woensdag 23 september 2026

Onder professoren (Willem Frederik Hermans)

Sommige klassiekers heb ik nooit gelezen, al weet ik vaak wel waarover ze gaan. Sterker nog: ik heb er onbekommerd naar gevraagd bij het afnemen van mondelinge examens. Met enkele geestgenoten speelde ik vroeger wel eens het spelletje 'Bescheidenheid'. In een groep van vier bijvoorbeeld, noem je een titel van een boek dat je niet gelezen hebt, maar waarvan je vermoedt dat de anderen het wel gelezen hebben. Voor elke groepsgenoot die het betreffende boek wel gelezen heeft, krijg je een punt. Heeft iedereen het gelezen: dubbele punten. 

Bij dat spel kon ik scoren met De kleine Johannes, De berg van licht en ook met Onder professoren. Maar dat laatste boek heb ik intussen gelezen. Toen ik eraan begon, wist ik alleen dat het een afrekening was met de Universiteit van Groningen en de mensen die daar indertijd werkten. En Uit talloos veel miljoenen (1981) zou een soort vervolg zijn. Dat boek heb ik overigens wel gelezen. 

Nobelprijs

Onder professoren opent met het bezorgen van een telegram bij een boerderijtje (eigenlijk een arbeiderswoning) op het platteland in het noorden van het land. Het is het tweede huisje van de hoogleraar Rufus (Roef) Dingelam en zijn vrouw Gré. In het telegram wordt verteld dat Dingelam de Nobelprijs voor scheikunde is toegekend voor zijn ontdekking, twintig jaar geleden, van een stof die wel de derde witmaker werd genoemd, maar die ook als potentieverhogend middel gebruikt zou kunnen worden. 

Dingelam staat bekend als iemand die nooit lacht en dat doet hij bij het ontvangen van dit bericht dus ook niet. Zijn vrouw Gré houdt hem bovendien met de voeten op de grond: 'Maar man! Tweehonderdtachtduizend gulden, dat is nog geen vier keer je jaarsalaris. Daar ben je zo doorheen!'

Het vrije volk, 23 mei 1975

Gré heeft iets aandoenlijks: ze beseft nauwelijks wat de Nobelprijs inhoudt, kan eigenlijk niet koken en past ook niet helemaal in het milieu waartoe ze veroordeeld is. Maar ze is ook grootmoedig, wil geen kwaad van haar man denken en neemt het allemaal voor hem op. Zonder meer een interessant personage. 

Graantje meepikken

De omgeving van Dingelam is weliswaar blij voor hem, maar probeert ook een graantje mee te pikken. Men hoopt dat het aanzien van de prijswinnaar afstraalt op de universiteit waar Dingelam werkzaam is. Iedere lezer heeft daarbij de universiteit van Groningen in gedachten, waar Hermans lector is geweest. In het nawoord bij de roman, door dr. B.J.O. Zomerplaag (Hermans zelf) wordt nadrukkelijk gesteld dat het gaat om 'denkbeeldige professoren aan een denkbeeldige universiteit'. De roman is, volgens Zomerplaag, geen sleutelroman. 

De universiteit lijkt met een soort minderwaardigheidscomplex te kampen en kan misschien bij haar strijd om gelijkheid de Nobelprijs inzetten:

Wij moeten onze Nobelprijs op tafel leggen en zeggen: Binnen een maand twintig fotokopieermachines en anders hoeft er niet meer op te worden gerekend dat er nog een enkele wetenschappelijke publikatie uit onze universiteit te voorschijn zal komen. 

Sleutelroman

Dat Onder professoren behoorlijk wat trekken van een sleutelroman heeft, is intussen wel bekend. Sommige mensen (Lou de Jong, Jan Pen, Andreas Burnier, J.B. Charles) zijn herkenbaar geportretteerd of ze zijn zo vaak benoemd in relatie tot dit boek dat je ze daardoor tijdens het lezen door de personages heen ziet. Bij prof. dr. R. Tamsma, met wie Hermans in zijn Groningentijd een conflict had, heeft hij de naam nauwelijks veranderd (Prof. drs. K. Talsma), maar hij degradeerde hem wel van dr. tot drs. Het is een personage dat er bijzonder slecht afkomt. 

In het Nieuwsblad van het noorden staat bij een bericht over de Nobelprijs bij vergissing het portret van Talsma afgedrukt in plaats van dat van Dingelam. 

Dat snuit van Tamstra in de krant. En als die man nu nog een enigszins fatsoenlijk gezicht had! Maar het is precies de tronie van een spoorloos verdwenen Duitse oorlogsmisdadiger. Moet je dat mondje zien! En die enge oogjes! De overal vruchteloos gezochte voormalige commandant van het Duitse vernietigingskamp. 

Van die vergissing zal Talsma nog misbruik maken. 

Studenten hebben besloten een deel van de universiteit te bezetten, waardoor Dingelam niet meer bij zijn laboratorium kan. Later zal zijn huldiging verhinderd worden door een rookbom. Talsma verklaart zich solidair met de bezetters, maar waarschuwt wel de politie, waarbij hij zich uitgeeft voor Dingelam. 

Dingelam leeft voor zijn vak en hij beseft nauwelijks waarmee de bezetters bezig zijn. 'Baas in eigen reageerbuis' is hun leus. Al op de eerste bladzijde laat de verteller weten dat Dingelam niet veel op heeft met de inspraak die er tegenwoordig geëist wordt op universiteiten. 

Sinds de universiteiten waren gedemocratiseerd, wat inhield dat hij bijna elke week vele uren moest vergaderen om mensen die niets afwisten van de zaken waar ze over praatten, de gelegenheid te geven van hun democratische recht gebruik te maken er toch het hoogste woord over te voeren, ergerde hij zich. 

Aksie!

De modieusheid van het actievoeren blijkt ook uit de spelling die Hermans hanteert als het over de bezetters gaat: aksie, aitems, konkrete situaatsie, prosent, systematiese, tejorie, ekonomiese emansipaatsie, implikaatsies, konsepten, demokraatsie, sosiale en ekonomiese revolutie, repressieve toleransie, hoostesses, sjoow. 

Misschien legt hij een verband met het televisiekijken en typeert hij de studentengeneratie als jongeren die veel tv hebben gekeken. 

Bij het woord 'aitempie' geeft hij een voetnoot: 'telefiesisch voor: onderwerp'. Ook het taalgebruik in de tv-reclame wordt belachelijk gemaakt: heel vaak 'dus'.

Daar kwam die mevrouw die nooit meer kloven in haar vingers had sinds ze het afwasmiddel Lux gebruikte dus. Het water blijft ook langer schuimen dus en het laat geen vette kringen achter in de afwasbak dus en mijn handen blijven gaaf en glad dus. Lux voor de vuile vaat. Met de derde witmaker. 
En daar was die andere mevrouw weer, die haar vlees braadde in Diamantvet dus, omdat het dan veel mooier bruin werd dus en dat alles zonder spatten dus. 
Ook de studenten gebruiken vaak 'dus', en 'weet u wel' zal ook wel zo'n stoplap zijn:

En dat het lijkt of de hele aksie speciaal tegen professor Dingelam was gericht, maar dat is absoluut niet waar, dus. Het gaat om de strukturen van de maatschappij, weet u wel?
Wat ze uiteindelijk willen, is: 'Ol pouwer toe de piepul!'. Ze noemen geregeld Marcuse ('Marcuse heeft zonder aarzeling alle implikaatsies van zijn konsepten geaksepteerd.') maar wat ze over hem zeggen lijkt geen inhoud te hebben. 

Toeval

Uiteindelijk laat Dingelam de universiteit achter zich en hij gaat op reis met Gré, waar ze veel geld winnen in het casino. Stom geluk, zoals het leven van toeval aan elkaar hangt. 

In veel van Hermans' boeken komen stuntels en losers voor, maar Dingelam is een ander soort personage. Hij wordt ineens uitgeroepen tot een bekend persoon, maar wordt daar niet gelukkiger door. 
De nutteloze conversatie met dokter Barend kwam in zijn herinnering terug en bevestigde zijn vermoeden dat de hem toegekende unieke onderscheiding hem tot een van de eenzaamste mensen ter wereld maakte. Alsof hij eigenlijk niet altijd eenzaam was geweest. Maar hij had het tot dusverre tamelijk wel geheim kunnen houden. 
Zijn vrouw is de stabiele factor in zijn leven, op wie hij altijd terug blijkt te kunnen vallen. 

Venijn

Hermans tekent de universitaire wereld met veel venijn. Hij moet daar behoorlijk wat plezier aan beleefd hebben. Zo geeft hij iemand de bijnaam 'Plofje de olifant' en heel vermakelijk is het personage Goudewolf, ex SS'er, wiens hand weigert als hij de benoeming van een joodse hoogleraar moet ondertekenen. Ook heeft zijn rechterarm steeds de neiging om de Hitlergroet te brengen. Tegen de buitenwereld verkondigt hij dat hij in het verzet heeft gezeten: 'Tot over mijn oren, mag ik wel zeggen.' Hij geeft wel toe dat hij niet in een concentratiekamp gezeten heeft, 'maar wel een tijdje gevangen. Maar daar wil ik het nu niet over hebben.'

Grappig is ook dat Roef en Gré een haan krijgen, om te slachten, maar dat kunnen ze niet over hun hart krijgen. Het beest wordt een huisdier, maar poept overal. Uiteindelijk ontsnapt het. 

Ook de beschrijving van de ontmoeting met Talsma in een bordeel, waar alles er heel klungelig aan toe gaat, is op en top Hermans: grappig, met een triest randje.  

Soms duurden gesprekken in het boek me wel wat te lang, soms overheerste de boodschap het verhaal, maar gemiddeld genomen heb ik Onder professoren met veel plezier gelezen. Hermans voert je gemakkelijk mee door het verhaal dat op de meeste plekken genoeg vaart heeft, luchtig van toon is en dat vooral helder is. Het boek haalt het niet bij romans als Nooit meer slapen, De donkere kamer van Damokles, Aantekeningen van een engelbewaarder of Een heilige van de horlogerie, maar het is een roman waar je naar volle tevredenheid een aantal uren aan kunt besteden. 

Eerder schreef ik over:

de Telegraaf 12 september 1975

dinsdag 22 september 2026

Berenvel (Ken Broeders)



Ken Broeders is een geweldige striptekenaar. Hij tekent in een realistische stijl, waarbij hij enorm veel sfeer in zijn tekeningen weet te leggen, mede door de manier waarop hij inkleurt. In de gezichtsuitdrukking van zijn personages brengt hij veel nuances aan. Zo'n beetje elke gemoedstoestand kan hij in een portret tot uitdrukking brengen. 

Bovendien schrijft hij zelf zijn scenario's. Eerder besprak ik Driftwereld en Tarare van hem (links vind je onderaan) en nu ga ik het hebben over zijn laatste album, Berenvel. Er komen enkele bekende motieven in terug. 

Ziel verkocht aan de duivel

De eerste is het verkopen van je ziel aan de duivel. We kennen dat uit verschillende teksten. Eerder besprak ik hier de strip Love in vain, over Robert Johnson (1911 - 1938), die geweldig gitaar kon spelen en het verhaal ging dat hij zijn ziel aan de duivel verkocht had. In de Nederlandse literatuur kennen we het sprookje 'Het gestolen hart' van Godfried Bomans: een arme visser verkoopt zijn hart aan de duivel. Na een jaar mag hij het terug hebben, maar intussen is hij zo versteend dat hij dat niet meer wil. Maar hij heeft een kind. 

Uit dat laatste voorbeeld blijkt dat je je ziel wel aan de duivel kunt verkopen, maar dat dat altijd een prijs heeft. Dat is ook zo bij de jonge soldaat, hoofdpersoon in Berenvel. Het verhaal speelt zich in het verleden af. Laten we zeggen: een paar eeuwen geleden. De oorlog is afgelopen en de soldaat moet zelf in zijn onderhoud voorzien. De duivel (in de gedaante van een oud mannetje) belooft hem een beurs die zichzelf zal vullen, maar dan moet de soldaat zeven jaar rondzwerven. Hij mag zich niet wassen en moet gekleed gaan in het kleed dat de duivel hem geeft. Dat blijkt het vel te zijn van de beer die hij zojuist gedood heeft. De soldaat gaat op het aanbod in. 

Zo'n beurs die zichzelf vult, is een motief dat we kennen uit de strips van Douwe Dabbert, wiens knapzak altijd bevat wat hij op dat moment nodig heeft, en ook uit de strip Pol. Daarin is de snavel van de pelikaan Pelle een onuitputtelijk magazijn. 

Een beest?

De soldaat in de strip van Broeders, die al gauw de naam Berenvel krijgt, heeft het niet gemakkelijk. Door zijn uiterlijk en zijn geur moeten mensen weinig van hem hebben en op de meeste plekken waar hij komt, wordt hij weer weggejaagd. Maar er is een enkele jonge vrouw, Lotte, die door het uiterlijk van Berenvel heen kijkt en van hem houdt. Dat is een motief dat we kennen uit bijvoorbeeld Belle en het beest. Haar zuster kijkt daar heel anders naar en ook de controverse tussen twee zussen (de goede en de slechte) kennen we uit verschillende sprookjes, zoals bij Assepoester en haar stiefzusters. 

Berenvel is een mens op wie een vloek rust. De duivel probeert hem ervan te overtuigen dat hij geen mens meer is. Als hij bedreigd wordt, komt soms de beer in hem boven en kan hij zomaar iemand verscheuren. Maar Berenvel houdt vast aan het menselijke in hem en probeert de duivel te weerstaan. Tegen Lotte heeft hij gezegd dat hij terug zal komen en hij wacht op hem. 

Slot

Het verhaal van Berenvel wordt door Broeders rechttoe rechtaan verteld. Het verloop is redelijk eenvoudig, zoals bij een sprookje. Het zou dan ook in de lijn van het sprookje zijn dat de soldaat het volhoudt en uiteindelijk zijn beloning krijgt. Hij rijdt terug naar Lotte en ze leven nog lang en gelukkig. Maar dat is ook een zoet einde en dat wil Broeders voorkomen. Hij trekt aan het slot het verhaal naar de tijd van de lezer. Dat heeft wel iets grappigs, maar ook iets gekunstelds. Het lijkt of Broeders daar zelf niet helemaal uit gekomen is. 

Maar dat zij hem vergeven. Hij heeft met Berenvel weer een intrigerende strip gemaakt. Het verhaal boeit van begin tot eind, niet alleen door de gebeurtenissen, maar ook door de psychologische diepgang. De getormenteerdheid van de hoofdpersoon blijkt uit elke bladzijde. Het verhaal heeft niet alleen rauwe, maar ook lieflijke kanten. Het is ook weer schitterend getekend. Daardoor is het een verhaal waardoor je je lekker mee kunt laten voeren. Je kunt je onderdompelen in de sfeer van enkele eeuwen geleden en in de strijd tussen goed en kwaad, zoals die zo vaak in sprookjes gevoerd wordt, waarbij het goede behoort te winnen. 

Titel: Berenvel
Tekst en tekeningen: Ken Broeders
Uitgeverij: Uitgeverij L
2026, 48 blz. € 24,99 (hardcover)


Eerder schreef ik over ander werk van Ken Broeders:



maandag 21 september 2026

We zijn hier niet om vrienden te maken (Emma van den Berg)


'Ik ben een vriend, geloof ik', zegt Elmer tegen de vader van Werther Nieland in de beroemde novelle van Gerard Reve. Het is het bekendste citaat uit het boek en het laat zien dat het moeilijk is om te weten wat een vriendschap betekent. Over vriendschap is altijd al geschreven, van De vriendschap van Connie Palmen tot Bougainville van F. Springer en Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Maar de laatste tijd kom ik het thema vaak tegen in recente literatuur. Ik las Aardige vrouwen van Megan van Kessel, ik zag de titel We hebben het over je gehad van Stéphanie Hoogenberk voorbijkomen (Dat boek moet ik maar eens gaan lezen) en ik las We zijn hier niet om vrienden te maken van Emma van den Berg

Dat boek begint met een kort gedeelte, dat niet begint met een hoofdletter, zodat je het idee hebt dat je ergens middenin valt. Het leest als een proloog. Later kom je erachter dat het een stukje is uit het laatste hoofdstuk. 

Het woord 'hoofdstuk' klopt misschien niet helemaal. We zijn hier niet om vrienden te maken is opgebouwd in vier delen en binnen die delen zijn er een soort van hoofdstukken, maar ze zijn niet genummerd en hebben geen titel. Veel van die hoofdstukken (zo noem ik ze toch maar even) zijn scènes uit het leven van de verteller, Felicia, door haar ouder Fee genoemd, door haar vriendin Sacha Fees. 

Sacha en Fees

Het eerste deel heet 'Sacha en Fees' en beschrijft de basisschooltijd van de twee vriendinnen. Aan het eind ervan komt er een derde het verbond, Cat. Een vriendin, maar ze voelt voor Felicia ook als een concurrent. Cat is er ineens als Fees terugkomt van vakantie. 

Sacha wilde met z'n drieën afspreken: zij, Cat en ik. Het was een heel redelijk voorstel, dus zei ik ja, terwijl ik eigenlijk boos wilde doen. Ik wilde dat ze naar mijn vakantie in Frankrijk vroeg en welke smaken ijs ik daar geproefd had. 

Fees heeft de oudere rechten op de vriendschap en ze heeft het idee dat ze daarin voorbijgestreefd is door Cat. Zeker als Cat ook nog op de begrafenis van de oma van Sacha mag komen. 

Ik vroeg me ondertussen af waarom Cat op de begrafenis mocht komen. Ze had Sacha's oma nooit ontmoet toen ze nog leefde en ik vond het behoorlijk vroeg in de vriendschap om iemand uit te nodigen voor de begrafenis van een ander. Sacha en Cat waren nog niet eens op elkaars verjaardagsfeest geweest. Ze wisten niet van welke taarten de ander hield en welke cadeautjes het meest gewenst waren. 

De drie leven in een toeristisch dorp aan het Markermeer. Fees vergelijkt zichzelf en Sacha met het Markermeer en het IJsselmeer, waartussen de Houtribdijk ligt. Dat zou dan Cat zijn, degene die scheiding aanbrengt tussen de twee. 

Onvoorwaardelijk

Het tweede deel ('Sacha en Fees en Cat') beslaat de tijd van de middelbare school. De meiden zijn naar verschillende scholen gegaan, maar ze houden contact met elkaar. Ze hebben een hechte vriendschap en Cat benadrukt de onvoorwaardelijkheid ervan:

Onze vriendschap is onvoorwaardelijk, zei Cat. Ze zei dat wel vaker. 
Ja, zei ik. Sacha knikte.
Als ik een zwerver moest worden óf onze vriendschap op moest geven, dan werd ik een zwerver.
We knikten driftig. Ja, wij ook. 
Ik zou me nog eerder laten verkrachten dan dat ik onze vriendschap opgeef. 
Oké, zei ik. 

Fees knikt driftig mee als Cat het zegt, maar uit haar laatste reactie blijkt toch enige reserve: onvoorwaardelijkheid gaat wel erg ver. 

In de titel van het derde deel, 'Felicitas', is alleen de hoofdpersoon overgebleven, al heeft ze nog wel contact met Sacha en Cat. Felicitas is intussen gaan studeren. Dat de vriendschap niet meer zo stevig is, blijkt bijvoorbeeld als Fees Sacha na een feestje niet naar huis wil brengen, hoewel haar vriendin zich echt niet goed voelt. 

Het is niet direct onwil, het is ook ongemak. Fees voelt zich schuldig omdat ze Sacha tijdens het feestje uit het oog verloren is en ze meent dat ze zich aan een jongen verplicht heeft nog even te blijven. Fees is een zoeker, die probeert uit te vinden hoe het leven eigenlijk moet, wie ze is. 

En dat is niet gemakkelijk. In een appartement woont ze met vier anderen, die elk hun eigen kamer hebben, waarvandaan de geluiden doordringen tot Fees. 

De band die ik had met de buren was de intiemste die ik gekend had. Op hun beurt konden zij mij vaker horen huilen dan mijn vrienden of familie dat ooit gedaan hadden. 

Leugens

Cat is altijd erg aanwezig, weet zich te presenteren en liegt als haar dat beter uitkomt. Dat laatste was er al vanaf het begin, toen Cat vertelde dat ze een fotografisch geheugen had, maar niet meer de plek wist waar ze haar fiets neergezet had. Nu vraag Felicia haar waarom ze liegt. 

Nog een paar tellen bleef ze stil. Omdat ik me dan beter voel over mezelf, fluisterde ze toen terug. Het was geen moment van inkeer of emotie, het bracht ons niet dichter bij elkaar en voelde ook niet kwetsbaar. Ze bracht het op de toon van iemand die woordjes had gestampt en een vertaling oplepelde. Droog en feitelijk. 

Het laat zien dat Felicia intussen anders in de vriendschap staat dan vroeger. In de loop van de tijd gaat het minder goed met Sacha en uiteindelijk wordt ze opgenomen, wat ze aanvankelijk niet wil vertellen. 

Ik wist niet hoe ik haar moest uitleggen dat ik boos was omdat Sacha altijd eerlijk tegen me geweest was, zolang ik mij kon herinneren, en ik wilde niet twee vriendinnen die logen. Ik wilde er maar eentje (...). En ik wist niet hoe ik haar moest uitleggen dat de woede me tegelijkertijd bevrijdde, dat ik het misschien al langer gezocht had, maar nooit een goede reden had gezien om het te voelen. 

Felicia besluit te stoppen met de vriendschap, of die in ieder geval op te schorten. 'Misschien is het beter als we elkaar even niet zien', laat ze weten. Cat reageert met: 'Je hebt ons misschien niet meer zo hard nodig, maar wij jou wel.' Later zal ze zeggen dat ze zichzelf uit de optelsom van hun drieën haalde. 

Ze wil bij de coole mensen horen, maar ze weet niet goed hoe dat moet. En ze heeft al vaak gelezen dat je eerst van jezelf moet houden om van een ander te kunnen houden. Op dat gebied heeft ze nog wel wat werk te doen.

Terugkijken

Dat lezen we in het vierde deel, 'Feest', dat niet zo feestelijk is. Nou ja, Fees viert haar dertigste verjaardag, maar juist dan is ze gedwongen om terug te kijken op de vriendschap van hun drieën. Weliswaar heeft ze negen keer de box dvd's van Friends gekeken, maar ze vraagt af in hoeverre ze een vriendin is geweest. Bij herinneringen heeft ze toch al de neiging om juist de pijnlijke naar boven te halen:

Ik heb het idee dat ik veel belangrijke dingen vergeet, terwijl juist de momenten die ik het liefst zou vergeten me hardnekkig bijblijven. 

Eigenlijk kan ik best vertellen wat er precies in het vierde deel gebeurt, want We zijn hier niet om vrienden te maken moet het niet in de eerste plaats hebben van de plot, maar als iemand toch daar haar of zijn leesplezier aan meent te kunnen ontlenen, wil ik die ook niet voor de voeten lopen en daarom laat ik maar in het midden wat de aanleiding is voor de terugblik van Fees, de eerste drie delen. 

Ze voelt zich achteraf schuldig tegenover Sacha (en Cat):

Ik heb dingen nagelaten en fout gedaan, en kan alleen maar concluderen dat ik hier niet ben om vrienden te maken. Ik zal zonder hen kunnen doorleven, ik zal mijn ledematen aan laten groeien, ik zal ze nooit eindeloos liefhebben. Ik ben bang dat ik vluchtig van haar hield terwijl zij dieper van mij hield. Ik ben bang dat ik slechts verliefd was, als een wind die over het wateroppervlak strijkt, terwijl zij een vriend nodig had, wat een veel dapperder gevoel van mij vereiste, dat ik nooit kon geven. En ik ben bang voor de grenzen die ik ben overgegaan in de nachten die ik bij haar thuis doorbracht, als ik bij haar mocht liggen, de keren dat ik haar aanraakte en ze verstijfde en ik doorging, en ik ben bang voor mijn aandeel in alles wat volgde, want ik wil helemaal niet verantwoordelijk zijn en ik verlang nog steeds naar slachtofferschap. Het lukt me alleen niet meer om het uit de pijn van een ander te halen. 

Dat betekent dat ik ben aangewezen op mijn eigen schamele en vooral doodnormale leven. 

Schamel leven

'Wie zijn makkers in de steek laat, laat alleen zichzelf alleen', schreef George Groot in zijn bewerking van het Solidariteitslied van Bertolt Brecht. Daar moest ik aan denken bij het lezen van We zijn hier niet om vrienden te maken. Fees beziet haar 'eigen schamele leven', waarmee ze verder moet. Pas nadat ze de vriendschap heeft opgezegd en gedwongen is erop terug te kijken, ziet ze wat de som der delen van die vriendschap was, maar ook welke rol zij erin gespeeld heeft. 

Het laatste hoofdstuk in de roman is mij net te expliciet, geeft net te veel uitleg, alsof er toch een soort conclusie moet zijn. Dat vind ik een beetje jammer, want de kracht van het boek zit juist in het laten zien wat er gebeurt, in de aaneenrijging van de scènes, zonder nadere uitleg. En ook heel erg in de vertelstem: die heeft iets laconieks en de ironie die er vaak is, houdt de vertelster een beetje op afstand tot wat er gebeurt, misschien ook wel omdat dat voor haar de minst ongemakkelijke positie is. 

Het gevolg is dat de gebeurtenissen, ook als ze belangrijk zijn, zijdelings verteld lijken te worden. Ook omdat de vertelster misschien niet altijd in de gaten heeft wat er belangrijk is in haar leven. Pas nu ze terugblikt, kan ze het belang scherper zien. 

Ook door de opzet (korte hoofdstukjes), vlieg je bij het lezen door We zijn hier niet om vrienden te maken heen. Maar net als Fees, moet je je daarna afvragen wat je nu eigenlijk gelezen hebt, wat er nu gebeurd is, zoals er ook in je eigen leven soms dingen tussen jou en anderen gebeuren waarvan je maar moeilijk kunt inschatten wat die betekenen. Of misschien neem je niet de moeite om er bij stil te staan. 

Fees heeft bij veel dingen misschien te weinig stil gestaan. Maar de lezer kan er niet omheen. En als het boek uit is, gonst het nog een tijdje na in je hoofd. 

Emma van den Berg, We zijn hier niet om vrienden te maken. Roman. Uitg. Lebowski, 176 blz. € 22,99

woensdag 16 september 2026

Schaduwen der Verlichting 1: De vijand van de mensheid (Alain Ayroles / Richard Guérineau)

De ondertitel van de strip Schaduwen der Verlichting is De brieven van de ridder de Saint-Sauveur. Het eerste deel, De vijand van de mensheid, begint met een 'Noot van de uitgever':

Er is zeer weinig bekend over ridder Justin Fleuri de Saint-Sauveur, zo weinig dat sommigen zelfs betwijfelen of hij  ooit echt heeft bestaan. Zijn briefwisseling, die in ietwat vreemde omstandigheden werd teruggevonden en door een anonieme redacteur werd gekopieerd, is nooit gepubliceerd, vermoedelijk uit angst voor een schandaal, wat doet vermoeden dat de brieven van de ridder wellicht -niettegenstaande tal van onmiskenbare onzorgvuldigheden- een kern van waarheid bevatten. Een authentieke verzameling brieven of epistolaire fictie? Of het verhaal nu waar is of verzonnen, deze bewerking betracht er een zo nauwkeurig mogelijke weergave in stripvorm van te zijn. 

Het lettertype geeft de indruk dat de tekst zo uit een roman van minstens anderhalve eeuw terug had kunnen zijn en ook de inhoud van de tekst plaatst ons terug naar vroeger tijden. Er wordt geheimzinnig gedaan over de herkomst van het manuscript. Dat was indertijd een manier om fictie een schijn van authenticiteit te geven. 

Een van de bekendste voorbeelden is Max Havelaar (1860). Batavus Droogstoppel ontmoet een oude bekende, die in kommervolle omstandigheden is geraakt (Sjaalman) en die overhandigt hem een pak met manuscripten. Daarin bevindt zich ook het verhaal van Max Havelaar. 

In Snikken en grimlachjes (1867) doet François HaverSchmidt alsof hij een jongeman, Piet Paaltjens, heeft ontmoet, van wie hij nu de gedichten bundelt. Hij geeft een levensschets van deze dichter die al acht jaar uit Leiden verdwenen is, maar voor zijn vertrek aan HaverSchmidt zijn gedichten heeft gegeven. 'Men weet haast niets van hem, en wat men nog van hem weet, is hartverscheurend.'

We lezen fictie, maar ergens achter in het hoofd van de lezer blijft er een deur op een kiertje staan: het zou ook nog authentieke non-fictie kunnen zijn. 

De brieven in het cilinderbureau

In het album volgt na de 'Noot van de uitgever' het 'Voorwoord van de samensteller'. De samensteller heeft een brief ontvangen die hem waarschuwt voor een royalistische samenzwering, waarvan de aanstichter 'een in alle opzichten verfoeilijk en schadelijk persoon' zou zijn, 'de gevallen ridder Justin Fleuri de Saint-Sauveur'.

De samensteller krijgt de opdracht de ridder te arresteren, maar die ligt ziek te bed. Later leest hij de brieven die hij in een cilinderbureau heeft gevonden en daarin ontdekt hij het 'schokkende portret van een kwaadaardig persoon'. 

Ik ontdekte uiteindelijk geen royalistisch complot, maar wel de talloze kuiperijen van een doortrapte libertijn wiens misdaden samen zowat alle euvelen van het ancien régime omvatten: meer dan een gevaar voor de natie was hij een vijand van de mensheid!

Die brieven worden nu gepubliceerd, zo geordend dat ze min of meer een verhaal vormen. Natuurlijk dient de publicatie een hoger doel:

Door de wandaden van de ridder, zijn volharding in de boosheid en de onstuitbaarheid van zijn neergang te onthullen, zal de publicatie ervan hopelijk bijdragen tot een triomf van de Deugd. 

Silvester Strips heeft er alles aan gedaan de strip in stijl uit te geven. Zo wordt de coverafbeelding in een soort medaillon geplaatst, evenals het cilinderbureau op de titelpagina en de namen van de uitgever, de scenarist (Alain Ayroles) en de tekenaar (Richard Guérineau) zijn afgedrukt in oude schrijfletters. 

Eunice de Clairefont

Het verhaal begint in 1745, midden in de achttiende eeuw, met een brief van ridder Saint Sauveur aan Mevrouw de ***. De citaten uit de brief zijn cursief gezet in een lettertype dat aan de schrijfletter doet denken. In de brief wordt Eunice de Clairefont geïntroduceerd. Ze heeft belangstelling voor wetenschap en doet aan liefdadigheid. Ze is 'zedig, maar zeker niet vroom', bekoorlijk maar ook onbereikbaar en juist dat zorgt ervoor dat de briefschrijver haar wil 'En ik zal ervoor zorgen dat zij mij ook wil'. 

Eunice schrijft aan haar vriendin 'mevrouw de Chevreuse' over de toenadering van de ridder en dat ze maar niets tegen haar man zal zeggen. 

De omgeving van Eunice de Clairefont is interessant. Ze beweegt zich in intellectuele kringen, waarin gesproken wordt over literatuur en filosofie. Alles ademt de sfeer van de hogere klasse in de achttiende eeuw: diners, spitse gesprekken, belangstelling voor filosofie en wetenschap, maar ook duels en het al dan niet toegeven aan verleiding. Het roept de gedachte op aan Les liaisons dangereuses, een roman uit 1782 van Pierre Choderlos de Laclos. De roman bestaat geheel uit brieven, net als bijvoorbeeld Sara Burgerhart, en deze strip dus. 

Wie een eigentijdser associatie wil, kan denken aan de serie Bridgerton, waarin niet de brieven leidend zijn maar de pamfletten van een aanvankelijk anonieme schrijfster, die de roddels van de dag openbaar maakte. De schrijfster blijkt Penelope Featherington te zijn.

Een authentieke Irokees

Er is in Schaduwen der Verlichting ook aandacht voor het exotische, in de persoon van Adario, 'een authentieke Irokees'. Die treedt soms op als een 'wilde', maar hij wil ook leren lezen en kleedt zich uiteindelijk als de mensen om zich heen. Aan het eind van het album zal de ridder de Saint-Sauveur de oversteek naar Amerika maken. Adario zal hem vergezellen. 

Uit de brieven moet de lezer een soort doorgaande lijn halen. Dat is goed te doen, maar je moet er ook je hoofd bij houden. Goed werk van Alain Ayroles, die daarnaast vooral interessante personages geschapen heeft, die je wel wilt volgen. 

Of Eunice uiteindelijk bezwijkt voor de aandrang van de ridder en of haar man daar uiteindelijk achterkomt, laat ik even in het midden, evenals de rest van de ontwikkelingen. Al wordt ridder de Saint-Sauveur als een gevaar voor de mensheid gezien, je leeft met hem mee, zoals je met Reinaart de Vos meeleeft. Meer dan een schurk is hij een schelm, van wie je wilt dat hij wegkomt met zijn daden. 

De tekeningen zijn van Richard Guérineau, van wie ik eerder Een stil geloof in engelen besprak. Hij weet de sfeer van de achttiende eeuw goed te treffen, door een rake setting. 

Met Schaduwen der Verlichting is uitgeverij Silvester Strips een interessante reeks gestart, die wel wat vraagt van de lezer, maar de beloning voor de inspanning is daarna groot. Er ontvouwt zich een boeiende wereld met sprankelende personages. 

Reeks: Schaduwen der Verlichting, De brieven van ridder De Saint-Sauveur
Deel 1: De vijand van de mensheid
Scenario: Alain Ayroles
Tekeningen en inkleuring: Richard Guérineau
Vertaling: Frederik Van Wonterghem
Uitgever: Silvester Strips
2026, 72 blz. € 24,95 (hardcover)









dinsdag 15 september 2026

Tussenjaren (Yannick Dangre)


Waarom lees je het ene boek en niet het andere? Dat kan ik zelf ook niet altijd nagaan. Sommige schrijvers wil ik volgen en daarom lees ik hun werk, maar andere boeken kom ik toevallig tegen: in een kringloop, via een recensie in een krant, op sociale media. Tussenjaren van Yannick Dangre werd genoemd door een gewaardeerde collega bij de Staatsexamens. Ze was dat boek op dat moment aan het lezen en vond het goed. Ik besloot het te lenen bij de bibliotheek. 

Hoofdpersoon is de hartchirurg Charles Dumont, 61 jaar oud. Hij heeft tegen zijn vrouw Delphine verteld dat hij naar Napels is voor een medisch congres; zijn dochter Claudia heeft hij beloofd dat hij op tijd terug zal zijn om haar drieëndertigste verjaardag te vieren. Maar hij is om een heel andere reden in Napels. 

In het begin van de jaren negentig had hij een relatie met Sylviane, de moeder van Claudia. Het was een heftige relatie, met momenten van intens geluk, maar ook met heel moeilijke perioden. Sylviane was labiel, dronk te veel en is ook elf weken lang opgenomen geweest in een inrichting. Ze heeft Charles en Claudia verlaten en in het briefje dat ze ten afscheid schreef, heeft ze gezegd dat ze na dertig jaar, in 2023, Charles nog een keer wil ontmoeten op 1 juli in Napels. 

In de tussentijd, de tussenjaren, hebben ze geen contact gehad, maar Charles vindt toch dat hij die ontmoeting een kans moet geven. Terwijl hij rond die tijd in het warme Napels is, komt alles uit zijn relatie met Sylviane weer boven. En hij moet het in zijn eentje op een rijtje zien te krijgen, want niemand anders weet ervan. 

De bonkende vuisten van het leven

Stukje bij beetje krijgen we een beeld van wat er allemaal gebeurd is in het verleden, wie Sylviane is en hoe het tot een breuk tussen Charles en haar gekomen is. 

Sylviane wilde uitbundig leven:

Kom nou, Charles, het leven bonkt met al zijn vuisten op onze deur. En als het leven klopt, dan doe je open, toch?

Ze had moeite met het moederschap en het lijkt erop dat haar dochtertje haar gedroomde manier van leven in de weg zit. Ze wilde maximaal leven, joeg dromen na, en Charles was de stabiele factor die haar in de realiteit hield. 

Heeft Charles zich op die manier zijn eigen dromen ontzegd? Als hij vrienden van Sylviane beziet, gefnuikte kunstenaars, bekijkt hij ook zichzelf:

Op welk punt in mijn leven ben ik gaan begrijpen dat ik in niets van die artistieke aasvliegen verschilde, behalve dan dat ik in mijn mislukking had berust? En maakte precies dat mij heimelijk niet nog verwerpelijker dan hen?

Is dat de reden dat hij na dertig jaar teruggaat naar Napels, waar hij ooit met Sylviane was? Hij heeft zijn hele leven op orde gehad en netjes heeft hij gedaan wat hij moest doen. Zat daaronder een verwaarloosde droom?

Dark Eyes

Sylviane was gek op films, vooral die van Fellini. Voor in Tussenjaren staat een motto dat aan hem ontleend is: Niets bestaat. Alles is verbeelding. 

In de roman komen veel films voor. Bijvoorbeeld de film Dark Eyes (1987): Over Romano en Elisa. In Tussenjaren wordt de inhoud ervan samengevat:

Ik moet denken aan een van de laatste scènes uit Dark Eyes, Sylvianes favoriete film, waarin Marcello Mastroianni zijn bazige vrouw ontvlucht naar een kuuroord. Ter plekke beleeft hij een passionele romance met de jonge Russin Anna, die hij dolverliefd achternareist naar haar geboorteland. Hij, Romano, wil vervolgens met haar trouwen, maar moet eerst thuis de echtscheidingspapieren en andere praktische aangelegenheden afhandelen. Vastberaden keert Romano terug naar Italië, waar zijn vrouw Elisa lucht blijkt te hebben gekregen van de affaire. Op de man af vraagt ze hem of hij haar in Rusland bedrogen heeft, waarna je ziet hoe Mastroianni's personage tergend lang aarzelt en je als kijker verwacht dat de emotioneel uitgewoonde, tussen de bankschroef van twee liefde geklemde echtgenoot alles zal opbiechten, tot hij uiteindelijk met een uitgestreken gezicht antwoordt: 'Natuurlijk niet.'
En het verzoende paar leefde nog lang en gelukkig. 
Romano en Elisa verzoenen zich en het avontuur dat hij met Anna heeft beleefd, lijkt slechts een intermezzo. Maar wat is het verband met Tussenjaren? Zijn de jaren van van Charles met Delphine, de tussenjaren, het intermezzo, en verzoenen hij en Sylviane zich? Of is het mogelijke weerzien met Sylviane het intermezzo en keert hij daarna weer terug naar Delphine?

Charles is zich bewust van de parallel. Bovendien hebben Romano en Elisa, net als hij en Sylviane, een dochter: Claudia. De film is een raamvertelling en juist in een van de laatste scènes blijkt dat na zoveel jaar Romano met Anna blijkt te zijn en niet met Elisa. Dat wordt overigens niet verteld in de roman. 

Meeslepend

Tussenjaren is een meeslepend boek. Je wilt weten of Sylviane na zoveel jaren inderdaad verschijnt in Napels. Eigenlijk had ik verwacht dat we dat niet te weten zouden komen, maar Dangre vult het wel in, wat ik misschien wel jammer vind, al blijft er nog genoeg open aan het einde. 

Bovendien zie je hoe de beheerste Charles in Napels wegraakt van zijn gecontroleerde leven. Hij drinkt te veel en je zou kunnen zeggen dat hij daarmee een echo wordt van Sylviane. 

Boeiend is de relatie met zijn dochter Claudia, die nooit het fijne heeft geweten van de relatie van haar vader met haar moeder en het einde ervan. In hoeverre gaat hij haar vertellen wat er speelt en gespeeld heeft?

Alles is verbeelding, zegt Fellini. In hoeverre verbeeldt Charles zich de dingen die gebeuren? Of zet het motto ons op het verkeerde been? Dat zijn vragen die opkomen tijdens het lezen, al liet ik ze ook weer achter me. 

Mensen in crisis, het najagen van dromen of het kiezen voor veiligheid - het zijn thema's waar ook jongeren wel door geraakt zullen worden. Ik heb Tussenjaren nog niet op boekenlijsten gezien, maar ik kan me voorstellen dat het daar uitstekend zou passen. En als je geen scholier meer bent: Tussenjaren is een lekker leesbaar boek, waar je doorheen vliegt. 

maandag 14 september 2026

Off the record (Jan-Willem de Vries, Ben Westervoorde)

Het is een mooie hardcover: Off the record, met voorop een plaatje, een single, zoals we die vroeger wel draaiden op de pick-up, met in het midden een gat, waardoor we de hoofden van de twee personages kunnen zien, Bas en Nina. Het stripboek is gemaakt door Jan-Willem de Vries (tekst) en Ben Westervoorde (tekeningen), die ook de stripbiografie van André Hazes maakten (links onderaan). 

Bas is een oudere man die jarenlang elpees verkocht heeft in zijn muziekwinkeltje. Daar stopt hij mee. Hij heeft een enorme voorraad en die zal hij nog verkopen, maar daarna is het gebeurd. Dan stapt Nina binnen, vijftien jaar oud. Andere generatie, ander referentiekader. De twee vinden elkaar en Bas vertelt graag over de muziek die hem altijd dierbaar is geweest. 

Zeven verhalen

Zijn verhalen, zeven stuks, vormen de inhoud van dit album, dat blijkbaar het eerste in een rij wordt. Dit eerste deel heet Verandering. Dat is een kopje waaronder bijna alles te vangen is, maar goed, de verhalen die Bas vertelt, zijn ook nogal divers en in elk verhaal is wel iets van verandering aan te wijzen. Voorin Off the record worden de artiesten genoemd over wie verteld wordt: Garry Higgins, Billie Eilish, Prince, Edith Piaf, The Zombies, David Bowie en The Spice Girls. 

Nina zal Bas helpen met het verkopen van zijn platen op internet, want daar heeft de oudere man te weinig kaas van gegeten. Ze komt allerlei platen van allerlei artiesten tegen in de winkel en Bas vertelt graag over hen, waarbij hij nogal heen en weer springt in de tijd (van Garry Higgins naar Billie Eilish) en ook de muzieksoorten waarover hij vertelt verschillen onderling nogal (van Edith Piaf tot The Spice Girls). 

Tekst en tekeningen

Maar Nina wil het allemaal horen en wij willen het allemaal lezen, want De Vries vertelt boeiend en Westervoorde tekent helder. De korte biografieën van de artiesten beslaan steeds drie of vier pagina's en zijn ingekleurd met slechts een enkele steunkleur, zodat ze goed te onderscheiden zijn van de gesprekken tussen Bas en Nina, die volledig in kleur zijn. 

Door de diversiteit zal iedereen er wel iets van zijn gading in vinden en muziekliefhebbers willen graag hun kennis uitbreiden, neem ik aan, dus liefhebbers van Prince willen waarschijnlijk ook wel weten wat nu het 'chinck'-incident bij Billie Eilish was (waar ze overigens krachtig afstand van heeft genomen). 

Raamvertelling

De strip is een raamvertelling en dat werkt goed. Bas en Nina zijn twee personages met wie je je gemakkelijk kunt identificeren. In het begin lijkt Bas een tragische figuur, die afstand moet doen van datgene wat hem altijd dierbaar is geweest: het verkopen van platen. Maar hij is vooral een man in wie een vuur brandt, bij wie het enthousiasme voor muziek zo groot is, dat hij er wel over moet vertellen, zeker nu hij een aandachtig publiek heeft. 

Nina is de representant van de jongste generatie, opgegroeid met Spotify. Maar zij is nieuwsgierig en heeft oprechte belangstelling voor de muziek. Ze gaat Bas niet alleen helpen omdat die internetdingetjes haar nu eenmaal gemakkelijker afgaan, maar ook omdat ze zijn verhalen wil horen. 

Literatuurlijst

Achter in Off the record is er een keurige literatuurlijst opgenomen, per artiest, zodat je kunt zien waar Jan-Willem de Vries zijn informatie vandaan gehaald heeft. Bovendien wordt er literatuur genoemd over het verschil in klankkwaliteit tussen vinyl en cd. 

Over popmuziek zijn al veel strips gemaakt, vaak monografieën over een enkele artiest. Hieronder zal ik een aantal links opnemen naar bijdragen die ik daar eerder over schreef. In Off the record zijn de verhalen korter en gaan ze over meer artiesten. Je zou kunnen zeggen dat de verhalen daardoor meer aan de oppervlakte blijven, maar ze zijn dan ook bedoeld als een eerste kennismaking en ik denk dat verschillende lezers toch wel een paar nummers gaan opzoeken (op Spotify, wellicht) om eens te horen wat dat ook alweer voor muziek was. 

Hopelijk werkt het twee kanten op: muziekliefhebbers die geïnteresseerd raken in strips en stripliefhebbers die toch eens gaan luisteren naar muziek die zich wellicht in de periferie van hun interesse bevindt. Off the record kan een breed publiek aanspreken en is daardoor sowieso leuk om iemand cadeau te geven. Succes gegarandeerd. 

Titel: Off the record
Deel 1: Verandering
Tekst: Jan-Willem de Vries
Tekeningen: Bas Westervoorde
Uitgeverij: Personalia
2026, 52 blz. € 29,90 (hardcover)

Eerder schreef ik over:
Hazes, De stripbiografie (Bloed, Zweet)
Hazes, De stripbiografie (Tranen)
Low (David Bowie)
Starman (David Bowie)
Songlife (door Gerrit de Jager)
Het kruispunt (ontmoeting strips en muziek)


donderdag 10 september 2026

Penicillinezalf, Haarlemmerolie, levertraan en Sloan's liniment

 

Mijn ouders gebruikten medicijnen die ik tegenwoordig nooit meer tegenkom. Zo herinner ik me de penicillinezalf, een gelig goedje uit een tube. Als ik een gat in mijn knie gevallen had, deed mijn moeder het op een gaasje en dat ging op de wond. 

Pas nu vraag ik me af of je in die tijd antibiotica zonder doktersrecept kon krijgen. Indertijd vond ik het niet vreemd dat de tube gewoon in de la van het keukenkastje lag. Ik heb kort gezocht op Delpher en in oude kranten komt het geregeld voor, bijvoorbeeld hier. Het middel werd wel verkocht op plaatsen waarin veemarkten gehouden werden, dus mogelijk heeft mijn vader het ooit van 'de mart' meegebracht. 

Indertijd werd al gewaarschuwd tegen het onoordeelkundig gebruik van het middel. Voor zover ik weet, heeft mijn vader het nooit voor het vee gebruikt. 

Haarlemmerolie

Verder hadden we natuurlijk de Haarlemmerolie, een wijdverbreid middel. Ik gok dat al mijn ooms en tantes het in huis hadden. Het zou tegen zo'n beetje alles helpen. Volgens mij gebruikten wij het voornamelijk bij kiespijn en oorpijn. Een watje werd doordrenkt met de sterk ruikende olie en aangebracht in het oor of in de holle kies. Natuurlijk ging de pijn na een tijdje over en dan zou dat door de bruine vloeistof komen. Waarschijnlijk was het de placebowerking. 

Dat er ook capsules waren met Haalemmerolie was iets van later datum, dacht ik, maar ik vond een advertentie uit 1940 waarin de capsules al werden aangeprezen. 

Suriname, Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad 2 januari 1940

Levertraan

Als de 'r' in de maand was (van september tot en met april dus) slikten we een lepel levertraan. Aanvankelijk was dat traan, olie, met een smaakje: sinaasappelsmaak. Later was het de pure, gele olie. De eetlepels die wij thuis hadden, hadden een behoorlijke afmeting, dus het was een beste slok. In mijn herinnering hadden mijn zusje en mijn broertje er nogal moeite mee. Ik vond het ook helemaal niet lekker, maar ik nam maar snel de slok om ervan af te zijn. Mijn moeder erkende ook wel dat het goedje niet lekker smaakte en daarom kregen we meteen na de lepel olie een schep suiker. En daarna snel naar bed. 

Net als de Haarlemmerolie was de levertraan in mijn jeugd al beschikbaar in capsules. Maar die hadden wij niet. Ik vermoed dat je met wat er in de eetlepel ging verscheidene capsules had kunnen vullen. 

Leeuwarder Courant, 4 januari 1958

Sloan's liniment

Verder was er Sloan, een al heel oud middel. Het zat in een flesje dat in een doosje zat en daarop stond het hoofd afgebeeld van een man met een snor. Later zou ik vinden dat die man op mijn ome Ab leek. Mijn moeder gebruikte het als ze last had van haar rug. Als je het spul erop smeerde (het was verkrijgbaar als zalf en als vloeistof), ging de huid gloeien en dat had blijkbaar een verlichtende werking. 

De oudste advertentie voor dit middel kwam ik tegen in de Sheboygan Nieuwsbode, de oudste Nederlandstalige krant in Amerika, die bestond van 1849 tot 1861. De advertentie stamt uit 1851.


Hierboven staat maar een stukje van de advertentie. Het middel blijkt ook bedoeld voor hoornvee en paarden en werd gebruikt bij aandoeningen aan de 'galblaas, verrekking der pezen, kneuzingen, gekwetste pooten, ringbeen, gezwollen enkels, nekgezwel, wratten, spatten, fistel, zadelknobbel, verwrikking, kreupelheid, stijve pooten, stramheid, schurft en paardenziekte.' Letterlijk een paardenmiddel dus. 

Sloan had ook Conditie Poeder, dat ook al een wonderbaarlijke werking had. Het verdrijft 'elke ontsteking en koorts, zuivert het bloed, maakt het vel los, reinigt het water en versterkt elk deel des ligchaams.' Verder heeft het zich een uitmuntend middel voor de volgende ziekten getoond: 'stijfheid, ziekte, vastheid der huid, gebrek aan eetlust, inwendige verrekking, geel water, ontsteking der oogen, vermoeijenis van harden arbeid; ook rhumatiek (gewoonlijk stijfheid genoemd) hetwelk in dit land voor zo menig paard doodelijk is. Het is ook een veilig en zeker middel voor hoest en verkoudheid, welke zoo vele noodlottige ziekten na zich slepen.'

Dat het ook helpt bij 'ziekte' is altijd handig. Dan kun je het overal voor gebruiken. Het tekstje is ondertekend door W.B. Sloan, die nog vertelt dat het middel volkomen veilig is: 'Deze remedies schaden nimmer en genezen altijd, indien de voorschriften worden opgevolgd.' Het hoofddepot bevond zich indertijd in Chicago. 

Blijkbaar hebben de middelen van Sloan in de loop der jaren de oversteek over de oceaan gemaakt en waren ze zelfs in Herveld te koop. Zou mijn moeder het flesje bij Engeltje Dekker gekocht hebben? Toen ik klein was, werd er flink reclame voor gemaakt. En vaak hoefde er geen uitleg bij. Ik kwam een advertentie uit 1960 tegen waarin alleen verteld werd dat het overal verkrijgbaar was.

Het Nieuws, Algemeen Dagblad, 17 mei 1960

Hoe dan ook, wij hadden een flesje Sloan's liniment in huis. We spraken de naam trouwens uit als 'Slowan'. Toen wij klein waren, moesten mijn zusje en ik onszelf soms bezighouden, omdat mijn ouders 'achter' aan het werk waren. Mijn vader molk de koeien en mijn moeder zal ze intussen wel gevoerd hebben en de deel geveegd hebben met een rijshouten bezem. 

Toen mijn moeder eens binnen ging kijken of haar kinderen wel braaf waren en deur naar de gang opende, kwam de kat in paniek de deel op rennen. Hij ging via de stalladder de hooizolder op, likte zich driftig, maar werd daar niet rustiger door. 

Mijn moeder haastte zich naar binnen, waar ze mijn zusje aantrof die op haar buik op de divan lag, met haar trui omhoog. De huid van haar rug, was helemaal rood. Mijn moeder zag het flesje Sloan's liniment en begreep meteen het verband. Ze nam mijn zusje op en hield haar rug onder de pomp om de Sloan van haar af te spoelen. 'Lientje had een zere rug', zei ik. 

Ma snapte ook wel dat niet alles uit het flesje op de rug van mijn zusje terecht was gekomen. Ze vroeg me wat er met de rest van de inhoud gebeurd was. 'Dat heb ik op de poes gedaan', vertelde ik. Er is nog naar het beestje gezocht, maar het is nooit meer gevonden. Mogelijk heb ik door mijn gesmeer de dood van het dier op mijn geweten. Mijn zusje hield er geen nadelige gevolgen aan over. 

Nieuwe Vlaardingsche Courant, 14 november 1962

De foto boven deze bijdrage is uit 1962. In dat jaar werd ik drie en werd mijn zus een jaar oud. Ook de betreffende poes is te zien, die niet veel ouder geworden zal zijn dan op de foto. Hieronder nog een foto van mijn vader en moeder op de deel. In de vaten zat meel (of misschien ook wel biks) dat mijn vader er met de 'meelkop' uit schepte. Links achter aan de muur de 'kippenklok', die ervoor zorgde dat op een bepaalde momenten het licht in het kippenhok aan- of uitging. 

Op deze foto zie je een trap tegen de hooizolder staan. In mijn herinnering was het een ladder, de 'stalleer'.