maandag 20 maart 2017

Boven de straat hangt een witte lucht (Anne Büdgen)


Voor mij ligt de roman Boven de straat hangt een witte lucht van Anne Büdgen. Ook de ondertitel staat op het voorplat: 'Dagboek van Anna Meesink'.

Het boek opent met een wat aanstellerige tekst:
Neem een stapel notities. Laat ze lang rijpen in een donkere kamer. Kijk ze niet in om het proces niet te verstoren. Als ze voldoende vergeten zijn, weekt u voorzichtig de gedichten los. Dit moet met precisie gebeuren zodat er geen flarden fragmenten meekomen. Laat ze in hun geheel in een kom glijden, met of zonder titel. Kies nu enkele verhalen en slordig geschreven gedachten en giet ze erbij. Mocht u intussen personages tegenkomen, snijd ze gerust in een andere vorm. Laat herinneringen uitlekken. Voeg een flinke scheut fictie toe en een eetlepel dingen die gebeurd hadden kunnen zijn. 
Wie we als auteur van dit stukje tekst moeten zien, is niet helemaal duidelijk. Dat zou Anne Büdgen kunnen zijn, maar ook haar hoofdpersoon, Anna Meesink.  Ze maakt op wat omslachtige manier duidelijk dat een deel van het boek fictie is en een deel gebaseerd op 'notities'.  Dat losweken van de gedichten lijkt erop te duiden dat ook die in de notities te vinden waren. Of dat zo is of dat ze later zijn toegevoegd maakt voor het boek niets uit.

De rest van Boven de straat hangt een witte lucht is verdeeld in drie delen: 'Bewaar nooit', 'Sterf niet op een dinsdag' en 'Wie springt'. Elk deel begint met een stukje tekst dat niet de vorm heeft van een dagboek. De drie stukjes zijn in de je-vorm geschreven. De verteller is een schrijfster, die intussen al kinderen heeft. Ze kijkt terug op de dagboekentijd.

Net als het openingsstukje lijden de drie stukjes aan aanstellerigheid, aan de nadrukkelijke poging iets op een bijzondere of mooie manier te verwoorden. Wil Büdgen ons laten zien dat Anna schrijfster is geworden en dat ze nog steeds bij tijden de neiging tot dramatiseren heeft?

Over het algemeen laat Büdgen Anna in de dagboekgedeelten vrij sober schrijven. Af en toe schiet ze ook hier uit de bocht: '(...) en hoop ik zo dat er in de hemel ook milkshakes zijn of vriendinnen om mee te lachen tot er scheurtjes in ons geluk schieten.' Dat laatste stukje van de zin is mooischrijverij, die niet past bij de stijl waarin Anna gewoonlijk schrijft.

In de dagboekaantekeningen zijn Bijbelteksten opgenomen die passen bij wat Anna vertelt. Maar ook liedteksten, en gedichten die Anna geschreven heeft. Ze zijn, gezien Anna's leeftijd, niet slecht, maar ook niet interessant. Ze voegden eigenlijk niets toe aan wat het meisje al in proza verteld had. Ik merkte dat ik in de loop van het boek de neiging moest onderdrukken om de gedichten over te slaan.

Anna is bijna veertien jaar oud aan het begin van Boven de stad. Het begin van het dagboek ziet er niet uit als bij iemand die net aan een dagboek begonnen is. Blijkbaar schreef ze al eerder. Een dagboek bijhouden en ook nog gedichten schrijven: Anna moet wel van schrijven houden. Het is opmerkelijk dat ze in haar dagboek bijna nooit reflecteert op het schrijven.

Op bladzijde 66 vertelt ze dat ze een gedicht geschreven heeft en niet precies weet wat het betekent. Pas op de helft van het boek schrijft ze: 'De pen in mijn hand is de vijand. Elk woord dat ik schrijf is een leugen.' Even verderop lezen we over het schrijven van een sonnet. Dat is het wel zo ongeveer.

Een groot deel van het gemiddelde puberleven speelt zich af op school. Ook daarover schrijft Anna geruime tijd nauwelijks. Een vermelding dat ze geen Franse woordjes kan leren als ze moet huilen of dankbaarheid omdat God haar hielp bij het huiswerk. Daar blijft het aanvankelijk bij. Pas verderop in het boek krijgen we ineens te horen dat het op school niet goed gaat.

Anna groeit op in een orthodox christelijk gezin (Gereformeerde Bond van de Nederlandse Hervormde Kerk) in Gouda.  Haar ouders zijn gescheiden; de kinderen ontmoeten vader van tijd tot tijd bij een oom en tante thuis. Anna heeft een oudere broer, Han, een jongere zus (Ruth) en een broertje, Leo.

Moeder moet haar best doen om het gezin draaiende te houden. Daardoor schiet de aandacht voor de kinderen er wel eens bij in. Misschien zit het ook niet in het karakter van moeder om haar affectie te tonen. Han onttrekt zich steeds meer aan het gezin, Leo heeft gedragsproblemen en wordt uit huis geplaatst en Anna moet in haar eentje haar weg zien te vinden. Over Ruth lezen we niet zo heel veel.

Vooral vader heeft de orthodox christelijke opvoeding in het gezin gebracht. Moeder heeft een niet-kerkelijke achtergrond. In de loop van het boek beginnen de strakke regels waaraan het gezin zich gehouden heeft te verwateren. Er komt een piepkleine tv in huis, later draagt Anna van tijd tot tijd een broek en aan het eind van het boek laat ze haar haren knippen, wat voor haar voelt als het stellen van een daad.

Onder invloed van een buurvrouw gaat Anna meer en meer haar heil zoeken bij een evangelische gemeente. Met moeder treft ze een regeling: dat mag één keer per maand. Ze gaat ook aan aan het avondmaal, wat niet mogelijk geweest zou zijn in de kerk van haar ouders. Daar moet je belijdenis gedaan hebben voordat dat mag.

Er zijn perioden dat Anna veel met het geloof bezig is:
God niet vergeten. Soms merk ik dat ik een paar uur niet aan Hem gedacht heb en dan bid ik. Hoe kan Hij mij bereiken als ik Hem uit het oog verlies?
Ze kent daarin momenten van piekeren ('Waarom heeft God de mens niet zó geschapen dat hij zelf iets zou kunnen doen om zijn schuld op te heffen'), maar ook van blijdschap ('Ik sprong op en danste. Ik zong van Jeruzalem en de Messias verscheen boven de huizen van de Jasmijnlaan.').

Anna is een gecompliceerd persoon: ze wil graag geloven, maar ze wil zich ook afzetten tegen de 'refo's' op haar school. Ze is bij tijden somber, maar dat blijkt meestal niet uit het dagboek. Dat ze pillen slikt om er een eind aan te maken, is voor de lezer dan ook nauwelijks voorbereid. Er zijn wel wat fantasieën, bijvoorbeeld dat ze weg zou kunnen zweven uit het raam, maar dat kun je nauwelijks zelfmoordfantasieën noemen.

Op een gegeven moment gaat ze zich punkachtig kleden en opmaken. Dat wordt vermeld, maar verderop lijkt het geen rol meer te spelen. We krijgen een versnipperd beeld van Anna, alsof er nauwelijks doorgaande lijnen zijn in het boek. Misschien is dat typerend voor het gebrek aan cohesie dat Anna in haar leven ervaart; misschien heeft de schrijfster gewoon niet zo goed grip gekregen op haar personage.

Boven de straat hangt een witte lucht leest aardig vlot, maar het is niet een heel goed boek. Het moet het vooral hebben van de verschillende scènes, die soms goed getroffen zijn. De problematische relatie tussen Anna en haar moeder bijvoorbeeld komt gemiddeld genomen wel goed uit de verf.

Als een boek zich in een wat zwaarder christelijk milieu afspeelt, wordt het in de kringen die getekend worden altijd de maat genomen. Zijn de personages wel representatief? Is er wel recht gedaan aan het milieu? Het is een onzinnige eis. Personages moeten geloofwaardig zijn binnen de roman en goede personages zijn meestal niet representatief. In de Bijbel is Jona een interessante profeet: hij gehoorzaamt niet aan God. Hij is waarschijnlijk juist interessant doordat hij niet representatief is en dus niet een gemiddelde profeet.

Franca Treur is redelijk welwillend besproken, voor zover ik weet, maar zij heeft op dit punt wel vragen gekregen. Dat zal met Anne Büdgen ook wel weer gebeuren. De hoofdpersonen uit Dorsvloer vol confetti en Boven de straat hangt een witte lucht zijn wel met elkaar te vergelijken: meisjes uit een christelijk gezin die hun weg zoeken. Maar de verschillen zijn er ook: bij Treur wordt een plattelandsgemeenschap beschreven, terwijl de hoofdpersoon van Büdgen in een provinciestad opgroeit. De gezinssituatie van Anna Meesink is ook veel minder stabiel dan die in het boek van Treur.

Beide boeken missen een sterke verhaallijn en moeten het hebben van de afzonderlijke gebeurtenissen. Treur heeft wel veel duidelijker een karakter neergezet, waardoor er meer evenwicht in haar boek zit.

Boven de straat hangt een witte lucht is het prozadebuut van Anne Büdgen. Eerder publiceerde ze twee dichtbundels. Ik vind deze roman niet heel goed, maar ik heb me meestal niet verveeld tijdens het lezen. Laten we de volgende boeken van Büdgen maar afwachten.

zondag 19 maart 2017

Thierry en Joop

Op 16 maart jl. schreef Anne Fleur Dekker op Joop.nl het artikeltje 'Thierry Baudet is Wilders in schaapskleren'. Het is maar een kort stukje, nog geen driehonderd woorden, maar Dekker ('Activist en blogger') krijgt het toch voor elkaar om in dat korte bestek verschillende malen uit de bocht te vliegen. 

Na de titel volgt, cursief gedrukt, de zin:
De lijsttrekker praatte verkrachting goed en deed racistische uitspraken, maar komt nog steeds in Tweede Kamer
Dat is een wat onhandige zin na een titel waarin twee lijsttrekkers worden genoemd, maar het is toch wel duidelijk dat hier Thierry Baudet wordt bedoeld. De zin lijkt me een samenvatting vooraf. Ik laat die voor wat die is.

Opvattingen van auteur of personage?

 Dan krijgen we een citaat:
Vraag het ook maar eens aan een verkrachter. Even los van al het tegengestribbel en uiterlijk verzet: vrouwen reageren ontzettend op zulke nietsontziende mannelijkheid. In veel gevallen komen ze ook gewoon klaar (…)
Dekker noemt het een gruwelijk citaat. Ze legt uit dat het niet uit een psychologische thriller of uit de memoires van een seriemoordenaar komt, maar uit 'het boek van nieuwbakken Tweede Kamerlid Thierry Baudet'.

Over de inhoud van het citaat ga ik verderop in. Dekker geeft aan dat ze over zo'n citaat niet begonnen zou zijn als het uit een psychologische thriller geplukt zou zijn. In een roman kunnen er nu eenmaal personages rondlopen met vreemde opvattingen.

Maar het boek van Baudet, Voorwaardelijke liefde, is ook een roman. Blijkbaar mag je een schrijver van een psychologische roman niet afrekenen op de opvattingen van zijn personages, maar Thierry Baudet wel.

Dekker ziet wel in dat dat niet helemaal zuiver is. Daarom schrijft ze: 
Goed, het boek is officieel een roman en dus fictie, maar Baudet heeft zich in meerdere interviews geïdentificeerd met de hoofdpersoon.
Ze geeft toe dat het boek een roman is (en dus fictie), maar ze zwakt het af door te zeggen dat het 'officieel' een roman is en dat Baudet zich in 'meerdere interviews' heeft geïdentificeerd met de hoofdpersoon.

Welke interviews dat zijn, vermeldt ze niet, maar ik neem aan dat ze die zo zou kunnen noemen. Of ze de roman van Baudet gelezen heeft, is mij niet duidelijk. Ze verwijst naar een recensie op de site van HP/De Tijd (van de hand van Dries Muus), die weinig heel laat van Voorwaardelijke liefde.

De roman van Baudet heb ik niet gelezen. Voordat ik het stukje van Dekker las, wist ik niet eens dat Baudet een roman geschreven had. Maar ik wil wel ingaan op de veronderstelling dat je een schrijver verantwoordelijk mag houden voor de uitlatingen van zijn personages, in ieder geval wanneer hij zich met hen identificeert.

Dat lijkt me onzin. Een schrijver identificeert zich altijd met zijn personages: hij moet zich inleven in hun manier van denken, wil hij geloofwaardig over hen kunnen schrijven. Bij literatuur zal de autobiografie van de schrijver altijd meespelen, ook als hij stof gebruikt die ver van zijn eigen leven af staat. Een romanpersonage van Louis Ferron zei ooit, weliswaar overdrijvend: 'Zelfs een bloembollencatalogus is nog autobiografisch'.

Bij schrijvers lopen fictie en werkelijkheid wel eens door elkaar. Jan Siebelink bijvoorbeeld had tijdens het schrijven van zijn bestseller Knielen op een bed violen een briefje op zijn bureau liggen met de tekst 'Hem loslaten'. Die 'Hem' is zijn vader, die model stond voor de hoofdpersoon van de roman. Siebelink probeerde nadrukkelijk een personage van zijn vader te maken, maar in zijn hoofd leken die twee wel heel erg op elkaar. In interviews kreeg Siebelink vragen over het personage Hans Sievez, maar vaak gaf hij een antwoord dat op zijn vader sloeg.

Maar ook als fictie en autobiografie niet goed te scheiden zijn, moet je een roman als een roman beoordelen. Waarschijnlijk heeft ook Baudet stukken uit zijn eigen leven in de roman verwerkt. Maar hij heeft ook meteen afstand genomen, bijvoorbeeld door de hoofdpersoon een andere naam te geven (Gregor).

Het boek kan niet dienen om er argumenten aan te ontlenen, het is fictie en niet alleen 'officieel'. In een roman mogen racisten, moordenaars, verkrachters, activisten, bloggers of milieuvervuilers voorkomen. Ze mogen de wet overtreden en ze mogen stevige meningen hebben: het zijn personages. Je mag een schrijver daar niet op afrekenen, zoals het ook onterecht is als je de acteur die de schurk gespeeld heeft, verwijt dat hij een slecht karakter heeft.

Een schrijver is niet verantwoordelijk voor de uitlatingen van zijn personages, al heeft hij hun die uitlatingen zelf in de mond gelegd. Kun je een auteur wel verantwoordelijk houden voor de strekking van zijn roman? Dat lijkt me wel. Bij een roman die oproept tot geweld kun je best kritisch schrijven over de strekking. Maar ook dat is een mijnenveld. Het kan in ieder geval niet op de van-dik-hout-zaagt-men-planken-manier die Dekker hanteert.

Eerder besprak ik hier Van dode mannen win je niet, een roman over een extreem gewelddadige man, die het hele boek door zijn gedrag probeert te rechtvaardigen tegenover een jongen. Hij wil hem laten inzien dat diens moeder niet voor niets door hem in elkaar geslagen is; ze had het er zelf naar gemaakt.

De hele roman zitten wij als lezer in het hoofd van de hoofdpersoon. De auteur neemt geen afstand van zijn personage. Het gevolg is dat het boek ons laat nadenken over hoe het is om zo'n gewelddadige man te zijn. Iemand die oppervlakkig leest, zou kunnen beweren dat Van den Berg het wereldbeeld van zo'n man niet alleen duidelijk maakt, maar ook propageert. Dat is niet het geval.

Goedpraten van verkrachting

Aangezien Dekker gauw thuis wil zijn, maakt ze grote stappen: twee zinnen verder al noemt ze Baudet 'iemand die verkrachting goedpraat'. Hier wordt de bocht wel erg grof afgesneden.

Ten eerste gaat het om een personage en niet om Thierry Baudet en ten tweede kan ik niet uit het citaat halen dat het personage verkrachting goedpraat. Hij zegt alleen dat vrouwen tijdens een verkrachting een orgasme kunnen krijgen. Of dat zo is, wist ik hiervoor niet, maar hier, in het boek Seksuologie (2004), kwam ik dat wel tegen. Ik neem maar even aan dat dat klopt.

Er zijn ook verschillende fora waarin slachtoffers hun verhaal doen, hier bijvoorbeeld, maar dat zijn niet te checken verhalen. Dat vrouwen in 'veel gevallen' een orgasme krijgen tijdens een verkrachting krijgen zal wel overdreven zijn; in Seksuologie wordt gesproken over 'soms'.

Ik kan niet inzien dat er hier sprake is van goedpraten van verkrachting, niet door het personage Gregor en al helemaal niet door Thierry Baudet.

Misgoynie

Het zijn overigens niet de enige beschuldigingen die Dekker uit:
Hij laat zich wel vaker niet alleen seksistisch, maar zelfs misogyn en racistisch uit. 
Ze geeft daarbij twee links. Voor 'misogyn' verwijst ze naar het artikel 'Julien Blanc heeft volkomen gelijk' waarin Thierry Baudet, de versiergoeroe Julien Blanc gelijkgeeft. Het artikel is (opnieuw) gepubliceerd op The Post Online. Baudet verwijst in het artikel naar een bericht op dezelfde site waarin vermeld wordt dat Blanc niet toegelaten wordt tot Groot-Brittannië.

Of het artikel van Baudet een uiting van vrouwenhaat (misogynie) is, kun je betwijfelen. Hij doet nogal generaliserende uitspraken over vrouwen, die niet al te slim overkomen en het is begrijpelijk dat hij daarop aangevallen wordt. Ook in de eerder genoemde recensie krijgt Baudet het verwijt dat hij overhaaste generalisaties gebruikt. Of die uitingen zijn van misogynie weet ik niet. Misschien wel. Maar misschien had de bewering dat Baudet zich 'wel vaker' misogyn uitlaat iets steviger onderbouwd kunnen worden.

Racisme

Ook bij de beschuldiging van racisme geeft Dekker een bewijsplaats: een discussie tussen Baudet en Sylvana Simons. Het onderwerp van de discussie is de vraag of er quota opgelegd moeten worden om ervoor te zorgen dat de politiek en het bedrijfsleven een betere afspiegeling vormen van de diversiteit in de samenleving. Simons is daarvoor, Baudet denkt dat zulke quota niet werken. Bij de discussie tussen de 'Lagerhuisleden' blijkt dat ook daar de meningen verdeeld zijn.

Deze discussie wordt door Anne Fleur Dekker gepresenteerd als het argument voor Baudets racisme, maar ik kan dat racisme werkelijk niet terugvinden. Veronderstelt Dekker dat iedereen die het met Sylvana Simons oneens is bij voorbaat al een racist is? Dat moet haast wel.

Voor de duidelijkheid: Sylvana Simons is mij sympathiek Baudet bepaald niet. Ik had veel liever dat haar partij in de Kamer was gekomen dan het Forum voor Democratie. Maar dat wil niet zeggen dat alle tegenstanders van Simons racistisch zijn. Of zo'n quotum werkt, weet ik niet. Daar zal wel onderzoek naar gedaan zijn. Als niets doen niet helpt, moet er misschien wat geprobeerd worden en zo'n quotum kan misschien een zetje geven.

Van het artikeltje van Anne Fleur Dekker is intussen weinig over: ze beschuldigt Thierry Baudet ervan dat hij verkrachting goedpraat, waarvoor ze alleen een uitspraak van een personage aanhaalt waarin verkrachting helemaal niet goedgepraat wordt.

Voor de beschuldiging van misogynie geeft ze een enkele bewijsplaats, waarover je van mening kunt verschillen en het argument dat ze geeft bij de beschuldiging van racisme onderbouwt haar stelling niet. Daarmee wil ik niet beweren dat Baudet geen racistische of  misogyne opvattingen huldigt. Dat blijkt alleen niet uit het artikeltje van Dekker.

Volgens Dekker hebben de media zich vooral gericht op Wilders (wiens uitspraken zij 'fascistoïde' noemt) en 'wordt er geen woord gerept over Baudet die een overwinning heeft behaald.'  'Onbegrijpelijk' zegt Dekker.

Haar bewering is aantoonbaar onjuist. Eerder in het artikel geeft ze een link naar Het Lagerhuis en verwijst ze naar Pauw & Jinek die aandacht besteedden aan Baudet.  Ook na Baudets overwinning besteedden Pauw en Jinek aandacht aan het Forum voor Democratie.


Dekker zet de PVV en het Forum voor Democratie zo ongeveer op één lijn. Een onderbouwing geeft ze daarbij niet. Doet Baudet net als Wilders 'fascistoïde' uitspraken? Het is belangrijk om nu het Forum voor Democratie in de gaten te houden zegt Dekker, 'en met verzet daar ook op in te spelen'. Dat is wat ongelukkig geformuleerd. Blijkbaar moeten we ons verzetten tegen het Forum voor Democratie. Hoe dat verzet eruit moet zien, wordt niet uitgelegd.

Het doel van het verzet is het 'voorkomen dat FvD ooit net zo groot, dan niet groter wordt dan de PVV'. Het Forum voor Democratie is de kleinste partij in de Tweede Kamer. Natuurlijk kan die partij groeien, maar suggereren dat de partij een gevaar kan opleveren (voor wie of wat eigenlijk?) heeft op zijn minst de schijn van demagogie.

Anne Fleur Dekker noemt zichzelf 'activist en blogger' en haar stukje zal wel een activistische of blogachtige toon hebben, maar dat is het dan ook wel. Inhoudelijk stelt het weinig voor. Of Joop een redactie heeft die bijdragen beoordeelt, weet ik niet. Dat naar het schrijfseltje van Dekker niet kritisch gekeken is, is duidelijk.

Het soort uithalen als in 'Thierry Baudet is Wilders in schaapskleren' diskwalificeren slechts de schrijfster van het  artikel en daarmee de site waarop het geplaatst is.

vrijdag 10 maart 2017

Heel Holland Bakt (Knipoog 61)



Van tv-kijken komt het meestal niet. Dat wil zeggen dat ik wel gehoord heb over sommige programma's, maar dat ik ze meestal niet gezien heb. Zo'n programma is Heel Holland Bakt. Ik geloof dat daarin niet door Nederland gereisd wordt om te kijken hoe in geheel Nederland gebakken wordt, maar dat er bakkende mensen gefilmd zijn en dat heel Holland geacht wordt daarnaar te kijken.

Misschien kijkt niet heel Holland, maar het programma doet het goed. Ook de titel doet het goed. Er blijken variaties op mogelijk te zijn.

Ik denk dat de alliteratie op de h-klank in de eerste twee woorden goed werkt. Dat zou nog net iets beter zijn als alle drie de woorden met een h zouden beginnen, net als bij Heerlijk helder Heineken.

Bij het hengelen via Google ving ik de volgende voorbeelden: 'Heel Holland helpt', een tv-sprogramma. Het is mij niet duidelijk welke van de twee Heel-Hollandprogramma's het eerst was. En er blijkt op tv nóg een programma te zijn waarvan de titel hetzelfde stramien volgt: Heel Holland zorgt.

Verder vond ik 'Heel Holland transparant' (hier), Heel Holland lakt (hier), Heel Holland hyggt (hier - weer een nieuw woord geleerd), Heel Holland baklava (hier), Heel Holland danst (hier), Heel Holland holt (hier), Heel Holland hugt (hier), Heel Holland scheurt (hier) en nog veel en veel meer.

Op vrijdag 13 januari kwam ik een knipoog tegen in de NRC van die dag: 'Heel Holland verhuist', voor op het katern 'Economie'. De kop verwijst naar een artikel over de hectiek op de woningmarkt.

Het is duidelijk: om aan te duiden dat iets wijd verbreid is in Nederland, kun je een kop maken die begint met 'Heel Holland'. Zolang het tv-programma (of de tv-programma's) populair zijn, zal dat nog wel even duren.




zondag 5 maart 2017

Schuld (Walter van den Berg)


Slechts twee maanden geleden las ik Van dode mannen win je niet van Walter van den Berg. Daarover schreef ik hier. Ik was onder de indruk van het boek. De verteller heeft een duidelijke stem en is een gecompliceerde persoonlijkheid, die je misschien niet helemaal begrijpt, maar toch aanvoelt.

Omdat het boek me zo beviel, besloot ik meteen Schuld te kopen. Ook dit boek is 'lekker' verteld: er is wel iets meer afstand tot de personages, maar de verteller komt dicht genoeg bij ze om ze interessant te maken. Je wilt weten wat hen beweegt.

Van den Berg schetst een overzichtelijk aantal personen, waarvan de belangrijkste Ron is, die net uit de gevangenis komt. De personen om hem heen zijn zijn zoon Kevin; zijn broer Co; Sandra, die op hem gewacht heeft. Cor begint het boek met een zin die meteen staat: 'Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodsloeg.'

Cor is de enige die in de ik-vorm vertelt, over de andere personages wordt in de hij-vorm geschreven. Maar Cor is niet heel nauw bij zijn broer betrokken; het liefst houdt hij een beetje afstand. Daardoor kan hij wel goed rapporteren wat er gebeurd is. De belangrijkste relatie is die tussen Ron en zijn zoon Kevin. Als Ron uit de gevangenis komt, wil hij contact opnemen met Kevin, maar dat lukt niet zo goed.

De tijd is behoorlijk door elkaar gehusseld in Schuld. Dat geeft een verbrokkeld beeld en er is niet een reden binnen de roman (zoals die er bijvoorbeeld wel is bij Alles wat er was van Hanna Bervoets) die een logische verklaring geeft voor het gehussel. Uiteindelijk gaat het natuurlijk om de avond van de moord. We willen weten hoe die zich heeft toegedragen.

Van den Berg neemt ons mee naar een milieu van kleine krabbelaars die zich staande proberen te houden. Ze verkeren op de rand van de criminaliteit of daaroverheen. Cor heeft zich aan het milieu ontworsteld en is schrijver geworden. Het is verleidelijk om te denken dat Van den Berg veel van zichzelf in het personage heeft gestopt. Cor is de beschouwer, die registreert wat er om hem heen aan de hand is.

De personages hebben een achtergrond van gebroken gezinnen, verwaarlozing, mishandeling. Ze proberen desondanks zo goed mogelijk het leven door te komen. Het ontroerendst vind ik Kevin, die bij Mo werkt om de schuld van zijn vader te voldoen.

Maar eigenlijk hebben bijna alle personages een schuld opgebouwd. Die kan uit te drukken zijn in een bedrag, maar het kan ook een morele schuld zijn. Ron heeft een schuld ten opzichte van Kevin, die veel te weinig aan hem als vader heeft en heeft gehad en wanhopig probeert om gezien te worden. Hij daagt zijn vader uit: die moet moeite doen om hem te bereiken en neemt die moeite niet genoeg.

Cor is Kevins voogd, maar heeft nauwelijks aandacht voor hem. Sandra heeft ook een schuld, waarover ik hier niet verder kan uitweiden, omdat ik dan te veel verraad.

Schuld  is een goed boek. Het tekent geloofwaardig een milieu en het laat zien hoe mensen in alles hun verleden met zich mee moeten sjouwen. Ook heeft het een verteltoon waar je wel naar moet luisteren. Of ik het een beter boek vind dan Van dode mannen win je niet, weet ik niet zeker. Dat was dwingender van opbouw en ging misschien nog dichter op de huid zitten.

Maar de relatie tussen Kevin en Ron blijft je bij. De situatie tussen die twee is zo schrijnend dat het bijna pijn doet om erover te lezen. Kinderen zijn zo'n beetje per definitie loyaal aan hun ouders. Kevin stelt zo ongeveer zijn hele leven in het teken van het voldoen van schulden die hij niet zelf heeft opgebouwd. Hij wil gezien worden en doet alsof het niet erg is als dat niet gebeurt.

Ook worstelt hij met het beeld van zijn moeder. Bij het schoonmaken van laptops komt hij compromitterende filmpjes tegen, waarmee hij de vrouwen die erop te zien zijn lastigvalt. Graag zou hij willen dat zij de werkelijk slechte vrouwen zijn en dat zijn moeder bij hen vergeleken nog wel meevalt. Maar de vrouwen blijken niet zo slecht te zijn, wat de situatie voor Kevin alleen maar moeilijker maakt.

Je kunt zeggen dat Schuld een hard boek is en daar zijn argumenten genoeg voor. Maar de roman blijft misschien nog meer bij door het benauwende, het uitzichtloze en het ontroerende. Dat krijgt Van den Berg dan toch maar mooi voor elkaar.

zaterdag 4 maart 2017

Ach, vader lief, toe drink niet meer (Knipoog 60)


In NRC van zaterdag 4 februari 2017 staat een paginagroot artikel van Elsje Jorritsma over het drankmisbruik door ouderen: 'Elke dag een dubbele tong'. Gepensioneerden blijken behoorlijk wat te drinken: 'In het weekend een wijntje wordt na het pensioen elke avond. Voor je het weet zit je aan een fles per dag.'

De ouderen lijken er zelf niet zoveel problemen mee te hebben: 'Volgens de richtlijn zijn we allemaal alcoholist,' roepen ze vrolijk bij het heffen van het glas. Voor de kinderen is het gênant: er zijn er die na zes uur 's avonds hun ouders niet meer bellen, omdat ze dan niet meer aanspreekbaar zijn.

Voor op de bijlage, Lux, wordt het artikel aangekondigd met de titel 'Ach ouderslief, toe drink niet meer.'

Eerst over dat 'ouderslief'. We schrijven nu gemakkelijk 'moedertjelief' of 'broerlief'. Blijkbaar is het bijvoeglijk naamwoord aan het zelfstandig naamwoord vastgegroeid. Ik heb de twee woorden in de titel hierboven toch maar los van elkaar laten staan.

Een bijvoeglijk naamwoord na, in plaats van voor het zelfstandig naamwoord plaatsen, kwam vroeger nogal eens voor: We zingen niet: 'Daar was laatst een loos (= slim) meisje', maar: 'Daar was laatst een meisje loos.'

Vier jaar geleden schreef ik over Een oudt liedeken van Victor de la Montagne, dat ooit door de Zangeres zonder Naam op de plaat werd gezet. Het begint met:

Tsagh eens een cnape stervensgeern
een valsche vreede boose deern.
De knaap die graag wil sterven is hier niet de stervenswillige jongen, maar 'een cnape stervensgeern'. We kennen de constructie ook uit een bekend gedicht van Martinus Nijhoff, Het steenen kindje: 'o zoontje in me, o woord ongeschreven.' En natuurlijk uit het lied van het knaapje dat een roosje zag staan: 'Roosje, roosje, roosje rood (hier).

Om te constructie duidelijk te maken schreef ik daarom 'vader lief'. Want die lieve vader had ik wel nodig. 'Ach ouderslief, toe drink niet meer' knipoogt immers opzichtig naar 'Ach, vader lief, toe drink niet meer', een lied dat we kennen van de Zangeres zonder Naam. In 1959 kwam het de hitlijsten binnen en daarmee werd het de eerste hit van de Zangeres.


 In het lied is vader een dronkelap, wie door een kind gesmeekt wordt om de drank te laten staan. Vader stoot het kind van zich af, waardoor het een hoofdwond oploopt. Vader neemt zich meteen voor om niet meer te drinken. Tja.

Jorritsma is niet de eerste die naar het bekende lied knipoogt. Ik vond nog: 'Ach zwager lief, toe loop niet meer (hier); 'Ach, Jantjelief, toe drink niet meer' (hier); 'Ach, vaderlief, toe schaak niet meer' (hier); 'Ach, vaderlief, toe fiets niet meer' (hier).

Het is duidelijk: je kunt bij deze regel zowel variëren op de aangesprokene als op het werkwoord. In alle gevallen blijft het metrum gehandhaafd: je moet de lieven aan kunnen spreken in twee lettergrepen en het werkwoord telt er eentje. Een variant als 'Ach, grootmoederlief, toe patience niet meer' is wel mogelijk, maar ik ben die nog niet tegengekomen.

Zonder 'lief' is er meer mogelijk: 'Ach Hans, toe schrijf niet meer' (hier). En soms wordt het 'lief' zomaar weggelaten: 'Ach vader, lieg niet meer.' (hier).

In ieder geval is het lied van de Zangeres nog zo bekend, dat we er nog gemakkelijk op kunnen variëren. Dat zal dan van tijd tot tijd ook wel blijven gebeuren.

Roodbaard Deel 8 (Jijé / Lorg / Charlier)


Integrale heruitgaven zijn hot en dat is niet zo gek. De oudere lezer kan verzinken in het sentiment als hij de strips van vroeger herleest. Strips markeren de jaren waarop je volwassen wordt en herlezen van strips is daarmee ook het herlezen van je leven.

Maar er is natuurlijk meer, anders zouden we ook gewoon een stapeltje oude albums van de zolder kunnen halen. En voor de jongeren geldt het argument sowieso niet. Zij krijgen de kans kennis te maken met een strip die tot de canon van de stripgeschiedenis behoort.

De heruitgaven zijn mooi vormgegeven: gebonden boeken, waarvan we ook als boek kunnen genieten en die we trots in de boekenkast kunnen zetten.

En dan bevat (bijna) elke heruitgave ook nog een 'dossier', een uitgebreide inleiding met veel informatie over de achtergrond, schetsen, omslagen. Na het lezen ervan waan je je een ingewijde in je favoriete strip.

De heruitgave van Roodbaard heeft intussen zijn sporen al verdiend. In 2014 kreeg uitgeverij Sherpa een penning van het Stripschap, mede vanwege die serie. De puristen vinden alleen de Roodbaard van Victor Hubinon de echte. Zij zijn na de eerste zes delen wellicht afgehaakt.

Dat is jammer. Ten eerste hebben de andere tekenaars ook heel wat te bieden en ten tweede is zo'n serie het mooist als je hem compleet hebt, waarmee je het totale overzicht hebt.

In deel 8 treffen we twee verhalen aan: Het hellevuur (deel 20) en Het eiland van de verdwenen schepen (deel 21). Het eerste is het slotdeel van een aantal opeenvolgende verhalen, het tweede het begin van een nieuwe serie verhalen. Het scenario is weer in de vertrouwde handen van Jean-Michel Charlier, de tekeningen zijn gemaakt door Jijé (Joseph Gillain, bekend van Jerry Spring en Tanguy en Laverdure) en zijn zoon Lorg (Laurent Gillain).

In het dossier is weer veel moois te vinden, zoals een overzicht van de omslagen van de albums, die op een gegeven moment de uitstraling van een filmposter moesten krijgen. Het is mooi om te zien hoe verschillende kunstenaars hetzelfde gegeven aanpakken.

Verder natuurlijk veel aandacht voor Jijé en voor de manier waarop vader en zoon Gillain samenwerkten. Lorg vertelt in een interview dat Jijé niet aan de serie begonnen is omdat hij er zoveel zin in had, maar omdat hij op die manier zijn zoon de kans wilde geven het vak te leren. Jijé had toen al problemen met zijn gezondheid.

Ook is er veel aandacht voor het tijdschrift Super As, de Franstalige versie van het Duitse Zack (dat in Nederland verscheen als Wham!).

De twee verhalen over Roodbaard lezen als vanouds: er moet een probleem opgelost worden en de inventiviteit van Roodbaard (of Erik) helpt daarbij. Er worden altijd ingenieuze manieren bedacht om tegenstanders te misleiden.

De tekeningen van Jijé zijn goed. In Het eiland van de verdwenen schepen is de inkleuring van de huid soms wel erg oranje/rood, maar dat zal wel gedaan zijn om aan te geven dat het gebruinde zeelieden betreft.

Jijé gebruikt bij het tekenen van de gezichten meer ironie dan zijn voorgangers, waardoor sommige scènes al snel iets grappigs krijgen. En verder is het hem en zijn zoon gelukt om er gewoon weer twee prettig lezende Roodbaardverhalen van te maken. Daarmee is ook deel 8 weer een mooi boek geworden, waarmee je je in een gemakkelijke stoel kunt nestelen om te genieten van een strip die na al die jaren nog niets aan kracht heeft ingeboet.

Titel: Roodbaard, De schrik van de zeven zeeën. Deel 8
Scenario: Jean-Michel Charlier
Tekeningen: Jijé en Lorg
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2016, gebonden, 144 blz. € 24,95


vrijdag 3 maart 2017

De Dapperstraat (Knipoog 59)


Bij de Dapperstraat denken veel mensen aan de beroemde dichtregel van J.C. Bloem: 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat'. Een lekkere zin, door dat 'domweg' en door de alliteratie op de d-klank. De zin heeft zich zo vastgezet in ons nationale geheugen dat we er gemakkelijk en veel op variëren.

Al eerder signaleerde ik 'Domweg gelukkig in een verzorgingshuis' (hier), 'Domweg gelukkig in de Javastraat' (hier) en 'Domweg eenzaam in de Vuurdoopsteeg' (hier). Maar niet alleen de slotzin is productief in onze taal. Je kunt ook variëren op een andere zin.

Dat heeft Arjen Fortuin gedaan in de NRC van vrijdag 24 februari 2017. Hij bespreekt daarin het boek Masser Brock van Bert Wagendorp en waardeert de roman met twee van de vijf mogelijke ballen. Hij noemt dit boek 'een overvolle roman'. Wagendorp had meer moeten schrappen, vindt Fortuin.

Masser Brock heeft de journalistiek als onderwerp en de dilemma's waarmee journalisten te maken krijgen. Fortuin:
De waarheid is weliswaar heilig in de journalistiek, maar in hoeverre is die waarheid te kennen? Kan een journalist genoegen nemen met een deel van de waarheid? Hoe verdedigt een journalist zich tegen leugens of tegen manipulaties die hem een bepaald deel van de waarheid naar voren willen laten schuiven? Hoe functioneert een waarheidszoekende journalist in een wereld die vooral geïnteresseerd lijkt in amusement? En: is de waarheid inderdaad heilig of zijn er omstandigheden waarin de wereld beter af is door de waarheid niet te openbaren?
Boven zijn recensie zette Fortuin de kop 'Wat is waarheid nog in dit land?' We zijn weer bij Bloem:
Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.
Bloem kiest in 'De Dapperstraat' niet voor de natuur, die toch maar weinig voorstelt, maar voor de stad. Je moet niet te veel van het leven verwachten verwachten en misschien dat het dan ineens zijn wonderen prijsgeeft, zodat je, 'verregend, op een miezerigen morgen' je ineens domweg gelukkig voelt.

Fortuin is niet de eerste die knipoogt naar 'En dan: wat is natuur nog in dit land?' In het sleepnet van de zoekmachine vond ik nog: 'En wat is literatuur nog in dit land? (hier); 'Wat is kritiek nog in dit land? (hier); 'Wat is Nederlands nog in dit land? (hier); 'Maar ja, wat is cultuur nog in dit land?' (hier); 'En dan: wat is landbouw nog in dit land?' (hier). En heel vaak wordt letterlijk de zin van Bloem geciteerd. 

Bloem leeft. In ieder geval leeft zijn gedicht 'De Dapperstraat' nog. Er zal nog vaak naar geknipoogd worden.