woensdag 20 juni 2018

Margje (Jan Siebelink)


Net als (bijna) iedereen las ik Knielen op een bed violen van Jan Siebelink. Ik heb daar aardig wat plezier aan beleefd, al is 'plezier' misschien niet het juiste woord.  De benauwende, duistere kanten van deze roman waren in ieder geval wel aan mij besteed. In de decennia daarvoor had ik al best wat van Siebelink gelezen en in de jaren daarna las ik nog Oscar en het boek dat aansluit bij het violenboek: De buurjongen.

Dat laatste boek viel mij tegen. Ik schreef er hier over. Iemand adviseerde mij toen om Margje te gaan lezen. Dat stond wel op mijn lijstje 'Te lezen', maar het was er nooit van gekomen. Intussen heb ik het boek toch tot mij genomen.

Zoals De buurjongen niet in de eerste plaats over de buurjongen gaat, gaat Margje niet in de eerste plaats over Margje, al krijgt ze wel een veel grotere rol dan in Knielen op een bed violen. Maar ook in dit boek is Ruben Sievez de spil. Hij is degene die je volgt door de jaren heen en door zijn ogen zie je de gebeurtenissen zich ontrollen. Af en toe is er een apart hoofdstukje over Margje, spelend in een verder verleden, maar je krijgt de indruk dat dat 'moest' vanwege de titel.

De ouderlingen, met hun kraaiachtige verschijning, komen ook in Margje voor, maar ze spelen een marginale rol, ook doordat de rol van de vader, Hans, vrij klein is. Maar omdat Knielen op een bed violen in je hoofd zit, vul je die hele wereld waartoe de bekende personages behoren automatisch in. Als iemand het violenboek niet gelezen heeft, hoe zou die dan Margje lezen? Het is een vraag die ik niet beantwoorden kan. Waarderen lezers Margje omdat het lezen ervan de leeservaring van Knielen op een bed violen terugbrengt? Het kan zijn dat ze mede daardoor positief over Margje oordelen.

Concurrerende broers?

Achter op Margje staat: 'Een verhaal over een heel leven, dat van Margje en haar twee zoons. De jongste is haar lieveling, de oudste voert strijd om die plek in te nemen.' Die tekst vertekent nogal. Weliswaar neemt Margje haar zoon Ruben kwalijk dat er gestolen wordt van de tuinderij, maar dat is aan het eind van haar leven en de vraag is hoe helder Margje dan nog is. Verder blijkt de relatie tussen moeder en de oudste zoon goed te zijn, soms op het kleffe af zelfs.

De jongste zoon, Thomas (Tom), wil niet zo deugen, maar moeder blijft loyaal. Ik kreeg tijdens het lezen niet het idee dat dat ten koste gaat van de oudste zoon of dat die twee moesten concurreren om de gunst van moeder.

Wel verpest Thomas de relatie die Ruben heeft met zijn vriendin Johanna. Het lijkt alsof Ruben dat vergeven heeft, maar het zou niet raar zijn, als dat nog is blijven dooretteren, zodat er toch iets in de weg zit tussen de broers. Thomas is blind en je vraagt je wel af hoe dat komt. Een tijd lang verbaasde ik mij over zijn blindheid, omdat hij wel schilder is, maar later in het boek blijkt dat hij dan nog blind moet worden.

Als Ruben op de middelbare school zit, blijkt hij bijzonder goed in gym te zijn. Toen de zeventigste verjaardag van Siebelink in het openbaar gevierd werd in een kerk in Arnhem, vertelde John Jansen van Galen dat de schrijver indertijd zo goed was in gym dat hij bij uitvoeringen de topattractie was. Het publiek keek vol bewondering naar wat hij bijvoorbeeld in de ringen presteerde. Voor zover ik weet heeft Siebelink dat nog niet eerder in zijn boeken verwerkt.

Oom Anton

Een belangrijke figuur in Margje is oom Anton, die niet echt een oom is (maar ik kan zo gauw niet vinden hoe het wel zit). Als kind gaat Ruben met Margje bij de oom op bezoek. In de kelder vindt hij  een foto van het tennistoernooi Roland Garros in 1928. Hij is ervan overtuigd dat oom Anton en Margje op de foto staan. Maar later kan hij de foto niet meer vinden.

De mysterieuze relatie tussen Margje en Anton werkt goed in het boek. Er kan heel veel aan de hand zijn (geweest); het kan ook zijn dat Ruben het zich alleen maar in zijn hoofd haalt. De lezer wil graag weten hoe het zit en de schrijver onthoudt hem genoeg informatie om de spanning erin te houden. Deze verhaallijn is verrw

Hoe Ruben met zijn moeder en ook met zijn broer omgaat, kwam op mij nogal als klef over: de zoentjes, de strelinkjes, de woordjes ('O, vrijkous'). Het is misschien een kwestie van smaak.

In het boek komt ook travestie voor: Thomas trekt de kleren van Margje aan. Het is nauwelijks van belang en het komt ook een beetje uit de lucht vallen, maar interessanter is dat het ook voorkomt in De buurjongen. Ook daar lukte het de schrijver eigenlijk niet om het goed te integreren in het verhaal.

IJdeltuiterij

Ook net als in De buurjongen wordt Ruben nogal opgehemeld: hoe zorgzaam hij is voor zijn moeder, hoe hij meeleeft met het lot van de tuinderij en dus van  zijn vader, hoe vergevingsgezind hij is ten opzichte van zijn broer, hoe goed hij kan leren, hoe knap hij kan gymen. Omdat de schrijver zo dicht op zijn personage zit, vermoed je hier wel enige ijdeltuiterij. Maar misschien is dat geen enkele schrijver vreemd.

De verhaallijn met de oom is intrigerend, maar voor de rest viel het boek me nogal tegen. Het kent wel een vrij heftig slot, waarvan je je af kunt vragen in hoeverre dat voortvloeit uit de rest van het boek.

Ik ben geneigd Margje maar een matige roman te vinden, als ik alle plussen en minnen op een rijtje zet. Maar ik heb het toch met een zeker plezier gelezen. Dat ligt niet aan de stijl en zeker niet aan de karaktertekening en de ene geslaagde verhaallijn is daarvoor ook te weinig.

Sfeer

Misschien is het toch de sfeertekening, die Siebelink goed afgaat. Hij doet een beroep op alle zintuigen en weet kleuren en geuren goed over te brengen. Mogelijk nemen we als lezer ook nog wat mee van de sfeer van Knielen op een bed violen, al is Margje veel minder benauwend, lichter van toon.

De sfeer neemt ons mee het verhaal in en we leven waarschijnlijk ook gemakkelijk mee met de hoofdpersoon, al is die in deze roman niet bijzonder interessant. Dat komt ook doordat er veel expliciet gemaakt wordt, waar de lezer best naar had willen raden.

Zoals gezegd, de verhaallijn met de mysterieuze oom is het sterkst in Martje. En verder zullen we ons waarschijnlijk blijven herinneren als een spin-off van Knielen op een bed violen. 

zondag 17 juni 2018

De samoerai (Shusaku Endo)


Het zijn uitzonderingen: literaire werken van buitenlandse auteur die hier besproken worden. Het lukt me al niet om de Nederlandse literatuur een beetje goed bij te houden en als ik ook de buitenlandse erbij neem, overvalt mij misschien helemaal een gevoel van neerslachtigheid.

Twee jaar geleden besprak ik De opwindvogelkronieken van Haruki Murakami. Het was een cadeau van een leerling, dus ik kon (en wilde) er niet onderuit om het te lezen en als ik het lees, schrijf ik er ook over. Met plezier gedaan.

Onlangs stuurde een uitgeverij mij zomaar De samoerai van Shusaku Endo. Over Endo wist ik niets; alles wat ik over hem weet, heb ik opgezocht, of gevonden op een flaptekst van deze roman.

Endo (1923 - 1996) behoorde in Japan tot een minderheid: hij was namelijk katholiek. Dat katholicisme, of, breder, het christelijke geloof komt ook voor in De samoerai. Het boek verplaatst ons naar het verleden: 1613. Pedro Velasco is een fransiscaner monnik, die Japans spreekt en daarom geregeld als tolk gevraagd wordt. Het is hem een doorn in het oog dat de dominicanen in Japan alle aandacht voor zich opeisen.

Handelsmissie

Hij stelt voor dat er een handelsmissie van Japan naar Mexico zal vertrekken. Als er handelsbetrekkingen aangegaan kunnen worden tussen deze twee landen, zal Velasco een goede beurt maken. Hij hoopt dat hij daarna tot bisschop van Japan benoemd zal worden.

Met hem gaan vier Japanse gezanten (met hun bedienden) mee, waarvan er een, de samoerai Hasekura Rokuemon, de samoerai uit de titel, de leiding heeft. Daarnaast reizen er Japanse kooplui mee. Zij laten zich uiteindelijk dopen, omdat ze het idee hebben dat dat voordelig voor hen zal zijn.

Via Mexico gaat de reis door naar Spanje en daarna zelfs naar Rome. Velasco en de Japanse gezanten doen er alles aan om de missie te laten slagen. De gezanten zijn ooit hun land kwijtgeraakt en wonen in een moerassig gebied. Als de missie lukt, is er kans dat zij de landgoederen terugkrijgen. Ook de gezanten gaan over naar het christelijke geloof, in de hoop dat dat een goed einde van de reis zal bevorderen.

Kajafas

Wat betekent geloof? Mensen gaan uit opportunisme over tot het christendom en de missionaris is meer bezig met de nieuwe status die misschien in het verschiet ligt, dan met zijn relatie met God. Tekenend is ook het gesprek dat er plaatsvindt in Rome. Velasco houdt een vurig pleidooi tegenover kardinaal Borghese, om zich te bekommeren om de afgedwaalde schapen in Japan. Maar Borghese zegt dat hij zich vooral moet bekommeren om het belang van de kudde. Men heeft in Rome een organisatie draaiende te houden.

Velasco vergelijkt de kardinaal met de hogepriester Kajafas die vond dat het beter is dat er één mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat. Volgens Borghese kan hij niet anders: 'Maar zolang ik verantwoordelijk ben kan ik niet anders dan Kajafas' houding aannemen tegenover de gelovigen in Japan. Maar... ik zou niet graag willen dat u denkt dat mijn hart vrij is van verdriet en wroeging. Iemand moet de last van die marteling dragen.'

Borghese wast niet zijn handen in onschuld. Hij weet dat hij vuile handen maakt, maar hij neemt de verantwoordelijkheid op zich.

Uiteindelijk blijkt de hele missie tevergeefs. De christenen worden vervolgd in Japan en die vervolgingen zijn erger geworden sinds de aanvang van de reis. Er is geen enkele aanwijzing dat Japan werkelijk toenadering wil. Dat wil zeggen dat de misschien al vanaf het begin geen enkele kans van slagen heeft gehad.

Zinloosheid

Dat zou je tragisch kunnen noemen, maar toch zijn de deelnemers aan de missie niet alleen maar teleurgesteld. Je zou kunnen zeggen dat ze door de confrontatie met de zinloosheid naar het geloof toe trekken. Juist als ze net zo goed hun streven op kunnen geven, houden ze zich vast aan het doel dat ze gesteld hebben. Daarbij valt het eigenbelang weg. Zowel Velasco als Hasekura wordt gedreven door iets wat groter is dan de eigen persoon.

Het duurde even voordat ik in het verhaal van De samoerai raakte en aanvankelijk vond het boek vooral interessant omdat het ging over plaatsen en tijden waarover ik eigenlijk niets wist. Het verder lezen ging met hobbels, veroorzaakt door de omstandigheid dat ik terechtkwam in examen- en correctiedrukte op school, waardoor ik geen ruimte in mijn agenda had om te lezen en zeker geen rust in mijn hoofd om mij aan een roman te zetten.

In de loop van het boek kreeg het verhaal me te pakken, zeker bij het beklemmende einde, waarover ik niet zo veel kan vertellen, omdat ik de plot niet wil weggeven.

Opmerkelijk is dat een auteur met een christelijke achtergrond een beeld geeft van het christelijke geloof waarin het niet lijkt te gaan om een dieper inzicht, een verbondenheid met het hogere of leidraad in het leven, maar voor om opportunisme en oppervlakkigheid.

Uiteindelijk blijkt het geloof kracht en richting te geven. Gelukkig legt Endo niet uit hoe dat nu mogelijk is. Hasekura snapt zelf ook niet dat hij zich wendt tot een geloof waarvan de vertegenwoordiger, wiens beeld hij geregeld aan kruisen ziet, niets aantrekkelijks heeft voor hem.
De samoerai bedacht ineens dat die man in vreemde landen 'Heer' genoemd werd, en dat hij nooit begrepen had waarom. Het enige wat hij wist was dat het lot hem niet met een koning van deze wereld samengebracht had, maar slechts met een man die veel weg had van de vagebonden die soms in het moerasland kwamen bedelen. 
Harekura maakt een irrationele (of bovenrationele) keuze en blijft daarbij. Of misschien maakt hij niet eens een keuze, maar gebeurt het hem gewoon

Vooral het slot van de roman maakt indruk, waar de personages doorgaan op de weg zie hebben ingeslagen, al kunnen ze weten dat die weg doodloopt en dat ze er niet goeds van te verwachten heben. Alle personen hebben een roman lang en een groot deel van hun leven lang, gestreefd. Hasekura had zich al verzoend met het leven in het moerasland, maar hij wilde wel de missie tot een goed einde brengen. Uiteindelijk is hij het willen voorbij en ondergaat hij wat het lot voor hem in petto heeft en aanvaardt het.

Japans

Dat de auteur Japans is, blijkt natuurlijk uit de onderwerpkeuze en waarschijnlijk ook wel uit de manier waarop de personages omgaan met teleurstellingen. Een van de gezanten kan de schande van een mislukte missie niet dragen en pleegt zelfmoord.

Ook de rol die familie speelt, is onwesters. De oom met zijn opvattingen is belangrijk in de familie, al is Hasekura het niet altijd met hem eens. De reis duurt verschillende jaren en af en toe denkt de samoerai aan vrouw en kinderen, maar minder dan je zou verwachten en het weerzien bij zijn thuiskomst, wordt nauwelijks beschreven.

Endo is ongetwijfeld een schrijver van formaat. Dat ik geen plannen heb om meer van hem te lezen, Stilte bijvoorbeeld, heeft niets te maken met de kwaliteit van zijn werk, maar meer met de beperkingen die ik me noodgedwongen moet opleggen. Nu maar weer over naar de Nederlandse literatuur.

Titel: De samoerai
Auteur: Shusaku Endo
Uitgever: Kok
Utrecht 2018; 336 blz. € 15,00

woensdag 6 juni 2018

De Complete Brammetje Bram: deel 1, Piraten in zicht!


Dingen uit je jeugd opnieuw voor ogen of onder ogen krijgen, kan een bevreemdende ervaring zijn: het huis van je oma is kleiner dan je je herinnerde, de weg naar school blijkt korter dan je geheugen aangaf en de spannende boeken vallen bij herlezing door de mand.

Het heeft iets dubbels, die confrontatie met het verleden. Ik luister wel eens naar slechte muziek uit de jaren zeventig. Dat is muziek die ik ook toen al niet best vond, laten we zeggen 'Una paloma blanca' en toch heeft het terughoren ook iets prettigs: alsof je weer even de tijd kunt aanraken dat je vijftien of zestien was.

Brammetje Bram

Toen ik de integrale heruitgave van de strip Brammetje Bram in de winkel zag liggen, besloot ik hem te kopen. Mijn striphandelaar snoof verachtend: 'Wat neem je nu mee! Die albums neem ik tweedehands nog niet in, al krijg ik geld toe.' 'Jeugdsentiment', zei ik verontschuldigend en ik vroeg me af of ik goed had gedaan aan de koop. Sommige dingen, en dus ook sommige strips, kunnen misschien beter een herinnering blijven.

Ik las Brammetje Bram indertijd in Sjors en ik weet nog als de dag van gisteren dat de strip verscheen. Als mijn geheugen me niet bedriegt, was Sjors net vernieuwd: nieuwe vormgeving, nieuwe strips (bijvoorbeeld De Sliert en Arad en Maya en misschien ook wel Roel Dijkstra) en een nieuwe tekenaar van Sjors en Sjimmie, Jan Steeman.

En in die Sjors werd de strip Brammetje Bram aangekondigd: 'Hou je vast! Volgende week in Sjors Brammetje Bram, het slimste scheepsmaatje aller tijden, en Knevel de Killer, de absolute schrik van de zeven zeeën.' Bijzonder aan de lettering was dat in elke 'o' een stip stond, wat altijd zo gebleven is in de verhalen van Brammetje Bram.

Het was april 1970, ik was tien jaar oud en  het is niet zo gek dat ik vanaf dan zou gaan genieten van de avonturen van deze nieuwe stripheld. De verhalen spelen zich af in een onduidelijk verleden, toen er nog zeilschepen en kapers waren, wat wel aansloot bij de kinderboeken die ik las, zoals Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de Ruijter en Scheepsmaat Woeltje.


Aan het begin van het eerste verhaal, 'Brammetje Bram en Knevel de Killer', rent Brammetje hard weg voor de slager, die een kat te pakken wil nemen. De slager achtervolgt de kat en de jongen, die hun toevlucht zoeken op een schip en daar durft de slager niet te komen: het is namelijk De Zeemadelief, het schip van de beruchte zeerover Knevel de Killer. Brammetje en de kat Knarf varen als verstekeling mee en treden zo toe tot de bemanning van Knevel.

Knevel is het type 'ruwe bolster, blanke pit'. Hij kan hard schreeuwen, maar je weet als lezer dat hij eigenlijk wel deugt en als het erop aankomt, zal Brammetje hem met plezier redden. Ook de naam van zijn schip (De Zeemadelief) geeft al aan dat er ook iets lieflijks zit in deze killer.

Roodbaard voor kinderen

In het eerste verhaal wordt er een prinsesje vervoerd. Zo'n gegeven herkennen we ook uit een van de verhalen van Roodbaard. Met enige goede wil zou je Knevel de Killer een Roodbaard voor kinderen kunnen noemen.

Voor een kind is Brammetje Bram een strip die zowel spannend als veilig is: Knevel en Brammetje beleven veel avonturen en er wordt zeker ook in gevochten, maar er vallen geen doden. Wat dat betreft is de strip met Asterix te vergelijken, waarin heel wat Romeinen in elkaar getimmerd worden, zonder dat je de indruk hebt dat je iets gewelddadigs leest.

De bemanning van De Zeemadelief is een fraai mengelmoesje van culturen: twee matrozen (Driek, die zich als afstammeling van de Vikingen beschouwt en de potige maar goedmoedige Marius), een scheepsarts (Salver Quack, die je pas goed boos kunt maken als je zijn mutsje afneemt) en de Chinese kok (So-wi-so, die de 'r' stereotiep als een 'l' uitspreekt).

Stereotypen

Die stereotyperingen zouden tegenwoordig op bezwaren stuiten. Het laatste verhaal in dit deel van de integrale heruitgave is 'Brammetje Bram, de zonnekoning van Mato Grosso.' Daarin wordt Brammetje meegenomen door een stel inlanders, die voor hem buigen en hem vereren: 'Jijkiebijkie onziekoninkie'. De witte superioriteit, die we later ook zouden leren kennen uit bijvoorbeeld Pocahontas en Avatar, is hier overduidelijk.

In die tijd is de strip Sjors en Sjimmie net gemoderniseerd, waarbij de twee striphelden gelijkwaardig zijn geworden: Sjimmie praat normaal Nederlands en is gewoon een vriendje, dat toevallig niet wit is.  Maar een stel indianen afschilderen als onderdanig en ook wel een beetje dom, was toen blijkbaar geen probleem. Misschien komt dat ook door de historische setting van de strip.

Je zou kunnen zeggen dat je zo'n strip dus niet zomaar zou moeten herdrukken, maar mij lijkt belangrijker dat het tijdsbeeld wordt weergegeven. En moeten daar dan geen waarschuwende bordjes bij? Ach, welnee: de lezers van nu mogen zelf hun oordeel vormen, zonder bevoogdend commentaar.

Dossier

Bij een integrale uitgave hoort ook een dossier met achtergrondinformatie. In deze uitgave is dat dossier bescheiden, maar we komen wel het een en ander te weten over de schepper van Brammetje Bram, de Antwerpenaar Eddy Ryssack (1928 - 2004).  Ik herinner me dat ik in Eppo van zijn hand ook nog de strip 'Opa' heb gelezen.

Ryssack heeft veel getekend en geïllustreerd, maar de geschiedenis heeft wel stof op hem doen neerdalen. Naast het tekenen van strips hield hij zich bezig met het maken van animatiefilms en met het Stripgilde, dat hij mede oprichtte en waarvan hij de eerste voorzitter was. Het is mooi dat met deze uitgave dat stof weggeveegd wordt, zodat we Ryssack en Brammetje Bram opnieuw kunnen leren kennen.

Er staan drie verhalen in deze bundeling, waarvan we 'Brammetje Bram en de schat van de Nour-Akhs' nog niet genoemd hebben. Alleen dat verhaal verscheen ooit als album. Zo zou het ook gaan met de volgende verhalen: sommige brachten het nooit tot een zelfstandige uitgave.

Het dossier in dit deel is verzorgd door Wouter Adriaensen, die dat heel aardig heeft gedaan. Een deel van de informatie was ook al te lezen in de Comiclopedia, in een bijdrage van Bas Schuddeboom.

Tekstschrijver

Opmerkelijk is dat de tekstschrijver van de eerste negen verhalen over Brammetje Bram, Frans Buissink, weggemoffeld is. Hij staat niet vermeld op de omslag of bij het begin van de verhalen en ook niet in het dossier (als er tenminste niet overheen gelezen heb). Wel op de titelpagina en verder in een klein introductiestukje door 'De uitgever' waarin wordt aangekondigd dat er in het volgende deel aandacht aan Buissink besteed zal worden. Dat is aan de magere kant.

Verder ontbreekt een behoorlijke inhoudsopgave, waardoor het iets lastiger is om het begin van de afzonderlijke verhalen te vinden. Op het achterplat staat nog wel welke drie verhalen opgenomen zijn, maar dat had natuurlijk ook prominenter in de uitgave vermeld moeten worden.

Op het achterplat wordt het tweede verhaal 'De schatten van de Noer-Akhs' genoemd, zoals het verhaal ook aangekondigd werd in Sjors. In de albumuitgave zijn 'de schatten' teruggebracht tot 'de schat'. Over de reden daarvan krijgen we verder geen informatie.

De verhalen van Brammetje Bram blijken overigens nog aardig mee te kunnen. Er zit vaart in het verhaal en in de tekeningen. Ryssack had een bijzonder soepele hand van tekenen, die zeer aangenaam oogt. De inkleuring in het eerste verhaal bevalt me op sommige platen minder. Dan is zo'n bladzijde bijvoorbeeld wel erg roze geworden en soms wordt de huid zo roodachtig ingekleurd dat de rode outfit van Brammetje er nauwelijks bij afsteekt (blz. 49). Maar het is slechts de kniesoor in mij die daar op let.

De tekst is goed overeind gebleven. Er zit humor in wat gezegd en beschreven wordt. Op een gegeven moment neemt Knevel Brammetje mee om zijn schat te verbergen. Brammetje moet een kuil graven voor de schat, maar hij weet niet wat daarna zijn lot zal zijn. Zal Knevel hem laten leven? Brammetje vraagt zich dan af: 'Ben ik nu een omgekeerde schatgraver of een doodgraver?' Dat zijn zinnetjes die ik nog steeds met plezier lees.

Het is lastig om objectief te oordelen over Brammetje Bram, omdat er voor mij ook jeugdsentiment aan kleeft. De tekeningen vind ik verrassend soepel en ik heb genoten van sommige stukjes tekst. De verhalen zijn verder aardig, maar nu ook weer niet heel bijzonder. Dat er bijzondere wezens (Nour-Akhs) en bijzondere mensen (indianen) nodig zijn om interesse te wekken is misschien al een veeg teken. Toch heb ik me niet verveeld bij deze drie verhalen en ik heb genoten van de afbeeldingen van de covers van Sjors die ik bijna weer kon ruiken.

In de loop van de jaren heb ik de piraten nooit helemaal vaarwel gezegd. Natuurlijk heb ik Roodbaard gelezen en op Netflix kijk ik naar Black Sails. Het is niet waar dat Brammetje Bram dat teweeg heeft gebracht, maar een moment lang is het leuk om dat te denken.


Serie: De Complete Brammetje Bram
Deel: 1. Piraten in Zicht!
Tekeningen: Eddy Ryssack
Tekst: Frans Buissink
Uitgever: Arboris, Zelhem 2017; 176 blz. gebonden, €24,95

dinsdag 5 juni 2018

Podcast: Fokcast



Al jaren ben ik een liefhebber van cabaret, over de bijna volle breedte van het genre. Dat ging van Don Quishocking tot Toon Hermans en dat gaat van Katinka Polderman tot Wim Helsen en van Micha Wertheim tot Daniël Arends. En ik hou van het goede 'luisterlied'. Laten we zeggen van liederen als van Daniël Lohues, Kees Torn, Yentl en De Boer, Alex Roeka en de betreurde Maarten van Roozendaal.

Fokcast

Maar van stand-upcomedy wist ik bijna niets. Ik heb zelfs voor dit stukje moeten opzoeken hoe je het precies schrijft (los, aan elkaar, streepje?).  Een paar jaar geleden ontdekte ik echter de podcast Fokcast. Fokcast wordt gemaakt door Fokke van der Meulen, een Nederlander in Antwerpen, uitbater van comedy-café The Joker. Tweemaal per week zijn er optredens in dat café en ervoor of erna heeft Van der Meulen een gesprek met de artiest of de artiesten in de kelder van The Joker. Elke week plaatst hij de opname van het gesprek online. Alle afleveringen vind je hier.

Meestal zijn de geïnterviewden slechts in kleine kring bekend. Of misschien is het beter om te zeggen dat ik de meeste comedians nog niet kende. Michael van Peel, Jeroen Leenders, Xander de Rijcke, Alex Agnew, Soe Nsuki, Jens Dendoncker, Jeroen Maris, Steven Mahieu - in het circuit zijn het misschien bekende namen, maar ik heb ze nog nooit voorbij horen komen bij bijvoorbeeld het radioprogramma Andermans veren.

Het zal er ook wel mee te maken hebben dat het Vlamingen zijn en dier namen dringen niet altijd tot Nederland door. Van de Belgen kende ik wel de al eerder genoemde Wim Helsen, en verder: Philip Geubels, Nigel Williams (waarover straks meer) en Wouter Deprez.

Soms komt er een Nederlander langs in The Joker: Theo Maassen, Jan Jaap van der Wal, Kiki Schippers, Arie Koomen. Daar zitten grote namen tussen en ook die treden dus op in The Joker.

De gesprekken zijn bijzonder prettig. Fokke van der Meulen weet in een ontspannen setting gerichte vragen te stellen. Hij vraagt wanneer iemand begonnen is met comedy en samen reconstrueren ze de ontwikkelingsgang. Altijd vraagt hij door naar de werkwijze en naar de thematiek. Natuurlijk gaat het om de grappen, maar een stand-upper moet ook wat te zeggen hebben. Het moet persoonlijk zijn, zodat er wat op het spel staat.

Doordat we meeluisteren met de vragende Fokke, kijken we ook met hem mee naar comedy. Zijn geïnteresseerdheid slaat automatisch op de luisteraar over. De comedians voelen zich bij hem vrij om ook te praten over wat er niet goed ging. Van der Meulen zal niet iets goedpraten wat slecht is, maar hij hecht minder belang aan zijn eigen oordeel dan aan het onderzoeken hoe het nu komt dat iets goed is of minder goed, waarom sommige dingen werken en andere niet.

Intussen zijn er al meer dan honderd afleveringen van Fokcast verschenen en ik heb ze allemaal beluisterd. Sterker nog: ik ben ook af en toe stand-upcomedy gaan bekijken op Netflix: Bill Burr, Louis C.K., Iliza Shlesinger, Eddy Murphy, Doug Stamhope, Jerry Seinfeld, Jen Kirkman. Waarschijnlijk zou ik niet gekeken en geluisterd hebben naar deze mensen en naar bijvoorbeeld Jeroen Leenders en Bas Birker als ik Fokcast niet beluisterd had.

Podcasts over comedy

Ik ging ook op zoek naar andere podcasts over stand-upcomedy, maar het resultaat viel me niet mee. Een stuk of vijf afleveringen beluisterde ik van Mosselen om half twee van Xander de Rijcke. Je vindt de afleveringen hier. Deze podcast bestaat al een hele tijd (bijna driehonderd afleveringen), maar ik vond het beluisteren geen pretje. Het format is: je zet een stel mensen bij elkaar en ze moeten samen grappig doen. Dat betekent dat er veel grappen gemaakt worden die te voor de hand liggend zijn en te weinig grappig. Daarom vond ik indertijd de Lama's ook altijd zo vervelend. Bij de mosselpodcast raakte ik al gauw de aandacht kwijt.

Ook Nigel Williams heeft een eigen podcast: Downtime. Hij praat die vaak (bijna elke dag) vol op een losse manier. Dat is het pluspunt. Hij houdt ervan zich op te winden, maar mij krijgt hij meestal niet mee in zijn opwinding. In de podcast is vaak voelbaar dat het kwartier (of zo) gevuld moet worden, zonder dat er de noodzaak is om iets te zeggen. Ook hier ben ik afgehaakt, na een keer of zes, zeven. Williams als gast bij Fokcast is vele malen interessanter dan Williams als hoofdpersoon van zijn eigen podcast.

Fokcast draait niet om de grappen, maar is niettemin vaak ongemeen grappig. Niet omdat het moet, zoals bij de mosseljongens, maar omdat de gesprekspartners alert en ad rem zijn en zelf veel lol aan het gesprek beleven. Maar de grappigheid is een extraatje, dat je krijgt bij het boeiende gesprek.

En de meeste gesprekken zijn boeiend. Mij zegt Star Wars bijvoorbeeld he-le-maal niets! Ik heb geen referentiekader, geen achtergrondkennis, geen interesse. Maar ik heb toch geamuseerd zitten luisteren naar een groepje mensen in de kelder van The Joker, die samen de nieuwe Star-Warsfilm bespreken. Iets van die interesse pik je als luisteraar dan automatisch mee.

Verschillende gasten keren na verloop van tijd terug in de podcast, wat het kringetje misschien wat klein maakt, maar er zijn ook altijd weer nieuwe gasten. Bovendien bespreken ze ook af en toe de grote Amerikaanse en Engelse comedians, waarbij ze altijd goed uitleggen waarom ze een bepaalde show wel of niet goed vinden.

Een wereld in opbouw

Blijkbaar is de Vlaamse wereld van stand-upcomedy niet zo groot: iedereen kent iedereen. Het gevolg is dat er nogal eens voornamen worden genoemd, zonder dat duidelijk is naar wie er verwezen wordt. Zeker voor de beginnende luisteraar is dat een bezwaar.

In het begin was de verstaanbaarheid niet optimaal: het geluid was toen aan de zachte kant en de opname in een kelder, waar bovendien te pas en te onpas iemand komt binnenvallen zorgt soms voor bijgeluiden. Maar die losheid typeert ook de Fokcast en het heeft ook wel iets charmants. Storend is het zelden. En de kwaliteit van het geluid is intussen meestal in orde.

Natuurlijk is niet elk gesprek van hoog niveau, maar een podcast heeft het recht om beoordeeld te worden op het gemiddelde niveau en dat is best hoog. Halverwege de week komt de nieuwe aflevering bij mij binnen en het gebeurt maar zelden dat ik het beluisteren uitstel tot het weekend. En ik sla nooit een aflevering over.

Even proberen dus, deze podcast, ook als je (nog) niet van comedy houdt. Je komt terecht in een wereld in opbouw. Comedy neemt ook in Vlaanderen toe qua populariteit. Dat betekent dat er meer mogelijkheden zijn voor comedians om op te treden, dat er meer cursussen, masterclasses, gegeven worden. Dat heeft weer tot gevolg dat het niveau stijgt. Over een aantal jaren zal de comedywereld net zo uitgegroeid zijn als de cabaretwereld in Nederland. Het is boeiend om mee te maken hoe het zover zal komen.

woensdag 30 mei 2018

De Generaal gaat integraal 1 (Peter de Smet)


Nooit ben ik een fanatiek stripverzamelaar geweest, maar wel altijd een gretig striplezer. Van een vriendje las ik de Sjors en later de Eppo, van een ander vriendje Abe, een strip in Voetbal International en wat later kocht ik zelf albums.

De Generaal was een van mijn lievelingsstrips. Ik bezat twee schriften met een omslag die getekend was door Peter de Smet. Al jaren heb ik de vaste overtuiging dat ik die schriften nog ergens heb, maar toen ik onlangs ging zoeken achter het schot op zolder, bleken ze onvindbaar. Ik moet ze -o, onvergeeflijke daad!- weggegooid hebben bij weer eens een verhuizing, maar dat wil ik eigenlijk niet geloven.  Misschien houden ze zich schuil in een volstrekt andere doos dan ik altijd gedacht heb.

Net als zoveel strips verschijnt nu ook De Generaal, de bekendste creatie van Peter de Smet, in een integrale heruitgave. Dat is heerlijk. Veel van de albums heb ik, maar sommige zijn kapotgelezen: ik nam ze ook mee naar de school waar ik in die jaren werkte. Leerlingen die klaar waren met een proefwerk, mochten een strip pakken.

Voor degenen die De Generaal niet kennen: de Generaal heeft in elk verhaal (meestal van vier bladzijden lang) maar één enkele missie: de macht grijpen. Hij wordt bijgestaan door een professor, die de methoden bedenkt waarmee die macht voor het grijpen ligt, en een soldaat. De macht wordt verpersoonlijkt door een maarschalk, die in een fort woont. Hij heeft een sergeant onder zich en een soldaat die in elke episode wil schieten, maar dat nooit mag.

Elke poging mislukt en (bijna) altijd belandt het machtsbeluste trio in de cel, waar de Generaal probeert de professor te wurgen.

Het format doet denken aan dat van grootvizier Iznogoedh (tekeningen Jean Tabary, scenario René Goscinny), die zich altijd afvraagt: 'Hoe word ik kalief in plaats van de kalief'. Ook bij hem mislukken alle pogingen.

De kracht van zo'n verhaal schuilt in het maniakale, het altijd maar doorgaan op hetzelfde thema, ook als de uitkomst al vaststaat. De inventiviteit van de auteur zit in het bedenken van de middelen waarmee de macht gegrepen dient te worden en in het taalgebruik.

Ik viel indertijd voor De Generaal mede vanwege de taal. Ook in die tijd was het niet gebruikelijk om iemand bijvoorbeeld 'een snaak' te noemen, wat de generaal zich zomaar kan laten ontvallen. De Generaal is niet zo bloemrijk als bijvoorbeeld Olivier Blunder, maar altijd moet je lachen om laconieke opmerkingen van bijfiguren, om de woordjes die de Generaal eruitgooit als hij enthousiast is, om zijn reacties op een nieuw wapen waarvan hij nog het nut niet inziet.

Het variëren op een thema komt in allerlei onderdelen van de strip terug. Halverwege elke missie komt ons trio agent Dreutel tegen, die altijd fatale schade aan zijn motor oploopt. In latere verhalen is zijn streven de roodkoperen fluit van verdienste, maar in de eerste verhalen vindt hij het al mooi als hij zijn motor heel houdt, wat hem nooit lukt.

Uit dit eerste deel van de integrale uitgave blijkt dat de motoragent al vanaf de vroegste episoden ten tonele werd gevoerd. Hij is een soort spiegelfiguur van de generaal. Ook hij gaat elke missie in met een zekere naïviteit en ook hij delft steeds het onderspit.

Enkele vaste figuren dienen zich al aan (Truus, de hopman met de padvinders, het picknickende echtpaar) andere (opa, moe en nog een hele reeks) moeten nog bedacht worden. Ook het eendje dat zich in latere jaren zal zetten op de pet van de generaal is er nog niet in de vroegste afleveringen en op de stam van de boom die als thuisbasis dient, hangt nog niet het bordje 'HQ'.

In het dossiergedeelte van deze uitgave zegt De Smet over de generaal: 'Er zit niets van mezelf in de man. Hij heeft een gruwelijk karakter. Het enige dat ik in hem bewonder is dat ie nog steeds doorgaat.' Toch heeft de generaal, net als agent Dreutel, iets aandoenlijks en misschien zelfs iets sympathieks. Hoe komt dat dan? En heeft het tekenen van deze verhalen ook niet iets van een missie die elke keer weer naar een goed einde gevoerd worden? Je zou willen dat de interviewer iets verder had doorgevraagd.

Het harde oordeel van De Smet zal wel te maken hebben met de positie van de generaal. Een generaal heeft het voor het zeggen en blijkbaar had De Smet het daar niet op. Er is ook niemand die de generaal blindelings gehoorzaamt. De soldaat, met wie de auteur zich min of meer vereenzelvigt, heeft nooit zin in de missies. Je zou het lijdelijk verzet kunnen noemen.

Voorafgaand aan de 22 verhalen is een mooi dossier opgenomen, met veel biografische gegevens en bijbehorende foto's natuurlijk, maar ook met jeugdwerk van De Smet. Het leest allemaal heel aangenaam, waarschijnlijk door de liefdevolle aandacht waarmee het is gedaan. De samenstellers, Erwin Lammerts en Mariella Sormani hebben er met toewijding aan gewerkt en dat straalt de uitgave uit.

Misschien ligt het aan mijn leeftijd, maar ik had geen moment het idee dat de verhalen over de generaal gedateerd zijn. Zou een jonger iemand dat ook vinden? Ongetwijfeld speelt het jeugdsentiment mee, maar wellicht ook dat de generaal in eigen universum leeft, waarin een generaal opperbevelhebber kan zijn van een eigen leger, waarin hij een hoofdkwartier kan hebben waarin toilet en keuken ontbreken, waarin er een fort kan staan dat ingenomen moet worden. Hoe herkenbaar de eigenaardigheden van de personages ook zijn en hoe vanzelfsprekend de wereld waarin alles zich afspeelt ook getekend wordt, je weet dat het niet de wereld is waarin je terechtkomt als je de deur achter je dichttrekt en je huis verlaat.

Je betreedt die wereld als je in huis blijft, het album opent en de verhalen leest. Die wereld gaat in je hoofd zitten en je raakt hem nooit meer kwijt. Ik vermoed dat er weinig mensen zijn die wel eens een album van de generaal lezen en het dan voor gezien houden. Je wilt het personage in elke episode tegenkomen, je wilt steeds hopen dat het hem lukt de macht te grijpen en je bent tegelijkertijd tevreden en teleurgesteld als de zeepbel uit elkaar gespat is.

Misschien heeft dat wel iets bemoedigends voor lezers. Hoe je plannen ook mislopen: je bedenkt nieuwe plannen, stoft je dromen af en weer door!

Titel: De Generaal gaat integraal 1. 1971 - 1973
tekst en tekeningen: Peter de Smet
samenstelling: Erwin Lammert en Mariella Sormani
redactie: Rob van Eijck en Mariella Sormanie
Uitgever: Personalia, Leens 2018
gebonden, 128 blz. € 24,95



zaterdag 19 mei 2018

Podcast: Boeken FM



Vroeger zat het gezin waarin ik kind was op sommige momenten in een kringetje bij de radio, bijvoorbeeld als Biels & Co werd uitgezonden. In andere gezinnen werd ‘Ssst!’ geroepen als mr. Hilterman de toestand in de wereld besprak. Wij moesten stil zijn als de marktberichten werden uitgezonden, waarin verteld werd dat de nuchtere kalveren duurder waren geworden en als het kritiek was in het voorjaar, luisterden we naar de waterstanden. Moesten er zandzakken bij de zomerdijk gelegd worden?

Podcasts

Tegenwoordig is het nieuws beschikbaar op de momenten die we zelf uitkiezen. Ook voor het beluisteren van programma’s hoeven we niet meer thuis te blijven of onze radio op het juiste moment aan te zetten. We kunnen ons abonneren op podcasts.

Er zijn intussen al heel veel podcastaanbieders. Ik vermoed dat iTunes en Stitcher het meestgebruikt zijn, maar er is keuze uit veel meer. Wie gaat zoeken tussen de beschikbare podcasts, vindt bijvoorbeeld radioprogramma’s die na elke uitzending na afloop beschikbaar zijn om terug te luisteren. Enkele daarvan zal ik in de volgende afleveringen beschrijven.

Daarnaast zijn er radioprogramma’s uit het verleden, die nog steeds op te vragen zijn (bijvoorbeeld Radio Bergeijk) en uitzendingen en reportages die speciaal voor podcast zijn gemaakt, soms door amateurs, soms door professionals, soms door omroepen (die natuurlijk ook professioneel zijn).

De afgelopen jaren heb ik tussen de vijftig en honderd verschillende podcasts beluisterd. Sommige zijn intussen afgelopen (maar nog wel terug te luisteren), bij andere ben ik zelf gestopt en heel wat podcasts volg ik nog steeds. Ik ben van plan elke week een podcast wat nader te belichten.

Boeken FM

De podcast Boeken FM is nog niet zo lang bezig. Wie wil, kan gemakkelijk alle oude afleveringen beluisteren. Dat zijn er op dit moment vier. Je vindt ze op verschillende plaatsen, bijvoorbeeld op podcastluisteren.nl.

Boeken FM is ontstaan uit een samenwerking van uitgeverij Das Mag en het tijdschrift De Groene Amsterdammer. Vaste stemmen zijn die van Joost de Vries (schrijver en boekenredacteur bij De Groene) en Ellen Deckwitz, (dichter, schrijver, columnist. Of mag ik haar nog dichters, schrijfster, columniste noemen?) Verder neemt Peter Buurman deel aan het gesprek, van wie mij de achtergrond niet bekend is.

De gesprekspartners gaan met elkaar om op basis van gelijkwaardigheid. Je hebt het idee dat de rollen niet bij voorbaat vastliggen. Soms geeft de een een samenvatting van het boek, soms doet een ander dat. 

Je kunt niet alles lezen, je kunt niet alles beluisteren. Omdat het mij al zoveel moeite kost om de Nederlandse literatuur bij te houden, laat ik de buitenlandse literatuur meestal links liggen. Natuurlijk weet ik dat ik dan veel moois negeer en een verontwaardigde leerlinge gaf mij ooit een boek Murakami cadeau, zodat dat wel moest lezen. Dat deed ik toen ook. Zie hier.

Van de vier uitzendingen van Boeken FM gingen er twee over buitenlandse auteurs: Ali Smith en Dorthe Nors. Die heb ik overgeslagen. Ik moet mijn oordeel dus baseren op slechts twee uitzendingen. 

Dat zijn uitzendingen over De trooster van Esther Gerritsen en over de genomineerden voor de Libris Literatuurprijs. Beide afleveringen zijn mij goed bevallen.

De gesprekken hebben een informele sfeer, waaruit blijkt dat de gesprekspartners bij elkaar op hun gemak zijn, waardoor ze zich kunnen concentreren op het onderwerp. Dat onderwerp is altijd het te bespreken boek of de te bespreken boeken.

Ik denk dat daarbij twee vragen centraal staan: waar gaat het boek 'eigenlijk' over en hoe waarderen we het boek?

Bij de aflevering over De trooster van Esther Gerritsen vond ik de titel al leuk: 'Wat als Fred Teeven het klooster in was gegaan?' De roman speelt zich namelijk af in een klooster, waarin ook een politicus met een verleden een rol speelt.

De trooster stond al op mijn lijstje 'Aan te schaffen'; Gerritsen is een intrigerend schrijfster. Ik las van haar De kleine miezerige god, waarover ik in het Nederlands Dagblad schreef; Dorst waarover ik twee keer blogde, bijvoorbeeld hier; en Roxy.

Je merkt dat de besprekers sympathiseren met het oeuvre van Gerritsen en ook graag positief zouden zijn over dit boek. Maar ze zijn ook kritisch.

Ook in de uitzending over de Librisnominaties blijkt dat elk boek een faire kans krijgt, ook als de besprekers er kritisch over zijn. Er wordt gezocht naar hoe het boek in elkaar zit, hoe het werkt, hoe het wellicht bedoeld is, waarom het aanspreekt. Maar er wordt ook zo duidelijk mogelijk aangegeven wat er beter zou kunnen aan een boek.

Bij de Librisnominaties zaten twee boeken die ik gelezen heb: De heilige Rita en En we noemen hem.  Bij dat laatste boek werd in de podcast wel besproken hoe de persoonlijke situatie van de vertelster (ze is zwanger) werd gecombineerd met de familiegeschiedenis, maar de reflectie op het schrijven werd buiten beschouwing gelaten. Juist dat vond ik interessant: Van Heemstra lijkt een boek te schrijven of iets wat 'werkelijk' gebeurt, maar ze maakt er natuurlijk ook een verhaal van en dat betekent dat je de werkelijkheid aanpast of misschien wel manipuleert. En we noemen hem is voor mij vooral ook een boek over de werking van verhalen.

Door de aflevering van Boeken FM heb ik De pelikaan van Martin Michael Driessen op mijn lijstje gezet, waaraan je maar weer eens een kunt zien hoe aanstekelijk een enthousiaste bespreking kan zijn.

Ik ga ervan uit dat ik nog wel een hele tijd geabonneerd zal zijn op deze podcast. Het is leuk om mensen met betrokkenheid over boeken te horen praten, zeker als je ze ook nog deskundig acht. Gewoon een gesprek, dat is genoeg. Dan hebben we geen vaste rubriekjes nodig of andere structurerende onderdeeltjes. In een gesprek proberen door te dringen in een boek en op basis daarvan een oordeel geven. Meer vraag ik niet.

En dat heb ik gekregen.



Van Ellen Deckwitz las ik alleen wat losse gedichten, niet een complete bundel. Van Joost de Vries las ik De republiek, waarover ik  hier schreef. 

woensdag 9 mei 2018

Woorden temmen (Kila & Babsie)


Dat er veel gedichten geschreven worden, is wel duidelijk. Je hoeft maar even met je surfplank de wereldwijde webzee op om tegen gedichten van allerlei slag te botsen. Soms heb ik het idee dat er meer poëzie geschreven dan gelezen wordt.

Als iemand toch iets van die ontmoedigende hoeveelheid poëzie wil lezen, waar moet hij dan beginnen Als hij op school zit en hij heeft geluk, kent zijn docent niet alleen Kloos, Roland Holst en Vasalis, maar ook Heytze, Wigman en Wuck. Maar dan nog: hoe lees je die gedichten en wat doe je ermee?

Om zo'n lezer (en misschien wel aankomende dichter) op weg te helpen is er Woorden temmen; 24 uur in het licht van Kila & Babsie. Het dichtersduo Kila en Babsie heeft een soort werkboek gemaakt waarin mensen aan de slag kunnen met poëzie.

Eigenlijk weet ik niet zeker wat de titel van het boekje is. Woorden temmen staat het meest prominent op het voorplat, maar achterin wordt dat genoemd als titel van een reeks, dus misschien is 24 uur in het licht van Kila & Babsie wel de titel van het boek.

In het boekje zijn vierentwintig gedichten opgenomen. Elk gedicht krijgt een tijdstip en een plaats mee; de bundel begint bij 01:00 (op het dak van een huis), volgt uur na uur het etmaal en eindigt bij 00:00 (onder een donkere wolk). De bladzijden zijn niet genummerd, wat een beetje onhandig is bij het register. Daar is bij een trefwoord steeds een reeks tijdstippen genoteerd.

De keuze van de gedichten is uitstekend. Kila en Babsie zijn de evergreens niet uit de weg gegaan ('Onder de appelboom' van Rutger Kopland, 'Bommen' van Paul Rodenko, 'dordrecht 25 november 1963' van C. Buddingh', om maar een paar te noemen), maar ze hebben vooral gedichten uit deze eeuw opgenomen, zodat we dichters tegenkomen als: Tjitske Jansen (tweemaal zelfs), Delphine Lecompte, Rodaan Al Galidi, Charlotte van den Broek, Vicky Francken en Lieke Marsman.

Dat is al prettig: je hebt een bloemlezing in handen met recent en ouder werk, een mooie diversiteit, van vertrouwd tot onbekend. Sommige dichters kende ik alleen van naam en van een enkeling (Martijn Teerlinck) had ik zelfs nog nooit gehoord.

Bij elk gedicht staan opdrachten. Of nog beter: uitnodigingen om met het gedicht aan de slag te gaan. Er is een stukje theorie, waarin technische termen (enumeratie, assonantie, enjambement, metafoor) worden uitgelegd, er zijn vragen die je dwingen de tekst nog eens goed te lezen en er zijn ook altijd vragen die uitnodigen om te kijken naar jezelf: 'Welke gênante momenten heb je zelf meegemaakt?' 'Welke houding neem jij graag aan? Waar? Wanneer? Waarom? Wat voel en denk je als die houding aanneemt?'

Dat lijkt me een goede manier om een gedicht te verbinden met de lezer. De lezer gaat over dezelfde dingen nadenken als waar de dichter wellicht over nagedacht heeft. Alle kunst begint bij nauwkeurig waarnemen en daartoe wordt de lezer door de vragen verleid.

De lezer mag ook zelf aan het schrijven gaan. Soms is de aanleiding het onderwerp van een gedicht en altijd wordt er ook ingehaakt op de vorm en op de taal in het gedicht. De aandacht daarvoor is breed: er worden woordvelden gemaakt, neologismen gevormd, geëxperimenteerd met het afbreken van woorden, er worden locaties gecombineerd met emoties, er wordt geoefend met metrum en met het zinvol gebruiken van witregels. En er is meer, veel meer.

De opdrachten zijn laagdrempelig, zodat degene die ze uitvoert wellicht het idee heeft dat hij met een taalspelletje bezig is. Maar het zijn serieuze oefeningen en doordat ze gekoppeld zijn aan een gedicht wordt ook duidelijk dat je door deze oefeningen te doen eigenlijk met hetzelfde bezig bent als een 'echte' dichter.

In de loop van Woorden temmen gaat wel het nieuwe er een beetje af. Zo omstreeks 16:00 uur, als er een gedicht van Annie M.G. Schmidt aan de beurt is, krijg je het idee dat er wat herhaling zit in de opdrachten. Nu is herhaling in een educatieve setting niet verkeerd, maar ik krijg de indruk dat we bij sommige gedichten ook meer aan de oppervlakte blijven. Maar dat kan ook met de keuze van de gedichten te maken hebben.

Aan het eind van de opdrachten bij elk gedicht krijgt de lezer suggesties voor verdere lezing. Dat zijn fraaie suggesties, met ook weer zowel bekende namen (Gorter, Kouwenaar, Harmsen ter Beek) als minder bekende. Omdat de lezer al met de opdrachten bezig is geweest, zal zij/hij ook eerder daadwerkelijk gaan kijken bij de gedichten waarnaar verwezen wordt. Wat dat betreft is het internet natuurlijk een zegen; je hoeft niet meer naar de boekhandel of de bibliotheek om een gedicht op te zoeken.

Vaak vond ik de leessuggesties verrassend. Bij het gedicht 'Je had een potlood in je haar' loopt de tijd terug. Je verwacht dan een verwijzing naar Jan Hanlo: 'Wij komen ter wereld, met rouw, uit de graven', maar Kila en Babsie vertellen ons dat het gedicht het geïnspireerd is op 'Dag liefje' van Alexis de Roode en in welke bundel dat gedicht te vinden is. Dat wist ik niet. Weer wat geleerd.

Door het boekje ga je de gedichten nauwkeurig lezen, heb ik ondervonden, ook als je ze al kent. Soms botst je eigen lezing dan met die in Woorden temmen. In een gedicht van Rodaan Al Galidi opent Zorro de koelkast, waarin de vla angstig trilt. In een 'weet'-stukje verwijzen de auteurs naar 'een pak vla'. Dat pak wordt in het gedicht niet genoemd en het lijkt mij eerlijk gezegd sterk dat je van vla in een pak zou kunnen zien dat die trilt. Ik had mij een schaaltje met vla voorgesteld. Maar ook het schaaltje staat niet in het gedicht, maar slechts in de koelkast in mijn hoofd. Naast de plek waar pruimen stonden, die iemand intussen opgegeten heeft.

Dat is niet erg, door dit boekje had ik toch al meer zin in poëzie dan in pruimen. Of in vla. Woorden temmen is een mooi boekje, qua inhoud en qua vorm. Licht en toch serieus, degelijk en enthousiasmerend, laagdrempelig maar niet simpel. Koop het!

Kila & Babsie [Kila van der Starre en Babette Zijlstra], Woorden temmen; 24 uur in het licht van Kila & Babsie. Uitg. Grange Fontain, z.pl. 2018.




dinsdag 8 mei 2018

Renate Dorrestein (1954 - 2018) overleden

Foto: Merlijn Doomernik
In 1983 verscheen de roman Buitenstaanders, van Renate Dorrestein. Het was de eerste roman van wat een lange lijst met boeken zou worden. Door de jaren heen bouwde Dorrestein gestaag aan haar oeuvre. Op 4 mei overleed ze, 64 jaar oud.

Debuut

Buitenstaanders was een fris boek over een gezin dat strandt met de auto op weg naar vakantie. Vader, moeder en twee zoontjes worden opgenomen in een huis waarin vreemde mensen wonen, bijvoorbeeld een vrouw die het idee heeft dat ze jong kan blijven door het bloed van jonge eendjes te drinken en een man die liefdesbrieven op bestelling schrijft. En de zwijgzame figuur Evertje Polder, van wie pas na een tijdje blijkt dat het helemaal geen mens is.

Het debuut van Dorrestein was een fris geschreven boek, waarom ik breed moest glimlachen maar het had ook iets duisters, waardoor het meer was dan een luchtig boek. Er wordt door de zusjes Biba en Ebbe een feest op touw gezet voor hun drielingzusje Sterre, maar je krijgt steeds meer het idee dat er iets in het verleden is gebeurd dat helemaal niet pluis is. Na afloop stelt de lezer zich de vraag wat eigenlijk 'normaal' is, wie er normaal is en of hij zelf wel normaal is.

Na Buitenstaanders las ik een aantal jaren lang zo'n beetje alle boeken die Dorrestein publiceerde. Die waren niet altijd even geslaagd (bijvoorbeeld Vreemde streken, 1985), maar de meeste van die romans zijn mij wel bijgebleven, zoals Noorderzon (1986) en Een nacht om te vliegeren (1987).

Rond die tijd kocht ik standaard elk nieuw werk van Dorrestein, dus ook haar verzameling columns Korte metten (1988), het dunne boekje Haar kop eraf (1988), tekst van een lezing, en zeker het half-autobiografische Het perpetuum mobile van de liefde (1988). Ik heb daar tijdens de lessen die ik gaf ook wel uit voorgelezen, herinner ik me.

Het was ook de tijd dat het tijdschrift Bzzlletin een themanummer aan Dorrestein wijdde. Ook dat tijdschrift las ik helemaal. Daarin stond bijvoorbeeld het stuk waarin Hella Haasse Dorrestein plaatste in de traditie van de gothic novel.

De meeste van die eerste romans heb ik verschillende keren gelezen. Ik herinner me dat ik in de plaatselijke bibliotheek een lezing heb gehouden over het werk van Dorrestein. Daar kwam bijna niemand op af, wat ongetwijfeld meer aan mij lag dan aan het werk van Dorrestein. Uiteindelijk kon de lezing aan een grote tafel gehouden worden, wat wel goed was voor de sfeer en voor het op gang komen van het gesprek over de lezing.

Veel van de vroege romans van Dorrestein volgen een vast stramien: ze spelen zich af op een geïsoleerde plek, zodat er geen ingrijpen van buitenaf mogelijk is. Op die plek zijn de mensen bij elkaar en dan gaat het gisten, totdat het uitloopt op een noodlottig einde.

Vóór alles een dame

In 1989 verscheen een boek dat relatief onbekend is gebleven: Vóór alles een dame. Het is een bijzonder boek. Je kunt het lezen als een soort kalender, met bij elke datum de naam van een heilige en een citaat. In die afdeling waren mannen overigens zo ongeveer afwezig. Ook in de rest van het boek zijn het de vrouwen die het voor zeggen hebben.

Er staan verder recepten in het boek, maar het lukt je niet om daarmee een complete maaltijd samen te stellen: ik herinner me vooral recepten voor taarten.

Daarnaast wordt er het verhaal verteld van mevrouw Meermin, die werkt met meisjes die een buitenstaander misschien moeilijk opvoedbaar zou noemen. Mevrouw Meermin spreekt liever over 'meisjes met potentieel'. Mevrouw Meermin leert de meisjes koken, want wie kookt heeft de macht. Haar echtgenoten zijn dan ook op mysterieuze wijze om het leven gekomen. Als het verhaal een onaangename wending dreigt te nemen, komen de meisjes in opstand en gijzelen ze de schrijfster. Een van de meisjes neemt de pen (of het toetsenbord) over.

Dorrestein speelt in het boek met de fictionaliteit: de personages zijn zich ervan bewust dat ze een personage zijn en Dorrestein maakt van zichzelf ook een personage. Het is een spel dat ook de Revisorauteurs wel speelden, bijvoorbeeld Frans Kellendonk in Letter en geest. Maar Dorrestein is luchtiger, speelser.

Jaren negentig

Een tijdlang volgde ik het werk van Dorrestein, kocht en las het: Het hemelse gerecht (1991), Ontaarde moeders (1992), Heden ik 1993, over de ziekte ME waaraan zij leed), Een sterke man (1994), Verborgen gebreken (1996) en het boekenweekgeschenk Want dit is mijn lichaam (1997). Sommige van die boeken staan mij nog goed bij.

Ik zie het restaurant in Het hemelse gerecht nog voor me. Het water begon te stijgen rondom het restaurant en dat kende ik uit mijn jeugd. Mijn opa en oma woonden buitendijks, zodat we bij hoogwater alleen met een roeiboot hun huis konden bereiken en samen met mijn vader en mijn broer heb ik (tevergeefs overigens) zandzakken gesjouwd om het water in het voorjaar achter de zomerdijk te houden.

Ontaarde moeders herinner ik me als een sterke roman. Het meisje dat daarin rondloopt voelt zich erg verantwoordelijk voor haar vader. Als je parentificatie wilt illustreren, kun je veel passages in dit boek als voorbeeld gebruiken.

Een hart van steen (1998) is een van de bekendere romans. Een meisje overleeft een familiedrama en vraagt zich af waarom haar moeder haar niet gedood heeft. Het boek komt nog geregeld op de boekenlijsten van mijn leerlingen voor, waarbij het wel vooral meisjes zijn die het boek lezen. Ik zie ook Het hemelse gerecht of Verborgen gebreken wel eens terugkomen. Bij dat laatste boek speelt misschien mee dat het verfilmd is.

Na 2000

Het geheim van de schrijver (2000) sloeg ik over, maar Zonder genade (2001) las ik, evenals Het duister dat ons scheidt (2003). Terwijl ik dit tik, begin ik te twijfelen. Of las ik Zolang er leven is (2004)? Ergens in deze periode ben ik Renate Dorrestein kwijtgeraakt. Ik heb geen beeld meer bij de inhoud van de romans en blijkbaar waren er andere boeken en andere schrijvers die om mijn aandacht vroegen.

Jaren nadat het uitgekomen was, kocht ik Echt sexy (2007) voor een euro of zo op een rommelmarkt. Het boek kwam terecht op de stapel boeken die ik misschien ooit nog een keer zou gaan lezen. Dorrestein leest immers altijd prettig, dus je weet nooit. Maar nooit haalde ik het boek van die stapel af.

Pas bij Weerwater (2015) had ik weer de neiging de nieuwe Dorrestein te gaan kopen. Ik las de recensies, was geïnteresseerd, maar kocht het boek niet. Wel heb ik een keer een mondeling examen afgenomen bij een leerling die het boek op de lijst had staan en ik bleek er genoeg van te weten om geloofwaardige vragen te kunnen stellen.

Ook Reddende engel (2017) leek me wel wat en toen ik aan het eind van dat jaar een lijstje maakte van de beste boeken van dat jaar die ik niet gelezen had, plaatste ik dat boek erop. Van aanschaffen en lezen is het sindsdien niet gekomen.

Meeleven met de personages

Dorrestein heeft een fors oeuvre bij elkaar geschreven. Het zijn niet allemaal meesterwerken, maar de boeken zijn allemaal prettig te lezen. Dorrestein heeft een zekere helderheid van vertellen die veel lezers aanspreekt, gezien de verkoopcijfers van haar boeken. Ze heeft enkele ontroerende hoofdpersonen geschapen, zoals Ontaarde moeders en Verborgen gebreken. Het is overigens in al haar boeken gemakkelijk om mee te leven met de hoofdpersoon.

Als geen ander wist Renate Dorrestein haar hoofdpersonen in lastige situaties te brengen. Dat deed ook Maria Stahlie wel in haar vroege romans. Je voelt dat het niet goed kan gaan, maar de hoofdpersoon gaat door op hetzelfde spoor totdat hij of zij niet meer terugkan. Omdat de lezer zo meeleeft met de personages, voelt ook de lezer zich ongemakkelijk bij de netelige situatie van de hoofdpersoon.

Mededogen

Altijd lees je Dorresteins boeken met mededogen voor de hoofdpersoon en altijd is  daarin ergens nog wel een sprankje hoop. Pessimistisch was Dorrestein niet, maar ze wilde wel de werkelijkheid laten zien en die is niet altijd prettig. Haar hart was bij de mensen die erg hun best deden om hun leven op orde te krijgen, maar daar net niet in slaagden, bij degenen die net te weinig macht hebben. Kinderen, bijvoorbeeld, zoals in Verborgen gebreken, waarin twee kinderen weglopen van huis en meegaan met een oude vrouw. Ook daar proberen ze greep te houden op het lot. Met noodlottige afloop, overigens.

Vaak onderzoek Dorrestein situaties. Hoe werkt het bij een familiedrama waarin een moeder haar kinderen doodt en daarna zelfmoord pleegt? Hoe werkt macht? Hoe zit het met kinderen die zich verantwoordelijk voelen voor hun ouders? Hoe reageer je als je slachtoffer (of dader) bent van zinloos geweld? Dit soort vragen dwingen de lezer om na te denken over soortgelijke situaties.

Niet lang voor haar dood publiceerde Renate Dorrestein Dagelijks werk, een autobiografie in teksten. Aan de hand van die teksten krijgen we een beeld van haar schrijversleven.

Dorrestein heeft in een groot deel van dat schrijversleven een omvangrijk publiek gehad. Niet voor niets liggen er na haar dood condoleanceregisters bij een aantal grote boekhandels in het land. Daar zullen veel mensen hun naam achterlaten. Op Hemelvaartsdag zal de uitvaart zijn. Dat is een passende dag. Renate Dorrestein heeft op school gezeten bij de nonnen en het katholieke geloof is altijd bij haar gebleven. Ze sprak daar ook over in haar recente interviews, toen al duidelijk was dat de tijd die haar nog restte op raakte.

Laat haar rusten in vrede en laat haar oeuvre nog even doorleven.

De foto van Renate Dorrestein is beschikbaar gesteld door Merlijn Doomernik. 
Voor nog meer portretfoto's: zie zijn website.

zondag 6 mei 2018

Mensen van licht en steen (Frans Willem Verbaas)

De Tweede Wereldoorlog brengt vier inwoners van het stadje Heusden bij elkaar: een zakenman (Nard), een kleine middenstander (Gijs), iemand die op de scheepswerf werkt (Levien) en een docent geschiedenis (Evert). Door de omstandigheden ontwikkelt zich een vriendschap en de vrienden besluiten wekelijks bij elkaar te komen op wat je een hangplek zou kunnen noemen: een bankje bij de katholieke kerk. Dat houden ze vol tot ze hoogbejaard zijn en voor een enkeling van hen zelfs tot het eind van zijn leven.

Dat is het grondpatroon van de roman Mensen van licht en steen van Frans Willem Verbaas, die eerder de vrij goede roman De vierde vrouw, de redelijke roman  Sneeuw in Afrika en het minder geslaagde Engelenwoede schreef. Het zijn wel boeken waarin een auteur serieus iets probeert en ze lezen ook aardig weg.

Dat laatste is ook wel het geval Mensen van licht en steen. Verbaas gaat met soms grote, soms wat kleinere stappen door de tijd, waarbij we op de hoogte worden gehouden van het doen en laten van het viertal en van hun partners en nazaten. Intussen krijgen we ook de ontwikkelingen mee van het vestingstadje Heusden en de andere ontwikkelingen in onze maatschappij.

Daarbij heeft Verbaas het wel klein gehouden. Het boek loopt van november 1944 tot nazomer 2008, maar we krijgen weinig mee van bijvoorbeeld de moord op Kennedy, de oorlog in Vietnam, de treinkapingen in de jaren zeventig of de val van de Muur. De vrienden hebben vooral aandacht voor hun directe omgeving.

Ze kunnen zich niet onttrekken aan enkele ontwikkelingen of maken er gebruik van: Gijs heeft een tabakszaak, maar het roken komt gaandeweg in een kwade reuk te staan; de zoon van Nard begint een keten van videotheken als de videobanden in zwang komen en de dochter van Levien gaat in de computers.

Ook Heusden ontwikkelt zich. De stad wordt keurig gerenoveerd, wat gevolgen heeft voor de huizenprijzen (Nard zit in het vastgoed), maar je ziet ook hoe moeilijk de middenstand het heeft. Wat dat betreft is dit boek ook een beetje Geert Mak in Heusden (Hoe God verdween uit Heusden). Hoe belangrijk Heusden is, blijkt ook uit de plattegrond die opgenomen is in het begin van het boek.

Dat kaartje is een extra service, maar eigenlijk heb je het niet nodig. Ik heb het bekeken aan het begin van het boek, maar heb het verder niet meer geraadpleegd, zonder dat het boek minder goed te volgen was. Na afloop had ik wel zin om eens een kijkje in Heusden te gaan nemen; het lijkt me een aardig stadje.

Het boek van Verbaas begint met een proloog, waarin Evert aan het woord is. Er wordt gesuggereerd dat de rest van het boek bestaat uit zijn genoteerde herinneringen. Dat is merkwaardig, want uit het grootste deel blijkt absoluut niet dat Evert de verteller is. Het eerste hoofdstuk begint bijvoorbeeld met Gijs (in 1944) en al in de tweede regel lezen we: 'Hij verlangde naar beweging en frisse lucht.' Ik geloof niet dat Evert zich dit soort dingen herinnert. De proloog had dan ook beter achterwege kunnen blijven.

Natuurlijk is het tussen de vrienden niet altijd koek en ei. In het schetsen van conflicten is Verbaas niet op zijn best. Een paar keer wordt iemand ineens kwaad en loopt daarna weg van de groep, waarbij ik nauwelijks snap waarom iemand zo ineens zo boos wordt. Tegen het eind van boek is er 'een gewelddadig incident' zoals er in de proloog staat en dat is een absoluut dieptepunt. Niet alleen is de actie tamelijk ongeloofwaardig, ook stilistisch is Verbaas hier op zijn zwakst.

Hij heeft het boek door af en toe clichématige beschrijvingen, vooral als het over het uiterlijk gaat. Van de vrouw van Gijs wordt zo'n beetje elke keer dat ze opgevoerd wordt verteld dat ze 'opaalblauwe ogen'  heeft. Maar in het gevecht tegen het eind is meer mis. Het zou juist snelheid moeten hebben,  maar de schrijver strooit met vertragende zinswendingen en vreemde beschrijvingen. Zo krijgt iemand 'een trap tegen zijn knieschijven'. Ik ga ervan uit dat de bewuste man zijn knietjes keurig bij elkaar gehouden heeft, zodat ze in een enkele trap te raken zouden zijn.

De bedroevend slechte passage tegen het slot maakt veel kapot van een voor de rest aardig boek, waarin Verbaas laat zien dat iedereen een kind van zijn tijd is en dat mensen met verschillende achtergronden elk met hun eigen problemen hebben te kampen, zoekend naar geluk of succes of beide. En ook dat er over de verschillen heen werkelijk contact tussen mensen mogelijk is. Dat is wel prettig in een samenleving, waarin het benadrukken van verschillen gebruikt wordt om contact te vermijden.

Verschillende keren komt Verbaas uit de hoek met originele observaties. Als er twee huwelijken op een echtscheiding uitlopen:
Neem nou jouw Tommy en mijn Ada. Die dubbele echtscheiding was gewoon een ordinaire reorganisatie met bijbehorende ontslagronde: Irene en Albert vlogen eruit, Tommy en Ada fuseerden en werden nog rijker dan ze al waren. 
Relaties raakten in de loop van de decennia minder tijdbestendig. Ook in vorige romans kwamen echtscheidingen of huwelijkscrises al voor. Hier neemt een man de zorg voor de kinderen op zich en ook dat kwam al eerder voor in het werk van Verbaas.

Soms is het geloof onderwerp van gesprek. Vreemd is wel dat er nooit gesproken wordt over 'rooms-katholiek', maar alleen over 'rooms', ook door de katholieken zelf. Een pastoor kan zeggen: 'De roomse kerk kampt met een groot priestertekort'. Geen pastoor zegt hem dat na.

Bij het beschrijven van een kerkdienst is Verbaas weer origineel:
Zo'n kerkdienst is net als vrijen, geweldig als je er zelf mee bezig bent, maar als je er van een afstandje naar kijkt, dan geneer je je. 
Everts beste vriendin, Heleen, roept zichzelf uit tot de uitvindster van het vrij-conservatieve protestantisme.
Daaronder versta ik een geloofsrichting die enerzijds het geheel van de christelijke traditie respectvol wil bewaren, en die anderzijds iedereen de vrijheid toekent zich de afzonderlijke onderdelen van die traditie wel of niet persoonlijk toe te eigenen. 
Dat laatste is kenmerkend voor de gelovigen in Mensen van licht en steen, zoals de pastoor. Het zijn geen zeloten, maar ze bezitten een zekere mildheid tegenover hun medemensen, die ze graag de ruimte geven. De protestant Gijs is wel koppig, maar meer in zijn streven de kerktoren herbouwd te krijgen.

Het idee achter Mensen van licht en steen is aardig en het lukt Verbaas om ons mee te laten leven met de personages. Hoewel de beschrijvingen de ene keer beter geslaagd zijn dan de andere, willen we deze vier mensen toch wel volgen. De constructie met een proloog, en een gewelddadig incident aan het eind is ongelukkig. Daar waren betere oplossingen voor te bedenken geweest. Maar goed, een schrijver probeert eens wat en dan kan het ook mislukken. Een volgende poging, een volgende roman, ga ik wellicht toch wel lezen.

Frans Willem Verbaas, Mensen van licht en steen. Uitgeverij Mozaïek, Utrecht z.j. [2018]; 288 blz. € 19,99

dinsdag 1 mei 2018

De exodus van Hendrik Peter Scholte (Michiel van Diggelen)


Op kerkelijk gebied was het roerig in de negentiende eeuw: de Nederlandse Hervormde Kerk was de officiële kerk, maar in 1834 scheidde een aantal dominees zich af. De bekendste namen zijn H. de Cock en H.P. Scholte. Zij stichtten zelfstandige gemeenten buiten de kerk. Verzet was er tegen de nieuwe reglementen en tegen de Evangelische Gezangen. Ds. Ledeboer zou ze in 1840 letterlijk begraven, waarbij hij gezegd zou hebben: 'Daar liggen moeder en kind bij elkander'.

Stuk voor stuk zijn de voormannen van de afscheiding markante figuren geweest, die tegen de stroom op wilden zwemmen. Over een van hen, Hendrik Peter Scholte, heeft Michiel van Diggelen een historische roman geschreven: De exodus van Hendrik Peter Scholte. 

Bij het begin van het boek is het tien jaar na de Afscheiding en zojuist is de vrouw Scholte, Sara, overleden. Hij is op dat moment voorganger in Utrecht. Om zijn gedachten te ordenen gaat hij een eindje rijden op zijn paard Bilderdijk. Op een gegeven moment werpt het paard hem af, waarop Scholte inziet dat dat zijn eigen schuld is: hij gaf geen leiding. In de loop van de roman zal Scholte wel duidelijk leiding geven.

Waar het boek op uitloopt, is aan de titel al te zien: een exodus. Scholte zal met zevenhonderd volgelingen vertrekken naar Amerika. De roman laat de weg daarnaartoe zien. Scholte heeft het idee dat hij niet anders kan, ondanks dat zijn (tweede) vrouw aanvankelijk niet veel voelt voor de landverhuizing. Als er een beroep op Scholte wordt gedaan gaat hij de emigratie organiseren.

Iemand zegt tot hem:
Als u zich ergens achter stelt, met al uw kracht en invloed, dan vertrouwen de mensen dat het goed komt, maar niet ieder doel is het waard om voor te strijden.
Waarop Scholte antwoordt:
Dat is waar in algemene zin, maar in dit geval niet. Ik wil een nieuwe kans creëren voor al die arme drommels die hier geen toekomst meer hebben. Zij verdienen iemand die als een richter voor hen uitloopt en de weg wijst.

Van Diggelen heeft van de geschiedenis een goed leesbare roman gemaakt, waarin we Scholte aardig leren kennen. Hij is een teleurgesteld man: van de beweging die op gang kwam met de Afscheiding is minder overgebleven dan hij gehoopt had en hij is veel medestanders in de loop der jaren kwijtgeraakt. Het idee van emigratie wakkert bij Scholte het vuur opnieuw aan.

Dat de emigratie ook een economische oorzaak had, was mij onbekend. Een aantal mensen leefde in armoede of bijna-armoede en er was weinig zorg voor hen. Verhuizen naar Amerika was voor hen een manier om zich staande te kunnen houden. Misschien was dat allemaal al wel bekend, maar ik wist het nog niet.

Amerika werd ook gezien als het land waar nog werkelijke godsdienstvrijheid was en waar de overheid de kerk niet allerlei regels op kon leggen.

Een historische roman lees je aan de ene kant als een geschiedenisboek: je komt erachter wat er in die periode in een deel van Nederland gebeurd is. Ik kwam namen tegen die ik kende of op zijn minst wel eens gehoord had: van de predikanten Kohlbrugge, Brummelkamp en Heldring bijvoorbeeld. Heldring vond overigens dat er niet een nederzetting in Amerika gesticht moest worden, maar in Nederlands-Indië. Er werd zelfs een gesprek gearrangeerd van Scholte en Heldring met minister Baud, maar die zag er geen heil in en hij gaf geen toestemming.

Aan de andere kant lees je het ook als het verhaal over een man met wie je wilt meeleven en die je wilt begrijpen. Dat lukt aardig, al is het wel vooral Scholte die goed uit de verf komt. De personen om hem heen blijven een stuk vlakker. De beschrijving van het gezin is warm, maar wellicht ook een beetje klef en dat de vrouw van Scholte eerst fel tegen de emigratie is, maar zich later schikt is ook niet helemaal goed na te voelen.

Van Diggelen heeft Scholte goed in zijn tijd geplaatst, ook qua opvattingen. Zo vindt hij dat zijn vrouw hem moet volgen; dat heeft ze immers beloofd toen ze met hem trouwde. Zijn aanvankelijk opstandige vrouw lijkt dichter bij onze tijd te staan.

Ook het taalgebruik in de kring waarin Scholte verkeerde, weet Van Diggelen goed te typeren. Er worden ook delen van preken naverteld. Wellicht had de schrijver de tekst daarvan tot zijn beschikking, evenals misschien de tekst van enkele brieven. In ieder geval is het taalgebruik geloofwaardig.

De exodus van Hendrik Peter Scholte moet het niet hebben van de plot: die is met de titel al zo ongeveer gegeven. Erg is dat niet. De periode waarin het verhaal zich afspeelt en de hoofdpersoon zijn intrigerend genoeg.

Ook het vervolg van de geschiedenis, dat buiten dit boek valt, lijkt boeiend. Het stichten van Pella in de staat Iowa, de weigering van Scholte om zich aan te sluiten bij de Dutch Reformed Church en uiteindelijk zijn afzetting lijken stof te bevatten voor een vervolgroman. Wie weet, komt dat er nog van.

Michiel van Diggelen, De exodus van Hendrik Peter Scholte. Uitgeverij IJzer, Utrecht 2018; 400 blz. € 22,50

maandag 23 april 2018

Snippers, De eindstreep (Aimée de Jongh)


Hoewel ik een treinreiziger ben, ben ik geen Metro-lezer. Dat betekent ook dat ik in dat krantje nooit de dagstrip Snippers van Aimée de Jongh las. Mocht ik dat alsnog willen gaan doen, dan kan het niet meer. De Jongh publiceerde haar stripje over de personages Arimée en Stef daar van 2012 tot halverwege 2017 en daarna zette ze er een streep onder.

Maar gelukkig hebben we de albums. Het laatste album heet De eindstreep. Die eindstreep is bereikt, maar het verwijst natuurlijk evengoed naar de laatste streep die de tekenaar zet in een strip waarvan ze afscheid moet nemen. Er is in het album nog een epiloogje opgenomen, waarin De Jongh aan het afkicken is van Snippers. Als je een aantal jaren bijna dagelijks zo'n strip moet maken, beïnvloedt dat de manier waarop je naar de wereld kijkt. Je maakt immers niet alleen maar dingen mee; je kijkt ook of het misschien materiaal is. Als dat wegvalt, is het wennen.

Snippers heeft wat je van een dagstrip verwacht. Je moet in drie of vier plaatjes een plotje hebben, een grapje. De lezer hoeft niet te schateren, maar hij moet op zijn minst glimlachen. En het is prettig als je op de actualiteit kunt reageren van tijd tot tijd. Dat doet De Jongh ook: van de verkiezingen (met hun stemwijzers) tot de discussie over Zwarte Piet en van Boer zoekt vrouw tot de rage van de spinners.

Niemand zal boos worden over wat De Jongh over die kwesties beweert of laat zien. Al haar stripjes hebben een uitermate vriendelijke toon. Er zit altijd wel wat relativering in; ze houdt ervan om de menselijke kant te laten zien, wat betekent dat de hoofdpersoon haar zwakke kanten heeft, dat haar boosheid soms niet redelijk is, dat ze soms onhandig is, dat ze zich soms van haar beste kant laat zien, omdat ze weet dat anderen dat prettig vinden (het huis schoonmaken als er bezoek komt).

Daarin herkent de lezer zich. Die heeft immers dezelfde zwakke kanten; die voelt zich ook van tijd tot tijd een loser; die kan ook blij zijn om onbenullige dingen. De held is misschien degene die we ons dromen te zijn, de antiheld ligt dichter bij ons. Die zijn we eigenlijk zelf. Vandaar ook dat lezers zich zo goed kunnen identificeren met de personages in Snippers. 

 
Veel lezers hebben van Snippers genoten en dat is niet zo vreemd: aardige grappen, vlot getekende figuurtjes met grote manga-ogen en een setting die je herkent. Maar dat een tekenaar wel eens wat anders wil, is ook te begrijpen en we weten dat De Jongh veel andere dingen kan. Indertijd schreef ik hier over haar graphic novel De terugkeer van de wespendief. Die kwam terecht in mijn lijstje beste strips van dat jaar.

De Jongh tekende verder De Blauwbloezen en in mei verschijnt er weer een beeldroman, naar een scenario van Zidrou. Daar ben ik wel nieuwsgierig naar. Nog even geduld. Snippers is goed gelukt, maar het is een fase. Aimée de Jongh gaat verder en wie weet waarheen haar weg leidt.

zondag 15 april 2018

Gebrek is een groot woord (Nina Polak)


Eigenlijk moet je vooral goede boeken lezen, vooral ook omdat elk boek dat je leest je laat denken aan de stapel die je dus niet leest. Indertijd las ik niet We zullen niet te pletter slaan van Nina Polak. Ik stond met het boek in mijn handen, maar kocht De consequenties van een auteur met bijna dezelfde voornaam: Niña Weijers. Nooit spijt van gehad, trouwens.

Totdat ik Gebrek is een groot woord van Nina Polak las. Had ik indertijd niet beide boeken moeten kopen?

De hoofdpersoon in de nieuwe roman van Polak is Nynke Nauta, zo'n dertig jaar oud, die ook wel Skip wordt genoemd. In haar achternaam zit haar band met de nautiek: bij het begin van het boek heeft Nina al zeven jaar op zee doorgebracht. De benaming Skip kan slaan op 'skipper', maar misschien heeft ze ook wel het een en ander in haar leven geskipt.

Op een parkeerplaats in Cannes wordt ze ineens onwel als ze geconfronteerd wordt met een gezin uit haar verleden, dat ze al zeven jaar niet heeft gezien: Nico en Mascha Zeno en hun zoon Juda, die haar ooit hebben opgevangen. Ze bieden Skip opnieuw gastvrij onderdak aan: het tuinhuis staat tot haar beschikking. Nynke besluit er gebruik van te maken.

Als Skip terug is in de tuin die ze zo goed kent, zal ze haar verleden aan moeten kijken en het is maar de vraag of dat een goed idee is. Nynke verwoordt het zo:
In mijn Kleine geschiedenis van slechte ideeën zou dit een eigen hoofdstuk krijgen, 'Het tuinhuis', waarin Skip Nauta zich vrijwillig laat opsluiten om een achtergelaten leven de kans te geven zich weer eens lekker strak om haar keel te wikkelen. Met bijrollen voor Mascha, Nico en Juda Zeno, warme surrogaatfamilie en levend decor waartegen alle mislukkingen van (de toch nog relatief jonge!) Skip zullen afsteken als zwarte vliegen in chardonnay.
Door terug te gaan naar de tuin van de Zeno's, gaat Skip terug naar een eerdere periode in haar leven. Ze zal daarin ook haar intussen overleden moeder Nellie tegenkomen en Borg Eldering, met wie ze een relatie heeft gehad.

Het moederschap is prikkeldraad: Nellie was er indertijd misschien wel niet geschikt voor, heeft overwogen om er niet aan te beginnen, maar zegt tegen Skip als het ter sprake komt: 'Ik wilde je houden'. De woede die er in Skip is, is die bij haar moeder begonnen? En is de ultieme hulp die ze geboden heeft uiteindelijk ook een daad van liefde?

En hoe moet Nynke over Mascha denken? Was dat een surrogaatmoeder of was ze gewoon verliefd op haar? En moet ze zelf het moederschap aanvaarden als er een boon in haar groeit? Het zijn geen gemakkelijke vragen die Skip zichzelf stelt. Niet voor niets is ze zeven jaar zonder vaste wal onder haar voeten geweest.

Er zijn drie mannen om haar heen: de zoon van de Zeno's, Juda, die ook niet bepaald door het leven huppelt; Borg, die ze opnieuw ontmoet en die de geschiedenis van hun relatie in een verhaal of novelle heeft verwerkt; Lood, haar schipper, bij wie ze vaak als matroos heeft gevaren en bij wie ze altijd aan kan meren.

Gebrek is een groot woord is geen gemakkelijk boek. Misschien is het meer een bouwwerk van tekst, dan een vloeiend doorlopend verhaal, doordat Polak verschillende soorten teksten gebruikt: chats die uitgeschreven worden; het proza van Borg, zo'n vijfentwintig bladzijden lang, als een klont in de pap; mailtjes, korte hoofdstukken, langere hoofdstukken.

Een kwaadwillende lezer zou de opbouw onevenwichtig kunnen noemen, zeker door dat proza van Borg, dat wel erg veel bladzijden in beslag neemt. Maar een boek waarin het om Skip Nauta gaat, mag misschien wel niet evenwichtig zijn en moet misschien wel hier en daar uit het lood hangen.

In ieder geval werd ik als lezer wel steeds meer naar de hoofdpersoon toe getrokken, wat overigens niet altijd een gemakkelijke positie is, want als je je met iemand identificeert, wil je dat het goed met haar gaat en je vreest dat dat misschien wel te veel gevraagd is.

Juist daardoor overtuigde Gebrek is een groot woord me, naast natuurlijk de stijl, waar misschien wel lang aan geschaafd is, maar die soepel oogt en die de personages een duidelijke stem meegeeft. En door het feit dat het boek je laat nadenken. Over hoe het verleden niet te ontlopen is. Over wat uiteindelijk wel en niet te skippen is. Over hoe ingewikkeld relaties zijn en dat helemaal goede relaties misschien wel boven onze macht liggen.

En over de titel. Die zou natuurlijk kunnen verwijzen naar een gebrek maar ook naar het gebrek hebben aan iets, het ontbreken van iets. De titel lijkt een antwoord van iemand die niet voluit 'ja' wil zeggen: 'Heb je er gebrek aan?' 'Gebrek is een groot woord'. Als dat zo is, dan informeert de vraag die aan de titel voorafgaat naar het gemis. Het gemis van een vader? Van een moeder? Van moederliefde? (En doen we Nellie niet tekort door die vraag te stellen?) Van een plek om thuis te komen of om te blijven?

Op de voorkant staat bij de titel een jong gordeldier, gepantserd en kwetsbaar tegelijk. Dat zou zomaar Skip kunnen zijn. Zo'n beestje dat bestand lijkt tegen de buitenwereld, maar misschien toch nog een moeder nodig heeft.

Is Gebrek is een groot woord een goed boek? Eigenlijk is het een vraag die ik me helemaal niet gesteld heb tijdens het lezen. Waarom zouden we onszelf een oordeel aandoen? Wie een oordeel heeft, hoeft niet meer verder te kijken of verder te denken. Die kan het boek dichtdoen en misschien wil ik dat nog even niet.

Als ik de laatste bladzijde gelezen heb en Skip is alweer van mij weggevaren, wil ik nog af en toe aan haar denken en haar in gedachten zon wensen en warme wind door haar haar en een kompas dat het blijft doen, wel wetend dat niemand uiteindelijk weet of hij op koers ligt en wat zijn bestemming is. Is dat een gebrek? Och, gebrek is een groot woord.

maandag 9 april 2018

Zeven detectives / Miss Crumble


Je kunt een verhaal op allerlei manieren vertellen. In romans roepen woorden een wereld op en nemen je mee in een of meer verhaallijnen. Je kunt ook plaatjes na elkaar plaatsen, zodat er een tijdsverloop gesuggereerd wordt. Dan vertellen de afbeeldingen het verhaal en dat gebeurt in sommige strips. In bijvoorbeeld Iedereen op Claudia van Sam Peeters ontbreekt nagenoeg elke tekst.

In de meeste strips wordt het verhaal verteld door een combinatie van afbeeldingen en tekst. Bij de verstrippingen van literaire werken door Dick Matena (bijvoorbeeld Kort Amerikaans en Kees de jongen) worden de tekeningen toegevoegd aan de romantekst, die integraal wordt weergegeven. Dat getuigt van respect voor de oorspronkelijke tekst, maar het betekent ook dat in de afbeeldingen veel herhaald wordt wat de tekst al weergeeft.

In sommige strips wordt bewust gekozen voor veel tekst. Een beroemd voorbeeld hiervan is Watchmen waarin complete bladzijden proza zijn opgenomen. Maar soms heb je het idee dat het opnemen van veel tekst geen keuze is, maar onmacht. De scenarioschrijver heeft de tekst nodig om uit te leggen hoe het allemaal zit, omdat het hem niet lukt dat duidelijk te maken in het verhaal, in de loop van de gebeurtenissen. Die indruk heb ik bij twee albums van Herik Hanna.

Het eerste is Zeven detectives, met tekeningen van Eric Canete en het tweede is de spin-off, Miss Crumble met tekeningen van Sylvain Guinebaud. In beide albums deed Lou de inkleuring.

Over de formule waarop Zeven detectives is gebaseerd, schreef ik al bij een recensie van Zeven draken, dezelfde tekenaar, andere scenarist. In Zeven detectives moeten zeven speurneuzen een moordzaak ontraadselen. We blijken hier te maken te hebben met een seriemoordenaar, die iets heeft met het getal zeven en te vrezen valt dat er evenzovele slachtoffers zullen vallen.

Een ingewikkelde zaak met veel personages, dus dat vraagt wel enige inventiviteit van de scenarist. Hij begint het boek met een bladzijde in proza en in de loop van het boek zullen er meer van dit soort bladzijden volgen. De eerste regel is: 'Deze pagina's zijn niet bedoeld om gelezen te worden.' Daardoor heb je de lezer natuurlijk meteen te pakken: hij doet iets wat wellicht verboden is en hij voelt zich tegelijkertijd bevoorrecht boven anderen die deze bladzijden niet te lezen zullen krijgen.

De verteller blijkt kapitein MacGill, die de zeven detectives bij elkaar geroepen heeft. Hanna geeft ons goed de kans de zeven detectives te leren kennen, door ze elk paginagroot ten voeten uit te tekenen met daarbij behoorlijk wat tekst, waarna ze wel geïntroduceerd zijn. Het zijn zes mannen en een vrouw, Adelaïde Crumble, die dus ook nog een eigen album heeft. Daarin is ze al bejaard, wat ze in Zeven detectives duidelijk nog niet is. In een omgeving met mannen is zij de vrouw, die overigens prima haar boontjes weet te doppen.

Het verhaal zit goed in elkaar: alle slachtoffers hebben een naam die met een 'M' begint en alle namen bestaan uit zeven letters. Het zijn aanwijzingen voor het team, die het idee hebben dat ze steeds dichter bij een oplossing komen. Spanning genoeg en je leest het album vlot verder. Af en toe is er een bladzijde proza: de aantekeningen van MacGill. Daarin is uiteindelijk ook de oplossing te lezen, al zijn daar ook wel wat tekeningen aan toegevoegd.

In Miss Crumble is het verhaal iets eenvoudiger te vertellen, doordat we maar met een enkele detective te maken hebben. Maar het is ingewikkeld genoeg, doordat ook het verleden een belangrijke rol speelt. Miss Crumble is de scherpzinnige speurder die veel dingen reeds in de gaten heeft, maar uiteindelijk moet er toch uitgelegd worden hoe het allemaal zit. Daar heeft Hanna bladzijdenlang voor nodig.

Daarna is alles duidelijk, ook dat het verhaal ingenieus in elkaar gezet is, maar dat verhaal is dan ook als een ballon leeggelopen. Het lijkt me een teken van onmacht als alles uitgelegd moet worden, als alles wat intrigeert, verklaard moet worden en als de scenarist al het werk verzet en de lezer niets meer mag doen. Ik voel mij dan als lezer als een klein kind behandeld. Blijkbaar mag ik niet met vragen blijven zitten, mag ik geen eigen interpretaties hebben. De scenarist is een dominante vader die weet wat goed is voor zijn kinderen.

In beide albums irriteert het mij dat Hanna het niet voor elkaar krijgt gewoon een goed verhaal te vertellen, maar dat hij ellenlange monologen nodig heeft met uitleg. Bovendien neemt die uitleg de kracht weg uit het verhaal. Het enige wat ik overhoud, is de scenarist, die tussen mij en het verhaal in is gaan staan en steeds maar vraagt: 'Heb ik dat ingenieus in elkaar gezet of niet?' Dat wel, maar een verhaal een beetje elegant en met snelheid afronden is ook een kunst en die kunst verstaat Hanna overduidelijk niet.

Dat is jammer, want met de tekeningen van Canete en Guinebaud is niet zoveel mis en de eerste helft van de albums is ook wel in orde. Misschien heeft Hanna meer ruimte nodig. Of een minder gecompliceerd verhaal.

Uit: Zeven detectives

Uit: Miss Crumble

Titel: Zeven detectives
Scenario: Herik Hanna
Tekeningen: Eric Canete
Uitgeverij: Silvester,  's-Hertogenbosch 2018, 64 blz. 
hardcover €16,95 

Reeks: Detectives, deel 1: Miss Crumble
Scenario: Herik Hanna
Tekeningen: Sylvain Guinebaud
Uitgeverij: Silvester,  's-Hertogenbosch 2018, 64 blz. 
softcover €8,85, hardcover €16,95