donderdag 13 december 2018

Familieziek (Peter van Dongen)


De Stripschapprijs heeft aardig wat aanzien. Het is alleen de eer, want een bedrag is er niet aan verbonden, maar het is voor een stripmaker mooi als hij in het rijtje prijswinnaars terechtkomt. Dit voorjaar viel die eer Peter van Dongen te beurt.

Het was goed voor de verkoop van zijn werk. Familieziek, Van Dongens verstripping van de gelijknamige roman van Adriaan van Dis had al snel een volgende druk nodig. Deze graphic novel kwam eind 2017 uit. Indertijd heb ik er niet over geschreven. Dat maak ik bij dezen (een beetje) goed.

Van Dongen is al jaren een grote naam, voornamelijk gebaseerd op het tweedelige Rampokan (2004/2006). Over Drie dagen in Rio was de pers minder eenstemmig positief. In 2014 verscheen Weg uit Indië. Dit jaar trok hij de aandacht met een album van Blake and Mortimer in samenwerking met Teun Berserik.

Indertijd ging Rampokan aan mij voorbij: te veel met andere dingen bezig dan met strips. Wel las ik er het een en ander over. De tekeningen die ik zag, deden mij denken aan die van Joost Veerkamp, die ik in mijn jeugd in Vrij Nederland zag. Misschien ook vanwege het onderwerp: ik herinnerde me de afbeelding 'Javaanse jongens'.

Klassieke stijl

Van Dongen hanteert een klassieke, heldere tekenstijl: de lijnen altijd even dik, weinig kleurnuances, realistische weergave. Technisch is het tekenwerk uitstekend en het klassieke past goed bij het onderwerp: Indische Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog in Nederland moesten zien te aarden.

Het jongetje dat de hoofdpersoon is in Familieziek houdt zich staande door figuren te fantaseren: een 'schaduwbroer' en een 'spiegelpiloot'. Zo vlucht hij in zijn hoofd, als de omgeving hem te hard valt. Het gezin woont in het Koloniehuis, samen met andere gezinnen. De man in het gezin, meneer Java, is getraumatiseerd en dat is voor iedereen zwaar.

De situatie van de hoofdpersoon, de jongen, de poetser, is goed opgeroepen door Van Dongen. Eenduidigheid is 'gemakkelijk' weer te geven, maar veel dingen in Familieziek zijn juist niet eenduidig, zoals de verhouding tussen de jongen en meneer Java. Meneer Java kan hard en zelfs gewelddadig tegen de jongen zijn, maar die heeft ook sympathie en misschien zelfs bewondering voor hem. Dat dubbele komt goed over bij de lezer.

Mooie oplossingen

Bovendien kiest Van Dongen verschillende keren mooie oplossingen: Meneer Java kijkt uit het raam als de dochters en zijn vrouw het huis verlaten, maar eigenlijk ziet hij hen niet. Moeiteloos wordt de lezer meegenomen van het raam in de kustplaats in Nederland, naar een veranda in Nederlands-Indië. We zien het uitzicht dat meneer Java in zijn hoofd heeft.

Als de buurt klaagt over de swingende jazzmuziek die te hard staat in het Koloniehuis, zien we Glenn Miller die afwacht, met de trombone uit zijn mond. De twee voorbeelden zijn daarom zo goed getroffen omdat ze direct te maken hebben met het thema van het boek: dat er een wereld binnen het hoofd, in de verbeelding, is en een wereld daarbuiten. Die binnenwereld is misschien zelfs het belangrijkst.

Verder geeft het verhaal een goed beeld van de positie van de Indische Nederlanders in Nederland: ze horen er niet echt bij en voor zoiets als een trauma is geen begrip. De oorlog? Die is toch voorbij?

Nergens bij horen

De jongen heeft bovendien de moeilijkheid dat hij ook niet bij de Indische wereld hoort. Tussen de Indische mensen is hij degene met een witte huid. Zoals Van Dis schreef over de hoofdpersoon in zijn debuut Nathan Sid: Nathan was er wel gemaakt, maar niet geboren. Tussen de Nederlanders is de jongen Indisch, tussen de Indische mensen is hij Nederlander. Hij zal in zijn eentje zijn weg moeten zoeken.

Het is altijd lastig om de verstripping van een roman te lezen als een zelfstandig boek, terwijl de oorspronkelijke roman bij het lezen in je hoofd ziet. Maar Peter van Dongen heeft van Familieziek wel echt zijn eigen boek gemaakt, met veel respect voor het werk van Adriaan van Dis.

Nostalgie

De verhaallijn is helder, zodat je goed kunt doorlezen. Dat is altijd prettig voor een eerste lezing. Bij een tweede lezing vallen de details in de tekeningen meer op. Ik vroeg mij af hoe nostalgisch Familieziek is. Voor mijn gevoel wel een beetje, maar misschien komt dat doordat ik een sentimentele oude man ben. Alleen al het zien van zo'n gebouw als het Koloniehuis doet mij goed. Waarschijnlijk omdat de bouwstijl mij herinnert aan gebouwen die ik in mijn jeugd zag.

Ook het verhaal heeft nostalgische trekken: omdat het leven in Nederland hard is, wordt het leven in Nederlands-Indië verheerlijkt. Soms zijn het de mooie herinneringen, die plotseling opkomen, soms wordt erover gefantaseerd. De jongen kent het land immers alleen uit de verhalen.

Nostalgie heeft de neiging een zoetheid aan een boek te geven. Dat is alleen te verteren als er ook een andere kant is. Die is hier zeker. Net als de verbeelding is de nostalgie een mogelijkheid om te ontsnappen aan de werkelijkheid.

Eigenlijk wordt in Familieziek de kiem getoond van het schrijverschap van Adriaan van Dis (als we even zo vrij mogen zijn om 'de jongen' gelijk te stellen aan de schrijver. Ook in Nathan Sid zagen we al dat Nathan zich verkleedde als piloot, om op die manier de rest van het gezin te vermaken. Ook  toen al wendde hij zich tot de fictie, zou je kunnen zeggen.

Uiteindelijk heeft dat een fors oeuvre aan romans en verhalen opgeleverd. Dat dat werk aansluit bij Van Dongen ligt voor de hand: ook hij put uit zijn persoonlijke geschiedenis, door in de onderwerpkeuze dicht bij zijn Indische roots te blijven. Dat zal hem geholpen hebben om met betrokkenheid dit verhaal in tekeningen te vertellen.

Familieziek toont aan dat Van Dongen terecht in het rijtje met grote stripmakers is opgenomen.



Familieziek is verschenen bij uitgeverij Scratch.

woensdag 12 december 2018

Hazes, de stripbiografie (De Vries / Westervoorde)




Een liefhebber van de muziek van André Hazes ben ik nooit geweest, al ben ik er natuurlijk wel aan blootgesteld geweest en van sommige liedjes (her)ken ik dan ook stukjes tekst. In 1995 verscheen de documentaire Zij gelooft in mij en dat vond ik een ontroerend portret. Wat ook het oordeel over zijn werk moge zijn, dat hij een fenomeen was, kan niet ontkend worden.

Aan de muziek van André Hazes en aan zijn persoon is na zijn dood (2004) op verschillende manieren aandacht besteed en in de Top-2000 van 2018 komt hij maar liefst tien keer voor. Waarschijnlijk is zo'n beetje alles over het leven van Hazes intussen bekend.

Je zou kunnen zeggen dat een stripbiografie niets meer toe kan voegen aan wat we al weten. Maar de makers geven in het eerste deel (Bloed, 2016) aan dat zij er alle informatie in willen samenballen. Het tweede deel, Zweet, verscheen onlangs. Het scenario is van Jan-Willem de Vries, de tekeningen zijn van Ben Westervoorde.

Bloed

Deel 1 beslaat de periode 1951 - 1976, het jaar dat Hazes zijn eerste hit had, Eenzame Kerst. Het is in de loop der jaren een bekend nummer gebleven en daarom is het ook extra storend dat in de strip de tekst niet exact wordt weergegeven.

In dat eerste deel zijn wel meer smetjes te signaleren. De kleine André is bijvoorbeeld in een kruidenierszaak en wijst een pak op een schap aan. De kruidenier vraagt: 'Bedoel je de pannekoekenmix?' De man moet een vooruitziende blik hebben gehad: pannenkoekmix bestond nog niet in die tijd.

In de tekst achter in het eerste deel worden de makers voorgesteld. Van de tekenaar wordt gezegd dat hij 'met een kritische, romantische en nuchtere blik' kijkt naar het leven van Hazes. Hm. In de toelichtende tekst staan meer dubieusheden op taalgebied. Bijvoorbeeld dat Hazes moeilijke gesprekken 'vermijdde'.

De pagina's waarop duidelijk gemaakt wordt hoe de tekenaar de stap(pen) van scenario naar eindproduct heeft gezet, zijn overigens wel interessant. We krijgen hierin een kijkje in de keuken van de striptekenaar.

Heldere verteltrant

Het goede van Hazes, de stripbiografie is de heldere verteltrant. Overal is de verhaallijn duidelijk. Hier en daar is er tekstueel wel een aanmerking te maken. Er glipt wel eens een zin door als 'Doe niet alsof je die kinderen iets interesseert!'

De verkoop van het plaatje De vlieger valt tegen. Enkele pagina's verder lezen we: 'Na een tijdje neemt zijn succes weer af'. Dat schrijf je niet na een tegenvaller. Het zijn slordigheden die vermeden hadden kunnen worden.

Zoals gezegd: de verhaallijn is helder. De tekeningen zijn dat ook en dat past bij de eenvoudige teksten en de muziek van Hazes. Soms snapte ik de keus van de tekenaar niet. Zo zijn de eerste twee partners van André, Annie en Ellen, qua uiterlijk niet uit elkaar te houden. Zou hij daarmee willen zeggen dat de partners inwisselbaar waren?

De biografie zal drie delen gaan beslaan, zodat we uiteindelijk Bloed, Zweet en Tranen naast elkaar in de kast kunnen zetten. Je zou kunnen bedenken dat deel 1 over het 'bloed', de afkomst, gaat en deel 2 over het zweet, het harde werk, maar misschien moeten we niet zo diep willen zoeken.

Afstand

De twee delen geven een aardig beeld van het leven van een man met een talent, die moest leren omgaan met het leven waarin hij terechtgekomen was. Voor de Hazesfans zal alle informatie wel welkom zijn, voor anderen is de serie van drie minder interessant. Weliswaar krijgen we een aardig beeld van de persoon Hazes en zijn carrière, maar we blijven als lezer ook een beetje op afstand. Echt aangrijpend wordt het nergens.

De muziek van Hazes leeft nog, ondanks de niet altijd geslaagde teksten. Blijkbaar wist hij bij mensen iets te raken. In tijden van voetbalgekte zullen mensen nog wel een tijdje zingen dat ze van Oranje houden 'om zijn daden en zijn doen', zonder zich af te vragen wat het verschil tussen die twee is.

Het leven van zo'n volksheld kan keer op keer verteld worden en daar zal ook wel publiek voor zijn. De strip is een genre waarin dat bij Hazes nog niet gebeurd was. Tot nu toe. We wachten het derde deel af. Dan kan bij de liefhebbers de complete serie in de boekenkast.




Titel: Hazes, de stripbiografie
Delen: Deel 1, Bloed (1951 -1976), Deel 2, Zweet (1977 - 1990)
Scenario: Jan-Willem de Vries
Tekeningen: Ben Westervoorde
Uitgever: Silvester Strips,
Den Bosch 2018, 80 blz. hardcover
€ 19,95 per deel. Twee delen samen voor € 35,- (voordeelactie)

dinsdag 11 december 2018

Burn-out dagboek (Maaike Hartjes)



‘Van de ene op de andere dag kon ik niets meer. Dus deed ik wat ik altijd deed: ik zette mezelf aan ‘t werk. Ik ging een dagboek tekenen.’ Dat lezen we op een binnenflap van het Burn-out dagboek van Maaike Hartjes.

Maaike Hartjes is een geprezen en gelauwerd striptekenaar (of mogen we nog ‘striptekenares’ zeggen?). In 2016 kreeg ze bijvoorbeeld De Stripschapprijs, een prijs waar nog altijd niet een fiks bedrag aan vastzit. Al jaren daarvoor was haar naam in de jury genoemd, maar toen ging de prijs aan haar neus voorbij.

Hartjes tekent onder andere 'live' cartoons bij congressen en soortgelijke bijeenkomsten. Na een wel heel lastige klus stortte ze in. Ze werd gedwongen haar agenda leeg te maken om de zaken weer op een rijtje te krijgen. Wel tekende ze steeds in haar dagboek en dat resulteerde in het Burn-out dagboek, dat in april van dit jaar verscheen.

Daar had ik natuurlijk al lang over moeten schrijven, maar misschien is het goed om er nu, na de eerste publiciteitsgolf, aandacht voor te vragen. Het is namelijk een erg mooi boek.

Tekeningen, tekst, collage

De bladzijden van het boek zijn bruin en doen mij denken aan bruin karton. Daarop is getekend, geschreven, geplakt. Hartjes heeft veel gewerkt met gedecoreerd tape, dat ze soms gebruikt om een pagina wat op te halen, of om de indeling nadrukkelijker te maken, maar vaker nog om erop te schrijven, in het van haar bekende handschrift: een toonbeeld van helderheid.

Als bladerboek is Burn-out dagboek al beeldschoon. Achter in het boek, als het dagboek al zo ongeveer klaar is, zien we Maaike (ik laat vanwege het autobiografische karakter personage en auteur maar even samenvallen) met het dagboek naar de uitgever gaan, bang dat het geheel rommelig zal overkomen. De uitgever vindt het prachtig en we kunnen alleen maar concluderen dat die dat goed heeft gezien.

Op de bruine ondergrond zijn labeltjes, gescheurde stukken papier, systeemkaarten, post-it’s, delen van landkaarten, stukken van een belastingenvelop, grafiekpapier, labels, en nog veel meer geplakt. Die zijn weer beschreven en betekend. Het geeft een mooi vreemd effect. Als het niet zo paradoxaal zou klinken, zou je zeggen dat je de indruk krijgt van ‘bewerkte ready-mades’.

Het lappendekeneffect geeft ook goed weer hoe de hoofdpersoon zich in een groot deel van het boek voelt: druk bezig met de dingen die zich opdoen, van moment tot moment, van dag tot dag er het beste van makend. Juist deze vorm vraagt de aandacht voor de afzonderlijke momenten.

Grote lijn

Langzaam begint Hartjes de grote lijn te ontdekken: het geen maat kunnen houden in het aannemen van opdrachten, het geen ‘nee’ durven zeggen, het bang zijn anderen voor het hoofd te stoten of teleur te stellen en daarbij te weinig aan zichzelf te denken. Ze heeft de tijd van de burn-out nodig gehad om te leren wat haar valkuilen zijn en hoe ze die kan vermijden.

Achteraf zegt ze dan ook dat ze blij is geweest dat ze een burn-out heeft gehad en ze weet ook hoe zoetsappig dat kan klinken. Daarom heeft ze er in grote letters ‘Megacliché’ bij geschreven.

Geen lezer die zo’n cliché erg vindt, vooral ook omdat het boek van Hartjes helemaal niet clichématig is. We hebben haar gevolgd op haar zoektocht, tijdens haar vallen, opstaan, weer struikelen, een tijdje blijven liggen, maar vooral toch weer doorgaan.

Scherpe observaties

Hartjes is, wellicht mede doordat ze het dagboek bijhield, een scherp observator van zichzelf. Dat was ze natuurlijk al in haar werk, waarin vaak haar eigen leven, haar eigen wederwaardigheden, uitgangspunt was/waren.

Ik vermoed dat wat Hartjes heeft meegemaakt een bredere geldigheid heeft. Elke burn-out zal wel persoonlijk zijn, maar er zullen ook kenmerken zijn die de individuele burn-out overstijgen. Ik kan me voorstellen dat iemand die opgebrand op de bank zit, gemakkelijk dingen herkent in het dagboek en ik kan me ook voorstellen dat een dergelijke lezer iets aan het boek heeft.

Maar Burn-out dagboek is niet in de eerste plaats een therapeutisch werk. Het is kunst en sommigen zullen het boek misschien wel literair noemen. In ieder geval is het een boek dat de oppervlakte beschrijft (de gebeurtenissen), maar dat daarna steeds peilt wat onder die oppervlakte zit. Een boek vol vragen, waarop mogelijke antwoorden gegeven worden, maar ook die antwoorden staan weer ter discussie. Al vragend en zoekend voert Hartjes zichzelf tot inzichten.

Het is een mooi zelfportret geworden en ongetwijfeld is het een van de betere strips die ik dit jaar heb gelezen. Ook over dat woord ‘strip’ kun je discussiëren. Dat doe ik hier maar even niet.

Milde nietsontziendheid

Ik weet niet of het mij helemaal duidelijk is waarom het boek zoveel indruk op mij heeft gemaakt. Als ik die vraag wil beantwoorden, kom ik waarschijnlijk toch weer uit bij een paradox: milde nietsontziendheid. Hartjes is nietsontziend tegenover zichzelf, maar er blijft ook altijd iets milds in haar, ook tegenover anderen, ondanks de boosheid die anderen soms oproepen. Het zal de aard wel zijn. Die is dan in ieder geval aangenaam.

Burn-out dagboek is een zeer menselijk boek. Maar het is ook esthetisch, origineel van vorm, mooi van stijl en dosering. Het verdient een hele rits bollen of sterren. Topboek!



Burn-out dagboek is verschenen bij Nijgh en Van Ditmar. 

maandag 10 december 2018

Nils deel 1: De Elementalen (Hamon/Carrion)


Achter op het eerste deel van de strip Nils zien we dat het complete verhaal drie delen zal beslaan. Het eerste is nu uit: De Elementalen. Het scenario is geschreven door Jerôme Hamon, de tekeningen zijn van Antoine Carrion.

Het verhaal begint in een sombere wereld: een eenvoudige dorpsgemeenschap, waarin de landbouw een belangrijk middel tot levensonderhoud is. De mensen wonen in rietgedekte vakwerkhuizen en lijken te leven met de natuur. Technologische ontwikkeling staat op een laag pitje.  De inkleuring zorgt voor een wat mistroostige sfeer: veel donkere blauwen en bruinen.

Vervloekte grond

De dorpsgemeenschap maakt zich zorgen: de zaden ontkiemen niet. Het lijkt alsof de grond vervloekt is. Jonah, die de mensen naar deze plek geleid heeft, gaat uitzoeken wat er aan de hand is. Hij zal zijn zoon Nils meenemen. Nils is een avontuurlijke jongen, die vooral meegaat omdat hij een valk denkt te krijgen.

Jonah en Nils gaan op pad, reizend naar een streek die nog wel vruchtbaar is. Ze bereiken een wonderlijk lichtgekleurd plantje, een toonbeeld van vitaliteit. Er blijkt meer wonderlijks te zijn: kleine, lichtgevende mensachtige figuurtjes, die eruitzien als kleine wandelende neonbuisjes.

Natuurgeesten

Dat was waarschijnlijk het moment dat ik het verhaal minder serieus begon te nemen. De figuurtjes  blijken natuurgeesten te zijn, die yôkai worden genoemd. Maar ze zien er vreemd genoeg wel mensachtig uit, met armpjes en beentjes, zij het sterk vereenvoudigd. Waarom ze er zo uitzien is niet duidelijk. De vorm lijkt geen functie te hebben.

Nils is degene die ze duidt en Jonah zegt: 'Deze vreemde wezentjes bestaan waarschijnlijk al langer dan onze legendes. Het is aanneembaar dat onze voorouders zich door hen lieten inspireren.'

Voor we het weten, zitten we in een wereld waarin de goden kunnen ingrijpen, en we krijgen wijsheden als: 'Alle wezens hebben twee dingen nodig om te groeien: organische materie en een bewustzijn.' De natuurgeesten zijn de elementalen die voor het bewustzijn moeten zorgen. Zonder hen dus geen groei. En ze zijn in hoog tempo aan het verdwijnen. Het vijandige rijk Cyan is de grote boosdoener.

Nils blijkt, in een soort droom, contact te hebben met een andere werkelijkheid. Hij zal dus degene zijn van wie we het moeten verwachten. Hij heeft namelijk een blik geworpen op Ygdrasil, de boom des levens. 

Prekerig

Op de uitvoering van Nils is niet zoveel aan te merken: hardcover, aardige tekeningen van Carrion. Maar het soort verhaal is niet zo aan mij besteed. Achter op het album wordt het verhaal 'een sprankelende ecologische saga' genoemd, maar dat is juist wat ik erop tegen heb: het is me te prekerig. Steeds heb je het idee dat de schrijver eigenlijk iets over deze tijd wil zeggen en over het feit dat we op moeten passen dat we niet de ondergang van ons milieu bewerkstelligen. 

Ik gebruik niet voor niets het woord 'prekerig': er lijkt een bijna religieuze overtuiging achter het verhaal schuil te gaan, die me op het ene moment doet gapen en op het andere moment jeuk bezorgt. Het gevolg van zo'n insteek is namelijk dat je nogal duidelijk de tweedeling deugers/niet-deugers krijgt. De deugers zijn natuurlijk wel mensen, maar er hangt ook iets heiligs om hen heen. Het zijn de verzetsstrijders op wie je eigenlijk geen kritiek kunt hebben. 

We kunnen alleen maar meeleven met de deugers, waardoor we zelf natuurlijk ook een beetje goede mensen worden. Heel aangenaam voor de lezer, maar niet zo spannend. Ik heb liever een strip die me uit het lood slaat, dan een strip waarin ik veilig kan meeleven. 

Dat wil misschien niet zeggen dat Nils een slechte strip is, maar wel dat Nils een strip is voor andere lezers dan ik. 

Serie: Nils
Titel: Deel 1, De Elementalen
Scenario: Jerôme Hamon
Tekeningen: Antoine Carrion
Uitgever: Silvester Strips
Den Bosch 2018; hardcover, 56 blz. € 16,95


vrijdag 7 december 2018

Podcast: De Poëziepodcast



Er zijn meer podcasts dan men kan beluisteren. En dan heb ik het alleen nog maar over de podcasts in de Nederlandse taal. Ik volg er aardig wat en sommige andere podcasts heb ik geprobeerd. Soms ben ik al snel gestopt.

Bij De man met de microfoon ging de eerste aflevering over het maken van een podcast. Ik redde het niet de hele uitzending af te luisteren. Toen ben ik meteen afgehaakt, al heb ik later veel goeds over deze podcast gehoord. Ook De bende van het boek beviel mij niet. Te veel geklets over thee en taart tussendoor, te weinig over het boek. Er zullen ongetwijfeld mensen die het gezellig vinden, maar na enkele afleveringen heb ik mijn abonnement opgezegd.

Poëziepodcast

Van gedichten heb ik altijd gehouden, al kom ik nu te weinig aan het lezen ervan toe. Daarom begon ik ook met interesse aan De Poëziepodcast. Deze podcast wordt mogelijk gemaakt door Vrij Nederland en de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Presentator Daan Doesborgh.

Dat is wel wennen. Van sommige mensen wordt wel gezegd: je hebt een kop voor de radio. Bij Doesborgh zou je kunnen zeggen: je hebt een stem voor de stomme film. Doesborghs stem doet vermoeden dat hij een chronische keelontsteking heeft. Zijn stem is hees en slaat over. Zoals gezegd, dat is wennen.

Maar na een tijdje valt het niet meer op of niet meer zo erg op. En Doesborgh kan wel goed een gesprek voeren, zodat je graag door blijft luisteren.

Formule

Er zijn enkele afleveringen die qua opzet iets afwijken, maar gemiddeld genomen ziet een aflevering er als volgt uit: Doesborgh praat met een dichter (vaak ten aanhoren van een publiek). De dichter heeft twee gedichten bij zich: een van een ander en een van zichzelf.

De dichter leest een gedicht voor, presentator en dichter praten erover, zodat de luisteraar meer inzicht in het gedicht heeft en daarna wordt het gedicht nog een keer voorgelezen. Zo gaat het ook met het tweede gedicht.

Het is een simpele formule, die goed werkt. Altijd pik je door het gesprek het een en ander op en verdiept zich het inzicht in het gedicht. Als de dichter over het eigen gedicht praat, wordt ook iets duidelijk over het maakproces, over de keuzes die gemaakt moesten worden, over de drijfveren.

Goed interviewer

Daarbij komt dat Doesborgh een goed interviewer is. Hij heeft verstand van poëzie. In de gesprekken merk je dat hij nauwkeurig leest en luistert. Nu ik een zoekmachine op zijn naam heb losgelaten, weet ik dat hij dichter is. Dat wist ik hiervoor niet.

Verder is de interviewer echt geïnteresseerd in de antwoorden. Hij stelt geen vragen waarop hij al stiekem het antwoord weet en hij wil zo nauwkeurig mogelijk formuleren wat hij wil weten. Soms herformuleert hij het antwoord van de dichter om te controleren of hij nu echt begrepen heeft wat die hem wil zeggen. De concentratie in het gesprek is groot.

Doesborgh houdt het gesprek licht, door de ironie, de grapjes soms. Maar dat gaat niet ten koste van de diepgang. De aandacht blijft steeds bij het gedicht en er wordt niet te veel over andere dingen gekletst (zoals bijvoorbeeld wel gebeurt bij De bende van het boek, die ik al noemde). De sfeer in het gesprek is altijd goed. En altijd krijgt Doesborgh de dichter zo ver, dat die nadenkt over wat haar of hem gevraagd wordt, waardoor er een echt antwoord komt.

Ongedwongen

Of er een voorgesprek is geweest, is mij niet duidelijk. De indruk is dat het gesprek redelijk spontaan is. De dichter gaat zitten, enkele inleidende zinnen, het gedicht wordt voorgelezen en we zijn begonnen. De rest rolt wel.

Eerlijk gezegd heeft De Poëziepodcast mij nog niet zo ver gekregen dat ik naar de boekhandel ben gerend om een bundel te kopen. Maar dat ligt niet aan de podcast, denk ik.

Of er veel poëziepodcasts zijn, weet ik niet. Dit is de enige Nederlandstalige die ik ken. In het Engels zijn er veel meer. Kijk bijvoorbeeld hier. Gedichten kennen een orale traditie en zeker met de opkomst van de 'poetry slams' is poëzie weer meer om te horen geworden en niet alleen om te lezen.

Mogelijkheden genoeg

Poëzie is dan ook heel geschikt voor een podcast. De beperkte omvang van een gedicht zorgt ervoor dat je het voorgelezene kunt bevatten en onthouden. Eigenlijk vreemd dat er niet meer gedichtenpodcasts zijn. Mogelijkheden zijn er genoeg: gedichten uit een bepaalde periode voorlezen, met een inleiding erbij; gedichten van een bepaalde dichter voorlezen, met een introductie in het oeuvre van de dichter; gedichten over een bepaald thema; een poëziebattle, compleet met stemronde; een gedicht voorgelezen door drie verschillende mensen. Laat ze maar komen, die podcasts!


O ja, nog even over De bende van het boek: dat is een gezellige podcast, hoor en de meiden zijn enthousiaste lezers. Maar het is niet een podcast voor mij. Maar wie proberen wil: klik hier. Ik heb de podcast al een tijdje niet meer gevolgd, dus wie weet hoe die zich ontwikkeld heeft.

donderdag 6 december 2018

Raadselvader (Jolande Withuis)


De namen van Berry Withuis en Jolande Withuis kende ik afzonderlijk van elkaar en het heeft lang geduurd voor ik ze met elkaar in verband bracht. Jolande Withuis kende ik (van naam, tenminste) van gaar boek over Juliana, van andere historische zaken waarover ik haar, waarschijnlijk bij het radioprogramma OVT, hoorde en van een aflevering van Zomergasten waarbij ze zich niet goed voelde.

Berry Withuis (1920 - 2009) kende ik uit de schaakwereld: toen ik in de jaren tachtig jeugdleider was op een schaakclub gaf ik les uit het boek Jeugdschaak waarvan hij de auteur was. Verder kocht ik in de jaren zeventig een stel schaakboeken over Nederlandse kampioenschappen. Die waren door Withuis samengesteld. Ze moeten nog ergens in een doos bewaard zijn. Voor zover ik weet, heb ik die nooit weggegooid.

Communist

Berry is dus de vader van Jolande. Berry Withuis was communist. Dat heb ik ooit gehoord in een interview met Jolande Withuis. Waarschijnlijk was dat bij het marathoninterview in 2017. Ik heb indertijd met verbazing naar sommige passages geluisterd.

Vlak na de oorlog (ja, de Tweede Wereldoorlog) hadden de communisten veel goodwill in Nederland. De Russen hadden ons land immers mede bevrijd. De oplage van de communistische krant De Waarheid was hoog. In september 1945 was die bijna 350.000. (zie hier).

Dat werd compleet anders na 1956, de inval in Hongarije. Ik schreef ooit over het kinderboek Barendje en het Hongaartje, dat over Hongaarse vluchtelingen gaat. Er waren in Amsterdam anti-communistische rellen, die ook nog een rol spelen in de roman De aanslag van Harry Mulisch. Jolande Withuis vertelde in het interview over een onderwijzer die een jongen uit een communistisch gezin met zulk geweld door de gang van de school smeet, dat diens arm brak. Niet omdat de jongen vervelend was, maar omdat hij uit een communistisch gezin kwam. Er kraaide geen haan naar het gedrag van de meester.

Vatersuche

In haar boek Raadselvader gaat Jolande Withuis op zoek naar haar vader. Ten eerste naar wat er in diens leven gebeurd is, want over veel dingen sprak hij niet. Maar vooral wil ze weten wie hij nu was en wat hem nu dreef. Door de geschiedenis van Berry te reconstrueren, geeft ze ons ook een beeld van de grotere geschiedenis: de geschiedenis van het communisme in Nederland na de Tweede Wereldoorlog.

Jolande Withuis is wel lid geweest van de CPN (Communistische Partij Nederland), maar op een gegeven moment heeft ze afstand genomen van het gedachtegoed en kwam ze daar kritisch tegenover te staan. Maar ze is er wel mee opgegroeid en ze kan nog goed inleven in mensen die indertijd opgroeiden in deze overtuiging.

Altijd op je hoede

Eigenlijk moest iemand uit een communistisch gezin altijd op zijn hoede zijn: er werd op je gelet. Er waren mensen die De Waarheid dan ook lieten bezorgen in een neutrale bruine envelop. Dat die alertheid niet voor niets was, bleek toen Jolande Withuis het dossier dat de BVD over het gezin Withuis had aangelegd mocht inzien. Er was heel veel over Berry bekend.

Berry Withuis is getekend door twee oorlogen: de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog. Berry werd tewerkgesteld in Duitsland, wat ook een gelegenheid was om spionage uit te voeren bij de vijand. Een tante van Jolande verklaarde over Berry na zijn terugkeer: 'Het was na de oorlog onze Berendje niet meer. Het gezellige was eraf.'

De Koude Oorlog bestond vooral uit twee machtsblokken die tegenover elkaar stonden, waarbij het overgrote deel van Nederland aan de ene kant stond en alles wat communistisch was aan de andere kant. Bij de rellen in 1956, waarbij het gebouw Felix Meritis werd bestormd werd dat al heel duidelijk.

Onbeantwoorde vragen

Het was in zo'n gespannen situatie beter om niet het achterste van je tong te laten zien. Ook binnen de  partij waren spanningen en tegenstellingen en ook daar werd soms een machtsstrijd gevoerd. Het gevolg was dat Jolande een vader had die veel dingen niet vertelde. Ze vroeg er ook niet naar, omdat ze voelde dat ze er niet naar kon vragen. De vragen stelt ze nu, na zijn dood, en ze formuleert mogelijke antwoorden.

Ze komt tot de conclusie dat haar vader ook na de oorlog nog in de illegaliteit leefde. 'De oorlog was nooit voorbij en de wereld bleef lang onveilig.'

Veel dingen die ze vertelt over communisten wist ik niet of niet meer zo goed. Dat er bijvoorbeeld een beroepsverbod werd ingesteld waardoor de communisten werden uitgesloten van functies in overheidsdienst. En passant zien we de geschiedenis voorbijkomen.

Schaakjournalist

Berry werkte bij De Waarheid. Later stapte hij over naar het schaken. Hij schaakte zelf op hoofdklasseniveau en gaf veel simultaanseances. Bij allerlei toernooien verzorgde hij de dagbulletins en de toernooiboeken en in verschillende kranten deed hij verslag van schaakevenementen. Dat heeft hij lang volgehouden.

Met veel liefde schrijft Jolande Withuis over haar vader. Ze heeft voor sommige kanten van zijn karakter bewondering en ze wil hem graag naderen. Tegelijkertijd erkent ze dat hij altijd een vader op afstand is geweest, zeker nadat Jolande zich vijand van de partij toonde. In het gezin was weinig ruimte voor emoties en genegenheid: 'De hond was het enige levende wezen bij ons thuis dat werd aangeraakt.' Naast de liefde is er ook het besef dat vader nooit een werkelijke poging heeft gedaan die afstand te overbruggen.

'Zutphen' werd in de beleving van Jolande Withuis een prettige plaats, die paradijselijke trekken vertoonde: een plaats waar je niet op je hoede hoefde te zijn. Berry kwam daarvandaan en Jolande kon er altijd uit logeren bij oma of andere familieleden. Op hogere leeftijd zou Berry de cirkel rondmaken door weer in Zutphen te gaan wonen.

Het duivelse schaken

Berry kwam uit een godsdienstig gezin met strenge regels. Op zondag ging men ter kerke en las men stichtelijke lectuur. Alle spellen waren zondig, dus ook het schaken. Alleen dammen en domino  waren toegestaan. Berry's vader overleed aan een hersentumor, wat volgens Berry's moeder door het duivelse schaken kwam. Berry verklaarde niet meer in God te zullen geloven als zijn vader toch zou overlijden, ondanks zijn vurige gebeden. Zo is het ook gebeurd.

Withuis kon tegendraads zijn en hard tegen anderen ingaan. Zijn dochter ziet dat als hun grootste verschil: hij was een rebel, zij onderwierp zich. Beiden kwamen ze ermee in de problemen. Berry met de wereld om hem heen, Jolande kreeg last van paniekaanvallen. Pas toen ze professionele begeleiding kreeg en ging praten over wat er in haar leefde, kwam ze erachter dat er nog oud zeer zat wat betreft gezin waarin ze opgroeide. Dat gezin en die ouders waren minder perfect dan ze zich altijd had voorgehouden.

Raadselvader is mooi, subtiel boek. Een verslag van een zoektocht, waarin Jolande Withuis zowel haar vader, de geschiedenis als zichzelf als dochter recht heeft gedaan, voor zover ik dat kan beoordelen. Het is een particulier verhaal, maar door de context waarin het geplaatst wordt, krijgt het bredere geldigheid.

Vooruit, een klein puntje van kritiek. Aan het eind van zijn leven maakte Berry spontaan gedichtjes, rijmpjes, die Jolande genoteerd heeft. Ze geven een beeld van hem, maar ze zijn niet zo interessant. Misschien dat daardoor de ontluistering nog duidelijker wordt, maar die was al wel helder. Ik had de versjes wel kunnen missen.

Maar verder heb ik Raadselvader met interesse gelezen. Jolande Withuis heeft een aangename en heldere stijl, ontziet zichzelf en haar vader niet, maar verliest niet de empathie. Mooi gedaan.

Jolande Withuis, Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog. Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam 2018. gebonden, 256 blz. 

dinsdag 4 december 2018

Totem (Nikolas Wouters / Michael Ross)


Het is een bekend recept om drama in een verhaal op gang te brengen: zet mensen op een geïsoleerde plek, als in een soort laboratoriumopstelling, en kijk wat er gebeurt. In de literatuur zien we dat in de vroege boeken van Renate Dorrestein, bijvoorbeeld Buitenstaanders, in Alles wat er was van Hanna Bervoets en in een klassieker als Lord of the flies van William Golding.

Een scoutingkamp is ook zo'n geïsoleerde wereld, met eigen wetten. In de graphic novel Totem (van scenarist Nicolas Wouters en tekenaar Mikaël Ross) gaat Louis naar zo'n kamp. Hij heeft er niet zoveel zin in ('Ze hebben daar allemaal een hekel aan me') en bovendien ligt zijn broertje Thomas met een mysterieuze aandoening in het ziekenhuis.

Vos

Het kamp is inderdaad niet makkelijk voor nieuweling Louis, net als voor de andere nieuwelingen. Zij zullen een inwijdingsritueel ondergaan, waarbij ze een totem krijgen. Dat zal een dier zijn. Bij Thomas wordt het de vos. Het stuk hout met zijn naam erop wordt verbrand. Voortaan is hij Vos.

Het kamp verloopt tumultueus, vooral als er brand uitbreekt, juist als de vrouwelijke leider Goudvink (Mila) niet in het kamp is, maar bij haar geliefde, een jonge vrouw die samen met haar hond uit Frankrijk gekomen is om Goudvink op te zoeken.

Bij de brand raakt een andere leider, de broer van Goudvink, gewond. Het is duidelijk dat daarna het kamp voorbij is, maar enkele jongens doen hun rugzak om en gaan het bos in, waarin Louis zich ook bevindt. Zij zijn misschien de echte scouts, of hebben in ieder geval een beeld van wat scouts zijn waaraan ze willen voldoen.

Louis doet zijn masker niet meer af en wordt steeds meer de vos van zijn totem. Datgene wat hem menselijk maakt, zoals zijn kleren, laat hij steeds meer achter zich. Hij vereenzelvigt zich zo met zijn totem dat hij eigenlijk Vos wordt. In het bos loopt een wild dier, misschien een panter, die ontsnapt is uit een dierentuin. Dat verklaren de ambulancemedewerkers die de broer van Goudvink op komen halen.

Het is jammer dat het roofdier zo'n concrete link met de werkelijkheid krijgt. Het zou prima geweest zijn als de lezer had moeten raden of de panter nu wel of niet bestaat. Het dier heeft namelijk ook een symbolische betekenis. Het ligt voor de hand om het dier de materialisatie van de angst te noemen, maar het is ook het dier dat de vos Louis volgt en waartegen hij zich aan kan schurken.

Duistere bus

De angst van Louis is groot. Niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats voor wat er in het kamp gebeurt. Als vos kan hij veel meer aan dan als jongen. Maar vooral wat betreft zijn broertje. In een visioen- of droomachtige scène gaat hij zijn broertje achterna, die op weg is naar een duistere bus. Hij kan niet verhinderen dat zijn broertje instapt. Die scène doet denken aan de animatiefilm One past two van Aimée de Jongh, waarin ook de bus de pendeldienst naar het hiernamaals is.

Louis moet in het reine zien te komen met het verlies van zijn broer. Je ziet hem als vos in een ruimte, waarin hij bijna alle grond verliest waarop hij nog kan staan. De vloer wordt een groot gat. De enige die hem nog kan bereiken, is Goudvink, die zelf ook in verwarring is. Ze is tekortgeschoten, maar ze zal, wat er ook gebeurt, de jongens in het bos opsporen en ze is vastbesloten om Louis mee terug te brengen.

Veel van wat er in zo'n scoutingkamp gebeurt, zou je als spel kunnen zien, maar voor Goudvink en Louis staat er echt wat spel. Sterker nog: ze zetten zichzelf op het spel. Goudvink (Mila) heeft een bijzondere positie als meisje bij de scouting. Ook weet ze intussen dat ze op meisjes valt. Wie is ze nu? Je kunt even de goudvink zijn, maar wie is ze in het werkelijke leven?

Ook Thomas moet verder. Hij kan niet altijd alleen maar de vos zijn. Met zijn broertje speelde hij imaginatiespelletjes en nu moet hij de werkelijkheid aankijken, hij moet verder zonder zijn broer. Die heet niet voor niets Thomas, tweeling. Louis en Thomas waren geen tweeling, maar het is wel of er een helft van hem weg is.

De totemisatie is een inwijdingsritueel, binnen de wereld van de scoutinggroep. Maar ook het echte leven kent zijn overgangen waaraan je niet kunt ontkomen. Mila zegt: 'Elke keer als ik denk dat ik weet hoe de dingen lopen, besef ik dat ik er eigenlijk niks van begrijp.' Daar zal zij zich mee moeten verzoenen. Daar moeten wij ons mee verzoenen.

Totem is een prachtig boek over een jongen die moet leren omgaan met het verlies van wat hem het dierbaarst is. Hij moet verder met het leven en met zichzelf. En ook Mila moet verder. Mila met het korte haar draagt op de laatste pagina een jurk: een jonge vrouw, die niet meer alleen 'one the guys' is.

Scenario en tekneningen

Nicolas Wouters heeft een fraai scenario geschreven, waarin het verlies en de rouw vooral concreet gemaakt zijn in symbolen. Dat blijkt veel beter te werken dat het expliciet maken van bijvoorbeeld een verdrietige stemming. Het toont ook meer hoe iemand juist in zijn zwakheid sterk kan zijn en bovenzichzelf uit kan stijgen. Juist door het verdriet en de crisis niet rechtstreeks weer te geven, maar door er een verhaal over te vertellen, wordt de kern geraakt. Je voelt wat er gebeurt.

Het tekenwerk van Mikaël Ross is dienstbaar aan het verhaal en uiterst effectief. De metamorfose van Louis tot vos heeft geen uitleg nodig, omdat we zien wat er gebeurt. De naakte Mila/Goudvink, die achterblijft in het bos als haar sterke geliefde met haar hond weer is weggegaan, is een toonbeeld van kwetsbaarheid en ingekeerdheid.

De dunne lijntjes waarmee de figuur is opgezet, het gebogen hoofd, het dovende kampuur, de grote schaduwvlakken, die maar weinig licht overlaten: alleen al door deze ene tekening weten we hoe het ervoor staat met Mila. En even later weten we dat ze haar hoofd heeft opgericht. Ze heeft iets weggeslikt en ze is op pad gegaan. Haar missie moet voltooid worden.

Ik heb weinig terughoudendheid betoond bij het weergeven van de verhaallijn. Sommigen zouden misschien vinden dat ik ze alert had moeten maken op spoilers, maar ik ben het niet met ze eens. Totem is een boek dat ook bij herlezen overeind blijft. Het gaat niet om de plot. Niet meer tenminste dan om de afzonderlijke tekeningen. Plaatje voor plaatje gebeurt het verhaal en bij herlezing ontvouwt het zich. Dan pas zie je de schedels waarover Louis loopt als hij zijn broertje volgt naar de bus.

Pas bij herlezen zie je dat ook de plek waarop het kamp zich bevindt al de dood ademt: het is vlak bij de Maginotlinie. De oorlog zit er in de grond, zoals de oorlog woedt in de personages.

Misschien is het lezen van Totem een manier om de vos in ons leven te laten dringen. Maar ook de kleine Louis die het allemaal niet meer weet en eveneens de Louis die, met een gat in het hart, maar met zijn hoofd rechtop, verder gaat in het leven. Schrijnend. Troostend. Maar bovenal prachtig.

Titel: Totem
Scenario: Nicolas Wouters
Tekeningen: Mikaël Ross
Uitgever: Soul Food Comics
Arnhem, 2018. Gebonden, 128 blz. € 27,50



maandag 3 december 2018

De trooster (Esther Gerritsen)



De roman De trooster van Esther Gerritsen begint met een motto, een citaat van C.S. Lewis:
Ik onderzocht mijzelt voor het eerst met een serieus praktische bedoeling. En daar trof ik ontstellende dingen aan: een dierentuin vol begeerten, een gekkenhuis vol ambities, een kleuterschool vol angsten, een harem vol gekoesterde haatgevoelens. 
Naar het motto te oordelen gaat De trooster over zelfonderzoek en over de ontstellende resultaten die dat oplevert.

Grensfiguur

Het verhaal speelt zich af in een klooster en de spil van de geschiedenis is Jacob. Jacob is de koster van het klooster, maar hij is geen geestelijke. Hij is een grensfiguur die staat tussen de wereld van het klooster en die daarbuiten. Dat doet denken aan de hoofdpersoon van Het hout van Jeroen Brouwers die in een vergelijkbare positie verkeert.

Hij vergelijkt zich met de hond: die mag wel rondlopen, wordt misschien ook wel geknuffeld, maar hoort er niet echt bij: 'Officieel besta ik in hun gemeenschap niet.'

Jacob heeft een scheef gezicht, dat gewoonlijk de mensen afschrikt. Hij zegt erover: 'De mensen glimlachen naar me als naar iemand die troost nodig heeft.' Je kunt je ook afvragen wat het ware gezicht van Jacob is.

Henry Loman

Behalve de broeders zijn er retraitegasten in het klooster en bij het begin van het boek is er een nieuwe gast, Henry Loman, staatssecretaris, die wat op zijn kerfstok heeft en nu blijkbaar de luwte opzoekt. Zo'n bekende gast veroorzaakt enige opschudding. En zeker het leven van Jacob wordt opgeschud, want Henry zoekt steeds het gezelschap van Jacob op.

In Henry's omgeving zijn er weinig mensen die hem voldoende tegengas geven en daarom gaat hij naar Jacob: 'Ik heb iemand nodig die me tegenspreekt. Iemand die me niet per se mag. Een onafhankelijke geest.'

Henry stelt Jacob vragen die deze anders nooit krijgt: ''Stel jij je wel 's voor,' vroeg hij, 'dat je iemand genadeloos in elkaar trapt?'' Het is maar een gedachte en het gaat om wat je doet, niet om wat je denkt, is zijn redenering. Dat lijkt Jacob wel erg comfortabel. Tegelijkertijd weet hij dat zijn gedachten er door de jaren heen niet liefdevoller op geworden zijn.

Tussen Henry en Jacob ontwikkelt zich een vriendschap. Jacob leidt al jaren een gelijkmatig leven, maar nu duikt ineens, na lange tijd, het geluk weer op.

Veertig dagen

In het klooster breekt de veertig-dagen-tijd aan, de aanloop naar Goede Vrijdag en Pasen. Het zijn dagen van inkeer, van vasten. Maar Jacob heeft genoeg van verdriet en van nederigheid. Hij geeft zichzelf de opdracht Henry tot inkeer te brengen. Die heeft namelijk aardig wat op zijn geweten, maar kan nog steeds onbekommerd zeggen dat hij een goed mens is.
Toen het kruis op mijn hoofd werd getekend, begreep ik dat het misschien niet míjn tijd was voor inkeer, maar wel voor Henry en dat ik hier een rol in had. 
Jacob heeft steeds meer het idee dat hij in het klooster het leven aan zich voorbij heeft laten gaan. Als er, naar dorpsgebruik, er een paasvuur is, waar een judas wordt verbrand, gaat hij er met Henry heen. Hij raakt hem kwijt in de loop van de avond en drinkt veel te veel. Dan zijn het wel de broeders die zich over hem ontfermen.

Niet alles over de inhoud kan ik vertellen, omdat er voor de lezer nog wat te ontdekken moet zijn. Er komt in ieder geval een moment waarop Jacob zich een judas voelt, omdat hij zijn vriend verraden heeft. En in de loop van het boek wordt de vraag dwingender wie nu 'de trooster' is.

De trooster

Henry vindt zeker rust bij Jacob en hij luistert geïnteresseerd naar wat de koster te vertellen heeft. Maar komt hij tot inzicht? Wordt hij getroost? En bij Jacob wordt het geluk wakker. Maar wordt hij door zijn vriendschap niet ook afhankelijk van Henry? En hoe troostend is eigenlijk het inzicht dat hij in zichzelf verwerft?

En dan is er natuurlijk het geloof. Jacob wil de geschiedenissen uit de Bijbel zo letterlijk mogelijk nemen, maar hij heeft ook behoefte aan symbolen. Wie is de Jezusfiguur in de relatie tussen Jacob en Henry? Offert iemand zich op? Jacob keert zich af van de broeders en hun geloof, maar misschien kan hij niet zonder hen.

Uiteindelijk vertrekt Henry weer vertrekt uit het klooster. Jacob blijft achter.
Ik zag ertegen op, vrezend dat na hun vertrek de ellende pas echt zou beginnen. Henry nam plaats op de bijrijdersstoel. Hij ging en liet de misdaad bij mij. Het is een griezelig wonder hoe iemand zijn zonden zo kan overdragen. Liever was ik met hem meegegaan. Er was een plek vrij op de achterbank, daar past nog wel een hond. 
Is het wel zo dat Henry zijn zonden overdraagt? En zijn zonden wel overdraagbaar? Blijven je zonden je achtervolgen? En is dat dan iets goeds? Het zijn vragen die bij de lezer opkomen.

Zondaars

Jacob heeft ooit tegen Henry gezegd dat alle mensen zondaars zijn, waarop Henry antwoordde dat hij niet snapte dat Jacob met dat besef kon leven. De vraag is in hoeverre Jacob toen besef had van zijn zonde, zijn tekortschieten. Het lijkt erop dat het vooral woorden zijn, als hij zegt dat iedereen een zondaar is, en niet een diep besef.

De strekking van De trooster is niet eenduidig, maar dat lijkt me geen bezwaar. Waarschijnlijk is het  een kwaliteit. Dit boek stelt ons vragen. Is er vergeving? Moeten we iemand vergeven die opnieuw een misstap begaat? Zijn we niet geneigd onszelf te gemakkelijk te vergeven?

Uit het motto, van C.S. Lewis, blijkt dat zelfinzicht ons laat inzien dat er weinig moois in ons leeft. Ook Jacob komt tot het inzicht dat hij geleefd heeft ten koste van het geluk van anderen. Dat hij op anderen is gaan staan om zich beter te voelen. Dat is geen prettig besef. Maar is het toch beter om de waarheid onder ogen te zien, dan je leven leefbaar te houden met een leugen, ook als die leugen niet bewust is?

Het is niet voor niets dat De trooster zich afspeelt in het klooster en niet voor niets in de periode naar Pasen toe. De vragen die het boek oproept, zijn religieuze vragen en het is niet duidelijk of de religie er voor Jacob ook een antwoord op heeft.

Al in eerder werk is Esther Gerritsen in de slag geweest met geloof. In Een kleine miezerige god wilde de hoofdpersoon een god, een getuige in haar leven. Na een louterende ervaring vindt de hoofdpersoon de weg omhoog. Ook in Roxy moet iemand diep dalen om weer te kunnen klimmen. Het zijn geen vrolijke boeken, maar er gloort hoop.

Familie

Henry heeft aangegeven dat hij familie nodig heeft. De broeders in het klooster hebben zich tegenover Jacob gedragen als een familielid. Juist tegenover hem, de man met het slappe gezicht, of misschien juist wel de man met twee gezichten. De man die als een verloren zoon de gemeenschap wilde verlaten.

In het evangelie naar Marcus (hoofdstuk 7) komt een niet-Joodse vrouw voor die Jezus vraagt om de duivel uit haar dochter te drijven. Jezus antwoordt dat het brood voor de kinderen bedoeld is, niet voor de honden. Waarop de vrouw zegt dat de honden toch onder de tafel eten 'van de kruimkens der kinderen'.

Misschien is Jacob zo'n hond, die het moet doen met kruimeltjes genade. En misschien is dat genoeg. Maar misschien zijn de kruimels niet genoeg om het knagende gevoel van leegte weg te nemen.

Gerritsen geeft ons heel wat om op te kauwen.


Eerder schreef ik over andere boeken van Esther Gerritsen:
Superduif
Twee keer over Dorsthier en hier
Roxy
Broer

vrijdag 30 november 2018

De bruidstijd van Annie de Boogh (Herman Robbers)


De tijd is onverbiddelijk. Sommige schrijvers zakken al tijdens hun leven weg in het moeras van de tijd, bij andere gebeurt dat na hun dood. Enkele schrijvers houden nog tijden hun grote naam (Multatuli, Couperus), wat niet altijd wil zeggen dat hun werk nog veel gelezen wordt. 

De naam van Herman Robbers (1868 - 1937) is zo ongeveer verdwenen. Op Wikipedia lees ik dat in 2016 een herdruk is verschenen van zijn roman De Roman van een Gezin (1909/1910). Het is mij ontgaan. Voor zover ik weet, is er weinig aandacht aan besteed. 

Al jaren geleden las ik de novelle Een vreemde plant (1895). Die werd indertijd samen met Een kalverliefde en De verloren zoon uitgebracht in een bundel. Het was Robbers' debuut die toen nog  toen nog het pseudoniem Phocius gebruikte.

Herman Robbers, omstreeks 1907
Afbeelding uit het Jaarboek
van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1938

De Roman van Bernard Bandt

In 1897 brak Robbers door bij een groter publiek met De Roman van Bernard Bandt. In de stukken die in de jaren erna verschijnen wordt hij vaak genoemd naast de toonaangevende schrijvers. In bijvoorbeeld de Provinciale Zwolsche en Overijsselse Courant van 22 oktober 1900 wordt een artikel weergegeven dat eerder stond in de Frankfurter Zeitung. Dr. Paul Raché bespreekt daarin de Nederlandse literatuur. Hij heeft vooral waardering voor de vrouwelijke schrijvers (Cornelie Huygens, Anna van Kaulbach, Jeanne Reyneke van Stuwe). Raché:
Het werk der mannen kan de vergelijking met dat der vrouwen niet doorstaan. Marcellus Emants zwijgt, Herman Robbers, die eens zooveel beloofde, zwijgt eveneens.
Couperus heeft nog recent Psyche (1898) en Fidessa (1899) gepubliceerd. Raché prijst de stijl, maar je merkt dat hij ze van minder gewicht vindt dan de grote romans die Couperus dan al op zijn naam heeft staan. Dat Couperus intussen ook Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) heeft gepubliceerd, is Raché ontgaan en ook Robbers zit niet stil. Hij is zijn nieuwe roman, De bruidstijd van Annie de Boogh in afleveringen aan het publiceren in Elsevier. Dat zal wel Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift zijn. Robbers zat in de redactie. 

Haagsche Courant, 8 juni 1900

Omdat het boek over Annie de Boogh in mijn boekenkast stond, besloot ik het te lezen. Bij DBNL is de roman overigens als e-boek te downloaden. Ik was benieuwd, ook omdat ik enkele jaren geleden De klop op de deur (1930) van Ina Boudier-Bakker las. Ook een boek dat bijzonder populair is geweest, maar dat intussen weg is uit de belangstelling. Ik schreef daar hier over. Ik verwachtte bij het boek van Robbers een soortgelijke leeservaring. 

Paul en Annie

Afgaande op de titel, verwacht je dat Annie de Boogh de hoofdpersoon van het boek zal zijn, maar in de eerste hoofdstukken leven we mee met Paul Holman, een kunstschilder. Hij reist van een dorp in Brabant naar Rotterdam, waar zijn moeder woont. Zijn vader is al lang geleden overleden. 

De bedoeling is dat hij tien of twaalf dagen in Rotterdam zal blijven. Tegen het einde van die periode zal zijn jongere broer Louis gaan trouwen, met Annie de Boogh, die Paul nog niet eerder ontmoet heeft. Louis is een zakenman, die geregeld de beurs bezoekt en zijn aanstaande schoonouders zijn verguld met het aanstaande huwelijk. 

Al bij de eerste kennismaking is Paul onder de indruk van Annie en al snel wordt hij verliefd op haar. Het duurt wel even voordat hij in de gaten heeft wat er met hem aan de hand is. Hij wil in ieder geval niets laten merken. Annie voelt ook veel voor Paul en ook zij heeft tijd nodig om dat aan zichzelf te bekennen. Ze gaat daardoor wel haar relatie met Louis opnieuw bezien: houdt ze wel echt van hem?

Wisselend perspectief

Het perspectief gaat heen en weer tussen Paul en Annie, waardoor de lezer op de hoogte raakt van beider gedachten. Soms ligt het perspectief bij Louis en een enkele keer bij nog iemand anders. 

Een huwelijk in die tijd (ruim honderd jaar geleden) en in die kring (gegoede  burgerij) is niet zomaar een feest: op de dagen voorafgaande aan de bruiloft is er een receptie, een bal, een toneelvoorstelling. Dagenlang heeft het bruidspaar sociale verplichtingen. Paul, gekweld door zijn verliefdheid, houdt het niet langer uit en besluit al voor de bruiloft terug te reizen naar Brabant. Zijn broer zal wel een andere getuige vinden.

Annie weet niet of Paul iets voor haar voelt en ook niet of ze nog wel uit het voorgenomen huwelijk met Louis kan. Haar ouders hebben vaak ruzie en Louis is een ontsnappingsmogelijkheid uit haar thuissituatie. 

Als lezer weet je lange tijd niet waar het verhaal heen zal gaan. Dat er iets opbloeit tussen Paul en Annie is wel duidelijk, maar doordat ze zo terughoudend zijn met het uitkomen daarvoor, weten ze van elkaar niet dat de gevoelens wederzijds zijn. In de romans van zo'n goede honderd jaar geleden zijn er heel wat gefnuikte liefdes aan te wijzen, dus het zou zomaar kunnen zijn dat Annie, ondanks haar liefde voor Paul, een niet ideaal huwelijk in sukkelde. In haar somberste gedachten speelt Annie zelfs met zelfmoord. Ook zelfmoorden waren aan de orde van de dag in de boeken die indertijd verschenen. 

De roman zou goed kunnen eindigen (ze krijgen elkaar!), maar Annie zou dus ook in een uitzichtloos huwelijk terecht kunnen komen (net als haar ouders) of een eind aan haar leven kunnen maken. Vanwege de plot zal ik daar verder niets over zeggen. In de recensies in die tijd is men daarover minder scrupuleus: de plot wordt breed uitgemeten in de krantenstukken. 

Helemaal aan het slot zien we Paul, nog altijd schilder:
Hij wist ook wel: je kunt de ziel in verf niet vatten....
Zoo min als in woorden....
't Is àl illusie....
Dit is het 'Ceci n'est pas une pipe' van Robbers, zoals ook de Revisorauteurs, nog weer veel later,zouden benadrukken dat hun romans fictie waren. In zijn slotzin was Robbers zijn tijd vooruit.

Algemeen Handelsblad, 22 januari 1901

Recensies

Er zijn verschillende positieve recensies. Willem Kloos noemt Robbers waarderend in De Nieuwe Gids (jaargang 16 - 1901):
Van Hulzen's ‘Getrouwd’ noemde ik reeds hierboven - evenals vele andere in vorige kronieken - maar ook Robbers, vooral ook Herman Robbers zal in de kunst, die zoo machtig is aan 't komen, vooraan staan in de eerste rij. (...)
Zoo ook Herman Robbers' levensvol boek, dat hij noemde ‘De Bruidstijd van Annie de Boogh’. Een boek nu, dat leeft, moet, om een passende beeldspraak te gebruiken, bloed en zenuwen hebben en een ziel.
En De Bruidstijd heeft die, in waarheid, alle drie. 't Is of men verkeerd heeft met een levend organisme, als men, omdat men 't geheel heeft genoten, het boek ten slotte weer dicht gaat slaan.
Robbers wordt verschillende keren genoemd bij de vooraanstaande schrijvers. In het Rotterdams Nieuwsblad van 7 maart 1901 lezen we:
In dezen “Bruidstijd van Annie de Boogh” staat Herman Robbers, de goede schrijver van “De roman van Bernardt Bandt” plots naast de éérsten in onze literatuur, naast enkelen als Frans Coenen, Stijn Streuvels, M. Antinck.

'Het soort bevalt mij niet'

Nogal dubbel is het oordeel in het Nieuwsblad van het Noorden van 28 april 1901:
Dezer dagen (...) nog eens een modernen Nederlandschen roman gelezen, door de moderne critiek hemelhoog geprezen. Nu, ik ook zal op de voortreffelijke qualiteiten van dien roman niets afdingen: in zijn soort is “De Bruidstijd van Annie de Boogh” van Herman Robbers een uitstekend boek, maar het soort bevalt mij niet en om aan te geven wat mij in de nieuwe kunst mishaagt, zij het mij vergund over dien roman even te spreken. Van de taal kan bijna niets dan goeds worden gezegd: slechts enkele woorden en uitdrukkingen herinneren aan den gemaniëreerden Nieuwen-Gidsstijl. Ook de heer Robbers schijnt te meenen dat een “blinde-muur” heel iets anders is dan een “blinde muur,” dat “beweeg” veel mooier is dan “beweging”. (...) Hij meent dat “handenvleesch” ’t zelfde is als “ ’t vleesch van de handen” en “prikduwend scherpe kruimels in zijn vingertoppen-vleesch” even kernachtig, als “een avond-achtig stilte-vallen” schilderachtig.
Daarin vergist hij zich en maakt hij het boek minder prettig om te lezen, doch overmatig heeft hij zich niet daarin bezondigd en mijn bezwaren zijn van een anderen aard. In de eerste, ofschoon niet in de voornaamste plaats, gelden deze de intrigue. Er is weinig scherpzinnigheid voor noodig om de heele verwikkeling te doorzien vóór men nog ’t eerste hoofdstukje van 12 bladzijden ten einde heeft gelezen.
Robbers heeft er inderdaad wel slag van bij sommige passages veel bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken, een stijl die we, geloof ik, wel impressionistisch noemen. Slechts in enkele passages (aan het begin van het boek bijvoorbeeld) vond ik dat storend. Verder viel het me nogal mee. Ergens in het putje van mijn geheugen heb ik nog De Adriaantjes van Van Deyssel, waar het verhaal maar niet opschiet door de ellenlange beschrijvingen. Dat Van Deyssel ook zonder kon, bewees hij in bijvoorbeeld Blank en geel (1894).

De voorspelbaarheid is (voor mij, tenminste) niet zo groot als de recensent meent. De nieuwsgierigheid naar de afloop deed me door de pagina's jagen. 

De recensent gaat verder:
’t Procedé is bekend: al de mogelijke aandoeningen die twee menschen, welke in dergelijke positie verkeeren, kunnen krijgen, worden met de nauwgezetheid van een boedelbeschrijver opgeteekend. Zekerheid dat een jonge man en een jonge vrouw in soortgelijke omstandigheden zulke aandoeningen moeten hebben, krijgen wij niet: de auteur, blijkbaar een even braaf mensch als zijn held en zijn heldin, neemt bij beurten de rol van deze en van genen op en zoo ontstaat dan, wat men met een verheven woord noemt een psychologische roman. Maar zoo krijgen we, of ik het zeer mis, nòch door een kunstenaar waargenomen beelden, nòch karakterontleding, doch slechts substitutie van gevoel, of hoogstens sentimenten, die, in zoo grooten overvloed gegeven en alleen door puntjes van elkaar gescheiden, den lezer vermoeien. (...)
Er is hartstocht in het boek, maar er zijn niet genoeg daden uit dien hartstocht voortvloeiende. En dat is te meer te betreuren, omdat de auteur wel kàn: als hij zijn wijsheid eens intoomt en alleen maar vertelt, is hij werkelijk goed.
Een beetje kan ik de recensent wel navoelen: veel aandacht voor het mengelmoesje aan gevoelens en niet al te veel handeling. Toch bleef ik doorlezen, vooral ook omdat ik wilde weten hoe het zou aflopen met Annie.

Metrisch proza

Wat het lezen van deze roman ook veraangenaamt, is het ritme in de zinnen van Robbers. Het viel me pas na een tijdje op dat sommige passages bijna metrisch geschreven zijn en dus als een rijmloos gedicht gelezen kunnen worden. Ik neem een passage over, waarbij ik voor de duidelijkheid de regels afkap:
'dat hij z'n liefde niet kon blijven dragen,
- als op z'n handenvlak een wondermooie vaas; -
want 't was niet iets dat op zich-zelf bestond
en in hem woonde, 't was een wond,
een groote, open wond met heete randen,
die hij moest heelen of er dood aan bloeden....'
Het zou zomaar een gedicht kunnen zijn. Het deed mij denken aan de ritmische taal van bijvoorbeeld het toneelstuk Het chemisch huwelijk van Gerrit Komrij, of, meer uit de tijd van Robbers: Mei van Gorter. Maar die hanteerde eindrijm. Het rijm bij Robbers is minder systematisch toegepast.

Wie eenmaal oog heeft voor het metrum in het proza van Robbers, ziet het in verschillende passages terug en mijn indruk is dat het vooral gebeurt bij een soort innerlijke monoloog, een stroom van gedachten.

'Merkwaardige critiek'

Een systematisch onderzoek heb ik er niet naar verricht, maar mijn natte vinger geeft aan dat Robbers aardig wat lof heeft gekregen voor zijn roman. Er waren wel wat critici. Zo was J. van den Oude in Literarische Interludiën nogal kritisch.

Bijzonder is de kritiek van Israël Querido, die in het tijdschrift Nederland, verschillende afleveringen nodig heeft om Robbers eens flink door te zagen. Later zal het gehele stuk opgenomen worden in Over literatuur (1904). Querido haalt veel overhoop. Hij lijkt Robbers te verwijten dat hij burgerlijke (en geen proletarische) literatuur schrijft. Zelfs als Robbers kritiek heeft op de burgerij (bijvoorbeeld de ouders van Annie de Boogh) doet hij dat op een burgerlijke manier.

Querido gaat uitgebreid in op de stijl van het debuut van Robbers. Hoe verder je in zijn essay in stukken leest (ik heb de moeite niet genomen om het helemaal te lezen), hoe meer je het idee krijgt dat hij met een kruistocht bezig is. Bij het tijdschriftoverzicht in de kranten wordt verschillende keren naar het lange stuk verwezen. In het Algemeen Handelsblad wordt het stuk 'merkwaardig' genoemd, maar er is ook waardering:

Algemeen Handelsblad, 5 maart 1902

Negatieve kritieken hebben in ieder geval geen beslissende invloed gehad op de verkoop. In de Haagsche Courant van 8 juni 1902 kon gemeld worden dat de derde druk was verschenen. Er zouden er meer volgen. In 1923 verscheen de negende druk.

Haagsche Courant, 8 juni 1902


















Er zijn, zelfs recent, herdrukken van De bruidstijd van Annie de Boogh op de markt gebracht. Ik trof bij het googelwerk onder andere bovenstaande omslagen aan. Er zijn er meer.


Ik heb niets over de herdrukken vernomen, niemand gehoord die er enthousiast over was. Jammer. Er staat nog meer werk van Herman Robbers in mijn boekenkast. Ik laat het nog even staan. Maar, wie weet, als ik ooit veel tijd heb, neem ik het eruit. Als mijn hand tenminste dan niet gaat naar Waarheid en Droomen (van Jonathan), of naar iets van Den ouden heer Smits, van Cyriel Buysse of van Arnold Clerx. Er is altijd te veel te lezen. Gelukkig maar. 

donderdag 29 november 2018

Vlindersoorten, edelstenen en zondagskinderen in 1942 (Wie wat waar? 5)


Aan het eind van 1941 kwam Wie wat waar? Jaarboek 1942 uit. Het was een uitgave van de Haagsche Courant. In mijn vorige bijdrage hierover (zie verdere links hieronder) pikte ik opmerkelijke zaken uit het jaaroverzicht van 1941. Deze keer blader ik verder door het boek.

Niet alle onderwerpen die in Wie wat waar? aan de orde komen zal ik bespreken. Sommige noem ik slechts. Na het jaaroverzicht krijgen we enkele bijdragen die met data hebben te maken: de kalender van 1942 en 1943, de 'Algemeene Zon- en Feestdagen in 1942' en daarna de 'R.K. Zon-, Feest-, Kerkelijke- en Vastendagen in 1942'.

Voor wie wil weten wanneer Hemelvaart is in 1925 of 'Paschen' in 1936 is er de tabel 'Veranderlijke Feesten van 1925 tot 1950'. Daarna volgen er bijdragen over 'Het Zonnestelsel', 'Zichtbaarheid van Mars, Jupiter en Saturnus', 'Venuskalender tot 1950', 'Schijngestalten der Maan in 1942', 'Eclipsen in 1942' (vijf stuks, waarvan drie 'hier te lande zichtbaar') en 'Het Kerkelijk Jaar in 1942'.

Verderop vinden we nog 'Eeuwigdurende Kalender 1801 - 1980'. Vooral de toevoeging van de jaartallen vond ik komisch.

Natuur

Al deze onderwerpen komen min of meer in overzichtsvorm voorbij. Uitgebreider aandacht is er voor 'Eenige der meest voorkomende vlinders', onderscheiden in dagvlinders en nachtvlinders. Misschien waren er in die jaren meer vlindersoorten dan nu. Van de meer dan dertig vlindersoorten die voorbij komen fladderen ken ik er heel veel niet. Nooit eerder hoorde ik van de 'oranje iepetakvlinder', het 'pistooltje', het 'brandnetelkapje', het 'peterselievlindertje' of de 'nommervlinder'.

In een kleurenkatern staan ze allemaal afgebeeld. Daar staan ook afbeeldingen van 'Het mengen van kleuren', edelstenen, planten, granen en vogels. Aan het eind van het kleurenkatern (dat op glimmend papier is gedrukt) vinden we in zwartwit enkele verkeersregels, 'Met toestemming overgenomen uit De Motor'. (zie hieronder). Bij sommige regels had ik wel mijn twijfels, maar misschien is dat onterecht.



Bij de edelstenen krijgen we ook nog 'De taal der edelsteenen'. Voor wie er behoefte aan heeft: een amethist ('amethyst') is een 'voorbehoedmiddel tegen hartstocht' en een onyx verzekert huwelijksgeluk. Bijgeloof vierde ook toen al hoogtij.

Feitjes

Voor wie van feitjes houdt, zijn er overzichten van de lengte der spoorwegen (die is in Nederland 3.598 km, maar in België 5.154 km); de langste tunnels (de Simplontunnel is het langst: 19.803  m.); de hoogste gebouwen ter wereld (Empire State Building is het hoogst: 380 m.); Miljoenensteden (Londen is het grootst: 8.192.000 inwoners, gevolgd door New York en Tokio); de zeven wereldwonderen; de oppervlakte van enige belangrijke gletsjers (Vatna Jökull op IJsland 8000 vierkante kilometer); de hoogte van enige belangrijke watervallen.

Bijgeloof
En dan gaan we weer naar het bijgeloof: 'Verjaardagen en Astrologie'. Ik neem het stukje over de 'Juli-menschen' over:
Juli-menschen. De zon staat in het teeken van den kreeft van 22 Juni tot 23 Juli. De maan is de levensbeheerschende planeet.
Karakter: gevoelig, gemakkelijk te beïnvloeden, schuchter, terughoudend, huiselijk, spaarzaam, rustig, passieve standvastigheid, sterk gevoelsleven, moederlijkheid, overgevoelig soms, goed geheugen, veel inspiratie, reproductief kunstzinnig.
Levenslot: veel schommelingen; veel verliezen op eigenaardige manier; huwelijk uit liefde; harmonisch gezinsleven; vriendschappen wisselen vaak. 
Elke maand heeft zijn geboortesteen, zien we in een overzicht en het maakt ook nog uit op welke dag iemand geboren is:
De zeven kinderen van de week 
'n Maandagskind heeft een aardig gezicht.
'n Dinsdagskind is een gracielijk wicht.
'n Woensdagskind kan vaak tobben en kniezen.
'n Donderdagskind reist met groote valiezen.
'n Vrijdagskind houdt van liefdevol geven.
'n Zaterdagskind moet hard werken in 't leven.
Maar het kind dat op Zondag in 't leven trad
Is vroolijk en vrind'lijk: een èchte schat!
Het begrip 'zondagskind' kennen we overigens nog steeds.

Onder het kopje 'Oogsttijden' vinden we per maand waar er ter wereld geoogst wordt. In december is dat alleen in Birma.

De wereld

Daarna verkennen we de wereld: de oppervlakte van de werelddelen, de oceanen en de grootste meren, de grootste rivieren, de hoogte van werkende vulkanen (de hoogste is de Cotopaxi in Ecuador, 5943 m.), de grootste aardbevingen.

Daarna krijgen we uitleg over de Mercalischaal, een schaal die de kracht van aardschokken aangeeft. Die schaal is intussen vervangen door die van Richter.

Dan krijgen we een opsomming van de belangrijkste zee-engten (Kleine Belt, Bosporus, Dardanellen), landengten, de voornaamste eilanden der aarde en kanalen die zeeën verbinden. Als bladvulling een stukje over de taal der bloemen:
Een rozeknop, ontdaan van de doornen, maar niet van de bladeren, beteekent: Ik vrees niet langer; ik hoop. Als zoowel doornen als bladeren verwijderd zijn, beteekent het: Er is niets te hopen of te vreezen. Een bloeiende roos boven twee rozeknoppen, wil zeggen: Geheimhouding. "Ja," zegt men, door de bloem tegen de lippen te drukken, "neen", door een bloemblaadje af te plukken en het weg te werpen.
Er blijken meer bloemsoorten met een symbolische betekenis te zijn. Wie de taal der bloemen spreekt, moet dan ook nog maar hopen dat er iemand is die die taal verstaat.

Dan gaat het weer verder over records in de wereld: de grootste bruggen, de hoogste bergen, de diepten der zeeën.

De lijstjes zijn nog niet op: een opsomming van de Europese talen, met het aantal mensen dat die taal spreekt (Nederlands: 11.570.000), de grootste branden, aardbevingen en vulkanische uitbarstingen (waarbij de Tambora -1815- ontbreekt).

En nu iets heel anders: de tien geboden voor slechthorenden en mensen die met slechthorenden omgaan.


Daarna de inhoud van de Bijbel en een beknopt overzicht van de geschiedenis der Christelijke Kerk.

Voor mensen met groene vingers is er een uitgebreide handleiding voor de verzorging van kamerplanten, een overzicht van 'Ons graan en eenige gewassen' en een uitgebreide beschrijving van allerlei vogels. Van de planten, de granen en de vogels konden we in het kleurenkatern al afbeeldingen zien.

Het is een beetje een ratjetoe: aardige weetjes, handige tips en dat op allerlei gebied. Er zit al gauw wat tussen voor de gemiddelde lezer. De volgende keer blader ik verder door het jaarboek en dan gaat de tijd van publicatie weer meespelen. Dan krijgen we een uitgebreide beschrijving van de 'Duitsche Autoriteiten in ons land.'

De vorige bijdragen over het jaarboek:

Inleiding
Kalender 1942
Overzicht 1940
Overzicht 1941

woensdag 28 november 2018

Romeinse inval in de Lage Landen (Franky Drappier/Jan Kragt)


Strips kun je voor allerlei doelen inzetten: je kunt ze  als een vorm van kunst beoefenen, je kunt vermaak beogen, reclame maken, voorlichting geven, maar ook onderwijzen. Dat laatste is het doel van de Stichting Eureducation, die ondermeer jongeren in Europa deelgenoot wil maken van elkaars cultuur en geschiedenis.

De stichting heeft intussen al een hele reeks strips uitgegeven, met de daarbij behorende lespakketten.   Enkele titels: Michiel de Ruyter, Vincent van Gogh, Willem I, George Maduro, De Vliegende Hollander. In juli 2018 verscheen Romeinse inval in de Lage Landen. Het scenario is van Jan Kragt, de tekeningen zijn van Franky Drappier.

De titel klopt eigenlijk niet. Het album begint wel met de komst van de Romeinen, maar het verhaal beslaat meer dan honderdtwintig jaar, en toen was de inval wel achter de rug. Maar goed, het gaat in ieder geval over de tijd dat de Romeinen in de Lage Landen waren.

Hoe het er allemaal in die tijd uitgezien heeft, kan gedeeltelijk gereconstrueerd worden. Daar heeft de tekenaar ook wel zijn best voor gedaan. Wie een beetje thuis is in het Archeon (waar veel in Romeinse stijl is nagebouwd) ziet dat de tekenaar ook daarvan voorbeelden heeft gebruikt.

Anachronismen

De tekstschrijver, Jan Kragt, veroorlooft zich af en toe een anachronisme, bijvoorbeeld de uitspraak 'Breng de man naar het langhuis'. Ik ga ervan uit dat die term in de Romeinse tijd nog niet bestond. Ook de tekenaar komt niet altijd los van het heden: de Romeinen en de Bataven hebben (bijna allemaal) opmerkelijk regelmatige gebitten. Dat past misschien ook wel in de neiging om het allemaal een beetje netjes te houden. Zo komt er wel geweld in voor, maar is het terughoudend weergegeven. Zelfs een martelscène ziet er niet echt gruwelijk uit, wat eigenlijk ook wel gepast is voor onderwijsdoeleinden. De gevolgen die het geweld heeft in persoonlijke levens worden overigens goed duidelijk gemaakt.

Het begin van het verhaal leest lekker weg, wat komt doordat je je kunt identificeren met de personages. Zowel bij de Bataven als bij de Romeinen volgen we enkele personen. Enkele soldaten zijn bijna toe aan het moment dat ze het leger vaarwel kunnen zeggen en op een eigen stukje grond hun oude dag kunnen beleven. Maar er komt een veldslag tussen.

De Bataven die dierbaren verloren hebben, moeten veel overwinnen om uiteindelijk met de Romeinen samen te werken. Dat moeizame proces wordt goed geschetst. Hier en daar komen er wel vragen op: als de handel op gang komt, worden de Bataven meteen uitbetaald in goud, maar het is de vraag wat ze er op dat moment mee kunnen.

Minder verhaal

Maar goed, dat zijn details. Een groter nadeel is dat verderop in het album het 'verhaal' een beetje verdwijnt. Er zijn geen gebeurtenissen die de lezer voortstuwen, maar meer en meer wordt het album een rijk geïllustreerd geschiedenisboek. Dat is waarschijnlijk nog steeds aantrekkelijker voor leerlingen dan een boek waarin voornamelijk tekst voorkomt, maar je krijgt wel het idee dat het genre hier niet ten volle is uitgebuit.

Het opdrachtenkatern (het lespakket) bestaat uit vragen en opdrachten die aansluiten bij het stripalbum. Er zijn steeds rechtstreekse verwijzingen naar het album. Bijvoorbeeld: 'Op bladzijde 23 lees je dat de Bataafse producten met de Romeinen verhandeld worden. Welke producten van de Bataven worden met de Romeinen verhandeld?'

Ook is er in het katern beknopt extra uitleg, soms ook getekend, zoals de indeling van een badhuis.

Het album op zich is, buiten de lessituatie, aardig te lezen, al zakt het verhaal in de tweede helft in. Als aanknopingspunt voor de geschiedenisles is het geschikt. Doordat je meeleeft met de personages, zie je welke implicaties de grote geschiedenis heeft voor individuen en kleine gemeenschappen.

In een ver verleden hadden we voor geschiedenis de wandplaten van bijvoorbeeld Isings. De stap naar een strip is dan niet eens zo groot. Alleen hoeft nu de leerkracht niet zelf te vertellen.



Titel: Romeinse inval in de Lage Landen
Scenario: Jan Kragt
Tekeningen: Franky Drappier
Uitgever: Eureducation, z.pl. 2018
softcover, 48 blz. €7,95.
Speciale prijs voor het onderwijs: € 3,95 per album, inclusief lespakket. Minimale afname: vijf exemplaren.

maandag 26 november 2018

Uur U - deel 11 en 12 (Duval & Péceau)


















Het lied 'Als het net even anders was gegaan' begint met: 'Als Hitler toch de oorlog had gewonnen -wat weinig had gescheeld met die V2 - hadden we dan nog levensmiddelenbonnen of viel de toestand achteraf best mee?' De tekst is van Willem Wilmink en de zang was indertijd van Herman van Veen.


What if? De gedachte is aantrekkelijk. Wat als de Russen als eerste de maan hadden bereikt? Wat als de Cubacrisis niet afgewend was? Wat als Nederland in 1974 wereldkampioen voetbal was geworden? Nou ja, dat laatste had wellicht weinig uitgemaakt, maar bij andere kantelpunten in de geschiedenis was er weinig nodig geweest om de loop van de gebeurtenissen een andere kant op te sturen, waardoor wellicht ook onze toestand in het heden heel anders was geweest.

Uur U

De stripserie Uur U speelt met die gedachte. Intussen is de reeks al twaalf delen ver en heeft men in de verschillende delen bijvoorbeeld verkend wat het betekend had kunnen hebben als de Russen inderdaad als eerste op de maan geland zouden zijn, als mei 1968 het begin zou zijn geweest van een burgeroorlog in Frankrijk en als John F. Kennedy niet vermoord zou zijn.

In deel 11, Omega,  ziet Europa er anders uit dan we gewend zijn. Frankrijk is na een staatsgreep in 1934 geen democratie meer, Hitler is verslagen in de Rijnoorlog in 1936 en nu is alleen Groot-Brittannië nog over als tegenstander van Frankrijk. We wachten gespannen af of het tot een confrontatie zal komen.

De scenaristen Fred Duval en Jean-Pierre Pécau (met assistentie van Fred Blanchard) hebben een aardig verhaal in elkaar gezet, met veel aandacht voor de luchtvaart. Als Frankrijk iets wil beginnen tegen de Britten, zal de strijd in de lucht in ieder geval gewonnen moeten worden.

Saint-Exupérie

In het verhaal duikt een bekende naam op: Antoine de Saint-Exupérie, de vliegenier die ook bekend geworden is als auteur van De kleine prins. In het begin van het album ontzet hij zijn collega Léo Berger in 1927 als die heeft moeten landen in Marokko en onder vuur ligt van Moorse rebellen. Deze Léo zal in 1942 de centrale rol spelen in het verhaal over de spanning tussen de Britten en de Fransen.

De overgang van 1927 naar 1942 wordt mooi verbeeld door tekenaar Maza: We zien op dezelfde bladzijde twee postvliegtuigen, met daarachter een gestempelde brief. Aan de poststempels is te zien dat we een sprong in de tijd maken, maar ook dat de République Française veranderd is in een staat waarin de extreem rechtse beweging Omega aan de macht is.

Het verhaal krijgt vaart als De Saint-Exupéry met zijn toestel neerstort. Neergehaald door de Britten? En wat deed  Antoine op die plaats op dat moment? Léo is ervan overtuigd dat het perfide Albion zijn vriend heeft neergehaald en hij is niet van plan het erbij te laten zitten.

Duval en Pécau hebben er een heel aardig verhaal van gemaakt, dat je vlot wegleest. Maar al heel gauw heb je niet meer het idee dat je op een mogelijk zijpad van de geschiedenis bent beland: er had wel heel veel anders moeten gaan in het verleden om dit scenario tot realiteit te maken. Dat is natuurlijk niet erg: als fictie blijft het album wel overeind.

Stepperijk

Deel 12, Het Stepperijk, is het eerste deel van een tweeluik. In dit verhaal gaan we verder terug in de geschiedenis: Dzjengis Khan dreigt in 1242 met zijn horden heel Europa te veroveren. Rome is intussen al gevallen en geplunderd. Twee broers, een monnik en een ridder, doen een ultieme poging de invasie te keren en Europa westers te houden.

In dit deel zijn Fred Duval en Jean-Pierre Pécau weer de scenaristen en ook nu zijn ze geassisteerd door Fred Blanchard. Waaruit die assistentie bestaat, wordt niet geëxpliciteerd. Mogelijk is hij voor de historische research bij het project betrokken.

Zoals gezegd, het verhaal komt met dit deel maar tot halverwege. In deel 13, Stupor Mundi, zullen we de rest lezen. In dat deel zal de echte confrontatie pas plaatsvinden. Dat zorgt er ook voor dat Het Stepperijk vooral leest als een aanloop. Hier en daar had het wel iets meer tempo kunnen gebruiken.

De tekeningen zijn van Guéra, die redelijk realistisch tekent, maar in sommige gezichtsuitdrukkingen toch wat neigt naar het karikaturale. De ruwheid van de tijd weet hij verder wel goed neer te zetten.

Alternatieve geschiedenis

Het idee achter de serie Uur U is interessant. Door het schetsen van een alternatieve geschiedenis zou er meer inzicht kunnen ontstaan in de echte geschiedenis. Ik heb het idee dat dat niet echt gebeurt, tenminste niet bij mij. Maar wellicht ben ik te weinig ingelezen in de perioden waarover de verhalen handelen.

Maar de serie is ook goed te lezen als een avonturenserie die zich in een verleden afspeelt dat je kunt accepteren zonder al te veel achtergrondkennis. Op een enkel tweeluik na, staan de verhalen op zichzelf, maar doordat ze opgenomen zijn in een serie, krijgen ze een context, waardoor het geheel meer is dan de som der delen. Voor wie de hele serie wil: bij Silvester is de serie ook te koop in verzamelboxen van vier albums. Daardoor valt het verhaal over het weerstaan van Dzjengis Khan wel in twee verschillende boxen. Maar voor een verzamelaar van de complete serie is dat geen bezwaar. En wie alleen afzonderlijke delen leest, is het geen bezwaar.
pagina uit Omega
Pagina uit Het Stepperijk
Serie: Uur U
Titel deel 11: Omega
Scenario: Fred Duval & Jean Pierre Pécau
Tekeningen: Maza
Uitgever: Silvester, 's-Hertogenbosch 2018. 64 blz. hardcover, €16,95

Titel deel 12: Het Stepperijk
Scenario: Fred Duval & Jean Pierre Pécau
Tekeningen: Guéra
Uitgever: Silvester, 's-Hertogenbosch 2018. 48 blz. hardcover, € 16,95