Posts tonen met het label Kreatief. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kreatief. Alle posts tonen

dinsdag 11 november 2025

Afgestoft: Met ogen vol vergetelheid (Stefaan van den Bremt)

Het wordt wel weer tijd voor poëzie, dacht ik zo. Ik vooral voor Kreatief en de Poëziekrant. Over die laatste recensies beschik ik niet meer. Ik heb ooit mijn oude nummers weggegeven aan iemand, me niet realiserend dat daarmee ook mijn recensies weg waren. Van de recensies in Kreatief heb ik er al heel wat gedeeld en daar ben ik nu zo ongeveer doorheen. 

Deze keer een stukje dat stond in  Kreatief, jaargang 23, nummer 5 (december 1989). Het is een recensie van Met ogen vol vergetelheid van Stefaan van den Bremt. Nooit eerder las ik iets van deze auteur en daarna heb ik ook nooit meer iets van  hem gelezen. 

In dit nummer stonden verder onder andere een artikel over 'de parafiele droomwereld' van Louis Paul Boon, een analyse van De zondvloed van Jeroen Brouwers en een recensie van Au pair van W.F. Hermans. 


Een gedreven handwerksman

Dichters kunnen op verschillende manieren in twee groepen verdeeld worden, zoals anekdotischen/hermetischen, zangers/praters, ik-gerichten/geëngageerden. Zo zijn er dichters die zich kunstenaar met een grote K voelen, voor wie het schrijven een hogere bezigheid is, en dichters die zichzelf als handwerksman beschouwen, laten we zeggen: aardse dichters. 

Bij die laatste groep zou ik Stefaan van den Bremt onder willen brengen. In zijn nieuwste dichtbundel, Met ogen vol vergetelheid, wordt niet voor niets een gedicht gewijd aan Pan, 'de mindere, de god / van weiden en bossen', een van de meest aardse goden. De laatste afdeling van zijn bundel noemde Van den Bremt 'Het lied der wijze bijen', bijen dus die niet als die van Hijhoff op zoek zijn naar hoger honing. 

Van zijn muze zegt de dichter: 'Ze lijkt soms geheel afwezig.' Maar dat is schijn. Want hoezeer Van den Bremt ook met beide voeten op de aarde staat en hoe weinig verheven hij ook over het dichterschap moge denken, hij is wel een gedreven dichter, die voor zichzelf als dichter hier in de wereld een taak ziet. 

Alleen waar vuur heerst, heilig vuur, ontwaakt
de ware schrijfaandrift. Dat vuur volmaakt
het handwerk van het schrijven, een gedreven
aaneenrijgen van letters die gaan leven
en naderhand het woord, de zin, los zand
tot glas versmolten, hard en transparant.
De gedrevenheid wordt veroorzaakt door de wereld om de dichter heen, de tijd waarin hij leeft. 'Dichter sta op: 't is ontijd!' roept hij zichzelf toe. Hij vergelijkt zijn tijd met een pijn, zijn eeuw met een wee. 'Van deze eeuw kan men alleen verlangen dat zij voorbij is.'
En zo geschiede, veelstemmig, eentonig, alledaags,
zonder een gouden eeuw, zonder geschenkverpakking,
zonder godendeemstering, adieu dada,
onze geschiedenis met niets dan grote bladzijden
vol kleine zeges zonder praal,
vol zware slagen onbeschreven. 
De gouden eeuw is onderhand wel voorbij, evenals de tijd van sprookjes. 'Zeven dwergen waren doende het sprookjesbos / te rooien.' We leven in een harde eeuw en daaraan moeten we herinnerd blijven worden. De 'voorbijganger, die toeziet / met ogen vol vergetelheid,' mag zijn blik niet afwenden, als hij 'de ge- / denkende, hinkende, overlevende, iets over- / leverende voetgangers van een geschiedenis' ziet. 

Bij Van den Bremt is behalve de wereld om hem heen, de wereld in hem, zijn de herinneringen uitgangspunt voor het schrijven. Al in de proloog maakt de dichter dat duidelijk: 'En u doet maar of u thuis bent als ik in / herinneringen rugwaarts waar het vers stopt.' De dichter bespeelt, zoals hij in een ander gedicht zegt, 'de doedelzak van het oud zeer.'


De afdeling 'Falset' die volgt op de proloog, gaat in haar geheel uit van het verleden, al kan niet altijd gesproken worden van herinneringen in strikte zin. De afdeling opent met enkele gedichten waarin de dichter terugkeert naar het stadje dat zijn zwangere moeder in de oorlog moest ontvluchten. Verder vinden we in deze afdeling o.a. in-memoriamgedichten voor de vader en een broer. 'Falset' is geheel in sonnetten geschreven en wijkt daardoor, evenals door het consequent gebruik van eindrijm, af van de andere afdelingen. 

Opmerkelijk is de toon die in deze gedichten doorklinkt. In de andere afdelingen horen we vaak de volle stem van de dichter, soms horen we hem zelf roepen ('Dichter, sta op: 't is ontijd! / Vlezige geest, gezondheid!'). In 'Falset' is de stem zachter. In het eerste gedicht lezen we de beschuldigingen van het stadje aan het adres van de dichter. Hoewel die beschuldigingen niet mis zijn, worden ze gefluisterd. De dichter zegt ze met gedempte stem na:
Het stadje fluistert dat ik naar de stad
vertrok, dat ik vertrap wat ik aanbad
en dat ik zevenmaal het hart doorboord
heb die mij onder 't hart gedragen heeft,
omdat de zonen wat een moeder geeft
verraden, vlees en bloed, een god, het woord. 
In het gedicht ter nagedachtenis van de broer wordt de stem zelfs schuchter, breekbaar. Een stem waar de ontroering doorheen dreigt te breken. 
Ik had je willen vragen hoe
het nu verder moet langs smalle
binnenweggetjes, de ogen toe,

en of je, zwervend door heelallen, 
niet duizelt, of je het niet moe
bent helemaal uiteen te vallen. 
Nog eenmaal komt dit stemgeluid terug, in de afdeling 'Schuim lezen', waar in hget gedicht 'Piëta' een moeder haar zoon beweent die kampbeul is geweest. 
Dat je geslagen hebt kan ik geloven, 
jongen, maar niet dat je hebt geschopt,
want je was mank. 
Het is niet makkelijk dit soort poëzie te schrijven: je valt al gauw in het ravijn van de sentimentaliteit. Het is de kunst zo dicht mogelijk langs de rand te lopen. Dat lukt Van den Bremt, vooral ook door de eenvoud van het woordgebruik. De kale stijl van bovenstaande citaten, het bedwingen van de taal, houdt ook de emoties in bedwang, al blijven ze heel dicht onder de huid. 

Niet altijd is Van den Bremt zo zuiver. Sommige gedichten, zoals de proloog, doen ongeconcentreerd aan. Een slappe aaneenrijging van zinnen, die bij elkaar worden gehouden door wat herhalingen en associaties. Ook vervalt Van den Bremt nogal eens in te gemakkelijke woordspelingen: 'De dagjesmens die uit de nachtbraker verrijst', 'Als 't toeten geblazen is,' 'hoe de draak te steken met het monster.'

Wat ik het meeste waardeer bij Van den Bremt is zijn betrokkenheid bij wat hij schrijft. In zijn goede gedichten is de dichter in hoge mate aanwezig. Dat erkent hij ook zelf. In de epiloog schrijft hij over zijn spiegelbeeld, zijn dubbelganger. Zo kunnen we ook zijn poëzie zien. 
Bij elke blik in de spiegel
verrijst mijn dubbelganger
en ik lijk dood. En rouwig
schouwt hij met andere ogen
die hij erkent als de mijne
en ik herleef. 

dinsdag 23 september 2025

Afgestoft: interview met Victor Vroomkoning

Eigenlijk dacht ik dat het interview met Victor Vroomkoning al lang te vinden was op Bunt Blogt, maar dat is niet zo. Daarom wordt het hoog tijd dat ik het afstof. Ik schreef het op 23 februari 1991. Dat staat tenminste onder het interview, dat gepubliceerd werd in Kreatief, jaargang 25 nummer 1, april 1991. 

Ik had toen nog maar weinig (of misschien wel geen) interviews gemaakt. Kreatief vroeg mij om het interview en ik ging het gesprek graag aan. Ik kende Victor, of Walter, al langer. Tien jaar daarvoor was hij mijn docent taalkunde op de Gelderse Leergangen, waar ik Nederlands MO-A deed en later MO-B, maar toen heette het al Interstudie. 

Het zou niet het laatste interview zijn. Ik herinner me nog een avond in Arnhem (samen met de dichters Rob Schouten en Theo van Os), waar ik moest invallen als interviewer omdat Wam de Moor verhinderd was, en een gesprek dat we hadden bij de lancering van een bundel van Vroomkoning. 

Er moest wel wat gestoft worden. In Kreatief sprak ik de dichter met 'u' aan, maar dat was de keuze van de redactie. In werkelijkheid hebben wij elkaar in het gesprek met 'je' aangesproken. Er zaten ook nog wat foutjes in de weergave van het gesprek en hopelijk zijn die er nu uit. 

In het nummer van Kreatief stond verder een interview, met Greta Seghers. Zou iemand haar werk nog lezen? En nog artikelen over Louis Paul Boon, Jeroen Brouwers, Frans Pointl en Patrick Modiano. Genoeg interessants. 



Niets blijft, alles herhaalt zich

Een gesprek met Victor Vroomkoning


Victor Vroomkoning wordt op 6 oktober 1938, als Walter van de Laar, geboren in Boxtel. Zijn moeder is een Antwerpse, zijn vader een Geldersman. Als hij tien jaar is, gaat hij naar een kostschool in Venray, bij de paters fransiscanen. Na twee jaar verwisselt hij deze school voor de hbs, het Sint-Joris College in Eindhoven, waarvan Gerard Knuvelder directeur is. Uit die tijd dateert zijn pseudoniem. 

Na zijn middelbare-schooltijd moet Vroomkoning in militaire dienst. Terwijl hij zijn dienstplicht vervult, begint hij de studie Nederlands MO-A aan de Tilburgse leergangen. Hij slaagt en krijgt een betrekking bij uitgeverij Contact, waar hij twee jaar blijft. 

Hij wordt leraar in Nijmegen op wat nu het Economisch College heet, doet Nederlands MO-B in Arnhem en gaat daarna naar de universiteit in Nijmegen, waar hij afstudeert op A. Alberts. Over deze schrijver zal hij later schrijven in het Kritisch literatuur lexicon. Van 1977 tot 1988 doceert hij taalkunde op de Gelderse leergangen, een instituut dat later omgedoopt wordt tot Interstudie. Intussen is hij getrouwd. 

In 1983 verschijnen kort na elkaar twee gedichtenbundels van zijn hand: het bibliofiel uitgegeven De einders tegemoet en De laatste dingen, waarin de eerste bundel integraal is opgenomen. Bij uitgeverij Agathon publiceert hij in 1987 Klein museum en in 1990 komt bij Manteau Echo van een echo uit. 

Heb je poëzie geschreven voordat je De laatste dingen schreef?
Ik had wel eens poëzie geschreven, maar dat vond ik van zo'n treurig niveau, dat ik er nooit iets mee heb gedaan. In 1981 ben ik gaan schrijven na de zoveelste aanvaring met een vrouw die me bijna in de vernieling heeft geholpen De verzen kwamen er zeer snel uit. Het is de genadeloze cyclus in De laatste dingen geworden over de vervreemding tussen een man en een vrouw. Ik had toen een nogal vijandig beeld van zo ongeveer alle vrouwen in Nederland, geloof ik, en ik heb die cyclus geschreven als een soort therapie. Tenminste, dat denk ik; ik kan het nog niet helemaal goed reconstrueren. 

Hoe waardeer je die gedichten?
Er zitten wel aardige dingen in, vind ik. Ik zou dat soort gedichten nog wel kunnen schrijven, maar dan beter van vorm. De tweede afdeling in de bundel, die jeugdherinneringen, die vind ik niet best meer. 

In Klein museum herschrijf je twee gedichten uit die tweede afdeling, waarbij je de zus vervangt door de moeder. 
Mijn zus paste niet in Klein museum, want die bundel gaat over mijn ouders. Ik had haar er natuurlijk in kwijt gekund, maar dan had ik veel meer gedichten over haar moeten opnemen en dat wilde ik niet. 

De tweede versie van de gedichten is veel strakker van vorm, zoals alle gedichten in Klein museum strakker zijn dan uit de eerste bundel. 
Het is ook een soort oefening geweest: ik heb lange gedichten teruggebracht tot korte. Ik wil eigenlijk zo kort mogelijk zijn. Ik let op de lengte van de versregels, meer dan op de vorm van het hele gedicht. Als het zo uitkomt, kan ik van een gedicht een sonnet maken, maar ik zit er helemaal niet mee. Onlangs heb ik in Dietsche Warande & Belfort een cyclus van veertienregelige gedichten gepubliceerd, een hommage aan Jacques Perk. Eindrijm zul je trouwens bij mij weinig aantreffen, maar assonantie zit er veel in. 

Je stijl is soberder geworden. 
Ik heb een hekel aan retoriek en pathetiek. Met woordspelingen moet ik oppassen. In Klein museum zitten er te veel, vind ik. Ik ben bang voor krullen, loze woorden. Ik ben strakker gaan schrijven, veel strakker. Ik durf eigenlijk bijna niks meer op papier te zetten. Als ik gelukkig zou zijn -wat ik dus niet ben- dan zou ik ophouden met dichten. Daar ben ik van overtuigd. Ik ken trouwens geen gelukkige dichters. Als je gelukkig bent, ga je toch niet zitten schrijven?

Onweer

Na uren broei de echo
van een echo, een adem-
tocht die langs je strijkt.
Als onweer komt een gedicht aan-
waaien. Je verhuist naar binnen, 
nestelt je voor het grote raam. 

Je pen ligt bij de hand
die straks het werk moet doen.
Lage zwaluwen ruimen het veld, 
de hemel staat op barsten.

Het weerlicht in je hoofd.
Zonder omhaal registreer je:
rukwind, inslag, hagel. Het vers
gaat bol staan van de bliksems.

Als het stil wordt blijk je 
klaargekomen. Onweer is over-
druk die razend tot ontlading 
komt zoals waanzin om
-ik noem maar wat- een vrouw
kalmeert in een gedicht. 
De eerste afdeling van Echo van een echo gaat over het schrijven. Dat is iets nieuws in je werk. 
Ja, dat is allemaal nieuw. Gedichten over het dichten pur sang zul je bij mij niet tegenkomen, dat vind ik te gemakkelijk. Ik heb ook de erotiek als een dichterlijke daad opgevat, of andersom. In 'Onweer' bijvoorbeeld, waar het schrijven van een gedicht met een orgasme vergeleken wordt. Er zitten ook verwijzingen naar masturbatie in. Nou ja, schrijven is natuurlijk ook een solitaire bezigheid. 

In gedichten als 'Sneeuw', 'Statie' en 'Onweer' suggereer je dat een gedicht eerder geboren dan gemaakt wordt. 
Ik heb altijd gedacht dat ik heel lang, drie, vier weken, over een gedicht moest doen en dat deed ik vroeger ook. Ik was er ook 's nachts mee doende. Dat  heb ik nu helemaal niet meer. Mijn beste gedichten komen nu in een uur tijd, maar dan moet ik er natuurlijk nog wel het een en ander aan doen. Meestal laat ik het maar liggen; het komt toch vanzelf. 

Hoe komt het gedicht? Met een beeld? Met een zin?
Het kan met een beeld, het kan met een zin. 'Overgang' begint met een zin uit de krant. In een advertentie voor een levensverzekering las ik: 'Zijn leven is niet meer hetzelfde sinds haar dood.' Dat vond ik een intrigerende zin en ik heb ervan gemaakt: 'Háár leven is niet meer hetzelfde sinds haar dood'. Hier gaat het natuurlijk niet om iemand die echt gestorven is. Ze ging dood in een droom. Bij 'Vuilniszakken' begon het met een beeld. Ik kwam een keer 's middags van school en toen stonden mijn vuilniszakken er nog. Toen dacht ik: 'Wanneer worden die dingen nou opgehaald? Het zullen je ouders zijn.' Zo ineens, pats! Toen had ik het meteen, ik schreef het zo op. Heel raar. 

Vuilniszakken

Zoals ze daar 's morgens
op de stoep tegen elkaar 
aan geleund warmte zoekend
in hun plastic jassen
staan te wachten, grijs, 
vormeloos, vol afgedankt 
leven, tegelijk broos 
en weerloos. Je zou ze 
weer naar binnen willen 
halen, je ouders 
wachtend op de bus. 

Komt een emotie op tijdens het schrijven of ga je schrijven omdat een emotie opkomt?
Het kan beide gebeuren. Als ik iets gezien he dat me hevig geëmotioneerd heeft, komt het gedicht misschien drie dagen daarna, misschien veel later en nooit op het moment zelf, want dan durf ik de pen niet te grijpen. Je mag een emotie best op laten komen, maar je moet ontzettend uitkijken dat die niet met je op de loop gaat. Je moet het afkoelen, bijvoorbeeld door er ironie aan toe te voegen. 

Hier heb je wat van die afgekoelde emoties in enkele recente, nog ongebundelde gedichten. 'Overzet' heb ik meegemaakt, drie dagen voor ik het schreef. De context was iets anders dan we in  het gedicht teruglezen. De sneeuwstorm was er in ieder geval in werkelijkheid ook, evenals de pont. In het gedicht krijgt de overtocht de allure van de oversteek van de Styx, de doodsrivier. 

Bij het gedicht 'Dood' was de tijd tussen beleving en schrijven twee weken. De dood van een familielid riep nogal wat emoties op. Intussen heb ik over de gebeurtenis verscheidene gedichten geschreven. 

Overzet

Wat is water anders als gesmolten 
sneeuw, denk ik wanneer we voor de 
Waal staan. De lege pont legt aan,
de veerman wil een daalder voor zo'n

honderd meter mist. DODEWAARD TRANSPORT
staat er op zijn pet, zijn hand is schraal
van wisselgeld, kraaien wieken rond
zijn kop als meeuwen in negatief. 

Aan de overkant allesbehalve perspectief.
De ruiten van de wagen sneeuwen langzaam
dicht, de wissers benen het niet bij. 

Het land verdwijnt, de beesten die nog
buiten zijn vergeesten. Slippend komen
we onszelf tegen, wij verstijven. 

Dood

Ik heb je net ontmoet, 
je zat nog op, je ogen
holle spoken in je
vleermuiskop, je wangen
krochten vol gereutel,
scheur je mond. Stinken
deed je, in je lege lijf
kon niets meer beven
toen ik je het bed in
tilde. Geen anderhalve
meter mat je meer, je
woog als gist, knoken pop,
kind van negentig, stuk
oud zeer. je moest de vrouw
verbeelden die me trik-
trak leerde. Waarom nam je 
haar toen niet toen ze volop
leefde, met haar lieve malse
handen, jou vervloekend,
door mijn haren streek?

In je gedichten hebben je emoties vaak betrekking op je ouders.
Ja, ik doe iets wat volgens mij uniek is: ik laat in mijn gedichten mijn ouders sterven, terwijl ze in werkelijkheid nog leven. In proza is zoiets niet zo bijzonder, in poëzie komt het verder niet voor. Mijn schoonvader is overleden in de tijd dat ik met Klein museum bezig was. De vader in die bundel is dus niet mijn vader, maar mijn schoonvader. Die kon ik echter niet met de compositie van mijn bundel verenigen. Ook ben ik bang dat ik geen woorden zal hebben als mijn vader werkelijk sterft, dat ik zo ontdaan zal zijn dat ik er niets mee kan en daarom doe ik het maar van tevoren. Je kunt ook zeggen dat ikzelf niet de 'ik' ben in de bundel. En dan wordt het de universele vader, ieders vader. Dat is eigenlijk de bedoeling. 

In gedichten als 'Vaderdag' en 'Spiegel' vindt er een identificatie met de vader plaats. Soms worden ook de rollen van vader en zoon verwisseld. 
Dat is de echo van een echo, zo zie ik het leven ook. Mijn zoon heeft veel meer weg van mijn vader dan ik. Hij zit ook op dezelfde manier als mijn vader. Hij is elf, er zit zeventig jaar tussen. Ik denk dat we elkaars ellende en elkaars mooie dingen doorgeven. Zo zie ik de echo. 

Niets blijft, alles herhaalt zich. 
Ja, alles herhaalt zich. Niets blijft, ik zou niet weten wat. Dat vind ik eigenlijk het treurige van alles, dat niets blijft. Je kunt zeggen: je geeft het leven door, maar wat schieten we er eigenlijk mee op?

Wat je doorgeeft, is ook jou weer doorgegeven.
Dat klopt. Ook de angsten, hè? In Klein museum schrijf ik: 'Hoe ik mijn zoon besmet / met angsten die mijn vader / in mij uit deed breken.' Maar ik beschouw ook de poëzie als zodanig. Die bundel heet niet voor niets Echo van een echo. Dat is natuurlijk ook zelf weer de echo van alle poëzie die ik doorgeef. Ook het literaire erfgoed is niet iets wat blijft, maar wat zich herhaalt. Wat de mens in zijn hoofd produceert en wat hij op papier zet, is ook de echo van een echo. 

Er bestaat geen oorspronkelijkheid.
Nee, het is alleen een compilatie of een herziening of een bijstelling of iets van dien aard. De Vijftigers bijvoorbeeld, die zouden er toch nooit geweest zijn zonder hun voorgangers? Of neem nou de bandopname van een donderslag. Als je die hoort, kun je niet eens zeggen of het onweer nog komt of dat het al geweest is. En zo bekijk ik de mensen ook. Het maakt niet uit of het iemand van tachtig is of iemand van elf, ze zeggen eigenlijk allemaal hetzelfde.

Wat heeft schrijven dan voor zin?
Wat heeft het voor zin om een stoel te maken? Je kunt erop zitten. Ach, ik denk dat ook dat weinig zin heeft. 

Maar je doet het wel.
Bij gebrek aan beter.

Maar je publiceert het ook.
Ja, dat is een kwestie van ijdelheid, denk ik. Hoewel ik toch zou schrijven als ik niet zou publiceren. Ach ja, het is ook leuk om die echo eens een keer op papier te hebben. 

De eerste

Dat het in Antwerpen gebeurt waar
moeder twaalf is geweest als
ze uit de oorlog naar de jongen vlucht
die zij mijn vader maakt in Holland.

's Morgens dwalend tussen de vrouwen
die Masereel uit hout sneed, 's middags
bladerend door een jonge dichteres,
vind ik haar 's avonds onder vrienden

onbevangen in mijn schoot, veulen van
een vrouw. Ik haal adem in haar manen.
Zij danst de halve nacht voor mij, laat

de vrouwen zien die ik begeerde, wekt 
het kind in mij dat met zijn moeder
wilde wat zijn vader met haar deed. 
In je laatste bundel komt enkele keren het slapen met de moeder terug.
'Overspel', waar mijn zoontje met zijn moeder in zee gaat, heette eerst ook 'Oedipus'. Dat gedicht beschouw ik ook als een afspiegeling van mijzelf met mijn moeder. Eerst stond er zoiets als dat hij nog ver achter mij ligt als minnaar, maar dat heb ik later afgezwakt. Het gedicht is te vergelijken met 'Ademtocht' uit Klein museum. Daar lig ik bij mijn moeder en dat is een oedipale gewaarwording, die ik terugvind in 'Overspel'. En ik geloof dat ook daarin weer die echo zit. de zoon wil de vader zijn, of is de vader al, zonder dat hij het weet. Hij is de man van de moeder, met wie hij wat wil. Daar geloof ik sterk in. Ik zie het ook aan mijn zoontje, dat hij altijd zo bezig is met mijn vrouw. De moeder is de eerste vrouw. De eerste. 

Je ouders en je gezin zijn kernen in je werk.
Ja, de critici nemen het mij kwalijk dat ik zo dicht bij huis blijf. Ik blijf in huis, ik ben een huiselijk dichter. 

Doet de kritiek je iets?
Niet meer. Ik ben een keer door Guus Middag aangevallen als iemand die te veel Eva Gerlach gelezen zou hebben. Daar heb ik hem een heel boze brief over teruggeschreven. Toe ik Klein museum schreef, had ik misschien ooit eens een keer iets van Eva Gerlach gelezen, meer niet. 

Lees je in recensies wel eens dingen die je nog niet wist?
Jazeker, Herman de Coninck heeft in zijn bespreking van Echo van een echo een paar dingen geschreven, waarvan ik denk: hee, dat is toch mooi, daar heb ik eigenlijk niet bij stilgestaan. Maar zo hoort het ook, denk ik. Als het een goed gedicht is, kan er van alles in zitten. 

Hereniging

Daar verschijnt zij op het gele pad
dat door de herfst is aangelegd.
Zoals toen, toen ik me in haar 
begroef en nooit zo leefde, nooit

zo 'dood, dood' stamelde omdat 
ik voelde dat ik haar alleen kon
houden als ik haar kon toevertrouwen
aan de bladeren waarin wij lagen.

Onveranderd jong lacht zij om
de grauwe man die ik geworden ben.
Hoe eerder je komt, zegt zij, hoe
minder we schelen. Stijf wankel ik
haar binnen, zij is warm gebleven. 

De gedichten die je geslaagd vindt, zijn dat dezelfde als die je dierbaar zijn?
Zo'n gedicht als 'Vuilniszakken' ontroert mij nog steeds. Daar ben ik persoonlijk bij betrokken. Dat gedicht doet me het meest, maar het gedicht dat ik het mooist vind, is 'Hereniging'. Het heeft iets Achterbergiaans, het is een beetje ongrijpbaar. Aan het eind staat nauwelijks wat er gebeurt. 'Stijf wankel ik / haar binnen, zij is warm gebleven.' Wat gebeurt daar nou? Ja, dat weet ik zelf ook niet. Het is een erotisch beeld. Misschien ga ik zelf dood. Of zij is helemaal niet dood, ze leeft nog, en mijn stijve leden probeer ik weer warm te krijgen voor haar. Voor mij is het totaal ongrijpbaar, maar ik vind het mooi. Soms zie je dingen pas achteraf. In 'Winter' vergelijk ik me, als ik me scheer, met een clown die zich afschminkt met de handen aan het mes. Pas later viel me op dat ik al eerder mijn vader een clown had genoemd. Dat zijn verbanden die je achteraf pas legt. Een clown is natuurlijk de melancholicus bij uitstek. Hij ziet er mooi uit, maar hij is absoluut een winterfiguur. Hij heeft ook dat masker, een sneeuwgezicht. En als hij zich afschminkt, is hij zichzelf helemaal. Zo voel ik mij ook. De dichter is de clown. Met de handen aan het mes. 

donderdag 14 augustus 2025

Afgestoft: Beeldenstorm (Michaël Zeeman)

Het wordt weer tijd om een oude recensie af te stoffen. Die van de dichtbundel Beeldenstorm (1991) van Michaël Zeeman. Ik vermoed dat ik de naam van Zeeman wel eens gehoord had. Hij was verbonden aan de Volkskrant en ik had toen ongetwijfeld wel eens een recensie of essay van hem gelezen. Later zou Zeeman presentator worden van het tv-programma Zeeman met boeken dat van 1996 tot 2002 te zien was. Ik heb daar indertijd verschillende afleveringen van bekeken. Er waren ook mensen die het een elitair programma vonden. 

Zeeman is niet oud geworden, vijftig jaar slechts. Hij overleed aan een hersentumor. Voor zover ik weet heb ik nooit iets anders van hem gelezen dan deze dichtbundel. Die werd in 1991 bekroond met de C. Buddingh'-prijs. Ik weet niet of dat al gebeurd was toen ik de recensie schreef. Soms zaten er maanden tussen schrijven en publicatie. Voor in de bundel schreef ik met potlood: '29/10/91, Kreatief', maar het is niet duidelijk of ik op die datum de bundel ontving of de recensie op de post deed. Als Zeeman de prijs al had, wist ik dat waarschijnlijk niet. Ik verwijs er in ieder geval niet naar. 

Onderstaande recensie verscheen in Kreatief, jaargang 26 nummer 1, april 1992. In hetzelfde nummer schreef Hans Renders over Céline en Koen Vermeiren over Walter van den Broeck. Er waren ook nog gedichten van Victor Vroomkoning en Mark Bruynseel te lezen en recensie van werk van Doeschka Meijsing, J. Bernlef (twee keer), Frits van Noord en Pol Hoste. Het nummer dat ik bezit, heeft lichte waterschade, maar ik weet niet hoe dat gebeurd is. 


Woon in mijn woorden

Vaak zegt het openingsgedicht van een bundel veel over de gedichten die nog volgen. Een dichter plaatst dat gedicht natuurlijk ook niet voor niets op zo'n in het oog lopende positie. Het is het gedicht dat ons kennis laat maken met de bundel en, als het een debuut betreft, met de dichter. De eerste bundel van Michaël Zeeman, Beeldenstorm, opent met 'Fossiel':
Te vinden wat er niet meer is:
een luchtbel in de steen. En 
dagenlang een weg gehakt in deze
rots, die al die tijd geduldig bleef
en zweeg in al die eeuwen dat
een doorn haar vlees weerhield.

Nu scheurt zij op haar best, 
maar schreit nog niet.

Men vindt er wereldoude lucht;
een lichaam heeft zich als een 
voetstap neergelegd, een litteken
van levensgrote wonden.

Van wat voorgoed verging rust nu
een stenen spiegelbeeld plomp als
een dode in mijn handen hier. Weg
slijp ik het gewicht totdat het
spoor in zand vervalt. Mij rest 
een weg te hakken naar het beeld. 
Een fossiel is een teken, een beeld, van wat er was en verbindt op die manier het heden met het verleden. Maar voor de dichter maakt het duidelijk dat iets er niet meer is. Alleen het beeld resteert. De voetstap, niet het lichaam. 
Dit gegeven komt in de rest van Beeldenstorm veelvuldig terug. Het tweede gedicht begint al met: 'Namen noemen: vermoeden van wie er ooit was.' Ook hier weer is de naam een beeld, een spoor, niet de persoon zelf. Maar uit het spoor laat de persoon zich misschien, met moeite reconstrueren:

In sneeuw of slijk vind ik de afdruk;
met veel geduld en alle kans op misverstand
bouw ik uit wat de voetzool achterliet
een theorie op over naam en aard. 

Het materiaal van de dichter is de taal. Maar niet alles kan in taal uitgedrukt worden, 'omdat er altijd minder taal dan toestand is.' De taal is gebrekkig, is zelf ook niet meer dan een beeld, een spoor van wat zij betekent. In 'Onafscheidelijk' kijkt de dichter met weemoed terug naar de tijd dat taal en betekenis samenvielen. 
Voor elk soort eenvoud is de tijd voorbij. 
Geen jaren meer waarin ik over vogels,
bomen, bloemen, kan spreken als zonne-
klare tekens van mijn band met hen, 
geen zorgen ken om waarheid
of om geldigheid.

Hartstocht klonk zonder een spoor van 
bedrog in mijn stem, zonder een rest
van bejag in mijn woord. Men zag
de marionetten van zijn taal. 

Als olie nu, kleverig en onafwasbaar,
een niet te stillen geur van oude woorden. 
Een geur van oude woorden. Ook woorden raken versleten. in een interview in Trouw zei Zeeman: 'Op je zestiende kun je nog tegen een meisje zeggen: ik houd van jou. Na je vijfentwintigste krijg je een dergelijke tekst niet meer uit je mond.' In 'Voorzichtig' formuleert hij het zo: 'Als ik je nu een brief schrijf kozen / mijn woorden zoveel eerder een gehoor, / schrijf ik een palimpsest van hartstocht, / die zich met argwaan moet verstaan.'

Uit veel gedichten spreekt een verlangen naar harmonie, naar veiligheid en dus een gevoel van disharmonie, onveiligheid. ('De reis gaat nooit meer ergens heen: / men wordt verjaagd van dag tot dag.'). Aan de ene kant is er de kloof tussen de dichter en het verleden, aan de andere kant de kloof tussen de dichter en zijn geliefde. Graag had hij haar met zijn woorden willen troosten ('Woon in mijn oude woorden, die je / troosten kunnen als een kinderrijm.'), maar we weten al dat de taal ontoereikend is: 'Het is geen huis dat ik voor jou / heb kunnen bouwen (...) // het staat er niet er waren enkel / letters, leestekens, een regel of / wat.' Enkele liefdesgedichten worden dan ook 'Drie zinloze liefdesgedichten' genoemd. Ze beginnen met de woorden 'Onvindbaar', 'Onbereikbaar' en 'Ongrijpbaar'.

Niet alleen van de geliefde is de dichter gescheiden, ook van de inwoners van zijn geboorteplaats ('Ons sjibbolet is mij reeds lang ontschoten'), de mensen in een kerk ('Zij raken mij niet aan') en mensen in de zijn nabijheid die in hun leven heel andere dingen belangrijk achten dan hij in het zijne: 'Die rond mij woonden bouwden ginds een straat, / een brug, leidden de abc-formule af jaar in, / jaar uit, of rekenden accijnzen door.'

Zeeman is een romanticus en dat laat hij merken ook. Soms doet hij dat in beheerste, ingehouden gedichten, zoals in de reeks 'Wad', maar soms ook maken zijn gedichten grote gebaren, worden ze langer, krijgen ze een hoger tempo, meer volume. Voor enige retoriek schrikt Zeeman dan niet terug. Hij mag graag woorden gebruiken die een beetje galmen en ik moet zeggen dat ik me daar niet aan gestoord heb. Ook onnauwkeurige formuleringen ('Het is er verwaarloosbaar stil') neem ik graag voor lief, als ik maar af en toe een regel mag lezen als de slotregel van deze terzine:

mijn machteloze tederheid versmaad tot sentiment
mijn ernst haar tijdverdrijf - dat ik haar liefhad
een vergeten knikker in het verregende zand. 

vrijdag 16 mei 2025

Afgestoft: Witte bloemen (Peter Verhelst)

Poëzie deze keer, een recensie uit 1991, gepubliceerd in nummer 2 (juni) van jaargang 25 van Kreatief. Het is een recensie van de bundel Witte bloemen van Peter Verhelst, die toen nog niet de bekendheid had die hij nu heeft. Het jaar daarvoor schreef ik over zijn debuut, OTTO.

In deze bundel gaat Verhelst de confrontatie aan met Charles Baudelaire, waarbij het kwaad en de schoonheid hand in hand gaan. 

In het nummer van Kreatief staan artikelen die nog steeds mijn interesse wekken, over Het lied van Heer Halewijn, over Johan Huizinga, gedichten van Nic van Bruggen en Stefaan van den Bremt. In een verhaal van August Thiry, dat ik indertijd ongetwijfeld overgeslagen heb, valt me nu het zinnetje 'Habemus papam' op. Het verhaal speelt zich af in een schoolomgeving. 

Over Stefaan van den Bremt heb ik ook ooit geschreven. Die recensie zal ik een keer opzoeken. Maar nu Verhelst!

Het overtypen van dit stukje over Witte bloemen is voor mij een goede aanleiding om de vroege poëzie van Peter Verhelst weer eens te lezen. Het begin van de recensie doet me trouwens wel met mijn hoofd schudden. 

In die tijd lette ik nog niet zo op de achterstelling van vrouwen in de literatuur en ik deed er driftig aan mee, merk ik. In de inleiding vraag ik mij af welke Vlaamse dichters men in Nederland zal kennen en ik noem alleen maar mannen! Geen Christine D'Haen, Miriam Van hee, Lut de Block of Patricia Lasoen. Het was een andere tijd, zullen we maar zeggen. Dat verklaart het misschien, maar verontschuldigt het overigens niet. 

Tweelingen aan één navelstreng

Vraag een Nederlander tien hedendaagse Vlaamse dichters te noemen. 'Claus', zal hij antwoorden, 'De Coninck, Van Vliet'. Daarna moet hij heel lang nadenken en dan noemt hij misschien Van Bastelaere, Ducal, Van Bruggen, Lanoye, Gruwez of Nolens. Ik durf te wedden dat hij niet zal noemen: Peter Verhelst. Eerlijk gezegd snap ik daar niets van. Verhelst schrijft kwalitatief goede poëzie, zijn thematiek is opmerkelijk, de structuur van zijn bundels is doordacht, hij heeft alles vóór. Maar recensies: ho maar! Vreemd hoor. 

Misschien moet Manteau voor hem eens wat meer reclame maken in Nederland. De poëzie van Verhelst verdient het ook daar gelezen te worden. Neem nu zijn nieuwe bundel Witte bloemen. 

In vijfendertig gedichten gaat Verhelst daarin de confrontatie aan met Charles Baudelaire. 'Twee heren, rug aan rug, de armen in / elkaar gehaakt, om de beurt vooroverbuigend.' Dat heeft zowel iets weg van een dans als van een machtsstrijd. 

In grote lijnen volgt de bundel het leven van Baudelaire. Voor wie daar niet zo goed van op de hoogte is, verschaft de flaptekst nadere uitleg. In het laatste gedicht blijkt dat de gedichten de flitsen zijn die Baudelaire vlak voor zijn dood ziet: 'Je leven schoot voorbij als een film / in je hoofd en wat je zag was slijk / en slijk en slijk.' De meeste gedichten zijn dan ook vanuit Baudelaire geschreven, al komt Verhelst er wel verscheidene keren tussendoor. Aan het slot van het laatste gedicht brengt hij Baudelaire om. Die zit op de elektrische stoel en Verhelst haalt de hendel over. Natuurlijk, de dichter wint het altijd van het personage, hij heeft macht over de taal waaruit het gekneed is. Niet voor niets wordt Baudelaire in het sonnet 'Hemelbed' een golem genoemd. 

Hemelbed (het mijne)

Gent. Een wijnglas stukslaan van verveling en
Leven in bed waar hij als een paarse bloem omhoogschiet
Langs mijn vingers. Ik kan hem doden maar ik giet
Hem in de vorm van een zoon in mijn schoot. Tweelingen 
Aan één navelstreng, die elkaar bijten, ik en mijn golem.
Hem het bloed van onder de nagels pesten tot hij krom
Van razernij naar mijn zweepje danst. Dat is waar het om
Gaat: God zijn en weten wat te doen met hem; 
Zijn vissebloed drinken tot hij ligt te happen naar lucht,
Die lege pop misbruiken, vuile ziektes tekenen op dat ruwe
Vel, de tong uit zijn mond zuigen als een vrucht, 
Hem laten eten van de haat op mijn vuist als een valk?
Nee, hij was altijd het zonnetje, laat hem gensters spuwen
en daarna met rozen en al zijn bed in van ongebluste kalk.

Tweelingen aan één navelstreng, die elkaar bijten - zo is de verhouding tussen de dichter en Baudelaire. De strijd is op niet minder dan de vernietiging gericht, het bewijzen van je absolute superioriteit: 'God zijn en weten wat te doen met hem.'

Tegelijk blijven het tweelingen, die door dezelfde navelstreng gevoed worden. Baudelaire koos in zijn leven partij voor het kwaad. Een titel als Les fleurs du mal is tekenend. Verhelst mag dan met witte bloemen Baudelaire ten grave dragen, hij heeft dezelfde fascinatie. 'Ik wachtte op haar tanden, haar gif / om in mij te bloesemen,' schrijft hij. Bloesemen en niet woekeren of zich een weg vreten. Verhelst kiest bij gif een woord dat een zekere schoonheid, misschien zelfs een teerheid suggereert: de schoonheid van het kwaad. De dichter kijkt meer met een esthetische dan met een ethische blik. Een gedicht over een vrouw die gegeseld wordt, eindigt dan ook met 'Uit elke wonde kroop een vrouw, / ze bloeiden op haar als agaven.' Mogen we zeggen dat uit zo'n zin bewondering spreekt?

Ook in Verhelsts vorige bundel treffen we zinnen aan als 'een wonde was juweel'. In die bundel is de agressie, het geweld, eigenlijk niet van de liefde te scheiden. Ook daar worden voor mijn gevoel uitersten verenigd. 

Wat in beide bundels opvalt, is de intensiteit, de gedrevenheid, de volledige inzet van de dichter. Hij schuwt het grote woord dan ook niet, houdt niet van relativeren, eufemismen, understatement. Voor de poëzie die Verhelst schrijft, is een hoge mate van echtheid vereist. Anders valt men door de mand, vervalt men in gebral. Die benodigde echtheid en oprechtheid bezit Verhelst. Over Baudelaire schrijft hij:

Kijk, die handen; hij schreef met zijn nagels
in inkt gedoopt. Hij groef zich het papier in
als in vlees, pikte in zijn eigen borst, daar. 
Dat geldt natuurlijk ook voor hemzelf, de tweelingbroer. Het blijkt uit zijn gedichten. 

Verhelst en Baudelaire behoren vanaf nu bij elkaar. Zonder Baudelaire zou Witte bloemen er nooit geweest zijn. Verhelst haalt de hendel over, maar de gedichten zijn geschreven en ze blijven, zoals Baudelaire in de gedichten blijft. Van hem komt Verhelst in deze bundel niet af. Maar nu Witte bloemen er is, zal Baudelaire ook nooit meer zijn wie hij was. Hij komt niet meer van deze gedichten af. Ooit schreef hij minachtend: 'On n'a jamais connu de race si baroque / Que ces Belges.' Hij kon toen nog niet weten dat dit monument voor hem opgericht zou worden. 

Eerder schreef ik over:

donderdag 24 april 2025

Afgestoft: De toekomstige dief (Eddy van Vliet)

Vandaag stof ik weer een recensie af uit Kreatief en wel uit jaargang 26 nummer 2, juni 1992. Ik besprak daarin De toekomstige dief van Eddy van Vliet (1942 - 2002). Ik hield zeer van de poëzie van Van Vliet. Ik denk dat Jaren na maart (1983) de eerste bundel was die ik van hem las en daarna ben ik al zijn vorige bundels gaan kopen, waaronder Het grote verdriet (1981) en Na de wetten van afscheid & herfst (1978). Tot mijn schrik zie ik dat die laatste bundel niet meer in mijn boekenkast staat en De binnenplaats (1987) ook niet. Waar heb ik die toch gelaten?

Blijkbaar was ik indertijd tevreden over de recensie, want ik heb het nummer van Kreatief laten lezen aan een dierbare collega, die ons veel te vroeg ontvallen is. Ze schreef achter op een absentenbriefje iets aardigs over mijn bespreking. Het is goed om haar handschrift weer te zien en ook om weer eens zo'n oud absentenbriefje in de hand te hebben. We moesten daarop noteren welke leerlingen bij de les ontbraken en dan het briefje buiten het lokaal op de deurpost hangen. De conciërge kwam elk uur de briefjes ophalen en werkte dan zijn administratie bij. 

Het is wel een recensie waarin ik vond dat ik een oordeel moest formuleren, dus ik heb ook wat aanmerkingen op een gedicht. Dat stukje had achterwege gelaten kunnen worden, net als de sneer naar Ton van Reen, aan wiens boeken ik eigenlijk wel goede herinneringen heb (maar misschien bedriegt mijn geheugen mij). 

Als ik nu het nummer van Kreatief doorbader, zie ik wel wat artikelen die ik zou willen lezen: Koen Vermeiren over de Idee Maurice Gilliams, Romain John van Maele over Louis Paul Boons kinder- en jeugdjaren, Ellen de Jong-de Wilde in gesprek met Connie Palmen. Jooris van Hulle recenseerde Zuidland, het debuut van P.F. Thomése. 

En ik zou natuurlijk vooral de poëzie van Eddy van Vliet nog eens moeten lezen. Mooie gedichten, die nog steeds ontroeren. 


Jagen op een geur

De nieuwe bundel van Eddy van Vliet heet De toekomstige dief. Hij ontleende de titel aan een verhaal van Remco Campert, waarin deze schrijft: 'Ik zal een fiets gaan kopen. En ergens in de stad loopt de toekomstige dief al rond.' Uit het citaat blijkt dat 'de toekomstige dief' duidt op een dreiging. Bij Campert is het zelfs de dreiging iets kwijt te raken wat je not niet eens bezit. Van Vliet heeft de dreiging nog eens onderstreept met een motto van Torgny Lindgren: 'Er is altijd iets dat ons bedreigt. Ja, zo is het.'

Wat ons ten slotte allen bedreigt is de dood. En wordt die in de Bijbel niet 'een dief in de nacht' genoemd? In de vierde en laatste afdeling komt de dood dan ook een paar keer nadrukkelijk naar voren. In 'Party' wordt een soort reünie getekend en 'als adressen op de laatste vakantiedag worden / de namen van doden uitgewisseld.' 'Een nachtje uit' gaat over kanker waaraan beminden lijden.

Het zal wel niet voor niets zijn, dat het middelste gedicht van deze afdeling gaat over de vader, die in het werk van Van Vliet steeds opduikt. Dit gedicht gaat niet over de dood maar wel over de weg ernaartoe, de weg van het verval. De zoon vraagt zijn vader zich uit te kleden, zodat hij kan zien wat de tijd heeft aangericht. Hij wil namelijk niet zo lang wachten tot hij het bij zichzelf kan constateren. Uit het gedicht proef je dat de zoon er een zekere angst voor heeft. De slotzin, waarin hij zijn vader aanspoort om samen met hem berustend te schateren, moeten we dan ook als een wens zien om te kunnen berusten in het verval. 

Er is ook een gedicht dat de titel 'Dood' draagt en ook dat staat in de vierde afdeling. De dichter heet daarin de dood welkom. Hij heeft geen angst voor of afkeer van de dood. Die mag binnenkomen, maar dan graag zonder 'kwalen / waarvan niemand de namen durft te noemen.' Dus ook nu weer het verval dat de ik-figuur verre van zich wil houden. 

In de eerste afdeling is er van dreiging nog geen sprake. De verbeelding staat centraal in dit deel, waarin de dichter vaak terugkeert naar de kindertijd. Dan stelt hij zich bijvoorbeeld voor dat hij 'de sheriff van Zoersel' is en op een moordenaar jaagt. In zo'n gedicht weet Van Vliet de kinderwereld goed op te roepen. We zien voor ons hoe een jongetje tuurt naar sporen en conclusies trekt uit wat as en platgetrapt gras. Hoe hij met melk een brief schrijft, opdat zijn weduwe die later boven een kaarsvlam zal kunnen ontcijferen. Het heeft iets vertederends, waarschijnlijk doordat de lezer onwillekeurig aan zijn eigen jeugd moet denken. Zo'n gedicht is aardig om te lezen, leuk, grappig en er zijn meer kwalificaties die je eraan kunt geven, maar ik vind het geen goed gedicht. Daarvoor is het realisme me te plat, te eenduidig. 


Dat bezwaar heb ik tegen veel gedichten uit de eerste afdeling. Ze doen me denken aan het proza van Ton van Reen, die in boeken als Roomse meisjes zoveel mogelijk scènes uit zijn jeugd lijkt op te roepen. Alweer: aardig om te lezen, maar als lezer vraag ik me wel steeds af: waarom juist déze gebeurtenis en niet een andere? Ik heb het idee dat Van Vliets bundels vol van deze gedichten kan schrijven, maar voor mij hoeft dat niet. Van deze gedichten heb ik er genoeg gelezen, ook bij deze dichter. Daaruit bleek wel dat hij de techniek en het talent bezit om zo'n voorbije wereld te tekenen, maar ik zie graag dat er iets gebeurt in een gedicht, dat het meer is dan beschrijving. 

Een van de sterke kanten van het dichterschap van Eddy van Vliet is zijn gebruik van beelden. Een voorbeeld:

Twee regenjassen die naast elkaar bleven hangen
nadat de school haar deuren gesloten had
voor de grote vakantie: zo ongeveer
vertaalden wij zwijgzaam ons verlangen.

Het beeld is veelomvattend. Het suggereert isolement, dat weliswaar gedeeld isolement is, leegte, achtergelaten zijn, maar ook: samenzijn terwijl er om je heen niets meer bestaat, alle tijd voor elkaar hebben. Het is knap dat je met één beeld zo'n complex van gevoelens en associaties op kunt roepen. 

Ik citeerde het beeld uit een gedicht uit de tweede afdeling. In die afdeling wordt onder andere een beeld gegeven van een relatie. De dreiging waarover ik eerder sprak, is in deze gedichten meestal niet zichtbaar, maar het laatste gedicht eindigt met 'de toekomst duurde nog drieëntwintig dagen.' Achteraf weet de dichter dat toen alles al bijna voorbij was. 

In de derde afdeling is de dreiging realiteit geworden: de geliefde is weg. Ter illustratie:

Jagen op een geur

Onvermogen. De geur achterna van  hertenhuid
die 's morgens door de bossen werd gesleept. 
Hij heeft zich aan het gras en de struiken
gehecht. Het wild is vergeten.

Het oogcontact met het dier waarnaar
wordt verlangd. Het horen van het brekend bot.
Het bloed dat zich onder de nagels zet. 
Het wijken van de warmte onder de wellustige hand. 

Het werd vervangen door het jagen 
op het onzichtbare. Te veel van 
dit vergeten spel werd mij eigen. 

In de aantekeningen aan het eind van de bundel schrijft Van Vliet dat hij dit 'vergeten spel' aantrof in het dagboek van de gebroeders Goncourt. Er werd een dierenhuid door het bos gesleept en het geurspoor dat achterbleef, moest gevolgd worden door honden met een scherp ontwikkeld reukvermogen. Ze joegen dus eigenlijk op een dier dat er helemaal niet was. 

Ook dit is een beeld van de dichter, zoals hij in de laatste regels zelf zegt. Hij heeft het idee dat ook hij het spoor volgt van iemand die er niet meer is en die hij dus tevergeefs najaagt. Hij weet dat het zinloos is en toch blijft hij jagen. Zijn geheugen is daarbij bijna een handicap, zoals uit een ander gedicht blijkt. Als de dichter zijn lakens ziet, vult het geheugen het parfum an Yves Saint-Laurent toe, waardoor nog duidelijker wordt wat nu ontbreekt. 

In 'Blind' vergelijkt de dichter zich met iemand die blind geworden is en moet teren op de beelden die hij ooit zag. Ook de dichter leeft met wat hij en zijn geliefde samen deden en hij heeft geen oog voor het heden. Met weemoed denkt hij terug aan de tijd dat alles toekomst was en dat er garen was 'dat droomde dat weefgetouw bestond'. Wat is er mooier voor garen dan verweven te worden en deel uit te maken van een groter geheel? Vooral als je moet constateren dat je een loshangend draadje gebleven bent. 

vrijdag 21 maart 2025

Afgestoft: Uiterwaarden (Marijke van Hooff)

Deze week heb je nog geen poëzie gehad en daarom een bespreking uit Kreatief, jaargang 24 nummer vier (oktober 1990). Daaruit heb ik al een keer de recensie gehaald, van Beginselen van archeologie van Frans Deschoemaker. Die vind je hier. In dat stukje heb ik verteld wat er nog meer in het nummer van Kreatief te vinden was. 

Deze keer de recensie van Uiterwaarden van Marijke van Hooff. Blijkbaar had ik geen kopje boven het stukje gezet en de redacteur wist er niet meer van te maken dan 'Bij de bundel Uiterwaarden van Marijke van Hooff'. Of zou ik dat toch zelf geweest zijn? Ik kan het niet meer nagaan. 

Tijdens het overtypen van de recensie, leken de gedichten me nog best te kunnen. Maar mijn oordeel aan het eind is nogal zuinig. Ik schrijf zelfs 'Hoewel ik veel tekortkomingen kan signaleren'. Waarom heb ik die dan niet genoemd? Ik heb de bundel er maar bij gepakt. Ik ben een streper, dus ik zal best wat aangetekend hebben. 

Bij enkele gedichten staat een minnetje, bij veel gedichten '±', wat ik maar vertaal met 'zo zo'. Achter de titel 'Vrijplaats' heb ik 'flauw' geschreven. Het gaat hier namelijk ook om een plaats om te vrijen. Het gedicht 'Groei' begint met 'Hoe hevig ik heb liefgehad, / vertel ik aan de bomen'. Ik schreef er 'Andreus' achter en nog steeds doen deze regels mij denken aan het gedicht 'Voor een dag van morgen'.

In ieder geval waren in mijn herinnering de gedichten beter dan ik ze indertijd vond. Misschien komt dat doordat ik juist de betere gedichten onthouden heb. Hoe dan ook, elke dichter heeft het recht om beoordeeld te worden op zijn of haar beste werk. 

Uiterwaarden is de enige bundel van Van Hooff in mijn kast. Waarom heb ik eigenlijk nooit meer iets van haar gelezen? 


Bij de bundel Uiterwaarden van Marijke van Hooff

Waarschijnlijk is er geen onderwerp waarover zo veel gedichten geschreven zijn als over de liefde. Een poëziebundel die nagenoeg alleen gedichten over liefde bevat, is geen zeldzaamheid. Zo'n bundel is Uiterwaarden van Marijke van Hooff. 

Uiterwaarden telt zesendertig gedichten, verdeeld over drie even grote afdelingen: 'Peiling', 'Spiegeling' en 'Stroming'. De titels van alle drie de afdelingen verwijzen naar water. 

Water, zee, scheepvaart zijn elementen die vooral terugkomen in de gedichten in de afdeling 'Peiling', waarin de balans van een relatie wordt opgemaakt. De laatste regel in deze afdeling luidt: 'Het komt niet meer terecht', een conclusie die de ik-figuur al in het eerste gedicht voorspelde:

ik (...)
zet grootscheeps een zoekactie
op touw, aan het eind waarvan
ik vinden zal wat ik niet zocht:

dat wij uiterwaarden zijn, 
voor altijd overkant,
onafscheidelijk gescheiden
kunnen wij bij elkaar 

niet meer aan land. 
Soms wil de ik-figuur de verwijdering niet onder ogen zien ('Negeer de barst die verder gaat'), maar uiteindelijk stuurt ze zelf op een breuk aan: 'Ik speel // het spel niet langer mee. Ik groei / niet in een vaas. Ik moet eruit, / breek liever dan ik buig.'

Al is de breuk gewild, het verlies is niet gemakkelijk te dragen. 'Men zegt / tijd heelt en alles went, maar niet hoe / langzaam. Waarom gaat wat er was / zo onbekwaam verloren?'

In de afdeling 'Spiegeling' bezint de ik-figuur zich op haar situatie. Soms denkt ze terug aan vroeger ('er is veel dat nog wil zijn gekoesterd'), maar vaker beziet ze de situatie waarin ze nu verkeert en die is niet erg hoopgevend: 'Ik blijf alleen met onvoltooid / verlangen en moet het overgeven / aan de armen van de nacht.' En:

geen stem nu zacht genoeg om steen
te breken, geen hand om mijn cementen
huid te strelen. Ik ben een burcht
vol kleine angsten, waarin hoop
gehurkt wacht op een tedere sloper. 
De afdeling eindigt met: 'Ik (...) / kijk naar het woord // liefde // dat daar zo vreemd, zo eenzaam / en oud in het gras ligt, alsof / het moe werd van betekenis.'

De derde afdeling, 'Stroming', staat in het teken van een nieuwe liefde. het is opmerkelijk dat de uiterwaarden, die in de eerste afdeling nog het symbool van gescheidenheid waren, nu ook een nieuwe gevoelswaarde krijgen:

Binnendijks

Ga met me mee achter de dijken, 
naar het land dat uiterwaarden heet,
bedoeld om wat soms onverwacht
buiten zijn oevers treedt, te laten

gaan naar waar het uit wil wijken. 
Ga mee, leg hoofd en hart buiten
de kom van een te smal geweten. 
Stroom over van te lang bewaard

verlangen. Ga mee, dit is het land
dat zal ontvangen en vergeten. 

De nieuwe liefde betekent ook een herleven van vroegere gevoelens: 'Ik heb vannacht opnieuw ontdekt / hoe ik mijn lichaam leggen kan / zoals het lag in oude dromen.' Toch wil de ik-figuur zoveel mogelijk in het heden staan: 'Spreek niet van verleden, // leg op de toekomst geen beslag.' Een heel nieuw begin dus. De laatste woorden van de bundel zijn dan ook: 'opnieuw beginnen'. 

De poëzie van Marijke van Hooff is heel doorzichtig. Vaak geven de gedichten zich al bij eerste lezing prijs. Dat maakt het lezen vaak aangenaam, vooral wanneer de aandacht van de lezer gevangen wordt door frisse beeldspraak of originele gedachten. 

In de middelste afdeling is de beeldspraak vaak ontleend aan de seizoenen. Het ligt voor de hand dat in deze afdeling voornamelijk de herfst en de winter aan bod komen en zinnen als 'Vandaag schuift / de herfst te vroeg voor mijn raam' doen dan ook niet zo verrassend aan. Wel is de beeldspraak in deze afdeling vrij consequent en dat is dan weer een pluspunt. 

Hoewel ik veel tekortkomingen kan signaleren, heeft Uiterwaarden iets sympathieks. Dat heeft, denk ik, meer te maken met de lijn van emoties, die door de hele bundel te volgen is, dan met de kracht van de afzonderlijke gedichten. 

donderdag 6 maart 2025

Afgestoft: Beginselen van archeologie (Frans Deschoemaker)

Poëzie besprak ik vooral in Kreatief en Poëziekrant en soms in 't Kofschip. De exemplaren van de Poëziekrant heb ik niet meer. Die zal ik bij de laatste verhuizing wel weggegeven hebben. 

Deze keer plaats ik hier een recensie van een bundel uit 1990 van Frans Deschoemaeker, Beginselen van archeologie. Het was de vierde bundel van Deschoemaeker, uitgekomen bij de vierde uitgeverij. Het zou dertien jaar duren voor er weer een bundel verscheen, bij Poëziecentrum, waar nog weer acht jaar later de zesde bundel gepubliceerd werd. Als ik lieg, is me dat ingeblazen door Wikipedia. 

De recensie stond in de vierentwintigste jaargang van Kreatief, nummer 4, van oktober 1990. In datzelfde nummer besprak ik ook Uiterwaarden van Marijke van Hooff. Als ik mijn stukje nu teruglees, erger ik me aan die nadrukkelijk afrondende laatste zin. Ik heb wel vaker de neiging om aan het eind nog iets afrondends te schrijven en meestal is dat gemakzucht, vrees ik. Zo kun je makkelijk een eind aan je recensie breien. 

Verder vind ik het vooral leuk om de poëzie van Deschoemaeker weer eens te lezen en om die, door het plaatsen van de recensie, weer eens onder de aandacht te brengen. 

Voor op het nummer van Kreatief staat vermeld wat je in het blad kunt verwachten: 'Umberto Eco en de universele paranoia' en 'Nieuw Vlaams proza'. 

Er zijn vijf verhalen opgenomen, van schrijvers die mij niet veel meer zeggen. De bekendste is Bart Plouvier, denk ik. Maar mogelijk ken jij Bert Vanheste, José Planckaert, Leander Hanssen of Daniël Van Hecke wel. 

Het stuk over Umberto Eco is geschreven door Koen Vermeiren, die in dit nummer met nog drie stukken present is: over Pol Hoste, Alstein en Willem Brakman. Ik las ooit van hem de roman De vrolijke eenzaamheid maar ik weet niet meer wat ik ervan vond. Mogelijk heb ik erover geschreven. Dan kom ik dat nog wel tegen. 

Verder zijn er twee bijdragen van Erik Vermeulen, over J.K. Huysmans en over Susanne Lilar. Dat is lang niet alles wat in Kreatief staat, maar ik laat het hier even bij. 


Wat niet is, maar blijk geeft van aanwezigheid

Beginselen van archeologie noemde Frans Deschoemaeker zijn poëziebundel en niet voor niets: de hele bundel draait om overblijfselen uit het verleden en om wat verdwenen is. 

Met de kracht van geheugen en verbeelding kan het verleden soms teruggeroepen worden. 'Nog bijna achterhaalbaar; van de kaart / geveegde spijbelpaden, oude karresporen / krimpend in de klei van het geheugen', lezen we in 'Bavikhoeve' en in 'Jaagpad': 'De iepen zijn gerooid, de rietkraag rust / onder beton. En toch dringt zich de geur op // van die oude zomer.'

Maar het verleden kan natuurlijk nooit volledig gereconstrueerd worden. 'Wij raken altijd het spoor bijster. / Verleden rolt zich op in de vergrijzing / van een kei, een braakland, een timpaan // te Vézelay.' Juist de blinde vlekken, het verdwenene, het onachterhaalbare, interesseren Deschoemaeker. Een van de kerngedichten lijkt me dan ook 'Resonantie'

Wat niet is. Wat een witte wig
drijft in archief en plattegrond.
Wat dode hoek is en geheugenwak. 

Wat vertwijfeld ruimte zoekt
voor resonantie. Landinwaarts. 
In alikruik, ganglion, hersenfjord. 

Soms, de oorschelp tegen het behang, 
beluistert hij bij nacht het suizen
in de buizen van een verre metropool. 

Wat niet is, maar doordringend blijk
geeft van aanwezigheid, ritselt onder
taalpartikels, beeft in de papierkorrel. 

In de laatste strofe van dit gedicht komt de taal ter sprake. Ook in de taal moet gegraven worden naar oorspronkelijke bedoelingen, oorspronkelijke betekenissen: 'In de moerasgewassen van de etymologie / hakten wij met moeite een gedachtengang' en 'Aan de dagzoom van de taal / wrikt hij betekenisgehelen los.'

Maar de taal is ook een middel om aan het voorbijgaan van de tijd te ontsnappen. 'Soms is tijd een zomerdag die eirond, / als een dooier, wegzinkt. In tijde- / loosheid van een ansicht, geen gedicht.' Hoe sterk de dichter zelf in die ontsnapping gelooft, is nog maar de vraag. In ieder geval eindigt het laatste gedicht uit de bundel met: 'Herfst wist ons allen uit'.

De gedichten in Beginselen van archeologie zijn soms filosofisch, algemeen (zoals het geciteerde 'Resonantie'), soms anekdotisch. Maar bij de anekdotische gaat het nooit om het verhaal op zich, ze zijn concretiseringen van de filosofische thematiek. Een voorbeeld hiervan is 'Zomerkamp'. 

Dit bos. De zomers bijgezet. Opgerold
in de spiraal der jaren onder elke bast.
Ooit sloot zich dit bos hermetisch

om dijspierweefsels: daar lag zij,
ingebed in bereklauw en wilde akelei.
Dauw glom in de dalkom. Een balkje zon

vlekte op huid en blond struweel
waarin de roofmier vastliep. Glycogene 
schemerzone, oorverdovend houtland-

De hopman blies de hoorn. Zij liepen 
met zijn allen de hazepaden, de rozetten
de spiralende zwarte gaten van de bossen in. 

'Dit bos. (...) daar lag zij.' Het lijkt of de plekken voor de lezer aangewezen worden. De natuur levert de aanknopingspunten voor het geheugen. Het verleden gaat in de natuur niet verloren. Alle zomers die intussen voorbijgegaan zijn, zijn opgeslagen in de jaarringen van de bomen. 

In bovenstaand gedicht is de natuur haast erotisch geladen. 'Benedenwindse bossen. Glinsterende / schimmelrijken, vorstelijk en vaginaal', lezen we ergens anders. 

De erotiek komt op meer plaatsen voor. Alle keren wordt ze vooral visueel beschreven. 'Valavond, haar fiets / in de berm, de niet eindigende lijn / van haar dij in groene klaverlabyrinten.' Ze heeft vrijwel altijd iets prils en dat is niet verwonderlijk. De hele bundel door zijn er nogal wat verwijzingen naar de kindertijd. 

De sterke concentratie op het hoofdthema en de heldere en hechte opbouw maken Beginselen van archeologie tot een coherente bundel. Ook de zorgvuldige woordkeus draagt hiertoe bij. Woorden die in het ene gedicht oplichten, komen vaak terloops in een ander gedicht terug. Zo zijn de gedichten in hun samenhang nog sterker dan ze afzonderlijk al waren. 

De stijl van Deschoemaeker houdt een aangenaam midden tussen helderheid en geheimzinnigheid. Zijn beeldgebruik is verrassend, zonder dat het gezocht klinkt. 'Zo komt een die door de buitendijkse meersen / en het kreupelland van zijn verbeelding waadt / haar tegemoet', vind ik bijvoorbeeld een mooie zin. De beeldspraak (door meersen en kreupellaan waden) sluit naadloos aan bij het tegemoet komen. Iemand die zo schrijft, laat zien dat hij kan dichten.