donderdag 29 februari 2024

Michel Vaillant, De ziel van de racepiloot (Lapière, Dutreil)


Als kind las ik de albums van Michel Vaillant. Maar die kindertijd heb ik al heel lang achter de rug en in de tussentijd verloor ik de strip uit het oog. De personages herinner ik me nog goed. Michel Vaillant deugde, altijd. Zijn maat, Steve Warson, kon wel eens dwars en opvliegerig zijn, maar deugde eigenlijk ook. Je gunde ze dat ze wonnen. 

Buiten de strip om, zei de racerij mij niet zoveel. We hadden geen tv en als we die wel hadden gehad, had ik het waarschijnlijk toch niet op kunnen brengen om te gaan kijken naar racewagens die rondjes rijden. Dat is ook altijd zo gebleven. Nog steeds volg ik de Formule 1 niet. 

Maar de strip vond ik aardig. Dat zal met het wedstrijdelement te maken hebben: je wilt dat je helden winnen. En het verhaal leest ook lekker snel. De plaatjes met racewagens met alleen maar in grote letters Vroooaarr, Vrooaamm of Vrooaapp lezen ook lekker snel door. 

Wel vond ik dat de tekenaar geen vrouwengezichten kon tekenen. Dat waren eigenlijk altijd vrij mannelijke gezichten, alleen dan met lang haar. Dat vond ik ook van de enkele albums die ik las van Julie Wood. 

Jaren zestig

Als jongetje heb ik vooral de albums uit de jaren zestig gelezen, zoals De renbaan van de angst, Nr. 13 aan de start, De 8e man en De terugkeer van Steve Warson herinner ik me nog. Daar heb ik wel van genoten. Ik denk niet dat ik er oog voor had dat de schepper, Jean Graton, zich goed gedocumenteerd had. De racewagens klopten tot in de details, net als de circuits. En als in zijn verhaal een race voorkwam die werkelijk had plaatsgevonden (alleen zonder de Vaillants), dan kon je gerust nakijken of er niet te veel verzonnen was. 

Zoals gezegd, ik was het contact met de reeks helemaal kwijtgeraakt. Het was mij ontgaan dat er maar liefst zeventig delen zijn verschijnen, dat er een nieuwe serie was gestart en zelfs een tweede nieuwe. Maar nu heb ik deel 2 in handen van de serie Michel Vaillant legendes en dat is De ziel van de piloot. 

Monaco 1971

Ook in dit deel is er een race die werkelijk heeft plaatsgevonden: de GP van Monaco in 1971, die, net als in deze strip, gewonnen werd door Jackie Stewart, gevolgd door Ronnie Petterson, Jacky Ickx en Denny Hulme. De vijfde plaats werd niet bezet door Steve Warson, maar door Emerson Fittipaldi. 

Om deze race bouwde scenaris Denis Lapière zijn verhaal. Er zijn zorgen bij de familie Vaillant. Bij de vorige race zijn er motorproblemen geweest, die niet goed te verklaren zijn. Mijn slechte karakter deed me aan sabotage denken, maar die hint wordt in het begin van het verhaal niet gegeven. In Monaco moet de zaak in orde zijn. De testronden gelden als kwalificatie, dus het komt er meteen op aan. 

Naast de motorische problemen, heeft Steve Warson zo zijn eigen problemen. Hij moet zich bekommeren om een man met een schotwond en dat moet ook nog allemaal in het geheim gebeuren. Dat zorgt er wel voor dat het verhaal een extra lijn krijgt om het uit te tillen boven een simpel verslag van een race, maar voor mij had het allemaal ook iets onwaarschijnlijks. Ik vraag me af of het zoveel toevoegt aan het verhaal, behalve dan dat je benieuwd bent of Warson wel op tijd zal zijn om zich te kwalificeren en dan ook nog in slechte weersomstandigheden. 

Kijken in de ziel

Een andere lijn is die met de schrijfster Francine Seik die voor een reportage voor een tijdschrift aan Michel Vaillant gekoppeld is en die hem bevraagt over het waarom van het racen. Dat brengt een bezinnende lijn in het verhaal, die wel zinnig is, omdat die met het racen te maken heeft. De titel van het album verwijst naar deze verhaallijn. 

Zo zegt Michel dat racers geen waaghalzen zijn of dat ze buitengewone reflexen hebben. Rijtechniek kun je aanleren en het beheersen van snelheid ook. Maar je wagen begrijpen en zijn grenzen aanvoelen niet. Dat is volgens hem een aangeboren talent. Daar zal wel wat op af te dingen zijn, maar op zich vind ik het aardig dat een coureur gedwongen wordt te reflecteren op wat hij doet en zo een kijkje geeft in zijn ziel.

Wel vraag ik me af of zo'n gesprek zo vlak voor een race mogelijk is. Is de coureur zich niet heel erg op de race aan het focussen? Echt bezwaarlijk vond ik het niet en als lezer accepteerde ik het allemaal wel. 

Uiteindelijk is het een aardig verhaal, waarbij je toch vooral wilt weten hoe de race afloopt en of de motor van Vaillantwagens het zal houden. Wel moest ik wennen aan het gebruik van het woord 'piloot' voor 'coureur'. Dat zal wel iets Vlaams zijn. Volgens mij spreken we in Nederland alleen van een piloot als die een vliegtuig of helikopter bestuurt. Ook het gebruik van het woord 'laps' voor 'ronden' stoorde me licht, maar wellicht loop ik gewoon achter en is dat woord intussen al ingeburgerd. 

Tekeningen

De tekeningen van Vincent Dutreuil doen denken aan die van Jean Graton. Er zit een zekere hoekigheid in de personen. Hun haar blijft altijd hetzelfde zitten, armen zijn soms net te kort en het formaat van de handen klopt niet altijd. Op bladzijde 42, onderaan, is de linkerhand van Steve Warson bijvoorbeeld een stuk kleiner dan zijn rechter. Maar daarmee moet hij dan ook een kokertje vasthouden. 

Voor mijn gevoel is er wel meer detail aangebracht in de decors, vergeleken met de oude albums, maar zeker ben ik daar niet van. Over het algemeen zijn de tekeningen wel acceptabel. Ongetwijfeld zijn de auto's goed getekend, maar dat kan ik niet beoordelen. 

Na zoveel jaren weer eens een strip lezen van Michel Vaillant was eigenlijk wel heel aardig. Voor een deel heeft dat te maken met het opgewekte jeugdsentiment en zeker ook met mijn verwachtingen, die niet heel hoog waren. Maar je moet van zo'n racestrip ook niet te veel verwachten. Voor de fanaten die de Formule 1 volgen, is dit wellicht een belangrijke strip. Voor de rest van het publiek is het amusement. Als zodanig kan het er best mee door. 

Reeks: Michel Vaillant Legendes
Deel 2: De ziel van de racepiloot
Scenario: Denis Lapière
Tekeningen: Vincent Dutreuil
Inkleuring: Isabelle Charlie
Vertaling: James Vandermeersch
Uitgever: Graton
2023, 64 blz. € 9,95 (softcover)

woensdag 28 februari 2024

Gijs IJlander (1947 - 2024) overleden

Op 6 februari 2024 overleed de schrijver Gijs IJlander, wiens echte naam Gijs Hoetjes was. Ik heb enkele van zijn boeken gelezen en had er nog twee op de stapel liggen. 

In 1988 debuteerde IJlander met De kapper. In die tijd legde ik een archief aan van recensies in kranten en tijdschriften. Ik schreef het kaartje voor IJlander en noteerde de recensies die ik vond. Maar het boek las ik niet. 

Er verschenen aardig wat recensies en IJlander kreeg meteen twee prijzen: de Geertjan Lubberhuizenprijs en de Anton Wachterprijs. Je kunt je schrijversloopbaan slechter startte. 

In 1990 verscheen Een fabelachtig uiitzicht, waarin het vertelperspectief bijzonder is. Er wordt verteld vanuit een opgezette eekhoorn. 

Zwartwild (1992) vond ik een intrigerende titel. Ik overwoog het te gaan lezen, maar het kwam er niet van. Het gaat over een jager die een zwijn heeft geschoten. De drie eerste boeken hebben allemaal een duister kantje. Hoe dat eruitziet, moet ik nog ontdekken. 

De volgende romans van IJlander ontgingen me. In ieder geval besteedde ik er geen aandacht aan. Blijkbaar las ik toen andere boeken. Het zijn: De lichtval (1993), Vis voor iedereen (1995) en Twee harten op een schotel (1998). Voor dat laatste boek kreeg hij de F. Bordewijkprijs, voor De lichtval de Halewijn literatuurprijs van de stad Roermond. 

De aanstoot

Pas in 2000 las ik voor het eerst een boek van IJlander: De aanstoot. Dat gaat over een de herkomst van een schilderij van Picasso, waarop hij een naakt, Nederlands meisje afbeeldt. In de roman neemt Picasso zijn intrek in een huis in Koedijk. Ik weet nog dat een schipper een rol speelt en dat een postbode dood uit het water wordt gevist. De schilder, die Amigo genoemd wordt, wordt met wantrouwen bekeken. Ophef genoeg in het dorp. 

Ik ben ervan overtuigd dat ik over deze roman geschreven heb, maar misschien klopt dat helemaal niet. In Literom vind ik de recensie in ieder geval niet terug. Ik denk in ieder geval met plezier terug aan de roman, een goed verhaal, dat ook wel iets van een streekroman heeft. Ik was toen wel gewonnen voor het werk van IJlander. 

Maar IJlanders volgende boek, De nieuwe brug (2002) las ik toch niet en aanvankelijk ook ALVB (2005) niet. Op dit boek kom ik straks nog terug. 

Geen zee maar water (2008) sloeg ik over, maar onlangs zag ik het in een kringloop, samen met Zwartwild en toen aarzelde ik niet. Ik nam beide boeken mee, in de vaste overtuiging dat ik ze zou gaan lezen. Daar is het tot nu toe niet van gekomen, maar ze liggen leesklaar. 

Wildzang

Wel las ik Wildzang (2010). Ik recenseerde het boek voor Nederlands Dagblad (op 18 juni 2010). De hoofdpersoon, Bertus Berkhout, is een snelle jongen, die in de boerderij van zijn vader gaat wonen. Het boerenbedrijf stelt niet zo veel meer voor: vier schapen en een oude trekker. Eromheen rukt de de nieuwbouwwijk op en de gemeente wil het liefst dat Bertus de boerderij gaat verkopen. Maar Bertus voelt zich steeds meer thuis op de boerderij. 

Intussen heeft hij ook met problemen te kampen. Het gaat niet goed met zijn project met vakantiehuizen in Portugal en een moeder met twee kinderen kraakt op de boerderij het knechtenverblijf. 

Ik vond Wildzang een mooi boek. In 2016 plaatste ik de recensie uit het Nederlands Dagblad op mijn weblog. Meteen nadat ik Wildzang gelezen had, kocht ik ALVB en las dat ook. Ik weet nog dat ik het tijdens een vakantie las en dat mijn vriendin het ook las. Waarschijnlijk staat het nog in haar boekenkast. Misschien ook heeft ze een eigen exemplaar. 

Ook ALVB is een heerlijk leesboek. Het laat de neergang van een gyneacoloog zien, die zich inlaat met een dubieus kunstproject. Eigenlijk is het de neergang van een gezin. De onafwendbaarheid van die ondergang weet IJlander goed te schetsen. Je ziet het als lezer mis gaan, vindt dat het eigenlijk ook wel de schuld van de hoofdpersoon is, maar je kunt er niets aan doen. Daar gaat hij. 

Vergeef ons onze zwakheid

In 2014 verscheen IJlanders volgende roman, Vergeef ons onze zwakheid. Zonder aarzelen heb ik het gekocht. Ik besprak het hier. Ook hier gaat het over iemand die in de knel komt.  Het betreft de arts Sybrand Staring, om wie ophef ontstaat als hij iemand met een euthanasiewens helpt. Hij trekt zich terug op een Schots eiland, waar ook gedoe is: er zijn schapen doodgebeten, er spoelt een walvis aan. En het publiek komt erachter dat 'Dr. Death' zich er schuilhoudt. 

In alle boeken van IJlander werken mensen zich in de nesten of moeten ze zich verdedigen tegen de publieke opinie, die heel wat vermag. Tot nu toe heb ik al die boeken met plezier gelezen en, zoals gezegd, ik heb er nog twee klaarliggen op de stapel. 

De laatste tien jaar heeft IJlander geen roman meer gepubliceerd. De reden daarvoor is me onbekend. Hij schreef een oeuvre van degelijke romans bij elkaar. Wie ze nog niet gelezen heeft, kan dat nog altijd doen. Je doet er jezelf een plezier mee. 

Links naar recensies:

dinsdag 27 februari 2024

Ik kom hier nog op terug (Rob van Essen)

In De goede zoon schreef Rob van Essen over een hoofdpersoon die in verband met een getuigenbeschermingsprogramma iemand een ander verleden moest geven en hem daarvoor zijn eigen verleden gaf, maar dan de ideale versie. Zijn eigen fouten zijn daarmee niet gewist, maar er is een ander verhaal overheen geschreven. 

Zoiets komt ook voor in zijn nieuwe roman, Ik kom hier nog op terug. Vooraf wist ik dat het zou gaan over iemand die terug ging naar zijn eigen verleden. Daarbij moest ik sterk denken aan de roman Alles kantelt van Tomas Lieske, waarin de hoofdpersoon een jongetje ontmoet dat hijzelf is op jonge leeftijd. En aan Waar was je nou van K. Schippers, waarin een persoon af en toe verdwijnt in een foto en zo in het verleden terechtkomt. Verder komt er ook zoiets voor in Films die nergens draaien van Yorick Goldewijk. 

Ik had vernomen dat er een tijdmachine voorkomt in Ik kom hier nog op terug en daar had ik wel mijn bedenkingen bij. Dat vond ik nu juist het zwakke punt in Kruistocht in spijkerboek van Thea Beckman en bij Suske en Wiske accepteer ik de noodgreep wel, maar die neem ik dan ook niet helemaal serieus. 

Laat ik beginnen met te vertellen dat Rob van Essen me volledig heeft overtuigd. Niet alleen van de mogelijke tijdmachine, maar van alles. Wat een goed boek!

De man op de brug

De roman opent met een man wiens taak het is twee bruggen te verven. Daar doet hij zo lang over, dat hij weer opnieuw moet beginnen als hij klaar is. Hij heeft een korte ontmoeting met iemand die hij van vroeger kent en hij wordt een keer in verband gebracht met een zaak uit het verleden. Een geval van eigenrichting in Rijssen. 

Dat lezen we in het eerste deel, 'De man op de brug'. We zullen hem ook in het korte laatste deel weer tegenkomen. Het grootste deel van de roman bestaat uit het tweede deel, 'Vijf pogingen om mr. G.B.J. Hiltermann naar huis te brengen. 

De hoofdpersoon, Rob Hollander, was, in een tijd voordat hij bruggen schilderde, journalist. Een van zijn projecten was het opzoeken van de mensen die met hem filosofie gestudeerd hadden. Een van zijn oud-studiegenoten, Icks, woont in Los Angeles en nodigt hem uit. Icks blijkt over een tijdmachine te beschikken. Hij biedt Hollander vijf pogingen om een fout uit zijn verleden te herstellen. 

Hiltermann

Rob Hollander heeft het idee dat hij voor de gek gehouden wordt. Door zijn scepsis lukt het je om mee te gaan in het verhaal. Je bent immers net zo wantrouwig als Hollander is. Die kiest een op het oog niet zo belangrijke gebeurtenis uit zijn leven: hij heeft eens, in diens nadagen, mr. G.B.J. Hiltermann op een brug zien staan, in zijn ochtendjas. Hij leek wat verloren en Rob had hem gemakkelijk terug kunnen brengen naar huis, maar hij heeft het niet gedaan. Dat verzuim kan hij nu goedmaken. 

Daarvoor moet hij wel terug naar 13 november 1998. Door zijn dagboek weet Rob precies wanneer het was. Uit dat dagboek blijkt ook dat hij sommige dingen aanstipt, met de aantekening 'Ik kom hier nog op terug', wat hij vervolgens niet doet. Nu krijgt hij de kans om werkelijk terug te komen op iets uit zijn leven. 

Bij de vijfde poging blijkt hij echter niet uit te komen bij Hiltermann, maar in een andere tijd: 1987, de tijd dat hij filosofie studeerde. Hij ontmoet hier ook de oudere versies van een aantal studiegenoten uit die tijd, die dus rondlopen in dezelfde tijd als hun vroegere ik. Ze zouden die zelfs kunnen ontmoeten. 

Over wat er dan allemaal gebeurt, wil ik liever niet te veel vertellen, want er zijn spannende verwikkelingen en de uiteindelijke plot is prachtig. Daarbij komt het hele gedoe met de tijdmachine overigens weer op losse schroeven te staan. Van Essen heeft de touwtjes stevig in handen en krijgt ons precies waar hij wil. 

Verhalen

Rob Hollander is als journalist ook een maker van verhalen. Hij heeft die verhalen ook nodig. Er wordt al in het begin van het boek verteld hoe hij met een ander jongetje tegen de avond een bos in gaat. Hij heeft een verhaal gemaakt van wat er toen en vlak daarna gebeurd is. 'Hij is zelf een verhaal, vanaf het moment dat hij uit het bos kwam.'

Zijn kant van het verhaal is het verhaal. Eerder dan het te vertellen zou hij het willen veranderen, natuurlijk heeft hij het ongedaan willen maken, maar dat gaat niet, alleen in zijn hoofd, hoe zou het kunnen dat het nooit gebeurd zou zijn. Het zou in een van zijn boeken moeten staan. Het kan alleen zo: van elke dag dezelfde dag maken zodat er geen tijd verstrijkt, geen toekomst is, geen verleden en dus ook geen heden. 

Je kunt het verleden niet veranderen, maar in deze roman gebeurt het wel. Je kunt er wel een verhaal van maken, wat ook gebeurt in Ik kom hier nog op terug. 

Sinds die dag in het bos klopt de wereld van Rob Hollander niet meer, al leeft hij gewoon door. 'Als je wilt dat er iets klopt in de wereld, moet je het verzinnen,' zegt hij en dat heeft hij gedaan. Door er een verhaal van te maken, hoort hij er weer bij. 

Hollander is een observator. Hij kijkt ook naar zichzelf als hij weer verenigd is met zijn oud-studiegenoten en merkt hoe hij nadrukkelijk door zijn opmerkingen deel uit wil maken van de groep. 

Brug

Rob werkt op een brug. De brug verbindt twee zijden, maar hoort bij geen van beide. Je kunt de brug zien als de verbinding met het verleden en niet voor niets roept er geregeld iemand in het boek 'Take me to the bridge'. Ook mr. G.B.J. Hiltermann bevindt zich op een brug. 

Er is misschien ook wel een brug tussen het lagere en het hogere. Er zitten verwijzingen in de roman naar religie en op een gegeven moment wordt de vraag gesteld of Icks misschien God is. 

Dat is toch hoe goden werken? Die willen altijd iets van hun gelovigen, hun onderdanen. Die willen bewijzen van liefde en devotie, vertel mij wat. 

Worden de oud-stiudiegnoten gemanipuleerd door Icks? Of geeft hij hun een nieuwe kans? En hoe zit het met de brandende man die de berg afrent als Rob en zijn makker De Paus naar beneden rennen? Ze hadden zichzelf af kunnen vragen of hun hart niet brandende in hen was toen ze het zagen. 

Uiteindelijk snap je hoe het zit, waarom dit verhaal nodig was. En dan doet het er niet meer toe of een tijdmachine kan bestaan en of het allemaal zo gebeurd is. Wel zit Rob met zijn verleden waarin een fout al dan niet hersteld is. Alleen in een verhaal kan het goed aflopen. Maar niet alle verhalen kennen een vredige afloop. 

Vorig jaar zette ik Ik kom hier nog op terug boven aan het het lijstje met de beste boeken van 2023 die ik niet gelezen. Dat wil zeggen dat ik hoge verwachtingen had van het boek. Daarin ben ik niet beschaamd. Sterker nog, het boek heeft die verwachtingen overtroffen. In de eerste plaats is het een spannend boek, dat heel lekker leest. Verder zit het ingenieus in elkaar. Het is ook een ontroerend boek, over een jongetje dat met verhalen zijn leven leefbaar moet houden. 

Ongetwijfeld komt het terecht in het lijstje met de beste boeken die ik dit jaar las. Zal het de komende maanden nog overtroffen worden? In ieder geval was het een feest om het te lezen. 

Eerder schreef ik over

maandag 26 februari 2024

StripKookboek II (Leon Verhoeven)

Is er nog behoefte aan kookboeken, nu er zoveel sites zijn waar je in een handomdraai recepten kunt vinden? Blijkbaar wel, want ze verschijnen nog steeds. Dat is ook niet zo vreemd, want een kookboek biedt voordelen. Zo is het vaak makkelijker te raadplegen dan een een recept op een laptop die steeds in de slaapstand gaat. Verder staan sommige kookboeken mooi in je boekenkast en vooral: als je ze doorgenomen hebt, weet je dat je bepaalde recepten hebt en kun je ze altijd makkelijk weer vinden. Goed geslaagde recepten heb je zo altijd onder handbereik. 

In 2019 verscheen bij uitgeverij Personalia het StripKookboek, een kookboek, geïllustreerd door striptekenaars. De recepten waren van chef-kok Leon Verhoeven. Blijkbaar was dat een succes, want intussen is er een tweede deel.  Het is een mooie hardcover geworden, die gemakkelijk open blijft liggen als je aan het koken bent. De bladzijden zijn van glad papier, zodat ze niet gemakkelijk vies worden als je wat slordig kookt. 

In dit deel zijn alle illustraties van Belgische striptekenaars. Dat zijn er meer dan vijftig. Sommige tekenaars leverden twee tekeningen. Dat zijn Philippe Delzenne, Steve van Bael, Dirk Stallaert, Bruno Gilson en Kristof Berte. Hopelijk heb ik bij het tellen niet een tekenaar over het hoofd gezien. 

Dirk Van Der Auwera

Voorwerk

Het boek begint met een voorwoord van Helena Vandersteen (ja, dochter van) en een informatieve strip van Dirk Van Der Auwera over welk biertje je bij welk gerecht kunt drinken. Die pagina zal wel gesponsord zijn door het biermerk dat meer dan vijf keer genoemd wordt. 

Daarna krijgen we uitleg over monderen, het ontvellen van tomaten, door Kristof Berte (die met nog twee bijdragen vertegenwoordigd is) en het blancheren van groente door Jimmy Hostens. 

De gerechten zijn op een logische manier ingedeeld: voorgerechten, hoofdgerechten, nagerechten, bijgerechten en een uitsmijter. Elk hoofdstuk wordt geïntroduceerd met een paginagrote tekening. 

Bij elk gerecht krijgt de tekenaar ook een complete pagina. Sommige tekenaars gebruiken die voor een korte strip, de meeste leveren een grote tekening. De naam van elke tekenaar wordt duidelijk genoemd, waardoor dit StripKookboek meer is dan een geïllustreerd kookboek; de tekeningen hebben een volwaardige plaats. 

Luc Morjaeu

Recepten

Elk gerecht is op een vrij kleine foto afgebeeld. Er is een lijst met ingrediënten, die gemiddeld genomen gemakkelijk te verkrijgen zijn. De geschatte bereidingstijd wordt aangegeven en die varieert van een half uur of minder tot meer dan twee uur. Vooral het stoven van vlees vergt tijd. 

De bereidingswijze wordt puntsgewijs weergegeven, met voldoende witruimte tussen de stappen, waardoor de bladzijde overzichtelijk blijft en je gemakkelijk kunt zien waar je gebleven bent tijdens het koken. Bij de meeste recepten staat een variatietip en we krijgen ook weetjes. 

Die weetjes zijn ook leuk om apart te lezen. Zo wist ik niet dat je champignons even buiten in de zon kunt leggen en dat ze dan extra vitamine D opnemen, net zoals de menselijke huid. Dat de pinda geen noot maar een peulvrucht is en dat het bokbierseizoen elk jaar op 1 oktober geopend wordt, was mij ook onbekend. 

Soms is er een foutje in geslopen. Een van de weetjes begint met: 'Dit Italiaanse woord betekent zoveel als: 'verkruimeld brood'.' Maar het Italiaanse woord wordt niet genoemd. Dit is echt een uitzondering. De tekst is het hele boek door helder en er komen verder eigenlijk geen missertjes voor. 

Vegetarisch

Bij de gerechten staat in de inhoudsopgave welke gerechten vegetarisch zijn of vegetarisch gemaakt kunnen worden.  Dat zijn er vierentwintig, wat een behoorlijk aantal is, maar juist bij de hoofdgerechten zijn het er maar vijf van de tweeëndertig. Dat is magertjes en voor veganistische recepten heb je een ander boek nodig. 

Ik ben ervan uitgegaan dat de recepten van Leon Verhoeven zijn, maar bij elk recept staat wel 'Koken met' en dan de naam van de tekenaar. Bij Marc Verhaeghen krijgen we het recept voor de 'Vegaburger van Marc', waarbij op zijn minst de suggestie gewekt wordt dat ook de tekenaar inbreng heeft gehad bij het recept. 

Het StripKookboek II is een mooi boek geworden. Niet alleen heeft het een overzichtelijke bladspiegel, maar elk receptenbladzij heeft bovendien een steunkleur, waarin de kopjes zijn weergegeven en die de ondergrond vormt voor de tip en/of het weetje. Bovendien is de kleur achter de tekening ernaast geplaatst. Vaak zijn het pasteltinten, zodat het boek ook bij het doorbladeren een rustige aanblik blijft houden. 

De combinatie tekening/recept werkt heel goed. Je kunt het boek doorbladeren terwijl je de tekeningen bekijkt en dan krijg je en passant de gerechten mee. Als je de recepten doorbladert, krijg je de tekeningen mee. Recept en tekening blijven steeds goed in balans. 

Mannenwereld

Wel valt op hoezeer de stripwereld een mannenwereld is. Er is slechts een enkele vrouwelijke stripmaker die een tekening levert: Elisa Krings. Dat is wel heel erg weinig. Het aanbod mannelijke tekenaars is groter en misschien wilden Laura Janssens, Judith Vanistendael, Ilah, Ingrid De Vuyst, Dominique Goblet, Sylvia Tops en Magda Seron (om er maar een paar te noemen) niet meedoen, maar misschien zijn ze ook niet benaderd. 

Maar laten we een boek niet beoordelen op wat er ontbreekt, maar op wat er wel in staat en dat is heel veel. StripKookboek II is gewoon een mooi boek met fraaie tekeningen en recepten die uitnodigen om de gerechten daadwerkelijk te gaan maken. Een boek om lang plezier van te hebben. 

Leon Verhoeven, StripKookboek II. Uitgeverij Personalia, 2023, 144 blz. € 29,95 (hardcover)

Mario Boon

vrijdag 23 februari 2024

Afgestoft: De veilingmeester (Walter van den Broeck)

Het geheugen is volstrekt onbetrouwbaar. Natuurlijk weet ik dat, maar ik ben onthutst als ik ermee geconfronteerd word dat dat niet alleen geldt voor het geheugen, maar vooral ook voor mijn geheugen. 

Nog geen twee weken geleden schreef ik over het overlijden van Walter van den Broeck. Ik reconstrueerde mijn leesgeschiedenis van zijn werk. Daarin noemde ik de roman De veilingmeester:

In 2007 verscheen De veilingmeester. Ik las dat het er was en dacht dat ik dat boek maar moest kopen, maar het kwam er niet van.

Daar klopt dus niets van. Ik heb het boek bezeten en misschien bezit ik het nog wel. Ik las het en ik schreef erover. Daar was mij niets van bijgebleven. 

Maar sinds kort ben ik weer lid van een bibliotheek en daarmee heb ik toegang tot Literom. Daarin vond ik een recensie die ik schreef voor het Nederlands Dagblad. Het stukje stond op 23 februari 2007 in de krant. Dat was ik helemaal vergeten. Ik heb het voor je afgestoft, dat wil zeggen overgetikt. 

Alles is gelogen. Zelfs dat.

Het motto dat Walter van den Broeck opnam in zijn roman De veilingmeester doet wat denken aan het eerste Idee van Multatuli: Niets is geheel waar en zelfs dat niet. Maar van den Broeck gaat verder: 

Alles is gelogen. Zelfs dat. 
En dan nog door een ander. 
Denk ik. 

In een boek dat toch 'Roman' op de titelpagina heeft staan, lijkt zo'n motto overbodig; we weten immers dat we met fictie van doen hebben. 

Van den Broeck heeft al in veel boeken het grensgebied tussen de werkelijkheid en de verbeelding verkend. Aantekeningen van een stambewaarder (1977) is een roman, maar wordt gepresenteerd als non-fictie. Brief aan Boudewijn (1980), ook een roman, brengt de wijk tot leven waarin Van den Broeck als jongetje geleefd heeft; de namen en de huisnummers kloppen en mogen gecontroleerd worden. In zijn vorige roman, De beiaard en de dove man (2004) lijkt de hoofdpersoon nagenoeg samen te vallen met de schrijver en ook in De veilingmeester komt hij voor: de hoofdpersoon, de veilingmeester Bo van Dorselaer, bezoekt Van den Broeck in verband met een boek dat op het eerste gezicht erg lijkt op zijn debuut, De troonopvolger (1967), namelijk De troonopvolgster van Walda van den Brogel, dat ook een vergelijkbare afbeelding op het voorplat heeft. De veilingmeester is bezeten van het boek en wil de hele oplage van driehonderd exemplaren bezitten, om zo het raadsel op te lossen dat opgeroepen wordt door het colofon. In elk exemplaar staat namelijk aan wie het opgedragen is en aan die naam is een woord toegevoegd. Al die woorden samen zouden een tekst van driehonderd woorden kunnen vormen.

Vaardig schetst Van den Broeck hoe de veilingmeester zichzelf, zijn huwelijk en zijn veilinghuis te gronde dreigt te richten door de jacht op de laatste exemplaren van het geheimzinnige boek. Evenals in Brief aan Boudewijn en Het beleg van Laken (1985) blijkt Boudewijn, de overleden koning der Belgen, met de zaak te maken te hebben. Het is geen toeval dat de naam Bo naar Boudewijn verwijst en dat er personages rondlopen met namen als Regine en Princess. 

Allemaal heel aardig om te lezen, want Van den Broeck weet wel hoe je een plot in elkaar moet zetten en de lezer mee moet trekken door het boek heen, maar veel meer dan een goed in elkaar gezet verhaal is het niet: technisch goed gedaan, maar het raakt me allemaal nauwelijks. Vooral in de eerste helft van het boek kabbelt het verhaal maar zo'n beetje voort, wat overigens ook het geval is bij Van den Broecks vorige roman. Het wil daar maar niet meer dan een willekeurig verhaal worden, dat mij niet zijn noodzaak weet duidelijk te maken. 

Raffinement

Het spel met de verbeelding wordt in De veilingmeester wel met een zeker raffinement gespeeld. In de proloog zegt de hoofdpersoon al dat hij zich steeds meer als een personage gaat gedragen en aan het slot van het boek vraagt hij zich af of hij eigenlijk zelfs binnen de werkelijkheid van het boek wel bestaat. Als lezer heb je dan al een heel boek met hem meegemaakt, waarin je hem als behoorlijk werkelijk hebt ervaren, hoewel je wel wist dat je fictie las. Alweer: technisch niet veel op aan te merken, maar we kenden Quissama van F. Springer en Letter en geest van Frans Kellendonk al en daar voegt Van den Broeck niet zoveel nieuws aan toe. 

Het zou natuurlijk geheel in de lijn van het boek zijn als niet Walter van den Broeck de schrijver zou blijken te zijn, maar de veilingmeester Bo van Dorselaer. Zo iemand kun je een matig boek vergeven, maar van Van den Broeck mogen we meer verwachten.  

woensdag 21 februari 2024

Paarse dingen (Frans Kusters)

'U zong uw liedje zacht, maar 't klonk welluidend,' dichtte Simon Carmiggelt over juffrouw Nifterink. Misschien hadden we dat ook kunnen zeggen over Frans Kusters (1949 - 2012), die een niet zo opzienbarende rol speelde in de Nederlandse literatuur. Hij schreef een oeuvre bij elkaar van voornamelijk verhalenbundels, die wel positief ontvangen werden, maar die nooit hoge oplagecijfers haalden. Voor zover ik weet, tenminste. 

Eigenlijk weet ik ook niet goed meer wat ik van hem gelezen heb. In ieder geval Het Chaplinconcours (1980). Ik dacht me nog een titel te herinneren, maar die bleek van een andere Frans, Frans Stüger. Ook een schrijver op wie ik het zicht verloren heb.

Van Frans Kusters wist ik niet eens zeker meer of hij nog leefde. Hij blijkt al meer dan tien jaar niet meer onder ons te zijn. Maar toen ik in een kringloop zijn verhalenbundel Paarse dingen (2009) zag, kocht ik het zonder aarzelen. Het ziet er trouwens ook prachtig uit: een Jan Mankes, Raaf op berkenboom

Geen spektakel

De verhalen zijn geschreven in gedempte toon: nergens is er spektakel. Er lijkt een uitsnede uit de werkelijkheid gemaakt te zijn, een beschrijving van wat er gebeurt. Soms is wat er gebeurt vreemd, maar daar is eigenlijk geen verwondering over: het gebeurt gewoon, het leven gaat door. Er zit een zekere afstandelijkheid in het vertellen en die wordt vanzelf een beetje ironisch, waardoor de verhalen licht blijven. 

Het grappigst vind ik 'De Gelderse route, Een verhaal voor de bovenbouw'. Een schrijver krijgt bezoek van 'twee atheneummeiden' die een scriptie over zijn werk bij elkaar hebben geplakt, waarvoor ze een 9+ hebben gekregen. Ze doen 'de Gelderse route'. Ze gaan ook nog op bezoek bij Jan Siebelink, A. den Doolaard, A.C. Staring en Thomas Verbogt, zeggen ze. Dat twee van die schrijvers al overleden zijn, is blijkbaar geen bezwaar. 

Als de meisjes weer weg zijn, kijkt de schrijver hen na door het raam. Ze hebben de slappe lach. 

Ik knielde voor mijn bed neer, keek over beide schouders en drukte mijn gezicht op de plek waar Lieke had gezeten. Als die niet bij Siebelink tussen de lakens belandt, dacht ik, gebeurt dat vast en zeker bij Verbogt. 
Maar die laatste heeft dat altijd heftig ontkend, ook als we over heel andere dingen spraken, en met Siebelink ben ik er maar nooit over begonnen. 

Zo'n tussenzinnetje als 'ook als we over heel andere dingen spraken' doet mij grinniken. 

Uitvoerders van onderwijstaken

'Madelon Hunkemöller' speelt zich af in het universitaire wereldje, 'lang geleden'. Twee docenten hebben een eigen zaakje. Ze geven in de avonduren een spoedcursus 'Het nieuwe vermogensrecht op hoofdpunten belicht'. Dat loopt heel goed. Dat is, zoals gezegd, een tijd geleden, waarin er ook een nieuwe collega kwam, Madelon, die gauw weer weg was. Ze adviseerde de verteller ook te zorgen dat hij wegkwam, wat hij niet deed en intussen zijn de ontwikkelingen doorgegaan. 

We worden inmiddels allang geen docenten meer genoemd, we zijn 'uitvoerders van onderwijstaken', wat zo ongeveer betekent dat we zo veel mogelijk studenten meteen een voldoende moeten geven, want anders wordt 'de norm' niet gehaald en dat is koren op de molen van de concurrentie. 

Het is zowel treurig als grappig en die combinatie zie je vaak bij Kusters. Je zou hier een oordeel van de verteller uit kunnen halen, maar misschien vertelt hij gewoon wat er gebeurt, zonder zich te verbazen. 

In Dreumel

Ook in het openingsverhaal, 'In Dreumel' verbaast de verteller zich niet, al is er wel enige aanleiding toe. Hij heeft een beeldscherm bezorgd in een bejaardentehuis en daarna bezoekt hij een slagerij, waar iedereen hem voor laat gaan. De dochter van de slager staat in een bebloemde veel te grote bikini achter de toonbank. Als het meisje de kassa aanslaat, zwaait de deur van de vriescel open. Een naakte, kaalhoofdige bediende, getatoeëerd, baby op de arm, verschijnt. Als de dochter de geldla dichtschuift, valt de deur weer in het slot. Niemand lijkt het bijzonder te vinden. 

Het leven is vreemd, dus je hoeft je niet te verbazen. Er kunnen nu eenmaal onverwachte dingen gebeuren. Over wat er bij de geboorte van Stan Penninckx gebeurt, wordt wel gesproken. Er klinkt een stem met een Duits accent die tot driemaal toe verklaart dat buizerd en lepelaar hem zullen leiden en beschermen. 

Het leven van Stan wordt uit de doeken gedaan, met de onverwachte wendingen. Stans ouders gaan bijvoorbeeld naar de Olympische Spelen in Tokio. Binnen een week verliest moeder haar hart aan de oom en trainer van een tweehonderdmeterloper uit Honduras die al in de series werd uitgeschakeld. Ook dat kan gebeuren. 

Aan het eind vragen we ons wel af hoe betrouwbaar de verteller is. Hij blijkt in een inrichting te zitten. 

Herkenning

Maar misschien is de wereld buiten zo'n inrichting niet minder vreemd. Frans Kusters laat ons die meebeleven, noteert het fijnzinnig en wij moeten maar zien wat we ermee doen. Ondanks alle vreemdheid is er ook altijd herkenning. Kusters observeert scherp, zowel wat er buiten als in het personage gebeurt. 

Paarse dingen is maar een dun boekje, net honderd bladzijden, en ik heb de verhalen niet allemaal achter elkaar gelezen. Een of twee verhalen op een avond en dan is het wel weer mooi. Je kunt een tijdje met een verhaal doen, ook al is het helder. Goed geschreven, jazeker. Opmerkelijk, ook dat. Verhalen waar je er meer van wilt lezen, terwijl je weet dat dat er waarschijnlijk niet van komt. Of je moet toevallig weer zo'n bundeltje tegenkomen bij de kringloop. 

dinsdag 20 februari 2024

Wraak in de Hel 2: Bloedrood Parijs (Philippe Pelaez / Tiburce Oger)

Vorige maand schreef ik over het eerste deel van Wraak in de Hel (zie link onderaan), een intrigerende strip over straatbenden in Parijs aan het begin van de twintigste eeuw. In dat eerste deel, Parijse Apaches, wordt duidelijk dat de mysterieuze dader van een aantal aanslagen een roodharige vrouw is, acrobate in een circus. Inspecteur Gosselin jaagt op haar. 

Deel 2, Bloedrood Parijs begint dertig jaar eerder, bij de val van Parijs en het einde van de Commune. kapitein Ronan Levedec moet een geldtransport begeleiden. Er is een en al onrust in Parijs. Kapitein Levedec kan amper zijn huid redden. Hij kan nog net afscheid nemen van zijn dochtertjes. Hij belooft dat hij snel terugkomt, maar hij zal zijn belofte niet waar kunnen maken. 

Zijn neef Gabriel ontfermt zich over de kinderen en probeert hen in veiligheid te brengen. Levedec wordt gevangengenomen en later vermoord. De geschiedenis wordt breed uitgemeten: het eerste helft van dit tweede deel is gewijd aan het verleden. 

Rekening vereffenen

Angèle, de oudste dochter van Levendec ligt in 1903 ziek op bed. Haar oom en tante adviseren haar Parijs te verlaten, maar daar is geen sprake van. Ze heeft nog een klus af te maken. Bij haar aanslagen was ze gericht op mensen met wie ze nog een rekening te vereffenen in verband met de dood van haar vader en van haar zusje, maar er zijn ook onschuldigen gestorven. Maar, zoals Angèle zegt: ' Er sterven in elke oorlog mensen per ongeluk.'

Inspecteur Gosselin doet intussen onderzoek op de begraafplaats Père-Lachaise. De lezers weten intussen dat die plek van belang is, in verband met wat er dertig jaar geleden gebeurd is. Steeds duidelijker wordt hoe het komt dat enkele mensen na de val van de Commune miljonair konden worden. 

Gosselin heeft de opdracht om Angèle op te sporen. Ze zijn elkaars tegenstanders, maar staan, vanwege het verleden, aan dezelfde kant. Daarbij kampt Gosselin met gezondheidsproblemen. Hij begrijpt de woede van Angèle, maar probeert ook haar ultieme daad van wraak te voorkomen. Zal dat lukken?

Wraak in de Hel is een schitterend tweeluik, dat laat zien hoe wraak decennia kan smeulen voordat de vlammen echt gaan uitslaan, hoe de geschiedenis bepalend is voor het heden en hoe ver iemand door zijn (haar) idealisme kan gaan. 

Gosselin zegt tegen Angèle dat geweld het wapen van de zwakken is, waarop Angèle zegt dat het geweld van machthebbers altijd wordt goedgepraat, maar zo gauw het van het volk komt, is het onrechtmatig. 

Gedeelde loyaliteit

Als lezer weet je wat Angèle meegemaakt heeft en heb je volledig begrip voor haar. Maar je hebt ook sympathie voor Gosselin, waarvan je weet dat hij oprecht is en zich tegen onmenselijkheid verzet. Scenarist Philippe Pelaez weet die gedeelde loyaliteit goed op te wekken bij de lezer. 

De taal in het verhaal is bloemrijk, poëtisch. Dat kan bij sommigen aanstellerig overkomen, maar ik vind het wel fraai. Een citaat van de eerste pagina:

Hij had midden in de nacht de vlucht genomen, wanneer het duister zich te goed doet aan nachtelijke feesten waarop nooit aan morgen wordt gedacht. De ochtendstond bood de bedrieger respijt toen hij zichzelf in een muur van schaduwen stortte, verscheurd tussen angst om ontmaskerd te worden en zijn ongeduld om de wallen te bereiken. 
En toen de dageraad aanbrak, bijna bij verrassing, en haar sluier van waarheid over de gekneusde, en weldra verminkte stad drapeerde, was hij bijna verbaasd toen hij zijn doel bereikte. 

Soms is het net te veel krullendraaierij, maar over het algemeen lijdt de helderheid van het verhaal er niet onder en dan kan ik het wel hebben. 

Tekeningen en inkleuring

De tekeningen en de inkleuring van Tiburce Oger zijn, net als in het eerste deel, uitgekiend. De inkleuring is in een kleur die doet denken aan sepia, dat je ook wel krijgt door gewassen inkt. De enige steunkleur is een vrij donker rood. Daardoor lichten de rode stukken op: de uniformen, het rode haar van Levedec en zijn dochter Angèle, het vuur en natuurlijk het bloed. Hoewel de beelden soms uitbundig zijn, is de inkleuring redelijk ingetogen, wat de zaak mooi in evenwicht houdt. 

Wraak in de Hel is een prachtig tweeluik geworden over twee intrigerende perioden in de geschiedenis van Parijs, die tastbaar gemaakt zijn door het persoonlijke drama van de personages. Mooi gedaan!

Titel: Wraak in de Hel
Deel 2: Bloedrood Parijs
Scenario: Philippe Pelaez
Tekningen en inkleuring: Tiburce Ocer
Vertaling: P. Moretti
Uitgever: Silvester Strips
2023, 72 blz. € 25,95 (hardcover, stofomslag)

Eerder schreef ik over deel 1 van Wraak in de Hel: Parijse Apaches.



maandag 19 februari 2024

Huiswerk (Marja Pruis)

Van Marja Pruis heb ik veel te weinig gelezen. Ik las haar boekje over Rochefoucauld, Omdat je het waard bent en schreef daarover (zie link onderaan) en dat was het. En dat terwijl ze veel geschreven heeft waar ik best zin in had, zoals boeken over A.H. Nijhoff en Patricia de Martelaere. Maar om mij heen stapelden de ongelezen boeken zich op en steeds was er weer een ander boek dat boven op de stapel lag. 

Maar vorige week besloot ik de roman Huiswerk (2023) in huis te halen. De hoofdpersoon is Clara Feij woont in een groot huis en heeft een goede baan. Ze verdient goed en laat haar huis schoonmaken door Rose, tegen wie ze vriendelijk is, maar in wie ze maar oppervlakkig geïnteresseerd is. Zo weet ze al niet meer uit welk land Rose nu afkomstig is. al heeft die dat wel verteld. 

Op haar werk is ze ook vriendelijk. Ze is geduldig en minzaam tegenover de stagiaire die haar toevertrouwd is, al mist het meisje de deadlines. Clara zal ongetwijfeld een plezierig mens zijn. Ze is echt van goede wil en kan er ook niks aan doen dat ze bevoorrecht is, dat ze buiten de deur kan gaan lunchen als ze wil en dat ze feilloos het merk van haar nieuwe portemonnee weet te noemen, of van de bikini die haar stagiaire op een foto draagt. 

Geld beheren

Rose is een vluchtelinge, die op een gegeven moment aan Clara vraagt om haar geld te beheren. Haar omgeving (echtgenoot Hartog, zoon Cosmo) hebben daar hun bedenkingen bij, maar Clara wil goed doen en stort zich gewetensvol op de taak die ze op zich genomen heeft. 

En dan wordt er ingebroken. Ineens zijn er allerlei theorieën, die onbewijsbaar zijn, maar waarin Rose wel steeds voorkomt. Die wil Clara liever niet geloven, maar ze dringen toch in haar hoofd en het lijkt goed dat Rose een tijdje niet komt. Clara heeft meteen nieuwe huishoudelijke hulpen. 

Mrs Dalloway

Soms wordt het verhaal in de ik-vorm verteld, enkele hoofdstukken in de zij-vorm, wat net iets meer afstand geeft. Soms noemt Clara zich Mrs Dalloway, naar de hoofdpersoon in de roman van Virginia Woolf. Daar is ook het motto aan ontleend: 'Mrs Dalloway zei dat ze zelf wel de bloemen zou kopen. Want Lucy had genoeg te doen.' Ach, de goede Mrs Dalloway! Je merkt dat ze hart heeft voor Lucy. maar ze houdt er wel een Lucy op na. Ze zou eens moeten luisteren naar de podcast Mina en mevrouw.

Eigenlijk is er niet zoveel aan te merken op Clara. Je ziet hoe ze een goed mens wil zijn en hoe ze bang is dat dat niet genoeg is. Over Rose krijgt ze brokjes informatie, waarvan ze een geheel probeert te maken. 
Maar, denk ik dan, wie kan míjn brokjes informatie aan elkaar lijmen? Ik ben bang dat God niet bestaat, maar mocht het wel het geval zijn, dan is hij de man met de lijmpot. 
Ze zegt het terloops, maar ze lijkt wel op zoek naar de heelheid in haar leven. Ergens ontbreekt het verband. 

Titel

De titel Huiswerk slaat waarschijnlijk ook niet alleen op het werk in huis, maar ook op de taak die Clara zichzelf oplegt. Ze doet goed en heeft toch een schuldgevoel. Daar moet ze blijkbaar iets mee. 

Huiswerk is verdeeld in drie delen, waarvan de eerste twee beginnen met hoofdstuk 0, alsof die een soort beginsituatie weergeven. In het derde deel is vooral Rose aan het woord. Zij vertelt Clara en Hartog haar vluchtgeschiedenis. Het wordt duidelijk hoe Clara steeds vanuit zichzelf Rose bezien heeft. Of breder: hoe we allemaal genoodzaakt zijn de ander vanuit onszelf te bezien. 
Je moet weten dat ze niet een ander leven zou willen hebben. Dat ze niet iemand anders zou willen zijn. Dat ze niet gelovig is maar dankbaar. Dat ze denkt vanuit geluk, niet vanuit verlangen. 
Dat is wat Rose zegt over zichzelf. Maar al in het eerste hoofdstuk heeft Clara zichzelf de opdracht gegeven om te schrijven vanuit geluk, niet vanuit verlangen. Maar lukt haar dat? Probeert ze toch niet steeds de mens te zijn die ze verlangt te zijn?

Schrijven

Over haar schrijven zegt de vertelster ook: 'Ik schrijf volgens een ritme, niet volgens een plot. Mijn plot is dat je de volgende zin wil lezen. Ik wil het allemaal vangen voordat het gestold is in een verhaal met een begin en een einde.'

Je gaat als lezer in ieder geval makkelijk mee op het ritme van de zinnen van Pruis. Het is allemaal mooi geschreven. Je volgt ook het verhaal, maar het lijkt meer te gaan om de moraliteit, om het nadenken over hoe mensen handelen en vanuit welke motieven. Daarbij ontkom je ook niet aan het beschouwen van jezelf. Je zit zelf immers ook vol goede bedoelingen. Maar is dat genoeg? 

Knap boek, dat Huiswerk. Goed geschreven, mooi beknopt gehouden (goed tweehonderd bladzijden) en het knaagt toch ergens in je hoofd. Je bent meer Mrs Dalloway en meer Clara dan je zou willen. 

Marja Pruis, Omdat je het waard bent 

vrijdag 16 februari 2024

Onmogelijke mensen (Julia Wertz)

Julia is striptekenaar in New York. Ze is 26 jaar oud, woont in een kelderappartement en drinkt te veel. Overdag functioneert ze goed en kan ze aan het werk, maar in de avond drinkt ze zich lam. Een arts zegt tegen haar: 'Ik kan je nergens toe dwingen, maar als deskundige -en eerlijk gezegd ook persoonlijk- ben ik van mening dat je moet stoppen met drinken wil je niet voor je dertigste al dood zijn.' Julia pakt haar problemen aan, maar dat gaat met vallen en opstaan. 

Dat lezen we in de graphic novel Onmogelijke mensen, die als ondertitel heeft 'Een volkomen gemiddeld verslag van herstel.' Wertz is genadeloos in de manier waarop ze zichzelf observeert en tekent. Ze maakt het niet mooier dan het is. Ze schetst ons de weg die gaat van alcoholisme naar nuchter zijn, compleet met praatgroepen en momenten van terugval. Je zou kunnen zeggen dat niet meteen een vrolijk verhaal is, maar Wertz bewaart overal een lichte, ironische toon, waardoor je ook kunt glimlachen om wat Julia overkomt of om wat ze zich laat overkomen. 

Het boek opent op de dag dat Julia dertig wordt. Ze is met haar auto gestrand op een helling op Puerto Rico. Je zou kunnen zeggen dat het beeld een metafoor is voor haar leven op dat moment: vastgelopen.  

Terugblik

Daarna krijgen we een terugblik van vier jaar. We lezen over haar drankverslaving en hoe ze daar uiteindelijk vanaf komt en over haar relatie met een man die het op haar dertigste verjaardag uitmaakt. Dan zijn we eigenlijk weer bij de openingspagina beland.

Maar we maken ook de weg omhoog mee, ook op het gebied van haar werk. Uiteindelijk wordt ze geïntroduceerd bij The New Yorker waarvoor ze tekent over minder bekende gebeurtenissen in de geschiedenis van New York. Ze wordt uit haar huis gezet, wat niet alleen een tegenslag is, maar ook een kans. 

Het boek eindigt met 'Einde (min of meer)' Het leven gaat immers door. 

In het hoofd

Eigenlijk zit je als lezer de hele tijd in het hoofd van Julia. Er is veel dialoog in het boek, en soms gaat die over dagelijkse dingetjes. Het is niet voor niks een 'volkomen gemiddeld verslag'. Maar daardoor heb je wel het idee dat je dicht op het gewone leven zit. Haar manier van praten en reageren zijn tekenend voor wie Julia is. Ze schrikt niet terug voor banaliteiten, is vaak rechttoe rechtaan, maar kan ook tobben. 

Dat het dicht op het leven zit, zie je ook doordat er soms in de tekst staat 'namen weggelakt'. Het lijkt erop dat Wertz zichzelf de opdracht gegeven heeft zo eerlijk mogelijk verslag te doen. De namen die ze noemt, van bijvoorbeeld collega's lijken in ieder geval echt te kloppen. Maar ze wil blijkbaar mensen die wat verder van haar af staan niet onnodig in haar verhaal betrekken. 

Mensenverhaal

Je zou kunnen zeggen dat het boek nogal particulier is: de meeste van de lezers tekenen geen strips, wonen anders, hebben geen problemen met drank. En toch doet het verhaal vertrouwd aan. Je snapt Julia helemaal, doordat je zoveel van haar weet. Verder is het geen heldenverhaal, maar een mensenverhaal: iemand moet maar zien hoe ze door het leven komt. Ondanks tegenvallers probeert ze de moed erin te houden en elke keer als ze wakker wordt is er gewoon weer een nieuwe dag waar ze doorheen moet. 

Dat geeft niet alleen sympathie voor de hoofdpersoon, het geeft ook herkenning. We zijn allemaal 'volkomen gemiddeld', met onze dagelijkse gedoetjes. De openheid in het boek is ontroerend. Je hebt met Julia te doen, zonder dat ze zielig wordt. Op een of andere manier blijft ze toch haar waardigheid behouden. 

Zulke boeken, over gewone mensen in soms ongewone omstandigheden zijn bij Scratch de laatste tijd meer uitgekomen. Ik denk aan Smakelijk leven van Auréla Aurita en aan Ik ben een chaoot van Einat Tsarfati. Het leven is niet smetteloos, je hebt het niet in de hand en je moet toch door - dat laten dit soort boeken zien. Ze bieden de troost van het onvolmaakte. 

Tekeningen

De tekeningen van Julia Wertz zou je een beetje houterig kunnen noemen, maar ze zijn vooral ook helder en effectief. Nergens zijn ze uitbundig, altijd zijn ze dienstbaar aan het verhaal. Ze laten veel ruimte voor tekst, wat in dit geval ook nodig is om te laten weten hoe het hoofd van Julia werkt. 

Onmogelijke mensen is een intrigerend boek, dat nieuwsgierig maakt naar de rest van het werk van Wertz. Ze heeft een eigenzinnige geest en een verfrissende kijk op de dingen om haar heen. Daar wil ik wel meer over lezen. 

Julia Wertz, Onmogelijke mensen. Een volkomen gemiddeld verslag van herstel. Uitg. Scratch Books, 320 blz. € 29,95 (paperback)

woensdag 14 februari 2024

Memoires (Jeanneke Boon)

Jeanette De Wolf was beter bekend als Jeanneke Boon, de vrouw van Louis Paul Boon (1912 - 1979). Zij overleefde haar man ruim en stierf in 2005 op negentigjarige leeftijd. Ze is altijd nauw betrokken geweest bij zijn werk. Zo tikte zij het uit, wees hem op onduidelijkheden en herhalingen en ze komt veelvuldig voor in zijn 'Boontjes', die hij publiceerde in de krant. 

Voor wie het alweer vergeten is (of nooit geweten heeft): Boon is een van de grote schrijvers uit het Nederlandse taalgebied. De Kapellekensbaan (1953) is een van de beste boeken die ik ooit las. In 1956 verscheen een vervolg erop, Zomer te Ter-Muren, ook een goed boek. Andere titels die bekend werden zijn: Mijn kleine oorlog (1947), Menuet (1955), De bende van Jan de Lichte (1957), Pieter Daens (1971) en Het Geuzenboek (1979). 

Boon was ook beeldend kunstenaar en hij had een gigantische verzameling afbeeldingen van vrouwen, zijn Fenomenale Feminatheek. 

Levensverhaal op band

Begin 1988 stelde Jo, de zoon van Louis en Jeanneke zijn moeder voor om haar levensverhaal op band in te spreken. Die opnamen werden uitgetikt door de vrouw van Jo, Lucienne. Herwig Leus, vriend van de familie, nam de uitgetikte vellen door, achtte die chaotisch en onvolledig en hij voerde nog vijftig gesprekken met Jeanneke. Uiteindelijk resulteerde dat in een boekpublicatie, Memoires, dat in 1990 verscheen. In hoeverre Herwig Leus invloed gehad heeft op de uiteindelijke tekst is niet meer uit te maken. 

Leus kende het werk van Boon goed. Ooit kocht ik van hem het Boonboek (1972). Toen pas vernam ik dat Boon ook beeldend kunstenaar was; er staan aardig wat afbeeldingen in het boek. 

In de Memoires begint Jeanneke bij het begin: ze wordt geboren in Engeland. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vlucht het gezin vanuit Aalst naar Engeland. Haar moeder is op dat moment zwanger van Jeanneke. 

Als ze drie jaar oud is, krijgt ze een aanval van stuipen. De arts die wordt geraadpleegd zegt dat Jeanneke haar hele leven lang angstig zal zijn. Blijkbaar ziet ze dat zelf ook zo. In de Memoires komt verschillende keren voor dat ze een zenuwtoeval heeft. Dat komt overigens bij meer mensen voor. In de podcast Mina en Mevrouw legt een arts uit dat er aanvankelijk geen onderscheid werd gemaakt tussen een neuroloog en een psychiater. Van iemand met psychische klachten werd al gauw gezegd dat hij of zij zenuwziek was. 

Jeanneke en Louis

Na de oorlog keert het gezin terug naar Aalst. Jeanneke maakt kennis met Louis Paul Boon. 

Ik vroeg me af wat Louis in me zag, en of ik wel mooi genoeg was. Als ik wist dat hij kwam, dirkte ik me wat op, trok zijden kousen aan en ging op een stoel staan om bovenop de kast iets te nemen zodat hij mijn benen kon zien. 
Ze trouwen (23 mei 1936) en er zijn vaak problemen met de familie, van beide kanten, maar Louis en Jeanneke vormen een  hecht stel. Jeanneke vertelt hoe zij en haar man allerlei baantjes hebben om rond te komen. Louis begint met schrijven. Het eerste boek dat hij schrijft, is Het brood onzer tranen, maar hij is daar niet tevreden over en het manuscript belandt als toiletpapier op de wc. 

Boon heeft altijd veel van zijn leven in zijn boeken verwerkt. Door de Memoires krijgen we daar wat meer zicht op. Jeanneke heeft een winkel waarin ze kleren verkoopt. Haar hele leven heeft ze veel naaiwerk gedaan. Op een gegeven moment heeft ze drie meisjes in dienst. Marie-Josée Kindermans is nog maar veertien en zit nog op school, maar ze helpt na schooltijd. Ze wordt Jéken genoemnd en is 'een doodbraaf kind'. Zij is het meisje in Menuet. 

Oorlog


In 1939 wordt zoontje Jo geboren en twee maanden later wordt Louis gemobiliseerd. In 1940 wordt hij krijgsgevangen gemaakt. Uiteindelijk komt het gezin ongedeerd uit de oorlog. Tijdens de oorlog publiceert Boon zijn eerste boeken (De voorstad groeit in 1943 en Abel Gholaerts in 1944). 

Jeanneke dringt bij het eerste boek aan op inzending voor een prijs, de Leo J. Krijnprijs. De omgeving reageert sceptisch. 

Thuis wisten ze ervan en om de haverklap vroegen ze spottend: 'Hoe is het met Hendrik Conscience?' Ik legde het gespot naast me neer en dacht: wie het laatst lacht, best lacht. Louis zelf twijfelde, maar ik niet.

Slechte boeken

Boon zal de prijs inderdaad winnen. Hij krijgt een zekere erkenning, maar met de verkoop van zijn eerste boeken gaat het niet hard en in de loop van zijn leven zal hij ook veel kritiek krijgen. Men vindt dat hij vieze boeken schrijft, boeken die je niet moet lezen omdat ze slecht voor je zijn. Daar krijgt ook zijn zoon mee te maken. 

Even later kwam Jo binnen, zo wit als een lijk, en en zei dat hij een kleine jongen uit de Spaarzaamheidstraat had doodgeslagen. Die had, al spelend, tegen Jo gezegd: 'Uw pa is een zot. Ze zullen hem nog in de bak steken want hij schrijft slechte boeken.' En Jo was op hem afgevlogen, had hem in de Steenstraat in een doornhaag geduwd en daarna zijn fiets op de jongen gegooid. Nadien bleek het allemaal nogal mee te vallen.
Je krijgt in de Memoires een goed beeld van de tijd waarin het echtpaar moet sappelen om rond te komen. Jeanneke heeft verschillende keren last van haar zenuwen, Louis van zijn maag. De literatuur komt zeker voor in de herinneringen, maar veel blijft ongenoemd. Dat Boon in 1949 mede-oprichter is van het literaire tijdschrift Tijd en Mens lezen we niet. 

De Kapellekensbaan

De Kapellekensbaan wordt wel genoemd, maar niet uitgebreid. Als Boon het boek af heeft, stuurt hij het naar uitgeverij Manteau, maar daar durft men het niet uit te geven. Via Richard Minne hoort Reinold Kuipers van de Arbeiderspers dat Boon een boek af heeft. Hij wil het wel uitgeven, maar dan duurt het nog een jaar of drie voordat het boek er is. 


Financieel gaat het op dat moment wat beter. Jeanneke heeft veel naaiwerk en dankzij Richard Minne kan Louis elke week een bijdrage leveren aan het Gentse Dagblad Vooruit. In 1954 komt hij in dienst van de krant. 

In sommige kringen houdt Boon een dubieuze reputatie. Zo ontmoet Jeanneke een non die haar vraagt lapjes stof te leveren om schoteldoeken van te maken. 

Terwijl we aan het praten waren, zei ze plots: 'Van een voorbeeldig meisjes als jij had ik nooit verwacht dat je met een schrijver zou trouwen die zo'n vuile boeken schrijft.' Toen ik vroeg hoe ze dat wist, antwoordde ze dat de paster haar dat had verteld. 'Hij heeft ze dan toch wel gelezen,' merkte ik op. Ik heb haar wel de lapjes stof gegeven. 

Televisie

Boon krijgt wel meer werk, ook voor tv (vanaf 1962), waar hij vast panellid wordt bij het programma 't Is maar een woord. Dat levert ook nog wel eens problemen op.  

Tijdens een uitzending moest Nora Sneyers een definitie geven van een of ander woord en ze zei: 'De ene hangt lager dan de andere. En soms hangt de ene in de modder.' Waarop Louis prompt inpikte en zei: 'Luister Nora, de mijne hebben nog nooit in de modder gehangen. Veel gelach natuurlijk. Maar in de loop van de daaropvolgende week kreeg Louis een brief van directeur-generaal Paul Van den Bussche van de BRT met een strenge vermaning. De aflevering zou niet worden uitgezonden en Van den Bussche stelde Louis daarvoor verantwoordelijk. De aflevering werd inderdaad nooit uitgezonden. 


Succes

Na Pieter Daens (1971) wordt Boon ook gewaardeerd door katholieken. Als tegenwicht publiceert hij Mieke Maaike's obscene jeugd (1972). In dat jaar gaat hij met vervroegd pensioen. 

Boons werk heeft succes en hij wordt elk jaar voorgedragen voor de Nobelprijs. 

Maar hij was daar eigenlijk bang voor. Hij vreesde den ambras, vreesde dat ze hem naar Zweden zouden sleuren. 'Dat gaan ze mij toch niet aandoen,' zei hij vaak met een klein hartje.

Er komt ook een man langs die een tiental boeken van Boon in het Engels wil laten vertalen. Met De Kapellekensbaan is dat al gebeurd. De boeken zouden op de Amerikaanse markt komen, maar dan moest Louis wel een jaar naar Amerika. Dat is voor hem een reden om het contract niet te tekenen. 

Laatste jaren

De laatste jaren van Louis Paul Boon zijn moeilijk. In 1976 overlijdt zijn jongere broer Frans. Boon begint steeds meer te drinken en is depressief. Hij dreigt verschillende keren een eind aan zijn leven te maken. Soms loopt de spanning tussen hem en Jeanneke op. Op een gegeven moment zegt Jeanneke dat ze in de auto zal stappen en pas de volgende dag zal terugkomen. ''En hang je dan maar op als je daar zin in hebt,' riep ik.' 

Dat was natuurlijk maar een dreigement, ik was hoegenaamd niet van plan weg te gaan, maar plots kwam Louis voor me staan en zette een groot broodmes op mijn keel. 'Als je weggaat, snijd ik je de keel over,' zei hij. Ik verpinkte niet en keek hem recht in de ogen. 'Kom kameraad,' zei ik, 'geef me dat mes terug of jij gaat eraan.'

Ontluisterend, maar ook ontroerend - dat is het verslag dat Jeanneke van die laatste jaren geeft. Als ze naar de kapper is geweest, vindt ze Louis dood op de grond van zijn werkkamer. 

In de kliniek heeft men ook vastgesteld dat Louis pillen had geslikt. Maar of het nu de pillen van zijn dokter waren of andere, zullen we nooit weten. 

Bekroning

Eind 1978 was het werk van Boon bekroond met de driejaarlijkse Staatsprijs voor literatuur. Er gaat een verhaal dat Louis in 1979 de Nobelprijs voor literatuur zou krijgen, maar die wordt alleen aan levende schrijvers uitgereikt. Zo staat het in ieder geval op de Wikipediapagina, waar ook staat dat Boons biograaf het verhaal bestrijdt. 

Jeanneke leefde nog 35 jaar zonder Louis. In 1980 verscheen postuum zijn roman Eros en de eenzame man. Ik las het boek in 1985, toen het  uitkwam als Salamanderpocket. Waarschijnlijk had ik daarvoor alleen zijn grimmige sprookjes (Blauwbaardje in Wonderland en andere grimmige sprookjes voor verdorven kinderen - 1962) gelezen. In 1985 kocht en las ik De Kapellekensbaan (juni) en Zomer te Ter-Muren (november). Ik had nog heel wat te gaan. 

De Memoires kocht ik onlangs tweedehands. Het is tekenend dat voorop Boon scherp is afgebeeld en Jeanneke slechts vaag op de achtergrond. Natuurlijk las ik het om meer over Boon te weten te komen, maar Jeanneke zal mij toch ook bijblijven. Ze heeft Boon haar hele leven lang gesteund en dat is niet altijd gemakkelijk geweest. Toch heeft ze zich altijd staande weten te houden. 

Kom je dit boekje tegen, schaf het gerust aan. Het is niet al te dik (144 bladzijden) en je krijgt een mooi inkijkje in een mensenleven. 

dinsdag 13 februari 2024

Jeremiah 40: De vermiste


Hermann (Hermann Huppen) is een van de grote stripmakers. Hij heeft legendarische reeksen op zijn naam staan als Bernard Prince, Comanche, Jeremiah en De torens van Schemerwoude. Hij was al een heel tijdje bezig toen ik zijn albums ontdekte en ik heb er aardig wat tweedehands gekocht. Ook korte reeksen als Nick en de eerste twee delen van Jugurtha. 

De albums die Hermann maakte met scenarist Greg zijn allemaal wel goed. Maar later werkte hij samen met zijn zoon Yves H. en ook schreef hij zelf wel scenario's. Daarover zijn de meningen nogal verdeeld. In ieder geval halen ze het gemiddeld genomen niet bij de vroegere verhalen. 

Post-apocalyptische wereld

Jeremiah is een serie die al lang loopt. Het eerste deel, De nacht van de roofvogels verscheen in 1979. Er zijn twee hoofdpersonen: Jeremiah en Kurdy, met zijn helm en zijn ezel. De twee bewegen zich in een post-apocalyptische wereld, die troosteloos aandoet. Er staan hier en daar autowrakken, er zijn leegstaande gebouwen, er is eigenlijk geen georganiseerde staat. Blijkbaar is er ooit een ramp gebeurd en zoveel jaar na dato proberen de mensen een leven op te bouwen. 

Jeremiah en Kurdy komen in wonderlijke settings terecht. Er is gevaar, het is spannend, en uiteindelijk loopt het toch net goed af.

Intussen is de reeks aan deel 40 toe: De vermiste. Ik ben al lang gestopt om de albums te kopen, maar af en toe wil ik er nog wel eentje proberen en soms pakt dat ook nog wel goed uit. 

Tekeningen

De tekenstijl van Hermann is voor een deel hetzelfde gebleven. Zijn lijntje is altijd nog wel herkenbaar. Maar bij zijn vroege albums is er nadrukkelijk geïnkt. Die lijnen zijn in de loop der jaren minder hard en minder zwart geworden. Ook zijn de albums hun kleur kwijtgeraakt. Daarbij moet ik altijd denken aan de roman Labyrint (2004) van Fleur Bourgonje, waar een kunstenares ook de kleuren kwijtraakt. Ze komt terecht in de kleurrijke stad Fez. 

Bij Hermann zijn de tekeningen grauw geworden. Er lijkt ook vaak een soort mist te hangen. Je zou kunnen zeggen dat hij op zoek is naar de essentie en dat kleur blijkbaar afleidt of dat de grauwheid van de tekeningen symbolisch is voor de grauwe wereld waarin de personages zich bewegen. Voor mijn gevoel is er toch ook een soort fletsheid over de tekeningen gekomen, die ze minder sprekend maakt. De naargeestige sfeer van de leefwereld hangt wel duidelijk in het verhaal. 

Verhaal

In De vermiste speelt Jeremiah een beperkte rol. Kurdy wacht op zijn vriend, maar die komt maar niet opdagen. Hij vindt een fles met inhoud, merkt dat het geen whisky is, maar hij drinkt er wel van. Daardoor gaat hij halucineren en in de loop van het verhaal is hij vaak niet helemaal helder. Hij ontmoet een maatje, Sho, en samen proberen ze zich te redden. Er is een sekte, er zijn mensen met macht die samenspannen en er zijn mensen die daar slachtoffer van worden. Aan het eind van het verhaal worden (spoil, spoil) Kurdy en Jeremiah herenigd. 

Op scèneniveau zijn er nog steeds heel aardige passages en Hermann, al een eindje in de tachtig, is het tekenen nog niet verleerd, maar het verhaal als geheel heeft te weinig lijn, te weinig noodzaak, is te weinig dwingend. Eerlijk gezegd deed het me weinig en dat had ik liever anders gezien. 

Het is nog altijd prettig om een album van Hermann te lezen, maar er is eigenlijk niets in dit verhaal dat je bijblijft. Dat is jammer. Gelukkig is er nog genoeg ander werk van Hermann om te (her)lezen. 

Reeks: Jeremiah
Deel 40: De vermiste
Tekst en tekeningen: Hermann
Uitgeverij: Dupuis
48 blz. € 9,99 (softcover)

Eerder schreef ik over andere albums van Hermann: