donderdag 27 augustus 2026

'Al sloa de me dood, ik gif oe gin gelijk'

Een stel korte stukjes uit verschillende dagboeken. Ik heb er steeds boven gezet op welke dag ik ze opgeschreven heb. Het zijn dingen die mijn moeder vertelde als ik bij haar op bezoek ging. 

In verschillende ervan figureert mijn ome Ab, daarom plaats ik er een foto bij waar hij prominent op staat, vooraan in het midden. De foto is genomen bij de voordeur van het huis van mijn grootouders, de ouders van mijn moeder, op de trouwdag van mijn ouders. Behalve mijn ouders staan mijn grootouders en mijn ooms en tantes van moederskant erop. Tante Cor ontbreekt. Dat heb ik hier uitgelegd. 

De vrouw naast mijn oma, ken ik niet. Het zal de toenmalige vriendin zijn geweest van mijn ome Henk, die in die tijd blijkbaar in militaire dienst zat. Verder staat links tante Gijb en op de voorstr rij, aan weerszijden van ome Ab, zitten tante Riet en ome Dik. 

12 september 2020


Wel haalde mijn moeder andere herinneringen uit haar eigen jeugd op. Dat haar moeder, mijn oma dus, in 1954 nog een miskraam kreeg.

Mijn moeder was toen als meisje voor dag en nacht in dienst van de familie Methorst. Ze ging dan ‘s ochtends om halfvijf naar haar eigen ouders om de was te doen. Ze moest weer op tijd terug zijn bij Methorst. Vrouw Methorst zat toen in een inrichting en mijn moeder moest ervoor zorgen dat de kinderen op tijd op school kwamen.

Ze kon bij haar ouders wel de was koken, maar spoelen moest tante Gijb doen, die toen pas negen jaar was. Er waren toen ook oudere broers (Henk, Ab), maar blijkbaar kwam het in niemands hoofd op dat die ook wat in het huishouden zouden kunnen doen.

Ome Ab had als kind hersenvliesontsteking gehad en was daardoor verwend. Later werd hij erg ondeugend en als hij iets verkeerds had gedaan, riep hij: ‘Ge meug me lekker toch niet sloan!’

Toen hij wat ouder werd, gebeurde dat overigens wel en opa was niet zachtzinnig: die sloeg met zijn riem. Ome Ab zei: ‘Al sloa de me dood, ik geef oe gin gelijk.’ Maar de buurman kwam die keer tussenbeide.

Ome Ab werd beschuldigd van het stelen van een portemonnee en van een psalmboek. Dat laatste kwam later boven water en hij bleek dat niet gedaan te hebben. Maar de portemonnee werd gevonden bij Hentje van den Berg, net over het spoor bij Zetten. Daar zit nu een Chinees restaurant. Ome Ab zal het geld wel gebruikt hebben voor drank.

Hij had een keer de solex van zijn moeder meegenomen naar het café (Café De Zon, bij Pietje Beschuit). Hij kwam lopend terug, omdat hij de solex verkocht had. Ook bij mijn ouders heeft hij ooit honderd gulden gestolen. Mijn moeder vermoedt dat mijn vader een kalf had verkocht of zo. De portemonnee lag in de la, waar hij later ook altijd zou liggen. Mijn vader had nooit een portemonnee bij zich.

Mijn moeder zei dat ze toen nog nooit een biljet van honderd gulden had gezien, wat wel kan kloppen, want in het begin van hun huwelijk hadden mijn ouders niet veel geld. Mijn vader vertelde aanvankelijk niet aan mijn moeder dat het geld gestolen was. Wel aan zijn schoonouders. Oma kwam toen helpen in huis bij mijn moeder, om het op die manier terug te betalen. Het lijkt erop dat ook toen de hand boven het hoofd van mijn oom werd gehouden. Toch noemde mijn moeder hem ‘een best jong.’

Ook vertelde ze dat ze als vijftienjarige hielp op de boerderij bij Trien (Catrinus). Ze moest eigenlijk in huis werken, bij Arta, maar die zei dat ze maar op het bedrijf moest gaan helpen. Ik heb alles gedaan, zei mijn moeder: ploegen, eggen. Allemaal met het paard. Er waren twee paarden: de bruine, waar ze bang voor was, en de schimmel. Die had Trien gekregen na de oorlog als compensatie voor de oorlogsschade. De Duitsers hadden alle paarden gevorderd.

De schimmel was een oud circuspaard en als hij voor de wagen liep, speelde mijn moeder op haar mondharmonica, zodat het paard heel showerig ging lopen: kop omhoog en de voorpoten heel hoog optillen. Dat heeft ze wel vaker verteld.

13 september 2020


Ik heb nog een aanvulling op gisteren, ook door mijn moeder verteld. Er was ook nog een ‘jonge’ Trien, die 47 jaar oud was. Die kwam aan mijn grootmoeder vragen of mijn moeder niet op de boerderij kon blijven. Eigenlijk was het de bedoeling dat hij dan later met mijn moeder ging trouwen. Mijn oma zei: 'Denk je dat ik mijn kind verkoop?' Mijn moeder mocht niet meer naar de boerderij.

Die jonge Trien kwam ook een keer huilend bij het huis van mijn grootouders aan. Tijdens het melken in de wei was hij gewond geraakt. Hij goot de melk uit in het zeef, over de draad, toen er een tochtige koe op zijn rug sprong. Hij kwam met zijn borst op de heiningpaal terecht. Daarna hebben mijn moeder en haar jongere broer Henk een tijdje gemolken op die boerderij. Ze hadden een hoop lol gehad, begreep ik.

13 februari 2023


Ik zal je nog een verhaal vertellen dat ik een tijdje terug van mijn moeder hoorde. Vroeger moest zij altijd langs het gezin Collau als ze bijvoorbeeld naar de winkel ging en dat was geen pretje. Op een dag liep ze met tante Cor (haar oudere zus) en ome Ab (haar kleine broertje) daar weer voorbij en toen kreeg tante Cor ruzie met een van de grote meiden. Die stond voorover gebukt en ome Ab viel haar aan: hij beet haar in haar kont.

De moeder van het gezin was altijd heel zenuwachtig en riep mijn oma (de moeder van mijn moeder, dus de moeder van je overgrootmoeder) soms binnen. Haar zoontje was heel dwingend. Als hij iets wilde hebben, zei hij: ‘Geef op, of ik zèk oe nat!’

28 februari 2023


Vanochtend had ik het nog met mijn moeder over Corrie Tendeloo. Zij diende in 1955 in het parlement een motie in die het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen aanvocht. Als ik het goed heb werd de wet Handelingsonbekwaamheid in 1956 afgeschaft. Voor die tijd konden vrouwen geen huis kopen, geen geld opnemen van hun rekening en meer van dat soort dingen, zonder machtiging van hun man (of als ze die niet hadden: van hun vader).

Mijn moeder herinnert zich nog dat haar moeder (mijn oma dus) het erover had. Er was toen net een neef van mijn opa op bezoek, Toon de Bruin. ‘Nu hebben we het voor elkaar’, zei mijn oma. ‘Vrouwen hebben nu net zoveel te zeggen als mannen.’ Toon reageerde met: ‘Ze hebben altijd al meer aan de moel gehad.’

Zijn zoon was Zweer de Bruin, die ook wel de rooie Zweer genoemd werd. Die reageerde heel blij toen hij mijn moeder als kind zag: ‘Nu ben ik niet meer de enige rooie in de familie!’ Mijn moeder kreeg een bal van hem. Ze denkt dat hij toen een jaar of veertien, vijftien is geweest. Intussen is hij overleden. Zijn weduwe zit in ‘t Anker, waar mijn moeder ook zit. Die heeft die vrouw aangesproken, maar ze reageerde niet. Ze zal wel niet helemaal helder meer zijn.

woensdag 26 augustus 2026

Silent Jenny (Mathieu Bablet)

 

Er zijn veel luchtige strips en ik lees ze graag, zoals ik ook wel eens met plezier een zak chips eet. Maar er zijn ook strips die meer te vergelijken zijn met een voedzame maaltijd dan met een snack tussendoor. Ik kan er zo een stel uit mijn kast pakken. 

Een ervan is Carbon & Silicium van Mathieu Bablet, dat ik drie jaar geleden besprak. Prachtig boek. En nu heb ik van dezelfde stripmaker weer een uitgave voor me liggen. Net als het vorige heeft dit een Engelse titel: Silent Jenny. Waarom die titel niet vertaald is, snap ik niet zo goed. En net als het vorige is dit weer prachtig uitgegeven door Scratch: gebonden, harde kaft, linnen rug. 

Doodse wereld

Silent Jenny speelt zich af in een verre toekomst. Van de natuur is weinig over: het is een doodse, verstofte wereld. Daardoorheen bewegen zich een soort schipachtige voertuigen, waarop een stel mensen leven. Eigenlijk zijn het mobiele dorpen, die monaden genoemd worden. Binnen de gemeenschap heeft iedereen zijn eigen taak. 

Jenny, naar wie de titel verwijst, gaat geregeld van de monade met haar zeilwagen op expeditie. Ze zoekt DNA van bijen, in de hoop de dieren terug te brengen, zodat ze kunnen helpen met de bestuiving. Binnen de monade is er een lab, waar men met behulp van zaden de natuur in stand probeert te houden. 

De mensen hebben het vermogen om zich te verkleinen tot microniveau, waardoor ze op plekken diep in de aarde kunnen komen, waar ze anders geen toegang toe zouden hebben. Daar leven ook gemeenschappen van microïden, wezens op microformaat. Jenny draagt een pak, maar dat sluit niet goed en het krimpen tast de cellen aan die met buitenlucht in aanraking komen. Ze doet er nogal laconiek over, ervan overtuigd dat haar missie belangrijker is dan zij zelf is. 

Leefgemeenschap

Via Jenny leren we de leefgemeenschap kennen en de tijd waarin die zich beweegt. Het is een tijd met weinig hoop, ook al zijn er nieuwe generaties, met hun eigen ideeën. Op de monade zijn er regels: de monade moet altijd blijven bewegen en de kinderen dragen tot op een bepaalde leeftijd een helm. In hoeverre zijn dat regels die voor iedereen gelden of zijn dat regels die voor deze monade bedacht zijn. De kinderen beginnen daar vragen over te stellen. 

Je leert ook hoe de gemeenschap omgaat met het levenseinde en dat elke gemeenschap zich moet verdedigen tegen aanvallen van buitenaf. 

Jenny is in zichzelf gekeerd. Ze ontzegt zich daarmee het werkelijke contact met de andere monadebewoners, maar ze heeft haar leven nu eenmaal in dienst van haar taak gesteld. 

Aan de ene kant is Silent Jenny een somber boek, het geeft een vooruitblik op een wereld die een decennia of misschien wel eeuwen van klimaatverandering heeft doorgemaakt, een wereld waarop nog maar moeilijk te leven valt. Maar de mensen zetten zich in om er het beste van te maken. 

Opoffering

Jenny laat zien tot welke opoffering ze in staat is, maar ook dat ze haar grenzen bereikt en misschien gaat ze daar wel overheen. Het is hard werken in de wereld van Jenny en menselijkheid lijkt een luxe. Toch glipt die door de kieren van het bestaan. Maar Jenny is ook moe, al moet ze van zichzelf doorgaan. Hoe lang houdt ze dat vol?

Silent Jenny is geen vrolijk boek, maar wel een fascinerende strip. Bablet heeft een wereld uitgedacht die onze toekomst zou kunnen zijn en hij heeft die met veel aandacht getekend. Het moet een gigantisch werk geweest zijn en ook het volbrengen van deze taak is een missie die veel van je vraagt. Bablet moet in zijn hoofd tijden in de wereld van Jenny verkeerd hebben. Ze heeft het niet beseft, maar ze was niet alleen in deze wereld. Ook het werken aan de strip vraagt opoffering en liefde. Het enige wat Jenny kan doen, is doorgaan met haar opdracht, net als de stripmaker, die in zijn eentje zich beweegt in de desolate wereld die hij geschapen heeft. 

Niet alleen heeft Bablet een interessante wereld bedacht, maar hij heeft die ook prachtig getekend, met een inkleuring die precies goed is. Veel bruinen en donkere kleuren, waartussen de rode lampen oplichten. De detaillering van bijvoorbeeld de monade laat zien met welke aandacht -en misschien moet ik wel zeggen: liefde- de tekeningen gemaakt zijn. 

Jenny denkt dat ze alleen is, maar elke lezer is na het lezen van Silent Jenny in gedachten bij haar. Ze moest eens weten. 

Titel: Silent Jenny
Tekst, tekeningen en inkleuring: Mathieu Bablet
Vertaling: W. Davids
Uittever: Scratch Books
2026, 312 blz. € 39,95 (hardcover, linnen rug)


dinsdag 25 augustus 2026

Kreeft (Franca Treur)


Wat mensen hebben met astrologie is me een raadsel. Bijna iedereen weet dat horoscopen onzin zijn en toch weet een overgrote meerderheid van de mensen, of in ieder geval van de Nederlanders, zijn sterrenbeeld. Dat is nog tot daaraan toe, maar er zijn ook mensen die zich ermee identificeren. Die zullen ook wel weten dat ze bij een ander teken van de dierenriem gehoord zouden hebben als ze een paar dagen eerder of later geboren zouden zijn, maar blijkbaar hechten ze daar geen waarde aan. 

De astrologie heeft een zekere aantrekkingskracht en dan zit er dus geld in. Er waren in mijn jeugd meisjes met een kettinkje met een sterrenbeeld eraan en misschien waren er ook wel zulke bedeltjes voor aan een armband. Dat soort hangertjes zijn nog steeds te koop en enig googlen leerde mij dat er zelfs beeldjes van kristal zijn van de verschillende dierenriemtekens. En uitgeverij Lebowski heeft een reeks boekjes waarin steeds een sterrenbeeld centraal staat. Er waren al boekjes verschenen van Hadassah de Boer (ram), Hagar Peeters (stier) en Christine de Boer (tweelingen). En nu is er Kreeft, van Franca Treur

Ik neem aan dat de auteurs ook jarig zijn in de periode die bij het sterrenbeeld hoort. Bij Franca Treur heb ik het opgezocht en ze is jarig op 23 juni. Net als ik, trouwens. Van haar is bekend dat ze opgroeide in een orthodox-christelijke omgeving en voor zover ik weet, moet men daar niet veel hebben van allerlei 'wind van leer', zweverigheid en bijgeloof. Ik was er dan ook van uitgegaan dat ze al aan het begin van Kreeft korte metten zou maken met de astrologie, maar dat doet ze niet. Ze heeft er weetjes over opgezocht en die weet ze best boeiend te presenteren. 

Psychologie

Maar ze begint bij haar eigen geschiedenis: 1997, als ze besloten heeft om psychologie te gaan studeren. Opa doet de studie af met een bijbeltekst, uit het boek Spreuken: 'Een verslagen geest, wie zal die opheffen?' Het was vooral de behoefte aan zelfkennis die Treur tot de studie van de psychologie aanzette. Die kennis was tot nog toe vooral tot haar gekomen via de Bijbel en de Heidelbergse catechismus. Een somber mensbeeld: we zijn geneigd tot alle kwaad. 

Eigenlijk is het bijzonder dat juist bij de bevindelijke christenen altijd gewezen wordt op de noodzaak van een persoonlijke bekering en dat het gaat om een persoonlijke relatie met God, en dat aan de andere kant er heel veel gesproken wordt over de mens in het algemeen. Treur viel het op daar medestudenten veel meer theorieën over zichzelf hadden dan zij en dat ze die graag wilden delen. Misschien heb je ook minder de neiging om aandacht aan jezelf te besteden als je altijd geleerd wordt dat je niets voorstelt (een stofje aan de weegschaal). Treur stapte over naar de studie Nederlands. 

Jaap

In Kreeft is dat de voorgeschiedenis. Pas in het tweede hoofdstuk begint het werkelijke verhaal dat twee lijnen omvat: de ene gaat over Jaap, een oom met het syndroom van Down, en het andere over Treur die afstand heeft genomen van het geloof en van de kerk. 

Het begint meteen met een sterke scène: de vertelster waakt bij het sterfbed van Jaap. De dood is geen onbekende in de familie: voor zijn geboorte is zijn broertje al omgekomen. 
In mijn familie werken ze met grond. Ze stoppen er zaden in en hebben daar verwachtingen van. Nu moeten ze hun kind in de grond stoppen. 
Schrijnende zinnen, in al hun eenvoud. Ze doen sterk denken aan 'Brief aan de grootouders' van Ida Gerhardt, waarin verteld wordt dat een kind slechts een enkele dag geleefd heeft: 'Ik heb de akkers mogen ploegen. / De aarde draagt het winterzaad.'

Nu ze enige afstand heeft, kijkt Treur scherp naar het bevindelijke milieu waarin ze opgegroeid is. 
Het blijft een wrang onderdeel van deze godsdienst: God, de gever van leven, is ook Degene die neemt. En ook Degene bij wie men vervolgens troost zoekt. 
Lange tijd laat Treur ongenoemd wat er met Jaap is, al krijg je al wel snel in de gaten dat er iets met hem moet zijn. Ze schetst een bijzonder liefdevol portret van hem. En ze zit naast zijn bed, juist in een tijd die onzeker is: ze heeft afscheid genomen van het geloof, waardoor er veel weggevallen is en het is nog niet duidelijk wat er allemaal voor in de plaats komt. 

Op je plek

Dan komt de vertelster terug op de astrologie, waartegen ze zich dan toch afzet: net als de godsdienst doet die een beroep op de kosmos en probeert die je vast te pinnen: zo ben je nu eenmaal. Jaap is autonoom en is op zijn plek, maar de vertelster voelt zich anders: 
Als je niet aardt waar je hoort, op een bepaalde plek onder de sterren, dan voel je je misplaatst. 
Aan de ene kant voelt ze de loyaliteit aan de gemeenschap waarin ze opgegroeid is, aan de andere kant voelt ze de noodzaak om daar afstand van te nemen. Je hoort al niet meer bij ze, je bent niet bij hen op je plek. 
Dus wil je zo ver mogelijk de andere kant op. Weg van de achterblijvers, weg van degenen die jouw vertrek in hun verdriet niet kunnen vatten, die vinden dat je hun God zo diep hebt beledigd. Hun huis is wel de allerlaatste plek waar je heen wilt. Het drukt op je om onder hetzelfde dak te zijn, zelfs al liggen ze op bed. 
Wel bij mensen horen, maar niet meer bij hun wereld. Dat is wat Treur laat zien in Kreeft en dat maakt ze duidelijk aan de hand van Jaap, met wie ze zich verbonden voelt, maar van wie ze nu ook afscheid moet nemen. 
Dan is er zijn laatste adem.
Lieve Jaap. Laat me niet alleen.
Hij laat me alleen.
Al maak ik er nu misschien een Jaap en Franca van die nooit hebben bestaan. 

Een echte Treur

Kreeft is voluit een Franca-Treurverhaal. Het past helemaal in haar oeuvre waarin ze geregeld geschreven heeft over het bevindelijk-christelijke milieu waarin ze is opgegroeid (Dorsvloer vol confetti, Hoor nu mijn stem) en hoe ze nu dat, juist nu ze afstand heeft, scherp kan bezien. 

In de scherpte waarmee ze dat milieu observeert, zit veel liefde, zoals die in haar vorige boeken ook altijd al zat, al werd die liefde in het beschreven milieu zelf niet altijd opgemerkt of begrepen. Tegelijkertijd maakt de vertelster zichzelf steeds meer duidelijk dat ze buiten dat milieu staat, dat ze zelf haar weg moet kiezen. Zeker nu Jaap er ook niet meer is. 

Franca Treur heeft zich met Kreeft aanvankelijk braaf in de mal van de reeks geperst, maar uiteindelijk blijkt ze in dit verhaal haar eigen gang te gaan. Gelukkig maar. Kreeft is een echte Treur. En een prachtige novelle. 

Eerder schreef ik over ander werk van Franca Treur:
Hoor nu mijn stem (herlezing)

maandag 24 augustus 2026

De Kremlinfluisteraar (Luc Jacamon)

Rusland en zijn leider Poetin zullen nog wel een tijdje actueel blijven en daarom is de strip De Kremlinfluisteraar het ook. Het is de verstripping van een roman van Giuliano da Empoli. Da Empoli werd in Frankrijk geboren, maar heeft de Italiaanse en de Zwitserse nationaliteit. Hij weet veel van internationale betrekkingen, was plaatsvervangend burgemeester voor cultuur in Florence en was politiek adviseur voor verschillende Italiaanse politici. Hij presenteerde een wekelijkse talkshow op de belangrijkste financiële nieuwsradio van Italië, Radio 24. 

Hij had al verschillende boeken op zijn naam staan toen hij zijn debuut maakte als romanschrijver met Le mage du Kremlin (2022), De Kremlinfluisteraar, dat genomineerd werd voor de de Prix Goncourt. In de roman is de hoofdpersoon Vadim (Vanja) Baranov, producer van reality-tv en marketingman. Hij zal uiteindelijk de adviseur van Vladimir Poetin worden. 

Het personage Vadim Baranov is gebaseerd op Vladislav Soerkov, een oligarch die tussen december 2011 en mei 2013 vice-premier was in de Russische regering. 

Verstripping

De roman De Kremlinfluisteraar had veel succes en werd ook verfilmd. Nu is er ook een strip, geschreven en getekend door Luc Jacamon. De roman heb ik niet gelezen en ik denk dat het verschillende striplezers zo vergaat. Ik kan dus ook niet beoordelen in hoeverre Jacamon het oorspronkelijke boek recht heeft gedaan. En ik ben ook niet zo goed ingeleid in de stof dat ik kan beoordelen in hoeverre dat boek strookt met de werkelijkheid. Ik neem maar even aan dat het meeste zal kloppen. Soerkov is, voor zover ik begrepen heb, de enige die niet zijn echte naam gehouden heeft. Alle andere personages hebben de naam van de personen in de werkelijkheid. 

Aan het begin van de strip is de jonge Vadim aan het jagen met zijn vader en zijn grootvader. Grootvader is een aristocraat die de bolsjewistische revolutie en de zuivering van het stalinisme heeft overleefd. Hij beperkt zich tot de jacht en op dat gebied wordt hij als een autoriteit beschouwd. Zijn zoon, de vader van Vadim, heeft zich zoveel mogelijk geconformeerd aan wat van hem verwacht wordt en houdt zich zo buiten schot. 

En dan hebben we Vadim, van wie zijn vader graag zou zien dat hij diplomaat werd, maar hij schrijft zich in aan de theateracademie in Moskou. Hij raakt bij de politiek betrokken door Boris Berezovski, een oligarch en hij wordt uiteindelijk de adviseur van Poetin.

Koersk

In De Kremlinfluisteraar worden verschillende gebeurtenissen verhaald die indertijd in de actualiteit waren, maar die toch weer in de vergetelheid dreigen te raken, zoals de ramp met de onderzeeër Koersk, waarbij alle 118 opvarenden om het leven kwamen. Poetin was op dat moment op zijn buitenverblijf en brak zijn vakantie niet af voor deze ramp. Verder weigerde de Russische marine een beroep te doen op buitenlandse hulp. Poetin ging pas na vijf dagen terug naar Moskou en toen duurde het nog eens vier dagen voordat hij vertrok naar Moermansk, de plek waar de reddingsactie werd gecoördineerd. 

De Kremlinfluisteraar gaat over Vadja en hoe hij zich staande probeert te houden in een gevaarlijke omgeving. Je zou kunnen zeggen dat hij wel iets menselijks behoudt, maar hij is toch ook een opportunist die gecharmeerd is van de voordelen die zijn leven hem biedt. 

Jacamon heeft behoorlijk wat tekst nodig om uit te leggen hoe alles in elkaar zit en dat vertraagt het lezen van de strip wel. Het gaat ook wel wat ten koste van het verhaal. Aan de andere kant is de stof interessant, al weet je niet in hoeverre de fictie het overgenomen heeft van de feiten. 

Opmerkelijk is dat Poetin verschillende keren een tsaar wordt genoemd. In een vrij recent boek, Poetins tsaristische droom, van Beatrice de Graaf en Niels Drost, wordt betoogd dat die vergelijking raak is en dat je Poetin beter kunt begrijpen als je hem als een tsaar ziet. Ze analyseerden de toespraken van Poetin om hem beter te kunnen duiden. Zie je Poetin als tsaar, dan ga je Barazov bijna automatisch als een soort Raspoetin zien. 

Tekeningen

De tekeningen zijn fraai. Personages zijn goed te herkennen en zijn realistisch getekend. Het is wel een beetje statisch, maar dat heb ik niet als hinderlijk ervaren, misschien ook omdat je het vooral leest als een soort documentaire in plaats van als een avontuur. De inkleuring is prachtig en geeft veel sfeer aan het boek. Veel bladzijden zijn ingekleurd in een bepaald gamma (bijvoorbeeld groenachtig of paarsachtig). Als er dan tekeningen zijn met heldere kleuren, in een vakantiesetting, lichten die des te meer op, zeker als meteen daarna de tekeningen volgen over het droevige lot van de Koersk, ingekleurd in vrij sombere blauwen. 

De strip eindigt hoopvol. Vadim en zijn geliefde Ksenia, die hij een tijdje kwijt geweest is, zijn weer samen. En Vadim moet denken aan en uitspraak van zijn grootvader dat er wel veel kan veranderen, maar dat de dingen die niet veranderen uiteindelijk hetzelfde blijven. Zo hou je toch de indruk dat je in De Kremlinfluisteraar het leven van Vadim volgt, maar hoewel hij het belangrijkste personage is, raakt hij in de loop van de strip wel verschillende keren meer op de achtergrond door de ontwikkelingen in Rusland. 

De roman van Da Empoli staat bekend als spannend. Dat is de strip De Kremlinfluisteraar niet in de eerste plaats, maar een boeiende strip is het wel. 

Titel: De Kremlinfluisteraar
naar de roman van Giuliano da Empoli
Tekst en tekeningen: Luc Jacamon
Medewerking scenario: Thea da Empoli
Vertaling: James Vandermeersch
Uitgever: Casterman
2026, 144 blz. € 29,99 (hardcover)

trailer van de film

donderdag 20 augustus 2026

'Wa zulde dan een oud moedje zijn'

Dit stukje schreef ik in een dagboek op 24 oktober 2023. Het gaat over een paar feesten, in de familie en in de buurt. 

Mijn opa en opoe van moederskant, uit Dojewèrd, waren dertig jaar getrouwd. Op de bovenste foto staan ze met zijn tweeën, onderaan met hun kinderen. Tante Cor staat er maar half op en ome Dik was er niet bij. Die zat bij de marine en kon niet zomaar naar huis komen. 

Er zijn ook nog foto's van mijn moeder en tante Cor die samen een stukje opvoeren, maar die kon ik niet vinden. Als ik ze ergens tegenkom, zal ik ze alsnog delen. 

Mijn opa en opoe van vaderskant, uit Loenen, waren in hetzelfde jaar veertig jaar getrouwd. Ter gelegenheid daarvan werd een foto van ons gezin gemaakt. Van Opa en opoe Loenen heb ik onderaan nog een foto toegevoegd. 

Verder gaat het nog over het huwelijk van tante Gerrie en over de bazar in het dorp en daarna houdt het stukje ook weer zomaar op. 

Opa en Opoe Dojewèrd dertig jaar getrouwd

Het is 1966. Ik ben zes, misschien net zeven. Er zijn dat jaar twee feesten. Bij opa en opoe Loenen is er feest omdat ze veertig jaar getrouwd zijn. Opa en opoe zijn altijd jarig in de zomer: opa op 6 juni, oma op 16 juli. Soms wordt dan de tafel naar buiten gesjouwd en eten we het avondbrood onder de grote goudreinet waar de schommel in hangt. De tantes en de kinderen tenminste. De mannen zijn dan nog op de boerderij bezig: koeien melken, varkens voeren enzovoort.

Soms heeft een tante een fototoestel. Van mijn moeders kant heeft volgens mij alleen tante Cor zoiets, van mijn vaders kant tante Met. Die wijkt af van wat de meeste mensen hebben. Je moet hem voor je buik houden en dan kun je van bovenaf in een raampje kijken om te zien wat er voor de lens staat.

Ook bij het veertigjarig huwelijk van opoe en opa worden er foto’s gemaakt. We zijn bij het huis van ome Wout en tante Met, waar mijn grootouders heel lang hebben gewoond, van 1926 tot 1963 of zo. Op het grind, voor het huis, gaat elk gezin op de foto. Ik heb het bruine pakje aan dat tante Jannie genaaid heeft. Links op mijn borst zit een zakje met een hondje erop.

Er wordt ook een groepsfoto gemaakt, met opa en opoe in het midden op grote stoelen. De ooms en tantes staan achter hen. De kleinkinderen zitten op een rijtje voor hen. Lientje staat naast opoe. Het is zonnig en we moeten tegen de zon in kijken. Sommigen van ons knijpen de ogen een beetje dicht.

We eten bij ome Wout in de kamer. Mijn opa kijkt naar mijn moeder en moet een beetje lachen. Als ze vraagt waarom hij lacht, zegt hij dat hij zat te bedenken hoe ze eruit zou zien als zij en mijn vader veertig jaar getrouwd zijn. ‘Wat zulde dan een oud moedje zijn,’ zegt hij. Mijn moeder is nog net geen dertig. Als ze veertig jaar getrouwd zal zijn, zal ze eenenvijftig zijn. Dat is nog zo ver weg, dat je het je bijna niet kunt voorstellen.

Opa en opoe Dojewèrd zijn dertig jaar getrouwd. Opoe wil het niet vieren. ‘Ik ga gewoon weg’, zegt ze. Maar haar kinderen en haar buren laten dat niet zomaar gebeuren. Ze versieren het huis en ze halen hortensia’s. Opa en opoe krijgen een corsage opgespeld.

Bijna alle kinderen en kleinkinderen zijn er. De kamer van opoe en opa is niet zo heel groot, dus het is al gauw vol. De kleinkinderen spelen dan ook meestal op deel. De verjaardagen bij opa en opoe zijn altijd vrolijk. Soms is ook ome Dik erbij, in zijn uniform van de marine. Dan speelt hij op het harmonium. Hij kan ook bugel spelen. Verder hebben opa en opoe een citer, maar die gebruiken wij als speelgoed. Ik heb er nog nooit iemand serieus op horen spelen.

De mannen zingen vaak luidkeels liederen. Bijvoorbeeld ‘Oh, when the saints’ of over een pot met stront die opgehangen was. ‘En hadden die vol met stront gedaan’, zingen ze extra hard. Die pot wordt opgehangen en als ik het goed begrepen heb, wordt er (door soldaten?) op die pot geschoten. ‘En alle boertjes en boerinnekes waren met die stront belaân!’ Het is kostelijk om iedereen zo vrolijk te zien.

Ik zit bij het raam, vlak bij het orgel. Dan komen ineens mijn moeder en tante Cor uit de slaapkamerdeur de kamer binnen. Ze zijn verkleed. Tante Cor is een dametje, met een hoedje op. Mijn moeder is aangekleed als een man. Ze heeft een pak aan en een hoed op en ze heeft een sigaar in haar mond. Die zit nog in het cellofaan, wat het iets minder echt maakt. Ze zijn Thomasvaar en Pieternel en lezen een gedicht op van een lang vel papier.

Zou mijn moeder dat geschreven hebben? Er zijn wel vaker mensen die haar vragen om een gedicht te schrijven als er een feest is en dan rijmt mijn moeder erop los. Ze lijkt er nooit veel moeite mee te hebben. In ieder geval hebben tante Cor en mijn moeder veel succes.

In hetzelfde jaar gaan ome Ab en tante Ria trouwen. Later zal mijn tante zich Rhea noemen. Ook nu is er een feestje bij opa en oma Dojewèrd. De vader van tante Ria voert een toneelstukje op. Hij doet alsof hij moet huilen. Mijn oma denkt dat het echt is: ‘Wat is ‘t nou, Van den Berg?’ En dan begint hij te vertellen hoe hij met zijn vader over een plank moet lopen die over een sloot ligt. Hij zit bij zijn vader op de nek. En zijn vader heeft ‘grote platspoten’. Steeds komt hetzelfde zinnetje terug: ‘En de plank die brak. Bijna!’ Elke keer dat de zin herhaald wordt, wordt het grappiger.

Er is ook nog feest van tante Gerrie en ome Henk. Die gaan trouwen. Tante Gerrie heeft al een kind, Gertje. Ze is heel kort getrouwd geweest met Gètje Frentz. Die heeft als bijnaam ‘de strontvlieg’, al weet ik niet waarom. Wij gebruiken die ook niet, maar bij oma Kors in huis wordt hij zo genoemd. Opa en opoe waren tegen dat huwelijk, maar tante Gerrie zette toch door. Hoe dat precies gegaan is, weten wij niet.

Maar nu heeft ze ome Henk. Zijn moeder leeft niet meer, zijn vader wel. Die heeft spierwit haar en een bril met een zwart montuur. Hij heeft ook een paar broers en een zus. De stoet vertrekt bij de bungalow van opoe en opa Loenen. Daar woont tante Gerrie trouwens niet. Misschien woont ze in bij de veearts bij wie ze werkt. Eigenlijk weet ik het niet goed.

We gaan met koetsen naar het gemeentehuis. Voordat we instappen gaan we op de foto. Ik met opa en opoe. Opa heeft een hoge hoed op, oma een klein hoedje. Er is afgesproken dat ik bij ze in de koets zit. Het is altijd fijn om bij opa en opoe te zijn, maar nu had ik liever in een andere koets gezeten. Deze is namelijk dicht, terwijl de andere koetsen allemaal open zijn, zodat je alle kanten op kunt kijken.

Op de trap van het gemeentehuis gaan we nog een keer op de foto: mijn vader en moeder, Lientje, ik en mijn nicht Johanna. We zijn ongeveer even oud en ik kan goed met haar opschieten. Waarom ze bij ons komt staan en niet bij haar ouders, weet ik niet. Lientje heeft onderweg in haar broek geplast. Dat kan gebeuren, ook als je al lang zindelijk bent. Er kan onderweg natuurlijk niet gestopt worden voor een plaspauze.

Het is mij ook wel eens overkomen. Ik ben nog klein, drie jaar oud, maar natuurlijk al lang zindelijk. Johanna komt bij ons logeren, zomaar ineens. Het is vrij koud, februari, maar op mijn bed liggen veel dekens. Johanna en ik kruipen dicht tegen elkaar en zo vallen we in slaap. De volgende ochtend blijkt dat ik in bed heb geplast: de pyjamabroek van Johanna is helemaal nat. Ik schaam me, maar mijn moeder vindt het niet erg en Johanna moet erom lachen.

De volgende dag horen we dat Johanna een broertje heeft, Wim (Willem Andries).

‘s Avonds op de bruiloft van tante Gerrie en ome Henk is er feest. Met een band! Dat heb ik nog nooit meegemaakt en ik vind het prachtig. Tante Gerrie is in het lichtblauw met wit en ze heeft een stola om haar schouders. Als ze in de zaal langs de tafeltjes loopt, om haar jurk te laten bekijken, zingt de zanger van de band: ‘O, wat ben je mooi!’ Heel vaak achter elkaar. De volgende dag zing ik alle liedjes die ik mij nog herinner.

Een band hoor je eigenlijk nooit. Er is wel eens muziek op de radio, maar mijn ouders luisteren vooral naar het nieuws, het weerbericht, de waterstanden en de marktberichten. Toch kent mijn moeder heel veel liedjes en die zingt ze vaak: Hou je echt nog van mij, Rocking Billy, Louise, zit niet op je nagels te bijten, Nee, niet zoenen op het zebrapad, Mijn achterband is wel wat zacht, maar het geeft niet, lieve pop. Op den duur ken ik die liedjes ook.

Soms horen we ineens muziek in de straat: een geluidswagen. Meestal is het een Volkswagen kever, met speakers op het dak. Die rijdt door de straat met muziek. Af en toe wordt de muziek uitgezet en dan zegt iemand wat er gaat gebeuren, bijvoorbeeld bazar in het CVC-gebouw. Daar gymmen wij met school.

We gaan wel eens kijken bij de bazar. Je kunt een gulden betalen en je naam schrijven in een vakje van een kaart. Als de kaart vol is, wordt er een naam uitgepikt en die krijgt dan een taart.

Het mooist is het lichtspel: er staat op het podium een groot bord met allerlei namen van bedrijven. Je kunt bij elke ronde kaartjes kopen en op elk kaartje staat de naam van zo’n bedrijf. Het is altijd leuk als je een bedrijf hebt dat je kent. Daarna flitsen er lampjes achter het scherm. Het gaat heel snel heen en weer. Ik probeer het licht met mijn ogen te volgen, maar het is me net te snel af. Dan blijft het licht stilstaan. ‘Garage Latta!’ roept de man met de microfoon. Als die naam op je kaartje staat, loop je naar voren en krijg je je prijs.

Bij een ander kraampje zijn er enveloppen aan een draad geregen. Je betaalt een gulden en trekt een envelop van de lijn. Binnen in zit een briefje met een getal. Bij sommige getallen hoort een prijs. Een enkele keer winnen we iets. Maar het is alleen al leuk om rond te kijken.

Opa en Opoe Loenen 40 jaar getrouwd

Opa en Opoe Dojewèrd met kinderen

'Soms wordt de tafel naar buiten gesjouwd'
Opa Loenen helemaal links, opoe tussen mijn moeder en tante Met in. 
Ik zit tussen tante Gerrie en mijn nicht Johanna in. Mijn hoofd gaat schuil achter mijn tante.

woensdag 19 augustus 2026

Nachtbezorger (Lucas de Waard)


Andrecht was een kuststad. Of misschien vormde het wel een schiereiland. Maar op een dag kwamen de graafmachines en werd Andrecht losgemaakt van Het Land. Wie in de stad zit, zit daar vast. In de verwarring die ontstaat is er een man die het voortouw neemt: Leander Winkelman, een 'zonnebankbruine' volkszanger met een voorliefde voor Frankrijk. Hij zorgt er eigenhandig voor dat er weer stroom komt en hij neemt de leiding van de stad over. Maar hij trekt wel erg veel macht naar zich toe. Zo zorgt hij voor de verdeling van het voedsel en het is niet de bedoeling dat mensen zelf in hun voeding voorzien: er komt een verbod op moestuintjes. Zijn Gendarmerie houdt alles in de gaten. 

In deze bijzondere stad leeft Amy, die post bezorgt. Dat is een illegale bezigheid, want inwoners van Andrecht mogen geen contact meer hebben met Het Land. Daarom bezorgt ze de post in de nacht. Daarnaar verwijst dan ook de titel van de roman van Lucas de Waard: Nachtbezorger

De mensen die de brieven krijgen, moeten daarvoor betalen. Maar als een van de ontvangers, Ben, geen geld genoeg heeft, besluit Amy dat hij niet hoeft te betalen. 

Vertellers

Er zijn verschillende vertellers in Nachtbezorger: Amy, ex-profboksster, ooit beschuldigd van het gebruik van doping. Ze trok zich terug in Atrecht, bij een vriendin, Zara, vlak voor de graafmachines kwamen. Verder is er Ben, kleermaker, die zich probeert te redden in de halfdode stad. Hij krijgt af en toe post van zijn dochter Samira. En hij kent uit zijn verleden de jongen die later hoofd van de Gendarmerie werd, een reus van een vent, half dierlijk: De Beer. En dan is er nog Jona, uitbater van café Mingus. Hij hoort niet en hij spreekt niet, al zou hij dat laatste misschien wel kunnen. 

Het verhaal komt op gang als Amy een bijzondere opdracht krijgt: ze moet een brief van Leander Winkelman bezorgen bij diens moeder, die ergens in Het Land woont. Ze besluit samen met Jona de brief open te maken en de inhoud ervan blijkt compromitterend voor Winkelman te zijn. Vanaf dat moment is ze haar leven niet meer zeker. 

Wat er daarna gebeurt, is spannend beschreven door Lucas de Waard. Er zit vaart in het verhaal en je leeft heel erg mee met Amy, van wie je steeds meer te weten komt. Je wilt dat ze het redt, maar je weet ook dat de kans daarop erg klein is, want de macht is goed georganiseerd. 

Als je je maar mee laat voeren met het verhaal, leest het lekker weg. Het heeft een beetje de sfeer van young-adultroman, voor mijn gevoel. Er zijn best wat raadselachtige dingen in Atrecht, maar De Waard houdt er wel van om dingen uit te leggen in plaats van ze te laten zien. Je krijgt dan zinsneden als 'was het bokkige antwoord' en 'Ze grinnikt bitter'. Als lezer hoef je niet al te veel zelf te bedenken. 

Vragen stellen

Als je je vragen gaat stellen, gaat het verhaal aan het wankelen. Hoe worden de mensen bijvoorbeeld gevoed? Voor zover mij duidelijk werd, is er geen landbouw in Atrecht (op wat subversieve moestuintjes na) en als er een voedingsindustrie zou zijn, is het niet duidelijk hoe die aan grondstoffen zou moeten komen. En hoe zit het met de economie van de stad? Zijn er banken? Heeft Atrecht zijn eigen geld? Verdienen mensen eigenlijk wel geld? Hoe komen ze dan aan wat ze nodig hebben?

Maar de belangrijkste vraag is natuurlijk: waarom besluit Leander Winkelman, die alle macht heeft, dat juist Amy de brief moet bezorgen. Hij weet wat erin staat en hij weet dat hij een enorm risico neemt. Hij zal ook de macht hebben om te zorgen dat er toch iemand het kanaal oversteekt om de brief te bezorgen. Daar heeft hij Amy helemaal niet voor nodig. 

Compositie

Het verhaal wordt afwisselend verteld door Amy, Ben en Jona. Amy en Jona komen al gauw samen en ze spannen samen tegen Winkelman. Het verhaal van Ben geeft wel een inkijkje in het leven in Atrecht, maar zeker in de eerste helft van het boek voegt het niet heel veel toe. Pas aan het eind, als blijkt dat Ben en De Beer elkaar kennen, gaat die lijn iets meer betekenen. Verder zijn er twee hoofdstukjes, 'Ballon' en 'Dochters', die De Waard blijkbaar nodig had om een deel van het verhaal te vertellen. Dat maakt de compositie minder strak. 

Op een gegeven moment bevinden Amy en Jona zich in een tram, waarvan het verhaal gaat dat er wonderlijke dingen gebeuren en die gebeuren er dan ook. Maar waarom eigenlijk? Het lijkt een ideetje dat in de roman gepropt is, maar dat ook achterwege gelaten had kunnen worden. En zo gaat het met meer verhaalelementen. Wat mij betreft had de redacteur hier en daar best wat strenger mogen zijn. 

 Eigenlijk was ik nogal teleurgesteld door Nachtbezorger, maar dat heeft mogelijk te maken met mijn verwachtingen. Ik ken uitgeverij De Geus als een uitgever van literatuur (Esther Gerritsen, Jaap Robben, Jannah Loontjens, Kristien Hemmerechts, Robert Haasnoot). Pas nadat ik Nachtbezorger uit had, las ik dat er een boek van De Waard ooit genomineerd was voor de Gouden Strop Schaduwprijs, een prijs voor thrillers. Van thrillers weet ik eigenlijk niets, maar ik kan me voorstellen dat daarbij de spanning het belangrijkst is. 

Dat ik het boek ook gelezen heb als een young-adultroman zal te maken hebben met Amy, die al een heel verleden heeft, maar toch overkomt als een jongere. En ook bij dat soort romans ligt de nadruk vaak op de actie, is mijn indruk. 

Nachtbezorger leest wel lekker door, maar het bood me te weinig. Dat je meeleeft met iemand die zich verzet tegen de macht, ligt nogal voor de hand. Dan sta je als lezer automatisch aan de goede kant en dat is misschien wel een net te gemakkelijke positie. Hoewel er nuances aangebracht worden, is redelijk duidelijk wie er deugt en wie niet. Ook al zijn de gebeurtenissen niet voorspelbaar, de roman is wel voorspelbaar in zijn strekking en dat heeft ervoor gezorgd dat ik me toch een beetje verveeld heb bij het lezen. 

Maar misschien is dit gewoon geen roman voor mij en moet ik mij maar bij de literatuur houden. Wie tijdens een vakantie onbekommerd wil lezen, zal Nachtbezorger een prima boek vinden. 

Lucas de Waard, Nachtbezorger, Roman. Uitg. De Geus 2026; 224 blz. €20,99

dinsdag 18 augustus 2026

Cor Morelli: Het grote geluk (Aloys Oosterwijk)

Cor Morelli is een personage dat al een tijd meegaat in het oeuvre van Aloys Oosterwijk. De vroege verhalen heeft hij opnieuw onder handen genomen, zoals hij in een vorig album al uit de doeken deed. Nu is er weer een album met vroeg werk verschenen: Het grote geluk, dat twee verhalen bevat: 'Het kleine geluk' en 'Het grote geluk'. 

Daaraan vooraf gaat een inleiding door Yves den Ossendraeger, die de context van de verhalen schetst, zoals de biografische omstandigheden van Oosterwijk in de tijd dat de verhalen ontstonden. Den Ossendraeger laat verder zien dat Morelli niet alleen zijn toenmalige vriendin als model gebruikte voor een personage, maar ook zichzelf. Hij wijst ons bovendien op zaken die in verschillende verhalen terugkeren, zoals de man met de mitella. 

Dat is allemaal bijzonder informatief, al leidt het wel wat af dat Den Ossendraeger schrijft op een manier die de indruk wekt dat hij ook graag wil laten zien hoe vlot hij kan schrijven en hoe olijk hij kan vertellen. Wat mij betreft had hij wat meer dienstbaar kunnen zijn en zelf meer op de achtergrond kunnen blijven. Maar goed, misschien moeten we het toontje op de koop toe nemen. Wat hij vertelt, is interessant genoeg. 

Het kleine geluk

'Het kleine geluk' is een heel grappig Morelliverhaal. Morelli loopt wat rond en stuit daarbij op de misdaad, zonder dat hij het zelf in de gaten heeft. Hij beweegt zich in de wijk en iedere betrokkene gaat ervan uit dat hij wat op het spoor is. Zijns ondanks brengt hij een zaak tot een goed einde. Dat deed mij heel erg denken aan een verhaal van Olivier Blunder, die een route door de stad volgt, waarbij er steeds heftige gebeurtenissen plaatsvinden, maar Blunder merkt het niet. 

Het is maar een kort verhaal, vier bladzijden lang (in stripkringen hoort men dan te spreken van vier platen), maar het is ongekend grappig en het past ook wel bij het personage Cor Morelli. In bijvoorbeeld de open dossiers is het vaak de bedoeling dat Morelli niet in de gaten heeft hoe de zaak nou in elkaar zit, terwijl de lezer dat wel weet. 

Den Ossendraeger laat zien, aan de de hand van de driehoek van spanning, waarbij de punten van de driehoek gevormd worden door het goede, het kwade en de kijker/lezer, dat er op die manier vaker spanning in een verhaal ontstaat en dat Alfred Hitchcock dat ook in zijn films gebruikte. Als het personage meer weet dan de lezer, wil de lezer erachter komen wat er echt aan de hand is en als de lezer meer weet, vraagt hij zich af wanneer het personage dat te weten komt. 

Het grote geluk

'Het grote geluk' is heel andere koek. We krijgen al een aanwijzing op de covertekening, waarbij Morelli zijn collega Esther Echt onder vuur neemt. Boven hen is er een hand die capsules uitstrooit die drugs of medicijnen zouden kunnen bevatten. In de tekening kunnen ze ook de plaats innemen van patroonhulzen die uit het automatische wapen komen. 

Het verhaal begint met een steekpartij en daarna een moord in een pretpark. Dat werkt altijd goed: een omgeving die bedoeld is om onbekommerd plezier te hebben, waar opeens het kwaad binnendringt. Esther Echt treedt daadkrachtig op. Cor is er ook en redt min of meer toevallig het leven van een vrouw. Dat is kenmerkend voor Morelli: het leven overkomt hem. Hij probeert wel het een en ander te plannen, maar hoe de zaken uiteindelijk lopen, heeft hij niet in de hand. Dat wordt ook nog eens duidelijk als hij ineens veel wint in een casino, waar hij achteloos inzet. 

Het is verder altijd mooi als een held een zwakke plek heeft. Achilles had zijn hiel, Siegfried de plek tussen zijn schouderbladen waarop hij kwetsbaar was. Morelli is gevoelig voor vrouwelijk schoon. Hij komt daardoor in een duistere wereld terecht, waarin bijvoorbeeld hondengevechten georganiseerd worden en hij kan niet meer helder oordelen, want hij is onder invloed van pillen. Daardoor dreigt hij zich zelfs tegen Esther Echt te keren. 

Wild gecomponeerd

Door de vertekende werkelijkheidsbeleving is het wel een erg wild gecomponeerd verhaal geworden. Uiteindelijk komt het op zijn pootjes terecht, maar ik had wel het idee dat de Oosterwijk zich daarvoor in veel bochten heeft moeten wringen. Af en toe was het me net té, maar ik kan me voorstellen dat een stripmaker wel eens wil kijken wat er binnen de conventies van zijn format allemaal mogelijk is. 

Boeiend is dat Morelli, die altijd aan de kant van het goede staat en de bestrijder van het kwaad is, aan de andere kant terechtkomt. Als lezer wil je enerzijds aan de die goede kant staan en anderzijds wil je je identificeren met de hoofdpersoon en die twee dingen samen leveren spanning op. Dat is altijd goed voor een verhaal. 

De strips over Cor Morelli lees ik altijd met plezier en dat heb ik ook weer met dit album gedaan. De misdaadwereld is altijd boeiend, omdat juist daarin de strijd tussen goed en kwaad duidelijk wordt. Met Morelli kun je je als lezer gemakkelijk identificeren. In principe deugt hij, maar hij is geen held. De echte daadkracht ligt vaker bij Esther Echt. Misschien verzoent Morelli ons met onze menselijkheid: je maakt fouten en je vergist je, net als Morelli, maar uiteindelijk pakt dat toch soms goed uit, mede door de mensen in je omgeving. Als je je, zoals de meeste mensen, struikelend door het leven beweegt, kun je je daaraan vasthouden. 

Reeks: Cor Morelli
Deel: Het grote geluk
Tekst en tekeningen: Aloys Oosterwijk
Tekst dossier: Yves den Ossendraeger
Uitgever: Arboris
2026, 56 blz. € 11,95 (softcover), € 21,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over: