Deze keer twee stukjes uit het dagboek dat ik in 2023 bijhield. Het eerste, over het opruimen en verstoken van het snoeihout schreef ik op 12 september, het tweede, over het snoeien bij tante Jannie, een week later.
Ik plak er een foto bij die genomen is achter het huis van tante Jannie. Ik heb de ratel in mijn handen, naast mij zit mijn neefje Joop op de driewieler. De foto is genomen in juni 1967. Het is de maand dat ik acht jaar oud werd. Met de ratel moest ik de spreeuwen verjagen uit de morellen van mijn tante.
Eerst maar even wat ik al beloofd had: over snoeihout opruimen. In de winter heeft mijn vader het niet zo druk. Twee keer per dag de koeien melken en de varkens voeren, maar aan het fruit hoeft hij niets te doen.
Soms wel. Dan heeft hij fruit in ‘de cel’. Er zijn koelcellen en je hoort ook wel over de gascel. Een koelcel kan altijd opengemaakt worden. Dan kun je de kisten eruit halen, maar dan moet het fruit nog wel gesorteerd worden. Er kunnen intussen hier en daar rotte appels of peren in de kisten zitten. Verschillende fruittelers hebben hun fruit in dezelfde cel.
Een gascel maak je niet even tussendoor open. Is er vooraf een datum afgesproken? Ik weet het niet.
Als pa niet hoeft te sorteren, gaat hij snoeien. Dat is altijd in de winter. Als het erg koud is, draagt hij zwarte, wollen wanten. Ze zijn eigenlijk niet zo dik, maar blijkbaar dik genoeg. Het kan gemeen koud zijn. Mijn vader draagt klompen, waarin je minder snel koude voeten krijgt dan in laarzen. Ik heb ook wel boeren gezien die stro in hun klompen doen en de vader van mijn vriendje Gerard draagt klompsloffen, een soort leren pantoffels die je in je klompen aan kunt houden. Dat doet mijn vader niet.
Hij neemt een snoeischaar mee en een zaag aan een lange steel. En een ladder natuurlijk. Af en toe komen er een stel fruittelers samen voor een soort instructie. Van Drumpt, een oude man, is meesterknecht bij de baron. Gerard noemt hem altijd ‘boaske’. Als de fruittelers een tijd naar de instructeur hebben geluisterd, vragen ze aan Van Drumpt, hoe hij de boom zou snoeien. Hij zegt dat hij dat niet kan uitleggen, maar dat hij het wel voor kan doen. Hij doet het zoals de instructeur het nooit gedaan zou hebben, maar iedereen heeft respect voor Van Drumpt. Mijn vader vertelt het als hij terugkomt, vol bewondering.
Soms neemt mijn vader mij mee naar het snoeien. Dan moet ik het snoeihout opruimen. Ik moet het op hoopjes leggen. Dat doe ik met de gavel, de hooivork, maar het is onhandig werk, want de takken steken alle kanten uit en vallen steeds van de gavel af. Ik vind het geen prettig werk. Als alles gesnoeid is, liggen er overal hoopjes snoeihout in de boomgaard.
Dan rijdt mijn vader erlangs met de trekker en de wagen en laadt hij het snoeihout op. Het komt wel voor dat de dikke ome Henk hem erbij helpt. Al het snoeihout wordt gelost in een droge sloot. Mijn vader rijdt de wagen dicht langs de kant van de sloot. Ome Henk en hij zetten allebei een gavel in de vracht hout en schuiven zo de hele vracht de sloot in. Het wordt een gigantische stapel.
Ergens onder in de houtstapel hebben de mannen oude autobanden op het hout gegooid. Daarop is de rest van het hout gekomen. En dan gaat de boel in brand. Mijn vader heeft een jerrycan met benzine of dieselolie en dat gaat over het hout heen.
Het brandt als een gek. De vlammen komen meters boven de brandstapel uit. Het lijkt of ze de zwarte wolken rook naar de hemel duwen. Ik sta vanaf een eindje te kijken en voel hoe het vuur mijn gezicht warm maakt. Het is een prachtig schouwspel. Ook de mannen genieten ervan. Het is mooi en een beetje gevaarlijk en dat is een goede combinatie. Als we thuiskomen, moppert mijn moeder omdat we zo naar de rook ruiken.
---
Nog even iets over snoeien. Tante Jannie is weduwe. Haar man, ome Jo, heb ik maar eventjes meegemaakt. Ik herinner me nog maar weinig van hem. We waren een keer aan het spelen met veilingkistjes en die moesten we van hem weer opruimen. Het was niet bij hem thuis, maar bij ons. Een strenge man, lijkt me.
Tante Jannie heeft een uitkering als weduwe, denk ik. Ze verdient verder geld als naaister. Dat kan ze goed. Allerlei vrouwen bestellen bij haar hun kleren. Ze heeft hele stapels van bladen waarin patronen staan: de Marion en de Burda.
Verder heeft ze fruit. Veel morellen, dat zijn zure kersen. Maar de morellen van tante Jannie zijn net iets minder zuur dan die van andere mensen. Blijkbaar is het een apart ras. Ze heeft ook pruimen en kleinfruit: rode bessen en kruisbessen. Waarschijnlijk ook wel wat aardbeien. In de zomer logeer ik vaak bij haar en dan help ik met het plukken van de morellen.
In de winter gaan de mannen van de familie snoeien bij tante Jannie: mijn vader, zijn broer (ome Wout), ome Kors (de man van tante Annie) en Teunis, de oudste zoon van ome Kors. Hij zit al op de landbouwschool.
De mannen zijn buiten aan het snoeien en ik speel binnen, met Joop of alleen. Tante Jannie heeft een oud spel met vierkante kaarten, waarop allerlei voorwerpen staan afgebeeld. Daar kun je in je eentje niks mee. Wel met het advertentiespel, waarmee je zelf rare advertenties kunt maken. En Joop heeft veel jeugdboeken, over Pinkeltje en over Bakkertje Deeg.
Tante Jannie gaat dan aan het koken, want er wordt tussen de middag warm gegeten. Het smaakt ons altijd goed als tante Jannie kookt en het is gezellig om met zoveel mensen aan tafel te zitten.
Na het eten pakt tante Jannie de Bijbel en geeft die aan mijn vader. Blijkbaar is mijn vader het belangrijkst van al die mannen. Zo voel ik het tenminste. Ik ben trots op hem. Door hem word ik ook een beetje bijzonder.
Ik denk dat vooral de bessen gesnoeid worden, de pruimen misschien een beetje, de morellen niet. Het is in een dag eigenlijk altijd wel gebeurd.





















