Een stukje dat ik op 10- oktober 2023 in mijn dagboek schreef. Het begint met Rein die aan het kersenplukken is. Wij hadden geen kersenbongerd, maar ome Wout wel. Als illustratie heb ik gekozen voor een foto van ver voor mijn tijd. Hierop zie je een stel kersenplukkers. Op de voorste rij, tweede van rechts, mijn vader met een lege hoenderik, op de achterste rij, helemaal rechts, mijn ome Wout.
Over Rein schoot mij nog het volgende te binnen. Hij hoorde slecht en hij had een litteken in zijn bovenlip. Dat kwam door de oorlog. Hij bestuurde een jeep met een stel Engelsen erin en reed toen op een landmijn die door de eigen troepen gelegd was. In mijn hoofd zie ik de jeep met een boog van de dijk vliegen, al weet ik niet meer zeker of zich dit wel op de dijk afspeelde.
Mijn vader vertelde het me met een twinkeling in de ogen. Blijkbaar vond hij het een goed verhaal. Ook waarschijnlijk omdat het uiteindelijk goed afgelopen is.
Verder komt de oorlog in het Midden-Oosten ter sprake. Dat zal de Zesdaagse oorlog in 1967 geweest zijn. In die tijd stond (in mijn perceptie) iedereen achter Israël. Dat die steun zo massaal was, kan ik me nu nauwelijks voorstellen. Ook dat er helemaal geen oog was voor het lot van bijvoorbeeld de Palestijnen, vind ik nu vreemd. Misschien komt het door het schuldgevoel over de oorlog die maar goed twintig jaar daarvoor nog woedde.
Ten slotte: ik noem de strip Appie Happie. Daarover heb ik hier geschreven.
Net als bij de andere stukjes uit mijn dagboek zit er weinig lijn in deze bijdrage en houdt zij plotseling op. Blijkbaar bekommerde ik me niet zo om de compositie.
We zingen als kinderen wel: ‘Rein de vos, de beer is los. Hoor hem nou eens brullen. Snij hem de kop en de oren af. Dan heb ik ook wat te smullen.’ Ik vind het een vreemde tekst. Waarom zou je bij een beer de oren afsnijden als je de kop al hebt afgesneden? En wat heeft die beer met een vos te maken? Maar ik zing het wel mee.
Rein zien we best vaak. Hij rijdt op een brommer met grote fietstassen. In die fietstassen heeft hij de kranten en ook pakken koffie en thee. Die verkoopt hij. Mijn oma heeft altijd de koffie van Rein.
Hij helpt ook wel bij ome Wout, bijvoorbeeld met het kersen plukken. Als Rein boven in de boom op de ladder (wij zeggen: de leer) staat, roepen we soms naar hem. Marinus is vijf jaar jonger dan ik. Ik spreek met hem af dat hij het liedje over de beer zal zingen. Ik zet hem in een kruiwagen en rij met hem onder de boom door. Ik kan immers sneller lopen dan hij en zo is hij op tijd weg.
Marinus zingt uit volle borst, maar ik zet de kruiwagen onder aan de leer en ren zelf weg. Mijn broertje moet maar zien dat hij snel uit de kruiwagen komt. Rein komt al van de leer af.
Of Rein werkelijk iets gedaan zou hebben als hij ons te pakken had gekregen, is helemaal niet zeker, maar mijn broer heeft het idee dat hij aan een groot gevaar ontsnapt is. En ik heb hem natuurlijk een smerige streek geleverd.
Dat is een paar jaar later. Nu is het 1967. Iedereen heeft het over de oorlog in Israël. In De Gelderlander staat een forse kaart van de regio. Er staan soldaten op en tanks en vliegtuigen, zodat je kunt zien waar welk gevecht zich afspeelt en hoe groot de legers zijn.
Mijn ouders hebben het ook al gehoord op de radio, vermoed ik. Of krijgen we pas een radio in 1969 in het nieuwe huis? Het is de oude radio van opa en oma, die zelf een nieuwe krijgen. Ook die zullen wij later krijgen. Na opa’s dood zal oma geen radio meer hebben. Blijkbaar luisterde vooral opa ernaar.
Dat er strijd is in Israël is nauwelijks nieuws. Daar is altijd wel wat. Maar nu is het echt oorlog. Israël is maar een klein landje, maar met een heel goed leger. In het zuiden dreigt Egypte, in het oosten Jordanië, in het noorden Syrië en nu is het in al die gebieden raak. Of mis. Israël heeft bij verrassing een groot deel van de luchtmacht van Egypte verwoest, er is een tankslag met Jordanië en in het noorden wordt de hoogte van Golan veroverd.
Oorlog is eng, maar stiekem vind ik het prachtig. Het lijkt op het verhaal van David en Goliath. Het is altijd mooi als de underdog wint en nu lijkt Israël te gaan winnen. Ik zie het als een partijtje stratego. Dat speel ik ook graag.
Ons strategospel deugt niet helemaal: als je goed kijkt, zie je op de achterkant van de bommen een klein licht streepje van de lont. Als je het weet, kun je zien waar bij de tegenstander de bommen staan. Daarom heeft mijn moeder leukoplast op de achterkant van alle poppetjes (hoe moet je die eigenlijk noemen?) geplakt.
Dat er slachtoffers vallen bij een oorlog, daar denk ik niet aan. Ik vraag aan oma of ik het kaartje uit de krant mag knippen en mee mag nemen naar school. Meester Postma hangt het dan op het prikbord. Ik voel me trots dat juist mijn kaartje op het prikbord komt.
Al eerder heb ik een foto uit de Revu geknipt van de bokser Cassius Clay: alleen zijn hoofd, helemaal vol met zweetdruppeltjes. Die hangt ook op het prikbord.
In De Gelderlander lees ik altijd de strip van Appie Happie, een grote, wat dommige voetballer die bij De Taaie Tijgers voetbalt. Hij eet altijd bananen. In zijn team zitten allemaal vreemde spelers, onder andere Laserels. Dat is een keiharde verdediger. Die naam is een combinatie van die van Rinus Israël en Theo Laseroms, verdedigers van Feyenoord.
Maar Appie Happie doet ook mee met een wielrenwedstrijd en met de Elfstedentocht. Ik vind het heel grappige verhalen. De tekenaar is Dik Bruynesteyn, die altijd ondertekent met simpel Dik met een heel grote punt op de i. Ik herken zijn stijl altijd meteen. Hij tekent veel sportcartoons.
Opoe heeft ook de Revu. Dat blad heette vroeger Revue, dat herinner ik me nog wel. Er staan interessante artikelen in. En in het midden staat soms een heel grote uitklapplaat van een voetbalteam. Die van Ajax zal ik op mijn kamer (in de Schoolstraat) op de muur hangen. Ik ken alle namen: Cruijff, Keizer, Swart, Mühren, Suurbier, Krol, Suurendonk, Hulshoff, Groot, Geels, Bals en nog veel meer.
Nederland is heel goed in het voetballen. In de Revu staat een keer een artikel over de vier beste voetballers ter wereld. Cruyff natuurlijk, Eusebio van Benfica, de keeper Gordon Banks en George Best. Met zo’n naam kun je het je ook niet veroorloven om een slechte voetballer te zijn, lijkt me.
Achter op de Revu staat een strip. Die wisselt soms, maar ik vind ze allemaal leuk. Olivier B. Bommel vind ik geweldig. Mijn moeder leest die ook wel. Ze weet waar ik het over heb als ik 'De jakkerjekker' noem of 'De tic van Joost.'
Later staat Asterix een tijdje achter op het tijdschrift. Ook Lucky Luke en Agent 327. Dat is altijd een afgerond verhaal dat eindigt met de tekst ‘Wat een agent al niet moet doen om incognito op kantoor te komen.’ In elk verhaal heeft de agent een andere vermomming.
Er is ook een hele bladzijde met cartoons, waar er altijd wel een paar leuke tussen zitten. Verder is er elk jaar een prijsvraag, een puzzel waarmee je een prijs kunt verdienen.
Er is een puzzel met mensen die elk een bord met een letter omhooghouden, alsof ze meelopen in een protestdemonstratie. Ze hebben allemaal twee verschillende schoenen of laarzen aan. Aan de hand daarvan moet je de juiste volgorde van de letters achterhalen. Dat lukt me. De oplossing is: ‘Wij lusten ook ham.’
Bij opoe Dojewèrd lees ik achter op De Spiegel altijd de strip van Puk en Poppedijn en die is ook heel mooi. Verder zijn er wel eens tantes die de Margriet of Libelle hebben. Die blader ik altijd even door. Daar staan heel lang geen strips in, maar in 1970 begint Libelle met Jan, Jans en de kinderen.
Die is heel grappig, vooral als het vriendje van Catootje meedoet. Hij heet Jeroen en rijmt de hele tijd. Jeroen - poep aan je schoen. Dat doe ik ook wel na.
Thuis hebben we alleen De Boerderij. Daarin kijk ik altijd eerst naar de cartoon van Emil van Beest. Zijn manier van tekenen kun je goed herkennen. Hij maakt altijd kleine krulletjes, bijvoorbeeld bij de neusvleugels van mensen en bij de neusgaten koeien en paarden. Later zal ook de strip Opa in De Boerderij komen.
Zo gauw het Reformatorisch Dagblad opgericht is, nemen mijn ouders een abonnement. Ik zit dan nog net op de lagere school. In de krant staan strokenstrips: plaatjes met tekst eronder. Eerst over een boswachter. Heet die Van Bergen? Het is een simpel verhaal, voor jonge kinderen.
Veel mooier is Erik de Noorman van Hans G. Kresse. Dat lees ik meteen als de krant er is. Ook mijn moeder leest die strip. Het zijn spannende verhalen en ze zijn ook nog eens heel mooi getekend. We knippen ze wel uit en al die knipsels vormen samen een boekje. Maar ik ben te slordig om daar elke dag aan te denken.
Strips vind ik heerlijk. Bij mijn vriendje Joekie (Gerard) hebben ze de Sjors en die krijg ik vaak als ze die uit hebben. Soms krijg ik ook de Tina mee. Die leest zijn zus Ina. Tina is eigenlijk een meidenblad, maar dat geeft niet. Ze hebben bij Joekie thuis ook de dikke stripboeken van Sjors en Sjimmie, getekend door Frans Piët. Die lees ik ook graag.
In de Sjors staat er vaak niet bij wie het getekend heeft. Ik weet alleen de namen van Frans Piët en die van Carol Voges. Die tekent de strip over Dinky en Opa. Dinky draagt een tuinbroek en opa heeft een grote borstelsnor.
Bijna alle verhalen verslind ik. Old Shatterhand en Winnetou vind ik het mooist getekend. Totdat Opkomst en ondergang van het keizerrijk Trigië in de Sjors komt. Maar ik houd ook van Wimpie’s wonderlijke dromen, van de strip over Bill Bluffer en die over Archie, de man van staal. Die naam spreek ik niet uit als 'Aartsjie', maar gewoon met een g-klank. Als het eind van het woord 'monarchie', maar dan met een andere klemtoon.
En natuurlijk van Billie Turf. Die lees ik vaak als eerste, want die is heel grappig. Hij wordt ‘het dikste studentje ter wereld’ genoemd en hij is dan ook heel dik en denkt alleen maar aan eten. Eigenlijk is hij niet sympathiek en toch hou je van hem. Meestal eindigt het ermee dat hij een pak slaag krijgt van meester Kwel, die soms een hele doos wandelstokken aan laat rukken om hem af te rossen.
Een enkele keer loopt het goed af en mag hij op het laatste plaatje veel eten. Ik kijk altijd eerst hoe het afloopt en ga daarna pas lezen.
Je kunt de strip heel gemakkelijk vinden, want het is het enige verhaal dat op geel papier is afgedrukt. Billie heeft ook een zus, Bessie. Die staat in de Tina. Ook zo’n schrokop, maar bij haar loopt het juist meestal goed af.
Bij mijn neef Gertje lees ik vaak de Donald Duck. Hij heeft er heel veel en ik kan er uren in lezen. Natuurlijk bestaat Duckstad niet echt, maar je hebt het idee dat je er iedereen kent: Donald en zijn neefjes, Dagobert, de gierigaard. Katrien met haar drie nichtjes en Guus Geluk, de zware jongens, Diederik Duck, Otto van Drakesteyn, Oma en Gijs Gans. En dan heb je nog Mickey Mouse, Goofy en Pluto, Dombo, Japie Krekel, de grote boze wolf en Wolfje, met de drie biggetjes en Hiawatha. En nu vergeet ik bijna nog Knabbel en Babbel, Rakker, Madam Mikmak en Zwarte Magica.
%20043.jpg)




















