Nieuw blad
![]() |
| Algemeen Dagblad 28 juni 1946 |
![]() |
| Algemeen Dagblad 28 juni 1946 |
Bij alles wat je leest, lees je ook altijd jezelf en je eigen leven, maar bij het ene boek is dat evidenter dan bij het andere. Bij het lezen van het eerste deel van de integrale heruitgave van de strips over Appie Happie kon ik niet om mijn eigen verleden heen.
Eind jaren zestig/begin jaren zeventig logeerde ik elke week twee nachten bij mijn oma. Mijn opa was naast oma in bed overleden en sinds die tijd wilde ze 's nachts niet meer alleen zijn. Aan het begin van de week logeerde mijn nichtje Johanna bij haar, aan het eind van de week ik en in het weekend kwam mijn tante Jannie met de brommer van Opheusden naar Loenen (bij Slijk-Ewijk), met haar zoontje Joop achterop, zijn beentjes in de fietstassen.
Oma was geabonneerd op de Gelderlander en ik las daarin de strip Appie Happie. Op zaterdag moest ik het oud papier van die week verbranden achter in de boomgaard en daarvoor las ik de stroken die getekend waren door Dik Bruynesteyn.
Appie Happie is (in de strip leeft hij voort) een voetballer bij De Taaie Tijgers. In het team spelen ook sterren als Pietje Peelee (broertje van), Sjakie Strijkijzer, Tinus Plotseling, Henri Buitenzorg en Laserels. De laatste naam is natuurlijk een combinatie van Rinus Israël en Theo Laseroms (de Tank), twee vermaarde verdedigers van Feyenoord.
Appie is een wat eenvoudige jongen, die de meeste dingen al lang best vindt, als hij maar op tijd zijn bananen krijgt. Hij is bijzonder sterk.
![]() |
| Het Rotterdamsch Parool, 29 augustus 1970 |
Appie Happie is een onderhoudende strip en ik heb die altijd met plezier gelezen. Later kocht ik wel eens wat losse albums, maar die waren bijna allemaal in vrij slechte staat. Misschien zijn ze gewoon slecht uitgegeven. Het kan ook zijn dat ze al kapotgelezen waren.
Ik ben dus blij met de heruitgave van uitgeverij Kippenvel. Van deze uitgeverij besprak iets. De link daarnaar plaats ik onderaan. Het eerste deel van de boeken met strips van Appie Happie verscheen in 2022. Intussen zijn er al vijf delen.
Het eerste deel bevat acht verhalen: 'De ontmaskering van Iwan Vonikstobor', 'De Taaie Tijgers in de Tuinkabouter Cup', 'De Toupet Tourploeg', 'De Waterkeet-Affaire', 'Eindelijk raak', 'Een balletje kan raar rollen', 'Het beeldige beeldje' en 'De betoverde tuinkabouter'.
Ook de actualiteit buiten de sport betrekt Bruynesteyn bij de strips, zoals je ziet aan de titel 'De Waterkeet-Affaire', die verwijst naar Watergate, de affaire die Nixon het presidentschap kostte. In een ander verhaal komt de president voor als het personage Richard Hoolinwan, een Amerikaanse golfer.
![]() |
| Het Vrije Volk, 19 juni 1968 |
Appie Happie verschijnt voor het eerst in Het Vrije Volk, in 1967, onder de naam Appie Happy (met 'y' dus), tot halverwege 1968. Dan verschijnt in de krant enkele dagen op rij dat Appie Happy (voorlopig) op vakantie is.
Er komt wel een nieuwe strip, Chris Crack, die bij de Taaie Tijgers speelt. Halverwege 1970 verdwijnt ook die strip. Na enkele weken wordt een nieuwe strip aangekondigd, met enkele bekende en ook enkele nieuwe personages. In het Nieuwsblad van het noorden van 29 augustus wordt daar een artikeltje aan gewijd.
De hele week al is de strip Appie Happie aangekondigd met daarbij de belofte dat de strip niet alleen over voetbal zal gaan. In Het Rotterdamsch Parool van 29 augustus van 1970 worden de belangrijkste personages voorgesteld: Appie Happie, Kolonel B.D. Buitendienst (de manager), Snoepie (secretaresse van Simon S. Smakeloos), Simon Smakeloos zelf en de trainer, meneer Michappels, ongetwijfeld een mix van Michels en Happel.
![]() |
| Het Rotterdamsch Parool, 25 augustus 1970 |
![]() |
| Het Rotterdamsch Parool, 12 september 1970 |
Naast de acht verhalen vind je in Boek 1 overigens een mooi overzicht van de strips van Dik Bruynesteyn, inclusief zijn werk voor het Duitste sportblad Der Kicker, waarvoor hij naast cartoons de strip Fritzchen Wunder maakte ('Auch für Erwachsenen freigegeben!')
Verder een aantal paginagrote cartoons. Die passen niet direct in de periode dat de eerste verhalen verschenen. In de jaren zeventig hadden we nog niet van Dennis Bergkamp en Regi Blinker en de broertjes De Boer gehoord. Maar natuurlijk zijn alle cartoons van Bruynesteyn welkom. Bruynesteyn was een begaafd en veel gevraagd cartoonist.
In zijn strips verwijst Bruynesteyn verschillende keren naar de werkelijkheid daarbuiten en niet alle verwijzingen zullen nog zomaar opgepikt worden. Daarom is er een bijdrage van Henk Heezen opgenomen die ons uitlegt dat George Better eigenlijk George Best is en Theo-hi-ha-Toomenloos Theo Koomen.
Ik heb wel mijn twijfels bij de sportverslaggever Herman van Huisduinen. Dat zou Herman Kuiphof zijn. Maar lijkt die wel op dit strippersonage? En rookte Kuiphof wel pijp? Ik moest even denken aan Ben de Graaf, maar diens naam staat wel erg ver af van de naam die Bruynesteyn gebruikt.
Verder had er wel een iets strakkere redactie op de bijdrage van Heezen toegepast mogen worden. Laserels/Laseraels (Bruynesteyn is niet consequent) wordt drie keer uitgelegd, en bij een van die keren wordt alleen verwezen naar Laseroms en niet naar Rinus Israël, Rocky Maffiano krijgt ook drie keer uitleg, Henri Buitenzorg twee keer. Er staan ook nog wel wat foutjes in ('boksen' verschillende keren gespeld als 'boxen') en de paginanummering ontbreekt.
Dat had allemaal beter en strakker gekund, maar ik vind het vooral mooi dat iemand uit liefde voor deze strip zich alle moeite getroost om tot een nieuwe uitgave te komen, waarin de oude verhalen in een stevige band uitgebracht zijn.
Het lezen van de verhalen riep herinneringen wakker, maar ik las ook zaken die mij helemaal niet meer bijstonden. Bijvoorbeeld dat men de vredelievende Appie Happie verschillende keren probeert te strikken voor een bokswedstrijd of de running gag dat er iemand zo nu en dan de vraag stelt of hij hier bij de zaaduientelers is.
Eigenlijk verdient Dik Bruynesteyn een goede biografie. Ik herinner me in ieder geval dat je overal zijn tekeningen zag (met de dikke stip op de 'i' in 'Dik'). Zijn trefzekere manier van karikaturen maken was zeer herkenbaar. In 2013 verscheen het boek Dik tevreden, Dik Bruynesteyn 65 jaar sporttekeningen. Dat boek heb ik niet gelezen, maar ik vermoed dat het niet een echte biografie is.
Van die biografie komt het misschien ooit. In ieder geval zijn de strips van Appie Happie intussen weer toegankelijk. Of je er een nieuw publiek mee bereikt is de vraag, maar oudere mannen zoals ik, zullen de verhalen met plezier (her)lezen.
![]() |
| Het Parool, 31 augustus 1970 |
De tekenaar Minck Oosterveer (1961 - 2011) heeft vooral samengewerkt met scenarist Willem Ritstier. Het leverde series op als Zodiak en Nicky Saxx, die opnieuw worden uitgegeven, in kleur, en ook een deel van Storm, De banneling van Thoem (2011). De bedoeling was dat dat een serie zou worden, De kronieken van de buitenring. Door de plotselinge dood van Oosterveer is het bij dit ene deel gebleven.
De serie Jack Pott is ook een product van het tweetal. Eerlijk gezegd kende ik de strip niet. Het is de eerste dagstrip die Oosterveer tekende, voor het Algemeen Dagblad. De verhalen zijn opnieuw uitgegeven door Uitgeverij Kippenvel in zes delen, hardcover, oblong. Daarvan las ik het laatste deel. Het verhaal, De duistere orde, verscheen van 7 augustus 1993 tot en met 17 maart 1994 in de krant.
Jack Pott is een gokker, die naast zijn gokcapaciteiten niet zoveel bijzondere eigenschappen lijkt te hebben. Maar bang is hij niet en dat komt goed uit, want hij raakt nogal eens in moeilijkheden.
In De duistere orde is hij bij het pokeren in de problemen gekomen, maar hij weet te ontkomen. Hij is een beetje slaperig, als hij in een auto over een verlaten weg rijdt. Ineens steekt er vrouw voor zijn auto over. Als hij haar in veiligheid wil brengen, wordt hij uitgeschakeld door twee monniken. Uiteindelijk kan hij nog net meegenomen worden door de motorrijdster Bjinkha.
Ze woont samen met haar vader, een arts. De twee vertellen dat het dorp, waarin nog geen driehonderd mensen wonen, beheerst wordt door een groep monniken. Niemand kan het dorp uit en vreemdelingen die in het dorp komen, overleven het niet. De dorpelingen worden in bedwang gehouden met dreiging van een ernstige ziekte, waarvoor het geneesmiddel alleen bij de monniken te verkrijgen is.
Samen met Bjinkha gaat Jack Pott op onderzoek uit. Ze willen het klooster binnendringen om (de formule van) het geneesmiddel te ontfutselen. Of dat lukt, is te lezen in De duistere orde.
Het verhaal met de monniken heeft wel een afronding, maar er wordt ook nog wat opengelaten, zodat er een nieuw avontuur zou kunnen beginnen. Daar is het niet meer van gekomen. Het Algemeen Dagblad wilde niet meer een dagelijkse vervolgstrip. Oosterveer en Ritstier begonnen daarna bij de Telegraaf met Zodiak en later Nicky Saxx.
Dat vertelt Willem Ritstier in het interview dat voor in deze uitgave is opgenomen. Daarbij staat ook nog een extra tekening van Minck Oosterveer bij. Achterin krijgen we als extraatje enkele opnieuw getekende stroken. Oosterveer maakte die toen het verhaal uitkwam in albumvorm, in 1995, waarvan ook de covertekening in de uitgave van Kippenvel is opgenomen.
Het scenario vertoont enkele onwaarschijnlijkheden. Zo is het niet zo geloofwaardig dat een beperkt groepje monniken ervoor kan zorgen dat niemand uit het dorp ontsnapt. Uiteindelijk weet je hoe het zit met de besmetting van het dorp, maar de vraag is of dat voor de hand ligt. Dat gaat alleen op als het complete dorp voor de watervoorziening afhankelijk is van de rivier.
Eigenlijk zijn het kleinigheden, waar alleen kniesoren op letten. Tijdens het lezen laat je je meevoeren door het verhaal, dat spannend is. Ritstier moest ervoor zorgen dat er aan het eind van elke strook iets verteld wordt waardoor de lezer verder wil lezen. In het interview vertelt de scenarist dat hij tijdens het schrijven vaak nog niet wist hoe het verhaal af zou lopen. Dat kan tot losse eindjes leiden.
De tekeningen van Oosterveer zijn zoals we gewend zijn: met vrij forse, soepele lijn getekend. Hij hield niet van het tekenen van honden en katten en daarom zorgde Ritstier ervoor dat die er niet in voorkwamen. Oosterveer tekende graag aantrekkelijke vrouwen. Bjinkha is een sterke vrouw, mede bepalend voor het verloop van het verhaal. Vaak gaat ze losjes gekleed en zelfs als ze een mannenpij draagt, zijn haar benen goed zichtbaar. Vreemd genoeg zien we de mannenbenen niet, wat de vraag oproept of man en vrouw wel hetzelfde model pij dragen.
Maar goed, dat is de voorkeur van Oosterveer, die nog meer de lichamelijkheid van vrouwen zou benadrukken in Zodiak, mede op verzoek van de Telegraaf.
Het oblongformaat waarin de strips zijn uitgegeven past uitstekend bij de krantenstrip. Op elke pagina staan twee stroken. De tekeningen komen goed uit en zijn groter dan ze oorspronkelijk in de krant waren. De uitvoering in zwart-wit werkt goed. Oosterveer werkt met aardig wat zwartvlakken zodat de afzonderlijke tekeningen 'gevuld' overkomen.
De bladzijden zijn niet genummerd, wat niet gebruikelijk is, maar erg is het ook niet.
Ik neem aan dat de strip niet opnieuw geletterd is. Dat betekent ook dat de oorspronkelijke fouten zijn blijven staan ('gejuigd', 'heeft overleeft') en ook in het interview staat een enkele niet kloppende zin: 'Opvallend detail zijn het diepe decolleté'.
Daar kun je over struikelen, maar belangrijker is dat Jack Pott weer in zijn geheel beschikbaar is. Het is mooi dat een uitgeverij dat project op zich heeft genomen. Met dit zesde deel is de serie compleet. De oplage is beperkt, dus wie alle zes de albums wil hebben, moet niet te lang wachten.