Posts tonen met het label Citaat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Citaat. Alle posts tonen

vrijdag 11 mei 2012

Echte mannen scheiden niet



Ongeveer tegelijkertijd liepen de huwelijken van Erik Jan Harmens en Rick de Leeuw op de klippen. In die tijd waren zij elkaar tot steun. Nu hebben ze samen een dichtbundel geschreven: Echte mannen scheiden niet.

Eerlijk gezegd staan er niet zoveel goede gedichten in de bundel. Toch heb ik wel plezier beleefd aan het boekje, vooral door sommige zinnen. Ik kon wel genieten van bijvoorbeeld:
Dit was het dan, nu volgt het lange sloffende bergaf.
Of:
Ik werp mijn muntgeld in een vijver als kittens in een zak
Of:
Vroeger was het beter, weet je nog?
Toen kon je lachen, toen waren anderen de lul.
Ondanks de ellende waarover veel gedichten gaan, is er gelukkig veel te lachen. Misschien ook wel net iets te veel. Harmens en De Leeuw hebben de neiging nogal barokke beeldspraak te gebruiken ('Ik bracht stokken in het bos terug / met het enthousiasme van een landverrader'), maar vaak ook leidt die beeldspraak af. Grappig beeld, denk je dan, maar je staat nauwelijks meer stil bij waarvoor dat beeld staat.

Vaak ook buitelen de metaforen en vergelijkingen over elkaar heen, passen ze niet bij elkaar, sluiten ze niet op elkaar aan. Dan moet ik zinnen lezen als:
Plaagziek pritte je dan je bovenlip op de onder
en moest ik op de tast door de vuile was
tot ik jou vond als een vader zijn kind
in een doorrookte cruiseschipkajuit
Allemaal aardige beeldjes, maar bij elkaar werken ze niet.

Ook hebben de dichters de neiging alles nogal vet aan te zetten: grote gebaren, harde stemmen. Schmierend bedoeld, mag ik hopen. Dat maakt het voor de lezer wel onderhoudend, maar ik zou me als lezer ook wel eens wat minder gemakkelijk willen voelen. Maar dat zit er niet in. De lezer wordt geamuseerd, maar meestal niet geraakt.

Soms is er ineens een wat meer verstild gedeelte, bijvoorbeeld als de ik aan de ex-geliefde vraagt nog even aan hem te denken bij het verschonen van het bed. En ook dit slot vond ik fraai:
de kamer is mooi en het bed is mooi
het bezoek komt en gaat
al komt het steeds minder
en gaat het steeds sneller
en het fruit ruikt nog lekker, maar wat ziet het eruit

zondag 22 april 2012

Gerard Reve: De blijde boodschap (Knipoog 7)



Vanochtend tijdens het onbijtlezen kwam ik een krantenkop tegen (NRC Handelsblad 21 april) die mijn hart meteen een sprongetje deed maken: 'Multi phyl ti corti rocci'. Het is potjeslatijn, ooit gebezigd door Gerard Reve in een gedicht:
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht: 'Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?'
En ja hoor, nauwelijks was hij begonnen, of ik hoorde al:
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et com spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwige leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af:
'Waar hebben wij het aan verdiend?'
Het artikel waarin geknipoogd wordt naar Reve is er eentje in de serie 'Made in Europe' waarin een soort canon van de Europese cultuur wordt doorlopen, van de Sixtijnse kapel tot Abba en van Kuifje tot Monty Python. Deze keer was de minirok aan de beurt.

Pieter Steintz vertelt in het artikel dat het Vaticaan in 1969 de minirok in de ban heeft gedaan en dat was mij niet bekend. Dat zou ook de aanleiding zijn geweest dat Reve het gedicht hierboven schreef. Weer wat geleerd.

Het gedicht van Gerard Reve wordt door Steintz 'legendarisch' genoemd en ik ga ervan uit dat veel lezers meteen aan Reve moesten denken bij 'multi phyl ti corti rocci'. Maar ook wie de knipoog niet opmerkt, zal waarschijnlijk toch wel willen weten waar de vreemd aandoende en toch begrijpelijke zinsnede vandaan komt.

Hieronder een filmpje dat ik op YouTube vond. Alles is goed te verstaan, maar het beeld is niet best. Ik denk dat de filmer zijn camera op een televisiescherm heeft gericht. Dat heeft wel iets aandoenlijks. Je bent fan van Reve, merkt dat hij op tv is, maar hebt zo gauw geen videorecorder of dvd-recorder bij de hand en wilt toch dat de stem en het gezicht van Reve langer bij je zijn dan alleen die paar minuten van de uitzending. Je neemt dus je camera of je mobieltje en filmt en daarna ben je zo opgetogen dat je het ook met anderen wilt delen.

En nu staat het filmpje hier. Voor even zijn we in een huiskamer in Voorst, Dalfsen, Leiden, Vlissingen of Venlo. Ook wij zitten met kloppend hart voor de kleurentelevisie en zien Reve spreken, alsof hij nog leeft. We vragen ons af: 'Waar hebben wij het aan verdiend?'






dinsdag 3 april 2012

Mijn naam is Legioen



Er zijn te veel dichters van wie ik nauwelijks wat gelezen heb. Nou ja, wat losse gedichten. Het rare is: die vond ik ook nog goed en toch heb ik geen bundel gekocht van, pak hem beet, Astrid Lampe, Erik Menkveld, Pieter Boskma. Er is geen deugdelijke reden voor, maar het is zo. Zo had ik ook nooit een bundel gekocht van Menno Wigman. Maar nu wel: Mijn naam is Legioen.


Nachtrit
Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet
en met een onvervreemdbaar recht op seks
('Mijn naam is Legioen, wij zijn met velen'),
jaagt door de late nacht over de weg
en wil zijn lichaam met gevrouwte delen.
De pompen van de Shell. Het pooierslicht.
Vol moed een meisje achter glas betalen.
Vol moed aan nieuwe vrouwen denken, echt,
elektrisch, kil verhit, maar denken, denken -
een herdershond, onthand en underfucked,
al jaren in zichzelf verongelukt,
maar met drie namen in zijn telefoon,
drie namen vol belofte van geluk.
Hij belt. Zijn recht op seks. Op scherpe meiden.
Waarom heb ik toch medelijden?

Er komt een man het gedicht binnenrijden en meteen daarna is er de eenentwintigste eeuw. Daarmee zegt het gedicht niet alleen dat het om een hedendaagse man gaat, maar misschien geeft het ook wel een beeld van deze eeuw.

Het is geen schoonheid, deze man ('kaal, gezet'), maar hij vindt dat niemand hem het recht op seks kan afnemen. Zijn naam is Legioen, zoals tegen Jezus de man zei in wie een heel leger van duivels huisde. Zo'n uitspraak, die het ook tot de titel van de bundel heeft gebracht, kan wijzen op de bezetenheid van de man, maar ook op zijn versnipperdheid, lijkt me.

Door het woord 'gevrouwte' viel ik meteen voor dit gedicht. Prachtig woord, dat qua vorm lijkt op 'gebladerte' en 'gedierte'. Het ontpersoonlijkt: dondert niet welke vrouw het is, als het maar vlees is.

In de tweede strofe valt de herhaling op: twee keer 'Vol moed'. Dat doet Wigman vaker:
Sterk spul of niet: de uitvaart van het boek,
we naderen de uitvaart van het boek.
en:
Niets weet je van wie hier je asbak leegt.
Niets weet je van wie hier de lakens schikt.
Het heeft iets onbeschaamds. Veel dichters zouden naar variatie zoeken, maar Wigman niet. Je moet het maar durven. Bij andere, mindere dichters zou het een teken van zwakte zijn. Bij Wigman is het een keuze.

Dat er twee keer verteld moet worden dat de man 'vol moed' is, duidt er wellicht op dat die moed wat opgeklopt wordt, dat hij die misschien toch heeft moeten verzamelen. Dat er een twijfeltje in hem schuilt en daardoor zijn gebaren net iets te breed te zijn.

Echt. Hij zoekt naar echte vrouwen, maar wel bij hoeren, die voor hun beroep mannen afwerken. Daarom kunnen 'kil' en 'verhit' ook gezusterlijk naast elkaar staan in dit gedicht.

De man blijft maar 'denken, denken'; het maalt door zijn kop. Bij de herdershond in de volgende regel zie ik de tong al uit de bek hangen. De man jaagt achter de vrouwen aan, maar doet dat 'onthand' en is 'al jaren in zichzelf verongelukt'.

Hier, en niet pas in de laatste regel, komt de deernis het gedicht al binnen, als een hond, kop gebogen, staart naar beneden. Ach, dat triomfantelijke vermelden van de drie namen in de telefoon. We halen onze schouders op. 'Scherpe meiden'. Ja, zo zul je er wel over moeten opscheppen denk ik.

Misschien had de dichter boven de man willen gaan staan, had hij diens belachelijkheid willen laten zien, maar het lukt hem niet. In de laatste regel kan hij zelf niet meer uit het gedicht blijven en dan kan hij de man alleen nog maar met medelijden bezien. Daarmee is hij met de man verbonden.

Zo schreef Wigman ook al over een man in de supermarkt ('een man, klein, dik, met onbemand gezicht / die keek alsof hij Ron of Ruud moest heten.'). Die man had hij ook graag onder uit de zak gegeven:

En ik was in verwachting van een scheef
gedicht, wou hem haten, kon het niet -
want alles wat hij droomt, dacht ik, droom ik
niet beter. Goed, gegroet dus, vale oom
die net zo magisch over lakens droomt. 

Ook de naam van de dichter is Legioen. Hij blijkt niet alleen in zijn eigen lichaam te huizen, maar hij herkent zich ook in de ogen van de mensen om zich heen. In de man in de supermarkt, of de man met de drie namen in de telefoon. En wij moeten met de dichter meekijken. Ook onze naam is Legioen.

Er is natuurlijk meer, veel meer, over de bundel van Menno Wigman te zeggen. Dat gedicht over zijn moeder bijvoorbeeld, dat al in verschillende kranten heeft gestaan ('Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok / nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist, / en steeds dezelfde dag uitzit.'), maar ook het gedicht over Van der Lubbe ('Marinus heet ik, makker, en mijn naam / zal als een steekvlam boven Duitsland staan.') .

En wat te denken van zinnen als:
Ik zou wel willen dat het anders was.
Dat is het ook. Je mist iets en verpleegt het.
Of:
De angst. De witte wimpers van de angst
dat ik mijn leven heb verschreven.
Dat dus.  Onder dat strakke metrum, dat uitgekiende rijm, die beheerste vorm, woelt altijd iets bij Wigman, wordt er getwijfeld en gewankeld. De gedichten staan als een huis, maar je 'hoort het water onder je vloeren woelen'. Poëzie waar de dichter zich aan vast moet houden, poëzie omdat het moet.

En wij, jullie ook dus, moeten dat lezen. Vind ik.

maandag 2 april 2012

Tijd is niks. Plaats bestaat



Natuurmonumenten heeft aan dichters gevraagd om een gedicht te maken over een plaats op de Zuidwestelijke Veluwe. Het resulteerde in de bundel Tijd is niks. Plaats bestaat, waarin naast de gedichten ook foto's zijn opgenomen. De foto's lijken niet altijd verband te houden met het gedicht ernaast en ze zijn geplaatst op een hardgroene ondergrond, waar je van moet houden, denk ik.

Naast bekende dichters (bijvoorbeeld Eva Gerlach, Pieter Boskma, Astrid Lampe, Henk Knol en Victor Vroomkoning) leverden ook amateurs en zelfs basisschoolleerlingen gedichten. Dat heeft tot gevolg dat niet elk gedicht even goed is, maar de diversiteit is ook wel weer charmant. De inleiding werd geschreven door A.L. Snijders.

Achter in het boek is een kaart opgenomen met daarop aangegeven de fietsknooppunten en de locaties waarbij de gedichten zijn gemaakt. Wie dat wil, kan met de bundel in de hand de route langs de poëtische plaatsen volgen.

Als u dat van plan bent, doe dat dan op 22 april. Op die dag zullen de dichters langs de route staan om hun gedichten voor te dragen. Vanaf 11.00 uur kunt u binnenlopen op Oud Reemst (alleen bereikbaar via Otterlo). U kunt die dag ook workshops volgen.

Deelname is gratis. Wel even aanmelden op de site. Als u die dag verhinderd bent of als u geen zin hebt om te fietsen, kunt u de gedichten ook op de site beluisteren.

Hanz Mirck leverde het onderstaande gedicht:

Aan de Rijn 
Hier drijft het landschap golvend langs de rivier
Je zou er een huis kunnen bouwen, een raam om het uitzicht,
een muur om het raam, een dak van riet?
Maar wat zie je eigenlijk? Je kunt alleen kijken
naar het grote of naar het kleine, niets er tussenin,
blad of verte, je ogen als maartse hazen door het veld
Een ander zou in zijn plaats een ander huis bouwen, om
een andere vrouw, omdat een muur de stilte buitensluit
In de verte de gedachte aan steen, een dak
van rivierbodem. Geen mens bezit grond -
de aarde bezit ons
Maar ook als niemand dit uitzicht, dat voorbijgaat, ziet
als niemand ziet hoe zacht het is, is ze zacht,
daar heeft ze geen mens voor nodig

dinsdag 27 maart 2012

Hoe staat het met de liefde?


Er is veel te genieten in het nieuwe boek van Bert Natter. Hoe staat het met de liefde?bevat bijvoorbeeld heel grappige gedeelten, zoals deze passage, ergens aan het begin.
Ik ontmoette Fjodor in de trein, daar zat hij met een afgekloven potloodje aantekeningen te maken in een boek, puntje van zijn tong uit zijn mond, zo'n figuur. Zijn vlees ging gehuld in een bleke, bijna doorschijnende huid en hij bezat een meisjesachtige schoonheid. Daarom zei ik: 'Je bent hier verkeerd hoor, je moet in de metro gaan zitten met dat boek.'
'Wat?'vroeg hij verstoord. Hij verschoot van kleur, hij werd niet rood, maar bleker dan hij al zag.
'Met dat boek,'herhaalde ik, 'moet je in de metro gaan zitten.'
Hij draaide het boek verbaasd om, met het omslag naar zich toe. Aantekeningen uit het ondergrondse.'En trouwens: het is de ondergrondse.'
Hij lachte en deed of hij verder las, maar ik wist zeker dat hij steeds aan mij dacht en zich moest beheersen niet de hele tijd naar me te kijken. Ik zat het daar in mijn dikke winterjas gewoon te winnen van de wereldliteratuur.
Grappig, maar ook goed gedaan. Zo'n toevoeging als 'in mijn dikke winterjas', geeft aan dat de ik (Maria Hinckelbein) er niet bepaald charmant uitzag. En toch weet ze Fjodor in te pakken.

Het jammere is dat Hoe staat het met de liefde? het vooral van momenten moet hebben. Leuke dialogen, mooie passages, interessant personage - dat klopt allemaal wel. Maar het boek als geheel overtuigt me niet. Natter moet beter kunnen.

maandag 19 maart 2012

Alex Roeka

Er zijn zangers en zangeressen die in het Nederlands zingen en die iedereen, of bijna iedereen, kent: Marco Borsato, Willeke Alberti, Rob de Nijs, Corry Konings, Vader Abraham, André Hazes, Jan Smit. Je hoeft zo'n naam maar te noemen of iemand anders in het gezelschap kan je vertellen wat hij van de betreffende zanger of zangeres vindt.

Bij sommige andere namen blijft het stil: Milou Frencken? Zijlsta? Theo Nijland? Alex Roeka? Men kijkt naar het tapijt, haalt zijn schouders op, praat verder over Ali B., Lange Frans of Gordon. Jammer.

Over sommige zangers zouden we best wat meer mogen weten. Over Alex Roeka bijvoorbeeld. Zijn vorige programma heette Beet van liefde en ik zag het in Arnhem. In dat programma kregen we de geschiedenis van een liefde, vanaf het prille begin. Mooie liederen, met ironie aan elkaar gepraat. Dat het allemaal ook nog zijn basis had in de werkelijkheid, zag je na het optreden, toen de vrouw uit de verhalen, van de liederen, van poster en de cd-hoes, meehielp bij de verkoop van de cd's.

Ik heb toen een cd gekocht en van tijd tot tijd draai ik die nog. Dan luister ik naar teksten als:
O, ook al kan het niet - zo hevig
Ook al mag het niet - zo schaamteloos
Ook al gaan we hier uiteindelijk aan kapot
Toch vreten we deze liefde helemaal op, ja
We vreten deze liefde helemaal op
Van wie gaat het bloed niet borrelen als zoiets gezongen wordt?  Of dit lied:



Ik praat Roeka maar even na:
En ik moet die vrouw nog gaan zoeken,
die zwerfkat van komen en gaan,
die er zo grimmig, gretig en hevig in geloofde
dat ze eraan kapot leek te gaan.
Ja, met haar moet ik terug naar het zuiden,
naar de zwiep van het koperen beest,
om nog één keer te weten dat er niets is veranderd
aan wat altijd al heet is geweest.
Laat me nog schreeuwen, nog één keer schreeuwen
voordat ik achterover val.
Het is zo mooi, 't is zo vuil, 't is zo hard, 't is zo zacht,
je springt erop en het gooit je eraf.
Maar laat me nog schreeuwen, nog één keer schreeuwen
voordat ik achterover val
in de modder
in de modder
in de modder van mijn graf.
Daar hoef ik verder toch niets meer over te zeggen? Dat is toch heel wat anders dan 'De meeste dromen zijn bedrog,/maar als ik wakker word naar jou dan droom ik nog' of 'Kon ik maar even bij je zijn. / Ik moet nog zoveel aan je vragen. / Wat doet het ongelofelijk veel pijn.'

Donderdag zal ik bij Dante in mijn column Alex Roeka ook noemen. Kom maar luisteren, dan krijg je 2,50 Dante-korting op een kaartje voor Roeka's optreden in Cultura op vrijdag 30 maart.

Laten we Roeka het laatste woord maar geven:




zaterdag 17 maart 2012

Pierre Dubois over Harry Mulisch in 1959

Portret bij het artikel van Dubois

In 1959 publiceerde Harry Mulisch een van zijn grote romans: Het stenen bruidsbed. Tot die tijd had hij drie romans geschreven. Zijn eerste, uit 1952, archibald strohalm (waarom moet dat toch zonder hoofdletters?) was verrassend, maar ik vrees dat het bij herlezing nauwelijks houdbaar zal blijken. De diamant (1954) was niet veel bijzonders, maar in Het zwarte licht (1957) begint Mulisch op stoom te komen en bijvoorbeeld het beiaardconcert van Maurits Akelei in dit boek is onvergetelijk.

Maar Het stenen bruidsbed, over het bombardement op Dresden, was andere koek. Hier leren we de schrijver kennen die later van zichzelf zou zeggen: 'Ik ben de oorlog'. Na 1959 was Mulisch overigens niet scheutig met romans. Het duurde meer dan tien jaar voor De verteller (1970) er was daarna duurde het vijf jaar tot Twee vrouwen (1975), waarmee er een nieuwe helderheid in het proza van Mulisch kwam. Dan weer een stilte van zeven jaar tot de klapper De aanslag gepubliceerd werd. Daarmee begon voor Mulisch, qua romans de meest productieve periode, met vijf romans in tien jaar. De andere vier zijn Hoogste tijd, De pupil, De elementen en De ontdekking van de hemel, in 1992. Dat laatste boek is Het Grote Werk van de grote schrijver, maar eigenlijk hou ik meer van Hoogste tijd. 

Terug naar 1959. Pierre Dubois besprak in Het Boek van Nu Mulisch' nieuwe roman en herkende meteen de kwaliteit van het werk:''t boeiendste boek dat hij tot nu toe heeft geschreven'. De titel van zijn recensie is zelfs: 'Roman van apocalyptische allure'. Verder noemt hij het boek:
het eerste boek van Mulisch waarin hij werkelijk een schrijver is, niet meer een talentvol litterator. Er is niet meer de wat blufferige lust om te laten zien wat hij allemaal wel kan, een volstrekt "uiterlijke" schrijflust, hoe bewonderenswaardig dat zuiver als vermogen ook kan zijn. De nieuwe roman is klaarblijkelijk geschreven, omdat Mulisch getroffen is door een ontdekking van menselijke, of als men wil onmenselijke, onlust, hopeloosheid, zinloosheid, wreedheid.
Dubois ziet dat Het stenen bruidsbed anders is dan de vorige boeken van Harry Mulisch, die hij nu beschouwt als vingeroefeningen, meer voortgekomen uit besef dan uit ervaring. Verder vertelt Dubois ons dat Mulisch in 1956 naar Oost-Duitsland is geweest, naar Dresden. Dat ligt misschien voor de hand en het kan zijn dat het algemeen bekend is, maar ik wist het niet.

Het bombardement op Rotterdam, schrijft Dubois, 'zo evident barbaars', maakte ons normgevoel niet tot een absurditeit, maar bevestigde het. Dat was anders bij het bombardement op Dresden, waar mensen die aan 'onze' kant stonden een bombardement aangingen dat je misschien ook wel kunt zien als 'pure wraak of loutere moordlust'.
Dat betekent dat het morele waardebesef in die tijd wel degelijk was aangetast en dat het persoonlijke morele normgevoel inderdaad een absurditeit werd. En het gevolg daarvan kon dus ook wezen dat het individuele geweten van oorlogvoerenden bekneld raakte, dat zij ieder op zich geconfronteerd konden worden met de vraag naar hun persoonlijke verantwoordelijkheid voor hun oorlogsdaden. 
Daarna gaat Dubois dieper in op de inhoud van Het stenen bruidsbed. Hij haalt er mooie dingen uit, maar die laat ik even zitten. Ik stap over naar het eindoordeel:
Het boek is niet in alle opzichten geslaagd. Het weefsel ervan is niet overal even hecht en niet overal is het verhaal even fascinerend. Maar dat neemt niet weg dat het geheel toch de indruk nalaat van een opmerkelijk sterk boek, een roman die ons iets "doet" en die, afgezien van particuliere -en nogal aanvechtbare- visies zoals de theorie van historie en anti-historie, soms korte maar penetrante bespiegelingen en observaties bevat (over liefde en huwelijk bv.), welke het scherp en verrassend markeren.
Dat het geen "katharsis" geeft, is in dit geval nogal aannemelijk en men voelt er ook de behoefte niet zo aan, al vormt de brandende auto aan het slot meer een symbolisch afgerond dan een werkelijk bevredigend einde.
Het valt me op dat je in 1959 'penetrante' nog in de betekenis van 'doordringende' of 'scherpe' kon gebruiken, zonder dat dat een oordeel inhield. Misschien vergis ik me, maar ik heb het idee dat we tegenwoordig 'een penetrante geur' of 'een penetrant geluid' vooral onaangenaam vinden.

Verder wil ik even mijn vinger leggen bij die katharsis. Dubois schrijft dat hij die niet mist, maar blijkbaar vindt hij toch dat hij zo'n katharsis even moet noemen. Kennelijk verwachtten lezers zoiets. De zinloosheid van het oorlogsgeweld zou dan toch nog tot iets goeds moeten leiden, al is het maar binnen het personage Norman Corinth. De gemak gunt Mulisch ons gelukkig niet.

dinsdag 6 maart 2012

Snijderseiland


Een wolk
Eind maart, er wordt hard gewerkt
aan mooi weer, een hogedrukgebied bij Azoren
breidt men uit naar het noorden.
Er kan van alles gebeuren en het gebeurt.
Een sprekend hoofd waslijst de namen
van op- dan wel afgeblazen festijnen.
Niet te stoppen processen voltrekken zich
links en rechts in de wereld, men kan er de vinger
op leggen en niemand weet wat ze brengen,
voor wie en wanneer.
Zelfs de kat die hier woont is onrustig, volgt me
voortdurend, ik zet hem buiten.
Een wolk schudt zich uit als een drijfnatte hond.
Kinderen worden naar binnen geroepen.
Het rommelt al in de verte.
Dit is een gedicht uit Snijderseiland, de vijfde bundel van Juliën Holtrigter. Het is niet eens een opmerkelijk gedicht, maar ook bescheiden gedichten kunnen goed zijn.

Dat er gewerkt wordt aan mooi weer, is wel bijzonder. 'Men' is druk bezig om het voor elkaar te krijgen. Zo schrijft Holtrigter vaker over de dingen, die we gewoonlijk ervaren alsof ze vanzelf gaan. Het wordt donker en het wordt weer licht, de tijd verstrijkt. Maar niet bij Holtrigter. Daar is het duister 'voertuig naar ochtend en uitzicht', en over de tijd schrijft hij: 'De tijd is waarlijk een genie. / Spelenderwijs schept hij grootse creaties.' Over het leven: 'Knap van het leven dat je niet weet waar het / heen gaat.'

Ook houdt Holtrigter ervan om de omgeving te bezielen: 'De knie overlegt met de andere knie'; 'Oude luchten besluipen mijn neus'; 'een vlindernet slaapt'.

'Er kan van alles gebeuren en het gebeurt'. Een zin vol verwachting, en die verwachting wordt al voor een deel tijdens de zin ingelost. Nu gebeurt het al en er kan nog veel meer gebeuren. Door dat hogedrukgebied heb je het idee dat het boven je hoofd gebeurt. Daar werkt men aan het mooie weer. In de gedichten van Holtrigter wordt trouwens vaak naar boven geblikt. Veel luchten, al dan niet met sterren. Eigenlijk hangt het hele universum boven zijn gedichten.

Die op- en afgeblazen festijnen zijn misschien op het randje. Is het flauw? Misschien wel, maar toch ook wel grappig. Zoals meer zinnen van Holtrigter grappig zijn: 'terwijl je botten / ontkalken, verkalken je aderen' en 'Hij had zich buitengesloten om in te breken' en ook: 'Op afstand het meest nabije!'

In de derde strofe merk je dat het leven zijn gang gaat, dat er van alles gebeurt en dat je er eigenlijk geen invloed op hebt. De kleine mens in het grote heelal. Om hem heen voltrekt zich het leven en hij kan er niets aan doen. Niet dat dat erg is: 'Ik blaas mijn laatste rook naar omhoog / en ga slapen.'

De kat is onrustig. Er staan immers dingen op stapel, al weten we dan ook niet welke. Zo'n kat brengt maar onrust, dus je zet hem buiten. In de laatste strofe begint het te regenen. Een mooi beeld, zo'n wolk die zich als een natte hond uitschudt. Het zou me niet verbazen als de kat in de vorige strofe de hond in deze strofe heeft opgeroepen. Holtrigter houdt van associaties en in veel gedichten kun je de weg van zijn gedachten volgen. Mooie overstapjes, kleine sprongetjes. Als er een tongriem wordt genoemd, staat er in de zin erna 'snoer hem de mond'. Van de riem naar het snoer is het maar een klein stapje...

Aan het eind van het gedicht, als het begint te regenen, zijn we ook weer bij het begint, waar hard gewerkt is aan mooi weer, maar waar 'men' het niet voor elkaar gekregen heeft. Tenminste als je regen lelijk weer vindt. 'Het rommelt al in de verte'. Nog steeds de verwachting, maar intussen is dat ook een dreiging. Het is inderdaad tijd om de kinderen binnen te roepen.

'Een wolk' is een eenvoudig gedicht, maar door de verwachting en de dreiging blijft er iets broeien, is er iets aan het rommelen, dat doorgaat als je het gedicht uit hebt. De gedichten doen zich voor als bescheiden, maar intussen weten ze precies wat we ze willen.

Ze zetten deuren open naar de nacht, naar de hemel, naar de kosmos. Ze laten een wind door ons hoofd waaien, duwen ons gezicht in de gewenste kijkrichting, knijpen ons in de arm. En troosten ons in onze nietigheid, in het eventjes dat wij hier zijn:
wij kwamen van ver, waren er even,
reflecteerden het schitterend licht
en verdampten alweer.
Of, aardser:
Wat gaat er boven de zwijgzame warmte van
armen die benen omhelzen, van billen die handen
verwarmen?
Niets, denk ik.

zondag 4 maart 2012

Pierre Dubois over Marnix Gijsen en Hugo Claus in 1958

Illustratie bij het artikel van Dubois
Al eerder en nog eerder schreef ik over het tijdschrift Het boek van nu, waarin in 1957 en 1958 boeken van Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans werden besproken. De recensent, Pierre H. Dubois, herkende het talent van de jonge schrijvers en verdedigde het.

In 1958 besprak hij ook de verhalenbundel De zwarte keizer, van Hugo Claus. In hetzelfde stuk waarin hij Mijn vriend, de moordenaar van Marnix Gijsen bespreekt. Het is wel heel lang geleden dat ik iets van Gijsen heb gelezen. Ik herinner mij dat ik indertijd, als vrij jonge lezer nog wel onder de indruk was van de verhalenbundel De diaspora en verder heb ik natuurlijk Klaaglied om Agnes en het boekenweekgeschenkje Overkomst dringend gewenst, dat ik minder geslaagd vond. Van Mijn vriend, de moordenaar had ik zelfs nog nooit gehoord.

Dubois typeert Gijsen als een moralist en als een romancier die ook iets van essayist in zich meedraagt. Over de verhalenbundel schrijft hij: 'Het boek bestaat uit een vijftal verhalen die uitstekend zijn geschreven en die een boeiend geheel vormen.'

Langs de verschillende verhalen doorwandelt Dubois Mijn vriend, de moordenaar. Hij eindigt met:
'Het merkwaardigst is misschien bij hem nog de paradoxale vermenging van een buitengewoon grote pudeur, een krampachtige verlegenheid met de behoefte aan een volstrekte openhartigheid. Het laatste wordt onder invloed van het eerste vrijwel nooit in werkelijkheid, slechts in schijn bereikt. Niet omdat Gijsen niet durft, maar omdat hij daartoe belet wordt door een eindeloos subtiel en geraffineerd besef van betrekkelijkheid. Zijn lezers behoeven dat niet te betreuren, zij danken er een proza aan vol van fijn genuanceerde geestelijke schakeringen. En waarom zou de grootste eerlijkheid van een zo tot zelfbespiegeling geneigd temperament niet de zuivere nuance zijn..'
 Een lovende recensie dus; Gijsen zal op zijn minst geglimlacht hebben. Hij was toen bijna zestig en had al in 1951 het boek geschreven dat zijn bekendste werk zou blijven: Klaaglied om Agnes. Mijn indruk is dat in de jaren zestig de jonge schrijvers hem snel voorbijgesneld zijn en hem ver achter zich hebben gelaten.

Dubois zal Hugo Claus in hetzelfde stuk besproken hebben, omdat hij nu eenmaal ook een Vlaming is en ook een verhalenbundel heeft geschreven. Van De zwarte keizer herinner ik me alleen het titelverhaal en ik vermoed dat ik de andere verhalen nooit gelezen heb.

In 1958 was Claus al geen onbekende schrijver meer. Hij de Oostakkerse gedichten al gepubliceerd, Een bruid in de morgen al en De metsiers, De hondsdagen en Een koele minaar. Allemaal boeken die ooit gelezen heb.

Dubois plaatst Claus tegenover Gijsen, al signaleert hij dat bij Claus de eerlijkheid ook door pudeur wordt geremd.
'De verhalen, die hij in de bundel "De Zwarte Keizer" heeft verzameld en die een periode van ongeveer tien jaar bestrijken, zijn in de gebruikelijke zin van het woord juist bijzonder openhartig. Hij schijnt geenszins geremd door bepaalde crue schilderingen en over de sexualiteit schrijft hij onomwonden. Maar men zou zich, dunkt mij, ernstig vergissen, wanneer men hem op grond daarvan een gebrek aan subtiliteit zou verwijten. De pudeur bij Claus zit elders: het is de schaamte over gevoelsuitstortingen, waarvan de openbaarmaking hem veel kwetsbaarder zou maken dan de man-en-paard noemende beschrijvingen in sommige van zijn verhalen.'
Gijsen duikt in zijn personages en probeert ze te duiden. Claus doet dat niet, hij blijft aan de buitenkant en beschrijft hoe ze zich gedragen. Dubois:
'Maar zijn subtiliteit is hier bepaald niet geringer dan bij Marnix Gijsen. Waar Gijsen zich in psychologische analyses verdiept en die uiterst nauwkeurig weet uit te drukken geeft Claus de weerspiegeling daarvan in de plastiek van zijn verhalen. Hij is in dat opzicht veel wezenlijker een dichter dan Gijsen, zonder ook maar enigszins te vervallen in lyrische pathetiek.' 
Dubois noemt Claus ook nog 'een verteller van een meesterlijke begaafdheid'. Hij vergelijkt hem nog een keertje met Gijsen:
'De verbeeldingskracht van het proza van Claus is op zijn beste ogenblikken buitengewoon sterk en bereikt dan een niveau dat aan Gijsen niet is voorbehouden. Maar ze komen zeldzamer voor, terwijl Gijsen zich vrijwel altijd gelijk blijft en ook waar zijn boeken niet gelijk in waarde zijn een proza schrijft van grote zuiverheid.'
Claus zou uitgroeien tot een gigant in zijn generatie, die zowel in zijn gedichten als zijn toneelstukken als zijn verhalen en romans de absolute top bereikte. Een jaar of tien geleden was hij eigenlijk de enige in het Nederlandse taalgebied die in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor literatuur. Hij heeft hem nooit gekregen, al gaat het verhaal dat de uitgeverij in een bepaald jaar er zo zeker van was dat de Grote Prijs toegekend zou worden aan Claus dat de kaartjes voor de receptie al gedrukt waren. Op dit moment lijkt me Nooteboom de Nederlandse hoop.

In ieder geval werd het talent van Claus aan het eind van de jaren vijftig onderkend door Dubois. Er wordt nog wel eens beweerd dat bij het begin van de de carrière van Mulisch, Hermans, Claus, Reve en Wolkers de gevestigde literatuur zeer geschokt was. Daar is bij Dubois niets van te merken.

Hugo Claus in 1958

maandag 20 februari 2012

Blinde wereld



Er zijn nogal wat schrijvers die geschreven hebben over hun religieuze opvoeding. Veel van die schrijvers hebben afscheid genomen van het geloof van hun jeugd en soms lijkt het alsof ze juist schrijven om afstand van dat geloof te nemen. Zo worden de boeken van die schrijvers althans door gelovigen gelezen.

Ik denk dat schrijvers gewoon over hun jeugd schrijven. In die jeugd kan het gedraaid hebben om ouders die een trauma overgehouden hebben aan de oorlog (Carl Friedman), een sterke moeder (R.J. Peskens), een moeder die ervandoor ging (Hans Münstermann), een relatie met een volwassene (Ted van Lieshout, Rudi van Dantzig) of over een onoverzichtelijk gezin (Manon Uphoff). Als godsdienst een bepalend element in die jeugd was, zal die dus automatisch in die boeken ter sprake komen.

Sommige schrijvers zetten zich duidelijk af tegen het geloof uit hun jeugd. Maarten ’t Hart laat in Een vlucht regenwulpen het geloof van zijn moeder zien, maar ook de hypocriete  ouderlingen, die door zoon Maarten het huis uit gebonjourd worden. ’t Hart heeft een ambivalente houding ten aanzien van het geloof gehouden. Hij laat zien dat het geloof maar onzin is, evenals de Bijbel (Wie God verlaat heeft niets te vrezen), maar hij kan ook met weemoed praten over de psalmen uit zijn jeugd.

Jan Siebelink liet in Knielen op een bed violen zien hoe een vader zich zo in het geloof kan verliezen, dat het gezin eronder lijdt, maar Siebelink geeft aan dat hij ook jaloers is op het geloof van zijn vader. Franca Treur (Dorsvloer vol confetti) levert vooral schetsen van een jeugd, waar de godsdienst nu eenmaal ook bij hoort. Ton van Reen (In het donkere zuiden) beschrijft zijn katholieke jeugd met sympathie. Rick de Gier (Ninevé) kijkt kritisch naar het evangelisch christendom, maar laat in zijn boek het geloof niet los. Bij Josien Laurier (Een hemels meisje) lijkt de dominante moeder minstens net zo bepalend als het evangelische geloof.

Paulo van Vliet beschrijft in Uitgesloten en Elite de Jehova’s Getuigen. Het eerste is nog wel een aardig boek, in het tweede komt zo’n beetje elke Getuige karikaturaal over. In ieder geval is duidelijk dat hij krachtig afstand wil nemen van het sektarische geloof van zijn jeugd. In dit geval zal dat ermee te maken hebben dat de vader van de ik-figuur overleden is, doordat het verboden was hem een bloedtransfusie toe te dienen.

Misschien heeft een krachtige stellingname tegen het geloof uit je jeugd vooral te maken met de manier waarop gelovigen zich gedragen. Bij Maarten ’t Hart lijken de ouderlingen een breekpunt, bij Franca Treur tref je vooral aardige gelovigen aan, ook al heeft de hoofdpersoon wel haar twijfels omtrent sommige geloofswaarheden.

Ellen Heijmerikx moet zich in haar debuut Blinde wereld wel met heel veel kracht afzetten tegen de Noorse broeders. In verschillende hoofdstukken begint ze met een vervloeking: in hoofdstuk 1 is dat ‘Vandaag vervloek ik de Noorse broeders’ en via vervloekingen als ‘Vandaag vervloek ik de bekeringssamenkomsten en de wederkomst van Jezus’, ‘Vandaag vervloek ik de heerlijkheid in het hiernamaals’, ‘Vandaag vervloek ik de Bijbel van kaft tot kaft’ en ‘Vandaag vervloek ik Gods toorn en straf. Vandaag vervloek ik al de woorden die in Zijn naam zijn gesproken’ komt ze bij ‘Vandaag vervloek ik mijn kindertijd en jeugd’ om te eindigen met ‘Hier ben ik, Kieke, en vandaag vervloek ik mezelf’.

Met dat geloof en hoe het gepraktiseerd wordt is ook wel van alles mis, tot kindermishandeling (‘tuchtiging’) en seksueel misbruik toe. Ook de manier waarop vrouwen onderdanig gehouden worden strijkt Kieke behoorlijk tegen de haren in. Heijmerikx laat zien hoe moeilijk het desondanks is om van zo’n geloof weg te komen. Het geloof heeft voor een groot deel je manier van denken bepaald en daar kun je eigenlijk niet van af. Aangrijpend laat ze het zien aan de hand van Kiekes vriendin Liv, wie het uiteindelijk niet lukt om afstand te nemen en die het geloof van de Noorse broeders weer lijkt te omarmen.

Het boek van Heijmerikx is geen egodocument, zoals de boeken van de hierbovengenoemde schrijvers dat ook niet zijn; het is een roman. Daarbij geldt allereerst de vraag of het boek goed geschreven is en dat is het. Franca Treur heeft ervoor gekozen voornamelijk scènes uit een jeugd te tekenen en niet een doorgecomponeerde roman te schrijven. Dat laatste doet Heijmerikx wel. Al in het eerste hoofdstuk wordt Else-Marthe genoemd, wier dood cruciaal is in de plot in het laatste hoofdstuk.

Tijdens het lezen van het boek kun je je niet onttrekken aan de benauwende wereld die Heijmerikx oproept. Dat doet ze door nauwkeurig waar te nemen en niet meer te vertellen dan nodig is. In hoofdstuk 10 bijvoorbeeld probeert de kleine Kieke op een onhandige manier de juf te bekeren: 
‘Ik ben in de gemeente, het enige ware geloof op aarde, en jullie zijn in de wereld. Jullie zijn allemaal ziek en blind.’
Ik leunde tegen het bureau van juf en sprak de woorden na van de leider van de kindersamenkomst. Als ik Gods woord aan haar verkondigde, wilde ze misschien wel een keer mee naar de samenkomst. Want niemand wilde toch ziek en blind zijn en deze juf leek best gewillig.
Juf keek op van haar schrift. ze legde haar pen neer en vouwde bedachtzaam haar handen, waardoor ze even op mam leek. Haar zondige armbandjes rinkelden.
Zo’n laatste zinnetje is precies goed, een detail dat de kern raakt. Goed waargenomen en goed geschreven. Dat kenmerkt het hele boek en Blinde wereld is gewoon een goede roman. Aanvankelijk had ik het idee dat de titel sloeg op de wereld buiten de gemeenschap van de Noorse broeders, maar toen ik het boek uit had, vermoedde ik dat de titel vooral duidde op het wereldje van de Noorse broeders zelf.

Indertijd (2009) is dit boek aan mijn aandacht ontsnapt. Heijmerikx’ tweede boek, Wij dansen niet heeft intussen uitgebreid aandacht gekregen. Binnenkort schaf ik het aan. Wel ben ik ook benieuwd naar boeken van Heijmerikx over een ander onderwerp. Ze kan schrijven en hoeft zich niet tot haar autobiografie te beperken, lijkt me. 

zondag 19 februari 2012

Dagoe, de kleine bosneger (Zwart en wit 7)


Toen ik nog op de lagere school zat, bekeek ik nieuwsgierig de atlas. Daar stonden natuurlijk de verschillende Nederlandse provincies in, maar ook Nederlands Indië en Suriname. In het noorden van Suriname waar wel elke dorpen en steden, zo te zien. Verder naar het zuiden stonden rode en zwarte stippen. Daar woonden indianen (rood) en bosnegers (zwart). Ik herinner me overigens niet dat we daar ook daadwerkelijk les over kregen.

Het leesboekje dat we klassikaal lazen was Jaap en Gerdientje, van Anne de Vries, waar ik zeer van genoten heb. Later las ik Anne de Vries Reis door de nacht, vier delen, een traditioneel oorlogsboek en ik vermoed dat bij herlezing zou blijken dat je aan de ene kant de goeden had, aan de andere kant de slechten en dan zijn er natuurlijk nog een paar die zich als goed voordoen, maar eigenlijk slecht zijn. 

Bartje, ook van Anne de Vries, heb ik nooit gelezen, maar de televisieserie heb ik wel gezien. Ook herinner ik me dat ik Ratje, een jongen van de straat las. Dat zal wel dezelfde geweest zijn dat ik Boefje van M.J. Brusse las. Nog dit jaar las ik Vader en Jaap, een aardig, braaf boek. 

En nu las ik Dagoe, de kleine bosneger (1954). Het leek me een zendingsboek over een een arme, heidense jongen die bekeerd wordt, maar dat viel mee. Dagoe (zijn naam betekent 'hond') wordt voornamelijk getekend in zijn dagelijkse leven. Hoe hij op voedsel uitgaat, met zijn vrienden speelt, naar school gaat. 

Dat is trouwens wel een christelijke school:
Het blijft doodstil, als de meester achter het kleine kofferorgel plaats neemt en uit dat hijgende, schorre wonderding het voorspel tovert van een kerkelijk lied. Ze herkennen het dadelijk: het is het lied van Masra Jezus, de zoon van Gran Gado, de Grote Geest, die hemel en aarde geschapen heeft. Die op aarde kwam om alle mensen, bosnegers en blanken, blij en gelukkig te maken en om hen voor te gaan door het oerwoud van dit leven, ten einde voor hen het bpad open te kappen, dat naar de hemel leidt.
Je ziet dat de bijbelse boodschap wel wordt getransponeerd naar de wereld die de kinderen kennen. Als de meester het verhaal van de barmhartige Samaritaan vertelt, gaat dat dan ook als volgt:
Jeruzalem en Jericho, dat waren twee bosnegerdorpen, ver van elkaar, met bijna geen hut daar tussen. en toen hij even aan land was gegaan om het keren van het tij af te wachten en zich een kampje had gebouwd en zijn hangmat had gespannen om een beetje te rusten, kwamen daar een paar kerels langs, zó slecht als in heel Bosland niet werden gevonden.
De Samaritaan, later in het verhaal, kennen de kinderen natuurlijk ook niet. De meester legt uit:
Wat is dat, een Samaritaan? Dat is iemand van een volk, dat zich met een ander ras heeft vermengd, zegt de meester. een stadsneger dus waarschijnlijk, misschien een houtkoper of een balatableeder. In ieder geval iemand van een soort dat helemaal geen familie is van de zwarte negers van het woud.
De meester vertelt mooie verhalen, maar erg prekerig blijkt hij niet en dat doet aangenaam aan. Dat verhaal van de Samaritaan is trouwens cruciaal in Dagoe. Dagoe redt een indianenbaby in een op drift geraakte boot. Daardoor dreigt hij uit de dorpsgemeenschap gestoten te worden. Maar Dagoe doet toch de dingen die hij meent te moeten doen. De meester zegt dan ook dat hij, als hij ooit gedoopt wordt, maar de naam Samaritaan moet krijgen. 


Er komen nauwelijks blanken voor in Dagoe, de kleine bosneger. Soms zien we er een paar uit de verte:
Kijk, daar staan er een paar aan de reling van het schip en wijzen naar de korjaal, waarin Dagoe en de anderen met open mond zitten te kijken. Dat moeten vrouwen zijn, want ze hebben lange haren van een gekke, geelachtige kleur - blond noemen ze dat... Griezelig wit zijn hun blote armen, alsof ze er pimbadotti, witte kleiaarde, op hebben gesmeerd. Als zijn moeder er zo lelijk uitzag, zou Dagoe niet met haar in één hut willen slapen. Wat een geluk, dat de Grote Geest hem en zijn hele fmilie zo mooi zwart heeft geboren doen worden...
 Dat is toch heel wat anders dan we aantroffen bij Betsy Buunk waar de 'bruine jongen' nog denkt dat zijn 'zusje' van die fijne blanke handjes heeft. 

Over het algemeen doet Anne de Vries niet denigrerend over de bosnegers en laat hij hen aardig in hun waarde. Maar soms kom je toch een typering tegen die je doet fronsen: 
Ze hebben geen van allen nog veel te eten gehad en Dagoe deelt aan allen uit, maar niet voor niets. Natuurlijk niet! Wie geeft er nu iets voor niets aan iemand die geen familie van je is? Geen rechtgeaarde bosneger zal dat doen!
Zo zijn bosnegers dus. En als Dagoe zich later wel min of meer opoffert voor het indianenkind, dan moet dat wel komen doordat hij intussen beïnvloed is door de christelijke ethiek:
Want nu weet hij, dat het niet de geest van Boikonie was, die de jongen tot deze daad heeft gebracht, maar de geest van Christus, de geest van barmhartigheid, die de heidenen niet kennen.
De aap komt toch nog uit de mouw: pas als mensen christen worden, kunnen ze deugen. Ze moeten hun natuur overwinnen, hun bijgeloof achter zich laten en toetreden tot de geloofsgemeenschap waarin mensen elkaar de andere wang toekeren als iemand hun op de ene slaat en waarin mensen hun medemensen liefhebben als zichzelf. De theorie is mooi.

Toch is de indruk die Dagoe, de kleine bosneger achterlaat, niet dat van een prekerig boek en ook niet van een boek over 'die arme zwartjes'. Wellicht dat dit boek van Anne de Vries daarin zelfs behoorlijk verschilt van andere boeken uit de jaren vijftig. Maar wat toen misschien vooruitstrevend was, blijkt nu gedateerd te zijn. 

Ilustraties Corrie van der Baan


zondag 5 februari 2012

Rekel



Anne Frank hield van het werk van Cissy van Marxveldt. In haar dagboek schrijft ze dat ze delen leest van de serie Joop ter Heul, Een zomerzotheid en De stormers. Dat laatste boek bevalt haar overigens minder: ‘Het is wel leuk, maar het haalt het lang niet bij Joop ter Heul’. Ze voegt eraan toe: ‘Overigens vind ik dat Cissy van Marxveldt knal schrijft. Ik zal haar boeken beslist ook aan mijn kinderen laten lezen.’

Er is ook wel gesuggereerd dat Cissy van Marxveldt een voorbeeld geweest zou zijn voor Anne Frank en dat ze haar dagboek ook in een dergelijke stijl wilde schrijven. Of Anne daar zelf over geschreven heeft, weet ik niet. Het is ook alweer decennia geleden dat ik Het Achterhuis heb gelezen.

Het leek mij leuk om iets van Van Marxveldt te lezen met Anne Frank in mijn achterhoofd. Ik koos daarvoor Rekel, een boek uit 1924, dat Anne gelezen zou kunnen hebben, al hebben we er geen enkele aanwijzing voor.

De rekel in dit boek is de freule Elisabeth (Betty) van Opvoort, een meisje zonder ouders dat bij haar oom Boudewijn woont, op het landhuis Boeckstate. Betty zegt daarover: ‘Het is een verrukkelijk huis vol onverwachte nissen, kronkeltrappen, waarvan ik als kind ettelijke keren afgeslagen ben, en twee torens, die je een wijd vergezicht bieden over de aanverwante bezittingen.’

Ze sluit vriendschap met de nieuwe bewoners van het huis ‘De Katuil’, daar in de buurt. De vrouw des huizes, Vera, wordt een goede vriendin, dier man, ‘de Koning’, figureert wat op de achtergrond en de deugnieten van zonen, Tok en Noek, stelen het hart van Oom Boudewijn. Ook komt er een nieuwe bewoner in het huis ‘De Binkel’, een knappe jongeman (officier, piloot), Jan Willem Luber.

Je snapt al wat er gebeurt: Betty wordt verliefd, al lijkt het aanvankelijk niets te worden. Ze wijkt zelfs uit naar Engeland als ze het idee heeft dat ze geen kans heeft. Maar als Jan Willem zwaar gewond wordt bij een vliegtuigongeluk, snelt Betty naar hem toe. Eind goed, al goed.

Het boek is in de ik-vorm geschreven. Of dat gebruikelijk is bij Cissy van Marxveldt, weet ik niet. Het is wel de vorm die Anne Frank later ook gebruikte, wat bij een dagboek nogal logisch is.

Betty is een vrolijke tiener. Het boek begint met een tirade van Oom Boudewijn tegen een personeelslid. Betty ligt nog in bed.
‘Ik grijnsde boven mijn dekens, want Oom Boudewijns getier was niet van geest ontbloot, al is het dan een hyper-onwelvoegelijke geest, die niet voor herhaling vatbaar is. Natuurlijk had Karel het badwater te heet laten worden, en tussen geproest en gesnuif door slingerde Oom Boudewijns stem zijn onomwonden weinig vleiende meningen naar Karels gladde, gepommadeerde hoofd.’


Betty hoort het geraas met een glimlach aan. Kennelijk heeft ze een opgeruimd karakter en ze kan haar omgeving met ironie bezien. Ik moest denken aan de schrijftrant van Henriëtte van Eyk, van wie ik indertijd De kleine parade las. Haar vlotte schrijftrant sprak me toen wel aan en ik las ook Gabriël en  De jacht op de spiegel. Of mijn associatie terecht is, zou ik moeten controleren. Van Eyk, die nog eens samen met Vestdijk een briefroman schreef, is zo ongeveer vergeten, geloof ik. Er moeten nog (gelezen en ongelezen) boeken van haar in mijn boekenkasten staan.

De ironie in de beschrijvingen treffen we bij Anne Frank ook wel aan en ook, zeker in het begin, een zekere opgeruimdheid. Rekel houdt lang een lichte toon en zelfs als Betty echt ongelukkig is, zijn er nog luchtige zinswendingen, die ze voor een deel gebruikt om haar werkelijke stemming te verbergen. Aan Vera begint ze een brief met:
‘Pas heb ik een brief aan Oom Boudewijn dichtgelikt, en nu slinger ik nog aan de jouwe. Ik was heel blij met je epistel, dat me weer even verplaatste in Dear Old Home. Alles met een hoofdletter. En jullie kiek staat nu voor me tegen een dictionnaire aangeleund.’

Dat dichtlikken, dat slingeren, het epistel, het grappig bedoelde Engels, met hoofdletters, die leunende kiek – allemaal ironie, luchtigheid. Het is de schwung waarmee Van Marxveldt schrijft en daarmee zal ze ongetwijfeld een glimlach op de gezichten van haar lezeressen gebracht hebben.

Die ironie heeft Anne Frank ook. Ze begint haar dagboek met ‘Vrijdag 12 juni was ik al om 6 uur wakker en dat is heel begrijpelijk, daar ik jarig was.’ Ze vertelt dat vroeg wakker was, doet een stapje terug, zodat ze iets meer afstand heeft en vertelt dat dat begrijpelijk is. Ironie heeft vaak dat effect: een beetje afstand nemen, zodat je meer als een toeschouwer dan als een deelnemen de gebeurtenissen kunt beschrijven.

Op 13 juli 1943 (ruim een jaar na het begin van het dagboek) schrijft Anne: 
‘Gistermiddag had ik met vaders verlof aan Dussel gevraagd of hij het alstublieft goed zou vinden (toch erg beleefd) dat ik twee keer in de week van het tafeltje in onze kamer ook ’s middags van vier uur tot half zes gebruik zou kunnen maken. […] De reden was dus redelijk en de vraag alleen zuivere beleefdheid. Wat denk je nu wel dat de hooggeleerde antwoordde: ‘Neen’.
 Het zinnetje tussen haakjes is wel duidelijk een manier van ironisch afstand nemen, maar natuurlijk ook dat ‘hooggeleerde Dussel’. Het lijkt me dat Anne Frank dat op een eenzelfde manier doet als Cissy van Marxveldt. Bij beiden zijn talloze andere voorbeelden te noemen. Daarin zijn het verwante schrijvers.

Van Marxveldt overleefde de oorlog overigens wel. Ze was al voor de oorlog gedeeltelijk verlamd, door een hersentumor, die een beroerte veroorzaakte. Daardoor had ze zich aan moeten leren linkshandig te schrijven. In de oorlog zat haar man in het verzet. Hij werd geëxecuteerd in de duinen van Overveen. De Wikipedia-auteur schrijft dat Van Marxveldt daarna haar inspiratie kwijt was, al publiceerde ze nog wel enkele boeken. Ze stierf in 1948, op achtenvijftigjarige leeftijd.

Toen ik in de jaren tachtig op een mavo in enkele zogenaamde ‘taakuren’ de schoolbibliotheek beheerde, stonden daar nog boeken van Cissy van Marxveldt in en die werden af en toe ook nog wel uitgeleend, geloof ik. In ieder geval waren ze er toen nog. Sterker nog: ze zijn er nog steeds. Een deeltje van Joop ter Heul en ’n Zomerzotheid zijn nog steeds leverbaar door uitgeverij Kok, zie ik zojuist. Ik weet dat een antiquariaat hier in de buurt nog een hele stapel Van Marxveldt heeft, herdrukken met een omslag en illustraties van Hans Borrebach. Misschien moet ik daar binnenkort nog eens langsgaan.





vrijdag 3 februari 2012

Likmevestje





Niet alles staat mij aan in Likmevestje van Elma van Haren. Een aantal gedichten komt niet veel verder dan wat woordspel en wat absurdisme. Best vrolijk allemaal, maar zulke gedichten hebben niet zoveel om het lijf.

Nou ja, de gedichten zijn voor kinderen bedoeld, denkt u misschien. Dat is zo, en misschien vinden kinderen juist die gedichten wel heel leuk. Maar ik houd meer van gedichten als het volgende:


Op

Onze vriendschap rolt niet meer zo soepel.
Het is net een oude fiets, die zielig
zwalkt met kreupel in zijn spaken.
Al plaagt mijn vader
‘op een oude fiets kun je het goed leren’;
ik lach niet om die grap, ik kan

de slag in het wiel niet keren.
Het knarst en zaagt, de roest
knaagt aan onze vriendschapsziel.
Ik wil ons fietsen staken.
We moeten echt eens praten,
maar wie zet de eerste stap?

Ik ontloop je. Ik neem niet op
als de telefoon thuis gaat of mijn mobiel.
Ik ben zo bang dat ik hardop zeggen zal,
dat ik je niet meer leuk vind. Ik voel het,
onze vriendschap is naar de haaien!
Het ergste is, dat ik, hoe hard ik ook trap,
er niet om heen kan draaien.

Ja, de vriendschap is voorbij!
Dat doet ontzettend zeer, ik zweer bij vriendschap.
Zonder jou ben ik niet gewend aan enkel mij.
Daarom neem ik de telefoon niet op
en rij een blokje om als ik je in de verte zie.
Ik droom van ons, fietsend meet wapperende haren.
Ik koester het idee dat je mijn vriend nog bent.

Dat brengt me tot bedaren.
Ook al zal ik je nooit meer spreken,
ook al geef ik taal noch teken,
jij blijft mijn vriend in mijn gedachten.

Pas over honderd jaar baggeren ze die oude fiets
als een druipend zwart skelet
uit de donkergroene grachten.

Dit gedicht blijft bij mij hangen, merk ik. Komt dat doordat het een goed gedicht is of heeft het inhoudelijk met mij te maken? Ik vermoed dat het komt doordat ik bij het lezen van dit gedicht moet denken aan het prachtige lied van Tom Waits, ‘Broken Bicycles’, dat ik leerde kennen in toen het (gecombineerd met ‘Junk’ van Paul Mc Cartney), werd gezongen door Anne Sofie von Otter met Elvis Costello.

In dat lied wordt de liefde vergeleken met kapotte fietsen:
Summer is gone, our love will remain
Like old broken bicycles, out in the rain
En het lied eindigt met
For the things that you've given me
Will always stay
They're broken
But I'll never throw them away
Ach, wat heb ik indertijd gezwijmeld bij dit lied. En nu roept Van Haren dat allemaal weer naar boven met haar kindergedicht. Alleen daarom al vond ik de bundel de moeite waard.



Met excuus voor de plaatjes die tijdens het filmpje vertoond worden en die, op de fietsen na, niets met de inhoud van het lied te maken hebben. 

zondag 22 januari 2012

Stijl

Gisteren, 21 januari dus, las ik in de Volkskrant een interview met Joke Hermsen. Eerlijk gezegd heb ik nooit wat van haar gelezen, al ben ik wel van plan (geweest) Stil de tijd eens te lezen. Interviews met Hermsen en recensies van haar boek heb ik wel gelezen. In een ver verleden interviewde ik haar toenmalige man Henk van der Waal en dat heeft misschien mijn interesse op gang gehouden.

Het interview in de Volkskrant begint met een citaat, waarvan ik het eerste stukje overneem:

'We moeten het klassieke huwelijk afschaffen!', riep Iris uit. 'We moeten echt iets anders verzinnen. Weet je hoeveel kinderen er jaarlijks in dit soort oorlogen terechtkomen? We moeten van die mythe af, die bijna niemand volhoudt en alleen maar voor ellende zorgt.'
'Ja, maar de vraag is: wat dan?', zei Det.

Die komma's vlak na het uitroepteken en het vraagteken vind ik lelijk, maar dat was niet mijn grootste ergernis. Ik ergerde me vooral aan 'riep Iris uit' en 'zei Det'. Ik snap dat een schrijver ervoor moet zorgen dat de lezer weet wie wat zegt. Bovendien ontbreekt hier de context, die mij duidelijk had kunnen maken dat Hermsen wel deze zinnen moest maken. Maar toch bekruipt mij het gevoel dat na 'riep Iris uit' en 'zei Det' we niet ver verwijderd zijn van 'mompelde Piet', 'repliceerde Marion', en 'schokschouderde Geert'. Dat zijn zinsneden die ik (al dan niet terecht) met oude meisjesboeken associeer of met het boek Kind van het water van Marianne Witvliet.

Is het geen onmacht, wanneer het de schrijver niet lukt om personages zo te laten praten dat ze meteen herkenbaar zijn voor de lezer? Is het niet eleganter om iemand iets te laten zeggen en daarna een beschrijvend zinnetje te geven waarin de spreker of spreekster voorkomt? Ik heb het niet gecontroleerd, maar ik vermoed dat Buwalda helemaal geen gebruik maakt van 'zei Joni'en 'riep Sigerius uit'.

Wil dat zeggen dat ik op grond van zo'n klein stukje Joke Hermsen afschrijf op basis van haar stijl? Natuurlijk niet. Wellicht is het citaat helemaal niet representatief voor het boek (Blindgangers). Verder denk ik dat Hermsen op de inhoud gefocust heeft en dat haar boek je prima aan het denken kan zetten. Maar het is het mooist natuurlijk als een boek met een rijke inhoud ook nog in een prachtige stijl is geschreven. Zo'n boek als Grip van Stephan Enter bijvoorbeeld. Of Bonita Avenue van Buwalda. Of Bittere bloemen van Jeroen Brouwers. Of... nou ja, noem maar op. Maar Hermsens boek waarschijnlijk niet.


Bonita Avenue




Over Peter Buwalda en zijn debuutroman Bonita Avenue is al veel geschreven, maar dat is geen reden om er hier over te zwijgen. Het heeft even geduurd, maar nu heb ook ik het boek verslonden.

Voor wie het nog niet weet: In Bonita Avenue kijken we per hoofdstuk mee door de ogen van een ander persoon, waarbij we switchen tussen Siem Sigerius, zijn stiefdochter Joni en dier vriend Aaron Bever. Sigerius is een succesvol man: hij is rector magnificus van de Tubantia University en hij zal in de loop van het boek nog tot meerder glorie geroepen worden.

Maar hij heeft niet alleen de wind mee. Tussen hem en zijn zoon Wilbert gaat het helemaal niet goed, en Joni en Aaron verbergen van alles voor hem, zo wordt hem langzaamaan duidelijk. Er blijken dingen te zijn waar hij geen grip op heeft.

Het boek springt soepel heen en weer in de tijd. Ook Aaron heeft perioden dat alles meezit en perioden dat het leven over hem heen walst, zodat je je afvraagt of hij nog ooit overeind kan krabbelen.

Joni lijkt het aardig te redden in het leven: ze vertrekt naar Amerika, wordt moeder en haar zaken lopen goed. Het lijkt of ze haar leven op orde heeft, maar aan het eind van het boek weet je wat ze allemaal meegemaakt heeft. Daar zal ze niet gelukkiger van geworden zijn. Vanwege de plot moet ik vaag blijven.

Buwalda is goed in het doseren van informatie: steeds geeft hij iets weg en houdt hij iets achter, zodat je door blijft lezen, omdat je nog meer informatie wilt hebben. Je merkt dat hij in dat doseren heel zorgvuldig is. Hij houdt zich daarbij aan de regel van Tsjechov dat het geweer waarmee iemand uiteindelijk doodgeschoten wordt al in het begin van het verhaal of het toneelstuk aan de wand moet hangen. Tijdens het lezen gaat je van tijd tot tijd een lichtje op: dáárom heeft de vrouw van Sigerius een werkplaats waar ze meubels maakt, dáárom ziet Joni dat er bij Wilbert op tafel een wapen ligt.

Zo’n doordachte opbouw is misschien al genoeg om van een boek een goed boek te maken, maar Buwalda biedt ons meer, namelijk zijn fonkelende stijl. Een paar voorbeelden:

De drankkast, aan de andere wand, staat open, op de plavuizen ervoor liggen twee versplinterde flessen in hun lichaamsvocht.
[…] moeten we haar geloven op haar appelstroopogen? 
Als altijd sprak Bobbi monotoon en droog, haar woorden ingezouten als kamelenvlees […]. 
Bij het horen van mijn naam schoten zijn ogen als ijhockeypucks heen en weer […]. 
Mijn mobiel hapte vertwijfeld naar bereik.

Personificaties, vergelijkingen, metaforen – bij Buwalda zijn ze altijd precies goed. Ze tillen de zin op, leggen een glans over de bladzijden. Ach, met hoeveel plezier lees je dit soort zinnen! En daarbij verliest het boek niets aan vaart. Knap, heel knap.

Een deel van het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de vuurwerkramp in Enschede; Aaron woont net buiten het gebied. Er ontploft een vuurwerkfabriek en er wordt een hele wijk verwoest. Langzaam aan wordt zo’n geruïneerde wijk het beeld dat je hebt van de levens in Bonita Avenu. Er staan nog wat muren overeind, maar je weet al dat het puin is, meer niet.

Er is best wat te zeuren over dit boek van Buwalda. Waarom stopt het bijvoorbeeld juist hier? Natuurlijk wil de schrijver de lezer graag met vragen laten zitten, maar er hangen nog wel losse eindjes waar hij misschien iets had gemoeten. Maar over dat soort dingen gaan we helemaal niet zeuren. In het boek is zoveel te genieten, dat iedereen het maar moet gaan lezen. Dat gebeurt gelukkig ook; het boek staat al meer dan een half jaar in de boekentop.

Hopelijk is er over een paar jaar weer een boek van Buwalda. Het kan me niet dik genoeg zijn. 

dinsdag 3 januari 2012

Klaagliedjes




Nu ben je dood
ik in de rouw
voor om door vanwege jou
en toch verlang ik nog
naar jou.


Als ik niet geweten had van wie bovenstaande strofe was, had ik er weinig aandacht aan geschonken, vrees ik. Nou ja, die middelste zin is natuurlijk wel opmerkelijk, maar de rest?

Het is de laatste strofe van het laatste gedicht uit de bundel Klaagliedjes van Judith Herzberg. Met haar 27 liefdesliedjes (veertig jaar geleden gepubliceerd) ging ze terug naar het bijbelboek Hooglied, nu naar het boek Klaagliederen. Nou ja, in de eerste twee gedichten dan.

In Klaagliederen gaat het over Jeruzalem, verbeeld als een weduwe. Herzberg doet het andersom: ze tekent een weduwe en roept het beeld op van een verwoeste stad. Na het begin van de bundel vinden we het Bijbelboek eigenlijk niet meer terug. Verder verwijst Herzberg naar het boek dat de weduwe van mediamagnaat Robert Maxwell schreef na diens dood.

Niet elk gedicht in Klaagliedjes is geslaagd, vind ik. Het dertiende luidt:

Mijn hart tolt door mijn lijf
mijn darmen zijn verstijfd
als ingeklonken klei.

Zo’n tollend hart doet mij eerlijk gezegd niet zo veel en de laatste twee regels roepen bij mij vooral het beeld op van iemand die constipatie heeft.

Klaagliedjes moet het ook niet van de afzonderlijke gedichten hebben, vermoed ik. De bundel als geheel blijft wel staan, omdat de rouw door de hele bundel heen loopt en je bijblijft als je het boekje dichtdoet.

Tot slot gedicht VI, waarin het huis wordt getekend waarin de geliefde niet meer is en niet meer kan zijn. Tegelijkertijd heb je het idee dat de weduwe zelf dat huis is, met kierende en klemmende deuren, met hout dat kreunt als een vastgebonden dier en dat dier is ze natuurlijk ook.

Een huis hoort te zingen
maar ons huis zwijgt.
De ramen hangen scheef
in de gerimpelde kozijnen,
zij zijn beslagen, één veeg
en je ziet weer even
wat zien had kunnen zijn.
De deuren klemmen,
kieren, de klink
is als gesmolten, of verijst
en als ik in- of uitga
klaagt, kreunt het hout
zoals een vastgebonden dier
dat nauwte niet meer uithoudt.

zaterdag 31 december 2011

Bob in China (Zwart en wit 6)




Wie het boek Bob in China geschreven heeft, is mij niet bekend. Op de titelpagina staat dat het een verhaal voor de jeugd is 'naar het Duitsch'. Het boek begint met 'Een woord vooraf', ondertekend door 'De schrijfster'. Verder niets: geen uitgever, geen plaatsnaam, geen jaar, geen naam van de illustrator. Het wereldwijde web helpt mij ook niet veel verder. Een antiquariaat biedt het boekje aan en vermeldt als jaartal 1890.

Dat laatste zou kunnen. Van de keizer ‘Kuangsu’ wordt verteld dat hij nog maar een knaap is; ‘hij zal ongeveer 14 of 18 jaren oud zijn'. Zijn naam wordt tegenwoordig als Guangxu gespeld; vroeger kwam men ook wel de schrijfwijze Kwang-siu tegen. Hij regeerde van 1875 tot 1908. Guangxu werd geboren in 1871 en was dus nog een kind toen hij op de troon kwam. Als we uitgaan van de geschatte leeftijd die we in het boek tegenkomen, moet het verhaal zich ergens tussen 1885 en 1889 afspelen.

De hoofdpersonen in het boek zijn Bob, de zoon van de Engelse consul ‘te Canton’ en zijn Chinese vriendje Hain. Het boek is duidelijk bedoeld om ons kennis te laten maken met China: er worden veel verhalen verteld waarin ons duidelijk wordt hoe men bijvoorbeeld in China omgaat met de doden, dat er in China een belasting op wandelstokken is en waarom men daar honden en ratten eet.

De schrijfster is er duidelijk niet op uit om Chinese gebruiken en opvattingen af te wijzen. Als Hain vertelt hoe Punku-Mong de wereld schiep, zegt Bob: 
‘die heet bij ons geheel anders, maar dat is een lang vertelsel’. Wel worden de beelden van goden consequent ‘afgodsbeelden’ genoemd.

Bob en Hain hebben wel geregeld ruzie. Bob zegt daarover: ‘Maar een Engelschman en een Chinees verschillen heel wat van karakter; al houden zij veel van elkaar, twitsten moeten zij toch, is niet zoo?’

Blijkbaar is het verschil tussen westerlingen en Chinezen erg groot. De schrijfster zegt dan ook in het woord vooraf: 
‘Al kunnen wij den Chinees op het eerste gezicht niet lief krijgen, toch moeten wij hem achten, en als mijn jonge vriendjes dit boekje met aandacht gelezen hebben, geloof ik, dat zij Hain, den zoon van Haincio even lief gekregen hebben als ik.'

Het verschil in uiterlijk tussen Bob en Hain komt verschillende keren terug:
 ‘Aardig om te zien is het, wanneer hij [= Hain] bij den blondlokkigen Bob is; hij kan de gele haren van den kleinen Engelschman maar niet genoeg bekijken. “En hij heeft niet eens een kaalkop.” Dat hij zich niet schaamt! Hoe kan iemand zonder kaal hoofd rondloopen, men moet toch geen huid en haar op het hoofd hebben, als een dier?’

Dat is gezien vanuit Hain, maar meestal worden Bob en Hain bezien met westerse ogen, waarbij de westerling altijd mooier is dan de Chinees: 
‘Wat een verschil tusschen de vriendjes! Bob met zijn schoone slanke gestalte, het blonde gekrulde haar en schitterende, groote, blauwe oogen, een huid zo frisch als morgenrood. Hain met het groote, breede voorhoofd, het dunne staartje, de scheeve, slimme, bruine oogen en de korte ineengedrongen gestalte. Hij steekt met zijn donkergele gelaatskleur vreemd af bij den kleinen Engelschman, maar dat geeft Bob en Hain niets, dat zij verschillen; toch blijven zij vriendjes.

Kortom: als is Hain lelijk, Bob houdt toch van hem. Een gedachte die terugkomt als Bob de oude vrouw Abeong bekijkt, die Hain verzorgt: 
‘Hoe schoon is toch mijn lieve moeder tegen deze oude rimpelige vrouw; maar goed zijn beiden en dat is de hoofdzaak.’

Niet alleen Bob heeft zijn oordelen en vooroordelen over de Chinezen, andersom geldt dat ook.  Als Bob Hain een boek laat zien over veldslagen van het Engelse volk, zegt Hain: 
‘Dat is niets nieuws voor mij, dat zijn onze veldslagen en gevechten; de Engelschman, die dat geschreven heeft, liegt. Gij kunt geen veldslagen winnen, gij zijt te laf; op zijn best kunt gij te water iets uitvoeren, als er niemand is, dan een vijandelijk bootje.’

Bob neemt dat natuurlijk niet: 
‘Onbeschaamde Chinees!’ roept hij uit en slaat den kleinen kaalkop met het boek om de ooren.’ […] Huilend klaagde Hain aan Abeong zijn nood. Deze was natuurlijk buiten zich zelven, omdat Bob haar lieveling geslagen had, maar zij troost[t]e en liefkoosde hem, totdat de kleine weer gelukkig uit zijn scheeve oogen keek.’

Wat uiterlijk betreft, zijn de westerlingen superieur aan de Chinezen, zoveel is wel duidelijk. Graag wil ik uitgaan van de goede bedoelingen van de schrijfster, maar op dit punt stelt ze haar eigen ras boven dat van Hain.

Natuurlijk is het boek wel in een heel andere tijd dan de onze geschreven. Weliswaar was hier de slavernij afgeschaft, maar in China bestaat die blijkbaar nog. Bobs ouders kopen een slavinnetje vrij.

In die tijd mogen Chinezen hun kinderen doden, als we Bob in China mogen geloven. Maar westerlingen gaan ook niet zachtzinnig met hun kinderen om. Als Bob hoort over een verbod op wandelstokken, zegt hij: 
‘Maar mama, verscheidene vaders hebben toch een wandelstok noodig, waarmede zouden zij anders hun ondeugende kinderen straffen?’

Het is gemakkelijk om Bob in China neer te zetten als een racistisch boek, vol vooroordelen over Chinezen en als het boek nu geschreven en gepubliceerd zou zijn, zou dat ook terecht zijn. Maar het zou mij niet verbazen als aan het eind van de negentiende eeuw dit boek juist enig begrip van en voor de Chinese cultuur overbracht.

Ouders hebben het wellicht als een leuk en leerzaam boek ervaren. Ze gaven het in ieder geval hun kind bij het sinterklaasfeest cadeau. Voor in het exemplaar dat ik bezit staat met potlood ‘6 dec. 98’ De naam van de eigenaar kan ik niet goed ontcijferen. ‘G.w. c. vandetaa’ lees ik, maar dat zal wel niet kloppen. Het jongetje dat het boek in zijn schoen vond , heeft misschien wel, zoals de schrijfster hoopte Hain lief gekregen. Volgens de schrijfster ging hij een grote toekomst tegemoet: 
‘Hij zal mettertijd een beroemd, aanzienlijk Mandarijn (= ambtenaar) van het hemelsch Rijk worden.’ 
Of daar nog een apart boekje aan gewijd is, is mij niet bekend.


Illustratie uit het boek