maandag 15 oktober 2018

Edena (Moebius)


Als iemand zegt: 'Eigenlijk houd ik niet van jenever', is de kans groot dat hij juist op dat moment een jonge in de hand heeft; eigenlijk houdt hij er niet van, maar deze is toch wel erg lekker. Zo'n uitspraak moet ik ook doen: Eigenlijk houd ik niet van science-fiction.

Ik ken niet de fijne onderverdeling in het genre, maar voor mij is alles science-fiction dat zich in de toekomst afspeelt. Vaak spelen daarbij ruimteschepen een rol. Voor de goede orde: ik lees het wel (tenminste in stripvorm) en ik heb hier ook al, positief, het een en ander besproken, bijvoorbeeld de boeken van Frederik Peeters of de albums van Ravian en Laureline en ook werk van Moebius kwam hier al voorbij. Maar het is nooit mijn eerste keus.

Als ik moet kiezen tussen bijvoorbeeld een western en science-fiction, weet ik het wel. Voor mijn gevoel liggen de beide genres ver uit elkaar, maar in de tekenaar Jean Giraud verenigen ze zich. Onder die naam tekende hij bijvoorbeeld Blueberry, maar hij tekende ook onder de naam Moebius, volstrekt ander werk.

Goed gedaan, dat wel. Maar ik moet me altijd wel ergens overheen zetten. Misschien omdat het allemaal net te weinig aards is. Te zweverig (letterlijk en figuurlijk), te dromerig, te symbolisch. Maar tekenen kan Moebius natuurlijk wel en, verdorie, hij kreeg me tijdens het lezen toch te pakken met Edena.

Edena
is een prachtig uitgegeven boek: gebonden, leeslint, glanzend papier. Het kan qua uitvoering naast andere kunstboeken in de kast. Het boek is een bundeling van de verhalen die afzonderlijke bundels zijn verschenen, maar die allemaal gaan over de fictieve wereld van Edena. Hoofdpersonen zijn Stel en Atan, een man en een vrouw, die reparaties verrichten in de ruimte. Ze komen in een hen onbekende wereld terecht en raken uit elkaar. Een groot deel van het boek is Stel op zoek naar Atan/Atana.

Gaandeweg worden Stel en Atana meer menselijk qua uiterlijk, meer man en vrouw. Wie wil, kan de hele tocht die ze maken ook symbolisch duiden en dan is er wellicht ook nog chocola van te maken, maar je kunt ook domweg het verhaal volgen. Ook dan is de liefde tussen hen duidelijk en merk je hoe sterk ze daardoor gedreven worden.

Verder zijn er natuurlijk genoeg vreemde locaties en vreemde wezens. Boeiend gedaan, prachtig getekend. Maar je moet er wel van houden. Aan het eind van het boek komen we Jean Giraud zelf nog tegen, achter zijn tekentafel. Eerst onder een glazen stolp, later in zijn werkkamer. Een groot en veelzijdig stripmaker, ongetwijfeld. Binnenkort maar weer eens Blueberry bespreken.



Titel: Edena
Auteur: Moebius
Inleiding: Benoît Mouchart
Uitgeverij: Sherpa
Haarlem 2018, 408 blz. gebonden € 55,-


donderdag 11 oktober 2018

67 seconden (Jason Reynolds)


Soms komt er zomaar een boek op je pad. Onlangs luisterde ik naar de eerste twee afleveringen van de Grote Vriendelijke Podcast. Daaraan zal ik hier waarschijnlijk nog wel eens aandacht besteden. De geïnterviewden of de interviewers mochten een boek aanbevelen. Een van hen noemde 67 seconden van Jason Reynolds. Nooit van de man gehoord, nooit van het boek gehoord en bij de boekhandel was het ook al niet op voorraad. Maar het kon natuurlijk besteld worden. Intussen heb ik het gelezen.

In een wijk waarin geweld aan de orde van de dag is, wordt een jongen, Shawn, doodgeschoten. Zijn jongere broer, Will (15 jaar) kent de regels: niet huilen, niet snitchen, wraak. De volgende dag haalt hij een pistool uit het laatje van Shawn, stopt het achter in zijn broekband en gaat met de lift zes verdiepingen naar beneden, op weg om wraak te nemen.

Die lifttocht duurt 67 seconden; vandaar de titel. In die tijd zal hij moeten beslissen of hij zijn plan zal uitvoeren of niet. Het deed me, weliswaar heel in de verte, denken aan Het boek Alfa van Ivo Michiels. Daar staat een soldaat op wacht die zich afvraagt of hij zal blijven staan of weg zal lopen. De rest van het boek is wat er allemaal aan gedachten door hem heen schiet.

Ook bij 67 seconden zitten we in het hoofd van Will. We lezen wat hij zich herinnert, wat hij denkt, wat hij ziet. En wat hij ziet, ziet hij voor een deel alleen maar in zijn hoofd. Bij elke verdieping stapt er iemand in de lift. Dat is elke keer een dode. Maar er wordt gepraat en en gerookt; doden krijg je niet zomaar weg - die blijven dicht bij je. Ook in het bekroonde Lampje praat overigens een afwezige moeder in het hoofd van de hoofdpersoon.

En in het hoofd van de lezer praat Will, die al hem meteen op de eerste pagina in vertrouwen neemt.
Niemand  
gelooft niks meer
tegenwoordig 
en daarom heb ik
niemand verteld
wat ik jou ga vertellen. 
En weet je,
jij zal het vast
ook niet geloven,
zal denken dat ik lieg
of dat ik gek word,
maar ik zeg het je, 
het is waar.
Ik heb het meegemaakt.
Echt. 
Echt waar.  
             En hoe.
Aan zo'n pagina is meteen te zien hoe het boek geschreven is: in 'gedichten'. Nou ja, ze zien eruit als gedichten, maar ze lezen als proza, waarbij de vetgedrukte 'titels' (of eerste regeles) onderdeel uitmaken van het verhaal. Ik had dat nog niet eerder zo gezien.

Het werkt wel. Zo'n spatie voor 'En hoe' wordt automatisch een moment van stilte. Soms staat het laatste woord van een 'gedicht' op de volgende pagina, waardoor de stilte nog langer wordt. Voor mij werkt de typografie spanningverhogend. Spanning heeft daarbij niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, te maken met spannende gebeurtenissen, maar met het meeleven met de hoofdpersoon; emotionele spanning.

Ook hoe het papier eruitziet werkt daaraan mee. De bladzijden zijn niet smetteloos wit, maar groezelig, met strepen, met vlekjes, in heel licht grijs. Reynolds beschrijft dan ook een smoezelige werkelijkheid, en een hoofdpersoon die zeker geen tabula rasa is.

Misschien maakt daarom 67 seconden indruk: je leeft niet alleen mee met de hoofdpersoon, maar je wordt een wereld in getrokken. Een wereld van geweld, van daders en slachtoffers. Een wereld waarin ook kinderen precies weten wat ze moeten doen zo gauw ze schoten horen. De dood van Shawn is niet de donderslag bij heldere hemel, hij past in een patroon.

De moeder van Shawn kreunt zacht na zijn dood: 'Niet mijn jochie / Niet mijn jochie / Waarom?' Dat er doden zouden vallen is ingecalculeerd. De hoop is alleen dat het niet jouw doden zullen zijn. 67 seconden haalt je uit de wereld van verzekeringen, voetgangerslichten, weerswaarschuwingen en helpdesks. Reynolds krijgt het voor elkaar ons die wereld in al zijn rauwheid te tonen.

Binnen die onordelijke wereld zijn er regels. Aan die regels wil Will zich vasthouden en je merkt dat hij de regels nooit ter discussie gesteld heeft. Ze zijn er nu eenmaal. Misschien zijn het de enige zaken die houvast geven. Als ook die gaan wankelen, wankelt je hele wereld. Will houdt zich ook vast aan anagrammen, die door het hele boek heen voorkomen, bijvoorbeeld 'weg zijn = zwijgen'. Het zijn strohalmen: ze suggereren structuur, en geven het idee dat er tenminste iets klopt.

Behalve de tekening van een onveilige wereld en het verhaal van een moord plus een wraakneming, is 67 seconden ook de tekening van een broederband en van solidariteit. Van mensen die hun verantwoordelijkheid nemen en op anderen letten, omdat ze weten dat iemand het alleen in deze wereld niet zal redden. In deze wereld hebben mensen elkaar nodig.

Blijkbaar houdt die verantwoordelijkheid niet op bij de dood. Nog na hun dood ziet Will bijvoorbeeld zijn vader, zijn oom, een vriendinnetje. Zij zijn degenen die hem laten twijfelen, maar hijzelf zal een beslissing moeten nemen.

Het taalgebruik van Jason Reynolds is over het algemeen nogal sober. De inhoud vraagt ook om niet al te bloemrijk taalgebruik. Soms is er een vergelijking die treft. Bij de moeder die zich over de dode zoon buigt:
en ze boog zich
als een gedoofde
lantaarnpaal
over het lijk van mijn broer.
Je zou kunnen zeggen dat het strikt gezien niet de paal is die gedoofd is, maar voor de houding van de moeder heb je wel die gebogen paal nodig. Het beeld werkt, denk ik. En dat is vaak zo: goed gekozen bewoordingen, die oproepen wat we moeten zien of horen. Ik weet niet hoe de originele tekst was, maar de vertaalster, Maria Postema, mogen we hier zeker met waardering noemen.

67 seconden is bedoeld als boek voor jongeren en ik geloof dat we die in het Nederlands tegenwoordig 'young adults' moeten noemen. Die zullen het zeker kunnen waarderen: het boek is toegankelijk en het is met vaart geschreven. Ik vermoed dat de meeste lezers het in één keer uit zullen lezen. Probeer het maar.

woensdag 10 oktober 2018

Slapend rijk (Franca Treur)


Over de laatste roman van Franca TreurHoor nu mijn stem, was ik behoorlijk tevreden. Goed boek.  Maar Treur is ook goed op de korte baan. Eerder besprak ik hier de verhalenbundel X en Y, waarin in elke keer weer in kort bestek geschetst wordt hoe mensen hun weg zoeken in de hedendaagse wereld. De verhalen zijn stukjes die Treur voor verschillende kranten schreef. Daar is nu een nieuwe bundeling van, Slapend rijk.

Ook in deze bundel zijn tekeningen opgenomen van Olivia Ettema. De tekeningen hebben duidelijke, zwarte lijnen en de inkleuring maakt de indruk dat die met de hand gedaan is. Het zijn fraaie tekeningen, die soms een desolate indruk maken, wat wellicht ook komt door zware schaduwen  waarmee Ettema werkt. Op elke afbeelding zijn de personen prominent aanwezig, net als in de verhalen van Treur.

Van die verhalen heb ik weer zeer genoten. Treur weet dat ze weinig ruimte heeft en daarom is het begin altijd krachtig: meteen wordt de situatie duidelijk gemaakt. Bijvoorbeeld:
Bij het zondagse ontbijt merkt Folkert op dat Esther in haar hum lijkt vandaag, en in zijn stem klinkt verrassing door. Het doet hem goed haar zo opgewekt te zien zitten, ze mag dat gerust weten. Esther, die het niet hebben kan dat haar stemming het onderwerp wordt van gesprek, staat op en neemt de hond mee voor een ommetje. 
 In dit verhaal ligt het perspectief bij Esther en dat blijft zo tot het eind. In andere verhalen is Treur niet vies van een perspectiefwisseling en af toe neigt ze naar het opvoeren van een alwetende verteller. Hoe dan ook, het verhaal moet zo efficiënt mogelijk verteld worden.

Dat betekent vaak dat er aardig wat vaart in de gebeurtenissen zit. Dat er een duidelijk eindpunt is, lijkt in deze bundel minder belangrijk geworden: meer en meer worden de verhalen uitsneden uit het hedendaagse leven, met de nadruk op de relaties tussen mensen.

Enkele verhalen zijn hilarisch. Zo heb ik zeer genoten van 'Superspeciaal', waarin twee koppels dezelfde naam hebben bedacht voor hun toekomstige baby en dat geeft wrijving. En ook om het verhaal 'Veranderen', waarin een vrouw naast een 'Jehova's getuigeachtige' man in het vliegtuig zit en zich een beetje opgelaten voelt, deed mij breed grijnzen.

Het geloof, dat meestal niet de verhalen voorkomt, zien we verder terug in 'Tussen hen in' waarin een vrouw zonder godsdienstige achtergrond meegaat naar een evangelisch aandoende dienst en daarin zelfs naar voren stapt.
Arjan klapt ook. Hij strekt zijn hals om een glimp op te vangen van Simone. Hij heeft ineens sterk het gevoel dat er iemand tussen hen in komen staan. 
De personages van Treur zijn scherp in het beschouwen en analyseren van zichzelf en van de mensen om hen heen.
Jet weet van zichzelf dat ze wel eens een beetje in het negatieve blijft hangen. Regenbuien of insecten kunnen haar humeur in één klap verpesten. Terwijl Anna juist altijd dingen zegt als: 'Hè, gezellig, zoals we hier zitten!' Met terugwerkende kracht schaamt Jet zich nu voor haar karakter.
 Het zijn altijd weer de details die een observatie scherp maken. Ook de observaties van gedragingen. Die details weet Treur trefzeker te kiezen:
Jolanda zit hem te versieren, vinden ze, met haar gesloof, haar lange benen en haar haren aanstellerig naar één kant. 
Ik vermoed dat Franca Treur het schrijven van deze korte verhalen (meestal maar twee bladzijden lang) als een soort stijloefeningen gebruikt: ze oefent de vaart, maar ook de verschillende situaties waarin mensen terecht kunnen komen en ze blijkt het allemaal vrij goed te beheersen. Het zou kunnen dat dat ook gevolgen heeft voor haar romans. Zo had ik het idee dat in Hoor nu mijn stem meer vaart zit dan in het vroege werk.

Waardoor het komt, weet ik niet, maar ik heb de neiging om een roman zwaarder aan te slaan dan deze korte krantenverhalen. Alsof ze maar tussendoortjes zijn. Dat zijn ze misschien ook wel, en je kunt ze ook als aardigheidjes tussendoor lezen: even snel een verhaaltje. Maar in al hun beknoptheid zijn het (voor het overgrote deel) wel gewoon goede verhalen. Hopelijk gaat Franca Treur daar nog even mee door.

dinsdag 9 oktober 2018

Dirk Ayelt Kooiman (1946 - 2018) overleden


Op maandagochtend 8 oktober las ik het op Tzum: Dirk Ayelt Kooiman is op 2 oktober overleden. De uitvaart heeft in besloten kring plaatsgevonden.

Kooiman is een schrijver van wie ik niet veel gelezen heb, maar toen er onlangs op het Instituut waar ik werk een literatuurmiddag was, was een van de boeken waaruit ik voorlas Montyn. Volgens een van de leerlingen was dat het beste van de middag. Ik kan niet zeggen dat het ook het beste is uit het oeuvre van Kooiman; daarvoor ken ik dat niet goed genoeg. Maar het boek heeft indertijd wel indruk gemaakt. 

Waarschijnlijk kwam ik de naam Dirk Ayelt Kooiman voor het eerst tegen in 1980 of 1981, toen ik Kladboek van Jeroen Brouwers las. Nog steeds kijk ik op het lezen van dat boek terug als een gebeurtenis die mij verder de literatuur in zoog. 

In Kladboek stond het artikel 'Dirk Ayelt Kooiman en het Amsterdams Peil', dat Brouwers in 1978 had gepubliceerd in Tirade. Brouwers had niet veel op Kooiman. Het artikel begon met:
Bewering 1: Dirk Ayelt Kooiman kan niet schrijven.
Ik beweerde dit in De Revisor, oktober 1977.
Bewering 2: Dirk Ayelt Kooiman is overschat, hij is ‘een per fietspomp tot paradijsvogel opgeblazen mus’.
Dit beweerde ik in Vrij Nederland, 17 december 1977.
Deze beweringen wens ik te staven.
Vervolgens gaat Brouwers in op het verhaal 'De schrijver droomt', dat hij zin voor zin fileert, daarmee illustrerend dat er veel mis is met de stijl van Kooiman. Brouwers is duidelijk kwaadwillend, maar dat kon me indertijd niet veel schelen: ik vond het artikel uitermate geestig en dat vind ik nog steeds. 

Wel nam ik me voor iets te lezen van die Kooiman en dat werd De vertellingen van een verloren dag (1980). Het boek deed me weinig. 

Kooiman had toen al aardig wat op zijn naam staan, bijvoorbeeld Manipulaties (1971), Een romance (1973) en Souvenirs (1974). In 1977 stond hij op de cover van de Haagse Post, samen met Doeschka Meijsing, Frans Kellendonk en Nicolaas Matsier, als de zogeheten 'academisten', een term van Aad Nuis. Men noemde ze ook Revisorauteurs, schrijvers die fictie schrijven, maar er tegelijkertijd op wijzen dat het hier fictie betreft. Een goed voorbeeld is de roman Letter en geest van Kellendonk, waarin de hoofdpersoon (Felix Mandaat) geen persoon is, maar een personage blijft, dat verdwijnt in de punt achter de laatste zin (die overigens ontbreekt). 

Alles moet anders (1981) liet ik aan me voorbij gaan, maar ik kocht Kooimans roman Montyn (1982), een boek dat ik in één ruk uit las. Het is een roman, die gebaseerd is op het leven van de kunstenaar Jan Montyn, die overigens in 2014 overleed. Montyn vocht in de oorlog met de Duitsers mee, aan het oostfront. 

Er zijn weinig boeken die me de ellende van de oorlog zo goed hebben duidelijk gemaakt als Montyn dat deed. Het maakte zoveel indruk op me dat ik ook het werk van Jan Montyn wilde zien, waarvoor ik naar Roermond (als ik mij goed herinner) afreisde, omdat daar net een expositie was. 

Montyn is heel anders geschreven dan De vertellingen van een verloren dag. Dat laatste boek is nogal  traag en er is weinig handeling, terwijl Montyn juist in een hoog tempo verteld wordt. 

Toch heb ik het daarop volgende boek van Dirk Ayelt Kooiman, Wie doet mij de tekens verstaan (1985) overgeslagen, maar de roman daarna, De afwezige (1990), kocht en las ik wel. Het boek heeft geen indruk bij me achtergelaten, geen kleur, geen sfeer. Ik neem aan dat ik het zo-zo vond. Daarna heb ik nooit meer iets van Kooiman gekocht of gelezen. 

De schrijver is in mijn geheugen blijven hangen als de auteur van dat ene boek, Montyn, en verder niet. De titels van na 1990 (De terugkeer, 1996; De verdwenen weg, 1998; Victorie, 2001; Oefenen in ontsnappen, 2007; Het geheim van Carmen, 2013) zou ik niet uit mijn hoofd hebben kunnen opnoemen: ik heb ze op moeten zoeken. 

Nooit kom ik iemand tegen die Kooiman zijn favoriete schrijver noemt, nooit iemand die enthousiast over zijn werk vertelt. Maar Montyn komt nog af en toe op lijsten voor en leerlingen vinden het nog steeds een goed boek. Toen ik er onlangs een gedeelte uit voorlas, merkte ik dat het nog steeds werkt. Goed boek. 

Misschien is dat genoeg voor een schrijver, één goed boek. Misschien is er nog veel meer moois in het oeuvre van Kooiman, dat voor mij verborgen is gebleven. Dan zal het wel verborgen blijven, want ik vermoed dat ik niet gauw een roman van Kooiman ga lezen. Maar in Montyn zal ik af en toe nog bladeren en ik zal er wellicht nog eens uit voorlezen. En daarbij zal ik even aan de schrijver denken.

maandag 8 oktober 2018

Podcast: Boekenpodcast Het verhaal


Hoe lang ik al podcasts beluister, weet ik niet precies, maar het zal intussen meer dan vijf jaar zijn. Ik herinner me dat ik alle afleveringen van Radio Bergeijk terugluisterde en heel veel interviews van Het marathoninterview, dat in het begin zelfs vijf uur per aflevering in beslag nam. Maar misschien waren dat gedownloade bestanden en geen podcastafleveringen die ik per abonnement binnenkreeg.

Monique Huijdink heeft al enkele jaren de podcast Boekenpodcast Het Verhaal. Wanneer ze begonnen is, kan ik zo gauw niet terugvinden, maar intussen zijn er ruim zestig afleveringen terug te luisteren. Voor zover ik weet, heb ik ze allemaal tot mij genomen en, sterker nog: ik heb alle afleveringen helemaal beluisterd.

Het prettige van het Het verhaal is dat de formule eenvoudig is: een gesprek met een schrijver en verder niets. Veel podcasts moeten zo nodig een rubriekje hebben. Zelfs bij Boeken FM is er een rubriek met vragen van luisteraars (die niets te maken hebben met het besproken boek). Bij sommige podcasts werkt een rubriek goed, maar meestal is het franje, die afleidt. Bijvoorbeeld bij een podcast die ik binnenkort zal bespreken noemen de medewerkers het boek dat ze aan het lezen zijn, waarbij soms de schrijver niet eens genoemd wordt en er wordt ook nauwelijks wat inhoudelijks over het boek gezegd. Dat komt dus niet voor bij Het verhaal.

Interessante schrijvers

Het lukt Huijdink om interessante schrijvers aan tafel te krijgen. Zelfs schrijvers uit de A-categorie (waarmee ik bedoel: schrijvers die veel mensen kennen) gaan in op haar uitnodiging. Enkele namen: Arnon Grunberg, Pieter Waterdrinker, Annet Schaap, Ronald Giphart, Bert Wagendorp, Maxim Februari, Annelies Verbeke, Thomas Verbogt. Het is maar een greep.

Daarbij komt dat Monique Huijdink de boeken goed gelezen heeft en die op de eerste plaats stelt. Het gesprek gaat niet over allerlei biografische feitjes, maar het boek staat centraal en daarover gaan de vragen. Ook loopt ze niet te koop met haar eigen mening over van alles en nog wat.

Ik denk dat het vooral haar nieuwsgierigheid is, die het prettig maakt om het gesprek te volgen. Ze is oprecht geïnteresseerd en met die interesse kun je je makkelijk als luisteraar identificeren.

De toon van het gesprek is meestal vrij licht, wat het allemaal goed verteerbaar maakt. Tegelijkertijd wordt er wel goed doorgevraagd, waardoor je meer inzicht krijgt in het boek. Al verschillende keren heeft zo'n interview, door Monique Huijdink, maar ook wel bij Kunststof of Nooit meer slapen, mij verleid om het besproken boek te kopen.

Huijdink bespreekt voornamelijk literatuur, maar die niet alleen. Ze is ook niet vies van een boek over wielrennen of over iets uit de geschiedenis. Ze had een gesprek met Govert Schilling, waarbij gesproken werd over bijvoorbeeld zwaartekrachtgolven. Sommige van die gesprekken heb ik op de koop toe genomen, andere heb ik met interesse beluisterd.

Al die onderwerpen vallen binnen het bestek van de podcast, die immers een 'boekenpodcast' heet: aanleiding is altijd een boek. Voor wie deze podcast nooit gehoord heeft: probeer hem eens een keer. Wie zoekt op 'Boekenpodcast Het Verhaal' krijgt een keur aan sites waarop de afleveringen te vinden zijn.

Monique Huijding (Bron: boekenpodcasthetverhaal.nl)

vrijdag 5 oktober 2018

De eilandenruzie (Jozua Douglas)


Bijna elk jaar lees ik wel een paar kinder- of jeugdboeken. Ik heb hier bijvoorbeeld wel geschreven over boeken van Anna Woltz en Daan Remmerts de Vries, twee auteurs die al heel wat goede boeken op hun naam hebben. En natuurlijk las ik Lampje van Annet Schaap, dat ik hier al uitgebreid geprezen heb. Gouden Griffel dit jaar, zoals iedereen al verwachtte.

Gelezen geschenken

De Kinderboekenweek gaat meestal een beetje aan mij voorbij. Dat realiseerde ik me toen ik de lijst met Kinderboekenweekgeschenken bekeek: de meeste heb ik niet gelezen. De laatste tien jaar las ik alleen het boekje van Dolf Verroen, uit 2016, dat ik overigens erg mooi vond. Verder terug in de tijd las ik Kinderboekenweekgeschenken van Toon Tellegen, Joke van Leeuwen, Thea Beckman en Anke de Vries, die intussen tot schrijvers van klassiekers gerekend kunnen worden.

Bijzonder verrast was ik indertijd (2003) door Het zwanenmeer (maar dan anders), van Francine Oomen. Ik had nooit wat van haar gelezen, maar had toch al een oordeel over haar werk: iemand die serieboeken uitpoept. Onterecht. Wie dat zwanenmeerboekje niet gelezen heeft, mag zich eigenlijk geen oordeel over het werk van Oomen aanmeten.

Eilandenruzie

En dit jaar is Jozua Douglas de schrijver van het Kinderboekenweekgeschenk. Nooit gehoord van deze man, maar hij blijkt een lange lijst boeken op zijn naam te hebben. Het geschenk heet De eilandenruzie en het is geïllustreerd door Elly Hees.

Er zijn twee fictieve landen in Centraal-Amerika, Costa Banana en Costa Kanaria. De beide presidenten, Pablo Fernando en Max Romero, zijn het prototype van alleenheersers: alle macht naar zich toe trekken, gekke wetten uitvaardigen, zichzelf verheerlijken. Pablo heeft twee kinderen (Rosa en Fico) en Max een zoontje (Angelino) en een hond (Generaal Sanchez), die hem later zal opvolgen. Op de Paradijseilanden zullen de presidenten elkaar ontmoeten om een ruzie bij te leggen over enkele onbewoonde eilandjes.

De eilandenruzie volgt het klassieke schema, waarbij de volwassenen niet deugen en de kinderen wel. Eentje lijkt eerst aan de verkeerde kant te staan, maar blijkt mee te vallen en de ene volwassene is net iets slechter dan de andere. Uiteindelijk loopt het allemaal goed af.

Ruzie maken om niks

Dat is weinig verrassend. Wel weet Douglas het boek een zekere spanning mee te geven en er zijn ook wel wat humoristische passages, maar uiteindelijk is dat (voor mij, in ieder geval) niet genoeg. De eilandenruzie gaat over niet veel meer dan dat volwassenen ruzie kunnen maken over niks, of dat ze niet over futiliteiten heen kunnen stappen en dat kinderen gewoon lekker met elkaar kunnen spelen. Dat is geen inzicht waarvan je achteroverslaat.

Qua karakter zijn de personages niet bepaald interessant; het zijn geen figuren die je bijblijven. Misschien hoeft dat ook niet. Het boekje is duidelijk bedoeld als amusement: kinderen zullen het aardig vinden om te lezen en daarna kunnen ze het vergeten.

Achter in het boek staat dat er meer boeken zijn over Rosa en Fico: De gruwelijke generaal, De ongelooflijke Ravi Ravioli en Operatie Pisang. Dat zal ook wel een hele serie worden, waarin de kinderen in elk boek op een probleem stuiten en dat oplossen.

Zouden mijn kinderen tot de doelgroep behoren, dan zou ik ze dit boek niet aanraden. Goed, misschien kun je beter dit lezen dan niets, zoals je ook beter een snack kunt eten dan niet eten, maar waarom zou je Douglas lezen als je ook Anna Woltz, Bibi Dumon Tak, Daan Remmerts de Vries of Toon Tellegen kunt lezen? Nee, dat zou ik ook niet weten.

Naschrift

Reactie van Jozua Douglas op Twitter:

'Maar mijn klanten houden van in oud vet gebakken slappe friet,' sprak de patatboer tot de man van de  Voedsel- en Warenautoriteit. 'Vanochtend nog honderd bakjes friet verkocht. Ik bak voor mijn klanten, niet voor mensen die beoordelen op kwaliteit.'


Jozua Douglas vindt dat volwassenen, en zeker oude mannen, niet mogen oordelen over jeugdliteratuur. Zij behoren immers niet tot doelgroep. Eigenlijk zegt hij daarmee dat hij ook zelf geen oordeel kan vellen over zijn eigen boeken. Ook mannen in zijn leeftijdscategorie, de niet zo oude mannen, behoren immers niet tot het beoogde publiek.

Hierin verschil ik met Douglas van mening. Als volwassenen geen oordeel zouden mogen hebben over kinder- en jeugdliteratuur, zouden we de commissie op moeten heffen die schrijvers vraagt een Kinderboekenweekgeschenk te schrijven, alle recensenten van jeugdliteratuur naar huis moeten sturen, evenals de jury's die de prijzen op het gebied van kinderboeken toekennen.

Iedereen mag lezen wat hij leuk vindt, zoals iedereen maar moet eten wat hij lekker vindt. Maar anderen mogen zich best een oordeel aanmeten over de kwaliteit van het gelezene of van het voedsel en natuurlijk zullen mensen van oordeel verschillen. Als ze elkaar willen overtuigen, moeten ze ingaan op elkaars argumenten.

Kinderen kunnen lachen om mijn boekje, schrijft Douglas. Dat er humor zit in De eilandenruzie staat in mijn recensie. Bovendien schrijf ik dat het boekje waarschijnlijk als amusement bedoeld is en dat kinderen het 'aardig om te lezen' zullen vinden. Dat was mijn punt niet.

donderdag 4 oktober 2018

Debielen en demonen (Willem Brakman)


In mijn bijdrage over Vestdijk nam ik mij voor weer eens wat van Brakman te lezen. Er stond vast nog iets in mijn boekenkast. Dat was ook zo: Ante diluvium en Debielen en demonen. Ik vermoed dat De gelukzaligen ook nog ergens door mijn huis zwerft.

Net als bij Vestdijk heb ik geprobeerd na te gaan wat ik van Brakman gelezen heb. Dat was nog lastig te reconstrueren. Aan sommige boeken heb ik namelijk weinig herinneringen. Misschien omdat ik Brakman meer gelezen heb vanwege de stijl dan vanwege de inhoud van de roman. Niet alle boeken die ik heb, staan in mijn boekenkast, dus een blik daarop gaf ook niet volledig uitsluitsel.

Gelezen

Ik vermoed dat ik begonnen ben met Zes subtiele verhalen (1978). Daarvan was ik nogal onder de indruk en daarna heb ik twaalf jaar lang gemiddeld ruim een Brakmanboek per jaar gelezen. In 1990 stopte het Brakmanlezen, bij Van de in hogere kringen verliefde. Niet omdat ik dat een slecht boek vond, maar daarna kwam het er om een of andere reden niet meer van. Misschien heb ik enkele vroege boeken (Een winterreis, 1961, en Kind in de buurt, 1972) nog later gelezen, maar dat kan ik niet meer goed reconstrueren.

Van sommige boeken staat het omslag me nog goed voor de geest: Jongensboek (1987), met een afbeelding als uit een oud jongensboek. Het zwart uit de mond van Madame Bovary (1974), met o.a. een pompoen. Ik kocht de Salamander toen die uitkwam. Dat geldt ook voor De blauw-zilveren koning, 1977, met in mijn herinnering een blauwige afbeelding voorop. De oorveeg (1984) had een schaapskop op de voorkant.

Verder las ik, als ik het me tenminste goed herinner: Come-back (1980), De reis van de douanier naar Bentheim (1983), Een familiedrama (1984), Leesclubje (1985), De graaf van Den Haag (1986) en Het doodgezegde park (1986).

Van al die boeken is er inhoudelijk ontstellend weinig blijven hangen: een sfeer, een personage, enkele vaagheden. En de waardering of misschien zelfs de bewondering waarmee ik de boeken las. Zo werkt het blijkbaar met de boeken van Brakman. Bij mij althans.

Knipsels

In die tijd (jaren tachtig, even daarvoor, even daarna) las ik elk weekend de recensies in NRC, de Volkskrant, Trouw en Vrij Nederland. Die knipte ik uit en ik legde een kaartsysteem aan waardoor ik de recensies (sommige stonden op de achterkant van een andere recensie) terug kon vinden.

De stapel  knipsels met 'Brakman' was dik, want Brakman schreef veel en werd veel gerecenseerd. Bijna altijd positief, als ik het me goed herinner. Desondanks werden zijn boeken geen bestsellers. Ik denk dat Een weekend in Oostende nog het best liep. Dat boek vond ik ook terug in de serie 'Schrijvers van nu' van boekenclub ECI. Dat ik die mooie, gebonden uitgave niet kocht, moet betekenen dat ik de roman al meteen bij het uitkomen gekocht had.

Debielen en demonen

Maar nu Debielen en demonen. Het boek speelt zich af in de oorlog, maar het verhaal lijkt niet in de eerste plaats over de oorlog te oorlog te gaan. De ik-figuur is een adolescent, van wie niet helemaal duidelijk is hoe oud hij is. Aan het begin van het boek zwerft hij rond met zijn kameraad Karel Helmich, waarschijnlijk om zijn kostje bij elkaar te scharrelen.

In het dorpje H. vindt een Duitser de dood: hij  valt van de trap nadat hij bij de Nederlandse vrouw des huizes heeft geslapen. De 'ik' begraaft hem en eigent zich het kompas van de Duitser toe. Later zal iemand anders aangehouden worden in de jas van de 'ik'. Het kompas zal tegen hem getuigd hebben.

De beide kameraden keren terug naar de thuisbasis en nog verder in de oorlog komt de 'ik' terug bij zijn moeder. Onder hen woont de zwarthandelaar oude Ad, tegen wie de 'ik', op advies van zijn moeder, zegt dat hij voor dokter studeert.  Ads dochter Belleke is een opgroeiend meisje dat de geest van een jong kind heeft. Ze speelt bijvoorbeeld nog met poppen. Wat er zich ontspint tussen Belleke en de 'ik' is niet helemaal duidelijk, maar er is in ieder geval wederzijdse genegenheid.

In de buurt woont verder nog Krabbe, die bomen kapt in het bos en de stammen mee naar zijn huis sleept. Verschillende keren wordt diens 'hutspotkleurige' jas genoemd, die de 'ik' later in het boek nog zal dragen.

Ook al is de oorlog niet direct het onderwerp, hij is wel het decor: afval op straat, kou, honger. De 'ik' is vermagerd, al krijgt juist hij nog wel te eten bij de zwarthandelaar.

Een groot deel van de achterkant van het boek wordt in beslag genomen door een tekst die het karakter heeft van een uitleg. Daarin staat het in het boek gaat over liefde en dood en dat de ruimte in de loop van het verhaal steeds meer ingeperkt wordt, totdat we (in de epiloog) ons alleen nog in het hoofd van de 'ik' bevinden.

Tja. Natuurlijk spelen liefde en dood een rol, zoals in bijna alle literatuur. Lang lijkt er niet zo heel veel liefde in het boek voor te komen, al is de dood er wel, zeker na de dode Duitser.

Titel

De titel verwijst naar twee boeken die de 'ik' leent, eentje over debielen en een over demonen. Je zou kunnen zeggen dat 'debielen' verwijst naar Belleke, maar misschien ook wel naar de afstomping die zich van mensen meester maakt in de loopt van de oorlog, de blik die niet meer naar buiten wordt gericht.

Verder zal ieder wel met zijn eigen demonen kampen. De 'ik' leest in het demonenboek dat er professoren zijn die een rat kunnen leren om op een signaal aan te vallen of te vluchten. Misschien is de 'ik' ook wel zo iemand, wachtend op de juiste signalen.

Epiloog

Belleke overlijdt, maar in de epiloog is ze weer levend en gaat ze met de 'ik' naar diens vader, die dan de hutspotkleurige jas draagt. In de recensies die verschenen in 1970 gaven verschillende recensenten aan dat ze niet goed wisten wat ze aanmoesten met die epiloog.

De epiloog bevat prachtige passages met zinnen als 'Het is een verhaal vol bosaarde, houtgeuren en ontferming.' Daar heb je mij wel mee. Een langer fragment:
Ik was moe, mijn knieën waren hun zekerheid kwijt. Maar misschien is dat wel goed dacht ik, ik eet niet dus ik verzwak, mijn lichaam zal de kracht missen om gezwellen uit te broeien en te voeden, want weet, ik ben bang voor kanker, ja ik besta bijna alleen uit angst voor kanker, dat zaad van de duivel, dat uitzinnige gewroet, die verschrikkelijke uitbundigheid die aan de dood voorafgaat. 
Belleke zegt dat ze blij is dat ze de vader van de 'ik' gekend heeft.
Ik gaf geen antwoord, onze voeten sloften en knarsten in de sneeuw, een moedeloos geluid. 'Nou ja,' zei ik ten slotte, 'het staat ons allemaal te wachten,' en ik versnelde mijn pas.
Daarna is het boek afgelopen. Ik heb een tijdje gekauwd op het zinnetje 'het staat ons allemaal te wachten', dat op twee manieren uit te leggen is. In de epiloog wordt de vader doodgeschoten door jagers. Wellicht staat dat 'ons allemaal' te wachten: het vooruitzicht is niet hoopgevend. Vandaar ook het moedeloze geluid. Ieder heeft alleen de dood nog voor zich.

Maar het kan ook zijn dat het niet gaat om 'ons allemaal', maar dat 'dat allemaal' ons nog te wachten staat. Dat er een blik in de toekomst is geworpen en dat we nu weten wat allemaal ons te wachten staat. Belleke en de vader zijn immers nog levend. Als we dat in aanmerking nemen zou de epiloog ook een proloog kunnen zijn.

Husselen met de tijd

Dat er gehusseld wordt met de tijd wordt al eerder in het boek voorbereid. 'De mens is altijd ergens anders,' denkt de ik-figuur op een gegeven moment. De geest is soms verder dan het lichaam:
Wanneer hij rust, dacht ik wiegend, ziet hij zich alweer verder wandelen, als hij wandelt vertoeft hij in den geest al bij het doel, nauwelijks ligt hij in een bos of hij zwerft alweer door een stad of langs het strand en rust men te lang dan komt de slaap en is er helemaal geen touw meer aan vast te knopen. En wie weet wat anderen ons in dezelfde tijd aandoen, terwijl wij misschien in vrede voortwandelen worden wij elders gespietst, met teer overgoten of gecastreerd, wie weet. 
Met dit in het achterhoofd is het niet zo vreemd dat de 'ik' in de epiloog 'in den geest' verplaatst wordt naar waar zijn lichaam niet is. Een ruimte buiten tijd en plaats.

Een echte Brakman

Er zal best wat aan te merken zijn op Debielen en demonen en dat hebben recensenten ook wel gedaan, maar daarover straks. Ik heb dit boek gelezen als een echte Brakman: een stijl die je meevoert, met daarin associaties die je soms net wel en soms net niet kunt volgen. Bij Brakman heb ik altijd het idee dat me iets ontglipt, dat ik iets zie bewegen in mijn ooghoeken, zonder dat ik het scherp kan waarnemen. Ik snap dat dat mensen kan irriteren, maar mij intrigeert het. Alsof sommige passages net boven mijn macht liggen.

Maar misschien is dat juist wel de bedoeling. Brakman wil meer aanduiden dan vastleggen, is mijn indruk en meer iets oproepen dan iets beschrijven. In ieder geval levert dat een boeiende leeservaring op, waarbij je je geen moment verveelt.

Recensies

Hoe is er indertijd gereageerd op Debielen en demonen? De meeste recensies werden gepubliceerd in 1970. Waarschijnlijk kwam de roman pas eind 1969 uit en misschien vond men indertijd actualiteit minder belangrijk. In verschillende recensies wordt het boek geprezen, al geven sommigen (bijvoorbeeld Wam de Moor in De Tijd) aan wat moeite met de epiloog of de titel te hebben. Anderen (bijvoorbeeld Anne Wadman in de Leeuwarder Courant) vinden de roman wel goed, maar ook somber: 'Niet van de vrolijke'.

Twee negatieve reacties springen eruit. Daarom haal ik ze even naar voren. In Trouw van 14 maart 1970, begint hij nog gematigd positief:

Een van de recensenten, J. van Doorne, gaat uitvoerig in op wat volgens hem missers zijn in de stijl van Brakman, overigens geheel voorbijgaand aan
De nieuwe Roman van Willem Brakman is tamelijk goed geschreven. Brakman behoort wel niet tot de briljante auteurs, maar hij weet toch heel behoorlijk met de taal om te gaan.
Verderop is hij explicieter in zijn negatieve oordeel:

En ten slotte levert hij kritiek op de stijl aan het eind van het boek, daarbij overigens geheel voorbijgaand aan de ironie van Brakman.

De recensente van de Telegraaf is snel klaar met de roman:
De Telegraaf, 07 maart 1970

Noordzij is duidelijk geen liefhebber van Brakman en zijn stroeve broekzakken.

Brakman had voor- en tegenstanders, bewonderaars en verguizers en daartussen zat er niet zo veel, vermoed ik. Intussen is een deel van zijn werk met stof bedekt. Maar hopelijk zal er nog een lang een klein groepje bewonderaars blijven dat Brakmans oeuvre leest en herleest.

dinsdag 2 oktober 2018

Verzamelde gedichten (Jan Eijkelboom)



Onlangs stofte ik hier een interview met Jan Eijkelboom af. Het is het verslag van een gesprek dat ik in 2005 met hem had. Drie jaar later zou hij overlijden.

In 2012 werden zijn Verzamelde gedichten uitgegeven. Op 1 maart 2013 recenseerde ik de bundel in het Nederlands Dagblad. Ik lichtte daarbij het gedicht 'Verschijning' eruit, dat ik ook al in het interview ter sprake had gebracht. Ik neem aan dat ik me dat toen niet meer herinnerde.

Ook op Bunt Blogt schreef ik indertijd over de Verzamelde gedichten, met nogal wat kritiek op de bezorger. Blijkbaar schreef ik kort na elkaar zowel daar als in de krant een recensie. Natuurlijk zijn er overlappingen, maar er zijn ook verschillen. Hieronder de recensie uit het Nederlands Dagblad.

Vreemd genoeg schreef ik indertijd niets over het boek als boek. Hert is namelijk prachtig vormgegeven, door Steven van der Gaauw. Ik noem het, applaudisserend, alsnog.


Ik trok geen jas uit, maar een huid

Nederlands Dagblad, 01 maart 2013

Jan Eijkelboom debuteerde als dichter pas laat: hij was al vijftig geweest toen zijn eerste bundel verscheen: Wat blijft komt nooit terug (1979). In de vijfentwintig jaren daarna zouden nog een stuk of tien bundels volgen, waarvan de meeste goed ontvangen werden in de pers. In 2008 overleed hij, op een paar dagen na tweeëntachtig jaar oud. Iedereen kende toen de dichter en zijn werk.

Vijf jaar na zijn dood hebben we alle gedichten van Eijkelboom weer, in één boek. De bezorger is Kees van t Hof. Hij nam alle bundels op, een aantal verspreide gedichten en enkele nagelaten gedichten. De herkomst van de gedichten en de publicatiegeschiedenis van elk gedicht worden keurig verantwoord.

gewone dingen

Het lezen van de gedichten van Eijkelboom is altijd aangenaam. Eijkelboom is een benaderbaar dichter. Zijn gedichten hebben vaak een praattoon, waardoor hij dicht bij je komt. Alsof hij naast je loopt en je wat vertelt. In het gedicht 'Verschijning' (zie hieronder) vertelt hij ons bijvoorbeeld wat hij gedroomd heeft. Hij droomde over zijn vader, die naast hem stond en hem iets wilde vertellen, maar hij kon niet praten, want hij was dood.

En dan komt er een ontroerende formulering: 'Wat hij echter beoogde te zeggen // was dat hij van me hield'. De woorden 'echter' en 'beoogde' zijn formeel; je verwacht ze in een zakelijke brief. De wat plechtige formulering schept afstand en dat juist op het moment dat vader probeert duidelijk te maken dat hij van zijn zoon houdt. Afstand en verbondenheid gaan hier samen. Ook de zoon kan de afstand niet overbruggen.

verbrand

Ook hij heeft geen woorden. Als hij die woorden wel had gehad, had er niets meer tussen vader en zoon in gestaan. Sterker nog: dan was het er nooit geweest. Maar zo is het nu eenmaal niet. Zo'n gedicht gaat dicht op je huid zitten en dat is onmiskenbaar een van de kwaliteiten van het werk van Eijkelboom. Hij zegt in gewone woorden gewone dingen, zo lijkt het. Maar hij zegt het wel heel nauwkeurig en hij observeert scherp. Hoe gewoon zijn poëzie ook lijkt, blijkbaar zijn zijn gedichten bijzonder: ze blijven je bij.

Soms zijn het de zinnen die je bijblijven ('O, dat ik ooit nog eens een vers met o beginnen mocht'), soms zijn het de beelden die je bijblijven, bijvoorbeeld van de man die met een dochtertje op zijn nek gelopen heeft en de volgende dag helemaal verbrand blijkt te zijn: 'De volgende morgen / krimpend van pijn verliefd / in de spiegel gestaard / naar haar twee beentjes / uitgespaard op mijn kreeftrode borst.'

bladwijzer

Eijkelboom kwam uit een godsdienstig nest en dat is aan zijn gedichten te merken. Een bloemlezing uit zijn gedichten noemde hij bijvoorbeeld Tot zover, omdat die woorden op de bladwijzer stonden die vroeger thuis in de Bijbel lag. 'Ik heb dat rare geloof / als een jasje uitgedaan,' dichtte hij in het derde gedicht in de cyclus 'Gedragen kleding'.

In hetzelfde gedicht corrigeert hij zich: 'Ik trok geen jas uit / maar een huid en / moest het voortaan zonder doen.' In zijn gedichten komen vaak zinnen voor die verwijzen naar de Bijbel of naar de berijmde psalmen. Het is jammer dat Kees van t Hof in zijn aantekeningen bijna al die verwijzingen gemist heeft.

geloof

Als Eijkelboom terugblikt op zijn jeugd, hoort daar ook van tijd tot tijd het geloof bij. In het gedicht 'Tussen tong en verhemelte' waant hij zich terug bij zijn grootouders. Het is een gedicht dat bol staat van het geluk. Het eindigt met: 'God weet nog niet / dat hij dood is en heeft alzo de wereld lief.' Natuurlijk zit er ironie in zo'n zin, maar je merkt ook de mildheid waarmee Eijkelboom terugkijkt op het geloof van zijn jeugd.

Enkele jaren was Eijkelboom in wat toen nog Nederlands-Indië heette. Hij schreef erover: 'Ooit was ik soldaat in een oorlog / die nog weet had van een oorlog / die ertoe deed, maar die zelf uitging / van gezeur om rampspoed die geboren / zou worden maar die gewoon uitbleef.' Over wat hij daar meemaakte, publiceerde Eijkelboom de verhalenbundel Het krijgsbedrijf (2000).

dichtbij

Op latere leeftijd moest hij vaker aan die tijd terugdenken, vertelde hij in interviews. Ook in zijn gedichten kwam het geregeld terug, bijvoorbeeld in het fraaie 'Voorval op Java', waarin hij vertelt dat hij met een groep soldaten ligt te wachten;' ik weet niet meer waarop, waarschijnlijk / op wat toen de vijand werd genoemd.' In het donker klinken allerlei geluiden en samen vormen die die nacht een soort koor, waarover de 'ik' niets zegt.

Uit gêne, maar ook omdat hij bang is dat het ophoudt. Zijn jeugd, zijn drankzucht, zijn tijd in Indonesië en veel dagelijkse dingen, veel plaatsen die hij bezocht heeft. Het is allemaal terug te vinden in de gedichten van Eijkelboom. En altijd komt hij dichtbij. Wie geraakt wil worden door gedichten doet er goed aan Eijkelboom te lezen.

Verschijning 
's Nachts stond hij bij me.
Zijn huid had de kleur van reuzel.
Zijn jaeger ondergoed was grijzer

Hij keek mij aan met zijn bleekblauwe ogen.
Hij kon niet spreken want hij was dood.
Wat hij echter beoogde te zeggen

was dat hij van mij hield
maar dat er iets was voorgevallen
wat hem nog altijd niet beviel.

Ik wist wel wat het was
maar had er geen woorden voor.
Het was iets van destijds

en van nog steeds.
Had ik 't hem kunnen zeggen
dan was het er nooit geweest.
Verzamelde gedichten
J. Eijkelboom. Uitg. De Arbeiderspers, Utrecht/Amsterdam/Antwerpen 2013. 612 blz. 39,95

donderdag 27 september 2018

Podcast: Sør



Marjolijn van Heemstra heeft goede herinneringen aan haar middelbare school. Het was een school met veel leerlingen met een migratieachtergrond. Van Heemstra volgde daar een tweetalige opleiding vwo, wat betekent dat veel lessen in het Engels werden gegeven.

Ze heeft bijzondere herinneringen aan haar geschiedenisleraar, Ronald Sørensen, die later bekend zou worden als lijsttrekker van Leefbaar Rotterdam. Vooral aan één enkele les denkt ze nog terug, waarin de leraar de leerlingen uitlegde dat ze niet altijd door hetzelfde raam moesten kijken, omdat ze dan altijd hetzelfde uitzicht zouden hebben. Het was een inspirerend moment.

Juist Sørensen lijkt later zijn eigen les vergeten te zijn. Als politicus is hij radicaal in zijn opvattingen en hij lijkt helemaal niet bereid om zich in andere bevolkingsgroepen te verplaatsen. Over de multiculturele samenleving velt hij een hard oordeel. Volgens hem had hij op die gemengde middelbare school al gezien dat dat niet werkte.

Aan die school heeft Marjolijn van Heemstra heel andere herinneringen. Maar kloppen die wel? Van Heemstra gaat op zoek naar de grond onder haar herinneringen en interviewt oud-klasgenoten. Ook wil ze weten hoe Sørensen geworden is zoals hij nu is. Ze besluit door zijn raam te gaan kijken en te proberen zich in hem te verplaatsen.

Ze zoekt haar oud-docent, Sør, zoals de leerlingen hem noemden, op en gaat het gesprek met hem in. Dat zijn indringende gesprekken geworden.

Sør is een mooie podcast, van slechts drie afleveringen. Die stonden al online toen ik begon met luisteren en ik heb ze binnen een paar dagen allemaal tot mij genomen.

Een hartelijke aanbeveling bij dezen. Het is goed om te horen hoe andersdenkenden aan hun gedachten komen, maar ook hoe om te merken dat we de betrouwbaarheid van ons geheugen gemakkelijk overschatten. Iedereen heeft opvattingen die teruggaan op herinneringen, maar het is de vraag of wat wij ons herinneren wel klopt.

Je vindt Sør hier terug, en natuurlijk op de vertrouwde plaatsen als iTunes enzoverder. De podcast is gemaakt onder de vlag van Das Mag.

Van Marjolijn van Heemstra las ik eerder En we noemen hem. Daarover plaatste ik deze bijdrage. Het boek kwam hoog in mijn lijstje met beste boeken van 2017.

woensdag 26 september 2018

De Hemingway Triatlon (Dirk-Jan Hoek)


Noem de naam Ernest Hemingway en meteen rijst het beeld van de schrijver voor je op. Natuurlijk ook het beeld van zijn werk (bijvoorbeeld A Farewell to Arms, 1929, of For Whom the Bells Tolls, 1940), maar toch ook van de schrijver, de man: een macho van het zuiverste water.

In de graphic novel De Hemingway Triatlon duikt Dirk-Jan Hoek in het leven Hemingway in een moeilijke periode: hij kampt met impotentie en een writer's block (wat je ook als een vorm van impotentie kunt zien) en zijn laatste boek (Across the River and into the Trees, 1950) kreeg slechte kritieken.

Dan duikt George Adams op, een wonderlijke figuur, die Hemingway wel aan goede recensies wil helpen, maar daar moet wel wat tegenover staan. Hij komt dicht bij de schrijver en doet zelfs mee aan de Hemingway-triatlon: jagen, zuipen en neuken. Op al die gebieden zal een vriendengroepje rond de beroemde schrijver laten zien wat ze presteren kunnen.

Dagboeken

Hemingway komt alleen maar dieper in de ellende. Pas als zijn dagboeken uit de jaren twintig teruggevonden worden, vindt hij de drive tot het schrijven terug. Het levert een boek op over zijn jonge jaren in Parijs (A Moveable Feast, 1964), dat overigens pas na zijn dood (1961) gepubliceerd wordt.

Dat laatste klopt met de werkelijkheid buiten het boek, zoals Dirk-Jan Hoek meer elementen uit de werkelijkheid heeft gebruikt. Pablo Picasso komt bijvoorbeeld voor in De Hemingway Triatlon. Met hem had Hemingway een haat/liefdeverhouding. Maar de figuur van George Adams is verzonnen. We moeten dit boek dan ook als fictie zien: gebeurtenissen hebben niet werkelijk zo plaatsgevonden. Dat wil overigens niet zeggen dat er een onwaar beeld van Hemingway gegeven wordt.

Zo is het goed mogelijk dat hij tegenover de buitenwereld de macho moest spelen, terwijl hij kampte met een drankprobleem en allerlei onzekerheden en blokkades.

Hoek gaat uit van de werkelijkheid en laat dan de verbeelding haar gang gaan. Dat levert een goed verhaal op en, ook (of misschien juist) waar de gebeurtenissen niet op die manier hebben plaatsgevonden. We lezen een waarheid omtrent Hemingway. Wellicht niet de waarheid, maar die bestaat ook niet.

Gelaagd beeld

Het beeld dat we krijgen is gelaagd en daardoor interessant: we leven mee met Hemingway, sympathiseren met hem en hebben mededogen met de Nobelprijswinnaar wiens geloof in zichzelf ernstig wankelt. Misschien kun je zeggen dat hij ook in zijn wanhoop en zelfdestructie niet gematigd is, zoals er niets gematigds aan deze man lijkt te zijn.

Een paar keer pakt Hemingway zijn geweer, anders dan voor de jacht. Bijvoorbeeld om een kat uit zijn lijden te verlossen. Die kat heet Willy, wat ook weer een knipoog naar de impotentie is. Als Hemingway later opnieuw naar het geweer grijpt, vermoeden we, Tsjechov indachtig, dat binnenkort het schot zal klinken, waarmee hij zichzelf wegschiet uit het leven.

Dirk-Jan Hoek heeft weer een mooi boek gemaakt. Eerder schreef ik over Mao's Mussen, een boek dat gebaseerd is op een historische gebeurtenis. Ook in dat boek werkte Hoek alleen met inkt. Qua tekenstijl sluit Hemingways Triatlon bij dat boek aan.  Op een Facebookpagina heeft Hoek het wordingsproces van zijn nieuwe boek bijgehouden. Hiernaast een afbeelding van het inkten van de laatste pagina's.

Flashbacks

De pagina's die een lange flashback bevatten zijn gedrukt op een zwarte achtergrond. Dat is wel duidelijk, maar ook erg nadrukkelijk. Zeker omdat er na de eerste flashback (de eerste pagina's) ook nog eens 'Cuba, 10 jaar later' vermeld staat.

Verder vind ik de kaketoe van Adams, die constant citaten van Hemingway roept, een irritant beest. Maar misschien is dat wel de bedoeling en voorspelt het dier al het irritante gedrag van zijn baasje.

De bladspiegel is rustig gehouden, wat aangenaam leest. Veel pagina's bevatten drie stroken van twee tekeningen, maar Hoek varieert daar wel in en laat soms de kaders weg, wat ook voor afwisseling zorgt. Een enkele keer is er een paginagrote tekening.

De Hemingway Triatlon is goed gelukt: een sterk verhaal, goed getekend en over een figuur die je bijblijft. Mocht ik ooit nog iets meer van Hemingway gaan lezen, dan zal tussen de regels door de Hemingway me aankijken die Hoek geschapen heeft en mogelijk is dat dezelfde als de echte Hemingway. Als die tenminste bestaat.
Deel van blz. 24
Deel van blz. 44
Auteur: Dirk-Jan Hoek
Titel: De Hemingway Triatlon
Uitgever: Sherpa
Haarlem, 2018, hardcover, 160 blz. € 19,95

dinsdag 25 september 2018

Hoera, we leven nog! (Gesprek met Jan Eijkelboom)


Voor het blad Liter interviewde ik in het verleden verschillende schrijvers. Omdat ik wat ik geschreven heb vindbaar wil maken op Bunt Blogt, (ver)plaats ik af en toe wat van die oude stukken.

Deze keer een interview met de dichter Jan Eijkelboom, met wie ik door Dordrecht wandelde, terwijl ik hem vragen stelde. De neerslag van dat gesprek vindt u hieronder. Hij gaf ook nog wat gedichten mee die niet eerder gepubliceerd waren. Ook die zijn in Liter verschenen, in jaargang 8 (2005). 

Het werd een gesprek over de oorlog in Indonesië, het geloof van zijn jeugd, schuldgevoel, drankgebruik en verbazing.

Hoera, we leven nog!

In gesprek met Jan Eijkelboom

Jan Eijkelboom (1926) debuteerde in 1979 met de gedichtenbundel Wat blijft komt nooit terug. Daarna volgden de bundels De gouden man (1982), De wimpers van de dageraad (1987), Kippevleugels (1991), Hora Incerta (1993), Het lied van de krekel (1996) en Het arsenaal (2000). In 2001 publiceerde hij de verhalenbundel Het krijgsbedrijf, met daarin zijn herinneringen aan de oorlog in Indonesië. In 2002 verscheen het overzichtswerk Tot zo ver. De meeste gedichten. Alle eerder gebundelde gedichten werden daarin opgenomen, minus de vertalingen en een aantal gedichten die volgens de dichter niet zijn blijven liggen op de zeef van de tijd. Daarna verschenen nog Heden voelen mijn voeten zich goed (2002, bekroond met de Jan Campertprijs) en Binnensmonds jubelend (2004).

Je laatste bundel begint met enkele gedichten die volgens mij teruggaan op de oorlog in Indonesië.
Daar ben ik geweest. In ‘Geschiedenis’ schrijf ik: ‘een oorlog / die nog weet had van een oorlog / die ertoe deed’ en dat laatste is dan natuurlijk de oorlog tegen Hitler.
Het niet geloste schot 
Toen de kogel terugkwam door de loop
tot in de vergrendelde kamer
zat daar de hoop dat hij niet zou vertrekken,
nooit zou doorboren wat nu nog heel bleef
in een gedaante die, zou je hem kennen
waarschijnlijk tot wrevel zou leiden:
de zoveelste nitwit, eropuit jou te doden
uit naam van een vaandel, een andere bloedgroep
maar misschien, van de maan af bezien,
qua ademhalen toch je gelijke, zeg maar
je broeder, hier dicht genoeg bij
voor een kopschot. 
Zo'n gedicht als ‘Het niet geloste schot’ gaat daar ook op terug.
Ja, precies. Ik was sergeant en ik had drie brencarriers (zeg maar pantserwagens die van boven open zijn) onder me en daar moest ik konvooien mee begeleiden. Het was in een gebied waarin heel veel vliegtuigbommen, trekbommen, lagen en als je daar overheen reed, gingen die af. Dat heeft veel mensenlevens gekost.

Ik ben een keer op een mijn gereden en ik heb heel veel mensen dood zien gaan, maar een echte vijand, zoals we dat dan noemen, heb ik maar zelden in het vizier gehad en dan schoot ik expres naast, want ik wou niemand doodmaken.

Volgens mij las ik er in je werk voor het eerst iets over in De wimpers van de dageraad. In het slotgedicht, ‘Na de bevrijding’, ligt iemand op bed en is ineens weer in een oorlogssituatie terug.
Ik heb er toch wel last van gehad, van die herinneringen. Een van de andere carriers had een vliegtuigbom onder zich gehad en was in een put geraakt. De voorkant van de bestuurdersplek was tegen de achterwand gedrukt en daar zat de chauffeur tussen en die kon niet meer gered worden. Hij riep steeds dat ik hem door zijn kop moest schieten om hem uit zijn lijden te verlossen. Dat heb ik niet gedaan, dat durfde ik dan toch niet. Ten slotte stierf hij dan ook. Dat zijn dingen die ingrijpend zijn, ook bij je latere leven. In dromen komt het soms, niet vaak hoor, nog wel terug.

Ik heb Robert Graves wel eens ontmoet, en die zei, over zijn ervaringen in de Eerste Wereldoorlog: ‘I killed nobody and nobody killed me’. Daar kwam het op neer.

Er worden in je poëzie veel herinneringen opgehaald, bijvoorbeeld aan je orthodox christelijke jeugd.
Mijn vader kwam uit een a-religieus gezin. Ze waren officieel lid van een of andere kerk, maar deden nergens aan. Hij had een vrome grootmoeder en was een bekeerde christen, geen gewoontechristen, en het geloof was een grote steun voor hem. Hij behoorde tot de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Streng voor zichzelf, verder was het een heel goedmoedig mens. Hij geloofde in de erfzonde en voedde ons christelijk op, las elke dag in de Bijbel. Daarom heet die verzamelbundel van mij ook Tot zo ver. Toen de ncrv zoveel jaar bestond, kregen de trouwe leden een Zilmeta boekenlegger, uiteraard om in de bijbel te leggen, en daar stond op ‘Tot zo ver’.

We waren heel religieus, maar niet gedwongen. We moesten naar de christelijke school natuurlijk, ik moest naar het christelijk Marnix-gymnasium in Rotterdam. In Dordt was een heel goed gymnasium, maar dat was niet christelijk.

In je gedichten lees ik toch dat het ook benauwend was. De ‘wurggreep van Calvijn,’ schrijf je ergens.
Dat slaat op de verhalen die je meekreeg, de preken die je hoorde vanaf de kansel. Op een gegeven ogenblik, toen ik een jaar of twaalf was, ben ik ook eens naar andere kerken gegaan, naar andere dominees, van de ethische richting. Dominee Petri doorspekte zijn preken met citaten van Slauerhoff en zo. Maar ook ging ik een keer naar de Oud Gereformeerde Gemeente in de Museumstraat. De dominee daar schoot op een gegeven moment naar voren en wees op de zerken voor hem en zei, terwijl er een klodder spuug uit zijn mond schoot: ‘Daar zul je branden!’ Ik geloofde daar toen al niet meer in, maar het was toch angstaanjagend. Die dominee heette ironisch genoeg De Redelijkheid. Hel en verdoemenis preekte hij.

Maar je geloofde toen al niet meer.
Het was rond die tijd dat ik opeens een innerlijke stem hoorde, die me vertelde dat ik op de verkeerde weg was. Ik heb daar pas nog een gedicht over geschreven dat begint met: ‘Hij kwam onverhoeds door, / de bevindelijke stem die riep: / Waar zijt gij, kleingelovige?’

Je interpreteerde die stem als de stem van God?
Ja, maar niet meer met schrik. Het kwam uit mezelf uiteraard.

Geloofde je toen nog in het bestaan van God?
Half. Half. Nee, niet meer. Kijk, ik ben tot het ongeloof gekomen doordat ik met andere geloven te maken kreeg. De klassieken natuurlijk, oosterse godsdiensten, de koran. Voor mij was het duidelijk dat er niet één God kon zijn. Aan de andere kant heeft ook bijna elke beschaving zijn god uitgevonden. Maar zo ben ik het geloof kwijtgeraakt.

Het geloof heeft mij overigens ook veel geschonken. Aan taal vooral.

Er komen heel wat psalmcitaten in je gedichten en soms verander je die ook wat, zoals: Gelijk het gras is ons hardnekkig leven.
Ik ben nog steeds dol op de tale Kanaäns. Ik heb meegelezen met de Nieuwe Bijbelvertaling. Daar ben ik het ook wel mee eens, maar die eerste woorden al: dat is nu geworden ‘In het begin’. ‘In den beginne’ klinkt toch beter.
Verschijning 
's Nachts stond hij bij me.
Zijn huid had de kleur van reuzel.
Zijn jaegerondergoed was grijzer.

Hij keek mij aan met zijn bleekblauwe ogen.
Hij kon niet spreken want hij was dood.
Wat hij echter beoogde te zeggen 
was dat hij van mij hield
maar dat er iets was voorgevallen
wat hem nog altijd niet beviel. 
Ik wist wel wat het was
maar had er geen woorden voor.
Het was iets van destijds 
en van nog steeds.
Had ik 't hem kunnen zeggen
dan was het er nooit geweest.
Ik heb het idee dat het in dit gedicht de vader is die verschijnt.
Ja, dat klopt.

Dat iets van destijds en van nog steeds, is dat het geloof?
Ja precies, mijn afvalligheid, waar ik ook eigenlijk nooit over gepraat heb. Nooit expliciet. Ik ging bijvoorbeeld naar de jongelingsvereniging, terwijl ik niet meer geloofde. Ik heb nooit tegen mijn vader gezegd: ‘Ik geloof niet meer,’ maar hij heeft me ook nooit gevraagd ‘Geloof je nog wel?’ Dan had ik ‘nee’ gezegd. Denk ik. Maar ik wou hem sparen. Het was, denk ik, zijn grote droom dat ik dominee zou worden. Ik heb het laatste jaar op het gym facultatief les in het Hebreeuws gehad en dat soort dingen.

Toen ging ik in dienst. Dat vond hij prima, goed vaderlander, anti-revolutionair. Ik kreeg een keer een brief van hem in Indonesië. Ik had een onderscheiding gekregen, dat hield ook verband met die trekbommen. Ik was een terrein in gegaan en had draden doorgeknipt. Nou goed, ik had mijn eigen leven gered, zullen we maar zeggen. Ik werd onderscheiden en dat werd in een officiële brief aan mijn ouders gemeld. Daar was mijn vader geweldig trots op. Typisch voor jou, schreef hij, dat je daar geen melding van hebt gemaakt in je brieven. Het was niet in mijn hoofd opgekomen om het te vertellen, want dan hadden ze ook geweten hoe gevaarlijk het was en ik wilde ze niet ongerust maken. Vooral mijn vader was heel zorgelijk.

In ‘Gedragen kleding 3’ schrijf je dat je het geloof als een jasje hebt uitgedaan, maar ook dat dat niet zonder kleerscheuren is gegaan: ‘je bent voorgoed beschadigd / te nauwer nood gered.’
Nou kijk, die beschadiging is geheeld. Ik heb daar geen last meer van. Ik dacht toen dat het voorgoed was. Dat is een van de voordelen van de ouderdom, dat je dingen anders gaat zien, meer accepteert.

Kijk je met bitterheid terug op de beschadigingen?
Ach, wie zou ik de schuld moeten geven? Nou ja, ik ben wel bitter tegenover theologen van vroeger, de onderwijzers die mij angst aan hebben gejaagd. En de autoriteiten die me naar Indië hebben gestuurd in een hopeloze oorlog.

Terugval

Ik lag op je bodem en sliep.
Toen kwam er een engel die riep,
die klauwde mij razend om.
Ik ontkom, ik ontkom
dacht ik nog, door
uit deze kamer te gaan.
Maar toen, toen ik op wou staan
klapten de muren om. Ik
stortte naar het plafond.
Een nooit meer te delgen schuld
liep als water langs
mijn koud lijf.
Ik blijf, dacht ik toen,
niet meer hier,
ik ga nu voor eeuwig weg.
De zaak was verloren,
het pleit leek beslecht.
Die ‘nooit meer te delgen schuld,’ komt die ook bij het geloof vandaan?
Schuld heeft wel met godsdienst te maken, ik ben met een schuldgevoel opgevoed, maar later heb ik er eigen schuldgevoelens bij gekregen. Over mensen die je in de steek laat, je hebt dingen niet gedaan die je had moeten doen.

Gaat het hier over de schuld uit de jeugd?
Nee hoor. Ik had toen een vriendin op de Wolwevershaven, een fantastische vrouw. Ik was met een gezelschap naar café Jongepier geweest en toen had ik ongelooflijk veel gedronken, van alles door elkaar heen en terug in het huis ben ik meteen op de grond in slaap gevallen, na me eerst benat te hebben. En zo vond ze mij. Ik lag op je bodem en sliep, schrijf ik. Over dat soort dingen gaat het. Je drinkt misschien ook wel om een schuld te delgen, om het leven wat rooskleuriger te maken, terwijl het leven veel aangenamer is als ik niet drink.

Het gedicht ‘Soms’ begint met:
Soms moet ik ruiken aan die zwavelput,
proef ik weer as en kan het kermen horen.
Wat is er toch zo zoet aan het verloren,
het bijna verloren gaan.
Dat lijkt me een verwijzing naar de hel.
Dat is wel de hel, maar ook dat is het alcoholisme waarin ik af en toe terugval. Als ik één borrel neem, dan neem ik een fles. En twee, en drie. En steeds maar weer is er de illusie dat je het gewoon bij af en toe een borrel kunt houden. Maar dat kan ik niet. Toch drink ik af en toe. Steeds minder, gelukkig. Ik doe het tot groot ongenoegen van vrouw en kinderen. Ik kom niet laaiend dronken thuis of zo, maar ik leef dan toch in een andere wereld. Ik ga naar oude lokalen, praat daar met anderen, voer stompzinnige gesprekken. Voor mij is het ook een soort rustpauze. Daarna voel ik me ook weer heel effectief. Dan neem ik zo'n pil, refusal.

In veel gedichten zijn herinneringen uit je jeugd verwerkt.
Ik leef in twee tijdperken. Ik leef nog in mijn jonge jaren en ik leef ook heel sterk in het heden. Dat komt ook doordat ik hertrouwd ben met een veel jongere vrouw en nog steeds jonge kinderen heb. Ik leef opnieuw. Vroeger is eigenlijk een vroeger leven, maar die twee levens lopen harmonisch in elkaar over. Het tussenleven interesseert mij minder.

Veel dichters schrijven vanuit het gebrek, vanuit het verlangen. Ik heb het idee dat veel van je gedichten juist ontstaan uit de overvloed, uit het geluk.
Ik probeer ook steeds meer vanuit zo'n geluksgevoel, als het er is, een gedicht te maken.

Er zit in veel gedichten een zekere verbazing.
Mijn vader kreeg een oproep voor de oorlog van '14-'18 en hij heeft drie, vier maanden als hospik gediend. Toen brak de vrede uit. Er is een foto waar die jongens op staan met witte jassen aan en op een schoolbord staat geschreven: ‘Hoera, wij leven nog!’ Dat soort verbazing is het, na alles wat ik heb meegemaakt. Na dit hele leven, de ziekte, de drank. Mijn reukvermogen is praktisch weg, doof ben ik altijd wel wat geweest, maar ik heb altijd zonder bril kunnen leven. Toen ik hoorde dat ik kanker had, wist ik absoluut zeker dat ik het zou overleven. Ik had zestig procent, later hoorde ik fifty fifty, maar ik dacht: Ik behoor natuurlijk tot die zestig procent. Een van mijn bundels heet De gouden man. Kijkend naar mijn leven kan ik zeggen dat dat ook op mij slaat. Ik voel mij redelijk gelukkig, niet in de zin van mazzel hebbend, maar van bonheur.
En 't blijft maar heel
Breekbaar geluk
en 't blijft maar heel
nu al een middag lang. 
Het licht valt als een boegspriet
binnen, tot aan het oud behang. 
Er komt een denken op
aan rimpels om een helder oog
die ik wel met mijn lichtste vingers
zou willen nagaan 
en later met mijn lippen ook
als 't mocht.
De foto hierboven is gemaakt door L.H. Eijkelboom - Piccardt en stond in Liter afgedrukt bij het interview.  Het oorspronkelijke interview is hier te lezen.

maandag 24 september 2018

Oorlogsenthousiasme (Ewoud Kieft)


Toen ik het Het verboden boek van Ewoud Kieft had gelezen, over Mein Kampf, was ik daarover nogal enthousiast. Ik besloot ook zijn eerdere boek Oorlogsenthousiasme te lezen.

Oorlogsenthousiasme gaat over de houding die 'men' aan het begin van de twintigste eeuw aannam tegenover een komende oorlog. We kunnen natuurlijk niet van 'men' spreken, we kunnen niet generaliseren, en dat doet Kieft ook niet. Wel laat hij ons zien dat er in Europa tegelijkertijd, op verschillende plaatsen, iets verwacht werd van een oorlog. Dat kon een loutering zijn, maar ook het vormen van een gemeenschapsgevoel of een stap in technische ontwikkelingen.

Proloog

In alle hoofdstukken noemt Kieft nauwkeurig plaats en tijd. De proloog speelt zich af in Belgrado, 1913. In 1912 en 1913 waren er verschillende Balkanoorlogen, waarin Servië, Montenegro, Bulgarije en Griekenland zich probeerden los te maken van het Turkse Rijk. In die oorlogen waren het niet alleen de soldaten die streden, maar de hele samenleving werd gemobiliseerd:
Kranten riepen hun lezers op de oorlog te steunen, dichters spoorden jongemannen aan afscheid te nemen van hun geliefden. Er werd geen onderscheid meer tussen de burgerbevolking en het leger gemaakt, het hele volk moest als één man achter de oorlog staan.
Dat betekent ook dat voor legers niet meer alleen militairen tot de vijand gerekend worden, maar dat ook de bevolking als een gevaar wordt gezien. Dat levert een ander soort oorlog op. Wellicht dat de genocides in die tijd daar voor een deel door te verklaren zijn.

Crisis, 25 juli - 5 augustus 1914 


In deel 1 beschrijft Kieft de gevolgen van de aanslag op Franz Ferdinand, op 28 juni 1914. Ik heb altijd gedacht dat toen al heel snel de Grote Oorlog uitbrak. Kieft beschrijft nauwkeurig, soms zelfs van dag tot dag, wat er op de verschillende plaatsen in Europa gebeurde. Duitsland en het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk hadden een bondgenootschap gesloten, evenals Frankrijk, Rusland en Engeland, de zogeheten Entente. Als het ene land actie onderneemt heeft dat dus meteen gevolgen voor andere landen. 

Tussen 25 juli en 5 augustus 1914 gaan in de hoofdsteden van Europa honderdduizenden mensen de straat op, nationalistische liederen zingend en oorlogsleuzen scanderend. Socialisten en pacifisten houden tegendemonstraties. 

De tegenstemmen worden zwakker zo gauw de soldaten naar het front trekken. Op 1 augustus houdt keizer Wilhelm bijvoorbeeld een toespraak:
Ik ken geen partijen meer in mijn volk. Wij zijn alleen nog maar Duitsers, en als sommige partijen tijdens vroegere meningsverschillen zich tegen mij hebben gekeerd, vergeef ik ze alle. Het enige wat er nu toe doet is dat we samen staan als broeders, dan zal God het Duitse zwaard aan de overwinning helpen. 
In Rusland was het een bijzonder onrustige tijd, waarin er verschillende aanslagen werden gepleegd. Alexander Kerenski, leider van de Trudoviken, zag de oorlog als een gelegenheid om meer democratie en sociale gelijkheid af te dwingen. Daarin kreeg hij ook de gematigde socialisten mee.

Zo zijn er in de verschillende landen verschillende vormen van massaal oorlogsenthousiasme. Grote delen van de volken verenigen zich daarin, wat ook politieke verbroedering geeft.

Naast het enthousiasme van de massa, heb je het intellectuele enthousiasme van denkers, schrijvers, kunstenaars. Voor hen was de oorlog eerder een abstracte gebeurtenis, een ommekeer, een zuivering. Dit enthousiasme was eigenlijk een eliteverschijnsel, maar na de zomer van 1914 raakte het vervlochten met het enthousiasme van de massa.

Duizend wegen naar het paradijs

Als in het boek de oorlog is uitgebroken, doet Kieft enkele stappen terug in de tijd. Hij reconstrueert het enthousiasme (ik blijf die term maar even aanhouden) van de bovenlaag. Kieft neemt ons mee door Europa, te beginnen in 1900 bij de communeachtige gemeenschap in Ascona, bij het Lago Maggiore. Heel wat bepalende figuren hebben korte of lange tijd in Ascona doorgebracht. Bijvoorbeeld Herman Hesse en Erich Mühsam.

We zien in de gemeenschap een hang naar spiritualiteit, een zoektocht naar bezieling. Dat zien we ook in Schwabing, een wijk van München, die wel het Montmartre van Zuid-Duitsland werd genoemd.

In de hoofdstukken over deze gemeenschappen zien we namen voorbijkomen als Franz Marc, Wassily Kandinsky, Rudolf Steiner. In Wenen richt Kieft de aandacht op Freud (en op Jung). Wenen was een broedplaats van populistische politici, die ook flink inzetten op het antisemitisme. Jodenhaat is iets van alle tijden natuurlijk, maar mij verbaasde het toch hoe prominent het toen aanwezig was.

Bij de beschrijving van het intellectuele oorlogsenthousiasme in Parijs is er veel aandacht voor Henri Bergson, die gezien werd als de aanstichter van een nieuwe anti-intellectuele mode onder de Franse jeugd. Onder de jongeren was er namelijk een religieuze heropbloei.

In Italië, Florence, hadden we niet alleen te maken met de futuristen, maar ook met Ardengo Soffici, die aanvankelijk een andere richting koos, maar uiteindelijk toch met de futuristen samenging. Verder  passeren de schrijver Gabriele d'annunzio en Benito Mussolini de revue.

Ivo Andric staat centraal in het hoofdstuk over Višegrad (Bosnië). Later zou hij naar Sarajevo vertrekken, waar hij ook Gavrilo Princip zou ontmoeten. Als het over Rusland gaat, licht Kieft Vladimir Majakovski uit.

In Londen is het H.G. Wells, die voorziet dat een komende oorlog anders gevoerd zal worden dan alle voorgaande. Hij is bekend van romans als The Time Machine en War of the worlds. In 1901 schreef hij een serie artikelen, waarin hij afrekende met een romantisch beeld van de oorlog. Het nieuwe oorlogvoeren zou draaien om wetenschap en organisatie. Achteraf blijkt dat hij de militaire ontwikkelingen opmerkelijk goed heeft voorspeld.

Wie het tweede deel leest, krijgt een beeld van een bruisend Europa, op weg naar iets wat in ieder geval anders is, nieuw. Er zijn verschillen per land, er zijn persoonlijke verschillen, maar het is duidelijk dat het verlangen naar een keerpunt breed werd gedeeld in intellectuele groepen. En een oorlog is hoe dan ook een keerpunt.

Verlossing, 1914 - 1918

Het komt wrang over dat het derde deel, dat speelt in de eigenlijke oorlog, van 1914 tot 1918 dus, 'Verlossing' heet, maar het is wel het logische vervolg op het voorgaande.

Niet alleen was er richting in Europa, er was ook verwarring. Ook toen had men al te maken met fake news. De angst wordt breed verspreid. In München wordt bijvoorbeeld een vrouw met veel make-up door een groep mensen belaagd, omdat men vermoedt dat ze een spion is, een verklede man.  Ook zijn er berichten over vergiftigd leidingwater. Dat zal het vijandbeeld versterkt hebben en dus ook het gemeenschapsgevoel.

De paranoia die zo verspreid werd, leidde tot meer geweld. In kranten van de geallieerde landen werd op de voorpagina's met grote letters verslag gedaan van Duitse gruweldaden. Dat klopte voor een deel.
Soldaten in het Duitse leger waren zo beducht voor gewelddadige acties vanuit de Belgische burgerbevolking dat ze in de dorpen en gehuchten waar ze doorheen trokken achter elk keukenraam een sluipschutter vermoedden.
Ook burgers werden geëxecuteerd. In 1914 zijn er waarschijnlijk meer dan zesduizend Belgische en Franse burgers gedood, voornamelijk tijdens de invasie in augustus.

De verlossing betekende niet in alle landen hetzelfde. In Frankrijk, Duitsland en Engeland lag de nadruk op het hernieuwde gemeenschapsgevoel, in landen als Italië en Servië draaide het meer om emancipatie: het onderdrukte volk streed voor een betere toekomst.

De oorlog was natuurlijk gruwelijk en eiste veel slachtoffers.
Tegen het eind van 1914 waren er naar schatting een miljoen Russische soldaten gesneuveld of ernstig gewond. Daarnaast waren er meer dan een miljoen krijgsgevangen gemaakt. 
Niet alleen de vijand maakte overigens slachtoffers. Binnen het Italiaanse leger werden er tijdens de Eerste Wereldoorlog minstens 750 soldaten geëxecuteerd wegens laf of opstandig gedrag. Zij waren overigens daaraan niet allemaal schuldig: het decimeren werd ook als strafmaatregel gebruikt. Naast executies werden 870.000 Italiaanse soldaten bestraft vanwege dienstplichtontduiking, disciplinaire overtredingen of desertie.

Kieft eindigt zijn boek met Herman Hesse, die voorziet dat er offers gebracht moeten worden en dat er groot onheil op komst is.
Toch roert zich ook in mij de blauwogige geestdrift en de offervaardigheid, die men bij zovelen bespeurt.
De laatste alinea van Oorlogsenthousiasme:
Dat was de reden waarom Hesse zo zeker wist dat het weer oorlog zou worden: omdat hij wist dat iedereen een kiem van oorlogsenthousiasme in zich heeft, dat iedereen erdoor meegesleept kan worden. Hij had de kracht ervan zelf ondervonden.  
Voordat je het boek dichtslaat, realiseer je je dat jij als lezer ook een lont in je hebt die aangestoken kan worden, dat in een andere context, in een andere positie, je je ook blind of zelfs met open ogen kunt storten in iets wat je ziet als een groter ideaal, een doel dat veel middelen heiligt.

Oorlogsenthousiasme is een prachtig boek. In de eerste plaats omdat het helder is: het geeft een caleidoscopisch beeld, waarin we zowel de verschillen als de overeenkomsten zien tussen de vormen van oorlogsenthousiasme op verschillende plaatsen in Europa.

Methoden van een romanschrijver

Kieft heeft bovendien een aangename verteltrant. Hij gebruikt methoden die we bij een romanschrijver zouden verwachten om de aandacht van de lezer vast te houden. Een voorbeeld, het begin van deel 3:
Het was maandagochtend vroeg en op de rue de Rennes, de lange rechte straat die loopt van Saint-Germain naar Montparnasse, was alles nog rustig. Een enkele paard-en-wagen ratelde over de straatstenen. Af en toe een automobiel. Op de stoep liep een man op blote voeten. 
 We krijgen een schets van Parijs, 3 augustus 1914. Er worden beelden en geluiden opgeroepen. En er is een man op blote voeten, van wie wij natuurlijk willen weten wie hij is.
Het voorafgaande weekend was zenuwslopend geweest, met op zaterdagochtend het nieuws van de moord op Jean Jaurès, de spanning of er socialistische rellen zouden uitbreken en nog diezelfde middag de eerste bataljons die waren opgeroepen. Zondag was de algehele mobilisatie afgekondigd, marcherende troepen over de boulevards, op weg naar de treinstations. Parijs liep leeg. 
We krijgen een beeld van wat er in deze tijd in Parijs aan de hand is. En in ons achterhoofd zeurt nog steeds de vraag over de man met de blote voeten, van wie we nu vermoeden dat hij een van degenen is die Parijs verlaat.

In de volgende alinea komen we meer over hem te weten, bijvoorbeeld dat hij zwaar bepakt is en dat hij zijn laarzen in de hand heeft, omdat hij zijn voeten nog wat lucht wil geven, voordat hij lange marsen moet lopen. En pas in de alinea erna lezen we zijn naam: Charles Péguy.

Dat doseren van de informatie om spanning op te roepen, geeft je de ervaring dat je een roman leest, terwijl je informatie krijgt over wat er gebeurt in een bepaalde plaats in een bepaalde tijd.

Daarom is het ook zo'n gelukkige keus dat Kieft op al die plaatsen een kenmerkend persoon uitkiest om aan de hand van diens wederwaardigheden de geschiedenis te laten zien. Zo wordt geschiedenis niet iets abstracts, maar iets wat individuele mensen overkomt.

Zoals het hoort, heeft Oorlogsenthousiasme een handig register en een uitgebreid notenapparaat, waarin de bronnen vermeld worden waaruit Kieft geput heeft.

Oorlogsenthousiasme-enthousiasme

Net als bij Het verboden boek ben ik voluit enthousiast over dit boek. Er verschijnen geweldige boeken over de geschiedenis en mij ontbreekt de tijd om ze allemaal te lezen. Ik heb immers ook nog literaire werken die ik tot me wil nemen. Maar als ik dan toch een geschiedenisboek lees, is het prettig als het ook meteen een goed boek is.

We moeten mensen niet verplichten om welk boek dan ook te lezen, maar adviseren kan altijd. Daarom: lezen, dit boek!

Ewoud Kieft, Oorlogsenthousiasme. Europa 1900 - 1918. Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen 2015. 544 blz. gebonden.

vrijdag 21 september 2018

Het glinsterend pantser (S. Vestdijk)

Omslag: Gerti Bierenbroodspot

Er is altijd wel wat te lezen in huis: boeken die nog ongelezen in de kast staan, nieuw aangeschafte boeken, stapeltjes van rommelmarkten. Sommige romans wachten mokkend al een hele tijd. Ik wil wel, maar het komt er niet van.

Zo'n roman was Het glinsterend pantser (1956) van Simon Vestdijk. Vestdijk, altijd goed, weet ik. Ik heb de Meulenhoffpocket (1966) waarschijnlijk ergens voor een euro of zo gekocht, in de kast gezet, soms in mijn hand gehad, maar van lezen kwam het maar niet. Tot ik mij een week geleden terugvond op de bank, lezend in het eerste hoofdstuk over een schrijver, 'beproefd en niet meer jong in jaren', wandelend in het dorp D..., die bedenkt dat hij te vergelijken is met stokoude grijsaards, 'wanneer zij niets meer hebben te doen of te duchten.' Het leven op orde, alles harmonieus.
Gebroken hart? Het hele bos staat klaar om het te lijmen, de hazen en konijnen brengen hun speeksel, de vogels hun klauwen, om het te krammen, de eekhoorn lacht erom met het geluid van een doedelzak waarop getrapt wordt. Droog en ritselend stoeit hij achter mijn rug, het is een geluidje, dat telkens voorgoed in de stilte wil ondergaan. Alles wordt wel in orde gemaakt, in die bossen. 
Ik was verkocht. Ik zou het hele boek gaan lezen. Misschien komt het ook wel doordat een studiegenoot, decennia niet gezien, mij onlangs tegen het lijf liep. We hadden het onmiddellijk weer over literatuur. Hij noemde de naam Vestdijk.

Eerder gelezen

Wat las ik eigenlijk van Vestdijk? Een stuk of zes romans, gokte ik, maar nu ik een lijstje maak, kom ik tot ruim het dubbele. De zwarte ruiter (1940) las ik voor mijn literatuurlijst op de mavo, Ivoren wachters (1951) voor mijn havolijst. Vooral dat laatste boek staat mij bij. Misschien omdat het zich op de middelbare school afspeelt. Maar ook omdat ik het uitermate geestig vond.

De volgende boeken zal ik eind jaren zeventig en in de jaren tachtig gelezen hebben. Terug tot Ina Damman (1934), een van de bekendste romans. Mooi boek. Waarschijnlijk las ik daarna (of daarvoor?) Sint-Sebastiaan (1939), en vaag herinner ik me het plan om de hele Anton-Wachtercyclus te lezen. Daarvan is het nooit gekomen.

Heerlijk boek

Else Böhler, Duits dienstmeisje (1935). Dat kwam indertijd als herdruk uit bij Nijgh en Van Ditmar, blauw, met een gele bal en nog iets roods of zo. Het is op te zoeken. Ach, wat een heerlijk boek! Maar wellicht ook doordat ik de leeftijd van de hoofdpersoon had.

Meneer Visser's Hellevaart (1936). Ook al zo'n heerlijk boek. Een pesterige hoofdpersoon en personages met een duistere kant zijn altijd interessant.

Ierse nachten (1946). Twee keer gelezen voor mijn studie Nederlands MO-A. Een oranje omslag, meende ik me te herinneren, maar bij controle klopt dat niet. Misschien liep ik  de eerste keer vast in het boek en ben ik opnieuw begonnen. Het kan ook zijn dat het me de eerste keer weinig deed. Bij herlezing vond ik het boek prachtig en snapte ik niet waarom ik dat bij eerste lezing (of de eerste poging) dat niet gezien had. Die dreiging, het weten dat er iets op handen is, drijft de lezer het boek door.

Puriteinen en piraten (1947) Herdruk als Salamander. Vrij dik boek. Las lekker, maar was niet bijzonder, vond ik toen. Net als Pastorale 1943 (1948), dat herdrukt was bij de Arbeiderspers. Ik kocht het bij een boekenclub. Aardig boek, maar ik was er niet van onder de indruk.

Hoogtepunten

De kellner en de levenden (1949) en De koperen tuin (1950) zijn waarschijnlijk voor mij de hoogtepunten van wat ik tot nu toe van Vestdijk heb gelezen. Was het eerste boek ook een herdruk bij Nijgh en Van Ditmar? Kocht ik het tweedehands? Ik weet het niet meer, maar het raadselachtige verhaal zal me bijblijven. Ik zal er wel wat magisch realisme in gelezen hebben, vermoed ik. Ik las in die tijd ook veel Johan Daisne.

En moet ik nog iets over De koperen tuin zeggen? Ik zie het jongetje nog lopen in het park, op weg naar de muziekkoepel. De dirigent en zijn dochter en de hele geschiedenis die zich ontrolt - een boek om in te verdrinken.

Tegenvaller

Ook een herdruk was De dokter en het lichte meisje (1951). Ik zie een groen omslag voor me. Blijkbaar kwamen er in die tijd nogal wat herdrukken uit en kocht ik ze. Dit vond ik een miskoop. Matig verhaal.

Een moderne Antonius (1960). Uit een bibliotheek gehaald, vermoed ik. Het omslag dat ik meIvoren wachters. Tenminste, als mijn geheugen me niet bedriegt. Wel een mooi boek.
herinner zal uit dezelfde tijd geweest als dat van

Tijdens mijn studie las ik ook Fabels van kleurkrijt. Over de gedichten van Vestdijk was ik tot dan niet zo bijster positief. Te cerebraal, zei ik, in mijn jeugdige snelheid van oordelen. Zou ik dat echt gevonden hebben of had ik dat ergens gelezen? Deden de gedichten mij gewoon niet genoeg. En lag dat dan aan de gedichten?

Poëzie

Maar toen ik Nederlands MO-A deed, kwam Kees Fens een gastcollege geven over Fabels van kleurkrijt. Fens was toen net weg bij de Gelderse Leergangen, maar kwam blijkbaar nog een keertje terug een avondje Vestdijk.We kregen een kopie van de gedichten en ik las ze intensief, want ik wou wel goed voorbereid zijn en Fens gemakkelijk kunnen volgen. Ik vond het heerlijk. De gedichten vielen me erg mee en sommige vond ik zelfs mooi en Fens horen was natuurlijk een feest.

Later was een vriendin heel enthousiast over het gedicht 'De uiterste seconde', dat haar lievelingsgedicht was. Dat is ook prachtig. Toch heb ik verder niet heel veel poëzie van Vestdijk gelezen, al staan sommige gedichten mij goed bij. Bij het kijken naar Zomergasten dit jaar heb ik nog een van die gedichten getwitterd, omdat dat, vond ik, toepasselijk was.

Het glinsterend pantser

Maar nu Het glinsterend pantser. Een man met de voornaam S. gaat naar het dorp D. Dat is een redelijk duidelijke verwijzing naar de voornaam van Vestdijk en zijn woonplaats Doorn. Zeker omdat de hoofdpersoon ook nog eens schrijver is. Hij moet daar 'demografische' arbeid verrichten staat er aan het begin van het boek en een bladzijde verder dat hij 'het volk beschrijven' moet. In zekere zin is dat ook de taak van een schrijver. Die taak krijgt verder in het boek nauwelijks aandacht. 

In D.  gaat S. op bezoek bij familie van Bert Duprez, een jeugdvriend. Zo gauw zijn naam genoemd wordt, wordt er verwezen naar 'de historie met Victor Slingeland'. Bert heeft S. aangespoord om bezoek te gaan bij 'een neef, of achterneef, of beide'. Die neef is overleden, maar zijn weduwe (mevrouw Duprez) en haar kinderen (Wim en Adri) zullen S. graag ontvangen. Het meisje Adri zal verderop in het boek een belangrijke rol spelen. 

De roman is verdeeld in drie delen van elk tien hoofdstukken. Het eerste deel heet 'Alice van Voorde'. S. ontmoet Alice in D. Ze blijkt veel platen te hebben met muziek die gedirigeerd is door Victor Slingeland. Dat is een jeugdvriend van S. maar dat vertelt hij aanvankelijk niet. 

Samen met Alice gaat hij naar een concert dat Victor dirigeert en hij stelt Alice ook aan hem voor. Het loopt niet goed af met Alice, al weten we dan nog niet wat er met haar gebeurd is. 

Victor Slingeland

Deel twee, 'Victor Slingeland', vertelt de voorgeschiedenis. We lezen hoe Victor op de middelbare school verschijnt in het leven van S. en Bert. In deze fase doet Victor wel wat denken aan Philip Corvage uit Ivoren wachters: intelligent, maar zich op school niet inzettend; zelfbewust en met een zekere superioriteit zich bewegend tussen zijn klasgenoten. Een jonge tante van Bert, Stan Vastenou, loopt zich stuk op Victor en pleegt zelfmoord. 

In deel 3, Adri Duprez, zijn we weer terug in D. Het moeilijke meisje Adri, door wie S. gefascineerd raakt, blijkt ook contact te hebben met Victor Slingeland, waardoor hij de centrale figuur in het boek wordt. S. speelt natuurlijk ook een rol, en hij tracht ook wel in te grijpen, maar bij zijn demografische werk hoort dat hij vooral waarneemt wat er gebeurt. 

Het glinsterend pantser is hecht gecomponeerd, wat niet alleen blijkt uit de strakke opbouw van drie keer tien hoofdstukken. Twee motorrijders, die aan het eind van het boek een niet zo positieve rol spelen, maar wel een katalysator voor de gebeurtenissen zijn, worden al in het begin van deel 1 beschreven, als S. een aantal 'filmhelden' beschrijft die hij waarneemt in het dorp. Alsof Tsjechov alvast het geweer aan de muur hangt. 

Victor is niet alleen een jeugdvriend van S. - ook nu nog voelt S. zich tot hem aangetrokken. Tegelijkertijd ziet hij welke fatale rol Victor speelt (en gespeeld heeft) in het leven van enkele vrouwen. Uiteindelijk probeert hij ook te begrijpen waar Victors gedrag vandaan komt en dat heeft weer te maken met de titel. Ik wist al voor ik het boek ging lezen dat die verwijst naar de huidziekte psoriasis, maar pas aan het eind van het boek wordt dat voor de lezer duidelijk. 

Stijl

Ik heb Het glinsterend pantser niet snel gelezen. Vestdijk maakt lange zinnen, die om een laag leestempo vragen. Maar dan geniet je ook wel ten volle van de stijl. Deze roman is geen licht boek, maar de toon is dat vaak wel. Er zijn veel zinnen die je alleen maar grijnzend kunt lezen. Bijvoorbeeld de passage over 'de vervette filmacteur met de haviksneus en de biefstuknek'. Ik geef een lang citaat:
Hij keek mij aan of hij mij groeten moest, en eigenlijk moest hij dat ook, want in die paar seconden van onze ontmoeting had ik mij intensiever met hem beziggehouden dan de burgerlijke stand. Congestie, hijgen, zweten, veldflessen, dampende energie, korte rukkende bewegingen, die mij de uitschietende arm van de oude Duprez, Bert's vader, in de herinnering riepen, en een even golvend buikje, niet week van vlees toch, - en dit alles vlak bij een huisjes, mijne heren, een woninkje, een gewrochtje, een damsteentje, een keuteltje van Le Corbusier, waar voor de oorlog de kraaien en roeken nog niet in hadden gewild, een van die eervergeten kubussen, waarin men ter verlevendiging van de schandelijke geometrie in vredesnaam boven de deur dan maar een hoog en zinloos gangraam aanbrengt, met het effect van een leeggehaald meisje, dat om toch wat te lijken één wenkbrauw optrekt. 
Het zijn twee zinnen, maar daarin lichten heel wat zinsgedeelten op: intensiever dan de burgerlijke stand, het golvende buikje, het keuteltje van Le Corbusier, het leeggehaalde meisje, de vergelijking van het gangraam met de opgetrokken wenkbrauw. En dan sla ik nog enkele dingen over. 

Vestdijk lijkt een schrijver die niet hoeft te worstelen, maar erboven staat. Zoals er van Jezus geschreven staat dat hij leerde als machthebbende en niet als de schriftgeleerden, zou je ook van Vestdijk kunnen zeggen dat hij schrijft als machthebbende en niet als andere krabbelaars.

Waarneming

De macht blijkt niet alleen uit de stijl, maar ook uit de trefzekerheid van de waarneming. Bij mensen wordt door Vestdijk eigenlijk altijd het uiterlijk beschreven, waarbij de waarnemer ook probeert te duiden wat hij ziet. Bij Alice van Voorde:
Zij was wat vaalbleek, en had zwarte, verstandige ogen. Mij viel vooral de onderlip op, die hing, of uitstak, en die aan het gezicht een uitdrukking van gemakkelijkheid en kracht verleende. Een verpleegstersgezicht, zou men zeggen. 
Als iemand mij voor het lezen van deze passage had gevraagd hoe een 'verpleegstersgezicht' eruitziet, had ik hem geen antwoord kunnen geven. En toch accepteer ik de beschrijving van Vestdijk zonder aarzeling.

Nog eentje dan. Mevrouw Duprez:
Mevrouw Duprez, weduwe sinds jaren, droeg dit lot, of een ander lot, ingegrift in een smal, olijfkleurig gezicht, met iets 'rooms' erin, zou men zeggen. Een bitter voorkomen, een geslagen vrouw, niet lelijk toch, en op een of andere manier scheen de kern van haar wezen niet geraakt te zijn. Ze liep recht, vlug, wat behoedzaam, alsof ze ergens onderdoor moest lopen, waaraan zelfs niemand zo klein van stuk als zij het hoofd zou kunnen stoten, dat zij overigens flink rechtop droeg. 
Misschien is dat ook wel de superioriteit van de verteller. Hij suggereert dat hij de personages doorziet en hoewel hij zijn beschrijvingen aan ons doorgeeft, hebben we het idee dat hij altijd twee passen voor ons uit loopt.

Er zijn theorieën als antwoord op de vraag in hoeverre de personages afsplitsingen zijn van Vestdijk zelf. Die laat ik voor wat ze zijn. Ik beperk me tot het boek.

Victor

Centraal in dit boek staat Victor Slingeland. Letterlijk, want het middelste deel draagt zijn naam, maar bovendien moeten alle personages zich tegenover hem verhouden. De titel van het boek verwijst ook naar hem.

Victor lijkt onaantastbaar: hij gaat zijn gang, zoekt zijn richting en trekt zich weinig van anderen aan. Niet voor niets heeft hij de overwinning in zijn naam. Aan het eind van het boek, als hij onthult waarmee hij worstelt, zou hij kwetsbaar moeten zijn, maar dat is hij allerminst. 

Het slot verklaart het een en ander van Victors gedrag, maar tegelijkertijd blijft hij een raadsel, zoals we ook van andere personages niet alles te weten komen. Daarom intrigeren ze ons ook zo. De verteller, de schrijver S., heeft de meeste kennis, maar dat wil niet zeggen dat hij de touwtjes in handen heeft. Zoals hij zelf schrijft:
Ik had gedaan wat ik kon; ik had het waarschijnlijk verkeerd gedaan, maar men deed de dingen altijd verkeerd. 
Ook hij heeft vroeger al meegemaakt hoe Victor anderen kan beïnvloeden. Onder het biljarten hoefde Victor maar te zeggen dat hij geen enkele carambole meer zou maken, of het gebeurde ook zo.

Victor heeft dingen gedaan die misschien afkeurenswaardig zijn, maar tegelijkertijd blijft de verteller sympathie voor hem houden, zodat de lezer dat ook moet hebben. Dat zorgt er waarschijnlijk ook voor dat het verhaal aangenaam blijft nazeuren in je hoofd als je het boek uit hebt.

Muziek

Heb ik niets aan te merken op de roman? Hm. De hoofdpersoon loopt wel over van muziekkennis, al schept hij er niet mee op. Bij Maarten 't Hart stoor ik mij er niet aan en misschien moet ik dat in dit geval ook niet doen. Ik weet dat Vestdijk ook over muziek geschreven heeft en in verschillende romans speelt muziek een rol. Bijvoorbeeld in De koperen tuin, waarin ook de dirigent een intrigerende figuur is. Mogelijk loopt Vestdijk niet te geuren met zijn kennis van muziek, maar spreekt het voor hem vanzelf met een dergelijk gemak passages uit orkestwerken te karakteriseren. Toch was er af en toe een 'tut tut' in mijn hoofd, maar misschien komt dat voort uit beperkte kennis van de klassieke muziek.

Van de meer populaire muziek moest Vestdijk weinig hebben, vrees ik. Hij beschrijft bijvoorbeeld hoe bij Bert (die arts geworden is) de radio voortdurend aanstaat:
En voortdurend de radio aan in de huiskamer. Terwijl juffrouw naaigerei aanstond of meneer leesvoer zich te buiten ging, werd er gekletst over patiënten. Sterfberichten kwamen binnen onder de triomfmars van Theo Uden van Beethoven.
Dat laatste is natuurlijk een sneer naar Theo Uden Masman, leider van The Ramblers.

Ik ga niet beloven dat ik vaker iets van Vestdijk ga lezen, al moeten op zolder, achter het schot nog drie delen van De vuuraanbidders liggen. Ooit meegenomen toen een bibliotheek ze wegdeed, maar nooit gelezen. Het verhaal speelt zich af in de Tachtigjarige Oorlog, weet ik nog, maar dat blijkt tegenwoordig ook al een verkeerde aanduiding van het tijdperk te zijn.

Gek genoeg kreeg ik zin om ook weer eens een keer wat van Brakman te gaan lezen. Ook al zo'n stilistisch superieure schrijver die ik al enkele decennia verwaarloos. We zullen zien of van dat voornemen iets terechtkomt.