zaterdag 22 oktober 2011

Tot alles goed strak staat



In de gedichten van Jane Leusink is altijd veel te beleven. Meestal geven ze zich niet zomaar prijs. Je moet ze langzaam lezen, in je hoofd de mogelijke interpunctie invullen en dan voel je al wel wat de onderlaag van het gedicht is. Daarna moet je zo´n gedicht meestal nog een paar keer lezen en dan opent het zich.

De gedichten zijn fraai van taal, waarbij Leusink gemakkelijk wisselt van register. Vaak heb ik de neiging zinnen aan te strepen, omdat ze me treffen. ´Toen het ging kraken in de structuren´ begint met: ‘Wij openden die ochtend onze ogen gaapten wreven / zon tussen onze zorgvuldige woorden’.

Het is een eenvoudige zin, die verbazend effectief is. Na het openen van de ogen en het gapen, komt het wrijven, waarbij je automatisch denkt aan de slaap die uit de ogen wordt gewreven. Leusink hoeft dat niet eens meer te noemen en gaat meteen naar de zon.

Ik zie al voor me wat voor ochtend dat is. Twee mensen die naast elkaar wakker worden en ze zien meteen de zon. Maar er zijn ook ‘zorgvuldige woorden’. Woorden die je niet zomaar uitspreekt, dus. Omdat je op je woorden moet letten of omdat er moeilijk woorden te vinden zijn voor wat je wilt zeggen. Maar daar is de zon tussen gewreven en dat is dus altijd aangenaam.

Nog in dezelfde strofe:

‘zover we kijken maakt niets het landschap eenzaam
de verte is overal even ver
wij zijn de eersten’

Daarna zwaait het gedicht van de wij-vorm naar de zij-vorm. In het begin zijn er nog ‘vruchtbare vrouwen waaruit roze kinderen stroomden / het spelen met snorrebotjes hellebaardjes bikkels / hopsasa speelman laten we dansen!’

Aan het eind van het gedicht is het anders:

‘het werd hersteltijd baggertijd grondverzet
mors en vertroebeling maakten vormloos landschap
ontdane wierde kaal meidoornverdriet
en wij in die eeuwige wind gekleefd

die nacht, wij snoven de aarde – wilden dicht
bij onze onrustige doden zijn – groeven ten slotte
het graf voor onszelf, wachtten
een ademloos wachten begon’

Dat vormloze landschap, met die eeuwige wind is voor mijn gevoel een stuk minder aangenaam dan het landschap dat door niets eenzaam gemaakt wordt en waarin je je als de eerste mens voelt.

Maar dat dicht bij je doden zijn, ook al zijn ze onrustig, dat heeft iets intiems. Het wachten is ademloos, niet alleen omdat de dood nu eenmaal ademloos is, maar ook omdat er zoveel te verwachten is.

Er staat nog veel meer in ‘Toen het ging kraken in de structuren’ (het gedicht vult bijna twee pagina’s) en je kunt er lekker lang op kauwen.

Laat ik besluiten met een gedicht over het breken van een arm. Het eindigt met een ironische zin, zoals er zoveel staan in de gedichten van Leusink. Ik moest er bij dit gedicht om grinniken en die verse plag in de eerste strofe beviel me ook uitermate goed. Dat bedje van vlammende pijn verraadt het restaurantverleden van Leusink.

Een huis steekt op als de noordenwind

Ik zie de pas ontgonnen grond onder mijn voeten
voor het eerst bewegen: te klein plekje
onder aan die te steile trap
ben ik de verse plag die in de akker past?

de arm paste niet en brak als de kaprijpe tak van de lariks
je hoorde het kraken nog dagen later
je voelde het golven van kapotte opperarmbeenbotten
je zag het ontspringen van regenbogen
(zeezieke zee op een kleurrijk bedje van vlammende pijn)

was ik ontarmd en brakerig bang
moesten de vrienden komen extra sleutels
yoghurt muesli en banaan mijn trouwe hond
moest uit logeren gaan de katten bleven liever
(hun oude haren vielen lelijk uit)

materie slaat je het lichaam in, de spiegel
voor je mond beslaat van schaamte: heb ik
of ben ik arm? een woord verkent een hoofd

na zes jaar zen en yoga viel het vallen stevig tegen.

Kopen dus die bundel. Eerst voor jezelf en daarna voor een ander. En nog weer later alle andere bundels van Leusink, voor zover ze nog te krijgen zijn. Geniet!




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen