vrijdag 6 februari 2026

Afgestoft: Dit is alles (Aidan Chambers)

Wat was het eerste boek dat ik van Aidan Chambers gelezen heb? Helemaal zeker weet ik het niet, maar ik vermoed dat Tirannen (1986) is geweest, een boek over pesters. Ik was toen docent op een mavo en beheerde daar ook de biliotheek. Eigenlijk las ik zo'n beetje alles wat ik nieuw aanschafte en Tirannen was een van die boeken. 

Mogelijk, maar ik moet enkele slagen om de arm houden, las ik daarna Het geheim van de grot, dat een jaar eerder was uitgekomen. Ook een aardig jeugdboek, maar ik was pas echt onder de indruk toen ik Nu weet ik het (1990) gelezen had. Daarna heb ik nog veel meer boeken van hem gelezen en volgens mij heb ik hier in huis nog ergens Verleden week (1979) ongelezen liggen. 

Over het dikke boek Alles is anders schreef ik in Liter nummer 52, jaargang 11 (2008). Over Nu weet ik het heb ik ook in Liter geschreven. Dat stukje zal ik nog een keer afstoffen. 



Een hoofdkussenboek


Volgens Ivan Morris is een hoofdkussenboek ‘een dagboek, of verzameling dagboeken, bewaard op een veilige, min of meer geheime plek, waarin van tijd tot tijd indrukken worden genoteerd, dagelijkse gebeurtenissen, gedichten, brieven, verhalen, ideeën, beschrijvingen van mensen, etc.’ Deze Morris, die mij verder onbekend is, noteerde dat naar aanleiding van Het hoofdkussenboek van Sei Shÿnagon (begin elfde eeuw), dat mij ook onbekend was, maar dat blijkt te gaan over wat Shÿnagon aan het hof beleefde.

Aidan Chambers noteert het citaat van Morris aan het begin van zijn dikke boek (bijna achthonderd pagina's) Dit is alles en dat is wel begrijpelijk. Het boek heeft immers als ondertitel Het hoofdkussenboek van Cordelia Kenn. Zo'n ondertitel lijkt een vrijbrief om van een boek een allegaartje te maken en misschien is het dat voor een deel ook wel geworden, maar wie eerder werk van Chambers heeft gelezen, weet dat hij zijn boeken altijd zorgvuldig opbouwt.

Dit is alles (vertaald door Annelies Jorna, Querido, Amsterdam 2007, 784 blz., €27,90) is bedoeld als sluitstuk van de cyclus Dance sequence, die bestaat uit Verleden week (1979, 1990), Je moet dansen op mijn graf 1985), Nu weet ik het (1990), De tolbrug (1993) en Niets is wat het lijkt (2000). Pas bij het tweede boek besloot Chambers dat hij een serie ging schrijven. De boeken moesten elkaar opvolgen, maar ze moesten ook op zichzelf kunnen staan, zoals dansen die elkaar opvolgen.

Chambers' boeken zijn bedoeld voor de oudere jeugd, zo ongeveer van vijftien jaar en ouder, maar een goed is boek is natuurlijk voor alle leeftijden. In elk boek leven we mee met een jongere, dus iemand die opgroeit en met de problemen van dat opgroeien te maken krijgt. Mij sprak vooral Nu weet ik het aan, een boek waarin de spanning tussen rationeel denken en geloof verkend wordt. De hoofdpersoon Nik, die aanvankelijk niets van het geloof afweet, bekeert zich, maar wordt niet gelovig. In de andere boeken schrijft Chambers over lichamelijke en zintuiglijke waarnemingen, emotie en obsessie, het herkennen van vriendschap en het verkennen van grenzen. Terwijl ik dit schrijf, besef ik hoezeer ik Chambers tekort doe door zijn boeken terug te brengen tot een thema.

In Dit is alles moeten al die thema's samenkomen en dat doen ze ook. Het is voor het eerst in deze serie dat Chambers het verhaal vertelt vanuit een vrouwelijke hoofdpersoon, Cordelia Kenn, bijna twintig jaar oud, die zwanger is en het hoofdkusssenboek schrijft voor haar nog ongeboren dochter. Ze wil haar het boek overhandigen als ze zestien is, zodat moeder en dochter min of meer tegelijk volwassen kunnen worden: moeder zal in het boek immers net zo oud zijn als de dochter in werkelijkheid is.

Of het Chambers gelukt is een jonge vrouw realistisch te tekenen, zou eigenlijk beoordeeld moeten worden door een vrouw. Op mij komt Cordelia in ieder geval als geloofwaardig over.

Dit is alles bestaat uit zes boeken, die als titel aanduidingen hebben als ‘De rode kussendoos’, ‘De groene kussendoos’ enzovoort, waarmee ze verwijzen naar de dozen waarin Cordelia haar aantekeningen bewaart. Die verschillende boeken (ik zal voor het gemak de aanduiding ‘hoofdstukken’ gebruiken) verschillen onderling van opzet. Van het tweede hoofdstuk zijn de rechterpagina's als één doorlopend verhaal te lezen en de linkerpagina's ook, zodat je steeds moet kiezen: lees ik de ene verhaallijn eerst en daarna de andere, of wissel ik het af. In het vierde hoofdstuk verwijzen onderhoofdstukjes naar elkaar. Soms staat aan het einde van zo'n stukje waar je het vervolg kunt lezen. Het kan ook zijn dat je dat al gelezen hebt, omdat het eerder in het boek opgenomen is. In het laatste hoofdstuk wordt steeds de aanduiding ‘Scène’ gebruikt, alsof het over een toneelstuk gaat.

Hierdoor is Dit is alles een boek waarin je als lezer vrijheid hebt. Het is prettig om een beetje aan te kunnen rommelen, terwijl je toch het idee hebt dat de schrijver op de achtergrond greep op je leesgedrag heeft.

Cordelia wandelt in dit boek op het pad van de liefde, al is het aanvankelijk helemaal niet haar bedoeling om dat pad op te gaan. In een tijdschrift over het seksleven van jongeren heeft ze gelezen dat het gemiddelde meisje voor het eerst seks heeft op een leeftijd van zestien jaar en drie maanden en omdat Cordelia niet doorsnee wil zijn, besluit ze dat ze met een jongen naar bed geweest moet zijn voordat ze die leeftijd bereikt. Ze kiest daarom uit een handje gegadigden Will (William Blacklin) als jongen met wie ze ‘alles onthullende, alles omvattende seks’ wil. Ze had gehoopt dat hij meer ervaren was dan zij, maar dat valt tegen. Wel wordt ze verliefd op hem en deze liefde blijkt hun beider leven nogal te compliceren.

Cordelia's vader zou misschien een voorbeeldfiguur kunnen zijn, maar hij is dat niet. Sinds zijn vrouw is overleden, heeft hij af en toe een vriendin, maar enige stabiliteit zit er niet in deze verhoudingen. Wanneer hij toch een vaste relatie opbouwt met een vrouw, is dat met Cordelia's vertrouwenstante Doris, iemand die ze eerst min of meer voor zichzelf had en die ze nu kwijtraakt.

Cordelia heeft wel een soort mentrix, die gaandeweg haar vriendin wordt. Het is Julie, die we nog als jongere kennen uit het boek Nu weet ik het, waar ze een tijdje optrekt met hoofdpersoon Nik. Julie is lerares Engels en doet ook wat denken aan meneer Osborn uit Je moet dansen op mijn graf: een wijze volwassene, die raad geeft, zonder daarbij zijn wil op te leggen. Julie zet Cordelia aan het nadenken over wie ze is en wat ze betekent. Ze doet dat naar aanleiding van een gedicht van Veronica Forrest-Thomson dat ‘Cordelia’ heet. Een gedicht moet niet iets betekenen, maar iets zijn volgens Forrest-Thomson en Cordelia komt na lang nadenken tot de conclusie dat ze betekent wat ze is. De reactie van haar lerares: ‘Heel slim, Cordelia. Nu moet je nog bewijzen dat het waar is wat je zegt.’

Chambers houdt van overpeinzingen en Cordelia is dan ook een meisje dat graag de dingen op een rijtje zet. Van mij mocht dan het verhaal wel weer gewoon verder gaan, omdat personages immers niet alleen en misschien wel niet in de eerste plaats getypeerd worden door wat ze denken, maar vooral ook door hoe ze handelen.

Gelukkig kan Chambers ook de lezer meeslepen door het verhaal, dat soms uitgesproken spannend is, bijvoorbeeld wanneer Cordelia in de macht is van de gewelddadige Cal.

Toch werd al het gereflecteer mij wel eens wat veel en ook de lijstjes die Cordelia opstelt (mooie spreuken, citaten, eisen waaraan mijn geliefde moet voldoen, vreemde uitdrukkingen met het woord ‘ogen’) verveelden mij wel eens. Nog erger waren de gedichten, die Cordelia dan wel bescheiden ‘dichtsels’ noemt, maar die toch maar in het boek opgenomen zijn.

Ach, het zijn maar smetjes. Dit is alles is een gedurfd en rijk boek en Cordelia is een eigenzinnige jonge vrouw die van mij best een plaatsje in de literatuur mag hebben.

donderdag 5 februari 2026

Een kleine moeite (Anja Meulenbelt)

Het is me tot nu toe gelukt, hier drie nieuwe recensies in de week te plaatsen, maar mijn weken en mijn hoofd lopen vol van alle drukte en ik lees in gestolen uren. Dan weet je dat maar alvast als ik straks wellicht moet terugschakelen. Dat ik tussendoor ook af en toe een wat minder dik boek lees, helpt natuurlijk wel. 

Zo'n minder dik boek is Een kleine moeite (1985) van Anja Meulenbelt (128 bladzijden). Meulenbelt krijgt de P.C. Hooftprijs voor essayistiek en het is voor het eerst dat een vrouw die krijgt. Dat niet eerder een vrouw die prijs kreeg is toch wel verwonderlijk. Nee, ook Annie Romein-Verschoor of Renate Rubinstein niet. 

Toen ik hoorde dat het oeuvre van Meulenbelt bekroond zou worden, schaamde ik me wel een beetje: ik had nooit wat van haar gelezen. Wel heb ik met heel veel interesse geluisterd naar interviews met haar, wel wist ik welke rol ze gespeeld heeft in de vrouwenemancipatie, wel kende ik titels als De schaamte voorbij (1976), Kleine voeten, grote voeten (1982) en Alba (1984), maar daar hield het ook wel een beetje mee op. 

Zo rond 1980 begon ik de literatuur intensief te volgen. Elke zaterdag fietste ik naar de boekhandel die voor mij de kranten met de boekenbijlages apart hield en ik las alles. Al die recensies knipte ik uit en ordende ik op een kaartsysteem. De romans van Meulenbelt kregen (voor zover mijn geheugen mij niet bedriegt) kritieken die niet zo lovend waren. Maar misschien waren al die critici mannen, dacht ik, dat kan ook meespelen. Maar op DBNL las ik een recensie van Elsbeth Etty in Vrij Nederland en die was ook niet positief. Ongetwijfeld heb ik indertijd ook die bespreking gelezen. 

Mijn indruk was in ieder geval dat het werk van Meulenbelt literair niet zoveel voorstelde. Helemaal reconstrueren kan ik het niet, want waarom beluisterde ik dan wel interviews met haar? Misschien toch vanwege die essayistische kant. 

Moeder en dochter

Maar goed, nu heb ik de roman Een kleine moeite gelezen. Eigenlijk is het geen roman: de hoofdpersoon heet Anja Meulenbelt en ze heeft het boek De schaamte voorbij geschreven. Het boek gaat over de hoofdpersoon en haar moeder en ik neem dan toch maar de vrijheid om te schrijven dat het over de schrijfster en haar moeder gaat. Waarom ze dan toch dit boek een roman noemt? Misschien om zich in te dekken en om de vrijheid te hebben toch hier en daar wat te verzinnen, misschien ook omdat ze hoopt dat het toch leest als een roman. 

Ik zwenkte tijdens het lezen een beetje heen en weer. Een kleine moeite vertelt ook wel een verhaal. Over een moeizame relatie tussen een schrijfster en haar moeder, die ziek wordt en overlijdt, maar er staan ook stukken in waarin Meulenbelt observerend terugkijkt, naar bijvoorbeeld de vrouwenbeweging. 

Bij een passage zette ik meteen een streepje en achteraf las ik dat Etty die passage ook noemt:

Als er iets is dat mij tot het feminisme dreef, dan is het niet eens de mannenhaat, die is van later datum, maar de haat tegen het soort mens dat mijn moeder was geworden en het vaste voornemen dat ik deelde met zoveel vroege feministen: niet te worden zoals zij. Die opkomende golf in het begin van de jaren zeventig, dat was een beweging van dochters

Dat lijkt me een belangwekkende opmerking. Als vrouwen opkomen voor hun rechten, wordt misschien wel automatisch aangenomen, door mannen wellicht, dat ze afbreuk doen aan de rechten van de man, maar dat zou zomaar een frame kunnen zijn. 

Beknotte vrouw

Meulenbelt werd geboren in 1945, in de laatste oorlogswinter. Haar moeder had de kweekschool voor de oorlog afgerond, maar de oorlog en het gezin kwamen ertussen. 

Ze hoorde bij de naoorlogse generatie vrouwen die van alle kanten werden geïndoctrineerd dat een goede moeder thuis hoorde te zijn als haar kinderen uit school kwamen. 

Ze wordt getekend als een beknotte vrouw. Die ziet dus dat haar dochter zich andere vrijheden veroorlooft dan zij zelf heeft gekund en dat zal mede de relatie tekenen. Die dochter heeft het trouwens niet alleen maar makkelijk, ja, zelfs bij tijden uitgesproken moeilijk. Al op haar zestiende zwanger, van een man die gewelddadig is. Na de scheiding woont ze weer in bij haar ouders, later heeft ze een eigen woonplek. 

De schaamte voorbij

Het grote succes voor de schrijfster Meulenbelt is haar boek De schaamte voorbij, dat veel publiciteit opleverde. Ze had niet aan haar moeder verteld dat het boek was verschenen en zelfs niet dat ze een boek aan het schrijven was. Moeder moest van tennisvriendinnen horen wat haar dochter allemaal geschreven had, ook over haar. Moeder schafte het boek dus aan en stond op een dag bij Meulenbelt op de stoep, met het boek waarin overal briefjes als bladwijzertjes gestoken waren en een fles sherry. Er moest wel over het een en ander gepraat worden. 

Meulenbelt zet zich aan de ene kant af tegen haar moeder, want ze wil niet net als haar worden. Aan de andere kant volgt ze ook haar voorbeeld en doet ze hetzelfde:

Zwanger worden. Trouwen. Dezelfde valkuil waar zij ook was ingetrapt. Waarom heb je dat met je laten gebeuren, verwijt ik haar. Waarom heb je het met mij laten gebeuren, verwijt ik haar nog meer. 

Wat mij dan meteen weer treft: Moeder heeft op kostschool gezeten in Zetten, een dorp in de buurt waarvan ik opgroeide. En daar las ik ook over in de biografie van Arthur van Schendel: ook de oudste dochter van zijn tweede vrouw ging in Zetten naar kostschool. Het is in Een kleine moeite niet een belangrijk detail, maar het viel me op. 

Herkenning

Waarom het dan toch verteld verteld wordt: moeder heeft namelijk ook aantekeningen gemaakt over haar leven. In haar kostschooltijd hield ze een dagboek bij. Bij het lezen ervan herkent Meulenbelt ook zichzelf. 

Ze is eenzaam. Ze heeft vaak buikpijn. Ze heeft een hekel aan zichzelf. 'Ik moet leren om meer toe te geven', schrijft ze. Het zijn bijna letterlijk de woorden die ik schreef in mijn dagboek, toen ik net getouwd was, net zo oud als zij toen. 

In Een kleine moeite is er zeker begrip voor de moeder, waarschijnlijk pas met terugwerkende kracht, voor de positie van de moeder. 

Ik wil me niet alleen maar beklagen over mijn moeder. Ze deed wat ze kon, wat de tijd haar voorschreef. Als kind zien we dat niet, dat onze moeders geen almacht hebben maar leven binnen begrenzingen die ze zelf niet hebben gekozen, zich moeten houden aan regels die zelf niet hebben gemaakt. 

Meulenbelt heeft zich afgezet tegen haar moeder, wilde een heel ander leven leiden dan haar welgestelde moeder, die zich binnen grenzen had laten duwen. En ze zag ook hoe moeder afstand nam van de manier waarop haar dochter leefde. 

Ik woonde in een commune. Mijn moeder was er eens op bezoek geweest. Ik zie nog hoe ze zonder er bij na te denken de bank afklopte voordat ze ging zitten en na een blik verzameling kopjes met barsten, zonder oren, en geen twee hetzelfde, het aanbod van een kopje thee afsloeg. Haar handtas op haar schoot met haar handen eromheen gevouwen, knieën bij elkaar, op het puntje van de bank gezeten, met haar rug recht. Alsof ze bang was dat er iets besmettelijks in de lucht hing. Klaar om te vluchten. 

Dat is scherp geobserveerd. En goed beschreven. 

Eigen verhaal

Uit de gesprekken tussen moeder en dochter blijkt dat ieder verder geleefd heeft met een eigen verhaal. Wat moeder haar dochter aandeed (bijvoorbeeld opsluiten in een donkere wc) heeft haar geheugen niet vastgehouden, terwijl het voor de dochter wel belangrijk is geweest. Ergens is er iets mis gegaan tussen die twee. 

Dat wordt ook tussen hen uitgesproken:

In de moeilijkste periode in ons leven hebben we niks aan elkaar gehad. Ik heb je nooit gezegd hoe alleen ik ben geweest, zegt ze. Ik jou ook niet, zeg ik. 

Probeert Meulenbelt met dit boek achteraf de relatie te herstellen? Dat denk ik niet. Wel probeert ze het te begrijpen, probeert ze ook de situatie van de moeder te begrijpen en ik denk dat ze dat met dit boek ook helder heeft gekregen. Er zijn dingen uitgesproken en die hebben waarschijnlijk ook helderheid gebracht, maar ik weet niet of ze echt dichter bij elkaar zijn gekomen en dat is toch een wat verdrietige constatering. Aan de andere kant: zo'n poging tot begrip en daar een heel boek lang de tijd voor nemen, is eigenlijk een daad van liefde. En een manier om te proberen zichzelf te begrijpen. 

Scherpe observaties

Daarin vind ik Anja Meulenbelt goed: scherp zien wat er gebeurd is en wat dat met moeder en dochter heeft gedaan. En dat heeft ze zo opgeschreven dat het heel prettig leest. Is Een kleine moeite daarmee ook een goede roman geworden? Ik weet het niet en ik weet ook niet of ik dat belangrijk vind. Ik heb het in ieder geval met interesse gelezen. Toch meer als een autobiografisch boek dan als een roman, denk ik. 

Nadat ik het bovenstaande had geschreven, ben ik nog even gaan kijken bij Delpher om te zoeken naar recensies (Literom is niet beschikbaar voor mij). Weinig recensies, merk ik. Het boek wordt aangekondigd, er wordt verteld dat het geschreven, maar de aandacht is minder dan ik gedacht had. Eigenlijk vond ik, behalve die van Etty in Vrij Nederland geen serieuze recensie. Blijkbaar werd het werk van Meulenbelt buiten de literatuur geplaatst.  

Interview

Wel krijgt ze een uitgebreid interview in De waarheid (18 januari 1986), door Jelle Jeensma en Henri Krop. Ze gaat ook in op hoe haar werk gerecenseerd wordt. Als er kritiek is op haar stijl, wordt dat nooit concreet gemaakt. Meulenbelt heeft ook het idee dat niet in de eerste plaats haar boeken worden gerecenseerd, maar zij als persoon. 

Ze gaat ook in op de benaming 'Roman' voor boeken als Alba en Een kleine moeite. Daar is ze zelf ook niet helemaal gelukkig mee, maar ze wil onderscheid maken tussen dit soort boeken en haar theoretische werk, zodat mensen niet het verkeerde boek kopen. Aan de andere kant wil ze ook geen strikt onderscheid maken 'tussen fictie en bijvoorbeeld ervaringsboeken en ego-documenten.'

Na het lezen van Een kleine moeite heb ik zin om meer van Meulenbelt te lezen. En dat ik De schaamte voorbij nog niet gelezen is natuurlijk schandalig. Toch eens goed kijken in kringlopen. 

Advertentie in Vrij Nederland, 16 november 1985

woensdag 4 februari 2026

Gevangen in het Oranjehotel. 8 getekende oorlogsverhalen

Dat het Oranjehotel eigenlijk geen hotel was, maar een gevangenis, dat wist ik wel. In de oorlog diende het als Polizeigefängnis, die heel wat mensen herbergde. Maar wat wist ik er verder eigenlijk van? Ik had een paar aflevering beluisterd van Oranjehotel in verzet van Peter de Ruiter en ik heb het voorbij horen komen in verhalen over de oorlog. Maar ik ben er nooit wezen kijken, ik heb me er nooit in verdiept. 

Maar onlangs las ik Gevangen in het Oranjehotel - 8 getekende oorlogsverhalen en nu denk ik: Dat is een plek waar zoveel gebeurd is, daar moet ik toch een keer heen. 

In het boek tekenen acht verschillende striptekenaars een aspect van het Oranjehotel in acht tot twaalf pagina's elk. Bij elk verhaal staat een korte toelichting in proza. Verder is er een voor- en dankwoord van de directeur van NM Oranjehotel Anke van der Laan en een informaties essay van Maia Bijl en Bram Groenteman. 

Beeldvorming

Ze vertellen over borduurwerken die gemaakt zijn in en over het Oranjehotel en die eigenlijk de voorlopers zijn geweest van de stripverhalen. Maar ook over de gevangenen. Na de oorlog ontstond het beeld dat er vooral verzetsstrijders in het Oranjehotel vastgehouden werden, maar er zaten Joden, Sinti, Roma, communisten, vrouwen en kinderen, criminelen en anderen  die in de terugblikken op de oorlogstijd veel minder belangstelling kregen. 

Toch is al heel snel na de oorlog (op 7 juli 1945) een oproep gedaan door een commandant van het voormalige Oranjehotel aan oud-gevangenen om hun ervaringen op te schrijven. Maar hij schiftte wel wat er binnenkwam en bepaalde zo mede het eenzijdige beeld. Met dit boek wordt meer recht gedaan aan de veelkantigheid van het Oranjehotel en van degenen die er verbleven. 

De 'verhalen' zijn getekend door -ik noem ze maar even allemaal- Tânia Alexandra Cardoso, Gemma Plum, Nova de Hoo, Sterric, D'Avellonne van Dijk, Guido van Driel, Jan Vriends en Pieter Brouwer. Achter in het boek zijn korte biografieën van de stripauteurs opgenomen. 

Boodschappen

Als je alle bijdragen achter elkaar leest, merk je dat verschillende keren terugkomt dat er boodschappen werden doorgegeven. Bijvoorbeeld door degenen die het eten ronddeelden, maar ook door de bibliothecaris die boeken verspreidde. Iedereen zat opgesloten, maar er was wel contact. Niet alleen door briefjes of mondeling, maar ook door klopsignalen. Het zijn aspecten die me niet bekend waren. Werden er boeken rondgedeeld? Ja, dus. 

In dit boek is er ook aandacht voor de vrouwen: degenen die het eten rondbrachten, de vrouwen die borduurwerken maakten en zo het leven in het Oranjehotel vastlegden en bijvoorbeeld voor Riet Hoogland, een van de 'gangloopsters' die een dagboek bijhield op stukjes wc-papier, die uiteindelijk als propjes in haar korset buiten het Oranjehotel raakten. 

Voor degenen die geïnteresseerd zijn in wat er in de oorlog gebeurde in deze gevangenis in Scheveningen is Gevangen in het Oranjehotel een informatief en aantrekkelijk boek. Door wat er allemaal verteld wordt, maar ook door de manier waarop. Strips zijn een uitstekende manier om een beeld over te brengen. Er staan ook foto's in het boek, waaruit blijkt dat de striptekenaars echt hun best hebben gedaan om dicht bij de werkelijkheid te blijven. 

Gegen die Wand

Eigenlijk doen alle striptekenaars het goed, maar enkele springen er voor mij uit. Gemma Plum noemt haar strip Gegen die Wand, een titel die de gelijknamige film in herinnering roept. In de strip gaat het om mensen die letterlijk met hun gezicht tegen de muur worden gezet. We gaan als kijker de rij af en bij sommige van de gevangenen blijven we wat langer stilstaan, zoals bij Rudolph Cleveringa, die een protestrede hield tegen het ontslag van zijn Joodse collega's aan de universiteit van Leiden. Verder bijvoorbeeld Ernst Cahn, houder van een ijssalon die een knokploeg op de been bracht en Jacoba Blom - Schuh die wordt opgepakt voor belediging van de Führer. 

Plum tekent sober en schetst goed de historische setting. Maar het best werkt dat je al die gevangenen ziet, op hun rug, met alleen maar een naam, een geboorte- en sterfdatum en kort wat informatie. Aan de ene kant de anonimiteit (we zien het gezicht niet) en tegelijkertijd de persoonlijke aandacht, doordat deze mensen wel allemaal genoemd worden. Ik ben er erg van onder de indruk. 

Zoals gezegd: over elke strip is wel wat goeds te zeggen, ook over die van Nova de Hoo. Maar ik vond sommige personen net te karikaturaal, waardoor ik ze minder serieus nam. En het is verder duidelijk dat De Hoo geen idee heeft hoe een klomp aan een voet zit en ze heeft zeker nooit met klompen gelopen. 

Luikjes

Heel goed ook vind het verhaal van Sterric, waarin de kaders voornamelijk de luikjes zijn in de gevangenisdeuren zijn. Sober getekend, stemmig ingekleurd. Van deze stripmaker las ik ooit De vloek van rood dat me nog niet helemaal overtuigde, maar deze bijdrage, over de bibliothecaris Jentinus van Dijk is gewoon goed. 

Jan Vriends (van De kosmonaut) heeft ook een bijzondere manier gevonden om zijn verhaal te vertellen. We lezen een brief die de gevangene Hendrik de Vries aan zijn 'lieve Jopie en kleine Grietje' schrijft. Terwijl we deze warme en schrijnende brief lezen, zien we op de tekeningen hoe Hendrik de Vries uit zijn cel gehaald wordt en buiten de gevangenis geëxecuteerd wordt. Een indrukwekkend verhaal. 

Pieter Brouwer kan geweldig tekenen en een deel van zijn strip is echt goed. Maar hier en daar kwam het me toch een beetje over als effectbejag, als ik zie hoe getekend is dat een Duitser een deur intrapt en het bevel geeft het huis te doorzoeken. Het perspectief, waarbij de intrappende voet heel groot wordt, met daarbij groot 'Boem', de woede bij het bevel tot doorzoeken van het huis. Het is me allemaal net te. Verderop in het verhaal is hij meer ingehouden en dat lijkt me beter te werken. 

Ik ben niet op elk verhaal ingegaan en daar zit wel een zekere willekeur in. Guido van Driel is ook altijd goed voor sterke strip, D'Avellonne van Dijk heeft een gewaagde kleurstelling en stileert mooi en het openingsverhaal, van Tânia Alexandra Cardoso, laat het gebouw goed tot zijn recht komen, inclusief alle geluiden die het herbergt. 

Gevangen in het Oranjehotel is een informatief, maar ook een indrukwekkend boek. De informatie en strips blijven nog wel een tijdje in je hoofd zitten als je het boek dichtslaat. Het boek is tegelijkertijd uitgegeven in het Nederlands, het Engels en het Duits. 

Gevangen in het Oranjehotel. 8 getekende oorlogsverhalen. Diverse auteurs. Uig. Scratch Books, 2025; 120 blz. € 27,50 (hardcover)

Gemma Plum

D'Avellonne van Dijk



Sterric

Guido van Driel

Jan Vriends

dinsdag 3 februari 2026

Afgestoft: Komrij's canon in 100 gedichten

We hebben veel te danken aan Gerrit Komrij. Natuurlijk vanwege zijn gedichten, zijn kritieken, zijn essays, maar zeker ook vanwege zijn bloemlezingen. Over een van de bloemlezingen schreef ik in nummer 54 van Liter, jrg. 12 (2009). Komrij stelde een canon samen van honderd gedichten en bij elk gedicht schreef hij een stukje. 

Dat heb ik met veel enthousiasme gelezen. In mijn recensie ga ik, zoals bij elke bloemlezing, op de keuze van de gedichten. Ik noem veel titels en beginregels, maar er wordt geen gedicht geciteerd. Dat is toch wel zonde, vind ik nu. 

Verder hou ik deze inleiding kort. Het is druk en ik moeite doen om de tijd te vinden om geregeld bijdragen te leveren. Ik doe mijn best, maar het kost me ook energie om de zaken een beetje op een rijtje te houden. Mocht ik de komende tijd wat minder plaatsen (wat ik zal proberen te voorkomen), dan ligt het daaraan. 


Komrij's canon


Er is geen officiële canon van de Nederlandse poëzie en dat is maar goed ook. Maar er zijn wel gedichten die veel mensen kennen, die blijkbaar de jaren, de decennia of zelfs de eeuwen overleefd hebben en die daarom wellicht tot een soort canon behoren. Je hoeft van deze gedichten de eerste regel maar te declameren of de ogen van de luisteraars lichten op: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’, ‘Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd / in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven’, ‘Mijn moeder is mijn naam vergeten’, ‘Egidius waer bestu bleven’, ‘De moerbeitoppen ruisten’, ‘O krinklende winklende waterding’, ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen’, ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, ‘Hij sprak en zeide / In't zaêl zich wendend’, ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’, ‘Denkend aan Holland’, ‘Ambrosia, wat vloeit mij aan’ en er komen nu waarschijnlijk nog veel meer onsterfelijk lijkende regels in u op.

Komrij stelde zijn eigen canon samen in Komrij's canon in 100 gedichten en, inderdaad, al de hierboven genoemde regels komen erin voor. Natuurlijk kent Komrij zijn klassiekers. In het ‘Vooraf’ is hij bescheiden wat betreft de geldigheid van zijn canon. Weliswaar zijn het ‘gedichten die ertoe doen’, maar het is ook ‘de canon van één lezer, gedurende een bepaalde periode en verkerend in een bepaalde gemoedstoestand. Met een andere muts op of in een ander seizoen was er zelfs bij die ene lezer een andere canon uit gerold.’

Als je de Nederlandse poëzie moet indikken tot honderd gedichten, moet er natuurlijk geschrapt worden. Van elke dichter nam Komrij maar één gedicht op en wat moet je dan met dichters die heel veel klassiekers geschreven hebben? Van Hooft kennen we de ‘Gezwinde grijsaard’, maar ook ‘Klaere, wat heeft er uw hartje verlept’, ‘Galathea, ziet den dag komt aan’, ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief, zo sprak mijn lief mij toe’, ‘Lieve lichte Leonoor’ en dan laat ik er nog heel wat ongenoemd. Dat geldt ook voor Vondel: ‘Constantijntje, 't zaligh kijntje’, ‘Waer werd oprechter trouw’, ‘De felle dood die nu geen wit mag zien’, ‘Mijn wens behoede u onverrot’, ‘Wat treurt gij hooggeleerde Vos’, ‘Wanneer dit tijdelijk leven endt’. Kies maar; altijd raak.

Komrij maakte een andere keuze. Van Hooft nam hij ‘Het liedt dat ick te claeghe laat gaen’ op en van Vondel ‘Op het verongelucken van Doctor Roscius’. Is dat erg? Ach, misschien juist wel niet. Toen ik las hoe dokter Roscius samen met zijn vrouw omkwam in het koude water, was Constantijntje ook aanwezig. Het Rosciusgedicht, dat ik daarvoor niet kende, was een extraatje.

Maar Komrij laat wel vaak gedichten ongenoemd die een gemiddelde lezer graag in een canon zou zien. Van Revius krijgen we niet te lezen ‘'t En zijn de joden niet. Heer Jesu die u kruisten’, van Huygens niet ‘Op de dood van Sterre’, van Dèr Mouw niet ‘'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid’, van Achterberg niet een van de bekendere, maar ‘Jachtopziener’, van Leo Vroman niet ‘Voor wie dit leest’ of ‘Vrede’, van Lucebert het sonnet ‘Ik / Mij / Ik / Mij’ in plaats van, nou ja, noem maar op, bij Herman de Coninck moeten we het doen met ‘De plek’.

Van Achterberg had de een misschien ‘Reiziger doet Golgotha’ willen lezen, een ander ‘Thebe’ en een derde ‘Werkster’ of ‘Deïsme’, maar ze zullen waarschijnlijk toegeeflijk opmerken: ‘Hij staat er tenminste in’.

Wie er ook in staan, zijn Adriaen Hoffer, Joh. Buma, O.C.F. Hoffham, H. Riemsnijder, J. Kerkert, Alex. Gutteling, Paul Verbruggen, Carel C. Scheefhals, om maar een paar minder bekende dichters te noemen. Maar waar zijn Anna Bijns, Jacob Cats, Hiëronymus van Alphen, Rhijnvis Feith, P.C. Boutens, Jacques Perk, Willem Kloos, Paul van Ostaijen, P.N. van Eijck, Frederik van Eeden, Adriaan Roland Holst, Hans Andreus, C. Buddingh', Rutger Kopland? Waar is het lied van heer Halewijn? Waar zijn de koningskinderen die niet bij elkaar konden komen omdat het water te diep was?

Hoffer wil ik graag ruilen voor ‘De bomen dorren in het laat seizoen’. Riemsnijder voor ‘De tuinman en de dood’, Kerbert voor ‘Ik heb de witte waterlelie lief’ en Scheefhals voor ‘Melopee’.

Voor je het weet, ben je je eigen canon aan het samenstellen, die natuurlijk niet beter is dan die van Komrij, maar anders en het zou me niet verbazen als Komrij er stiekem op hoopt dat veel lezers meteen hun boekenkast gaan nakijken en gedichten gaan opzoeken die hun lief zijn (en die ze misschien toch ook al heel lang niet meer gelezen hebben).

Komrij nam niet alleen de gedichten op, maar gaf er ook commentaar bij, zoals wij dat al kenden uit de bundels In Liefde Bloeyende, Trou Moet Blijcken en Kost en inwoning. Zijn canon is dan ook een bloemlezing uit deze bundels.

In christelijke kring is Komrij wel eens verweten dat hij zo weinig van godsdienst en geloof moet hebben. Uit zijn canon blijkt dat helemaal niet. Niet alleen nam hij als gelovig bekend staande dichters op als Jacobus Revius, Bernard ter Haar, J.J.L. ten Kate, Jacqueline van der Waals en Willem de Mérode, maar ook in de gedichten die hij kiest, gaat hij het geloof bepaald niet uit de weg. Van Cornelis Crul krijgen we een vers uit Den Geestelijcken abc te lezen, van Bredero ‘Wat dat de wereld is, / Dat weet ick al te wis’, van Revius ‘Scheppinge’, van Huygens ‘Paeschen’, van Bilderdijk het gebed ‘Genadig God, die in mijn boezem leest!’ van Beets ‘De moerbeitoppen ruisten’, ‘Het schrijverke’ van Gezelle. Weg met dat vooroordeel dus. Komrij neemt een gedicht op als hij het goed vindt, waarover het dan ook gaat. Of, zoals hij het zelf zegt: ‘Het is met Jezus in de poëzie als met hutspot in de poëzie of met boerenschoenen in de poëzie - als het gedicht goed is, accepteren we elk onderwerp.’

In zijn stukjes over de gedichten benadrukt hij ook verschillende keren dat betekenis niet de essentie van het gedicht is. Het gaat niet om het verhaal of om de emotie, een gedicht is gemaakt van woorden, die een sensatie oproepen, die muziek tot klinken brengen. Tijdens het lezen pakt een gedicht je en daarom is voor Komrij een gedicht ‘vooral een kunstwerk [...] dat zo-en-zoveel seconden duurt.’ En dat een gedicht ons bij de strot grijpt, komt volgens hem niet in de eerste plaats door wat er gezegd wordt (de psalmen zingende moeder in ‘De moeder de vrouw’), maar door de manier waarop dat gezegd wordt.

Hij heeft gelijk, natuurlijk. Er zijn immers genoeg gedichten over psalmen zingende moeders denkbaar die ons volstrekt onberoerd zouden laten. Uiteindelijk wint de vorm het altijd van de inhoud.

Komrij weet veel raaks te zeggen over de door hem gekozen gedichten. En soms (zoals bij ‘De idioot in het bad’) zegt hij nauwelijks iets over het gedicht zelf, maar dwaalt hij fluitend, met de handen in de zakken, over een zijpaadje. Dat moet dan maar.

Na het lezen van dit boek kun je Komrij nauwelijks nog iets kwalijk nemen. Een boek dat zo borrelt van enthousiasme over gedichten hoort bij iedereen prominent op de plank te staan of liever nog op het nachtkastje, op het toilet of in de voortent te liggen.

Eerder schreef ik over:


maandag 2 februari 2026

In besloten kring (Fleur Bourgonje)

Toen het mailtje van de uitgever binnenkwam, schrok ik even. Het onderwerp was: 'Fleur Bourgonje - In besloten kring'. Even schoot het door me heen dat de schrijfster overleden was en dat er in besloten kring afscheid van haar genomen was. Dat was gelukkig niet het geval: In besloten kring is de nieuwe roman van Fleur Bourgonje

De hoofdpersoon is een vrouw die een zaterdag doorbrengt aan het strand: wandelen, wat gebruiken in een strandpaviljoen, de krant lezen. Ze heeft een relatie met een man die gebonden is. De laatste keer dat ze samen waren, hebben ze onenigheid gehad en daarna hebben ze elkaar een tijdje niet gezien. Maar die avond zal hij weer komen. Tenminste - hij houdt nog een slagje om de arm. 

In liefde losgelaten

Dan leest ze in de krant dat hij overleden is. Onder zijn naam staat: 'In liefde losgelaten' en daaronder:

Geheel onverwacht gestorven onze dierbare, zorgzame echtgenoot, vader, schoonvader, grootvader, broer. 
Hij is thuis, alwaar geen bezoek. 
Wij nemen in besloten kring afscheid. 

 De vrouw, zijn minnares, krijgt de schrik van haar leven. Officieel bestaat ze niet in zijn leven, voor de anderen, en nu zal ze niet eens afscheid van hem kunnen leven.

Ze kan alleen maar bezig zijn met wat ze net gelezen heeft. Ze stelt zich voor dat ze toch op bezoek zal gaan in het huis waar de overledene zich bevindt en ze herinnert zich hoe haar geliefde eerder niet goed werd toen ze in een vliegtuig waren gestapt. Hoe hij er weer uit moest en hoe het thuisfront ingelicht moest worden. Hoe zij daarbij een rol heeft gespeeld en meteen weer aan de kant moest gaan staan, zo gauw zijn officiële vrouw in zich kwam. 

De vrouw tobt soms toch al met haar gezondheid en als ze een arts raadpleegt, geeft die haar altijd hetzelfde advies:

een correctie op de levenshouding die vrij, zo vrij mogelijk zou moeten zijn, in ieder geval zonder stress, en zonder angst. Dat vooral, zonder angst. 'Denk niet catastrofaal', zegt hij dan bij haar weggaan. 'Stop met die denkbeeldige rampen, loop er in ieder geval niet op vooruit. Reageer als ze zich voordoen. Maar roep ze niet op.'

Maar nu kan ze niet om de angst heen en het evenwicht is weg uit haar leven. Dat evenwicht was toch al lastig: ze heeft zowel een drang naar vrijheid als naar geborgenheid, maar nu wankelt alles en ze moet zich bezinnen op hoe het nu verder moet. 

Hoe het verhaal afloopt, vertel ik maar even niet. Je moet dus zelf maar lezen of ze inderdaad aan durft te bellen bij het huis van haar geliefde en of ze zich staande kan houden in haar verdriet. 

Stijl

In besloten kring is weer een typisch Bourgonjeboek. In de eerste plaats vanwege de poëtische stijl, de zingende zinnen, waaraan elk boek van haar te herkennen is. Het beschrijven van zaken die later een symbolische lading krijgen, de herhalingen waardoor het verhaal toch vooruit gaat en de nadruk op wat er binnen in het personage gebeurt. Daar speelt zich het werkelijke leven af.

De hoofdpersoon is een buitenstaander. Noodgedwongen. Veel van Bourgonjes personages zijn eenzaten, zowel op zoek naar vrijheid als geborgenheid. Met een hoofd vol herinneringen en verlangens, onzeker over wat er komt en koesterend wat er geweest is. En eigenlijk draaien al haar boeken om de liefde. Dat is zeker ook het geval in In besloten kring

Het mysterie van de liefde

Aan het boek vooraf gaat een citaat van Oscar Wilde: 'The mystery of love is greater than the mystery of death.' Die beide mysteries komen samen in deze roman en ze hebben alles met elkaar te maken. En de vrouw moet er in haar eentje uit zien te komen. De relatie was geheim en zal nu voorgoed geheim blijven.

Na vanavond zal ze voorgoed een geheime verhouding hebben met de herinnering. De herinnering aan hem. 

Hij zal doorleven in andermans verhalen, waarvan zij geen deel zal uitmaken en zij moet haar eigen verhaal op orde krijgen. Ze is schrijfster, dus ze zou er nog over kunnen schrijven, zegt ze tegen zichzelf:

Jij hebt het prijsgeven van de waarheid niet nodig,  jouw leven met hem gaat niemand iets aan, hooguit schrijf je er een verhaal over, alsof het zich in je verbeelding heeft afgespeeld, alsof deze geschiedenis niet jou maar een verzonnen vrouw betreft, een voor iemand met jouw aard en inlevingsvermogen niet moeilijk vorm te geven personage -

Misschien hebben we dat boek wel in handen. Maar het onderscheid tussen wat werkelijkheid is en wat zich in de gedachten van de vrouw afspeelt is moeilijk te maken en misschien is dat ook niet belangrijk. In ieder geval is In besloten kring, weer een mooie steen in het oeuvre dat Fleur Bourgonje al zo lang aan het bouwen is. 

Fleur Bourgonje, In besloten kring. Uitg. Magonia, 2025; 108 blz. € 21,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over ander werk van Fleur Bourgonje.


Op andere plaatsen schreef nog over bijvoorbeeld Labyrint en Stromboli. Die recensies zal ik binnenkort afstoffen. 

vrijdag 30 januari 2026

De complete Brammetje Bram 5: Schatten en katten (Eddy Ryssack)

Het zal de leeftijd wel zijn, maar soms overvalt mij een prettig soort nostalgie. Dan dwaal ik in gedachten rond in huizen die er al niet meer zijn, in gezelschap van mensen die al jaren overleden zijn. Die herinneringen lijken levendiger dan ze ooit waren. Zo herinner ik mij ook nog het genot dat ik beleefde aan sommige boeken, zoals de reeks over Buffalo Bill en ook aan de strips die ik las. 

Aan de strip Brammetje Bram bijvoorbeeld kan ik met weemoed terugdenken. Ik herinner mij ook wel Opa, getekend door dezelfde tekenaar, Eddy Ryssack, maar bij het terugdenken daaraan heb ik dat gevoel niet. Die strip herinner ik mij vooral als grappig. Dat juist Brammetje Bram aansloeg, zal ook wel te maken hebben met de boeken die ik al gelezen had over de Nederlandse schepen die naar de Oost voeren. Die boeken zal ik wellicht niet meer zonder schaamte kunnen herlezen. Hoe mijn gevoel daarover veranderd is, zal ik vertellen als ik schrijf over het boek Koloniale oorlogen in Indonesië van Piet Hagen. Dat duurt nog even, want het is een dik boek en ik ben nog niet halverwege. 

Geen slechte mensen

Brammetje is een jongetje met wie je je gemakkelijk kunt identificeren. Hij is een gewoon mens, met wie niet zoveel mis is. Maar dat niet alleen: ook iemand als Knevel de Killer kun je er goed bij hebben: een ruwe bolster met een blanke pit. Dat maakt Brammetje Bram ook zo gemoedelijk: echt slechte mensen komen er niet in voor. Er wordt flink geknokt, maar er vallen nooit doden en de verhalen lopen nooit slecht af. Het piratenleven is natuurlijk een hard leven, maar je krijgt het idee dat het toch niet zo gek is om bemanningslid te zijn aan boord van De Zeemadelief.

Uitgeverij Arboris heeft al vier delen uitgegeven van De complete Brammetje Bram en bij het verschijnen van deel 4 heb ik op verschillende plaatsen gelezen dat dat het laatste deel zou zijn, maar er is nog een vijfde deel verschenen, met avonturen waarvan een deel nooit in albumvorm is verschenen. 

Pittje Pit

Tegen het einde van de reeks verschenen de avonturen van het scheepsmaatje in het Duits, waar ze gepubliceerd werden in het tijdschrift Zack.  Brammetje Bram het daar overigens Pittje Pit. Het formaat van het blad was kleiner dan we gewend zijn bij gewone albums: pocketformaat. Sommige verhalen zijn al eerder omgemonteerd tot het gebruikelijke formaat, bij andere is dat voor deze uitgave gebeurd. Er zijn aan het eind van de jaren zeventig overigens ook nog verhalen in het Nederlands gepubliceerd, in het blad Wham! dat verscheen tussen 13 februari 1979 en 24 juni 1980. 

In dit vijfde deel staat natuurlijk ook weer een dossier, dat weer heel prettig leest. De scenaristen Hec Leemans en Gilbert Declercq halen herinneringen op aan hun samenwerking met Eddy Ryssack, er is een portret van scenarioschrijver Gerd von Haßler en er is een mooi artikel over Ryssack als animatiefilmer. En alles natuurlijk rijk geïllustreerd. 

Marius weg!

Wat de strips betreft: het zijn zowel korte als lange verhalen. Wat me daarbij meteen opviel: Marius is verdwenen. Wat is er met deze zeebonk gebeurd? In het vierde deel was hij ineens gekleed in een groene trui in plaats van in een rode en nu is hij helemaal verdwenen. Er wordt geen woord aan vuil gemaakt. Wonderlijk. 

De eerste twee korte verhalen, 'Bureaucraten en piraten' en 'De kaperbrief' sluiten op elkaar aan. In het eerste verhaal wordt de bureaucratie op de hak genomen, wat grappig is, maar het verhaal is ook redelijk plotloos. Gelukkig gaat het verder in 'De kaperbrief', maar ook dat heeft niet een heel sterke plot. Daar zou ik bij een andere strip misschien over gevallen zijn, maar ik heb de twee verhalen toch met plezier gelezen. Waarschijnlijk omdat die vertrouwde Brammetje-Bramsfeer wel duidelijk uit de verhalen spreekt. 

In het verhaal 'Het schatteneiland' wordt het toerisme op de korrel genomen. In die zin is het vergelijkbaar met 'Bureaucraten en piraten'. Het lijkt erop alsof over de hoofden van de personages heen commentaar gegeven wordt op ontwikkelingen in de samenleving. Wel weer luchtig, zodat het vermakelijk is. 

Een snuf Duitsland

'Het elixer van Salver Quack' leest als een kort tussendoortje, net als 'De kater van kapitein Knevel' en 'Holiday on ice'. De bundel sluit af met het albumlange Brammetje Bram en de Beieren, dat ik -zeker weten- ooit als album kocht. Ryssack komt daarin tegemoet aan de wens van Zack om een snuf Duitsland aan de verhalen toe te voegen. Ook komen er verschillende historische figuren in voor. 

Niet elk verhaal in dit slotdeel van De complete Brammetje Bram is van topniveau, maar dat heeft mijn leesplezier maar weinig in de weg gestaan. Altijd zijn er kleine grapjes die je laten grijnzen. Al staat er soms op de lange verhaallijn net te weinig spanning, binnen het verhaal zijn er ook altijd korte lijntjes met een goede spanningsboog. 

En tussen de tekeningen zitten werkelijk pareltjes. Zo heb ik lang zitten kijken naar een voorschets van een pagina op pocketformaat. Ik had het idee dat ik over Ryssacks schouder mee mocht kijken. Het was alsof hij net zijn tekenhand even weggehaald had en mij een blik gunde op zijn werk. Prachtig!

Ik heb ooit een stripboekhandelaar wat horen snuiven over Brammetje Bram. Hij snapte niet dat ik dat kocht. Ik heb er geen commentaar op gegeven en heb het maar zo gelaten. Ik vind het alleen maar prachtig alle verhalen verschenen en dat we ze nu allemaal bij elkaar hebben. De delen kunnen naast elkaar in de kast gezet worden, op een plek dat je ze gemakkelijk kunt pakken. 

Reeks: De complete Brammetje Bram
Deel 5: Schatten en katten
Tekeningen: Eddy Ryssack
Uitgeverij:  Arboris, 
2025, 176 blz. € 34,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over de andere delen van De complete Brammetje Bram:





donderdag 29 januari 2026

Afgestoft: Ik ben een bijl (Erik-Jan Harmens)

Bij het rommelen in de besprekingen die ik ooit geschreven heb, kom ik ook wel eens stukken tegen waarvan ik helemaal niet meer wist dat die ooit uit mijn toetsenbord zijn gekomen. Een daarvan is de recensie van de bloemlezing Ik ben een bijl van Erik Jan Harmens. De bespreking verscheen in Liter, jaargang 13, nr. 57 (2010). 

De bloemlezing staat nog in mijn kast en pas bladerde ik er nog doorheen. De bundel heeft een prettig formaat (niet te klein) en leest lekker, maar ik kwam niet verder dan hier en daar een gedicht. Nu ik mijn oude recensie heb doorgelezen staat me weer bij wat voor bundel het was. 

In mijn bespreking ga ik in op de inleiding, waarover indertijd blijkbaar gedoe was geweest, en op de keuze van de dichters. Ik citeer geen enkel gedicht en dat vind ik achteraf wel vreemd. Het is toch wel prettig als in een stuk over poëzie ook poëzie te lezen zou zijn. 

Maar misschien kreeg ik wel de opdracht om dat niet te doen. Ik herinner me dat er ook recensies waren waarin ik een gedicht niet in de oorspronkelijke vorm mocht opnemen, maar alleen binnen mijn prozatekst, met slashes tussen de regels. Hoe het precies zat, kan ik niet meer terughalen. 



Bijltjesdag in de poëzie


Er zijn poëziebloemlezingen die iedere literatuurliefhebber op zijn minst van naam kent: Nieuwe griffels, schone leien, Atonaal en ‘De Dikke Komrij’ bijvoorbeeld. Het zijn bloemlezingen die nieuwe dichters een podium gaven of oude dichters herontdekten of aandacht vroegen voor een andersoortige poëzie. In Komrijs bloemlezing moesten de veelgeprezen experimentelen een paar passen terugdoen en de vormvasten en ironischen kregen meer aandacht dan ze decennialang gehad hadden.

Pogingen om via een bloemlezing de poëzie een duwtje in een andere richting te geven, zijn al meer gedaan. Lava en Zwagerman probeerden dat met Maximaal (1988), wat wel wat rumoer opleverde en bovendien een bloemlezing van dichters die zich niet in het maximale geronk herkenden (Ieder hangt aan zijn gevallen toren, Rogi Wieg), maar toch bloedde het allemaal vrij snel dood.

Met Ik ben een bijl probeert Erik-Jan Harmens een weg vrij te hakken voor wat ik toch maar geëngageerde poëzie noem. Over de inleiding die aan de bloemlezing vooraf gaat is al veel te doen geweest. Die zou rammelen, zichzelf tegenspreken, soorten gedichten uitsluiten die toch in de bloemlezing opgenomen zijn en meer nog.

Het zal wel, maar in ieder geval schreef Harmens een inleiding die je in één ruk uit leest. ‘Ik wil poëzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Ik wil poëzie die zich aan iets committeert. Ik wil poëzie die zich op zijn minst aan zichzelf committeert.’ Zo begint Harmens.

Verderop schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Ik wil poëzie die de schrijver de kop heeft gekost. Ik wil poëzie die wordt afgewezen maar als een onder water gedrukte voetbal met een buts komt bovendrijven. Ik wil poëzie die op de schrijversvakschool wordt weggehoond. Ik wil poëzie die niet helemaal de bedoeling is.’

Betrokkenheid, dat is wat Harmens van de dichters vraagt. Hij blieft geen dichters die met een verontschuldigend gezicht zeggen dat het maar poëzie is wat ze schrijven, dat een gedicht niet meer is dan een ding van woorden. Hij wil poëzie die erin hakt.

Tja. Het is mooi hoor, zulke bevlogen dichters, die met een megafoon hun poëzie aan de man brengen; die met bloed schrijven; die hoge idealen hebben. Ze schrijven misschien prachtige gedichten, maar misschien ook blijven ze steken in het gebral.

Ik wantrouw predikers altijd een beetje en hoe prettig woest Harmens ook schrijft, ik begin toch bedenkend te hummen als hij bijvoorbeeld beweert dat we in een wereld van haat geen liefdesgedichten meer kunnen schrijven, omdat dat niet meer dan entertainment zou zijn. Pardon? Het sprookjesachtige ‘Hooglied’ van Menno van der Beek zal door Harmens dan ook wel in de entertainmenthoek geduwd worden, maar het houdt het bijvoorbeeld prima tegen de achtergrond van 11 september 2001. Ook hier staat een toren in brand en een brandweerman klimt ‘als een vlieg tegen het glas’ omhoog. Ondanks die wereld vol haat blijven er dromen bestaan en dichters die geloven ‘dat hij het haalt en dat hij bij haar past’. In de dagen dat CNN op bijna alle tijden op bijna alle tv-schermen verscheen is zo'n gedicht bijna een subversieve daad.

Ach, ik vergeef Harmens graag wat doordraverij. Als hij dan tenminste goede gedichten selecteert en dat heeft hij wel gedaan. Hij selecteerde dichters die in 1998 of later debuteerden. Daarbij smokkelde hij wel een beetje af en toe. Hilbrand Rozema en Menno Wigman bijvoorbeeld debuteerden een jaar eerder met een bundel en in tijdschriften waren hun gedichten waarschijnlijk nog eerder te lezen. Dat soort onnauwkeurigheden lijkt me overigens vergeeflijk.

De dichters met het grootst aantal gedichten in Ik ben een bijl zijn Menno Wigman, Ilja Leonard Pfeijffer, Ramsey Nasr (niet zo heel veel gedichten, maar wel heel veel bladzijden), Saskia de Jong en Alfred Schaffer, een keuze die me te verdedigen lijkt.

Natuurlijk missen we mensen. Hanz Mirck wordt in elke recensie als ontbreker genoemd, waardoor hij door deze bloemlezing meer aandacht krijgt dan wanneer hij wel opgenomen zou zijn. Maar ook René Puthaar, Jane Leusink, Tjitske Jansen, Wouter Godijn, Philip Hoorne en Quirien van Haelen zien we niet terug. Hebben ze te weinig kwaliteit? Te weinig betrokkenheid? Bij Van Haelen kan ik me dat laatste voorstellen, maar we weten het niet.

Van de dichters die wel opgenomen zijn, kan ik niet altijd zeggen dat hun gedichten met de bijl gehakt zijn. Van het gedicht van Erik Harteveld (die al in 1955 geboren werd) druipt bijvoorbeeld de weemoed en eigenlijk vond ik dat wel prettig; een gedicht waarin de wind even gaat liggen tussen al die gedichten waarin het stormt.

Veel gedichten in de bundel hebben namelijk behoorlijk wat vaart en houden ervan te laten merken dat ze krachtig zijn. ‘De metro ramt de voorkant van de dag’ (Menno Wigman) lezen we dan, of ‘de hemel stort zich met bakken te pletter’ (Peter Holvoet-Hansen). Het zal misschien onzin zijn, maar soms moest ik toch terugdenken aan de futuristen van zo'n eeuw geleden. Natuurlijk doel ik niet op de politieke stellingname binnen het futurisme, maar wel op de vaart, de dynamiek, die in veel van de werken uit die tijd terug te vinden was.

Over de keuze van de gedichten is altijd te twisten. Zo snap ik niet waarom van Hilbrand Rozema niets is opgenomen uit zijn bundel Slagveldtoerisme, waarin toch genoeg betrokken gedichten staan. Van Maria Barnas moeten ook betere gedichten te vinden zijn en van Mustafa Stitou had ik wel wat meer gewild. Er is altijd iets te zeuren als je wilt.

In de eerste plaats heb ik echter een interessante bundel gelezen, met werk van dichters die ik voor een deel niet of slecht kende. De bundel heeft me nieuwsgierig en enthousiast gemaakt. Dat lijkt me genoeg.