woensdag 18 februari 2026

Cees Nooteboom (1933 - 2025) overleden

Achterkant van 's Nachts komen de vossen

Cees Nooteboom is overleden. Ik was net een recensie aan het tikken toen er een berichtje van mijn dochter binnenkwam dat dat meldde. Ach, Nooteboom. Hij was 92, dus echt schrikken is zo'n bericht niet, maar hij was ook een van de laatsten van een generatie en de schepper van een groot oeuvre, waarvan ik behoorlijk wat, maar toch altijd nog te weinig, gelezen heb. 

In deze bijdrage geef ik mijn leesgeschiedenis van zijn boeken. Daarbij dien ik altijd weer het voorbehoud te maken dat ik weet dat mijn geheugen gebrekkig is en dat het daarom best mogelijk is dat ik me vergis. Maar zo heb ik het onthouden. 

Debuut

Nooteboom debuteerde in 1954, met Philip en de anderen. Hij is van de generatie van Mulisch, Hermans en Claus. Er zijn genoeg foto's waarop hij samen met hen staat. Ik herinner mij een vrolijke strandfoto van Mulisch, Claus en Nooteboom. Gerard Reve beschreef hem, in Op weg naar het einde (1963), als 'het doodzieke aapje N.' Die maakte hem dus ook mee, maar waarom hij Nooteboom op die manier beschreef weet ik niet of weet ik niet meer. 

Voor mijn gevoel heeft Nooteboom er altijd wel bij gehoord, maar in het interview dat Thomas Heerma van Voss met hem had, opgenomen in De prullenmand heeft veel plezier van mij, bleek dat Nooteboom zich ook vaak een buitenstaander voelde. Hij schreef in het blad Avenue, een glossy, waarin achterin gedichten en verhalen stonden. Mijn ome Ab en tante Rhea waren erop geabonneerd. Het blad zag er prachtig uit. 

En hij schreef reisverhalen en dat bepaalde misschien mede zijn aanzien. Hoorden die niet helmaal bij de literatuur en werden die toch meer gezien als journalistiek? Het zou kunnen. 

Ik schreef wel dat hij er voor mijn gevoel altijd bij gehoord heeft, maar ik begon de literatuur pas echt te volgen aan begin van de jaren tachtig en toen had Nooteboom Rituelen (1980) al geschreven, waarmee hij veel succes had. Tussen 1954 en 1980 ligt een lange tijd, dus misschien heeft hij wel een lange aanloop nodig gehad om in de kopgroep van de literatuur te komen. 

Wat ik aan het begin van de jaren tachtig las, weet ik nog wel. Ik vermoed dat ik toen Philip en de anderen, De verliefde gevangene (1958) en De ridder is gestorven (1963) al gelezen had, maar het zou zomaar kunnen dat ik die pas in de jaren tachtig las. Goede boeken trouwens, maar ze zijn me niet heel erg bijgebleven. 

Gedichten

Toch vond ik blijkbaar Nooteboom iemand om te volgen in 1978 kocht ik zijn dichtbundel Open als een schelp - dicht als een steen en ik herinner me de aandacht waarmee ik die las. Knappe gedichten, al deden ze misschien net iets meer een beroep op mijn verstand dan op mijn gevoel. Ik wilde de bundel er net bij pakken, maar ik zie dat het boekje ontbreekt. Steeds meer ontdek ik gaten in mijn boekenkast. Boeken waarvan ik zeker weet dat ik ze gehad heb, blijken er niet meer te zijn. 

Verschillende boeken en bundels ben ik kwijtgeraakt op school. Leerlingen keken ze in, namen ze mee, vergaten ze terug te geven. Maar misschien heb ik de bundel van Nooteboom gewoon weggegeven. In 1984 kocht ik de bundel Vuurtijd, ijstijd. Gedichten 1955 - 1983, en daar staat de complete bundel in. Ik zie dat ik in dat boek een snipper papier als bladwijzer achtergelaten heb, bij een gedicht uit Open als een schelp - dicht als een steen. 

De snipper papier ligt bij de gedichten 4 en 5 van de cyclus 'Getijde', maar ik weet niet meer welke van de twee ik wilde onthouden. Op goed geluk kies ik 4:
In dit getij leer ik mezelf kennen.
Steeds minder:
ik had wel duizend levens
en ik nam er maar één!

Langzaam zweef ik op de spiegels af
waarin ik ga smelten.
Pas als ik de wijzerplaat raak ontplof ik daar zachtjes:
twee die er één zijn
wordt er geen.

Dan heb ik zelfs deze woorden niet geschreven.
Hoe komt het dan dat jij ze kunt lezen?
Hoe groter het oog wordt
des te minder
te zien. 
In die tijd las ik blijkbaar nog niet met het potlood in de hand, want er staat nergens een streepje, terwijl ik zeker weet dat ik alle gedichten in deze verzamelbundel nauwkeurig gelezen heb. 

Rituelen

In 1980 verscheen Rituelen. Ik kocht de uitgave van ECI (gebonden, stofomslag) en genoot van het boek. Veel later kocht ik een tweede exemplaar, dat verscheen als vijfentwintigste druk of bij de mijlpaal van zoveel verkochte exemplaren. Het was een genummerd en gesigneerd exemplaar. Dat heb ik intussen weggegeven aan iemand die nog nooit wat van Nooteboom las, in de hoop dat het boek daar goed op zijn plaats is. 

Aan het begin van de jaren negentig (schat ik) deed ik mee aan de televisiequiz De connaisseur, een quiz over literatuur, beeldende kunst, klassieke muziek en film. Dat laatste was mijn zwakke punt. Bij de literatuur kregen we naast een stel kleine vragen ook grote vragen over een boek. Eigenlijk waren het geen vragen. Je moest iets over een boek vertellen in de hoop dat daar punten mee te verdienen waren. Ik dacht goede sier te maken met openingszin: 'Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde, stonden de aandelen Philips op 149.60'. Ik gaf aan dat ik niet zeker wist wat de waarde van de aandelen was en dat kostte me het punt. Ik had precies aan moeten geven hoe hoog de aandelen stonden en me er niet vanaf moeten maken met 'zo en zo hoog'. 

Een enkele keer kom ik het boek bij de Staatsexamens nog op boekenlijsten tegen en dan laat ik de kandidaten uitleggen wat de rituelen zijn waarmee de drie personages zich staande houden in het leven en ik vraag ook wel hoe het kan dat de hoofdpersoon al in de eerste zin zelfmoord pleegt. Het is een niet gelukte poging. 

Het boek was een succes en het is later ook verfilmd. Die film heb ik gezien, maar ik heb er geen enkele herinnering aan. 

Reisverhalen

In 1981 verscheen Voorbije passages, een bundeling reisverhalen. Heb ik die gekocht? Ik twijfel. Ik heb veel heruitgegeven bundels met reisverhalen van Nooteboom gelezen, maar misschien kwamen die pas uit in 1991, toen Nooteboom het Boekenweekgeschenk mocht schrijven. Voor de zekerheid noem ik ze toch maar even, met het oorspronkelijke jaar van verschijnen: Een middag in Bruay (1963), Een nacht in Tunesië (1965), Een ochtend in Bahia (1968) en Een avond in Isfahan (1978). Of heb ik dat laatste boek meteen in 1978 aangeschaft en las ik toen de voorgaande boeken ook? Ik heb al die verhalen vrij snel na elkaar gelezen. 

Mooi geschreven. Scherpe observaties en gepeins daarover. Losjes, dunne verhaallijn, maar ik las ze vanwege de stijl en het aangename mijmeren. Ik kende geen andere schrijver die dat op die manier deed. 

Een lied van schijn en wezen (1981) herinner ik me nog heel goed. Ik las daarna, vanwege de titel, ook Het lied van schijn en wezen (1895 - 1922) van Frederik van Eeden, maar ik heb dat uiteindelijk niet op mijn boekenlijst gezet voor Nederlands MO-A. Ik kwam er maar moeilijk doorheen. 

Het boek van Nooteboom verscheen in een tijd dat er veel te doen was om de Revisorauteurs, die de fictionaliteit van de roman benadrukten. Een jaar later zou Frans Kellendonk de roman Letter en geest schrijven, waarin de hoofdpersoon, Felix Mandaat verdwijnt in de punt achter de laatste zin van de roman. Die punt ontbreekt trouwens. Maar daarvoor werd er vooral veel over gediscussieerd. Nooteboom heeft zich niet bemoeid met die discussie, maar hij schreef, als een soort antwoord, deze roman over twee schrijvers. We zien de roman ontstaan in de verbeelding van de schrijver. Prachtig boek. Mooi uitgegeven. ook. 

Mokusei!

En dan de novelle Mokusei! Dat is een heel mooi boekje (goed zestig bladzijden). Ik heb het
verschillende keren herlezen en ik leende het uit. Voor in mijn exemplaar ligt nog een tekening die een leerling maakte om me te bedanken voor het uitlenen van het boek. Het is een tragische liefdesgeschiedenis. Een man begint een relatie met een Japanse vrouw, die hij maar niet leert kennen. De slotzinnen van het boekje ken ik uit mijn hoofd:
Nu moest hij beginnen aan het verdriet dat hij tijdens zijn leven, ook als dat lang zou duren, nooit meer kwijt kon raken. Het zou slijten, zoals alles, maar hij zou nooit het gevoel ontlopen dat hij het zelf was, die sleet. 
Vestdijk vroeg zich af of 'een stuk of wat gedichten' genoeg was voor de rechtvaardiging van een bestaan. Misschien wel. Misschien is het al genoeg dat Nooteboom deze zinnen heeft geschreven. En dan heeft hij nog zoveel meer geschreven!
Later kwam er nog een boekje uit met een vergelijkbare omvang, De Boeddha achter de schutting (1986). Ook mooi, maar dat bleef me toch niet zo bij als Mokusei!

In Nederland

Vuurtijd, ijstijd (1984) noemde ik al. In datzelfde jaar verscheen ook In Nederland, een roman die wel een herdruk verdient. Het gaat over Nederland, maar het land ziet er anders uit. Bij Limburg gaat het land door naar het zuidoosten, zodat er nog een fictief grondgebied bij Nederland hoort, een compleet ander landschap. Als ik 'In the Dutch mountains' (1987) van The Nits hoor, denk ik altijd aan In Nederland. Het verhaal heeft iets sprookjesachtigs en het verwijst ook naar het sprookje De sneeuwkoningin. Voor zover ik weet, verkocht het boek indertijd goed. 

Het volgende boek dat ik las is waarschijnlijk het Boekenweekgeschenk Het volgende verhaal. Waarschijnlijk brak hij daarmee door in Duitsland. Marcel Reich-Ranicky was er weg van, maar het fragment waarin hij zo lyrisch over het boek heb ik ongetwijfeld pas later gezien. 


Een eigen plankje

Als ik in het buitenland ben, stap ik vaak een boekhandel binnen om te kijken wat er ligt van Nederlandse auteurs. In Duitsland was er altijd veel Nooteboom. Ik heb daar (niet zulke beste) foto's van gemaakt, die ik onderbracht op mijn Facebookpagina, in het album Niederländische Welle. Eenmaal trof ik een plankje aan met een bordje met Nootebooms naam erop, zodat zijn boeken makkelijk vindbaar waren. Dat heb ik verder alleen gezien bij Tess Gerritsen, maar ik weet niet meer of dat in Duitsland was of in Italië. 

In het Spaanse taalgebied deed Nooteboom het ook goed. Omdat hij een vrij brede waardering in Europa had, werd hij verschillende keren genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur, maar die heeft hij nooit gekregen. Die had ik hem wel gegund, zoals ik het ook jammer vind dat Hugo Claus nooit die Nobelprijs heeft gekregen. 

Het volgende verhaal mag dan belangrijk zijn geweest voor de bekendheid van Nooteboom, het is mij niet zo erg bijgebleven. Het gaat over een leraar, Herman Mussert, die wakker wordt in Lissabon in plaats van in Amsterdam. Er komt nog een wonderlijke reis in voor, die waarschijnlijk symbool staat voor de overgang van leven naar dood. Misschien zou ik het boek moeten herlezen. 

Achterkant van Allerzielen
Van de laatste vijfendertig jaar heb ik eigenlijk maar weinig gelezen. Ik schrik daar wel van. Zo lange tijd en zo weinig uit die tijd gelezen hebben, terwijl Nooteboom wel door bleef schrijven. De omweg naar Santiago (1992) was ik vast van plan te lezen, maar voor zover ik het mij juist herinner, is het daar nooit van gekomen. 

Allerzielen

Wel las ik Allerzielen (1998) en ik schreef er ook over. Maar dat boek las ik pas in de zomervakantie van 2013. Het boek komt wat traag op gang, maar dat past wel bij het thema. De hoofdpersoon is in het verleden zijn vrouw en kind verloren en daarmee is zijn leven ook tot stilstand gekomen. Maar dan verschijnt er een nieuwe vrouw in zijn leven. Met het begin had ik enige moeite, maar toen ik er eenmaal in zat, vond ik het toch een prachtig boek. 

In 2004 las ik Paradijs verloren en ook daar schreef ik over. Het sluit aan bij Een lied van schijn en wezen, maar ook de hoofdpersoon van Mokusei! komt om de hoek kijken. 


De verhalenbundel 's Nachts komen de vossen verscheen in 2009. Voor mijn gevoel is het boek recenter, maar hier klopt duidelijk mijn gevoel niet. Nooteboom is een goede verhalenschrijver. Zijn verhaal 'Hoela' heb ik nog wel eens in een les gebruikt, maar ik weet niet meer in welke bundel dat stond. 's Nachts komen de vossen las ik in verband met de Inktaap, waarvoor het boek genomineerd werd, samen met boeken van Erwin Mortier en Bernard Dewulf. Het laatste boek won. Daar was ik niet direct weg van, maar het was waarschijnlijk wel het meest toegankelijke boek van de drie. 

Het is toch vreemd: ik heb nooit een slecht boek van Nooteboom gelezen en toch heb ik heel veel boeken ongelezen gelaten. Hier in huis heb ik waarschijnlijk alleen nog De zwanen van de Theems, een toneelstuk uit 1959, maar verder zijn hier alleen boeken die ik al gelezen heb. Ik heb ook het idee dat ik weinig van zijn werk tegenkom in kringlopen. Misschien doen bezitters van het werk van Nooteboom de boeken niet meer weg. 

Ik moet natuurlijk meer van Nooteboom gaan lezen, maar er zijn zoveel auteurs van wie ik veel ongelezen heb gelaten en van wie ik intussen wel behoorlijk wat werk in huis heb gehaald: A.F.T. van der Heijden, Mensje van Keulen, Leon de Winter, Arthur van Schendel, Simon Vestdijk, Herman de Man, Antoon Coolen, Judicus Verstegen, G. Schrijver, Tomas Lieske. En ik laat al die boeken maar wachten. 

Van Nooteboom moet ik nog steeds De omweg naar Santiago lezen, maar ik zou ook Brieven aan Poseidon (2012) eens kunnen proberen. Nooteboom is er niet meer, maar zijn boeken zijn er gelukkig nog en ik heb het idee dat die nog best een tijd meekunnen. 








dinsdag 17 februari 2026

Wie niet weg is wordt gezien (Ida Vos)

De naam van Ida Vos (1931 - 20006) kende ik en ik wist dat ze jeugdboeken over de oorlog had geschreven. Het was een vaag besef. Nooit had ik iets van haar gelezen, nooit echt iets over haar gelezen. Ik denk dat ik pas geïnteresseerd raakte na het lezen van Onbevrijd gevoel van Ellen Krol, een bundeling van essays over hoe de tijd net na de oorlog terugkomt in de literatuur: hoe ging men om met Joodse Nederlanders die de oorlog overleefd hadden. Daarin noemt ze ook Ida Vos. 

Vlak na het lezen van dat boek vond ik Wie niet weg is wordt gezien (1981) van Ida Vos in een kringloop en ik kocht het. Het lag nog een tijdje op een stapel, maar ik heb het nu toch gelezen. Ik moest me wel echt zetten tot het lezen, naar dat heeft te maken met de vormgeving van het boek: alle letters zijn vetgedrukt. Erg lelijk, vind ik, maar toen ik aan het lezen was, had ik er gek genoeg geen last meer van.

Het boek is duidelijk bedoeld voor kinderen. Bij Auschwitz staat er bijvoorbeeld een voetnoot: 'concentratiekamp in Polen', de ondergrondse krijgt de uitleg 'verzetsbeweging' en Führer is het Duitse woord voor leider en zo werd Hitler vaak genoemd. De aanname is dat het publiek niets weet over de oorlog en waarschijnlijk is dat terecht.

Hoofdpersoon in het boek is Rachel Hartog. Voor haar stond Ida Vos zelf model. Achter in het boek legt ze uit dat ze de gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk heeft weergegeven, maar dat ze de onderduikadressen beperkt heeft tot vier, om het voor de lezer behapbaar te maken. 

De anderen

Het verhaal begint al voor de oorlog. Als er een vriendinnetje bij Rachel komt spelen, ziet ze daar Hebreeuwse boeken. Daarna komt ze nooit meer: ze mag geen jodenboeken lezen. Het laat zien dat joden blijkbaar gezien werden als de anderen en dat er Nederlanders waren die daar duidelijk niets mee te maken wilden hebben. Dat gevoel bleek er na de oorlog nog steeds te zijn. 

Al voor de inval van de Duitsers is er een oefening met het verduisteren van de ramen van woningen. Dat was me onbekend. Dat het in de oorlog gebeurde, wist ik wel. Rachel registreert het vooral, net als de meeste dingen die in de oorlog gebeuren. Ze lijkt veel dingen te accepteren, omdat die nu eenmaal zo zijn. 

In het boek werkt dat heel goed. Het is niet Rachel die ontzet is over wat er gebeurt, maar de lezer. En je ziet vooral hoe de oorlog doorwerkt in de gewone dagelijkse dingen. Bij het verstoppertje spelen, verbergen de kinderen zich in het park, want daar mag Rachel niet komen. 

Zij kan niet meer meedoen. Verstoppertje spelen mag ze niet van de moffen. Alleen niet-joodse kinderen mogen dat.

Boodschappen doen mag alleen maar tussen drie en vijf, op een bankje zitten is verboden, net als zwemmen. 

Nieuwe namen

Uiteindelijk moeten Rachel, haar ouders en haar zusje Esther onderduiken. Ze krijgen nieuwe namen. Maar als ze een poëziealbum op haar verjaardag krijgt, schrijft ze er voorin: 

Dit album is van mij
Zolang ik hoop te leven
Rachel is mijn naam
Door mijn ouders mij gegeven.
Hartog is mijn van, 
Mijn vaderlijke stam, 
Groningen is ...

'Ria, in godsnaam. Wat doe je? Laat dat!'
Moeder staat achter haar. Ze trekt het album van de tafel. Ze begint de eerste bladzij eruit te scheuren. 
'Niet doen mamma!' roept ze. 'Niet scheuren!'
Moeder scheurt toch. 
'Laat dat mamma!'
Met twee vuisten slaat ze tegen mamma's hoofd. Ze schreeuwt, ze huilt. Ze wil niet meer stil zijn, nooit meer. Ze voelt dat moeder haar op schoot trekt. Ze voelt dat moeder haar kusjes geeft en lieve woordjes in haar oor fluistert. 
'Kindje kindje wat wil je toch? vraagt moeder. 
'Niks,' snikt ze. 'Niks, alleen maar Ria Hartog zijn.'

Getraumatiseerd

Twee grootouders overleven de oorlog niet. Twee andere wel, maar opa is getraumatiseerd door het kamp. Hij is nog steeds op zoek naar brood in vuilniszakken. 
Vanuit de kamer hoort ze de harde stem van oma: 'Verdomme. Laat dat toch! Je bent niet meer in het kamp. We zijn terug in Holland. Hier hoef je geen beschimmeld brood meer te eten.'

Tante Jetje, die het kamp overleefd heeft, komt na de oorlog mensen tegen die haar naar andere mensen vragen, die in de oorlog vermoord zijn. Ze heeft geen zin dat elke keer te vertellen en breekt het gesprek af, waarop ene mevrouw Van Dalen zegt: 'Weer één te weinig vergast. Kale kakmadam.'

Dat was, als ik het mij goed herinner, een passage die Ellen Krol citeerde. Er wordt slechts weergegeven wat er gebeurde en daarom is het zo schokkend. 

Het Parool 1 april 1980

Krantenberichten

Door het hele boek zijn er sobere illustraties opgenomen, bijvoorbeeld een grijze pagina met een Jodenster en verschillende keren staat er op de grijze pagina een krantenbericht, waarin we kunnen lezen welke maatregelen er tegen de Joden zijn afgekondigd. 

Achter in het boek wordt verteld dat er 100.000 Nederlandse Joden in de oorlog vermoord zijn en dan volgt er een lange lijst van mensen uit het boek die de oorlog niet hebben overleefd. 

Toen Ida Vos in 1981 Wie niet weg is wordt gezien publiceerde had ze al drie dichtbundels op haar naam staan: 35 tranen (1976), Schiereiland (1979) en Miniaturen. 35 tranen is een gedichtenbundel over de kinderen in haar klas. Slechts vier van hen overleefden de oorlog, onder wie Ida. 

Het kinderboek Wie niet weg is wordt gezien verscheen in het najaar van 1981. Het eerste exemplaar werd in het Anne Frankhuis overhandigd aan haar onderduikouders, Oom Jaap en tante Nel de Lange. Ida zat bij hen in Venhuizen (in de buurt van Hoorn) een deel van de oorlog ondergedoken. 

Het boek wordt genoemd en gerecenseerd, vaak in combinatie met andere boeken. Alle besprekingen zijn positief, maar meestal is de omvang ervan beperkt. Blijkbaar werd er niet uitgebreid geschreven over jeugdliteratuur in die tijd. Alleen in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 29 januari 1982 wordt een groot artikel aan  het boek besteed. 

Wie niet weg is wordt gezien was het prozadebuut van Ida Vos. Daarna zou ze nog verschillende boeken schrijven, waaronder Anna is er nog (1986) en Witte zwanen zwarte zwanen (1992).

Overhandiging van het eerste exemplaar (Nieuwsblad van het Noorden 27 november 1981)







maandag 16 februari 2026

The Mythmakers, De wonderlijke vriendschap tussen C.S. Lewis & J.R.R. Tolkien (John Hendrix)

Eigenlijk ben ik niet de meest geschikte persoon om een bespreking te wijden aan The Mythmakers van John Hendrix. Het boek gaat over de vriendschap tussen Tolkien en C.S. Lewis De eerste is bekend van In de ban van de ring en De Hobbit en de tweede van De kronieken van Narnia. Waarschijnlijk weet iedereen ongeveer waarover die boeken gaan, al is het maar door het kijken naar de verfilmingen en er zullen ook wel prentenboeken van zijn of andere bewerkingen. 

Eerlijk gezegd heb ik wel enkele van de films gezien en heb ik ook wel wat over de boeken gelezen, maar ik heb de boeken zelf nooit gelezen. En de films vond ik best aardig, maar ik ben ook niet een heel grote liefhebber van het genre. 

Stripvorm

Toch was ik wel meteen geïnteresseerd toen ik las dat het boek The Mythmakers in het Nederlands verscheen. Het is een boek over de vriendschap tussen Tolkien en Lewis en daar wist ik helemaal niets van af. Ik had er zelfs geen idee van dat die twee elkaar kenden. Maar nog belangrijker is: voor een deel wordt het verhaal verteld in de vorm van een strip. 

Een deel is in proza, maar die prozagedeelten zijn wel rijk (en leuk) geïllustreerd en een deel is helemaal in stripvorm. Verder is de vorm heel origineel. In het begin hebben we twee vertellers: een leeuw en een tovenaar, met wie we als lezer op stap gaan. Er zijn allerlei deuren waaruit ze kunnen kiezen en dan kom je in het verhaal van de vriendschap terecht. Dat wordt redelijk chronologisch verteld, maar je hebt op verschillende momenten de mogelijkheid om door een deur in een portaal terecht te komen, waarin de hoofdpersonen een wasbeer en een distel zijn die ons meenemen door een stripverhaal. In die portalen worden begrippen als mythe, epos en sprookje uitgediept. Die stukjes staan achter in het boek. 

Je kunt het boek ook gewoon bladzij voor bladzij lezen, maar dat je heen en weer kunt bladeren (en daarbij toch de weg niet kwijtraakt), is wel een heel aantrekkelijke vorm. Het geeft een zekere speelsheid aan de opzet. 

Oorlog

Als Lewis (ook Jack genoemd) en Tolkien (ook Ronald of Tollers genoemd) elkaar ontmoeten, hebben ze al een deel van hun leven achter de rug. Daarin speelt de Eerste Wereldoorlog een rol. Tolkien is geboren in 1892, Lewis in 1898 (ze hadden mijn grootouders kunnen zijn). Ze hebben niet alleen de Grote Oorlog bewust meegemaakt, maar ze hebben er ook aan deelgenomen. Het was niet de eerste keer dat ze met de dood geconfronteerd werden. Beiden waren hun moeder al verloren. 

Lewis die altijd veel twijfels heeft gehad bij het begrip God, krijgt steeds meer twijfels over zijn twijfel en zal uiteindelijk toetreden tot de Anglicaanse kerk. Tolkien is katholiek. Ze hebben met elkaar te maken in Oxford, waar ze wekelijks bij elkaar komen met een vriendengroep, de Inklings. Die becommentariëren elkaars teksten en jutten op die manier elkaar op. Ze scherpen elkaar. 

Lewis en Tolkien hebben belangstelling voor mythen, sprookjes en volksverhalen, maar dat niet alleen. Ze dagen elkaar uit om te schrijven over tijdreizen en ruimtereizen. 

De ster van Lewis rijst al snel. Hij is bijzonder productief en in de Tweede Wereldoorlog houdt hij voordrachten voor de radio. Tolkien is veel detaillistischer in zijn manier van werken, kan eindeloos schaven aan onderdelen en het zal lang duren voordat hij uiteindelijk In de ban van de ring publiceert. 

Verwijdering

In de loop van de tijd komt er verwijdering tussen de twee schrijvers. Er komt iemand bij de vriendengroep die Tolkien ervaart als concurrent in zijn vriendschap met Lewis en nog weer later zorgt het huwelijk van Lewis voor afstand. Lewis trouwt met een Amerikaanse vrouw, die dat huwelijk nodig heeft om in het Verenigd Koninkrijk te kunnen blijven. Je zou kunnen zeggen dat de liefde van Lewis voor Joy zich pas ontwikkeld heeft toen ze al getrouwd waren en zeker toen bleek dat Joy ernstig ziek was. 

Het probleem was dat Joy een gescheiden vrouw was. Lewis en zij konden een burgerlijk huwelijk aangaan, maar dat kon niet kerkelijk ingezegend worden. Na heel veel tijd is dat uiteindelijk wel gebeurd. Een huwelijk is een ingrijpende gebeurtenis, maar Lewis vertelde niet aan zijn omgeving dat hij getrouwd was en dus ook niet aan Tolkien. 

Zo raakten de twee uit elkaar en werd de vriendschap niet wat die misschien had kunnen worden. Later was de afstand misschien wat minder groot, maar de vriendschap werd nooit meer zoals in het begin.

Sympathie

John Hendrix geeft een mooi beeld van de twee schrijvers. Niet alleen kom je de feiten uit hun leven te weten, maar je krijgt ook een goed beeld van hun persoonlijkheden. Ze worden zo gepresenteerd dat je ze met sympathie beziet en begrip voor ze hebt. De aandacht waarmee ze beschreven (en getekend) worden, verraadt de betrokkenheid van de auteur. 

Dat zie je vooral in het slot als hij in de verbeelding de twee oud-vrienden samenbrengt en hen uit laat spreken wat ze voor elkaar betekend hebben. Dan verschijnt er ineens ook meer kleur in de tekeningen, zodat het verhaal warmer wordt. 

In de rest van het boek is het kleurgebruik vrij sober. De tekeningen staan in dienst van het verhaal en de afwisseling van proza en strips werkt goed. Op beide manieren wordt de geschiedenis van een vriendschap verteld. 

Smetjes

The Mythmakers is vertaald door Daan Savert, die de titel onvertaald liet. Mij is niet helemaal duidelijk waarom, maar misschien waren er contractuele verplichtingen die hem daartoe noopten. In de Nederlandse versie zijn wel een paar foutjes geslopen, waarvan de ernstigste is dat de sterfdatum van Lewis niet klopt: die was niet op 2 november 1963, maar op 22 november van dat jaar. De sprookjes van Grimm krijgen twee verschillende jaartallen (1812 en 1857), een persoon heet de ene keer Morris, de andere keer Morries, maar vooruit, het zijn maar kleine smetjes. 

Ik heb The Mythmakers met veel plezier gelezen en dan behoor ik misschien niet eens tot de doelgroep. Er zijn veel fans van het werk van Lewis en Tolkien en die zullen heel erg genieten van de manier waarop Hendrix laat zien hoe hun ideeën en hun oeuvre zich ontwikkeld hebben. Daarin vind ik hem bijzonder helder. Kenners kunnen beoordelen of het ook allemaal klopt, maar op mij kwam het in ieder geval heel aannemelijk over. 

Het is ook wel heel gepast dat de vriendschap tussen twee originele geesten op zo'n originele manier verteld wordt. Er zijn al heel veel stripbiografieën, waarvan ik er verschillende hier besproken heb, maar zo'n mengvorm van geïllustreerd proza en strips is veel minder gebruikelijk. Door al die tekeningen is het een extra aantrekkelijk boek geworden, dat geschikt is voor een breed lezerspubliek. 

John Hendrix, The Mythmakers. De wonderlijke vriendschap tussen C.S. Lewis & J.R.R. Tolkien. Vertaling: Daan Savert. Uitg. KokBoekencentrum, 2026. 218 blz. € 27,99




donderdag 12 februari 2026

Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma (Anton de Goede)

Het lezen van biografieën trekt mij aan, maar waarom eigenlijk? Mannen van een zekere leeftijd keren zich een beetje af van de fictie en lezen meer non-fictie, heb ik al vaak horen zeggen, maar ik hou nog evenveel van de fictie. Toch lees ik van tijd tot tijd met heel veel plezier een biografie. Onder de bespreking van die van Arthur van Schendel nam ik een lijstje op met recensies die ik van biografieën heb geschreven. Het waren er meer dan ik verwachtte. 

Voor een deel speelt misschien mee dat sommige biografieën gaan over een tijd die ik zelf meegemaakt heb. Ze beschrijven een deel van mijn levenstijd, ze frissen zaken op die ik alweer een beetje kwijt was. Je leest nooit alleen een boek, maar ook jezelf. 

In ieder geval lees ik graag biografieën en ik zou er nog meer willen lezen. Dat moet maar na mijn pensionering. Eerst maar zien dat ik het halve jaar tot die tijd ongeschonden doorkom en dat zal nog lastig genoeg zijn. 

Anton de Goede schreef Een gat in het hoofd; Leven en werk van Heere Heeresma en ik zeg het maar meteen: een boek waar ik erg van genoten heb. 

Leesgeschiedenis

Het werk van Heeresma leerde ik kennen in 1977 toen er jongen in het internaat kwam wonen, Mijndert, die boeken bij zich had die ik nog niet kende: het werk van Nescio, Het zwarte licht van Harry Mulisch en ook Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972). Ik las dat boek en genoot ervan. Het was wonderlijk hoe humor en tragiek samenkwamen in een boek. Ik besloot meer van Heeresma te gaan lezen. 

In 1978 werd ik lid van boekenclub ECI en mocht voor een tientje drie boeken uitzoeken. Als mijn geheugen mij geen loer draait, koos ik voor Heeresma Helemaal (zijn verzamelde verhalen), het boek van Rien Poortvliet over de kabouter en een boek over Escher. 

Die verhalen van Heeresma zijn me steeds bijgebleven. Toen ik docent Nederlands was, heb ik er een stel voorgelezen en ik heb ze ook wel gekopieerd om ze klassikaal te lezen. Helemaal zeker ben ik er niet van, maar ik vermoed dat dat in ieder geval 'Een winkelier keert niet weerom' en 'Meneer Frits en juffrouw Lenie' waren. Intussen had ik andere boeken van Heeresma geleend uit de bibliotheek en de meeste heb ik naderhand ook aangeschaft: Een dagje naar het strand (1962), De vis (1963), Geef die mok eens door, Jet! (1968). Ik heb ook De verloedering van Swieps (1967) en Hip, hip hip voor de Antikrist (1969), maar daar heb ik maar een vage herinnering aan. 

Het gekke is, dat ik er later niet meer toe kwam om Heeresma's werk te lezen. Ik had zeker wel zin in Een jongen uit plan Zuid (2005) en eigenlijk wil ik dat boek (eigenlijk twee boeken) nog steeds lezen. Het is nooit gebeurd. 

Pornopersiflages

Kwam dat doordat Heeresma op een gegeven moment ook porno ging schrijven? Zelf noemde hij het pornopersiflages. Voor mijn gevoel was hij terechtgekomen in een sector waar ik weinig van verwachtte. Ik weet nog dat een leerling (ik ken zijn naam nog), zo'n boek op de lijst wilde zetten. Ik vroeg of hij dat nou wel moest doen en of zo'n boek wel op een literatuurlijst paste. Hij vond van wel en ik wilde het niet verbieden, maar ik zei dat hij op zijn mondeling dan wel uit moest leggen waarom het boek terecht op zijn lijst stond. Het mondeling ging moeizaam en toen ik de kandidaat vroeg waarom waarom Een hete ijssalon (1982) -het kan ook Gelukkige paren zijn geweest- recht had op een plek in de literatuur zei hij dat hij daar niet zo over had nagedacht. Op de enige vraag die hij vooraf al wist, had hij geen antwoord. Ik geloof dat ik hem een drie gegeven heb. 

Maar nu de biografie. De Goede vertelt over het leven van Heere Heeresma, van wie de broers Marcus en Faber ook een zekere bekendheid zouden krijgen. Met Marcus raakte hij ernstig gebrouilleerd en Faber werd niet oud. Waarschijnlijk maakte hij zelf een einde aan zijn leven. De Goede zet de aanwijzingen daarvoor op een rijtje. 

De vader van Heeresma was een soort evangelist, met een eigen tijdschrift, De flambouw. Die vader zal een grote invloed gehad hebben. Ook Heeresma hield zich bezig met het doorvorsen van de Bijbel en hij voelde zich verbonden met het jodendom. In zijn taal klinkt de Bijbel vaak door. Heeresma vond dat zijn aandacht voor de Bijbel onderbelicht is gebleven, maar De Goede maakt er ruimte voor vrij. 

Aanwezige auteur

Een gat in het hoofd is een levendige biografie. Bronnen zitten vaak niet verstopt in voetnoten, maar de auteur beschrijft hoe hij ze spreekt en onder welke omstandigheden. Dat betekent dat De Goede, die lang contact met Heeresma heeft gehad, ook zelf in de biografie aanwezig is. Ik vind dat prettig. Als lezer heb je het idee dat je hem vergezelt op zijn zoektocht naar Heeresma. 

De schrijver moet geen gemakkelijk mens zijn geweest en dat laat De Goede duidelijk zien, maar hij laat hem niet vallen en ook dat vind ik prettig. Hij verbloemt niets, maar praat ook niets goed. En hij heeft een zeker wantrouwen tegenover alles wat Heeresma beweert. Hij weet hoe diens fantasie op hol kan slaan en dat of iets een goed verhaal is voor hem vaak belangrijker is dan of het waar is. 

Heeresma zei dat zijn hele leven zich achter een brandscherm afspeelde en dat hij daar niemand achter liet kijken. Hij deed zijn best om zich af te schermen. Vooral ook van de overheid. Daarom haalde hij zijn zoon van school om hem thuis te onderwijzen, werd hij het liefst contant uitbetaald en waar hij woonde, was bij velen onbekend. Hij had al lang de pensioengerechtigde leeftijd bereikt voordat hij AOW aanvroeg. Toch krijg je door deze biografie de indruk dat je Heeresma zo goed mogelijk hebt leren kennen. 

Bij de mensen in zijn omgeving veroorzaakte Heeresma ongemak en richtte hij schade aan. Hij brak met de dochter uit zijn eerste huwelijk en zijn zoon, Heere Heeresma jr. verbrak het contact met zijn vader na de dood van zijn moeder. Voor de buitenwereld was de schrijver vaak onbereikbaar, maar dat gold wellicht in zekere zin ook voor de mensen die hem na stonden.

Populair

Het werk van Heeresma is ongekend populair geweest. Veel meer dan ik mij ooit gerealiseerd heb. Hij noemde zich de meest verfilmde schrijver van Nederland en De Goede gaat op elk van die verfilmingen in. Een dagje naar het strand werd zelfs twee keer verfilmd. 

Maar op een gegeven moment komt de klad in het werk van Heeresma. Er verschijnt weinig nieuw werk. Pas tegen het eind van zijn leven zal hij weer werk van niveau publiceren: Een jongen uit plan Zuid en Kijk, een drenkeling komt voorbij (2006). Toen hij minder publiceerde, was hij nog wel voor de radio te horen. In 2014 werden transcripties van zijn radiomonologen uitgegeven onder de titel Kaddish voor een buurt

In Een gat in het hoofd doet De Goede zowel de schrijver als zijn werk recht. Hij trekt ook mogelijke lijnen tussen de inhoud van het werk en het leven van Heeresma, maar daarin is hij voorzichtig. Dat lijkt me terecht. 

Boeiend

De biografie boeit van begin tot eind. Ik heb al genoemd dat de auteur ook een persoon binnen het boek is, maar er is meer. De Goede heeft de stof soepel geordend, staat zich zijwegen toe om toch weer feilloos op de hoofdweg terecht te komen en wijst op wat er nog komen gaat. Dat houdt de spanning erin. Zo krijgen we al in het begin van het boek te lezen dat het niet goed is gegaan tussen Heere Heeresma en zijn broer Marcus, maar de toedracht lezen we pas veel later. De hele tijd was ik benieuwd naar wat er tussen hen gebeurd was. 

Heel vaak komen andere mensen aan het woord, die Heeresma meegemaakt hebben en De Goede is gul met zijn citaten. Hij drukt een interview af dat niet eerder in druk is verschenen of citeert een complete recensie. Het werkt allemaal goed. Je leest het leven van iemand over wie gepraat wordt, over wie anderen iets vertellen, maar die ook veel te raden overlaat. 

In Een gat in het hoofd is natuurlijk een fotokatern opgenomen en aan het eind is er een handig namenregister. Nu wel met bladzijnummers. Heeresma hield dat tegen bij Vlieg vogel vlieg met me mee tralala.

Wie werk van Heeresma wil lezen heeft tegenwoordig Heeresma houdmaar tot zijn beschikking, een van de mooie dundrukboekjes die verschijnen bij uitgeverij Van Oorschot. Eerlijk gezegd heb ik het niet gelezen, omdat ik vermoedde dat er veel in zou staan wat ik al kende. Dat had ik natuurlijk wel moeten controleren. Maar dat kan ik alsnog doen. 

Naast geschreven heeft Heeresma ook veel gesproken, als een soort dagsluiter op de radio. Ik meen gelezen te hebben dat daarmee ook nog iets gebeurt, maar nu ik het zoek kan ik het niet vinden. 

Het is mooi dat een markante schrijver als Heeresma een goede biografie heeft gekregen. Zijn werk verdient herlezing of een nieuw publiek. Niet alles is goed, maar wel is alles helemaal Heeresma en kun je van een groot deel van zijn werk genieten. 

Anton de Goede, Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma. Uitg. De Arbeiderspers, 2025. 520 blz. € 34,99 (gebonden, stofomslag)

woensdag 11 februari 2026

Volgen

Deze week kreeg ik een aardige mail van een aardig iemand over een oude blogpost, die over Gekleurd grijs, over Gerard Bilders, en over Kneppelhout. Het boek staat mij nog heel goed bij en een maand geleden zag ik nog schilderijen van Bilders (en zijn vader) op een expositie in Nunspeet. Afgelopen zondag wandelde ik nog in Wolfheze, langs de Wodanseiken, die in de negentiende eeuw veelvuldig zijn geschilderd door de Veluwezoomschilders.

Ik heb een voorliefde voor de negentiende eeuw en als je zoekt in Bunt Blogt vind je daar allerlei bijdragen over die tijd, van die over Waarheid en droomen (Jonathan) of De kiesvereeniging van Stellendijk (Lodewijk Mulder) tot de Dichterlijke nalatenschap (E.A. Borger) en de biografie van Jacob van Lennep. Als je die stukken zoekt, vind je ze wel. 

De mailschrijfster vroeg mij hoe ze mijn weblog kon volgen. Hoe kun je ervoor zorgen dat je een mailtje krijgt als er weer iets op Bunt Blogt verschenen is. Ik wist het niet. Ik heb een leeslijst, van weblogs die ik ooit wilde volgen en ook wel gevolgd heb, maar eerlijk gezegd doe ik daar niet veel meer mee. 

Maar jij weet wellicht hoe dat op een eenvoudige manier kan. Zou je dat willen laten weten? Daar help je iemand mee. 

Terwijl ik dit aan het tikken ben, komt er een berichtje van mijn dochter binnen: Cees Nooteboom overleden. Oud geworden en toch nog verscheiden voordat hem de Nobelprijs toegekend werd. Ik zal binnenkort over hem schrijven. 

Als plaatje bij deze blogpost koos ik de omslag van een boek van Wam de Moor. Wordt zijn naam ook weer eens genoemd. Ik las zijn recensies indertijd in De Tijd en ik volgde ooit een cursus bij hem, toen men aan het uitvinden was hoe het vak culturele en kunstzinnige vorming eruit moest gaan zien. 

Gebundelde kritieken - die verschijnen ook niet meer, vermoed ik. Ik kocht ze indertijd: van Tom van Deel, van Carel Peeters en dus ook van Wam de Moor. Hopelijk zijn hun namen nog niet vergeten. 

Door de illustratie lijkt het een beetje of ik oproep om Bunt Blogt te volgen, maar dat is niet de bedoeling. Maar ik zou wel willen weten hoe je een weblog op blogspot volgt, om iemand ter wille te zijn. Alvast bedankt voor je medewerking. 

dinsdag 10 februari 2026

De omloop Het Hoofd

Van sport weet ik vrij weinig, maar ik herinner mij dat er ooit een wielerwedstrijd bestond die 'De omloop Het Volk' heette. Corrigeer me als ik het fout heb, maar volgens mij was (of is) Het Volk een krant. Ik vond de benaming altijd een beetje vreemd. Het was niet De omloop van Het Volk, maar blijkbaar heette De omloop gewoon Het volk. 

Deze weken heb ik meer te kampen met De omloop Het Hoofd: mijn hoofd loopt om. Aan drukte ben ik wel gewend. De weekends hou ik zoveel mogelijk vrij (op een enkele boekbespreking bij de lokale omroep na), maar door de week werk ik de hele dag en vaak ook in de avond. Dat is me meestal goed af gegaan: de ene drukte ontspande van de andere. Maar ik merk dat me dat sinds kort niet meer lukt: het is moeilijk om het overzicht te bewaren en dat levert stress op. 

Ik maak lijstjes die ik moet afvinken en als ik al bezig ben met de opdrachten, schieten mij nog weer andere dingen te binnen die ook nog op het lijstje moeten. Soms raak ik zo'n lijstje in de loop van de dag ook weer kwijt, wat mij diep doet zuchten en voor de derde keer een stapel papieren door doet bladeren. Af en toe word ik overvallen door afspraken die ik over het hoofd heb gezien. 

Op andere momenten staar ik naar mijn scherm, niet meer wetend wat ik ook alweer aan het doen was, waarnaar ik aan het zoeken was. Dan loopt de machinerie even vast. Diep zuchten helpt dan wel eens. 

Gelukkig zijn mijn collega's aardig en begrijpend en ondersteunend. Ook zij hebben het druk, ook zij werken hard. Ze werken op deze plek wat langer en weten beter hoe alle systemen werken. En ze zijn jonger, wat natuurlijk ook scheelt. 

Elke week probeer ik hier drie nieuwe recensies te plaatsen en meestal schrijf ik twee ervan op maandag. Dat is lastig. Als je hoofd de hele tijd vol gezeten heeft van het ene boek, schakelt het lastig over naar het volgende. Bovendien loopt ook mijn maandag vol met andere werkzaamheden. Al verschillende maandagen moet ik halverwege stoppen met het schrijven, omdat ik dan op stagebezoek moet. Vorige week naar Voorthuizen en Barneveld, deze week naar Scherpenzeel. 

Gisteren schreef ik een recensie van de graphic novel Lucien. Ik hoop dat mijn geschrijf niet al te zeer te lijden heeft van mijn volle hoofd, al zal er wel iets van te merken zijn. Over het stuk dat ik schreef over Anja Meulenbelt, vorige week, was ik trouwens tevreden. Gistermiddag ging ik aan de slag met de recensie van Een gat in het hoofd, de biografie die Anton de Goede schreef van Heere Heeresma. Toen ik al een eind was, vond ik het ineens genoeg. 

Ik wist dat ik ook de hele avond bezig zou zijn: een schaakwedstrijd, waarvan ik pas om 00.30 uur thuis was. Ik schoof mijn bureaustoel achteruit en besloot naar de apotheek te wandelen, waar mijn medicijnen voor de komende maanden klaar lagen. Even naar buiten. Dat heeft mij goed gedaan. 

Ook vanavond zal ik niet verder schrijven aan de recensie. Ik was vanochtend om kwart over zeven op mijn werk. Ik had om 17.30 uur nog een stagebezoek en was om 18.30 uur weer thuis. Toen was het wel mooi geweest. Ik zou wat kunnen  lezen, maar lezen is bij mij een rare mengeling van ontspanning en werk. Ik vind meestal dat ik een bepaald aantal bladzijden moet lezen op een dag (want anders kan ik die drie besprekingen niet schrijven). Dus misschien moet ik ook het lezen vanavond maar helemaal laten zitten. 

In ieder geval wilde ik even melden dat er deze week waarschijnlijk wat minder online komt. Volgende week heb ik voorjaarsvakantie, maar die week kan ik nog moeilijk overzien. Op donderdag werk ik gewoon bij 113 en mijn lief en ik gaan waarschijnlijk nog wel even weg, maar dat heb ik nog niet helder. Plannen is sowieso lastig voor me, merk ik. Ik hecht sterk aan mijn papieren agenda. Die geeft me wel wat overzicht. 

Straks zal ik nog even een plaatje bij dit stukje zoeken en dan doe ik even helemaal niks. Op een recensie moet je dan meer even wachten. De eerstvolgende zal die van de biografie van Heere Heeresma zijn en verder lees ik in een boek, gedeeltelijk een strip, over de vriendschap tussen Tolkien en C.S. Lewis (The mythmakers) en in een jeugdboek van Ida Vos. Kijk er maar naar uit en heb geduld. 

maandag 9 februari 2026

Lucien (Rani De Prée)

Lucien draagt het licht in zijn naam, maar hij heeft vooral te strijden met de duisternis. Soms voelt hij een vuur in zich branden en daarna gaat er iemand dood. Er rust een vloek op hem, denkt hij. Hij moet wel een monster zijn. 

Zijn moeder probeert dat uit zijn hoofd te praten en geeft hem een kistje met een soort dobbelstenen met daarop doodskoppen. Op deze manier kan hij de oorzaak van de dood van anderen buiten zichzelf leggen: de stenen bepalen die. Maar Lucien heeft nog een lange weg te gaan. 

De Lucien is de hoofdpersoon van de graphic novel Lucien van Rani De Prée. Na een proloog op een begraafplaats volgen we Lucien, een jongen met een wat armoedig uiterlijk: hij loopt op blote voeten en de onderkant van zijn broekspijpen is gerafeld. Maar misschien is ook wel de boodschap dat hij met zijn blote voeten op de aarde staat. 

Wonderlijke brief

Op een dag komt op een wonderlijke manier een brief bij hem, uit een soort andere werkelijkheid. Juist dan is er een zonsverduistering, waarin de duisternis het lijkt te gaan winnen van het licht. In die tijd moet Lucien aan de slag. 

Hij ontmoet in het paleis Caelesta, de hoedster van de sterren. Maar ook in haar wereld rukt de duisternis op. Zij heeft de hemel in haar naam, maar ook zij moet de duisternis bestrijden. Lucien zal haar vergezellen. 

Je kunt de tocht en de strijd zien als een symbolische tocht, die Lucien nodig heeft om zijn leven op orde te krijgen, als een innerlijke strijd. Maar ook als een kosmische strijd tussen het goed en het kwaad. Ook de noties leven en dood spelen er steeds doorheen. Zo zijn sterren niet alleen hemellichamen, maar staan ze ook voor de levens van overleden mensen. Het boek gaat ook over dealen met de sterfelijkheid. Daarin gaat het niet om de eigen sterfelijkheid, maar ook die van de geliefden, bijvoorbeeld de moeder van Lucien. 

Epiloog

Net als de proloog speelt de epiloog van Lucien zich af op een begraafplaats. Maar nu is er geen angst, maar juist rust en de kleuren die gebruikt worden, geven iets vredigs aan het geheel. De strijd is voorbij. 

Wat de kern van Lucien is, is lastig uit te leggen. Waarschijnlijk wilde De Prée het mysterie intact laten en ze heeft er vooral in symbolen over verteld, maar het geeft het boek ook iets vaags. Dat heeft natuurlijk ook een voordeel: je kunt je interpretaties bijna de vrije loop laten. Maar eigenlijk had ik wel wat meer helderheid gewild. Het verhaal blijft voor mijn gevoel nogal zweverig en daarin had ik wat meer stevigheid wel op prijs gesteld. 

Vertelplezier

Aan de andere kant merk je ook wel het vertelplezier. Het verteltempo is vrij laag, maar dat stoorde mij niet zo erg, omdat er in de verschillende passages wel een aangename intensiteit zit. Het geworstel van Lucien speelt zich af op existentieel niveau en misschien zou daar geen recht aan gedaan zijn als de ontwikkelingen zich sneller hadden afgespeeld. 

De Prée heeft een bijzondere manier van tekenen: de verschillende tekeningen hebben geen kaders en er wordt geen inkt gebruikt bij de omlijning van de verhaalfiguren. Passend bij de inhoud van het verhaal wordt er veel gewerkt met licht (en vooral ook) donker, wat heel bepalend is voor de sfeer van het boek. Na zoveel donkerheid, ben je ook wel toe aan de kleurrijkheid van de epiloog. 

Lucien is het debuut van Rani De Prée en het is een intrigerend boek. Ik ben benieuwd welke wegen De Prée nog gaat bewandelen. Het is een bijzonder verhaal, maar de indruk die Lucien bij me nalaat is toch meer 'interessant' dan 'goed'. Ik denk dat het boek had kunnen winnen bij een strakker scenario en bij meer helderheid. Maar misschien was dit boek er dan niet geweest en dat zou toch ook jammer zijn. 

Titel: Lucien
Tekst en tekeningen: Rani De Prée
Uitgever: MENLU
2026, 208 blz. € 29,99 (hardcover)