vrijdag 27 maart 2026

Afgestoft: Hotel New Flanders (Dirk van Bastelaere, Erwin Jans, Patrick Peeters)

Afgelopen zondag publiceerde ik hier een planning: wekelijks drie nieuwe recensies en ik vertelde er ook bij welke dat zouden zijn. Nog geen week later wijk ik daar alweer vanaf. Dat zit zo.

Deze week schreef ik, naast de recensies van De Wind in de Wilgen en Boekjes bij de thee een recensie van Exovida van Adriaan Bijloo en Govert Schilling. Nou ja, die recensie is nagenoeg af. Hier en daar nog een splinter wegschaven of een likje verf en het is gepiept. Maar toen zag ik dat het boek pas op 15 april gepresenteerd wordt en daarom wacht ik nog even met het online zetten van het stuk. 

Twee nieuwe recensies dus deze week en twee oude die ik afgestoft heb. En natuurlijk de herinnering aan het overlijden van mijn opa. 

Voor vandaag is het, net als gisteren, een oude recensie van een bloemlezing, Hotel New Flanders, eerder gepubliceerd in Liter nr. 56 (jaargang 12, 2009). Ik ben wel erg aan het tellen geweest, vind ik, nu het stuk teruglees en ik noem heel veel namen van dichters. Blijkbaar vond ik dat toen nodig. Gelukkig komt er ook nog een gedicht in voor. 
   


Een Michelingids voor de Vlaamse poëzie


Wat de dikke Komrij voor de Nederlandstalige poëzie is, wordt misschien Hotel New Flanders wel voor de Vlaamse poëzie. Deze dikke bloemlezing, samengesteld door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters, zou ook wel eens kunnen gaan fungeren als een soort canon.

Net als bij Komrijs verzameling is er gedoe over Hotel New Flanders. De samenstellers openden zelfs een website, om te reageren op de recensies. Ze blijken niet van plan om stil te blijven zitten als ze geschoren worden door bijvoorbeeld Benno Barnard, Philip Hoorne of Hans Vandevoorde, maar reageren gepikeerd en met een zeker dedain. Misschien niet allemaal even verheffend, maar wel vermakelijk.

Hotel New Flanders geeft een beeld van de Vlaamse poëzie van 1945 tot 2005. Je kunt je afvragen of de Vlaamse poëzie wel zelfstandig bestaat, maar als je daarvan uitgaat, is een dergelijke bloemlezing zeker gerechtvaardigd. Uit de inleiding blijkt dat de samenstellers aan de ene kant het landschap van de Vlaamse poëzie in beeld hebben willen brengen, maar aan de andere kant ook nadrukkelijk de aandacht hebben willen richten op vernieuwende dichters. Daarbij zijn ze trouwens niet kieskeurig geweest. Er staan veel dichters in aan wie zo'n beetje alle vernieuwingen voorbij gegaan zijn.

In een bloemlezing ontkom je niet aan een kwaliteitsoordeel. Van grote dichters als Claus en De Coninck zul je meer gedichten opnemen dan van bijvoorbeeld Ben Klein, Maja Panajotova, Pol le Roy en Ivo Vroom, dichters wier naam ik zelfs niet kende, maar die wel met meer dan een gedicht vertegenwoordigd zijn.

Maar Hotel New Flanders moest niet alleen literair-historisch verantwoord zijn, het doel was ook een beeld te geven van de poëzieproductie in Vlaanderen. De samenstellers zeggen dat ze meer dan andere bloemlezers aandacht voor de heterogeniteit hebben gehad. 
Daarom bevat deze bloemlezing niet enkel gedichten die we goed vinden, maar ook gedichten van dichters die ons weinig of niet interesseren, omdat we ze saai, flauw, truttig of ouderwets vinden. Toch hebben we hen opgenomen.
Dat betekent ook dat de samenstellers lastig aan te spreken zijn op hun keuze. Ze kunnen altijd antwoorden dat ze de gedichten van Hans Devroe, Bart Mesotten en Renaat Ramon ook niks vinden, maar ja, die dichters zijn er nu eenmaal.

In de inleiding geven Van Bastelaere, Jans en Peeters uitleg bij het sterrensysteem dat ze, net als de Michelingids, gehanteerd hebben. Behalve in de inleiding komen de sterren in de bloemlezing overigens niet terug.

Vijf sterren (dat wil zeggen negen of tien gedichten) kregen wat zij noemen de paradigmadichters, simpel gezegd: de vernieuwers. Dat zijn Hugo Claus, Leonard Nolens, Hugues Pernath, Willy Roggeman (allen tien gedichten), Dirk van Bastelaere, Herman de Coninck en Jotie T'Hooft (negen gedichten).

Er is natuurlijk wel kritiek gekomen op het grote aantal gedichten dat Van Bastelaere van zichzelf opnam. Het lijkt me inderdaad een geval van zelfoverschatting om je boven bijvoorbeeld Christine D'Haen en Anton van Wilderode te plaatsen, zeker als je dan ook nog een gedicht als ‘abc-hart’ opneemt, dat speels genoemd zou kunnen worden, maar ook flauw.

Van De Coninck werden overigens alleen poëticale gedichten opgenomen, wat een vreemde keuze is. Dat geeft een vertekend beeld van zijn oeuvre. Gingen de samenstellers ervan uit dat de lezers de rest van De Conincks gedichten wel kenden? Maar waarom is bij andere bekende dichters dan niet een thematische keuze gemaakt?

Vier sterren kregen de oeuvredichters, over het algemeen dichters die zich niets aangetrokken hebben van modes, maar stug hun oeuvre bij elkaar geschreven hebben. Dat zijn Jan de Roek, Eddy van Vliet (acht gedichten), Claude van de Berge, Albert Bontridder, Hendrik Carette, Paul Claes, Christine D'Haen, Aleidis Dierick, Gust Gils, Luuk Gruwez, Herwig Hensen, Stefan Hertmans, Mark Insingel, Roland Jooris, Remy C. van de Kerkckhove, Roger M.J. de Neef, Erik Spinoy en Anton van Wilderode (zeven gedichten).

Jan de Roek kende ik niet en bij nazoeken blijkt hij ook niet voor te komen in de auteurslijst van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. De Roek kwam in 1971 om het leven en het zou dan ook logisch geweest zijn, als zijn gedichten in de bloemlezing terecht gekomen zou zijn tussen andere gedichten uit eind jaren zestig. De samenstellers van Hotel New Flanders hebben immers alle gedichten chronologisch gerangschikt op jaar van publicatie. Maar ze plaatsten de Roekgedichten bij 1980, toen de Verzamelde gedichten op de markt kwamen. De motivering dat op dat moment pas zijn belang voor de Vlaamse poëzie duidelijk wordt, houdt geen steek. Ook bij Daisne wordt, om dezelfde reden, uit zijn verzameld werk geciteerd. Het lijkt me sterk dat van de dichters bij wie uit de afzonderlijke bundels wordt geciteerd het belang meteen in het publicatiejaar duidelijk was. Verder lijkt me Roger M.J. de Neef ruim betaald en bij Roland Jooris blijf ik altijd wat twijfels houden, maar dat zal wel een kwestie van smaak zijn.

Drie sterren kregen de dichters die ‘in belangrijke mate bij[dragen] tot de articulatie van een paradigma.’ Het zijn dus dichters die een bepaalde stroming vertegenwoordigen. Om maar even het hele rijtje te noemen: Paul Snoek (zes gedichten), Wilfried Adams, Michel Bartosik, Leopold M. van den Brande, Nic van Bruggen, Ben Cami, Patrick Conrad, Frans Deschoemaeker, Charles Ducal, Jos de Haes, Miriam Van hee, Hubert van Herreweghen, Karel Jonckheere, Tom Lanoye, Marcel van Maele, Gwij Mandelinck, Jan van Nijlen, Erik van Ruysbeek, Lucienne Stassaert, Peter Verhelst, Freddy de Vree, Marcel Wauters.

Tja, wat moet je ervan zeggen? Misschien wat weinig eer voor Lanoye en Verhelst.

Maar er zijn meer auteurs die er bekaaid afkomen. Opvallend is bijvoorbeeld het ene gedicht van Bart Moeyaert dat werd opgenomen.

Over bloemlezingen is altijd te strijden en dat moeten we ook vooral doen. Hoe meer reuring, hoe meer aandacht voor de poëzie, hoop ik. En van die poëzie staat er genoeg moois in Hotel New Flanders. In ieder geval zal mij het ontroerende gedicht ‘Adieu xviii’ bijblijven dat Gaston Burssens schreef aan de nagedachtenis van Paul van Ostaijen: 
O Heer, mijn grote vriend en ik,
wij hebben U zo dikwijls aangeroepen
met vloeken en met bedelarij,
maar met gebedjes ook om van te snoepen,
want daar was zoveel schone vroomheid bij
als van een koperen cent die wij tot goudmunt schuurden.
Gij weet het wel, de moordenaars en de dieven,
geschuurd met zand van afgunst en van gunst,
verhieven wij tot heiligen der kunst.

Maar ik alleen bleef over,
en dat was erger dan het toeteren
van mijn klaxon in mijn woestijn.
Gij hadt er geen idee van hoe het ploeteren
in mijn moeras mij op één hand liet lopen.
Nu weet Gij het, nu ik het zeg,
maar 't was voorwaar geen spel zo, tussen heg en steg,
alleen en zonder tandenborstel
en al die jaren op mijn hoofd te moeten staan,
terwijl mijn sleutels uit mijn zakken vielen. -
En nu!
Nu ik weer op mijn voeten sta, maar krom gebogen,
nu zijn mijn oren doof, en dof mijn ogen.

D. van Bastelaere, E. Jans en P. Peeters (red.), Hotel New Flanders. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005. Poëziecentrum, Gent 2008, 752 blz., €29,95.

donderdag 26 maart 2026

Afgestoft: Brandaan van de christelijke poëzie

Nu weer eens door mijn oude besprekingen ga, kom ik erachter dat ik heel geregeld heb geschreven over bloemlezingen. Zo heb ik de besprekingen over bloemlezingen met schoolgedichten al eens afgestoft en nog vrij recent schreef ik over zo'n gedichtenverzameling. 

In Liter nr. 53, jaargang 12 (2009) schreef ik over Brandaan van de christelijke poëzie, een mooi boek. In de titel zette ik dat ik het een prachtige bloemlezing vond, maar ik had er wel wat op aan te merken. Ik kan dat na zoveel jaren nog steeds wel een beetje navoelen, maar misschien zeurde ik ook een beetje. Als ik de bloemlezing zo goed vond, had ik het dan niet juist daar over moeten hebben in plaats van over die dingen die wat minder zijn? 

Het uitgangspunt: alleen christen-dichters opnemen vind ik nog steeds dubieus: waarom zou een bloemlezer moeten beoordelen of een dichter wel een christen is? 

Bij zo'n bespreking moet je wel een gedicht citeren, vind ik. Maar waarom nam ik nou juist het gedicht van Lloyd Haft? Blijkbaar realiseerde ik me niet dat ik hetzelfde gedicht al in hetzelfde blad geciteerd had in de eerste jaargang. Die bespreking heb ik al eens afgestoft en die vind je hier

Ik heb overigens nog meer oude besprekingen van bloemlezingen. Die zal ik ook nog afstoffen. Even geduld. Het komt. 



Desondanks een prachtige bloemlezing


Bij uitgeverij Brandaan verscheen Brandaan van de christelijke poëzie, een bloemlezing samengesteld door Rien van den Berg. Voor ik daar iets anders over zeg: het is een prachtig boek en het is goed dat het er is. Het boek is gebonden, de gedichten zijn gedrukt op mooi papier en Van den Berg, die al eerder bloemlezingen maakte, laat zien dat hij een aantrekkelijke bundel kan samenstellen. Bovendien is hij een kenner van de christelijke poëzie en hij heeft uit allerlei bundels, van obscuur tot bekend, veel mooie gedichten gehaald.

Maar er zijn natuurlijk wel wat kanttekeningen bij te maken en vragen bij te stellen.

Allereerst die typische naam Brandaan, wat mij een nogal opzichtige manier lijkt om de naam van de uitgeverij in de markt te zetten. Ware het boek onder een andere imprint of bij een andere uitgeverij uitgekomen, dan had het waarschijnlijk Podium, Mozaïek, Vuurbaak of Atlas van de christelijke poëzie geheten en dan spreek ik nog niet van het ongelukkige geval dat Kok het boek uitgegeven zou hebben.

Dit is bovendien de eerste bloemlezing die ik ken waarbij het portret van de bloemlezer prominent op de flaptekst prijkt. Het zal wel zijn omdat Rien van de Berg fotogenieker is dan Komrij of Breukers, maar het verbaasde mij toch enigszins.

Er zijn aardig wat bloemlezingen over God of religie. Nog onlangs publiceerde uitgeverij Prometheus Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie. Ook een mooi boekje, waarbij de keuze gemaakt werd door Abeltje Hoogenkamp, die bovendien bij veel gedichten wat bezinnende opmerkingen schreef, al zijn die in sommige gevallen vrij oppervlakkig. Net als in de Brandaan vinden we bij Hoogenkamp dichters terug als Van der Graft, Henk Knol, Ida Gerhardt, Huub Oosterhuis, Martinus Nijhoff, Gerrit Achterberg, C.O. Jellema, Gerard Reve en Michel van der Plas, maar ook Remco Campert, Tjitske Jansen, Eva Gerlach, Hans Andreus en Jan Eijkelboom. Het boekje heeft de opbouw van een kerkdienst. Van het op weg gaan (‘Klokken haalden mij uit mijn slaap vandaan’) tot en met de zegen (‘God behoede de mens / en geve hem een zoen’) en de weg naar huis.

De verschillen tussen Hoogenkamp en Van den Berg vloeien voort uit de manier waarop ze gezocht hebben. Hoogenkamp zocht naar gedichten. Van den Berg naar dichters. In de inleiding schrijft hij: 
Er is tot op heden echter geen bloemlezing verschenen met werk van dichters die christen zijn. Dat is het vertrekpunt bij de bloemlezing: werk van dichters die op een of ander manier bij de christelijke traditie horen - en dan niet algemeen-cultureel gedefinieerd, maar religieus.
Tja. Wie bepaalt eigenlijk of een dichter christen is? Van sommige dichters die ontbreken (Renée van Riessen, Maria de Groot, Tom Naastepad, Mart van der Hiele, Hester Knibbe, Hilde Bosma, Greetje Kruidhof, Jaap van der Molen, Johanna Kruit, Frédéric Leroy) vroeg ik me af of Van de Berg ze niet goed genoeg vond of dat ze eigenlijk niet echt christen zijn. Het is de vraag of een bloemlezer zich over dat laatste moet en kan uitspreken.

Even verderop haalt Van de Berg zijn eigen uitgangspunt onderuit door zich af te vragen of er wel werk opgenomen had moeten worden ‘[v]an dichters die ongelukkig zouden zijn met het etiket christelijk, hoewel hun werk daartoe aanleiding geeft.’ Het is natuurlijk het een of het ander. Of je neemt werk op van dichters die gepatenteerd gelovig zijn, ook als je dat niet uit hun werk kunt opmaken (bijvoorbeeld de diergedichten van Rikkert Zuiderveld) of je kijkt alleen naar de gedichten en dan neem je dus ook de dichters op die Hoogenkamp selecteerde.

De Brandaan is een erg Nederlandse bloemlezing. Weliswaar neemt Rien van de Berg af en toe een Vlaming op (Anton van Wilderode, Aleidis Dierick), maar Vlaanderen zit toch vol met dichters die religieuze gedichten geschreven hebben? Mij schieten Pieter G. Buckinx, Gery Florizone, Jo Gisekin, Hubert van Herreweghen en Patrick Lateur te binnen. Of ze ook echt christen zijn weet ik natuurlijk niet. Het kan zijn dat ze over dat criterium gestruikeld zijn.

En zou er ook in Suriname of op de Antillen niet een katholiek dichter geweest zijn die in de Brandaan had gemogen? Zijn de gedichten van Glenn Sluisdom bijvoorbeeld niet sterk genoeg? Het zou kunnen, maar we weten het niet.

Op het buikbandje staat per ongeluk gedrukt dat er alleen gedichten opgenomen zijn van na 1950. Uit een van de registers achterin blijkt dat 1945 de grens is: vier gedichten van Achterberg, twee van Ida Gerhardt en een gedicht van Muus Jacobse zijn gepubliceerd tussen 1945 en 1950.

Met die registers is ook iets eigenaardigs aan de hand. Wie bijvoorbeeld zou willen weten welke gedichten van Jan Willem Schulte Nordholt opgenomen zijn, moet eerst naar het register op auteur. Daar moet hij opzoeken in welk jaren Schulte Nordholts bundels verschenen. Dan bladert hij door naar het register ‘Chronologie’ en zoekt bij het betreffende jaar de paginanummers op. Dat is een omslachtige manier. Bovendien zijn de registers niet feilloos. Lidy van Eysselstein is bijvoorbeeld bij 1959 niet terug te vinden, hoewel het auteursregister wel naar dat jaartal verwijst.

In het auteursregister kun je ook niet altijd precies zien welke gedichten opgenomen zijn. Bij Aleidis Dierick kun je wel vinden dat van haar ‘Avondmis’ de gedichten viii en xvi gekozen zijn, maar niet welke drie van de series ‘Tortels in het trappenhuis’ en ‘De driemaal zeven bezweringen’.

Ik ben dan ook maar gestopt te tellen hoeveel gedichten er nu exact van elke dichter opgenomen zijn. In ieder geval zijn er behoorlijk veel gedichten geselecteerd van Gerrit Achterberg, Menno van der Beek (van wie Van de Berg het aandurfde om de complete berijming van psalm 119 op te nemen), Lenze Bouwers, Aleidis Dierick, Anton Ent/Marieke Jonkman, Koos Geerds, Ida Gerhardt, (Guillaume) Van der Graft, Jos de Haes, Lloyd Haft, C.O. Jellema, Henk Knol, Willem Jan Otten, Michel van der Plas, Jan Willem Schulte Nordholt, Anton van Wilderode en Harmen Wind. Allemaal minimaal zeven gedichten. Op die keuze is niet zoveel aan te merken. Dierick en de De Haes zijn verrassingen, Otten acht ik als dichter nogal overschat, Bouwers is vrij ruim, maar met deze keuze kan ik wel leven.

Bij de minder ruim geselecteerde dichters moest ik wel even fronsen: wat doen in vredesnaam Jan de Bas, Theo Coenraads, Frank Daen, Dick Ellen, Leendert J. van den Hengel, P. van Klaveren, Nico Knibbe en José de Poortere met duidelijk ondermaats werk in dit mooie boek?

En hoe komt er eigenlijk werk van een anoniem dichter (bladzijde 113 in de bloemlezing) door de selectie? Helemaal anoniem kan de auteur niet zijn, want anders had Van den Berg niet kunnen weten dat het werkelijk een christen was. De bloemlezer plukte het gedicht (dat bepaald niet zo bijzonder is dat hij er niet omheen kon) uit een uitgave in eigen beheer. Ook van bijvoorbeeld Sergej Visser kopieerde hij gedichten uit boekjes die bestaan zullen hebben uit een stel blaadjes die met een wollen draadje aan elkaar zaten. Nou ja, elke bloemlezer heeft zijn eigenaardigheden.

Brandaan van de christelijke poëzie is ingedeeld op thema. Misschien is het niet helemaal consequent om dichters in plaats van gedichten te selecteren en dan niet te groeperen op dichter, maar ik vind het niet zo erg. De gekozen indeling leest in ieder geval prettig. Je kunt deze bloemlezing nu lezen zoals je een verhalenbundel leest: hoofdstuk voor hoofdstuk. Bovendien zie je hoe de verschillende dichters eenzelfde thema behandelen en verder lees je een gedicht anders door de omgeving waarin het staat, waardoor elk gedicht, ook als je het al kende, iets nieuws krijgt. ‘Troost’ van Harmen Wind zette de bloemlezer bijvoorbeeld in de afdeling psalmen. Het gedicht eindigt met:
Ik denk dat het je hand was. Niet de greep, de
aanraking. Ik kon de avond rustig laten vallen.
Je stem vulde de kamer met een lange reis.
Ik denk dat het je hand was. Dat je me droeg.

Niet eerder las ik het gedicht als een psalm, maar nu wel en het blijkt daar prima tegen te kunnen.

Psalm 119 in de berijming van Menno van der Beek is niet in de afdeling psalmen opgenomen en dat is een goede keuze. In zijn massiviteit zou het immers alle andere gedichten daar aan de kant duwen. Nu heeft deze psalm een afdeling voor zichzelf.

De andere afdelingen bevatten onder andere gedichten over ouders en kinderen, over mensen en dieren, over dood en leven en over God, geloof en kerk.

Wel kun je je afvragen waarom een afdeling ‘Vaderlandse geschiedenis’ heet wanneer meer dan de helft van de gedichten erin over de bijbelse geschiedenis gaat. De afdeling ‘light verse’ is eigenlijk mislukt. De meeste van de gedichten daarin bevatten wel humor, maar hadden net zo goed in andere afdelingen ondergebracht kunnen worden. Misschien is deze afdeling in het leven geroepen omdat je toch ergens de vrolijke gedichten van Rikkert Zuiderveld kwijt moet. Maar zonder die afdeling zouden we wel een paar flauwe gedichten van andere auteurs gemist hebben, zoals van Jaap Zijlstra en Koos Geerds, van wie meer missers opgenomen zijn.

Maar overeind blijft, ondanks alle bedenkingen waarmee ik dit stuk opende: dit is een prachtig boek. Van den Berg laat zien dat de christelijke poëzie, die in veel overzichten een marginale positie heeft, veel moois heeft voorgebracht. Genoeg in ieder geval om een kloek boek te vullen. Wat versnipperd was heeft hij bijeengebracht; zo'n beetje alle belangrijke christelijke dichters staan erin, waardoor deze Brandaan wel een standaardwerk zal worden zoals de dikke Komrij dat al is voor de gehele Nederlandse poëzie.

Wie door het boek bladert, heeft de neiging om te blijven citeren: de korte serie ‘Onder de wolk’ van Van der Graft bijvoorbeeld, of het ontroerende ‘Bloedje’ van Henk Knol. Je ziet verrast dat het ‘lieflijk rotsje’ van Marieke Jonkman terugkomt in een ander gedicht van Anton Ent. De zin ‘U bent er al, maar / U komt’ van Gabriël Smit mag meteen aangekruist worden. Je kunt aan het bladeren blijven en steeds weer doe je nieuwe ontdekkingen. En deze van Lloyd Haft kende je al, maar je wilt hem nog één keer voorlezen:

Naar psalm 150

Loof de ziende. Loof hem
in zijn verborgenheid. Loof hem
in het onkenbare dat hij zal kennen.
Loof hem
om het onvindbare van zijn vondsten,
loof hem
op de onmaat van zijn maten.
Loof hem met ons koperen geschal,
loof hem met een onstembare harp,
loof hem met knappende snaren,
loof hem met dom gedans,
loof hem met blèrende bekkens:
loof hem al wordt ons bekken geplet.
Alles wat nog hijgen kan
love de ziende.
Loof. De ziende.

Rennen naar de boekhandel dus, dan heb je de eerste druk nog.

woensdag 25 maart 2026

Herinnering: Opa overleden

Weer een stukje uit een dagboek. Deze herinnering tekende ik op op dinsdag 26 september 2023. 

Het gaat over het overlijden van mijn grootvader, de vader van mijn vader, wiens naam ik draag, Teunis Bunt dus. Hij werd geboren op 6 juni 1901 en overleed op 16 mei 1968. Op de rouwkaart stond niet dat hij toen 66 jaar oud was, maar 'bijna 67 jaar'. 

Mijn grootouders woonden aanvankelijk in een boerderij in Loenen (in de Betuwe, bij Slijk-Ewijk), maar ze lieten een houten bungalow bouwen in de boomgaard, waar ze samen naar verhuisden. Daarna woonden Ome Wout en Tante Met alleen in de boerderij, met hun kinderen. 

Op de foto zie je mijn opa en oma (Janna Johanna Maria Hofs) in de boomgaard vlak achter de bungalow. Rechts op de foto zie je nog net een stukje van het stuur van de brommer, een Sparta, waar mijn opa op reed. Die brommer komt nog voor in het stuk uit het dagboek. 


Opa en opoe Loenen (1964)

Het is nog vroeg. Ik lig op bed. Mijn moeder komt op de rand van mijn bed zitten en vertelt dat opa Loenen dood is. Ik weet niet goed wat ik mij daarbij moet voorstellen.

Opa Loenen is aardig. Hij is meestal vrolijk en ik loop met hem mee door de boomgaard als hij van de bungalow naar het huis van ome Wout loopt om de varkens te voeren. ‘Zute kjèlje,’ zegt hij soms tegen mij. Hij vertelt ook een keer tegen iemand dat ik al ‘Opent Uwen mond’ kan zingen. ‘Hij kent de hele Bijbel uit de kop’, zegt hij. Ik weet dat dat niet klopt, maar het is fijn dat opa zo trots is.

Als ik een jaar of vier oud ben, is er een verjaardag bij opa en oma. Ze zijn in juni en juli jarig. Het is dus zomer. Het wordt laat en ik val in slaap bij opa op schoot. Opa zit op zijn vaste plek, in de rookstoel naast de kachel. De volwassenen kletsen met elkaar en ik slaap.

Ineens word ik wakker. Ik ben misselijk. Heb ik slagroom op? Daar kan ik niet altijd goed tegen. Nog voor ik iets kan zeggen, moet ik overgeven, over de broek van opa. Meteen zijn er tantes en mijn moeder die de broek schoonmaken en zich over mij ontfermen. Mannen doen zoiets niet. Iedereen is vrolijk, maar ik vind het vervelend dat ik de broek van opa vies heb gemaakt.
 
Enkele jaren later ga ik een keer op mijn fietsje naar Loenen, waar opa en oma wonen. Dat kan ik best zelf. Het is misschien drie kilometer door het bos. Toen ik zes werd, heb ik een fiets van opa en oma gekregen. Dat is een groot cadeau.
 
Als ik met opa door de boomgaard loop, pakt opa zijn pruimtabak. Hij haalt een plukje tabak uit het pakje en stopt dat achter zijn kiezen. Ik kijk nieuwsgierig toe. Ik mag van opa ook wel een pruimpje, maar ik vind het niet lekker. Het is een scherpe smaak en ik wil de pruim weer uitspugen. ‘Nee, inhouden,’ zegt opa en dat doe ik dus maar. Misschien wordt de smaak beter. Af en toe slik wat door van mijn speeksel, dat een rare smaak heeft gekregen.
 
Ik voel mij helemaal niet lekker en besluit om weer naar huis te fietsen, naar de Merkenhorststraat. Zo gauw het kan, spuug ik de pruim uit en spring op mijn fiets. Onderweg kom ik erachter hoe misselijk ik ben, maar ik kan nu niet afstappen.
 
De weg naar huis is lang. Als ik thuis ben, gooi ik de fiets tegen de muur. Op de deel trek ik mijn laarzen uit en ik kom de geut binnen. Zo noemen wij het vertrek dat eigenlijk de keuken is. Mijn moeder is daar bezig. Ik ben misselijk en voel me slap.
 
Ik laat me op de grond zakken en ga op mijn rug liggen. Mijn moeder ziet dat het niet goed gaat met me en vraagt me van alles, maar ik kan niks terugzeggen. Ineens komt er braaksel naar boven. Het komt in golven uit mijn mond. Ik kan mijn hoofd een beetje naar de zijkant draaien, maar ik blijf op mijn rug liggen. ‘Hij lag op de rug te kotsen’, zal mijn moeder later tegen andere mensen vertellen. Nooit meer heb ik pruimtabak geprobeerd.
 
Met opa ga ik ook wel eens mee naar de diepvries, achter op de brommer. In veel dorpen is een gezamenlijke diepvries. De diepvries lijkt een soort schuurtje, maar binnen vriest het. Als je de dikke deur open hebt gedaan en naar binnen bent gegaan, zie je gangetjes met een soort kluisjes, tot aan de zolder toe. Opa weet precies waar het kastje is waarin hun spullen liggen. De kastjes zijn best groot. Als er geslacht is, kan er wel een half varken in pakketjes in.
 
Er staat een ijzeren trap in de vriescel. Die is voor de mensen die hun kastje helemaal bovenaan hebben. Opa heeft hem niet nodig. Je mag niet aan de trap likken. Dat heeft mijn moeder ooit uitgelegd. Met haar ga ik ook wel eens naar de diepvries, bij Brugman in de Hoofdstraat. Opa gaat naar Slijk-Ewijk.
 
Het lijkt me nogal logisch dat je niet aan een trap mag likken. Ik zou ook nooit zelf op het idee gekomen zijn. Opa rommelt in het kastje. Er zitten plastic zakjes met vlees in. Op de zakjes zitten etiketten geplakt, waarop staat wat erin zit. Na de slacht wordt het vlees in porties ingevroren. Daarvoor is een aparte la, de voorvriezer. Als het vlees goed bevroren is, gaat het in je eigen kastje. Misschien zit er ook groente in de vriezer. Mijn grootouders hebben ook een groentetuin. Opa laadt een tas vol.
 
Daarna gaan we weer naar buiten. Binnen is het koud, maar het is eigenlijk wel goed uit te houden. Als we buiten komen, is het altijd warm, ook als het buiten vriest. Dat is een wonderlijke ervaring. Ik word er altijd blij van.
 
Ik ben ook eens met opa mee geweest naar de rand van de boomgaard. Daar staan drie of vier bomen met sterappels. Opa en ik rapen de appels op en doen die in kisten. Thuis legt opa de appels op een laagje stro. Ze moeten nog een tijdje in de zon liggen en dan worden ze donkerrood. Om de paar dagen moet opa alle appels omdraaien, zodat ze overal even rood worden.
 
Maar vanochtend vertelt mijn moeder dus dat opa dood is. Samen met mijn ouders ga ik naar oma toe. Waar zijn Lientje en Marinus? We gaan met het Volkswagenbusje. Ik zit voorin, tussen mijn vader en mijn moeder in.
 
Bij de bungalow zitten de gordijnen dicht, terwijl het gewoon dag is. Binnen zijn de lampen aan. Mijn oma zit op haar eigen stoel, aan de tafel. Anders zit ze altijd te breien of te haken, maar nu niet. Er zijn ook nog andere ooms en tantes en mijn oma vertelt hoe het allemaal gebeurd is. Ze zal dat nog vaak vertellen op deze dag.
 
Ze lag naast opa op bed en werd wakker, omdat opa een geluidje maakte. Ze vroeg hem wat er was, maar hij zei niets. Daarom trok ze aan het koord van de lamp, dat boven hun hoofd vlak bij de muur hangt en toen zag ze al dat het mis was. Opa was al dood.
 
We drinken thee en mijn ouders praten wat. Dan gaan we bij opa kijken. Ik ga mee. Opa ligt op zijn rug op bed. Hij is heel wit en heel stil. Aan de zijkant van zijn voorhoofd heeft hij enkele rode puntjes, die ik daar nog nooit heb gezien. Hij heeft een wit overhemd aan. Het lijkt of opa slaapt, maar daarvoor ligt hij veel te stil. Iedereen kijkt naar opa. Sommigen snikken.
 
Ik sta maar een klein eindje over de drempel, tegen mijn vader en moeder aan en kijk heel stilletjes en heel geconcentreerd. Ineens vind ik het genoeg. Ik ren de slaapkamer uit, door het halletje, de keuken en het achterhuis. Zo heet het eigenlijk niet, maar ik weet geen andere naam voor die ruimte. Ik ren naar buiten en ga naar het busje dat op de oprit staat. Ik ga erin zitten en wacht op wat er komen gaat. Even later komen mijn vader en moeder en gaan we naar huis.
 
Door alle drukte denkt mijn vader er niet aan om de bromfiets van opa op te halen. Hij had beloofd om die op de dag van overlijden op te halen en nu heeft hij zijn belofte gebroken. Dat zit hem aardig dwars.

Als opa begraven wordt, zijn alle ooms, tantes, neefjes en nichtjes er. Wij lopen achter het huis van ome Wout, waar niemand op ons let. Steeds komen er auto’s om de hoek, die allemaal ergens moeten parkeren. Sommigen van die mensen kennen we niet, enkelen wel. Wij voelen ons belangrijk. Het is per slot van rekening onze opa die begraven wordt.
 
In de kamer van ome Wout en tante Met staan tafels waar wit papier over ligt. Dat staat netjes, een beetje feestelijk zelfs. De luiken zijn gesloten, de lampen zijn aan. De volwassen mensen krijgen koffie. De dominee is er ook, samen met de ouderling, Woutje van Straaten. Dat is een oud en mager mannetje.
Iedereen is in het zwart gekleed. De mannen in een zwart jasje en een streepjesbroek. De dominee leest uit de Bijbel en vertelt wat. Het lijkt op een preek, maar het voelt niet als een preek, omdat iedereen een kop koffie voor zich heeft. Uiteindelijk gaan we met een rij auto’s naar het kerkhof.
 
Als we weer terugkomen, zijn er broodjes. Dat is een verrassing. Die krijgen we wel eens op een verjaardag, maar lang niet altijd. Het lijkt nu wel feest. De mensen praten met elkaar en ze lijken minder ernstig dan vanmorgen. Misschien zijn ze opgelucht dat het erop zit. Wij mogen volop mee-eten van de broodjes, want er is genoeg.
 
De dominee heeft hardop gebeden voordat we gaan eten. Bij ons in de familie bidt niemand hardop voor de maaltijd. Ja, de kinderen wel: Here, zegen deze spijze. Amen! Maar volwassenen niet. Dominees doen dat natuurlijk wel.
 
Na de maaltijd vraagt de dominee of Woutje van Straaten ‘een gebedje’ wil doen. Dat doet hij. Hij heeft een zachte stem en je kunt hem moeilijk verstaan. Maar hij kan het ook, hardop bidden.
 
Daarna gaan de mensen weer naar huis. De ooms en tantes, de neefjes en nichtjes, blijven achter. Het witte papier wordt weer van de tafels gehaald. Daarna gaan we weer naar huis. Mijn vader kleedt zich thuis om. Hij moet zo weer gaan melken.

Geboorteakte van Opa


dinsdag 24 maart 2026

Boekjes bij de thee (Hans Werkman)

Als er iemand is die veel gedaan heeft voor de literatuur, in zijn eigen christelijke hoekje, dan is het wel Hans Werkman. Decennialang schreef hij over literatuur in het Nederlands Dagblad, hij richtte het blad Woordwerk (1983 - 1998) op en was erbij betrokken toen het fuseerde met Bloknoot tot Liter. 

In Nederlands Dagblad heeft hij maar liefst vijftig jaar lang geschreven. Onder andere vulde hij daar de rubriek 'Lettergrepen'. En verder schreef hij gedichten en romans. Onder aan deze bijdrage neem ik enkele links op naar wat ik eerder over hem en zijn werk schreef. 

In 2009 kwam Bijeen met man en muis uit, een verzameling van interviews en essays. Daar heb ik indertijd enkele stukken uit gelezen. Ik wilde de rest ook wel lezen, maar zoals zo vaak kwamen de 'zorgvuldigheden dezer wereld' ertussen en uiteindelijk kwam het er niet van. Het ligt nog wel op een van de groeiende stapels met te lezen boeken. 

Maar in kringloop kwam ik Boekjes bij de thee (2013) tegen, een verzameling met bijdragen aan de rubriek 'Lettergrepen', en ik kocht het. Toen een maand geleden mijn hoofd omliep en het lezen me wat lastiger afging, was dit boekje met korte stukjes een mooie uitkomst. Ik heb het met plezier gelezen. 

Misschien kocht ik het ook vanwege de titel, die me deed denken aan Vloekjes bij de thee (1961) van Wim Zaal. Niet dat ik dat gelezen heb, maar ik heb het wel altijd willen lezen. Ook daarvan kwam het niet. Werkman verwijst in de inleiding overigens naar het boek van Zaal over de negentiende eeuw, maar hij veronderstelt dat weinig lezers de titel van Zaal nog zal kennen. 

Een hoofd vol literatuur

De ondertitel van Boekjes bij de thee is Over lezers en schrijvers. Werkman heeft een hoofd vol literatuur en hij zoekt graag plaatsen op die iets met literatuur te maken hebben. Zo reist hij naar plekken waar hij dichter bij Guido Gezelle kan komen, als zijn trein even stopt in Baarn, bedenkt hij dat Koos van Doorne in die plaats Het kind Hans schreef, en als een plaats geen gedachten aan literatuur oproept heeft Werkman wel een boek bij zich waarover hij vertelt. In Zuid-Afrika leest hij bijvoorbeeld De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker. Of hij ziet iemand anders een boek lezen, bijvoorbeeld Tirza van Grunberg. Dat werk vindt Werkman 'een cultboek'. 

Hij schrijft ook naar aanleiding van gebeurtenissen in de literatuur, zoals de dood van Mulisch, de verjaardag van Jan Siebelink of het afscheid van Martin Ros bij de omroep. Het stuk over Mulisch schreef Werkman al toen de schrijver nog leefde, zodat de krant het meteen kon plaatsen na het verscheiden van de auteur die zich 'de grote één' noemde. Het stuk werd geplaatst op de voorpagina en daar was Werkman 'wel een beetje trots' op. 

Op de thee

De titel van de bundeling komt terug in het stukje waarin hij schrijft dat hij op de thee gaat bij P.J. Meertens. 

Afbeelding gejat van Wikipedia

Ik schelde aan. Een grijze heer met dunne lippen en een gereserveerde blik deed open, stak zijn hand uit en zei: 'Mijn naam is Meertens. Ik zal u voorgaan.' Hij wees me een stoel in zijn grote woonkamer met wanden van boeken. Op tafel lagen een uiterst ordelijk stapeltje overdrukken van een artikel door Dr. P.J. Meertens. Er lagen ook een paar opengeslagen dichtbundels. Bij deze boekjes schonk hij thee in van die wijde Engelse koppen.  
Ik was 27, hij 67 en net gepensioneerd aan het Dialectenbureau dat later 'Meertens Instituut' genoemd zou worden. Ik kwam hem vragen naar zijn correspondentie met Willem de Mérode, over wie ik toen een biografie schreef. 

De Mérode komt natuurlijk vaker voor. Zo beschrijft Werkman hoe hij een gezelschapje rondleidt door Uithuizermeeden. Ze bezoeken samen de kamer van de dichter. 

Wat de titel betreft: ook bij een portret van Henriëtte Bienfait, geschilderd door Jan Adam Kruseman, bedenkt hij dat hij met haar graag een kopje thee had gedronken. Henriëtte Bienfait was getrouwd met de dichter P.A. de Génestet. Kruseman was diens pleegvader. Een fragment van het schilderij staat op de cover van Boekjes bij de thee

Gemoedelijk

Als schrijver met een publiek van krantenlezers is Werkman gewend om toegankelijk te schrijven en zijn publiek mee te namen. Veel bijdragen hebben iets verhalends, waarbij je de auteur met zijn rugzakje over een schouder rond ziet kijken in een ruimte of rond ziet lopen in een gebouw. Het heeft altijd iets gemoedelijks en daar moet je misschien van houden, maar ik vind het prettig  om zo meegenomen te worden. 

Verder is het prettig om iets te lezen van iemand die meer weet dan jijzelf. Zo wist ik niet dat de vader van de dichteres Jacqueline van der Waals zo beroemd was. Hij was de natuurkundige Johannes Diderik van der Waals, nobelprijswinnaar, van wie de naam voortleeft in de Vanderwaalskrachten. 

Ik had ook nooit gehoord van Fré Dommisse, die het boek Krankzinnigen (1929) schreef. Intussen heb ik een aflevering van de podcast Illustere levens beluisterd waarin biograaf Catharina Th. Bakker vertelt over Dommisse. Ik moet toch eens op zoek naar die roman. En naar de biografie, die afgelopen jaar uitkwam. 

De kwekeling

Interessant is ook Werkmans stukje 'Een okerkleurig overhemd', dat beschrijft hoe hij van Groningen naar Enschede reisde waar hij zijn opleiding tot onderwijzer zou volgen. Daarover heeft Werkman veel uitgebreider geschreven in zijn beste roman, De kwekeling (2023).

Over zijn leraarschap is Werkman altijd bescheiden geweest. In de bijdrage 'Record' beschrijft hij hoe hij een oud-leerlinge tegenkomt die lerares geworden is en die tegen hem zegt: In die tijd dacht ik al dat ik misschien lerares wilde worden en toen heb ik gedacht: als ik dat wil, dan wil ik dat zo'n beetje doen als meneer Werkman dat doet.' Het is natuurlijk fijn om dat te horen, maar Werkman staat zich het maar half toe om daarvan te genieten. Het gevoel dat bij hem opkomt noemt hij 'onverdiend geluk'. 

Voor wie van literatuur houdt, is Boekjes bij de thee een heerlijk boek, maar ook als je je andere interessen hebt, zul je best kunnen genieten van de stukken van Werkman. Ik ga het boekje uitlenen aan mijn schoonmoeder en ik weet al zeker dat ze het gaat lezen. 

Eerdere bijdragen over Werkman:

Verder wordt hierboven de naam van Ida Boudier-Bakker genoemd. Over haar schreef ik naar aanleiding van:

maandag 23 maart 2026

De Wind in de Wilgen (Michel Plessix)


Toen mijn kinderen klein waren, was er op tv een tekenfilmserie: De Wind in de Wilgen. Tenminste, zo had mijn geheugen het opgeslagen. Maar mijn kinderen herinneren zich er niets van, dus het zal wel niet kloppen. Als ik indertijd gekeken heb, wat dus nog maar de vraag is, is er mij niet veel van bijgebleven. Dat de personages dieren waren. Dat is het zo ongeveer. 

De Wind in de Wilgen is een klassieker, zoals Alice in Wonderland en Winnie the Pooh. De auteur, Kenneth Grahame (1859 - 1932), vertelde de verhalen aan zijn enige kind en schreef ze later in brieven. Het boek kwam uit in 1908. Dat boek is in 1996 verstript door Michel Plessix. In 2014 zou hij er ook nog een vervolg op maken, De wind in de woestijn. Daarover zal ik over een tijdje schrijven. 

Bij Silvester Strips is De wind in de wilgen nu compleet uitgegeven, in een kloek boek, groot formaat, meer dan 125 blz. dik. Het is een mooie hardcover, met een leeslint en een stofomslag (waarop aan de binnenkant een grote tekening staat). Fraai gedaan. 

Plessix moest in zijn adaptatie het een en ander weglaten, maar over het algemeen volgt hij het boek. Het enige hoofdstuk dat hij overgeslagen heeft, is 'Wayfares all', hoofdstuk 9, waarschijnlijk omdat hoofdstuk 10 aansluit bij hoofdstuk 8. Je mist dat negende hoofdstuk niet. 

Voor wie het verhaal in proza wil lezen: een vertaling in het Nederlands vind je hier

Mol, Rat, Das en Pad

De wind in de wilgen begint met Mol, die zijn huisje aan het schoonmaken is. Net als bij de dierenverhalen van Toon Tellegen hebben de dieren geen andere naam dan de soort waartoe ze behoren: Mol, Rat, Das, Pad. Ze dragen kleren, zodat ze er menselijk uitzien. In het eerste hoofdstuk verlaat Mol zijn huis en gaat op pad met Rat. De twee zullen lang samen zijn. 

Ze gaan op bezoek bij Pad, die duidelijk van een hogere stand is en een veel luxere woning heeft. Pad heeft zo zijn obsessies, die vaak met snelheid te maken hebben (auto's en vliegtuigen). Hij komt daardoor verschillende keren in de problemen. Zo komt hij in de gevangenis terecht en zijn landhuis wordt een keer gekraakt (maar het wordt heroverd). 

Het Wilde Woud

Rat vertelt over Das en Mol wil graag Das bezoeken, maar die woont in het Wilde Woud en het is gevaarlijk om naar hem toe te gaan. Als Rat de boot te lang afhoudt, gaat Mol in zijn eentje op pad. Als hij in het woud is, slaat de angst toe en het is maar goed dat Rat naar hem op zoek gaat en hem vindt. Als het ook nog gaat sneeuwen lijken ze verloren, maar ze vinden gelukkig op tijd het huis van Das. 

Het zijn lieve verhalen: de dieren steunen elkaar en voelen zich voor elkaar verantwoordelijk. Er zijn spannende passages, maar uiteindelijk zal alles goedkomen. Dat is een geruststellende gedachte voor de jonge lezertjes. 

In een strip, waarin er niet alleen over de personages wordt verteld, maar waarin je ze ook ziet, kun je gemakkelijk meeleven met de hoofdfiguren. Vooral ook omdat het interessante karakters, met verschillende kanten. Mol is soms wat mopperig, soms wat angstig, maar hij is ook ondernemend en hij maakt tekeningen en je kunt zeker op hem bouwen. Hij heeft een groot hart. 

Volwassenen

De wind in de wilgen is vooral een kinderboek, maar het kan uitstekend door volwassenen gelezen worden. Sommige passages, zoals de tocht door het Wilde Woud kun je ook opvatten. Al in de Divina Commedia van Dante is de hoofdpersoon verdwaald in een woud, zoals we allemaal wel eens zijn, al is er geen boom in de buurt. 

De volwassenen zullen ook oog hebben voor de maatschappelijke positie van de verschillende dieren (Pad is heel erg rijk, maar de andere drie hoeven ook niet te werken) en ze zullen de verwijzingen naar andere literatuur zien. Het laatste hoofdstuk, 'The Return of Ulysses' heet bij Michel Plessix 'Terug op Ithaka'. De terugkeer van Odysseus ging met nogal wat geweld gepaard, net als de herovering van het huis van Pad. 

Tekeningen

Volwassenen en kinderen zullen beiden kunnen genieten van het tekenwerk van Plessix, dat bijzonder sfeervol is. Op verschillende tekeningen is ook lekker veel te zien, zodat je er lang naar kunt kijken zonder je te vervelen. Er zit een zekere knusheid in de verhalen en de tekeningen dragen er sterk aan bij. 

Met deze verstripping is De Wind in de Wilgen toegankelijk voor een groot publiek. Degenen die het boek al kennen, zullen het leuk vinden om de strip te lezen en voor degenen die het boek niet kennen, is de strip een goede introductie. 

Titel: De Wind in de Wilgen
Tekst en tekeningen: Michel Plessix
Naar de roman van Kenneth Grahame
Vertaling: Mariella Manfré
Uitgever: Silvester Strips
2025, 128 blz. € 39,95 (gebonden, stofomslag, leeslint)


zondag 22 maart 2026

Wachtrij

Illustratie gemaakt door AI

De laatste tijd heb ik aardig wat gelezen, maar mijn schrijven is daarbij een beetje achtergebleven. In mijn Instagramverhalen deel ik altijd welke boeken ter bespreking binnenkomen en ook laat ik het weten wanneer ik weer ene boek uit heb. Mocht je dat gezien hebben, dan vraag je je misschien af waar de besprekingen blijven. Daarom laat ik je alvast weten wat je de komende weken kunt verwachten. 

Daarbij ga ik uit van drie besprekingen per week, om en om strips en proza, dat gewoonlijk voornamelijk uit literaire fictie bestaat, maar de komende weken zit er ook aardig wat non-fictie tussen. 

De komende week wil ik de volgende boeken bespreken: 

  • De verstripping van De wind in de wilgen, een beroemd jeugdboek, waar ik weinig van wist. Mooie uitgave, groot formaat, stofomslag. Je zult het morgen wel lezen. 
  • Boekjes bij de thee van Hans Werkman. Verzameling stukjes over literatuur, ooit verschenen in het Nederlands Dagblad. Toen mijn hoofd zo vol zat dat lezen mij niet zo heel goed lukte, waren deze korte stukjes heel aangenaam. Het boekje verscheen in 2013.
  • Exovida, een graphic novel over buitenaards leven. Geschreven door wetenschapsjournalist Govert Schilling, wiens naam ik ken als auteur van een stukje dat als tekst gebruikt werd bij een eindexamen. Hij schijnt ook wel eens op tv te komen, maar daar heb ik hem nooit gezien. De tekeningen zijn gemaakt door Adriaan Bijlo, van wie ik nog nooit gehoord had. Het is een dik boek en als ik erover ga schrijven, moet ik er echt nog een keer doorheen. Het is een verhaal over een jongen die striptekenaar wil worden en een oude science-fictionstrip aan het lezen is, maar het laat ook zien hoe we in de loop van de geschiedenis gedacht hebben over buitenaards leven. 
In de week erna, als ik me aan mijn eigen planning kan houden, schrijf ik over:

  • Oude teksten voor jonge lezers van Joke Brassers. Vooraf vermeld ik dat ik Joke Brassers ken, en dat dat mogelijk mijn oordeel beïnvloedt, al denk ik dat dat wel meevalt. In het verleden was het juist zo pijnlijk dat ik sommige boeken kritisch meende te moeten bespreken, hoewel ze geschreven waren door mensen die ik in het dagelijkse leven tegenkwam. 
Over dit boek van Brasser ben ik heel erg enthousiast. Gisteren had ik een bijscholingsdag voor examinatoren bij de Staatsexamens en bij zo'n beetje elke collega Nederlands heb ik het boek aanbevolen. Het is geschreven met veel liefde voor de (oude) literatuur en voor de leerlingen. 

  • Kolmanskop, een strip van Marc Legendre en Charel Chambré. Een deel in de serie De helden van Amoras. Het is een spin-off van Suske en Wiske, geschikt voor een wat ouder publiek. Over die Amoras-serie heb ik van tijd tot tijd geschreven. De helden van Amoras is al de derde serie binnen Amoras. Mijn voornemen is om die serie te gaan volgen. 
  • Moet dwalen van Charlotte Mutsaers. Van deze auteur heb ik veel te weinig gelezen, wat wel raar is, want ik was heel erg enthousiast over Rachels rokje (1994). In mijn kamertje met de stapels boeken die ik binnenkort wil lezen (waar de stapels alleen maar groeien) liggen ook nog Koetsier Herfst (2008) en Harnas van hansaplast (2017). Vooral dat laatste boek wilde ik echt lezen, maar het kwam er niet van. Moet ik wel gaan lezen, vind ik. Moet dwalen is een heerlijk boek. Je leest het vanwege de stijl. 
Voor nog een week later heb ik al twee boeken liggen.
  • Het eerste is het tweede deel van integrale uitgave van Bernard Prince, met daarin opgenomen de albums De hel van Suong-Bay en Avontuur in Manhattan. Het is een schitterende uitgave, in een beperkte oplage, op mooi, groot formaat. Er staan ook verschillende korte strips in, een verzameling van 'De Interpol-dossiers van Bernard Prince', compleet met afgekeurde versies, zodat je die kunt vergelijken met de uiteindelijke versies. Een must voor de liefhebbers. 
  • Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen. Dat is een hertaling van het middelnederlandse werk Seven vroeden van binnen Rome. De hertaling, die lekker leest, is van Ingrid Biesheuvel en de uitgave is prachtig geïllustreerd door Fred Marschall. Dit is het andere boek waarvoor ik afgelopen zaterdag reclame heb gemaakt bij mijn collega's. Prachtig verhaal dat mij helemaal niet bekend was. Voor wie alvast de middelnederlandse tekst wil gaan lezen: die is online beschikbaar. Maar als je het jezelf niet al te moeilijk wilt maken, lees dan de hertaling van Ingrid Biesheuvel. 
Verder ben ik nog steeds aan het lezen in het degelijke boek van Piet Hagen, Koloniale oorlogen in Indonesië.  Het heeft mijn beeld van de koloniale tijd behoorlijk bijgesteld en dat zal ik mettertijd wel nader uitleggen.  Het is een dik boek, ruim duizend pagina's, en ik lees het in kleine stukjes. Ik ben nog niet op de helft (op pagina 450 ongeveer), dus het gaat nog even duren. 

En ik kreeg deze week Lachen door een waas van tranen van Aaltje Hendriks binnen. Het is geen beste titel, maar daar heb ik me niet door laten afschrikken. Het gaat over een meisje dat opgroeit in de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en ze woont tegenwoordig in het dorp waarin ik ben opgegroeid. Ik heb nog niet veel in het boek gelezen. Mijn eerste indruk is dat het veel losse scènes zijn, maar die zijn prettig te lezen. 

Er liggen natuurlijk altijd nog boeken leesklaar. Ik gok dat de De grote schoonmaak van Rob van Essen en De wonderen  van Jeroen Olyslaegers de grootste kans maken om daarna gelezen te worden. Of, snel een keer tussendoor Overgave op commando van Nadia de Vries. 

Hopelijk kan ik mijn schrijfachterstand een beetje wegwerken en dat moet eigenlijk ook wel. Mei is meestal een drukke maand in verband met de examencorrectie, dus het zou mooi zijn als ik voor die tijd bij ben. 

Dit is het menu, de maaltijd moet nog opgediend worden. Morgen schrijf ik de eerste recensie van deze week. Je kunt de komende tijd volgen of ik me aan mijn eigen planning hou. En blijf intussen lekker doorlezen. 

vrijdag 20 maart 2026

Afgestoft: Boeken voor de katholieke jeugd

Intussen lig ik weer aardig op schema wat betreft het posten van nieuwe bijdragen. Ik heb bij het schrijven nog wel een achterstand op mijn lezen, maar dat komt wel goed. Deze week is overigens wel druk, want ik loop in de avonden rond met de collectebus. Aangezien er in onze wijk weinig collectanten zijn, neem ik dertien straten voor mijn rekening en daar ben ik wel drie avonden aan kwijt. 

Voor vandaag een stukje dat eerder verschenen is in Liter nr. 65, jaargang 15 (2012). In die tijd plaatste ik wat ik in een krant of een tijdschrift publiceerde niet op mijn weblog. Het blijkt dat ik indertijd toch een stukje  online gezet heb en dat komt voor een deel (het lange citaat) overeen met wat ik in Liter schreef. Maar dat is allemaal alweer lang geleden, dus ik vind dat ik met een gerust hart het Literstukje hier kan plaatsen. Dat was, zoals je kunt zien, een niet zo lange bespreking. 

In de loop der jaren heb ik geregeld oude jeugdboeken gekocht en die heb ik nog lang niet allemaal gelezen. Mijn voornemen is om dat wel te gaan doen. Om mijn herinnering te controleren, als het boeken betreft die ik al in mijn jeugd las, maar vooral om te kijken wat voor wereldbeeld erin naar voren komt. Onder het label Zwart en wit heb ik verschillende boeken besproken die met inclusie en exclusie te maken hebben, waaronder ook een stel oudere kinderboeken. Over dit soort boeken wil ik in ieder geval nog gaan schrijven. 



Boeken voor de katholieke jeugd


Als kind las ik alles wat ik te pakken kreeg, althans zo herinner ik het mij. De boeken uit de kast van mijn ouders (Goof Bonk, Hotse Hiddes); de Sjors van mijn vriendje Joekie Bil, die eigenlijk anders heette; de pockets uit de boekenrekjes van nicht Aantje en neef Teunis (auteurs als A.G. Eggebeen, P. de Zeeuw JGzn). En af en toe kwam er een man aan de deur met een zwarte hoed op, een zwarte jas aan en een grote koffer bij zich. Daarin zaten boeken en dan mochten alle kinderen uit ons gezin een boek uitzoeken. Zo kwam ik aan Luyt Lievensz, de liedjeszanger van H. te Merwe en Het hol op de hei van G. van Essen. Op verjaardagen kreeg ik deeltjes van De Kameleon, Pietje Bell en later ook wel van Arendsoog.

Ha, Arendsoog! En zijn betrouwbare vriend Witte Veder en zijn paard Lightfeet, waarover in elk deel werd verteld dat hij zo hard liep als hij nog nooit gelopen had. Jaren later vertelde iemand mij dat en ik vond het verhaal te mooi om te controleren. Natuurlijk hield ik van een held als Bob Stanhope, zoals Arendsoog in werkelijkheid heette. Ik was immers even moedig en even slim, alleen had ik geen paard en er waren geen boeven in de buurt met wie ik moest afrekenen.

Arendsoog was een cowboy, zoals Old Shatterhand, die ik uit Sjors kende en Buffalo Bill, over wie ik een reeks pockets kocht bij Warenhuis Houpst, dat gerund werd door een stel bejaarde zussen, die je altijd van alles wilden aansmeren. ‘We hebben nog heel goedkope agenda's, van vorig jaar. Je hoeft alleen maar de datum door te strepen.’ Als wraak heb ik ze eens een kwartier laten zoeken naar plastic geheugensteuntjes. Buffalo Bill was net zo heldhaftig als Arendsoog, maar ik vond de boekjes grappiger, wat waarschijnlijk kwam door het personage Scot Oliver.

Buffalo Bill was niet christelijk, net zo min als de karakters uit Sjors, Pietje Bell of De kameleon. Er werd bijvoorbeeld niet in gebeden. In Arendsoog ook niet.

Dacht ik.

Maar nu heb ik een boek in huis dat Boeken voor de katholieke jeugd heet en het omslag staat vol Arendsogen. Hè? Is Arendsoog Rooms? Nooit wat van gemerkt.

Het eerste boek dat ik van Arendsoog kocht, was deel 38, Arendsoog en de Duncandollars. Het boek blijkt uit 1969 te zijn. Zou ik het voor mijn tiende verjaardag hebben gekregen? P. Nowee schreef het, maar er waren ook deeltjes waarop J. Nowee stond. Ook die vroege delen las ik, later. Ik geloof niet dat ik toen verschil merkte.

Toch moeten die delen anders geweest zijn. Dat schrijft in ieder geval Karen Ghonem-Woets in haar boek. Arendsoog verraadde in de eerste delen nog wel de katholieke geest van vader Nowee; zo deed de cowboy geregeld een beroep op de Voorzienigheid. Dat is mij ontgaan. Maar misschien was ik al aan zoveel godsdienst in jeugdboeken gewend, dat een schietgebedje mij helemaal niet opviel.

In Boeken voor de katholieke jeugd beschrijft Karen Ghonem-Woets de geschiedenis van de katholieke uitgeverijen Zwijssen en Malmberg, die zich zowel op de markt van de schoolboeken als van de leesboeken begaven. Ze doet dat degelijk en redelijk prettig leesbaar.

In het begin (van de oprichting in de negentiende eeuw tot ongeveer 1945) zijn de uitgeverijen katholiek, zowel wat de lesmethoden als de jeugdboeken betreft. Onder de auteurs bevinden zich ook geestelijken.

Frater Sigebertus Rombouts formuleerde in 1925 richtlijnen waaraan een goed katholiek boek zou moeten voldoen. Het godsdienstige stond natuurlijk voorop. Verder: 

2. Te veroordelen is ieder boek met een heidense, anti- of onroomse sfeer. Dus ook het neutrale boek. 
3. Boeken moeten worden afgekeurd als: a. Een of andere hartstocht, b.v. haat, afgunst, gierigheid, eerzucht er sterk in spreekt en later niet door goede leiding of flinkheid van eigen karakter wordt overwonnen. b. Als ze verruwend werken door het milieu, door platte of onbehoorlijke woorden en uitdrukkingen. Onder deze categorie vallen schrijvers als Kievit (Dik Trom) en Van Abcoude (Pietje Bell, Kruimeltje). Het gezag van ouders, opvoeders en politie mag nooit bespottelijk worden gemaakt. c. Als ze meer of minder duidelijk enige “voorlichting” geven, of dingen aanroeren waarmee een kind niets te maken heeft. d. Als de illustraties in zedelijk opzicht niet deugen. Plaatjes die de sexuele verbeelding prikkelen, maar ook illustraties met daarop personen die niet volgens de kerkelijke richtlijnen gekleed zijn. 
4. Het verhaal moet geen tastbare onmogelijkheden of doldwaze dingen bevatten.

Een uitgebreid citaat, maar ik vond het zo fraai dat ik niet kon laten het over te tikken.

In de loop van de decennia worden de boeken van Malmberg en Zwijsen steeds minder katholiek. Al toen ik op de lagere school zat, die toch goed Hervormd was, kregen wij op school de Taptoe en de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie). Blijkbaar was in de jaren zestig van de vorige eeuw het katholieke al niet meer te herkennen.

Bob Stanhope, alias Arendsoog, was rond die tijd ook al van zijn geloof gevallen en toen hij nog wel van het houtje was, viel het mij niet op. Karen Ghonem-Woets behandelt Arendsoog uitvoerig, evenals Puk en Muk. Dat doet ze goed, maar eigenlijk had ik voor ik begon te lezen gehoopt op een ander boek. Een boek waarin iemand mij vertelt hoe zijn moeder de prentenboeken uit de serie Voor Roomsche kleuters voorlas; of hoe hij de missieverhalen las, stiekem in bed, want hij moest eigenlijk al slapen; of hoe hij las over Damiaan en zelf ook wel melaats wilde worden als dat nodig was om mensen te helpen. Misschien moet iemand als Ton van Reen zo'n boek schrijven. Dat zal ik dan met plezier lezen. Nu loop ik eerst maar eens naar de zolder om te kijken in welke doos Buffalo Bill en Arendsoog opgeborgen zitten. Ik ruik de kruitlucht al.

Karen Ghonem-Woets, Boeken voor de katholieke jeugd. Verzuiling en ontzuiling in de geschiedenis van Zwijsen en Malmberg. Walburg Pers, Zutphen 2011, 256 blz., €39,50.