dinsdag 6 maart 2012

Snijderseiland


Een wolk
Eind maart, er wordt hard gewerkt
aan mooi weer, een hogedrukgebied bij Azoren
breidt men uit naar het noorden.
Er kan van alles gebeuren en het gebeurt.
Een sprekend hoofd waslijst de namen
van op- dan wel afgeblazen festijnen.
Niet te stoppen processen voltrekken zich
links en rechts in de wereld, men kan er de vinger
op leggen en niemand weet wat ze brengen,
voor wie en wanneer.
Zelfs de kat die hier woont is onrustig, volgt me
voortdurend, ik zet hem buiten.
Een wolk schudt zich uit als een drijfnatte hond.
Kinderen worden naar binnen geroepen.
Het rommelt al in de verte.
Dit is een gedicht uit Snijderseiland, de vijfde bundel van Juliën Holtrigter. Het is niet eens een opmerkelijk gedicht, maar ook bescheiden gedichten kunnen goed zijn.

Dat er gewerkt wordt aan mooi weer, is wel bijzonder. 'Men' is druk bezig om het voor elkaar te krijgen. Zo schrijft Holtrigter vaker over de dingen, die we gewoonlijk ervaren alsof ze vanzelf gaan. Het wordt donker en het wordt weer licht, de tijd verstrijkt. Maar niet bij Holtrigter. Daar is het duister 'voertuig naar ochtend en uitzicht', en over de tijd schrijft hij: 'De tijd is waarlijk een genie. / Spelenderwijs schept hij grootse creaties.' Over het leven: 'Knap van het leven dat je niet weet waar het / heen gaat.'

Ook houdt Holtrigter ervan om de omgeving te bezielen: 'De knie overlegt met de andere knie'; 'Oude luchten besluipen mijn neus'; 'een vlindernet slaapt'.

'Er kan van alles gebeuren en het gebeurt'. Een zin vol verwachting, en die verwachting wordt al voor een deel tijdens de zin ingelost. Nu gebeurt het al en er kan nog veel meer gebeuren. Door dat hogedrukgebied heb je het idee dat het boven je hoofd gebeurt. Daar werkt men aan het mooie weer. In de gedichten van Holtrigter wordt trouwens vaak naar boven geblikt. Veel luchten, al dan niet met sterren. Eigenlijk hangt het hele universum boven zijn gedichten.

Die op- en afgeblazen festijnen zijn misschien op het randje. Is het flauw? Misschien wel, maar toch ook wel grappig. Zoals meer zinnen van Holtrigter grappig zijn: 'terwijl je botten / ontkalken, verkalken je aderen' en 'Hij had zich buitengesloten om in te breken' en ook: 'Op afstand het meest nabije!'

In de derde strofe merk je dat het leven zijn gang gaat, dat er van alles gebeurt en dat je er eigenlijk geen invloed op hebt. De kleine mens in het grote heelal. Om hem heen voltrekt zich het leven en hij kan er niets aan doen. Niet dat dat erg is: 'Ik blaas mijn laatste rook naar omhoog / en ga slapen.'

De kat is onrustig. Er staan immers dingen op stapel, al weten we dan ook niet welke. Zo'n kat brengt maar onrust, dus je zet hem buiten. In de laatste strofe begint het te regenen. Een mooi beeld, zo'n wolk die zich als een natte hond uitschudt. Het zou me niet verbazen als de kat in de vorige strofe de hond in deze strofe heeft opgeroepen. Holtrigter houdt van associaties en in veel gedichten kun je de weg van zijn gedachten volgen. Mooie overstapjes, kleine sprongetjes. Als er een tongriem wordt genoemd, staat er in de zin erna 'snoer hem de mond'. Van de riem naar het snoer is het maar een klein stapje...

Aan het eind van het gedicht, als het begint te regenen, zijn we ook weer bij het begint, waar hard gewerkt is aan mooi weer, maar waar 'men' het niet voor elkaar gekregen heeft. Tenminste als je regen lelijk weer vindt. 'Het rommelt al in de verte'. Nog steeds de verwachting, maar intussen is dat ook een dreiging. Het is inderdaad tijd om de kinderen binnen te roepen.

'Een wolk' is een eenvoudig gedicht, maar door de verwachting en de dreiging blijft er iets broeien, is er iets aan het rommelen, dat doorgaat als je het gedicht uit hebt. De gedichten doen zich voor als bescheiden, maar intussen weten ze precies wat we ze willen.

Ze zetten deuren open naar de nacht, naar de hemel, naar de kosmos. Ze laten een wind door ons hoofd waaien, duwen ons gezicht in de gewenste kijkrichting, knijpen ons in de arm. En troosten ons in onze nietigheid, in het eventjes dat wij hier zijn:
wij kwamen van ver, waren er even,
reflecteerden het schitterend licht
en verdampten alweer.
Of, aardser:
Wat gaat er boven de zwijgzame warmte van
armen die benen omhelzen, van billen die handen
verwarmen?
Niets, denk ik.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen