zaterdag 18 juli 2026

Apache junction boek 6: Dead End (Peter Nuyten)


Stripmaker Peter Nuyten heeft intussen zijn sporen wel verdiend. Toch heb ik tot nu toe weinig van hem besproken. Ik vond alleen terug wat ik schreef over het eerste deel van Metro 2033. Een later deel daarvan heb ik intussen ook in huis, dus mogelijk schrijf ik daar ook nog over. 

Van de serie Apache Junction zijn intussen al zes albums verschenen. Ik heb ze wel eens doorgebladerd en zag dat ze goed getekend waren. Niet voor niets wordt het tekenwerk in deze serie wel eens vergeleken met dat van Giraud. Nu ik het zesde deel thuisgestuurd kreeg, besloot ik om dat toch maar eens nauwkeurig te gaan lezen. 

Als je zomaar in een reeks valt, heeft dat iets precairs. Voor een uitgever is het prettig als de verschillende delen ook min of meer zelfstandig te lezen zijn, lijkt me, maar dat is niet bij elke reeks het geval. Bij Apache Junction kostte het mij toch een aantal bladzijden om erachter te komen hoe de verhouding tussen de personages lagen, welke groepen nu tegenover elkaar stonden en wat nu het probleem was. 

Je zou kunnen zeggen dat Apache Junction een western is en dat is een genre waar ik van houd. Het perspectief is wel anders dan bij de gemiddelde western. Hier staan de oorspronkelijke Amerikanen, laten we ze voor het gemak de indianen noemen, centraal. Dat is een mooie insteek. 

Geronimo

Een bekende naam daarbij is Geronimo, die we ook tegenkomen in de strips van Blueberry.  Geronimo behoorde tot de Apachen. Toen ik jong was, zag ik die als een enkele stam, net als de Comanchen en de Sioux. Dat blijkt te simpel gedacht: er zijn veel verschillende soorten Apachen. 

Het leger zit achter Geronimo aan en die wil zich schuilhouden in de kloof der skeletten. Verder is Roy Clinton een belangrijk personage, een dubbelbloed, half Apache. En er is een groep Apachevrouwen, onder wie Nes-chila, die Clinton uit het verleden kent. En dan heb ik nog niet alle groepen of losse individuën genoemd. Ze spelen allen een rol in het verhaal. Onderaan plak ik de tekst op de achterkaft, die het een en ander uitlegt. 

De tekeningen zijn, ik herhaal het maar, uitstekend, maar het verhaal in het album lijkt een uitsnede uit een langer verhaal. Het is al bezig als je begint op de eerste bladzijde en het zal nog doorgaan na de laatste. Blijkbaar is het de bedoeling dat je de hele reeks leest en niet een los album. Dan zijn de lijnen waarschijnlijk ook wat duidelijker. 

Dossier

Achter in het album vertelt Nuyten de geschiedenis waarnaar het verhaal van de strip verwijst. Die geschiedenis wordt verlucht met afbeeldingen van authentieke foto's. Het laat zien dat de fictie gebaseerd is op werkelijke gebeurtenissen en dat je met deze strip een blik krijgt op wat er ooit gebeurd is. 

De tekst in het dossier is lastig te lezen. Aan de ene kant komt dat door de vormgeving: kleine marges, lange regels en heel lange alinea's, waardoor de tekst er massief uitziet. Op een enkele pagina is de tekst afgedrukt in twee kolommen en dat leest al prettiger. Het is vreemd dat niet op elke pagina voor dezelfde indeling is gekozen.

Maar het ligt ook aan de tekst, die taai is om door te nemen. Hier had een redacteur flink mee aan het werk gemoeten. Je vraagt je tijdens het lezen af waar de lijn is, waar de tekst naartoe gaat. Die lijn lijkt er nauwelijks te zijn. Nuyten zal de geschiedenis goed bestudeerd hebben en hij heeft wel erg veel stof. Hier hadden duidelijker keuzes gemaakt moeten worden. Eerlijk gezegd vond ik het lezen van de tekst niet te doen. Ik ben verschillende keren opnieuw begonnen, maar het is nauwelijks mogelijk de hele tekst door te nemen en daarna de belangrijkste feiten helder te hebben. 

Mogelijk had Nuyten de tekst achterin aan iemand anders over moeten laten, die helder had wat er in het dossierachtige gedeelte verteld had moeten worden en wat de lezer ervan moet meenemen. 

Ik weet niet of ik een volgende deel van Apache Junction ga lezen, maar als er een vergelijkbare tekst achterin staat, sla ik die in ieder geval over. 

Al met al was het lezen van Apache Junction een teleurstellende ervaring, maar het bekijken van de tekeningen is heerlijk. De tekeningen zijn goed, maar het verhaal had ik helderder, overzichtelijker gewild. Mogelijk komt dat doordat ik een los album heb gelezen en niet de hele reeks. 

En de tekst achterin maakte mij duidelijk dat dat gedeelte bepaald niet bedoeld was om mij te amuseren. Het was hard werken en de beloning was gering. 

Reeks: Apache Junction
Boek 6: Dead end
Tekst en tekeningen: Peter Nuyten
Uitgever: Arboris
2026, 72 blz. € 12,95 (softcover)


woensdag 15 juli 2026

Finale (Ina Boudier-Bakker)

Het werk van Ina Boudier-Bakker heb ik lange tijd nogal verwaarloosd. In een ver verleden las ik, min of meer bij toeval, Een dorre plant (1909), maar daar heb ik weinig herinneringen aan. Daarna liet ik haar werk een aantal jaren links liggen. 

De laatste tien jaar (zo ongeveer) lees ik elke paar jaar wat van haar en daar schrijf ik dan ook over. Links naar de besprekingen vind je onderaan. Aan De klop op de deur (1930) hebben veel mensen dierbare herinneringen en misschien verwachtte ik er daarom net te veel van. Maar De eeuwige andere (1959) vond ik goed.  Twee voeten (1928) weer wat minder, maar het was niet vervelend om het te lezen. 

Onlangs kocht ik De moderne vrouw en haar tekort (1920, tweede druk). Als mijn eigen tekort me niet te veel in de weg zit, zal ik dat nog lezen. 

Lof voor Finale

Maar nu heb ik Finale (1957) gelezen. Boudier-Bakker (1875 - 1966) was de tachtig al gepasseerd en mogelijk was ze in deze periode op haar best. Ik zou meer van haar gelezen moeten hebben om dat te kunnen beoordelen, maar De eeuwige andere verscheen twee jaar daarna. Op dit moment ontbreekt me de tijd om uitgebreider te zoeken, maar wat ik aan recensies op Delpher heb gezien, was positief. Het Rotterdamsch Parool kopte op 6 juli 1957: '82-jarige verbaast schrijvend en lezen Nederland.' 

Algemeen Dagblad 7 juni 1957

Jan Greshoff begon zijn bespreking op 10 augustus in Het Vaderland als volgt:


En hij eindigde net zo lovend:

Het is mij niet mogelijk de juiste worden te vinden dit boek te prijzen, omdat het boven log verheven is. Het is er. En op een zo volledige en onafwijsbare wijze dat het bijna onbetamelijk wordt er over te oordelen. Als iemand in een jaar niet meer dan twee romans kan kopen, dan behoort, voor 1957, Finale door Ina Boudier-Bakker daar nummer één van te zijn. 

Het boek verkocht blijkbaar goed. Drie jaar later, in 1960 dus, verscheen de vierde druk als Salamander. 

Haar oude zelf

Een oude vrouw verlaat haar huis en gaat in een villa, een pension, aan zee wonen. Ze wil alleen zijn om haar 'oude zelf' terug te vinden. 

Ze groeide op met haar moeder en haar jongere zus Fie, ging in zee met de kunstenaar Nico, met wie ze uiteindelijk trouwde. Ze gingen wonen in het huis van neef Victor. Nico is van gegoede stand en de vrouw heeft zich nooit thuis gevoeld in de familie waarin ze terechtkwam. Samen kregen ze zes kinderen. Die zijn intussen het huis uit en Nico en Victor zijn overleden. 

Toen Finale  verscheen, was de oorlog nog maar goed tien jaar voorbij en die wordt soms zijdelings genoemd, bijvoorbeeld als het gaat over haar jongste zoon Job, die in de oorlog te werk werd gesteld in Berlijn. Toen hij bij het sterfbed van Nico zat, moest hij daaraan terugdenken. 

Hij kon dezen zieke, zijn vader, teder behoed, verzorgd en veilig geborgen in eigen huis, nooit anders meer zien dan tegen dat andere. Dit sterven, benijdenswaardig immers. 

De oude vrouw is in de finale van haar leven. Ze trekt zich terug en wil alleen zijn. Kinderen en kleinkinderen komen wel langs, voor een deel wellicht omdat ze zich daartoe verplicht voelen. 

Een wijde boog gesloten

Vroeger was de oude vrouw gehecht aan haar vrijheid, maar ze is terechtgekomen in een leven waarin ze zich moest gedragen en waarin ze plichten had. 

Een wijde boog had zich gesloten. Een wilde jonge meid op een schildersatelier - een oude deftige dame. En daartussen de lange jaren, dat ze zorgvuldig haar woorden bewakend, had gelogen, verzonnen, gebukt...

Ze wil niet meer de dingen doen die van haar verwacht worden, maar de dingen die ze zelf wil. Aan de ene kant trekt ze zich terug, maar het is ook een vreemde gedachte dat ze nu nergens meer bij hoort. Ze heeft zich proberen te verzoenen met haar zus Fie, maar die stond daar niet voor open. Ook bij haar hoort ze niet meer. 

De vrouw maakt zich klaar voor de finale, waarin ze niet van alles meer hoeft, maar dan blijkt dat mensen haar nodig hebben. Een stiefkleinkind waar niemand raad mee weet, komt bij haar tot rust en als een kleindochter ongehuwd moeder wordt is zij de eerste om haar in het ziekenhuis te bezoeken. En ook de mevrouw die haar verzorgt in het pension blijkt haar nodig te hebben. 

Ze heeft gedacht, dat voor haar alles voorbij was - dat er voor haar niets meer op aankwam. Jawèl! Wis en waarachtig! Ze heeft het alleen maar alles scheef gezien. Ze heeft zich te weer gesteld tegen den Dood, toen die de sterkere scheen. Maar het Leven is de sterkste, die dit late geschenk in petto hield. Ze weet niet, nu ze triomfantelijk opkijkt in den gloed van den avondhemel, hoe in dat ogenblik een gezicht opbloeit, dat twee mannen hebben liefgehad. 

Hoe dat zit met die twee mannen, laat maar even in het midden. Daar kom je wel achter als je Finale leest. Het boek eindigt met een verwijzing naar een gedicht van P.C. Boutens:

Laat het duister zijn,
Als maar onderhand de dagen lengen.
Finale is een goed boek, een indringend portret van een oude dame. In hoeverre zou Boudier-Bakker zichzelf voor ogen hebben gehad? Zou zij ook het idee hebben dat ze zich in het leven te veel had aangepast? In ieder geval ging ze in haar schrijven haar eigen gang en bleef ze doorschrijven, zo lang ze kon. 

In 2001 verscheen nog een herdruk van Finale bij uitgeverij Aspekt. 

Twentsch Dagblad Tubantia 9 april 1959

Eerder schreef ik over ander werk van Ina Boudier-Bakker:

dinsdag 14 juli 2026

Naar de veiling

Weer een stukje dat ik uit een dagboek heb geknipt. Ik zeg het er elke keer maar bij en verontschuldig me dan voor de slordige compositie: ook deze keer houdt het fragment zomaar op. Ik schreef het op vrijdag 4 augustus 2023. 

Het was altijd een feest als we met onze vader meemochten naar de fruitveiling in Zetten. Het gebouw staat er overigens nog steeds. En mijn broer doet, samen met mijn neef, nog steeds in fruit. In 1926 begon mijn opa met het telen van fruit, dus de fruitteelt zit nu honderd jaar in de familie. Als je wilt zien hoe het er nu aan toe gaat, kijk dan op de website van het huidige bedrijf. 

De foto's hieronder heb ik geratst van de facebookpagina van Midden-Betuwe, het filmpje van YouTube. 


1965. Links de veiling, rechts station Zetten-Andelst


Een deel van het jaar is het druk met het fruit. Als we heel klein zijn, kunnen we niet zo heel veel doen. Als mijn ouders aan het sorteren zijn, kunnen we wel papier in de kistjes doen. Dat papier is een soort golfkarton, maar dan geen karton. Eerst de rand in de kist doen en dan de bodem. Daarna ziet de kist er heel netjes uit.

Als we ietsje ouder zijn, kunnen we mee appels rapen. Papa plukt en alles wat op de grond ligt, moet in de kist. De rotte appels niet, maar de geblutste wel. Dat is voor ‘val’ niet erg. Die is toch bestemd voor de fabriek. Daar wordt er appelmoes van gemaakt.

Als ik nog iets ouder ben, moet ik ook meehelpen met plukken. De bramen met hun scherpe doorns hoef ik niet te doen en de kruisbessen (knoepers) ook niet. Ook de zwarte bessen doet papa meestal zelf. Maar met de rode bessen help ik wel mee. Ik kan het lang niet zo snel als mijn vader.

Ik zet een veilingkistje op zijn kant en daar ga ik op zitten. Tussen mijn benen zet ik het kistje neer waar de bessen in moeten. Ik moet een bepaald aantal kistjes vol plukken voordat ik met Gerard mag gaan spelen. Als dat te lang duurt, doe ik een beetje aarde onder in de kist. Dan gaat het een stuk sneller. Alle kistjes worden afgewogen op de bascule; er moet altijd genoeg in zitten.

Uiteindelijk komt het natuurlijk uit. Mijn vader krijgt op zijn kop van de keurmeester op de veiling omdat er grond in de kistjes zit. Ik krijg een uitbrander en haal het verder niet meer in mijn hoofd om zoiets te doen.

Als ik nog groter ben, pluk ik ook mee met de pruimen, de appels en de peren. We hebben ladders van verschillende lengte. In het begin is zo’n ladder te zwaar voor mij. Mijn vader zet hem dan voor mij in de boom en ik ga met de hoenderik (voor de pruimen) of de kanis (voor de appels en de peren) de ladder op.

Het lastigst is het als er een tak helemaal naar buiten hangt. Je moet dan een been door de ladder steken. Als je een sport in je knieholte houdt, kun je achteroverleunen en alsnog het fruit plukken. Daar heb ik een hekel aan. Ik ben niet zo’n held in de hoogte.

De langste ladder telt 43 sporten. Die gebruikt mijn vader altijd zelf. Als ik op de middelbare school zit, ben ik een volwaardige plukker en mijn broer helpt dan intussen ook mee. Helemaal aan het eind van het seizoen moeten altijd alleen nog de perenbomen met Zwijndrechtse geplukt worden. Onze ladders (dertig sporten lang) komen lang niet bij de top van deze wel zeer hoge bomen. Ook met die van 43 is het nog lastig.

Aan het eind moet de kop van de boom nog wel geplukt worden. Mijn vader zet de ladder in de boom, kijkt mijn broer aan en zegt: ‘Toe maar, jong!’ Mijn broer antwoordt: ‘Het oude brood moet eerst op.’ En dan gaat pa zelf de ladder op.

De tijd van het fruit is de drukste tijd. Overdag plukt mijn vader, in de avond sorteert hij. Pas als wij wat groter zijn, kunnen wij daarbij ook meehelpen. Er staan een stuk of vier veilingkisten op hun kant. Daarop zijn vier andere veilingkisten gezet. De linker is voor de heel grote appels, daarnaast de kist voor de vrij grote. Daarop ligt ‘de maat’, een plankje met gaten van verschillende grootte. Daarnaast de kist met de appels die gesorteerd moeten worden en helemaal rechts de kist voor de kleintjes. Is er nog een aparte kist voor de ‘kroet’? Dat zijn de appels met een vlekje, door de schurft bijvoorbeeld. Of gaan die appels bij de kleintjes? Ik weet het niet meer. Het zullen wel verschillende kisten zijn.

Ik help mee tot koffietijd en daarna ga ik naar bed. Maar papa werkt door, soms tot een uur of elf. Als er heel veel te sorteren valt, zet hij de wekker op drie uur en gaat hij heel vroeg eruit om verder te gaan. Hij heeft tot half zes of zes uur. Dan moet hij gaan melken.

Bramen en bessen kunnen vaak met het Volkswagenbusje naar de veiling gebracht worden, pruimen soms ook. Maar soms, als het veel is, gaat papa met de trekker en de platte wagen. Bij de appels en de peren altijd.

Wij mogen vaak mee en dat is een feest. Als pa met de auto is, rijdt hij de veiling in, waar allerlei mannen met steekwagentjes rondrijden. Velen ervan ken ik bij naam. Als pa met de trekker is, rijdt hij buitenom. Hij rijdt de trekker met de wagen dicht langs het laadplatform. De mannen met de steekwagentjes kunnen dan zo de wagen op rijden.

De kisten worden in rijtjes gezet. Bij de laatste stapel wordt de veilingbrief tussen twee kistjes geklemd. Die veilingbrief heeft mijn vader thuis al geschreven. Zijn naam staat erop en er staat vermeld hoeveel kisten hij met welk fruit geleverd heeft. En het veilingnummer. Mijn vader heeft 551.

Bij het schrijven heeft mijn vader hard op de pen gedrukt. Dat doet hij eigenlijk altijd, maar hier is het ook nodig: het zijn twee velletjes op elkaar. Door het carbonblaadje ertussen kun je op het onderste vel zien wat er op het bovenste geschreven is. Het onderste krijgen we later terug. Daar staat de prijs op die het fruit heeft opgebracht.

Als we het fruit afgeleverd hebben, wordt het gekeurd. De keurmeester, Oostering, loopt rond in een beige stofjas. Hij heeft grijs haar dat in golfjes naar achteren is gekamd. Hij bepaalt tot welke klasse het fruit gerekend wordt.

Vanaf de hal waar het fruit staat, kun je binnendoor, door een gang naar ‘het kantoor’. Dan zie je links de kantine en rechts de ruimte waar de grote klok hangt. Er staan bankjes in waar de handelaars in plaatsnemen. Het loopt daar steil op, als in een collegezaal.

In het kantoor is er eerst een ruimte met een rij bakken waarin de veilingbrieven liggen, gerangschikt naar plaatsnaam. Herveld is het tweede bakje. Mijn vader zoekt zijn veilingbrief eruit. Soms kijkt hij op de andere brieven om te zien wat het fruit bij de anderen heeft opgebracht. Dat kun je ook zien op de lijst, die hangt voor het raam van het kantoortje van de keurmeester, dat grenst aan de hal waar we het fruit hebben neergezet.

Soms moet mijn vader iets op het kantoor. Moet hij het daar opgeven als hij nieuwe kisten wil hebben? Door het raam zie je de mensen die achter bureaus zitten te werken. Daar mogen de fruittelers niet komen. Mijn vader gaat voor het loket staan en wacht tot er iemand opstaat, naar de glazen wand loopt en het loket omhoog schuift.

We rijden naar de kistenloods. Daar werken twee mannen, met een grijze kiel aan, Bart en Arie. Bart is kort en dik en vrij vrolijk, Arie is lang en dunner. Het zijn aardig mensen. Als we het vragen, mogen we naar hun piepkleine kantoortje, waarin eigenlijk alleen maar ruimte is voor een bureau en twee stoelen. Daar zit bijna nooit iemand.

Onder het bureau staat een kist waarin Bart en Arie het carbonpapier hebben weggegooid. Soms is dat erg gekreukt, maar soms ziet het er heel mooi uit. We mogen velletjes carbonpapier mee naar huis nemen. Thuis leggen we zo’n velletje in bijvoorbeeld de Donald Duck, met een wit velletje papier eronder. Dan kun je Donald, Katrien of Hiawatha zo overtrekken.


1942

Achterzijde van de veiling

maandag 13 juli 2026

De lange mars van Lucky Luke (Matthieu Bonhomme)

Van verschillende klassieke strips zijn er intussen spin-offs: series die nog wel met de oorspronkelijke serie te maken hebben, maar toch min of meer hun eigen weg gaan. Soms is er een personage dat in de oorspronkelijke reeks een bijrol heeft of een van de zoveel hoofdrollen, en dat in de nieuwe reeks alle aandacht krijgt. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met het hondje Idefix en met Fanny van de Kiekeboes. 

hommagealbum door Gerben Vlakema
Het komt ook voor dat de personages in dezelfde constellatie opereren in een nieuwe reeks, maar wel met een andere tekenaar, zodat de strip ineens een andere sfeer ademt. Bij Suske en Wiske is dat niet alleen gebeurd in de reeksen over Amoras, maar ook in zogeheten hommagealbums, waarvan er sommige gemaakt zijn door Gerben Valkema. 

Bonhomme

Ook bij Lucky Luke is er zo'n nevenreeks, gemaakt door Matthieu Bonhomme. Tot nog toe heb ik die aan mij voorbij laten gaan. Je kunt immers niet alles lezen. Maar ik las wel goede berichten over het eerste deel, De moordenaar van Lucky Luke (2016). Het tweede deel, Wanted Lucky Luke (2021), ontglipte me in zijn geheel, maar nu is deel drie verschenen, De lange mars van Lucky Luke, en nu wilde ik toch wel eens zien wat het was. 

Bonhomme wilde van Lucky Luke weer echt een cowboy maken. Hij wilde hem ook weer laten roken. Dat deed de cowboy vroeger ook. Later kauwde hij op een sprietje. Dat roken mocht net niet, maar Luke mocht wel een sigaret rollen. 

Verder werd het personage een completer mens, die minder onverstoorbaar en onaantastbaar zou zijn. Zo kon hij gevoelig zijn voor de verleidingen van vrouwen. 

Op zoek naar een jongen

In De lange mars van Lucky Luke moet onze eenzame held op zoek naar een jongen, die verblijft bij een stam van oorspronkelijke Amerikanen. Die hebben het niet gemakkelijk. Hun gebied wordt flink aangetast door rigoureuze kap van bomen. Zo'n ecologisch thema maakt de strip in ieder geval actueel. 

Er zijn in de strip vertrouwde elementen, zoals de Daltons, die altijd goed zijn voor een brede glimlach bij de lezer, terwijl ze toch ook echt schurken zijn gebleven. 

Uiteindelijk blijkt het met de identiteit van de jongen wat anders te zitten dan we aanvankelijk dachten, Lucky Luke strijdt natuurlijk voor een rechtvaardige zaak en het loopt natuurlijk goed af. 

Het onderwerp is niet direct origineel en een tegenwerkende partner met wie je later goed kunt opschieten hebben we ook al tientallen keren eerder gezien, maar misschien is dat niet zo erg. 

De titel is natuurlijk een verwijzing naar De lange mars van Blueberry. Helemaal Blueberry is Lucky Luke niet geworden, maar hij is wel naar hem opgeschoven. 

Onderhoudend

Zonder meer is De lange mars van Lucky Luke uitstekend getekend. Er zit een zekere dramatiek in sommige tekeningen en omdat de held niet zo onverstoorbaar is, is hij menselijker en leef je meer met hem mee. Er blijft ook wel spanning in het verhaal. Het is amusement, jazeker, maar er is niks tegen goed amusement. Dit album is misschien niet direct een topstrip, maar het verhaal is onderhoudend, het leest heel lekker en het is goed getekend. 

Titel: De lange mars van Lucky Luke
Scenario, tekeningen en inkleuring: Matthieu Bonhomme
Vertaling: James Vandermeersch
Uitgeverij: Lucky Comics
2026, 78 blz. € 9,99

vrijdag 10 juli 2026

Dubbelleven. Geertruida Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie (Maite Karssenberg)

 

Het was een opwelling, denk ik. Ik las iets over Dubelleven, de biografie van Geertruida Muysken-Kapteyn en ik besloot dat ik dat boek, geschreven door Maite Karssenberg wilde lezen. Ik vroeg een recensie-exemplaar aan bij De Arbeiderspers en een paar dagen later werd dat bezorgd, op een regenachtige dag. De bezorger had het door mijn brievenbus gewrongen en had daarvoor zelfs de kartonnen envelop moeten verwijderen. Het boek lag gehavend op de mat. Maar ik had het. 


Ik hou van het lezen van biografieën. Niet alleen krijg je een beeld van het leven van de geportretteerde, maar ook van de tijd waarin zij of hij leefde en als dat een tijd is die je zelf hebt meegemaakt, maakt het ook nog allerlei herinneringen wakker. 

Het einde van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw hebben zeker mijn interesse. Voor de duidelijkheid: dat is een tijd die ik niet heb meegemaakt.  Maar ik heb bijvoorbeeld wel heel erg genoten van de brieven van Willem Witsen en het boek Oorlogsenthousiasme van Ewoud Kieft. En van veel meer, natuurlijk. 

Geertruyda Kapteyn-Muysken (1855 - 1920) kende ik, ik moet het met schaamte bekennen, helemaal niet. Ze maakte deel uit van de eerste feministische golf in Nederland  (maar niet alleen in Nederland), al wordt haar naam niet genoemd op de Wikipediapagina die daaraan gewijd is. Daar worden wel de namen genoemd van bijvoorbeeld Aletta Jacobs, Wilhelmina Drucker en Clara Wigmann. De naam van die laatste kende ik alleen door het instituut dat naar haar genoemd is. 

Maite Karssenberg dook in het leven Geertruida Muysken en doet niet alleen verslag van dat leven en van de opvattingen van Muysken, maar ook van haar eigen zoektocht. Daarbij gaat ze niet voor de biografeerde staan, maar ze laat zien hoe ze haar sporen heeft proberen te vinden, hoe ze het huis bezocht waar Geertruida gewoond heeft, hoe ze zich probeert voor te stellen hoe Geertruida met die lange rokken wandelingen maakt in de natuur door dat ook te doen. Ze probeert Muysken te naderen, maar nadert ook zichzelf, komt op die manier dichter bij een antwoord op de vraag hoe je een authentiek persoon kunt zijn. 

Vehikel voor filosofisch onderzoek

Een biografie als vehikel voor filosofisch onderzoek, noemt ze het. Ik geef een uitgebreid citaat uit de inleiding. 
Geertruida is voor mij een prisma. Mijn blik in haar leven opende een heel scala aan filosofische vragen. Haar ontwikkeling, haar worstelingen, de precisie van haar zelfinzicht, de thema's die haar bezighielden, de ideeën die ze zo gepassioneerd verkondigde -ze boden me een manier om na te denken. Over de spanning tussen het zelf en de ander, tussen binnenwereld en buitenwereld, het bewuste en het onbewuste. Over man-vrouwverhoudingen, seksualiteit, de liefde en de dubbelzijdigheid van het huwelijk. Over de werking van de menselijke psyche en de -vaak schrikbarende- mores van de psychiatrie. Over hoe momenten van de diepste mentale kwetsbaarheid zowel waarheid als vernietiging kunnen voortbrengen. Over moederschap als gevangenis en als manier van zelfverwerkelijking, over vriendschap als bron van levensgeluk en over de spanning tussen moeder en dochter. Over maatschappelijk engagement, feminisme en solidariteit. Over hoe de strijd voor individuele vrijheid tekortschiet zonder een visie op collectieve groei. Over de kracht van fictie, van toewijding, van idealisme. En over wat kennis is, en waarom puur intellectuele kennis tekortschiet. 
Natuurlijk krijgen we de levensloop van Geertruida te lezen. Ze bezocht de mms, de allereerste van Nederland, opgericht in 1867. Dat er dan sinds kort een middelbare school voor meisjes bestaat, laat al zien dat er dingen aan het veranderen zijn, dat vrouwen nieuwe terreinen betreden. 

Geertruida is bevriend met Martha van Vloten, die later zal trouwen met Frederik van Eeden. Haar zussen Kitty en Betsy zullen trouwen met respectievelijk Albert Verwey en Willem Witsen. Er zijn brieven bewaard die de twee vriendinnen elkaar schreven, maar veel meer van Martha aan Geertruida dan andersom. Karssenberg, altijd helder over haar bronnen, realiseert zich dat we daardoor een beeld krijgen van Geertruida, maar dat dat niet betekent dat we weten hoe ze werkelijk was.
Via Martha zie ik Geertruida. Maar hoewel Martha's beeld levensecht is, zie ik van Geertruida alleen de contouren. Hoe de jonge Geertruida werkelijk was blijft een mysterie, nog versterkt door de per definitie ondoordringbare gebeurtenissen van de zomer van 1875. 
In de zomer van 1875 wordt Geertruida in  het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Utrecht opgenomen. Aangezien er toen nog geen AVG was, is haar patiëntendossier bewaard. Verderop in haar leven zal Geertruida nog enkele keren opgenomen worden. De Nederlandsche Vereeniging voor Psychiatrie was opgericht in 1871 en nagenoeg alle gestichtsartsen (een dertigtal) waren erbij aangesloten. Ook op dat gebied zouden er nog veel veranderingen volgen.

Huwelijk

Geertruida wil zich ontwikkelen. Ze volgt lessen letterkunde en geschiedenis bij Willem Doorenbos. Ze heeft ook al contact gezocht met Helene Mercier (wier naam ik op andere plekken ook als Helena Mercier en Hélène Mercier gespeld heb gezien). Ze trouwt met Albert Kapteyn, een ingenieur die zich bezighoudt met een remsysteem voor treinen. Ze gaan wonen in Londen.

Opregte Haarlemsche Courant, 22 december 1880

Algemeen Handelsblad, 23 december 1880


Geertruida wordt moeder, aanvankelijk van twee kinderen (Olga, 1881 en May, 1883). Ze doet aan anticonceptie, maar er wordt nog een derde kind geboren (Albert, 1886). Er worden brieven geschreven (bijvoorbeeld aan haar zus Marie) en er is een dagboek overgeleverd. Door de hele biografie heen zijn er teksten van Geertruida opgenomen, cursief gezet, zodat je de informatie uit de eerste hand krijgt.  

Dubbelleven

Het huiselijk leven is niet gemakkelijk, ook niet als je personeel hebt. Dat moet immers aangestuurd worden. Geertruida moet zich in de praktijk met andere dingen bezighouden dan waar haar hoofd mee bezig wil zijn. Dat is een van de verklaringen van de titel van de biografie: je zou kunnen zeggen dat Geertruida een dubbelleven leidde: een huiselijk leven en een intellectueel en maatschappelijk leven. In het laatste hoofdstuk van de biografie, wordt er veel aandacht besteed aan haar dochter Olga. Ook in dat opzicht is er  sprake van een dubbel leven: dat van Geertruida en dat van haar dochter. Verder zou je nog kunnen zeggen dat zowel het leven van Geertruida als van haar biograaf doorklinkt in dit boek. 

Geertruida wordt lid van een van de eerste vrouwenclubs in Londen, de Pioneer Club. Het verbaasde me hoeveel clubs, verenigingen en tijdschriften waren, waarin de vrouwenzaak bepleit werd. Steeds proef je de overtuiging dat dingen anders kunnen en dat daarvoor wat moet gebeuren. Er hangt (niet alleen in Londen, maar ook op andere plekken in Europa) een aanstekelijk idealisme. 

Karssenberg beschrijft dat er een congres van de Internationale Vrouwenraad plaatsvindt. Zo'n drieduizend vrouwen overal vandaan, die dagenlang samen zijn, naar lezingen luisteren, discussiëren. De wind van verandering die er waait, moet aangenaam aangevoeld hebben. 


Het nieuws van den dag, 8 mei 1912

Netwerk

En Geertruida gaat publiceren, over bijvoorbeeld ethiek. Ze houdt zich diepgaand bezig met waar het naar toe moet met de maatschappij, ziet voor zichzelf grote lijnen waaraan ze wil vasthouden. Intussen heeft ze een uitgebreid netwerk. Zo onderhoudt ze (wat later in haar leven) een briefwisseling met Domela Nieuwenhuis. Inspiratiefiguren zijn voor haar onder meer de dichter/filosoof Jean-Marie Guyeau en de anarchist Peter Kropotkin. 

In 1901 verhuist ze naar Zwitserland, een verandering van locatie, maar een voortzetting van haar ontwikkeling. In 1906 verhuist ze met Albert naar Nederland. 

Geertruida leefde in een bevoorrechte klasse en ze had wellicht relatief veel vrijheid. Maar ze heeft zich ook bekneld gevoeld en ze was strijdbaar om niet alleen voor zoveel mogelijk vrouwen meer vrijheden te bevechten, maar ook om voor zoveel mogelijk mensen een betere maatschappij vorm te geven. Karssenberg geeft toe dat Muysken in haar geschriften niet altijd de soepelste stijl hanteert, maar ze heeft in ieder geval haar ideeën verspreid, door geschriften en spreekbeurten. 

Maite Karssenberg heeft een prachtige biografie geschreven, die al snel na verschijnen op de longlist voor de Libris Geschiedenisprijs is verschenen. Het is een persoonlijk boek geworden, waarin Karssenberg Geertruida zo dicht mogelijk wil naderen om te doorgronden waarmee ze bezig was en wat dat nu nog kan betekenen. In Geertruida brandde een vuur (dat haar zelf misschien van tijd tot tijd verteerde) en de warmte van dat vuur (ook van de biografe) voel je in dit boek. Er tintelt iets in. Ondanks dat lang niet alles zo gemakkelijk verloopt in Muyskens leven, voel je de gedrevenheid en de hoop op wat er ooit bereikt kan worden. Het doel voor ogen houden en compromisloos doorgaan. Dat is een instelling waarvoor je bewondering kunt hebben. 

Lezen dus. Niet alleen omdat Geertruida dat verdient, maar ook om een blik te krijgen op een tijd waarin zo duidelijk idealen werden nagestreefd. En natuurlijk ook omdat Karssenberg het verdient, die Dubbelleven met hart en ziel geschreven moet hebben. 

Maite Karssenberg, Dubbelleven. Geertruyda Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie. Uitg. Arbeiderspers, 2026; 472 blz. € 29,99

Tubantia, 7 maart 1908



Het Vaderland, 6 december 1911
Eerder schreef ik over de biografieën van:

donderdag 9 juli 2026

Toetjes van toen

Eind jaren tachtig kwam ik in Ede wonen en toen werd daar 's avonds nog de papklok geluid. Intussen is dat gebruik afgeschaft. Er waren vroeger blijkbaar veel mensen die voor het naar bed gaan een bord pap aten. Dat deden mijn ouders ook, in het begin van hun huwelijk. 

Daarover schreef ik op 23 oktober 2023 in mijn dagboek. Ik heb dat stuk eruitgeknipt. Het houdt zomaar ergens op. Blijkbaar ging ik toen over op een ander onderwerp. En het is nogal opsommerig. Dat moet je dan maar even voor lief nemen. 

Indertijd heb ik opgeschreven wat op dat moment bij me opkwam, dus compleet zal het overzicht niet zijn. Geen gruttenpap, geen boekweitpap. Mogelijk aten we die helemaal niet. Beide heb ik wel gegeten, maar wellicht later en bij iemand anders. 

Ik zal binnenkort weer wat stukjes opzoeken in de dagboeken, maar ik zie ook dat ik over sommige dingen nooit in het dagboek geschreven heb, dus die stukken moeten nog geschreven worden. Hoe ik als kind onbedoeld een kat bijna (of helemaal) de dood in gejaagd heb bijvoorbeeld, hoe ik samen met mijn zusje en een oude kinderwagen weggelopen was van huis, hoe mijn vader zich zo ergerde aan het gehuil van mijn jonge broertje dat hij hem met bed en al naar een andere ruimte tilde. Dat soort dingen. 

Wel heb ik geschreven over feest: mijn opa en oma van moeders kant waren dertig jaar getrouwd en die van mijn vaders kant veertig jaar. Daar moet ik dan wel foto's bij zoeken en dat kan ook even duren. 

Je merkt wel wat ik opzoek en wat ik plaats en ik welk tempo. De maand juli is erg druk omdat ik dan examineer voor de Staatsexamens. In augustus heb ik meer ruimte. 

Op de foto familieleden aan het toetje, dat wat feestelijker was dan gewoonlijk. De foto is gemaakt met Pasen 1960. Op de foto mijn toen tienjarige tante Riet, jongste zus van mijn moeder en ome Henk, getrouwd met de oudste zus van mijn moeder. Naast hem zijn zoon Tonnie, zes weken ouder dan ik. We zijn dan nog geen jaar oud. 


Mijn vader is van huis uit gewend om ‘s avonds pap te eten. Mijn moeder heeft wel verteld dat ze er heel erg aan moest wennen. Ze vond het vreemd dat bij mijn opa en oma ‘s avonds (om een uur of negen?) de tafel werd gedekt.

Ze heeft het gebruik overgenomen, in ieder geval in de eerste jaren van haar huwelijk. Soms word ik vroeg wakker en dan ga ik snel naar beneden om te kijken of er nog pap van gisteravond over is. Niemand vindt het erg als ik dat gewoon pak.

Mijn moeder kookt de pap altijd zelf. Bij tante Jannie komt de melkboer. Die heeft pap uit flessen, bijvoorbeeld chocoladevla of vanillevla. Of yoghurt. Die maakt mijn moeder ook wel eens zelf, maar het kan zijn dat we die een enkele keer uit de winkel hebben.

Als mijn moeder weinig tijd heeft, eten we beschuitenpap: melk met stukken beschuit erin. Misschien heeft ma er ook nog wat kaneel in gedaan. De beschuit is zacht geworden. De pap is dun en dat eet niet altijd makkelijk, maar ik lust het best.

Soms mogen wij een beschuit met melk: we gieten dan heel langzaam melk op een beschuit. De beschuit absorbeert de melk en wordt dan wel twee keer zo groot. Ik hou ervan om daarna de vellen uit de melkkoker te vissen en die op de beschuit te leggen. Daarna doe ik er suiker op. Heerlijk!

Karnemelksepap eten we verschillende keren per week. Je kunt die warm en koud eten. Niet altijd lukt die even goed. Soms gaat de pap schiften en dan zitten er korreltjes in. Wij vinden dat niet erg. De smaak blijft goed. Over de pap doen we suiker en als hij warm is doen we er ook wel een lepel stroop in. De stroop zit in een kartonnen bus, van De Zeeuwse Boerin.

De melkrijder brengt elke week tien liter karnemelk mee uit de fabriek. We drinken die ook wel bij het brood, maar we maken er dus ook pap van. Soms doet mijn moeder bier (oud bruin) door de pap. Dan wordt het bierepap. Daar zal ook wel wat kaneel in zitten, denk ik. Bierepap is lekker en het klinkt ook best stoer als je kunt vertellen dat je dat gegeten hebt.

Pruimenpap is van bloem gemaakt. Mijn moeder heeft de gedroogde pruimen een nacht lang laten weken en die gaan door de pap heen. De pap heeft een zachte smaak en de pruimen zijn heerlijk. In de kersentijd maakt ma ook wel kersenpap, van de wrak, de kersen die niet helemaal gaaf meer zijn. Die pap is paars. De pitten zitten nog in de kersen, dus na afloop heeft iedereen een hoopje pitten naast het bord liggen.

Soms gaan er heel wat borden pap doorheen. Iedereen mag opscheppen of op laten scheppen hoeveel en hoe vaak hij maar wil.

We hebben ook wel eens tutti frutti over de pap. Dat is meer iets voor de zondag en niet voor door de week.

Op weekdagen eten we wel havermoutpap of rijstepap, soms met rozijnen of krenten. Griesmeel eten we ook wel en daar zitten soms ook rozijnen door. Als we griesmeel op zondag krijgen, is het amandelgries of vruchtengries.

Mijn moeder bestelt bij de boodschappen altijd pudding voor de zondag, van Victrix. We krijgen een keer een spelletje bij de pudding: kaartjes met koppen, lijven en benen van mensen. Die kun je op allerlei manieren aan elkaar leggen, wat een grappig effect heeft.

Er zijn heel veel soorten pudding, zoals frambozenpudding of karamelpudding. Mijn moeder doet ze in kleine bakjes. Dan koelen ze snel af. Er zijn altijd meer bakjes dan er mensen in het gezin zijn. Dus soms kun je meer bakjes leegeten.

Er bestaat ook Saroma. Dat is geen kookpudding, maar kloppudding. Die is best snel klaar. De puddinkjes moeten alleen even opstijven in de kelder. Een koelkast hebben we niet.

Er zijn heel veel soorten pudding en op feestdagen doet mijn moeder die soms in een puddingvorm. Die pudding wordt gestort en dan zie je een druiventros bovenop.

Met custard kun je heel veel maken. Bijvoorbeeld vanillesaus. Die kun je dan over de chocoladepudding doen. Die eten we trouwens ook wel met slagroom. Maar je kunt ook pudding maken van custard.

Het lekkerst is die met lange vingers. Mijn moeder heeft dan vruchtenwijn op een bord gegoten en daar laat ze de vingers in weken. Als je het niet weet: lange vingers zijn koekjes. Het zijn zo’n beetje de eerste koekjes die kleine kinderen te eten krijgen.

Een laagje pudding, een laagje lange vingers, weer een laagje pudding enzovoort. Je kunt de wijn nog goed proeven.

Door de custard kun je ook bitterkoekjes doen, maar die koekjes kunnen ook door de bloempap. Altijd lekker.

Een van de lekkerste toetjes krijgen we in de perentijd. Mijn vader heeft in de boomgaard enkele rijen met Buerré Alexander Lucas. Wij zeggen geen buerré, maar bree, net als bij de bree hardy’s. Een peer voor iedereen brengt mijn vader mee. Mijn moeder schilt die, maar ze snijdt hem niet door en ze laat het steeltje zitten.

Ze kookt de peren in rode wijn, totdat ze helemaal rood zijn. Dan zet ze de peren in bakjes, met een beetje van de wijn eromheen. Dan gaat er chocolademousse over de peren. Dat is smullen. Als we het eten, hebben we allemaal een feestelijk gevoel. We noemen het toetje perendroom.

Dat het klokhuis er nog in zit is geen bezwaar. Bij peren kun je het klokhuis gewoon opeten. Dat leer je nog wel. Een peer eet je ook niet rondom, maar van boven naar beneden. Even het steeltje eruit trekken (dat gaat gemakkelijk als de peer goed rijp is) en dan beginnen te eten bij de punt. Wel oppassen dat de peer niet te rijp is. Sommige peren worden dan melig en andere worden buikziek: die zijn bruin van binnen. Dat is niet zo lekker.

Maar we hadden het over toetjes en wij noemen alle toetjes pap. Over de pap, maar eigenlijk de pudding, hebben we soms sap. Bessensap natuurlijk, maar ook bramensap. Meestal over de ‘gele pudding’. In de aardbeientijd hebben we ook wel aardbeien over de pap. En soms hoef je je niets van het seizoen aan te trekken, want dan zijn er aardbeien of kersen uit de weck. En ook wel eens groentjes. Dat zijn pruimen, die trouwens geel worden als ze goed rijp zijn.

We hebben ook wel eens slemp over de pap: gestoofde pruimen. Die eten we ook wel op brood.

We eten ook af en toe lammetjespap, maar ik weet niet goed hoe die gemaakt wordt. Is die anders dan de bloempap? Waarschijnlijk wel. En er is ook wel brinta, maar dat eet je meer bij het ontbijt.

Als we oud brood hebben, maakt mijn moeder broodschotel: brood in dobbelsteentjes, melk, eieren, rozijnen, kaneel en dan in de oven. Het is heerlijk, maar het is ook machtig, dus je moet niet te veel opscheppen. Wat je opschept, moet je immers opeten. Als dat niet lukt, krijg je te horen dat je ogen groter zijn dan je maag. Maar eigenlijk laat niemand zijn eten staan.

Soms krijgen we wentelteefjes van het oude brood, maar meestal niet als toetje en het komt maar heel weinig voor.

Deense vla is ook erg lekker. Onder in elk bakje doet mijn moeder bessensap met rozijnen erdoor en daar giet ze de dunne custard op. We zeggen altijd Deense vla, maar als het een tijdje in de kelder heeft gestaan, is het meestal wel pudding.

We krijgen ook wel pannenkoeken als toetje. Eerst erwtensoep en daarna pannenkoeken. Maar pannenkoeken krijgen we meestal ‘s avonds, in plaats van brood. Als het winter is, letten we goed op de koeien. Als alle koeien op dezelfde zij liggen, bakt mijn moeder pannenkoeken. Dat komt maar weinig voor.

In de kersentijd bakt tante Met ook wel kersenkoek: pannenkoeken met kersen erdoorheen. Dat doet ze als een van de plukkers een dubbele kers heeft gevonden. Als wij er zijn, eten we ook een pannenkoek mee, in de bongerd.

Als we een keer bij Ome Ab en tante Ria gaan eten, krijgen we ijs als toetje. Dat komt als een blok uit een groot kartonnen pak. Het is heerlijk. Wij hebben geen vriezer, dus dat krijgen we nooit. Er gaat sap overheen.

Ook watergruwel maakt mijn moeder niet, voor zover ik weet. Precies weet ik het niet, maar volgens mij is het bessensap met daardoorheen gort en rozijnen. Heb ik dat wel eens bij een oom of tante op? Of zal ik dat later pas leren kennen als ik op het internaat zit?

Haagse bluf maakt mijn moeder wel eens, maar niet vaak. Dat is ook met bessensap en eiwit, geloof ik. Mijn moeder moet heel lang kloppen met haar garde (wij zeggen: gar) en dan wordt het een soort schuim.

woensdag 8 juli 2026

Voetsporen (Milan Hulsing)

Mijn kennis van de buitenlandse literatuur is gering. Toen ik jong was -ach hoe lang geleden!- las ik alles wat ik kon krijgen en toen heb ik ook veel buitenlandse klassiekers gelezen, maar later had ik mijn handen vol aan de Nederlandse literatuur en daarvan is er al zoveel dat ik lang niet alles gelezen krijg, hoe hard ik ook mijn best doe. 

De naam Karel Čapek zei me dan ook niks. Dat het woord 'robot' uit het Tsjechisch kwam, wist ik, maar niet dat deze auteur het bedacht had. Ik lees het in het voorwoord van Voetsporen van Milan Hulsing, die vijf korte verhalen van Čapek verstripte. Het boek kwam al begin 2025 uit, bij Concerto Books, maar die uitgeverij stuurt mij gewoonlijk geen recensie-exemplaren, dus ik had het aan mij voorbij laten. Maar onlangs heb ik het toch gekocht en daar heb ik geen spijt van: prachtig boek. 

Hulsing keert in Voetsporen terug tot de tekenstijl die hij gebruikte in Stad van klei (2011): tekeningen die geen scherpe omlijning kennen en als kleur zijn er alleen bruinige tinten gebruikt. 

Een poging tot moord

De verhalen zijn zonder meer intrigerend. Het openingsverhaal is 'Een poging tot moord'. De ambtenaar Tomla bevindt zich in huis als er door het raam op hem geschoten wordt. Er wordt een onderzoek ingesteld naar de aanslag en de inspecteur (als dat de goede benaming is) vraagt of Tomla vijanden heeft. Hij kan het zich niet voorstellen. 

Maar daarna gaan zijn gedachten terug naar alles wat hij in zijn leven gedaan heeft en hoe hij daarbij misschien mensen onheus heeft bejegend. Het beeld dat hij van zichzelf heeft, kantelt. 

Het verhaal deed me sterk denken aan 'De boer die sterft' van Karel van de Woestijne. De tekst vind je hier. De boer vindt dat hij zijn 'wél' niet heeft gehad en is ontevreden. Dan verschijnen zijn zintuigen en laten hem zien hoeveel moois hij gezien, geroken enzovoort heeft, waarna hij tevreden kan sterven. Het is zo ongeveer het spiegelbeeld van 'Een poging tot moord'. Maar in beide verhalen wordt de balans van het eigen leven opgemaakt en komt iemand tot volstrekt ander eindoordeel dan het beginoordeel was. 

Oplatka's einde

Ook bij 'Oplatka's einde' is er zo'n soort zelfonderzoek. De tuberculoselijder Oplatka doodt iemand en slaat op de vlucht. Daarbij doodt hij telkens weer iemand, terwijl er op hem gejaagd wordt. Tijdens de jacht op hem wordt hij steeds meer de verzinnebeelding van het kwaad. Maar in hoeverre deugen de jagers die aan de 'goede' kant staan? 

'Oplatka, een scharminkel in de modder, een kapotgeschoten, kreupele kraai, en wij... een stel moordzuchtige jagers.'

Goed en kwaad lijken verwisseld. Maar in het laatste plaatje blijkt ook de nieuwe positionering van de personages niet vast te liggen:

Stelletje moordenaars! Om te kotsen.
Mals IK die Oplatka voor mezelf had gehad...

De blauwe chrysant

In 'De blauwe chrysant' heeft Klara, een wat wonderlijke vrouw, een blauwe chrysant, een bloem die eigenlijk niet bestaat. Maar ze wil of kan niet zeggen waar ze die vandaan heeft. De botanicus Filnius is geobsedeerd door deze bloem en ontdekt waar Klara die gevonden heeft. Hij ziet hoe haar gedachten anders gaan dan van alle andere mensen. Dat die zich niet laten intomen. Juist Klara is degene die wel ingetoomd wordt en in de gevangenis terechtkomt. Als Filnius de bloem wil kweken en aan de wereld wil tonen, blijkt dat niet te kunnen. 

Het verhaal van de dirigent

In 'Het verhaal van de dirigent' praten dirigent Bouda en zijn kameraad Petr met elkaar. Petr vertelt dat hij zag hoe zes mensen iemand te grazen namen. Hij grijpt in en krijgt er eentje te pakken, maar weet niet zeker of hij nu een dader of het slachtoffer voor zich heeft. 

Daarop vertelt Bouda dat hij in Liverpool was. Hij hoort een gesprek tussen een man en een vrouw, dat hij niet kan verstaan, maar afgaande op de manier waarop het gesprek gevoerd wordt, concludeert hij dat de man de vrouw van iets kwaadaardigs wil overtuigen. Hij waarschuwt daarom de politie. De volgende dag leest hij in de krant dat er een moord gepleegd is. 


Voetsporen

Ten slotte is er het verhaal 'Voetsporen' over Rybka die sporen in de sneeuw volgt. De sporen stoppen voor zijn huisdeur. Hij roept de hulp in van de agent, maar die helpt hem niet verder. Wel zorgt die ervoor dat hij na gaat denken over wanneer iets een mysterie is. 

Zowel bij het verhaal van de blauwe chrysant als bij 'Voetsporen' gaat het om het omgaan met wat niet te bevatten is, wat niet onder controle te krijgen is. Dirigent Bouda kan een orkest zijn wil opleggen, maar om hem heen gebeuren zaken die hij niet onder controle heeft. 

De verhalen van Čapek zijn prachtig en Hulsing heeft ze geweldig vormgegeven. Ze gaan over gewone mensen, die het liefst hebben dat hun leven rustig verloopt, maar in alle verhalen is er een verstoring van de normale loop der dingen, waardoor de stabiliteit uit hun leven verdwijnt. Ze worden gedwongen na te denken over zichzelf of over het leven. Meestal levert dat geen geruststelling op. 

Dreigende verstoring

Čapek laat zien dat je het leven niet onder controle hebt en dat er maar weinig hoeft te gebeuren de rust in je leven te verstoren. Het zijn eigenlijk geen spectaculaire gebeurtenissen, maar ze zijn wel indringend en dat zijn de verhalen ook. Je hebt het idee dat ze meer zijn dan anekdotes, dat ze raken aan universele waarheden. 

Juist daarom is de stijl van tekeningen goed gekozen. Weinig kleur, weinig spektakel. Het gaat om de kern, niet om alles eromheen. 

De onrust die er onder de verhalen woelt doet me denken aan het lied Vage angst, geschreven door George Groot, te vinden op het album Trappen op van Don Quishocking. Daarbij zijn het niet de grote rampen die angst oproepen, maar de kleine verontrustende zaken, die niet te verklaren zijn. 
Maar ik heb altijd van die vage angsten
Waarvan ik zelf weet dat dat nergens op slaat
Bijvoorbeeld dat er zomaar op een dag gebeld wordt
En dat er dan een onbekende voor me staat
Die zegt: U weet het niet, maar ik hoor eigenlijk bij u
Ik volg u dagelijks, vanaf uw derde jaar
Nu kom ik bij u wonen, ik blijf altijd bij u
Niet dat die man er staat, maar ja, het is toch raar
Juist als alles gaat zoals het gaan moet, dreigt de verstoring. Dat alles klopt is maar vernisje en voor je het weet breekt de niet te hanteren werkelijkheid er doorheen. 

Milan Hulsing achtte ik al hoog. Hieronder neem ik de links op naar wat ik over hem schreef. Hij heeft alweer aan de hoge verwachting voldaan, met deze bundel verontrustende verhalen. 

Concerto Books heeft er een mooie hardcover van gemaakt met op de omslag een lettertype dat ook een eeuw geleden gebruikt had kunnen worden. Allemaal prachtig. 

Eerder schreef ik over ander werk van Hulsing: