnen zijn. We hadden dezelfde gedachten kunnen hebben, we hadden dezelfde handelingen uit kunnen voeren en voor we het wisten hadden we dan in de ellende gezeten. Het kwaad ligt maar een pas bij ons vandaan. Het verhaal in Wederzijds is slechts schijnbaar licht. Er zit diepte in, juist aan de oppervlakte.

donderdag 2 februari 2017

Grafleggingen (Peter Drehmanns)


Het is alweer drie jaar geleden dat ik een gedichtenbundel van Peter Drehmanns besprak: Graafschade. De meeste gedichten in die bundel kon ik niet waarderen, maar er waren er toch een paar die ik goed vond. Bij zijn volgende bundel, Grafleggingen heb ik een soortgelijk probleem.

Met de titel verwijst Drehmanns naar schilderijen uit de christelijke traditie: de kruisafname en begraving van Christus. In deze bundel is de indeling daar ook op gebaseerd: 'Van het kruis gehaald', 'In linnen gewikkeld', 'De handen ten hemel', 'Op de achtergrond de Schedelberg', 'In rots geborgen', 'Daarna gingen ze naar huis'.

Inhoudelijk zijn de gedichten niet strikt gebonden aan deze indeling. Weliswaar gaat het openingsgedicht over Christus, maar de andere gedichten gaan hun eigen gang. Met wat goede wil is er nog wel een sfeer die verband houdt, of een thema dat in de buurt komt.

De eerste afdeling bevalt me het best. Het openingsgedicht:
Depositie (Immanuel) 
door de wolken uit de hemel
gesmeten een brok halfmens
gespeend van schouderscharnieren
en andere valapparatuur 
gesaneerd en ontzenuwd
wordt-ie weggegeven
serafijn zonder uitzettingspapieren 
de stuipen op het lijf
gejaagd dwarrelt hij
in handen van vetvrije makelij 
en wordt geluierd
en wordt leeggeschonken, meegetrokken 
tot de volgende doorligwond
tot de volgende afgebroken nagel
Dit gedicht verwijst duidelijk naar Christus. Hij wordt een halfmens genoemd, zoals we in bijvoorbeeld de Romeinse mythologie wel halfgoden kennen, en zijn hemelse herkomst wordt vermeld. Maar hij is uit de hemel 'gesmeten', wat de ruwheid, de wreedheid van de situatie benadrukt.

Dat 'gespeend van schouderscharnieren / en andere valapparatuur' laat zien dat Christus (zo noem ik hem maar even) echt gevallen is en zich niet vliegend in veiligheid kon brengen, ook al wordt hij verderop een 'serafijn'  genoemd.

De 'schouderscharnieren' doen me ook denken aan de manier waarop Christus met uitgestrekte armen aan het kruis hangt. De combinatie 'gespeend' en 'valapparatuur' vind ik wat minder. Drehmanns heeft vaak de neiging om gewone zaken op een ongewone manier te zeggen, echter zonder dat dat veel toevoegt. Die 'valapparatuur' doet wat luchtig aan, maar mij stoort toch de gemaaktheid. Dat heb ik vaker bij de gedichten van Drehmanns.

In de tweede strofe vind ik dat 'ontzenuwd' wel goed gevonden. Omdat bij de kruisafname het lichaam centraal staat, moet de lezer hier ook letterlijk aan zenuwen denken. Dat Christus 'weggegeven' wordt, zou theologisch verantwoord kunnen noemen: God geeft zijn zoon.

Over die 'uitzettingspapieren' heb ik getwijfeld. Als het alleen maar een grapje is, is het me te mager. Je zou ook kunnen zeggen dat we door dat woord de hedendaagse vluchtelingenproblematiek binnen het gedicht halen, waardoor het lijden van Christus in verband komt te staan met het lijden van andere mensen.

Net als bij 'ontzenuwd' werkt 'de stuipen op het lijf' plastisch. Natuurlijk roept de uitdrukking 'angst' op, maar ook letterlijk 'het lijf'. Met 'vetvrije makelij' kon ik niet zo veel. Misschien zijn het magere handen, zonder vet dus, maar dan vind ik de formulering aanstellerig.

De vierde strofe werkt goed: bij 'geluierd' zien we de lendedoek voor ons en 'leeggeschonken' doet niet alleen denken aan een leeggebloed lichaam, maar ook aan geschenk: geven tot je leeg bent. En natuurlijk aan een fles die tot op de bodem, en misschien wel tot op de ziel, geleegd is.

Die doorligwond klopt strikt genomen niet met de kruisscène, maar in mijn lezing werkt het net als met de uitzettingspapieren: het hedendaagse leed komt het gedicht binnen. Het gedicht sluit af met 'de volgende afgebroken nagel', wat aan een letterlijke nagel, bijvoorbeeld van je vinger, doet denken, maar ook aan 'spijker'.

In dit gedicht wordt Christus uit de hemel gesmeten. Hij is in de eerste regels helemaal aanwezig, aan het eind is er niet meer over dan een wond, een nagel. Dat wordt benadrukt doordat de strofen steeds korter worden. Voor mijn gevoel glipt Christus uit het gedicht en houden we de ellende om ons heen over.

'Depositie' is een intrigerend gedicht, misschien juist omdat je er niet helemaal je vinger achter krijgt. Het zou flauw zijn om te zeggen dat je dan alleen een gebroken nagel overhoudt.

Er zit ruwheid, misschien zelfs woede in het begin van het gedicht, in bijvoorbeeld 'gesmeten' en die betrokkenheid blijf je voelen in de rest van het gedicht. Dat geldt voor veel gedichten in deze afdeling. Het laatste gedicht begint bijvoorbeeld met 'naai de dood / een stoplap op zijn kont / sla de tijd / stuk tussen je handen'.

Veel gedichten in de eerste afdeling hebben een bestaand persoon als onderwerp, wat misschien makkelijker zorgt voor betrokkenheid. In de rest van de bundel mis ik die nogal. Drehmanns grossiert in zinnetjes waarvan je kunt zeggen dat opmerkelijk zijn, maar waarvan je ook wat moe wordt. Half grappig, half apart, zijn die zinnetjes.

Ik denk dat ze bij voorlezen wel werken, maar ik werd ze een beetje zat. Mensen die bezig zijn met hun telefoon: 'bevingerde men berichten / op goocheldoosjes' en 'het meisje tegenover mij duimde zich vooruit / op de digitale achtbaan'.

Soms lijden de formuleringen mij af van de lijn in het gedicht. 'Transsubstantiatie' gaat over het schrijven. Het begint met 'uit vlees gesneden substantieven / neergelegd op hostiedun papier / ligt daar te leggen / legt daar te liggen'.

De eerste twee regels vind ik sterk. Door de titel en de het 'hostiedun papier' komen de associaties met de mis los, maar voor mijn gevoel slaan de flauwe derde en vierde regel alles weer dood.

Soms werken de woordspelingen overigens wel degelijk: 'viel ik resoluut achteruit / in de waakzame handen // van de scheermeisjes.' Je ontkomt er bij het lezen van het laatste woord te denken aan 'scheermesjes' en 'de waakzame handen' doen denken aan het behoedzaam hanteren van het scheermes.

Er staan in Grafleggingen meer goede gedichten dan in Graafschade, maar naar mijn smaak zit er nog te veel gespeel en te veel aanstellerij in veel van de gedichten. Maar net als in de vorige bundel is ook in deze bundel het beste gewoon goed.

Rest mij nog te vermelden dat er bij elke afdeling een potloodtekening is opgenomen van Robbie Cornelissen. Achter in de bundel is een QR-code opgenomen, waarmee de lezer zes videogedichten kan activeren.

Peter Drehmanns, Grafleggingen. Gedichten. Uitgeverij Marmer, Baarn 2015. 88 blz. 15,00 euro