zaterdag 7 januari 2017

Van dode mannen win je niet (Walter van den Berg)


In mijn lijstjes van de afgelopen jaren, ook in de lijstjes van de niet gelezen boeken, komt Walter van den Berg niet voor. Ja, ik wist dat Van dode mannen win je niet (2013) goede recensies kreeg en, ja, ik heb in mijn hand gestaan met Schuld (2016). Niet gekocht, niet gelezen.

Maar een tijdje geleden zag ik Van dode mannen win je niet ergens voor een paar euro liggen. Niet kopen was niet mogelijk. Na een paar weken was niet lezen ook niet mogelijk. En nu is het mij onmogelijk om mijn oordeel over het boek voor me te houden: goed boek.

De hoofdpersoon is een charmante man. Zo'n man die met een goede pan hachee aankomt, omdat een vrouw onderhand wel eens aan een goede maaltijd toe is. Of die een crossfiets uit elkaar haalt en zwart spuit, met mooie vlammen, zodat haar zoon kan pronken met zijn fiets.

Maar de man is ook gewelddadig als de dingen niet helemaal zo gaan als hij wil en zeker als hij gedronken heeft en nog meer als hij veel gedronken heeft en slangen ziet. Hij heeft een feilloos gevoel voor opmerkingen die tegen hem gemaakt worden. Zit daar een zeker voorbehoud in? Klinkt er angst in door? Hij zal de ander er meteen mee confronteren.

Een scène twee dagen nadat hij zijn vriendin geslagen heeft:
Ze sliep veel, alsof ze ziek was, alsof ze iets had, en ik liet haar haar gang gaan. Ik bracht haar koffie, de ochtend van de tweede dag nadat het gebeurd was. Gaat het? vroeg ik.
Het gaat, zei ze met een lachje.
De zon schijnt, zei ik. Misschien kunnen we zo een rondje gaan rijden.
Ze keek door het raam. Op straat hoorden we de buurjongetjes. Misschien, zei ze.
Niet als je geen zin hebt.
Ze zat rechtop in het bed, haar handen om de kop koffie. Ze zei dat ze dat een beetje eng vond.
Hoe bedoel je?
Zeggen of ik iets wel of niet wil. Ik geloof dat het eergisteren zo ook een beetje mis is gegaan. Ze lachte weer.
We hebben het uitgepraat, zei ik. Ik vind het niet zo leuk dat je er nu dan weer over begint.
Sorry, zei ze. Ik ben gewoon heel erg van je geschrokken.
Ik keek naar de grond. Ik vind dat een beetje als een steek onder water klinken, zei ik.
Sorry, zei ze maar - sorry. 
Een verschrikkelijke en dus prachtige dialoog. In zo'n kort, kaal zinnetje als 'Ze lachte weer' proef je het ongemak dat achter het lachje schuilgaat. De vrouw is geslagen, maar de man voelt zich slachtoffer. Hij is grootmoedig: brengt haar koffie en vraagt hoe het gaat en zij geeft steken onder water. Zo voelt hij het, zo rationaliseert hij.

Voor een deel komt zijn gewelddadigheid voort uit onmacht. Zijn vriendin Dimphy is weduwe en hij voelt dat hij van haar man, die immers de echte vader van haar zoon Wesley is, nooit zal kunnen winnen. Hoe goed hij zijn best ook doet, hij zal altijd tekortschieten.

Maar zijn tekortschieten zit niet in het zijn best doen, maar in de keren dat hij alles vergeet en naar geweld grijpt. Dat doet hij trouwens ook voor de lol. Als hij gedronken heeft, heeft hij ook gewoon zin om te vechten.

Hij weet dat hij onberekenbaar is en dat hij een gevaar voor zijn omgeving is. Zelfs dat gebruikt hij als argument tegen Dimphy. In het hele boek richt hij zich overigens tot Wesley.
Je moeder vroeg die avond waarom dat nou zo moest met die jongens op straat, en voor haar deed ik mijn ringen af.
En ik vroeg haar toen: wat ben je voor moeder als je mij in je gezin toelaat? Wat ben je voor moeder?
 Als hij haar dat verwijt maakt, slaat hij haar. Van den Berg vertelt dat niet, maar hij vermeldt wel dat de man zijn ringen afdoet. Zelfs dat zal de man nog als een gunst of misschien wel een daad van liefde zien. Hij slaat haar niet met zijn ringen om.

Als alles al achter de rug is, probeert hij contact te houden met Wesley. Die programmeert intussen computerspelletjes die door anderen wel als 'ziek' gekenschetst worden. Ze hebben allemaal een autobiografische achtergrond. De man is het monster dat je als speler moet zien te ontlopen.

Misschien is het boek een zelfrechtvaardiging. Een poging om te laten zien hoe hij zijn best doet een goede partner en goede vader te zijn. Dat heeft iets aandoenlijks. Maar tegelijkertijd weet je dat het helemaal niet deugt. Dat deze man altijd gevaarlijk zal zijn. Dat hij niet zal leren van wat hij gedaan heeft en dat hij altijd nieuwe slachtoffers zal maken.

Ik was meteen verkocht, toen ik Van dode mannen win je niet even aan het lezen was. Het boek heeft een duidelijke vertelstem. Je hoort de man praten. Hij kan naast je aan de bar zitten of tegenover je in de huiskamer. En heb je nu werkelijk zitten knikken terwijl hij aan het woord was? Heb je werkelijk met hem meegeleefd? Ja, ook dat. Verwarrend.

Het is duidelijk. Ik zal ook ook Schuld moeten gaan lezen. Daarover later dit jaar.

donderdag 5 januari 2017

De ruiter (Jan van Mersbergen)


Een verhaal wordt meestal verteld door een menselijke hoofdpersoon, maar er zijn meer vertelstandpunten mogelijk. De verteller kan een geraamte (Maarten 't Hart) zijn, een hond (Gerbrand Bakker) of een schilderij (Willem Jan Otten). Jan van Mersbergen laat het verhaal in De Ruiter vertellen door een paard - een groot paard en niet zo'n dwergviervoeter als er op het voorplat van de roman staat.

De verteller is een oude hengst, die eigendom is van een oude man. Nadat zijn vrouw overleden is, is de man verhuisd naar het platteland. Hij heeft het paard aangeschaft, ook omdat een paard een goede biechtvader is: je kunt alles aan hem vertellen, zonder dat hij iets terugzegt.

De oude man verleent onderdak aan zijn kleindochter Sandra. Ze komt schuilen, omdat ze een vriendje heeft dat niet deugt. Hij en zij zijn lid van een bende die de stad onveilig maakt. Vader zag geen andere mogelijkheid dan haar bij opa onder te brengen, ver van het vriendje.

Het is zomer, en opa en kleindochter zijn veel buiten, zodat de hengst hen kan zien en kan horen wat ze zeggen. Deze hengst heeft bovendien een bijzondere begaafdheid: hij heeft een sterk ontwikkeld reukvermogen en de geuren vertellen hem hele verhalen. Hij ruikt bijvoorbeeld de angst in de brieven die bezorgd worden. Als iemand hem aanraakt, 'ziet' hij bovendien voor zich wat die persoon heeft meegemaakt.

Je weet als lezer dat dat niet kan en toch aanvaard je het. Van Mersbergen vertelt het met een vanzelfsprekendheid die blijkbaar onontkoombaar is.

Alle personages hebben een verleden, zowel Sandra, opa als het paard. Vaak denkt het paard nog terug aan de manege en aan de merries. Alle drie moeten ze in het reine komen met hun levensverhaal. Sandra rijdt op de hengst. Ze wil hem laten zweven.
Ik denk aan het lopen en aan het rennen, aan zweven. Aan het meisje dat licht is. Ik steek mijn nek uit om haar verhaal te kunnen voelen. Omdat ik ouder ben? Of omdat ik mijn eigen verhaal weten?
De verhalen lopen soms door elkaar, er zijn parallellen. Het paard ziet tijdens het rijden voor zich hoe Sandra behandeld wordt door haar vriendje.
We zijn weer bij mijn geribbelde afdakje en ze klopt een paar keer kort tegen mijn hals en zegt ho.
Hij stopt.Ik stop. Ze glijdt van me af.
Hij glijdt van haar af.Heel warm haar lijf tegen me aan, kleverig, zo staat ze naast me en ze zegt: Geweldig. 
Sandra heeft een verleden, maar ze moet ook beslissingen nemen voor de toekomst. Haar opa helpt haar erbij, vooral door haar de ruimte te geven, maar soms ook door wat hij tegen haar zegt. Hij jaagt geregeld en hij vertelt haar dat een haas altijd weet welke kant hij op moet vluchten. Ook Sandra zal te weten moeten komen, wat ze wil en wat dus haar vluchtrichting zal zijn. Opa legt nog een verband tussen de personages:
Ik heb het over jou en over sprookjes. En eigenlijk heb ik het over mezelf, geloof ik. Ik vroeg je alleen maar hoe het zat, en nu denk ik aan wat ik zelf nog wil. Wat ik nog te willen heb. Jij denkt aan wat jij wilt en die jongen van jou denkt aan wat hij wil en zelfs een oude knol denkt aan wat hij wil. Ik denk niet meer en wil niet meer, ik mis mijn vrouw, ik wil alleen bij haar zijn. Daar wacht ik op.
Het hele verhaal speelt zich binnen een week af en toch heb je het idee dat de gebeurtenissen zich rustig ontwikkelen. Dat komt waarschijnlijk door de verteller, het paard dat dingen van een afstandje bekijkt en dat op zijn gemakje in de wei staat. De verteltrant is vrij eenvoudig; je kunt bij een paard niet al te ingewikkelde gedachten verwachten. De manier van vertellen deed me wat denken aan De dia's van Andrea van Geert van Beek, waarin een veertienjarig(?) meisje vrij eenvoudig een verhaal vertelt.

Sandra kan zich niet blijven verbergen en het is ook maar de vraag of ze dat wil. Haar vriendje heeft is een loverboy, onder wiens invloed je maar moeilijk uit komt. Uiteindelijk neemt ze een besluit: 'Deze haas weet welke richting ze uit moet'.

Haar beslissende tocht naar de stad, maakt ze op de rug van het paard, zodat de lezer alles mee kan maken. Van Mersbergen bouwt de spanning uitstekend op en houdt die ook goed vast: we willen weten wat er gaat gebeuren tussen Sandra en haar vriendje.

Niet alles in de roman is trouwens even geloofwaardig. Als de oude hengst na bijna vijftien jaar terugkeert naar de manege blijken alle merries er nog te zijn. Die moeten intussen al stokoud zijn en het is onwaarschijnlijk dat een deel ervan intussen niet vervangen is door jongere merries.

De functie van de gebeurtenissen op de laatste tocht (Sandra neemt bijvoorbeeld een rolstoel op sleeptouw) snap ik wel. Ze laten zien hoe Sandra nu in het leven staat. Maar ze maakten het verhaal er niet sterker op.

Een groot deel van De ruiter speelt zich af op het platteland, net als bijvoorbeeld het debuut van Van Mersbergen, De grasbijter. Er lijkt een tegenstelling te zijn tussen het gemoedelijke platteland en de onveiligheid van de stad. Maar zo heel gemoedelijk is dat platteland nu ook weer niet. Met de dood is men daar vertrouwd en de onveiligheid van de stad blijkt ook het plattelandsleven binnen te dringen.

Misschien staat de stad meer voor gebeurtenissen, omstandigheden, uiterlijkheden; op het platteland word je met jezelf geconfronteerd en word je gedwongen tot introspectie. Als Sandra uiteindelijk op het paard naar de stad rijdt, blijkt ze anders te zijn dan toen ze de stad verliet. Je zou kunnen zeggen dat ze op het platteland innerlijke rust gevonden heeft. In ieder geval is ze erachter gekomen wat ze wil.

De ruiter is een ontroerend boek. Je ziet personages worstelen met wat ze aanmoeten met het leven en uiteindelijk nemen ze beslissingen, waarin ze zichzelf overwinnen en resoluut hun richting kiezen, ongeacht wat dat voor gevolgen heeft.


Eerder schreef ik over Naar de overkant van de nacht: hier en hier.

dinsdag 3 januari 2017

Pitten schieten (Fleur Bourgonje)


Al in de vroegste gedichten van Fleur Bourgonje komt de rivier voor. Mensen zitten aan een rivier, het water stroomt verder. Ook in haar nieuwste bundel, Pitten schieten, stroomt een rivier. Niet de Maas, zoals bijvoorbeeld in Achtergelaten land (1989), maar de Vecht. In de titelcyclus zitten twee mensen aan het water en ze schieten, net als vroeger, de pitten weg van de kersen die ze eten.

Bij Fleur Bourgonje worden concrete zaken gemakkelijk metaforen. Bij kersen roept het rode sap al gauw de gedachte aan bloed op: 'We bloeden uit onze monden'. De pitten van de kersen worden weggeschoten, maar de personen zijn ouder geworden. Ze halen bij lange na de afstand niet die ze vroeger haalden. Ze zijn ouder geworden en dan komen er gedachten aan verval en aan dood:
bloed dat genoeg zal krijgen van stromen
gedachten die zonder rangorde door het hoofd
kennis die kwijt, vermaledijd veer
dat na het geheime sein aanlegt
om zielen in het vooronder te laden
de veerman die de loopplank intrekt en zegt
het is over, voorbij, ga maar
slapen jij - 
Voorbijstromend water roept de gedachte op aan de tijd die voorbijgaat. In deze cyclus is er op de Vecht 'een boot vol plezier', een boot vol mensen die zich niet bewust zijn van de eindigheid van het plezier, blijkbaar. Maar intussen gaat de tijd voorbij en voor je het weet is die rivier veranderd in de Styx.

De twee personen die de pitten wegschieten, zijn zich ervan bewust dat het verval al begonnen is.
geen reden meer voor overmoed
moed veeleer -  
De moed om door te gaan, zullen ze nodig hebben. Na de laatste regel zet Fleur Bourgonje, zoals in veel gedichten in deze bundel, een streepje. Die streepjes doen denken aan de poëzie van Emily Dickinson. Ze zijn minder definitief dan de punt, houden mogelijkheden open.

Het laatste gedicht in de cyclus eindigt met
Naar nergens neigt ons stille staren
behalve naar elkaar, niet meer
dan dat 
en de jaren -
De man en de vrouw - steeds weer komen ze terug in het werk van Fleur Bourgonje. Ze raken elkaar kwijt (zoals bijvoorbeeld in Labyrint) en doen alle mogelijke moeite elkaar weer te vinden. In Pitten schieten is het de dood waardoor mensen elkaar kwijtraken:
in een goudgeel niemandsland raakt een vrouw
haar man kwijt, hij glijdt als een lint uit haar hand
komt neer tussen zonnebloemen en koren.
Maar de vrouw vecht voor het behoud van haar man, in tegenstelling tot een andere vrouw uit dezelfde cyclus ('Zondagskinderen'). Dat gevecht om bij elkaar te blijven, om elkaar vast te houden, kennen we ook uit eerder werk van Bourgonje.

De man en de vrouw zullen elkaar nodig hebben. Misschien houden ze alleen elkaar over. Daarom neigt het stille staren naar nergens, behalve naar elkaar.

Maar hoe moeilijk het is om ook bij elkaar niet alleen te zijn, treffen we ook in verschillende boeken van Fleur Bourgonje aan. Dat is niet zo vreemd. Zoals in Uitval haar hele werk zich samenbalde, gebeurt dat ook in Pitten schieten. Ook hier komen veel thema's uit het vroegere werk opnieuw langs. Niet voor niets komen we in deze bundel de paarden en de honden weer tegen.

Die paarden en die honden hebben een autobiografische achtergrond. De vader van Fleur Bourgonje was smid en moest de paarden beslaan. Maar hij was bang voor paarden en zong daarom: 'We zijn niet bang, maar doodsbenauwd'. En de honden rukten aan de ketting als de dochters van de smid de rekening bij de boeren moesten afleveren.

Bij Bourgonje is de autobiografie hoogstens de aanleiding. De paarden hebben in haar werk al heel lang een grotere betekenis. In Nevelpaarden bijvoorbeeld dragen ze de herinneringen. In Pitten schieten is er een cyclus 'Paarden', waarbij de paarden steeds dichterbij komen. De paarden van Picasso, van Camille Claudel, van de grootvader, van de 'ik'.

Al vanaf haar debuut vraagt Bourgonje aandacht voor wat mensen elkaar aandoen. In deze bundel gebeurt dat vooral in de cycli 'Oorlog is een vrouw met een vloerkleed op haar rug' en in 'Jachtseizoen'. De cyclus 'Zondagskinderen' eindigt met:
Voor wie goed luistert is een oorlog te horen
die geen einde vindt - 
Je kunt bedenken dat er altijd wel ergens oorlog is, ook als je vrolijk in een boot over de Vecht vaart, maar het zal, zeker gezien de thematiek van de bundel ook te maken hebben met de strijd tegen verval en dood. De strijd die je uiteindelijk zult verliezen.

Een hoogtepunt in de bundel is de afdeling 'Herinnering', die opent met een cyclus met dezelfde naam. Herinneringen dringen binnen, zoals slagregen een huis binnendringt.

Uit het tweede gedicht:
Was de ziel maar dicht, tot aan de nok gevuld
met dromen, de drempel hoog genoeg
om het tij te keren; was het maar
droog gebleven in het huis waar ik woon 
elke dakpan op zijn plek
het gordijn onbewogen - 
De gedichten gaan over de 'ik' en haar vader. Soms wordt de 'ik' beschreven in de zij-vorm.
Zij met de tere huid van toen
is bijna oud, heeft vereelte handen
van het schrijven met een pen
die jarenlang in het vuur heeft gelegen
Zoals de vader het ijzer smeedt, smeedt de dochter de taal. Ook dat heeft Bourgonje al eerder beschreven. Ik dacht dat dat in Nevelpaarden  was, maar ik kan het zo gauw niet terugvinden.

De vader wordt getekend in zijn hardheid ('Ik heb de geur van zijn hoeven in mijn huid'), maar, net als in Uitval wordt hij ontschuldigd: 'Hij wist niet beter'. Bourgonje kan als geen ander eerlijk zijn zonder afstand te nemen. Het laatste gedicht uit de cyclus:
Zo laat ik hem gaan.
Zo dweil ik de vloer en vergeet
wat hij deed, dicht de spleten
met tijd 
de drempel is laag in de droom
maakt niet uit

maakt niet uit -
In het oog loopt het grote stuk wit voor de slotregel. De 'ik' zegt: maakt niet uit, als het gaat om de herinneringen aan de vader. Dan blijft het lang stil en herhaalt ze 'maakt niet uit', als om zichzelf te overtuigen. Tegelijkertijd weet de lezer dat het dus wel uitmaakt, terwijl hij snapt dat de 'ik' wel moet zeggen dat het niet uitmaakt. Altijd gaat Bourgonje op zoek naar de kern, naar het kwetsbare. Die laat ze zien door die te verhullen ('maakt niet uit'). Ontroerend.

Het werk van Bourgonje gaat ook altijd over het schrijven. Hoe dingen veranderen doordat je ze beschrijft bijvoorbeeld. En hoe taal nooit kan weergeven hoe het werkelijk is of was. Hoe taal, als bijna alles in het leven, tekortschiet.
Denkbeelden 
Het staat zwart op wit: dit is wat ik denk
hoe ik leef, waarom ik gekomen ben
en weggegaan, wie ik beminde, hoe diep
het verdriet was,  hoe zuiver de taal. 
Maar het is niet waar, het verliep anders.
Liefde liet zich niet vatten in een gebaar
de woorden dachten niet na, ik kwam aan
en verdween zonder dwingende reden
die zielenpijn was niet te verdrijven met wijsheid
maar onder druk van het lichaam.

Taal van verraad: geheimen geopenbaard,
een oordeel geveld over voorheen
en voortaan, wat duister bleef
met de pen naar het daglicht gehaald,
in inkt te kijk gezet, verklaard. 
Maar het is grijs, niet meer dan een veeg
van een penseel, het beweegt
met me mee 
heen en weer in de wind
heen en weer in de tijd - 
 De laatste afdeling in Pitten schieten heet 'Kringloop'. De vertelster bezoekt de begraafplaats waar haar grootvader en vader begraven zijn. De begraafplaats ligt in een rurale omgeving, met akkerbouw: 'Het bouwland gaat hier boven een dodenakker: de doden zijn voorgoed dood, het bouwland geeft voorjaar op voorjaar nieuw leven.' In de akkerbouw is de kringloop jaarlijks, in het leven duurt het wat langer.

Bourgonje heeft in deze cyclus gekozen voor gedichten die de vorm hebben van een alinea uit een prozawerk. Bij deze schrijfster is de grens tussen proza en poëzie toch al moeilijk te trekken. Haar proza is uitermate 'poëtisch', met veel gevoel voor ritme en metaforen. De stukjes in 'Kringloop' zien eruit als proza, maar er zit veel (half)rijm in. Uiteindelijk gaat het om wat in de stukjes gezegd en niet in hoe we de vorm moeten determineren. De afdeling (en daarmee ook de bundel) eindigt met:
Je kijkt ze na. Je blijft achter. Om te ruimen wat al geruimd is en afscheid te nemen van wie allang vertrokken zijn. Op de storm na is het stil. Op de namen na ben je alleen. Je vraagt je af hoe diep het graf is dat je ooit voor hen hebt gedolven en hoe je het hebt gedicht, met wat, met wie. Met welke vergeefse woorden. 
Vergeefse woorden, omdat de graven niet te dichten zijn en omdat de afwezigen aanwezig blijven.

Gemiddeld genomen heb ik het proza van Fleur Bourgonje altijd meer gewaardeerd dan haar poëzie. Wel vond ik die thematisch interessant, maar qua vorm werd ik minder verrast. Maar altijd zijn er in haar bundels gedichten die je raken en dat is zeker het geval in Pitten schieten. Er is in de loop der jaren een nietsontziendheid in het werk van Bourgonje gekomen, een drang om franje te vermijden en zich alleen bezig te houden met het werkelijk grote, ook als zich dat openbaart in het kleine en het dagelijkse.

Dat is bewonderenswaardig, maar dat niet alleen. De puurheid van haar werk ontroert, raakt je aan, laat je je bezinnen. In Pitten schieten is het verval en de eindigheid van het leven onontkoombaar, maar dat zijn ook de pogingen om desondanks het leven leefbaar te houden, ook al is dat dan met vergeefse woorden.

maandag 2 januari 2017

De beste poëzie van 2016



Afgelopen jaar las ik niet veel poëzie. En niet alle poëzie die ik las, was goed. Daarom geen lijst met tien, maar slechts met vijf bundels:
1. Maartje Smits, Als je een meisje bent (recensie)
2. Fleur Bourgonje, Pitten schieten (recensie)
3. Hedwig Selles, Wie hier binnentreedt (recensie)
4. Maarten Buser, Club Brancuzzi (recensie)
5. Johanna Geels, Vuurmakers (recensie)

















De recensies die ik schreef, heb ik niet teruggelezen; ik ben afgegaan op hoe de bundels zich genesteld hebben in mijn geheugen. Veel goede bundels uit 2016 zijn me ontgaan, of in ieder geval heb ik ze niet gelezen. Anders hadden ongetwijfeld de namen van Eva Gerlach en Menno Wigman in bovenstaand lijstje gestaan.

Soms koop ik een bundel en kom ik niet aan lezen toe. Zo staan er ongelezen bundels van Kira Wuck en Ilja Leonard Pfeijffer al enkele jaren in mijn kast. Om een of andere reden zijn er steeds andere bundels die voorgaan.

Zoals elk jaar neem ik mij voor meer poëzie te gaan lezen. Hopelijk kom ik volgend jaar tot een langer lijstje.

De lijstjes met de beste poëzie van de afgelopen jaren vind je hier: 201520142013 en 2012. Verder:
De beste romans van 2016: hier.
De beste romans van 2016 die ik niet gelezen heb: hier.
De beste strips van 2016: hier.

zaterdag 31 december 2016

Orewoet (Emy Koopman)


Zeker weet ik het niet, maar het zou me niet verbazen als het vooral de titel was die me het boek van Emy Koopman deed kopen: Orewoet. Hadewijch, jazeker. In 1984 kreeg de hele klas waarin ik zat een kopie van een uitgave van haar Strofische gedichten (editie Rombouts/De Paepe, uit 1961) in het kader van de studie Nederlands MO-B. Hoe het met de rechten zat, weet ik niet.

Niet al die gedichten heb ik indertijd gelezen, misschien ook omdat het geen gemakkelijke kost is, maar ik heb er toch heel wat uren in gegrasduind. Steeds gaat het weer over de Minne, die in de hertaling van Rombouts en De Paepe altijd met een hoofdletter wordt geschreven. En nooit is die minne simpel:
Dit es wonder groet te verstane:
Der minnen nemen ende hare gheven;
Alsi mi gheeft troest te ontfane,
So wordet vruchten ende beven.
(Het is een wonder, moeilijk te begrijpen: het nemen en geven van de Minne; gunt Ze het me vertroosting te vinden, dan wordt het (meteen) schrikken en beven).

Die 'orewoet' is de liefdeshonger, het verlangen, de gloed, de gedrevenheid. Bij Hadewijch is die vaak metafysisch gericht, al zijn haar beschrijvingen vaak ook lichamelijk: 'nu valle in minen armen'.

Emy Koopman schetst in Orewoet drie personen, met op de achtergrond de kunstenaar Lucas Brandmeester. Agatha (May) was ooit hevig verliefd op hem, Diederik (Dirk) was de beste vriend van Lucas en probeerde via hem May te winnen en Alex gaat met zijn moeder Agatha naar de begrafenis van Lucas en komt erachter dat hij diens zoon is.

De drie personages komen allen in de ik-vorm aan het woord. Het is 2002, Lucas is net overleden en Alex wil natuurlijk weten wie zijn vader was. Verder is er een verhaallijn in de jaren zeventig. Dirk, die uitstekend handschriften kan vervalsen, neemt zijn kans waar als Lucas in een inrichting is opgenomen. In zijn handschrift en in zijn naam schrijft hij May brieven.

Alle personages hebben iets van gekte: Lucas zit in een inrichting (waarbij we een kijkje krijgen in de antipsychiatrie van die tijd), Dirk creëert via zijn brieven een nieuwe werkelijkheid, Alex verliest zich in een bouwsel dat hij optrekt in de achtertuin en later gaat hij geloven dat Lucas niet overleden is, en May wordt beheerst door haar verliefdheid.

Niet alles in het boek is even geloofwaardig. Dat hele bouwsel van Alex en ook zijn gekte verderop in het boek, doen mij vooral de schouders ophalen. Dirk kan goed handschriften nadoen. Later blijkt hij ook wetenschappelijke fraude gepleegd te hebben. Hij zal wel niet voor niets ook Diederik heten. Misschien moet dat aannemelijker maken dat hij in een zelf geconstrueerde wereld leeft. Aan het verhaal voegt het verder niet zoveel toe.

Dat vind ik ook van de dagboeken van May en de andere gedeelten over haar. Er worden wat dingen in opgehelderd  die de lezer had kunnen raden of die best onduidelijk hadden mogen blijven. Waarschijnlijk hadden al die delen geschrapt kunnen worden, zonder dat we veel gemist zouden hebben.

Ik snap het punt van Koopman wel: ze wil laten zien waartoe orewoet in staat is, hoe dicht verliefdheid en waanzin bij elkaar liggen. Maar de overgang naar Alex' waanzin doet me slechts de schouders ophalen en het warrige waanzinsproza in zijn verhaallijn, is bepaald niet het sterkste in het boek.

De interessantste figuur is voor mij Dirk, die via de fictie van brieven May voor zich probeert te winnen, maar moet zien hoe zijn bouwwerk in elkaar stort.

Koopman kan best wat, maar Orewoet kan mij slechts gedeeltelijk boeien. Misschien komt dat mede door de nadrukkelijke constructie, waarbij ik het idee heb dat sommige gedeelten (vooral de verhaallijn van May) in het boek opgenomen zijn om die constructie in stand te houden, zonder dat dat inhoudelijk gemotiveerd is.

Ten slotte: de corrector van uitgeverij Prometheus heeft heel wat steken laten vallen vooral bij dit soort zinsneden: 'dat hij langzaam naar ons toebewoog'; 'Hij zou het vuur ingaan'; 'terwijl ik het zand oploop'; 'je had je naar me toegebogen'; 'die rokend voor zich uitstaarde'. Ik heb eerder aandacht besteed aan deze hinderlijke onnauwkeurigheden. Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om de werkwoorden 'toebewegen', 'ingaan', 'oplopen' en 'toebuigen', maar 'bewegen' (naar ons toe), 'gaan' (het vuur in),  'lopen; (het zand op), 'buigen' (naar me toe), 'staren' (voor zich uit). Zeker twintig en misschien wel dertig keer gaat de corrector hierbij in de fout. Daar gaat zijn eindejaarsbonus.

Terug naar Koopman. Zolang we ons afvragen wat de volgende gebeurtenissen zijn, gaat het goed. Wat komt Alex te weten over Lucas? Krijgt Dirk het voor elkaar om Amy voor zich te winnen? Dat zijn ook de fragmenten waar er 'verhaal' in het boek komt. Misschien had Koopman meer vertrouwen in dat verhaal moeten hebben en minder in de constructie en in alles wat ze met het boek heeft gewild.

Bij Rebekka de Wit schreef ik dat ik haar derde of vierde boek wel wilde lezen. Dat geldt ook voor Koopman. Laten we haar tijd gunnen.

vrijdag 30 december 2016

De beste boeken van 2016


Natuurlijk had ik meer moeten lezen en misschien had ik andere boeken moeten lezen, maar uiteindelijk heb ik, door toeval of met opzet, de boeken gelezen waarover ik het afgelopen jaar geschreven heb. Hieronder een keuze daaruit.

Veel van die boeken zijn uit 2016, maar er zijn ook boeken uit 2015 bij en de boeken van Weijts en Petry zijn nog veel ouder. Het waren de eerste boeken die ik van deze auteurs las. Dit jaar las ik nog meer boeken van auteurs die nieuw waren voor mij, zoals Rebekka de Wit en Merijn de Boer. Leuk ze gelezen te hebben, maar ze halen niet mijn toplijst. Deze boeken wel:
1. Annelies Verbeke, Dertig dagen (recensie
2. Hanna Bervoets, Ivanov (recensie) 
3. Stefan Brijs, Maan en zon (recensie) 
4. K. Schippers, Niet verder vertellen (recensie) 
5. H.M. van den Brink, Dijk (recensie) 
6. Yves Petry, De maagd Marino (recensie) 
7. Franca Treur, X & Y (recensie) 
8. Thomas Verbogt, Als de winter voorbij is (recensie) 
9. Christiaan Weijts, Art. 285b (recensie) 
10. Esther Gerritsen, Broer (recensie)

Toegegeven, Broer is wat aan de lichte kant voor deze lijst, maar het oeuvre van Gerritsen is mij dierbaar en ik heb het boekje toch met plezier gelezen. 


















Voor wie de vorige lijstjes wil zien: hier vind je die van 201520142013 en 2012. Voor 2016 maakte ik ook een lijstje van de beste romans die ik niet gelezen heb en een lijstje met de beste strips.

donderdag 29 december 2016

De beste boeken van 2016 (die ik niet gelezen heb)


Het jaarlijkse lijstje van boeken die ik had willen lezen, boeken waarvan ik veel verwacht, boeken waarvan ik niet weet waarom ik ze niet in huis heb gehaald. Volkomen subjectief natuurlijk en ook nog gebaseerd op weinig meer dan wat ik van de schrijver verwacht, een interview, enkele recensies. Leve de natte vinger!
1. Jeroen Olyslaegers, Wil
2. Cees Nooteboom, 533 - een dagenboek
3. Arnon Grunberg, Moedervlekken
4. Auke Hulst, En ik herinner me Titus Broederland
5. A.F.Th. van der Heijden, Kwaadschiks
6. Eva Meijer, Het vogelhuis
7. Lisette Spit, Het smelt
8. Pieter Waterdrinker, Poubelle
9. Martin Michael Driessen, Rivieren
10. Atte Jongstra, Aan open zee
En P.F. Thomése, Nelleke Noordervliet, Herman Koch, Peter Terrin, Allard Schröder, Alfred Birney, Roos van Rijswijk, Maarten 't Hart, Ton van Reen, Gerbrand Bakker, Renate Dorrestein, Kader Abdolah en Mensje van Keulen dan? Tja, er passen er maar tien in het rijtje.

Zo'n lijstje fungeert voor mij ook als een boodschappenbriefje bij de boekhandel. Vorig jaar maakte ik dit lijstje. Intussen heb ik van de tien boeken in dat lijstje er maar twee gelezen, maar wel met veel plezier. De overige acht bezorgen mij een licht schuldgevoel. Waarom heb ik De onderwaterzwemmer niet gelezen? Of Jij zegt het?

Dit zijn de lijstjes van 20142013 en 2012. Uit de lijst van 2012 heb ik intussen acht boeken gelezen, uit die van 2013 vier (maar waarom Gelukkige slaven niet?) uit die van 2014 vier, en Godin, held van Peek heb ik in huis. Maar Oorlg en terpentijn heb ik nog steeds niet gelezen, vreemd genoeg.

A.F.Th. van der Heijden komt maar liefst drie keer in de lijstjes voor: met De helleveeg, De ochtendgave en Kwaadschiks. Tegen dat laatste boek zie ik wel op, vanwege de omvang. Waarom laat ik Van der Heijden toch steeds buiten de boot vallen? Nou ja, ik heb meer dan tien boeken van Van der Heijden/Canaponi gelezen, maar wel voornamelijk het vroege werk, plus Tonio. Ik zou weer eens wat van hem in huis moeten halen.

Dit is het lijstje met de beste boeken die ik dit jaar wel las en hier de beste strips van 2016.