woensdag 13 december 2017

Spic en span (Woorden die je weinig hoort 9)



Op dit moment lees ik Mazzel tov van Margot Vanderstraeten. In België is het boek een bestseller en blijkbaar loopt het in Nederland ook goed. Bij de 'boekenwedstrijd' van NRC Handelsblad staat het tussen de vijfentwintig boeken waarop gestemd kan worden.

Overt wat ik van Mazzel tov als geheel vind, zal ik later schrijven. Nu over een passage die me opviel. Op bladzijde 177 las ik:
Krystina vulde een emmer met sop. Zij zou ervoor zorgen dat alles er straks spic en span bij lag. 
Dat 'spic en span' hoor je niet zo veel meer, dacht ik. Het betekent natuurlijk 'schoon', of zoals de Vlamingen zeggen: 'proper'. Vanderstraeten is Belgische en blijkbaar is in België de uitdrukking 'spic en span' (nog) gangbaar.

Leeuwarder Courant 24 februari 1975
Mijn indruk dat in Nederland 'spic en span' niet zo veel meer gebruikt wordt, blijkt overigens niet te kloppen. Onder mijn leerlingen (scholieren in het middelbaar onderwijs) zijn er heel wat die weten wat ermee bedoeld wordt. Dat er ooit een schoonmaakmiddel was dat zo heette, weten ze dan weer niet.

Blijkbaar was het schoonmaakmiddel Spic en Span zo succesvol dat alleen de naam al synoniem werd met schoon. Advertenties uit de tijd van mijn jeugd (de jaren zeventig) zijn gemakkelijk te vinden.

In 1975 blijkt de Spic en Span 1,29 te kosten bij de C en C Euromarkt. Er werd nog betaald in guldens, ondanks de naam van de winkel.

Limburgsch Dagblad 27 september 1972
Drie jaar eerder, in 1972 dus, kostte Spic en Span 1,43, al kon de Gegro het product aanbieden voor 1,19. 'Gegro nagelt de concurrentie aan de prijzenschandpaal!' staat er boven de advertentie. Er wordt maar liefst 11 procent korting gegeven. In de advertentie staat '11% verlaging'. Dat scheelt blijkbaar knaken, gezien de afgebeelde munten. Op de uitsnede die ik van de advertentie genomen heb, is niet meer te zien of het guldens of rijksdaalders zijn, maar het zijn rijksdaalders.

Mijn moeder gebruikte geen Spic en span, maar ik kende het merk. Het was op dat moment al niet nieuw meer. Aan het eind van de jaren vijftig wordt er veelvuldig voor het schoonmaakmiddel geadverteerd in de kranten (zie ook de advertentie onderaan). Spic en span maakt alles blinkend schoon, zonder dat je hoeft te schrobben en het heeft ook nog de geur van dennen. Schoonmaken gaat, door het gebruiksgemak, sneller dan met de andere producten. Het kan nu in de helft van de tijd. Als we die advertenties tenminste moeten geloven.

In de jaren zestig gaat het blijkbaar goed met Spic en Span, want er is geregeld een vacature voor een vertegenwoordiger die verschillende producten, waaronder Spic en Span op de winkelschappen moet zien te krijgen.

De Maasbode 23 november 1929.
In verschillende oudere advertenties (eind jaren twintig, begin jaren dertig) wordt er geadverteerd voor de combinatie Premier Junior of Duplex (een stofzuiger) en Spic-Span (blijkbaar een klein zuigertje), bijvoorbeeld in de de Maasbode van 23 november 1929 (zie hiernaast). De merknamen Spic-Span en Spic en Span liggen merkwaardig dicht bij elkaar en allebei hebben ze met schoonmaken te maken.

Spic en span is niet oorspronkelijk Nederlands; het was een Amerikaans merk. In december 2016 besteedde de 'Taalisman' (Frans Lisman) er een mooie bijdrage aan. Volgens de Oxford Dictionary hebben de Engelsen de uitdrukking ontleend aan het Nederlandse 'spiksplinternieuw'. Op een site kom ik ook nog een verwijzing naar Noorse herkomst tegen.

In ieder geval was Spic en Span een bekend schoonmaakmiddel. Waarschijnlijk is het in Nederland geïntroduceerd in 1922. In het Haarlems Dagblad van 4 november kwam ik onderstaande tekst tegen, waarin de datum 3 november 1922 wordt genoemd.

We kunnen ons afvragen of het om hetzelfde schoonmaakmiddel gaat als het middel waarmee later vloeren werden gereinigd. In de advertentie wordt immers alleen gesproken over koper, zilver en nikkel. Misschien is het een soort Brasso geweest. Voor de herkomst van de uitdrukking 'spic en span' in de betekenis van 'schoon' lijkt het me van minder belang.


Het schoonmaakmiddel wordt gepersonaliseerd: Spic en Span zijn twee personen geworden, twee figuurtjes. Ik kwam ook onderstaand plaatje tegen, zonder bronvermelding. Het zal wellicht van later datum zijn, maar de figuren verwijzen duidelijk naar het schoonmaken. De tekst is: 'Zo, alles weer Spic en Span'. Of de uitdrukking toen al gangbaar was of op dat moment geïntroduceerd is, kon ik niet achterhalen.


Spic en Span als benaming voor een duo heeft overigens ook navolging gevonden. Er is een Limburgs feestduo dat zich Spik en Span noemt. Wie benieuwd is naar de muziek van het duo kan dat op YouTube met gemak vinden. Een afbeelding van het tweetal vindt u onder aan dit blogbericht.

In Vrij Nederland wordt in 2007 verslag gedaan van het proces Holleeder. Daarbij komen ook de onderwereldfiguren Klepper en Mieremet ter sprake. Ook zij worden aangeduid als Spic en Span.

In 1968 blijken Spic en Span niet meer twee personen te zijn, maar dan bestaat er een 'meneer Spic & Span'. In de advertentie (Het Parool, 29 februari) wordt in de naam het &-teken gebruikt. We komen ook wel, in het Engelse taalgebied de spelling Spic 'N Span tegen.
Het Parool, 29 februari 1968
De Telegraaf, 11 april 1968
De meneer blijkt overigens niet alleen te zijn. Er is een team van mensen die gekleed zijn in rood en geel. Wie een simpele vraag kan beantwoorden en een pak Spic & Span kan laten zien, verdient vijfentwintig gulden.

Het schoonmaakmiddel werd zo bekend dat de naam synoniem werd aan glanzend schoon. Daar hebben veel bedrijven bij de keuze van hun naam dankbaar gebruik van gemaakt. Wie even googelt, vindt dan ook verschillende bedrijven die zich Spic (of Spik) en span noemen. Het betreft schoonmaakbedrijven, glazenwassers en verwante dienstverleners. Je vindt de voorbeelden bijvoorbeeld hier en hier. Er zijn er heel veel meer.

Opmerkelijk is een bericht in de Leeuwarder Courant van 12 november 1992 over een sportkrant die huis-aan-huis verspreid wordt. De naam daarvan is SPAN, Sportief Aktueel Noord. Dat blijkt geen succes: de freelancers en de medewerkers hebben nog 50.00 gulden tegoed. Intussen wordt er al gewerkt aan het uitbrengen van een soortgelijk blad. De auteur van het artikel suggereert als naam van het blad SPIC (Sport In Contanten).

In krantenberichten komt de uitdrukking 'Spic en Span' regelmatig voor en dat gebeurde zelfs nog vrij recent: bijvoorbeeld in het AD (2016): 'Alles spic en span voor koninklijk bezoek.' Veel vaker dan ik verwacht had, komt de uitdrukking voor.

In Computerworld (2017) lezen we: 'Maak Android weer spic en span schoon'. Strikt genomen had dat 'schoon' er niet achter gehoefd; 'spic en span' betekent al 'schoon'.

Opmerkelijk is dat in NRC Handelsblad van 6 september 1986 de Engelse variant, 'spic-and-span' wordt gebruikt (zie hier).

Nog een voorbeeld:
Trouw, 19 mei 1988

Een nieuwe betekenis vond ik in het Gouds Dagblad van 5 december 2017: 'Wil jij er ook spic en span bijlopen?' Het artikel is gepubliceerd in de maand van de kerstdagen en op de foto zien we schoenen. 'Spic en span' betekent hier niet 'schoon', maar 'tot in de puntjes verzorgd'. Die betekenis kwam ik nog niet eerder tegen.

Ten slotte blijkt spic en span ook een stof te zijn. Het wordt vermeld in de Volkskrant van 3 maart 1959 in een artikel over Modehuis Holthaus. De titel luidt: 'Vernieuwd huis Holthaus toont exclusiviteit naast eenvoud.' Het modehuis toonde de 'boutique-collectie'. Daar was ook kleding bij die gemaakt was van spic en span, een mengsel van wol en orlon. 'Ideale stof' volgens de journalist, want het kreukt niet.
De Volkskrant 3 maart 1959

Voor mij is 'orlon' al een onbekend woord. Het zal een synthetische stof zijn. Mijn moeder en mijn zus hoorde ik indertijd wel praten over 'dralon' wat een soortgelijke stof zal zijn. Het zal niets voor niets eindigen op -lon, net als 'nylon'

Spic en Span was een beroemd schoonmaakmiddel. Het bereikte vanuit Amerika niet alleen het Verenigd Koninkrijk en Nederland, maar ik ben ook verwijzingen naar 'Spic und Span' en 'Spic e Span' tegengekomen. De uitdrukking 'Dat ziet er weer spic en span uit, is in ieder geval vrij algemeen geweest en nog steeds wordt die veel gebruikt.

Waarschijnlijk komt dat mede door de reclame. Er zijn op YouTube veel commercials te vinden, die doorlopen tot in de jaren negentig van de twintigste eeuw. Het product figureerde ook in verscheidene 'soap opera's', lees ik hier, op de Engelstalige Wikipedia. Het vreemde is dat er als startpunt voor Spic and Span de jaartallen 1926 en 1933 worden genoemd, terwijl er in Nederland in 1922 al naar verwezen wordt.

Het product is, voor zover ik weet, verdwenen, maar de uitdrukking bestaat nog. Misschien zullen we nog jarenlang zeggen dat iets er spic en span uitziet. Het zou me niet verbazen.


Het Vrije Volk, 16 januari 1958

Leeuwarder Courant 28 augustus 1981


vrijdag 8 december 2017

Sjakie en de chocoladefabriek (Knipoog 68)


In krantenkoppen wordt geregeld verwezen naar film- of boektitels. Intussen heb ik hier al heel wat van die knipoogjes gesignaleerd. Zo'n knipoog werkt natuurlijk alleen bij bekende titels. En je moet erop kunnen variëren. Dat kun je bijvoorbeeld niet bij een titel als Mathilda, maar wel bij Sjakie en de chocoladefabriek.

Dat deed Youp van 't Hek op 18 november in NRC Handelsblad toen hij een column schreef met de titel 'Sjakie en Steroïdenfabriek'. Sjakie is Jacques Brinkman, die in een column in de Telegraaf suggereerde dat Dafne Schippers wat gebruikt zou hebben om beter te kunnen presteren. Daar had hij geen aanwijzingen voor.

Later krabbelde Brinkman terug, zeggend dat het niet zijn aantijgingen waren, maar dat hij de twijfels van anderen weergaf. Toen was er al ophef, lees ik hier bijvoorbeeld.

Mij was die ophef geheel ontgaan, maar door de column van Youp van 't Hek raakte ik er toch van op de hoogte. Die column ging overigens niet alleen over Brinkman, maar ook over Omtzigt en over Job Passchier. De enige verbinding is dat het drie zaken zijn waarover Van 't Hek zich heeft verbaasd.

De titel verwijst naar Jacques Brinkman en naar het boek van Roald Dahl. Ik had het idee dat de combinatie van een naam en een soort fabriek wel vaker gebruikt was. Ik vond een verwijzing naar een column op 'De jonge journalist', 'George en de leugenfabriek", maar op de site zelf kon ik de column niet terugvinden.

Op Don Quijote tref ik ook een verwijzing aan: AIPAC en de leugenfabriek. Ook gezien: 'Isis, blikje cola en de verhaaltjesfabriek' (hier). Jeroen Defouw schreef over 'Et en de letterfabriek' (hier).

Daarnaast komt de samenstelling met -fabriek geregeld voor zonder naam: de verhalenfabriek, de geruchtenfabriek, de gedichtenfabriek. Diederik Stapel en A.H.J. Dautzenberg schreven samen het boek De fictiefabriek.

Of de gemiddelde lezer daarbij ook aan Dahl moet denken, betwijfel ik. Bij Dahl gaat het immers om een letterlijke fabriek, bij gedichten, verhalen en geruchten gaat het erom dat er wel heel veel van in omloop gebracht worden, als ware het fabrieksmatig.

Van 't Hek heeft goed ingeschat dat we een knipoog naar Sjakie en de chocoladefabriek gemakkelijk oppikken. Wellicht dat de naam Jacques hem op het idee gebracht heeft, maar ook als er gestaan zou hebben 'Youpie en de steroïdenfabriek' hadden we aan Dahl gedacht. Het werkt.

donderdag 7 december 2017

Zen zonder meester (Frenk Meeuwsen)


Zweverigheid is niet aan mij besteed. Of misschien moet ik zeggen dat iets wat anderen serieus nemen op mij al gauw als zweverig overkomt. Ik zal vriendelijk knikken als iemand begint over auramassage, het herhalen van mantra's, reïncarnatie of gebedsgenezing, maar ik voel de scepsis tijdens zo'n gesprek in mij groeien.

En dan heb ik ineens het boek Zen zonder meester van Frenk Meeuwsen voor me liggen, een graphic novel op welks kaft een man staat die letterlijk zweeft. Hij zit in kleermakerszit, een bekende houding tijdens meditatie en trekt zichzelf, als een Baron van Münchhausen, aan een draadje uit zijn hoofd omhoog.

Het boek begint met de beroemdste zentuin van Japan, die van de Ryoan-ji-tempel. Het is een grindtuin met daarin vijftien grote stenen, die je nooit allemaal tegelijk kunt zien. De tuin bevindt zich in Kioto, waar we de verteller, de 'ik' (Frenk) aantreffen in wat ik maar even 'het heden' noem.

In het volgende hoofdstuk wordt de lezer meegenomen naar het verleden, waar de jonge Frenk een boek ontdekt in de boekenkast van zijn vader (De tuinen van zen van Bert Schierbeek). Het zal het begin zijn van zijn zoektocht. Later zal hij ook Zen en de kunst van het motoronderhoud van Robert M. Pirsig lezen, zoals zoveel mensen deden. Het stond wekenlang boven aan het lijstje met meestverkochte boeken.

Afwisselend volgen we Frenk in Japan en in zijn jeugd. In die jeugd zien we bijvoorbeeld een klasgenoot tegen wie iedereen opkijkt, maar die ook gewelddadig is. In de woorden van Meeuwsen: 'Ik begreep niet dat iemand zo wreed kon zijn, maar ik begreep wel meer dingen niet'.

Misschien is dat wel de houding die de jongen verder heeft gebracht: weten dat je dingen niet weet of niet begrijpt en dat observeren.

Wat Zen zonder meester goed verteerbaar maakt, is de totale afwezigheid van bekeringsdrang. Meeuwsen beschrijft zijn eigen zoektocht en de lezer mag zelf weten wat hij daarmee doet. Bovendien bevatten de beschrijvingen van Meeuwsen de nodige ironie. Er is zelfspot over zijn onhandigheid of over hoe moeilijk hij het vond om aan niets te denken, en bovendien ziet hij de humor om zich heen. Ik moest bijvoorbeeld erg lachen om de monnik die vertelt dat de koningin van Nederland de stad heeft bezocht en dan keihard het Wilhelmus begint te zingen.

Er is ook kritiek, bijvoorbeeld op het gedrag van een beroemde zenmeester. Ook dan blijft Meeuwsen overigens mild, net als in de rest van het boek. Mensen mogen hun meesters kiezen, maar ook meesters zijn maar mensen en je kunt ook heel goed je weg zoeken zonder meester.

Meeuwsen heeft een aantal jaren in Kioto gewoond, maar hij was op meer plekken in Japan. Zo was hij in Kobe tijdens de aardbeving van 1995, die aan meer dan zesduizend mensen het leven kostte. Het ooggetuigenverslag is indrukwekkend.

Zen zonder meester eindigt met een epiloog over het kalligraferen en dan met name het teken voor boom. De laatste pagina is gevuld met een bos vol boomtekens. Het gaat niet alleen om de tekens, legt Meeuwsen uit, maar ook om het wit eromheen. Misschien is het juist wel dat wit aan het einde van het boek dat de lezer de ruimte geeft. Om het in te vullen of om het leeg te laten en het een is niet beter dan het ander.

Deze beeldroman wordt niet verteld volgens een rechte verhaallijn en er is ook niet echt een plot. Dat lijkt me goed te passen bij de inhoud. Misschien moeten we ook niet heel erg proberen te interpreteren of er iets in te ontdekken, maar moeten we het boek gewoon ondergaan. Lezen en in het moment van het lezen zijn en verder niets.

Zoals gezegd had ik enige scepsis toen ik aan Zen zonder meester begon en ik was me daar ook van bewust. Die scepsis verdween al gauw. Doordat Meeuwsen een boeiende verteller is, maar ook doordat hij bepaald geen apologeet is en zijn lezers veel ruimte geeft.

De tekeningen staan in dienst van het verhaal, waardoor ze soms maar bescheiden de aandacht trekken.  Maar ze zitten goed in elkaar: veel oog voor het gebruik van zwartvlakken, op zijn tijd wisselingen van kijkersstandpunt en soms pakt Meeuwsen ineens uit, bijvoorbeeld om te laten zien hoe bij het jongetje Frenk de beelden in zijn hoofd maar aangemaakt worden. Die vullen als rechthoeken en balken de ruimte om hem heen. We zien hoe de beelden invloed hebben op de jongen en op zijn tekenen. In een van de tekeningen is Frenk helemaal opgesloten in de beelden, als in een te krap pashokje.

Zen zonder meester heb ik geboeid gelezen en herlezen. Dan blijkt wel dat de kaft wat aan de dunne kant is, wat het boek als ding kwetsbaar maakt. Ik snap dat boeken ook betaalbaar moeten blijven, maar een iets dikker kaft had het net wat meer allure gegeven. Maar dat is natuurlijk een gedachte die helemaal niet past bij de inhoud van het boek.

Titel:  Zen zonder meester
Tekst en tekeningen: Frenk Meeuwsen
Uitgeverij: Sherpa
Haarlem, 2017; 288 blz. 19,95 euro, softcover.


maandag 4 december 2017

Zoals het is (Floris Tilanus)



We zijn geneigd de teksten die we horen of lezen op maar een enkele manier uit te leggen. Vaak is dat voldoende, maar soms lopen we daarmee vast. Floris Tilanus schrijft niet alleen, maar tekent ook. De teksten vertellen ons een ander verhaal dan de tekeningen, op het eerste gezicht. Maar het is hetzelfde verhaal.

Voor de site van Literair Nederland schreef ik daarover:

Weten we wel hoe het is?


Zoals het is, van Floris Tilanus, ziet eruit als een prentenboek: op de rechterpagina een paginagrote pentekening, op de linkerpagina een stukje tekst, nooit langer dan vijf regels. En net als bij een prentenboek, zou de tekst eigenlijk voorgelezen moeten worden, liefst zonder dat de toehoorder de plaatjes ziet. Die kan dan luisteren naar ‘Het leven van professor Joachim Schwarz’, zoals de ondertitel luidt. Schwarz lijkt een man met een geslaagd leven: hij gaat, na een licht ontbijt, naar de universiteit, kijkt even rond bij een antiquariaat, wandelt naar een koffietentje, praat in het park met een oude vriend, eet ’s avonds in een restaurant en gaat uiteindelijk tevreden slapen: ‘En als hij aan het eind van de dag zijn hoofd in een schoon kussensloop laat zakken, denkt hij geregeld: het leven is zo slecht nog niet.’

Wie daarna de tekeningen bekijkt, krijgt een andere indruk van het leven van Schwarz. Zo gaat de professor wel naar de universiteit, maar niet om college te geven. Hij praat wat met de studenten die buiten zitten. En die vriend die hij in het park spreekt, is het standbeeld van Goethe. Uiteindelijk overnacht hij bij het Leger des Heils.

Bij Zoals het is trekken tekst en tekeningen je een verschillende kant op. De tekst lijkt de tekst van de hoofdpersoon. Het is voor te stellen dat hij op deze manier over zijn eigen leven praat. Hij vertelt daarbij geen leugens, maar door zijn woordkeuze laat hij de werkelijkheid fraaier schijnen dan die is.

De tekeningen tonen ons onopgesmukt het leven van Schwarz. Er spreekt een zekere gelijkmoedigheid uit, maar ook een triestheid. Tegelijkertijd probeert Schwartz er het beste van te maken: hij geniet van de kleine dingen: een muntje van twintig cent dat hij tussen de bladeren vindt, een gratis boekje bij een antiquariaat, een gesprek met zijn broer. Misschien zou hij net als ‘De gelatene’ van J.C. Bloem kunnen zeggen: ‘En dan: ’t had zoveel slechter kunnen zijn.’

Lees hier verder.

Dit is ook van Floris Tilanus:


vrijdag 1 december 2017

Tot bloed op het droge (Jerry Goossens)


Het zou zomaar kunnen: een toekomst waarin het klimaat veranderd is en Nederland voor een groot deel een moeras geworden is. Renate Dorrestein schreef er bijvoorbeeld de roman Weerwater (2015) over. Je kunt je voorstellen dat bij zo'n verandering het land voor veel mensen minder aantrekkelijk is en dat een deel van de Nederlanders het land zou ontvluchten om een plek te vinden in een streek waar geen wateroverlast is.

Dat is de situatie in de roman Tot bloed op het droge van Jerry Goossens: een groep Nederlanders is neergestreken in een omgeving die bijvoorbeeld in Marokko zou passen. De wijk waarin ze wonen noemen ze Klein Amsterdam en een van de straten hebben ze omgedoopt tot de Johan Cruijffstraat.

Hoewel het verhaal zich in de toekomst afspeelt, is er weinig te merken van technische ontwikkelingen. Smartphones kom je in het boek bijvoorbeeld niet tegen en de computer speelt ook niet een prominente rol. De Nederlanders rijden niet in auto's. Eén jongere kijkt thuis films, in andere gezinnen wordt er gekeken naar Hart van Holland; voor de rest spelen technologie of media geen rol.

De Nederlanders leven traditioneel, ze lopen in kleren die wij tot de klederdracht zouden rekenen. Zo dragen ze klompen (waarop de jongeren dan wel weer doodskoppen hebben geschilderd hebben) en ze slapen in bedsteden.

De plaatselijke bevolking zag enkele decennia geleden de Hollanders komen:
Nog veel later kwamen de vrouwen, bleek als deeg en gehuld in traditionele gewaden: zwarte, enkellange jurken met schouderstukken als gehalveerde buizen, kanten kragen en raadselachtig stijve mutsen waarvan de randen omhoogplooiden en waaraan ogenschijnlijk functieloze spiegels en kralen waren bevestigd. En klompen. Bijna allemaal droegen ze klompen. Comfortabel kon het niet zitten, dat primitieve holbewonersschoeisel.
De Kazen, zoals ze genoemd worden, zijn orthodox christelijk. De dominee neemt een belangrijke plaats in de gemeente in, zeker de nieuwe dominee, die ineens opduikt als de oude overleden is en die zegt door God gezonden te zijn. De bijbelkennis van de gelovigen is groot: op de vreemdste momenten schieten hun bijbelteksten te binnen, in de versie van de Statenvertaling. Dat zijn soms bekende teksten, maar ook teksten die bij de gemiddelde gelovige van nu absoluut niet bekend zijn.

De Nederlanders in de roman hebben een grote bijbelkennis, maar ze lezen niet veel in de Bijbel. Ook wordt er niet of nauwelijks gebeden. Bij momenten van schrik, gebeurt het geregeld dat de gelovigen vloeken, wat weinig waarschijnlijk overkomt.

Het geloof wordt het meest tastbaar als Hans van Bestevaer, de vader van de hoofdpersoon Christiaan, werkloos wordt en zich afvraagt waarom God hem zo beproeft.

Het aardige van Tot bloed op het droge is de omkering: de Nederlanders zijn een minderheid, ze hechten sterk aan hun tradities en integreren nauwelijks. Het is een karikatuur van de minderheden in het huidige Nederland, maar het werkt wel. Als witte, Nederlandse lezer, identificeer ik me toch met de Nederlanders in de roman. Ik word gedwongen in een rol die ik in het dagelijkse leven niet heb.

Ik moest daarbij denken aan de roman De godskinderen van de Zuid-Afrikaanse schrijver Dan Jacobson, die een maatschappij beschrijft waarin Joden in de meerderheid zijn en de christenen een minderheid vormen die het moeilijk heeft.

De autochtone bevolking is vaak vriendelijk tegenover de Nederlanders, als ze maar niet te veel praatjes krijgen. Een goede baan vinden is voor Nederlanders lastig en ze kunnen ook gemakkelijk ontslagen worden. Soms worden ze uitgescholden voor 'kutkazen' naar analogie van de manier waarop Rob Oudkerk ooit over Marokkanen sprak. En als de Kazen een kerktoren gaan bouwen die misschien wel hoger zal worden dan de minaret van de moskee, heb je de poppen aan het dansen.

De plaatselijke columnist, Driss Zrika, gooit daarbij olie op het vuur. Het zijn zeer vermakelijke stukjes, die verraden dat Jerry Goossens ervaring heeft in het schrijven van columns. Driss Zrika neemt vooral de godsdienst van de Kazen op de korrel, zeker nadat ze met het stoffelijk overschot van de oude dominee door de straten zijn getrokken en nog wel op vrijdag, vlak voor het gebed. Zrika schrijft:
Maar moeten wij accepteren dat onze gastvrijheid misbruikt wordt voor hun morbide praktijken? Moeten wij toestaan dat zij op de dag die ons heilig is met een lijk door onze straten paraderen? Wij verjagen de raven uit onze boomgaarden, bekogelen ze met stenen of richten de buks op ze. Maar in ons dorp hippen ze hees krassend door de straten, op de maat van hun onophoudelijk dreunende klokken terwijl ze hun geliefde dood eren. Ongehinderd door wie dan ook. 
Hoofdpersoon is Christiaan van Bestevaer, die veel optrekt met zijn vriend Willem III. Christiaan heeft stiekem een relatie met een niet-Nederlands meisje, Layla. Zijn vader maakt hem duidelijk dat dat niet de bedoeling is.
'Je moet me beloven dat je haar niet meer zult zien, Chris. Een huwbaar meisje is een Hollands meisje. Als wij ons vermengen met de Arabieren, dan bestaan we binnen de kortste keren niet meer, dat moet je begrijpen. Dan worden we uitgewist, Christiaan, als sporen in het zand. In dit land zijn wij niets dan onze afkomst, ons geloof, onze cultuur en geschiedenis. Vergeet dat nooit. En beloof me, nee, zwéér mij dat je dat meisje uit je leven bant.'
Er is wel wat aan te merken op Tot bloed op het droge. De titel is mij niet duidelijk, maar misschien heb ik niet nauwkeurig genoeg gelezen. Maar hij is bovendien lastig te onthouden. Dat is niet handig voor een boek, al hebben daar meer schrijvers last van. Ook bijvoorbeeld Thomas Verbogt lukt het keer op keer om een titel te bedenken die iedereen zo weer vergeten is.

Er zijn verder wat losse eindjes in de roman: het verhaaltje over de sabel die Christiaan en Willem vinden wordt nauwelijks voltooid en het associëren van de dominee met de duivel wordt aangestipt, maar niet uitgewerkt. Bij sommige verhaalelementen vroeg ik me af of die wel klopten: er is in Nederland een gigantische wateroverlast, maar Amsterdam en Rotterdam bestaan bijvoorbeeld nog gewoon.

Aan de kleding is al te merken dat de Hollandse gemeenschap uit allerlei streken wat heeft meegepikt. De kleding van de vrouwen heeft bijvoorbeeld elementen uit Bunschoten, Volendam en Zeeland. Ik kan me voorstellen dat dat in den vreemde allemaal wat minder nauw luistert. Maar dat oma naar goed Fries gebruik geen beppe genoemd wordt maar Mem, heeft mij telkens weer verbaasd als ik het las.

Heel erg kan ik dat soort mankementen niet vinden. Meer moeite heb ik met de verteller. Soms ligt het vertelperspectief bij de personages. Dan leven we bijvoorbeeld met Christiaan mee. Maar vaker zit er een verteller tussen, die het verhaal kleurt. Hij spreekt ons rechtstreeks toe in zinnen als 'Dat een toevallige ontmoeting met een dorpsgenoot aan de basis van dat inzicht lag, was een paradox die hen beiden ontging.'

Als de oude dominee aan het woord is, lezen we:
Hij zuchtte, steunde en jeremieerde. In zijn linkerhand hield hij permanent een zakdoek ter grootte van een kussensloop, waarmee hij zijn voorhoofd en de plooien in zijn nek depte.
Dit lijkt me niet de observatie van een kerkganger. Die zal niet het woord 'jeremieerde' gebruiken (er spreekt ook een negatieve waardering uit) of de hyperbool van het kussensloop. De verteller ironiseert hier en daar en schept daarmee afstand.

Ik verdenk Goossens ervan dat hij als verteller afstand wilde nemen van de personages die hij beschrijft, maar het is wel jammer. De lezer heeft het oordeel van de verteller namelijk niet nodig en kan prima zelf zijn positie bepalen. Het boek was ongetwijfeld dichter op de huid van de lezer gaan zitten als de verteller niet zo nadrukkelijk aanwezig was geweest. Het zou erbij gewonnen hebben.

Zoals gezegd, er is wel wat aan te merken op de afwerking in Tot bloed op het droge, maar de kern blijft wel staan: een gespiegelde werkelijkheid, waarin nu eens de Nederlanders (de Kazen) in de minderheid zijn en zich moet zien te verhouden met een dominante cultuur. Dat is een interessant gedachte-experiment, dat blijft werken tot aan het dramatische slot van het boek.


Hier vind je een kort filmpje waarin de auteur spreekt over Tot bloed op het droge.

dinsdag 28 november 2017

Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (Maartje Smits)


Soms lees ik een dichtbundel achter elkaar uit en soms doe ik er langer over. De nieuwe bundel van Maartje Smits, Hoe ik een bos begon in mijn badkamer, kostte me enkele maanden. Niet dat ik de hele tijd las. Soms lag de bundel een week of langer buiten handbereik. Soms herlas ik gedichten, soms begon ik opnieuw in de bundel.

Soms wilde ik een gedicht zo goed mogelijk snappen, soms was ik daar minder mee bezig. Soms wilde ik weten wat ik van een gedicht vond, maar op een gegeven moment stopte ik met me af te vragen of ik alle gedichten wel waardeerde. Het gebruiken van Duitse of Engelse woorden vond ik in de vorige bundel interessant en nu wist ik niet of ik het een trucje vond. Smits heeft zich wat het macaronische betreft overigens meer ingehouden dan de vorige keer.

De titel spreekt over een bos in de badkamer en in veel gedichten haalt Smits de natuur naar zich en dus naar ons toe. Ze schrijft over ecoducten, zalmkanonnen, een webcamvos, gestrande potvissen, de verpaarding van het platteland. Tegelijkertijd buigt ze zich over de biotoop van de mens of in ieder geval haar eigen biotoop, die, als we het lezen ook onze biotoop wordt.

Ze schrijft over niet-menselijke dieren en we denken dan dus meteen aan de menselijke dieren die we zelf zijn. We zijn een diersoort en we kunnen uitsterven en Smits fantaseert alvast over de laatste mens, een vrouwtjesexemplaar:
ze kent alle namen van dieren en andere
begrippen die in onbruik zijn geraakt
Laten we een heel gedicht bekijken.
Terug naar zee
vandaag twee potvissen
naar zee gestuurd
toch beantwoordt niets
de echte vragen 
was het heimwee of straf
raken dieren verdwaald
waarom leren we water
trappelen 
SOS Dolfijn signaleert potvisfuiken
de Noordzee is een verkeerde afslag
maar iedereen verslikt zich weleens op reis
hoe lang kunnen we dit nog
vakantie noemen 
wasmachines grommen door de dunne muren
van ons eerste huis en ik twijfel
of we nog weg kunnen
nu de buren ons hebben gehoord 
iemand werpt relatieadvies over de schutting
het laagje latex is relatief
onze geur plakt hier niet 
dit zijn mijn eerste buurkinderen
ze heten Sky en River en
schreeuwen kanker-DHL naar de postbode 
ze worden met succes
naar volle zee gedirigeerd 
Het begint met twee potvissen die in de Noordzee terechtgekomen zijn, waar ze niet horen: 'de Noordzee is een verkeerde afslag', maar ze zijn niet gestrand en zijn weer naar zee gestuurd. Aan het begin van het gedicht lijkt het zelfs of de 'ik' de potvissen naar zee heeft gestuurd.

In de derde strofe zegt de verteller: 'maar iedereen verslikt zich weleens op reis'. En meteen gaat het niet meer alleen over verdwaalde potvissen, maar ook over mensen die zich afvragen of ze niet de verkeerde afslag hebben genomen en in een fuik terechtgekomen zijn.

We zien een beginnend stel, in zijn eerste huis. Ook het hebben van een relatie gaat niet altijd gladjes. Het zal wel niet voor niets zijn dat iemand 'relatieadvies' over de schutting gooit.

De jonge mensen vragen zich af of ze wel op hun plek zijn in deze buurt, waar kinderen namen dragen als Sky en River en de postbode uitschelden. Maar de kinderen lijken geen probleem te hebben. Zij bereiken de volle zee wel, terwijl het jonge stel nog de richting lijkt te moeten zoeken.

'Terug naar zee' is qua thematiek representatief voor Hoe ik een bos begon in mijn badkamer. Het begint met een gebeurtenis in de natuur, maar zet vooral aan het denken over de eigen situatie.

Sommige gedichten van Maartje Smits lijken een gedachte-experiment: het verkennen van een situatie, en soms komt de inhoud ineens dichterbij. In de vorige bundel was dat het geval met het gedicht over, of eigenlijk aan, het zusje. In deze bundel staat een ontroerende cyclus over een miskraam en een eveneens roerend gedicht over de ouders. Of zegt dat juist iets over mij als lezer, dat deze gedichten bij me blijven hangen? Ook, waarschijnlijk.

Het gedicht over de ouders:
Het inklinken van mijn ouders 
een GFT-blaadje geeft tips
over duurzaamheid
ik veeg er de kliekjes in 
achter de moestuin klinkt
de composthoop
in hetzelfde tempo als mijn vertraagde
ouders die elke keer dat ik hen zie
iets zijn gekrompen 
zodra ze slapen kras ik
hun uiteinden in het ledikant
groente- fruit- tuin-
afval dat we over de asperges scheppen
compost van jaren geleden
zakt weg en het bed moet binnenkort
ook naar beneden 
mijn moeder strooit kattenbrokjes
voor een egel van vroeger
zodra ze slaapt hark ik
onze herinneringen bijeen
mijn schaaltjes honing voor kabouters
de briefjes die mijn vader achterliet
onder de boom 
We kennen het: ouders die streepjes op de deurpost zetten om aan te geven hoe kinderen gegroeid zijn. Hier gebeurt het omgekeerde: de 'ik' krast in het ledikant hoe ver de ouders gekrompen zijn. Ze noemt het niet alleen 'krimpen', maar ook 'inklinken', alsof het over grond gaat. Of over een composthoop.

Eigenlijk zou er moeten staan: 'klinkt/de composthoop/in hetzelfde tempo in', maar Smits laat dat 'in' weg. Dat kun je fout noemen, maar door het 'klinken' kwam er ineens geluid in de zin, waardoor ik in de volgende strofe het krassen niet alleen kon zien, maar ook kon horen.

Dat gebeurt vaker. Onder een foto staat het onderschrift 'verlaatte all inclusives'. Correct was waarschijnlijk 'verlaten' of 'verlate', maar door de gekozen schrijfwijze hoeven we niet te kiezen of 'verlaten' te maken heeft met 'later' of met 'laten'.

De composthoop duidt natuurlijk ook op het verval - de verrotting, waaruit wellicht nog iets moois komt. De ouders vertragen en het bed moet naar beneden. De herinneringen worden bij elkaar gehakt, als blaadjes die al afgevallen zijn.

Een liefdevol gedicht over langzaam verdwijnende ouders.

De serie over een miskraam vind ik aangrijpend. Schrijnende zinnen, waarin niet alleen met verdriet, maar ook met schuldgevoel wordt geworsteld. De cyclus 'Cyclus' is verdeeld in dagen, van de 'tweede dag' tot en met de 'zevende dag' en daarna de 'veertiende dag'.

Uit 'vijfde dag':
kind dat geen kind mag heten
vecht in mij tegen mij
ga dan roep ik
ga dan als je zo graag wil
Uit: 'zevende dag':
de nieuwe generatie
die ik per ongeluk liet gaan 
In 'zesde dag' gaat het niet over het laten gaan, maar juist het omgekeerde: 'een kind / laat mij achter'.

Wrang, ook uit 'zevende dag':
ik google tips voor rouwverwerking
maar krijg antwoord in luier
advertenties sites met namen
voor populaire meisjes
Hartverscheurend.

Foto's

In de bundel zijn ook illustraties opgenomen: foto's, soms met onderschrift. Dat onderschrift is in sommige gevallen ook als onderdeel van het gedicht te lezen. De foto's intrigeren: natuur achter omheining; een stukje ongemaaid gras, dat aandoet als een vluchtheuvel in het weiland; aangespoelde zeesterren die rijmen met aangespoelde balletjes; vetplantjes die zowel nep als echt zouden kunnen zijn. Soms 'lees' je de foto's anders door de omringende tekst. 

Fraai is ook het gedicht met de noten die als commentaar naast de tekst staan. De vlakken waarin de opmerkingen staan zijn groen en ze zijn met groene lijnen verbonden met de tekst. Grafisch vormen gedicht en opmerkingen een mooi geheel. Op de pagina's daarna lijkt het vooral om het lijnenspel te gaan: het beeld lijkt het te winnen van de woorden. 

Ook om dat soort dingen hou ik van deze bundel: vanwege het experimenteren, het proberen. Zoals de natuur niet door hekken is tegen te houden laat de poëzie van Smits zich niet door conventies weerhouden. 

En altijd weer zijn er de zinnen waarbij ik een streepje moet zetten:
jank de laatste melkveehouder
uit zijn tractor
Of over de gestrande potvis Johannes/Johanna:
wij rolden Johannes' beslisboom uit
op het strand
slowcookend onder zijn vet
En natuurlijk haar advies aan de dichters en dus aan zichzelf:
zwaai, smijt met je schrijfhand zinnen tegen de wind
weet dat niemand luister
- bak af
Zoals ik al schreef: ik weet niet of ik alles even goed vind, maar ik word wel door al die gedichten, geprikkeld,  nieuwsgierig gemaakt, aan het denken gezet, uit evenwicht gebracht, geamuseerd. Dat lijkt me genoeg. Meer dan genoeg.

Maartje Smits, Hoe ik een bos begon in mijn badkamer. Uitg. De Harmonie, Amsterdam 2017, 72 blz. € 17,50

vrijdag 17 november 2017

Wills kracht (Willem Ritstier)


Eerder dit jaar ontving Willem Ritstier de Stripschapsprijs voor zijn gehele oeuvre. Dat mocht ook onderhand wel, al was het wel opmerkelijk: meestal gaat de prijs naar een tekenaar en Ritstier is voornamelijk bekend als scenarist.

Dat hij zowel kan tekenen als schrijven bewijst hij met de graphic novel Wills kracht. De aanleiding is verdrietig. De echtgenote van Ritstier ontdekt een knobbeltje in haar borst. Het blijkt kanker te zijn, en uiteindelijk zal ze aan die ziekte overlijden, na een gang van vijf jaar door de medische wereld.

Ritstier is dicht gebleven bij wat er in werkelijkheid gebeurd is. Hij vertelt na wat hij en zijn vrouw hebben meegemaakt. De titel wijst ons op de kracht van Will, die weliswaar patiënt is maar haar eigen afwegingen maakt en daarin ook een zekere eigenzinnigheid heeft.

Bij de diagnose en de behandeling van de ziekte blijkt veel onduidelijk. De artsen kunnen geen stellige uitspraken doen. Behandelen blijkt gedeeltelijk ook uitzoeken wat werkt. Will wijst een reguliere behandeling af en richt zich op alternatieve behandelwijzen als osteopathie en orthomoleculaire behandelwijze. 'Dat is toch kwakzalverij?' vraagt een vriendin. 'Ja, dat zeggen ze,' antwoordt Will, 'maar is dat ook zo?'

Willem steunt zijn vrouw in haar keuzen, zoals hij haar in eigenlijk alles steunt. Hij is er  en ze weet dat ze altijd op hem terug kan vallen.

Het is niet voor het eerst dat er een beeldroman verschijnt over een fataal aflopende ziekte. Ik denk bijvoorbeeld aan Toen David zijn stem verloor, van Judith Vanistendael. Vanistendael schreef en tekende een intiem portret van een stervende vriend.

Er zijn zeker overeenkomsten tussen Wills kracht en Toen David zijn stem verloor, maar de manieren van tekenen verschillen nogal. Vanistendael heeft bijvoorbeeld een dun, zoekend lijntje en Ritstier heeft een vrij forse lijn, die overal even dik is. Verder gebruikt Vanistendael weinig kleur en Ritstier kleurt zijn tekeningen helemaal in, zonder kleurnuances. Zijn kleurgebruik is soms symbolisch, bijvoorbeeld als hij het grijs laat overheersen.

Dat gebeurt al op de eerste pagina. In de bovenste tekening vertelt de dokter (in kleur) dat hij het niet vertrouwt en dat hij Will doorverwijst, in de onderste tekening hoort Will dat. Die tekening is ingekleurd in grijzen.

De egale inkleuring draagt bij aan de soberheid, die ook in de rest van de tekeningen zit: minimale decors en bij figuren is ook elke detaillering weggelaten. Zo zijn de gezichten leeg: geen ogen, neus of mond.

Dat betekent dat Ritstier de emoties indirect over moest brengen. Ook in de tekst worden gevoelens  eigenlijk nauwelijks expliciet benoemd. Het blijkt ook niet nodig te zijn. Het tekenen en zeker het uitvergroten van emoties kan in andere boeken ook een vorm zijn van het bespelen van het publiek, van effectbejag. Daar heeft Ritstier in ieder geval niet voor gekozen.

In Wills kracht zit de emotie in de positie die de personen hebben ten opzichte van elkaar, namelijk dicht bij elkaar, elkaar steunend met weinig woorden, door er domweg te zijn, door de ander in geen geval af te vallen. Als de situatie onzeker is, heb je in ieder geval elkaar nog.

Dat maakt Wills kracht tot een aangrijpend boek. Het verhaal lijkt simpel, maar je weet dat het ingewikkeld is. Dat hoeft dus niet uitgelegd te worden. Het adagium 'show, don't tell' geldt voor het hele boek: Ritstier laat het ons zien: Dit is het. Dit is het leven, ook als het op een einde loopt. En dit zijn wij. De lezer leest: Dit is liefde.

Ook de kinderen zijn bezig geweest met het verlies van moeder. Zoon Alwin maakte er een film over (die ik nog moet/ga bekijken) en dochter Veerle maakte een mooi portret, opgebouwd uit teksten van brieven die Willem na haar dood aan zijn vrouw schreef. Het portret is opgenomen in het boek.

Ritstier eindigt zijn boek met  het lied My way, waarbij we allemaal de stem van Sinatra horen. Op elke pagina een portret van Will, en in de loop van die pagina's verbleekt de kleur. Uiteindelijk vervaagt ook de tekening, totdat er niet meer dan een puntje licht in het donker overblijft.

Dat is een portret van het verdwijnen van Will en tegelijkertijd weet je dat ze niet verdwenen is. Anders was dit boek er nooit gekomen.




donderdag 16 november 2017

Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij (Knipoog 67)


Kent u deze regels?
Maar het vergankelijke kent geen keer
dan in de opstanding der herinneringen.
Waarschijnlijk niet. De regels staan in het gedicht 'Herinnering' van J.C. Bloem. Wellicht zijn de openingsregels iets bekender:
De gloeiende avond in de kleine stad:
Verlichte ramen stonden ruischend open
Maar het bekendst is natuurlijk de slotregel:
Voorbij, voorbij o en voorgoed voorbij. 
 Deze regel is ook te vinden op grafsteen van Bloem.


In de loop der jaren hebben al heel wat mensen als er iets voorbij was, al dan niet ironisch, dit geciteerd.

In 1979 verscheen er bijvoorbeeld een film van Paul Verhoeven met de titel Voorbij, voorbij. In de film gaat het om de vraag of je bijna vijfendertig jaar na de oorlog het verleden moet laten rusten of niet.

Op Meander recenseerde Hans Puper op 11 mei 2015 de bundel Mijn vader bad van Jabik Veenbaas onder de titel 'Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij'.

Op de weblog Over koetjes en kalfjes (2012) schrijft Hendrika over haar schoonmoeder, een boerin, die overleden is. Ook zij gebruikt het citaat van Bloem.

Steeds weer komen we het citaat tegen: Op Woest en ledig (2007) over oude kinderboeken; bij de Zwolse historische vereniging onder een foto van een watertoren; Jan Blokker schreef een boek met deze titel (waarbij de 'o', 'oh' werd); in NRC bij een artikel over de herdenking van J.C. Bloem (1992); in het weekblad Elsevier boven een artikel over het tennistoernooi op Wimbledon; in de Volkskrant boven een artikel met nota bene gedichten van Remco Campert (1996); in De groene Amsterdammer boven een tv-recensie van programma's over oude mensen (2014) en in Trouw over Maison de Bonnetterie. Je hoeft niet ver te zoeken om Bloem te horen spreken.

Op vrijdag 2 november kwam ik een variant op het citaat tegen in NRC Handelsblad: ' Die luxe gaat voorbij, o en voorgoed voorbij'. Het stond boven een stuk van Derk Walters over een boek van Philip Blom, Wat op het spel staat. 

Walters schrijft: 'maar volgens Blom is het tijd om afscheid te nemen van de idee dat wij nog jaren voort kunnen met onze liberale, consumentistische westerse samenleving. Dit type samenleving gaat eraan en snel ook. Daar zal de titel mee te maken hebben.

Er zullen heel wat lezers zijn, die bij het lezen van Walters' titel aan Bloem hebben gedacht. Walters zal goed ingeschat hebben dat zo'n knipoog nog door veel mensen begrepen wordt. We zullen een verwijzing naar het citaat van Bloem in de toekomst zeker nog tegenkomen. Wie weet, brengt dat er ons toe om de poëzie van Bloem te gaan (her0lezen. Dat is altijd goed.

Waarom ik mensen niet in mootjes hak (Renske de Greef)


Op de site van Literair Nederland bespreek ik Waarom ik mensen niet in mootjes hak van Renske de Greef, een bundel getekende en geschreven columns. 'Renske stript' staat er op het titelblad, dus wellicht kunnen we het boek ook als een stripboek lezen.

Een portret in stukjes

Columns zijn overal: in zo’n beetje alle kranten en tijdschriften in verschillende radioprogramma’s, op aardig wat sites. En dan zijn er nog bijeenkomsten waar columnisten opdraven om, bijvoorbeeld als intermezzo, hun column voor te lezen. Sommige columnisten hebben een eigen vorm (altijd uitgaan van een foto bijvoorbeeld), andere hebben hun eigen onderwerp (nieuwtjes in de wetenschap, jeugdschaak, kantoortaal) en vele hebben hun eigen toon.

Renske de Greef maakt wekelijks een column voor NRC Handelsblad. Ze schrijft en tekent die. Het is een vorm die bijvoorbeeld ook onze stripmaker des vaderlands, Margreet de Heer, wel hanteert. Het gevolg is dat een strip van De Greef meteen herkenbaar is, door de lettering en de tekeningen: haar mensen hebben altijd grote ogen, wat ze al bij voorbaat iets sympathieks geeft. Er loopt vaak een figuurtje rond dat verwijst naar de ‘ik’ in de columns, waarbij zo’n ik-personage natuurlijk nooit helemaal samenvalt met de auteur, al wordt wel de indruk gewekt dat De Greef vrij dicht bij zichzelf blijft.

Een aantal columns is nu verzameld in de bundel Waarom ik mensen niet in mootjes hak. De tekeningen hebben meestal een enkele steunkleur. Af en toe worden er meer kleuren gebruikt en regelmatig is er een volledig gekleurde dubbele pagina. Dat ‘leest’ een beetje als het begin van een nieuw hoofdstuk, al is er inhoudelijk geen sprake van hoofdstukken. Toch is een dergelijke segmentering prettig: je krijgt de indruk dat je niet zomaar een ongestructureerde hoeveelheid stukjes voor je hebt.

Vaak gaat De Greef uit van een waarneming of een vraag. Die overdenkt of onderzoekt ze en vaak komt ze uit op een conclusie of een advies. Ze heeft een zoekende instelling, die veel lezers prettig zullen vinden. Je leeft nu eenmaal gemakkelijker mee met iemand die ook niet meteen weet hoe het zit.

Lees de rest van het stuk hier.


woensdag 15 november 2017

Omdat je het waard bent (Marja Pruis)


Nieuw Licht is een interessante essayreeks, waarin vanuit het gedachtegoed van filosofen uit het verleden gekeken wordt naar zaken in het heden. Eerder schreef ik over Onbehagen van Bas Heijne, die de opvattingen van Freud toepaste op het onbehagen, de boosheid zo je wilt, om ons heen.

Marja Pruis werd gevraagd om te schrijven over eigenliefde. We leven immers in een selfiecultuur, waarin we onszelf exposeren op de sociale media. Hoe moeten we daarnaar kijken als we in ons achterhoofd het werk van François de la Rochefoucauld (1630 - 1680)?

De la Rochefoucauld is bekend geworden door zijn Maximen. Bespiegelingen over menselijk gedrag. Het zijn aforismen, waarvan Pruis er ook een aantal heeft opgenomen achter in het boekje en ook in de loop van het essay komen ze terug.

In veel van zijn uitspraken houdt De la Rochefoucauld zich bezig met wat wij nu psychologie zouden noemen. Hij verdiept zich in de drijfveren van mensen. In zijn tijd zullen zijn uitspraken ook wel als ontmaskerend gezien zijn.
62
Eerlijkheid komt recht uit het hart. Ze komt maar bij heel weinig mensen voor. Wat we er gewoonlijk voor aanzien is een geraffineerd veinzen om het vertrouwen van de ander te winnen. 
169
We betrachten onze plicht uit luiheid en angst, maar geven onze deugd vaak alle eer. 
Vaak werkt De la Rochefoucauld met personificaties, zoals:
200
De deugd zou het niet zo lang volhouden als ijdelheid haar geen gezelschap hield. 
Veel aforismen doordenken wat het is om een goed mens te zijn en of dat eigenlijk wel kan. Wie ze snel leest, zou kunnen concluderen dat er veelvuldig open deuren worden ingetrapt, maar dat komt waarschijnlijk doordat we de inhoud bevestigen of herkennen. Bovendien leven we in een maatschappij waarin er in de media, zelfs in wat objectieve berichtgeving had moeten zijn, veel gespeculeerd wordt over drijfveren van bijvoorbeeld politici. Er is veel gepsychologiseer en er is veel aandacht voor emoties ('Wat ging er door je heen?').

Marja Pruis probeerde nader te komen tot De la Rochefoucauld door zijn maximen over te schrijven. Daarbij stelde ze zich de vraag of de mens in de loop van de tijd meer van zichzelf is gaan houden en of dat dan positief nieuws is.

Het aardige van het boekje van Pruis is haar niet-rechtlijnige manier van schrijven. Natuurlijk is er structuur in het essay, maar ze gebruikt ook voorbeelden uit haar familie, die je half als een verhaalfragment leest. Pruis schrijft ook romans, dus dat is haar wel toevertrouwd. Bij alles wat ze beweert blijft er altijd een opening voor tegenspraak. Ze geeft ons geen dichtgetimmerd betoog, maar een beschouwing waarin ze vragen opwerpt en zoekt naar een antwoord.

De la Rochefoucauld was richtte zijn pijlen vaak op de schijnbare deugdzaamheid. Die stoelde maar al te vaak op egoïstische motieven.

Pruis ziet, zoals wij allen, hoe iedereen zich exposeert, maar acht het te simpel te zeggen dat mensen nu meer van zichzelf houden. Zo'n conclusie was overigens niet vreemd geweest. Als kind moeten we immers onszelf al ontplooien en er is veel aandacht voor de persoon en zijn emoties. Met zoveel persoonlijke aandacht ligt het voor de hand dat iedereen gaat denken dat hij heel speciaal is.

Wij zijn bovendien geneigd elkaar overmatig te prijzen. Een kind dat op het schoolplein iets kwam overhandigen aan de juf (een vrij simpele handeling) kreeg bijvoorbeeld niet een 'dankjewel', maar een 'super!'

Zoals gezegd, zo simpel is het niet. Pruis haalt het voorbeeld aan van een actrice die zich vergelijkt met het personage dat ze speelt in een film. Ze verklaart niet zo bescheiden te zijn als het personage: 'Zo waardevol vind ik mezelf niet.'

Pruis;
De koppeling van bescheidenheid aan eigenliefde is een vergelijkbare paradox als angst aan moed, verlegenheid aan heerszucht, zelfpromotie aan wegcijfering. Wie bang of verlegen is moet zichzelf voortdurend overwinnen. De zachtaardigen bestieren de wereld, de rouwdouwers liggen te woelen in hun bed. 
Een mooie passage, waarop ik nog wel even moet kauwen. Ik weet nog niet of ik het ermee eens ben, maar ik ben blij met de prikkeling om erover na te denken.

Uit deze paradox blijkt al hoe weinig eenduidig eigenliefde is, maar ook hoe moeilijk af te bakenen. Ze kan uitlopen op zelfverheerlijking, maar even goed op zelfhaat. Zoals Pruis in de slotregel van haar essay schrijft:
(...) als eigenliefde zo'n groot podium vindt, is zelfhaat nooit ver weg. 
Of, zoals het eerder in het slothoofdstuk verwoordt:
Een besef van grootsheid en verachtelijkheid gaan hand in hand en komen uit dezelfde bron van eigenliefde. 
 Opmerkelijk is de aandacht die Pruis heeft voor religie. Ze is opgegroeid in een religieus gezin, maar is zelf niet meer religieus. Ze noemt haar leven relatief goddeloos. Al op de derde pagina in haar boek schrijft ze:
Dat er straks misschien geen echo meer is van godvrezende mensen vind ik idioot genoeg eerder vreeswekkend dan bevrijdend. Alsof met enig godsbesef ook het ontzag verdwijnt, de nederigheid, de stilte de naastenliefde. En de eigenliefde almaar grotesker proporties zal aannemen, met onvoorziene gevolgen. 
Ze is niet de enige die de prominentere eigenliefde koppelt aan het verdwijnen van God uit onze samenleving. Pruis haalt bijvoorbeeld ook Frank Koerselman aan en Jan Denys.

Ze diept niet uit wat de godsdienst betekend heeft voor het zelfbeeld van de gelovigen. Er zijn kerken waarin geleerd wordt dat de mens geneigd is tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed. In zonden ontvangen en geboren, immers. Wat voor mensen levert een dergelijk geloof op? En wat doet het gebod om je naaste lief te hebben als jezelf met je?

In ieder geval leert het geloof dat de mens niet het belangrijkste is. Het draait niet om jou, er is iets wat jou ontstijgt.

Pruis:
Tegelijkertijd kan ik me niet voorstellen dat de mens ervoor toegerust is te overleven in een geseculariseerde samenleving. Dat hij het klaar zou spelen om de zin uit zichzelf te putten in plaats van uit iets wat een opdracht belooft, en de beloning dat je die hebt vervuld. Daarvoor lijkt er domweg te veel druk te zijn komen staan op het ego, met alle gevolgen van dien. 
Denys zegt dat met het verdwijnen van een hiernamaals de druk op het nu groter geworden is, waarmee er 'leefstress' is ontstaan. Volgens Koerselman is er een disbalans ontstaan in de menselijke basisbehoeften aan geborgenheid, autonomie, status en competitie. Ook dat voert hij voor een deel terug op de secularisatie:
Het geloof gaf geborgenheid, en relativering. Nu de mens een individu is, alleen in een kale wereld, draait alles om erkenning. 
Het zou interessant zijn om een vergelijking te maken tussen Nederland en Europese landen die minder ontkerkelijkt zijn. Hoe zit het daar met de leefstress? En hoeveel mensen maken daar gebruik van social media?

Pruis koppelt eigenliefde aan zingeving. Als de zin van het leven niet te halen is uit een grotere opdracht, moet de mens de zin vinden in het eigen leven. Zij vermoedt dat wij daar eigenlijk niet geschikt voor zijn. Of ik dat met haar eens ben, weet ik (nog) niet. Het is in ieder geval een geluid dat je niet frequent hoort.

Omdat je het waard bent is een interessant boekje, dat ons aan het nadenken zet over de wereld waarin wij leven. En passant krijgen we ook nog heel wat van De la Rochefoucauld mee. Ook dat is mooi meegenomen. Laten we hem het slotwoord geven.

39
Eigenbelang spreekt allerlei talen, en speelt allerlei rollen, zelfs die van onbaatzuchtigheid.

49
We zijn nooit zo gelukkig of ongelukkig als we denken.

190
Alleen grote mannen hebben recht op grote tekortkomingen.

woensdag 8 november 2017

Wol (Aart Taminiau)


Aart Taminiau tekende en schreef een beeldroman over de neergang van een textielfamilie in Tilburg. Het boek bestaat uit louter pentekeningen, zonder het gebruik van een steunkleur. Ik schreef daarover voor Literair Nederland.

De dreiging van het duister

De graphic novel Wol van Aart Taminiau geeft al bij de eerste keer doorbladeren een fraaie aanblik: een kloek, gebonden boek met fijne pentekeningen. Bij dat doorbladeren valt ook op dat de rechterkant van elke dubbele bladzijde een zwarte achtergrond heeft. Ook de tekeningen zijn in dat gedeelte donker. In de loop van het boek neemt het zwart een steeds groter deel van de pagina in beslag.

Het verhaal behelst de nadagen van de Van Mergaerts, een aanzienlijke familie in Tilburg, die een positie heeft in de wolhandel. Zoals de pater familias in het boek zegt tijdens een toespraak: ‘Onze familie is het bedrijf en het bedrijf is onze familie.’

De wol komt van een schapensoort met een zwarte kop, de Scottish Blackface. Dat geeft de Van Mergaerts een voorsprong. En als op dat moment (we bevinden ons in de industriële revolutie) er een machtige machine in gebruik wordt genomen, de zogeheten totaalmachine, is het optimisme enorm.

We kijken als lezer mee met neef Alphons, die terugkeert in de familie. Zijn vader heeft met de familie gebroken en als Alphons terugkeert, stapt hij vanuit het duister in het licht. Maar zo licht blijkt de oude en tegelijkertijd nieuwe omgeving niet te zijn.

De totaalmachine wordt met veel tamtam in gebruik genomen, maar de tekeningen van het binnenste van de machine bevinden zich steeds in het donkere gedeelte van de bladzijde. Van daaruit wordt het donkere deel al snel groter.

Het spel met licht en donker speelt Taminiau geraffineerd. Hoe duister de tekeningen in het donkere gedeelte ook zijn, Taminiau is wel blijven tekenen met zijn pennetje. Hij gebruikt niet een penseel om zwarte vlakken aan te brengen, maar beperkt zich tot dichter wordende arceringen. De zwarte randen om de kaders bepalen voor een groot deel het zwarte van die passages.

De rest van de recensie lees je hier.

maandag 6 november 2017

Hoor nu mijn stem (Franca Treur)


Franca Treur heeft in haar debuut Dorsvloer vol confetti uitvoerig geschreven over het milieu waarin ze is opgegroeid: een orthodox christelijke plattelandsgemeenschap. Blijkbaar was ze daar nog niet klaar mee, want ze neemt het onderwerp opnieuw onder handen in haar roman Hoor nu mijn stem. Tot mijn plezier, trouwens.

Geraldina (Ina) Wisse groeit, net als Kathelijne in Dorsvloer, op in een reformatorisch gezin in Zeeland: bij haar opa en diens zusters tante Ma en tante Sjaan. Tante Ma is 'bekeerd' en voor de jonge Ina is ze een voorbeeldfiguur. De verhaallijn over Ina, die zich in het verleden afspeelt wordt in de ik-vorm verteld.

Later zal Ina gaan studeren en nog later zal ze bij de radio gaan werken. Ze noemt zich dan Gina en interviewt gasten bij het programma 'Kennis & Kunde'. Haar verhaal wordt in de even hoofdstukken in de zij-vorm verteld. Dat schema houdt Treur strak aan. Deze periode, waarin Ina/Gina geconfronteerd wordt met een andere wereld dan de haar bekende is nieuw in vergelijking met Treurs debuut.

Opa overlijdt en de tantes worden oud. Gina keert terug naar het huis van haar jeugd, omdat tante Sjaan 'op haar uiterste' ligt. Ze is dan al opgenomen in een verzorgingshuis. Met tante Ma blijkt het overigens ook niet goed te gaan. Gina verzorgt haar.

Gina heeft zich ontwikkeld van het milieu en het geloof van haar jeugd af, maar ze is nu weer terug op het beginpunt. Van die ontwikkeling weten de tantes niets af; Gina heeft de wereld waarin ze opgegroeid is en de wereld waarin ze terechtgekomen is altijd zoveel mogelijk gescheiden gehouden. Als ze terug is, denkt ze:
In dit huis had nog nooit een stem uit de ether geklonken, nooit een andere dan de stem van God.
Ze was weer terug bij af.  
Voor een goed doel heeft Gina haar haar af laten knippen. Daarom draagt ze een pruik. Die wordt in de loop van het verhaal een symbool van het ophouden van de schijn. Pas als tante Ma overleden is, zet Gina haar pruik af, alsof ze dan pas kan laten zien wie ze werkelijk is. Ook dan pas kan ze zeggen dat ze van tante Ma houdt. Ze is zich in de loop van haar leven ook bij tijden aan haar oudtante gaan ergeren.

Zoals al gezegd: Franca Treur houdt een strakke opbouw aan, die ook inhoudelijk verantwoord is: doordat Gina terugkeert naar de plaats van haar jeugd, wordt ze bepaald bij haar vroegere leven. Binnen het heden speelt het verleden een onontkoombare rol. Ze wordt gedwongen om over zichzelf na te denken, vooral ook omdat haar relatie met Jean-Paul net afgelopen is.
Als Jean-Paul voor iemand anders had gekozen, betekende dat dat hij bezig was haar te vergeten. Maar als zij vergeten was, wie was ze dan nog?
Als interviewster is Gina behoorlijk succesvol, maar nu ze een tijdje niet beschikbaar is, lijkt er meteen gezaagd te worden aan de poten van haar stoel. Die verhaallijn laat Treur nogal versloffen. Gina ziet op een gegeven moment dat ze op haar telefoon de datalimiet heeft bereikt en dan laat ze ook verder het contact met de radiowereld achterwege. Dat is niet zo geloofwaardig.


Zelfbeeld

Gina denkt niet zo positief over zichzelf. Ze ziet zichzelf als een aanstelster en zo zag ze zich al vanaf haar jeugd. In die lijn zit nog een plotje, als ze tot de ontdekking komt dat ze zichzelf die aanstellerij aangepraat heeft.

Afgezien van de aanstellerij heeft Gina geen hoge dunk van zichzelf. Met betrekking tot God denkt ze al in haar jeugd:
Diep in mijn achterhoofd was er altijd dat knagende besef dat Hij mij nooit zou vergeven omdat Hij mij niet moest. Ik begreep dat heel goed. Ik moest mezelf ook niet.
Volgens het geloof waarin Gina is opgegroeid is er weinig goeds in de mens; die is immers geneigd tot alle kwaad en zelfs als het de mens zou lukken zonder zonden te leven, dan is hij nog maar een onnutte dienstknecht die alleen maar doet wat hem opgedragen is. Maar de mens schiet altijd tekort en zal altijd zonde op zonde stapelen. Die opvatting zal zeker debet geweest zijn aan het zelfbeeld dat ze ontwikkeld heeft.

Ook in relatie speelt dat Gina parten. Over een eerdere vriend, Gerard, vertelt Gina bijvoorbeeld:
Ik had lang over hem nagedacht en geconcludeerd dat ik van hem hield met een mengsel van medelijden en minachting, voortgekomen uit zijn betrouwbaarheid en zijn goedheid, die ik beide niet verdiende want zelf was ik betrouwbaar noch goed.

Geloof

Tijdens haar studie verliest Gina haar geloof. Of, zoals het in Hoor nu mijn stem staat:
Nee, ze had het geloof niet verloren, ze had het afgelegd. Of liever: het had haar verloren. (...) Ze was nog nooit zo opgelucht en tegelijkertijd gedeprimeerd geweest.
Ook als ze het geloof al kwijt is, spreekt ze nog over haar ziel. Met betrekking tot Jean-Paul:
Hij voorzag in de behoeften  van har ziel. De leegte in haar onderbuik kon niet door hem - of door welke man dan ook- worden opgevuld.
Het lijkt me te simpel om de leegte te zien als de plek die eerder het geloof heeft ingenomen. Het heeft ook te maken met hoe Gina zichzelf ziet: als iemand 'die het altijd weer verklootte'. Het geloof speelt een belangrijke rol in het boek, maar misschien is het belangrijker dat Gina uiteindelijk de onechtheid aflegt en nog meer zichzelf durft te zijn, zowel haar afkomst, haar achtergrond, omarmend, als wat ze nu is en wil.

Misschien geldt uiteindelijk voor haar wel, wat ze zegt over de schrijfster die ze interviewt: dat die een houding heeft die op een verontrustende manier omarmend is. Je kunt je afvragen of die schrijfster niet ook stiekem iets van Franca Treur wegheeft. De schrijfster legt overigens  verband tussen schrijven en religie:
Als je fictie schrijft, ben je bezig je een andere wereld voor te stellen, zei de schrijfster. Dat is het begin van religie. En de lezer is bezig betekenissen toe te kennen aan een verhaal. Ook dat vond ze een religieuze activiteit.
Dat klopt met hoe Gina de literatuur ervaart:
Literatuur lokte met de belofte haar iets terug te kunnen geven dat ze zelf was kwijtgeraakt.
Misschien is dat wel iets wat steeds terugkomt: Gina moet zich een nieuw leven verwerven na haar opvoeding, waarin ze alleen zicht heeft gehad op een klein wereldje. Ze wint nieuwe werelden, nieuwe inzichten, maar moet daardoor ook een wereld achter zich laten. Ze houdt de werelden gescheiden. Pas aan het eind van het boek lijkt die scheiding opgeheven te worden. Wat overigens niet wil zeggen dat alles nu gemakkelijk zal zijn. Het lukt haar in de slotzin al niet om naar het gezicht van tante Ma te kijken. Er is nog veel waarmee Gina aan de slag moet.

Hoor nu mijn stem is een interessante roman, die bovendien beter geschreven is dan Dorsvloer vol confetti. In de korte stukjes uit X en Y (zie de link onderaan) moest Treur to the point zijn. Dat heeft haar stijl vaart gegeven, waarbij ze vaak personages kernachtig weet te typeren:
Ze (...) had een gezicht dat je moeilijk kon onthouden. Maar je onthield haar motoriek, ze leek een beetje te zweven.

Tale Kanaäns

De constructie is ook hechter en dat is aangenaam. Verder vond ik het heerlijk hoe Franca Treur de reformatorische wereld weet op te roepen. Dat gebeurt in sterke mate door de taal die verwijst naar de tale Kanaäns, een taal doorspekt met bijbelteksten en vaste uitdrukkingen die voor buitenstaanders een soort geheimtaal vormen, maar het volk dat het geklank kent, weet meteen wat er bedoeld wordt.

Als Gina gaat studeren, bijvoorbeeld:
Ik hoor hier niet, dacht ik toen ik de collegezaal binnenliep, met mijn gedoopte voorhoofd. 
In gedachten hoor ik  nog de dominees die zeiden dat het verschrikkelijk is om met een gedoopt voorhoofd verloren te gaan.

En ook dit citaat riep meteen van alles wakker:
Zo hadden de tantes altijd geleefd, gegeten, gebreid, gebeden, in een tempo dat Gina nu heel onwaarschijnlijk voorkwam. Buiten dat leven was geen leven, maar een eeuwig zielsverderf, bestaande uit computers en amusement.
 Meteen was de passage terug uit het gedicht dat de dominees graag citeerden:
Geef mij Jezus, of ik sterf.
Buiten Jezus is geen leven,
maar een eeuwig zielsverderf.
Nog een voorbeeld: Opa ligt op sterven en Ina zit bij hem.
Aan mijn pols tikte mijn horloge zijn genadetijd voorbij.
De genadetijd, ook wel 'het heden der genade' genoemd, is de tijd dat we leven. Dan is er nog gelegenheid om tot bekering te komen, wat overigens geen verdienste is, maar genade. Tijdens het leven kunnen we die genade nog deelachtig worden. Daarna is het voor eeuwig te laat.

Dat soort subtiele verwijzingen naar de tale Kanaäns heeft Franca Treur voortdurend. Om de kritiek uit de hoek van reformatorische christenen maar voor te zijn: daarin zit geen spot, maar iemand die in orthodox-christelijke kring is opgegroeid, heeft zich die taal zo eigen gemaakt, dat het onnatuurlijk zou zijn om andere woorden te kiezen.

Met Hoor nu mijn stem heeft Franca Treur een mooi boek aan haar oeuvre toegevoegd. Doordat ik er veel uit herken, kan ik er misschien nog minder objectief over oordelen dan gewoonlijk het geval is. Dat is dan maar zo. Het is altijd goed om zelf het boek (te kopen en) te lezen, om te zien of je in het oordeel van een recensent mee kunt gaan. Naar de boekhandel dus!


Eerder schreef ik over X en Y en De woongroep, beide ook van Franca Treur.