zaterdag 31 maart 2012

Stadsdichter (9) - Kandidaten

Na de oproep in Edese Post vroegen veertien dichters informatie op. Dat waren er eigenlijk te veel. Na de voorronde (waar niet iedereen aan meedeed), bleven er acht dichters over. Laten we die eens wat nader bekijken.

Peter Vermaat. Vermaat is een productief dichter en blogger. Gedichten van hem vind je bijvoorbeeld hier en dit is een van zijn blogs. Met tien gedichten was hij een van de drie genomineerden bij de schrijfwedstrijd Aan het woord! in Apeldoorn. Indruk: serieuze kandidaat.
De echte Peter J.R. Vermaat
(aanvankelijk verwarde ik hem met iemand die dezelfde naam draagt)

Kila & Babsie. Behoeven waarschijnlijk weinig introductie. Ze presenteerden zich al nadrukkelijk, bijvoorbeeld hier. Twee jonge vrouwen, die leuke en ook wel goede gedichten geschreven hebben. Zullen als duo sowieso opvallen. Door media-aandacht en optreden bij Dante en Het paard van Troje zijn ze bij veel mensen bekend. Indruk: kanshebbers.




Harry Oonk. Schrijft gedichten die hij zelf gedichtjes noemt op een website waarop de gedichten vooral opvallen door het kleurgebruik. De man blijkt behoorlijk productief, de gedichten stellen niet veel voor. Indruk: gaat het niet redden.



Larissa Verhoeff. Trad op bij cultureel café Dante en was te gast bij Moraalridders met haar boek Vette pech. Ze is met een aardig gedicht vertegenwoordigd in een gedichtenbundel van Natuurmonumenten. Indruk: kanshebber.



Pineaux Franke. Heeft een bundel gepubliceerd. De gedichten die ik van hem op het wereldwijde web vond, waren niet denderend. Indruk: geen kans.



Arjan Keene. Heeft een weblog waarop ook het gedicht te vinden is waarmee hij door de voorronde is gekomen. In 2009 behoorde hij bij de Turing Prijs tot de beste honderd inzenders. Geeft blijk van gevoel voor vorm, vaak een lichte toon. Indruk: serieuze kandidaat.



Dirk Blokland. Was genomineerd voor de publieksprijs 2008 van GSK gemeente Rheden, wat dat dan ook mag zijn. Ik vond een gedicht van hem op de site van de Gelderlander. Het gedicht ronkte nogal. Indruk: je weet maar nooit, maar de kans lijkt me niet groot.

Een foto kon ik zo gauw niet vinden.

Jan Durk Tuinier. Heeft een bundel gepubliceerd met gedichten die bij het stadsdichterschap zouden passen. En hier trof ik een gedicht aan dat heel aardig is. Indruk: heeft een kans.



Samengevat: twee kandidaten (Oonk en Pineaux) acht ik kansloos. Hun gedichten hebben, voorzover ik dat nu kan beoordelen niet genoeg kwaliteit. Blokland lijkt me iets beter dan de eerstgenoemde twee, maar wellicht niet goed genoeg. Tussen de andere vijf kan het een interessante strijd worden.

woensdag 28 maart 2012

Oscar



Sinds Knielen op een bed violen en Suezkade staat Siebelink bekend als schrijver van lekker dikke romans. Hij is echter niet alleen een marathonloper; hij heeft ook mooie dingen laten zien op de korte baan.

Zijn novelle Met afgewend hoofd (1986) bijvoorbeeld is een prachtig boek, dat veel te weinig bekend is. Ook zijn nieuwe boek, Oscar, heeft een beperkte omvang. De fans van Siebelink zullen het met instemming begroeten.

Er is immers veel bekends terug te vinden in het boek: de onderwijswereld (de hoofdpersonen Oscar en Id zijn docenten Engels), de rivaliteit tussen twee mannen, de verering van een vrouw. Siebelink hangt zijn thema’s op aan een verhaal dat zich afspeelt in de Tweede Wereldoorlog: Oscar en Id moeten op bevel van het Commando Zeeland twee koffers met geld naar Duinkerken brengen. Id overleeft de tocht niet. Na de oorlog doet Paul de tocht over met Esmée, die ooit zijn geliefde was, maar die hij aan Id is kwijtgeraakt.

Het hele boek door vraag je je af hoe Id om het leven gekomen is en of Oscar daar misschien de hand in heeft gehad. Zeker als hij in de loop van het boek twee keer zijn pistool op Id richt.

Siebelink heeft een boek geschreven dat degelijk in elkaar zit. Hij wisselt de stukjes over de eerste en de tweede tocht met elkaar af en we merken hoezeer die beide tochten met elkaar verlochten zijn.

Siebelink heeft wel de neiging om niet alleen de gebeurtenissen te laten zien, maar ze ook te duiden. Dat past wel bij de personages, die graag terugblikken, die zich afvragen hoe de verhoudingen met anderen liggen, die zich minderwaardig voelen of juist niet.

Misschien past het ook bij schrijvers uit de generatie waartoe Siebelink behoort. Ook auteurs als Maarten ’t Hart en Jeroen Brouwers, hoe ze onderling ook verschillen, houden van het expliciet maken van wat er tussen en in personen gebeurt. Het idealiseren van een vrouw komt ook bij deze auteurs veelvuldig voor.

Er zal Siebelink wel weer verweten worden dat hij op hetzelfde aambeeld hamert. Dat is maar ten dele waar. De oorlogsproblematiek vind je in de rest van zijn werk niet zo prominent, dacht ik. En als een boek goed is, interesseert het mij niet of een schrijver al eerder over het onderwerp heeft geschreven.

Oscar is een vakkundig geschreven boek. Het oogt als een tussendoortje, maar zou veel dikke romans van andere schrijven graag willen ruilen voor dit boek van Sieblink. 

dinsdag 27 maart 2012

Hoe staat het met de liefde?


Er is veel te genieten in het nieuwe boek van Bert Natter. Hoe staat het met de liefde?bevat bijvoorbeeld heel grappige gedeelten, zoals deze passage, ergens aan het begin.
Ik ontmoette Fjodor in de trein, daar zat hij met een afgekloven potloodje aantekeningen te maken in een boek, puntje van zijn tong uit zijn mond, zo'n figuur. Zijn vlees ging gehuld in een bleke, bijna doorschijnende huid en hij bezat een meisjesachtige schoonheid. Daarom zei ik: 'Je bent hier verkeerd hoor, je moet in de metro gaan zitten met dat boek.'
'Wat?'vroeg hij verstoord. Hij verschoot van kleur, hij werd niet rood, maar bleker dan hij al zag.
'Met dat boek,'herhaalde ik, 'moet je in de metro gaan zitten.'
Hij draaide het boek verbaasd om, met het omslag naar zich toe. Aantekeningen uit het ondergrondse.'En trouwens: het is de ondergrondse.'
Hij lachte en deed of hij verder las, maar ik wist zeker dat hij steeds aan mij dacht en zich moest beheersen niet de hele tijd naar me te kijken. Ik zat het daar in mijn dikke winterjas gewoon te winnen van de wereldliteratuur.
Grappig, maar ook goed gedaan. Zo'n toevoeging als 'in mijn dikke winterjas', geeft aan dat de ik (Maria Hinckelbein) er niet bepaald charmant uitzag. En toch weet ze Fjodor in te pakken.

Het jammere is dat Hoe staat het met de liefde? het vooral van momenten moet hebben. Leuke dialogen, mooie passages, interessant personage - dat klopt allemaal wel. Maar het boek als geheel overtuigt me niet. Natter moet beter kunnen.

zondag 25 maart 2012

Sjors en Sjimmie bij de baanbrekers (Zwart en wit 9)


In 1963 kon ik waarschijnlijk nog net niet lezen. Ik ben niet naar de kleuterschool gegaan, maar mijn moeder leerde mij thuis lezen uit het boekje Leer lezen in een wip. Toen ik naar de lagere school ging, las ik. Althans, zo herinner ik het me. Toen het boek Sjors en Sjimmie bij de baanbrekers uitkwam, heb ik het dan ook niet meteen gelezen.

De boeken van Sjors en Sjimmie zou ik later zien bij mijn vriendje Joekie Bil, die eigenlijk anders heette, maar volgens mij noemde ik hem altijd Joekie. Daar had men een abonnement op het weekblad Sjors en ook de dikke stripboeken las ik daar.

Nu ik het boek van Sjors en Sjimmie teruggelezen heb, is me de fraaie inkleuring, met mooie heldere kleuren, opgevallen en de strakke tekenstijl van Frans Piët. Maar Sjimmie is wel een andere Sjimmie dan die uit bijvoorbeeld 1975.

Allereerst valt het uiterlijk van Sjimmie op: hij heeft werkelijk gigantische lippen, van zijn neus tot zijn kin en zo'n beetje over heel zijn wangen. De lippen zijn felrood gekleurd. Zijn huid is niet bruin, of donker, maar egaal zwart.  In zijn oren draagt hij gouden ringen.

Het is duidelijk dat Sjimmie wordt getekend als een exoot. Waarschijnlijk is hij niet karikaturaler bedoeld dan de andere personages, maar voor ons gevoel is hij dat zeker. Dat wordt nog benadrukt door het kromme taaltje dat Sjimmie spreekt. De vervoeging van de werkwoorden beheerst Sjimmie bijvoorbeeld niet. Hij gebruikt als persoonsvorm het liefst het onvervoegde werkwoord, aan het eind van de zin. Bijvoorbeeld: 'Sjimmie vet in haar doen. Sjimmie lekker ruiken.' Of: 'Wij hetzelfde gedaan zouden hebben'. Hij is daar trouwens ook weer niet consequent in: 'Sjors groot stierenvechter is en hard lopen kan', zegt Sjimmie ergens en niet 'Sjors groot stierenvechter zijn'. Zelfs roept hij een keer geschrokken uit: 'Jacob ontsnapt!'


De kromspraak van Sjimmie benadrukt, voor mijn gevoel, in ieder geval, zijn minderwaardigheid. Misschien moet het taaltje vertedering oproepen; we moeten Sjimmie schattig vinden. Hij is ongetwijfeld sympathiek, maar altijd is Sjors de grote held, zoals Robin het nooit haalt bij Batman.

De Sjimmie van 1963 zouden we in 2012 niet meer accepteren.

Liefde in tijden van cholera (Knipoog 4)


In NRC Handelsblad van gisteren stond een artikel van Eppo König, 'Liefde in tijden van laagconjunctuur'. Het artikel verhaalt over een onderzoek van Joop de Beer van het Interdisciplinair Demografisch Instituut. Uit het onderzoek blijkt dat mensen er minder echtscheidingen zijn in tijden van recessie.

In de kop wordt geknipoogd naar het boek Liefde in tijden van cholera van Gabriel Garcia Márquez. Eerlijk gezegd heb ik het niet gelezen, zoals ik veel toppers uit de buitenlandse literatuur niet gelezen heb. Afgelopen zomer las ik Honderd jaar eenzaamheid van Márquez en vond het prachtig. Van het lezen van het choleraboek zal het wel niet komen.

Toch moest ik bij de kop van het artikel onmiddellijk aan het boek van Márquez denken. Zo moet zo'n knipoog natuurlijk ook werken: veel mensen moeten de knipoog herkennen, anders werkt het niet. Alle lezers van het boek weten natuurlijk dat er naar Márquez geknipoogd worden, maar dat geldt dus ook voor mensen zoals ik, die het boek niet gelezen hebben en op Wikipedia op moeten zoeken waarover het boek ook alweer ging.

Goed gekozen, Konig.

zaterdag 24 maart 2012

Energiecrisis in de muziek (1974)


Vanochtend luisterde ik naar de Amerikaanse Top 40 van 16 maart 1974. Voor wie dat wil: je kunt die drie uren hierhier en hier downloaden. In het eerste uur kwam ik een plaat tegen waarvan ik nog nooit gehoord had: Dickie Goodman, Energy crisis '74. 


Het is een grappige plaat, waarin zogenaamd de president van Amerika, de vice-president en sheik Faisal van Saudi Arabië geïnterviewd worden. Het antwoord is steeds een fragment van een popsong.

In Nederland kwam de oliecrisis ook terug in de Top 40: Vader Abraham zong samen met de politicus Boer Koekoek het nummer Den Uyl is in den olie naar nummer 1 in de hitlijst. In de tekst wordt gesuggereerd dat Joop den Uyl het maar moet gaan versieren bij de Arabieren als haremmeisje met een blonde pruik. Verderop in het lied duiken de bezinebonnen nog op.


Zoals gezegd, de plaat deed het goed, vooral ook doordat de plaat Alarmschijf, zodat hij elk uur gedraaid werd. Uiteindelijk leverde het Pierre Kartner en Boer Koekoek een gouden plaat op. Dat is Donner met zijn rap nooit gelukt.



Ook het gezelschap Farce Majeure probeerde tijdens het carnaval van 1974 munt te slaan uit de crisis, met het plaatje Kiele kiele Koeweit. Het leverde een kleine rel op toen het plaatje werd uitgereikt aan de consul van Koeweit, maar veel stelde dat niet voor. Het Koeweitlied was minder succesvol dan het lied over Den Uyl, maar bereikte toch de derde plaats in de Top 40.


Tijdens de oliecrisis waren er enkele autoloze zondagen. Ook hier was het weer Vader Abraham die daarop inspeelde met Autoloze zondag. Zonder resultaat, overigens. Het plaatje kwam niet eens in tipparade.

Stadsdichter (8) - Dorpsdichter

In Edese Post van gisteren wordt wethouder Evert van Milligen geïnterviewd door Jolinda van Alfen. Ik meen uit dat interview te mogen opmaken dat hij liever boeken als Gomorra en werk van Saskia Noort leest dan literatuur, al noemt hij nog wel Joost Zwagerman.

Opmerkelijk is dat hij ervan uitgaat dat ik meeding naar het stadsdichterschap. In een ver verleden wel eens een gedicht of een liedtekst gewrocht, maar toen was ik nog niet half zo oud als nu. Ik acht mij geen dichter. Maar mocht er ooit een stadscolumnist aangesteld worden, dan zal ik meteen mijn ellebogen in de flanken van mijn concurrerenten plaatsen en proberen op de voorste rij te komen.

Jolinda van Alfen stelt in het interview nog een opmerkelijke vraag: of Ede een stadsdichter of een dorpsdichter zou moeten hebben. Als je Ede binnenrijdt, rijd je onder een Stadspoort door en al meer dan vijfendertig jaar bestaat er een krant die zich Ede Stad noemt, maar blijkbaar is nog steeds niet duidelijk of Ede een stad is.

De gemiddelde inwoner van Haarlem of Hilversum zal Ede als een dorp beschouwen, wat te maken heeft met het imago van boerengat, dat misschien wel per definitie kleeft aan een plaats op de Veluwe. Diezelfde imaginaire inwoner van H. of H. heeft er waarschijnlijk ook geen flauw benul van hoeveel inwoners Ede heeft en wat er zoal te doen is.

Qua omvang moeten we Ede natuurlijk een stad noemen en ik vind ook dat de dichter die Ede vertegenwoordigt een stadsdichter moet zijn. Toch zeg ik nog steeds: 'Even naar het dorp' als ik een rondje over de markt ga maken. Dat zal niet alleen met Ede, maar ook met mij te maken hebben. Ik ben opgegroeid in een dorp dat indertijd zo'n drieduizend zielen telde. 'Dorp' staat voor mij voor iets wat dichtbij is, 'stad' schept afstand. Van 'stadsen' moest men vroeger in het dorp niet veel hebben.

Dat dorpse, dat dichtbije, heeft Ede wel, voor mijn gevoel, maar ik vind dat dat meer iets voor de binnenwacht. Tegen elkaar mogen we zeggen dat we naar het dorp gaan, als we ons begeven naar de vertrouwde plekken. Voor de buitenwacht dient Ede een stad te zijn, die de schouders recht en de kin heft. We hebben een stadsomroeper en als het aan de Edese jongerenraad ligt krijgen we ook stadsrechten. En een stadsdichter natuurlijk. Ons dorp is groot geworden.

Foto bij het interview in Edese Post

vrijdag 23 maart 2012

Stadsdichter (7) Voorselectie

Had u stadsdichter van Ede willen worden? Dat had u dan eerder aan moeten geven; nu kan het niet meer. Inschrijving gesloten. Maar liefst veertien kandidaten meldden zich bij Edese Post.

Nu is veertien voor een verkiezingsavond eigenlijk een te hoog aantal. Daarom is de kandidaten verzocht om een gedicht op te sturen. Aan de hand van dat gedicht wordt een eerste selectie gemaakt. Daarna blijven er waarschijnlijk acht kandidaten over, die met elkaar gaan strijden om de eer.

donderdag 22 maart 2012

Omkoping


Er is veel slechts in de wereld. Artsen krijgen reisjes aangeboden als ze bepaalde geneesmiddelen voorschrijven, scheidsrechters worden betaald als ze ervoor zorgen dat niet ploeg A maar ploeg B wint en politici laten zich voor karretjes spannen van allerhande lobbyisten. Je leest het in de kranten, je ziet het op tv. Het is gemakkelijk om daar verontwaardigd over te zijn en te schelden op een maatschappij die door en door rot is.

Maar onlangs kreeg ik zelf te maken met omkoping. In mijn mailbox vond ik een berichtje waarin mij gevraagd werd om reclame te maken voor een bepaalde voorstelling in Cultura. Als ik vanavond nou maar flink de zanger Alex Roeka aan zou prijzen, dan kon ik bonbons tegemoet zien, gratis kaartjes en seks met de zanger, maar eerlijk gezegd zat ik daar niet op te wachten.

U snapt dat ik mijn onafhankelijkheid niet zomaar op het spel wilde zetten, ook niet toen de prijs werd verhoogd. Ik kon zelfs kiezen uit, een cd van Jan Smit, een half staatslot, een boek van Nicci French (met handtekening van de boekhandelaar) en een avondje stappen met de jury die moet beslissen wie er stadsdichter wordt. Verontwaardigd wees ik het aanbod van de hand.

Maar in de nacht, toen de uilen riepen en de dromen maar niet wilden komen, begon ik te twijfelen. Niet vanwege de rijkdommen die ik afgewezen had. Had ik het kistje met Cubaanse sigaren, de fles korenwijn en mijn gewicht in Zeeuwse babbelaars al genoemd? Nee, ik begon te twijfelen vanwege Alex Roeka.

Het zou zomaar kunnen zijn dat niet ieder van u Alex Roeka kent en dat is zonde. Roeka is wel de Nederlandse Tom Waits genoemd. Dat klopt niet helemaal, al zitten er wel wat korreltjes schuurpapier in zijn stem. Maar als er één zanger is, die je ooit een keer gehoord moet hebben, dan is het wel Roeka.

Roeka zingt teksten waarbij je graag de gemiddelde Nederlandse liedtekst vergeet. Geen Rob de Nijs meer, geen Marco Borsato, geen Paul de Leeuw. De teksten die zij zingen verbleken bij de zindering die gaat door de teksten als Roeka zingt.

Zijn vorige programma, Beet van liefde, behelsde een liefdesgeschiedenis. Daarin zong hij het prachtige ‘Wat hou ik van die vrouw’ met regels als:

Dan zie ik hoe je lacht en naar me fonkelt met je blik.
Dan klim ik in dat volle lijf van jou.
Dan hoor ik hoe je klopt en hoe het fluistert in mijn strot,
als nooit tevoren: wat hou ik van die vrouw.

Na zo’n lied wil je alleen nog maar je geliefde naar je toe trekken, waarna je in elkaars lichaam klimt en de hoorn des overvloeds tot in het puntje uitlikt.

Maar Roeka zingt ook teksten waar je stil van wordt. Wat denk je van:

Neem dit kleine hart van mij,
het is alles wat ik heb.
Buiten wordt het langzaam stil en donker in de straat.
Laat me niet alleen.

Wat Alex Roeka ook zingt, altijd heb je heb het idee dat het over jou gaat en al zijn woorden kun je nazeggen. Daarom grijpen zijn teksten je naar de strot.

Daar moet je maar eens naar gaan luisteren en je hoeft er niet ver de deur voor uit. Volgende week vrijdag komt hij hier, in Cultura. Ik zal er zijn met mijn lief en ik hoop dat jullie er ook zijn. Vanavond is tot half tien de kassa open en bezoekers van Dante krijgen 2,50 per kaartje korting. Als je die knaak toch uit wilt geven, dan kun je die straks doen in – ik wou zeggen in de doos van Mieke, maar dat klinkt toch anders dan ik het bedoel.

Jullie kopen goedkope kaartjes en hebben volgende week een prachtige avond. Intussen sla ik me voor mijn kop dat ik toch niet die ets van Anton Heyboer heb aangenomen of het erelidmaatschap van de Heidelopers of dat kratje cola light.








En kijk ook nog even naar wat ik hier over Roeka schreef.


Stadsdichter (6)

Tot vandaag konden kandidaten voor het stadsdichterschap in Ede zich aanmelden. Zij kregen de volgende informatie thuis:


Informatie verkiezing stadsdichter: Op woensdagavond 18 april organiseert Cultura, de gemeente Ede en De Edese Post een verkiezingsavond. Het programma begint om 20.00 uur, deelnemers worden om 19.30 uur verwacht. De dichters zullen tijdens een aantal voorronden enkele gedichten voordragen. Zij ontvangen hiervoor een aantal thema’s/ opdrachten. Naast vrije gedichten kan men aan thema's als 'Ede in 2025'.
Het publiek heeft een stem in wie er de finale zal halen. Uiteindelijk bepaalt de jury de winnaar (de jury bestaat uit Gerry Poelert, directeur Cultura, Evert van Milligen, de wethouder van cultuur, Jan van Es, coördinator redactie Wegener en Julia Hofstede, Paard van Troje). 
Informatie stadsdichter Ede: De stadsdichter van Ede krijgt van de gemeente een contract aangeboden waarin een aantal afspraken worden vastgelegd. Bij een vijftal bijzondere gebeurtenissen en/of evenementen, nog nader te benoemen door de gemeente Ede, zal de stadsdichter een zelf geschreven gedicht, speciaal voor de gelegenheid, voordragen. Uitgangspunt hierbij is de poëzie dichter bij de Edenaar te brengen. De stadsdichter ontvangt hiervoor van de gemeente een vergoeding. De stadsdichter wordt benoemd voor een periode van 3 jaar.

In de eerste regel van de informatie treffen we een congruentiefout aan: 'organiseert' in plaats van 'organiseren' en verderop is waarschijnlijk het woord 'denken' weggevallen. Dat zal wel aan de tijdsdruk te wijten zijn.

Uit het tweede deel blijkt dat de stadsdichter toch door de gemeente wordt benoemd, zoals het hoort. Onlangs beweerde de afdeling voorlichting nog dat niet gemeente maar de gemeenschap de dichter zou benoemen. 

Dat er in een contract afspraken worden vastgelegd, lijkt me duidelijk, maar hier wordt het nog maar eens expliciet gemaakt. Vroeger moest je overigens bij het onderwerp 'aantal' een persoonsvorm in het enkelvoud gebruiken, maar tegenwoordig is men daar wat soepeler in, geloof ik. 

Intussen is blijkbaar duidelijk dat de stadsdichter vijf gedichten per jaar moet schrijven. De hoogte van de vergoeding staat nog steeds niet vast. De dichter die dacht gemakkelijk aan zijn centen te komen door af en toe een gedichtje van een ander voor te lezen, wordt bij voorbaat tot de orde geroepen: het moeten 'zelf geschreven gedichten' zijn. 

Goed, we zijn weer een stapje verder. Op naar de verkiezingsavond!

Hieronder nog een stadsdichter aan het woord. Die van Deventer.Bij sommige delen doet hij zelfs een halfslachtige poging tot zingen. 



dinsdag 20 maart 2012

Heldere hemel



Bij een boekenweek hoort een boekenweekgeschenk en al decennia lang is dat gelukkig een literair geschenk. Ik herinner mij de tijd nog dat Wim Kan een boekie mocht afscheiden, maar daarna waren er geschenken van (ik doe maar een greep) Remco Campert, Marga Minco, Hugo Claus, A.F.Th. van der Heijden en Cees Nooteboom. Dit jaar is het geschenk Heldere hemel van Tom Lanoye.


Lanoye ben ik meteen in de jaren tachtig gaan lezen: ik genoot van zijn scherpe stukken in Rozegeur en maneschijn waarin hij ook de grote namen aanpakte (‘Het klappen van de banden van Hugo Claus’), van de melige gedichten in Bagger, van het grappige, maar niet alleen maar grappige Alles moet weg en van het ontroerende Kartonnen dozen.

Lezen van Lanoye heb ik lang volgehouden, maar aan het eind van de jaren negentig raakte ik hem kwijt. Het goddelijke monster heb ik nog gelezen en daarna was het over. Zo gaat dat soms, ook als er niet direct een oorzaak is. Dat monsterboek vond ik knap, maar het deed me niet zoveel. Dat hoeft niet aan het boek te liggen; misschien heb ik het gewoon met te weinig aandacht gelezen. Een boekenweekgeschenk is een goede aanleiding om de lectuur van Lanoye weer op te pakken.

De titel Heldere hemel is al goed. Klinkt lekker, door die alliteratie en er klinken ook meteen twee betekenissen in mee: geen wolkje aan de lucht en als een donderslag bij heldere hemel. Misschien is dat ook wel wat Heldere hemel laat zien. Jarenlang heb je het idee dat er niets aan de hand is en ineens is dat anders en zit je midden in een onweer.

Het verhaalgegeven mag intussen bekend verondersteld worden: in 1989 stortte er een Sovjettoestel (een MiG) neer op een huis in België. Intussen was bijna iedereen dat vergeten, maar Lanoye weet ons prima terug te halen naar die tijd. Je beseft weer wat voor tijd dat was en wat er toen speelde.

Lanoye schrijft helder en hij neemt ons gemakkelijk mee de levens in van zijn personages: een piloot, hoge Navomedewerkers, een redacteur en Vera, die net heeft moeten vernemen dat haar man het aangelegd heeft met de vroegere vriendin van hun beider zoon. Juist die verhaallijn sleurt de lezer mee.

Je weet dan al wat er aan de hand is, je weet al dat het vliegtuig onderweg is, dat er van alle plannen die er gemaakt zijn niet veel terecht zal komen. Maar de personages, die het nog niet weten, leven argeloos door, druk bezig hun leven op orde te krijgen of te houden. Je vraagt je af welk vliegtuig op weg is naar jouw huis en je weet dat ook het bouwwerk van jouw leven in één klap vernield kan worden. How fragile we are.


Achter in het boek eert Lanoy de nagedachtenis van de negentienjarige Wim Delaere, die bij heet werkelijk gebeurde ongeval om het leven kwam. ‘Sommige pijnen slijten niet, al gaan er jaren overheen.’

maandag 19 maart 2012

Alex Roeka

Er zijn zangers en zangeressen die in het Nederlands zingen en die iedereen, of bijna iedereen, kent: Marco Borsato, Willeke Alberti, Rob de Nijs, Corry Konings, Vader Abraham, André Hazes, Jan Smit. Je hoeft zo'n naam maar te noemen of iemand anders in het gezelschap kan je vertellen wat hij van de betreffende zanger of zangeres vindt.

Bij sommige andere namen blijft het stil: Milou Frencken? Zijlsta? Theo Nijland? Alex Roeka? Men kijkt naar het tapijt, haalt zijn schouders op, praat verder over Ali B., Lange Frans of Gordon. Jammer.

Over sommige zangers zouden we best wat meer mogen weten. Over Alex Roeka bijvoorbeeld. Zijn vorige programma heette Beet van liefde en ik zag het in Arnhem. In dat programma kregen we de geschiedenis van een liefde, vanaf het prille begin. Mooie liederen, met ironie aan elkaar gepraat. Dat het allemaal ook nog zijn basis had in de werkelijkheid, zag je na het optreden, toen de vrouw uit de verhalen, van de liederen, van poster en de cd-hoes, meehielp bij de verkoop van de cd's.

Ik heb toen een cd gekocht en van tijd tot tijd draai ik die nog. Dan luister ik naar teksten als:
O, ook al kan het niet - zo hevig
Ook al mag het niet - zo schaamteloos
Ook al gaan we hier uiteindelijk aan kapot
Toch vreten we deze liefde helemaal op, ja
We vreten deze liefde helemaal op
Van wie gaat het bloed niet borrelen als zoiets gezongen wordt?  Of dit lied:



Ik praat Roeka maar even na:
En ik moet die vrouw nog gaan zoeken,
die zwerfkat van komen en gaan,
die er zo grimmig, gretig en hevig in geloofde
dat ze eraan kapot leek te gaan.
Ja, met haar moet ik terug naar het zuiden,
naar de zwiep van het koperen beest,
om nog één keer te weten dat er niets is veranderd
aan wat altijd al heet is geweest.
Laat me nog schreeuwen, nog één keer schreeuwen
voordat ik achterover val.
Het is zo mooi, 't is zo vuil, 't is zo hard, 't is zo zacht,
je springt erop en het gooit je eraf.
Maar laat me nog schreeuwen, nog één keer schreeuwen
voordat ik achterover val
in de modder
in de modder
in de modder van mijn graf.
Daar hoef ik verder toch niets meer over te zeggen? Dat is toch heel wat anders dan 'De meeste dromen zijn bedrog,/maar als ik wakker word naar jou dan droom ik nog' of 'Kon ik maar even bij je zijn. / Ik moet nog zoveel aan je vragen. / Wat doet het ongelofelijk veel pijn.'

Donderdag zal ik bij Dante in mijn column Alex Roeka ook noemen. Kom maar luisteren, dan krijg je 2,50 Dante-korting op een kaartje voor Roeka's optreden in Cultura op vrijdag 30 maart.

Laten we Roeka het laatste woord maar geven:




zaterdag 17 maart 2012

Pierre Dubois over Harry Mulisch in 1959

Portret bij het artikel van Dubois

In 1959 publiceerde Harry Mulisch een van zijn grote romans: Het stenen bruidsbed. Tot die tijd had hij drie romans geschreven. Zijn eerste, uit 1952, archibald strohalm (waarom moet dat toch zonder hoofdletters?) was verrassend, maar ik vrees dat het bij herlezing nauwelijks houdbaar zal blijken. De diamant (1954) was niet veel bijzonders, maar in Het zwarte licht (1957) begint Mulisch op stoom te komen en bijvoorbeeld het beiaardconcert van Maurits Akelei in dit boek is onvergetelijk.

Maar Het stenen bruidsbed, over het bombardement op Dresden, was andere koek. Hier leren we de schrijver kennen die later van zichzelf zou zeggen: 'Ik ben de oorlog'. Na 1959 was Mulisch overigens niet scheutig met romans. Het duurde meer dan tien jaar voor De verteller (1970) er was daarna duurde het vijf jaar tot Twee vrouwen (1975), waarmee er een nieuwe helderheid in het proza van Mulisch kwam. Dan weer een stilte van zeven jaar tot de klapper De aanslag gepubliceerd werd. Daarmee begon voor Mulisch, qua romans de meest productieve periode, met vijf romans in tien jaar. De andere vier zijn Hoogste tijd, De pupil, De elementen en De ontdekking van de hemel, in 1992. Dat laatste boek is Het Grote Werk van de grote schrijver, maar eigenlijk hou ik meer van Hoogste tijd. 

Terug naar 1959. Pierre Dubois besprak in Het Boek van Nu Mulisch' nieuwe roman en herkende meteen de kwaliteit van het werk:''t boeiendste boek dat hij tot nu toe heeft geschreven'. De titel van zijn recensie is zelfs: 'Roman van apocalyptische allure'. Verder noemt hij het boek:
het eerste boek van Mulisch waarin hij werkelijk een schrijver is, niet meer een talentvol litterator. Er is niet meer de wat blufferige lust om te laten zien wat hij allemaal wel kan, een volstrekt "uiterlijke" schrijflust, hoe bewonderenswaardig dat zuiver als vermogen ook kan zijn. De nieuwe roman is klaarblijkelijk geschreven, omdat Mulisch getroffen is door een ontdekking van menselijke, of als men wil onmenselijke, onlust, hopeloosheid, zinloosheid, wreedheid.
Dubois ziet dat Het stenen bruidsbed anders is dan de vorige boeken van Harry Mulisch, die hij nu beschouwt als vingeroefeningen, meer voortgekomen uit besef dan uit ervaring. Verder vertelt Dubois ons dat Mulisch in 1956 naar Oost-Duitsland is geweest, naar Dresden. Dat ligt misschien voor de hand en het kan zijn dat het algemeen bekend is, maar ik wist het niet.

Het bombardement op Rotterdam, schrijft Dubois, 'zo evident barbaars', maakte ons normgevoel niet tot een absurditeit, maar bevestigde het. Dat was anders bij het bombardement op Dresden, waar mensen die aan 'onze' kant stonden een bombardement aangingen dat je misschien ook wel kunt zien als 'pure wraak of loutere moordlust'.
Dat betekent dat het morele waardebesef in die tijd wel degelijk was aangetast en dat het persoonlijke morele normgevoel inderdaad een absurditeit werd. En het gevolg daarvan kon dus ook wezen dat het individuele geweten van oorlogvoerenden bekneld raakte, dat zij ieder op zich geconfronteerd konden worden met de vraag naar hun persoonlijke verantwoordelijkheid voor hun oorlogsdaden. 
Daarna gaat Dubois dieper in op de inhoud van Het stenen bruidsbed. Hij haalt er mooie dingen uit, maar die laat ik even zitten. Ik stap over naar het eindoordeel:
Het boek is niet in alle opzichten geslaagd. Het weefsel ervan is niet overal even hecht en niet overal is het verhaal even fascinerend. Maar dat neemt niet weg dat het geheel toch de indruk nalaat van een opmerkelijk sterk boek, een roman die ons iets "doet" en die, afgezien van particuliere -en nogal aanvechtbare- visies zoals de theorie van historie en anti-historie, soms korte maar penetrante bespiegelingen en observaties bevat (over liefde en huwelijk bv.), welke het scherp en verrassend markeren.
Dat het geen "katharsis" geeft, is in dit geval nogal aannemelijk en men voelt er ook de behoefte niet zo aan, al vormt de brandende auto aan het slot meer een symbolisch afgerond dan een werkelijk bevredigend einde.
Het valt me op dat je in 1959 'penetrante' nog in de betekenis van 'doordringende' of 'scherpe' kon gebruiken, zonder dat dat een oordeel inhield. Misschien vergis ik me, maar ik heb het idee dat we tegenwoordig 'een penetrante geur' of 'een penetrant geluid' vooral onaangenaam vinden.

Verder wil ik even mijn vinger leggen bij die katharsis. Dubois schrijft dat hij die niet mist, maar blijkbaar vindt hij toch dat hij zo'n katharsis even moet noemen. Kennelijk verwachtten lezers zoiets. De zinloosheid van het oorlogsgeweld zou dan toch nog tot iets goeds moeten leiden, al is het maar binnen het personage Norman Corinth. De gemak gunt Mulisch ons gelukkig niet.

vrijdag 16 maart 2012

Stadsdichter (5) - Jury

Intussen is de complete jury bekend. Daarin hebben zitting:
  • Evert van Milligen (wethouder cultuur)
  • Jan van Es (Coördinator redacties bij Wegener)
  • Gerry Poelert (Cultura)
  • Julia Hofstede (Het Paard van Troje)
Jolinda van Alfen (Edese Post) is op de verkiezingsavond presentatrice. 

Hoeveel opdrachten de dichters krijgen, is nog niet bekend. Tot volgende week woensdag kunnen de dichters zich opgeven. Dan weet de organisatie hoeveel kandidaten er zijn en dan kan berekend worden hoeveel tijd er voor elke dichter is en hoeveel voorronden er zullen zijn. 

Kan het zijn dat bij een 'battle' (ik krijg het woord bijna niet over mijn toetsenbord) een goede dichter, die nog warm moet draaien in de wedstrijd, meteen wordt uitgeschakeld door een dichter die al goed op dreef is? Daar is aan gedacht, volgens een medewerker van de Edese Post.  Wat eraan gedaan wordt, is mij nog niet bekend. 



donderdag 15 maart 2012

Afspraak in Nieuwpoort



De Eerste Wereldoorlog heet nog steeds de Grote Oorlog. Aangezien die oorlog aan Nederland voorbijging, leeft die veel minder dan de Tweede. Maar in België is er nog veel over die Eerste oorlog te vinden. Niet alleen de graven, de loopgraven, de musea, maar ook boeken. Tom Lanoye heeft bijvoorbeeld een prachtige uitgave verzorgd van de gedichten van de zogeheten War Poets, Niemands land.

Er zijn ook strips over de Eerste Wereldoorlog. De bekendste auteur is Tardi die boeken maakte als Loopgravenoorlog en De grote slachting. Sinds kort is er ook Afspraak in Nieuwpoort van Ivan Petrus Adriaenssens. 


Adriaenssens heeft een wat naïeve manier van tekenen. Soms zijn de bewegingen van de personen wat houterig en hij is ook niet al te subtiel in het weergeven van gezichtsuitdrukkingen. Maar de inkleuring van zijn tekeningen (grijzen, sepia, enkele accenten in rood en geel) is fraai en het verhaal dat hij te vertellen heeft, is indrukwekkend.

Drie militairen, een Fransman, een Engelsman en een Belg ontmoeten elkaar in de Eerste Wereldoorlog en spreken af dat ze elkaar tien jaar later (op 11 januari 1024) zullen ontmoeten in Nieuwpoort. Een van hen ontmoet een vierde (ook een Engelsman) en maakt met hem dezelfde afspraak.

De drie personen (Jean-Marie Philippe de Blick, T.E. Hulme en Raoul Snoeck) hebben echt bestaan en Adriaenssens heeft hun leven al tekenend en vertellende gereconstrueerd. Dat ze elkaar ontmoet zouden hebben en een afspraak zouden hebben gemaakt, is fictie. De auteur verantwoordt zich overigens keurig.

Geen van de drie overleeft de oorlog en de vierde, George Sheldon, staat dus alleen in Nieuwpoort in 1924. Elke tien jaar zal hij terugkomen om de drie gevallenen te herdenken.

Het is een mooie daad van Adriaenssens om drie mensen die anders wellicht vergeten zouden worden, op deze manier voort te laten leven. Als lezer moet je wel met hen meeleven en ook met de George Sheldon, die hen gedenkt. Zo gedenk je tijdens het lezen (en daarna) al die slachtoffers, waarvan dit er slechts drie zijn. Afspraak in Nieuwpoort laat ons zien dat het niet gaat om de grote getallen, maar om duizenden keren een individu. Indrukwekkend boek.



woensdag 14 maart 2012

Stadsdichter (4)

Een halve week geleden mopperde ik dat de gemeente zweeg over het stadsdichterschap. Dat bleek niet terecht, want achter de schermen gebeurde er wel wat en intussen is er nieuws. Edese Post vertelt ons dat er op 18 april een verkiezingsavond is en dan wordt er gestreden om de titel Stadsdichter van Ede. Het publiek bepaalt welke dichters naar de finale gaan en in die finale heeft een jury het voor het zeggen.

Navraag bij de gemeente leert dat de jury zal bestaan uit Evert van Milligen, de wethouder dus, Jolinda van Alfen van Edese Post, (waarschijnlijk) Gerry Poelert van Cultura en een vierde persoon, een burger, die nog benaderd moet worden. Waarom juist deze personen deskundig worden geacht op het gebied van poëzie, weet ik niet. Laten we maar aannemen dat het enthousiaste poëzielezers zijn.

Veel is nog onduidelijk. Volgens de woordvoerder van de gemeente is er geen taakomschrijving voor de stadsdichter. Ook zijn beloning staat nog niet vast. In de gemeenteraadsvergadering werd een bedrag van vijfduizend euro genoemd, maar dat wordt het waarschijnlijk niet. Het zou honderdvijftig euro per gedicht kunnen zijn, wat bij vijf gedichten per jaar € 750,- zou zijn. Of er daarnaast nog een budget is, voor bijvoorbeeld het drukken van posters, banners, deurhangers, een bundel? De gemeente heeft er geen besluit over genomen.

Waarom is er nog zoveel onzeker? Waarom heeft de gemeente nog niet vastgelegd of het vier of vijf gedichten per jaar moeten worden? Waarom is er wel over een bedrag gesproken, maar is er nog geen besluit genomen? Mijn indruk is dat de gemeente nauwelijks nagedacht heeft over het stadsdichterschap.

Drie medewerkers van de gemeente bevestigden mijn vermoeden dat Edese Post bij de verkiezing van de stadsdichter het initiatief heeft gehad en dat de gemeente slechts 'aangehaakt' heeft. Het is mooi dat de plaatselijke krant het onderwerp zo belangrijk vindt dat die er actief mee aan de gang is gegaan, maar het lijkt me dat de gemeente de boel wel erg gemakkelijk uit handen heeft gegeven. In een gemeenteraadsvergadering heeft de wethouder verklaard dat hij aan de gang zou gaan met het stadsdichterschap. Politiek gezien lijkt me de wethouder dus verantwoordelijk.  Ik nam dan ook aan dat de stadsdichter door de gemeente benoemd zou worden, maar dat zag ik verkeerd. De stadsdichter wordt benoemd door de gemeenschap, kreeg ik te horen.

De dichters die zich aanmelden, krijgen een opdracht en moeten een gedicht (of meer gedichten?) voordragen, of in het tv-jargon van de krant: ze moeten gaan 'battlen' en het publiek beslist. Hoe dat uitpakt, zullen we zien en misschien maak ik mij voor niets ongerust, maar ik vraag mij af of dat nu de juiste weg is. Natuurlijk is het mooi als een stadsdichter zijn gedicht kan voordragen, maar als dat het belangrijkste criterium wordt, is het goed mogelijk dat verscheidene goede dichters de finale niet halen.

De stadsdichter wordt benoemd voor drie jaar, wat langer is dan gebruikelijk. In bijna alle steden is de termijn op twee jaar gesteld, al zijn er ook voorbeelden van steden waarbij dichters langer dan twee jaar aanblijven. In Amstelveen bijvoorbeeld. Deze dichter was overigens wel door de gemeenteraad benoemd.

Laat het duidelijk zijn: ik ben heel blij dat Ede eindelijk een stadsdichter krijgt. Het werd ook wel tijd. Alle begin is moeilijk en wellicht is het ook wel begrijpelijk als er bij het breien aan het stadsdichterschap hier en daar een steek valt. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de gemeente in dezen actiever had kunnen zijn en sommige zaken beter had kunnen doordenken.

Nog even over mijn vorige bijdrage: daar stelde ik dat een gesprek tussen de gemeente en een medewerker van de krant niet door kon gaan, vanwege diarree of een ander lichamelijk ongemak van de krantenmedewerker. Dat blijkt niet te kloppen. De medewerker van de gemeente was degene die diarree had. Of een ander lichamelijk ongemak.

Hieronder twee stadsdichters aan het werk: Ingmar Heytze uit Utrecht en Sylvia Hubers uit Haarlem (die overigens ook voor drie jaar is benoemd). Vorig jaar was er sprake van dat in Haarlem bezuinigd zou worden op de stadsdichter, maar daar waren verschillende politieke partijen tegen.

Binnen enkele maanden vinden we waarschijnlijk ook filmpjes van de Edese stadsdichter op YouTube en ik neem aan dat de gemeente ook een website voor de stadsdichter opent. Ik wrijf mij al in de handen.







zaterdag 10 maart 2012

Stadsdichter (3)

In november leek het erop dat Ede toch echt een stadsdichter zou krijgen: verschillende raadsfracties vonden het een goed idee, de wethouder zei dat hij ermee aan de slag zou gaan. Intussen lijkt iedereen weer ingedommeld.

Wel kreeg Wageningen een stadsdichter: Laurens van der Zee. Hij versloeg vier andere kandidaten (Arie de Groot, Wijnand Klaver, Remco Zijlstra en Kees van Vlastuin). De jury bestond uit een wethouder, iemand die schrijver/dichter genoemd wordt, een boekhandelaar en iemand van Uit in Wageningen. Of het publiek tegen een flink bedrag sms'jes kon sturen, is mij niet bekend.

In Ede gebeurt er niets. Over een procedure is nog niets bekend. Er zou over gepraat worden door twee politici (Wout Schotsman van de PvdA en Peter de Pater van Gemeentebelangen), door Victor Vroomkoning (ooit stadsdichter van Nijmegen, die ooit de Karel de Grote-penning kreeg voor zijn vele verdiensten) en ondergetekende. Ondanks verschillende mailtjes is daar niets van gekomen.

En van officiële zijde? Heeft de wethouder een voorstel? Heeft hij een commissie aan het werk gesteld? Heeft hij misschien zelfs ideeën? Mij is het niet bekend. Maar mij ontgaat wel meer van het Edese sinds ik in Doorwerth woon.

Wel is er sprake geweest van een afspraak van de Edese Post met de wethouder. Die afspraak ging niet door vanwege diarree of enig ander lichamelijk ongemak van de krantenmedewerker. Dat gesprek zou gaan over een verkiezing van een stadsdichter, waarbij wellicht ook Cultura zou participeren.

Mij lijkt het allemaal heel vreemd. Edese Post is een gerespecteerd medium, maar ik neem aan dat de gemeente toch niet de benoeming van een stadsdichter uit handen geeft aan een krant. Een beetje officieel en een beetje deskundig zou het toch wel mogen worden? Voor je het weet, staan er vijf dichters op een podium hun kunstje te vertonen. Het publiek blijkt dan het meest enthousiast over de dichter die op zijn handen kan lopen en tegelijk kan zingen ('I'm a poet and I know it!').

Heeft de wethouder al gedacht over de taken van de toekomstige stadsdichter? Over zijn missie? Zijn beloning? (Voor het gemak schrijf ik steeds 'zijn', maar u snapt dat het mij niet uitmaakt of het een mannelijke of een vrouwelijke stadsdichter wordt).

Wethouder, gebeurt er nog wat? Moeten we eerst een poëziemars door Ede organiseren? Moet de plakploeg op een nacht overal posters met gedichten gaan verspreiden? Moeten we onze stadsomroeper omkopen en hem elke zaterdag op de markt gedichten laten rondtoeteren? Of zullen we de wethouder elke nacht uit zijn bed bellen? Als hij opneemt, lezen we een gedicht voor. Dan is er tenminste nog iemand die wakker ligt van het stadsdichterschap.



Intussen zochten of vonden Kila en Babsie de publiciteit al. Bij Omroep Gelderland mochten ze zich nadrukkelijk presenteren en dus kandideren. Ook andere dichters zouden zich al aangemeld hebben. De gemeente zwijgt...

vrijdag 9 maart 2012

Piano in popmuziek

Af en toe beluister ik The Official Chart van de BBC, zodat ik ook een beetje op de hoogte blijf van de hedendaagse commerciële popmuziek. Gemiddeld genomen vind ik de hedendaagse popmuziek eigenlijk wel prettig om naar te luisteren.

Toen ik het lijstje van afgelopen week eens naging, viel me op dat in minder dan een kwart van de gevallen een piano te horen is. Nu is er natuurlijk altijd wel popmuziek met piano te horen geweest. Van Randy Newman tot Gilbert O'Sullivan en van Elton John tot Vanessa Carlton.

Maar zouden er, bijvoorbeeld in de jaren tachtig ook zoveel nummers in een top 40 hebben gestaan waarin de piano werd bespeeld? Geen idee, eigenlijk. Misschien lette ik er toen niet zo op. Nu ik even nadenk schieten mij allerlei titels te binnen. Van Heaven can wait van Meatloaf, She's always a woman to me van Billy Joel, Diary van Alicia Keys, Winter van Tori Amos, Wuthering Heights van Kate Bush, Come away with me van Norah Jones, Washing of the water van Peter Gabriel.

Misschien is het wel van alle tijden, maar nu viel het me op. Een paar recente voorbeelden:

Afgelopen week op nr. 39

nr. 31

 nr. 3

En verder bijvoorbeeld Demi Lovato, Flo Rida, Ed Sheeran, Lana del Rey. Als de piano al weg is geweest, is hij  in ieder geval weer terug.

Dromen van Schalkwijk



Ach, de muziek uit onze jeugd! Hoe kunnen we daarbij zwijmelen! Zelf struin ik ook graag rond op een site waar muziek uit de jaren zestig, zeventig, tachtig te beluisteren is. Wie Dromen van Schalkwijk van Victor Schiferli leest, kan niet om de muziek uit de jaren tachtig heen.

In de eerste plaats omdat die muziek in het boek voorkomt. De hoofdpersoon, Felix Swammerdam is als middelbare scholier zo'n beetje manager van een tegendraads bandje, New Dark Age. Hij praat met de leden van die band en vooral met frontman David, geregeld over muziek. Verder verwijzen alle hoofdstuktitels naar popsongs, is het boek verdeeld in 'Kant 1' en 'Kant 2', als ware het een elpee of een cassettebandje en lezen we achter in het boek dat we via Spotify naar muziek kunnen luisteren die bij het boek past.

Toch is Dromen van Schalkwijk niet een boek geworden dat druipt van het jeugdsentiment. Felix Swammerdam zou best een jonge uitvoering van Schiferli kunnen zijn, maar dat hoeft niet. Bovendien heeft de schrijver aardig wat ironie tot zijn beschikking, die ervoor zorgt dat het boek zeker niet week wordt: 'Ik vroeg me vaak af of het heelal zelf ook een omtrek had, of er ergens een eind kwam aan al dat zwart. En als er een einde aan het universum was: of er nog meer universums waren of dat het dan gewoon ophield. Kortom, ik was iemand die nog wel eens tegen een lantaarnpaal aan liep.'

Met zo'n laatste zinnetje houdt Schiferli het licht en door het hele boek zijn er van die zinnetjes die met een scheve glimlach verteld worden. Dat leest aangenaam.

Dromen van Schalkwijk is een zorgvuldig geschreven boek, aangenaam van toon, dat goed het beeld van de eerste helft van de jaren tachtig weet op te roepen. Het boek is niet wereldschokkend, maar dat is niet erg. In zijn soort is het goed. Wel ben ik benieuwd naar wat Schiferli nog meer in zijn mars heeft.


Hieronder Joni Mitchell en Tom Waits, die beiden goed waren voor een hoofdstuktitel in Dromen van Schalkwijk. 


dinsdag 6 maart 2012

Snijderseiland


Een wolk
Eind maart, er wordt hard gewerkt
aan mooi weer, een hogedrukgebied bij Azoren
breidt men uit naar het noorden.
Er kan van alles gebeuren en het gebeurt.
Een sprekend hoofd waslijst de namen
van op- dan wel afgeblazen festijnen.
Niet te stoppen processen voltrekken zich
links en rechts in de wereld, men kan er de vinger
op leggen en niemand weet wat ze brengen,
voor wie en wanneer.
Zelfs de kat die hier woont is onrustig, volgt me
voortdurend, ik zet hem buiten.
Een wolk schudt zich uit als een drijfnatte hond.
Kinderen worden naar binnen geroepen.
Het rommelt al in de verte.
Dit is een gedicht uit Snijderseiland, de vijfde bundel van Juliën Holtrigter. Het is niet eens een opmerkelijk gedicht, maar ook bescheiden gedichten kunnen goed zijn.

Dat er gewerkt wordt aan mooi weer, is wel bijzonder. 'Men' is druk bezig om het voor elkaar te krijgen. Zo schrijft Holtrigter vaker over de dingen, die we gewoonlijk ervaren alsof ze vanzelf gaan. Het wordt donker en het wordt weer licht, de tijd verstrijkt. Maar niet bij Holtrigter. Daar is het duister 'voertuig naar ochtend en uitzicht', en over de tijd schrijft hij: 'De tijd is waarlijk een genie. / Spelenderwijs schept hij grootse creaties.' Over het leven: 'Knap van het leven dat je niet weet waar het / heen gaat.'

Ook houdt Holtrigter ervan om de omgeving te bezielen: 'De knie overlegt met de andere knie'; 'Oude luchten besluipen mijn neus'; 'een vlindernet slaapt'.

'Er kan van alles gebeuren en het gebeurt'. Een zin vol verwachting, en die verwachting wordt al voor een deel tijdens de zin ingelost. Nu gebeurt het al en er kan nog veel meer gebeuren. Door dat hogedrukgebied heb je het idee dat het boven je hoofd gebeurt. Daar werkt men aan het mooie weer. In de gedichten van Holtrigter wordt trouwens vaak naar boven geblikt. Veel luchten, al dan niet met sterren. Eigenlijk hangt het hele universum boven zijn gedichten.

Die op- en afgeblazen festijnen zijn misschien op het randje. Is het flauw? Misschien wel, maar toch ook wel grappig. Zoals meer zinnen van Holtrigter grappig zijn: 'terwijl je botten / ontkalken, verkalken je aderen' en 'Hij had zich buitengesloten om in te breken' en ook: 'Op afstand het meest nabije!'

In de derde strofe merk je dat het leven zijn gang gaat, dat er van alles gebeurt en dat je er eigenlijk geen invloed op hebt. De kleine mens in het grote heelal. Om hem heen voltrekt zich het leven en hij kan er niets aan doen. Niet dat dat erg is: 'Ik blaas mijn laatste rook naar omhoog / en ga slapen.'

De kat is onrustig. Er staan immers dingen op stapel, al weten we dan ook niet welke. Zo'n kat brengt maar onrust, dus je zet hem buiten. In de laatste strofe begint het te regenen. Een mooi beeld, zo'n wolk die zich als een natte hond uitschudt. Het zou me niet verbazen als de kat in de vorige strofe de hond in deze strofe heeft opgeroepen. Holtrigter houdt van associaties en in veel gedichten kun je de weg van zijn gedachten volgen. Mooie overstapjes, kleine sprongetjes. Als er een tongriem wordt genoemd, staat er in de zin erna 'snoer hem de mond'. Van de riem naar het snoer is het maar een klein stapje...

Aan het eind van het gedicht, als het begint te regenen, zijn we ook weer bij het begint, waar hard gewerkt is aan mooi weer, maar waar 'men' het niet voor elkaar gekregen heeft. Tenminste als je regen lelijk weer vindt. 'Het rommelt al in de verte'. Nog steeds de verwachting, maar intussen is dat ook een dreiging. Het is inderdaad tijd om de kinderen binnen te roepen.

'Een wolk' is een eenvoudig gedicht, maar door de verwachting en de dreiging blijft er iets broeien, is er iets aan het rommelen, dat doorgaat als je het gedicht uit hebt. De gedichten doen zich voor als bescheiden, maar intussen weten ze precies wat we ze willen.

Ze zetten deuren open naar de nacht, naar de hemel, naar de kosmos. Ze laten een wind door ons hoofd waaien, duwen ons gezicht in de gewenste kijkrichting, knijpen ons in de arm. En troosten ons in onze nietigheid, in het eventjes dat wij hier zijn:
wij kwamen van ver, waren er even,
reflecteerden het schitterend licht
en verdampten alweer.
Of, aardser:
Wat gaat er boven de zwijgzame warmte van
armen die benen omhelzen, van billen die handen
verwarmen?
Niets, denk ik.

zondag 4 maart 2012

Pierre Dubois over Marnix Gijsen en Hugo Claus in 1958

Illustratie bij het artikel van Dubois
Al eerder en nog eerder schreef ik over het tijdschrift Het boek van nu, waarin in 1957 en 1958 boeken van Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans werden besproken. De recensent, Pierre H. Dubois, herkende het talent van de jonge schrijvers en verdedigde het.

In 1958 besprak hij ook de verhalenbundel De zwarte keizer, van Hugo Claus. In hetzelfde stuk waarin hij Mijn vriend, de moordenaar van Marnix Gijsen bespreekt. Het is wel heel lang geleden dat ik iets van Gijsen heb gelezen. Ik herinner mij dat ik indertijd, als vrij jonge lezer nog wel onder de indruk was van de verhalenbundel De diaspora en verder heb ik natuurlijk Klaaglied om Agnes en het boekenweekgeschenkje Overkomst dringend gewenst, dat ik minder geslaagd vond. Van Mijn vriend, de moordenaar had ik zelfs nog nooit gehoord.

Dubois typeert Gijsen als een moralist en als een romancier die ook iets van essayist in zich meedraagt. Over de verhalenbundel schrijft hij: 'Het boek bestaat uit een vijftal verhalen die uitstekend zijn geschreven en die een boeiend geheel vormen.'

Langs de verschillende verhalen doorwandelt Dubois Mijn vriend, de moordenaar. Hij eindigt met:
'Het merkwaardigst is misschien bij hem nog de paradoxale vermenging van een buitengewoon grote pudeur, een krampachtige verlegenheid met de behoefte aan een volstrekte openhartigheid. Het laatste wordt onder invloed van het eerste vrijwel nooit in werkelijkheid, slechts in schijn bereikt. Niet omdat Gijsen niet durft, maar omdat hij daartoe belet wordt door een eindeloos subtiel en geraffineerd besef van betrekkelijkheid. Zijn lezers behoeven dat niet te betreuren, zij danken er een proza aan vol van fijn genuanceerde geestelijke schakeringen. En waarom zou de grootste eerlijkheid van een zo tot zelfbespiegeling geneigd temperament niet de zuivere nuance zijn..'
 Een lovende recensie dus; Gijsen zal op zijn minst geglimlacht hebben. Hij was toen bijna zestig en had al in 1951 het boek geschreven dat zijn bekendste werk zou blijven: Klaaglied om Agnes. Mijn indruk is dat in de jaren zestig de jonge schrijvers hem snel voorbijgesneld zijn en hem ver achter zich hebben gelaten.

Dubois zal Hugo Claus in hetzelfde stuk besproken hebben, omdat hij nu eenmaal ook een Vlaming is en ook een verhalenbundel heeft geschreven. Van De zwarte keizer herinner ik me alleen het titelverhaal en ik vermoed dat ik de andere verhalen nooit gelezen heb.

In 1958 was Claus al geen onbekende schrijver meer. Hij de Oostakkerse gedichten al gepubliceerd, Een bruid in de morgen al en De metsiers, De hondsdagen en Een koele minaar. Allemaal boeken die ooit gelezen heb.

Dubois plaatst Claus tegenover Gijsen, al signaleert hij dat bij Claus de eerlijkheid ook door pudeur wordt geremd.
'De verhalen, die hij in de bundel "De Zwarte Keizer" heeft verzameld en die een periode van ongeveer tien jaar bestrijken, zijn in de gebruikelijke zin van het woord juist bijzonder openhartig. Hij schijnt geenszins geremd door bepaalde crue schilderingen en over de sexualiteit schrijft hij onomwonden. Maar men zou zich, dunkt mij, ernstig vergissen, wanneer men hem op grond daarvan een gebrek aan subtiliteit zou verwijten. De pudeur bij Claus zit elders: het is de schaamte over gevoelsuitstortingen, waarvan de openbaarmaking hem veel kwetsbaarder zou maken dan de man-en-paard noemende beschrijvingen in sommige van zijn verhalen.'
Gijsen duikt in zijn personages en probeert ze te duiden. Claus doet dat niet, hij blijft aan de buitenkant en beschrijft hoe ze zich gedragen. Dubois:
'Maar zijn subtiliteit is hier bepaald niet geringer dan bij Marnix Gijsen. Waar Gijsen zich in psychologische analyses verdiept en die uiterst nauwkeurig weet uit te drukken geeft Claus de weerspiegeling daarvan in de plastiek van zijn verhalen. Hij is in dat opzicht veel wezenlijker een dichter dan Gijsen, zonder ook maar enigszins te vervallen in lyrische pathetiek.' 
Dubois noemt Claus ook nog 'een verteller van een meesterlijke begaafdheid'. Hij vergelijkt hem nog een keertje met Gijsen:
'De verbeeldingskracht van het proza van Claus is op zijn beste ogenblikken buitengewoon sterk en bereikt dan een niveau dat aan Gijsen niet is voorbehouden. Maar ze komen zeldzamer voor, terwijl Gijsen zich vrijwel altijd gelijk blijft en ook waar zijn boeken niet gelijk in waarde zijn een proza schrijft van grote zuiverheid.'
Claus zou uitgroeien tot een gigant in zijn generatie, die zowel in zijn gedichten als zijn toneelstukken als zijn verhalen en romans de absolute top bereikte. Een jaar of tien geleden was hij eigenlijk de enige in het Nederlandse taalgebied die in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor literatuur. Hij heeft hem nooit gekregen, al gaat het verhaal dat de uitgeverij in een bepaald jaar er zo zeker van was dat de Grote Prijs toegekend zou worden aan Claus dat de kaartjes voor de receptie al gedrukt waren. Op dit moment lijkt me Nooteboom de Nederlandse hoop.

In ieder geval werd het talent van Claus aan het eind van de jaren vijftig onderkend door Dubois. Er wordt nog wel eens beweerd dat bij het begin van de de carrière van Mulisch, Hermans, Claus, Reve en Wolkers de gevestigde literatuur zeer geschokt was. Daar is bij Dubois niets van te merken.

Hugo Claus in 1958

De laatste patiënt




Soms heb ik vreemde gedachten. Zo dacht ik dat De laatste patiënt van Mirjam van der Vegt misschien wel een goed boek zou zijn. In het Nederlands Dagblad noemde Marion Woertink het boek 'een roman met lef' . Van der Vegt heeft dus lef. 'En echt niet alleen omdat ze haar hoofdpersoon Ava naakt laat poseren voor de oude Aron.'

Een rare zin. Waarom zou er lef voor nodig zijn als je een model naakt laat poseren voor een schilder? Bovendien blijkt Van der Vegt nogal preuts. Vanuit de schilder schrijft ze: 'Hij keek hoe ze zich zonder schroom uitkleedde.' Als Ava wat naakten bekijkt, staat ze 'oog in oog met een vrouw met wulpse rondingen. Zonder gêne toonde ze haar achterwerk en keek met een open blik over haar schouder.' Als er gedanst wordt: 'Een donkere vrouw voor me deinde met haar heupen schaamteloos heen en weer.'

Het zijn maar drie voorbeelden, er zijn er meer te noemen: zonder schroom, zonder gêne, schaamteloos. Blijkbaar moet die schaamteloosheid genoemd worden omdat de schrijfster wel schroom ervaart of die op zijn minst bij haar lezers vermoedt. Dat is Van der Vegt overigens niet te verwijten, maar het maakt de zin van Woertink wel heel vreemd.

In het stukje Stijl heb ik uitgelegd dat het van onmacht getuigt als de schrijver bij dialogen te veel uit moet leggen hoe iets gezegd wordt. Bij Hermsen viel ik al over 'riep uit' en 'zei'. Van der Vegt maakt het nog heel wat bonter.  Een bloemlezinkje: ‘schamperde ik’, ‘was hij direct’, 'was ik direct', ‘voegde hij er enigszins spottend aan toe’, ‘durfde ik’, ‘gaf ik toe’, ‘daagde ik hem uit’, ‘probeerde ik’. En veel, veel meer.


Dat  doet onmachtig aan, maar misschien komt het doordat Van der Vegt zichzelf onderschat. Vermoedt ze dat ze zonder die toevoegingen het verhaal niet kan overbrengen op de lezer? Of onderschat ze de lezer? Ik gok op dat laatste. Zo vindt Van der Vegt ook dat er dingen herhaald moeten worden, blijkbaar omdat de lezer het anders niet oppikt. Ze begint met een motto dat ontleend is aan een lied van Stef Bos over de vrouw van Lot, die omkeek. Aron (een bejaarde neuroloog) schilderde zijn vrouw Japke terwijl ze omkeek en zelfs bij zijn begrafenis komt dat omkijken nog ter sprake. Tussendoor zijn er nog veel meer verwijzingen, zodat je als lezer al begint te zuchten als Van der Vegt weer eens over de vrouw van Lot of over omkijken/vooruitkijken begint.


Ava lijkt op Arons vrouw Japke of in ieder geval moet Aron aan Japke denken als hij Ava ziet. Ik heb er geen streepjes bij gezet, maar hoe vaak zou dat in het boek voorkomen? Vijf keer? Tien keer? Vaak, in ieder geval. 


Misschien vind ik het uitleggerige, het expliciete, nog storender dan de onmachtige stijl. Bijzonder ernstig is het bij een droom die de auteur construeert aan het einde van het boek. Daarin wordt alles nog eens uitgelegd wat de lezer al lang weet, omdat het allemaal al een keer uitgelegd is: Ava heeft haar kind verloren, maar ze klampt zich zo vast aan haar rouw, dat ze verwijderd raakt van haar man Erick. Dat weten we. Dat weten we heel goed. En dan hoeven we niet meer te lezen over Erick die in het water ligt en Ava die hem een touw toe moet gooien, maar alleen aandacht heeft voor een kind. 


Van der Vegt werkt bij de EO en je verwacht dan een uitgesproken christelijk boek. Dat is De laatste patiënt uiteindelijk ook wel, maar het aardige is dat de ik-figuur, Ava, aanvankelijk met dat geloof niet zoveel opheeft. Dat voorkomt dat het een al te wee boek wordt. Ava komt in contact met Aurelie en Rubin, die door het geloof de moeilijkheden in hun leven overwonnen hebben en vanaf dan wordt het boek expliciet christelijk. Dat is overigens geen enkel bezwaar, maar wel dat de schrijfster het allemaal moet benoemen.

Nog even terug naar de stijl, waar Van der Vegt merkbaar mee geworsteld heeft. Als ze het over een gouden ring heeft, wil ze niet elke keer het woord 'ring' gebruiken. Daarom gebruikt ze drie zinnen later: 'dat kleine stukje goud' en nog weer drie zinnen verder: 'mijn bewijs van trouw'. Het is bijna aandoenlijk. 


Ook denkt Van der Vegt dat gewone woorden niet volstaan. Een paar keer in de roman moet iemand aanbellen. Dan wordt er niet op de bel gedrukt, maar dan beroeren vingers de bel. Er is zelfs een koperen bel, die je maar hoeft te beroeren of hij doet het al. Soms beroeren handen een deurknop. Twee handen? Ja, blijkbaar. En als er piano wordt gespeeld, worden de toetsen natuurlijk beroerd.


Clichés zijn er genoeg in De laatste patiënt. Als iemand moet glimlachen, glijdt er een glimlach over zijn gezicht of kan hij een glimlach niet onderdrukken. Aron proeft Ava's naam op zijn lippen en als je wijn drinkt heet dat - u raadt het al - 'onder het genot van een goed glas wijn'.


Soms is het taalgebruik onbedoeld nogal grappig. Er valt een glas wijn om. 'De wijn verspreidde zich als een vlek over de tafel.' Een vergelijking is bedoeld om een beeld krachtiger te maken, maar hier slaat de beeldspraak alles dood. 


Als Ava gaat dansen, gaat dat in het begin niet zo denderend. 'Als twee houten drenkelingen stonden we tegenover elkaar.' Natuurlijk snap ik wel dat Mirjam van der Vegt wil vertellen dat de bewegingen nogal houterig waren en dat de twee danspartners zich nogal verloren voelen, maar 'houten' is net iets anders dan 'houterige'. Volgens mij hebben houten drenkelingen het niet zo moeilijk: die blijven wel drijven.


Nog eentje dan: 'De wanhoop [...] hing als een tastbaar spook voor de ingang'. De wanhoop is zo duidelijk dat die bijna tastbaar is. Dat is niet origineel, maar het klopt nog. Dan wordt de wanhoop ook nog vergeleken met een spook en dan gaat het mis, omdat een spook juist niet tastbaar. Net als bij de drenkeling gaat het fout bij het door elkaar husselen van de beelden. 


De stijl van Van der Vegt is belabberd en het boek is slecht geredigeerd. Natuurlijk ontgaat ook de beste redacteur wel eens wat. Hij kan 'antieken dressoir' overzien of  'windkracht 4 op de schaal van Richter' en gevallen als 'de auto kwam de straat inrijden' en 'voor ze de winkel instapte' (de werkwoorden zijn 'rijden' en 'stappen', niet 'inrijden' en 'ínstappen'). 


Het is niet leuk, als er duidelijke fouten blijven staan, maar het is bijna onvermijdelijk. Maar een kritische redacteur had de auteur waarschijnlijk de opdracht gegeven om nog maar eens goed aan de stijl te schaven, om herhalingen te schrappen, overbodige uitleg te verwijderen. Dat is allemaal niet gebeurd en dat is jammer.


De laatste patiënt had het namelijk wel in zich om een aardig boek te worden en het leest ook helemaal niet vervelend. Het zou mij niet verbazen als Van der Vegt veel meer kan dan ze in dit boek laat zien. Hopelijk gaan we dat ooit nog merken. 


Wie het boek wil gaan lezen, bekijke de trailer:




Met excuses voor de gigantische interlinies. Ik krijg ze niet kleiner, merk ik.