maandag 16 juli 2018

Armando (1929 - 2018) overleden

Foto: Conny Meslier

Armando is overleden, we weten het intussen allemaal. Hij is 88 geworden, een leeftijd waarop iemand weg kan vallen. Maar toch. Zijn werk blijft, zeggen ze. Zijn schilderijen, zijn sculpturen, zijn boeken, zijn muziek. Ja, ja, maar na iemands dood kan het snel gaan. Wie leest bijvoorbeeld Hellema nog? Hotz? Alberts?

Aantekeningen over de vijand

Wanneer begon ik Armando's werk te lezen? Ik haal zijn boeken uit mijn boekenkast. Het zijn er meer dan twintig. Welke was de eerste? Aantekeningen over de vijand, vermoed ik. Een Salamanderpocket, uitgekomen in 1985, door mij gekocht in 'dec '86', zo lees ik voor in het boek. Later zou ik de oorspronkelijke uitgave kopen (1981).

De pocket heb ik gelezen en herlezen, zie ik: ik heb alle 'aantekeningen' genummerd (het zijn er 648) en op een kladblaadje heb ik woorden genoteerd die vaker terugkwamen: 'plek', 'landschap', 'bomen/bos', 'vijand', 'dader', 'aantekeningen'. Achter elk woord staan de nummers van de aantekeningen die erop betrekking hebben. Bij 'aantekeningen' staat bijvoorbeeld '79'. De betreffende aantekening luidt:
Daar zit hij, beneden, aan het water, hij zit aantekeningen over z'n verleden te maken. Een gewone man, zo te zien. 
Het zou de schrijver zelf kunnen zijn.

Ik heb geprobeerd grip op het boekje te krijgen, vermoed ik. Wellicht zijn de aantekeningen van enkele jaren later, nadat de roman De straat en het struikgewas (1988) uitgekomen was. Dat heb ik laten lezen door de cursisten van de Volksuniversiteit in Wageningen waar ik indertijd een cursus 'Hedendaagse literatuur' gaf.

Voor in De straat en het struikgewas staat 'Van Amber en Ingrid'. Dat waren twee dierbare leerlingen en 1988 was het jaar dat ik vertrok als docent op de christelijke mavo in Zetten, bijna aan het eind van het schooljaar. Ik vermoed dat Amber en Ingrid mij een boekenbon hebben gegeven en dat ik daar dit boek van Armando van gekocht heb. Andere boeken die ik mij van mijn afscheid van de mavo herinner zijn: de biografie van Couperus door F.L. Bastet en de Verzamelde gedichten van Willem de Mérode.

Na Aantekeningen over de vijand was ik verkocht: ik wilde alles van Armando lezen. In dezelfde maand, december 1986 dus, kocht ik Machthebbers (1983) en Krijgsgewoel (1986). Heb ik toen ook meteen Uit Berlijn (1982) gekocht? Het is een soortgelijk boek: stukken die in NRC hebben gestaan. Voor in het boek staat alleen, dun in potlood, mijn naam. Later zou ik ook dat niet meer doen.

Iedereen die bovengenoemde boeken leest, zit meteen in de thematiek van het werk van Armando. Vaak wordt er een verband gelegd met de Tweede Wereldoorlog. Als kind groeide de schrijver immers op in de buurt van kamp Amersfoort. Later zou hij er met Hans Verhagen een documentaire over maken en daar kwam weer een boek van uit: Geschiedenis van een plek (1980). Dat heb ik ooit de bibliotheek geleend.

De jongen met het mes

In De straat en het struikgewas komt een jongen voor, die best de schrijver zou kunnen zijn. De jongen steekt een soldaat neer:
Ze liepen langs de bomen en langs het struikgewas, over een hobbelig en zanderig terrein met lange, gele grassprieten, de jongen voorop, de soldaat  met het pistool achter 'm. De jongen deed of hij struikelde over een tak, hij greep met de ene hand naar z'n voet en met de andere hand naar z'n mes. De soldaat snauwde iets en schopte de jongen tegen z'n rug, greep 'm in z'n kraag om 'm overeind te trekken, de jongen draaide zich snel om en stak het mes diep in de buik van de soldaat.
Gelukkig maar dat het mes zo scherp was.
De soldaat greep naar het mes, maar de jongen schoof de bevende handen van de soldaat met een ruk opzij en trok het mes er weer uit. Hij zag nog dat de soldaat op z'n knieën viel en hij rende weg, door het bos.
Onderweg stak hij het mes diep in de aarde.
Was Armando die jongen? Ik heb er ooit een journalist naar horen vragen. Het zou kunnen dat het Peter van Ingen was, toen Armando te gast was bij Zomergasten. Hij zei onverstoorbaar dat het 'een jongen' was. De presentator had het trouwens best lastig die avond, als ik het mij tenminste goed herinner. Als Armando een fragment had laten zien, zei Van Ingen bijvoorbeeld: 'De vraag is natuurlijk: waarom?' Waarop Armando antwoordde: 'Ja, dat dacht ik al', om vervolgens geen antwoord te geven. Op zo'n vraag kon hij ook antwoorden met 'Dat zou ik ook wel eens willen weten.'

In ieder geval vertelde Armando niet dat hij die jongen was. Misschien was hij het ook niet. Het doet er waarschijnlijk niet toe. De oorlog was al dichtbij genoeg. De kleine Armando, die toen nog Herman Dirk van Dodeweerd heette, zag de plek waar hij speelde veranderd worden in een kamp. Zijn ouders hadden twee onderduikers in huis, die opgepakt werden. Armando zag de bewakers, zag de gevangenen, zag het kamp, zag de plek.

Schuldig landschap

En de bomen, die alles gezien hebben en niets gezegd hebben. 'Schuldig landschap' noemde hij dat, zowel in zijn boeken als in zijn beeldend werk. Daarover ben ik in de jaren tachtig en negentig ook meteen boeken gaan kopen, bijvoorbeeld Armando, schilder-schrijver uit 1985. Vooral de rand van het woud kon de vijand zien. Er zijn dan ook verschillende schilderijen die 'Waldrand' heten. We komen ook titels tegen als 'Feindbeobachtung', 'Gefechtsfeld' en dus ook 'Schuldig landschap'.

De uitdrukking 'schuldig landschap' werd gevleugeld en zong zich los van Armando: anderen namen hem over, maar tegelijkertijd moet iedereen bij 'schuldig landschap' aan Armando denken. Tientallen malen is hij erover ondervraagd en daar zal hij wel eens moe van geworden zijn. In 2006 schreef hij erover in Gedoe:
Schuldig 
De schaduwrijke woudzoom en het bladerdak spraken er schande van, tenminste, dat hoopte hij. De werkelijkheid was anders, ze spraken er géén schande van, hij wist wel beter, ze bekommerden zich nergens maar dan ook nergens om. Hij nam ze hun onverschilligheid nogal kwalijk. Niet dat ie ze 'schuldig' noemde zoals iemand dat ooit had gedaan, maar hij duidde het hun euvel, dat weet ik zeker.
Ik ken hem namelijk goed. Het is nog erger: soms denk ik dat ik 'hij' ben, al lopen we in tegengestelde richting. Ik ben moe. 

Hij schilderde ook vlagen ('Fahne'), die geëxposeerd werden in het Stedelijk museum in Amsterdam. Later zou Armando schrijven dat vlagen steeds meer op bijlen gaan lijken als je ze lang achter elkaar schildert. Grote zwarte valggen, zijn het. Vlaggen om achteraan te marcheren.

Dat Armando over de oorlog schrijft zal zeker te maken hebben met de Tweede Wereldoorlog, maar ze gaan daar niet over. In zijn werk heeft 'de oorlog' een bredere betekenis. Het is meer de aanduiding van de natuurlijke staat van de mens en in zijn tekeningen zie je de oorlog zelfs terug in het tekenproces, het gevecht dat in de lijnvoering zit, de weerstand die nauwelijks overwonnen is.

Daarover schreef ook Ernst van Alphen in Armando; Vormen van herinnering (2000), een doorwrocht boek, aanbevolen voor ieder die dieper wil doordringen in het werk van Armando.

De SS'ers

Het werk van Armando is zeer divers, maar je zou ook kunnen zeggen dat het steeds hetzelfde is, in een andere vorm. Een opmerkelijk boek is De SS'ers (1967, met Hans Sleutelaar). Armando had toen nog niet meer gepubliceerd dan Verzamelde gedichten (1964). Het boek bevat gesprekken met Nederlandse SS'ers, maar de samenstellers haalden alle vragen weg, zodat de oud-SS'ers ononderbroken aan het woord blijven. Vaak zijn de stukjes binnen de hoofdstukken vrij kort. Armando heeft altijd een voorliefde voor korte stukjes gehouden, waarover straks meer.

Het boek riep weerstand op. In De Volkskrant van 1 juli 1967 besprak B. Groen het boek in een recensie met de titel 'Nederlandse SS huilt uit aan de borst van Armando en Sleutelaar'.
Het boek pretendeert een beeld te geven van de Nederlandse SS in oorlogstijd maar is in wezen niet anders dan een verzameling wat huilerige, niet geslaagde rechtvaardigingen.
Groen vond dat de zwakheid van het boek zat in het zomaar laten praten van de SS'ers. Dat zal ook het schokkende geweest zijn. In zijn stukjes uit Berlijn zou Armando, een kleine twintig jaar later ook 'Flarden' opnemen, opgetekende gesprekken. Geen duiding, geen kader; de lezer moet maar zien wat hij ermee doet. Het lijkt me een krachtig middel om de lezer aan het werk te zetten.

Hans van Straten noemde het in Het vrije volk van 15 juli 1967 'een knap interviewboek'. In het Limburgs Dagblad van 9 augustus schreef S.B. dat het boek geen antwoord geeft op de vraag wat lammeren in tijgers kon veranderen. De recensent signaleerde ook een 'Jan Cremeriaaanse' verteltrant, een zekere verlekkerdheid waarmee de gruwelen aan het front beschreven werden.

De recensent in Trouw van 20 juli 1967 achtte De SS'ers 'een gevaarlijk boek zonder tegenspraak'. In een kort stukje in het Algemeen Handelsblad wordt gezegd dat het hier geen gesprekken met oud-SS'ers betreft: 'men kan ze doodgewoon SS-er noemen'. Het stuk dat er in de Friese koerier aan gewijd wordt, eindigt met:


Waarnemen

De SS'ers past goed in het werk van Armando: observeren, waarnemen wat er om je heen gebeurt. Niet meteen oordelen, omdat dat het waarnemen in de weg staat. En tegelijk weten dat de ander net zo min te vertrouwen is als jijzelf.

Je weet al hoe het met de mensheid is en elke keer word je er opnieuw mee geconfronteerd. Nog steeds leidt het tot verbazing.  Armando heeft het in veel gedichten en in korte stukjes verwoord. In mijn boekenkast vind ik bundels terug als De haperende schepping (2003), Het wel en wee (2005), Gedoe (2006), Soms (2007), Nee (2008), Gedichten 2009 (2009), Eindelijk (2009) en Stemmen (2013).

Uit Eindelijk:
Gelijk 

Hij redeneerde en redeneerde, hij bezwoer, hij zwetste, hij leuterde. Ofschoon ik met een half oor luisterde, gaf ik hem gelijk, want mijn ondervinding is dat iedereen gelijk heeft. Ik soms ook. 
Ik denk dat het schrijven in korte stukjes, in momentopnamen, wel goed past bij wat Armando te vertellen heeft: er is geen groot verhaal, geen doorgaande lijn, zelfs een beroep op causaliteit is verdacht. De dingen gebeuren.

Mensen doen dingen en het heeft geen zin om naar redenen te vragen. Ze doen ze en dat is genoeg. Armando was wars van psychologiseren en was in zijn werk ook nooit op zoek naar zijn eigen drijfveren.

Uit Nee:
Ik weet nog steeds niet wie ik ben, en ik heb het voor zover mij bekend nooit geweten. 

Een weerzinwekkend schepsel

En soms zijn de dingen die gebeuren verschrikkelijk, maar dat is niet zo gek. De mens deugt immers niet.
Uit Gedoe:
Na indringende onderzoeken is het allang bekend dat de mens, op enkele uitzonderingen na, een minderwaardig, zo niet weerzinwekkend schepsel is. Daarom houd ik me bezig, liever gezegd moet ik me helaas bezighouden met een opvallende eigenschap van de mens, namelijk dat hij of zij met het grootste gemak de ander verraadt. 
Dat de mens een weerzinwekkend schepsel is, lijkt vooral een constatering, niet een emotionele afwijzing. Armando heeft niet zoveel op met emoties. Ook een emotie is immers een interpretatie van de aanleiding ervan. We hebben maar te accepteren dat de zaken zijn zoals ze zijn. We hoeven ons er niet tegen te verzetten, we kunnen ons er hooguit over verbazen.

Uit Eindelijk:
Opdracht 
Ik zeg het je midden in je smoel: ik ben op de wereld gekomen om me te verbazen. Ik heb kennelijk een opdracht meegekregen en die luidt: verbaas je en zet die verbazing om in kunst.
Want kun je me uitleggen waarom ik me dan zo druk heb gemaakt m'n leven lang? Ik vraag me dat op neerslachtige momenten af. Nee, ik heb die idiote opdracht maar te aanvaarden.
Met tegenzin, dat wel, laten we elkaar goed begrijpen. Ik vind dat juk, want het is een juk, soms net een schrikbewind, maar vertel het niet verder alsjeblieft, want dan krijg ik de grootste last.
Ondanks alles zing ik een kwiek lied. 
Je zou Armando een brenger van een sombere boodschap kunnen noemen, maar het is ook de zanger van een kwiek lied. Ik vind het werk van Armando uiterst geestig, ondanks de donkere ondertoon. Of misschien wel door die donkerheid.


Humor

De humoristische kant van Armando werd het bekendst door Herenleed, met Cherry Duyns en Johnny van Doorn. Op YouTube zijn verschillende voorbeelden te vinden. Ook zonder beeld blijven de teksten overeind. Ik heb verschillende dialogen met veel plezier voorgelezen aan mijn leerlingen en een enkele keer schiet mij, bij het aantrekken van een sok de zinsnede 'een omlfoerstheid van wol' te binnen.

De dialogen zijn we 'absurd' genoemd en dat zijn ze ook. Maar het absurde is voor Armando een gegeven van het leven. Hij kan de dingen die wij gewoon vinden met verbazing waarnemen en wat wij absurd noemen weergeven alsof het gewoon is.

Een voorbeeld ('De damesgestalte') vindt u hier.

Genoeg. En nooit genoeg. Armando was een veelzijdig kunstenaar, met een hecht oeuvre. Het is het lezen en herlezen waard. Hopelijk komt dat ervan, ook bij mensen die zijn werk tot nu toe ongelezen lieten.

Tot slot een stukje uit Gedoe:
Onherbergzaam 
Als ik erop terugkijk, op m'n zogenaamde bonte leven, dan kan ik het met één woord samenvatten en dat woord luidt: 'onherbergzaam'.
Ja, wat dacht je dan. Natuurlijk was het, en is het nog steeds, onherbergzaam, dat valt niet te ontkennen. Als je goed oplet merk je het. En dan kun je wel net doen alsof het niet zo is: het is wel zo, het is onherbergzaam. Maar, en ik zeg het met nadruk, wees niet treurig. Ben je mal. Nee, hoor.
Waarom kijk ik eigenlijk terug op m'n leven, waarom. Daar is geen enkele reden toe. Weet je wat het is? Opschepperij, dat is het. Trek je d'r niks van aan.

Wat ik ooit in het Nederlands Dagblad over Armando schreef, is verdwenen achter de betaalmuur. Op de site van Liter schreef ik over Stemmen, net als op Bunt Blogt.

De foto van Armando is beschikbaar gesteld door Conny Meslier. Haar site vindt u hier.

vrijdag 13 juli 2018

Iris (Lo Hartog van Banda / Thé Tjong Khing)


De ondertitel van Iris is 'Een roman voor kijkers' en dat is helemaal terecht. Al bij het doorbladeren van het boek raak je onder de indruk van de tekeningen: de felle kleuren, de sierlijke lijnen, de hallucinante beelden - elk plaatje is een kunstwerk.

Iris is een beeldroman, getekend door Thé Tjong Khing, naar een scenario van Lo Hartog van Banda. Het zijn niet de eersten de besten. Onder deze bijdrage plaats ik links naar werk van dit tweetal dat ik eerder besprak. Zowel scenarioschrijver als tekenaar lijken in Iris het beste uit zichzelf gehaald te hebben.

Wie door het boek bladert waant zich terug in de jaren zestig en dat is niet zo vreemd. Iris werd gepubliceerd in 1968. Het woord 'psychedelisch' dringt zich op: de droombeelden, de kleuren, de vloeiende lijnen. Dit boek is de jaren zestig.

Het meisje Iris komt terecht in handen van iemand die geld aan haar wil verdienen. Zij moet het nieuwe idool worden, maar het gaat niet om haar maar om het beeld dat van haar gecreëerd wordt. Haar vriend Mark probeert haar te bevrijden.

Identiteit en imago

Het probleem is hedendaags: identiteit en imago kunnen ver uit elkaar lopen en het imago is wat het publiek voorgeschoteld krijgt. Mark gaat de strijd aan en hij krijgt Iris inderdaad te pakken, maar uiteindelijk wint de amusementsindustrie. Opwekkend is de strekking van het verhaal niet. Toch wordt het nergens al te zwaar. Wellicht komt dat ook door  het kleurgebruik: met zulke uitbundige kleuren zonder nuancering komt er al gauw een zekere lichtheid over je.

Iris wordt gereduceerd tot een beeld: er worden poppen van haar verkocht en bij het optreden ziet het publiek een soort hologram. Met de begrippen beeld en werkelijkheid wordt het hele boek door gespeeld: maskers, verkleedpartijen, pruiken. In het begin lijkt Iris bijvoorbeeld als twee druppels water op Twiggy, met haar korte blonde haar, maar later heeft ze lang zwart haar.

In de wereld die Banda gecreëerd heeft liggen de taboes anders dan in de werkelijke wereld. Niet op seks bijvoorbeeld, maar wel op het niet dragen van een pruik. Je zou ook kunnen zeggen dat in die maatschappij echtheid vermeden moet worden. Onze sympathie ligt dan automatisch bij Mark, met zijn oprechte gevoelens voor Iris.

Dossier

Iris is een prachtig boek: niet alleen is het een intrigerend verhaal dat heerlijk getekend is, maar er is ook een uitgebreid dossier (door Rudy Vrooman) aan toegevoegd. We krijgen veel informatie over de tijd van ontstaan, met veel voorbeelden van iconische vrouwen die in strips terechtgekomen zijn. Een bekend voorbeeld is Brigitte Bardot, die duidelijk herkenbaar is in Barbarella. Françoise Hardy kende ik alleen van enkele  nummers uit de Top 40 ('Tous les garçons et les filles'), maar ik had er geen idee van dat ze ook een stijlicoon is geweest. Het dossier gaat er uitgebreid op in, evenals op de personen die Khing gebruikte als voorbeeld voor zijn personages.

Ook de link met de Pop Art is duidelijk. Vrooman maakt die  expliciet. In het dossier wordt Iris in een context geplaatst, waardoor je weet in welke culturele omgeving het album indertijd ontstaan is. Juist omdat het verhaal aanspreekt, wil je er als lezer zoveel mogelijk van weten en ik heb het complete boek dan ook bijzonder geïnteresseerd gelezen.

Natuurlijk komen we ook meer te weten over Khing en we krijgen zelfs enkele pagina's van de kleurenstrip Arman & Ilva, die ook opmerkelijk is door het kleurgebruik.

Deze uitgave van Iris is voorbeeldig: mooi vormgegeven en vooral een complete uitgave, waarbij alles wat je zou willen lezen over de tijd, over de strip, over de tekenaar en de scenarist er gewoon in staat. Een boek dat je niet uit hebt, als je het gelezen hebt, maar waarin je opnieuw gaat bladeren en lezen. Heerlijk!
Mark vindt Iris terug. Misschien wel de bekendste tekening uit het album.



Tekening van Hanco Kolk als hommage aan Thé Tjong Khing
Eerder schreef ik over Arman & Ilva: Het bevroren verledenCamilla. En verder over Student Tijloos en Opa en Oma.

Titel: Iris. Een roman voor kijkers.
Scenario: Lo Hartog van Banda
Tekeningen: Thé Tjong Khing
Uitgeverij: Sherpa, Haarlem 2018
Groot format, hardcover, 160 blz. € 45,00

maandag 2 juli 2018

Dichten met de wind mee (Harry Oonk)


Harry Oonk was de afgelopen drie jaren stadsdichter van Ede. Hoe hij dat werd, leest u hier. Het gebeurde tijdens een verkiezingsavond waarop hij verschillende ronden lang met meerderheid van stemmen verkozen werd en ook de jury wilde hem als stadsdichter. Jammer genoeg werd indertijd de uitslag bekendgemaakt door een wethouder die meende ook zelf een gedichtje in elkaar te moeten knutselen, maar die beschamende vertoning zijn we al half vergeten.

Dat Oonk stadsdichter werd, was niet zo verwonderlijk. Hij schrijft gedichten die je na de eerste keer lezen of aanhoren snapt, er zit vaak humor in zijn werk en hij kan het prima op een podium brengen.

Aan het einde van zijn stadsdichtersperiode heeft Oonk een bundel uitgebracht, met daarin een keuze uit de gedichten van de laatste drie jaren: Dichten met de wind mee. Het zijn 73 gedichten geworden, met bij elk gedicht een afbeelding, meestal een tekening die Oonk op de computer maakte/bewerkte.

Stadsdichtersgedichten

Wat precies de eisen zijn die aan een stadsdichter gesteld worden, is niet helemaal helder, maar je zou je kunnen voorstellen dat hij bij belangrijke gebeurtenissen binnen de gemeente een gedicht schrijft. Laten we zeggen: vier keer per jaar.

Maar in Dichten met de wind mee vinden we slechts vier gedichten die je zou kunnen verbinden met het stadsdichterschap: 'Ede', 'Stadsdichterstrots', 'Koopzonden in Ede', 'Vader en dichter'. Afgaand op mijn geheugen meen ik bovendien te kunnen zeggen dat minstens een van die gedichten al geschreven werd in de strijd om het stadsdichterschap. Mogelijk gaat het zelfs om twee gedichten.

We kunnen ook nog 'De schaamte voorbij' meerekenen, dat inhoudelijk weliswaar niets met Ede van doen heeft, maar het is wel geschreven voor het Taalhuis en vervult dus wel een functie binnen de Edese gemeenschap.

Al met al is het aantal stadsdichtersgedichten nogal schamel. Wellicht heeft Harry Oonk, die een veelschrijver is, meer stadsgedichten geschreven, maar zijn die niet door de selectie gekomen. Dan is er niets aan te merken op zijn productie als stadsdichter, maar kennelijk wel op de kwaliteit van de stadsgedichten.

Beeldspraak

Oonk is een voorleesdichter: zijn gedichten moeten het hebben van het horen. Dan bereiken ze de luisteraar vrij gemakkelijk. Ze zijn eenvoudig, zodat ze goed te volgen zijn en geen nadenken vereisen.

Op papier wordt het al lastiger. Een gedichtje lezen gaat vaak nog wel, maar bij herlezing valt het meestal door de mand: soms is het inhoudelijk schriel en vaak is de beeldspraak niet consistent. Dan krijg je een strofe als:
Uit de kerkers van mijn grijze brij,
sprokkel ik botjes van toen en ooit.
De weke delen zijn vergaan,
maar het juichen vergeet je nooit.
'Geheugen' heet het gedicht en het onderwerp wordt uit deze strofe ook al duidelijk. De 'kerkers' en de 'grijze brij' verwijzen natuurlijk naar de opbergruimte diep in het geheugen. Maar de twee beelden passen niet bij elkaar: kerkers in brij - dat zie ik nog niet gebeuren.

De dichter sprokkelt botjes. Hij vertelt ons dat 'de weke delen' zijn vergaan, maar dat zal wel niet het merg van het bot zijn, maar dat wat om het bot heen zat. En dan de wonderlijke zin 'Maar het juichen vergeet je nooit'. Het gaat hier toch juist om het bij elkaar sprokkelen van herinneringen? Dan is dat 'Maar' vreemd gekozen. Ook is mij niet duidelijk wat het juichen met de botjes te maken heeft.

De laatste strofe begint met: 'In de rimpels van mijn geheugen / spelen plaatjes, door de klok gezeefd.' Het gaat mij hier nu even niet over de gezeefde plaatjes, al is dat dubieus geformuleerd, maar om de herhaling: we krijgen geen nieuw inzicht, maar iets wat al eerder in het gedicht te lezen is geweest.

In een aantal gedichten van Oonk is er geen ontwikkeling, maar wordt in de verschillende strofen steeds hetzelfde gezegd, maar dan met andere woorden. Dat is in dit gedicht ook min of meer het geval. Daar wordt het gedicht niet altijd beter van. De dichter kan namelijk net zo lang variëren als hij wil; een gedicht had ook korter of langer kunnen zijn, waarmee de uiteindelijke versie wat toevalligs krijgt.

Wel blijkt daaruit het taalplezier, dat in veel van de gedichten aan te treffen is: woordspelingen, associaties, paradoxen, taalgrapjes - Oonk weet er wel raad mee. Ze doen het natuurlijk ook goed bij het voorlezen.

In het gedicht 'Stadsdichterstrots' schrijft Oonk: 'poëzie is niet bedoeld / voor boodschappen of berichten', Maar Oonk is bepaald niet vies van boodschappen al is het maar een minimale boodschap als 'We moeten helemaal niks'. Maar meestal houdt hij het bij observaties en een gedachte erover.

Geen pretentie 

Ik denk niet na over
of ik kunst maak,
of pruts of knutsel.
Ik maak maar wat.
Laat anderen bepalen
of het wat doet of niet. (...)
Dat schrijft Harry Oonk in 'Ist das Kunst oder kann das weg?' Het tekent de bescheiden opvatting die hij heeft over zijn dichterschap. Of het kunst is maakt hem niet uit. Hij knutselt wat met de taal en beleeft daar plezier aan.

Het is maar goed dat Oonk geen literaire pretentie heeft: zijn gedichtjes zijn amusement, aardig om te lezen of te horen, maar bij nauwkeurige lezing vallen ze als poëzie door de mand.

Wellicht heeft Oonk dezelfde houding ten opzichte van zijn tekeningen. Ook die zijn soms grappig en ze doen het aardig als illustratie, maar met kunst heeft het allemaal niet veel te maken. Daarvoor zijn ze te eenduidig of ligt het bedoelde effect er te dik op. Het kleurgebruik is vaak uitbundig en in sommige gevallen veel te bont (zoals bijvoorbeeld op het omslag). Binnen in de bundel zijn de illustraties overigens in zwartwit.

Vaak zijn er op de tekeningen mensen afgebeeld die dicht bij de dichter staan of die hij bewondert. Hij kan ook boeiend over hen vertellen. Ik hoor Oonk dan ook liever praten over bijvoorbeeld Goethe dan dat ik het betreffende gedichtje lees of de illustratie bekijk. Ik denk dat de tekeningen niet zozeer waarde hebben als afzonderlijke werkjes, maar samen geven ze wel een beeld van de dichter en van wat hem dierbaar is.

Publiek

Ongetwijfeld is er voor Dichten met de wind mee een publiek, zoals er ook voor de versjes van Toon Hermans indertijd publiek was. Het zullen vaak niet de gebruikelijke poëzielezers zijn, maar mensen die lol beleven aan het spelen met taal en die best af en toe een gedichtje willen lezen, als daar verder niet te veel over nagedacht hoeft te worden.

Mij zijn de gedichtjes te flodderig, wat zal komen door het hoge tempo waarin Oonk schrijft. Maar iets langer nadenken, iets meer schrappen, iets meer vijlen had ongetwijfeld betere gedichten opgeleverd. En wellicht ook gedichten die je nog eens kunt herlezen en waarin dan ook nog iets nieuws te ontdekken is. Nu lijkt alles opgeofferd aan de toegankelijkheid.

Dichten met de wind mee heet de bundel en dat lijkt te wijzen op het kiezen van de gemakkelijke weg: de dichter waait mee met de woorden. Ik zou gewenst hebben dat Oonk vaker de tegenwind had opgezocht, eigenzinniger was geweest, geen genoegen had genomen met 'wel aardig'. Dat zou de bundel ongetwijfeld interessanter hebben gemaakt.


De vorige bundel van Harry Oonk, Gediggies, besprak ik hier. En hier de bundel van de vorige stadsdichter, Arjan Keene.


woensdag 20 juni 2018

Margje (Jan Siebelink)


Net als (bijna) iedereen las ik Knielen op een bed violen van Jan Siebelink. Ik heb daar aardig wat plezier aan beleefd, al is 'plezier' misschien niet het juiste woord.  De benauwende, duistere kanten van deze roman waren in ieder geval wel aan mij besteed. In de decennia daarvoor had ik al best wat van Siebelink gelezen en in de jaren daarna las ik nog Oscar en het boek dat aansluit bij het violenboek: De buurjongen.

Dat laatste boek viel mij tegen. Ik schreef er hier over. Iemand adviseerde mij toen om Margje te gaan lezen. Dat stond wel op mijn lijstje 'Te lezen', maar het was er nooit van gekomen. Intussen heb ik het boek toch tot mij genomen.

Zoals De buurjongen niet in de eerste plaats over de buurjongen gaat, gaat Margje niet in de eerste plaats over Margje, al krijgt ze wel een veel grotere rol dan in Knielen op een bed violen. Maar ook in dit boek is Ruben Sievez de spil. Hij is degene die je volgt door de jaren heen en door zijn ogen zie je de gebeurtenissen zich ontrollen. Af en toe is er een apart hoofdstukje over Margje, spelend in een verder verleden, maar je krijgt de indruk dat dat 'moest' vanwege de titel.

De ouderlingen, met hun kraaiachtige verschijning, komen ook in Margje voor, maar ze spelen een marginale rol, ook doordat de rol van de vader, Hans, vrij klein is. Maar omdat Knielen op een bed violen in je hoofd zit, vul je die hele wereld waartoe de bekende personages behoren automatisch in. Als iemand het violenboek niet gelezen heeft, hoe zou die dan Margje lezen? Het is een vraag die ik niet beantwoorden kan. Waarderen lezers Margje omdat het lezen ervan de leeservaring van Knielen op een bed violen terugbrengt? Het kan zijn dat ze mede daardoor positief over Margje oordelen.

Concurrerende broers?

Achter op Margje staat: 'Een verhaal over een heel leven, dat van Margje en haar twee zoons. De jongste is haar lieveling, de oudste voert strijd om die plek in te nemen.' Die tekst vertekent nogal. Weliswaar neemt Margje haar zoon Ruben kwalijk dat er gestolen wordt van de tuinderij, maar dat is aan het eind van haar leven en de vraag is hoe helder Margje dan nog is. Verder blijkt de relatie tussen moeder en de oudste zoon goed te zijn, soms op het kleffe af zelfs.

De jongste zoon, Thomas (Tom), wil niet zo deugen, maar moeder blijft loyaal. Ik kreeg tijdens het lezen niet het idee dat dat ten koste gaat van de oudste zoon of dat die twee moesten concurreren om de gunst van moeder.

Wel verpest Thomas de relatie die Ruben heeft met zijn vriendin Johanna. Het lijkt alsof Ruben dat vergeven heeft, maar het zou niet raar zijn, als dat nog is blijven dooretteren, zodat er toch iets in de weg zit tussen de broers. Thomas is blind en je vraagt je wel af hoe dat komt. Een tijd lang verbaasde ik mij over zijn blindheid, omdat hij wel schilder is, maar later in het boek blijkt dat hij dan nog blind moet worden.

Als Ruben op de middelbare school zit, blijkt hij bijzonder goed in gym te zijn. Toen de zeventigste verjaardag van Siebelink in het openbaar gevierd werd in een kerk in Arnhem, vertelde John Jansen van Galen dat de schrijver indertijd zo goed was in gym dat hij bij uitvoeringen de topattractie was. Het publiek keek vol bewondering naar wat hij bijvoorbeeld in de ringen presteerde. Voor zover ik weet heeft Siebelink dat nog niet eerder in zijn boeken verwerkt.

Oom Anton

Een belangrijke figuur in Margje is oom Anton, die niet echt een oom is (maar ik kan zo gauw niet vinden hoe het wel zit). Als kind gaat Ruben met Margje bij de oom op bezoek. In de kelder vindt hij  een foto van het tennistoernooi Roland Garros in 1928. Hij is ervan overtuigd dat oom Anton en Margje op de foto staan. Maar later kan hij de foto niet meer vinden.

De mysterieuze relatie tussen Margje en Anton werkt goed in het boek. Er kan heel veel aan de hand zijn (geweest); het kan ook zijn dat Ruben het zich alleen maar in zijn hoofd haalt. De lezer wil graag weten hoe het zit en de schrijver onthoudt hem genoeg informatie om de spanning erin te houden. Deze verhaallijn is verrw

Hoe Ruben met zijn moeder en ook met zijn broer omgaat, kwam op mij nogal als klef over: de zoentjes, de strelinkjes, de woordjes ('O, vrijkous'). Het is misschien een kwestie van smaak.

In het boek komt ook travestie voor: Thomas trekt de kleren van Margje aan. Het is nauwelijks van belang en het komt ook een beetje uit de lucht vallen, maar interessanter is dat het ook voorkomt in De buurjongen. Ook daar lukte het de schrijver eigenlijk niet om het goed te integreren in het verhaal.

IJdeltuiterij

Ook net als in De buurjongen wordt Ruben nogal opgehemeld: hoe zorgzaam hij is voor zijn moeder, hoe hij meeleeft met het lot van de tuinderij en dus van  zijn vader, hoe vergevingsgezind hij is ten opzichte van zijn broer, hoe goed hij kan leren, hoe knap hij kan gymen. Omdat de schrijver zo dicht op zijn personage zit, vermoed je hier wel enige ijdeltuiterij. Maar misschien is dat geen enkele schrijver vreemd.

De verhaallijn met de oom is intrigerend, maar voor de rest viel het boek me nogal tegen. Het kent wel een vrij heftig slot, waarvan je je af kunt vragen in hoeverre dat voortvloeit uit de rest van het boek.

Ik ben geneigd Margje maar een matige roman te vinden, als ik alle plussen en minnen op een rijtje zet. Maar ik heb het toch met een zeker plezier gelezen. Dat ligt niet aan de stijl en zeker niet aan de karaktertekening en de ene geslaagde verhaallijn is daarvoor ook te weinig.

Sfeer

Misschien is het toch de sfeertekening, die Siebelink goed afgaat. Hij doet een beroep op alle zintuigen en weet kleuren en geuren goed over te brengen. Mogelijk nemen we als lezer ook nog wat mee van de sfeer van Knielen op een bed violen, al is Margje veel minder benauwend, lichter van toon.

De sfeer neemt ons mee het verhaal in en we leven waarschijnlijk ook gemakkelijk mee met de hoofdpersoon, al is die in deze roman niet bijzonder interessant. Dat komt ook doordat er veel expliciet gemaakt wordt, waar de lezer best naar had willen raden.

Zoals gezegd, de verhaallijn met de mysterieuze oom is het sterkst in Martje. En verder zullen we ons waarschijnlijk blijven herinneren als een spin-off van Knielen op een bed violen. 

zondag 17 juni 2018

De samoerai (Shusaku Endo)


Het zijn uitzonderingen: literaire werken van buitenlandse auteur die hier besproken worden. Het lukt me al niet om de Nederlandse literatuur een beetje goed bij te houden en als ik ook de buitenlandse erbij neem, overvalt mij misschien helemaal een gevoel van neerslachtigheid.

Twee jaar geleden besprak ik De opwindvogelkronieken van Haruki Murakami. Het was een cadeau van een leerling, dus ik kon (en wilde) er niet onderuit om het te lezen en als ik het lees, schrijf ik er ook over. Met plezier gedaan.

Onlangs stuurde een uitgeverij mij zomaar De samoerai van Shusaku Endo. Over Endo wist ik niets; alles wat ik over hem weet, heb ik opgezocht, of gevonden op een flaptekst van deze roman.

Endo (1923 - 1996) behoorde in Japan tot een minderheid: hij was namelijk katholiek. Dat katholicisme, of, breder, het christelijke geloof komt ook voor in De samoerai. Het boek verplaatst ons naar het verleden: 1613. Pedro Velasco is een fransiscaner monnik, die Japans spreekt en daarom geregeld als tolk gevraagd wordt. Het is hem een doorn in het oog dat de dominicanen in Japan alle aandacht voor zich opeisen.

Handelsmissie

Hij stelt voor dat er een handelsmissie van Japan naar Mexico zal vertrekken. Als er handelsbetrekkingen aangegaan kunnen worden tussen deze twee landen, zal Velasco een goede beurt maken. Hij hoopt dat hij daarna tot bisschop van Japan benoemd zal worden.

Met hem gaan vier Japanse gezanten (met hun bedienden) mee, waarvan er een, de samoerai Hasekura Rokuemon, de samoerai uit de titel, de leiding heeft. Daarnaast reizen er Japanse kooplui mee. Zij laten zich uiteindelijk dopen, omdat ze het idee hebben dat dat voordelig voor hen zal zijn.

Via Mexico gaat de reis door naar Spanje en daarna zelfs naar Rome. Velasco en de Japanse gezanten doen er alles aan om de missie te laten slagen. De gezanten zijn ooit hun land kwijtgeraakt en wonen in een moerassig gebied. Als de missie lukt, is er kans dat zij de landgoederen terugkrijgen. Ook de gezanten gaan over naar het christelijke geloof, in de hoop dat dat een goed einde van de reis zal bevorderen.

Kajafas

Wat betekent geloof? Mensen gaan uit opportunisme over tot het christendom en de missionaris is meer bezig met de nieuwe status die misschien in het verschiet ligt, dan met zijn relatie met God. Tekenend is ook het gesprek dat er plaatsvindt in Rome. Velasco houdt een vurig pleidooi tegenover kardinaal Borghese, om zich te bekommeren om de afgedwaalde schapen in Japan. Maar Borghese zegt dat hij zich vooral moet bekommeren om het belang van de kudde. Men heeft in Rome een organisatie draaiende te houden.

Velasco vergelijkt de kardinaal met de hogepriester Kajafas die vond dat het beter is dat er één mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat. Volgens Borghese kan hij niet anders: 'Maar zolang ik verantwoordelijk ben kan ik niet anders dan Kajafas' houding aannemen tegenover de gelovigen in Japan. Maar... ik zou niet graag willen dat u denkt dat mijn hart vrij is van verdriet en wroeging. Iemand moet de last van die marteling dragen.'

Borghese wast niet zijn handen in onschuld. Hij weet dat hij vuile handen maakt, maar hij neemt de verantwoordelijkheid op zich.

Uiteindelijk blijkt de hele missie tevergeefs. De christenen worden vervolgd in Japan en die vervolgingen zijn erger geworden sinds de aanvang van de reis. Er is geen enkele aanwijzing dat Japan werkelijk toenadering wil. Dat wil zeggen dat de misschien al vanaf het begin geen enkele kans van slagen heeft gehad.

Zinloosheid

Dat zou je tragisch kunnen noemen, maar toch zijn de deelnemers aan de missie niet alleen maar teleurgesteld. Je zou kunnen zeggen dat ze door de confrontatie met de zinloosheid naar het geloof toe trekken. Juist als ze net zo goed hun streven op kunnen geven, houden ze zich vast aan het doel dat ze gesteld hebben. Daarbij valt het eigenbelang weg. Zowel Velasco als Hasekura wordt gedreven door iets wat groter is dan de eigen persoon.

Het duurde even voordat ik in het verhaal van De samoerai raakte en aanvankelijk vond het boek vooral interessant omdat het ging over plaatsen en tijden waarover ik eigenlijk niets wist. Het verder lezen ging met hobbels, veroorzaakt door de omstandigheid dat ik terechtkwam in examen- en correctiedrukte op school, waardoor ik geen ruimte in mijn agenda had om te lezen en zeker geen rust in mijn hoofd om mij aan een roman te zetten.

In de loop van het boek kreeg het verhaal me te pakken, zeker bij het beklemmende einde, waarover ik niet zo veel kan vertellen, omdat ik de plot niet wil weggeven.

Opmerkelijk is dat een auteur met een christelijke achtergrond een beeld geeft van het christelijke geloof waarin het niet lijkt te gaan om een dieper inzicht, een verbondenheid met het hogere of leidraad in het leven, maar voor om opportunisme en oppervlakkigheid.

Uiteindelijk blijkt het geloof kracht en richting te geven. Gelukkig legt Endo niet uit hoe dat nu mogelijk is. Hasekura snapt zelf ook niet dat hij zich wendt tot een geloof waarvan de vertegenwoordiger, wiens beeld hij geregeld aan kruisen ziet, niets aantrekkelijks heeft voor hem.
De samoerai bedacht ineens dat die man in vreemde landen 'Heer' genoemd werd, en dat hij nooit begrepen had waarom. Het enige wat hij wist was dat het lot hem niet met een koning van deze wereld samengebracht had, maar slechts met een man die veel weg had van de vagebonden die soms in het moerasland kwamen bedelen. 
Harekura maakt een irrationele (of bovenrationele) keuze en blijft daarbij. Of misschien maakt hij niet eens een keuze, maar gebeurt het hem gewoon

Vooral het slot van de roman maakt indruk, waar de personages doorgaan op de weg zie hebben ingeslagen, al kunnen ze weten dat die weg doodloopt en dat ze er niet goeds van te verwachten heben. Alle personen hebben een roman lang en een groot deel van hun leven lang, gestreefd. Hasekura had zich al verzoend met het leven in het moerasland, maar hij wilde wel de missie tot een goed einde brengen. Uiteindelijk is hij het willen voorbij en ondergaat hij wat het lot voor hem in petto heeft en aanvaardt het.

Japans

Dat de auteur Japans is, blijkt natuurlijk uit de onderwerpkeuze en waarschijnlijk ook wel uit de manier waarop de personages omgaan met teleurstellingen. Een van de gezanten kan de schande van een mislukte missie niet dragen en pleegt zelfmoord.

Ook de rol die familie speelt, is onwesters. De oom met zijn opvattingen is belangrijk in de familie, al is Hasekura het niet altijd met hem eens. De reis duurt verschillende jaren en af en toe denkt de samoerai aan vrouw en kinderen, maar minder dan je zou verwachten en het weerzien bij zijn thuiskomst, wordt nauwelijks beschreven.

Endo is ongetwijfeld een schrijver van formaat. Dat ik geen plannen heb om meer van hem te lezen, Stilte bijvoorbeeld, heeft niets te maken met de kwaliteit van zijn werk, maar meer met de beperkingen die ik me noodgedwongen moet opleggen. Nu maar weer over naar de Nederlandse literatuur.

Titel: De samoerai
Auteur: Shusaku Endo
Uitgever: Kok
Utrecht 2018; 336 blz. € 15,00

woensdag 6 juni 2018

De Complete Brammetje Bram: deel 1, Piraten in zicht!


Dingen uit je jeugd opnieuw voor ogen of onder ogen krijgen, kan een bevreemdende ervaring zijn: het huis van je oma is kleiner dan je je herinnerde, de weg naar school blijkt korter dan je geheugen aangaf en de spannende boeken vallen bij herlezing door de mand.

Het heeft iets dubbels, die confrontatie met het verleden. Ik luister wel eens naar slechte muziek uit de jaren zeventig. Dat is muziek die ik ook toen al niet best vond, laten we zeggen 'Una paloma blanca' en toch heeft het terughoren ook iets prettigs: alsof je weer even de tijd kunt aanraken dat je vijftien of zestien was.

Brammetje Bram

Toen ik de integrale heruitgave van de strip Brammetje Bram in de winkel zag liggen, besloot ik hem te kopen. Mijn striphandelaar snoof verachtend: 'Wat neem je nu mee! Die albums neem ik tweedehands nog niet in, al krijg ik geld toe.' 'Jeugdsentiment', zei ik verontschuldigend en ik vroeg me af of ik goed had gedaan aan de koop. Sommige dingen, en dus ook sommige strips, kunnen misschien beter een herinnering blijven.

Ik las Brammetje Bram indertijd in Sjors en ik weet nog als de dag van gisteren dat de strip verscheen. Als mijn geheugen me niet bedriegt, was Sjors net vernieuwd: nieuwe vormgeving, nieuwe strips (bijvoorbeeld De Sliert en Arad en Maya en misschien ook wel Roel Dijkstra) en een nieuwe tekenaar van Sjors en Sjimmie, Jan Steeman.

En in die Sjors werd de strip Brammetje Bram aangekondigd: 'Hou je vast! Volgende week in Sjors Brammetje Bram, het slimste scheepsmaatje aller tijden, en Knevel de Killer, de absolute schrik van de zeven zeeën.' Bijzonder aan de lettering was dat in elke 'o' een stip stond, wat altijd zo gebleven is in de verhalen van Brammetje Bram.

Het was april 1970, ik was tien jaar oud en  het is niet zo gek dat ik vanaf dan zou gaan genieten van de avonturen van deze nieuwe stripheld. De verhalen spelen zich af in een onduidelijk verleden, toen er nog zeilschepen en kapers waren, wat wel aansloot bij de kinderboeken die ik las, zoals Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de Ruijter en Scheepsmaat Woeltje.


Aan het begin van het eerste verhaal, 'Brammetje Bram en Knevel de Killer', rent Brammetje hard weg voor de slager, die een kat te pakken wil nemen. De slager achtervolgt de kat en de jongen, die hun toevlucht zoeken op een schip en daar durft de slager niet te komen: het is namelijk De Zeemadelief, het schip van de beruchte zeerover Knevel de Killer. Brammetje en de kat Knarf varen als verstekeling mee en treden zo toe tot de bemanning van Knevel.

Knevel is het type 'ruwe bolster, blanke pit'. Hij kan hard schreeuwen, maar je weet als lezer dat hij eigenlijk wel deugt en als het erop aankomt, zal Brammetje hem met plezier redden. Ook de naam van zijn schip (De Zeemadelief) geeft al aan dat er ook iets lieflijks zit in deze killer.

Roodbaard voor kinderen

In het eerste verhaal wordt er een prinsesje vervoerd. Zo'n gegeven herkennen we ook uit een van de verhalen van Roodbaard. Met enige goede wil zou je Knevel de Killer een Roodbaard voor kinderen kunnen noemen.

Voor een kind is Brammetje Bram een strip die zowel spannend als veilig is: Knevel en Brammetje beleven veel avonturen en er wordt zeker ook in gevochten, maar er vallen geen doden. Wat dat betreft is de strip met Asterix te vergelijken, waarin heel wat Romeinen in elkaar getimmerd worden, zonder dat je de indruk hebt dat je iets gewelddadigs leest.

De bemanning van De Zeemadelief is een fraai mengelmoesje van culturen: twee matrozen (Driek, die zich als afstammeling van de Vikingen beschouwt en de potige maar goedmoedige Marius), een scheepsarts (Salver Quack, die je pas goed boos kunt maken als je zijn mutsje afneemt) en de Chinese kok (So-wi-so, die de 'r' stereotiep als een 'l' uitspreekt).

Stereotypen

Die stereotyperingen zouden tegenwoordig op bezwaren stuiten. Het laatste verhaal in dit deel van de integrale heruitgave is 'Brammetje Bram, de zonnekoning van Mato Grosso.' Daarin wordt Brammetje meegenomen door een stel inlanders, die voor hem buigen en hem vereren: 'Jijkiebijkie onziekoninkie'. De witte superioriteit, die we later ook zouden leren kennen uit bijvoorbeeld Pocahontas en Avatar, is hier overduidelijk.

In die tijd is de strip Sjors en Sjimmie net gemoderniseerd, waarbij de twee striphelden gelijkwaardig zijn geworden: Sjimmie praat normaal Nederlands en is gewoon een vriendje, dat toevallig niet wit is.  Maar een stel indianen afschilderen als onderdanig en ook wel een beetje dom, was toen blijkbaar geen probleem. Misschien komt dat ook door de historische setting van de strip.

Je zou kunnen zeggen dat je zo'n strip dus niet zomaar zou moeten herdrukken, maar mij lijkt belangrijker dat het tijdsbeeld wordt weergegeven. En moeten daar dan geen waarschuwende bordjes bij? Ach, welnee: de lezers van nu mogen zelf hun oordeel vormen, zonder bevoogdend commentaar.

Dossier

Bij een integrale uitgave hoort ook een dossier met achtergrondinformatie. In deze uitgave is dat dossier bescheiden, maar we komen wel het een en ander te weten over de schepper van Brammetje Bram, de Antwerpenaar Eddy Ryssack (1928 - 2004).  Ik herinner me dat ik in Eppo van zijn hand ook nog de strip 'Opa' heb gelezen.

Ryssack heeft veel getekend en geïllustreerd, maar de geschiedenis heeft wel stof op hem doen neerdalen. Naast het tekenen van strips hield hij zich bezig met het maken van animatiefilms en met het Stripgilde, dat hij mede oprichtte en waarvan hij de eerste voorzitter was. Het is mooi dat met deze uitgave dat stof weggeveegd wordt, zodat we Ryssack en Brammetje Bram opnieuw kunnen leren kennen.

Er staan drie verhalen in deze bundeling, waarvan we 'Brammetje Bram en de schat van de Nour-Akhs' nog niet genoemd hebben. Alleen dat verhaal verscheen ooit als album. Zo zou het ook gaan met de volgende verhalen: sommige brachten het nooit tot een zelfstandige uitgave.

Het dossier in dit deel is verzorgd door Wouter Adriaensen, die dat heel aardig heeft gedaan. Een deel van de informatie was ook al te lezen in de Comiclopedia, in een bijdrage van Bas Schuddeboom.

Tekstschrijver

Opmerkelijk is dat de tekstschrijver van de eerste negen verhalen over Brammetje Bram, Frans Buissink, weggemoffeld is. Hij staat niet vermeld op de omslag of bij het begin van de verhalen en ook niet in het dossier (als er tenminste niet overheen gelezen heb). Wel op de titelpagina en verder in een klein introductiestukje door 'De uitgever' waarin wordt aangekondigd dat er in het volgende deel aandacht aan Buissink besteed zal worden. Dat is aan de magere kant.

Verder ontbreekt een behoorlijke inhoudsopgave, waardoor het iets lastiger is om het begin van de afzonderlijke verhalen te vinden. Op het achterplat staat nog wel welke drie verhalen opgenomen zijn, maar dat had natuurlijk ook prominenter in de uitgave vermeld moeten worden.

Op het achterplat wordt het tweede verhaal 'De schatten van de Noer-Akhs' genoemd, zoals het verhaal ook aangekondigd werd in Sjors. In de albumuitgave zijn 'de schatten' teruggebracht tot 'de schat'. Over de reden daarvan krijgen we verder geen informatie.

De verhalen van Brammetje Bram blijken overigens nog aardig mee te kunnen. Er zit vaart in het verhaal en in de tekeningen. Ryssack had een bijzonder soepele hand van tekenen, die zeer aangenaam oogt. De inkleuring in het eerste verhaal bevalt me op sommige platen minder. Dan is zo'n bladzijde bijvoorbeeld wel erg roze geworden en soms wordt de huid zo roodachtig ingekleurd dat de rode outfit van Brammetje er nauwelijks bij afsteekt (blz. 49). Maar het is slechts de kniesoor in mij die daar op let.

De tekst is goed overeind gebleven. Er zit humor in wat gezegd en beschreven wordt. Op een gegeven moment neemt Knevel Brammetje mee om zijn schat te verbergen. Brammetje moet een kuil graven voor de schat, maar hij weet niet wat daarna zijn lot zal zijn. Zal Knevel hem laten leven? Brammetje vraagt zich dan af: 'Ben ik nu een omgekeerde schatgraver of een doodgraver?' Dat zijn zinnetjes die ik nog steeds met plezier lees.

Het is lastig om objectief te oordelen over Brammetje Bram, omdat er voor mij ook jeugdsentiment aan kleeft. De tekeningen vind ik verrassend soepel en ik heb genoten van sommige stukjes tekst. De verhalen zijn verder aardig, maar nu ook weer niet heel bijzonder. Dat er bijzondere wezens (Nour-Akhs) en bijzondere mensen (indianen) nodig zijn om interesse te wekken is misschien al een veeg teken. Toch heb ik me niet verveeld bij deze drie verhalen en ik heb genoten van de afbeeldingen van de covers van Sjors die ik bijna weer kon ruiken.

In de loop van de jaren heb ik de piraten nooit helemaal vaarwel gezegd. Natuurlijk heb ik Roodbaard gelezen en op Netflix kijk ik naar Black Sails. Het is niet waar dat Brammetje Bram dat teweeg heeft gebracht, maar een moment lang is het leuk om dat te denken.


Serie: De Complete Brammetje Bram
Deel: 1. Piraten in Zicht!
Tekeningen: Eddy Ryssack
Tekst: Frans Buissink
Uitgever: Arboris, Zelhem 2017; 176 blz. gebonden, €24,95

dinsdag 5 juni 2018

Podcast: Fokcast



Al jaren ben ik een liefhebber van cabaret, over de bijna volle breedte van het genre. Dat ging van Don Quishocking tot Toon Hermans en dat gaat van Katinka Polderman tot Wim Helsen en van Micha Wertheim tot Daniël Arends. En ik hou van het goede 'luisterlied'. Laten we zeggen van liederen als van Daniël Lohues, Kees Torn, Yentl en De Boer, Alex Roeka en de betreurde Maarten van Roozendaal.

Fokcast

Maar van stand-upcomedy wist ik bijna niets. Ik heb zelfs voor dit stukje moeten opzoeken hoe je het precies schrijft (los, aan elkaar, streepje?).  Een paar jaar geleden ontdekte ik echter de podcast Fokcast. Fokcast wordt gemaakt door Fokke van der Meulen, een Nederlander in Antwerpen, uitbater van comedy-café The Joker. Tweemaal per week zijn er optredens in dat café en ervoor of erna heeft Van der Meulen een gesprek met de artiest of de artiesten in de kelder van The Joker. Elke week plaatst hij de opname van het gesprek online. Alle afleveringen vind je hier.

Meestal zijn de geïnterviewden slechts in kleine kring bekend. Of misschien is het beter om te zeggen dat ik de meeste comedians nog niet kende. Michael van Peel, Jeroen Leenders, Xander de Rijcke, Alex Agnew, Soe Nsuki, Jens Dendoncker, Jeroen Maris, Steven Mahieu - in het circuit zijn het misschien bekende namen, maar ik heb ze nog nooit voorbij horen komen bij bijvoorbeeld het radioprogramma Andermans veren.

Het zal er ook wel mee te maken hebben dat het Vlamingen zijn en dier namen dringen niet altijd tot Nederland door. Van de Belgen kende ik wel de al eerder genoemde Wim Helsen, en verder: Philip Geubels, Nigel Williams (waarover straks meer) en Wouter Deprez.

Soms komt er een Nederlander langs in The Joker: Theo Maassen, Jan Jaap van der Wal, Kiki Schippers, Arie Koomen. Daar zitten grote namen tussen en ook die treden dus op in The Joker.

De gesprekken zijn bijzonder prettig. Fokke van der Meulen weet in een ontspannen setting gerichte vragen te stellen. Hij vraagt wanneer iemand begonnen is met comedy en samen reconstrueren ze de ontwikkelingsgang. Altijd vraagt hij door naar de werkwijze en naar de thematiek. Natuurlijk gaat het om de grappen, maar een stand-upper moet ook wat te zeggen hebben. Het moet persoonlijk zijn, zodat er wat op het spel staat.

Doordat we meeluisteren met de vragende Fokke, kijken we ook met hem mee naar comedy. Zijn geïnteresseerdheid slaat automatisch op de luisteraar over. De comedians voelen zich bij hem vrij om ook te praten over wat er niet goed ging. Van der Meulen zal niet iets goedpraten wat slecht is, maar hij hecht minder belang aan zijn eigen oordeel dan aan het onderzoeken hoe het nu komt dat iets goed is of minder goed, waarom sommige dingen werken en andere niet.

Intussen zijn er al meer dan honderd afleveringen van Fokcast verschenen en ik heb ze allemaal beluisterd. Sterker nog: ik ben ook af en toe stand-upcomedy gaan bekijken op Netflix: Bill Burr, Louis C.K., Iliza Shlesinger, Eddy Murphy, Doug Stamhope, Jerry Seinfeld, Jen Kirkman. Waarschijnlijk zou ik niet gekeken en geluisterd hebben naar deze mensen en naar bijvoorbeeld Jeroen Leenders en Bas Birker als ik Fokcast niet beluisterd had.

Podcasts over comedy

Ik ging ook op zoek naar andere podcasts over stand-upcomedy, maar het resultaat viel me niet mee. Een stuk of vijf afleveringen beluisterde ik van Mosselen om half twee van Xander de Rijcke. Je vindt de afleveringen hier. Deze podcast bestaat al een hele tijd (bijna driehonderd afleveringen), maar ik vond het beluisteren geen pretje. Het format is: je zet een stel mensen bij elkaar en ze moeten samen grappig doen. Dat betekent dat er veel grappen gemaakt worden die te voor de hand liggend zijn en te weinig grappig. Daarom vond ik indertijd de Lama's ook altijd zo vervelend. Bij de mosselpodcast raakte ik al gauw de aandacht kwijt.

Ook Nigel Williams heeft een eigen podcast: Downtime. Hij praat die vaak (bijna elke dag) vol op een losse manier. Dat is het pluspunt. Hij houdt ervan zich op te winden, maar mij krijgt hij meestal niet mee in zijn opwinding. In de podcast is vaak voelbaar dat het kwartier (of zo) gevuld moet worden, zonder dat er de noodzaak is om iets te zeggen. Ook hier ben ik afgehaakt, na een keer of zes, zeven. Williams als gast bij Fokcast is vele malen interessanter dan Williams als hoofdpersoon van zijn eigen podcast.

Fokcast draait niet om de grappen, maar is niettemin vaak ongemeen grappig. Niet omdat het moet, zoals bij de mosseljongens, maar omdat de gesprekspartners alert en ad rem zijn en zelf veel lol aan het gesprek beleven. Maar de grappigheid is een extraatje, dat je krijgt bij het boeiende gesprek.

En de meeste gesprekken zijn boeiend. Mij zegt Star Wars bijvoorbeeld he-le-maal niets! Ik heb geen referentiekader, geen achtergrondkennis, geen interesse. Maar ik heb toch geamuseerd zitten luisteren naar een groepje mensen in de kelder van The Joker, die samen de nieuwe Star-Warsfilm bespreken. Iets van die interesse pik je als luisteraar dan automatisch mee.

Verschillende gasten keren na verloop van tijd terug in de podcast, wat het kringetje misschien wat klein maakt, maar er zijn ook altijd weer nieuwe gasten. Bovendien bespreken ze ook af en toe de grote Amerikaanse en Engelse comedians, waarbij ze altijd goed uitleggen waarom ze een bepaalde show wel of niet goed vinden.

Een wereld in opbouw

Blijkbaar is de Vlaamse wereld van stand-upcomedy niet zo groot: iedereen kent iedereen. Het gevolg is dat er nogal eens voornamen worden genoemd, zonder dat duidelijk is naar wie er verwezen wordt. Zeker voor de beginnende luisteraar is dat een bezwaar.

In het begin was de verstaanbaarheid niet optimaal: het geluid was toen aan de zachte kant en de opname in een kelder, waar bovendien te pas en te onpas iemand komt binnenvallen zorgt soms voor bijgeluiden. Maar die losheid typeert ook de Fokcast en het heeft ook wel iets charmants. Storend is het zelden. En de kwaliteit van het geluid is intussen meestal in orde.

Natuurlijk is niet elk gesprek van hoog niveau, maar een podcast heeft het recht om beoordeeld te worden op het gemiddelde niveau en dat is best hoog. Halverwege de week komt de nieuwe aflevering bij mij binnen en het gebeurt maar zelden dat ik het beluisteren uitstel tot het weekend. En ik sla nooit een aflevering over.

Even proberen dus, deze podcast, ook als je (nog) niet van comedy houdt. Je komt terecht in een wereld in opbouw. Comedy neemt ook in Vlaanderen toe qua populariteit. Dat betekent dat er meer mogelijkheden zijn voor comedians om op te treden, dat er meer cursussen, masterclasses, gegeven worden. Dat heeft weer tot gevolg dat het niveau stijgt. Over een aantal jaren zal de comedywereld net zo uitgegroeid zijn als de cabaretwereld in Nederland. Het is boeiend om mee te maken hoe het zover zal komen.