dinsdag 26 mei 2026

Liefde, als dat het is (Marijke Schermer)

Je kunt niet alles lezen. Soms ben ik nieuwsgierig naar een boek, maar dan komen er weer andere boeken op mijn pad en zakt de nieuwsgierigheid weg. Aan de ene kant is dat jammer, maar daardoor kun je op een later moment ineens verrast worden als je dat half vergeten boek toch nog leest. 

Zo verging het mij een beetje met Liefde, als dat het is van Marijke Schermer. Ik vermoed dat ik er bij verschijnen niet zoveel over gelezen heb, maar ik vond toen al wel, dat het een prachtige titel had. Toen ik twee jaar geleden In het oog gelezen had (link onderaan), was ik nieuwsgierig naar eerder werk van Schermer. Liefde, als dat het is heb ik nu gelezen. Noodweer ligt nog op de stapel. 

Terri en David

Er komen niet eens zo veel personages voor in Liefde, als dat het is, maar ik heb de neiging om de namen door elkaar te halen, dus ik zet ze eerst maar even op een rijtje. Centraal staan Terri en David. Ze zijn zo'n vijfentwintig jaar getrouwd en hebben twee kinderen, Krista (15) en Ally (12). Voor Terri is het na al die tijd op. Het huwelijk tussen haar en David was niet direct slecht, maar het benauwt haar. Ze begint een affaire met Lucas, een heel ander soort man. Na verloop van tijd betrekt ze een eigen appartement. 

David noemt de scheiding een natuurramp, maar hij begint na een tijdje toch te daten, met Sev. Die wil 'geen relatie, alleen dit eiland in de tijd'. Krista zet haar eerste stappen op het pad van de liefde, met Rafik. Als lezer zit je beurtelings in de hoofden van de verschillende personages. 

Het boek begint in de zomer, als Sev en David elkaar al kennen en daarna pas krijgen we de voorgeschiedenis te lezen in de afdeling 'De herfst daarvoor'. Het benauwde gevoel dat Terri ervaart, is goed na te voelen, maar net zo goed het onbegrip van David, die misschien wel nooit echt over de relatie heeft nagedacht. 

Misschien gaat zij wel zeggen dat ze al langer niet meer gelukkig was. Moet hij dan zeggen dat hij niet zozeer gelukkig was, maar dat het op het moment dat zij haar bom liet vallen helemaal geen relevante vraag was. Gelukkig, ongelukkig, waar gaat het over? Ze leefden gewoon. En er was liefde. Wat was het anders?

Maar nu het voorbij is, ontkomt niemand meer aan het overdenken. David denkt ook na over 'het eindeffect van Kahneman, de theorie die zegt dat je een periode, zoals een huwelijk, niet meer kunt zien zoals die werkelijk was, door het effect dat het einde van die tijd heeft op je gevoel erover.'

Schuldgevoel

En het einde van deze relatie heeft weer effect op het begin van de volgende relatie. Lucas is heel anders dan David, zoals Sev heel anders is dan Terri. Op een gegeven moment denkt Terri van Lucas dat hij walgelijk is.

Voor het eerst dacht ze: hij is walgelijk. Maar er was iets in haar dat vond dat ze zijn walgelijkheid verdiende, dat zij zich eraan onderwerpen moest. Het is een straf, straf voor het verlaten van haar gezin, straf voor het volgen van de lust in haar, straf voor het jarenlang verwaarlozen van die lust in haar, straf dat die lust überhaupt bestaat in haar, een verborgen gevoel van waardeloosheid dat erkend, verzadigd en bevestigd wordt als ze zich laat gebruiken, zo, hier, zoals hij dat wil. 

Terri worstelt ook met een schuldgevoel. De scheiding heeft bijvoorbeeld behoorlijk wat gevolgen voor de kinderen. Krista eet een tijdje nauwelijks meer en ze weigert ook op bezoek te bij Terri in haar appartement. 

Door het besluit dat Terri genomen heeft, is veel aan het schuiven gegaan en ze vraagt zich af wat er nog wel vaststaat.

Ze weet dat ze van haar kinderen houdt, maar nergens in zich kan ze dat gevoel nog vinden, ze legt haar hoofd op de tafel. Kan dat? Kan je op een dag wakker worden en de liefde kwijt zijn? is ze gek aan het worden? Is liefde een gewoonte? Of een wilsbesluit? Is er iets, iets echt, waar?

De nieuwe situatie heeft Terri niet direct geluk gebracht, zegt ze, maar ze is wel anders gaan kijken naar haar ongelukkigheid. 

Troost bij de pijn, pijn bij de troost

David gaat af en toe naar Sev, die zich juist nooit heeft willen overgeven aan het gelukkige gezin. Ze ziet David in het begin ook als een onderzoeksproject, maar het samenzijn met David (die haar overigens geheim houdt voor zijn dochters), heeft ook zijn invloed op haar. 

Zolang hij met me vrijt zoals hij doet, denkt ze, zo zacht en vol, levert hij de troost bij de pijn en de pijn bij de troost. Dat is vreemd aan de liefde, de liefde is het medicijn dat je zonder diezelfde liefde niet nodig had. 

Af en toe wordt er teruggeblikt op eerdere relaties, maar om het niet te ingewikkeld te maken, laat ik dat nu rusten. 

Krista heeft Rafik ontmoet. Zij staan juist aan het begin van een relatie. Er is een scène waarin Krista en Rafik in huis zijn en David ook naar huis komt. Terri komt ook, maar die wordt door Rafik tegengehouden, op verzoek van Krista. Iedereen worstelt nog met de resten van de oude relatie en begint waar aan een nieuwe, waarvan ook weer niet duidelijk is waar die op uitloopt. 

Iedereen denkt na over de liefde en wat dat nu eigenlijk is. Is het een gewoonte? Een besluit? Bestaat liefde alleen zolang je erin gelooft? En wat als dat geloof er niet meer is? En moeten de relaties zich ontwikkelen zoals ze nu eenmaal doen of hebben we daar een keus in? En als we kiezen, welke gevolgen heeft zo'n keuze dan voor onszelf of voor anderen?

Liefde, als dat het is is een bijzonder boek. Prachtig geschreven, fraaie dialogen, scherpe observaties. Of er zoveel antwoorden worden gegeven, weet ik niet, maar de vragen zijn interessant en eigenlijk moet je altijd door de antwoorden heen om bij de juiste vragen te komen. 

Je zou kunnen zeggen dat er niet zo heel veel verhaal in deze roman zit. Maar in de hoofden van de personages gebeurt er heel veel en dat wil je als lezer maar al te graag volgen. Er zit niets anders op: ik zal Noodweer ook moeten gaan lezen. 

Eerder schreef ik over:

maandag 25 mei 2026

De legende van Karabala 1: De overval


Van de stripuitgeverij C-Edition heb ik hier nog nooit wat besproken. De uitgeverij bestaat al een tijdje, maar het was me een beetje ontgaan. De laatste tijd kwam ik advertenties tegen en ik op een stripbeurs stond de uitgeverij met een kraam. De uitgever, Berny Boer, was zo vriendelijk mij enkele uitgaven te sturen en die ga ik de komende tijd bespreken. Omdat ik bij mijn besprekingen de uitgeverijen wat afwissel en ik ook nog het een en ander van Scratch, Silvester, Arboris en Lauwert heb liggen (en misschien van nog meer uitgeverijen), zal het dus een paar weken duren voor de volgende uitgave van C-Edition aan bod komt. 

Wie op de site van de uitgeverij kijkt, ziet dat er intussen al een aardig fonds is. Verder is het bijzonder dat C-Edition zich nadrukkelijk profileert als een uitgeverij die maatschappelijk verantwoord wil ondernemen. Een percentage van de opbrengst wordt bijvoorbeeld geschonken aan projecten op het gebied van  opvang van weeskinderen en aan educatieve projecten. Ook staat C-Edition klimaatneutraal ondernemen voor, wat nog best een uitdaging zal zijn. 

Een van de reeksen van C-Edition is De legende van Karabala, een van oorsprong Turkse strip, gemaakt door Hikmet Yamansavaşçılar. Er zullen zo'n tien tot twaalf delen uitkomen. Het eerste deel is De overval. Het verhaal speelt zich 'duizenden jaren' geleden af 'in een onbekend oord'. Dat 'duizenden' is natuurlijk overdreven. Op de eerste tekening komen ruiters voor en mensen en paarden leven misschien 'pas' vijfduizend jaar in elkaars omgeving. 

De aanduiding van tijd en plaats geeft waarschijnlijk aan dat het verhaal fictie is, zoals ook nog eens nadrukkelijk aan het begin van het album vermeld is. 

Het is bitter koud en een groep ruiters valt een nederzetting aan, onder aanvoering van twee broers, Edige en Balkar. Hun doel is een vrouw, Ecey, die zich in een van de tenten bevindt. Verder zal iedereen gedood worden. 

Ecey weet te vluchten. Het is verschrikkelijk koud, maar zij vlucht op blote voeten, schaars gekleed. De dik ingepakte krijgers kunnen haar gevangennemen, maar ze verwijten haar wel dat ze op de vlucht is geslagen: 'Door jou zijn we bijna bevroren'. Dat Ecey, nauwelijks gekleed, nog kan functioneren, is een wonder. 

Ze wordt ontzet door een wonderlijk figuur, met een rode sjaal voor zijn gezicht. De roofvogels, de adelaars, lijken hem te gehoorzamen. Edige keert terug naar zijn vader, de keizer der keizers, de almachtige Mar Hanin, met zijn zwaargewonde broer Balkar, de troonopvolger, oogappel van zijn vader. Verder is er nog een broer, Algan, die kritisch kijkt naar het gedrag van zijn broers. 

Dit eerste deel van de reeks lijkt de decorstukken neer te zetten waarvoor het verhaal zich afspeelt. Mar Hanin met zijn dwarse zoons, de geheimzinnige figuur aan wie de vogels gehoorzamen en de mooie Ecey, die voor geen kleintje vervaard is. 

De vogelman is een intrigerende figuur. Wat is zijn missie? En hoe komt het dat de vogels hem gehoorzamen? En de zonen van Mar Hanin zitten duidelijk niet op dezelfde lijn. Het verhaal is van start, maar het moet duidelijk nog op gang komen. 

Aan het begin is er erg veel geweld. Het extreme ervan is misschien onnodig of onsmakelijk, maar mij stond nog meer tegen dat het onwaarschijnlijk is. Een heel dorp uitmoorden, waarbij de krijgers zelf gevaar lopen, alleen om een vrouw te kunnen ontvoeren - dat lijkt me sterk. De onwaarschijnlijkheid van iemand die zo schaars gekleed is in een zo koude omgeving heb ik al genoemd. 

Aan het eind van het album gekomen, had ik wel enige interesse in de serie, maar ik was nog niet helemaal overtuigd. De reeks zal zich duidelijk nog moeten bewijzen. De tekeningen van Yamansavaşçılar zijn wel in orde. Sommige buitenscènes zijn bijzonder fraai en sfeervol en ze roepen goed de omgeving en de winterse omstandigheden op. Bij andere tekeningen zijn de decors soms erg sober. Dan lijkt het alleen maar om de personen te gaan. 


De vertaling is Ahmad Resh en die leest prettig. Op bladzijde 29 mist een ballonnetje tekst, maar dat kan gebeuren. Het is ook wel eens gebeurd in albums van Asterix. 

Deel 2 heet Verbrijzelde slaapzalen en deel 3 en 4 komen wellicht dit jaar nog uit. 

Achter in het album is drie bladzijden artwork opgenomen en dat voelt een beetje als een cadeautje. Voor de liefhebbers is er ook artwork te koop.

Reeks: De legende van Karabala
Deel 1: De overval
Tekst en tekeningen: Hi202kmet Yamansavaşçılar
Vertaling: Ahmad Resh
Uitgever: C-Edition
2023, 56 blz. €12,50 (softcover)

vrijdag 22 mei 2026

Afgestoft: Klaagliedjes (Judith Herzberg)

Maar weer eens een poëzierecensie afgestoft. Het is de recensie van Klaagliedjes van Judith Herzberg uit Liter nr. 66, jaargang 15 (2012). Zo heel veel heb ik trouwens niet gedaan aan het afstoffen. Alle citaten uit de gedichten stonden in de oorspronkelijke recensie weergeven als de rest van de tekst, met slashes op de plaats waar een volgende regel begon. Dat kwam waarschijnlijk omdat ik toen de gedichten niet in hun oorspronkelijke vorm kon/mocht citeren. 

Hier heb ik de zinnen weer onder elkaar geplaatst. Waarschijnlijk zijn het maar plukjes uit gedichten en had ik dat strikt genomen aan moeten geven met (...). Dat heb ik niet gedaan, maar ik vermeld het hier. 

Klaagliedjes gaat over een rouwende vrouw, maar ook over een verwoeste stad. Tussen 2012 en nu zijn er heel wat steden verwoest en zijn er heel wat rouwende mensen bij gekomen. De bundel zal wel altijd actueel blijven, vrees ik. 


Ach bed, ach straat


Veertig jaar geleden publiceerde Judith Herzberg 27 liefdesliedjes, een bundel gedichten die geïnspireerd waren op het Bijbelboek Hooglied. In de gedichten bleef ze dicht bij de Bijbeltekst. Van gedicht tot gedicht kon je de corresponderende teksten in de Bijbel aanwijzen.

Nu is er de bundel Klaagliedjes, die ontstond nadat de componist Boudewijn Tarenskeen aan Herzberg vroeg een tekst te schrijven voor een muziekstuk dat gebaseerd was op de Klaagliederen.

Die Bijbelse Klaagliederen zijn eigenlijk alleen in de eerste gedichten herkenbaar. In het eerste hoofdstuk van het Bijbelboek wordt de stad Jeruzalem vergeleken met een weduwe. Herzberg keert de zaken om: de hele bundel door toont ze een treurende vrouw, die ze vergelijkt met een verwoeste stad: ‘Als een vernielde stad die ooit vol pracht / en leven was, zit zij daar, verloren, armlastig.’ Daarmee is Klaagliedjes een bundel over rouw geworden.

Het is nog niet zo gemakkelijk om die rouw te verwoorden. De weduwe moet voor de rouw nog een taal leren. De woorden die ze kent, zoals ‘diep verdriet’ voldoen niet. Het is ook nieuw voor haar dat er een verdriet is waaraan ze geen einde ziet.

Fraai is het gedicht waarin de vrouw het huis tekent: 
De ramen hangen scheef 
in de gerimpelde kozijnen, 
ze zijn beslagen, één veeg 
en je ziet weer even 
wat zien had kunnen zijn.
Natuurlijk verandert het huis als de geliefde er nooit meer kan zijn, maar tegelijk heb je het idee dat de rouwende vrouw zelf dat huis wordt, met de klemmende of kierende deuren, een woning waarin niets meer precies past.

Behalve op de Bijbel gaat Klaagliedjes terug op A mind of my own: my life with Robert Maxwell, van Elizabeth Maxwell. Robert Maxwell was een gevluchte Tsjech, die in Engeland lid van het Lagerhuis werd en een media-imperium opbouwde, dat na zijn dood ineenstortte. In verschillende gedichten in Herzbergs bundel is er een Maxwell-achtige overledene terug te vinden: 
Zijn fondsen bleven rijzen 
er kwamen huizen, fabrieken 
paleizen, of het fortuin 
vrijwillig aan hem kleefde.
In die gedichten zie je een weduwe die haar overleden man niet idealiseert, maar wel solidair met hem blijft: 
Bij hem moest “geven” groots,
en met aplomb, galmend
in alle kranten staan.

Ik snapte dat.

Maxwell werd na zijn dood wel van fraude en corruptie beticht. Herzberg schrijft: 
Corruptie vind ik een vulgair begrip
ik houd het liever op
verwonderlijke kastekorten.
En meteen daarna: 
Ach bed ach straat 
ach laan ach plein 
ach stad. Ach dak.
Op het moment dat de weduwe het begrip ‘corruptie’ nuanceert, lijkt ze alles onder controle te hebben, maar direct erna volgt haar klacht, die als het ware door haar zelfbeheersing heen breekt.

Verder geeft Herzberg aan dat ze Beim Häuten der Zwiebel gelezen heeft, de memoires van Günter Grass. Indertijd deed het boek nogal stof opwaaien, vanwege de onthulling dat Grass ooit lid van de Waffen-SS was geweest. Het verband tussen dit boek en Klaagliedjes is mij niet helemaal duidelijk. Misschien zit dat in het ophalen van herinneringen die pijnlijk kunnen zijn.

Niet alle gedichten van Herzberg spreken mij even veel aan, maar eigenlijk geeft dat niet. De bundel als geheel geeft goed weer wat er met iemand gebeurt die een geliefde verliest. Je bent verwoest, zoals dat met een stad kan gebeuren. En nooit ben je meer te helen, omdat er een verlangen blijft dat niet meer te vervullen is: 
Ik slaap denk praat koop bied 
leef loop ren rem val til en bouw 
voor om door ondanks dankzij jou 
en ik verlang naar jou.

donderdag 21 mei 2026

De ziener (S. Vestdijk)


Het is al bijna twee jaar geleden dat ik een boek van Simon Vestdijk las, zie ik. Link naar de bespreking vind je onderaan. En ik had me nog wel voorgenomen om elk jaar iets (en zo mogelijk meer dan iets) van hem te lezen. Al was het maar om de norm weer helder te krijgen: zo ziet een goed boek eruit. 

Natuurlijk is niet elk boek van Vestdijk even goed. Hijzelf vertelde in een interview aan Clara Eggink (De Telegraaf, 13 november 1959) dat hij bij herlezing zijn romans De vuuraanbidders en Het vijfde zegel 'bar vervelend' had gevonden. Maar van zijn formuleerkunst geniet ik ook in de wat mindere romans. 

Al een tijdje had ik een stapeltje Vestdijk klaarliggen en daarvan heb ik nu De ziener gelezen. Ik wist dat het boek over een voyeur ging. Een collega bij de Staatsexamens vertelde me dat ik in die voyeur vooral ook de schrijver moest zien, dus dat heb ik in mijn achterhoofd gehouden toen ik het boek las. 

De ziener verscheen in 1959. Ik las de tweede druk uit 1966. Daar staat op de achterflap een citaat uit de recensie van H.A. Gomperts, Het Parool,  31 oktober 1959. Die ziet in de voyeur duidelijk de schrijver. 


Die link was niet zo heel moeilijk te leggen, want op de achterkant van de eerste druk was ook al duidelijk gemaakt dat de voyeur staat voor de schrijver. Ondanks die aanwijzing, wilde of kon niet iedereen die parallel zien. 

De recensent van de Arnhemsche Courant,1 december 1959, schreef:


Bij oudere boeken wordt soms op de achterflap al het hele verhaal uit de doeken gedaan, zonder dat men blijkbaar bang was voor spoilers. In hoeverre dat bij de eerste druk gebeurd is, weet ik niet, maar wel dat ons er nadrukkelijk op gewezen wordt dat De ziener niet alleen gaat over voyeurisme, maar over het schrijverschap. 

Ik veronderstel dat dat gebeurd is omdat men het onderwerp controversieel achtte. In de recensies wordt de hoofdpersoon vaak negatief getekend. De recensent neemt duidelijk afstand van Pieter le Roy. Enkele woorden die ik in recensies las: 'bepaald onfris', 'miezerig', 'een ietwat drabbige nietsnut', 'een geestelijk en sexueel gestoorde'. 

Pieter le Roy

Over wie hebben we het eigenlijk? Het betreft Pieter le Roy, een in het zwart geklede man, met een breedgerande hoed op. Hij woont nog thuis, bij zijn moeder, en heeft een postzegelverzameling. Hij vervult een adviseursfunctie bij een lompenhandel, maar die baan stelt eigenlijk niks voor, al probeert hij zich wel belangrijk te maken. In de loop van het boek raakt hij het baantje ook nog kwijt. Dat is misschien een spoiler, maar om spoilers bekommer ik mij niet in dit stuk. Volgens mij is een roman van Vestdijk altijd de moeite waard, ook als je al weet hoe die afloopt. Maar mocht je liever in het ongewisse blijven, lees dan de rest van dit stuk niet. 

Le Roy houdt ervan vrijende paartjes te bespieden. Hij weet dat hij daarbij betrapt kan worden en dat windt hem op. Zeker als hij dan ook daadwerkelijk betrapt wordt en een pak slaag krijgt. Het is hem niet om die aframmeling te doen, maar het moment er vlak voor. 

Maar zolang ze hem niet lam sloegen, of voor het leven verminkten, dan maakte ook dàt geen verschil. Het was de prijs nu eenmaal, de onaangename kant. Het allerlaatste. Het voorlaatste was heerlijk. Als ze op je afkwamen. Er zou een middel moeten bestaan om ervoor te zorgen, dat ze op je afkwamen, en dan niet sloegen. Maar als ze niet sloegen, dan wist je ook niet of ze op je af waren gekomen om te slaan en dat hinderde niet voor één keer, maar wel voor de volgende en daarop volgende keren, want dan zou je niet meer geloven dat het ernst was. 
Overigens overdreef hij, want in de vier of vijf jaar, waarin het misschien honderd of honderdvijftig maal gebeurd was, hadden ze hem niet meer dan twintig maal geslagen, ruim berekend. 
Verderop in het boek zal hij tegen iemand nog duidelijker uitleggen wat dat moment, vlak voor een aframmeling met hem doet:
Wanneer zo'n stel dan op me afkomt, of de jongen alleen, dan voel ik me opeens gelukkig. Dan is het of er iets geweldigs gaat gebeuren, een mooi feest, of een geweldige natuurramp, of een veldslag waarvan je niet weet hoe het zal aflopen, - een geweldige spanning, iets beslissends in je leven, - (...)

Le Roy is ook een intrigant. Bij een kaatswedstrijd doet er iemand mee wiens been niet helemaal in orde is. Le Roy wil dat dan wel even melden. Hij komt het huis van de notaris Thieme Bakker binnen en neemt schrijfpapier van hem mee om op dat papier te vertellen dat er een speler meedoet die eigenlijk geweerd zou moeten worden. 

Juffrouw Rappange en Dick

In het huis van Le Roy en zijn moeder worden kamers verhuurd en een ervan is verhuurd aan juffrouw Rappange, een docente Frans, 34 jaar oud. Er wordt expliciet door Vestdijk verteld dat ze niet knap is. Een andere belangrijke figuur is Dick, een scholier uit de hoogste klas van de hbs. Die heeft het ooit voor Le Roy opgenomen toen die een aframmeling kreeg. Volgens Le Roy heeft Dick zijn leven gered. 

Dick Thieme Bakker komt wel eens bij juffrouw Rappange op de kamer en Le Roy schrijft daarna twee anonieme brieven waarin verteld wordt dat de twee 'een liaison' hebben. Zowel de directeur van de school als de vader van Dick krijgen de brief. 

De ontvangers spelen open kaart. Thieme Bakker vertelt het aan zijn zoon en de directeur bespreekt het met enkele personeelsleden. In de hele roman zijn de personen vrij eerlijk tegenover elkaar: Dick bespreekt het met juffrouw Rappange en zij besluiten zich niets aan te trekken van de publieke opinie en elkaar regelmatig te zien in verband met bijlessen, die Dick eigenlijk niet nodig heeft. 

Aan de ene kant wil Le Roy graag dat juffrouw Rappange en Dick een relatie beginnen, zodat hij ze kan beloeren. Daartoe klimt hij in een boom en vandaaruit kan hij in de kamer van Rappange kijken. Hij wordt gezien en ook nu weer wordt er open kaart gespeeld: Dick spreekt Le Roy aan en juffrouw Rappange gaat ook een gesprek met hem aan. 

Aan de andere kant lijkt het erop dat Le Roy die twee ook gewoon een relatie gunt: Dick heeft immers zijn leven gered en juffrouw Rappange is altijd vriendelijk en ze bewaart buitenlandse postzegels voor zijn postzegelverzameling. In die zin is zijn gemanipuleer een daad van liefde. 

Door de omstandigheden worden de twee naar elkaar toe gedreven, zonder dat ze daaropuit zijn. Uiteindelijk vertrekt juffrouw Rappange en daarvan stelt Le Roy Dick meteen op de hoogte, zodat hij haar op station misschien nog kan treffen. 

De voyeur en de schrijver

Le Roy staat dus voor de schrijver: hij creëert situaties en kijkt er van een afstandje naar, maar neemt er eigenlijk niet aan deel. Nol Gregoor, aan wie De ziener is opgedragen, heeft ooit over Vestdijk gezegd dat hij schrijft om niet te hoeven leven. Dat is misschien wat kras uitgedrukt, maar een schrijver moet het in ieder geval hebben van zijn verbeelding. 

Le Roy kijkt niet alleen naar vrijende paartjes, maar soms fantaseert hij ook wat er allemaal kan gebeuren. Dan is zijn verbeelding volop aan het werk. Zo stelt hij zich voor dat zijn zus Tine loopt naast Roukema (van de lompenhandel), hoewel die twee nog nooit een woord gewisseld hebben.  

Le Roy manipuleert mensen, maar hij kan niet voorspellen hoe ze zullen reageren. Misschien heeft ook de schrijver zijn personages niet altijd in de hand en gaan ze uiteindelijk in de roman hun eigen gang. De schrijver kan dan alleen noteren wat er gebeurt: hij is de voyeur die het allemaal ziet, maar er uiteindelijk niets aan kan doen. 

Je zou kunnen zeggen dat de titel De ziener ironisch is: het gaat om iemand die ziet, een loerder, maar niet om een soort profeet. Maar misschien is er ook een minder ironische kant aan de titel. Le Roy voorziet dat Dick en juffrouw Rappange uiteindelijk samen zullen komen, dat er misschien wel een liefde tussen hen zal groeien. 

In een gesprek met juffrouw Rappange probeert Le Roy uit te leggen wat de reden is van voyeurisme en dat het niets te maken heeft met nieuwsgierigheid. 
Je kunt het vergelijken met God. God ziet óok alles, terwijl Hij toch niet ingrijpt, tenminste normaal niet, en Hij doet dat ook niet uit nieuwsgierigheid, want Hij weet alles van tevoren.
God is de schepper bij uitstek, maar ook degene die alles voorziet, die weet wat er gebeuren zal. Zowel Le Roy als de schrijver zijn daarin met hem verwant. 

Dat juffrouw Rappange uiteindelijk vertrekt, komt doordat ze weet hoe Le Roy alles opgezet heeft. Ze zegt dat ze niet kon blijven, omdat ze zich dan altijd een creatuur van Le Roy zou voelen en Dick ook. 

Van De ziener heb ik zeer genoten. In het eerste hoofdstuk leren we Pieter Le Roy kennen, maar voor mijn gevoel was het allemaal nogal ongericht. Langzaam kom je erachter met wat voor persoon je te maken hebt. Vestdijk switcht vaak van perspectief en daar lijkt weinig systeem achter te  zitten, maar daar wende ik tijdens het lezen snel aan. 

Het boek wordt in de loop van het verhaal alleen maar spannender en je komt dan als lezer dichter bij de personages en leeft meer met hen mee. Mooi boek. 

Koppelaar

Mijn collega bij de staatsexamens vertelde me dat hij ook gelezen had wat Pauline Slot en Maarten 't Hart over deze roman geschreven hebben en dat zich erover verbaasd had dat die niet ingingen op de koppelaarsrol van Le Roy. Volgens hem is Le Roy juist dan te vergelijken met de schrijver. Hij brengt de twee immers samen door brieven te schrijven. 

Dat is zo, al zie ik de schrijver net zo goed, zo niet meer, terug in de verbeelding van Le Roy, in zijn manipulatie, in zijn rol van buitenstaander. 

Dat Le Roy de opzet heeft om juffrouw Rappange en Dick samen te brengen, staat expliciet in het boek en het komt ook terug in verschillende recensies die indertijd verschenen. Dat Slot en 't Hart dat niet noemen, is dan wel vreemd, maar ik heb hun boeken niet gelezen en misschien past dit gewoon niet in wat ze over dit boek wilden schrijven. 

Ontvangst

De recensies die indertijd verschenen zijn, zijn overwegend positief. De recensent van De tijd De Maasbode  van 31 oktober 1959 vindt de roman niet zo geslaagd, omdat hij vindt dat het verhaal lijdt onder de symbolische betekenis ervan:


In Het Parool  van 31 oktober 1959 bespreekt H.A. Gomperts De ziener. Hierboven citeerde ik daar al wat uit. 
De mensen die Vestdijk plegen te beschuldigen van een ongezonde voorkeur voor onfrisse en morbide onderwerpen, krijgen dus met dit boek heel gemakkelijk gelijk. Maar zij zouden zich toch vergissen, als zij meenden dat het deze schrijver alleen om het nogal groezelige genoegen van het bekijken van zo'n bekijker te doen was. 
Hij bespreekt de roman tegelijk met een deel uit de Anton-Wachterreeks, De rimpels van Esther Ornstein, 'als roman een van Vestdijks zwakste boeken'. Over De ziener is hij alleen maar positief. 

In het Zutphens Dagblad van 9 november 1959 heeft Willem Brandt wat meer reserves. Hij vindt De ziener een beetje een herhaling van Het glinsterend pantser en hij vindt het verhaal hier en daar te veel uitgesponnen. Toch eindigt hij zijn recensie met:


Ronduit lovend is B. Stroman, de recensent van het Algemeen Handelsblad, 19 december 1959. Hij gaat uitgebreid in op de parallel met het schrijverschap en vindt De ziener ontroerend.  


Ook noemt hij de scène waarin misschien wel het duidelijkst blijkt dat Le Roy van een afstand toekijkt. Hij vernielt dan zijn dierbare postzegelverzameling en bekijkt tegelijkertijd zichzelf van een afstandje. Het is een prachtige passage. 
Maar onderwijl, alsof hij in een hoek van de kamer zat toe te zien, zag hij zichzelf aan de tafel het album vernielen, blad voor blad in tweeën en vieren scheuren, soms door de postzegels heen, soms vlak er naast. Daar zat hij, die andere Le Roy, hij zat daar met een doodsbleek gezicht en met tranen in de ogen iets te doen dat hij niet wou doen, een nogal nare vent om te zien, straks zou hij zijn domineeshoed opzetten en de straat opgaan, te beroerd voor een doodschop, - maar hij zat daar, en hij verscheurde zijn eigen postzegels, als de bewijzen van zijn schande, de paspoorten van zijn korte reizen, de zinnebeelden van zijn hart. 
Dat de recensent geroerd is, dat de roman hem aangesproken heeft, komt terug in meer recensies. In de Volkskrant van 3 december 1959 schrijft Gabriël Smit een niet zo lange bespreking, maar hij is heel lovend. Hij schrijft dat hij vaak een kille afstandelijkheid ervaart bij het lezen van het werk van Vestdijk, maar dat dat nu helemaal niet het geval is. De manier waarop Pieter le Roy beschreven is, vindt hij zelfs ontroerend. 

Hetzelfde overkwam de recensent van Trouw, 27 februari 1960, die vooraf niet zo'n zin had in een boek van Vestdijk, maar dit een ontroerende roman vindt. 

 
Hij noemt in het stukje hierboven dat er romans zijn die hij 'vervelend of om andere reden onaanvaardbaar' vindt. De recensent, v D., moest natuurlijk wel zijn christelijke lezerspubliek in het oog houden. Hij eindigt zijn bespreking dan ook met:
Een knappe, boeiende, verrassende roman. Wij wijzen er onze lezers nadrukkelijk op, dat dit niet een christelijke roman is en dat de auteur zich in sommige gesprekken een voor zijn sujetten kenmerkend gebruik van platte woorden veroorlooft, een gebruik dat ons tegen de borst stuit en dat vermeden kan worden. 

Stijl

Afgezien van hoe knap de roman is of hoe boeiend het verhaal is, bij Vestdijk zijn er ook altijd weer zinnen die opvallen, omdat ze verrassende beelden bevatten. Ik geef drie voorbeelden.

Het waren twee oude warmoezeniershuisjes, kleumig tegen elkaar aangedrukt, de kinds geworden gevelgezichtjes naar hun oude straatweg gekeerd.

In zulk een neerslachtige toestand kwam hij bij de directeur aan, met zulke sprekende gebaren van rouwbetoon, als een oudtestamentisch profeet die een andere profeet de ondergang van de de tempel komt aanzeggen (...).  

Was de directeur niet slaperig, dan ging er nog heel wat gezag van hem uit, vooral wanneer hij losweg bevelen gaf over enkele meters afstand, waarbij zijn oogspleten zich samenknepen en zijn stem een dwingende galm aannam; hij was dan als sommige legeraanvoerders, die in de open lucht, met wat kruitdamp, veel meer waard lijken dan tijdens een krijgsraad in de tent; men zag dan, dat hij misschien wel een domme man was, traag van begrip, gauw in de war wanneer men men hem haastte, maar geen onbeduidende man. 

De meeste recensies van De ziener waren positief en dat oordeel werd nog eens onderstreept door de jury van Romanprijs van de stad Amsterdam, die eind 1960 de prijs toekende aan Vestdijk voor De ziener

Nijmeegsch Dagblad, 29 december 1960


Eerder schreef ik over ander werk van Vestdijk:

woensdag 20 mei 2026

Genieten bij de brandstapel

 Deze keer twee stukjes uit het dagboek dat ik in 2023 bijhield. Het eerste, over het opruimen en verstoken van het snoeihout schreef ik op 12 september, het tweede, over het snoeien bij tante Jannie, een week later. 

Ik plak er een foto bij die genomen is achter het huis van tante Jannie. Ik heb de ratel in mijn handen, naast mij zit mijn neefje Joop op de driewieler. De foto is genomen in juni 1967. Het is de maand dat ik acht jaar oud werd. Met de ratel moest ik de spreeuwen verjagen uit de morellen van mijn tante. 



Eerst maar even wat ik al beloofd had: over snoeihout opruimen. In de winter heeft mijn vader het niet zo druk. Twee keer per dag de koeien melken en de varkens voeren, maar aan het fruit hoeft hij niets te doen.

Soms wel. Dan heeft hij fruit in ‘de cel’. Er zijn koelcellen en je hoort ook wel over de gascel. Een koelcel kan altijd opengemaakt worden. Dan kun je de kisten eruit halen, maar dan moet het fruit nog wel gesorteerd worden. Er kunnen intussen hier en daar rotte appels of peren in de kisten zitten. Verschillende fruittelers hebben hun fruit in dezelfde cel.

Een gascel maak je niet even tussendoor open. Is er vooraf een datum afgesproken? Ik weet het niet.

Als pa niet hoeft te sorteren, gaat hij snoeien. Dat is altijd in de winter. Als het erg koud is, draagt hij zwarte, wollen wanten. Ze zijn eigenlijk niet zo dik, maar blijkbaar dik genoeg. Het kan gemeen koud zijn. Mijn vader draagt klompen, waarin je minder snel koude voeten krijgt dan in laarzen. Ik heb ook wel boeren gezien die stro in hun klompen doen en de vader van mijn vriendje Gerard draagt klompsloffen, een soort leren pantoffels die je in je klompen aan kunt houden. Dat doet mijn vader niet.

Hij neemt een snoeischaar mee en een zaag aan een lange steel. En een ladder natuurlijk. Af en toe komen er een stel fruittelers samen voor een soort instructie. Van Drumpt, een oude man, is meesterknecht bij de baron. Gerard noemt hem altijd ‘boaske’. Als de fruittelers een tijd naar de instructeur hebben geluisterd, vragen ze aan Van Drumpt, hoe hij de boom zou snoeien. Hij zegt dat hij dat niet kan uitleggen, maar dat hij het wel voor kan doen. Hij doet het zoals de instructeur het nooit gedaan zou hebben, maar iedereen heeft respect voor Van Drumpt. Mijn vader vertelt het als hij terugkomt, vol bewondering.

Soms neemt mijn vader mij mee naar het snoeien. Dan moet ik het snoeihout opruimen. Ik moet het op hoopjes leggen. Dat doe ik met de gavel, de hooivork, maar het is onhandig werk, want de takken steken alle kanten uit en vallen steeds van de gavel af. Ik vind het geen prettig werk. Als alles gesnoeid is, liggen er overal hoopjes snoeihout in de boomgaard.

Dan rijdt mijn vader erlangs met de trekker en de wagen en laadt hij het snoeihout op. Het komt wel voor dat de dikke ome Henk hem erbij helpt. Al het snoeihout wordt gelost in een droge sloot. Mijn vader rijdt de wagen dicht langs de kant van de sloot. Ome Henk en hij zetten allebei een gavel in de vracht hout en schuiven zo de hele vracht de sloot in. Het wordt een gigantische stapel.

Ergens onder in de houtstapel hebben de mannen oude autobanden op het hout gegooid. Daarop is de rest van het hout gekomen. En dan gaat de boel in brand. Mijn vader heeft een jerrycan met benzine of dieselolie en dat gaat over het hout heen.

Het brandt als een gek. De vlammen komen meters boven de brandstapel uit. Het lijkt of ze de zwarte wolken rook naar de hemel duwen. Ik sta vanaf een eindje te kijken en voel hoe het vuur mijn gezicht warm maakt. Het is een prachtig schouwspel. Ook de mannen genieten ervan. Het is mooi en een beetje gevaarlijk en dat is een goede combinatie. Als we thuiskomen, moppert mijn moeder omdat we zo naar de rook ruiken.

Het plezier van het vuur maakt alles goed. Ik ben meteen vergeten met hoeveel tegenzin ik het snoeihout op hoopjes heb gelegd. Het was het allemaal waard.

---

Nog even iets over snoeien. Tante Jannie is weduwe. Haar man, ome Jo, heb ik maar eventjes meegemaakt. Ik herinner me nog maar weinig van hem. We waren een keer aan het spelen met veilingkistjes en die moesten we van hem weer opruimen. Het was niet bij hem thuis, maar bij ons. Een strenge man, lijkt me.

Tante Jannie heeft een uitkering als weduwe, denk ik. Ze verdient verder geld als naaister. Dat kan ze goed. Allerlei vrouwen bestellen bij haar hun kleren. Ze heeft hele stapels van bladen waarin patronen staan: de Marion en de Burda.

Verder heeft ze fruit. Veel morellen, dat zijn zure kersen. Maar de morellen van tante Jannie zijn net iets minder zuur dan die van andere mensen. Blijkbaar is het een apart ras. Ze heeft ook pruimen en kleinfruit: rode bessen en kruisbessen. Waarschijnlijk ook wel wat aardbeien. In de zomer logeer ik vaak bij haar en dan help ik met het plukken van de morellen.

In de winter gaan de mannen van de familie snoeien bij tante Jannie: mijn vader, zijn broer (ome Wout), ome Kors (de man van tante Annie) en Teunis, de oudste zoon van ome Kors. Hij zit al op de landbouwschool.

De mannen zijn buiten aan het snoeien en ik speel binnen, met Joop of alleen. Tante Jannie heeft een oud spel met vierkante kaarten, waarop allerlei voorwerpen staan afgebeeld. Daar kun je in je eentje niks mee. Wel met het advertentiespel, waarmee je zelf rare advertenties kunt maken. En Joop heeft veel jeugdboeken, over Pinkeltje en over Bakkertje Deeg.

Tante Jannie gaat dan aan het koken, want er wordt tussen de middag warm gegeten. Het smaakt ons altijd goed als tante Jannie kookt en het is gezellig om met zoveel mensen aan tafel te zitten.

Na het eten pakt tante Jannie de Bijbel en geeft die aan mijn vader. Blijkbaar is mijn vader het belangrijkst van al die mannen. Zo voel ik het tenminste. Ik ben trots op hem. Door hem word ik ook een beetje bijzonder.

Ik denk dat vooral de bessen gesnoeid worden, de pruimen misschien een beetje, de morellen niet. Het is in een dag eigenlijk altijd wel gebeurd.

dinsdag 19 mei 2026

Greenwood 2: De wedstrijd (Canepa/Halard/Almanza)

Schrijven over een strip voor kinderen is altijd lastig, omdat je je volwassenheid niet kunt afleggen en tijdens het lezen van die strip moet je maar hopen dat je kindheid nog genoeg te bereiken is. En dan nog: in hoeverre is het kind van toen te vergelijken met het kind van nu? Aan de andere kant mag je ook best met een volwassen blik kijken naar hoe degelijk een kinderstrip in elkaar zit. Vind ik. 

Greenwood is duidelijk bedoeld voor kinderen. De personages zijn sprekende dieren en het zijn ook allemaal jonge dieren, dierenkinderen. Soms heeft het verhaal iets spannends of iets griezeligs, maar nooit zo dat een kind er wakker van zal liggen. In de grond is het een knus en veilig verhaal. 

De wedstrijd

In deel 1 (zie link onderaan) werd er toegewerkt naar een wedstrijd in het bakken van een hartige taart en het vriendenclubje dat centraal staat, gaf zichzelf goede kans om te winnen. Deel 2 heet De wedstrijd en dat is dan ook de taartenbakwedstrijd. Hoe het afloopt mag ik wel spoilen, lijkt me, want we weten het al op de helft van het album. De taart van onze vriendjes blijkt afschuwelijk te smaken. Ze winnen dus zeker niet. 

Hoe komt hun taart aan zo'n afschuwelijke smaak? Is er wat misgegaan of is hier sprake van sabotage? Dat is de vraag waar de dieren in de rest van het album mee zitten en ze doen hun best om een antwoord op die vraag te krijgen. In dit deel lukt dat niet meer, maar misschien in het volgende, dat in voorbereiding is, De zaterdagclub.

Greenwood is een leuke strip voor kinderen. De scenaristen, Barbara Canepa en Anaïs Halard hebben ongetwijfeld spanning aangebracht in het verhaal: heeft het vriendenclubje pech gehad of zijn ze het slachtoffer van een rotstreek? Een deel van dit album is detectiveachtig, waarbij details cruciale aanwijzingen kunnen geven. Er is bijvoorbeeld kauwgom gevonden, maar de dieren kennen niemand die kauwgom gebruikt. Zeggen ze, in ieder geval. 

Tekeningen

De tekeningen, door Jéremie Almanza, zijn gedetailleerd en je merkt de lol waarmee al die details getekend zijn. Kinderen kunnen lang naar een tekening kijken en dromen dat ze zelf in zo'n fantasieomgeving zouden zijn. Jonge lezertjes kunnen strips wel twintig keer lezen, maar ook als ze het verhaal niet meer zouden hoeven te lezen, blijft er nog genoeg te kijken. 

Net als in deel 1 wordt het verhaal af toe onderbroken door een bladzijde uit een encyclopedie. Deze keer over 'De opa van het bos' (de eik), over vuurvliegjes en over 'Het mysterie onder onze voeten' (o.a. over de communicatie tussen bomen). Dat laatste is ook zeker van belang voor het verhaal: als het blad van een acacia wordt aangevreten, wordt het bitter, om bijvoorbeeld de grote grazers af te schrikken. Zou zo'n blad voor de nare smaak van de taart gezorgd hebben?

Er wordt verondersteld dat bomen ondergronds met elkaar communiceren via schimmelnetwerken, maar daar wordt nog studie naar verricht en er is nog wel wat bewijs nodig, lees ik hier. Maar de weetjes in het album vallen bij kinderen waarschijnlijk in vruchtbare aarde en het lijkt me alleen maar te prijzen als kinderen meer willen weten over de natuur om hen heen. 

Ook dit tweede deel van Greenwood is een sfeervol album. Het is een knus verhaal met een zekere spanning en een soms wat geheimzinnige setting. Maar voor kinderen is er altijd een gevoel van veiligheid. Ze kunnen zich gemakkelijk identificeren met de dieren en ze weten dat het uiteindelijk allemaal goedkomt. 


Serie: Greenwood
Deel 2: De wedstrijd
Scenario: Barbara Canepa en Anaïs Halard
Tekeningen: Jéremie Almanza
Tekeningen encyclopedie: Giovanni Rigano
Vertaling: Mariella Manfré
Uitgever: Silvester Strips
2025, 48 blz. € 9,95 (softcover), € 19,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over:

maandag 18 mei 2026

De schoft (Marente de Moor)


Vorig jaar schreef ik over Foon van Marente de Moor en ik vond en vind het een prachtig boek. Het had zomaar opgenomen kunnen worden in de lijst met de beste boeken die ik dat jaar gelezen had, maar ik had met mezelf afgesproken dat ik me zou beperken tot tien boeken en toen paste het er niet meer in. 

In 2025 verscheen er een nieuwe roman van De Moor, De Bandagist. Voor de zekerheid nam ik dat alvast op in de lijst van beste boeken die ik dat jaar niet las. Dat is meestal een goed geheugensteuntje bij het kopen van boeken. Maar ik heb nu eerst een iets oudere roman gelezen, De schoft, uit 2023. 

De hoofdpersoon is Tom Wilenski, een journalist die op een zijspoor is beland. Hij krijgt de kans om een reportage te schrijven over een schip met haar bemanning dat op de Middellandse Zee vaart om vluchtelingen te redden. Tom besluit om niet zijn echte naam te gebruiken, zodat hij half undercover gaat. Hij maakt wel duidelijk waarom hij aan boord is. 

Angst

Aan het begin van het boek maken we Tom mee die luistert naar de ademhaling van Adama, met wie hij een hut deelt. Adama is een van de opgepikte vluchtelingen en hij slaapt rustig. Tom is wakker. 

De pandemie is nog niet helemaal voorbij. Het was de tijd dat iemands adem een gevaar kon zijn. Tom voelt zich niet veilig, maar niet vanwege de adem van Adama. Hij wordt al twee jaar behandeld voor een angststoornis. Die diagnose heeft hem verbaasd, omdat hij dacht geen angst te kennen. Bij het maken van zijn reportages (bijvoorbeeld over de gevaarlijkste achterbuurten) heeft hij zich nooit door angst laten leiden. 

Dochter

Tom is ontslagen bij de krant, maar krijgt nu van een oude vriend, Hans, de kans om deze reportage te maken. Het werk van Tom is omstreden, hij is nogal rechts in het politieke spectrum terechtgekomen, mede door de opvattingen van zijn vader. Het geeft hem conflicten met zijn dochter Lauren, die 21 jaar oud is.
Fout is hij sowieso, als hij zijn dochter mag geloven. Steeds vaker onderbreekt Lauren hem met de uitroep dat is wat hij net heeft gezegd 'echt niet meer kan', terwijl hij voor zijn gevoel nog niet zo lang geleden uitspraken deed die heel wat bouder waren en ze nog publiceerde ook. 
Hij maakt zich het hele boek door zorgen over Lauren en hij vindt dat ze 'verkeerde vrienden, met krankzinnige meningen' heeft.  Omdat zijn telefoon zonder stroom zit, heeft hij geen mogelijkheid om haar te bereiken. 

De bemanning van het schip bestaat voornamelijk uit vrouwen, van wie Lady Aga de kapitein is. Een andere vrouw is Luce, die -als de waarneming van Tom klopt- slachtoffer wordt van seksueel geweld, maar als Tom dat aan de kaak stelt, keert dat zich tegen hem. 

De titel zou dan ook goed kunnen slaan op Tom, die al door veel mensen uitgekotst is, die door zijn dochter wordt gezien als fout, van wie duidelijk wordt dat hij onder een valse naam aan boord is en die ook nog een verhaal ophangt dat een vluchteling in diskrediet brengt. De verhalen die over je verteld worden bepalen je meer dan wie je denkt te zijn. 

Beeldvorming is belangrijk en Tom is van plan om een kritische reportage te schrijven over de mensenredderij en dreigt dus het beeld aan te tasten. De bemanning is overtuigd van eigen goedheid:
 'Alleen een schoft zou hun goed bedoelingen in twijfel trekken.'

Heiligen

Door het hele boek heen worden er verhalen verteld. Tom las Legenda Aurea van Jacobus de Voragine, een verzameling heiligenlevens, in de Middeleeuwen geschreven. Een van die heiligen vinden we op de cover van De schoft: de heilige Agatha van Sicilië, die een minnaar afwees, omdat ze zich aan Jezus wilde wijden. Ze werd gemarteld en haar borsten werden afgesneden. 

Er wordt ook verteld over de heilige Lucia van Syracuse. Zij wierp haar ogen in zee, omdat ze niet langer mooi wilde zijn voor de mannen die naar haar hand dongen. Het zal wel niet voor niets zijn dat de namen van de vrouwen aan boord (Aga, Luce) lijken op die van Agatha en Lucia. Zowel Agatha als Lucia komen van Sicilië, een eiland in de omgeving van waar het schip op missie is. En over die twee wordt ook nog gezegd dat Aga Luce 'het licht in de ogen niet gunt'. De naam van Lauren lijkt op die van de heilige Laura, die 'in de negende eeuw door de islamitische horden in een ketel met kokend lood werd gegooid.'

De begrafenis van Lucia is geschilderd door Caravaggio. Als je meer van deze schilder wilt weten, moet je zeker de prachtige roman Wij van de Ripetta van Tomas Lieske lezen. 

De toestand aan boord is nijpend en het schip mag nergens aanleggen. Dan besluit de kapitein weer uit te varen voor een nieuwe reddingsmissie, terwijl er aan boord al een tekort is aan water en voedsel. Hoe moet dat aflopen?

De schoft doet mij qua setting denken aan de romans van Renate Dorrestein. Ook zij plaatste haar personages vaak op een plek waar weinig anderen kwamen, in een soort laboratoriumopstelling. En dan maar zien wat er gebeurt. 

Vader

Dat zie je hier ook gebeuren. Tom komt in het nauw en overdenkt zijn leven. Hij is sterk beïnvloed door zijn vader, afkomstig uit Lviv, die ging studeren in Warschau. Hij leed onder het marxistisch bewind en dat heeft zijn opvattingen danig beïnvloed. Van linksheid moet hij weinig hebben. 
'Linkse radicalen zijn moeilijk te bestrijden omdat ze zich hullen in empathie,' ging zijn vader door. 'Ze gebruiken universele humanitaire waarden als schild. Mensenliefde, eerlijk alles delen en zo... Wie kan daar nou iets op tegen hebben? Vrouwenrechten, alfabetisering... In de Sovjet-Unie kwamen ze ook op voor de vrouwenrechten en alfabetisering. Die waren geëmancipeerd en gealfabetiseerd tot in de Goelag toe.'  
De inval van Rusland in Oekraïne heeft Toms vader gesterkt in zijn opvattingen. Tom is door zijn vader geïndoctrineerd, volgens zijn moeder. En bij de krant worden hem xenofobie, islamofobie en racisme verweten. Maar voor Adama wil hij hij iets goeds doen. 

Beeldvorming

Vaak gaat het in De schoft over beeldvorming. Tom heeft eigen foto's gemaakt voor bij de reportage, maar men heeft liever foto's waar vrouwen en kinderen op staan. Met foto's van alleen maar mannelijke vluchtelingen zou de racisten in de kaart gespeeld worden. 

Tom interviewt Aga:
Tom zou haar bevlogenheid graag recht willen doen, maar als hij haar letterlijk citeert zal ze een karikatuur worden. 
De vrouwen die de vluchtelingen redden, zijn erbij gebaat dat ze als deugende mensen worden gezien. Of zoals Luce zegt: 'Het gaat er niet om wie we redden, maar dat we ze redden.' Eigenlijk roepen ze ook het beeld op van heiligen of martelaressen. 

Natuurlijk heeft ook Tom te maken met het beeld dat van hem ontstaan is. De wereld is veranderd en hij is hetzelfde gebleven, in tegenstelling tot Hans, die de meningen verkondigt die goed in de markt liggen. 

De meningen van de personages zijn gestoeld op de beelden die zij van de werkelijkheid hebben. En ze kijken volstrekt verschillend naar dezelfde gebeurtenissen. Mooi is dat ook de afgewezen minnaar van de heilige Agatha aan het woord komt, die vertelt dat Agatha het goed bij hem gehad zou hebben als ze op zijn verzoek was ingegaan, maar dat ze dan niet in zo'n grote bekendheid gehad zou hebben. Dat roept de vraag op naar de heiligheid van Agatha. In hoeverre werken de personages zelf aan hun beeld? In hoeverre zijn ze zich gaan gedragen naar het beeld dat anderen van hen hebben?

Moreel oordeel

Eigenlijk was indertijd het verschijnen van De schoft mij een beetje ontgaan. Nu blijkt me dat veel recensenten geworsteld hebben met deze roman en dat heeft vooral te maken met het morele oordeel over de opvattingen van Tom. Daar mag je best een oordeel over hebben, maar daar hangt het oordeel van de kwaliteit van het boek niet van af, mag ik hopen. 

Ik heb De schoft met veel plezier en waardering gelezen. Het is helder geschreven, met veel formuleerplezier (dat mij weer leesplezier geeft). Er zijn twee mensen aan boord (Mik en Kim), die Tom moeilijk kan plaatsen. Hij neemt zich voor om voorzichtig te zijn met het gebruik van voornaamwoorden. Over hun uiterlijk:
Ze hebben allebei hetzelfde gebleekte haar met een lichtgroene vlek van achteren, als pas gedekte schapen. 
Het zal wel mede door mijn plattelandsziel komen, maar van zo'n vergelijking word ik meteen vrolijk. Laat ik nog een voorbeeld van een fraaie vergelijking geven. Tom is ineens weer gaan roken. 
Klaarblijkelijk worden angsten en behoeften niet verdreven door het verstrijken van de tijd, maar kunnen ze bij de juiste gelegenheid uit de kast worden gehaald, als een trouwpak dat nog steeds blijkt te passen. Het betekent dat de wereld zich nooit zal verbeteren. 

Het verhaal staat midden in deze tijd, niet alleen doordat genderkwesties worden aangeraakt, maar ook door de vluchtelingenproblematiek en door de hoofdpersoon die verward is over waar hij tegenwoordig politiek staat. Hij heeft het idee heeft dat hij dezelfde gebleven is, maar dat zijn positie in het veld veranderd is. Het is hem allemaal veel te woke en hij is blijkbaar een schoft geworden. 

Misschien past het ook wel bij deze tijd om de mensen te verdelen in heiligen en schoften. Dat op die indeling wel wat aan te merken is, laat De schoft zien. 


Eerder schreef ik over andere boeken van Marente de Moor: