woensdag 7 juni 2017

Herinneringen in aluminiumfolie (Jamal Ouariachi)


Verhalenbundels - bij dat woord alleen al wordt vaak gezucht. Ze verkopen niet, ze hebben te weinig aanzien, we hebben geen verhalentraditie. Verhalen doen schrijvers erbij. Van Bernlef, Zwagerman of Brouwers kennen we de romans, maar wie weet een verhaal van hen te noemen? Er zijn maar een paar schrijvers bij wie we wel meteen aan het korte verhaal denken: Maarten Biesheuvel, Sanneke van Hassel.

Jamal Ouariachi (wiens boek Een honger ik nodig moet gaan lezen) schreef de verhalenbundel Herinneringen in aluminiumfolie. Bijna schreef ik, automatisch, 'waagde zich aan het korte verhaal'. Achter in de bundel laat Ouariachi zich pittig uit over het genre en het bejammeren ervan. Zo'n J.M.A. Biesheuvelprijs of de Week van het Korte Verhaal leggen volgens hem de schuld bij de lezer: die heeft niet begrepen dat korte verhalen wél de moeite waard zijn.

Maar volgens Ouariachi zijn lezers dol op korte verhalen. Hij geeft drie beroemde voorbeelden, weliswaar uit andere tijden, van andere plaatsen, om aan te tonen dat het niet aan de lezer ligt. De schrijver heeft het gedaan, volgens hem. Die levert af en toe een verhaal op bestelling en dat schrijft hij even tussendoor, wat resulteert in broddelwerk, bagger. Of hij neemt een stukje uit een roman in wording en noemt dat een verhaal.

'Charlatans', noemt Ouariachi die schrijvers en eentje noemt hij met name: A.L. Snijders, die zijn korte teksten 'zeer korte verhalen', dus 'verhalen' noemt, wat ze niet zijn. Ook Biesheuvel (een 'gekkie') krijgt nog even onder uit de zak, waarbij ik me afvraag of Ouariachi Biesheuvel wel gelezen heeft.

De schrijver moet de lezer weer geven wat hem of haar toekomt:
Gewoon een goed verhaal. Ambachtelijk opgeschreven. Artistiek fascinerend. Experimenteel voor mijn part. Maar wel met feiten, details, actie, zintuiglijke indrukken, boeiende overpeinzingen. Niet dat verkrampte reductionisme waar je mensen mee wegjaagt. Niet dat kijk-mij-eens-diepzinnig-bijna-niks-zeggen. Als je daarnaar streeft, houd dan liever helemaal je mond of klap je laptop dicht. 
Ouariachi geeft zelf het goede voorbeeld door ons een bundel degelijke verhalen te geven. Ze hebben niet altijd een plot en die hebben ze dan ook niet nodig: je raakt geboeid door de personages en leeft een tijdje met ze mee.

De diversiteit van de verhalen is groot. Soms loopt Ouariachi met grote stappen door de tijd ('De brug'); 'Keuze' begint als Koolhaasachtig dierenverhaal, verandert dan van perspectief en geeft een veel langere tegenhanger; 'De Moslim Sportvissers Club' begint als pure lol, maar krijgt gaandeweg een serieuzere lading; 'De Toeristenslager' lijkt een uitgesponnen Broodje Aap. Ouariachi heeft niet een vaste manier om zijn verhalen te vertellen, waardoor ze verrassend blijven. Toon en opbouw wisselen per verhaal.

Van de meeste verhalen heb ik genoten. Niet genoemd nog heb ik 'Come Together', dat begint als een weergave van een televisie-uitzending; 'Hoofd', waarin de verhouding tussen de personages anders is dan aanvankelijk lijkt; het titelverhaal, een mooi klassiek verhaal; 'Minder niets meer', waarin je geniet van hoe de hoofdpersoon met zichzelf marchandeert; 'Sabotage', dat zich afspeelt in een voor ons exotische omgeving en dat de (on)macht van personen laat zien. En dan is er nog 'Zopor', waar ik niet mee uit de voeten kon. Dat zal aan mij liggen.

Een verhalenbundel hoef je niet in één keer uit te lezen. Ook dat is een aardige kant aan zo'n boek. Het is een maaltijd die je per gang kunt genieten, waarbij je tussendoor kunt opstaan van de tafel en je benen kunt strekken.

Van de verhalen van Ouariachi heb ik genoten: goede verhalen, goede bundel. Voor wie meer verhalen wil lezen: eerder schreef ik over Elma van Haren en Sanneke van Hassel. Maar lees natuurlijk ook Belcampo, Bob den Uyl, Nescio, Anton Koolhaas en de korte verhalen van schrijvers die vooral als romanschrijvers bekend zijn: Maarten 't Hart, Ferdinand Bordewijk, Louis Couperus en vele, vele anderen.

woensdag 31 mei 2017

Slordig met geluk (Menno Wigman)


Het is de tijd van het jaar: de examen- en daarna de correctiedrukte. Ze vullen het hoofd zo, dat er geen ruimte meer was voor lezen en schrijven. Nou ja, wel voor af en toe een gedicht en ik had het grote geluk dat juist van Menno Wigman Slordig met geluk binnen handbereik lag. Over zijn vorige bundel, Mijn naam is Legioen, was ik nogal enthousiast. Ook deze bundel staat mij zeer aan.

Het openingsgedicht is 'Herostratos'. Dat is de naam van de jongeman die in 356 voor Christus in Efeze de tempel van Artemis in brand stak. Hij was op zoek naar roem. De autoriteiten van Efeze decreteerden dat zijn naam niet meer genoemd mocht worden, maar tevergeefs. 
Er tikken pissebedden in mijn hoofd.
Ze naaien mijn gedachten op.
Ik denk al dagen aan een daad, zo groot,
zo hevig en dramatisch dat mijn naam
in alle kranten komt te staan. 
Napoleon, las ik, was kleurenblind
en bloed was voor hem groen als gras.
En Nero, die bijziend was, hield het  spel
in zijn arena bij door een smaragd. 
Nu even stilstaan. Moet je horen: ik
ga straks de straat op, ik besta het, schiet
me leeg en verf de feeststad groen. 
Nog voor het eind van het festijn
zal ik de grootste zoekterm zijn. 
De 'ik' in dit gedicht kan niet letterlijk Herostratos zijn: hij kent immers Napoleon en Nero, hij weet wat kranten zijn en gebruikt het begrip 'zoekterm'. Maar het moet wel gaan om een Herostratosachtige figuur, op zoek naar roem.

Er tikken pissebedden in zijn hoofd. Ik associeer de pissebed, met duisternis. Een pissebed kruipt het liefst weg, onder een tegel  bijvoorbeeld. We zagen de beestjes alle kanten op schieten toen we als kind zo'n tegel lichtten. 'Kelderzoegen' (kelderzeugen), noemden we ze.

Bij het tikken moet ik denken aan het tikken van een naaimachine. De pissebedden naaien de gedachten op van de 'ik'. Hoe opgenaaid hij zich voelt, blijkt uit het slot van het gedicht.

Napoleon en Nero doen ons denken aan alle bloederigheid die aan hen kleeft; het bloed dat (door kleurenblindheid en smaragd) groen lijkt. De 'ik' wil ook een bloedbad aanrichten en daarmee zoveel publiciteit krijgen dat iedereen op internet naar hem zoekt.

De strofen tellen vijf, vier, drie, twee regels, alsof er afgeteld wordt. Het kan niet lang meer duren voordat de aanslag plaatsvindt. Het volrijm in de laatste twee regels benadrukt de afronding van het gedicht. Er gaat iets gebeuren na de punt achter het laatste woord. Tijdens een 'festijn', blijkbaar. Bij de aantekeningen achter in de bundel komen we erachter welke feestelijke gelegenheid dat is: de kroning van Willem-Alexander op 30 april 2013.

Wigman leeft zich in in de geest van iemand die het extreme niet schuwt om roem te vergaren. Je kunt zo iemand 'ziek' noemen, maar mij valt meer op hoe begrijpelijk zijn motieven zijn. Hoe je zelf zo iemand zou kunnen zijn.  De ik-vorm zal daar ook wel bij helpen.

Slordig met geluk is strak gestructureerd, in vijf afdelingen van zeven gedichten. Ook de gedichten hebben iets straks: strofisch, regels van ongeveer gelijke lengte, een metrum dat onopvallend meegolft onder de regels. Soms zijn de woorden hard, soms hebben de regels een grote mond. Er zijn onverwachte combinaties van bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden: 'gure schoonheid', 'gore jaloezie', 'harde luxe', 'gure ruzies', 'een nog net niet schurftig rijm', 'slecht gefilmde pijn'.

En altijd klopt er een hart in het gedicht. De lezer wordt gemakkelijk het gedicht in getrokken doordat er een 'ik' of een 'wij' aan het woord is. Soms is dat iemand die op de dichter lijkt, soms is hij dat zeker niet. Of alleen maar voor de tijd dat hij het gedicht schrijft.

Er zit veel emotie in de gedichten, maar het is de emotie van de opgetrokken wenkbrauw. Wigman loopt er niet mee te koop. Misschien dat juist daardoor de gedichten zo dicht op je gaan zitten.

Het schrijven, het dichten, komt verschillende keren terug. Van de verzuchting 'Had je maar nooit een gedicht gezien' tot 'Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot / en kwam ik grimmig zingend op verhaal.' Dat laatste citaat komt uit het gedicht 'Toen ik begon te schrijven'. De regel slaat niet op de beginfase van het dichterschap, maar op 'Later,/veel later'. Toen was de dood al dichterbij gekomen en in het aangezicht van de dood past het om grimmig en verbeten te dichten.

Vandaar misschien ook het zich afzetten tegen natuurbeschrijvingen: 'ik denk dat dit gedicht best zonder kan.' En ook hier wordt geschopt: 'Vergeet / de onzin van natuurlyriek en schop / de weerberichten uit de poëzie.' De natuur komt er trouwens niet best af: 'O sleep me uit dit groene braaksel weg.'

Om het gedicht waaruit dat laatste citaat komt, 'Tegen de natuur', moest ik breed grijnzen en het mag ook wel eens gezegd dat Wigman goed gedichten op lichte toon kan schrijven. In veel gedichten is de dood niet ver weg, maar vaak blijven de gedichten ook iets opgewekts of op zijn minst iets vitaals behouden.

Er is genoeg te analyseren in de bundel, in de gedichten. Er zijn verstandige dingen over te zeggen, je kunt er nadenkend bij knikken. Maar we moeten ze lezen, herlezen, over ons heen laten komen, door ons heen laten gaan. Sommige van ons af laten glijden, andere blijven lezen en dan merken dat ze niet doffer worden. Goede dichter, die Wigman.
Vliegtuiggedachten
Het donker had mijn vaders kleren aan
toen ik vannacht een vliegtuig nam.
Ik ging gelaten de douane door
en zat vertreurd te staren door het raam.
Het donker, vader, had je kleren aan.
We stegen op. Een wolk, toen nog een wolk,
zo kwam je jaren na je dood weer door.
Ik vroeg me af waar je nu overnacht,
dacht aan je stem, ons huis, je hoofd en zag
een sneeuwwoestijn waar niemand woont.
Als ik me niet vergis, papa, bewaar
je zelf geen beeld meer van je dood.
Het donker heeft ook niet je kleren aan.
Al tien jaar ben je van je huid beroofd.
Ik zoek niet langer woorden voor vergaan.

maandag 8 mei 2017

Eloise (Ibrahim R. Ineke)


Ibrahim R. Ineke is een intrigerend stripauteur. Zijn verhalen laten zich (althans door mij) niet altijd gemakkelijk lezen: steeds moet ik me afvragen wat er eigenlijk gebeurt. Ook na zorgvuldige lezing blijft een lezer bij Ineke soms met vragen zitten, maar dat is inherent aan de thematiek.

Ineke verkent altijd de grens tussen wat zichtbaar is en de werkelijkheden die we niet waarnemen, maar die wel invloed hebben. Vaak zijn het duistere krachten. Die krachten schrikken sommige mensen af, maar trekken andere juist aan.

Het nieuwe album van Ineke, Eloise, heeft dezelfde fascinatie voor het duistere als de vorige albums. Het verhaal is wel helderder verteld, meer als een doorlopende lijn. Hoofdpersoon in Eloise is het meisje dat die naam draagt. Ze is verhuisd uit de stad naar een buitenwijk in een andere plaats. De reis daarnaartoe wordt door Ineke enkele bladzijden lang getekend. Blijkbaar moest ze een lange weg afleggen om op haar bestemming te arriveren.

In haar nieuwe woonplaats maakt ze kennis met een jongen die zit te lezen bij een oude watertoren. Hij laat haar de omgeving zien. Zijn ouders zijn nooit thuis, ze werken. The white people begint ook met enkele kinderen. Misschien dat Ineke hen kiest als personages, omdat ze ontvankelijker zijn, meer openstaan voor krachten die volwassenen al weggerationaliseerd hebben.

De watertoren is een vrijplaats voor jongeren. De jongen leest er overdag, later op de dag hangt de oudere jeugd er rond. Nog weer later is er 'the green man', een zwerver, waarvan men niet zeker weet of die wel bestaat of dat hij alleen maar gebruikt wordt om de jongeren schrik aan te jagen.

Ineke houdt van verlaten plaatsen, van plaatsen die niet behoren tot een keurig aangelegde omgeving. Het zijn plaatsen met mogelijkheden. Daar kunnen dingen gebeuren die niet in de gereguleerde wereld gebeuren.

Eloise heeft al een connectie met het duistere. Als ze weggaat praat ze tegen de schedel van ram. Die zwaait haar ook uit. Misschien is het een kind dat die schedel draagt, misschien is de schedel in haar hoofd getransformeerd tot een persoon. Verderop in het boek wordt er bij een ram de keel doorgesneden, alsof het een offer betreft. Het offeren kwamen we ook tegen in Half blood.

Dromen zijn een bekende verbinding met een andere werkelijkheid. Eloise droomt van een soort Stonehenge, waarbij er ketenen aan de rotsen geklonken zijn. Uiteindelijk blijken dat haar eigen ketenen te zijn. Daarvan moet ze bevrijd worden.

Ze heeft een lange weg afgelegd om haar bestemming te vinden. Ze heeft daarvoor moeten inzien dat dingen niet zijn wat ze lijken. Als ze zegt dat er iets mis is met de tuin van het huis waarin de lezende jongen woont, zegt de groene man tegen haar dat er wat mis is met haar waarneming van de tuin. Dat blijkt als ze wel kan waarnemen wat de tuin in werkelijkheid (of in een andere werkelijkheid) is.

Op het achterplat van het album vertelt Ineke dat hij zich heeft laten inspireren door tv-series als Children of the stone en The Owl Service. Die heb ik niet gezien. Een ander moet de overeenkomsten daarmee en de afwijkingen daarvan achterhalen.

Met Eloise heeft Ibrahim R. Ineke weer een intrigerend album toegevoegd aan zijn gestaag groeiende oeuvre. Ook nu weer gebruikt hij zijn kenmerkende stijl: pentekeningen waarvan sommige lijnen weggevallen lijken of zo dun lijken te zijn dat wij ze niet meer zien. Dat geeft de tekeningen een lichtheid en een openheid die contrasteert met het zwart dat hij in andere tekeningen in grote vlakken gebruikt. Op verschillende bladzijden is ook de achtergrond, het papier achter de plaatjes, zwart.

Eloise raakt haar ketenen kwijt, zij vindt haar bestemming. Ze zegt zelfs tegen de andere kinderen dat ze 'hier' geboren is. Het woord 'herboren' zou meer voor de hand liggen, maar misschien is een wedergeboorte pas iemands werkelijke geboorte.

Misschien zijn we het gevoel voor magie kwijtgeraakt en zien we alleen wat voor ogen. Ineke laat ons zien dat de werkelijkheid gelaagd en dat er meer is dan wat we op het eerste gezicht zien. Of dat iets is om ons op te verheugen of om bang voor te zijn, is maar de vraag.

Titel: Eloise
Auteur: Ibrahim R. Ineke
Uitgeverij: Sherpa
Haarlem 2017; 112 blz. € 16,95

donderdag 4 mei 2017

Veni, vidi, vici (Knipoog 65)


In NRC Handelsblad van 3 februari 2016 worden twee boeken over Lenin besproken. Beide boeken zijn van de hand van Britse historici. De boeken verschijnen een eeuw na de Russische revolutie. 

Door collaboratie met Duitsland wist Lenin in 1917 op tijd Petrograd te bereiken om daarna een staatsgreep te plegen. De Britten deden er alles aan om zijn tocht uit Zwitserland tegen te houden. Dat staat zo'n beetje in het inleidende stukje boven de uitgebreide recensie.

Op de voorpagina van het katern Boeken staat Lenin afgebeeld (een tekening van Joost Hölscher), met daarbij de tekst 'Lenin, kwam, zag en overwon', een knipoog naar 'Veni, vidi, vici' (= ik kwam, ik zag, ik overwon), een uitspraak die Julius Caesar deed in 47 voor Christus, volgens Wikipedia. In twee biografieën (die van Suetonius en die van Plutarchus) wordt de uitspraak vermeld.

De uitspraak werd beroemd, en dus werd erop gevarieerd. Dat is ook niet zo moeilijk: je hoeft alleen 'ik' te vervangen door een naam. Dat is dan ook gebeurd. Er zijn voorbeelden te over van mensen, groepen, teams, die kwamen zagen en overwonnen:

BroederliefdeRuthChantal NijpjesChjairimaMarlou BolsPhronesisNajib AmhaliEsmée SchreursHyundai i10Richard GroenendijkNew WaveMuhammad Ali en Ronaldo.

Erg origineel is het niet, maar blijkbaar werkt het. Dat moet ook de redacteur van NRC Handelsblad gedacht hebben. Lenin staat nu niet alleen in hetzelfde rijtje als Julius Ceasar, maar ook dat van Muhammad Ali, Ronalda en Najib Amhali. Ook niet slecht. 




woensdag 3 mei 2017

Eigen volk eerst (Knipoog 64)


Voor op het economiekatern van NRC Handelsblad van vrijdag 10 maart 1972 staat een verfroller, waarmee de kleuren van de Nederlandse vlag worden geschilderd. Als tekst staat erbij: 'Eigen verf eerst'.

Als uitleg lezen we nog het volgende tekstje:
AkzoNobel weigerde een miljardenbod van PPG. Eerder wezen PostNL en Unilever een overname al af. Hoe houd je gretige opkopers van het lijf?
De 'verf' slaat natuurlijk op AkzoNobel. Dat bedrijft verklaart op de site:
Wij zijn wereldwijd leider in decoratieve verven en de grootste producent van performance coatings.
De uitdrukking 'Eigen verf eerst' is een knipoog naar de uitspraak 'Eigen volk eerst'. Doordat 'verf' en 'volk' allitereren is de knipoog overduidelijk.

Waar komt de uitdrukking 'Eigen volk eerst' (ik ben steeds geneigd er een uitroepteken achter te zetten) vandaan? Hier en daar tref ik op internet verwijzingen aan naar Janmaat van de CentrumPartij, 1986. Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat Hans Janmaat de uitvinder van de term is.

In De Volksvriend van 28 mei 1936 (zie hier) kwam ik 'Ons eigen volk eerst' tegen:


De schrijver die het gebruikt, noemt het als vanzelfsprekend. De uitspraak lijkt dan al bekend te zijn. Maar ik kan niet terugvinden op welke prominente plaats de uitspraak voor het eerst is gedaan. Misschien dat een lezer opheldering kan geven.

Het Vlaams Blok (dat later Vlaams Belang werd) gebruikte de slogan 'Eigen volk eerst' in veel uitingen prominent. Na Janmaat en Vlaams Blok is de kreet op veel plekken te horen en te lezen geweest. Logischerwijze is er ook veel op gevarieerd.

Enkele voorbeelden: 
eigen armen eerst (hier)
eigen(wijs)heid eerst
eigen veiligheid eerst (hier)
eigen studenten eerst (hier)
eigen risico eerst (hier)
eigen kamperfoelie eerst (hier)
eigen gras eerst (hier)
eigen artsen eerst (hier)
eigen daklozen eerst (hier)

De lijst aan varianten is bijna oneindig. Er is ook niet zo heel veel creativiteit nodig om een variant te bedenken. Maar het werkt! Anders had ik immers dit stukje niet geschreven naar aanleiding van 'Eigen verf eerst'.

hier gevonden

dinsdag 2 mei 2017

Toen de Amboneesjes kwamen (Zwart en wit 11)


Het woord was ik bijna vergeten: Ambonees. Vroeger gebruikten we het wel. Op mijn middelbare school zaten enkele 'Ambonezen'. Misschien kwamen ze uit Opheusden, waar een grote Molukse gemeenschap was en wellicht nog is. De woorden 'Moluks' en 'Molukker' heb ik waarschijnlijk voor het eerst gehoord bij de treinkapingen in de jaren zeventig. Wellicht is dat ook het moment geweest waarop het woord 'Molukker' het woord 'Ambonees' heeft vervangen.

Op een rommelmarkt zag ik een kinderboek waarvan de titel mij meteen opviel: Toen de Amboneesjes kwamen, geschreven door H. Hoogeveen en gepubliceerd in 1954. Van die schrijver las ik eerder Het jonge boerenknechtje, een boek dat stamt uit de jeugd van mijn vader. 

Hier lees ik dat Hoogeveen hoofd ener school was. Toen de Amboneesjes kwamen is gebaseerd op de ervaringen van de schrijver op wiens school Molukse leerlingen kwamen. 

Hoofdpersonen in het jeugdboek zijn Harm en zijn overbuurmeisje Gellie. Ze gaan samen naar school en spelen met elkaar na schooltijd. Als Gellie moet nablijven, wacht Harm op haar, totdat hij samen met haar naar huis kan lopen. Andere vrienden hebben ze niet. Maar dan komen er nieuwe kinderen op school: 'Amboneesjes'. 

Het is ongetwijfeld de bedoeling van de schrijver om de nieuwe kinderen positief te tekenen. Orpa, die vriendin wordt met Gellie, kan kaatseballen met drie ballen en daar kijkt Gellie met bewondering naar en haar broertje Daniël kan harder lopen dan Harm, al heeft Harm als excuus dat hij op klompen loopt. 

Toch is de manier waarop ze beschreven worden in hedendaagse ogen gênant. 
De volgende morgen, even voor negen, stopt er een bus voor de school. En zie nu eens wie er uit komen. Allemaal.... bruine kinderen! Bijna zwart zijn ze. Zo donker. 
Aan het uitroepteken is te zien hoezeer de kinderen zich verwonderen over de nieuwe leerlingen. 
Och, och wat zijn dat toch wonderlijke kinderen. Gitzwart haar, donkere ogen, nog nooit heeft ze (= Gellie T.B.) zulke vreemde kinderen gezien. 
Gellie hoopt dat een van de nieuwe leerlingen naast haar komt te zitten:
Zo'n bruin meisje bij haar in de bank, dat zou prachtig zijn! Wie weet.... 
Er komen vier nieuwe leerlingen bij Harm en Gellie in de klas: een jongen en drie meisjes.
Allemaal leuke, donkere snoetjes. Het ene meisje heeft kleine, fijne krulletjes in het haar en een ander.... o nee, Gellie hoopt niet, dat díe naast haar komt zitten. Die kijkt zo zwart, net of ze vreselijk boos is. Gellie wordt er haast bang van. 
De uiterlijke kenmerken ('koolzwarte ogen', 'hagelwitte tanden') worden nogal benadrukt. Al eerder  (in Een bruine jongen ) kwamen we de associatie tegen van een donkerder huidskleur met onreinheid. In Een bruine jongen is het de bruine jongen zelfs die zorgvuldig zijn handen gaat wassen. Die associatie komt ook in dit boek voor.

Gellie, die later vriendinnetjes zal worden met Orpa, observeert haar:
Gellie schuift een beetje op zij. Ze vindt het ook nog wat griezelig om naast zo'n bruin meisje te zitten. Kijk eens, hoe zwart die handen en vingers zijn. Net of het zich nooit heeft gewassen. En de neus en de oren, alles is even donker. Het meisje vindt het zelf vast ook erg, want het heeft haar hoofd diep tussen de schouders getrokken en zit verlegen voor zich heen te staren. 
De vanzelfsprekendheid van het 'witte' perspectief is, gezien de tijd waarin het boek geschreven werd, wellicht nog wel te verklaren. Maar je voelt hier ook de superioriteit waarmee Gellie naar 'zo'n zwartje' kijkt.

Er is niet alleen een associatie met 'ongewassen', maar ook met 'wild'. Gellie is bang dat Orpa haar zal aanvliegen en haar in de neus zal bijten. Een wonderlijke gedachte.

Gellie heeft wel eerder plaatjes van zwarte mensen gezien, in een verhaal over de zending.
Maar dat zijn heidenen. Die kennen de Here Jezus niet. Of zou.... Gellie kijkt met schrik het Ambonese meisje aan. Is dit misschien ook een heiden?
 De gevoelens van superioriteit zijn misschien mede daardoor te verklaren. De arme heidenen zien nog niet in dat ze niet het juiste geloof hebben. Later in het verhaal zal blijken dat Orpa en Daniël niet voor niets Bijbelse namen hebben. Ze zijn wel degelijk christelijk en ze hebben een broertje dat David heet, ook al zo'n held uit de Bijbel.

Gellie en Orpa sluiten vriendschap.
Dan lacht het zwartje. Werkelijk, het lacht! Gellie krijgt er haast een schokje van. Wat heeft het toch mooie, witte tanden!
'Het zwartje' is nu duidelijk denigrerend. Hier wordt het alleen maar erger gemaakt door dat 'het', dat Orpa bijna tot een ding maakt. Taalkundig klopt het allemaal, maar het klinkt beledigend.

De schrijver ziet zijn beschrijving van de nieuwe leerlingen duidelijk niet als problematisch. Hij doet er alles aan om de kinderen positief te tekenen. Orpa blijkt erg goed te kunnen leren, tegen de verwachting van Gellie in.
Zou ze erg goed kunnen leren? Dat had Gellie niet van zo'n bruin kind verwacht. Waaròm - och, dat weet ze eigenlijk niet goed. Ze dacht maar dat zulke kinderen veel dommer waren dan blanke. Maar nu ziet ze wel anders. Hoe ze haar best ook doet, ze krijgt de kans niet om Orpa die morgen in te halen. 
Gellie wordt geconfronteerd met haar eigen vooroordelen. Blijkbaar is de schrijver zich daarvan bewust. Toch wordt Orpa vooral stereotiep beschreven.

De vader van Gellie laat zich positief uit over de Molukkers:
Ze behoren tot een volk, dat veel voor ons land heeft gedaan. Het is trouw aan onze Koningin. Het is ook een christenvolk. Elk volk, dat in nood verkeert, moeten wij helepen. En dit volk in 't bijzonder. Daar heeft het recht op.  
Naast de nieuwe leerlingen speelt de vriendschap tussen Gellie en Harm een rol. Daar komt een kink in, doordat Gellie alleen oog heeft voor haar nieuwe vriendinnetje. Harm sluit daarop vriendschap met Daniël, Orpa's broer. Pas als ze met zijn vieren gaan spelen in het kamp van de Molukkers wordt iedereen (weer) bevriend met iedereen.

Toen de Amboneesjes kwamen is een uitgave van de christelijke uitgever Callenbach. Het geloof komt dus ook nog om de hoek kijken. Gellie realiseert zich dat Orpa en Daniël christenen zijn. En dan schieten haar 'opeens' een paar regels te binnen:
Een plaatsje in Zijn hart
Heeft elk kind, blank bruin en zwart.
Het is de vraag of de christelijke lezers de boodschap krachtig genoeg vonden. Bij Het jonge boerenknechtje was het oordeel indertijd niet mis:
De strekking is op zichzelf niet slecht. Auke zoekt kracht in het gebed. Maar het godsdienstig karakter heeft geen gehalte genoeg. Niet het woord Gods, maar een plaat, bij het verlaten van de school ontvangen, met de spreuk „Leven is strijden" bemoedigt Auke. We lezen zoo weinig van zonde en schuld. Wel wordt daarvan niet gezwegen, maar het geheel is te slap. Er zit naar ons oordeel geen pit genoeg in. Daarom is onze conclusie: matig aanbevolen. (Bron: zie hier).
Toen de Amboneesjes kwamen is een boek uit de christelijke hoek, waarvan de goede bedoelingen duidelijk zijn, maar het heeft in hedendaagse ogen duidelijk stereotyperende en daardoor wellicht racistische aspecten. Alleen de titel al kun je tegenwoordig niet meer gebruiken door dat verkleinwoord 'Amboneesjes'. Laten het er maar op houden dat dit jeugdboek ons een tijdsbeeld geeft.

zondag 30 april 2017

Terug naar Studio Arnhem


Op 1 januari werd Studio Arnhem opgericht door de striptekenaars Aloys Oosterwijk, Ben Jansen, Hanco Kolk, Evert Geradts en René Meulenbroek. Even later kwam daar nog Gerard Leever bij. Intussen bestaat het collectief niet meer, maar de individuele striptekenaars zijn doorgegroeid en hebben intussen een oeuvre op hun naam staan. Ben Jansen overleed in 1994.

Bij uitgeverij Personalia verscheen het album Terug naar Studio Arnhem met vroeg werk van de tekenaars dat niet eerder in albumvorm verscheen. De strips vormen de hoofdmoot, daaromheen worden stukjes geschiedenis verteld, zodat je een beeld krijgt van hoe de verhalen ontstaan zijn en waar ze eerder te lezen waren.

Een geschiedschrijving was natuurlijk ook interessant geweest, maar ik vind het wel mooi dat de nadruk op de strips ligt. Je leest en bekijkt de verhalen met in je achterhoofd wat er van de auteurs geworden is. Vaak zijn de eerste aanzetten van een latere stijl al te zien, maar je ziet ook hoe de jonge honden aan het experimenteren zijn.

Tekenen kunnen ze dan al heel aardig. Het schrijven van scenario's is andere koek. Soms lukt dat goed, maar enkele verhalen hadden beslist strakker gekund. Het plezier in het tekenen en het vertellen wordt wel in elk verhaal duidelijk. Er zit veel energie in Terug naar Studio Arnhem.

Ik gok dat Terug naar Studio Arnhem vooral gekocht en gelezen zal worden door stripliefhebbers die het latere werk van de auteurs ook al gelezen hebben. En door mensen die gedreven worden door nostalgie: ach ja, de jaren tachtig. De foto's uit die tijd dragen er ook toe bij. Maar beginnende striplezers kunnen het ook gebruiken als eerste kennismaking met het werk van een groep tekenaars.

Al met al is deze bloemlezing uit het werk van de bende van zes een mooi verzorgd album geworden. Na het lezen ervan krijg je toch weer zin in de avonturen van Gilles de Geus, Cor Morelli of De Alsjemaar Bekend Band.

Tekst: Kolk, tekeningen: Leever

Uit: La Verne en Dolores (Geradts/Jansen)
 Titel: Terug naar Studio Arnhem
Samenstelling: Cok Jouvenaar, Gerard Leever, René Meulenbroek
Uitgeverij: Personalia
Leens 2017; 80 blz. hardcover, € 19,90

Herinnering aan Holland (Knipoog 63)


Op zaterdag 25 maart stond er in Trouw een stuk van Hans Goslinga onder de titel 'Denkend aan Holland zie ik KIaver regeren.' Dat is een duidelijke knipoog naar het gedicht 'Herinnering aan Holland' van Marsman. Al eerder signaleerde ik een knipoog naar dat gedicht.

Het gedicht begint met:
Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan
Het is erg bekend geworden, wellicht door de kenmerkende smalle vorm (die wel iets van een brede rivier wegheeft) en door het stevige metrum. Hans Goslinga neemt dat metrum over, wat zijn knipoog geslaagd maakt. Je hebt het idee dat de rest van het gedicht gemakkelijk kan volgen.

In Knipoog 29 noemde ik al enkele knipogen. Er zijn er meer. In de Volkskrant van 3 april 2015 schreef Margriet Oostveen: 'Denkend aan mest, zie ik rivieren van drek traag door oneindig laagland gaan'. Wel een duidelijke knipoog, maar met iets meer gepuzzel had wellicht het metrum gehandhaafd kunnen blijven.

Een opmerkelijke knipoog kwam ik hier tegen: een gedicht dat door ene Onno Kosters geschreven is voor Dit is de dag van Evangelische Omroep, 6 mei 2010. De titel van het gedicht is 'Denkend aan Heijne'. De enige Heijne die ik ken, is Bas Heijne, maar die blijkt niet bedoeld te zijn.

Het gedicht begint met:
Denkend aan Heijne
zie ik 50 jaar later
een veelkleurig volk
door stukverkaveld laagland gaan,
land van stemmen, niet meer van stemmingen,
laagland, geen water,
laagland vol hoogbouw,
laagland van asfalt,
maar laagland waar wie maar wat lalt
niet dagen in het gevang wordt gesmeten,
laagland waar we weten
dat 50 jaar terug zich een toekomst ontspon,
terwijl in de rest wereld
het einde begon.
Die '50 jaar' doet me vermoeden dat hier niet Bas Heijne, maar Heinrich Heine bedoeld is, die gezegd of geschreven zou hebben dat in Nederland alles vijftig jaar later gebeurt. Maar er wordt toch ook verwezen naar Bas Heijne:
Denkend aan Heijne
denk ik met Heinrich
50 jaar verder
en put ik hoop
uit de columns van Bas,
zelfs al zullen ook die op een dag
over de rand van de tijd, van de ídentiteit,
met de gedichten van mij en van Heine verdwijnen.
Fraai is het allemaal niet en bij nauwkeurige lezing is er heel wat op aan te merken. Is de 'rand van de tijd' hetzelfde als de rand 'van de ídentiteit'? De columns van Bas Heijne in één adem noemen met de gedichten van Heine is heel vleiend, en zo zal het ook wel bedoeld zijn, maar waarom propt Kosters daar ook nog zijn eigen gedichten tussen? Om te laten zien dat 'op een dag' de goede en slechte dingen vergeten zullen worden? Het is te hopen dat Kosters gedichten eerder over de rand van de identiteit, wat die ook moge zijn, zullen verdwijnen.

In de eerste twee regels van elke strofe houdt Kosters overigens wel keurig het metrum aan. Daarna gaat het mis. Met zo'n beetje alles.

Vorig jaar schreef De Gelderlander een foto- en gedichtenwedstrijd uit onder de titel 'Denkend aan Arnhem'. Bij de tien beste gedichten is er eentje die verwijst naar Marsman:
Denkend aan Arnhem zie ik een stad aan de Rijn
bossen en parken; een bronzen hert op een plein
Voor het hele gedicht (en ook de andere gedichten) zie hier.

Zelfs politici moesten zich aan Marsman wagen. Delft op zondag vroeg alle politieke partijen de volgende zin af te maken: 'Denkend aan de Spoorzone, zie ik...' Het resultaat ziet u hier. In de inleiding wordt Marsman expliciet genoemd.

Pieter van Diepen schreef op 16 februari 2015 op dictees.nl 'Denkend aan Utrecht'. Hij begon zijn stukje met: 'Denkend aan Utrecht zie ik fraaie studentes braaf door vileine taaltest gaan'. Het metrum klopt en dat 'braaf' heeft dezelfde klank als het 'traag' van Marsman. Bij 'taaltest' ontbreekt het lidwoord, maar wellicht bedoelde Van Diepen 'taaltests', waarna de zin weer klopt.

Op 30 april 2017 publiceerde Atte Jongstra in NRC Handelsblad een recensie van het boek Mensen op Mars van Joris van Casteren, onder de titel 'Denkend aan Mars, zie ik... (zie hier). Mathijs Schiffers schreef op 8 februari in fd. (waarom moet tegenwoordig overal een punt achter?): 'Denkend aan Engeland zie ik dertigers in etalages van makelaarskantoortjes staren.' Op filosofie.nl treffen we een artikel aan met de titel 'Denkend aan Europa zie ik... niets'. En op een pop-upje op anderswerken.eu: 'Denkend aan kennisdeling zie ik stapels papieren traag van bureau naar bureaula gaan.'

En er zijn meer, veel meer voorbeelden. Ik vermoed dat het aantal knipogen naar 'Herinnering aan Holland' alleen geëvenaard wordt door dat naar 'De Dapperstraat' van J.C. Bloem. Blijkbaar lokken deze gedichten knipoogjes uit. Van tijd tot tijd zal ik die hier noemen. 

gevonden op kaltes.nl
 

gepikt uit Ons Erfdeel

zaterdag 29 april 2017

Scènes uit een huwelijk (Knipoog 62)


In Trouw van zaterdag 18 maart 2017 werden er twee pagina's besteed aan de relatie tussen Turkije en Europa. Boven het artikel, van Pieternel Gruppen, stond de titel 'Scènes uit een mislukte affaire'. Het eerste woord, in het aankondigende stukje boven het artikel is 'Aan-en-uitrelatie'.

'Affaire', 'aan-en-uitrelatie' - het zijn woorden die je gebruikt om relaties tussen mensen aan te geven. Dat geldt ook voor zinsneden als 'Een harmonieuze relatie is het zelden geweest' en 'Een haat-liefdegeschiedenis in zes bedrijven'. Europa en Turkije worden geschetst als twee geliefden tussen wie de relatie maar niet wil lukken.

De titel is duidelijk een knipoog naar Scènes uit een huwelijk, aanvankelijk geschreven als televisieserie, maar beroemd geworden als film van Ingmar Bergman. Eerder schreef ik er hier over.

Het huwelijk in de film loopt uit op een echtscheiding. Of de kop daarop preludeert, weet ik niet. Wel is het laatste tussenkopje 'Breuk?' Het associatieakkoord kan niet zomaar worden verscheurd, schrijft Gruppen.

De film van Bergman is intussen meer dan veertig jaar oud, maar de titel leeft nog. Anders had Gruppen niet deze kop gekozen. Haar veronderstelling dat veel lezers de knipoog zouden herkennen lijkt me terecht.

Intussen is er al heel wat geknipoogd naar Scénes uit een huwelijk. Enkele voorbeelden: 'Scènes uit een aanstaand huwelijk' (hier), 'Scènes uit een hysterische vechtscheiding' (hier), 'Scènes uit een koninklijk huwelijk' (hier), 'Scènes uit een ontmoeting (hier). En er zijn nog veel meer scènes: uit een kinderhuis, een slordig leven, een reïntegratieproces, een lang leven. Dit soort knipoogjes zal nog wel een tijdje doorgaan.







Rode papaver (Els Florijn)


Els Florijn had met haar vorige boek, Het meisje dat verdween, aardig wat succes. Ik schreef er hier over. Blijkbaar is de aanpak bij dat boek Florijn bevallen, want voor het nieuwe boek, Rode papaver, gebruikt ze eenzelfde opzet.

Bij Het meisje dat verdween koos Florijn een geschiedenis uit de Tweede Wereldoorlog, die bekend werd door de documentaire De andere familie Frank. Ze baseerde zich op de gebeurtenissen van indertijd, maar maakte er wel echt een roman van, met personages die ze verzonnen had.

Deze keer gaat Florijn terug naar de Eerste Wereldoorlog, naar de geschiedenis van verpleegsters Elsie Knocker en Mairi Chisholm. In 2013 en 2014 verschenen er veel boeken ter gelegenheid van de herdenking van  het uitbreken van de Grote Oorlog. De striptekenaar Ivan Petrus Adriaenssens publiceerde in 2013 de beeldroman Elsie en Mairi, engelen van Flanders Fields. Zie hier. Het boek werd alom geprezen en werd genomineerd voor een penning van het Stripschap.

Vreemd genoeg noemt Els Florijn het boek niet in haar lijstje met geraadpleegde literatuur. Bij het zich documenteren zal ze Adriaenssens toch wel tegengekomen zijn? Te meer omdat hij al meer over de Eerste Wereldoorlog publiceerde (bijvoorbeeld Afspraak in Nieuwpoort) en omdat het nawoord in Elsie en Mairi geschreven is door Patrick Vanleene, die Florijn wel noemt. Hoe dan ook, ik moest meteen denken aan het boek van Adriaenssens toen las waarover Florijn geschreven had.

Ook Rode papaver is een echte roman. Hoofdpersoon is Anna, die niet op een historische figuur is gebaseerd. Anna praat niet, of bijna niet. Soms lukt het praten wel en zingen gaat ook, maar meestal vindt ze praten moeilijk. Er wordt gesuggereerd dat een trauma uit haar jeugd daar de oorzaak van is, maar Florijn geeft daar geen verdere invulling aan.

De flaptekst meldt: 'Als de man van Anna na een hevig conflict naar het front vertrekt om aan de Grote Oorlog deel te nemen, reist ze hem achterna om hem te zoeken.' Dat klopt niet helemaal. Weliswaar is Anna's man, de Belgische Arthur, vanuit Nederland naar het front gegaan en er was ook een ruzie, maar die heeft niets te maken met het achternareizen. Dat doet Anna pas na het verlof dat Arthur bij haar doorgebracht heeft. Tijdens dat verlof lijkt de ruzie overigens geen rol meer te spelen.

Anna ontmoet in Belgrië, Mairi, een van de twee verpleegsters die Adriaenssens portretteert. Een stoere vrouw, die motor rijdt en de ambulance bestuurt als het nodig is. Mairi zal haar best doen Arthur te vinden. Intussen helpt Anna haar bij het verplegen van de slachtoffers, vlak bij het front.

Florijn laat het verhaal heen en weer zwenken tussen de tijd dat Anna verpleegster is en haar voorgeschiedenis. In beide verhaallijnen zit spanning: je komt in de ene stukje bij beetje te weten hoe Anna en Arthur elkaar hebben leren kennen en hoe zij uit elkaar zijn geraakt en in de andere kom je erachter of Arthur gevonden wordt en of hij nog leeft.

Net als in Het meisje dat verdween moet Florijn het niet hebben van haar stijl. Die noemde ik indertijd 'stroef' en 'dof'. Dat is ook in dit boek het geval. Erger zijn de anachronismen in de taal. Iemand is 'gefrustreerd', iemand heeft een bedrijfje 'opgestart', iemand zegt: 'Wij kunnen samen het verschil maken'.

En nog erger zijn de clichés waarvan Florijn zich keer op keer van bedient. Als de verpleegsters dode lichamen zien van Belgen en Duitsers, zijn die 'verenigd in de dood'; lippen zijn niet alleen op elkaar geklemd, maar ook nog 'stevig op elkaar geklemd'; een gezicht 'plooit zich in een brede grijns' en Florijn schrikt ook niet terug voor een zin als 'Hij heeft mijn ziel geraakt, is onder mijn huid gekropen en nu hij weg is, mis ik hem alsof een deel van mijn leven niet meer klopt.'

De beschrijving van Arthurs verlof is mierzoet en ook hier heeft Florijn weer voluit geput uit de voorraad clichés:
De dagen lijken niet echt. Iedere ochtend gaat de zon op met vlammende kleuren. Eén keer regent het 's ochtends. Als wij buiten komen, dampt het land onder de eerste zonnestralen. Het ruikt helder en fris, naar aarde naar regen. 
Wij lopen door de weilanden, hand in hand. We melken samen de koeien. Hij teert voor mij de staldeuren en zet nieuwe bloemen in de bakken onder de ramen. 
We gaan samen naar de stad. Hij koopt voor mij garen, naalden en stof voor een nieuwe jurk.
In de beschrijving van personen is Florijn ook nogal kort door de bocht. Op een avond brengt Arthur enkele mensen mee naar huis, die nog wat komen drinken. De vrouw in het gezelschap, Eline, moet duidelijk als een kwaaie pier worden geportretteerd. Ze heeft rode lippen, wat blijkbaar al negatief is. Anna kijkt Eline aan: 'ik voel, alsof ik het in de lucht tussen ons in kan aanraken, de minachting die deze vrouw voor mij heeft.' Even verderop heeft Anna al 'weerzin' voor haar en moet ze zichzelf dwingen Eline een hand te geven. 'Als ze haar hand in de mijne legt, zie ik de schaduw van een spottend lachje in haar mondhoeken'.

Anna is toch al wantrouwig tegenover anderen. Enkele kinderen, de tweeling van Damhuizen, neemt ze als volgt waar: 'de meisjes met hun rode haren en brutale glimlach, hun gesmiespel achter mijn rug.'

Florijn doet erg haar best om Eline negatief af te schilderen. Eline gebruikt zelfs de Bijbel als zitkussen. Alles moet eraan gedaan worden om Anna kwaad te krijgen. Hier zaagt de schrijfster planken van dik hout, maar ik ben als lezer meer geneigd om in deze situatie afstand van Anna, haar wantrouwen en haar buitensporige reactie te nemen dan van Eline.

Nadat het uitgelopen is op een ruzie, gaat Arthur inderdaad naar het front, maar iedereen snapt dat de ruzie daarvan niet de oorzaak kan zijn. Daar komt Anna later ook niet meer op terug. Het was niet meer dan een incident. De vraag is waarom het dan zo zwaar aangezet had moeten worden.

Zo zijn er meer vragen. Dat Anna niet praat en wij niet weten waarom, is opmerkelijk. Maar het lijkt bovendien geen functie te hebben. Het verhaal was nauwelijks anders geweest als Anna wel gesproken had. lijkt me.

Het lijkt alsof Florijn het ook niet voor elkaar kreeg om de ontmoeting tussen Anna en Mairi op een natuurlijke manier te laten verlopen. Daarom heeft ze de toevlucht genomen tot voorgevoelens die Mairi van tijd tot tijd heeft en die altijd blijken te kloppen. Tja, dat lijkt wel erg op een trucje.

Een symbolische droom is ook zo'n truc. Die komt gelukkig maar een enkele keer voor, maar Florijn gebruikt hem wel.

De klaproos is zo'n beetje het symbool geworden van de Eerste Wereldoorlog. Daarom ook heet deze roman Rode papaver. Maar de rode papaver komt verder nauwelijks voor in het boek. Er bloeien rode papavers tussen het kaasjeskruid en dat is het wel.  Mocht ik over de hints heen gelezen hebben, dan wil dat in ieder geval zeggen dat de bloem geen prominente plaats in de roman inneemt.

Net als bij Het meisje dat verdween zal er wel weer veel aandacht uitgaan naar de geschiedenis achter het boek. In dit geval is dat de geschiedenis van Elsie en Mairi en van het lot van deserteurs. Het is Florijn wel gelukt om daarover goed te schrijven. Ze brengt de ellende van de oorlog dichtbij en ook het probleem van soldaten die de oorlog niet meer willen of die bang zijn.

Misschien is dat de waarde van de roman: de aandacht die het boek vraagt voor de geschiedenis. Het verhaal van Anna is alleen interessant vanaf het moment dat ze Mairi gaat helpen, maar ook dan haalt Florijn niet altijd het niveau dat nodig is. In de verhaallijn waarin de voorgeschiedenis verteld wordt zitten meer zwakke punten.

Voor de clichés waarop Florijn elke keer terugvalt, had een strenge redacteur haar moeten behoeden. Maar je kunt je ook afvragen of Florijn wel een roman had moeten schrijven. Ze is duidelijk geïnteresseerd in de geschiedenis en die is interessant genoeg. De fictie voegt daar in dit geval te weinig aan toe.

Florijn heeft nu twee boeken volgens hetzelfde stramien geschreven. Ze kan daar natuurlijk nog lang mee doorgaan, maar dan dreigt het gevaar dat ze steeds weer hetzelfde trucje gaat toepassen: de geschiedenis behapbaar maken in de vorm van een verhaal. Ik vrees dat dat niet de boeken oplevert die ik graag zou willen lezen.


Els Florijn, Rode papaver. Uitgeverij Mozaïek, Utrecht 2017. 192 blz. € 18,99

vrijdag 28 april 2017

Cissy van Marxveldt. Een biografie (Monica Soeting)


Van Cissy van Marxveldt, las ik slechts een enkel boek: Rekel. Daarover schreef ik hier. Wat mij dan toch heeft doen besluiten om haar biografie te gaan kopen, is me niet helemaal duidelijk. Achteraf ben ik in ieder geval blij met de aanschaf.

Vooraf las ik een recensie, waarin de biografe, Monica Soeting, het verwijt kreeg dat ze te veel afstand had genomen van Van Marxveldt of niet loyaal genoeg aan haar zou zijn geweest. De exacte bewoording herinner ik mij niet. Ik kom daar later op terug.

Van Marxveldt schreef meisjesboeken. Dat is althans het beeld dat ik van de schrijfster had. Het blijkt niet te kloppen: Setske de Haan, zoals haar echte naam is, schreef ook heel wat boeken voor volwassenen, al heeft wel haar hele leven het beeld van een meisjesboekenschrijfster aan haar gehangen. Dat komt waarschijnlijk door het succes van de boeken over Joop ter Heul en Een zomerzotheid.

Soeting noemt haar boek 'Een biografie', zoals bijvoorbeeld ook indertijd Bastet deed bij zijn biografie van Couperus. Dat klinkt bescheiden en het laat de ruimte voor meer biografieën, al zullen die er niet zo snel komen. Of er zouden nieuwe bronnen op moeten duiken. Wat er over Van Marxveldt te zeggen is, staat waarschijnlijk wel in dit boek.

Bij een levensbeschrijving van een schrijver zit je altijd met de vraag wat je moet doen met zijn of haar werk. Zo herinner ik mij dat Bastet uitgebreid inging op Couperus' roman Metamorfoze, waarbij de lezer zich soms af moest vragen of de biograaf het over de schijver had of over zijn hoofdpersoon.

Soeting is daarin veel helderder. Ze beschrijft het leven van Cissy van Marxveldt/Setske de Haan, zoals zich dat voordoet uit andere bronnen dan haar oeuvre. Er zijn wat brieven, er is een dagboek uit de jeugd, er zijn getuigenissen van nabestaanden, er zijn interviews. Al met al is het niet overdreven veel, maar Soeting heeft toch aardig wat bij elkaar weten te schrapen. Bovendien gebruikt ze haar bronnen kritisch.

Ze neemt niet zomaar voor waar aan wat Van Marxveldt in interviews vertelt. Van sommige zaken is zelfs aantoonbaar dat die onwaar zijn. Dat signaleert Soeting niet alleen, maar ze vraagt zich ook af wat de functie van de bijkleuring of de verdraaiing is.

Natuurlijk heeft ze ook de romans van Van Marxveldt nauwkeurig gelezen. Daar zitten vanzelfsprekend autobiografische elementen in. Soeting signaleert op welke punten de levens van de hoofdpersonen overeenkomen met of afwijken van het leven van de schrijfster. In de vroege boeken bewegen de hoofdpersonen zich bijvoorbeeld in een net wat hogere stand dan die van Van Marxveldts afkomst.

Af en toe weidt Soeting uit om het leven en de loopbaan wat meer context te geven. Over de 'new woman', bijvoorbeeld, het antisemitisme, de bakvisroman of over vrouwelijke auteurs. Allemaal goed gedocumenteerd en prettig leesbaar geschreven.

Voor de positie van Van Marxveldt als vrouwelijke auteur heeft Soeting een scherp oog. Ze signaleert dat de schrijfster zich in interviews niet laat voorstaan op haar schrijverschap. Ze is moeder en doet het schrijven erbij. Zonder haar vader en haar echtgenoot Leo Beek zou het bovendien nooit wat met het schrijven geworden zijn, verklaart de ondervraagde. Van Marxveldt stelt zich bescheiden op, zoals indertijd van een vrouw verwacht werd.

Wel schept ze zelfstandige vrouwelijke personages, van wie verschillende een betaalde functie hebben. Aan het eind van het boek komen die soms toch nog in de haven van het huwelijk terecht. Soeting laat zien dat een dergelijk slot een zekere ambivalentie heeft. Alsof de schrijfster tegen wil en dank een einde aan haar roman schrijft dat het lezerspubliek verwacht, maar waaraan je kunt zien dat ze het zelf liever anders had gewild.

De critici merkten dat overigens gewoonlijk niet op. Soeting hanteert de termen 'tegenlezen' en 'tegenschrijven'. Bij 'tegenlezen' gaat de lezer niet af op de meest voor de hand liggende interpretatie, maar kijkt of er ook een andere interpretatie mogelijk is. 'Tegenlezen' is dan ook niet zoveel anders dan goed lezen. Bij 'tegenschrijven' tekent de schrijfster niet alleen een milieu of een maatschappelijke toestand, maar geeft ze ook hints die duidelijk maken dat ze die situaties niet zomaar accepteert. Aan de hand van haar nauwkeurige lezing toont Soeting aan dat critici indertijd over veel dingen heen lazen.

Van deze biografie heb ik genoten. Er zijn altijd wel details waarover gezeurd kan worden (als Soeting een keertje het woord 'erker' opschrijft als ze 'dakkapel' bedoelt, bijvoorbeeld of 'understatement' schrijft als het 'overdrijving' moet zijn. Die dingen zijn niet belangrijk en ik vind het dan ook nogal frikkerig van mezelf dat ik ze toch opschrijf.

Belangrijker is dat Soeting een overzichtelijk beeld geeft van het leven van Setske de Haan, die zich later Cissy van Marxveldt zou gaan noemen. Hoe ze opgroeide in Friesland, in Oranjewoud, op kostschool ging, na een weinig plezierige ervaring als kindermeisje in Groot-Brittannië. Haar huwelijk, haar kinderen, haar boeken en hoe die ontvangen werden. Hoe ze gedeeltelijk verlamd raakte, waarschijnlijk door een hersenbloeding. Hoe haar Joodse man geëxecuteerd werd en hoe moeizaam het leven voor de schrijfster in de oorlog was en daarna.

Zo krijgen we niet alleen een beeld van een enkele schrijver, maar zeker ook van vrouwelijke schrijvers in de eerste helft van de twintigste eeuw. De kritiek op hen was vaak bij voorbaat al niet mals. Volgens Anthonie Donker bijvoorbeeld voegden de schrijvende vrouwen niets aan de kwaliteit van de literatuur toe: 'Ons land [telt] circa honderd dames die met een breipen romans haken', schreef hij in 1930 in een artikel in Critisch Bulletin.

We kunnen ons afvragen hoeveel schrijfsters van toen en daarna ten onrechte vergeten zijn.  Het werk van Dola de Jong wordt nu herdrukt, maar leest iemand nog Henriette van Eyk, Jo Boer, Ina Boudier-Bakker, Madelon Székely-Lulofs, Melati van Java, Beb Vuyk,  Wilma, Loekie Zvonik of Aya Zikken?Ik doe maar een greep.

In De leeslijst van Nina Geerdink e.a. (2015. Daarover schreef ik hier) worden er dertig schrijvers behandeld uit de periode 1900 - 1945. Slechts drie daarvan zijn vrouw: Augusta Peaux, Ina Boudier-Bakker en Ida Gerhardt. De vijftig jaar daarvoor wordt er overigens geen enkele vrouw behandeld en bij  de eerste dertig auteurs na de oorlog is er ook maar een magere score aan vrouwen: Anne Frank, Anna Blaman, M. Vasalis en Fritzi ten Harmsen van der Beek. Bij die zestig auteurs van na 1900 was er toch wel een plaatsje geweest voor Carry van Bruggen, Henriëtte Roland Holst - van der Schalk, Maria Dermoût of Marga Minco?

Zo zijn er aan de hand van deze biografie meer vragen te stellen. Over de verhouding tussen 'hoge' en 'lage' literatuur of tussen literatuur en jeugdliteratuur bijvoorbeeld

En dan nog dat verwijt (weer: als mijn geheugen mij niet bedriegt) over het gebrek aan loyaliteit dat Soeting zou hebben met Cissy van Marxveldt. Dat lijkt me onterecht. Soeting is voluit loyaal, maar ze signaleert dat Van Marxveldt vaak haar verleden verfraait in interviews. Dat doet geen afbreuk aan die loyaliteit. Soeting laat immers ook zien in welke positie Van Marxveldt dan is en probeert te begrijpen waarom ze bepaalde uitlatingen doet. Soeting gaat slechts kritisch om met haar bronnen en dat lijkt me niet meer dan de plicht van een biograaf.

Wat ook het oordeel over haar werk moge zijn, onmiskenbaar is dat Cissy van Marxveldt een fenomeen was en dat haar boeken door duizenden meisjes (maar ook jongens en volwassenen) zijn gelezen. Het is niet alleen goed dat er nu een biografie van haar is, maar ook dat deze biografie er is.

woensdag 12 april 2017

Amanda (Jelmer Jepsen)


Aan sommige schrijvers kom je als lezer niet toe en van andere schrijvers weet je niet eens dat ze bestaan. Onlangs beluisterde ik een podcast van een interview met Jelmer Jepsen. Nooit geweten dat hij schrijver was. Jelmer Jepsen is een goede naam voor een schrijver: allitererend, niet te verwarren met een andere en het is niet eens een pseudoniem. Ik herinnerde me bij het horen van de naam prompt een gezicht: ooit zat Jelmer in de schoolbank in het lokaal waar ik lesgaf.

Uit het interview bleek dat Jepsen zojuist zijn derde roman gepubliceerd heeft, Amanda. Zijn twee eerdere romans zijn: Vallen als het heet is en De circusvrouw. De uitgever is Xander Uitgevers, waarvan ik ook al nooit gehoord had. Of er meer literatuur bij deze uitgever uitkomt, heb ik niet nagekeken. Erg nauwkeurig wordt ten burele van Xander niet gewerkt. Op de flaptekst staat de zinsnede '...als de media hier lucht van krijgt...' en in het boek gaat het geregeld fout met het voorzetsel (achterzetsel) dat een woordgroep afsluit; dat wordt steeds aan het werkwoord geplakt. Enkele voorbeelden: 'dat jij hier het plein afloopt'; 'wanneer jij de straat inloopt'; 'dat eerst de gedetineerde de ruimte werd ingeleid'; 'als je (...) van het klimrek afkletterde'. Over dat verschijnsel schreef ik eerder hier.

Het is flauw om de auteur verantwoordelijk te houden; de uitgever had moeten controleren en geen onnauwkeurigheden moeten doorlaten als 'dat ze haar gewicht verloor' (bedoeld is: evenwicht); 'kinderen van elf wiens moeder achter de tralies zit'; 'Naar verluid'; 'als ze zich niet vergistte' - storende slordigheden die voorkomen hadden kunnen worden.

Jepsen moet het overigens niet van zijn stijl hebben. Daar had best wat meer aan geslepen kunnen worden. Sommige weinigzeggende dialogen hadden geschrapt of ingekort kunnen worden, andere zinnen  hadden zonder woorden als 'gewoon' of 'daadwerkelijke' gekund.

Maar Jepsen kan wel een personage scheppen en een verhaal opzetten. Hoofdpersoon in deze roman is de elfjarige Amanda, een eigenzinnig kind. Haar moeder is overleden, denkt ze, maar al gauw komt ze erachter dat moeder in de gevangenis zit. Omdat vader niet zo op haar let, kan Amanda haar eigen gang gaan. Ze heeft een bijzonder huisdier, de boa constrictor Gloria. Als haar vader overlijdt, staat haar Amanda er alleen voor. Ze heeft een groots plan en dat gaat ze ten uitvoer brengen. Daarvoor onderneemt ze een reis door Florida.

De lezer leeft moeiteloos mee met Amanda, al is ze niet geheel geloofwaardig. Zo is ze wel erg zelfstandig voor een elfjarige en haar verbale vaardigheid is buitengewoon, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een brief die ze aan de buren schrijft. Op de eerste bladzijde wordt verteld dat ze altijd muziek hoort in haar hoofd, maar vervolgens komt dat niet meer terug in het boek. Er is genoeg aan Amanda dat je aan haar doet twijfelen, maar de gebeurtenissen en haar onbevangen manier van redeneren nemen je toch mee het verhaal.

In het eerste deel ligt het perspectief bij Amanda. Daarna laat Jepsen ons ook meeleven met andere personages. Pas dan komt het verhaal goed op gang. Amanda wordt opgemerkt door de media en dan barst het circus los. Haar vader is overleden, maar Amanda heeft dat stil gehouden. Heeft ze misschien haar vader vermoord?

Jepsen weet het hele gedoe met de media goed te beschrijven. De advocaat van Amanda is zich zeer bewust van de gewekte belangstelling en maakt er handig gebruik van.

Amanda is een smakelijk verhaal, waarin getoond wordt hoe een meisje in bijzondere omstandigheden zich staande houdt. Het meisje is daarin zo uitzonderlijk, dat er weinig herkenning zal zijn.

Na lezing van het boek vroeg ik me af of ik nu meer gelezen had dan een aardig verhaal. Stilistisch is het niet bijzonder goed, de hoofdpersoon is interessant vanwege haar uitzonderlijkheid en haar omstandigheden en je voelt je ook wel enigszins met haar verbonden, maar ze raakte me slechts oppervlakkig.

Misschien mist Amanda vooral noodzaak. Je hebt niet het idee dat er iets verteld moest worden. Er is een onderhoudend verhaal in elkaar gezet en dat is het dan. Dat is me te weinig.

vrijdag 31 maart 2017

Gekke Fritske / Mensen met een beperking

Met taal kun je niet voorzichtig genoeg zijn. Zo gauw je iets benoemt, bestaat het immers. Er zijn bijvoorbeeld ziekten die alleen in bepaalde landen bestaan. Alleen daar hebben ze er een woord voor. Duitsers hebben nogal eens last van hun bloedsomloop, hun Kreislauf. Daar hebben we hier nog nooit van gehoord. We hebben er geen woord voor, dus bestaat het niet. Of andersom: in Duitsland hebben ze er een woord voor en daarom bestaat het.

Het luistert dan ook nauw hoe je iets noemt: terrorist of vrijheidsstrijder, activist of relschopper, alternatieve of complementaire geneeskunde, probleemwijken of krachtwijken, allochtonen of mensen met een migratieachtergrond. De manier waarop je iets benoemt, laat je visie erop zien, maar bepaalt mede je visie.

In Trouw van 30 maart 2017 las ik: 'Een baan voor iedereen met een beperking'. Vroeger zouden we 'gehandicapten' hebben gezegd, waarbij we ook nog het onderscheid maakten tussen lichamelijk en geestelijk gehandicapten. Nu zeggen we: 'Mensen met een beperking.'

Maar dat zijn wij allemaal! Mensen zonder beperking bestaan namelijk niet. We hebben allemaal een beperkte intelligentie, ook de heel slimmen onder ons. We zijn lichamelijk beperkt; we kunnen bijvoorbeeld niet vliegen.

'Mensen met een beperking' is dus een rare term: er wordt beoogd een subcategorie aan te geven, maar eigenlijk gebeurt dat niet. In het artikel kom ik ook een preciezere uitdrukking tegen: 'arbeidsbeperkten', 'mensen met een arbeidsbeperking' dus, maar die term slaat strikt genomen ook op alle mensen.

We kunnen nog meer muggen gaan ziften. Er bestaat bijvoorbeeld niet zoveel verschil tussen een beperking en een handicap. In ieder geval is duidelijk wie er bedoeld worden: mensen met een extra beperking, een beperking (of een handicap) die de meeste andere mensen niet hebben.

In mijn jeugd werd ook het woord 'handicap' niet gebruikt. 'Ongelukkig', herinner ik me: 'Bij de buren hebben ze een ongelukkig kind'. Dat was niet een kind dat niet gelukkig was of 'niet goed in zijn vel' zat, maar een lichamelijk of geestelijk gehandicapt kind. Als het in lichte mate was, zei men: 'Die is niet helemaal zoals een ander'.

Een oom en tante van mijn vader hadden 'ongelukkige kinderen'. Die zijn niet oud geworden. Ik herinner me hen niet. Mogelijk waren ze al voor mijn geboorte overleden of toen ik nog heel klein was. Ik had een hobbelpaard dat van een van die kinderen was geweest. Het was een haan, waarvan de kam was afgezaagd. De jongen die erin gezeten had, had een gebogen gestalte en zou zich anders aan de kam gestoten hebben.

Tegenwoordig kan 'ongelukkig' in zo'n geval niet meer gebruikt worden. We denken daarbij meteen aan iemands gemoedstoestand. Ons persoonlijk welbevinden is zo belangrijk geworden, dat we ons af zijn gaan vragen of we wel gelukkig zijn. Blijkbaar was dat in mijn jeugd minder van belang.

Ik denk dat indertijd in de benaming 'ongelukkig' ook wel medelijden meespeelde, wat de term iets bevoogdends geeft. Degene die een ander een 'ongelukkige' noemt, zal mogelijk sympathie hebben voor die ongelukkige, maar hij plaatst zich ook boven hem.

Die sympathie herinner ik me sterk. Bij ons in het dorp was er een man die Gekke Fritske werd genoemd. Ik heb nooit geweten hoe zijn achternaam luidde. Het was een magere man, die iets van een jongen in zich had. Hij droeg een pak, als mijn geheugen mij niet bedriegt, reed op een damesfiets (zo'n omamodel) en rookte sigaretten, met getuite lippen.

Fritske was 'niet helemaal zoals een ander'. Hij liep moeilijk; misschien was hij spastisch. Maar meestal fietste Fritske door het dorp en groette de mensen die hij tegenkwam. Iedereen groette hem terug. Bij elke bruiloft was hij aanwezig. Hij feliciteerde het bruidspaar, dronk een kop koffie, at een stukje taart en verdween weer. Misschien dat ik mij hem daarom in pak herinner.

Als Fritske nu geleefd zou hebben, zou hij vast niet Gekke Fritske genoemd zijn.' Iemand 'gek' noemen, kan niet meer. Je mag van jezelf zeggen dat je gekke Henkie niet bent, en ook dat je 'een heel gek mens bent', maar je noemt een ander niet gek. Toch was 'Gekke Fritske' bepaald geen scheldnaam.

Nooit heb ik iemand negatief gehoord over Fritske. Misschien kwam dat ook wel doordat hij vaak goed gehumeurd was en geen overlast veroorzaakte. Hij werd niet speciaal begeleid, voor zover ik weet; hij ging niet naar een dagopvang. Fritske fietste door het dorp, waar iedereen een beetje op hem lette.

Ik moet oppassen dat ik niet nostalgisch word. Met het huidige verkeer zou dat fietsen van Fritske waarschijnlijk gevaarlijk zijn en er zijn nu veel minder mensen die overdag thuis zijn of in de boomgaard of op het land aan het werk zijn. Die touwtjes uit de brievenbus waar Terlouw het over had, zijn niet voor niets verdwenen.

Wel heb ik het idee dat de taal toen onschuldiger was. Dat het minder nauw luisterde hoe je iemand noemde. Fritske was 'niet zoals een ander' en werd daarom 'Gekke Fritske' genoemd. Iedereen zou het vreemd gevonden hebben als we hem 'iemand met een beperking' of 'iemand met een uitdaging' hadden genoemd. Fritske behoorde niet tot een categorie. Hij was Fritske en niemand anders.

Naschrift: Het licht spastische dat ik me van Fritske herinnerde, kon mijn moeder niet bevestigen. Ze vertelde wel dat Fritske ook op de bruiloft van mijn ouders is geweest. Zij waren echter net met de fotograaf mee. Hij heeft toen mijn oom en tante gefeliciteerd, die er ook netjes uitzagen en een corsage op hadden. Mijn moeder wist niet zeker meer of Fritske voor een stukje taart of voor een borreltje kwam.

woensdag 29 maart 2017

Makkelijk leven (Herman Koch)


Het is altijd prettig als een verteller in een roman een 'stem' heeft, een herkenbare toon, een verteltrant die onmiskenbaar bij hem hoort. Schrijvers als Walter van den Berg en Dimitri Verhulst kunnen heel goed zo'n verteller opvoeren. Ook Herman Koch kan het.

In zijn nieuwe boek, het Boekenweekgeschenk Makkelijk leven steekt de verteller, Tom Sanders, als volgt van wal:
Ik schrijf zelfhulpboeken.
Ik denk dat u mij wel kent. Van mijn succesvolste boek, Makkelijk leven, zijn wereldwijd meer dan veertig miljoen exemplaren verkocht. Is dat succes mij naar mijn hoofd gestegen? Ja en nee. Kort na het verschijnen van de achttiende druk -toen alleen nog in het Nederlands, en wat lijkt dat inmiddels lang geleden!- kocht ik een zwarte Jaguar XF. Julia, mijn vrouw, trok het gezicht dat ze ook altijd trekt wanneer ik haar vertel dat er 's avonds Champions League-voetbal op tv is en we dus niet uit eten kunnen.
Je ziet het plaatje meteen voor je: een schrijver van zelfhulpboeken - dat roept al meteen associaties op. Het is ook nog een succesvol schrijver, die al gewend is aan zijn succes. Hij lijkt zich te moeten inhouden, wil hij zich niet nog luider op de borst kloppen. Als hij het heeft over de achttiende druk van zijn boek, wat natuurlijk al een enorm succes is, vermeldt hij er terloops bij dat dat nog alleen maar in Nederland was, waaruit iedereen kan concluderen dat het echt grote succes toen nog moest komen. Het lijkt dan ook wel erg lang geleden.

Het is een man die gewend is zijn zin te krijgen. Als zijn vrouw een etentje gepland heeft, gaat het voetbal voor.

De toon is gezet. Verschillende keren heeft Koch voor zijn boeken een hoofdpersoon gekozen met wie wat was, die niet helemaal normaal was. Dat is bij Tom Sanders niet het geval. Hij is niet sympathiek, maar je kunt wel gemakkelijk meegaan in zijn gedachtegang.

Koch bekijkt de wereld van het zelfhulpboek met ironie. De hoofdpersoon heeft weliswaar een zelfhulpboek geschreven, maar dat is tegelijkertijd een anti-zelfhulpboek: luister niet naar al die adviezen en neem het leven een beetje makkelijk. Aan het eind van het Boekenweekgeschenk zijn de regels voor het makkelijk leven opgenomen. De eerste regel:
Probeer problemen niet altijd op te lossen door eraan te denken; vaak worden ze eerder opgelost door er niet aan te denken.
Het aardige is dat het boek naar zichzelf verwijst: de hoofdpersoon heeft succes als auteur van het boek Makkelijk leven en dat boek hebben wij in handen. De regels achter in het boek zouden we als leefregels kunnen gebruiken.

Tom Sanders leeft zelf ook naar die regels, maar in dit verhaal lukt hem dat niet helemaal en dat wordt zijn ondergang. Op een feestje staat zijn schoondochter voor de deur. Hanna, met wie hij niet zoveel op heeft. Ze blijkt mishandeld door haar man, Stefan, de zoon van Tom en Julia. Tom praat met Hanna en belooft haar met zijn zoon te gaan praten, maar dat schuift hij, trouw aan zijn eigen regels, op de lange baan.

Die regel ('Stel altijd uit tot morgen wat je vandaag nog zou kunnen doen') hanteert hij wel. Maar een andere ('Probeer niemand te veranderen, ook jezelf niet') lijkt hij vergeten. Zijn schoondochter ziet hij zelfs als een project. Om kort te gaan: het project mislukt en Tom blijft met lege handen achter. Hij kan proberen om in zijn eentje het makkelijk leven in praktijk te brengen.

Boekenweekgeschenken zijn altijd maar dun; het verhaal moet dus in een beperkt aantal bladzijden verteld worden. Behalve de keer dat Salman Rushdie het Geschenk mocht schrijven. Dat het zo kort moet, is ook voor Makkelijk leven een nadeel. Het begin is heel aardig: boeiende hoofdpersoon, met wie je moet meeleven maar van wie je tegelijkertijd wat afstand neemt. En een interessant dilemma: je moet je zoon, die zelfs je favoriete zoon is, aanspreken als hij je schoondochter, die bepaald niet je favoriet is, te lijf is gegaan.

Maar daarna is het grote stappen, gauw thuis. Koch is genoeg schrijver om daar nog iets aardigs van te maken, zodat het niet helemaal in elkaar zakt, maar erg sterk is het slot toch niet.

Als Boekenweekgeschenk lijkt Makkelijk leven me geslaagd: geschikt voor een breed publiek en gewoon een heel aardig verhaal. Maar liever had ik gehad de Koch er een echte roman van had gemaakt. Nou ja, dat is de doem van Boekenweekgeschenken.


Zie ook de recensie van Zomerhuis met zwembad

dinsdag 28 maart 2017

StripGlossy


Wie zich bij wil lezen, op welk gebied dan ook, merkt dat er zoveel gepubliceerd wordt, dat het onmogelijk is om alles bij te houden. Dat geldt ook voor strips. Er komen veel nieuwe strips uit, er is een stroom aan integrale herdrukken en daarnaast wordt er in tijdschriften en op websites uitgebreid over strips geschreven. De stapel van wat je wilt lezen is altijd hoger dan van wat je kunt lezen.

De StripGlossy is begonnen aan haar tweede jaargang. Al vier keer is het tijdschrift op mijn mat gevallen en ik merk dat ik het altijd lees. Soms ligt het even voordat ik eraan begin, maar ik lees het. Helemaal. Dat is op zich al een wonder.

Het blad ziet er mooi uit: stevig (het valt ook na herhaald doorbladeren en lezen niet uit elkaar), mooi papier, waarop de kleuren goed uitkomen. Dat maakt het aantrekkelijk om te pakken en door te bladeren.

Verder heeft het een goede mix van strips en stukken over strips. Dat evenwicht is prettig. Op de vast terugkerende elementen verheug ik me altijd weer. De strip Llewelyn Flint, die we ons nog herinneren van Peter van Straaten, is weer opgepakt door Fred de Heij, met Ger Apeldoorn als scenarist en dat pakt bijzonder goed uit.


Ook een vast element: de stripbattle, waarbij drie striptekenaars over hetzelfde thema tekenen. Of de parodie door Kim Duchateau. Of Ger Apeldoorn die ons in kort bestek laat delen in zijn brede kennis op stripgebied. In Stripglossy nummer 4 vertelt hij over Jacovitti en ik had meteen zin om terug te gaan bladeren in oude nummers van Pep om nog eens te genieten van Cocco Bill.


StripGlossy wordt gemaakt met respect voor de historie die Nederland heeft op stripgebied. Oude leeuwen als Daan Jippes, Martin Lodewijk, Dick Matena en Jan van Haasteren komen uitgebreid aan bod. Matena is behalve een goed tekenaar ook een goed verteller, zoals ook blijkt uit zijn stukjes in Eppo. Hij is altijd goed voor heerlijke anekdotes.

In nummer 4 krijgt Willem Ritstier de ruimte. Hij kreeg dit jaar de Stripschapprijs, die prestige heeft en publiciteit oplevert, maar waaraan nog steeds geen geldbedrag verbonden is. Zou dat door middel van crowdfunding niet te verhelpen zijn?

Ritstier is een van onze beste scenarioschrijvers, die intussen kan bogen op een groot oeuvre. Hij blijkt ook bezig te zijn aan een graphic novel, waarbij het overlijden van zijn vrouw het uitgangspunt is. Heftige stof, en  naar het boek dat dat op zal leveren ben ik nu al benieuwd.

Wellicht is StripGlossy niet het meest doorwrochte blad, maar het is aantrekkelijk, afwisselend en nodigt daardoor uit tot lezen. Uit het hele blad spreekt het plezier waarmee het gemaakt wordt en het enthousiasme voor strips. Iemand die ook maar een beetje van strips houdt, kan daar moeilijk weerstand aan bieden.

Een los nummer van StripGlossy kost € 8,95. Bij een jaarabonnement worden er drie nummers voor diezelfde stuksprijs door de post bezorgd. Wie een abonnement voor langere tijd neemt, krijgt korting. Bij een abonnement voor drie jaar betaal je bijvoorbeeld €6,95 per stuk. Bezoek voor verdere informatie de site.

zondag 26 maart 2017

Liefde in beeld (Margreet de Heer)


Intussen zijn ze bekend en ze vormen een mooi rijtje in menige boekenkast: de boekjes van Margreet de Heer waarin ze een onderwerp in kaart brengt. Dat deed ze tot nu toe met filosofie, religie, wetenschappen en wereldheerschappij. Nu heeft ze de liefde onder een vergrootglas gelegd in het boekje Liefde in beeld.

De werkwijze van De Heer is in elk boek hetzelfde. Ze onderzoekt verschillende facetten van het onderwerp en tekent haar bevindingen. Door het hele boek heen loopt er een figuurtje rond dat geënt is op haarzelf, en haar man Yiri vormt ook een personage. Ze verwoorden vragen en gedachten die gemakkelijk bij de lezer opkomen als hij de informatie tot zich neemt.

Tegelijkertijd maken die figuurtjes het boek persoonlijk. De kracht van de boeken van De Heer is dat ze niet alleen informatie geven, maar ook een vorm van zelfonderzoek zijn. De auteur gaat haar eigen twijfels niet uit de weg, maar ziet die juist onder ogen. Als tegenwicht loopt er door dit boek een schooljufachtig figuurtje, dat de tegenstem verwoordt en de opvattingen uit die niet passen bij het Margreetfiguurtje.

De algemene informatie over het onderwerp zou iedereen kunnen geven. Die is ook wel te vinden op informatieve websites. De meerwaarde van bijvoorbeeld Liefde in beeld zit, behalve in de tekeningen waarin je meteen de hand De Heer herkent, in de persoonlijke aanpak. Dat is iets wat je niet zomaar ergens anders kunt vinden.

De Heer treedt haar onderwerp altijd met een open geest tegemoet. Ze is nieuwsgierig, wil weten hoe dingen precies zitten, heeft belangstelling voor andere tijden, andere culturen, andere opvattingen.

In Liefde in beeld krijgen we dan ook een brede blik op het onderwerp. Ze belicht bijvoorbeeld zeven soorten liefde, seks (door De Heer steeds als 'sex'  gespeld), de Kama Sutra, het Hooglied, de Boeketreeks, het sprookje, de gevaren van samenwonen en van kinderen, soorten huwelijken, de werking van verliefdheid, liefde als verslaving.

Altijd heeft Margreet de Heer een aangenaam opgewekte toon, die zo'n beetje alles goed verteerbaar maakt. Ook als het personage twijfels heeft, zich zorgen maakt of boos is, blijft er een ironische afstand, waardoor je automatisch blijft glimlachen. Tijdens het lezen van Liefde in beeld hou of krijg je vanzelf een goed humeur.

Liefde in beeld komt in mijn boekenkast naast de andere vier deeltjes te staan en naast de geschiedenis van het beeldverhaal die De Heer tekende en schreef (zie hier). Ze zullen er nog verschillende keren uit gehaald worden.
Titel: Liefde in beeld
Tekst en tekeningen: Margreet de Heer
Uitgever: Meinema
Zoetermeer 2017; 128 blz. € 16,95

Hier een verslagje van een lezing door Margreet de Heer.