maandag 13 juli 2026

De lange mars van Lucky Luke (Matthieu Bonhomme)

Van verschillende klassieke strips zijn er intussen spin-offs: series die nog wel met de oorspronkelijke serie te maken hebben, maar toch min of meer hun eigen weg gaan. Soms is er een personage dat in de oorspronkelijke reeks een bijrol heeft of een van de zoveel hoofdrollen, en dat in de nieuwe reeks alle aandacht krijgt. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met het hondje Idefix en met Fanny van de Kiekeboes. 

hommagealbum door Gerben Vlakema
Het komt ook voor dat de personages in dezelfde constellatie opereren in een nieuwe reeks, maar wel met een andere tekenaar, zodat de strip ineens een andere sfeer ademt. Bij Suske en Wiske is dat niet alleen gebeurd in de reeksen over Amoras, maar ook in zogeheten hommagealbums, waarvan er sommige gemaakt zijn door Gerben Valkema. 

Bonhomme

Ook bij Lucky Luke is er zo'n nevenreeks, gemaakt door Matthieu Bonhomme. Tot nog toe heb ik die aan mij voorbij laten gaan. Je kunt immers niet alles lezen. Maar ik las wel goede berichten over het eerste deel, De moordenaar van Lucky Luke (2016). Het tweede deel, Wanted Lucky Luke (2021), ontglipte me in zijn geheel, maar nu is deel drie verschenen, De lange mars van Lucky Luke, en nu wilde ik toch wel eens zien wat het was. 

Bonhomme wilde van Lucky Luke weer echt een cowboy maken. Hij wilde hem ook weer laten roken. Dat deed de cowboy vroeger ook. Later kauwde hij op een sprietje. Dat roken mocht net niet, maar Luke mocht wel een sigaret rollen. 

Verder werd het personage een completer mens, die minder onverstoorbaar en onaantastbaar zou zijn. Zo kon hij gevoelig zijn voor de verleidingen van vrouwen. 

Op zoek naar een jongen

In De lange mars van Lucky Luke moet onze eenzame held op zoek naar een jongen, die verblijft bij een stam van oorspronkelijke Amerikanen. Die hebben het niet gemakkelijk. Hun gebied wordt flink aangetast door rigoureuze kap van bomen. Zo'n ecologisch thema maakt de strip in ieder geval actueel. 

Er zijn in de strip vertrouwde elementen, zoals de Daltons, die altijd goed zijn voor een brede glimlach bij de lezer, terwijl ze toch ook echt schurken zijn gebleven. 

Uiteindelijk blijkt het met de identiteit van de jongen wat anders te zitten dan we aanvankelijk dachten, Lucky Luke strijdt natuurlijk voor een rechtvaardige zaak en het loopt natuurlijk goed af. 

Het onderwerp is niet direct origineel en een tegenwerkende partner met wie je later goed kunt opschieten hebben we ook al tientallen keren eerder gezien, maar misschien is dat niet zo erg. 

De titel is natuurlijk een verwijzing naar De lange mars van Blueberry. Helemaal Blueberry is Lucky Luke niet geworden, maar hij is wel naar hem opgeschoven. 

Onderhoudend

Zonder meer is De lange mars van Lucky Luke uitstekend getekend. Er zit een zekere dramatiek in sommige tekeningen en omdat de held niet zo onverstoorbaar is, is hij menselijker en leef je meer met hem mee. Er blijft ook wel spanning in het verhaal. Het is amusement, jazeker, maar er is niks tegen goed amusement. Dit album is misschien niet direct een topstrip, maar het verhaal is onderhoudend, het leest heel lekker en het is goed getekend. 

Titel: De lange mars van Lucky Luke
Scenario, tekeningen en inkleuring: Matthieu Bonhomme
Vertaling: James Vandermeersch
Uitgeverij: Lucky Comics
2026, 78 blz. € 9,99

vrijdag 10 juli 2026

Dubbelleven. Geertruida Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie (Maite Karssenberg)

 

Het was een opwelling, denk ik. Ik las iets over Dubelleven, de biografie van Geertruida Muysken-Kapteyn en ik besloot dat ik dat boek, geschreven door Maite Karssenberg wilde lezen. Ik vroeg een recensie-exemplaar aan bij De Arbeiderspers en een paar dagen later werd dat bezorgd, op een regenachtige dag. De bezorger had het door mijn brievenbus gewrongen en had daarvoor zelfs de kartonnen envelop moeten verwijderen. Het boek lag gehavend op de mat. Maar ik had het. 


Ik hou van het lezen van biografieën. Niet alleen krijg je een beeld van het leven van de geportretteerde, maar ook van de tijd waarin zij of hij leefde en als dat een tijd is die je zelf hebt meegemaakt, maakt het ook nog allerlei herinneringen wakker. 

Het einde van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw hebben zeker mijn interesse. Voor de duidelijkheid: dat is een tijd die ik niet heb meegemaakt.  Maar ik heb bijvoorbeeld wel heel erg genoten van de brieven van Willem Witsen en het boek Oorlogsenthousiasme van Ewoud Kieft. En van veel meer, natuurlijk. 

Geertruyda Kapteyn-Muysken (1855 - 1920) kende ik, ik moet het met schaamte bekennen, helemaal niet. Ze maakte deel uit van de eerste feministische golf in Nederland  (maar niet alleen in Nederland), al wordt haar naam niet genoemd op de Wikipediapagina die daaraan gewijd is. Daar worden wel de namen genoemd van bijvoorbeeld Aletta Jacobs, Wilhelmina Drucker en Clara Wigmann. De naam van die laatste kende ik alleen door het instituut dat naar haar genoemd is. 

Maite Karssenberg dook in het leven Geertruida Muysken en doet niet alleen verslag van dat leven en van de opvattingen van Muysken, maar ook van haar eigen zoektocht. Daarbij gaat ze niet voor de biografeerde staan, maar ze laat zien hoe ze haar sporen heeft proberen te vinden, hoe ze het huis bezocht waar Geertruida gewoond heeft, hoe ze zich probeert voor te stellen hoe Geertruida met die lange rokken wandelingen maakt in de natuur door dat ook te doen. Ze probeert Muysken te naderen, maar nadert ook zichzelf, komt op die manier dichter bij een antwoord op de vraag hoe je een authentiek persoon kunt zijn. 

Vehikel voor filosofisch onderzoek

Een biografie als vehikel voor filosofisch onderzoek, noemt ze het. Ik geef een uitgebreid citaat uit de inleiding. 
Geertruida is voor mij een prisma. Mijn blik in haar leven opende een heel scala aan filosofische vragen. Haar ontwikkeling, haar worstelingen, de precisie van haar zelfinzicht, de thema's die haar bezighielden, de ideeën die ze zo gepassioneerd verkondigde -ze boden me een manier om na te denken. Over de spanning tussen het zelf en de ander, tussen binnenwereld en buitenwereld, het bewuste en het onbewuste. Over man-vrouwverhoudingen, seksualiteit, de liefde en de dubbelzijdigheid van het huwelijk. Over de werking van de menselijke psyche en de -vaak schrikbarende- mores van de psychiatrie. Over hoe momenten van de diepste mentale kwetsbaarheid zowel waarheid als vernietiging kunnen voortbrengen. Over moederschap als gevangenis en als manier van zelfverwerkelijking, over vriendschap als bron van levensgeluk en over de spanning tussen moeder en dochter. Over maatschappelijk engagement, feminisme en solidariteit. Over hoe de strijd voor individuele vrijheid tekortschiet zonder een visie op collectieve groei. Over de kracht van fictie, van toewijding, van idealisme. En over wat kennis is, en waarom puur intellectuele kennis tekortschiet. 
Natuurlijk krijgen we de levensloop van Geertruida te lezen. Ze bezocht de mms, de allereerste van Nederland, opgericht in 1867. Dat er dan sinds kort een middelbare school voor meisjes bestaat, laat al zien dat er dingen aan het veranderen zijn, dat vrouwen nieuwe terreinen betreden. 

Geertruida is bevriend met Martha van Vloten, die later zal trouwen met Frederik van Eeden. Haar zussen Kitty en Betsy zullen trouwen met respectievelijk Albert Verwey en Willem Witsen. Er zijn brieven bewaard die de twee vriendinnen elkaar schreven, maar veel meer van Martha aan Geertruida dan andersom. Karssenberg, altijd helder over haar bronnen, realiseert zich dat we daardoor een beeld krijgen van Geertruida, maar dat dat niet betekent dat we weten hoe ze werkelijk was.
Via Martha zie ik Geertruida. Maar hoewel Martha's beeld levensecht is, zie ik van Geertruida alleen de contouren. Hoe de jonge Geertruida werkelijk was blijft een mysterie, nog versterkt door de per definitie ondoordringbare gebeurtenissen van de zomer van 1875. 
In de zomer van 1875 wordt Geertruida in  het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Utrecht opgenomen. Aangezien er toen nog geen AVG was, is haar patiëntendossier bewaard. Verderop in haar leven zal Geertruida nog enkele keren opgenomen worden. De Nederlandsche Vereeniging voor Psychiatrie was opgericht in 1871 en nagenoeg alle gestichtsartsen (een dertigtal) waren erbij aangesloten. Ook op dat gebied zouden er nog veel veranderingen volgen.

Huwelijk

Geertruida wil zich ontwikkelen. Ze volgt lessen letterkunde en geschiedenis bij Willem Doorenbos. Ze heeft ook al contact gezocht met Helene Mercier (wier naam ik op andere plekken ook als Helena Mercier en Hélène Mercier gespeld heb gezien). Ze trouwt met Albert Kapteyn, een ingenieur die zich bezighoudt met een remsysteem voor treinen. Ze gaan wonen in Londen.

Opregte Haarlemsche Courant, 22 december 1880

Algemeen Handelsblad, 23 december 1880


Geertruida wordt moeder, aanvankelijk van twee kinderen (Olga, 1881 en May, 1883). Ze doet aan anticonceptie, maar er wordt nog een derde kind geboren (Albert, 1886). Er worden brieven geschreven (bijvoorbeeld aan haar zus Marie) en er is een dagboek overgeleverd. Door de hele biografie heen zijn er teksten van Geertruida opgenomen, cursief gezet, zodat je de informatie uit de eerste hand krijgt.  

Dubbelleven

Het huiselijk leven is niet gemakkelijk, ook niet als je personeel hebt. Dat moet immers aangestuurd worden. Geertruida moet zich in de praktijk met andere dingen bezighouden dan waar haar hoofd mee bezig wil zijn. Dat is een van de verklaringen van de titel van de biografie: je zou kunnen zeggen dat Geertruida een dubbelleven leidde: een huiselijk leven en een intellectueel en maatschappelijk leven. In het laatste hoofdstuk van de biografie, wordt er veel aandacht besteed aan haar dochter Olga. Ook in dat opzicht is er  sprake van een dubbel leven: dat van Geertruida en dat van haar dochter. Verder zou je nog kunnen zeggen dat zowel het leven van Geertruida als van haar biograaf doorklinkt in dit boek. 

Geertruida wordt lid van een van de eerste vrouwenclubs in Londen, de Pioneer Club. Het verbaasde me hoeveel clubs, verenigingen en tijdschriften waren, waarin de vrouwenzaak bepleit werd. Steeds proef je de overtuiging dat dingen anders kunnen en dat daarvoor wat moet gebeuren. Er hangt (niet alleen in Londen, maar ook op andere plekken in Europa) een aanstekelijk idealisme. 

Karssenberg beschrijft dat er een congres van de Internationale Vrouwenraad plaatsvindt. Zo'n drieduizend vrouwen overal vandaan, die dagenlang samen zijn, naar lezingen luisteren, discussiëren. De wind van verandering die er waait, moet aangenaam aangevoeld hebben. 


Het nieuws van den dag, 8 mei 1912

Netwerk

En Geertruida gaat publiceren, over bijvoorbeeld ethiek. Ze houdt zich diepgaand bezig met waar het naar toe moet met de maatschappij, ziet voor zichzelf grote lijnen waaraan ze wil vasthouden. Intussen heeft ze een uitgebreid netwerk. Zo onderhoudt ze (wat later in haar leven) een briefwisseling met Domela Nieuwenhuis. Inspiratiefiguren zijn voor haar onder meer de dichter/filosoof Jean-Marie Guyeau en de anarchist Peter Kropotkin. 

In 1901 verhuist ze naar Zwitserland, een verandering van locatie, maar een voortzetting van haar ontwikkeling. In 1906 verhuist ze met Albert naar Nederland. 

Geertruida leefde in een bevoorrechte klasse en ze had wellicht relatief veel vrijheid. Maar ze heeft zich ook bekneld gevoeld en ze was strijdbaar om niet alleen voor zoveel mogelijk vrouwen meer vrijheden te bevechten, maar ook om voor zoveel mogelijk mensen een betere maatschappij vorm te geven. Karssenberg geeft toe dat Muysken in haar geschriften niet altijd de soepelste stijl hanteert, maar ze heeft in ieder geval haar ideeën verspreid, door geschriften en spreekbeurten. 

Maite Karssenberg heeft een prachtige biografie geschreven, die al snel na verschijnen op de longlist voor de Libris Geschiedenisprijs is verschenen. Het is een persoonlijk boek geworden, waarin Karssenberg Geertruida zo dicht mogelijk wil naderen om te doorgronden waarmee ze bezig was en wat dat nu nog kan betekenen. In Geertruida brandde een vuur (dat haar zelf misschien van tijd tot tijd verteerde) en de warmte van dat vuur (ook van de biografe) voel je in dit boek. Er tintelt iets in. Ondanks dat lang niet alles zo gemakkelijk verloopt in Muyskens leven, voel je de gedrevenheid en de hoop op wat er ooit bereikt kan worden. Het doel voor ogen houden en compromisloos doorgaan. Dat is een instelling waarvoor je bewondering kunt hebben. 

Lezen dus. Niet alleen omdat Geertruida dat verdient, maar ook om een blik te krijgen op een tijd waarin zo duidelijk idealen werden nagestreefd. En natuurlijk ook omdat Karssenberg het verdient, die Dubbelleven met hart en ziel geschreven moet hebben. 

Maite Karssenberg, Dubbelleven. Geertruyda Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie. Uitg. Arbeiderspers, 2026; 472 blz. € 29,99

Tubantia, 7 maart 1908



Het Vaderland, 6 december 1911
Eerder schreef ik over de biografieën van:

donderdag 9 juli 2026

Toetjes van toen

Eind jaren tachtig kwam ik in Ede wonen en toen werd daar 's avonds nog de papklok geluid. Intussen is dat gebruik afgeschaft. Er waren vroeger blijkbaar veel mensen die voor het naar bed gaan een bord pap aten. Dat deden mijn ouders ook, in het begin van hun huwelijk. 

Daarover schreef ik op 23 oktober 2023 in mijn dagboek. Ik heb dat stuk eruitgeknipt. Het houdt zomaar ergens op. Blijkbaar ging ik toen over op een ander onderwerp. En het is nogal opsommerig. Dat moet je dan maar even voor lief nemen. 

Indertijd heb ik opgeschreven wat op dat moment bij me opkwam, dus compleet zal het overzicht niet zijn. Geen gruttenpap, geen boekweitpap. Mogelijk aten we die helemaal niet. Beide heb ik wel gegeten, maar wellicht later en bij iemand anders. 

Ik zal binnenkort weer wat stukjes opzoeken in de dagboeken, maar ik zie ook dat ik over sommige dingen nooit in het dagboek geschreven heb, dus die stukken moeten nog geschreven worden. Hoe ik als kind onbedoeld een kat bijna (of helemaal) de dood in gejaagd heb bijvoorbeeld, hoe ik samen met mijn zusje en een oude kinderwagen weggelopen was van huis, hoe mijn vader zich zo ergerde aan het gehuil van mijn jonge broertje dat hij hem met bed en al naar een andere ruimte tilde. Dat soort dingen. 

Wel heb ik geschreven over feest: mijn opa en oma van moeders kant waren dertig jaar getrouwd en die van mijn vaders kant veertig jaar. Daar moet ik dan wel foto's bij zoeken en dat kan ook even duren. 

Je merkt wel wat ik opzoek en wat ik plaats en ik welk tempo. De maand juli is erg druk omdat ik dan examineer voor de Staatsexamens. In augustus heb ik meer ruimte. 

Op de foto familieleden aan het toetje, dat wat feestelijker was dan gewoonlijk. De foto is gemaakt met Pasen 1960. Op de foto mijn toen tienjarige tante Riet, jongste zus van mijn moeder en ome Henk, getrouwd met de oudste zus van mijn moeder. Naast hem zijn zoon Tonnie, zes weken ouder dan ik. We zijn dan nog geen jaar oud. 


Mijn vader is van huis uit gewend om ‘s avonds pap te eten. Mijn moeder heeft wel verteld dat ze er heel erg aan moest wennen. Ze vond het vreemd dat bij mijn opa en oma ‘s avonds (om een uur of negen?) de tafel werd gedekt.

Ze heeft het gebruik overgenomen, in ieder geval in de eerste jaren van haar huwelijk. Soms word ik vroeg wakker en dan ga ik snel naar beneden om te kijken of er nog pap van gisteravond over is. Niemand vindt het erg als ik dat gewoon pak.

Mijn moeder kookt de pap altijd zelf. Bij tante Jannie komt de melkboer. Die heeft pap uit flessen, bijvoorbeeld chocoladevla of vanillevla. Of yoghurt. Die maakt mijn moeder ook wel eens zelf, maar het kan zijn dat we die een enkele keer uit de winkel hebben.

Als mijn moeder weinig tijd heeft, eten we beschuitenpap: melk met stukken beschuit erin. Misschien heeft ma er ook nog wat kaneel in gedaan. De beschuit is zacht geworden. De pap is dun en dat eet niet altijd makkelijk, maar ik lust het best.

Soms mogen wij een beschuit met melk: we gieten dan heel langzaam melk op een beschuit. De beschuit absorbeert de melk en wordt dan wel twee keer zo groot. Ik hou ervan om daarna de vellen uit de melkkoker te vissen en die op de beschuit te leggen. Daarna doe ik er suiker op. Heerlijk!

Karnemelksepap eten we verschillende keren per week. Je kunt die warm en koud eten. Niet altijd lukt die even goed. Soms gaat de pap schiften en dan zitten er korreltjes in. Wij vinden dat niet erg. De smaak blijft goed. Over de pap doen we suiker en als hij warm is doen we er ook wel een lepel stroop in. De stroop zit in een kartonnen bus, van De Zeeuwse Boerin.

De melkrijder brengt elke week tien liter karnemelk mee uit de fabriek. We drinken die ook wel bij het brood, maar we maken er dus ook pap van. Soms doet mijn moeder bier (oud bruin) door de pap. Dan wordt het bierepap. Daar zal ook wel wat kaneel in zitten, denk ik. Bierepap is lekker en het klinkt ook best stoer als je kunt vertellen dat je dat gegeten hebt.

Pruimenpap is van bloem gemaakt. Mijn moeder heeft de gedroogde pruimen een nacht lang laten weken en die gaan door de pap heen. De pap heeft een zachte smaak en de pruimen zijn heerlijk. In de kersentijd maakt ma ook wel kersenpap, van de wrak, de kersen die niet helemaal gaaf meer zijn. Die pap is paars. De pitten zitten nog in de kersen, dus na afloop heeft iedereen een hoopje pitten naast het bord liggen.

Soms gaan er heel wat borden pap doorheen. Iedereen mag opscheppen of op laten scheppen hoeveel en hoe vaak hij maar wil.

We hebben ook wel eens tutti frutti over de pap. Dat is meer iets voor de zondag en niet voor door de week.

Op weekdagen eten we wel havermoutpap of rijstepap, soms met rozijnen of krenten. Griesmeel eten we ook wel en daar zitten soms ook rozijnen door. Als we griesmeel op zondag krijgen, is het amandelgries of vruchtengries.

Mijn moeder bestelt bij de boodschappen altijd pudding voor de zondag, van Victrix. We krijgen een keer een spelletje bij de pudding: kaartjes met koppen, lijven en benen van mensen. Die kun je op allerlei manieren aan elkaar leggen, wat een grappig effect heeft.

Er zijn heel veel soorten pudding, zoals frambozenpudding of karamelpudding. Mijn moeder doet ze in kleine bakjes. Dan koelen ze snel af. Er zijn altijd meer bakjes dan er mensen in het gezin zijn. Dus soms kun je meer bakjes leegeten.

Er bestaat ook Saroma. Dat is geen kookpudding, maar kloppudding. Die is best snel klaar. De puddinkjes moeten alleen even opstijven in de kelder. Een koelkast hebben we niet.

Er zijn heel veel soorten pudding en op feestdagen doet mijn moeder die soms in een puddingvorm. Die pudding wordt gestort en dan zie je een druiventros bovenop.

Met custard kun je heel veel maken. Bijvoorbeeld vanillesaus. Die kun je dan over de chocoladepudding doen. Die eten we trouwens ook wel met slagroom. Maar je kunt ook pudding maken van custard.

Het lekkerst is die met lange vingers. Mijn moeder heeft dan vruchtenwijn op een bord gegoten en daar laat ze de vingers in weken. Als je het niet weet: lange vingers zijn koekjes. Het zijn zo’n beetje de eerste koekjes die kleine kinderen te eten krijgen.

Een laagje pudding, een laagje lange vingers, weer een laagje pudding enzovoort. Je kunt de wijn nog goed proeven.

Door de custard kun je ook bitterkoekjes doen, maar die koekjes kunnen ook door de bloempap. Altijd lekker.

Een van de lekkerste toetjes krijgen we in de perentijd. Mijn vader heeft in de boomgaard enkele rijen met Buerré Alexander Lucas. Wij zeggen geen buerré, maar bree, net als bij de bree hardy’s. Een peer voor iedereen brengt mijn vader mee. Mijn moeder schilt die, maar ze snijdt hem niet door en ze laat het steeltje zitten.

Ze kookt de peren in rode wijn, totdat ze helemaal rood zijn. Dan zet ze de peren in bakjes, met een beetje van de wijn eromheen. Dan gaat er chocolademousse over de peren. Dat is smullen. Als we het eten, hebben we allemaal een feestelijk gevoel. We noemen het toetje perendroom.

Dat het klokhuis er nog in zit is geen bezwaar. Bij peren kun je het klokhuis gewoon opeten. Dat leer je nog wel. Een peer eet je ook niet rondom, maar van boven naar beneden. Even het steeltje eruit trekken (dat gaat gemakkelijk als de peer goed rijp is) en dan beginnen te eten bij de punt. Wel oppassen dat de peer niet te rijp is. Sommige peren worden dan melig en andere worden buikziek: die zijn bruin van binnen. Dat is niet zo lekker.

Maar we hadden het over toetjes en wij noemen alle toetjes pap. Over de pap, maar eigenlijk de pudding, hebben we soms sap. Bessensap natuurlijk, maar ook bramensap. Meestal over de ‘gele pudding’. In de aardbeientijd hebben we ook wel aardbeien over de pap. En soms hoef je je niets van het seizoen aan te trekken, want dan zijn er aardbeien of kersen uit de weck. En ook wel eens groentjes. Dat zijn pruimen, die trouwens geel worden als ze goed rijp zijn.

We hebben ook wel eens slemp over de pap: gestoofde pruimen. Die eten we ook wel op brood.

We eten ook af en toe lammetjespap, maar ik weet niet goed hoe die gemaakt wordt. Is die anders dan de bloempap? Waarschijnlijk wel. En er is ook wel brinta, maar dat eet je meer bij het ontbijt.

Als we oud brood hebben, maakt mijn moeder broodschotel: brood in dobbelsteentjes, melk, eieren, rozijnen, kaneel en dan in de oven. Het is heerlijk, maar het is ook machtig, dus je moet niet te veel opscheppen. Wat je opschept, moet je immers opeten. Als dat niet lukt, krijg je te horen dat je ogen groter zijn dan je maag. Maar eigenlijk laat niemand zijn eten staan.

Soms krijgen we wentelteefjes van het oude brood, maar meestal niet als toetje en het komt maar heel weinig voor.

Deense vla is ook erg lekker. Onder in elk bakje doet mijn moeder bessensap met rozijnen erdoor en daar giet ze de dunne custard op. We zeggen altijd Deense vla, maar als het een tijdje in de kelder heeft gestaan, is het meestal wel pudding.

We krijgen ook wel pannenkoeken als toetje. Eerst erwtensoep en daarna pannenkoeken. Maar pannenkoeken krijgen we meestal ‘s avonds, in plaats van brood. Als het winter is, letten we goed op de koeien. Als alle koeien op dezelfde zij liggen, bakt mijn moeder pannenkoeken. Dat komt maar weinig voor.

In de kersentijd bakt tante Met ook wel kersenkoek: pannenkoeken met kersen erdoorheen. Dat doet ze als een van de plukkers een dubbele kers heeft gevonden. Als wij er zijn, eten we ook een pannenkoek mee, in de bongerd.

Als we een keer bij Ome Ab en tante Ria gaan eten, krijgen we ijs als toetje. Dat komt als een blok uit een groot kartonnen pak. Het is heerlijk. Wij hebben geen vriezer, dus dat krijgen we nooit. Er gaat sap overheen.

Ook watergruwel maakt mijn moeder niet, voor zover ik weet. Precies weet ik het niet, maar volgens mij is het bessensap met daardoorheen gort en rozijnen. Heb ik dat wel eens bij een oom of tante op? Of zal ik dat later pas leren kennen als ik op het internaat zit?

Haagse bluf maakt mijn moeder wel eens, maar niet vaak. Dat is ook met bessensap en eiwit, geloof ik. Mijn moeder moet heel lang kloppen met haar garde (wij zeggen: gar) en dan wordt het een soort schuim.

woensdag 8 juli 2026

Voetsporen (Milan Hulsing)

Mijn kennis van de buitenlandse literatuur is gering. Toen ik jong was -ach hoe lang geleden!- las ik alles wat ik kon krijgen en toen heb ik ook veel buitenlandse klassiekers gelezen, maar later had ik mijn handen vol aan de Nederlandse literatuur en daarvan is er al zoveel dat ik lang niet alles gelezen krijg, hoe hard ik ook mijn best doe. 

De naam Karel Čapek zei me dan ook niks. Dat het woord 'robot' uit het Tsjechisch kwam, wist ik, maar niet dat deze auteur het bedacht had. Ik lees het in het voorwoord van Voetsporen van Milan Hulsing, die vijf korte verhalen van Čapek verstripte. Het boek kwam al begin 2025 uit, bij Concerto Books, maar die uitgeverij stuurt mij gewoonlijk geen recensie-exemplaren, dus ik had het aan mij voorbij laten. Maar onlangs heb ik het toch gekocht en daar heb ik geen spijt van: prachtig boek. 

Hulsing keert in Voetsporen terug tot de tekenstijl die hij gebruikte in Stad van klei (2011): tekeningen die geen scherpe omlijning kennen en als kleur zijn er alleen bruinige tinten gebruikt. 

Een poging tot moord

De verhalen zijn zonder meer intrigerend. Het openingsverhaal is 'Een poging tot moord'. De ambtenaar Tomla bevindt zich in huis als er door het raam op hem geschoten wordt. Er wordt een onderzoek ingesteld naar de aanslag en de inspecteur (als dat de goede benaming is) vraagt of Tomla vijanden heeft. Hij kan het zich niet voorstellen. 

Maar daarna gaan zijn gedachten terug naar alles wat hij in zijn leven gedaan heeft en hoe hij daarbij misschien mensen onheus heeft bejegend. Het beeld dat hij van zichzelf heeft, kantelt. 

Het verhaal deed me sterk denken aan 'De boer die sterft' van Karel van de Woestijne. De tekst vind je hier. De boer vindt dat hij zijn 'wél' niet heeft gehad en is ontevreden. Dan verschijnen zijn zintuigen en laten hem zien hoeveel moois hij gezien, geroken enzovoort heeft, waarna hij tevreden kan sterven. Het is zo ongeveer het spiegelbeeld van 'Een poging tot moord'. Maar in beide verhalen wordt de balans van het eigen leven opgemaakt en komt iemand tot volstrekt ander eindoordeel dan het beginoordeel was. 

Oplatka's einde

Ook bij 'Oplatka's einde' is er zo'n soort zelfonderzoek. De tuberculoselijder Oplatka doodt iemand en slaat op de vlucht. Daarbij doodt hij telkens weer iemand, terwijl er op hem gejaagd wordt. Tijdens de jacht op hem wordt hij steeds meer de verzinnebeelding van het kwaad. Maar in hoeverre deugen de jagers die aan de 'goede' kant staan? 

'Oplatka, een scharminkel in de modder, een kapotgeschoten, kreupele kraai, en wij... een stel moordzuchtige jagers.'

Goed en kwaad lijken verwisseld. Maar in het laatste plaatje blijkt ook de nieuwe positionering van de personages niet vast te liggen:

Stelletje moordenaars! Om te kotsen.
Mals IK die Oplatka voor mezelf had gehad...

De blauwe chrysant

In 'De blauwe chrysant' heeft Klara, een wat wonderlijke vrouw, een blauwe chrysant, een bloem die eigenlijk niet bestaat. Maar ze wil of kan niet zeggen waar ze die vandaan heeft. De botanicus Filnius is geobsedeerd door deze bloem en ontdekt waar Klara die gevonden heeft. Hij ziet hoe haar gedachten anders gaan dan van alle andere mensen. Dat die zich niet laten intomen. Juist Klara is degene die wel ingetoomd wordt en in de gevangenis terechtkomt. Als Filnius de bloem wil kweken en aan de wereld wil tonen, blijkt dat niet te kunnen. 

Het verhaal van de dirigent

In 'Het verhaal van de dirigent' praten dirigent Bouda en zijn kameraad Petr met elkaar. Petr vertelt dat hij zag hoe zes mensen iemand te grazen namen. Hij grijpt in en krijgt er eentje te pakken, maar weet niet zeker of hij nu een dader of het slachtoffer voor zich heeft. 

Daarop vertelt Bouda dat hij in Liverpool was. Hij hoort een gesprek tussen een man en een vrouw, dat hij niet kan verstaan, maar afgaande op de manier waarop het gesprek gevoerd wordt, concludeert hij dat de man de vrouw van iets kwaadaardigs wil overtuigen. Hij waarschuwt daarom de politie. De volgende dag leest hij in de krant dat er een moord gepleegd is. 


Voetsporen

Ten slotte is er het verhaal 'Voetsporen' over Rybka die sporen in de sneeuw volgt. De sporen stoppen voor zijn huisdeur. Hij roept de hulp in van de agent, maar die helpt hem niet verder. Wel zorgt die ervoor dat hij na gaat denken over wanneer iets een mysterie is. 

Zowel bij het verhaal van de blauwe chrysant als bij 'Voetsporen' gaat het om het omgaan met wat niet te bevatten is, wat niet onder controle te krijgen is. Dirigent Bouda kan een orkest zijn wil opleggen, maar om hem heen gebeuren zaken die hij niet onder controle heeft. 

De verhalen van Čapek zijn prachtig en Hulsing heeft ze geweldig vormgegeven. Ze gaan over gewone mensen, die het liefst hebben dat hun leven rustig verloopt, maar in alle verhalen is er een verstoring van de normale loop der dingen, waardoor de stabiliteit uit hun leven verdwijnt. Ze worden gedwongen na te denken over zichzelf of over het leven. Meestal levert dat geen geruststelling op. 

Dreigende verstoring

Čapek laat zien dat je het leven niet onder controle hebt en dat er maar weinig hoeft te gebeuren de rust in je leven te verstoren. Het zijn eigenlijk geen spectaculaire gebeurtenissen, maar ze zijn wel indringend en dat zijn de verhalen ook. Je hebt het idee dat ze meer zijn dan anekdotes, dat ze raken aan universele waarheden. 

Juist daarom is de stijl van tekeningen goed gekozen. Weinig kleur, weinig spektakel. Het gaat om de kern, niet om alles eromheen. 

De onrust die er onder de verhalen woelt doet me denken aan het lied Vage angst, geschreven door George Groot, te vinden op het album Trappen op van Don Quishocking. Daarbij zijn het niet de grote rampen die angst oproepen, maar de kleine verontrustende zaken, die niet te verklaren zijn. 
Maar ik heb altijd van die vage angsten
Waarvan ik zelf weet dat dat nergens op slaat
Bijvoorbeeld dat er zomaar op een dag gebeld wordt
En dat er dan een onbekende voor me staat
Die zegt: U weet het niet, maar ik hoor eigenlijk bij u
Ik volg u dagelijks, vanaf uw derde jaar
Nu kom ik bij u wonen, ik blijf altijd bij u
Niet dat die man er staat, maar ja, het is toch raar
Juist als alles gaat zoals het gaan moet, dreigt de verstoring. Dat alles klopt is maar vernisje en voor je het weet breekt de niet te hanteren werkelijkheid er doorheen. 

Milan Hulsing achtte ik al hoog. Hieronder neem ik de links op naar wat ik over hem schreef. Hij heeft alweer aan de hoge verwachting voldaan, met deze bundel verontrustende verhalen. 

Concerto Books heeft er een mooie hardcover van gemaakt met op de omslag een lettertype dat ook een eeuw geleden gebruikt had kunnen worden. Allemaal prachtig. 

Eerder schreef ik over ander werk van Hulsing:





dinsdag 7 juli 2026

Het ABC van JP 2 (JP Pellemans)


De titel Het ABC van JP 2 doet vermoeden dat er een ABC van JP 1 of gewoon een ABC van JP geweest is. Dat klopt. Dat boek is mij indertijd ontgaan. JP is Jan Peter Pellemans. Die is ooit communicatietrainer geweest en hij heeft daarna veel te maken gehad met televisie. Als je daar meer over wilt weten, kun je kijken op zijn website of op de pagina op Wikipedia die aan hem gewijd is. 

De ondertitel van het boek is Op taalavontuur door de supermarkt en dat geeft goed aan waarover het boek gaat. Weliswaar zijn er allerlei weetjes over de supermarkt te vinden (dat er in supermarkten geen klok hangt, dat er weinig tot geen buitenlicht in supermarkten valt en waarom), maar het meeste gaat over de producten die er te koop zijn en vooral ook over hoe die aan hun namen gekomen zijn. 

De hoofdstukindeling is gemaakt op basis van een tocht met je karretje door de supermarkt, maar die indeling is vrij losjes en eigenlijk heb je die ook niet helemaal nodig. Je kunt het boek uitstekend van voor naar achter lezen, maar het is ook een heerlijk boek om hapsnap te lezen. Overal vind je korte stukjes, die je gauw even meepikt, een paar fotostrips van Ype Driessen en QR-codes die een link bieden naar oude reclamefilmpjes (en niet alleen uit Nederland). Dat is al heerlijk. Voor je het weet zit je het ene oude reclamefilmpje na het andere te bekijken. 

Weetjes

Arretje Nof
Het boek staat vol met leuke weetjes. Iedereen kent het woord bananenrepubliek, maar wist je dat dat ook echt met bananen te maken heeft? En dat Melitta (van de koffiefilters) genoemd is naar de Duitse huisvrouw Melitta Bentz?

Hier en daar munt Pellemans een nieuwe benaming, zoals 'Frankenwoord', een verkorting van Frankensteinwoord. Een Frankensteinwoord is een woord dat opgebouwd is uit verschillende woorden, waarbij de oorspronkelijke woorden nog wel te herkennen zijn, zoals Bleieren (blije eieren). Maar Frankensteinwoord vind ik toch helderder dan Frankenwoord, dat me te veel doet denken een bevolkingsgroep van vroeger of oud Belgisch betaalmiddel. 

Arretje

De boekjes van Arretje Nof (van de Nederlandse Oliefabriek) staan in mijn boekenkast (naast die van Piggelmee), maar ik wist niet dat de arretjescake iets met deze Arretje te maken had. Er waren indertijd meer producten die hun eigen personage in boekjes kregen. Flipje is daarvan wellicht de bekendste en je kent misschien ook nog Piet Pelle op z'n Gazelle (maar een fiets hoort weer niet thuis in de supermarkt) of Sjokkie (van de chocoladepasta). Van die boekjes heb ik als kind zeer genoten. Mijn moeder kende sommige geheel uit haar hoofd. En dan was er nog de serie over Bert en Bettie Brinta, geschreven door A.D. Hildebrand. 

Die boekjes noemt Pellemans niet, maar wel dat de naam Brinta afkomstig is van Breakfast Instant Tarwe. Van dit soort afkortingen zijn er heel veel en sommige zijn ook wel bekend: KING (van de pepermunt) is de afkorting van Kwaliteit In Niets Geëvenaard en Johma (van de salades) komt van de namen Johan en Martin(us). Andrélon (van André en Lonneke) en het toiletpapier Page (van Papierfabriek Gennep) vielen net buiten de keuze van Pellemans, net als Domo (Drentse Ondermelk-Organisatie). Dat geeft niet. Het is al leuk als dit soort dingen je tijdens het lezen te binnen schieten. 

Waarschijnlijk is dat Pellemans zo'n grote hoeveelheid informatie opgeduikeld heeft, dat hij niet alles meer kwijtkon en dus wel een een keuze moest maken. 

De Gooi- en Eemlander, 20 maart 1955

Cigarette, wasserette

Door het hele boek heen zijn er korte, omkaderde stukjes, waarin een leuk weetje wordt uitgediept. Zo had ik er nooit bij stilgestaan dat sigaret (cigarette) eigenlijk 'kleine sigaar' betekent. En dan geeft Pellemans meteen een heel stel andere woorden op -ette: wasserette, printerette, Decorette, Mobylette, maisonnette, modinette. En ik heb zelfs wel eens het woord 'boerderette' ergens gelezen. 

Ook nooit bij stil gestaan: dat de kleur blauw geassocieerd wordt met kwaliteit. Pellemans schrijft er een leuk stukje over dat van alles bij elkaar veegt, van de Orde van de Kousenband tot Blue Band. Zou het 'Zakje Blauw' hier ook nog bij gekund hebben?

Zo is er ook een stukje over rijm in reclame (Duivis, als er een fuif is). Daarvan zijn heel veel voorbeelden. De oude melkreclame 'Drink per man driekwart kan' is van voor mijn tijd. Mijn ome Kors gebruikte het woord 'kan' nog als hij 'liter' bedoelde, maar ik herinner me niet dat de slogan gebruikt werd. Dat kan ook niet, want die was van voor mijn tijd. Pellemans noemt hem ook niet, maar hij geeft wel een heel stel andere, leuke voorbeelden. 

Met het rijm gaat het ook wel mis: 'Neem eens een Dujardin. Die gaat er altijd in.' En daarbij moest ik denken aan: 'Het is de tijd voor Coca Cola light'. 


Heinz

Soms heb ik iets uit mijn ooghoeken gezien, maar is het nooit echt tot me doorgedrongen, bijvoorbeeld de '57 varieties' bij Heinz. Pellemans legt uit hoe we aan al die 'varieties' komen. Ze waren me eerlijke gezegd nooit opgevallen, maar ik moest wel meteen denken aan een gedicht van C. Buddingh', dat ik meteen heb opgezocht:

zeer kleine ode aan de liefste

vanochtend
zag ik op straat
een leeg heinz-blikje liggen:
en onmiddellijk 
dacht ik aan jou:
57 varieties

Met terugwerkende kracht dringt tot me door dat ik dit gedicht nooit gesnapt heb. En nu wel. 

Voor zover ik dat kan beoordelen heeft Pellemans alle zaken in het boekje goed uitgezocht. Ik dacht dat hij een fout maakte, toen hij hoofdkaas (zult) 'perskop' noemde. Ik meende dat het 'preskop' moest zijn, maar 'perskop' blijkt een gangbaar woord te zijn, en in Zeeland kennen ze voor deze lekkernij nog veel meer benamingen, zoals poskop, hoofdvlakke en kiepkap.

Vrolijk

Het ABC van JP 2 is een boekje waar je vrolijk van wordt. Het is leuk om te hebben en even leuk om te geven. Volgens mij kun je iedereen met zo'n boekje een plezier doen. Het lezen ervan werkt enorm enthousiasmerend. Er worden allerlei herinneringen wakkergekieteld en je raakt nieuwsgierig naar andere dingen die je te binnen schieten. Is er iets bekend over het wasmiddelmerk Sunil? Waarom heet Driehoekzeep zo? En is er eigenlijk een boekje met alle gedichtjes van Mies Bouhuys over Joris Driepinter? Zo'n boekje zou ik wel willen hebben. 

Er zijn al genoeg boeken die ons wijzen op de ernst van het leven of van de toestand in de wereld. En daarom is het heerlijk dat er daarnaast luchtige boekjes zijn, die ook nog veel informatie bevatten. Het ABC van JP 2 is zo'n boekje. 

JP Pellemans, Het ABC van JP 2. Op taalavontuur door de supermarkt. Uitg. Thomas Rap, 144 blz. € 21,99

maandag 6 juli 2026

De fatale vonk. De kruitschipramp van 1807 te Leiden (John Heijink / Berny)

  

Na het ontzet van Leiden (3 oktober 1574) is de buskruitramp, de ontploffing van een kruitschip (12 januari 1807), waarschijnlijk de bekendste historische gebeurtenis met betrekking tot deze stad. Het schip lag aan het Steenschuur (het verlengde van het Rapenburg) en bevatte maar liefst 37 ton buskruit. Een andere bron spreekt van 37.000 pond. 

Ontzachlijk schriktooneel!

De schade was enorm: een flink deel van het centrum werd weggevaagd. Op de plek waar dat gebeurd is, bevindt zich nu het Van der Werfpark. Er kwamen 160 mensen om, meer dan tweeduizend mensen raakten gewond. De dichter Willem Bilderdijk schreef er kort daarna een lang gedicht over: 'Leydens ramp'. Het gedicht beslaat bijna twintig pagina's. Een fragment:

ô Jammer, ô ellend dier ijslijkste aller nachten!
Nog loeit me uw luid gegil afgrijslijk in het oor,
Door de Echo nagebaauwd langs kaalgesloopte grachten,
Waar 't onder 't dof gehuil des stormwinds zich verloor.
De vlam, ter hemelhoogte uit d' afgrond opgestegen,
Spreidde één vervaarlijk licht op al uwe aakligheên.
Haar gloed stroomde als een zee langs de omgedolven wegen,
En joeg door vlakte en puin verwoesting om zich heen.
Ontbladerd stort de kruin der spichte lindenboomen,
Ontworteld ligt de tronk op asch- en steenhoop neêr:
De zilvren Rhijn verliest zijn langbespoelde zoomen,
En vindt in 't stuivend gruis geen' vasten oever meer.

Ontzachlijk schriktooneel! - hoe mengt zich Wanhoops kermen
Met raadloos handgewring en snikken door elkaâr!
Hier klemt een droeve Vrouw 't verbrijzeld Wicht in de armen;
Daar stort ze op 't lijk haars mans in 't schokkendst rouwmisbaar!
Wat heuvel heft zich ginds, wat hoogte daar, voor de oogen?
Wat woelt er op en af en over en omtrent? -
Geslechte woningen met asch en rook betogen!
En alles wat den dood, die nederploft, ontrent!

 Hij noemt het de 'ijslijkste aller nachten'. Dat is beeldspraak lijkt me, want de ontploffing gebeurde om vier uur in de middag. 

Bilderdijk was niet de enige die over de ramp dichtte. A.J. Hanou spreekt in het artikel De ramp van Leiden: eigen schuld? zelfs over duizenden teksten. De titel van zijn artikel verwijst naar de opvatting van sommige predikanten dat de ramp een straf van God was. 

Niet alleen dichters en schrijvers, ook beeldend kunstenaars hebben de ramp verbeeld. Johannes Jelgerhuis toont ons het Rapenburg, drie dagen na de ramp. 


Ik pikte de afbeelding van de website van Historiek. 

De klap moet enorm geweest zijn. In Amsterdam dacht men dat er een oorlogsschip op de Zuiderzee ontploft was, maar er kwamen ook meldingen uit Deventer, Zwolle en zelfs Friesland. Dat is de terug te vinden in het boek dat L. Knappert een eeuw later schreef. Citaten daaruit vond ik hier

Door de ontploffing kwam het Rapenburg korte tijd droog te liggen. Wal en straat werden tot aan de huizen weggeslagen. Hieronder zie je een animatie van de ramp. 



In 1807 was Nederland een deel van Frankrijk en Lodewijk Napoleon was hier koning. Na vijf uur was hij aanwezig en hij liet zich gelden als een betrokken vorst. Hij zette soldaten in, liet het Haagse paleis Huis ten Bosch inrichten als noodhospitaal en riep een rampenfonds in het leven waarin hij zelf het voor die tijd gigantische bedrag van 30.000 gulden stortte. 

Een grote gebeurtenis, niet alleen voor Leiden, maar voor het hele land. Intussen zijn we meer dan tweehonderd jaar verder en mogelijk is de gebeurtenis bij sommigen weggezakt uit het geheugen of heeft die zich er nooit in bevonden. Daarom is het goed dat die geschiedenis weer eens onder onze ogen wordt gebracht. 

De fatale vonk

Dat is gebeurd door de strip De fatale vonk; De kruitschipramp van 1807 te Leiden. Het scenario is van Berny, de tekeningen zijn van John Heijink. Het album bevat een stripverhaal over de ramp en een uitgebreid dossier met historische informatie. 

Dat is zeker interessant om te lezen, maar er zitten qua vormgeving wel wat slordigheidjes in. Kopjes zijn soms dikgedrukt en soms niet, een enkele keer begint een kopje niet met een hoofdletter en soms is een kopje niet als zodanig te herkennen omdat het aan de vorige alinea vastgeplakt zit. 

De tekst is interessant, maar had nog wel enige redactie kunnen gebruiken. Zo zitten er herhalingen in en zijn niet alle zinnen logisch. Een voorbeeld:
Grote hoeveelheden kruit werden in houten vaten vervoerd, vaak bedenkt met natte dekens en zeilen ter bescherming. Toch ontbraken duidelijke regels. 
Het signaalwoord 'toch' past volstrekt niet in deze zin. De suggestie dat het kruit beschermd moet worden, klopt eigenlijk ook niet: men wilde een ontploffing voorkomen, lijkt me. De informatie over de natte dekens en zeilen is dan weer wel interessant. 

Waarschijnlijk ben ik een kniesoor en lezen veel anderen eroverheen, maar mij stoorde het toch, net als het gebruik van het woorden 'centenprentjes' in plaats van 'centsprenten'. 

Van de gebeurtenis is wel een verhaal gemaakt, met personages met wie je kunt meeleven. En passant krijg je historische informatie mee zoals over illegale boterhandel en over hoe schepen voortgetrokken werden. 

Tekeningen

Jammer genoeg zijn de tekeningen in een net iets te lage resolutie gedrukt, waardoor ze niet helemaal tot hun recht komen, maar als je eenmaal aan het lezen bent, lees je daar wel doorheen. Het is Heijink goed gelukt om de historische setting weer te geven. De lezer wordt in no time teruggeplaatst naar de tijd van twee eeuwen terug. 

De strip, met het dossier, lijkt me geschikt voor het onderwijs en ik vermoed dat verder mensen met belangstelling voor geschiedenis in het algemeen en voor Leiden in het bijzonder dit een interessante uitgave vinden. 

Binnenkort komt er een strip met een vergelijkbare opzet uit, over The Pilgrim Fathers, de puriteinen die vanuit Leiden vertrokken naar Amerika. 

Titel: De fatale vonk. De kruitschipramp van 1807 te Leiden.
Tekst: Berny
Tekeningen: John Heijink
Uitgever: C-edition
2025, 32 blz. € 7,50 (softcover) € 16,50 (hardcover)

(binnenkort meer illustratiemateriaal)

vrijdag 3 juli 2026

Afgestoft: Signaleringen (2)

Nu ik wat aan het grasduinen ben in de korte besprekingen die ik schreef voor de rubriek 'Signaleringen' van het tijdschrift Liter valt me op dat die voornamelijk (of misschien wel alleen maar) gaan over gedichtenbundels. In een eerdere bijdrage veegde ik al vijf van deze korte besprekingen bij elkaar en nu heb ik er nog twee. Ze komen uit de derde jaargang Liter (2000), uit nummer 11 en 12. 

Religieuze Gezelle

Als de ziele luistert is een bloemlezing uit de religieuze gedichten van Guido Gezelle. Wie iets van Gezelle weet, zal veel bekends tegenkomen. Van ‘Gij badt op eenen berg alleen’ tot ‘Het schrijverke’ en ‘O! 't ruischen van het ranke riet.’ Dat geeft de poëzie in deze bundel meteen iets vertrouwds en dat is prettig.

Maar in een bundel van meer dan tweehonderd bladzijden staan natuurlijk ook veel gedichten die onbekender zijn, waarmee het aangenaam kennismaken is. Die mix van bekend en volstrekt onbekend maakt deze bloemlezing tot een boek waarin je blijft bladeren en lezen.

De bloemlezing voldoet aan de hoogste eisen die je aan een bloemlezing kunt stellen: een degelijke inleiding met daarin een goede verantwoording van de keuze, een heldere en doordachte opbouw, een goede keuze uit de gedichten en uitgebreide annotaties, die het lezen niet in de weg staan.

Piet Thomas verdeelde de bundel in tweeën: deel 1 (‘Biddenderwijs’) is gebedslyriek, deel 2 (‘Overwegen, mijmeren en belijden’) behelst wat de titel al aangeeft. De delen zijn weer verdeeld in rubrieken als: danken, smeken (deel 1) of De natuur en God en tijd, dood en eeuwigheid (deel 2). Het is maar een greep uit een groot aantal afdelingen.

Bij de keuze van de gedichten heeft Thomas in de eerste plaats naar kwaliteit gekeken. Verder overwoog hij in hoeverre een gedicht thans nog inlevingsmogelijkheden bood. Dat hij op die manier tot een goede keuze kwam, blijkt als je de bundel leest.

In de annotaties toont Thomas zich zeer deskundig. Hij schetst soms de aanleiding tot het gedicht, laat zien in welke context het gefunctioneerd heeft en is goed op de hoogte van de literatuur die erover verschenen is. In noten onder aan de bladzijden zijn woorden verklaard die voor de hedendaagse lezer problemen zouden kunnen opleveren.

Aan de bloemlezing is een cd toegevoegd, waarop Tine Ruysschaert een aantal gedichten leest, afgewisseld met harpmuziek. Dat maakt het helemaal compleet.

Als de ziele luistert is een kwalitatief bijzonder goede bloemlezing. Zo een als Gezelle verdient. 




Maria de Groot

In Brieven uit een hermitage nam Maria de Groot veel gedichten op die geïnspireerd zijn door een reis naar Noorwegen. Dat wordt al duidelijk uit titels als ‘Vikafjell’, ‘Utne’, ‘Het hert van Skjolden’ en ‘Hardangervidda’.

De gedichten geven niet alleen een beschrijving van de bezochte plaatsen, maar ook het verleden klinkt er duidelijk in door. Omdat ook oude Noorse goden als bijvoorbeeld Odin af en toe opduiken en er gerept wordt van onder andere offers en altaren, hebben de gedichten al gauw een mythologische sfeer. Ter illustratie het begin van ‘Rouwsteen’:

Ik gedenk je op de rotsenvidde,
voeg een rouwsteen toe aan de gelaagde
piramide die hier is gestapeld.

Neem mijn offer, schuif het niet terzijde,

[...].


Uit de gedichten spreekt de grote verlatenheid die aan het landschap eigen is. Grond met een geschiedenis, maar zonder de mensen nu. Tegelijkertijd is er een verbondenheid met die grond en is de verlatenheid eerder prettig dan beangstigend.

In de laatste (derde) afdeling is er sprake van een thuiskomst, waarbij het Nederlandse landschap mooi contrasteert met het Noorse:

De geur van nat gras,
de mais zet volle kolven,
nu vlucht de schaduw.


Bij de thuiskomst hoort blijkbaar ook het thuiskomen in het dichterschap, in de taal. De taal neemt zelfs de plaats in van de moeder.

In het slotgedicht vraagt de ‘ik’ zich af of ze in het gedicht zelfs de zoete geuren kan ruiken van ‘eyn sof’, een begrip uit de joodse Kabbala waarmee het Oneindige aangeduid wordt waaruit het geschapene ontvlamt.

Wat vorm betreft, is de bundel nogal divers. Naast vormvaste, bijna klassieke gedichten (sonnetten, een rondeel) staan vrijere verzen en haiku. De eerste soort bevalt mij wat beter dan de tweede, maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Ondanks de diversiteit is het De Groot toch gelukt om van de bundel een eenheid te maken. Ik denk dat dat te maken heeft met de toon die uit de hele bundel spreekt. De stem van de dichteres is in elk gedicht herkenbaar en dat is een verdienste.