zondag 4 maart 2012

Pierre Dubois over Marnix Gijsen en Hugo Claus in 1958

Illustratie bij het artikel van Dubois
Al eerder en nog eerder schreef ik over het tijdschrift Het boek van nu, waarin in 1957 en 1958 boeken van Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans werden besproken. De recensent, Pierre H. Dubois, herkende het talent van de jonge schrijvers en verdedigde het.

In 1958 besprak hij ook de verhalenbundel De zwarte keizer, van Hugo Claus. In hetzelfde stuk waarin hij Mijn vriend, de moordenaar van Marnix Gijsen bespreekt. Het is wel heel lang geleden dat ik iets van Gijsen heb gelezen. Ik herinner mij dat ik indertijd, als vrij jonge lezer nog wel onder de indruk was van de verhalenbundel De diaspora en verder heb ik natuurlijk Klaaglied om Agnes en het boekenweekgeschenkje Overkomst dringend gewenst, dat ik minder geslaagd vond. Van Mijn vriend, de moordenaar had ik zelfs nog nooit gehoord.

Dubois typeert Gijsen als een moralist en als een romancier die ook iets van essayist in zich meedraagt. Over de verhalenbundel schrijft hij: 'Het boek bestaat uit een vijftal verhalen die uitstekend zijn geschreven en die een boeiend geheel vormen.'

Langs de verschillende verhalen doorwandelt Dubois Mijn vriend, de moordenaar. Hij eindigt met:
'Het merkwaardigst is misschien bij hem nog de paradoxale vermenging van een buitengewoon grote pudeur, een krampachtige verlegenheid met de behoefte aan een volstrekte openhartigheid. Het laatste wordt onder invloed van het eerste vrijwel nooit in werkelijkheid, slechts in schijn bereikt. Niet omdat Gijsen niet durft, maar omdat hij daartoe belet wordt door een eindeloos subtiel en geraffineerd besef van betrekkelijkheid. Zijn lezers behoeven dat niet te betreuren, zij danken er een proza aan vol van fijn genuanceerde geestelijke schakeringen. En waarom zou de grootste eerlijkheid van een zo tot zelfbespiegeling geneigd temperament niet de zuivere nuance zijn..'
 Een lovende recensie dus; Gijsen zal op zijn minst geglimlacht hebben. Hij was toen bijna zestig en had al in 1951 het boek geschreven dat zijn bekendste werk zou blijven: Klaaglied om Agnes. Mijn indruk is dat in de jaren zestig de jonge schrijvers hem snel voorbijgesneld zijn en hem ver achter zich hebben gelaten.

Dubois zal Hugo Claus in hetzelfde stuk besproken hebben, omdat hij nu eenmaal ook een Vlaming is en ook een verhalenbundel heeft geschreven. Van De zwarte keizer herinner ik me alleen het titelverhaal en ik vermoed dat ik de andere verhalen nooit gelezen heb.

In 1958 was Claus al geen onbekende schrijver meer. Hij de Oostakkerse gedichten al gepubliceerd, Een bruid in de morgen al en De metsiers, De hondsdagen en Een koele minaar. Allemaal boeken die ooit gelezen heb.

Dubois plaatst Claus tegenover Gijsen, al signaleert hij dat bij Claus de eerlijkheid ook door pudeur wordt geremd.
'De verhalen, die hij in de bundel "De Zwarte Keizer" heeft verzameld en die een periode van ongeveer tien jaar bestrijken, zijn in de gebruikelijke zin van het woord juist bijzonder openhartig. Hij schijnt geenszins geremd door bepaalde crue schilderingen en over de sexualiteit schrijft hij onomwonden. Maar men zou zich, dunkt mij, ernstig vergissen, wanneer men hem op grond daarvan een gebrek aan subtiliteit zou verwijten. De pudeur bij Claus zit elders: het is de schaamte over gevoelsuitstortingen, waarvan de openbaarmaking hem veel kwetsbaarder zou maken dan de man-en-paard noemende beschrijvingen in sommige van zijn verhalen.'
Gijsen duikt in zijn personages en probeert ze te duiden. Claus doet dat niet, hij blijft aan de buitenkant en beschrijft hoe ze zich gedragen. Dubois:
'Maar zijn subtiliteit is hier bepaald niet geringer dan bij Marnix Gijsen. Waar Gijsen zich in psychologische analyses verdiept en die uiterst nauwkeurig weet uit te drukken geeft Claus de weerspiegeling daarvan in de plastiek van zijn verhalen. Hij is in dat opzicht veel wezenlijker een dichter dan Gijsen, zonder ook maar enigszins te vervallen in lyrische pathetiek.' 
Dubois noemt Claus ook nog 'een verteller van een meesterlijke begaafdheid'. Hij vergelijkt hem nog een keertje met Gijsen:
'De verbeeldingskracht van het proza van Claus is op zijn beste ogenblikken buitengewoon sterk en bereikt dan een niveau dat aan Gijsen niet is voorbehouden. Maar ze komen zeldzamer voor, terwijl Gijsen zich vrijwel altijd gelijk blijft en ook waar zijn boeken niet gelijk in waarde zijn een proza schrijft van grote zuiverheid.'
Claus zou uitgroeien tot een gigant in zijn generatie, die zowel in zijn gedichten als zijn toneelstukken als zijn verhalen en romans de absolute top bereikte. Een jaar of tien geleden was hij eigenlijk de enige in het Nederlandse taalgebied die in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor literatuur. Hij heeft hem nooit gekregen, al gaat het verhaal dat de uitgeverij in een bepaald jaar er zo zeker van was dat de Grote Prijs toegekend zou worden aan Claus dat de kaartjes voor de receptie al gedrukt waren. Op dit moment lijkt me Nooteboom de Nederlandse hoop.

In ieder geval werd het talent van Claus aan het eind van de jaren vijftig onderkend door Dubois. Er wordt nog wel eens beweerd dat bij het begin van de de carrière van Mulisch, Hermans, Claus, Reve en Wolkers de gevestigde literatuur zeer geschokt was. Daar is bij Dubois niets van te merken.

Hugo Claus in 1958

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen