Posts tonen met het label liedtekst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label liedtekst. Alle posts tonen

vrijdag 19 september 2025

Afgestoft: Alles is ijdelheid (Broeder Dieleman)

Een week geleden stofte ik een recensie af van twee albums van Ellen ten Damme, deze week eentje van een cd van Broeder Dieleman. De bespreking verscheen in Liter 69, jaargang 16 2013. 

In dat nummer werd er vooral aandacht besteed aan drie auteurs: Marcel Möring, Flannery O'Connor en Hester Knibbe. Maar ook een uitgebreid artikel over de bundel Eindaugustuswind van Willem Jan Otten. 

Hoe ik aan Broeder Dieleman kwam, weet ik niet meer. Volgde ik hem op Facebook? Kwam een nummer van hem voor in De eigenwijze 30? Ik heb werkelijk geen idee. 

Broeder Dieleman is intussen gestaag doorgegaan en hij heeft verschillende albums op zijn naam staan. Je vindt de titels op de Wikipediapagina. 




De Schelde wordt de Jordaan


De muziek van Broeder Dieleman is kaal: geen bombastische arrangementen, maar meestal slechts één instrument (gitaar, banjo) dat de zang van de broeder begeleidt. Broeder Dieleman heeft daardoor voor mij veel weg van een troubadour. Hij brengt ons zijn teksten en de muziek is daarbij ondersteunend.

Broeder Dieleman komt uit Zeeuws-Vlaanderen, zingt in het Zeeuws en de setting van de liederen is die van het Zeeuwse platteland. De plaats wordt meestal aangeduid met ‘de polder’, een omgeving waarin de oogst van het land wordt gehaald, waar de reigers en de kiekendieven vliegen, waar we wilgen en vlierstruiken zien groeien.

Dat landschap is in zijn soberheid idyllisch. Broeder Dieleman heeft elementen die kunnen storen eruit geweerd. Zo is er nauwelijks geluid en zeker zijn er geen knetterende brommers of speakers waaruit muziek schalt. Je krijgt vooral beeld, waar je in stilte naar kunt kijken.

Het lijkt me een geïdealiseerd landschap, ergens uit het verleden. De oogst wordt niet met grote trekkers, maar met paarden binnengehaald en een boer die groet doordat hij stilstaat en zijn pet afdoet, kom je in 2013 ook niet vaak tegen.

Het lijkt Broeder Dieleman dan ook niet te gaan om het letterlijke landschap. Dat is wel het startpunt, en bij elk lied blijkt de liefde voor dat landschap, maar het krijgt een lading waardoor het zichzelf ontstijgt.

Het duidelijkst blijkt dat in het lied ‘Zilverspa’. Daarin delft een man een graf. Dat is een beeld dat vaker voorkomt op de cd en dat is niet zo vreemd; Broeder Dieleman was ooit zelf grafdelver. Zeven kilometer verder vaart er een schip over de Schelde, wat wel de Westerschelde zal zijn. Met de zilverspa in de hand gaat de man naar het strand: ‘Aan het einde van de weg / op het strand bluuv'n we staan / Er is een pad van licht op 't water / waarlangs dat schip moet gaan. / Wie kan er ooit snappen / wat je in de verte ziet / Wel hoor ik duzend engelen / Ze zingen je een lied.’

In het refrein hebben we dan al gehoord dat de Schelde de Jordaan wordt en we hebben ook al ‘het beloofde land’ voorbij horen komen. De Jordaan, een pad van licht, engelen, het beloofde land - dan moeten we wel aan de Bijbel denken. Niet voor niets vliegt er in het lied een pelikaan rond, een traditioneel symbool voor Christus. Voor mij riep het lied het beeld op van verwachting van het einde der tijden. Het lied eindigt met: ‘En ik zie dat je verdwient / waar het eerste licht nog schient / Alle tekens ooit gezien / kriegen waarde nu misschien.’

Ik zie de grafdelver daar staan, met zijn zilverspa in de hand, klaar voor de nieuwe aarde. Hij heeft de tekenen verstaan: de Schelde is voor hem de Jordaan geworden, de overkant het beloofde land, de vogels zijn engelen geworden. Het kan niet lang meer duren. Hij kijkt over het water, vol verwachting.

Dat einde der tijden is ook duidelijk aanwezig in ‘Polderevangelie’: ‘Ik wil d'r bie zien as de lucht ier opengaat / As de man mee zijn trompet bie 't kerkhof staat.’ In die tekst hangt het kwaad als mist over het land, maar degene die in het lied aangesproken wordt, loopt door alsof er niets aan de hand is: ‘Aan 't eind is er een beter oord’. Ook hier is er de verwachting van een betere wereld.

Die verwachting klinkt door in bijna alle liederen. Bijvoorbeeld in ‘Sneeuw’. Dat begint met het delven van ‘een mooi recht graf’ en daarna begint het wachten, ‘op wat de lucht op ons loslaat’.

Het komt als sneeuw, zingt onze Broeder en het zal alle kwaad bedekken. Alle ogen zullen het zien en al wat rood is, wordt wit. Daarin klinkt onmiskenbaar Jesaja 1 door, waarvan ik vers 18 citeer in de Statenvertaling: ‘al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol’. Daarop wordt dus gewacht: het uitwissen van het kwaad. ‘Rond de bocht ligt er genade’, zingt de Broeder in een ander lied.

In dat licht bezien is het opmerkelijk dat de cd Alles is ijdelheid heet. Uit de teksten spreekt juist niet de vergeefsheid van ons handelen op aarde, maar de verwachting van het mooie dat nog aan moet breken.

De hoop op iets beters is zo sterk dat die dicht bij zekerheid komt. Uit alle situaties blijkt hoop te peuren. In ‘Duzend veugels’ droomt de ik-figuur dat hij wakker wordt met kapotte handen: bloed aan zijn vingers, bot gebroken. Voor de meeste mensen zou dat iets zijn om bang van te worden, maar Broeder Dieleman zingt: ‘Noe is alles mogelijk / Ben ik nooit meer alleen / Noe is alles mogelijk / D'r hroeien boom'n deur me heen.’

Die hoop lijkt tegengesteld aan de wereld van de steile mannenbroeders waarin Broeder Dieleman is geworteld. Op de cd zijn ook fragmenten uit preken te horen. Een dominee met duidelijk Zeeuwse tongval spreekt het einde van de geloofsbelijdenis uit. In ‘Zingende bij beurte’ vraagt hij de gemeenteleden of ze dat ook wel eens hebben - dat ze hun hart er wel uit willen rukken. Voor mij is die wereld niet in de eerste plaats verbonden met hoop en met de verwachting van een betere wereld, maar met schuld en zondebesef.

Daaraan heeft de Broeder zich blijkbaar onttrokken. Hij spreekt over genade, hij is niet gericht op het kwaad, maar weet dat het kwaad moet wijken. In het laatste lied richt hij zich tot ‘Onze Lieve Vrouwe van de Polder’. Zo'n oecumenisch lied zal dominee niet goedgekeurd hebben.

Door de manier waarop Broeder Dieleman het zingt, horen we niet ‘Onzelievevrouwe’, maar Onze Lieve Vrouwe, waarbij het ‘lieve’ veel nadruk krijgt. Maria wordt gevraagd om het land te bewaren voor het water: ‘Moant de sturm tot stille / Houdt de golven in bedwang / Zurg da w'ier in vrede leven / En de kinders nooit meer bang.’

Voor mijn gevoel kan zo'n lied alleen maar gezongen worden door Broeder Dieleman, doordat het zo Zeeuws is. Eigenlijk geldt dat voor al deze liederen. Alles is ijdelheid is de eerste cd van Broeder Dieleman, maar hij heeft nu al een authentiek geluid. In zijn teksten roept hij een eigen wereld op, zodat je hem nooit met een andere artiest zult verwarren. Ik ben benieuwd in welke richting de Broeder zich zal ontwikkelen. Net als de figuren in de teksten ben ik vol verwachting: er komen zeven nieuwe jaren. ‘Ik ruuk citroen'n in de wind.’

Broeder Dieleman, Alles is ijdelheid. Beep! Beep! Back up the Truck 2012, €12,00. Opnieuw uitgekomen in 2013 bij Snowstar records.




zaterdag 4 maart 2017

Ach, vader lief, toe drink niet meer (Knipoog 60)


In NRC van zaterdag 4 februari 2017 staat een paginagroot artikel van Elsje Jorritsma over het drankmisbruik door ouderen: 'Elke dag een dubbele tong'. Gepensioneerden blijken behoorlijk wat te drinken: 'In het weekend een wijntje wordt na het pensioen elke avond. Voor je het weet zit je aan een fles per dag.'

De ouderen lijken er zelf niet zoveel problemen mee te hebben: 'Volgens de richtlijn zijn we allemaal alcoholist,' roepen ze vrolijk bij het heffen van het glas. Voor de kinderen is het gênant: er zijn er die na zes uur 's avonds hun ouders niet meer bellen, omdat ze dan niet meer aanspreekbaar zijn.

Voor op de bijlage, Lux, wordt het artikel aangekondigd met de titel 'Ach ouderslief, toe drink niet meer.'

Eerst over dat 'ouderslief'. We schrijven nu gemakkelijk 'moedertjelief' of 'broerlief'. Blijkbaar is het bijvoeglijk naamwoord aan het zelfstandig naamwoord vastgegroeid. Ik heb de twee woorden in de titel hierboven toch maar los van elkaar laten staan.

Een bijvoeglijk naamwoord na, in plaats van voor het zelfstandig naamwoord plaatsen, kwam vroeger nogal eens voor: We zingen niet: 'Daar was laatst een loos (= slim) meisje', maar: 'Daar was laatst een meisje loos.'

Vier jaar geleden schreef ik over Een oudt liedeken van Victor de la Montagne, dat ooit door de Zangeres zonder Naam op de plaat werd gezet. Het begint met:

Tsagh eens een cnape stervensgeern
een valsche vreede boose deern.
De knaap die graag wil sterven is hier niet de stervenswillige jongen, maar 'een cnape stervensgeern'. We kennen de constructie ook uit een bekend gedicht van Martinus Nijhoff, Het steenen kindje: 'o zoontje in me, o woord ongeschreven.' En natuurlijk uit het lied van het knaapje dat een roosje zag staan: 'Roosje, roosje, roosje rood (hier).

Om te constructie duidelijk te maken schreef ik daarom 'vader lief'. Want die lieve vader had ik wel nodig. 'Ach ouderslief, toe drink niet meer' knipoogt immers opzichtig naar 'Ach, vader lief, toe drink niet meer', een lied dat we kennen van de Zangeres zonder Naam. In 1959 kwam het de hitlijsten binnen en daarmee werd het de eerste hit van de Zangeres.


 In het lied is vader een dronkelap, wie door een kind gesmeekt wordt om de drank te laten staan. Vader stoot het kind van zich af, waardoor het een hoofdwond oploopt. Vader neemt zich meteen voor om niet meer te drinken. Tja.

Jorritsma is niet de eerste die naar het bekende lied knipoogt. Ik vond nog: 'Ach zwager lief, toe loop niet meer (hier); 'Ach, Jantjelief, toe drink niet meer' (hier); 'Ach, vaderlief, toe schaak niet meer' (hier); 'Ach, vaderlief, toe fiets niet meer' (hier).

Het is duidelijk: je kunt bij deze regel zowel variëren op de aangesprokene als op het werkwoord. In alle gevallen blijft het metrum gehandhaafd: je moet de lieven aan kunnen spreken in twee lettergrepen en het werkwoord telt er eentje. Een variant als 'Ach, grootmoederlief, toe patience niet meer' is wel mogelijk, maar ik ben die nog niet tegengekomen.

Zonder 'lief' is er meer mogelijk: 'Ach Hans, toe schrijf niet meer' (hier). En soms wordt het 'lief' zomaar weggelaten: 'Ach vader, lieg niet meer.' (hier).

In ieder geval is het lied van de Zangeres nog zo bekend, dat we er nog gemakkelijk op kunnen variëren. Dat zal dan van tijd tot tijd ook wel blijven gebeuren.

donderdag 31 december 2015

Zjef Vanuytsel (1945 - 2015) overleden

Een jaar geleden verhuisde ik. Bij de verhuizing kwam ik een paar dozen met cassettebandjes tegen, die al bij de vorige verhuizing op de zolder waren beland. Ik rommelde er wat in en zette een berichtje op internet. Er was iemand die de bandjes wel wilde hebben.

In die dozen moet ook het cassettebandje De zanger gezeten hebben, een album van Zjef Vanuytsel uit 1976. Vanuytsel overleed op 30 december, zeventig jaar oud. Hij was al langer ziek.

Ik denk dat ik het cassettebandje rond 1980 heb gekocht. Ik kocht toen veel Nederlandstalige muziek waarvan ik dacht dat de teksten interessant waren en daar waren ook albums van Belgen bij: Jan de Wilde, Willem Vermandere, Kris De Bruyne. En dus ook Zjef Vanuytsel.

Die muziek heb ik al jaren niet meer beluisterd, maar sommige nummers herinner ik me nog goed. Het titelnummer bijvoorbeeld, over een zanger die maar moet zingen:
En de zanger is moe, maar hij neemt zijn gitaar
en hij zingt.
Alles wat men hem vraagt, alles wat men hem zegt,
hij zingt.

En dan dat nummer over de oude vrouw: 'Moeder is de kluts kwijt'. Ze heeft haar herinneringen nog, die heel levendig zijn, maar in het heden is het stil geworden.
Traag loopt ze nu doorheen het huis
met kleine, korte kinderpas
en fluistert woordjes tegen het behang.

Ik geloof dat ik niets wist van Vanuytsel toen ik het cassettebandje kocht. Het zal wel afgeprijsd geweest zijn. Maar ik heb het vaak beluisterd. Vanuytsel had een vrij zachte stem, die hem iets milds gaf, iets vriendelijks.

Zijn teksten waren niet schitterend, maar heel behoorlijk, wat al heel wat is, want er zijn heel veel beroerde Nederlandstalige liedteksten. Zeker in die tijd waren er niet zo heel veel liedteksten die niet rijmden. Vanuytsel leek het metrum belangrijker te vinden dan het rijm. Bij veel teksten komt er in lang niet alle zinnen volrijm voor. Assonanties gebruikte hij meer.

En nu is hij dus dood. Hij zal in België waarschijnlijk meer gemist worden dan in Nederland. Maar toen ik het bericht las, moest ik toch even denken aan het cassettebandje dat ik zo vaak beluisterd heb en dat er ook al niet meer is. Alles vergaat. Gelukkig hebben we de muziek nog.

woensdag 2 september 2015

Verdachte studentenliederen

In mijn boekenkast staat het Vademecum voor den student. Liederenboek. Vijfde druk, 1889, uitgegeven in Utrecht, bij Gebr. Van der Post. Ik zal er wel eens eerder in gebladerd hebben. Nu heb ik het wat nader bekeken.

In het boekje staan liederen in verschillende talen in. Het opent met 'Iö vivat', gevolgd door 'Gaudeamus igitur',  het Wilhelmus en 'Wien Neêrlandsch bloed door de aders vloeit'. Verderop treffen we opmerkelijke liederen aan, als het 'Rookerslied':
Broeders, dampt in wijde kringen,
Spreidt den rook van 't edelst kruid!
Ja, wij willen, onder 't zingen,
Ons met balsemlucht omringen,
Blazen 't neus en lippen uit. 
Als u 's werelds zorgen plagen,
Steekt dan slechts de pijpen aan,
En de rook zal haar verjagen,
Even als, bij zomerdagen,
Hij de muggen weg doet gaan.
(...)
Ja, ik blijf, wat moog verkeeren,
Wat mij wachte op 's levens baan,
Eeuwig den tabak vereeren,
Tot na 't heen en weêr marcheren,
's Levens pijp is uitgegaan.
We treffen de volksliederen van verschillende landen aan, drinkliederen natuurlijk, liederen waarin meisjes figureren, de tafelmanieren zoals Jacob Cats die in een gedicht zette en gedichten over goede en slechte studenten:
Een quaet Student
Hy is een ledigh hooft, een droomer by syn boeken,
Een jaeger sonder scherp op alle witte doeken;
Die slaept wanneer men waeckt, en waeckt wanneer men slaept,
Die bij de flessen zingt en bij de lessen gaept.
(...)
Een ander lied over de manier van studeren of juist van niet studeren begint als volgt:
Ich hab' den ganzen Vormittag
Auf meiner Kneip' studirt!
Drum sei nun auch der Nachmittag
Dem Bierstof dedicirt.
Verder liederen waarin het geldgebrek van studenten aan de orde komt ('Eer ziet men dat een bok aan bokken / De gronden van de wiskunst leer: - - / Eer een student met vollen buidel / Van de Akademie huiswaarts keert.') en aria's en duetten uit verschillende opera's.

Veel liederen zouden studenten nu nog steeds kunnen zingen, vermoed ik. Maar bij het bladeren stuitte ik ook op liederen die we nu op zijn minst verdacht zouden noemen. Bijvoorbeeld 'Jolly Joe, the Merry Nigger'.

Jolly Joe is het land van de cholera ontvlucht, heeft schipbreuk geleden en is in Amerika aangekomen, waar hij voor het eerst gekleed werd en een zakdoek kreeg, waar hij daarvoor nog nooit van gehoord had.
Though black my skin and wool my hair,
I always live in mirth:
A draught, a jig, a sweetheart fair,
Is all I want on earth.
Jolly Joe zal zijn hele leven blijven dansen en drinken en als na zijn dood blijkt dat hij daar in de hemel niet mee kan doorgaan, dan hoeft die hemel voor hem niet.

Je zou kunnen zeggen dat dit lied vooral over het aangename van drinken en dansen gaat, maar de manier waarop Jolly Joe getekend wordt, zouden we nu racistisch noemen. In het geciteerde gedeelte wordt het uiterlijk van Joe immers als lelijk gezien. Anders had het woord 'though' niet gebruikt hoeven te worden.

Dat wordt nog duidelijker in de Nederlandse versie, die meteen na de Engelse (van Wilfried Falchri) is opgenomen. Hetzelfde gedeelte:
Hoe zwart mijn huid, hoe kroes mijn haar,
Hoe stomp mijn neus ook zij,
Toch danst bij luit of banjo snaar
De knapste meid met mij.
De Nederlandse titel, 'Zwarte Joe, de jolige Neger' is tegenwoordig onacceptabel.

Ook het lied 'Vader Abraham' gaat, naar huidige maatstaven, over de schreef. Het feit dat het opgenomen is in deze bundel, lijkt erop te duiden dat men er zo'n honderdvijfentwintig jaar geleden geen moeite mee had.

Het lied werd gezongen op de melodie van 'Schept vreugde in 't leven'. Het refrein luidt als volgt:
O! vader Abraham,
Wie had gedacht, dat uw geslacht
Zoo zou ontaarden en zijn veracht.
Na elk couplet diende dat gezongen te worden. Waarin die ontaarding dan bestond, krijgen we te lezen (te horen) in het eerste couplet:
Het is al van den vroegste jeugd
Vol schelmerij en zonder deugd,
Genegen tot bedriegerij
En stelen als de raven.
Stelen en bedriegen is dus het verwijt. Om dat aan te tonen, gaat de schrijver van het lied de Bijbel door: Jacob die zijn vader en zijn broer bedriegt om de zegen te kunnen krijgen; 'Vrouw Laban' die niet Rachel maar Lea ten huwelijk geeft; Jacob die het 'zilveren poppengoed' van Laban meeneemt en bij Rachel onder het zadel verstopt (wat volgens mij niet klopt met het Bijbelverhaal).

Over de zonen van Jacob, die hun broer Jozef verkopen, wat uiteindelijk tot gevolg heeft dat hij onderkoning wordt, lezen we:
De zoons van Jacob, slecht bij kas,
Verkochten Jozef net van pas,
En stuurden hem naar Egypteland,
Om daar te leeren toov'ren.
Ook hier wijkt de liedschrijver af van de Bijbel. In het lied verkopen de broers Jozef, omdat ze het geld goed kunnen gebruiken, terwijl de geldkwestie niet voorkomt in Genesis. Maar het lied wil de nakomelingen van Abraham nu eenmaal als bedriegers, dieven en in dit geval geldzuchtigen afschilderen.

Dat het volk Israël zijn goud inleverde bij Aäron om er een gouden kalf van te maken, wordt zelfs in dat stramien geperst: het werd maar een mager kalf, terwijl het een dikke stier had kunnen zijn. Met andere woorden: ook hier was het volk op de penning. Of wordt er gesuggereerd dat Aäron geld achtergehouden heeft?
Broer Aäron brengen zij hun goud;
Wat heeft die man daarvan gebouwd?
Een mager nuchter kalver,
Een bul had 't kunnen wezen!
In het couplet erna komt een ander aspect aan de orde: de verzotheid op vrouwen. De verspieders leggen het aan met de hoer Rachab (maar het lied spreekt van Rachel), David beloert Bathseba, waarna hij haar man Uria laat doden:
Vorst David ook, nog lang daarna,
Beloerde buurvrouw Bathseba,
En liet uit vriendschap Uria
Doorschieten als een schuimspaan.
Het volgende couplet ontgaat me:
't Was ook wat moois, toen Absalon
Op 't duivenplat van Esther klom;
Men kan er 't ongeschoren stuk
Van mousje zoo uit proeven.
Het is vreemd dat Absalom met een 'n' wordt geschreven, hoewel het rijm juist om een 'm' vraagt. Verder ken ik geen verhaal van Absalom en Esther. Het zou kunnen dat er gedoeld wordt op de geschiedenis van Amnon en Thamar. Amnon verkrachtte zijn halfzus Thamar, zus van Absalom. Een paar jaar later liet Absalom hem daarvoor doden.

Maar het duivenplat heeft weer niets met dat verhaal te maken. En hoe moet ik die laatste regels uitleggen? Is ''t ongeschoren stuk/Van mousje' het vrouwelijk geslachtsdeel? Het WNT verwijst voor 'mous' naar 'smous' en geeft daar als betekenis:
Jood; vroeger ook bepaaldelijk: Hoogduitsche Jood. Thans uitsluitend en ook vroeger veelal als smalend woord.
Als dat hier bedoeld wordt, zou het zomaar kunnen zijn dat het lied niet alleen in onze ogen denigrerend en discriminerend is, maar dat het ook toen al smalend was. Maar men had daar blijkbaar geen probleem mee. De verachting wordt openlijk uitgesproken in het refrein.

Ten slotte wordt er nog een couplet gewijd aan koning Salomo ('Baas Salomon, die leepe vent'), die duizend vrouwen had. Dat zijn blijkbaar genoeg voorbeelden. In het slotcouplet wordt er nog eens teruggeblikt:
Zoo is 't gegaan en gaat het nog,
Vol schalkerij, en dat bedrog
Bezielt de natie in 't gemeen,
Tot schand' van goede Nazareën
Er wordt nog een klein voorbehoud gemaakt voor de 'goede Nazareën', maar 'de natie in 't gemeen' wordt bezield door 'schalkerij' en 'bedrog' door de Joden. De strekking is duidelijk.

Bijna aan het eind van het bundeltje tref ik nog het lied '"Pauline"das Judenschicksel' aan. Pauline krijgt wel de schuld van alles, maar het Schicksel (dat ik gelezen heb als 'Schicksal') betreft misschien niet haar, maar de ik, Ephraim. De strekking van het lied is mij niet helemaal helder. Het eind:
Oiweh und ich, Ephraim
Ich blieb doch ganz in Majim
Drum schlagen wir vor Zores
Mit Pauline Kapores.'
Het lied wordt afgesloten met:
Das Judenschicksel bim bam, bidri bim bam, bidri bim bam,
Das Judenschicksel bim bam, bidri bim bam, bim bam boy.
 In ieder geval telt deze bonte bundel studentenliederen er twee die op zijn zachtst gezegd in onze ogen verdacht zijn en eigenlijk meer dan dat. Geen mens zou het in zijn hoofd halen ze nu nog te zingen. De tijden veranderen en soms is dat maar goed ook.

zondag 14 juni 2015

Drs. P. (1919 - 2015) overleden


Gisteren, 13 juni, is Drs. P. (Heinz Hermann Polzer) overleden. Het radioprogramma OVT werd vandaag onderbroken voor het overlijdensbericht. Dat is wel een passende omgeving. Drs. P. was de grootmeester van het lichte vers, waarbij hij een voorkeur had voor ingewikkelde rijmvormen. Daarnaast was hij zanger en tekstschrijver. Hij schreef technisch bijzonder goede teksten, die hij monter bracht, ondanks dat ze geregeld gaan over personen met wie het niet goed afloopt.

Wroetend in mijn geheugen blijf ik steken in 1973, het jaar dat Polzer  voor het eerst met een plaatje in de Top 40 kwam: 'Veerpont'. Het nummer stond vijf weken in de Tipparade en daarna vijf weken in de toplijst. Daar kwam het nooit hoger dan nummer 23. Ik vond de tekst erg grappig en kon hem uit mijn hoofd zingen, wat ik ook wel gedaan zal hebben, tijdens het melken van de koeien.

De volgende 'hit' vond ik indertijd misschien wel nog grappiger: 'Dodenrit'. Die stond in 1974 bij de beste veertig, met nummer 26 als hoogste notering. Een vrolijk lied, waarin iedereen doodgaat. Al sinds 1999 staat het lied jaarlijks in de Top 2000.

Hits had de zanger met de rollende huig-r daarna niet meer. In de jaren tachtig kwam 'Knolraap en lof, schorseneren en prei' niet verder dan de Tipparade. Voor de liefhebbers maakte dat niet uit. Die hoorden zijn liederen toch wel vanaf hun LP's of cassettebandjes.

Ik kende in de jaren tachtig aardig wat liederen van Polzer. Ze zullen op de radio te horen geweest zijn. Kende ik ze van programma's als Het podium van de Nederlandse lichte muziek? Dat zal wel. LP's had ik niet zoveel. Eentje van drs. P, maar die heb ik al lang geleden weggegeven aan een lokaal radiostation.

Begin jaren tachtig kocht ik een verzamelbundel met zo'n beetje alle liedteksten. Ik heb ze vaak voorgelezen op de scholen waar ik heb lesgegeven. Daar zal die bundel wel zijn blijven liggen, want in mijn boekenkast vind ik hem niet meer. Ik leerde liedteksten kennen als 'Ank' en 'Troostvogel', die nooit erg bekend geworden zijn en toch de moeite waard zijn.

Vooral 'Troostvogel' is bijzonder. Niet omdat die tekst beter is dan de rest. De zin 'Je hoort hem wel, maar ziet hem niet' vond ik bijvoorbeeld minder geslaagd, maar omdat de tekst nauwelijks binnen de rest van het oeuvre valt: een troostend, bijna lief lied. En zo eenvoudig dat hij door kinderen begrepen kan worden. Of zou de Polzer hem voor kinderen bedoeld hebben? Ik kwam een filmpje tegen van Herman van Veen die met jonge artiesten dit nummer zingt. In het publiek zitten veel jonge luisteraars.


In de jaren tachtig hoorde en zag ik hem optreden, in de Reehorst in Ede, waar een vriendin me mee naar toe had genomen. Het was boekenweek en een stel plezierdichters (zo werden ze genoemd, herinner ik me) trad op: Simon Knepper, Jan Boerstoel en Drs. P. waren daarbij. Was er nog een vierde? Ik twijfel. Zou Dorrestijn erbij geweest zijn?

Polzer zong zijn gospel 'Knolraap en lof, schorseneren en prei', waarbij ik natuurlijk enthousiast meegezongen heb. Het meest verrast was ik door een nummer dat ik toen nog niet kende. Nu pas bedenk ik dat ik toen de verzamelbundel dus nog niet gelezen kan hebben, want daar staat het in. Dat nummer was 'Bieten', waar ik ontzettend om heb moeten lachen. Het lied begint als een overromantisch sentimenteel lied, maar waar je bijvoorbeeld 'bloemen' verwacht, zingt Polzer 'bieten'. Bieten houden van mensen.


Later zag ik hem nog eens achter de piano. Ik vermoed dat het op een Dag van de Literatuur is geweest, georganiseerd door Bulkboek. Drs. P. zong daar zijn liedjes over leestekens.


Ook weer heel grappig. Een wat schrijftaalachtig idioom, dat wat plechtig aandoet, bij een hilarische inhoud. Dat is een mooie combinatie.

Intussen had ik Polzer ook op tv gezien bij verschillende gelegenheden. Ik herinner me nog een soort college waarin hij het verschil uitlegde tussen een smartlap en een levenslied, gezeten achter een piepklein orgeltje. Ik las de interviews met hem, had intussen bundeltjes met bijvoorbeeld ollekebollekes en smulde van alles wat ik kon vinden.

De klassiekers in zijn werk zijn natuurlijk niet voor niets klassiek. Ik houd erg van De commensaal.


Een vroege opname (1964) met een versprekinkje aan het eind ('ins' in plaats van 'ons'), maar dat is niet erg. Ik heb begrepen dat de titel in de loop der jaren veranderd is, omdat het publiek niet meer wist wat een commensaal was. Jammer. Ik moet binnenkort maar eens over dat woord gaan schrijven.

Nog maar een klassieker: De zusters Karamazov. Ik herinner mij een audio-opname die gemaakt moet zijn in een klein zaaltje. Misschien was het niet meer dan een cafeetje. Het publiek zong het refrein mee. Ik had het idee dat iedere aanwezige de hele tekst mee had kunnen zingen.


Liefhebbers van het werk van Drs. P. kennen zo'n beetje alles van hem, vermoed ik. Voor degenen die zijn werk nog niet tot in alle uithoeken kenne: luister eens naar 'Jubelzang' (over de kerstengel), met al die maffe geluiden, waar Polzer veel plezier aan beleefd moet hebben. Of naar 'Oost-Groningen' ('Strokarton') met de onvergetelijke regels:
Dat gaat met strokarton, dat gaat met strokarton.
Behalve Tweede Paasdag, dan gebruikt men een kanon.

In veel teksten van Polzer waart de dood. Niet alleen een van de zusters Karamazov vindt de dood, maar ook het meisje in 'Scheepvaartberichten', alle personages in 'Dodenrit', De helderziende, veel vrouwen in 'De commensaal' en meer, veel meer. Er zit een zekere goedmoedige kwaadaardigheid in die mij zeer zint.

Vooruit, nog eentje: 'Een fijne dag', een verslagje van een dagje uit in een clichéstijl. Compleet met stijlfouten, die men nu eenmaal in dit soort verslagen aantreft.


Drs. P. is er niet meer. Hij is 95 jaar oud geworden en altijd is hij, tenminste in het openbaar, beminnelijk gebleven. Een krasse, opgewekte grijsaard noemde hij zich in de opname hierboven. In een interview vertelde hij dat het allemaal wel op had mogen houden toen hij tachtig was.

Laten we blij zijn dat hij een groot oeuvre heeft nagelaten, waarin veel te genieten en misschien ook nog wel te ontdekken is. Ten slotte: opnieuw De Commensaal. Wellicht het eerste tv-optreden van Polzer. Eraan vooraf gaat een gesprek met Willem Duys over prentbriefkaarten.


Bron foto Drs. P.: eerlijkefoto.nl

Kijk ook eens bij stukken waarin ik vergelijkbare overledenen herdenk:
Seth Gaaikema
Herman Pieter de Boer
Maarten van Roozendaal
Michel van der Plas

woensdag 15 oktober 2014

Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw


Toen ik het boek Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw in handen had, vroeg ik mij af of er in mijn familie vroeger vieze liedjes werden gezongen. Ik herinner mij verjaardagen bij mijn opa en oma van moeders kant, waarin mijn ooms zongen over een pot, die tussen de bomen werd opgehangen. Ik hoor mijn ooms nog zingen: 'en hadden die vol met stront gedaan!' De mensen werd wijsgemaakt dat er een ballon op zou stijgen, maar toen de dorpelingen onder de pot stonden te kijken, werd die kapotgeschoten. 'En de boerkes en boerinnekes waren met die stront belaân'.

Dat soort vieze liedjes staan er trouwens niet in het boek. Daar heeft het 'vieze' alleen betrekking op de erotiek. Die liedjes zongen mijn familieleden niet. Niet op verjaardagen, in ieder geval.

Annemieke Houben werkte enkele jaren voor het Meertens Instituut. De schunnige liedjes die ze verzameld had, waren bedoeld als afscheidscadeau voor haar oud-collega's. Uiteindelijk werd het een boek van bijna tweehonderdvijftig pagina's.

Het is een toegankelijk boek: Houben herspelde de liedjes en verklaarde woorden die lastig konden zijn. Daar zijn overigens wel wat kleinigheidjes op aan te merken. Bij de regel 'Oorlof nu dochters valiant', wordt wel 'Oorlof' verklaard, dat we dan al heel vaak onverklaard tegengekomen zijn, maar 'valiant' niet. 'Hem' als wederkerend voornaamwoord wordt meestal niet uitgelegd, al zou dat voor misverstanden kunnen zorgen. Ach, het zijn maar knorven in de biezen. Over het algemeen is de handige uitleg keurig verzorgd.

Elk lied wordt kort, samenvattend ingeleid, vergelijkbare liederen zijn bij elkaar geplaatst. Bij elk hoofdstukje geeft Houben uitgebreider uitleg, bijvoorbeeld over het klisteren of de behandeling van geslachtsziekten. Verder is het boek  rijk geïllustreerd.

Tijdens het lezen kreeg ik het idee dat veel liedjes geschreven zijn vanuit het mannelijke perspectief. Hoe het daarmee precies zit, legt Houben verder niet uit. Ik kan mij gemakkelijker voorstellen dat een paar honderd jaar geleden mannen deze liederen zongen dan dat vrouwen dat deden. Maar misschien ligt dat aan mijn voorstellingsvermogen.

Er komen veel metaforen in de liedjes voor. Bijna alles kan een beeld zijn voor de geslachtsdelen of voor de geslachts-gemeenschap. Er worden nootjes gekraakt, bressen in muren geschoten, er wordt gekarnd, de man zeilt Venus' bosje in. De koster van de kerk werkt met zijn sleutel, de vrouw heeft haar tuintje, waar het paardje van de man in kan draven en de man wil zijn dobber wel in het vijvertje van de vrouw werpen. Bij een vrouw die een tobbe aan het schuren is, bedenkt de man dat hij haar tobbe ook wel eens wil schuren. Een schaatser verwoordt het aldus: 'Waar ik rijd, ik kom ik in scheuren'

Al die beelden zorgen natuurlijk voor dubbelzinnigheid. Mannen die in een bontwinkel een mof uitzoeken - dat klinkt nogal onschuldig: 'Wij zochten bontjes naar onz' zin, / om daar te mogen kruipen in / om zo ons halfvervrozen leên / wat weder te ontdooien.'  Maar eigenlijk is het een bordeelscène.

De personages in de liederen hebben zelf de dubbelzinnigheid ook niet altijd in de gaten. Een boerin die met vinken naar de markt loopt, komt langs een venster van een man die haar vraagt: 'Waarvoor laat je u vog'len?'  Zij denkt dat hij naar de verkoopprijs van de vinken vraagt, maar de man verstaat wat anders onder 'vogelen'. Hij geeft de boerin wijn met suiker en werpt haar op het bed. 'En de jonker was vol vreugde / bij het vangen van een vink'.

Er zal veel gelachen zijn bij het horen van de liedjes. Bijvoorbeeld om dit fraaie lied over een vrouw die geniet van haar minnaar. Hij speelt fluit en hij heeft een prachtig instrument:
Ach, wat behaagt het fluitespel
mijn hart en jonge zinnen,
ik heb een aardig jong gezel,
die is daarom te minnen.
Ik bemin hem - ik beken't -
allenig om zijn instrument,
ik nam hem tot knecht alleen
omdat hij speelt zo ongemeen.
Die laatste vier regels komen bij elk couplet terug. Ik laat ze in het vervolg weg.
Wanneer ik wens hij vrolijk speelt,
kus ik hem onder 't spelen.
Ik bid, dat gij u eens verbeeldt
of 't spel hem kan vervelen.
Zijn fluitje is schoon en ongemeen,
daar weet ik van te spreken,
zulks ik hem mijne koker leen
opdat het niet mocht breken. 
Ik vond nooit waar ik zocht een knecht
die zo lang weet te spelen,
die zo in 't spel is afgericht
en zonder te vervelen.
Gij vrijsters die het spel bemint,
met mij daartoe genegen,
maak dat gij ook zo'n speelknecht vindt
die nimmer is verlegen.
Dien u van zijn instrument,
ik wed j'er licht'lijk aan gewent,
want ik nam mijn jonge guit
allenig om zijn schone fluit.
En wat te denken van de metselaar, die dacht dat zijn klus erop zat. Hij ging naar binnen 'en vraagde toen aan 't meisje klare / of er nog meer werk ware.' Je raadt het al: zij heeft nog wel een kier die gedicht moet worden. Als dat gebeurd is, komt er een tweede meid, die ook wel wil.
De metselaar (die sprak daar niet tegen)
zei: 'Mijn kind, wees niet verlegen,
ik heb nog kalk genoeg hier
voor een gaatje of drie, vier,
want de brave metselaren
die zullen nooit geen kalk sparen
voor zoete meisjes in 't gemein
die van haar gediend wil zijn.'
Daarna komt de vrouw des huizes, die zegt dat de metselaar nog kalk over moet houden voor haar 'scheurtje, hups en fris'. Daar staat de metselaar al, met zijn troffel in de hand. Daarna kan hij het huis verlaten. Hij 'was nog luchtig op zijn benen / schoon hem nu al kalk ontbrak, / morgen weer een volle bak.'

Naast de liedjes vergast Houben ons op wat strooigoed: korte gedichtjes. Bijvoorbeeld over de vrouw die overdag de koe melkt en 's nachts haar man:
Maar dit is 't hartzeer dat ik lij':
de koe die geeft meer voer als hij.
In een lied wordt trouwens de vrouw met een koe vergeleken: 'Ik wed zij heeft een kiekeboe / zo groot gelijk die van een koe.'

Vieze liedjes uit de 17e en de 18e eeuw is een heerlijk boek. Vaak humoristisch, maar niet altijd. Er staan ook vreselijke verhalen in over syfilislijders en de hoeren mogen fraaie namen hebben (Mag're Moord, Sperzievreetster, de Gravin, Utrechts Bruin, mevrouw Tietje), makkelijk hadden ze het niet.

We mogen Houben wel dankbaar zijn voor deze uitgebreide verzameling van liedjes die je verder niet zomaar ergens anders tegenkomt. Het boek draagt ze op aan haar ouders: 'Lieve pap en mam, dit boek is voor jullie. Dat komt er nou van.' Maar het is gelukkig ook voor ons.

Nog eentje dan, om het af te leren. Een kort gedichtje over een meisje dat ontsteld is de beharing die ze krijgt. Houben schrijft aan het eind van regel 3: 'o jee', maar dat verknoeit het rijm. Daarom toch maar even het origineel.

Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw
Ingeleid door Annemieke Houben
Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2014; 244 blz. € 19,95

donderdag 2 januari 2014

Herman Pieter de Boer overleden (1928 - 2014)



Gisteren zag ik het, in het voorbijgaan: een klein vliegje, gevangen in het wereldwijde web: Herman Pieter de Boer overleden. Waar moest ik toen het eerst aan denken? Aan het gele boek, waarvan ik dacht dat het boven in mijn boekenkast stond. Louter streelzucht (1982) heet het en er staan aardige sonnetten in. De Boer noemde ze zelf 'sonnettines', misschien omdat ze vrij licht van inhoud zijn.

Bij controle bleek het boek verdwenen te zijn. Ongetwijfeld is het achtergebleven op een van de scholen waar ik gewerkt heb. Ik zal eruit voorgelezen hebben. Daar leenden de toegankelijke gedichten zich prima voor. In mijn boekenkast vond ik alleen Gekleurde gedichten, een bundel uit 1989, die ik dat jaar een paar maanden na mijn verjaardag kreeg. Het is een gegeven paard en ik zal het dan ook niet al te diep in de bek kijken, maar ik citeer er niet uit. Eigenlijk staat er geen enkel goed gedicht in. De illustraties bij de gedichten, van Roos Wiggers, zijn veel beter.

Als examinator bij de staatsexamens kwam ik De Boers poëzie nog niet zo lang geleden tegen. Een van de gedichten die wij de kandidaten voor mochten leggen was het volgende:
Een lerares die ik liefhad
Zij droeg een jurk, lang uit de mode,
en was zo mager als een lat,
een rare stokvis, maar ze had
zo'n zeldzaam mooie lesmethode,
voor die tijd eigenlijk verboden:
het scheen, ze praatte zomaar wat,
alsof je in haar kamer zat
te kletsen om de tijd te doden.
Het leek gezellig en verkeerd,
maar was, dat blijkt, geraffineerd:
ik ben in aardrijkskunde thuis.
Wat heb ik veel van haar geleerd,
ik had haar lief, mijn versje eert
mejuffrouw Schelts van Kloosterhuis.
Op internet is dit gedicht gemakkelijk te vinden, maar het wordt daar nogal mishandeld: twee keer vond ik het zo afgedrukt, dat er geen sonnet meer in te herkennen was. Een keer had iemand 'blijft' getikt, in plaats van 'blijkt'. Dat kan gebeuren.

'Een lerares die ik liefhad' is een helder gedicht en het is lief, ten opzichte van een lerares die door velen vergeten zal zijn, die nooit een man aan de haak geslagen heeft ('mejuffrouw') en die wellicht al lang overleden was toen De Boer het gedicht publiceerde.

Het is me bijgebleven, al is het niet meer dan een 'aardig' gedicht. Zo herinner ik mij ook het gedicht 'Het onvergetelijke', dat begint met een opsomming van allerlei activiteiten die de 'ik' niet gedaan heeft (skiën, mahjong spelen, konijn eten, sla telen). Het eindigt met:
Als ik die dingen zo eens tel,
heb ik meer niet gedaan dan wel,
ofschoon geboren lang geleden.
Dus wat mij des te sterker heugt,
is dit: ik heb eens in mijn jeugd
aan 't strand een ezeltje bereden.
De regel 'ofschoon geboren lang geleden' klinkt door de vreemde woordvolgorde niet helemaal lekker. Blijkbaar vond De Boer dat geen bezwaar. Ik herinner me dat er verder nog heel aardige sonnetten in Louter streelzucht te vinden zijn, maar niet meer welke.

De Boer schreef altijd helder en dat kwam ook tot uitdrukking in zijn liedteksten. Voor Lenny Kuhr, zijn toenmalige partner, schreef hij liedjes als 'Visite' en 'Ja maar' (zie onder) Hier reageert ze op zijn overlijden. Ik kocht indertijd het cassettebandje waarop het album stond. Ook moet nog ergens in een doos een cassettebandje liggen met Van een afstand van Boudewijn de Groot, uit 1980. Daarop staat 'Zolang ik niet beweeg', tekst Herman Pieter de Boer. Niet zijn beste tekst, overigens.

Voor Boudewijn de Groot schreef De Boer ook nog 'Vrolijke violen', dat stond op het album Een nieuwe herfst uit 1996. Toen Herman Pieter de Boer in 2002 een Gouden Harp kreeg, werd die dan ook uitgereikt door Boudewijn de Groot.

Herman Pieter de Boer schreef, naar eigen zeggen, meer dan zevenhonderd liedteksten. Enkele ervan kent bijna iedereen: 'Annabel' (Hans de Booij) 'O Waterlooplein' (Johnny en Rijk) 'Op een onbewoond eiland', 'Ik heb zo waanzinnig gedroomd' (Kinderen voor kinderen) en voor Ramses Shaffy vertaalde hij 'Laat me'.

Voor Conny Vandenbos schreef hij bijna vijftig liedteksten, maar meestal niet de teksten van de liedjes die hits zouden worden. Het bekendst werden het lied dat begon met : 'Weet je wat we doen? We doen geen klap vandaag' en 'Ome Arie'. Een compilatie van die liedjes was te horen en te zien in 2007 tijdens een hommage aan Conny Vandenbos. Herman Pieter de Boer vertelde toen wat over zijn samenwerking met de zangeres.

Eind jaren zeventig las ik geregeld wat van Herman Pieter de Boer in het blad De Tijd, waar hij elke week twee bladzijden vulde. In die tijd woonde ik in een internaat en in het weekend ging ik naar mijn ouders. Voor de terugweg in de trein kocht ik vaak een tijdschrift (Accent, Haagse Post, De Tijd) en ik heb goede herinneringen aan de stukken van De Boer.

Ik heb het idee dat hij daar mocht doen wat hij wilde. Soms plaatste hij een verhaal, soms een stel foto's. Vaak waren dat foto's van kariatiden, zuilen in de vorm van mensfiguren. Door De Boer heb ik het woord 'kariatide' leren kennen. Volgens mij stonden bij de stukken toen al tekeningen van Pat Andrea, met wie hij later twee boekjes over gebaren maakte. Die boeken heb ik.

Nooit heb ik een verhalenbundel van De Boer gekocht. Volgens mij las ik De vrouw in het maanlicht ooit als Bulkboek. De verhalen hadden meestal een vrolijke toon. Bijvoorbeeld dit verhaal:
De bruid
'Vader,' zei Ole, 'dit is mijn aanstaande vrouw.'
Hij duwde het meisje naar voren. Ze had een scheve neus en ze was zo scheel als de nacht.
'Potverdomme,' zei de vader, 'wat een lelijk kreng.'
Het meisje begon meteen te snikken.
'Maar vader,' riep Ole, 'nou maakt u haar aan het huilen. Hoe kunt u zeggen dat ze lelijk is? Bent u blind?
Hij trok het jakje van het kind naar beneden. 'Kijk toch eens wat een prachtige grote borsten.' Hij draaide het meisje om en tilde haar rokken op. 'Kijk toch eens wat een mooie ronde billen.'
'Nou je 't zegt,' zei de vader. 'Waarom liet je me dat niet meteen zien?'
'Och,' zei Ole, 'ik dacht er niet zo gauw aan.' 
Licht proza, aardig om te lezen. Dat is het dan ook wel weer, maar het is de vraag of dat erg is. Veel van wat De Boer geschreven heeft, is misschien niet van het hoogste niveau, maar het is altijd sympathiek. Dat zal te maken hebben met het karakter van De Boer. De keren dat ik hem hoorde op de radio of zag op de tv, maakte hij een sympathieke indruk.

Verschillende keren was hij te gast bij het radioprogramma 'Podium van de Nederlandse lichte muziek.' Of zoiets. Hij beoordeelde dan teksten van nieuwe Nederlandstalige muziek. Ik vond hem indertijd veel te mild. Ook over wat ik toen beroerd vond, had hij toch nog wel iets vriendelijks te zeggen.

Toen hij een paar jaar geleden te gast was bij het tv-programma Wintertijd , was hij veel kritischer over de hedendaagse liedteksten, al vond hij dat Blöf nog wel ging. In dat programma  las hij ook het verhaaltje 'De Bruid' voor. Graag had ik het filmpje hieronder geplaatst, maar blogspot vindt het niet, vreemd genoeg.

De naam van Herman Pieter zal misschien onder het stof verdwijnen, maar sommige van zijn liedteksten zullen zeker blijven. 'Laat me' blijft bestaan en ik vermoed dat kinderen nog heel lang zullen zingen dat ze wa-wa-wa-waanzinnig gedroomd hebben.

foto: eerlijkefoto.nl

Herman Pieter de Boer herdenkt Ramses Shaffy (met fragmenten van 'Laat me')


Conny Vandenbos zingt 'Het gaat niet over'.


Herman Pieter de Boer met de gouden plaat voor 'Op een onbewoond eiland', de grootste hit van Kinderen voor Kinderen. Lenny Kuhr zingt.

Lenny Kuhr zingt 'Maar ja'. Tekst Herman Pieter de Boer

Kinderen voor kinderen: Vakantieliefde. Tekst: Herman Pieter de Boer

maandag 4 november 2013

Onbegrepen ironie

In de Volkskrant van afgelopen zaterdag, 2 november, wijdt Joost Zwagerman een paginagrote recensie aan een pamflet van Tolstoi, Wat is kunst? Daarin vaart Tolstoi uit tegen kunstenaars. Zwagerman schrijft dan:
Twee namen schoten mij te binnen bij deze even doldrieste als benepen tirade: Hans Teeuwen en Geert Wilders. Uit Teeuwens programma Hard en zielig (1994) is de schuimbekkende monoloog over 'werklozen en buitenlanders' die, aldus Teeuwen, in tegenstelling tot de bakker, slager, tuinman, smid en anderen met een eerlijk beroep 'de hele dag maar een beetje in hun bed blijven liggen stinken en het liefst de kantjes ervan af lopen'. 
De aanhalingstekens geven aan dat Zwagerman citeert en ik neem aan dat hij het bedoelde fragment dus even gecheckt heeft. Dat heb ik ook gedaan, want ik had een heel andere herinnering aan het fragment. De monoloog van Teeuwen richt zich niet tegen werklozen en buitenlanders, maar juist tegen mensen die gemakkelijke meningen over hen hebben. Kijk en luister maar:


Aan het eind is duidelijk op wie Teeuwen zijn pijlen richt: 'Wimpie Bosboom'. Wim Bosboom kreeg indertijd de gelegenheid om op tv een columnachtige tekst vol reactionaire meningen uit te spreken.

Wellicht dat Joost Zwagerman vooral op zijn geheugen heeft vertrouwd bij het tikken van zijn recensie. Zelfs voor een niet zo goede verstaander moet duidelijk zijn wat de strekking is van wat Teeuwen zegt en Zwagerman kan de clou niet ontgaan zijn. Wel kan ik me voorstellen dat de imitatie waarmee Teeuwen zijn monoloog begint zo goed is, dat die juist bijblijft.

Het begin van Teeuwens monoloog is een zuiver voorbeeld van ironie: het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt. Zolang mensen de ironie als ironie herkennen, werkt het. Wanneer de ironie niet begrepen wordt, werkt het averechts.

Dat is al lang bekend. Ik vond bijvoorbeeld de volgende tekst op DBNL:
Met ironie in de boeken gaat het niet altijd zoo van een leien dakje. Wel behoort er iets in den stijl te zijn, dat den lezer waarschuwt; maar, al hapert het niet aan dat iets, voor zeer velen is de ironie een wereld buiten hen om. Bij de vrouwen komt dat meestal voort uit hartstochtelijkheid, bij de mannen uit stompzinnigheid.
Het citaat komt uit Taal en letteren, jaargang 8, 1898, blz. 428. Het is geschreven door André Hallays, die het eerder schreef in Wetensch. Bl. Ook hij merkt op dat ironie vaak niet begrepen wordt. Er zijn meer voorbeelden.

Bekend is wat Van Kooten en De Bie overkwam. Zij richtten in hun tv-programma de Tegenpartij op: 'Geen gezeik. Iedereen rijk.'


De Tegenpartij was bedoeld als parodie op bijvoorbeeld Hans Janmaat en zijn Centrumpartij. Maar de Tegenpartij werd zo populair dat men zelfs verwachtte dat de partij in de Tweede Kamer zou kunnen belanden. Vlak voor de kamerverkiezingen (1981) werd de partij ontbonden. 

Ook bij de Tegenpartij werd de ironie door velen niet begrepen. De uitspraken van de vrije jongens Jacobse en Van Es werden serieus genomen en geprezen. Die twee zeiden tenminste waar het op stond.

Mij schoot een derde voorbeeld te binnen. De vliegende Panters maakten ooit een nummer over angst voor de islam. Het was een vrolijk nummer, waarbij in het bijbehorende filmpje een fanfare door een dorpje trekt. 



Ook hier is sprake van ironie. Niet de moslims worden op de hak genomen, maar de angst voor de islam. Door de vrolijke toonzetting, wordt dat voldoende duidelijk, lijkt me. Toch moest een lid van de groep zich indertijd (5 oktober 2005) verantwoorden bij Pauw & Witteman.

Volgens Hallays komt het misverstaan van ironie voort uit hartstochtelijkheid of stompzinnigheid. Of dat zo is, is weer een heel andere discussie. Dat iemand die zich bedient van ironie bedient de kans loopt niet goed begrepen te worden, lijkt me duidelijk. Erg is dat niet. Wie de ironie herkent en dus de achterliggende bedoeling oppikt, zal waarschijnlijk extra genieten: ook omdat hij tevreden kan zijn over zichzelf. Hij heeft immers lekker wel gezien wat de makers van het lied, het tv-programma, de sketch bedoelden.

Naschrift
Na enige tijd reageerde Joost Zwagerman. Zijn reactie:

Beste Teunis, met enige vertraging las ik je blog over ironie. Wat opmerkelijk dat de ironie van MIJN observatie je is ontgaan. Natuurlijk weet ik wel dat Teeuwen als cabaretier grappen maakte over buitenlanders en uitkeringstrekkers, en juist daarom noem ik hem ook, omdat de -onbegrijpelijke- ernst en bekrompenheid van tolstoi zo karikaturaal is dat die bekrompenheid alleen nog kan worgden geassocieerd met de potsenmakerij van een grappenmaker (Teeuwen) en het populisme van een kunsthater (Wilders). Ik maakte dat naar mijn idee toch meer dan duidelijk. Denk je nu echt dat ik meende dat Teeuwen meende wat hij in zijn sketch opvoerde? Gph.

succes met het blog!

Vr gr J

maandag 8 juli 2013

Om te janken zo mooi


De doden zijn overal. Ze zitten achter een krant in de trein die ze bij hun leven nooit genomen hebben; ze kuchen vanachter een plant in een restaurant; ze neuriën door Bach heen. En in je dromen komen ze voorrijden en stappen energiek uit hun auto.

Maarten van Roosendaal is nog maar pas overleden en hij is aanweziger dan ooit. Op de radio hoor ik zijn liedjes vaker dan een paar maanden geleden. Gisteren vertolkten Keetje en Ko een lied van hem bij Dante in de Kuil en in de boekhandels kijkt hij me aan vanaf de voorkant van het boekje Om te janken zo mooi. 

Dat boekje was het laatste project van Van Roozendaal, nog net voor zijn dood afgerond. Een aantal schrijvers en een enkele beeldend kunstenaar vroeg hij te reageren op een van zijn liedteksten. Het mocht geen in memoriam worden en verder waren de medewerkers vrij. Als ze maar opschoten; de tijd drong.

Het zijn niet de eersten de besten die meegewerkt hebben aan Om te janken zo mooi. Een greep: Manon Uphoff, Désanne van Brederode, Menno Wigman, Sanneke van Hassel, Neeltje Maria Min en meer nog - achttien stuks, meneertje! En dan heb je natuurlijk nog de achttien liedteksten van Maarten van Roozendaal, die ook opgenomen zijn.

Het is interessant om te zien hoe de verschillende schrijvers het aangepakt hebben. Rick de Leeuw nam 'Postbode' en schreef een liedtekst over hetzelfde gegeven, maar nu vanuit een ander perspectief. Thomas Verbogt schreef een soort 'Judith' in proza, waarbij het hem lukt om hetzelfde misluktheidsgevoel op te roepen als Van Roozendaal deed in zijn tekst. Peter van Straaten vatte 'Maaltijd' in een tekening.

Joost Zwagerman schreef een persoonlijk stuk over de kraaktijd van Maarten van Rozendaal, waarbij we ook nog een decor bij het schrijven van De buitenvrouw meekrijgen. A.L. Snijders vertelde hoe een enkel zinnetje van Van Roozendaal hem ooit getroffen heeft.

En er zijn schrijvers die helemaal hun eigen gang gaan en een flinke draai aan de oorspronkelijke tekst geven. Désanne van Brederode bijvoorbeeld, die een wonderlijk verhaal schreef over een kunstenaar die zo geobsedeerd was door zijn hart, dat hij het buiten zijn lichaam ging dragen. Of Neeltje Maria Min en Joke van Leeuwen, die tot prachtige gedichten gekomen zijn. Van Leeuwen schrijft onder anderen:
We waren een menigte op een plein.
We verstonden onszelf niet meer.
Je hoeft zo'n strofe maar te lezen, of je krijgt er journaalbeelden bij.

Enkele namen wil ik toch nog even noemen. Jan Rothuizen maakte naar aanleiding van 'Lijn 17' een combinatie van een tekening en een gedicht. Het zijn maar een paar regels, maar ze zijn precies raak. En Bernard Wesseling schetste een journalist in een kroeg met markante figuren. Zijn 'Het heenkomen' is grappig en tragisch. Maar vooral heeft het een vertelstem waaraan je je moeilijk kunt onttrekken.

Manon Uphoff sluit het boekje af, met een stukje over haar overleden ouders die haar in haar dromen bezoeken. Ze wijst hun de deur en dat zit haar toch niet lekker.

Zo gaat dat. Doden zijn niet kapot krijgen. Ze komen aanwaaien en als ze binnen zijn, krijg je ze niet meer weg. Zo zal het ook gaan met Maarten van Roozendaal. Hij zal, welkom of niet, ons nog vaak bezoeken. Misschien maar eventjes. En daarna gaat alles weer verder. Alsof er niets is gebeurd.

Om te janken zo mooi is verschenen bij Nieuw Amsterdam. 

maandag 10 juni 2013

Nieuwe klassiekers



Wanneer noem je een lied een klassieker? In ieder geval moeten heel veel mensen het kennen, lijkt me. Ik denk dan aan nummers als 'Op een mooie pinksterdag', 'Het dorp', 'Mens, durf te leven' of 'Laat me'. De uitvoerende artiesten hoef ik niet te noemen, omdat iedereen die kent.

Daan Bartels maakte een boekje met nieuwe klassiekers, nummers uit de laatste vijfentwintig jaar die grote bekendheid genieten. Hij heeft zich daarbij voornamelijk beperkt tot de kleinkunst en tot de betere popliedjes. We treffen in zijn boekje Nieuwe klassiekers dus niet 'Heb je even voor mij?' van Frans Bauer aan of 'Ik neem je mee' van Gers Pardoel.

Voordat ik het boekje inkeek, had ik bedacht welke nummers erin zouden kunnen staan. Ik dacht aan 'Papa' (Stef Bos), 'Geen kind meer' (uitgevoerd door Karin Bloemen), 'Bloasmuziek' (Gé Reinders), 'Op fietse' (Daniël Lohues), 'Mooi'(Maarten van Roozendaal). Die in ieder geval, leek me. Spinvis zou er wel bij zitten, Guus Meeuwis misschien en natuurlijk Claudia de Breij met dat lied over Lynndie England. Nou ja, en misschien wel iets van Jeroen van Merwijk of Dorine Wiersma of Roosbeef. En zou 'Wegwaaien' van Milou Frencken bekend genoeg zijn? Of 'Ruimtevaarder' van Kommil Foo? Dat waren nummers en namen die door mij heen gingen. Ik kreeg maar een beetje gelijk.

In het nawoord geeft Bartels toe dat hij maar een beperkte keus heeft gemaakt (eenentwintig liederen) en dat er veel meer klassiekers zijn, waaronder 'Papa' van Stef Bos. Bartels liet zich bij de keuze leiden door vermeldingen in de Top 2000, door de mate waarin nummers werden aangevraagd bij radiopogramma's waarbij hij werkte en of nummers voorkwamen op 'lijstjes met betrekking tot uitvaarten, trouwerijen en andere ceremonies'. Ten slotte ging hij af op de mening en de smaak van vakgenoten en van (hier zet Bartels drie puntjes) zichzelf.

'Papa' komt op al die lijstjes voor, volgens mij; het reikte tot in de top honderd van de Top 2000, wordt gedraaid bij begrafenissen en andere plechtigheden en ik heb nog nooit iemand iets vervelends over het nummer horen zeggen. Dat het niet opgenomen is, moet dus liggen aan de smaak van de samensteller.

Maar goed, ik kan billijken dat in een vrij beperkte selectie nu eenmaal niet alle goede en populaire nummers opgenomen kunnen worden. Maar ik verbaasde me wel over de nummers die wel de selectie haalden. Ten eerste kende ik sommige nummers niet, maar dat zal aan mij liggen. In musicalnummers ben ik bijvoorbeeld slecht thuis. Ten tweede zijn er ook nummers opgenomen die tekstueel maar heel matig zijn.

'Morgen is vandaag' bijvoorbeeld, uit Soldaat van oranje. 'Vaderland' van Frank Boeijen stelt ook niet zoveel voor en helemaal erg is de draak 'Inspiratie' van Koen en Ad van Dijk, gezongen door Mathilde Santing. 'Ik heb je lief' van Paul de Leeuw is zo bekend, dat Bartels misschien daarom er niet omheen kon. Toch kan ik mij niet voorstellen dat iemand die van goede teksten houdt 'veel beetjes blij' wordt van dit lied. 'Vinkeveen' (Jan Beuving/Angela Groothuizen) is helemaal geen gek lied, maar kan een lied dat zo kortgeleden uitgebracht is al een klassieker zijn?

Bartels nam overigens ook nummers op waarvan het niet meer dan logisch is dat ze in een dergelijke selectie voorkomen: 'Mooi' (Maarten van Roozendaal), 'Amsterdams parfum' (Jan Boerstoel/Jenny Arean/Martin van Dijk)', 'De vondeling van Ameland' (Boudewijn de Groot/Freek de Jonge) en de 'Bloasmuziek' van Gé Reinders dus.Van Theo Nijland had ik gegokt op 'Een vrolijk liedje', maar 'De pijn is weg' is ook acceptabel, al is dat begin wel erg expliciet met die 'tranen' en dat 'verdriet.

De ondertitel van het boek belooft 'verhalen' over de nummers, maar het zijn eigenlijk korte interviewtjes, die niet zo erg strikt geredigeerd zijn. Er zijn babbelachtige passages die prima geschrapt hadden kunnen worden. Dat iets letterlijk zo gezegd is, lijkt me geen argument.

Bartels interviewde de tekstschrijvers, de componisten en de uitvoerende artiesten. Claudia de Breij ('Mag ik dan bij jou?') geeft daarin bijvoorbeeld zelf al aan wat het zwakke puntje in haar tekst is en Maarten van Roozendaal vertelt dat 'Mooi' als een geintje begonnen is, maar dat er toch een heel serieuze laag in de tekst geschoven is.

Bij het boekje is geen cd geleverd. Ieder die de muziek wil horen, wordt geacht naar de website van Bartels te gaan, hetlied.nl, waarop trouwens heel veel over het Nederlandse lied te vinden is. Iedere liefhebber van het Nederlandse lied zou daar van tijd tot tijd eens moeten gaan kijken. Op die site staan de filmpjes die bij de nummers horen. Het loont zeker de moeite om die te bekijken en te beluisteren.

Zo kende ik 'Bij mij' van Anne van Veen niet. In de tekst komt de zwakke zin 'Je blootje maakt me blij' voor, waardoor ik de rest van de tekst ook nauwelijks meer interessant vond. Maar Herman van Veen laat bij de uitvoering die zin gewoon weg en dan blijkt 'Bij mij' ineens een heel aardig nummer te zijn.

Eigenlijk had ik wat meer verwacht van Nieuwe klassiekers. Bij elk lied een stevige inleiding bijvoorbeeld, waarbij er meer over het lied gezegd wordt dan dat de melodie in tien minuten klaar was. Maar toch verveelt het boek niet. Je bladert het lekker door, leest hier en daar wat; je herkent sommige dingen en je laat je verrassen door andere.

Wel moet er een vervolg komen, lijkt me, waarin klassiekers geen plaats hoeven maken voor nummers die het nog moeten worden.










zaterdag 20 april 2013

Laura

Over het koningslied/kroningslied is ophef, vanwege de kwaliteit van de tekst. Dat verbaast me. De meeste Nederlandstalige liedteksten zijn beroerd. Acda en De Munnik kwamen ooit op nummer 2 in de Top 40 met een lied waarin prominent een foutieve samentrekking staat: 'Ik ben mezelf niet of al die jaren nooit geweest'. Het lied stond tweeëntwintig weken in de top 40, waarvan veertien weken in de top 10, waarvan negen weken in de top 5. En er zijn meer, veel meer voorbeelden.

Eind december 2010 schreef ik onderstaande tekst, nadat ik overvallen was door een lied van Jan Smit.


In deze dagen luister ik met tussenpozen naar de top 2000. Ik hoor er oude bekenden voorbijkomen, maar ook nummers die ik helemaal niet kende. Een van die nummes is Laura, van Jan Smit. Het staat bij de beste 800, dus er zullen veel mensen op gestemd hebben.

Dit pareltje was geheel aan mij voorbijgegaan. Als je gisteren aan mij gevraagd zou hebben waarover het lied gaat, zou ik het je niet kunnen zeggen. Als je het mij nu vraagt, dan kan ik antwoorden dat, tja, nou ja, dat het lied over Laura gaat.

Wacht, ik zoek de tekst even voor je op. Er blijken heel veel punten in te staan...
Kijk... ze lacht zonder gevoel
Een onbereikbaar doel...wordt er toch nog naar gestreefd..
Ik weet niet of je kunt zien of iemand zonder gevoel lacht. Misschien wel. In ieder geval had de tekstschrijver dat woord 'Kijk' nodig. Later begint hij zinnen met 'Ruik' , 'Proef' en 'Hoor'. Wie die tekstschrijver is, kan ik overigens niet vinden. De man of vrouw wenst blijkbaar anoniem te blijven.

Maar goed, ze (en dat zal Laura wel zijn) lacht zonder gevoel. Een onbereikbaar doel. Wat is dat doel? Lachen met gevoel? En lacht ze zonder gevoel omdat het doel onbereikbaar is? Het is niet duidelijk. De tekstschrijver geeft ons een losstaand zinsgedeelte en we moeten maar zien wat we ermee doen.

‘Wordt er toch nog naar gestreefd’. Hier zou een vraagteken achter kunnen, waarna we iets krijgen in de betekenis van: wordt er toch nog naar het doel gestreefd, hoewel het onbereikbaar is? Maar misschien is de zin als mededeling bedoeld: het doel is onbereikbaar, maar er wordt toch nog naar gestreefd. Tekstschrijver wenst het in ieder geval niet duidelijk te maken.
Ruik... de geur van grootse moed..
het stroomt toch door haar bloed...maar waarom
Simon Knepper noemde ooit een bundel De geur van Zeeuwse meisjes. Daar kan ik me nog iets bij voorstellen, net als bij de geur van spruitjes, net gebakken brood, zweetsokken, ammoniak, verse mango's of wierook. Maar, help me eens, hoe ruikt grootse moed ook alweer?

Het stroomt door haar bloed. Je verwachtte het niet, maar het stroomt tóch door haar bloed. Wat eigenlijk? Het geur? Of het grootse moed? En waarom? Ja, Tekstschrijver weet het ook niet.

Haar naam is Laura...
Een hele lieve meid...
Als ik in haar ogen kijk ben ik de weg heel even kwijt...

Over dat 'hele lieve' in plaats van 'heel lieve' zeur ik niet. De spreektaal is al lang in onze schrijftaal gedrongen en dat vind ik ook niet zo erg. De ik (voor het gemak noem ik die maar even Jan Smit) is even de weg kwijt als hij in Laura's ogen kijkt. Het zou flauw zijn om te zeggen dat je je ogen ook op de weg moet houden. Maar waarom is hij de weg kwijt? Wat weet hij niet meer? Hij vindt haar lief, maar blijkbaar is hij toch in verwarring. Waarover dan? Ja, ze is wel lief, maar... Nou, zeg het dan! Nee, Tekstschrijver zegt het niet.
Ooh Laura
Een leven vol verdriet... al haar vrienden lopen buiten
Maar voor Laura geldt dat niet...
Wat geldt niet voor Laura? Dat haar vrienden buiten lopen? Je kunt niet zeggen dat buiten lopen niet voor haar geldt. Waarschijnlijk bedoelt Tekstschrijver: al haar vrienden lopen buiten, maar Laura niet. Of voor mijn part: maar Laura wil dat niet. Of: Laura kan dat niet.

Wat zijn dat trouwens voor vrienden die buiten gaan lopen terwijl hun vriendin binnen zit te kniezen? Ze heeft een leven vol verdriet, wat ik wel snap, als je zo alleen wordt gelaten door je vrienden.

Ik begin te vermoeden dat Laura erg ziek is. Maar dan zouden haar vrienden waarschijnlijk wel naar haar omkijken. Of blijven ze buiten omdat Jan Smit bij haar is en maar in haar ogen zit te kijken?

Nu weet ik ook waarom Smit de weg kwijt is. Laura is wel 'een hele lieve meid', maar ja, ze is wel ziek. Om nou met zo iemand iets te beginnen... Het is wel eerlijk, maar ik vind het ook cru.
Proef... de smaak van haar gevecht
Het is zo onterecht, maar daar legt zij zich bij neer....
Ook hier weer: een gevecht kun je natuurlijk niet proeven. Wat is het trouwens voor een gevecht? Het is blijkbaar onterecht. Een onterecht gevecht? Is het onterecht dat Laura dat gevecht moet leveren? Of gaat het inderdaad om ziekte en is het onterecht dat Laura ziek is?

En waarom is dat dan onterecht? Omdat ze 'een hele lieve meid' is? Tekstschrijver vindt misschien wel dat alleen krengen ziek mogen worden. Tja.

Maar ook als het over ziekte gaat: wat voor gevecht voert Laura dan? Meteen in de volgende regel staat dat ze helemaal niet vecht, maar zich erbij neerlegt. Misschien had Jan Smit deze tekst bij zich toen hij bij haar op bezoek kwam. Laura probeerde erachter te komen waarover de tekst gaat. Dat bleek nog een heel gevecht.

Zoiets?
Hoor... de stemmen in haar hoofd... waardoor ze weer gelooft...
maar waarom...
Ik weet dat er mensen zijn die stemmen in hun hoofd hebben. Maar dat die stemmen zo hard klinken dat anderen het kunnen horen, lijkt me nogal sterk.

Vroeger was Laura gelovig. Ze dankte de Heer op haar blote knietjes, zong devote liedekens en riep om de haverklap 'Halleluja!'. Maar ja, je groeit op, vervreemdt van je geloof, gaat de dingen doen die de dominee verbiedt en geniet daarvan.

Maar dan wordt Laura ziek. Ze gaat stemmetjes horen. Stemmetjes in haar hoofd. En prompt wordt ze weer gelovig. 'Maar waarom?' vraagt Tekstschrijver. Ja, als hij, die de tekst heeft geschreven, het al niet weet, hoe kunnen wij het dan weten?
Haar naam is Laura..
Een hele lieve meid...
Als ik in haar ogen kijk ben ik de weg heel even kwijt...
ooh Laura..
Een leven vol verdriet... al haar vrienden lopen buiten
Maar...Voor Laura geldt dat niet...
Een herhaling, maar dat heb je nu eenmaal bij refreinen.
Maar waarom....
Is alles nu voorbij...
Laat het leven je nooit meer vrij...
Wanneer laat het leven je vrij? Je zou kunnen zeggen dat je pas bij de dood vrij van het leven bent. De derde regel uit bovenstaand couplet betekent dan: zul je voor eeuwig moeten blijven leven? Nee toch? Wees maar gerust, mijn kind, dat je de dood wel vindt of dat de dood jou vindt. Zit daar maar niet over in.
Haar naam is Laura...
Een hele lieve meid...
Als ik in haar ogen kijk ben ik de weg heel even kwijt..
Oooh laura...
Een leven vol verdriet... al haar vrienden lopen buiten
Maar... voor Laura geldt dat niet...!
Lied uit. We weten nog niets meer dan in het begin. Er is geen ontwikkeling geweest, er is geen kop, geen staart. Niks, niks, niks.

En toch stemmen mensen op zo’n lied. Met mijn kleine hersentjes (ja, ja, citaat van Johnny van Doorn) kan ik het niet snappen. Blijkbaar hoef je als zanger alleen af en toe op een poster te gaan staan in een onderbroek van C&A om in de top 2000 te komen. We zijn niet meer te redden.


'Laura' stond zestien weken in de Top 40 en reikte tot plaats 7.

Op één puntje van wat ik in 2010 schreef, moet ik terugkomen. Jan Smit zingt niet 'het stroomt toch door haar bloed', maar 'het stroomt nog door haar bloed', hoor ik nu. Ik ging af op deze site. Eén bron is geen bron. 


zondag 31 maart 2013

Me, myself and I

Wat is uw eerste associatie bij 'me, myself and I'? Grote kans dat u iets antwoordt wat neerkomt op 'ikke, ikke en de rest kan stikken'. Zo'n antwoord is ook niet zo gek in een individualistisch tijdperk als dat waarin wij nu leven. Maar een tekst als de volgende staat daar ver vanaf:
Me, myself and I
are all in love with you.
We all think you're wonderful,
we do. 
Me, myself and I
have just one point of view:
we're convinced
there's no one else like you.
It can't be denied, dear.
You brought the sun to us.
We'd be satisfied dear
If you'd belong to one of us.
So if you pass me by
three hearts will break in two,
cause me, myself and I
are all in love with you. 


Het is een lief liedje, gezongen door grootheden als Billie Holiday, Frank Sinatra en Randy Crawford. Het werd voor het eerst opgenomen in 1937. De tekst is van Allen Roberts en Alvin S. Kaufman, muziek door Irving Gordon. 

Of zij de titel weer ergens anders vandaan hadden, is mij niet bekend. Die titel sprak wel aan, want een keur van artiesten heeft daarna liedjes gemaakt met dezelfde titel. Al duurde het wel even voor het zover was. 

In 1980 zong Joan Armatrading 'Me, myself, I', wat zonder 'and' al minder lekker loopt. Het nummer haalde de tipparade, maar kwam niet in de top 40. Het gelijknamige album reikte wel tot plaats 5 in Groot-Brittannië. 

Bij het lied dat door Billie Holiday bekend werd, gaat het erom dat de ik verliefd is: me, myself and I are all in love with you. Bij Joan Armatrading wil de ik vooral alleen zijn:
I sit here by myself
and you know I love it.
You know I don't want someone
to come pay a visit.
I wanna be by myself.
I came in this world alone:
My, myself and I.
De ik zingt wel: 'I've just room enough for one: me, myself, I', maar het gaat niet om egoïsme. Alleen maar om het alleen zijn:
It's not that I love myself,
I just don't want company.

Eind jaren tachtig wordt de uitdrukking in de popmuziek bekend door het trio De La Soul. In Nederland wordt het nummer uitgeroepen tot alarmschijf, het komt op de eerste plaats en blijft daar twee weken staan. Tien weken staat het in de top 40. 

Bij De La Soul gaat 'me, myself and I' over jezelf zijn:
Always pushing that we've formed an image
There's no need to lie
When it comes to being plug one
It's just me, myself and I.
De tekst doelt niet alleen op authenticiteit, maar ook op zelfbewustzijn: 'Proud, I'm proud of what I am.' Het is een egocentrische tekst, in die zin dat hij helemaal draait om De La Soul, met passages als
Right is wrong when hype is written
On the soul. De La that is
Style is surely our own thing
Not the false disguise of showbiz


In de eenentwintigste eeuw gaat het hard met 'Me, myself and I'. In 2002 is er Jive Jones, die op plaats nummer 13 komt met dit lied. Jones zelf is weer gauw verdwenen. Misschien dat mensen zich alleen nog zijn blauwe haar en blauwe nagels herinneren. Het lied dat hij zingt, draait inderdaad om ik, ik, ik:
Me, myself and I
Just me, myself and I
Myself, myself
I, I, I, I, I
De tekst vertelt dat de ik gewoon lekker doet waar hij zin in heeft. Het lied stelt verder niet al te veel voor. 
You know that I
Love to do it all the time
I wanna get high
And that's fine



Tien jaar na De La Soul was er weer een 'Me, myself and I', van Vitamin C, artiestennaam van de zangers Colleen Ann Fitzpatrick. Het nummer kwam in Amerika nog wel op plaats 36 terecht, maar in andere landen deed het niks. 

Vitamin C zingt dat je op niemand anders dan jezelf kunt vertrouwen. In het lied komen verschillende mannen langs die onbetrouwbaar bleken. Deze bijvoorbeeld:
You know he was the type that never left me alone,
Until I really need to reach hem on the telephone.
He was nowhere to be found, he's hanging out with the boys
Driving over in the city in his pretty new toy. 

Zoals gezegd: het nummer was niet bijzonder succesvol. En ook zangeres Vitamin C is intussen wel vergeten. 

Toen De La Soul een hit had, was Beyoncé Knowles nog maar een klein meisje. Later zou ze zelf een nummer met die titel zingen. Dat was op haar eerste soloalbum, Dangerously in love (2003) In dat nummer is de ik een vrouw die door haar man verlaten is. Ze begint dan ook met: 'All the ladies, if you feel me help, sing it out!'

Achteraf snapt de ik niet dat ze zo naïef geweest is dat ze ooit heeft kunnen denken dat ze met de man een bestaan op had kunnen bouwen: 'Silly of me tot dream of one day having your kids'. Ze wist hoe de man was, maar ze dacht dat hij veranderd was. 'It took me some time, but now I've moved on, because I realized I got
Me, myself and I
That's all I got in the end
That's what I found out
And it ain't no need to cry
I took a vow that from now on
I'm gonna be my own best friend
In de eerste helft van het lied overheersen de spijt en de teleurstelling. De ik heeft niets anders dan zichzelf. Maar dat geeft ook kracht. Beyoncé spreekt in het lied alle verlaten vrouwen aan: 'Ladies, you will survive' en ze moeten het maar met haar meezingen:
I got me, myself and I
I know that I will never disappoint myself



In 2010 zingt de groep Hanson 'Me, myself and I'. Het aardige is dat in deze tekst, net als in het lied uit 1937 me, myself en I worden aangeduid als 'we':
When I'm alone in a cold, dark room, well,
there's still someone
that I can tell my troubles to.
Me, myself and I will never be alone.
We'll find a way to get along
and we'll be fine.
When all that's left is me, myself and I


Net als bij Beyoncé zingt Hanson over een relatie die over is.
Well, it's hard to see you don't belong to me,
'Cause I gave you the best part of my life.

En er is meer, veel meer, waar ik nu niet uitgebreid op in kan gaan. 'Me, myself and I' is de titel van nummers van: Phineas and Ferb, Bollebof, Takadum, Scandl'us, Paull ft. Maskerade, Cymphonique ft. Romeo, Matuse, Paul Rodriguez, Suko, The Beathovens, CremRo, L7, Neurosonic, Sho Baraka, Streetwize, Maria De Angelis, Exodus en Poisonblack. Rijp en groen door elkaar en steeds weer een ander nummer.


De trits 'me, myself and I' is intussen zo afgesleten, dat die eigenlijk niet meer als titel van een nummer te gebruiken is. Billie Holiday zal altijd wel gedraaid blijven worden, Beyoncé geef ik ook een goede kans en, vooruit, laat Hanson dan maar de derde zijn.


En deze, The Gift, als toegift.