Het werk van Ina Boudier-Bakker heb ik lange tijd nogal verwaarloosd. In een ver verleden las ik, min of meer bij toeval, Een dorre plant (1909), maar daar heb ik weinig herinneringen aan. Daarna liet ik haar werk een aantal jaren links liggen.
De laatste tien jaar (zo ongeveer) lees ik elke paar jaar wat van haar en daar schrijf ik dan ook over. Links naar de besprekingen vind je onderaan. Aan De klop op de deur (1930) hebben veel mensen dierbare herinneringen en misschien verwachtte ik er daarom net te veel van. Maar De eeuwige andere (1959) vond ik goed. Twee voeten (1928) weer wat minder, maar het was niet vervelend om het te lezen.
Onlangs kocht ik De moderne vrouw en haar tekort (1920, tweede druk). Als mijn eigen tekort me niet te veel in de weg zit, zal ik dat nog lezen.
Lof voor Finale
Maar nu heb ik Finale (1957) gelezen. Boudier-Bakker (1875 - 1966) was de tachtig al gepasseerd en mogelijk was ze in deze periode op haar best. Ik zou meer van haar gelezen moeten hebben om dat te kunnen beoordelen, maar De eeuwige andere verscheen twee jaar daarna. Op dit moment ontbreekt me de tijd om uitgebreider te zoeken, maar wat ik aan recensies op Delpher heb gezien, was positief. Het Rotterdamsch Parool kopte op 6 juli 1957: '82-jarige verbaast schrijvend en lezen Nederland.'
![]() |
| Algemeen Dagblad 7 juni 1957 |
Jan Greshoff begon zijn bespreking op 10 augustus in Het Vaderland als volgt:
En hij eindigde net zo lovend:
Het is mij niet mogelijk de juiste worden te vinden dit boek te prijzen, omdat het boven log verheven is. Het is er. En op een zo volledige en onafwijsbare wijze dat het bijna onbetamelijk wordt er over te oordelen. Als iemand in een jaar niet meer dan twee romans kan kopen, dan behoort, voor 1957, Finale door Ina Boudier-Bakker daar nummer één van te zijn.
Het boek verkocht blijkbaar goed. Drie jaar later, in 1960 dus, verscheen de vierde druk als Salamander.
Haar oude zelf
Een oude vrouw verlaat haar huis en gaat in een villa, een pension, aan zee wonen. Ze wil alleen zijn om haar 'oude zelf' terug te vinden.
Ze groeide op met haar moeder en haar jongere zus Fie, ging in zee met de kunstenaar Nico, met wie ze uiteindelijk trouwde. Ze gingen wonen in het huis van neef Victor. Nico is van gegoede stand en de vrouw heeft zich nooit thuis gevoeld in de familie waarin ze terechtkwam. Samen kregen ze zes kinderen. Die zijn intussen het huis uit en Nico en Victor zijn overleden.
Toen Finale verscheen, was de oorlog nog maar goed tien jaar voorbij en die wordt soms zijdelings genoemd, bijvoorbeeld als het gaat over haar jongste zoon Job, die in de oorlog te werk werd gesteld in Berlijn. Toen hij bij het sterfbed van Nico zat, moest hij daaraan terugdenken.
Hij kon dezen zieke, zijn vader, teder behoed, verzorgd en veilig geborgen in eigen huis, nooit anders meer zien dan tegen dat andere. Dit sterven, benijdenswaardig immers.
De oude vrouw is in de finale van haar leven. Ze trekt zich terug en wil alleen zijn. Kinderen en kleinkinderen komen wel langs, voor een deel wellicht omdat ze zich daartoe verplicht voelen.
Een wijde boog gesloten
Vroeger was de oude vrouw gehecht aan haar vrijheid, maar ze is terechtgekomen in een leven waarin ze zich moest gedragen en waarin ze plichten had.
Een wijde boog had zich gesloten. Een wilde jonge meid op een schildersatelier - een oude deftige dame. En daartussen de lange jaren, dat ze zorgvuldig haar woorden bewakend, had gelogen, verzonnen, gebukt...
Ze wil niet meer de dingen doen die van haar verwacht worden, maar de dingen die ze zelf wil. Aan de ene kant trekt ze zich terug, maar het is ook een vreemde gedachte dat ze nu nergens meer bij hoort. Ze heeft zich proberen te verzoenen met haar zus Fie, maar die stond daar niet voor open. Ook bij haar hoort ze niet meer.
De vrouw maakt zich klaar voor de finale, waarin ze niet van alles meer hoeft, maar dan blijkt dat mensen haar nodig hebben. Een stiefkleinkind waar niemand raad mee weet, komt bij haar tot rust en als een kleindochter ongehuwd moeder wordt is zij de eerste om haar in het ziekenhuis te bezoeken. En ook de mevrouw die haar verzorgt in het pension blijkt haar nodig te hebben.
Ze heeft gedacht, dat voor haar alles voorbij was - dat er voor haar niets meer op aankwam. Jawèl! Wis en waarachtig! Ze heeft het alleen maar alles scheef gezien. Ze heeft zich te weer gesteld tegen den Dood, toen die de sterkere scheen. Maar het Leven is de sterkste, die dit late geschenk in petto hield. Ze weet niet, nu ze triomfantelijk opkijkt in den gloed van den avondhemel, hoe in dat ogenblik een gezicht opbloeit, dat twee mannen hebben liefgehad.
Hoe dat zit met die twee mannen, laat maar even in het midden. Daar kom je wel achter als je Finale leest. Het boek eindigt met een verwijzing naar een gedicht van P.C. Boutens:
Laat het duister zijn,Als maar onderhand de dagen lengen.
![]() |
| Twentsch Dagblad Tubantia 9 april 1959 |






























