![]() |
| Portret van Martien Beversluis door Herman Gouwe |
Onder het stof 4
Martien Beversluis (Barendrecht 1894-Veere? 1966)
Het kleine gebed op de binnenplaats
O! Heer! Behoed voor Uw geweld
mijn hart, een scheefstaand cherubijntje,
dat in de schaduw overhelt
op het verlaten binnenpleintje -
De plooien van mijn kleed en beî
mijn vleugels, door het stage droppen
der zeven zonden boven mij
gestort uit even zoveel koppen,
zijn weggewist en afgebrokkeld;
Mijn handen, eens tot vrome nis,
door wind en water grauw betokkeld,
vangen bederf en droefenis.
O Heer, mijn hart half opgericht,
bij 't ingebladerde fonteintje,
hef het weer op en zend het licht
nog eenmaal op dit binnenpleintje.
Amen!
Dit kleine gebed is een van de weinige gedichten van Martien Beversluis die, wat mij betreft, de tijd hebben doorstaan. Veel van wat Beversluis ooit schreef is onleesbaar geworden. Te veel techniek, te weinig bezieling, te veel geronk vooral. En ook in dit gedicht storen mij de drie nadrukkelijke uitroeptekens. Maar verder vind ik het een mooi, ingehouden gedicht.
Het is te vinden aan het slot van de bundel Chimera's, die verscheen in 1937, een tijd dat Beversluis net was gaan staan in de christelijke hoek. Hij zou in zijn leven verscheidene keren van hoek wisselen, alsof het hem niet uitmaakte waar hij bij hoorde; socialist, communist, nationaal socialist. Wie zal zeggen waarom hij zo met alle winden meewaaide? Het zou mij niet verbazen als uiteindelijk alleen de kans op applaus zijn richting bepaalde. Hij was een ijdele man, die zich graag liet bejubelen.
En hij is in zijn leven genoeg bejubeld. Samen met Henriëtte Roland Holst stond hij op het podium van het Concertgebouw om zijn gedichten voor te lezen. Zijn poëzie sloeg beter aan dan die van tante Jet, die voor de arbeiders toch wat moeilijk was. ‘Martien! Martien!’ riepen ze als Beversluis verscheen en dan deed hij zijn armen omhoog. Tenminste, als ik Beversluis' tweede vrouw, Johanna Verstraete, mag geloven.
Achter in de zaal stond politie, die kwam luisteren of Beversluis geen verboden gedichten voorlas. De regering was immers bepaald niet gecharmeerd van de gedichten in bijvoorbeeld de bundel Verzamelen (1935). Het eerste gedicht uit de bundel is rechtstreeks gericht aan de minister van Justitie. Drie bladzijden lang houdt Beversluis een vurige toespraak. Halverwege het gedicht zegt hij:
Minister! Men neemt in de laatste tijd
een loopje hier met de gerechtigheid.
Men houdt met Gestapo en Hitlertrawanten
een drijfjacht op hulploze emigranten.
Men gunt ze geen vrijheid, asiel en verblijf.
Uw dienaren slaan hen en vloeken hen stijf.
Minister van Schaik! Mijnheer Excellentie!
Ik vraag niet uw gunst, noch uw hoge clementie.
Ik eis in de naam der Justitie, die gij zijt,
hun Vrijheid!!
‘Daar komt-ie!’ riep Beversluis, en hij las het gedicht voor, terwijl de arbeiders de politieagenten tegenhielden, die zich naar het podium probeerden te worstelen. Nogmaals: volgens Johanna Verstraete.
Verzamelen is een eenvoudige bundel, maar de gedichten gloeien van het protest dat erin doorklinkt. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het feit dat in verschillende neutrale en christelijke kookscholen in de grote steden cursussen gegeven werden aan de arbeidersvrouwen. Op advies van de geneeskundige dienst werd hun daar geleerd hoe ze van viskoppen nog voedsel konden fabriceren. Het bracht Beversluis tot een woedend gedicht dat eindigde met:
Mis! Mis! Helemaal mis
is de proleet die daar zoet mee is.
Jij slechts de graten, de kop of de staart?
Open de kast waar de kuit is bewaard!
Eeuwenlang nemen de dieven de moten!
Wring ze de hom en de zooi uit de poten!
Vis! Vis! Boter bij de vis!
En de uitvreters naar de verdoemenis.
Het lijkt of er een idealist aan het woord is, een man die ergens voor stáát. Misschien is dat ook wel zo, maar voor hoe lang? Beversluis kon zo'n ‘links’ gedicht schrijven, hij werd ontslagen bij de Vara, onder andere omdat hij niet gematigd genoeg was, hij stapte over naar de communisten, omdat de socialisten hem niet ver genoeg gingen. Maar hij zou net zo gemakkelijk meedraaien in De nieuwe Gids toen die al volstrekt fout was, hij zou met plezier NSB-burgemeester van Veere worden en, wellicht met enige trots, het boek Wij zagen den Führer vertalen, waarin foto's staan waarop Hitler zo leuk met kinderen omgaat.
Tijdens de bezetting ging Beversluis om met SS-officieren. Een ervan had zijn hele gezin naar Zeeland over laten komen. Toen diens dochtertje stierf aan tuberculose, schreef Beversluis gedichten die uitgedeeld werden op de begrafenis: ‘Für Anmuth’. Johanna Verstraete toonde ze mij ooit, maar na haar dood vond ik ze niet terug in de nalatenschap die naar het Letterkundig Museum ging. Blijkbaar achtte de familie het raadzaam de boel te zuiveren.
Noem de naam Beversluis en je krijgt als reactie dat dat een foute dichter was. Terecht natuurlijk. Maar wie kent zijn poëzie nog? In 1920 debuteerde Beversluis met Zwerversweelde en twee jaar later verscheen de bundel Verzen. J.A. Rispens noemde deze gedichten ‘verzen, die door eenvoud, zuiverheid van gevoel en plastische kracht, vermelding verdienen.’ Over gedichten uit de bundel Canzonen schreef hij zelfs: ‘Hier doet Beversluis in genen dele voor de beste dichters der Beweging onder.’
Ach ja, het zijn wel charmante natuurgedichten waarmee Beversluis zijn dichtersloopbaan begon. Maar veel meer dan schouderophalen zal een lezer niet kunnen opbrengen als hij leest:
In de effen schoot der velden
liggen plekkend drom bij drom
bruingedorde bospartijen
in de weggefijnde zije,
nevel van de morgenzon.
Als er nog literatuurgeschiedenis binnen het voortgezet onderwijs zou bestaan, zou een docent het kunnen gebruiken als illustratie bij epigonen van Tachtig, maar dan houdt het wel zo ongeveer op.
De bundels Canzonen (1925) en De bellenblazer (1929) herinnerde ik mij als de beste van Beversluis' hand, maar bij het opnieuw doorbladeren blijkt het toch lastig iets citeerbaars te vinden. Waarschijnlijk zijn het wel de laatste bundels waarin de dichter zijn gedichten schreef om de gedichten en niet met een of ander ‘hoger’ ideaal voor ogen. Na gedichten die het pacifisme uit moesten dragen of die de arbeidersstrijd mee moesten strijden, gedichten die vaderlandsliefde moesten preken en wat al niet meer, keerde hij nog in de oorlog terug naar de natuurlyriek, met bundels als Uit de wijdte en Het zaad (beide 1943).
De eerste bundel opent met ‘Gevallen koren’.
De slaande nanacht drukte diep haar sporen
met loden regen in 't bezwaard gewas.
En wijd en zijd ligt het verstruikeld koren,
gevallen terwe en vervlegeld vlas.
Niet eens een onaardige strofe, maar verderop zakt het gedicht helemaal in en ik heb de verdenking dat ook niet elke zin grammaticaal helemaal klopt. Haastwerk, blijkt uit het manuscript. Beversluis schreef de hele bundel (veertig gedichten) in veertien dagen. Geen wonder dat hij zo'n rij titels op zijn naam kon krijgen. Ik schat zijn werk op zeker een meter kastplank, wat voor een dichter ongewoon veel is.
Na de oorlog stonden de uitgevers natuurlijk niet op Beversluis te wachten, waardoor hij veel in eigen beheer moest uitgeven. Nog steeds had hij een kring bewonderaars. Jonge dichters kwamen bij hem aan huis en misschien hebben ze eerbiedig geluisterd naar wat de meester te vertellen had. Ook in Vlaanderen schijnt hij lang populair gebleven te zijn.
Aan het einde van zijn leven vond Beversluis onderdak bij Callenbach. In de jaren zestig kon hij daar nog drie bundeltjes kwijt: De kinkhoorn, Kruisbogen en Doorzichten. Doorsneepoëzie die je vindt in doorsneebundeltjes in antiquariaten. De gedichten zijn vergeten en dat moet maar zo blijven.
Beversluis stierf in 1966. Zijn weduwe bleef nog jaren wonen in Veere, in het huis dat ze De Veste hadden genoemd. Toen stierf ook zij. Soms kom ik haar schrijversnaam nog tegen als ik in een boekenstalletje ineens Jikkemien van Dignate Robbertz in mijn hand houd. Maar als ik het boek wegleg, is ook de schrijfster weg.































.jpeg)
.jpeg)

.jpeg)