woensdag 14 oktober 2026

Bollengrond (Dicky Nieuwenhuis)

Noor Vrijburg groeit op in een gezin met vier kinderen: haar oudere broer Joris, oudere zus Maud en jongere zus Brechtje. Het is een christelijk gezin op een bollenkwekerij in het westen van het land, niet ver van de zee. Op een dag wordt duidelijk dat Maud, die met Noor een kamer en een bed deelt, door vader seksueel misbruikt is. Noor is dan zestien. 

Nu is het dertig jaar later. En Noor heeft besloten om in het verleden te duiken. Wat is er gebeurd en waarom hield iedereen indertijd zijn mond? Ze overlegt daarover met haar broer en zussen, die haar niet tegen willen houden. Moeder is intussen overleden, vader is dementerend. 

Dat is de situatie in de roman Bollengrond, het debuut van Dicky Nieuwenhuis. In het heden volgen we de zoektocht van Noor, die op bezoek gaat bij familieleden en anderen die dicht bij het gezin stonden. Aan de andere kant zijn er herinneringen aan de kindertijd, in hoofdstukken die als titel alleen de leeftijd vermelden die Noor indertijd had. Verder zijn er stukjes uit dagboeken, gesprekken op WhatsApp en spraakmemo's, ingesproken door Noor. Soms om haar geheugen te ondersteunen, soms ook om te reflecteren op wat gebeurd is of op wat ze gehoord heeft. 

Het spreekt niet vanzelf dat Noor het verleden naar boven wil halen. Een jeugdvriend, Bart, zegt: 

'Het is dat jij ernaar vraagt,' onderbreekt Bart mijn gedachten, 'maar ik denk eigenlijk nooit aan vroeger. Wat heb je eraan? Voorbij is voorbij.' 

Niet geweten

Aan de ene kant heeft Noor het idee dat haar indertijd veel ontgaan is. Als Maud eindelijk gaat praten, beseft Noor dat ze juist altijd zo'n fijne jeugd heeft gehad. Dat is niet helemaal waar, want vader misbruikte niet alleen Maud, hij had ook woedeaanvallen waar de anderen het slachtoffer van waren. 

Dat Noor niet alles geweten heeft, ontdekt ze tijdens haar zoektocht. Ze wist bijvoorbeeld niet dat moeder antidepressiva slikte en dat ze aan de drank was. 

Mama die aan de drank was, flessen op tafel, een glas in haar handen. Ik zie niets, herinner me niets. Ben ik de enige die dit totaal heeft gemist? 

Ook de signalen die er waren dat vader niet van de jonge vrouwen af kon blijven, heeft ze nooit helemaal opgepikt en de gedachte dat moeder ervan afgeweten moet hebben, dringt ook nu pas tot haar door. 

Dat er iets is met Maud, heeft ze indertijd wel gezien, maar ze wist niet wat er werkelijk met haar aan de hand was. 

Wat is er met Maud? Ik zie haar zo vaak huilen op onze kamer. Ik durf nooit iets te vragen. Mijn oudere zus leeft in een andere wereld, met een andere taal, andere mensen, waar zaken spelen -eindexamens, vriendjes, deuren die op slot gaan als haar vriendje op bezoek is- die ik nooit aan den lijve heb ervaren. Als ze huilt, zou ik willen dat ik haar taal sprak. 

Maud heeft wel aan Noor laten merken dat er meer aan hand was dan haar zus wist: 'Noor, je hebt geen idee van wat er hier in huis gebeurt.'

Schuldgevoel

Aan de andere kant is er een schuldgevoel. Niet alleen de schuld van het niet weten, het niet geweten hebben, maar ook de schuld van het geen slachtoffer zijn. Als iemand vraagt of zij of Maud in het verleden slachtoffer is geweest, legt ze uit hoe het zit en tegelijkertijd schaamt ze zich. 

Je zou kunnen zeggen dat het onderzoek niet alleen voortgedreven wordt door de wil om informatie te verzamelen, maar ook door schuldgevoel. 

Vaak is Noor zeker van haar zaak. Er is lang genoeg gezwegen door iedereen en nu moet het maar eens openbaar worden. 

Ik ga vragen stellen die ik nooit door mijn strot kreeg, op zoek naar de dingen waar ik altijd voor wegliep. Ik ga naar de donkere diepte duiken. 

Maar er is ook twijfel:

Nu twijfel ik weer aan alles. Soms voel ik me bijna een dader. Is de boel opgengooien echt voor iedereen beter?

En:

Wat nou als mijn voortdurende gepeuter aan de familiewond iets veel ergers zichtbaar maakt? Lichtgele larven met spitse kopjes en stompe achterlijven die decennia geleden al onder de familiehuid zijn gekropen, en nu voor het eerst zuurstof krijgen?

Zwijgen

Het seksueel misbruik is indertijd openbaar gemaakt, maar er is vooral over gezwegen. Door het gezin, door de omgeving. Dat was niet alleen kwaadwilligheid, zoals Noor ziet als ze haar eigen gedrag onder de loep neemt.

Mijn leven lang liep ik hiervoor weg, liet ik me overweldigen door de angst mama pijn te doen en noemde ik dat liefde. Maar liefde moet ook hard zijn, want zonder dat wordt de bodem van het hart nooit bereikt, kan de liefde nooit wortelschieten. 

Dat Maud indertijd geen aangifte heeft gedaan was ook om moeder te sparen. En Maud vroeg zich ook af of het allemaal wel erg genoeg voor aangifte was. 

Noor reflecteert voortdurend op haar eigen drijfveren. Dient dat wel een hoger doel of dient het alleen haarzelf? Wil ze alleen haar eigen leven beter begrijpen? Maud zegt tegen haar:

Dat familieonderzoek en dat geschrijf van jou allemaal niet mijn keuze. 

Kerk

Indertijd is het gezin een beetje aan zijn lot overgelaten. Noor had het idee dat alleen dominee Hintzel wat heeft ondernomen, maar als ze na zoveel jaren  contact met hem opneemt antwoordt hij:

Hoe lastig ook, nu moeder overleden is en vader niet meer bereikbaar is, blijft het belangrijk hen te respecteren. Temer daar we van doen hebben met een gaarne vergevend God om Jezus Christus, ook over de zonden die in het verleden bedreven zijn. 

Een ouderling geeft toe dat de kerkenraad indertijd niet goed gehandeld heeft. 

We hadden veel meer aandacht aan jullie als kinderen moeten besteden. We hebben jullie zelfs nooit gesproken. 

En een oom schrijft:

Noor, om te beginnen wil ik zeggen dat ik het heel erg vind dat je tante en ik niet in actie zijn gekomen voor Maud en jullie allemaal, toen het verhaal bekend werd. Wij hoorden het via via en we wilden niet klakkeloos geruchten volgen. Maar we hadden het jullie zelf moeten vragen. Daar waren jullie oud genoeg voor. We hebben het niet goed aangepakt.  

Maar hij schrijft ook dat men in de familie vindt dat het boek van Noor vooral over hun gezin moet gaan en niet over de familie. En daarna:

Noor, het wordt misschien ook tijd om je te gaan verzoenen met je vader, en met alles wat er gebeurd is. 

Wegkijken

Een tante ontkent het domweg: nee, ze heeft nooit gehoord dat er seksueel misbruik in het gezin was. Later blijkt dat ze het wel degelijk wist als ze zegt: 'Ik weet ook niet of er wel wat gebeurd is.' Tante heeft weggekeken, zoals zoveel mensen weggekeken hebben. En degenen die niet wegkeken, hebben vaak niets gedaan, al waren er al veel langer signalen, het gedrag van vader tegenover andere jonge vrouwen. 

Meer nog dan over seksueel misbruik gaat Bollengrond over het zwijgen, het wegkijken, het uit de weg gaan van de waarheid. Het doet denken aan Het hele dorp wist het van Rinke Verkerk, dat ik overigens niet gelezen heb, maar waar ik wel over gelezen heb. Verkerk houdt zich sindsdien bezig met het omstanderschap, ook wat betreft bijvoorbeeld de genocide in Gaza. 

Dat het gezin Vrijburg een christelijk gezin was, zal ook meegespeeld hebben. Zelfs na zoveel jaren is de reflex bij sommigen christenen dat er maar eens vergeven moet worden, dat het tijd is voor verzoening, waarbij de situatie van slachtoffers genegeerd wordt. 

Mislukte puzzel

Noor zegt aan het eind van het boek dat haar puzzel mislukt is. Wat ze daarna met de bladen doet, is wel erg zwaar aangezet, net als hoe ze zich gedraagt bij het sterfbed van haar vader. Zelfs als het alleen in de verbeelding gebeurt en niet in de werkelijkheid van het boek, viel het voor mijn gevoel uit de toon. Het imaginaire gesprek met de moeder kwam bijvoorbeeld meer natuurlijk over. 

Nieuwenhuis heeft de neiging om alles expliciet te maken en daar hikte ik in het begin wel tegenaan. Tijdens een gesprek lees je dan: 'Nu de uitsmijter, die is het spannendst'. Dat het spannend is voor Noor had ik liever zelf opgemaakt uit het gesprek. Hoewel dat in de rest van het boek ook zo blijft, heeft me dat toch meestal niet gestoord. Wellicht omdat het ook laat zien hoe overbewust Noor zich is van haar eigen handelen. 

Maar ik vind Bollengrond beter in de details waarin alleen maar gesuggereerd wordt. Als Noor ziet dat vader indertijd veel hysop heeft aangeplant, vraagt ze zich waarom hij dat gedaan zou hebben. Bij de lezer komt dan waarschijnlijk wel de psalmtekst boven: 'Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, / Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.'

Er wordt ook verteld over een beroemde reclame voor Rolo: een jongetje pest een jonge olifant en krijgt jaren later een mep van diezelfde olifant. Nieuwenhuis maakt ervan dat dat dertig jaar later is, de tijd die zit tussen wat er in het verleden gebeurd is en de zoektocht van Noor. Wie krijgt er na zo veel jaren een mep? De dader? De omgeving? Komt de klap nu pas bij Noor aan? Door het allemaal niet uit te leggen, komt er ruimte voor interpretaties, die allemaal voor een deel mee kunnen spelen. 

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het zwemmen, dat Noor geregeld doet. Aan de ene kant is dat gewoon een bezigheid, maar het wordt ook soort metafoor. Noor laat zich niet alleen in het water zakken, maar ook in het verleden. En er zijn momenten (het zwemmen in de mist) dat ze denkt dat ze daaraan onderdoor gaat. 

Pijnlijke inzichten

Noor zegt dat de puzzel mislukt is, maar het is maar de vraag of dat ook zo is. Het heeft niet een mooi compleet plaatje opgeleverd, maar het puzzelen zelf heeft haar wel allerlei inzichten gebracht, heeft mensen in andere posities geplaatst, heeft haar na laten denken over haar gezin en over haarzelf. 

De inzichten zijn soms pijnlijk:

'Die onafscheidelijke zussen zaten vooral in mijn hoofd, Maud,' roep ik in de wind. 'In werkelijkheid waren we allebei alleen.'

Dat Noor dat nu onder ogen kan zien, toont aan welke stappen ze gezet heeft, hoe ze verder is gekomen met haar gepuzzel. 

In Bollengrond maken we een particuliere tocht mee: de zoektocht van Noor. Aan de andere kant zien we ook de mechanismen die er optreden in de omgeving: het liever niet willen weten, het denken aan de eigen positie, het uitgaan van de eigen waarheid en niet echt geïnteresseerd zijn van wat een ander is overkomen. Noor zorgt ervoor dat de omgeving niet langer kan wegkijken, ze dwingt bekenden na te denken over wat er gebeurd is. Niet alleen wat er gebeurd is, is verschrikkelijk, maar ook hoe anderen daarop gereageerd hebben. 

Bollengrond is een debuut, maar het is niet een voorzichtig probeersel. Het komt over als een boek van een auteur die weet wat ze wil: in alle kwetsbaarheid laten zien dat zij het ook niet allemaal weet, maar dat ze vastbesloten is de tocht de ondernemen. Dat is niet alleen de zoektocht van Noor, maar ook de onderneming van het schrijven, het maken van een boek. Dat is in ieder geval goed gelukt. 

Dicky Nieuwenhuis, Bollengrond. Uitg. Mozaïek, 2026; 400 blz. € 24,99

maandag 12 oktober 2026

Mykola, Een soldatenverhaal (Erik Kriek)



Het is januari 1940, in Finland, aan het begin van Mykola, Een soldatenverhaal van Erik Kriek. Als lezer zweef je boven een landschap van besneeuwde bossen. Je daalt af totdat je tussen de bomen bent. Omdat de eerste pagina's geen tekst bevatten, is er alleen maar stilte. Er loopt een rendier rond, er vliegen wat vogels op, verder niets. 

Verderop gestrande Russische tanks en kanonnen. Als je dichterbij komt, zie je pas de lichamen van de soldaten, allemaal dood. Nee, er loopt er nog eentje rond, die een dode luitenant ontdoet van zijn jas, omdat hij die zelf goed kan gebruiken. 

Die soldaat blijkt Mykola Volkov te zijn, Oekraïner, soldaat in het Sovjetleger. De tekeningen zijn ingekleurd met enkele bruinen en wat lichtblauw, voor de sneeuw. Daartussen licht de rode ster met de hamer en de sikkel op, op de muts met klep die Mykola draagt. 

Voorgeschiedenis

Hij wordt opgepikt door enkele andere soldaten, die net als hij proberen te ontkomen aan de Finnen. De voorgeschiedenis wordt verteld in een flashback met slechts een enkele steunkleur (een sepia-achtig bruin) en een nog verder verleden in een droom, met dezelfde steunkleur: Mykola's vader werd vermoord door de Sovjets, omdat hij voedsel achter zou houden. 

De soldaten stuiten op een oude Fin, Eero Salminen, die voor zichzelf, zijn vrouw en zijn kleindochter aan eten probeert te komen door strikken voor de konijnen te zetten. Ook hij krijgt een verleden, in een flashback (met grijs als steunkleur). Een kleinzoon van hem moest naar het leger. 

Door de flashbacks worden Mykola en Eero menselijk. Zij hebben een gezin en proberen ook maar zo goed mogelijk een oorlog door te komen. De confrontatie van de soldaten met het gezin van Eero eindigt dramatisch, vooral door Bukya, een sergeant met een borstelige snor. 

1941

Het tweede deel speelt zich af in 1941, in Oekraïne. Mykola Volkov is intussen sergeant geworden en de Sovjets strijden nu tegen de Duitsers. Bukya is kapitein en nog steeds de meerdere van Volkov. Hij is gewetenloos, wat al bleek bij de confrontatie met het gezin van Eero (die hij later als een heldendaad geclaimd heeft) en ook nu, als hij bereid is zijn eigen manschappen de dood in te sturen. 

Met Mykola heeft hij een tweeslachtige verhouding. Aan de ene kant hebben ze een gedeeld verleden, aan de andere kant ziet hij dat Mykola volstrekt anders tegenover de oorlog staat. Hij spreekt Mykola zelfs aan op zijn afkomst: 'Ik had beter moeten weten dan de zoon van een laffe koelak te vertrouwen'.

Ook in dit tweede hoofdstuk wordt het verschil tussen het verhaal en flashbacks duidelijk aan de inkleuring: het verhaal is donkergroen met lichtbruin ingekleurd, de flashback alleen in bruin. Daardoor weten we hoe het indertijd in Finland gegaan is met Mykola en het groepje soldaten bij de hereniging met de rest van het leger.

Het donkergroen met lichtbruin laat zien dat het verhaal zich in de zomer afspeelt, maar het schurkt ook aan tegen het legergroen. 

2022

En dan springen we naar deel 3, maart 2022 in Oekraïne. Weer is er oorlog. Nu hoort Oekraïne niet meer bij de Sovjet-Unie. Rusland is Oekraïne binnengevallen en Russen en Oekraïners staan tegenover elkaar. Mykola is een oude man. In een terugblik op de Tweede Wereldoorlog blijkt dat hij uiteindelijk kapitein werd. 
Hier hebben ze me tot kapitein bevorderd. Dat was nadat ik terugkwam uit Berlijn, na de oorlog. Kijk al die onderscheidingen eens trost op mijn gala-uniform gespeld! Het zei me heel weinig. Ik was vooral opgelucht dat ik die ellende had overleefd. Zoveel van mijn kameraden keerden niet terug...
...Eindelijk was die hel voorbij! En ik had het overleefd! We konden het bijna niet geloven, maar we konden eindelijk terug naar huis. Tenminste, dat hoopten we allemaal. Onze jeugd, onze onschuld, onze familie... We waren zo veel kwijtgeraakt, ik voelde me leeggezogen, zielloos, ik was alleen nog maar een lege huls...
Er dringen bij Russische soldaten bij Mykola binnen en hij kan zijn verhaal doen. De wrange ironie is dat de grootvader van een van de soldaten en Mykola mogelijk een gedeeld verleden hebben. 

Hoe het verhaal afloopt, laat ik even in het midden, zoals ik dat ook met enkele andere verhaalelementen heb gedaan. 

In dit derde deel zijn de kleuren donkergroen en lichtblauw, de flashback heeft als steunkleur bruin. Het donkergroen doet weer denken aan het militaire groen. In het hele boek lijkt nergens de zon te schijnen. De ene keer is het wat lichter dan de andere keer, maar altijd lijkt er een soort betrokkenheid. Dat geeft een zekere somberheid of in ieder geval ernst, wat goed past bij het verhaal. 

De stroom van de geschiedenis

Mykola heeft mee moeten drijven met de stroom van de geschiedenis. Hij heeft geprobeerd menselijk te blijven. Dat is hem niet altijd gelukt, gedwongen door de oorlog, maar vooral ook door anderen (Bukya). Welke keuzes iemand maakt,  of hij overleeft, of hij een held of een slachtoffer is, het lijkt toeval.

Kriek laat ons de gruwel van de oorlog zien, die mensen drijft tot daden die ze niet willen of die mensen afsluit van hun geweten, waardoor ze hun menselijkheid verliezen. Mensen zijn kwetsbaar en kunnen zomaar slachtoffer worden. Daar hebben ze zelf nauwelijks invloed op. Je kunt proberen een daad te stellen, zoals de kleindochter van Eera Salminen, maar uiteindelijk sta je machteloos. 

Mykola is Oekraïner, maar is ook Sovjetonderdaan. Hij vecht tegen de Finnen en de Duitsers en uiteindelijk zijn het de Russen die Oekraïne binnenvallen en daardoor de vijand zijn. Alleen al door de loop van de geschiedenis zijn de rollen van Mykola veranderd. 

Dat doet me denken aan de romans van de Roemeense schrijver Virgil Gheorghiu. Ook daar komen mensen in voor die door de loop van de geschiedenis in moeilijkheden komen, die hun loyaliteit moeten herzien, die ineens aan de verkeerde kant van de streep komen te staan. 

Tekeningen

De tekeningen in Mykola zijn zoals we van Erik Kriek gewend zijn en dat wil zeggen dat ze dik in orde zijn. Kriek werkt zonder kaders en dat werkt goed. Door de afwezigheid van de kaders zijn de verschillende tekeningen minder opgesloten in zichzelf, misschien. Door de inkleuring is de rechthoekige of vierkante vorm van elke tekening toch nadrukkelijk aanwezig. 

De verhaallijn zit goed in elkaar. Eigenlijk is het verhaal niet zo ingewikkeld, doordat Kriek het verhaal van de oorlogen terugbrengt tot het verhaal van een enkel mens. Ondanks de gruwelijkheid en de hardheid is Mykola daardoor een menselijk verhaal. 

Het boek is mooi uitgegeven door Scratch: als hardcover, met een linnen rug.

Titel: Mykola, Een soldatenverhaal
Tekst en tekeningen: Erik Kriek
Uitgever: Scratch Books
2026, 144 blz. € 32,50 (hardcover, linnen rug)

Eerder schreef ik over ander werk van Erik Kriek:   

vrijdag 9 oktober 2026

Hoofdrekenen, schooltandarts en schooldokter

De afgelopen weken ben ik er niet toe gekomen om nog wat dingen uit mijn dagboeken te halen. Deze keer een paar korte stukjes, die ik schreef op dinsdag 5 september 2023. Ik had het eerst over andere zaken gehad en toen schoten me nog een paar dingen over school te binnen, die ik meer noem dan dat ik ze uitgebreid aan de orde stel: de hoofdrekencompetitie op de lagere school, de schooltandarts en de schooldokter, met daaraan gekoppeld het mantouxkruisje. 

De foto's heb ik ergens van internet geplukt, niet onze schooltandarts, maar een willekeurige en of de bus er zo uitzag als op de foto weet ik ook al niet. 


Hoofdrekenen

Nog een paar herinneringen aan school. In de zesde klas heb ik les van meester Postma. We krijgen hoofdrekenen en daar ben ik best goed in. De meester loopt door de klas en leest een som op. Wij schrijven het antwoord op. Hoeveel sommen krijgen we? Tien? Vijftien? Twintig?

De meester kijkt de sommen na en telt de fouten op. Dan draait hij het bord om. Op de achterkant staan onze scores tot nu toe. De meester heeft de klas verdeeld in een eredivisie, een eerste divisie en een tweede divisie. Je kunt promoveren en degraderen.

Bovenaan in de eredivisie staan de leerlingen die steeds nul fouten hebben. Daan en Ria, denk ik. Hoeveel fouten heb ik? Ook nul? Ik probeer in ieder geval bovenaan in de eredivisie te blijven. De middenmoot zit in de eerste divisie en in de tweede divisie zitten degenen die moeite hebben met rekenen. Daar worden ze elke week weer mee geconfronteerd.

Als je toch in de tweede divisie zit, kun je net zo goed onderaan staan, denk ik. Onderaan staat altijd Henk de Hartog, die we wel ‘de Chinees’ noemen. Hij is geen Chinees, maar zijn huid is net iets minder wit dan bij ons en hij knijpt zijn ogen een beetje samen. Zijn ouders zijn bij de Jehova’s Getuigen. Ze komen wel eens bij ons aan de deur. Mijn moeder gaat vaak wel even met ze in gesprek, maar ze weet precies op welke punten ze het niet eens is met de Getuigen.

Ik vind het een beetje zielig voor Henk. Het is al niet plezierig als je ouders hebt die zo’n dwaalleer verkondigen en dan moet hij ook nog mee af en toe. Mijn moeder neemt de blaadjes een enkele keer aan: De wachttoren en Ontwaakt! Ik blader er wel eens in, maar vind er niet veel aan.

Henk krijgt elke week te horen dat hij helemaal onderaan staat in de hoofdrekencompetitie. Hij lacht dan een beetje scheef. Hij zegt verder niets. Gewoonlijk heeft hij een mompelende manier van praten. Je kunt hem maar moeilijk verstaan.

Schooltandarts

Soms moeten we naar de schooltandarts, in het CVC-gebouw. Ik voel me niets op mijn gemak bij die tandarts. Mijn ouders gaan nooit naar de tandarts en in mijn familie gaat ook niemand. Behalve als je heel veel pijn hebt aan een rotte kies. Dan laat je die trekken. Tandenpoetsen doen we ook niet, geloof ik.

Als je ouder wordt, laat je al je tanden trekken en krijg je een kunstgebit. Alle oude mensen hebben een kunstgebit, volgens mij.

Als ik in de laagste klas zit, heeft de tandarts nog de langzame boor. Later heeft hij een boor op hoge snelheid, die een jankend geluid voortbrengt. Dat is helemaal een eng ding. Ik ben altijd blij als het weer voorbij is.   
Bus van een schooltandarts


Waarschijnlijk zit ik in klas vijf, de op een na hoogste, als de tandarts met een eigen auto bij de school komt. Het lijkt een SRV-wagen. Een assistente komt de klas in en noemt een stel namen op. Dan gaat een groepje mee naar de tandarts. André van Cleef zit bij mij in het groepje. Hij is bepaald geen doetje. Hij heeft bijvoorbeeld voetbalschoenen en is goed in gym. Maar bij de tandarts valt hij flauw. Dan is het ook niet zo erg als ik me niet op mijn gemak voel. Ik ben blijkbaar in goed gezelschap.

Schooldokter

Om de paar jaar komt de schooldokter. Die zit ook in een ruimte in het CVC-gebouw. Mijn moeder gaat mee. Ik vind de dokter niet erg. Wel vind ik het vreemd dat hij in mijn onderbroek voelt, maar dat is maar eventjes. Hij controleert of je een breuk hebt, zegt mijn moeder.

Elk jaar worden we gecontroleerd op tbc. Dat gebeurt in de klas. We moeten een mouw opstropen en de binnenkant van onze onderarm laten zien. Een verpleegster gaat met een watje met jodium over ons vel en zet dan met een soort kroontjespen een kruisje in ons vel. Daar voel je maar weinig van. Een week later komt ze weer. Dan moeten we het kruisje laten zien. Als het opgezet is, is het foute boel. Het gaat altijd goed. Bij ons op school zitten geen kinderen met tering.

woensdag 7 oktober 2026

Winarta (Basuki Gunawan)

Als ik er een seizoen examineren voor de Staatsexamens op heb zitten (vlak voor en in de zomervakantie), heb ik altijd een lijstje met boeken die op boekenlijsten voorkomen, maar die ik nog niet gelezen heb. Daarom heb ik onlangs Net echt van Saskia de Coster gelezen en Tussenjaren van Yannick Dangre. Nou ja, dat laatste boek was eigenlijk een tip van een collega. 

Op mijn lijstje staan nog een heel stel titels, waaronder Wat ons nog rest (Aline Sax), We moeten praten (Jan van Mersbergen), Trofee (Gaea Schoeters) en Jente Posthuma (Mensen zonder uitstraling). Winarta, van Basuki Gunawan, stond ook op die lijst, maar dat heb ik intussen gelezen. 

Basuki Gunawan (1929 - 2014) is een Indonesisch schrijver; hij werd geboren op Java, onder het koloniale bewind. Na de Japanse bezetting werd hij tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog lid van een guerilla-eenheid die opereerde tegen de Nederlandse bezetting. 

De nieuwe stem

Hij kon met een studiebeurs naar Nederland, waar hij promoveerde in de sociologie. Vroeg in de jaren vijftig werd hij met tuberculose opgenomen in het Studenten Sanatorium in Laren. Daar schreef hij Winarta, dat hij opdroeg 'Aan mijn vrienden in het Nederlands Studenten Sanatorium'. De novelle verscheen in vier afleveringen in jaargang 9 van het blad De nieuwe stem. De tekst is op DBNL niet in te zien ('op verzoek van de rechthebbende'). In de inhoudsopgave is te zien dat de schrijver vooraf een stukje van een bladzijde of vier geschreven heeft, met de titel 'Strijder'. Is dat een inleiding geweest? Stelt de auteur zichzelf voor? Vanachter mijn bureau is dat niet meer na te gaan. 

Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Winarta gehoord. Het verscheen in 2022 als boek, uitgegeven door Alfabet Uitgevers, met een voorwoord van Gustaaf Peek. In 2024 volgde een tweede druk. Het was niet de eerste keer dat de novelle in boekvorm verscheen, maar wel, voor zover ik kan nagaan, voor het eerst dat het als zelfstandige uitgave verscheen. Daarvoor werd het opgenomen in de bloemlezing Moderne Indonesische verhalen (1967), samengesteld door Beb Vuyk en A. Teeuw en in De keerzijde van de medaille, 1940 - 1950. Verhalen van Indonesische auteurs. (1982), samengesteld door Joop van den Berg. In de bespreking ervan in NRC Handelsblad van 28 januari 1983 noemt Gerard Termorshuizen ook de eerdere uitgave, waarnaar Van den Berg blijkbaar niet juist verwezen heeft. 

Op de Wikipediapagina die aan Basuki Gunawan gewijd is (waarvan ik ook enkele zaken die ik hierboven noem overgenomen heb), wordt gezegd dat in Winarta de Indonesische revolutie beschreven wordt vanuit het perspectief van een Indonesiër. Strikt genomen is niet na te gaan of dat zo is. Indonesië wordt namelijk niet genoemd, net zo min als Nederland. Er wordt wel gesproken over 'de vijand'. 

Gezien de achtergrond van Gunawan zal de onafhankelijkheidsoorlog wel de aanleiding zijn geweest, maar mogelijk heeft Winarta een bredere strekking. Ik moest daarbij denken aan het werk van Armando, bijvoorbeeld Aantekeningen over de vijand (1981), waarin met 'de vijand' zeker niet alleen 'de Duitser' wordt bedoeld.

De openingszin, die meteen de openingsalinea van Winarta is, luidt: 'De oude cipier is weggegaan'. Het deed me denken aan de eerste zin van Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans, maar dat verscheen pas veel later, in 1966. 

In de gevangenis

Winarta zit gevangen. De oude cipier komt soms met hem praten. Hij bewondert zijn gevangene, net zoals sommige andere gevangen dat doen. 

Het stoort me dat ze mij zo bewonderen. Maar het kan ook niet anders. Zelf heb ik geen zin om hun de ware toedracht te vertellen. Het zou niet goed voor hen zijn. Ik ben bereid mijn rust op te offeren voor hun illusie. Daarom vind ik het goed dat ze mij bewonderen, ook al stoort het me. Ik heb nooit vrienden onder mijn strijdmakkers gemaakt. Naast hun bewondering vrezen ze mij. Ik ben anders in hun ogen. Ik ben de Moedige. Ze begrijpen me niet omdat ik de Moedige ben. Misschien hebben slechts mijn laatste commandant en nog enkele anderen mij een beetje begrepen. 

Even verder neemt Winarta dat laatste terug:

Alles bij elkaar genomen heeft niemand mij werkelijk begrepen. Ook mijn commandant niet met al zijn menselijkheid. 

Daarna krijgen we te horen wat eraan vooraf is gegaan. Winarta volgt een medische studie, met de gedachte dat hij zijn medemensen zou kunnen helpen, maar in het derde jaar komt hij tot de conclusie dat de gezondheid van zijn medemensen hem eigenlijk weinig kan schelen. Hij houdt de studie vol, met de gedachte dat hij als arts rijk kan worden, maar ziet in dat er snellere manieren zijn om dat te bereiken. Zijn vader zou graag zien dat zijn zoon academicus was en hij wil zijn vader wel een plezier doen, maar bedenkt ook dat zijn vader vandaag of morgen dood zal gaan en dat zijn studie dan zinloos is geworden. 

Revolutie

Als hij de studie op wil geven en zich wil wijden aan de schilderkunst, breekt 'de revolutie' uit. 

Het verwonderde me niet dat het gebeurde. Hoewel ik met instemming het bericht vernam, kon het me toch weinig schelen. Ik wenste afzijdig te blijven van dingen die 'het volk' betroffen. Zulke dingen interesseerden me niet. Het volk was mij steeds vreemd, zoals ik voor het volk. Onze wegen konden nooit hetzelfde zijn. 

Zowel wat betreft zijn studie als de revolutie valt het volkomen gebrek aan idealisme of aan engagement op. De zinloosheid van alles, keert steeds terug. 

Een maand na het uitbreken van de revolutie krijgt Winarta het bericht dat zijn ouders door de vijand vermoord zijn. Later blijkt dat het gevolg van een misverstand: de vijand was op zoek naar iemand anders met dezelfde naam. 

Winarta, wiens naam dan trouwens nog niet in de tekst genoemd is, moet in zijn onderhoud voorzien en denkt dat hij dan wel ambtenaar moet worden. 

Wat min of meer vaststond ws dat ik door mijn zwakke positie na de brand en de dood van mijn ouders onvermijdelijk moest huichelen ten opzichte van mijn medemensen. Mijn huidige toestand was zo kwetsbaar dat ik niet mezelf kon bijven. Ik moest dus meer aandacht schenken aan de meningen van anderen. Voor mezelf vond ik die niet belangrijk. Meningmaal had ik dat ook laten blijken. Nu kon het niet meer. 

Winarta maakt kennis met Nuraina, wier naam 'licht van mijn ogen betekent'. Zij noemt hem Narta, de eerste keer dat de naam van de hoofdpersoon genoemd wordt. 

Hij is van haar gecharmeerd, wat weer onderkoeld geformuleerd wordt: 'Ik zag in ieder geen reden om niet van haar te houden.' 

Doch in deze omstandigheden zou men uiterst sentimenteel moeten zijn om zoiets toe te laten. Dit was zeker niet geschikte tijd om iemand lief te hebben. 

In de trein

In het tweede deel gaat Winarta met de trein op reis. Hij heeft een gesprek met een oude man in de coupé. Ze zien hoe een reiziger uit de trein gesleurd en mishandeld wordt. De oude man vertelt dat het een spion is. Als Winarta vraagt hoe ze weten dat het een spion is, zegt de man: 'Dat zien ze aan zijn gezicht.'

Hij heeft met de man een gesprek over rechtvaardigheid. De oude man: 

Voor mij is wat u willekeur noemt rechtvaardigheid en wat u rechtvaardig noemt kortzichtigheid. 

Winarta meldt zich aan bij Strijdgroep X. Op de vraag waarom hij zich bij de strijdgroep wil aansluiten, antwoordt hij dat hij tegen de vijand wil vechten. 

'Je wilt dus strijden voor land en volk, nietwaar?'
Ik begreep niet waarom hij 'dus' zei, want vanzelfsprekend leek me dat niet. Ik antwoordde: 'Het is moeilijk te zeggen. Ik weet het niet. 

Ook nu weer: geen idealisme, geen hoger doel. Maar ook geen huichelachtigheid. Winarta vertrekt twee weken later naar het front. 

Aan het front

Bij een van de acties wordt een jongen van veertien jaar gearresteerd. 

De spion was een jongen van ongeveer veertien jaar oud. Het verwonderde me dat de vijand niet schroomde kinderen te gebruiken, maar ik bedacht dat er oorlog was. 

Bij de ondervraging wordt Winarta kwaad.

Wat een brutale jongen, een brutale spion, flitste het door mijn hoofd. Later zou hij een gevaarlijke spion worden, die door een vergissing het geluk van onschuldige mensen zou vernietigen. Mijn hoofd begon te gloeien. Ik dacht aan mijn ouders. 

Hij doodt de jongen en daarvan slaapt hij een nacht lang slecht.

De jongen met de afgesneden hals kwam me nog enkele malen voor de geest. Hij was het slachtoffer van duistere machten geworden. Hij kon er niets aan doen, evenmin als ik. Ik kon toch geen uitzonderingen maken, wilde ik niet aan mezelf twijfelen? Het was me duidelijk dat mijn weg doordrenkt zou zijn met bloed. En ik aanvaardde dat. 

Hevige strijd

In het derde deel zal blijken dat die weg inderdaad doordrenkt is met bloed. Als de commandant van de eenheid voor een operatie naar het ziekenhuis moet, heeft Winarta het commando. Een bange jongen gooit zijn geweer weg en loopt weg. Winarta doodt hem.

Ik riep hem toe dat hij terug moest maar hij wilde niet meer luisteren. Ten einde raad joeg ik hem een kogel door het hoofd. Hij was op slag dood. De jongens zwegen en bespiedden de vijandelijke soldaten. 

De strijd die volgt is hevig. Na afloop kijkt de gewonde Winarta om zich heen. 

Ik bekeek mijn manschappen. Ik telde ze. Allen compleet. Geen enkele levende behalve ikzelf. 

Als hij terugkeert, spreken de anderen 'van een heldenstrijd en een heldendood van ons peloton', maar de commandant, Abubakar reageert anders:

'Ik ken je langer dan vandaag. Jij hebt de boel verpest. Jij bent verantwoordelijk voor hun dood.'

Winarta stijgt wel in de achting van zijn commandanten en zijn meerderen. Omdat hij bij volgende acties niet meer gewond wordt, schrijven de soldaten hem een zekere lichamelijke onkwetsbaarheid toe. 

Leegte

Op een gegeven moment wordt de wapenstilstand getekend. Dat zorgt voor een gevoel van leegte. Winarta is te zeer gehecht geraakt aan de spanning van de strijd. Hij zoekt vertier in de stad en bezoekt bordelen. Als de leegte hem bijna te gronde richt, breekt er weer een tijd van strijd aan: de communistenopstand. Afdelingen van het leger lopen over naar de opstandelingen. 

Door beide partijen werden heldendaden verricht en wreedheden begaan. Het werd een bloedige strijd als nooit tevoren. 

Winarta ziet de opstandelingen als een vijfde colonne, omdat ze met hun opstand de weerbaarheid tegenover de vijand aantasten. Hij neemt met zijn compagnie een groep gevangen, die hij verdeelt in meelopers en schuldigen. De meelopers moeten een maand lang dwangarbeid verrichten. 'Voor de schuldigen zag ik geen andere straf dan de dood.' 

Er worden tien jongens geëxecuteerd. 

Ik vond de jongens te jong om te sterven, maar ik kon er niets aan doen. Ze hadden het immers zelf gewild. 

Terug naar de maatschappij

Als Winarta getroffen wordt door een granaat, wordt hij opgenomen in een militair hospitaal. Daar komt hij tot de conclusie dat hij genoeg heeft van zijn daden. 

Het was een zinloze bezigheid geweest. Om een zinloosheid te wreken had ik zinloosheid bedreven! Ik zag in dat de strijd me niets meer kon bieden. Ik nam me voor het leger te verlaten en terug te keren in de maatschappij. 

Hij overweegt zelfmoord, maar vindt dat die dan wel zin moet hebben. 'Maar welke zin moest ik aan zelfmoord geven? Ik kwam er niet uit.'

Het gebrek aan idealisme, het ervaren van zinloosheid, je weg moeten kiezen, maar eigenlijk geen leidraad hebben. Voor mijn gevoel past dat bij het existentialisme, dat pas in de jaren zestig prominente aanhangers zou krijgen. Winarta lijkt me goed binnen deze  stroming te passen. 

Aan het begin van het vierde deel bevindt Winarta zich weer in de maatschappij. Hij is intussen getrouwd. Maar dan begint de tweede militaire actie. Hij bewerkstelligt een echtscheiding en neemt weer dienst in het leger. 

Met een klein groepje dringt hij een stad binnen, op weg naar een munitiedepot van de vijand, dat ze inderdaad in brand kunnen steken, waarna ontploffingen volgen. Winarta is de enige die het overleeft en op vrije voeten blijft, maar hij wordt gezocht. Winarta weet dat hij geen kans heeft om te ontsnappen. 

Ratna

Hij zoekt onderdak bij een prostituée, Ratna. Eigenlijk wil hij niet meer terug. Als Ratna vraagt of hij genoeg heeft van zijn vrienden, zegt hij dat hij genoeg heeft van de strijd. 

'Ben je teleurgesteld in je idealen?'
'Nou niet bepaald. Dat kan trouwens ook niet. Ik houd er geen idealen op na.'
'Waarom ga je dan strijden?'
'Ik strijd omdat ik daar zin in heb. Ik zou liever zeggen: moorden.'
Hij krijgt nog de kans om terug te keren naar zijn compagnie. 
Ik aarzelde. Naar mijn compagnie terug... en alleen en eenzaam zijn... een moordenaar tussen idealisten... een mens die de zin van zijn daden niet inzag en die niet kon verantwoorden. 

Winarta blijft bij Ratna en er lijkt toch iets van warmte tussen die twee. Maar Ratna kan niet voorkomen dat Winarta gearresteerd wordt. Uit het begin van het boek weten we dat hij in de gevangenis terechtkomt. 

Kale stijl

Winarta is een sterke novelle, geschreven in een vrij kale, maar krachtige stijl. In de inleiding vergelijkt Gustaaf Peek het boek met Het bittere kruid van Marga Minco en De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve. Of dat terecht is, kan ik niet goed beoordelen. Daar zou ik de andere twee voor moeten herlezen. 

Voor mijn gevoel is Winarta meer ontluisterend, meer gespeend van elke menselijkheid. Winarta ontwaart de zinloosheid van alles wat hij doet. Hij leeft voor de strijd, omdat die spanning geeft, maar ook daarvan ziet hij de zin niet meer in. Er lijkt iets van warmte te zijn tussen Ratna en hem, maar die houdt geen stand. 

Als je leest, kun je meeleven met de hoofdpersoon, maar je kunt eigenlijk niet met hem meevoelen, omdat elk gevoel lijkt te ontbreken. Dat maakt het lezen van Winarta tot een verbijsterende ervaring. 

Andere publicaties

De naam Basuki Gunawan was hiervoor niet tot mij doorgedrongen, al heeft hij meer geschreven dan alleen deze novelle. Tjalie Robinson meldt in een van zijn krantenstukjes dat er een tekst (een gedicht?) van Gunawan in het Fries is vertaald: De nieuwsgier, 12 oktober 1954. 

In het jaar dat Winarta in afleveringen gepubliceerd werd, schreef hij een ingezonden brief in De Gooi- en Eemlander (20 maart 1954)

In 1956 was werk van hem voor de radio te horen, zo lezen we in de Preangerbode van 12 april van dat jaar. Bij het herdenken van de jong gestorven Indonesische dichter Chairil Anwar werd er werk van tien jonge auteurs ten gehore gebracht en onder hen bevond zich Basuki Gunawan. 

Verder heeft Gunawan vooral non-fictie gepubliceerd. Als socioloog publiceerde hij Indonesische studenten in Nederland, wat besproken werd in De Tijd, dagblad voor Nederland van 30 augustus. In dezelfde krant werd op 28 januari 1969 Kudertá, Staatsgreep in Djakarta besproken. 

Andere auteurs

Het is goed dat Winarta opnieuw uitgegeven is. Er is niet zo veel Nederlandstalig werk van Indonesische schrijvers. Ik ken verder alleen Suwarsih Djojopuspito en Noto Soeroto. Deskundigen op dit gebied zullen meer auteurs kennen, maar ik heb de indruk dat het er in totaal weinig zijn. Van Noto Soeroto heb ik vijf bundels in mijn boekenkast staan. Als student aan de pedagogische academie plaatste ik een van zijn gedichten in de schoolkrant, waarvan ik redacteur was. Mijn lerares Nederlands deed daar wat lacherig over. Niet omdat ze het een slecht gedicht vond, maar omdat ze de auteur niet kende en hem daarom als obscuur beschouwde. 

Ik dank de examenkandidaat die Winarta op zijn of haar lijst heeft gezet en mogelijk ook de docent die hem of haar daarop gewezen heeft. Het boek is alweer vier jaar uit en het wordt onderhand wel tijd dat meer leerlingen het gaan lezen. Het is niet dik (zo'n 125 bladzijden) en dat helpt misschien ook. Vooruit, naar de bibliotheek!

dinsdag 6 oktober 2026

Storm integraal: De kronieken van Pandarve 5 (Martin Lodewijk / Don Lawrence)

Voor het gevoel van sommigen is Storm er altijd al geweest. Toen ik over een van de albums van de serie schreef, reageerde iemand op LinkedIn: bestaat die serie nog? Het was blijkbaar iets uit zijn jeugd, dat gewoon doorgegaan was, zonder dat hij het in de gaten had. 

Storm bestaat inderdaad al lang. Het eerste album verscheen in 1978. Later zijn de vroege albums ingedeeld in een reeks: De kronieken van de diepe wereld. Daarna verschenen er nog meer reeksen, die allemaal 'Kronieken' in de titel hadden: Het waren de Kronieken van: Pandarve, de Buitenring, de Tussentijd, Roodhaar. Eerlijk gezegd heb ik moeten spieken op Wikipedia, want ik had dat niet meer keurig geordend in mijn hoofd. In totaal verschenen zo'n vijftig albums in een kleine vijftig jaar. Dat is niet niks. 

In de loop der jaren hebben verschillende scenaristen en tekenaars de strip gemaakt, maar twee namen die je bij de serie al snel te binnen schieten zijn Don Lawrence en Martin Lodewijk. Zoals bij elke strip die wat voorstelt, worden de albums na verloop van tijd gebundeld in een integrale uitgave en het deel dat mij onlangs toegestuurd werd, bevat drie verhalen van uitgerekend dit tweetal. Heerlijk dus. Het betreft de bundeling van de verhalen De doder van Eriban (1985), De honden van Marduk (1985) en De levende planeet (1986). Het waren de albums 13 tot en met 15, behorend tot de Kronieken van Pandarve. 

Dossier

Bij zo'n integrale uitgave is het niet alleen fijn om drie albums achter elkaar te lezen, en dat ook nog in een stevige hardcover, maar er is ook een dossier met achtergrondinformatie bij. Meestal, tenminste. Dat dossier is deze keer uitstekend verzorgd. De heldere tekst is van Rob van Bavel en die wijst op veel dingen die mij onbekend waren. Bijvoorbeeld op de cameo's die in de strip verwerkt zijn. Voor de scherpe kijker is bijvoorbeeld Meerten Welleman (tegenwoordig vooral bekend van Het Stripschap) te zien, maar ook Roffa, een personage uit Trigië. Trigo zelf komt overigens ook nog voor, duellerend met Marvelman. 

In De doder van Eriban loopt Storm ineens rond met een hoofdband. Die heeft hij altijd gehouden. In een ander deel draagt Storm een geel shirt met een gekleurde streep over de mouw en daaroverheen een leren bodywarmer. Dat is hetzelfde als wat de acteur Peter Strauss droeg in de film Spacehunter. 

In het dossier staat nog meer interessante informatie. Bijvoorbeeld dat Martin Lodewijk tijdens de publicatie van De doder van Eriban in het blad Eppo vastliep, wat natuurlijk problemen geeft: bij elk nummer van het blad moet het verhaal erin staan. Don Lawrence tekende daarom twee tussenpagina's, die later niet in het album werden opgenomen, maar die je dus nu wel kunt zien. 

Verder vooral veel geweldig materiaal van Don Lawrence: schetsen, posters, covertekeningen - ik vind het allemaal prachtig. Ook nooit gezien: een strip van twee pagina's, op scenario van Peter de Smet (van De Generaal) die gepubliceerd is in de Rijam Strip/Cartoon Agenda '84/'85. 

In het dossier staat nog het een en ander over de Don Lawrence Fanclub en over het atelier van Don, boven zijn garage. Met foto's die daar een goede indruk van geven. 

Veel verhalen van Storm heb ik in afleveringen gelezen in Eppo en dat doe ik nog steeds. Daardoor krijg je minder zicht op het gehele verhaal en een oordeel over hoe sterk dat verhaal is, laat staan hoe het album in de reeks past, krijg je dan al helemaal niet. Je dompelt je gewoon steeds een paar bladzijden lang in de wereld van Storm en dat is al genoeg. In het dossier wordt er met meer afstand naar de reeks gekeken en wordt er scherper gesignaleerd wat in de loop van de albums de ontwikkelingen zijn. 

De kronieken van Pandarve

In De kronieken van Pandarve werd een nieuw personage opgevoerd: de schurk Marduk. Storm en Roodhaar krijgen een nieuwe metgezel, Nomad. In De levende planeet komt Alice (van Alice in Wonderland) voor het eerst voor. Ze blijkt een afspiegeling van de levende planeet. Haar zullen we later nog vaker tegenkomen, maar hier begint dat dus. In De levende planeet zien we trouwens ook nog de Cyperse kat en Marilyn Monroe. 

Voor het geval de inhoud van de verhalen je niet meer zo bijstaat, geef ik die kort weer. In De doder van Eriban treft ons drietal een verlaten schip aan, zwevend door de ruimte. In een sarcofaag blijkt Renter Ka Rauw zich te bevinden. Een jongen, maar ook een doder, die de opdracht heeft gekregen om de koning van Marrow te doden. Natuurlijk komen Storm, Roodhaar en Nomad in de problemen en ze raken verzeild in een bijzondere vorm van gladiatorengevechten, barsaman, waarbij de krijgers op zuilen staan. 

Een leuke nevenlijn is die van de verstekeling Tillo, een jongen die gefascineerd raakt door het schaakspel. Hij introduceert het spel op Marrow en het wordt daar al snel populair. 

In De honden van Marduk speurt Marduk, met zijn bijzondere honden naar Storm, Roodhaar en Nomad. Een van de honden verandert later in een mensachtig wezen. Die transformatie stelde Don Lawrence nog wel voor wat problemen, zoals te zien is aan de schetsen in het dossier. Het drietal komt nog terecht in het riool, dat een enorme aardworm blijkt te zijn. Verder bevinden ze zich op een gegeven moment in een kasteel, dat vol zit met allerlei vallen. Ze redden het wel, natuurlijk. 

Alice

De levende planeet  is een fantasierijk verhaal dat al begint met een aanval door minimensjes. Verder is er een stranding op een rots in een lavazee, een schip dat een complete stad is, de jacht op een enorm wormachtig dier en de poging om het ei van Pandarve te stelen uit het laboratorium van Marduk. Pandarve, in de vorm van Alice, vraagt aan Storm of hij de strijd wil aangaan met haar onderbewuste en daar blijken eieren van Pandarve te groeien. Met een ei keert Storm terug naar het minivolk, dat nog steeds Nomad in gijzeling heeft en zo is het verhaal weer rond. 

Op het laatste plaatje verschijn de Cyperse kat nog even die aan Storm zegt dat ze elkaar ooit weer zullen zien. 

Dit vijfde deel van de integrale uitgave van de albums van Storm laat goed zien wat de meerwaarde is van zo'n bundeling. Niet alleen heb je nu drie albums in een enkele band, maar je krijgt veel extra informatie en illustratiemateriaal in het dossier en krijgt zo een completer beeld van de ontstaansgeschiedenis van de albums en de context waarin ze verschenen. En als je het gelezen hebt, kun je het nog vaak doorbladeren, genietend van de schitterende tekeningen. 

Reeks: Storm integraal
Deel 5: De doder van Eriban, De honden van Marduk, De levende planeet
Scenario: Martin Lodewijk
Tekeningen: Don Lawrence
Tekst dossier: Rob van Bavel
Uitgeverij: Uitgeverij L
2026, 176 blz. € 39,95 (hardcover) € 89,95 (gelimiteerde luxe editie, in linnen gebonden, stofomslag, genummerde en gesigneerde ex libris)


Eerder schreef ik over:


maandag 5 oktober 2026

Aardige vrouwen (Megan van Kessel)

Twee vrouwen staan centraal in de roman Aardige vrouwen van Megan van Kessel: Cindy ten Blik en Dolores Lambrechts. Bij het begin van het boek zijn het middelbare-scholieren, maar ze blijven nog heel lang met elkaar verbonden. 

Cindy is een buitenstaander: een Nederlandse in een Belgisch dorp (Bombaye, in de provincie Luik), niet ver van Maastricht. Ook op school is ze een buitenstaander en als er een nieuwe leerling komt, trekken ze naar elkaar. Dolores heeft het verdriet al in haar naam, maar Cindy klampt zich aan haar vast. 

Mijn  moeder waarschuwde me voor vrouwenvertrouwerij, daar komt ellende van, maar zij had zich laten kwetsen en was gesloten. Ik stond nog open. 

Dolores woont op een landhuis en neemt daardoor al een aparte positie in. Zo wordt ze een keer met een koets van school opgehaald. Cindy en zij worden vriendinnen, al is Cindy meer van Dolores afhankelijk dan andersom. Cindy wil vooral een hartsvriendin en ze is bereid om daarvoor veel te slikken. Als Dolores haar laat zitten zal ze nooit 'sorry' tegen Cindy zeggen, maar Cindy kiest ervoor om haar daar niet echt mee te confronteren en in ieder geval de relatie in stand te houden. 

Dolores is haar eerste echte vriendin en Cindy weet ook niet precies hoe dat nu werkt met vriendinnen. 

Ik vroeg me af wat ik nu hoorde te doen. Wat een vriendin was. Of juist niet. 

Ruzie voorkomen

Cindy komt uit een gezin van drie kinderen, van wie zij het middelste is. Dolores is thuis het oudste. Cindy vergelijkt haar met Veronique, haar oudste zus. 

Zij leek op Veronique: verantwoordelijk en snel ontvlambaar. Ik leek op haar middelste zusje. Zij had ook de neiging om te doen alsof ze alles wel prima vond, om ruzie te voorkomen.

Later zal de moeder van Dolores, Cécile, zich vergelijken met Cindy:

'Zo'n vriendin als jij bent, zo ben ik ook.' Ze likte de pudding uit haar mondhoek. 'Een vastklamper. Er is één enkele vriendin met wie ik al mijn hele leven bevriend ben. We kunnen niet met en niet zonder elkaar. In die vriendschap ben ik jou, iemand die er nooit uit stapt. (...)

Na de middelbare school gaan Cindy en Dolores naar de Rietveld Academie. Ze blijven met elkaar verbonden, al is er wel wat meer afstand. Het blijven vriendinnen en van een afstandje zijn ze misschien ook wel aardige vrouwen, zoals ook de titel aangeeft. Het motto van de roman, ontleend aan Virginia Woolf luidt: 'Vrouwen vinden vrouwen niet aardig'. Zeker Dolores doet af en toe onaardig. 

Om maar iets te noemen: de manier waarop ze reageert op de haarkleur van Cindy. 

'Dit is alweer te geel. Je moet er een toner overheen doen, hoe vaak heb ik dat nou niet gezegd. Dit ziet er niet uit.' Ze keek me diep in de ogen. 

Dat had ook liefdevol kunnen zijn, behulpzaam haar vriendin ergens op wijzen. Maar zo komt het nooit over. Het lijkt erop dat Cindy altijd op haar plaats gezet wordt. 

Mensen in Cindy's omgeving laten weten hoe ze over de vriendschap denken. Een vriend zegt haar:

'Je doet het jezelf aan.' Hij stopte het broodje in één keer in zijn mond. 'Dit is geen vriendschap, dit is masochisme. Jullie sporen niet. Jeanne is een echte vriendin, die accepteert jou gewoon zoals je bent. Dolores zegt alleen wat je moet doen. Altijd kritiek. Dodelijk.' 

En een andere vriend vraagt haar waarom ze Dolores niet laat stikken. 'Ik heb altijd zo'n gevoel dat ik haar nodig ga hebben als er een keer echt iets aan de hand is,' antwoordt Cindy. 

Maar als er echt iets aan de hand is, kan ze niet op Dolores rekenen. Het schrijnendst komt dat tot uitdrukking als Cindy verkracht is. Dolores komt met adviezen achteraf, die je niet anders kunt zien dan de schuld bij het slachtoffer leggen:

'Je moet duidelijkers zijn, Cindy. Mannen,' ze keek even naar Maarten, 'mannen zitten heel anders in elkaar.'

Zeker wil Dolores er op dat moment zijn, maar ze wil vooral ook merken dat Cindy haar heel erg nodig heeft. Als Cindy anders reageert dan Dolores in haar hoofd had, gaat ze weer. 

Wraak

Op een gegeven moment neemt Cindy wraak door een film over Dolores te maken. Ik weet niet of wraak het goede woord is. Dat element zit er wellicht in, maar het is ook ene manier om de ware Dolores te leren kennen, Dolores zonder masker. Dat behoeft eigenlijk uitleg, maar ik heb het idee dat ik die maar niet moet geven, zodat de toekomstige lezer zelf kan ontdekken waarover het gaat. 

Cindy weet haar eigen plek in te nemen; ze werkt zich uit de afhankelijkheid. Wellicht had het allemaal ook anders kunnen lopen, maar dat is niet gebeurd. Zoals Van Kessel schrijft: 

In een ander verhaal was dit een moment van verzoening, dan zouden we inzien dat we elkaar nodig hadden. We zouden er proberen wat van te maken, omdat niemand zichzelf alleen kan worden. Maar het was geen ander verhaal. 

Het toeval is er al vrij aan het begin van een boek, als Cindy en Dolores hun tombolaloten ruilen met elkaar, waarna Cindy een snijmachine wint. Volgens het bijgeloof mag je vrienden geen mes cadeau geven, dat snijdt de vriendschap af. De snijmachine zal er later voor zorgen dat Dolores het topje van een vinger verliest. Mogelijk is dat een ongeluk, maar dat is niet helemaal duidelijk. 

Het eerste boek van Van Kessel, Uitzicht van dichtbij, was een interessant boek en ik schreef indertijd dat ik nieuwsgierig was naar hoe de schrijfster zich zou ontwikkelen. Als ik zeg dat ik Aardige vrouwen heel wat beter vind dat het debuut, wil ik daarmee niet dat eerste boek tekort doen, maar ik vind dit tweede steviger als geheel. 

Door het verhaal heen zijn er weetjes, of observaties, die als vanzelf een metafoor worden voor de relatie tussen Cindy en Dolores. Bijvoorbeeld dat van de woestijnsprinkhanen, die aardiger worden voor een soortgenoot als ze elkaar meer aanraken, maar die een andere karakterstand hebben als ze solitair zijn. Of dat van de lachuil, die uitgestorven is omdat zijn voedsel bestond uit een soort rat die de mens succesvol bestreden heeft. Als je te lang vasthoudt aan het verkeerde kan het je dood betekenen. 

Terloops

Het knappe van Onaardige vrouwen is dat het wel toont wat er allemaal gebeurt, maar dat je toch het idee hebt dat je het vanuit je ooghoeken ziet. Het heeft een zekere terloopsheid, een onnadrukkelijkheid, alsof het werkelijk belangrijke zich in tussenzinnetjes afspeelt. Bijvoorbeeld:

Ze bestelde een oolongthee met een heel grote koek. Ik wist dat ze de helft van die koek aan me zou opdringen en me dan een tikkie zou sturen.

Het zou schouderophalend gezegd kunnen zijn en het is tegelijkertijd treffend. 

Ook in dialogen (die vaak bijzonder goed zijn) staat er vaak een onbetekenend zinnetje tussendoor. In de citaten hierboven zijn dat zinnetjes als 'Ze likte de pudding uit haar mondhoek' en 'Hij stopte het broodje in één keer in zijn mond'. En daarna gaat het gesprek weer verder. Als je dat te vaak toepast, wordt het een maniertje, maar zoals Van Kessel het gebruikt, werkt het heel goed. 

Het aangrijpendst gebeurde dat bij de verkrachting, waarvan op het moment dat het gebeurt niet veel meer verteld wordt dan dat van de man de riem op de grond lag en dat zijn onderarmen zo harig en dik waren 'als van een gorilla'. Daarna gaat het verder als de man weer weg is:

Ik beet in mijn kussen, sloeg twee aspirines naar binnen en slikte ze zonder water door. Ik staarde naar mijn handen, niet in staat te bedenken dat dit mijn eigen handen waren. 

Juist de ingehouden manier van vertellen maakt het gruwelijk en hartverscheurend.

Blinde vlekken

Toen ik, enkele weken geleden, in een Instagramverhaal deelde dat ik het boek uit had, vroeg de schrijfster me: 'Kwam je er doorheen, als man zijnde?' Eigenlijk was ik me tijdens het lezen er niet van bewust dat ik een mannelijke lezer ben. Misschien had ik me daar wel van bewust moeten zijn. Ik voelde me de witte mens die zegt dat kleur voor hem er niet toe doet, daarmee toegevend hoe blind hij is voor wat er aan de hand is. 

Hoe het met mijn blinde vlekken zit, daarover moet ik maar eens flink gaan nadenken. In ieder geval heb ik wel gezien dat Aardige vrouwen een goed boek is: scherpe observaties, goed geschreven, stevig opgebouwd. Ik heb dit jaar al heel veel goede boeken gelezen, maar als ik aan het eind mijn lijstje met de beste boeken samenstel, staat dit in ieder geval op mijn longlist. 

Megan van Kessel, Aardige vrouwen. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 2026; 320 blz. € 21,99

woensdag 30 september 2026

De vallei der vergetenen (Henriet / Dubois / Usagi)

Dat je met een western te maken hebt, wordt meteen duidelijk als je de cover van De vallei der vergetenen ziet: een cowboy op een paard (revolver in de holster), sfeervol van onderen belicht. Op de achtergrond, in silhouet, vrouwen met een geweer en aan de andere kant twee lichamen, ondersteboven aan een tak opgehangen. 

Het scenario voor de strip is geschreven door Pierre Dubois en die neemt ons in het begin meteen mee naar het bijbehorende landschap waarin de hoofdpersoon op zijn paard rijdt, door de wijdte, langs een dorpje, naar een stadje, waar men hem blijkt te kennen. Zijn naam is Clark en iemand herinnert hem aan zijn verleden: 'Jij ging ervandoor en hij heeft 'n hekel aan verraders. Het maakt hem woest. Je weet wat dat opgeleverd heeft.' Die 'hij' is de baas, Winter, tot wiens bende Clark ooit behoord heeft. Clark heeft zich aan de bende onttrokken en dat is hem duur komen te staan. Sindsdien zint hij op wraak, maar het is lastig om het in je eentje tegen een hele groep op te nemen. 

Vrouwenfort

Clark lijkt het onderspit te delven. Hij wordt geraakt en wordt voor dood bij een rivier achtergelaten. Daar wordt hij gevonden door een meisje, Dorothy, die hem meeneemt naar huis. Ze blijkt te wonen in een fort waarin alleen vrouwen verblijven. Het is de bedoeling dat dat fort geheim blijft en dat Clark er nu is, is een moeilijkheid. Alleen de oude Scurly komt af en toe langs en hij neemt Clark op sleeptouw als die weer op krachten gekomen is. Samen zullen ze afrekenen met de bende, een bijna onmogelijke taak. 

Zoals zo vaak in westerns, gaat het verhaal in De vallei der vergetenen over goed en kwaad. Clark heeft ooit tot een bende behoord, maar uiteindelijk begon zijn geweten te spreken. Dat hij deugt, blijkt ook uit hoe hij een zwaargewonde indiaan (zo noem ik die toch maar even) verzorgt. Het bondgenootschap dat zij sluiten komt aan het eind van het verhaal nog terug. Het kwaad wordt bestraft in deze strip, maar het kost wel wat: er vallen heel wat doden. Dat is blijkbaar de prijs die betaald moet worden. 

Het verhaal van De vallei der vergetenen zit best goed in elkaar. Er zijn genoeg verwikkelingen, er is voldoende spanning, het tempo is goed. Clark heeft een verleden gekregen waardoor hij niet alleen maar goed is. Dat voorkomt een al te simpele zwart/wittekening, die je in dit soort strips toch wel hebt. Ook hier is duidelijk wie de goeden en de slechten zijn. De bijfiguren zijn interessant, zoals Ma Joe, de stevige leidster van het kamp en het eigenwijze meisje Dorothy. Figuren krijgen voldoende achtergrond, zodat duidelijk is wat hun drijfveren zijn. 

Toch heb je het idee dat veel van het verhaal doorsnee is, een variatie op dingen die al bekend zijn. Origineel is wel het vrouwenfort, een minimaatschappij die alleen uit vrouwen bestaat. 

Tekeningen

De tekeningen van Alain Henriet zijn helder, wat prettig is bij het lezen. De landschappen zijn sfeervol, ook dankzij de inkleuring door Usagi (Patricia Tilkin). Hoe fraai de tekeningen ook zijn, ze zijn ook statisch. Er wordt wel beweging gesuggereerd, maar het blijven stills: alsof de film even stilgezet is. Ook is het allemaal wel erg keurig en dat past niet zo bij de inhoud. Daaraan is ook de inkleuring debet. 

Aan de andere kant wordt het rood heel erg ruim gebruikt als iemand geraakt wordt door een schot: Clark verliest zoveel bloed, dat het niet aannemelijk is dat hij het overleefd heeft en bij andere schotwonden spat het bloed er wel erg uitbundig uit. In plaats van dat het de gruwelijkheid van de scène benadrukt, moet je daar eerder om glimlachen en dat kan de bedoeling niet zijn. 

De vallei der vergetenen is een lekkere strip om te lezen. Er is ruim de tijd genomen (bijna 150 bladzijden), het verteltempo is rustig, maar er blijft genoeg vaart in het verhaal. Een toegankelijke strip, die niet al te moeilijk doet. Dat is ook wel eens aangenaam. 

Titel: De vallei der vergetenen
Scenario: Pierre Dubois
Tekeningen: Alain Henriet
Inkleuring: Usagi
Uitgever: Le Lombard
2026, 148 blz. € 29,99 (hardcover)