woensdag 22 juli 2026

Fenrir (Hella S. Haasse)

Van Hella Haasse (1918 - 2011) heb ik best wat gelezen, maar ook heel veel niet. Vooral aan sommige van haar vroege romans ben ik nooit toe gekomen, zoals aan Het woud der verwachting (1949), De scharlaken stad (1952) en De ingewijden (1957). Sommige daarvan heb ik intussen in huis en ik hoop er de komende tijd te vinden om ze alsnog te lezen. 

Van haar latere werk besprak ik hier Sleuteloog (2002) en nu heb ik Fenrir (2000) gelezen. Het behoort niet tot haar beste boeken, maar een iets mindere Haasse is altijd nog te verkiezen boven een hoop andere boeken. 

De ondertitel is Een lang weekend in de Ardennen. Dat 'weekend' is wel heel ruim bemeten: de tijd die beschreven wordt loopt van 24 september tot en met 21 oktober en dan is er nog een epiloog die zich twee maanden later afspeelt, in september. Maar het duurt inderdaad tot in oktober voor alle personages in de Ardennen zijn. 

In de ban van wolven

In een soort proloog worden we voorgesteld aan de journalist Matthias Crone, die op 25 september naar een concert van de pianiste Edith Waldschade is geweest. Hij is al sinds zijn vroege jeugd in de ban van wolven en hij werkt zelfs aan een wolvenencyclopedie. Nu heeft hij vernomen dat Edith Waldschade wolven houdt in het bos bij haar landhuis in de Ardennen. 

Crone weet zo'n beetje alles van wolven. Zo kent hij ook de wolf Fenrir. Daarover schrijft Edith in een brief aan ene Jon:

Tot mijn vroegste herinneringen hoort het ogenblik waarop mijn vader mij vertelde van de Wolf Fenrir, die jaar na jaar probeert de zon te verslinden. De zon verliest aan stralenkracht, dooft tot een bloedrode bol, weerloze prooi van het ondier. Oorlog en rampen teisteren de wereld, kinderen vermoorden hun ouders, broers slaan elkaar dood, 'de mens de mens een wolf', een ijskorst bedekt de aarde, en dan wordt het voor lange, lange tijd nacht. 

Het huis in de Ardennen heet Breidablick, zoals in de Oudnoorse mythologie het huis van Balder, de god van licht en vreugde. 

In het huis woont ook nog Ediths zus Gerda met haar man Egon Blanck en dochter Siv. Hen zou Edith het liefst uitkopen, maar het is maar de vraag of ze dat willen. En dan duikt er nog een opmerkelijke man op, Erwin, die beweert een halfbroer van de zussen te zijn. Hij zou geboren zijn uit een eerder huwelijk van hun vader, Erik Waldschade. 

Nieuwe heidenen

Bovendien haalt een bijeenkomst van 'nieuwe heidenen' op het landgoed de krant. De bijeenkomst is georganiseerd door Grootmeesteres Gerda Blanck, 'die diverse spreuken en bezweringen zingzegde en op de harp een aantal mysterieuze composities ten gehore bracht.' De schrijver van het artikel vindt dat er een luchtje aan de bijeenkomst zit: 'Wordt hier een extreem rechtse vrijplaats gevormd? Waakzaamheid lijkt geboden.'

De verdachtmakingen komen niet uit de lucht vallen. De moeder van Edith komt uit een ultrarechtse flamingantenfamilie en er zijn vragen over de zuiverheid van vader, die germanist was. Deugden zijn opvattingen eigenlijk wel?

Edith had een goede verhouding met haar vader en ze heeft hem altijd verdedigd, maar ze heeft ook vragen:

Toch heb ik de indruk dat ik iets over het hoofd zie. Er blijft ergens een lacune, het gemis van een essentieel gegeven. Nooit eerder heb ik duidelijk beseft dat er op de achtergrond van mijn verhouding tot vader sprake is van een onbeantwoorde vraag. 

Intussen heeft Matthias een oud-klasgenoot ontmoet, Rollo Bley, die hij jaren niet meer gezien heeft. Rollo houdt zich bezig met zaken die het daglicht niet of nauwelijks kunnen verdragen. Hij blijkt toevallig Siv (de dochter van Gerda en Egon ontmoet te hebben). Matthias gaat met hem mee naar Breidablick. 

Toevallig

Het lijkt erop dat Haasse zich in allerlei bochten heeft moeten wringen om Matthias op Breidablick te krijgen. Te veel toeval, te gekunsteld. Er zijn meer van dat soort toevalligheden. In de epiloog wil de mogelijke halfbroer Erwin een asielzoekerscentrum openen in een dorp en dat is toevallig het dorp waar Matthias geboren is. 

En dan heb ik het nog niet gehad over de verhaallijn van Edith en Jon, de violist met wie ze jarenlang een duo heeft gevormd, maar met wie ze geen contact meer heeft. Daar bijkt Erwin ook iets meer over te weten. 

Matthias komt in ieder geval in contact met Edith en krijgt toestemming van haar om de bibliotheek te gebruiken, waarin het complete werk van haar vader te vinden is. Wat hij daar vindt, werpt mogelijk een ander licht op vader Waldschade. 

Spannend

Fenrir is wel een spannend boek. Je zit als lezer met heel veel vragen: Deugde de oude Waldschade? Is Erwin een halfbroer? Wat gebeurt er met die nieuwe heidenen? Hoe zat het tussen Edith en Jon? Hoe gaat het verder met de wolven? Het lijkt erop dat Haasse niet alle verhaallijntjes goed aan elkaar geknoopt krijgt en je vraag je af of al die lijnen wel van belang zijn. Maar het verhaal blijft wel vaart houden. 

Verder zijn er allerlei soorten teksten. Als er over Edith geschreven wordt, is dat in de vorm van een soort toneeltekst, er zijn brieven, een krantenbericht en 'gewoon' proza dat je in een roman verwacht. Waarom bijvoorbeeld de teksten over Edith op deze manier vorm hebben gekregen was me niet duidelijk. 

Hoe het afloopt, zal ik niet verklappen. Er zit best wat actie in het verhaal, zeker als blijkt dat de wolven ontsnapt zijn. Ik heb me tijdens het lezen niet verveeld. Fenrir is nog altijd een Haasse en schrijven kan ze wel. Maar het niveau van Sleuteloog, dat ze twee jaar later zou schrijven, heeft Fenrir niet. 

Wel zijn er elementen in die nog steeds actueel zijn en dat verraste me wel. Natuurlijk denk ik hierbij aan de hele wolvendiscussie, maar ook aan die over de opvang van asielzoekers en over mensen die teruggrijpen op oude natuurreligies. Fenrir is meer dan vijfentwintig jaar oud, maar het verhaal oogt nog redelijk fris. Ik kom het op boekenlijsten tegenwoordig niet meer tegen, maar het zou er nog best op kunnen. 

Eerder schreef ik over:

Boekenweek 1959 (Haasse schreef het Boekenweekgeschenk)

dinsdag 21 juli 2026

Columbusstraat (Tobi Dahmen)


Als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, heb ik het nog steeds over 'de oorlog', een markeringspunt in de laatste honderd jaar in Europa (en ook nog daarbuiten). Over die oorlog is al veel geschreven, er zijn films over gemaakt en ik kan zo een stel strips opnoemen die zich afspelen in die oorlog. 

Soms gaat het daarbij over holocaust, soms over het verzet, soms over de veldslagen die geleverd zijn. Het heeft een tijd geduurd voordat er aandacht was voor degenen die in de oorlog collaboreerden met de Duitsers, maar intussen kennen we ook daar verhalen over. Vorig jaar besprak ik bijvoorbeeld Over de rand laait vuur, waarin historicus Chris van der Heijden probeert te begrijpen waarom zijn ouders de keuzes maakten die ze gemaakt hebben. 

Maar hoe zat het met de Duitsers? Tessa de Loo schrijft er over in De tweeling, in Montyn van Dirk Ayelt Kooiman wordt er iets over verteld en er zullen nog wel wat titels te noemen, maar de oogst is schraler dan bij andere soorten oorlogsboeken. In ieder geval wil ik Een tijd als deze van Sarah van der Maas vermelden, een goed boek dat ik vorig jaar te weinig in de eindejaarslijstjes heb gezien. Het gaat over een jonge man in Duitsland die probeert de oorlog zonder kleerscheuren door de komen. Hij is een modelnazi, die zich niet zo met ideologie bemoeit, maar die ervoor zorgt dat er niets op hem aan te merken is. En dan valt zijn kaartenhuis toch ineens in elkaar. 

Hoe was het eigenlijk voor Duitsers in de oorlog? Voor jongens die in het leger moesten? Voor hun familie? Hoe was het als je het niet eens was met de opvattingen die overal verkondigd werden?

Tobi Dahmen las de brieven zijn familieleden schreven tussen 1935 en 1945, zocht naar documenten, reconstrueerde de levens van die familieleden en maakte daarvan een indrukwekkende graphic novel, Columbusstraat. Het is een boek van meer dan vijfhonderd bladzijden geworden. 

Website

Hij vertelt in stripvorm het verhaal van twee families, van zijn vaderskant en van zijn moederskant. Op zijn website vind je de foto's van de betrokkenen en er zouden ook documenten en brieven getoond worden, maar die moeten nog geüpload worden. Enkele maanden geleden zetten de Amerikaanse National Archives een enorme hoeveelheid NSDAP-lidmaatschapskaarten online, meldde het Duitsland Instituut. Mogelijk dat daar ook nog uit geput moet worden. Van tijd tot tijd zal ik op Dahmens site kijken of er al meer staat, want ik ben wel nieuwsgierig. 

Om ons de weg niet kwijt te laten raken, staat voor in het boek de stamboom van de familie Dahmen, achterin de stamboom van de familie Funcke. 



Je ziet een lijntje lopen van Karl-Leo Dahmen naar Andrea Funcke. Dat zijn de ouders van Tobi. Vader werd geboren in 1932, moeder in 1936. Ze waren kinderen toen de oorlog uitbrak. In het boek spelen vooral de grootouders een grote rol, maar ook de ooms, de oudere broers van Karl-Leo, die als militair de oorlog moesten zien te overleven. 

Een daad van liefde

Af en toe springt het verhaal naar het heden, naar de tijd dat Tobi met het boek bezig is. Dat maakt het perspectief duidelijker en het geeft ook begrip voor het werk waar Tobi mee bezig is. Aan de ene kant is dat werk beladen, want het gaat over een tijd waarin ook ongemakkelijke zaken ter sprake komen. Aan de andere kant is het ook een daad van liefde: door het graven in de geschiedenis dichter komen bij je ouders en bij de verdere familie, beseffen uit wie je bent voorgekomen en dat hun geschiedenis ook de jouwe is. 

De titel Columbusstraat verwijst naar een adres in Düsseldorf, waar de familie Dahmen lang woonde. 

Hoe het de families precies verging, laat ik even in het midden. Er gebeurt heel veel en als ik er wat dingen uit pik, doe ik de rest tekort. Dahmen baseert zich bij wat hij vertelt op documenten, die soms ook afgedrukt staan in het boek. Er komen veel letterlijke citaten uit brieven in voor, waardoor je dicht op de huid van de briefschrijvers zit, maar ook op die van de geadresseerden tot wie de briefschrijver zich richt. Bovenal is Columbusstraat het verhaal van mensen. In andere boeken is van alles te lezen over politieke en militaire beslissingen (en die komen hier ook wel in voor), maar in de eerste plaats volgen we de mensen, mensen zoals jij en ik, die niet om de oorlog hebben gevraagd en die geen andere keus hebben dan om door te gaan, zonder dat ze weten hoe hun keuzes zullen uitpakken. 

Daarbij moest ik denken aan een gedicht van Willem Wilmink:

Oorlog

't Was oorlog. We zaten gewoon in de klas.
Je was bang... voor een vak waar je slecht in was,
je was bang... voor een beurt, zo ineens voor het bord.
Niet bang voor de oorlog, maar voor je rapport.

De Duitse soldaten marcheerden maar an.
De Duitse soldaten, wat zongen die dan?
‘Er bloeit een wit bloempje daarginds op de hei.’
Of: ‘In de maand mei is de winter voorbij.’

We vonden het mooi, zo'n soldatenlied.
Het kwaad dat ze deden, dat kenden we niet.
Maar soms was er doodsangst, voor het gerucht
van vliegtuigen, met mooi weer in de lucht.

Mooi weer, dat betekende levensgevaar.
In een kelder zaten we dicht bij elkaar.
En de buurman speelde zo dapper voor spook
en we moesten er nog wel om lachen ook.

We hadden na een bombardement
nieuw speelterrein, met gras en cement.
Daar speelde je dat je gesneuveld was,
dan lag je een tijdje dood in het gras.

Je maakte een voetbal of ook wel een bom
van proppen papier, elastiekje erom.
Het leven ging meestal gewoon maar zijn gang.
Maar soms was je bang. Soms ben ik nog bang.

Ook in dit gedicht lees je dat er oorlog is en dat dat gevaar betekent, maar dat ook de dagelijkse dingen doorgaan. 

Woordenlijst

Achter in het boek heeft Dahmen een 'Woordenlijst' opgenomen, maar liefst vijftien pagina's. Met die benaming doet hij dit deel van het boek ernstig tekort. Niet alleen worden hier zaken nader verklaard die in de strip gezegd worden, maar ook wordt er uitleg gegeven bij wat we zien. We krijgen zo een historische context. Dit is een doorwrocht deel van het boek, met bijzonder veel informatie. 

Dingen die je in een verhalende strip niet kunt uitwerken, kunnen in deze aantekeningen verduidelijkt worden. Een oudoom heeft bijvoorbeeld in 1937 de praktijk van een joodse arts overgenomen. Het was een min of meer goede overeenkomst. Maar, zoals Dahmen opmerkt, Wat betekent goed in deze situatie? Nu er afstand is in de tijd is dat scherper te zien. 

Enkele andere dingen die hij uitlegt: hoe de Volksempfänger, een radio, een belangrijk instrument is geweest in de nazipropaganda; hoe schoolkinderen medicinale kruiden moesten verzamelen voor de Wehrmacht; dat Duitse soldaten die gewond raakten een gewondeninsigne kregen en dat daar naar schatting er tien miljoen van uitgedeeld zijn; dat de gemiddelde levensverwachting van rekruten in 1941 2,5 jaar was, maar dat het aan het eind van de oorlog nog maar 0,1 jaar was; dat er 26.000 soldaten wegens desertie werden veroordeeld, van wie 60 procent de doodstraf kreeg opgelegd en dat er in totaal naar schatting 350.000 tot 400.000 soldaten deserteerden. 

Verder had ik nog nooit gehoord van de Kinderlandverschickung, de evacuatie van kinderen en jongeren uit steden die gevaar liepen gebombardeerd te worden. Dat zijn er waarschijnlijk meer dan twee miljoen geweest!

De pagina's bevatten een schat aan informatie. Verder geeft Dahmen legt Dahmen verantwoording af van de illustraties en de informatiebronnen die hij gebruikt, voegt hij een literatuurlijst toe en beveelt hij sommige strips en graphic novels aan. Hij geeft aan dat het een selectie is. Het zou mooi zijn als iemand die lijst aanvulde. Ik weet ook niet of die achter in dit boek hoeft te staan, maar het zou mooi zijn als iemand in kaart bracht wat er al in stripvorm over de oorlog is verschenen. 

Tekeningen

De tekeningen van Tobi Dahmen zijn in zwartwit, waardoor ze sober ogen, wat goed past bij het onderwerp. De tekeningen zijn helder en toegankelijk. Ze staan in dienst van het verhaal dat verteld moest worden. Er zijn zowel aangrijpende en heftige passages als huiselijke en gezellige. Juist dat hele scala is belangrijk, zoals in het gedicht van Wilmink. 

Wat me van dit boek zal bijblijven is dat het een boek over mensen is en met hoeveel liefde en aandacht voor die mensen het verhaal is verteld. Tegelijkertijd wordt er niets verbloemd en kijkt Dahmen scherp naar wat er gebeurd is. Maar zijn grondhouding is die van empathie. 

Dat werkt goed, maar dat niet alleen. Die grondhouding van empathie hebben we ook in deze gepolariseerde tijd meer dan nodig. 


Titel: Columbusstraat. Een familiegeschiedenis
Tekst en tekeningen: Tobi Dahmen
Vertaling: Christine Anneliese Braun
Uitgever: Scratch Books
2026, 528 blz. € 39,95 (hardcover, gebonden, leeslint)



maandag 20 juli 2026

Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes (Hendrik Smeeks)

Hoe actueel de discussie is over het lezen van hertaalde werken, weet ik niet: ik heb het niet bijgehouden. Uit het verleden herinner ik me dat er voorstanders waren, die vonden dat het lezen van hertalingen een goed middel is om de oudere literatuur toegankelijk te maken en tegenstanders die vonden dat je daarmee de literaire werken verminkt. 

Intussen zijn er, zeker bij uitgeverij Kleine Uil heel wat hertalingen verschenen, die ik allemaal langs me heen heb laten gaan. Ik heb ze wel gezien, maar ik heb ze niet gelezen. Veel van die werken las ik in de oorspronkelijke uitgave en als ik een boek als De stille kracht van Couperus zou gaan herlezen, zou ik ook weer de oude uitgave kiezen. Maar ik heb makkelijk praten. Er zijn lezers voor wie de drempel naar de oudere literatuur hoger is. 

Ik heb geen bezwaar tegen hertalingen, ook niet als de hertaler fors ingrijpt in de oorspronkelijke tekst. Bij sommige romans uit bijvoorbeeld de negentiende eeuw, kunnen er bijvoorbeeld best wat natuurbeschrijvingen uit, zonder dat de werken worden aangetast. 

Bovendien hoor je de bezwaren die aangevoerd worden tegen hertalingen niet bij vertalingen. Als dat een Russische roman van een paar eeuwen geleden is, wordt die vertaald in hedendaags Nederlands en daar is blijkbaar geen bezwaar tegen. Misschien moeten we dan ook niet te moeilijk doen over hertaalde werken uit een wat ouder Nederlands. Mogelijk zijn ze een toegangspoortje tot literatuur die anders niet toegankelijk zou zijn. 

Misschien had ik ooit gehoord van de Beschyvinge van het magtig Koningryk Kinke Kesmes (1708), gelezen had ik het niet. Maar nu de hertaling verschenen is (Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes), werd ik nieuwsgierig. De hertaling is van Arjen van Meijgaard, die van de oude tekst helder en goed leesbaar Nederlands heeft gemaakt. 

Imaginair reisverhaal

Krinke Kesmes (ik kort het maar even af) is een imaginair reisverhaal, zoals we er meer kennen. Van Reize door het Aapenland tot Eene aanmerkelijke luchtreis. Bekend werd Robinson Crusoë (1719) van Daniel Defoe, dat in het Nederlands vele navolgers kreeg, zoals De Hollandsche Robinson (1743), De Walcherse Robinson (1752) en De Haagsche Robinson (1758). Maar binnen het verhaal over Krinke Kesmes zit al een robinsonade en dat is elf jaar voordat het boek van Defoe verscheen en dus ook al voordat het woord  'robinsonade' bestond. 

Tegenwoordig is zo'n beetje de hele wereld in kaart gebracht, maar er was een tijd dat dat nog niet zo was, waardoor je kon fantaseren over een mogelijk bestaand land. Zo'n land was het Zuidland, waarnaar de titel van het debuut van P.F. Thomése verwijst. 

Ook in Krinke Kesmes wordt er gezocht naar het Zuidland. De verteller is Juan de Posos. Hij heeft contact met een meester, die wel wat wegheeft van de auteur, Hendrik Smeeks, chirurgijn te Zwolle.  Deze meester heeft al over allerlei onderwerpen nagedacht, van organisatorische zaken bij het aandoen van het Zuidland tot de zeestroom bij Texel. De verteller vindt het allemaal even interessant en dat is het ook wel, maar de uitgebreide behandeling ervan gaat wel ten koste van de grote lijn in het verhaal. 

Uiteindelijk gaat de verteller op reis, vanuit Panama naar de Filipijnen en belandt hij in Krinke Kesmes. Hij wordt vriendelijk ontvangen en hij ontmoet iemand die als scheepsjongen bij de verkenning van het eiland zijn groep is kwijtgeraakt. De anderen hadden gelukkig spullen voor hem achtergelaten, zodat hij zich een beetje kon redden en er wordt uitgebreid verteld hoe hij aan eten komt, hutten bouwt en zich weet te verdedigen. 

Dat verslag is eigenlijk het leukste van het hele boek: er zit spanning in, het is vernuftig uitgedacht en het is echt een verhaal, zonder allerlei uiteenzettingen. Verder krijgt de verteller allerlei geschriften te lezen en is er een gids (de Garbon) die hem allerlei dingen laat zien. Zo krijgen we een beeld van het machtig koninkrijk. 

Godsdienst

Op Krinke Kesmes zijn er verschillende zaken die, zeker vanuit het oogpunt van nu, interessant zijn. Zo wordt er niet gekozen voor een al bestaande godsdienst, maar zijn er vijf geboden voor de daar geldende godsdienst, waarvan er eentje behelst dat je eerlijk en rechtschapen moet zijn en een ander dat je anderen moet behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Daarbij moet je wel gehoorzaam zijn aan de gezagsdragers en gewillig belasting betalen en je moet dagelijks de engel Baloka groeten. 

In dit boek wordt er duidelijk stelling genomen tegen godsdiensttwisten. Niet alleen tegen de twisten tussen de verschillende godsdiensten, maar ook die binnen een godsdienst, waar de ene denominatie de heilige tekst beter begrepen denkt de hebben dan de andere. 

Elke geloofsgemeenschap, hoe tegengesteld ze ook aan elkaar zijn, kan de heilige teksten zo uitleggen dat het in haar straatje past. Daarom bewijzen die heilige teksten niets met zekerheid aan mensen die onpartijdig zijn. 
Het geloof is in talloze groeperingen verdeeld die elk beweren dat zij de enige echte wetten van God volgen. Het tegendeel is het geval, er is weinig fatsoen, veel mensen doen elkaar kwaad en danken daarna God voor de slechte dingen die ze hebben gedaan. 

Dat hebben ze dus op Krinke Kesmes anders geregeld. En het advies dat in het boek gegeven wordt, kunnen mensen zich nu nog steeds aantrekken:

Geloof zonder net te doen alsof, maar wees niet al te godsdienstig of te ijverig met godsdienstige zaken. Pas op voor beloftes waar je zelf niets aan hebt en de ander uiteindelijk ook niet. 

Er zijn nog meer spreuken en adviezen die nog steeds fris klinken. Over de opvoeding:

Wie meer bezig zijn met rijk worden en niet met de opvoeding van hun kinderen, die uiteindelijk die rijkdom moeten erven, zijn gek. 

Of deze:

Voor de jongeren werkt het beter om het goede voorbeeld te geven met oefeningen, dan ze te onderwijzen. Want een voorbeeld geven gaat boven praten, preken en schrijven. Omgaan met goede mensen is de adem van de ziel. 

Nemman en Wonvure

Dan zijn er nog twee bijzondere eilanden: Nemman (anagram van 'mannen') en Wonvure (anagram van 'vrouwen'). Op het eerste leven en studeren ongetrouwde mannen. Je blijft er acht jaar en in die tijd kun je studeren of een ambacht leren. Het eiland is ook voor arme mannen beschikbaar. 

Wonvure is een soortgelijk eiland, maar dan voor vrouwen. Vrouwen hebben dus dezelfde rechten als mannen en daarmee is Krinke Kesmes de tijd ver vooruit. 

Hendrik Smeeks heeft met de Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes een bijzonder boek geschreven. Aan de ene kant wilde hij blijkbaar kwijt hoe een samenleving beter zou kunnen dan die waar hij zich in bevond. Dat wilde hij doen door een verhaal te vertellen. Het eerste is beter gelukt dan het laatste. 

Het verhaal komt vrij traag op gang en in het begin zit er nog niet zo heel veel richting in. Dat wordt beter als het gezelschap aankomt in Krinke Kesmes, al zijn er in dat verhaal ook nog allerlei uitweidingen over de gebruiken in Krinke Kesmes. Die heb je aan de ene kant nodig om een beter beeld van het koninkrijk en zijn gebruiken te krijgen, aan de andere kant stokt dan ook het verhaal. Het verhaal in het verhaal van de man die zich alleen moet zien te redden in het land waar hij gestrand is, is het spannendste gedeelte van het boek. 

Krinke Kesmes is een vrij omvangrijk boek en ondanks de heldere taal is het voor sommigen misschien toch een kluif. Dat ligt niet aan de hertaling, maar aan het oorspronkelijke boek. Maar wie een bijzonder verhaal wil lezen, mag ook best een beetje doorbijten. In ieder geval ben ik blij met deze Beschrijving van het machtig koninkrijk Krinke Kesmes, dat ik zonder de hertaling waarschijnlijk nooit gelezen zou hebben. 

Hendrik Smeeks, Beschrijving van het machtig koninkrijk Krinke Kesmes. Hertaling: Arjen van Meijgaard. Uitg. Kleine Uil, 256 blz. € 22,50

zaterdag 18 juli 2026

Apache junction boek 6: Dead End (Peter Nuyten)


Stripmaker Peter Nuyten heeft intussen zijn sporen wel verdiend. Toch heb ik tot nu toe weinig van hem besproken. Ik vond alleen terug wat ik schreef over het eerste deel van Metro 2033. Een later deel daarvan heb ik intussen ook in huis, dus mogelijk schrijf ik daar ook nog over. 

Van de serie Apache Junction zijn intussen al zes albums verschenen. Ik heb ze wel eens doorgebladerd en zag dat ze goed getekend waren. Niet voor niets wordt het tekenwerk in deze serie wel eens vergeleken met dat van Giraud. Nu ik het zesde deel thuisgestuurd kreeg, besloot ik om dat toch maar eens nauwkeurig te gaan lezen. 

Als je zomaar in een reeks valt, heeft dat iets precairs. Voor een uitgever is het prettig als de verschillende delen ook min of meer zelfstandig te lezen zijn, lijkt me, maar dat is niet bij elke reeks het geval. Bij Apache Junction kostte het mij toch een aantal bladzijden om erachter te komen hoe de verhouding tussen de personages lagen, welke groepen nu tegenover elkaar stonden en wat nu het probleem was. 

Je zou kunnen zeggen dat Apache Junction een western is en dat is een genre waar ik van houd. Het perspectief is wel anders dan bij de gemiddelde western. Hier staan de oorspronkelijke Amerikanen, laten we ze voor het gemak de indianen noemen, centraal. Dat is een mooie insteek. 

Geronimo

Een bekende naam daarbij is Geronimo, die we ook tegenkomen in de strips van Blueberry.  Geronimo behoorde tot de Apachen. Toen ik jong was, zag ik die als een enkele stam, net als de Comanchen en de Sioux. Dat blijkt te simpel gedacht: er zijn veel verschillende soorten Apachen. 

Het leger zit achter Geronimo aan en die wil zich schuilhouden in de kloof der skeletten. Verder is Roy Clinton een belangrijk personage, een dubbelbloed, half Apache. En er is een groep Apachevrouwen, onder wie Nes-chila, die Clinton uit het verleden kent. En dan heb ik nog niet alle groepen of losse individuën genoemd. Ze spelen allen een rol in het verhaal. Onderaan plak ik de tekst op de achterkaft, die het een en ander uitlegt. 

De tekeningen zijn, ik herhaal het maar, uitstekend, maar het verhaal in het album lijkt een uitsnede uit een langer verhaal. Het is al bezig als je begint op de eerste bladzijde en het zal nog doorgaan na de laatste. Blijkbaar is het de bedoeling dat je de hele reeks leest en niet een los album. Dan zijn de lijnen waarschijnlijk ook wat duidelijker. 

Dossier

Achter in het album vertelt Nuyten de geschiedenis waarnaar het verhaal van de strip verwijst. Die geschiedenis wordt verlucht met afbeeldingen van authentieke foto's. Het laat zien dat de fictie gebaseerd is op werkelijke gebeurtenissen en dat je met deze strip een blik krijgt op wat er ooit gebeurd is. 

De tekst in het dossier is lastig te lezen. Aan de ene kant komt dat door de vormgeving: kleine marges, lange regels en heel lange alinea's, waardoor de tekst er massief uitziet. Op een enkele pagina is de tekst afgedrukt in twee kolommen en dat leest al prettiger. Het is vreemd dat niet op elke pagina voor dezelfde indeling is gekozen.

Maar het ligt ook aan de tekst, die taai is om door te nemen. Hier had een redacteur flink mee aan het werk gemoeten. Je vraagt je tijdens het lezen af waar de lijn is, waar de tekst naartoe gaat. Die lijn lijkt er nauwelijks te zijn. Nuyten zal de geschiedenis goed bestudeerd hebben en hij heeft wel erg veel stof. Hier hadden duidelijker keuzes gemaakt moeten worden. Eerlijk gezegd vond ik het lezen van de tekst niet te doen. Ik ben verschillende keren opnieuw begonnen, maar het is nauwelijks mogelijk de hele tekst door te nemen en daarna de belangrijkste feiten helder te hebben. 

Mogelijk had Nuyten de tekst achterin aan iemand anders over moeten laten, die helder had wat er in het dossierachtige gedeelte verteld had moeten worden en wat de lezer ervan moet meenemen. 

Ik weet niet of ik een volgende deel van Apache Junction ga lezen, maar als er een vergelijkbare tekst achterin staat, sla ik die in ieder geval over. 

Al met al was het lezen van Apache Junction een teleurstellende ervaring, maar het bekijken van de tekeningen is heerlijk. De tekeningen zijn goed, maar het verhaal had ik helderder, overzichtelijker gewild. Mogelijk komt dat doordat ik een los album heb gelezen en niet de hele reeks. 

En de tekst achterin maakte mij duidelijk dat dat gedeelte bepaald niet bedoeld was om mij te amuseren. Het was hard werken en de beloning was gering. 

Reeks: Apache Junction
Boek 6: Dead end
Tekst en tekeningen: Peter Nuyten
Uitgever: Arboris
2026, 72 blz. € 12,95 (softcover)


woensdag 15 juli 2026

Finale (Ina Boudier-Bakker)

Het werk van Ina Boudier-Bakker heb ik lange tijd nogal verwaarloosd. In een ver verleden las ik, min of meer bij toeval, Een dorre plant (1909), maar daar heb ik weinig herinneringen aan. Daarna liet ik haar werk een aantal jaren links liggen. 

De laatste tien jaar (zo ongeveer) lees ik elke paar jaar wat van haar en daar schrijf ik dan ook over. Links naar de besprekingen vind je onderaan. Aan De klop op de deur (1930) hebben veel mensen dierbare herinneringen en misschien verwachtte ik er daarom net te veel van. Maar De eeuwige andere (1959) vond ik goed.  Twee voeten (1928) weer wat minder, maar het was niet vervelend om het te lezen. 

Onlangs kocht ik De moderne vrouw en haar tekort (1920, tweede druk). Als mijn eigen tekort me niet te veel in de weg zit, zal ik dat nog lezen. 

Lof voor Finale

Maar nu heb ik Finale (1957) gelezen. Boudier-Bakker (1875 - 1966) was de tachtig al gepasseerd en mogelijk was ze in deze periode op haar best. Ik zou meer van haar gelezen moeten hebben om dat te kunnen beoordelen, maar De eeuwige andere verscheen twee jaar daarna. Op dit moment ontbreekt me de tijd om uitgebreider te zoeken, maar wat ik aan recensies op Delpher heb gezien, was positief. Het Rotterdamsch Parool kopte op 6 juli 1957: '82-jarige verbaast schrijvend en lezen Nederland.' 

Algemeen Dagblad 7 juni 1957

Jan Greshoff begon zijn bespreking op 10 augustus in Het Vaderland als volgt:


En hij eindigde net zo lovend:

Het is mij niet mogelijk de juiste worden te vinden dit boek te prijzen, omdat het boven log verheven is. Het is er. En op een zo volledige en onafwijsbare wijze dat het bijna onbetamelijk wordt er over te oordelen. Als iemand in een jaar niet meer dan twee romans kan kopen, dan behoort, voor 1957, Finale door Ina Boudier-Bakker daar nummer één van te zijn. 

Het boek verkocht blijkbaar goed. Drie jaar later, in 1960 dus, verscheen de vierde druk als Salamander. 

Haar oude zelf

Een oude vrouw verlaat haar huis en gaat in een villa, een pension, aan zee wonen. Ze wil alleen zijn om haar 'oude zelf' terug te vinden. 

Ze groeide op met haar moeder en haar jongere zus Fie, ging in zee met de kunstenaar Nico, met wie ze uiteindelijk trouwde. Ze gingen wonen in het huis van neef Victor. Nico is van gegoede stand en de vrouw heeft zich nooit thuis gevoeld in de familie waarin ze terechtkwam. Samen kregen ze zes kinderen. Die zijn intussen het huis uit en Nico en Victor zijn overleden. 

Toen Finale  verscheen, was de oorlog nog maar goed tien jaar voorbij en die wordt soms zijdelings genoemd, bijvoorbeeld als het gaat over haar jongste zoon Job, die in de oorlog te werk werd gesteld in Berlijn. Toen hij bij het sterfbed van Nico zat, moest hij daaraan terugdenken. 

Hij kon dezen zieke, zijn vader, teder behoed, verzorgd en veilig geborgen in eigen huis, nooit anders meer zien dan tegen dat andere. Dit sterven, benijdenswaardig immers. 

De oude vrouw is in de finale van haar leven. Ze trekt zich terug en wil alleen zijn. Kinderen en kleinkinderen komen wel langs, voor een deel wellicht omdat ze zich daartoe verplicht voelen. 

Een wijde boog gesloten

Vroeger was de oude vrouw gehecht aan haar vrijheid, maar ze is terechtgekomen in een leven waarin ze zich moest gedragen en waarin ze plichten had. 

Een wijde boog had zich gesloten. Een wilde jonge meid op een schildersatelier - een oude deftige dame. En daartussen de lange jaren, dat ze zorgvuldig haar woorden bewakend, had gelogen, verzonnen, gebukt...

Ze wil niet meer de dingen doen die van haar verwacht worden, maar de dingen die ze zelf wil. Aan de ene kant trekt ze zich terug, maar het is ook een vreemde gedachte dat ze nu nergens meer bij hoort. Ze heeft zich proberen te verzoenen met haar zus Fie, maar die stond daar niet voor open. Ook bij haar hoort ze niet meer. 

De vrouw maakt zich klaar voor de finale, waarin ze niet van alles meer hoeft, maar dan blijkt dat mensen haar nodig hebben. Een stiefkleinkind waar niemand raad mee weet, komt bij haar tot rust en als een kleindochter ongehuwd moeder wordt is zij de eerste om haar in het ziekenhuis te bezoeken. En ook de mevrouw die haar verzorgt in het pension blijkt haar nodig te hebben. 

Ze heeft gedacht, dat voor haar alles voorbij was - dat er voor haar niets meer op aankwam. Jawèl! Wis en waarachtig! Ze heeft het alleen maar alles scheef gezien. Ze heeft zich te weer gesteld tegen den Dood, toen die de sterkere scheen. Maar het Leven is de sterkste, die dit late geschenk in petto hield. Ze weet niet, nu ze triomfantelijk opkijkt in den gloed van den avondhemel, hoe in dat ogenblik een gezicht opbloeit, dat twee mannen hebben liefgehad. 

Hoe dat zit met die twee mannen, laat maar even in het midden. Daar kom je wel achter als je Finale leest. Het boek eindigt met een verwijzing naar een gedicht van P.C. Boutens:

Laat het duister zijn,
Als maar onderhand de dagen lengen.
Finale is een goed boek, een indringend portret van een oude dame. In hoeverre zou Boudier-Bakker zichzelf voor ogen hebben gehad? Zou zij ook het idee hebben dat ze zich in het leven te veel had aangepast? In ieder geval ging ze in haar schrijven haar eigen gang en bleef ze doorschrijven, zo lang ze kon. 

In 2001 verscheen nog een herdruk van Finale bij uitgeverij Aspekt. 

Twentsch Dagblad Tubantia 9 april 1959

Eerder schreef ik over ander werk van Ina Boudier-Bakker:

dinsdag 14 juli 2026

Naar de veiling

Weer een stukje dat ik uit een dagboek heb geknipt. Ik zeg het er elke keer maar bij en verontschuldig me dan voor de slordige compositie: ook deze keer houdt het fragment zomaar op. Ik schreef het op vrijdag 4 augustus 2023. 

Het was altijd een feest als we met onze vader meemochten naar de fruitveiling in Zetten. Het gebouw staat er overigens nog steeds. En mijn broer doet, samen met mijn neef, nog steeds in fruit. In 1926 begon mijn opa met het telen van fruit, dus de fruitteelt zit nu honderd jaar in de familie. Als je wilt zien hoe het er nu aan toe gaat, kijk dan op de website van het huidige bedrijf. 

De foto's hieronder heb ik geratst van de facebookpagina van Midden-Betuwe, het filmpje van YouTube. 


1965. Links de veiling, rechts station Zetten-Andelst


Een deel van het jaar is het druk met het fruit. Als we heel klein zijn, kunnen we niet zo heel veel doen. Als mijn ouders aan het sorteren zijn, kunnen we wel papier in de kistjes doen. Dat papier is een soort golfkarton, maar dan geen karton. Eerst de rand in de kist doen en dan de bodem. Daarna ziet de kist er heel netjes uit.

Als we ietsje ouder zijn, kunnen we mee appels rapen. Papa plukt en alles wat op de grond ligt, moet in de kist. De rotte appels niet, maar de geblutste wel. Dat is voor ‘val’ niet erg. Die is toch bestemd voor de fabriek. Daar wordt er appelmoes van gemaakt.

Als ik nog iets ouder ben, moet ik ook meehelpen met plukken. De bramen met hun scherpe doorns hoef ik niet te doen en de kruisbessen (knoepers) ook niet. Ook de zwarte bessen doet papa meestal zelf. Maar met de rode bessen help ik wel mee. Ik kan het lang niet zo snel als mijn vader.

Ik zet een veilingkistje op zijn kant en daar ga ik op zitten. Tussen mijn benen zet ik het kistje neer waar de bessen in moeten. Ik moet een bepaald aantal kistjes vol plukken voordat ik met Gerard mag gaan spelen. Als dat te lang duurt, doe ik een beetje aarde onder in de kist. Dan gaat het een stuk sneller. Alle kistjes worden afgewogen op de bascule; er moet altijd genoeg in zitten.

Uiteindelijk komt het natuurlijk uit. Mijn vader krijgt op zijn kop van de keurmeester op de veiling omdat er grond in de kistjes zit. Ik krijg een uitbrander en haal het verder niet meer in mijn hoofd om zoiets te doen.

Als ik nog groter ben, pluk ik ook mee met de pruimen, de appels en de peren. We hebben ladders van verschillende lengte. In het begin is zo’n ladder te zwaar voor mij. Mijn vader zet hem dan voor mij in de boom en ik ga met de hoenderik (voor de pruimen) of de kanis (voor de appels en de peren) de ladder op.

Het lastigst is het als er een tak helemaal naar buiten hangt. Je moet dan een been door de ladder steken. Als je een sport in je knieholte houdt, kun je achteroverleunen en alsnog het fruit plukken. Daar heb ik een hekel aan. Ik ben niet zo’n held in de hoogte.

De langste ladder telt 43 sporten. Die gebruikt mijn vader altijd zelf. Als ik op de middelbare school zit, ben ik een volwaardige plukker en mijn broer helpt dan intussen ook mee. Helemaal aan het eind van het seizoen moeten altijd alleen nog de perenbomen met Zwijndrechtse geplukt worden. Onze ladders (dertig sporten lang) komen lang niet bij de top van deze wel zeer hoge bomen. Ook met die van 43 is het nog lastig.

Aan het eind moet de kop van de boom nog wel geplukt worden. Mijn vader zet de ladder in de boom, kijkt mijn broer aan en zegt: ‘Toe maar, jong!’ Mijn broer antwoordt: ‘Het oude brood moet eerst op.’ En dan gaat pa zelf de ladder op.

De tijd van het fruit is de drukste tijd. Overdag plukt mijn vader, in de avond sorteert hij. Pas als wij wat groter zijn, kunnen wij daarbij ook meehelpen. Er staan een stuk of vier veilingkisten op hun kant. Daarop zijn vier andere veilingkisten gezet. De linker is voor de heel grote appels, daarnaast de kist voor de vrij grote. Daarop ligt ‘de maat’, een plankje met gaten van verschillende grootte. Daarnaast de kist met de appels die gesorteerd moeten worden en helemaal rechts de kist voor de kleintjes. Is er nog een aparte kist voor de ‘kroet’? Dat zijn de appels met een vlekje, door de schurft bijvoorbeeld. Of gaan die appels bij de kleintjes? Ik weet het niet meer. Het zullen wel verschillende kisten zijn.

Ik help mee tot koffietijd en daarna ga ik naar bed. Maar papa werkt door, soms tot een uur of elf. Als er heel veel te sorteren valt, zet hij de wekker op drie uur en gaat hij heel vroeg eruit om verder te gaan. Hij heeft tot half zes of zes uur. Dan moet hij gaan melken.

Bramen en bessen kunnen vaak met het Volkswagenbusje naar de veiling gebracht worden, pruimen soms ook. Maar soms, als het veel is, gaat papa met de trekker en de platte wagen. Bij de appels en de peren altijd.

Wij mogen vaak mee en dat is een feest. Als pa met de auto is, rijdt hij de veiling in, waar allerlei mannen met steekwagentjes rondrijden. Velen ervan ken ik bij naam. Als pa met de trekker is, rijdt hij buitenom. Hij rijdt de trekker met de wagen dicht langs het laadplatform. De mannen met de steekwagentjes kunnen dan zo de wagen op rijden.

De kisten worden in rijtjes gezet. Bij de laatste stapel wordt de veilingbrief tussen twee kistjes geklemd. Die veilingbrief heeft mijn vader thuis al geschreven. Zijn naam staat erop en er staat vermeld hoeveel kisten hij met welk fruit geleverd heeft. En het veilingnummer. Mijn vader heeft 551.

Bij het schrijven heeft mijn vader hard op de pen gedrukt. Dat doet hij eigenlijk altijd, maar hier is het ook nodig: het zijn twee velletjes op elkaar. Door het carbonblaadje ertussen kun je op het onderste vel zien wat er op het bovenste geschreven is. Het onderste krijgen we later terug. Daar staat de prijs op die het fruit heeft opgebracht.

Als we het fruit afgeleverd hebben, wordt het gekeurd. De keurmeester, Oostering, loopt rond in een beige stofjas. Hij heeft grijs haar dat in golfjes naar achteren is gekamd. Hij bepaalt tot welke klasse het fruit gerekend wordt.

Vanaf de hal waar het fruit staat, kun je binnendoor, door een gang naar ‘het kantoor’. Dan zie je links de kantine en rechts de ruimte waar de grote klok hangt. Er staan bankjes in waar de handelaars in plaatsnemen. Het loopt daar steil op, als in een collegezaal.

In het kantoor is er eerst een ruimte met een rij bakken waarin de veilingbrieven liggen, gerangschikt naar plaatsnaam. Herveld is het tweede bakje. Mijn vader zoekt zijn veilingbrief eruit. Soms kijkt hij op de andere brieven om te zien wat het fruit bij de anderen heeft opgebracht. Dat kun je ook zien op de lijst, die hangt voor het raam van het kantoortje van de keurmeester, dat grenst aan de hal waar we het fruit hebben neergezet.

Soms moet mijn vader iets op het kantoor. Moet hij het daar opgeven als hij nieuwe kisten wil hebben? Door het raam zie je de mensen die achter bureaus zitten te werken. Daar mogen de fruittelers niet komen. Mijn vader gaat voor het loket staan en wacht tot er iemand opstaat, naar de glazen wand loopt en het loket omhoog schuift.

We rijden naar de kistenloods. Daar werken twee mannen, met een grijze kiel aan, Bart en Arie. Bart is kort en dik en vrij vrolijk, Arie is lang en dunner. Het zijn aardig mensen. Als we het vragen, mogen we naar hun piepkleine kantoortje, waarin eigenlijk alleen maar ruimte is voor een bureau en twee stoelen. Daar zit bijna nooit iemand.

Onder het bureau staat een kist waarin Bart en Arie het carbonpapier hebben weggegooid. Soms is dat erg gekreukt, maar soms ziet het er heel mooi uit. We mogen velletjes carbonpapier mee naar huis nemen. Thuis leggen we zo’n velletje in bijvoorbeeld de Donald Duck, met een wit velletje papier eronder. Dan kun je Donald, Katrien of Hiawatha zo overtrekken.


1942

Achterzijde van de veiling

maandag 13 juli 2026

De lange mars van Lucky Luke (Matthieu Bonhomme)

Van verschillende klassieke strips zijn er intussen spin-offs: series die nog wel met de oorspronkelijke serie te maken hebben, maar toch min of meer hun eigen weg gaan. Soms is er een personage dat in de oorspronkelijke reeks een bijrol heeft of een van de zoveel hoofdrollen, en dat in de nieuwe reeks alle aandacht krijgt. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met het hondje Idefix en met Fanny van de Kiekeboes. 

hommagealbum door Gerben Vlakema
Het komt ook voor dat de personages in dezelfde constellatie opereren in een nieuwe reeks, maar wel met een andere tekenaar, zodat de strip ineens een andere sfeer ademt. Bij Suske en Wiske is dat niet alleen gebeurd in de reeksen over Amoras, maar ook in zogeheten hommagealbums, waarvan er sommige gemaakt zijn door Gerben Valkema. 

Bonhomme

Ook bij Lucky Luke is er zo'n nevenreeks, gemaakt door Matthieu Bonhomme. Tot nog toe heb ik die aan mij voorbij laten gaan. Je kunt immers niet alles lezen. Maar ik las wel goede berichten over het eerste deel, De moordenaar van Lucky Luke (2016). Het tweede deel, Wanted Lucky Luke (2021), ontglipte me in zijn geheel, maar nu is deel drie verschenen, De lange mars van Lucky Luke, en nu wilde ik toch wel eens zien wat het was. 

Bonhomme wilde van Lucky Luke weer echt een cowboy maken. Hij wilde hem ook weer laten roken. Dat deed de cowboy vroeger ook. Later kauwde hij op een sprietje. Dat roken mocht net niet, maar Luke mocht wel een sigaret rollen. 

Verder werd het personage een completer mens, die minder onverstoorbaar en onaantastbaar zou zijn. Zo kon hij gevoelig zijn voor de verleidingen van vrouwen. 

Op zoek naar een jongen

In De lange mars van Lucky Luke moet onze eenzame held op zoek naar een jongen, die verblijft bij een stam van oorspronkelijke Amerikanen. Die hebben het niet gemakkelijk. Hun gebied wordt flink aangetast door rigoureuze kap van bomen. Zo'n ecologisch thema maakt de strip in ieder geval actueel. 

Er zijn in de strip vertrouwde elementen, zoals de Daltons, die altijd goed zijn voor een brede glimlach bij de lezer, terwijl ze toch ook echt schurken zijn gebleven. 

Uiteindelijk blijkt het met de identiteit van de jongen wat anders te zitten dan we aanvankelijk dachten, Lucky Luke strijdt natuurlijk voor een rechtvaardige zaak en het loopt natuurlijk goed af. 

Het onderwerp is niet direct origineel en een tegenwerkende partner met wie je later goed kunt opschieten hebben we ook al tientallen keren eerder gezien, maar misschien is dat niet zo erg. 

De titel is natuurlijk een verwijzing naar De lange mars van Blueberry. Helemaal Blueberry is Lucky Luke niet geworden, maar hij is wel naar hem opgeschoven. 

Onderhoudend

Zonder meer is De lange mars van Lucky Luke uitstekend getekend. Er zit een zekere dramatiek in sommige tekeningen en omdat de held niet zo onverstoorbaar is, is hij menselijker en leef je meer met hem mee. Er blijft ook wel spanning in het verhaal. Het is amusement, jazeker, maar er is niks tegen goed amusement. Dit album is misschien niet direct een topstrip, maar het verhaal is onderhoudend, het leest heel lekker en het is goed getekend. 

Titel: De lange mars van Lucky Luke
Scenario, tekeningen en inkleuring: Matthieu Bonhomme
Vertaling: James Vandermeersch
Uitgeverij: Lucky Comics
2026, 78 blz. € 9,99