vrijdag 21 september 2018

Het glinsterend pantser (S. Vestdijk)

Omslag: Gerti Bierenbroodspot

Er is altijd wel wat te lezen in huis: boeken die nog ongelezen in de kast staan, nieuw aangeschafte boeken, stapeltjes van rommelmarkten. Sommige romans wachten mokkend al een hele tijd. Ik wil wel, maar het komt er niet van.

Zo'n roman was Het glinsterend pantser (1956) van Simon Vestdijk. Vestdijk, altijd goed, weet ik. Ik heb de Meulenhoffpocket (1966) waarschijnlijk ergens voor een euro of zo gekocht, in de kast gezet, soms in mijn hand gehad, maar van lezen kwam het maar niet. Tot ik mij een week geleden terugvond op de bank, lezend in het eerste hoofdstuk over een schrijver, 'beproefd en niet meer jong in jaren', wandelend in het dorp D..., die bedenkt dat hij te vergelijken is met stokoude grijsaards, 'wanneer zij niets meer hebben te doen of te duchten.' Het leven op orde, alles harmonieus.
Gebroken hart? Het hele bos staat klaar om het te lijmen, de hazen en konijnen brengen hun speeksel, de vogels hun klauwen, om het te krammen, de eekhoorn lacht erom met het geluid van een doedelzak waarop getrapt wordt. Droog en ritselend stoeit hij achter mijn rug, het is een geluidje, dat telkens voorgoed in de stilte wil ondergaan. Alles wordt wel in orde gemaakt, in die bossen. 
Ik was verkocht. Ik zou het hele boek gaan lezen. Misschien komt het ook wel doordat een studiegenoot, decennia niet gezien, mij onlangs tegen het lijf liep. We hadden het onmiddellijk weer over literatuur. Hij noemde de naam Vestdijk.

Eerder gelezen

Wat las ik eigenlijk van Vestdijk? Een stuk of zes romans, gokte ik, maar nu ik een lijstje maak, kom ik tot ruim het dubbele. De zwarte ruiter (1940) las ik voor mijn literatuurlijst op de mavo, Ivoren wachters (1951) voor mijn havolijst. Vooral dat laatste boek staat mij bij. Misschien omdat het zich op de middelbare school afspeelt. Maar ook omdat ik het uitermate geestig vond.

De volgende boeken zal ik eind jaren zeventig en in de jaren tachtig gelezen hebben. Terug tot Ina Damman (1934), een van de bekendste romans. Mooi boek. Waarschijnlijk las ik daarna (of daarvoor?) Sint-Sebastiaan (1939), en vaag herinner ik me het plan om de hele Anton-Wachtercyclus te lezen. Daarvan is het nooit gekomen.

Heerlijk boek

Else Böhler, Duits dienstmeisje (1935). Dat kwam indertijd als herdruk uit bij Nijgh en Van Ditmar, blauw, met een gele bal en nog iets roods of zo. Het is op te zoeken. Ach, wat een heerlijk boek! Maar wellicht ook doordat ik de leeftijd van de hoofdpersoon had.

Meneer Visser's Hellevaart (1936). Ook al zo'n heerlijk boek. Een pesterige hoofdpersoon en personages met een duistere kant zijn altijd interessant.

Ierse nachten (1946). Twee keer gelezen voor mijn studie Nederlands MO-A. Een oranje omslag, meende ik me te herinneren, maar bij controle klopt dat niet. Misschien liep ik  de eerste keer vast in het boek en ben ik opnieuw begonnen. Het kan ook zijn dat het me de eerste keer weinig deed. Bij herlezing vond ik het boek prachtig en snapte ik niet waarom ik dat bij eerste lezing (of de eerste poging) dat niet gezien had. Die dreiging, het weten dat er iets op handen is, drijft de lezer het boek door.

Puriteinen en piraten (1947) Herdruk als Salamander. Vrij dik boek. Las lekker, maar was niet bijzonder, vond ik toen. Net als Pastorale 1943 (1948), dat herdrukt was bij de Arbeiderspers. Ik kocht het bij een boekenclub. Aardig boek, maar ik was er niet van onder de indruk.

Hoogtepunten

De kellner en de levenden (1949) en De koperen tuin (1950) zijn waarschijnlijk voor mij de hoogtepunten van wat ik tot nu toe van Vestdijk heb gelezen. Was het eerste boek ook een herdruk bij Nijgh en Van Ditmar? Kocht ik het tweedehands? Ik weet het niet meer, maar het raadselachtige verhaal zal me bijblijven. Ik zal er wel wat magisch realisme in gelezen hebben, vermoed ik. Ik las in die tijd ook veel Johan Daisne.

En moet ik nog iets over De koperen tuin zeggen? Ik zie het jongetje nog lopen in het park, op weg naar de muziekkoepel. De dirigent en zijn dochter en de hele geschiedenis die zich ontrolt - een boek om in te verdrinken.

Tegenvaller

Ook een herdruk was De dokter en het lichte meisje (1951). Ik zie een groen omslag voor me. Blijkbaar kwamen er in die tijd nogal wat herdrukken uit en kocht ik ze. Dit vond ik een miskoop. Matig verhaal.

Een moderne Antonius (1960). Uit een bibliotheek gehaald, vermoed ik. Het omslag dat ik meIvoren wachters. Tenminste, als mijn geheugen me niet bedriegt. Wel een mooi boek.
herinner zal uit dezelfde tijd geweest als dat van

Tijdens mijn studie las ik ook Fabels van kleurkrijt. Over de gedichten van Vestdijk was ik tot dan niet zo bijster positief. Te cerebraal, zei ik, in mijn jeugdige snelheid van oordelen. Zou ik dat echt gevonden hebben of had ik dat ergens gelezen? Deden de gedichten mij gewoon niet genoeg. En lag dat dan aan de gedichten?

Poëzie

Maar toen ik Nederlands MO-A deed, kwam Kees Fens een gastcollege geven over Fabels van kleurkrijt. Fens was toen net weg bij de Gelderse Leergangen, maar kwam blijkbaar nog een keertje terug een avondje Vestdijk.We kregen een kopie van de gedichten en ik las ze intensief, want ik wou wel goed voorbereid zijn en Fens gemakkelijk kunnen volgen. Ik vond het heerlijk. De gedichten vielen me erg mee en sommige vond ik zelfs mooi en Fens horen was natuurlijk een feest.

Later was een vriendin heel enthousiast over het gedicht 'De uiterste seconde', dat haar lievelingsgedicht was. Dat is ook prachtig. Toch heb ik verder niet heel veel poëzie van Vestdijk gelezen, al staan sommige gedichten mij goed bij. Bij het kijken naar Zomergasten dit jaar heb ik nog een van die gedichten getwitterd, omdat dat, vond ik, toepasselijk was.

Het glinsterend pantser

Maar nu Het glinsterend pantser. Een man met de voornaam S. gaat naar het dorp D. Dat is een redelijk duidelijke verwijzing naar de voornaam van Vestdijk en zijn woonplaats Doorn. Zeker omdat de hoofdpersoon ook nog eens schrijver is. Hij moet daar 'demografische' arbeid verrichten staat er aan het begin van het boek en een bladzijde verder dat hij 'het volk beschrijven' moet. In zekere zin is dat ook de taak van een schrijver. Die taak krijgt verder in het boek nauwelijks aandacht. 

In D.  gaat S. op bezoek bij familie van Bert Duprez, een jeugdvriend. Zo gauw zijn naam genoemd wordt, wordt er verwezen naar 'de historie met Victor Slingeland'. Bert heeft S. aangespoord om bezoek te gaan bij 'een neef, of achterneef, of beide'. Die neef is overleden, maar zijn weduwe (mevrouw Duprez) en haar kinderen (Wim en Adri) zullen S. graag ontvangen. Het meisje Adri zal verderop in het boek een belangrijke rol spelen. 

De roman is verdeeld in drie delen van elk tien hoofdstukken. Het eerste deel heet 'Alice van Voorde'. S. ontmoet Alice in D. Ze blijkt veel platen te hebben met muziek die gedirigeerd is door Victor Slingeland. Dat is een jeugdvriend van S. maar dat vertelt hij aanvankelijk niet. 

Samen met Alice gaat hij naar een concert dat Victor dirigeert en hij stelt Alice ook aan hem voor. Het loopt niet goed af met Alice, al weten we dan nog niet wat er met haar gebeurd is. 

Victor Slingeland

Deel twee, 'Victor Slingeland', vertelt de voorgeschiedenis. We lezen hoe Victor op de middelbare school verschijnt in het leven van S. en Bert. In deze fase doet Victor wel wat denken aan Philip Corvage uit Ivoren wachters: intelligent, maar zich op school niet inzettend; zelfbewust en met een zekere superioriteit zich bewegend tussen zijn klasgenoten. Een jonge tante van Bert, Stan Vastenou, loopt zich stuk op Victor en pleegt zelfmoord. 

In deel 3, Adri Duprez, zijn we weer terug in D. Het moeilijke meisje Adri, door wie S. gefascineerd raakt, blijkt ook contact te hebben met Victor Slingeland, waardoor hij de centrale figuur in het boek wordt. S. speelt natuurlijk ook een rol, en hij tracht ook wel in te grijpen, maar bij zijn demografische werk hoort dat hij vooral waarneemt wat er gebeurt. 

Het glinsterend pantser is hecht gecomponeerd, wat niet alleen blijkt uit de strakke opbouw van drie keer tien hoofdstukken. Twee motorrijders, die aan het eind van het boek een niet zo positieve rol spelen, maar wel een katalysator voor de gebeurtenissen zijn, worden al in het begin van deel 1 beschreven, als S. een aantal 'filmhelden' beschrijft die hij waarneemt in het dorp. Alsof Tsjechov alvast het geweer aan de muur hangt. 

Victor is niet alleen een jeugdvriend van S. - ook nu nog voelt S. zich tot hem aangetrokken. Tegelijkertijd ziet hij welke fatale rol Victor speelt (en gespeeld heeft) in het leven van enkele vrouwen. Uiteindelijk probeert hij ook te begrijpen waar Victors gedrag vandaan komt en dat heeft weer te maken met de titel. Ik wist al voor ik het boek ging lezen dat die verwijst naar de huidziekte psoriasis, maar pas aan het eind van het boek wordt dat voor de lezer duidelijk. 

Stijl

Ik heb Het glinsterend pantser niet snel gelezen. Vestdijk maakt lange zinnen, die om een laag leestempo vragen. Maar dan geniet je ook wel ten volle van de stijl. Deze roman is geen licht boek, maar de toon is dat vaak wel. Er zijn veel zinnen die je alleen maar grijnzend kunt lezen. Bijvoorbeeld de passage over 'de vervette filmacteur met de haviksneus en de biefstuknek'. Ik geef een lang citaat:
Hij keek mij aan of hij mij groeten moest, en eigenlijk moest hij dat ook, want in die paar seconden van onze ontmoeting had ik mij intensiever met hem beziggehouden dan de burgerlijke stand. Congestie, hijgen, zweten, veldflessen, dampende energie, korte rukkende bewegingen, die mij de uitschietende arm van de oude Duprez, Bert's vader, in de herinnering riepen, en een even golvend buikje, niet week van vlees toch, - en dit alles vlak bij een huisjes, mijne heren, een woninkje, een gewrochtje, een damsteentje, een keuteltje van Le Corbusier, waar voor de oorlog de kraaien en roeken nog niet in hadden gewild, een van die eervergeten kubussen, waarin men ter verlevendiging van de schandelijke geometrie in vredesnaam boven de deur dan maar een hoog en zinloos gangraam aanbrengt, met het effect van een leeggehaald meisje, dat om toch wat te lijken één wenkbrauw optrekt. 
Het zijn twee zinnen, maar daarin lichten heel wat zinsgedeelten op: intensiever dan de burgerlijke stand, het golvende buikje, het keuteltje van Le Corbusier, het leeggehaalde meisje, de vergelijking van het gangraam met de opgetrokken wenkbrauw. En dan sla ik nog enkele dingen over. 

Vestdijk lijkt een schrijver die niet hoeft te worstelen, maar erboven staat. Zoals er van Jezus geschreven staat dat hij leerde als machthebbende en niet als de schriftgeleerden, zou je ook van Vestdijk kunnen zeggen dat hij schrijft als machthebbende en niet als andere krabbelaars.

Waarneming

De macht blijkt niet alleen uit de stijl, maar ook uit de trefzekerheid van de waarneming. Bij mensen wordt door Vestdijk eigenlijk altijd het uiterlijk beschreven, waarbij de waarnemer ook probeert te duiden wat hij ziet. Bij Alice van Voorde:
Zij was wat vaalbleek, en had zwarte, verstandige ogen. Mij viel vooral de onderlip op, die hing, of uitstak, en die aan het gezicht een uitdrukking van gemakkelijkheid en kracht verleende. Een verpleegstersgezicht, zou men zeggen. 
Als iemand mij voor het lezen van deze passage had gevraagd hoe een 'verpleegstersgezicht' eruitziet, had ik hem geen antwoord kunnen geven. En toch accepteer ik de beschrijving van Vestdijk zonder aarzeling.

Nog eentje dan. Mevrouw Duprez:
Mevrouw Duprez, weduwe sinds jaren, droeg dit lot, of een ander lot, ingegrift in een smal, olijfkleurig gezicht, met iets 'rooms' erin, zou men zeggen. Een bitter voorkomen, een geslagen vrouw, niet lelijk toch, en op een of andere manier scheen de kern van haar wezen niet geraakt te zijn. Ze liep recht, vlug, wat behoedzaam, alsof ze ergens onderdoor moest lopen, waaraan zelfs niemand zo klein van stuk als zij het hoofd zou kunnen stoten, dat zij overigens flink rechtop droeg. 
Misschien is dat ook wel de superioriteit van de verteller. Hij suggereert dat hij de personages doorziet en hoewel hij zijn beschrijvingen aan ons doorgeeft, hebben we het idee dat hij altijd twee passen voor ons uit loopt.

Er zijn theorieën als antwoord op de vraag in hoeverre de personages afsplitsingen zijn van Vestdijk zelf. Die laat ik voor wat ze zijn. Ik beperk me tot het boek.

Victor

Centraal in dit boek staat Victor Slingeland. Letterlijk, want het middelste deel draagt zijn naam, maar bovendien moeten alle personages zich tegenover hem verhouden. De titel van het boek verwijst ook naar hem.

Victor lijkt onaantastbaar: hij gaat zijn gang, zoekt zijn richting en trekt zich weinig van anderen aan. Niet voor niets heeft hij de overwinning in zijn naam. Aan het eind van het boek, als hij onthult waarmee hij worstelt, zou hij kwetsbaar moeten zijn, maar dat is hij allerminst. 

Het slot verklaart het een en ander van Victors gedrag, maar tegelijkertijd blijft hij een raadsel, zoals we ook van andere personages niet alles te weten komen. Daarom intrigeren ze ons ook zo. De verteller, de schrijver S., heeft de meeste kennis, maar dat wil niet zeggen dat hij de touwtjes in handen heeft. Zoals hij zelf schrijft:
Ik had gedaan wat ik kon; ik had het waarschijnlijk verkeerd gedaan, maar men deed de dingen altijd verkeerd. 
Ook hij heeft vroeger al meegemaakt hoe Victor anderen kan beïnvloeden. Onder het biljarten hoefde Victor maar te zeggen dat hij geen enkele carambole meer zou maken, of het gebeurde ook zo.

Victor heeft dingen gedaan die misschien afkeurenswaardig zijn, maar tegelijkertijd blijft de verteller sympathie voor hem houden, zodat de lezer dat ook moet hebben. Dat zorgt er waarschijnlijk ook voor dat het verhaal aangenaam blijft nazeuren in je hoofd als je het boek uit hebt.

Muziek

Heb ik niets aan te merken op de roman? Hm. De hoofdpersoon loopt wel over van muziekkennis, al schept hij er niet mee op. Bij Maarten 't Hart stoor ik mij er niet aan en misschien moet ik dat in dit geval ook niet doen. Ik weet dat Vestdijk ook over muziek geschreven heeft en in verschillende romans speelt muziek een rol. Bijvoorbeeld in De koperen tuin, waarin ook de dirigent een intrigerende figuur is. Mogelijk loopt Vestdijk niet te geuren met zijn kennis van muziek, maar spreekt het voor hem vanzelf met een dergelijk gemak passages uit orkestwerken te karakteriseren. Toch was er af en toe een 'tut tut' in mijn hoofd, maar misschien komt dat voort uit beperkte kennis van de klassieke muziek.

Van de meer populaire muziek moest Vestdijk weinig hebben, vrees ik. Hij beschrijft bijvoorbeeld hoe bij Bert (die arts geworden is) de radio voortdurend aanstaat:
En voortdurend de radio aan in de huiskamer. Terwijl juffrouw naaigerei aanstond of meneer leesvoer zich te buiten ging, werd er gekletst over patiënten. Sterfberichten kwamen binnen onder de triomfmars van Theo Uden van Beethoven.
Dat laatste is natuurlijk een sneer naar Theo Uden Masman, leider van The Ramblers.

Ik ga niet beloven dat ik vaker iets van Vestdijk ga lezen, al moeten op zolder, achter het schot nog drie delen van De vuuraanbidders liggen. Ooit meegenomen toen een bibliotheek ze wegdeed, maar nooit gelezen. Het verhaal speelt zich af in de Tachtigjarige Oorlog, weet ik nog, maar dat blijkt tegenwoordig ook al een verkeerde aanduiding van het tijdperk te zijn.

Gek genoeg kreeg ik zin om ook weer eens een keer wat van Brakman te gaan lezen. Ook al zo'n stilistisch superieure schrijver die ik al enkele decennia verwaarloos. We zullen zien of van dat voornemen iets terechtkomt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten