zondag 4 maart 2012

De laatste patiënt




Soms heb ik vreemde gedachten. Zo dacht ik dat De laatste patiënt van Mirjam van der Vegt misschien wel een goed boek zou zijn. In het Nederlands Dagblad noemde Marion Woertink het boek 'een roman met lef' . Van der Vegt heeft dus lef. 'En echt niet alleen omdat ze haar hoofdpersoon Ava naakt laat poseren voor de oude Aron.'

Een rare zin. Waarom zou er lef voor nodig zijn als je een model naakt laat poseren voor een schilder? Bovendien blijkt Van der Vegt nogal preuts. Vanuit de schilder schrijft ze: 'Hij keek hoe ze zich zonder schroom uitkleedde.' Als Ava wat naakten bekijkt, staat ze 'oog in oog met een vrouw met wulpse rondingen. Zonder gêne toonde ze haar achterwerk en keek met een open blik over haar schouder.' Als er gedanst wordt: 'Een donkere vrouw voor me deinde met haar heupen schaamteloos heen en weer.'

Het zijn maar drie voorbeelden, er zijn er meer te noemen: zonder schroom, zonder gêne, schaamteloos. Blijkbaar moet die schaamteloosheid genoemd worden omdat de schrijfster wel schroom ervaart of die op zijn minst bij haar lezers vermoedt. Dat is Van der Vegt overigens niet te verwijten, maar het maakt de zin van Woertink wel heel vreemd.

In het stukje Stijl heb ik uitgelegd dat het van onmacht getuigt als de schrijver bij dialogen te veel uit moet leggen hoe iets gezegd wordt. Bij Hermsen viel ik al over 'riep uit' en 'zei'. Van der Vegt maakt het nog heel wat bonter.  Een bloemlezinkje: ‘schamperde ik’, ‘was hij direct’, 'was ik direct', ‘voegde hij er enigszins spottend aan toe’, ‘durfde ik’, ‘gaf ik toe’, ‘daagde ik hem uit’, ‘probeerde ik’. En veel, veel meer.


Dat  doet onmachtig aan, maar misschien komt het doordat Van der Vegt zichzelf onderschat. Vermoedt ze dat ze zonder die toevoegingen het verhaal niet kan overbrengen op de lezer? Of onderschat ze de lezer? Ik gok op dat laatste. Zo vindt Van der Vegt ook dat er dingen herhaald moeten worden, blijkbaar omdat de lezer het anders niet oppikt. Ze begint met een motto dat ontleend is aan een lied van Stef Bos over de vrouw van Lot, die omkeek. Aron (een bejaarde neuroloog) schilderde zijn vrouw Japke terwijl ze omkeek en zelfs bij zijn begrafenis komt dat omkijken nog ter sprake. Tussendoor zijn er nog veel meer verwijzingen, zodat je als lezer al begint te zuchten als Van der Vegt weer eens over de vrouw van Lot of over omkijken/vooruitkijken begint.


Ava lijkt op Arons vrouw Japke of in ieder geval moet Aron aan Japke denken als hij Ava ziet. Ik heb er geen streepjes bij gezet, maar hoe vaak zou dat in het boek voorkomen? Vijf keer? Tien keer? Vaak, in ieder geval. 


Misschien vind ik het uitleggerige, het expliciete, nog storender dan de onmachtige stijl. Bijzonder ernstig is het bij een droom die de auteur construeert aan het einde van het boek. Daarin wordt alles nog eens uitgelegd wat de lezer al lang weet, omdat het allemaal al een keer uitgelegd is: Ava heeft haar kind verloren, maar ze klampt zich zo vast aan haar rouw, dat ze verwijderd raakt van haar man Erick. Dat weten we. Dat weten we heel goed. En dan hoeven we niet meer te lezen over Erick die in het water ligt en Ava die hem een touw toe moet gooien, maar alleen aandacht heeft voor een kind. 


Van der Vegt werkt bij de EO en je verwacht dan een uitgesproken christelijk boek. Dat is De laatste patiënt uiteindelijk ook wel, maar het aardige is dat de ik-figuur, Ava, aanvankelijk met dat geloof niet zoveel opheeft. Dat voorkomt dat het een al te wee boek wordt. Ava komt in contact met Aurelie en Rubin, die door het geloof de moeilijkheden in hun leven overwonnen hebben en vanaf dan wordt het boek expliciet christelijk. Dat is overigens geen enkel bezwaar, maar wel dat de schrijfster het allemaal moet benoemen.

Nog even terug naar de stijl, waar Van der Vegt merkbaar mee geworsteld heeft. Als ze het over een gouden ring heeft, wil ze niet elke keer het woord 'ring' gebruiken. Daarom gebruikt ze drie zinnen later: 'dat kleine stukje goud' en nog weer drie zinnen verder: 'mijn bewijs van trouw'. Het is bijna aandoenlijk. 


Ook denkt Van der Vegt dat gewone woorden niet volstaan. Een paar keer in de roman moet iemand aanbellen. Dan wordt er niet op de bel gedrukt, maar dan beroeren vingers de bel. Er is zelfs een koperen bel, die je maar hoeft te beroeren of hij doet het al. Soms beroeren handen een deurknop. Twee handen? Ja, blijkbaar. En als er piano wordt gespeeld, worden de toetsen natuurlijk beroerd.


Clichés zijn er genoeg in De laatste patiënt. Als iemand moet glimlachen, glijdt er een glimlach over zijn gezicht of kan hij een glimlach niet onderdrukken. Aron proeft Ava's naam op zijn lippen en als je wijn drinkt heet dat - u raadt het al - 'onder het genot van een goed glas wijn'.


Soms is het taalgebruik onbedoeld nogal grappig. Er valt een glas wijn om. 'De wijn verspreidde zich als een vlek over de tafel.' Een vergelijking is bedoeld om een beeld krachtiger te maken, maar hier slaat de beeldspraak alles dood. 


Als Ava gaat dansen, gaat dat in het begin niet zo denderend. 'Als twee houten drenkelingen stonden we tegenover elkaar.' Natuurlijk snap ik wel dat Mirjam van der Vegt wil vertellen dat de bewegingen nogal houterig waren en dat de twee danspartners zich nogal verloren voelen, maar 'houten' is net iets anders dan 'houterige'. Volgens mij hebben houten drenkelingen het niet zo moeilijk: die blijven wel drijven.


Nog eentje dan: 'De wanhoop [...] hing als een tastbaar spook voor de ingang'. De wanhoop is zo duidelijk dat die bijna tastbaar is. Dat is niet origineel, maar het klopt nog. Dan wordt de wanhoop ook nog vergeleken met een spook en dan gaat het mis, omdat een spook juist niet tastbaar. Net als bij de drenkeling gaat het fout bij het door elkaar husselen van de beelden. 


De stijl van Van der Vegt is belabberd en het boek is slecht geredigeerd. Natuurlijk ontgaat ook de beste redacteur wel eens wat. Hij kan 'antieken dressoir' overzien of  'windkracht 4 op de schaal van Richter' en gevallen als 'de auto kwam de straat inrijden' en 'voor ze de winkel instapte' (de werkwoorden zijn 'rijden' en 'stappen', niet 'inrijden' en 'ínstappen'). 


Het is niet leuk, als er duidelijke fouten blijven staan, maar het is bijna onvermijdelijk. Maar een kritische redacteur had de auteur waarschijnlijk de opdracht gegeven om nog maar eens goed aan de stijl te schaven, om herhalingen te schrappen, overbodige uitleg te verwijderen. Dat is allemaal niet gebeurd en dat is jammer.


De laatste patiënt had het namelijk wel in zich om een aardig boek te worden en het leest ook helemaal niet vervelend. Het zou mij niet verbazen als Van der Vegt veel meer kan dan ze in dit boek laat zien. Hopelijk gaan we dat ooit nog merken. 


Wie het boek wil gaan lezen, bekijke de trailer:




Met excuses voor de gigantische interlinies. Ik krijg ze niet kleiner, merk ik. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen