vrijdag 13 oktober 2017

De buurjongen (Jan Siebelink)


Niet alles van Jan Siebelink is even goed, maar toch lees ik zijn boeken meestal wel met plezier. Om ook voor mij duistere redenen heb ik in de loop van de jaren verschillende van zijn boeken overgeslagen. Wel las ik Een lust voor het oog, maar niet En joeg de vossen door het staande koren, wel Verdwaald gezin, niet Vera, wel Oscar, niet Margje, al ben ik vast van plan dat laatste boek alsnog te gaan lezen.

Nu De buurjongen dus. Die buurjongen is Henk Wielheesen, die naast het gezin Sievez woont, dat we kennen uit Knielen op een bed violen. Je zou ook de oudste zoon Ruben Sievez de buurjongen kunnen noemen, omdat hij dat immers is van de hoofdpersoon Henk Wielheesen.

Het is hoe dan ook een wat vreemde titel. Als de titel verwijst naar Henk, haakt Siebelink wel erg duidelijk aan bij het succes van het violenboek: de buurjongen van het gezin dat we zo goed kennen van de succesroman en de film. Als met de buurjongen Ruben wordt bedoeld, is de titel ook opmerkelijk. Ruben en Henk gaan vooral als broers met elkaar om, niet als buurjongens.

Henk is een aparte jongen, die niet naar de gewone school kan. Hij gaat naar het speciaal onderwijs, schrijft Siebelink, maar dat bestaat pas vanaf 1985. Tot die tijd heette het buitengewoon lager onderwijs. In mijn jeugd spraken we over kinderen die naar de B.L.O.-school gingen. Wielheesen heeft wat aparte trekjes. Op sommige momenten heeft hij last van dwanghandelingen; hij moet dan iets aanraken.

In De buurjongen gaat Siebelink met grote stappen door het gehele leven van Henk Wielheesen, vanaf zijn jeugd (met daarin de dramatische dood van zijn moeder en zijn stiefmoeder) tot aan zijn sterfbed. Meestal zijn de scènes boeiend om te lezen, maar het doortrekken van lijnen gaat Siebelink minder goed af.

Ineens lezen we bijvoorbeeld dat Wielheesen wel eens een jurk aantrekt. Dat is nog te begrijpen, omdat hij op die manier dichter bij zijn moeder is. Later koopt hij ook jurken. Dan ligt die verhaallijn weer een hele tijd stil, zodat je je gaat afvragen of de drang tot verkleden nog wel speelt bij Wielheesen. En daarna volgt er een dramatische passage waarin Wielheesen met jurk en al door het plafond van de kamer van zijn dochter komt zetten. Verhaallijn afgelopen.

Zo gaat het eigenlijk ook met de moeilijke relatie die dochter Guusje heeft met haar ouders Henk en Anna. Soms komt die uitgebreid aan de orde, later ligt die weer een tijdje stil. Siebelink moet het hebben van de afzonderlijke passages, niet van het geheel.

Dialogen zijn nooit het sterkste punt van Siebelink geweest. Ook in De buurjongen komen heel wat onnatuurlijk klinkende gesprekken voor. Bij Henk en Anna in de straat woont Joop Ruysch, voor wie Anna lijstjes 'tikt'. Ze moet duizenden schilderijlijstjes in elkaar zetten. Ik snap niet waarom dat allemaal handwerk moet zijn als de handel zo goed loopt, noch waarom Ruysch al dat werk alleen door Anna laat doen.

Deze Ruysch heeft Ruben ontmoet op een verdachte boerderij net over de grens en vertelt daarover aan Anna:
Het was een mooie avond. We hebben nog op het terras gezeten, keken uit over het kalkrijke parklandschap, waar ooit de zee was. Er worden veel oude fossielen van reuzenvissen gevonden. Ruben zei dat hij van deze vage, onbepaalde grensstreek hield.
Dat de middenstander Ruysch op deze manier vertelt, is volstrekt ongeloofwaardig. Hier is duidelijk de schrijver Siebelink aan het woord, die even tussen de lezer en Ruysch in gaat staan. Dat gebeurt vaker. Het grootste deel van het boek is geschreven vanuit Henk Wielheesen, maar als het de schrijver uitkomt, kiest hij eventjes een ander perspectief om dingen wat nader uit te leggen.

Ruben, die in Knielen op een bed violen veel weg had van de schrijver Siebelink, speelt een belangrijke rol in De buurjongen. Hij gaat met Henk Wielheesen om als een broer, noemt hem broertje, zoent hem en bijt hem zelfs in een schouder. In een passage heeft hij een smetteloos wit pak aan.

In de loop van het boek begon het me te irriteren dat Ruben steeds de reddende engel is. Hij wordt opgehemeld tot het ongeloofwaardige. Tegen het slot worden er wat verdachtmakingen tegen hem uitgebracht door de zeer negatief getekende Joop Ruysch, maar dat kan het totale beeld niet meer veranderen. Te goed, te zoet.

Siebelink houdt van heftige gebeurtenissen. Ik noemde al het door het plafond zakken van Henk, maar er is meer: een beschuldiging van incest en een storm bijvoorbeeld. Ook daarbij is de ontwikkeling van de gebeurtenissen niet altijd logisch en daardoor raakte de schrijver mij wel eens kwijt bij zo'n passage.

Als tekening van een persoon, Henk Wielheesen, vind ik De buurjongen nog wel geslaagd en ik heb ook met plezier de verschillende passages gelezen. Als roman, die ook een geheel zou moeten zijn, lijkt me De buurjongen niet geslaagd. Daar komt nog eens hier en daar het gebrek aan realisme bij, de houterige dialogen en het karikaturaal heilige karakter van Ruben. De buurjongen is bepaald niet Siebelinks beste boek. 

Dat Siebelink het desondanks voor elkaar gekregen heeft om het boek goed leesbaar te houden, is een geluk bij een ongeluk.

Eerder besteedde ik aandacht aan Siebelink:
Jan Siebelink en de werkelijkheid
Oscar

woensdag 4 oktober 2017

La Casa (Paco Roca)


Er is een vader gestorven. Zijn huis staat al een jaar leeg en de kinderen gaan het op orde brengen en opknappen, zodat het misschien verkocht kan worden.

Het gegeven van La Casa van Paco Roca is niet eens zo sensationeel, maar we weten uit de literatuur hoe heftig zoiets kan zijn. We lazen immers bijvoorbeeld Gesloten huis van Nicolaas Matsier. Elk voorwerp kan de aanleiding zijn voor een herinnering.

Antonio, de vader van de drie kinderen in La Casa is al een jaar niet meer in leven, maar hij is nog steeds verbonden met het huis. Vicente, José en Carla komen bij elkaar op de plek waar zoveel van hun verleden te vinden is. Ze worden geconfronteerd met hun herinneringen en zien zich gedwongen om zichzelf af te vragen hoe goed ze hun vader eigenlijk gekend hebben.

En hoe zit het met hun onderlinge verhouding? Ziet Vicente de andere twee nog steeds als de kleine kinderen?

Daartussendoor scharrelt de oude buurman Manolo, die een vriend van Antonio was en hem heeft meegemaakt op de momenten dat de kinderen er niet waren. Hij weet ook herinneringen van Antonio de anderen niet weten. Hoe vader als kind in een vijgenboom klom en daar een geluksmoment beleefde en hoe hij daarom later moeite deed om zelf een vijgenboom op te kweken.

La Casa is een aangrijpend boek, al heb ik voor mezelf nog niet helemaal helder waar dat in zit. Misschien zijn het de omtrekkende bewegingen waarin we Antonio leren kennen. Of de tekening van het niet spectaculaire leven dat hij geleefd heeft. Zoals Carmiggelt schreef over Juffrouw Nifterink: 'U zong uw liedje zacht, maar het klonk welluidend'.

Misschien is het omdat je als lezer aan het denken gezet wordt over je eigen zoonschap en vaderschap, over het verglijden van de tijd en hoe die alles aantast en over wat er uiteindelijk overblijft.

Ik denk dat ik ook gegrepen werd door de intimiteit die soms in ogenschijnlijk onbetekenende gebeurtenissen schuilt. De dochter bijvoorbeeld die met vader in de wachtkamer zit voor de maandelijkse controle. De ene keer lijkt Antonio energiek en zegt hij dat hij de aardappels wil poten en de augurken wil zaaien. De andere keer lijkt hij uitgeblust.

Je ziet twee mensen naast elkaar zitten en de lege kuipstoeltjes ernaast. Ze hoeven niets te zeggen. Ze zijn er, dat is genoeg. De nabijheid, de zorgzaamheid, de vanzelfsprekendheid - en de tederheid waarmee die opgeroepen worden.

Als een tekenaar zo dicht bij basale emoties kan komen, moet hij diep in zichzelf gegraven hebben. Je merkt aan alles dat La Casa een persoonlijk boek is en als je aan het eind van het boek een foto tegenkomt van de auteur met zijn vader, word je in dat idee alleen maar bevestigd.

En dan heb ik het nog helemaal niet gehad over de tekeningen. Dat ze sfeervol zijn. En treffend. En fraai ingekleurd. Hoe er mooie series van plaatjes zijn, waarin maar weinig verandert en toch veel gebeurt. Hoe Paco Roca de stilte en de bewegingloosheid tekent. Ja, daar kan ik het over hebben. Maar dat stelt alleen maar het lezen uit.

Hup! Naar de winkel! Kopen! Lezen! Herlezen!

La Casa is uitgegeven door Soul Food Comics

dinsdag 3 oktober 2017

Appels van ooit

yellows

Het huis waar ik geboren werd en waar ik de eerste tien jaren van mijn leven doorbracht, is al jaren geleden gesloopt en over de plaats waar het stond loopt nu de A50. Achter het huis lag een boomgaard. Een deel van dat perceel ligt er nog, maar het is geen boomgaard meer en er leven steeds minder mensen die weten dat er ooit een boomgaard was.

Ik hoef mijn ogen niet eens dicht te doen om weer te lopen op het niet helemaal rechte pad de boomgaard in, naar de brug naar de achterste bongerd. Een brug die mijn vader zelf vlak na aankoop van huis en boomgaard gebouwd heeft.

Links van het pad, naast de sloot, staat een rij jonathans. Sinds de Jonathan en de Golden Delicious (wij zeiden: ‘Golden Liesjes’) gekruist zijn tot Jonagold, bestaan er geen jonathans meer, behalve in boomgaarden waar oude rassen geconserveerd worden.

Onder die bomen moet ik als uk in een veilingkist gestaan hebben terwijl mijn moeder de rode appels plukte van de ‘laagstammen’. ‘Struiken’ werden ze ook wel genoemd. Als box was een kist misschien een beetje klein, maar moeder kon zo wel toezicht op mij houden en ze zal ook wel voor mij gezongen hebben, zoals ze vaak deed.

Verderop gaat het pad onder yellows door. Yellow Transparante heette het ras; wij noemden de appels kortweg yellows. Het waren de vroegste appels, die we vooral in de appelmoes gebruikt zullen hebben. Als ze goed rijp waren, smaakten ze wel aardig. Maar als de groene appels geel werden, kon je ze (als ik het mij tenminste goed herinner) niet zo heel erg lang meer bewaren.

Rechts van het pad was het veldje bramen, frambozen en bessen en daar weer achter, aan de straatkant stonden drie hoogstambomen. Twee transparanten en een notarisappel, meen ik mij te herinneren. Ook dat waren groen/gele appels. Ik heb gegoogled om erachter te komen wat voor transparanten dit dan waren. Het zal het ras Transparante de Croncels geweest zijn, vermoed ik. Mijn vader zal in grote letters alleen maar ‘Transparant’ op de veilingbrief geschreven hebben.

Sterappels
Wij hadden nog een boomgaard, een kilometer of drie verderop, die van mijn opa geweest was. Daarin stonden goudreinetten (Schone van Boskoop) en nog vroeger stond er een rijtje sterappels langs de weg. Die heb ik als klein jongetje samen met mijn opa opgeraapt. De appels werden uitgespreid op een bedje van stro en regelmatig moesten ze gekeerd worden, totdat ze aan alle kanten donkerrood waren. Zelfs het vruchtvlees had dan een rode vleug.

In de boomgaard stonden ook een paar bomen met vroege appels, wij noemden ze ‘Stark Allies’. Pas later realiseerde ik me dat dat het ras ‘Stark Earliest’ geweest moet zijn.

Golden Liesjes hadden we niet, maar die konden we in de aangrenzende boomgaard van mijn oom plukken. Wel hadden we de rassen James Grieve en Lombarts Calville. Groene appels, die hoogstens een beetje geel werden. Soms was er een lichte rode blos.

Achter in de boomgaard stond een enkele hoogstam met zoete appels: de bloemee. De spreeuwen waren er dol op en ik heb nog wel eens op een zondagmiddag, na kerktijd de wacht moeten houden onder de boom en de spreeuwen al ratelend en roepend weg moeten houden.

Appelschilmachine
Werken op zondag, dat was toch een beetje een raar idee. Maar als de vogels zich rustig hielden, kon je, liggend in het gras onder de boom lekker je jongensboek lezen.

De zoete appeltjes werden door mijn moeder, soms geassisteerd door een paar tantes, geschild. Ze gebruikten zelfs een schilmachientje. Je prikte de appel eraan en draaide dan snel de zwegel rond. Als de appel klaar was, werd hij door het apparaat zelf van de vork geworpen. Wel moest er altijd nageschild worden.

De appels werden in partjes gesneden en gedroogd. Dat kon bij de kachel, maar het snelst ging het als mijn oom ze in een katoenen zak meenam naar de steenoven.


Blik waarin de zoete appeltjes bewaard werden
Gedroogde appels werden bewaard in een biscuitblik op de achterzolder. Vanzelfsprekend snoepten wij daar wel eens uit.

De lekkerste appel vond ik indertijd de Mantet. Dat was eind jaren zeventig (schat ik) een vrij nieuw ras en mijn vader had er ook een paar rijtjes van aangepoot, zo’n beetje om en om met de James Grieve.

Dat de Mantet het niet gered heeft, snap ik wel. Het was een heerlijke appel, maar je moest hem eigenlijk met handschoentjes aan plukken, anders kneusde je hem al. En de bomen zelf waren ook niet sterk. Mijn vader heeft heel wat kankerplekken uit de takken moeten wegsnijden.

Rassen komen, rassen gaan. De Elstar en de Jonagold bleken blijvertjes. Nadat mijn broer het bedrijf had overgenomen, hoorde ik namen als Elan, Benoni, Alkmene, Gloster, Karmijn, Odin, Summerred, Delcorf. Geen idee of die het uiteindelijk gehaald hebben. Aan de glosters meen ik nog wel herinneringen te hebben. Lekkere appels, met een net iets te dikke schil.

De goudreinetten uit mijn jeugd en de coxen zijn er nog steeds. Verder liggen er in de winkels, naast de al genoemde jonagolds en elstars de rassen Fuji, Gala, Kanzi, Junami, Pink Lady, Braeburn en natuurlijk de lelijke Granny Smith.

En over veertig jaar zullen er mensen zijn die daar dan weer met weemoed aan terugdenken.
Mantet. Plaatje gepikt van de genoemde site.

zondag 1 oktober 2017

Remington (Bert Natter)


Volgens de titelpagina verscheen Remington van Bert Natter in 2015, maar ik kocht in een boekhandel, afgeprijsd, een gesigneerd exemplaar waarin de auteur 'Ede, 2014' had geschreven. Vanwege de lage prijs nam ik het boek mee, wetend dat ik het zou gaan lezen. Vaag meende ik mij te herinneren dat ik dat al ooit van plan was.

Terugkijkend in mijn lijstjes met niet gelezen boeken kwam ik wel een Natter tegen in De beste romans van 2015 (die ik niet gelezen heb): Goldberg. Het moet ongeveer tegelijkertijd uitgekomen zijn met Remington. Ik meen in die tijd ook een interview met de auteur beluisterd te hebben, waardoor ik geïnteresseerd raakte. Erg helder staat het me allemaal niet meer bij.

Ooit las ik Natters roman Hoe staat het met de liefde? die goed leesbaar was, maar ik vond het niet zo'n goed boek. Waarschijnlijk heb ik daar indertijd wel over geschreven in het Nederlands Dagblad, maar ik moet tegenwoordig betalen om dat te kunnen nalezen. Beter vond ik Begeerte heeft ons aangeraakt.

En nu dus Remington, het beste wat ik ooit van Natter las. Een kunstenaar gaat naar Hamburg om zijn vader op te halen. Die heeft last van een tremor en durft het niet  aan om met zijn oude Mercedes naar huis te rijden. Vader is geboren in Hamburg; hij heeft de stad als kind verlaten, in de oorlog. Later realiseert de zoon zich:
Misschien had ik eerder door moeten hebben dat mijn vader al sinds hij me donderdag belde bezig was met afscheid nemen. In Hamburg ging hij op zoek naar zijn verleden, al beweerde hij van niet, hij wilde de sporen van zijn ouders vinden om zijn leven af te sluiten. Hij had gezocht, niets gevonden, en toe hij klaar was, vroeg hij mij om te komen, zodat hij werd ingesloten door wat was geweest en wat volgde. (...)[D]eze hele reis was één lang vaarwel.
Tot nu toe is er veel onuitgesproken gebleven tussen vader en zoon. Nu verkeren ze een tijdje in elkaars onmiddellijke nabijheid. Wegens autopech moeten ze zelfs een nacht doorbrengen in hetzelfde bed.

Al aan het begin van het boek lees je dat de reis dramatisch is afgelopen, maar niet wat er gebeurd is. Dat is het zetje dat je als lezer nodig hebt om aan de gang gehouden te worden en daarna het boek door te komen. Je wilt weten wat er heeft plaatsgevonden en daarom blijf je lezen.

Het zijn geen grote, spannende gebeurtenissen die je meeslepen. Er gebeurt wel wat (vader en zoon komen bijvoorbeeld op een vreemd feest terecht), maar het zijn meer de gesprekken en de herinneringen die je met plezier tot je neemt. Je komt ook nog te weten dat de zoon in het nabije verleden een heftige gebeurtenis heeft meegemaakt.

Het aantrekkelijke van Remington vind ik dat er een intimiteit opgeroepen wordt, waarin zowel vader als zoon zich enigszins onhandig voelen. Vader is dichter. Hij gebruikt de taal niet alleen om zich in uit te drukken, maar soms ook om de afstand te bewaren. De zoon ziet zijn vader in situaties waarin deze van zijn zoon afhankelijk is: zo moet vader door de zoon geschoren worden.

Tijdens de reis van Hamburg naar de Afsluitdijk leren we het leven van vader en zoon gaandeweg de roman kennen. Naarmate ze minder tijd over hebben samen, krijgen wij meer zicht op de weg die ze hebben afgelegd, niet alleen in de Mercedes, maar ook in de jaren ervoor. Alsof we mee mogen kijken in de achteruitkijkspiegel.

Remington is een sobere roman. Geen poespas, geen aanstellerij. Een degelijke roman die ook nog goed geslaagd is. Goed gedaan. Van het lezen van Goldberg zal het bij mij wel niet op korte termijn komen. Maar wie weet, kom ik ook dat boek nog eens afgeprijsd tegen. Als ik het koop, ga ik het ook lezen. Daar zal ik dan zeker over berichten.

zondag 24 september 2017

Fuzzie (Hanna Bervoets)



Mijn boekhandelaar had, alweer weken geleden, Fuzzie van Hanna Bervoets niet op voorraad. Was de verkoop zo snel gegaan? Vond hij dat hij het niet op voorraad hoefde te hebben? Hoe dan ook, hij bestelde het en in het weekend haalde ik het op.

Nog voor ik erin begon te lezen, was ik al teleurgesteld: voor op het boek stond een wel heel lelijke tekening van twee handen met daarin de titel in pluizige letters. De tekenares had het niet voor elkaar gekregen om de handen op echte handen te laten lijken. De handen leken niet van vlees maar van hout. Het zal wel een vriendinnendienst geweest zijn, waar de schrijfster niet meer onderuit kon, maar jammer is het wel.

Bervoets heeft wel wat krediet bij mij. Alles wat er was heb ik indertijd met plezier gelezen, al vond ik het boek net niet goed genoeg. Maar Ivanov vond ik overtuigend; ik plaatste het hoog in het lijstje met de beste boeken van 2016. Efter is mij door iemand geadviseerd. Ik heb het nog niet gelezen.

Over Fuzzie had ik al een paar recensies gelezen en ik had een interview met Bervoets beluisterd. Interessant gesprek. Ik wist dus wat iedereen al zo'n beetje weet als hij begint te lezen in Fuzzie: enkele personen krijgen een pluizig bolletje dat tegen hen praat. Hoe moeten we het noemen? Is het een robotje? Een speelgoedje met een computertje erin? Zoiets.

Het pluizige bolletje spreekt en dat ook nog in coherente zinnen. Wat het zegt is meestal niet bijzonder origineel. Het stelt vragen, waardoor degene die bevraagd wordt zich dicht benaderd voelt. Ook vertelt het het een en ander. Vier personages (Maisie, Florence, Diek en Stephan) hebben zo'n bolletje. Ze zijn alle vier op zoek naar liefde, zoals iedereen overal en altijd, en merken dat dat veel getob is.

Misschien is de vraag achter de roman of er intimiteit mogelijk is door slechts woorden. In dat geval zou je kunnen zeggen dat een schrijver ook bezig is intimiteit te creëren met de lezer. Bij het bolletje heb je de stem nog, die de schrijver alleen maar kan suggereren.

Het bolletje heeft wel invloed op de verschillende personen, al moeten ze op den duur verder zonder het bolletje. Maar op sommige momenten is er zeker een suggestie van nabijheid. Als Maisie haar bul uitgereikt krijgt, zit haar ex-geliefde Florence in de zaal en denkt:
Het bolletjes, alleen het bolletje en niemand anders raakt Maisie aan tijdens die belangrijke moment, deze rite de passage - was dat niet wat ze wilde?
De vraag is wie de 'ze' is in het zinnetje 'was dat niet wat ze wilde'? Maisie? Ik heb de neiging om 'Florence' te antwoorden. Florence spreekt Maisie niet aan, maar anders had ze willen zeggen: 'En o, dat bolletje dat je zo leuk vindt: dat ben ik, hoor.'

Wellicht zit Florence achter de bolletjeskwestie. Ze is per slot van rekening 'product designer' en als we haar voor het eerst tegenkomen in het boek veegt ze witte pluisjes van de tafel. Mogelijk is zij degene die het experiment opgezet heeft. Het zou  me niet verbazen. Al vraag ik me in dat geval wel af, waarom de andere bolletjes dan juist bij Diek en Stephan terechtgekomen zijn.

 Het idee achter Fuzzie spreekt me zeker aan. Je gaat vragen stellen als: is intimiteit te manipuleren? Ook vond ik het leuk hoe dezelfde tekst van het bolletje bij de verschillende personages terugkomt. Dat geeft leuke dwarsverbanden.

Maar bij de personages miste ik soms het verhaal, de ontwikkeling. Maisie en Florence komen nog het dichtst bij je. De andere personen blijven wat meer op afstand. Mij deden ze niet zoveel. Ik moest terugdenken aan roman dat in de verte met Fuzzie verwant is: De man achter het raam (1989) van Gerrit Krol. Daarin leven we mee met een computer die verliefd wordt. Krol deed rechtstreeks een appel op de lezer om mee te leven met een computer en dat was zonder meer geslaagd.

Uiteindelijk denk ik aan Fuzzie terug als een aardige roman en niet meer. Dat betekent dat het boek me, na Ivanov, tegengevallen is. Maar het idee achter de roman is boeiend en ik sluit niet uit dat ik een volgende keer toch weer met de nieuwe roman van Bervoets uit de boekhandel kom.

zondag 17 september 2017

Lezing Ben Manusama



‘Unfinished business’ noemde Ben Manusama de reeks schilderijen die hij onlangs geëxposeerd heeft in Den Haag. We zien personen die ten voeten uit geschilderd zijn. Ze verdragen vluchtige beschouwing, maar wie langer kijkt, ziet steeds meer de mensen die geportretteerd zijn. Op den duur komen we niet uit onder het appel dat er van hen uitgaat.

Op zondag 17 september kwam Manusama in de Vluchtheuvelkerk in Zetten vertellen over de bronnen van zijn werk. Ook liet hij muziek horen die verbonden is met de wortels van de Molukse gemeenschap.

Na de pauze was er een tweegesprek van Ben met Victor Laurentius, die ooit in Zetten woonde. Hij schreef, alweer jaren geleden, een boek over de Molukkers in de Betuwe. Op de tijdlijn die er getrokken werd, werden drie punten gezet: de dekolonisatie (met de zogeheten ‘politionele acties’), de treinkapingen in de jaren zeventig en het heden.

De treinkapingen zijn een uitvloeisel van de manier waarop de dekolonisatie verlopen is. Door sommigen zijn de kapingen wel de derde politionele actie genoemd. Het is een trauma geworden in onze nationale naoorlogse geschiedenis, waarover nog steeds niet alle feiten bekend zijn.

De feiten over de dekolonisatie en de kapingen moeten boven water komen en erkend worden, vertelde Manusama. Dan pas kunnen we verder. We zullen in het nu elkaars verhalen moeten horen en daar oor voor hebben. We moeten zien dat het niet een Molukse zaak, maar een Nederlandse zaak is, waarop ieder van ons vanuit zijn eigen achtergrond zal reageren. Pas als we daarvoor openstaan, kunnen we samen verder.

Het publiek was geboeid door Manusama’s verhaal en ook geschokt door wat hij vertelde over zijn eigen ervaringen. Hoe hij als jongere uit een bus geknuppeld werd. Een agent zei: ‘Loop maar weg, dan schiet ik je in je rug.’  Willekeurige Molukkers werden op een perron plat op de grond gelegd en onder schot gehouden. Het zijn feiten die het journaal nooit gehaald hebben.

Er zit nog veel woede en pijn in de nog vrij jonge geschiedenis. Daarmee moeten we aan het werk. Tot die tijd is het unfinished business.

(foto gebietst van de Facebookpagina van Ben)

donderdag 14 september 2017

Wormen en engelen (Maarten van der Graaff)


Bram Korteweg is opgegroeid op Goeree-Overflakkee, in een gereformeerde omgeving. Hij gaat studeren in Utrecht en lijkt het eiland en zijn jeugd achter zich te kunnen laten, maar dat blijkt niet zo simpel. Dat lezen we in Engelen en wormen, het romandebuut van Maarten van der Graaff, al bekend als dichter.

Bram zou je kunnen zien als een ex-gelovige, maar iemand noemt hem ketter. Bram is inderdaad niet los van de wereld van het geloof. Al in het begin van het boek neemt hij afstand van romans waarin iemand zich 'bevrijdt' van zijn gereformeerde jeugd. 'Ik leef na de uittocht', schrijft hij. En later in het boek: 'Hoe moet ik waarde hechten aan het afvallig zijn? Nu ik me heb afgekeerd van God, wil ik weten waarnaar ik me toekeer.'

Waar hoor je bij als je je gemeenschap achter je laat? Hoe vind je een context? En wat betekent geloof voor mensen? Bram zit vol met vragen, zeker nu zijn vader zich aansluit bij een evangelische gemeente en zich laat dopen in het Haringvliet. En zijn vriend Paul wordt predikant, uitgerekend op Goeree-Overflakkee.

Bram had zich in Utrecht al aangesloten bij een 'theologisch werkgezelschap', Uterque, een dispuut van de faculteit Godgeleerdheid. Hij zal dat gezelschap aan het eind Engelen en wormen als volgt omschrijven:
Wij waren geen familie. De leden van Uterque waren geen geliefden van elkaar, geestverwanten, vrienden, broers, zussen, moeders of vaders. We waren dieren, in een overvol heden, op zoek naar manieren om voor onszelf en elkaar te zorgen en van onszelf en elkaar af te komen.
 Hieruit blijkt de zoekende instelling van Bram, die zelfs een soort project met interviews maakt van zijn zoektocht. Hij zal Paul interviewen en Wilfried, een katholiek die veertig jaar ouder is dan de andere leden van Uterque. Bij het gezelschap ontmoet Bram ook Lena en Felix.

Bram heeft het traditionele geloof achter zich gelaten maar wil, zoals hij zelf zegt, 'de weefsels begrijpen waarin we zijn opgenomen'. Hij bestudeert de gelovigen niet, maar hij wil meedoen. Je zou kunnen zeggen dat hij een bevindelijke instelling heeft.

Van der Graaff heeft niet alleen een verhaal geschreven. Er staan ook essay-achtige passages in Wormen en engelen, transcripties van interviews, mails. De lezer kan zich niet gemakkelijk mee laten slepen met de gebeurtenissen, ook hij moet op zoek. Hij moet Bram proberen te volgen en nadenken over de vragen die deze zichzelf en anderen stelt.

En wat doet Brams (voor mij) vreemde belangstelling voor ASMR in het boek? Eerlijk gezegd had ik nog nooit gehoord van de filmpjes met fluistervrouwen. Misschien staat die belangstelling ook voor een seculier verlangen zich over te geven.

De zoektocht maakt het leven van Bram niet gemakkelijker en het stoot ook mensen af. Lena verwoordt dat in een mail waarin ze afstand van hem neemt. Je merkt de betrokkenheid, de nabijheid, juist op het moment dat ze terugstapt:
Ik heb genoeg van je gedoopte vader, je interviews en je eiland. Uiteindelijk blijf ik altijd aan de zijlijn staan, steeds weer weet je me aan de uithoeken van jouw hoogstpersoonlijke slagveld op te stellen. Gevoelige mannen zijn zo fucking gevaarlijk; al die complexiteit, maar ondertussen maken ze je tot een voetnoot in hun verhaal, een commentaarstem, nog altijd in hun dienst. Daar heb ik geen zin meer in, het is te vermoeiend, te deprimerend. Succes met je verhaal. Of wat het ook mag zijn. Ik stap eruit. Ik heb de moed opgebracht om je teleur te stellen.
Lena schrijft gedichten en zal de bundel Dood werk uitbrengen. Van der Graaff publiceerde zelf een bundel met die titel. Wellicht kunnen we niet alleen Bram, maar ook Lena zien als een afsplitsing van de auteur.

De titel verwijst naar Menocchio (Domenico Scandella), een als heretisch geziene molenaar die zijn eigen theorieën had. Zo zou er een massa uit de chaos ontstaan zijn, als kaas uit melk en daarin ontstonden wormen: de engelen. Bij engelen denken we aan iets verhevens en bij wormen juist aan iets wat afschuw opwekt: bedorven kaas. Van der Graaff zet de wormen naast elkaar in de titel, maar voor Menocchio vielen ze samen. Het bederf van de kaas heeft engelen tot gevolg.

Engelen en wormen is een prikkelende roman, waarin niet voor de gemakkelijke weg gekozen wordt. Bram neemt geen afstand, maar onderzoekt, blijft betrokken, vreet zich als een worm door de kaas om te zien waar hij uit komt. Er is een gemeenschap, maar je bent tegelijkertijd op jezelf aangewezen. Het is hard werken, wil je kunnen leven in een zinvolle context.

Er zullen lezers zijn die de stroom van de gebeurtenissen missen of het toewerken naar een eenduidige plot. Dat moet dan maar. In ieder geval is Wormen en engelen een roman die ergens over gaat. Ook wel eens prettig. 

woensdag 13 september 2017

Het 9e eiland (Marcel Ruijters)


In het theater kennen we de vierde wand: de acteurs doen alsof ze in een afgesloten wereld leven en alsof het publiek er niet is. Soms wordt ineens die vierde wand doorbroken, wanneer een acteur bijvoorbeeld het gesprek met het publiek aangaat.

Je zou kunnen zeggen dat dat ook opgaat voor strips. Over het algemeen trekken de personages zich niets aan van de lezer. Spelen met de vertrouwde vorm van de strips (waarbij een personage bijvoorbeeld botst tegen het kader van de tekening, hebben we al veel gezien. Uit mijn jeugd herinner ik mij dat soort dingen uit de verhalen van Olivier Blunder, die zich ook wel rechtstreeks tot de lezer wendt.

Ook Marcel Ruijters laat in Het 9e eiland de personages spelen met de conventies van de strip. Scott en Barry (Barry 2) spoelen met hun vlot aan op een bijna onbewoond eiland. Er woont alleen een inlandse vrouw, Kali,  die verbannen is, omdat ze zich schuldig heeft gemaakt aan kannibalisme.

Scott is een stripliefhebber en heeft een kist met strips meegenomen. Tegen Barry zegt hij: We moeten ons postmodern opstellen en doen alsof we in een strip rondlopen, bekeken door een onzichtbare lezer...'  Hij legt ook uit dat in strips, door de opeenvolging van de plaatjes, beweging wordt gesuggereerd en dus tijdsverloop.

Scott gaat er dan nog van uit dat Barry en hij alleen zijn op een onbewoond eiland, een klassiek gegeven in cartoons en ook wel in strips. Dat benoemt hij ook.

De lezer leest dus een strip over twee personen waarvan  er één filosofeert over strips. Er wordt een metalaag aangebracht, waardoor je niet meer alleen het verhaal volgt, maar waarin het verhaal zelf meteen commentaar is op het genre en dus op zichzelf. Ruijters heeft duidelijk plezier gehad in dit Droste-effect.

Scott kan op verschillende momenten uitweiden over bijvoorbeeld het gootje tussen de plaatjes of over fysiognomie. Het zal dan ook niet voor niets zijn dat de hoofdpersoon Scott heet. Voor in het album dankt Ruijters Scott Mc Cloud, die niet alleen cartoonist is, maar ook striptheoreticus. Zijn titels Understanding comics (1993) Reinventing comis (2000) en Making comics (2006) zijn wat dat betreft veelzeggend.

Barry wordt gedood door Kali, een inlandse vrouw, met wie Scott zijn leven zal gaan delen. Later blijkt Barry weer levend te zijn, door de boom der middelmatigheid, die constant slechte kopieën van Barry levert. Scott moet op de vlucht, waarbij hij gevaar loopt om in plotgaten te stappen.

Er zijn veel spiegelscènes in het verhaal: Kali maakt eigenlijk ook strips door de tatoeages die ze aanbrengt op Scott en op een gegeven moment is er een cameraploeg - Scott en Kali kunnen de opnamen waarop ze staan terugkijken.

Het verhaal over Scott en Kali beslaat heel wat jaren,. Ze krijgen kinderen die ook weer een partner gaan zoeken. Niet altijd weet Ruijters het verhaal daarbij spannend te houden, al haalt hij heel wat strapatsen uit met zijn personages. Maar er is te weinig wat hen een heel verhaal door kan drijven.

Toch is Het 9e eiland het lezen zeker waard. Vanwege het verkennen en becommentariëren van de kunstvorm, maar ook vanwege het absurdisme van Ruijters, dat altijd vrolijk stemt, ook (of misschien juist) als er een zwart randje aan zit. Maar het verhaalgegeven is net niet sterk genoeg om de lezer door het hele album heen te sleuren.

Titel:    Het 9e eiland
Tekst en tekeningen: Marcel Ruijters
Uitgever:  Sherpa
Paperback, 208 blz. zwart-wit; € 19,95

Lees hier over Jheronimus van Marcel Ruijters, een stripbiografie van Jeroen Bosch.

dinsdag 5 september 2017

Het tegenovergestelde van een mens (Lieke Marsman)


Als haar moeder zegt dat de mens door en door slecht is, bedenkt het meisje Ida dat zij het tegenovergestelde van een mens moet zijn, als zij goed wil zijn. In het eerste deel van de roman Het tegenovergestelde van een mens van Lieke Marsman wisselen hoofdstukjes over de volwassen Ida en het kind Ida elkaar af. Later in het boek wordt die structuur losgelaten.

De stukjes over het verleden geven wel zo'n beetje aan hoe het kind Ida is: ze denkt veel na over het leven en heeft een rijke fantasie. Dat typeert ook de volwassen Ida wel.

Ida is klimaatwetenschapper en heeft een relatie met Robin, die niet altijd gladjes verloopt. Robin en Ida zullen een tijdje uit elkaar moeten: Ida gaat in Italië deelnemen aan een project in de buurt van een stuwdam. 'Ik weet zeker dat ik weg wil, en toch weet ik ook zeker dat ik hier wil blijven.' Dat beseft Ida op de avond voordat ze naar Italië vertrekt. Het is typerend voor de manier waarop Marsman schrijft: de hoofdpersoon observeert zichzelf nauwkeurig en versimpelt niet: ze laat de tegenstrijdigheden bestaan.

Deel 1 van de roman heet 'Binnen blijven' en in deel 2 trekt Ida eropuit: 'The Great Outdoors'. We komen niet alleen te weten wat er gebeurt, maar vooral ook wat Ida leest en wat ze daarover denkt. Ze denkt niet alleen na over het klimaat, maar ook over haar geaardheid: ze heeft een vriendin, maar in hoeverre bepaalt haar dat? Ze analyseert hoe haar relaties verlopen, ook die met Robin:
Ik zou mijn grootste angsten kunnen overwinnen voor Robin als zij hetzelfde ook voor mij zal doen, maar mijn grootste angst is mogelijk dat dat laatste nooit zal gebeuren. 
De analyserende manier van waarnemen en van denken is heerlijk om te lezen: Marsman neemt je niet alleen mee in het verhaal, maar vooral ook in haar gedachten. Sommige gedeelten van de roman lees je dan ook als  een essay, andere als een gedicht. Het verhaal komt dan even tot stilstand, zou je kunnen zeggen, maar zo heb ik het als lezer niet ervaren. De verhaallijn volgt op dat soort momenten niet de gebeurtenissen, maar de gedachten en met die gedachten ga je als lezer gemakkelijk mee.

Dat wil niet zeggen dat Ida zo betogend en zo overtuigend is, maar ze stelt zichzelf vragen en wil daarop het antwoord weten. Zo'n zoektocht prikkelt ook de lezer: die wil het personage volgen in haar gedachtegang en tegelijkertijd meedenken en zichzelf vragen stellen. Ik heb dat als bijzonder prettig ervaren.

Er zijn heel wat prekerige boeken geschreven over klimaatverandering. Zelfs als je het met de strekking daarvan eens bent, kunnen die boeken toch irritatie opwekken vanwege de positie van de schrijver: die weet hoe het zit en die zal zijn of haar lezerspubliek wel overtuigen van de juiste visie. Zo werkt Marsman niet. Maar je voelt je betrokken bij wat ze schrijft, je vraagt je wel af hoe het allemaal verder moet en wat je zelf zou kunnen doen.

Ik denk dat het komt doordat de overpeinzingen over het klimaat afgewisseld met overpeinzingen over andere onderwerpen: of hoop en vrees elkaar uitsluiten of niet zonder elkaar kunnen bestaan; dat het een misverstand is dat bij tienerdepressies niets ertoe doet, maar dat dan juist alles ertoe doet; dat aan verlangen geen gemis ten grondslag ligt, maar een overschot.

De gewone dagelijkse dingen zijn nooit ver weg bij Ida. Rafael Nadal kan bestaan naast Naomi Klein en The world without us van Alain Weisman naast Home Alone. Alles is met alles verknoopt en de knoop is Ida en daarmee ook de lezer. In de individuele mens komt het persoonlijke en wereldwijde samen. Dat laat Marsman goed zien door de liefdesgeschiedenis van Ida en haar bekommernis om het klimaat door elkaar te laten lopen.

Er zullen wel punten zijn waarop Het tegenovergestelde van een mens anders of beter kan, maar dat is niet de manier waarop ik het boek gelezen heb. Ik vond het vooral prettig om me te laten prikkelen en tegelijkertijd te genieten van een schrijfster die weet wat ze met taal kan doen; die soepel de genres door elkaar gebruikt en die altijd, altijd, mijn aandacht weet vast te houden.

Het tegenovergestelde van een mens is niet alleen een boek om van te genieten tijdens het lezen, maar bovendien kun je er nog eens over napraten. Of samen met anderen lachen om sommige passages (als Ida denkt dat ze ongesteld is, bijvoorbeeld), want het boek heeft ook veel lichts.

Een boek om lang mee te doen. Dat is ook van belang in tijden waarin duurzaamheid een argument is.

vrijdag 18 augustus 2017

Het verboden boek (Ewoud Kieft)


Waarover Het verboden boek gaat, heeft de auteur, Ewoud Kieft, in de ondertitel duidelijkgemaakt: Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme. Hij las het bekende boek van Hitler van kaft tot kaft en vroeg zich af hoe het kon dat er zoveel mensen enthousiast over dit boek geworden zijn. Als we het afdoen als een prul, stilistisch zwak, inhoudelijk incoherent, doen we het tekort. Er moet meer in te vinden zijn. In ieder geval was er iets in te vinden voor de toenmalige lezer.

En heeft Mein Kampf nu nog iets te zeggen? In discussies komt 'de oorlog' of Hitler of het Nazisme al gauw opduiken. De uitspraken van Donald Trump of Geert Wilders zijn wel met de werkwijze van Hitler vergeleken (bijvoorbeeld hier) en Wilders heeft op zijn beurt (zie filmpje) de Koran vergeleken met Mein Kampf en opgeroepen tot een verbod ervan.

Vooral in het laatste hoofdstuk van Het verboden boek bezint Kieft zich op wat hij gelezen heeft. 'Maar op eigen kracht denk ik niet dat het boek nog in staat is om mensen in zijn greep te krijgen. Daar is een enorme historische vertaalslag voor nodig, de juiste context, inzicht in de politieke strategieën uit die tijd.'

Daarom geeft Kieft ons uitgebreid de context. Het beeld dat hij oproept van de jaren na de Eerste Wereldoorlog is bijzonder verhelderend. Je begint te snappen wat voor tijd het was en hoe Hitler slim inspeelde op wat er al leefde. Alleen daarom is Het verboden boek het lezen waard.

Maar Kieft heeft ook Mein Kampf nauwkeurig gelezen. Hij laat zien hoe het boek bol staat van oorlogsromantiek, dat Hitler gebruikmaakt van religieus vocabulaire, hoe hij overdrijft en 'de vijand' veel groter maakt dan die is.

Vaak gaan vergelijkingen van nu met de tijd van Hitler mank, laat Kieft zien. Wat 'islamofobie' genoemd wordt is bijvoorbeeld van een andere orde dan het wijdverbreide antisemitisme uit het interbellum.

Maar hij schrijft ook:
Als je een nummer van Dabiq, het glossy magazine dat IS uitgeeft om aanhangers in westerse landen te ronselen, naast Mein Kampf legt, zijn de overeenkomsten overweldigend: de oorlogsromantiek, de verheerlijking van martelaarschap, de strijd van de underdog tegen een oppermachtige vijand, dezelfde complottheorieën over de Joodse wereldheerschappij. De combinatie van politiek en religie die Hitler in Mein Kampf bepleitte, past IS in de praktijk toe. Ze verkondigt de wederopstanding van een mythisch rijk dat ooit door onzuiverheid verloren is gegaan, en alleen met volledige zuiverheid te herstellen is. 
In discussies over Wilders en Trump hebben de vergelijkingen met Mein Kampf vaak weinig zin. Mensen gebruiken ze als een soort laatste argument en als teken dat ze zelf aan de moreel goede kant staan. Maar de manier waarop Wilders consequent weigert de islam een godsdienst te noemen, doet wel erg denken aan de manier waarop Hitler de joodse godsdienst ontkende. Terecht maakt Kieft zich boos op de manier waarop partijen als VVD en CDA dat tornen aan de godsdienstvrijheid laten gebeuren.

Maar we zijn te gemakzuchtig als we Mein Kampf toeschuiven naar de mensen met wie we van mening verschillen. Het is een boek vol verschrikkelijke dingen, waarmee wij gelukkig niets te maken hebben. Kieft houdt nadrukkelijk zichzelf niet buiten schot. Mein Kampf staat dichter bij ons dan we zouden willen. In Hitlers tijd waren veel mensen erg enthousiast over zijn boek. We kunnen niet op voorhand uitsluiten dat wij, als wij toen geleefd zouden hebben, tot die groep behoord zouden hebben.

We kunnen ook nu zien hoe gevoelig mensen zijn voor veralgemeniseringen. Politici claimen dat ze weten wat Nederlanders (of 'de hardwerkende Nederlanders') willen. Kieft zegt zinnige dingen over dat soort populistische retoriek:
Als een politicus claimt dat hij het gehele volk vertegenwoordigt, houdt dat automatisch in dat alle mensen die het niet met hem eens zijn, buitenstaanders worden: de 'kosmopolitische elite', de 'internationale media', de 'moslimknuffelaars'- allemaal vijanden van het volk. Het wakkert verdeeldheid aan en soms geweld. Maar het belangrijkste bezwaar is veel simpeler: het is niet waar. Geen enkele samenleving is homogeen. Houd op met ons voor de gek te houden.
Wat me verraste aan Mein Kampf is dat het zo transparant is over de middelen die ingezet worden. Dat Hitler bijvoorbeeld uitlegt dat je niet genuanceerd moet zijn en één vijand moet kiezen. Hij legt zijn werkwijze helder uit en zal later ook op die manier handelen.

Het is belangrijk dat we nu weten waar Mein Kampf echt over gaat en waarom het begrijpelijk is dat het succes heeft gehad. Nog belangrijker is dat Het verboden boek ons laat nadenken over onze tijd en vooral ook over onszelf.

Een beetje frikkerig wil ik toch op een klein foutje wijzen. De grap van Hans Teeuwen ('De mensen praten wel over de Joden en zo, terwijl die Duitsers - nou, dat waren ook geen lieverdjes, hoor') vertelt hij net andersom, waardoor het helemaal geen grap meer is. Het is maar een vliegenpoepje in verder uitstekend boek: helder geschreven over een belangrijk onderwerp. Misschien moet ik Oorlogsenthousiasme ook maar gaan lezen.


Het verboden boek is uitgegeven door Atlas/Contact.

woensdag 16 augustus 2017

Wie zoet is, krijgt lekkers (Knipoog 66)


Gewoonlijk sla ik bij de NRC het katern Lux over. Even doorbladeren en dan naast je neerleggen. In de krant van 29 april 2017 viel me toch iets op. Er stond een artikel in van Karin de Mik over de groeiende vraag naar schapenmelk. Er blijkt zelfs als schapenyoghurt geproduceerd te worden. Boven het artikel staat de titel 'Wie zoet is drinkt schaap'.

Dat is een duidelijke knipoog naar 'wie zoet is, krijgt lekkers'. Dat wordt ons toegeroepen door de lachende knecht in het sinterklaaslied 'Zie ginds komt de stoomboot': 'Wie zoet is, krijgt lekkers, wie stout is de roe'.

Het stoombootlied is erg bekend. Er is dus ook vaker geknipoogd naar het lied en meer in het bijzonder naar de regel die vertelt wat er gebeurt met 'wie zoet is'. Zo schreef A.H.J. Dautzenberg de roman Wie zoet is. In de roman verwijzen ook de afdelingstitels naar sinterklaasliedjes: 'Appeltjes van Oranje', 'Pruimpjes van de bomen', 'Sinterlaas zal komen', 'Wie stout is'.

Wat krijgt wie zoet is, of wie stout is, volgens de knipogen? 'Wie zoet is, krijgt alles', volgens een hit. Maar meestal is het toch iets eetbaars. Wat voor lekkers de zoeteling krijgt? Chocolade (hier), gomlullen (hier), letters, hartigs, een riviervrucht of simpelweg een traktatie.

Niet alleen wordt er lekkers weggegeven, maar ook: de leukste schoencadeaus voor stoere jongens (hier), gaatjes (hier), warme voeten, ADHD en gadgets.

Het is trouwens geen uitgemaakte zaak dat je wat krijgt, als je zoet bent: 'Wie zoet is, moet dokken (hier).

Wie zoet is, krijgt lekkers, wie stout is de knuppel, volgens Dumpert. Wat krijgen stouteriken nog meer? D'r moeRitalinnog veel meer, de poes, Jan Roos, een Hema-taart, gedoe, een Digiblast of celstraf.

Het is niet verwonderlijk dat een lied dat aangeleerd wordt aan veel kinderen breed verspreid is en dat je daar dus gemakkelijk naar kunt knipogen. Wat hierboven staat is slechts een kleine greep. Zolang er sinterklaasliedjes gezongen worden, zal dat nog wel doorgaan. De auteur van het artikel over schapenmelk heeft dat goed begrepen.

dinsdag 15 augustus 2017

'Maar zo heb ik het geleerd!' (Wouter van Wingerden)


'De waarheid achter 50 taalkwesties' - zo luidt de ondertitel van het boekje 'Maar zo heb ik het geleerd!' van Wouter van Wingerden. Je vraagt je wel meteen af of die '50' dan niet 'vijftig' had moeten zijn. Maar die kwestie wordt niet behandeld.

Van Wingerden, een taalautoriteit, deed onderzoek naar wat de taalgebruikers acceptabel vinden en wat ze mooi vinden in bepaalde taalkwesties. Bij elke kwestie vergelijkt hij de uitkomst van dat onderzoek met wat de experts erover zeggen, hij legt uit hoe het volgens hem echt zit en op grond daarvan komt hij tot een advies.

Er blijken nogal wat schoolmeesterregels te bestaan: regels die onderwezen worden, maar die ingaan tegen ons taalgevoel en soms ook ingaan tegen de officiële regels. Van Wingerden adviseert om taalgebruikers niet meer volgens die regels te beoordelen.

Daarbij zijn er nogal wat waarvan een gemiddelde taalgebruiker zal zeggen, met opgetrokken wenkbrauwen: 'Maar zo heb ik het geleerd!'  De volgende zinnen kun je tegenwoordig zonder problemen gebruiken, volgens Van Wingerden: 'Ik heb hen iets beloofd'; 'De reizigers worden verzocht uit te stappen'; 'Een aantal mensen applaudisseren'; 'De man waarvan ik veel geleerd heb'; 'Het is glad omdat het geijzeld heeft'; 'Ik wens je een hele fijne vakantie'.

'Groter als' is nog steeds niet goed. 82 procent van de geënqueteerden merkt dat aan als fout. In het dialect waarin ik opgroeide zei iedereen 'grötter as'. Daardoor ga ik met dit soort constructies in de standaardtaal geregeld in de fout. De experts tillen aan deze fout overigens minder zwaar dan het gros van de taalgebruikers.

'Maar zo heb ik het geleerd! is een heerlijk boekje. Het is compact en helder en het gaat over zaken die iedereen herkent. Als frik werd ik erdoor verschillende keren op de vingers getikt, wat ik deemoedig heb ondergaan. Een enkele keer heb ik toch wijsneuzerig een streepje in de kantlijn gezet.

In de kwestie 'we/wij' schrijft Van Wingerden ook over het bezittelijk voornaamwoord: 'me boek' mag niet. 'Vind je mijn te nadrukkelijk, schrijf dan m'n', adviseert Van Wingerden, wat ik een vreemd advies vind. In een zin als 'Daar loopt mijn moeder' spreek je volgens mij het bezittelijk voornaamwoord niet anders uit dan in 'Daar loopt m'n moeder'. 

Bij de kwestie 'Is een gijzelaar dader of slachtoffer?' noemt Van Wingerden 'winnaar' en 'leraar' als voorbeeld: 'iemand die wint', 'iemand die leert'. De rij is gemakkelijk uit te breiden: 'moordenaar', 'lasteraar', 'onderhandelaar'. Ik heb zelfs al eens iemand het woord 'verliezaar' horen gebruiken. Maar we hebben ook 'martelaar', waarbij iemand niet martelt, maar gemarteld wordt. Tenminste, ik vermoed dat dat het oorspronkelijk betekend heeft. De persoon ondergaat in ieder geval de handeling en dat betekent dat 'gijzelaar' niet uniek is.

Bovendien heb ik enkele keren de woorden 'gegijzelden' en 'gijzelnemer' gehoord, die het misverstand omzeilen. Die woorden hadden wel even genoemd mogen worden, denk ik.

Een enkele keer geeft Van Wingerden een ongelukkig voorbeeld. Om te illustreren dat bij de woordgroep 'twee koppen koffie' zowel 'koppen' als 'koffie' de kern kan zijn geeft hij de zinnen 'Er staan twee koppen koffie op tafel' ('koppen' is kern) en 'Twee koppen koffie is genoeg' ('koffie' is de kern). Dat laatste voorbeeld is niet correct. We kunnen immers ook zeggen: 'Twee koppen suikerklontjes is genoeg' of 'Twee suikerklontjes is genoeg'.

De noten zijn niet opgenomen in het boekje. Daarvoor moet je naar een website. Misschien komt dat de leesbaarheid ten goede. Het betreft hier vaak de herkomst van de citaten die Van Wingerden ter illustratie geeft. Maar die informatie had waarschijnlijk ook in het onderschrift gekund. In plaats van 'Een krant hing er in 1952 zelfs een heel artikel aan op' had ook de exacte datum en de naam van de krant genoemd kunnen worden.

Soms wordt er in een onderschrift ineens een verregaande conclusie getrokken. In een berichtje met 'Een millioen menschen zullen' in de kop krijgt als onderschrift 'In 1926 was het meervoud veel gebruikelijker dan het enkelvoud'. Daar wordt geen onderbouwing voor gegeven.

Maar dat zijn kleinigheden, die ook niet helemaal recht doen aan het boekje. Van Wingerden is zeer overtuigend, juist door zijn helderheid, die ook blijkt uit zijn voorbeelden. Meningen die ik jarenlang heb aangehangen, heeft hij ernstig ondergraven. En dat is nog prettig ook.

Aan 'Maar zo heb ik het geleerd!' heb ik veel gehad. Ik ga nog een paar exemplaren aanschaffen om weg te geven.

maandag 14 augustus 2017

Geraakt (Hans Münstermann)



De roman Geraakt, van Hans Münstermann, begint met iets wat eruitziet als een gedicht. Aanvankelijk stond dat me niet zo aan. Niet alleen vind ik het gecentreerd afdrukken van gedichten nogal lelijk, ik vond het ook als gedicht niet zo sterk. Maar toen ik na lezing van de roman de eerste afdeling (het gedicht dus) nog eens las, moest ik toegeven dat de roman samenkomt in die gedichtachtige tekst.

In het tweede deel begint het verhaal: Andreas Klein, het vaste alter ego van Münstermann, heeft het plan om een novelle te schrijven over de blueszanger Robert Eden, die hij ooit in de trein ontmoette, maar er zijn allerlei zaken om hem heen die zijn aandacht vragen. Zijn schoonvader moet een heupoperatie ondergaan en daarbij gaat wat mis, er bivakkeren Koerden op het Museumplein in Amsterdam en in het Rijksmuseum wordt een paneel van Jan van Scorel, Maria Magdalena, beschadigd. En dan is er nog de uitgever die niets ziet in het plan van Klein, maar meer in een biografie van Harry Piekema en de Avezaatjes die uit elkaar zijn of gaan.

Het is een verwarrende tijd. Wat er met zijn schoonvader gebeurt, maakt Klein voornamelijk van op een afstand mee: zijn vrouw is bij haar vader, in het oosten des lands en het grootste deel van het verhaal is Klein in Amsterdam. Het komt dichtbij, net als de Koerden die in de open lucht bivakkeren en om wie hij niet heen kan kijken, Geert Wilders die altijd weer zijn voorspelbare commentaar geeft en het vriendelijke gedram van de uitgever.

En toch wordt Klein vooral geraakt door Robert Eden en zijn verhaal. Het gaat niet goed met Eden, vertelt die door de telefoon, wat Klein nog meer de urgentie van het schrijven van de novelle doet voelen, ondanks dat de uitgever niet enthousiast is. Dat verhaal vormt de derde afdeling van Geraakt.

Je zou die afdeling als zelfstandige novelle kunnen lezen. Daarna is er niet meer een tekst die verband aanbrengt tussen alle delen van de roman. Dat is eigenlijk al gebeurd in de gedichtachtige tekst in afdeling 1. En misschien moeten we concluderen dat er domweg geen verband is.

De dingen zijn er en gebeuren en het liefst maken we er een verhaal van. We zouden graag een verband zien, zodat we het kunnen snappen, maar wellicht is zo'n verband er niet. Andreas wordt geraakt door de gebeurtenissen om hem heen, maar wellicht is hij het enige wat die gebeurtenissen verbindt. Wat hij daartegenover kan zetten is het verhaal, dat begint met een toevallige ontmoeting (met Robert Eden) en dat gaat over een toevallige ontmoeting (van Robert Eden met het meisje Louise).

Het verhaal over Eden is prachtig. Je laat je als lezer, net als Robert Eden, meeslepen. Aanvankelijk gebeurt er helemaal niets: Eden zit tegenover Louise in de trein. Maar in het hoofd van Eden is het verhaal al begonnen en dat gaat in alle hevigheid verder als hij haar buiten de trein opnieuw ontmoet. Over dat verhaal ga ik niet al te veel zeggen, maar het is subtiel geschreven: een noodlottige liefde waar uiteindelijk niets van kan komen.

Het is al in 1977 gebeurd, maar het is Eden bijgebleven. Hij vertelde het aan Klein in 1992 op een manier alsof het de dag ervoor gebeurd was en Klein vertelt het weer aan ons en weer lijkt het allemaal dichtbij.

Misschien is dat ook het enige wat er gedaan kan worden bij alle onrust om ons heen: verhalen vertellen, kunst maken. Wie geraakt wordt door een verhaal, is even weg bij de dagelijksheid en de alledaagsheid. Het subtiele verhaal staat in schril contrast met het commentaar van Geert Wilders, die op zijn manier ook een verhaal vertelt om mensen daarin mee te nemen. De tekening van Wilders is overigens zeer vermakelijk. Dit is bijvoorbeeld het commentaar van Wilders op de aanslag op het paneel van Jan van Scorel:
'Jaja,' zei hij, tegen zijn gewoonte gast in een late night-programma, 'het Rijksmuseum is goed beveiligd, maar niet goed genoeg. Zoals dit héle land zichzelf abominabel beveiligt. Het kan de autoriteiten geen donder schelen. Straks is het De Nachtwacht',' en hij liet even een eerbiedige stilte vallen. 'In een normaal land is zoiets onmogelijk. Want het gaat hier, laten we onszelf niks wijsmaken, om de beschadiging van een heel land. Loopt u eens over het Museumplein naar ons Rijksmuseum. Dit plein is gekoloniseerd door een troep Koerden en moslims.
Even later zal Wilders Nederland zelfs 'dit wilde kalifaat' noemen. Een ander humoristisch personage is Guido van Halst, een paragnost, die vindt dat hij ingeschakeld moet worden bij het onderzoek naar de beschadiging van het werk van Van Scorel.

Dit soort luchtigheden, houdt Geraakt mooi in evenwicht, zoals het leven waarschijnlijk altijd een mix zal zijn van luchtige en ernstige zaken, van wat verheven is en van wat alledaags is. Dèr Mouw schreef er al over: 'Als zij me geeft mijn bordje havermout, / En 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten, // Dan voel ik éénzelfde adoratie branden /Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.'

Die mix maakt Geraakt heel goed verteerbaar. Maar met welk gevoel voor ironie we het boek ook lezen, uiteindelijk worden we voluit geraakt door het derde deel. Mooi, mooi. Lezen!

Geraakt is uitgegeven bij uitgeverij De Kring

Hier een interview met Münstermann bij Nooit meer slapen.