donderdag 30 juli 2026

De vleespotten van Herveld

Dit gedeelte uit een dagboek schreef ik op 29 september 2023. Daarvoor had ik geschreven over wat we op brood aten en daarbij had ik niet genoemd dat we ook wel eens spek op brood aten. Daarmee begin ik dus. 

Daarna kom ik op het vlees dat we eten, op het slachten en eten van kip en ten slotte, nog eventjes, op het eten van vis. 

Dat we na het slachten op brood ook nier, lever en hart aten, heb ik waarschijnlijk elders al beschreven. 

Bij dit onderwerp heb ik zo gauw geen goede foto paraat en daarom plaats ik maar een foto van ons gezin. Die is genomen in 1966, het jaar dat ik zeven jaar oud werd, mijn zus vijf en mijn broer twee. Mijn vader werd dat jaar zesendertig, mijn moeder dertig (maar die was op deze foto nog negenentwintig). De foto werd genomen toen opa en opoe Loenen vierden dat ze veertig jaar getrouwd waren. Het stukje daarover zal ik nog plaatsen. 



Soms kookt mijn moeder een stuk ‘vet spek’. Daar snijdt ze plakjes van en dat doen we op brood, met mosterd erop. Het is heerlijk. Ik snap niet dat er mensen zijn die niet van spek houden.

Gerookt spek kan ook gekookt worden, net als rookworst. Ook dat is heerlijk op brood. Op zolder, in de spekkast, hangt een gerookte ham, met een laken eromheen, tegen de vliegen, al zouden die eigenlijk niet in de spekkast moeten kunnen komen. Bij het oude huis hadden we niet zo’n kast, aan de Schoolstraat hebben we die wel.

Het gerookte spek moet dun gesneden worden en dat is best lastig. Het is vrij zout, en een beetje hard. Maar ook lekker.

En er zijn altijd rookworsten. Als er geslacht is, brengt mijn vader een veilingkist vol worsten naar Arns, de roker. Onder in de veilingkist liggen kranten, zodat de worsten schoon blijven.

Als de worsten (en de ham) gerookt zijn, komt de kist weer vol terug. Mijn moeder hangt de worsten op de zolder, wat een heerlijke geur geeft. Het zijn heel wat grote rookworsten, niet allemaal even groot. Als ze lang hangen, slaan ze soms een beetje wit uit, maar dat geeft niet.

Er zijn drie kleine worstjes, voor Lientje, Marinus en mij. Die van mij is iets groter dan de andere twee. Ik ben ouder en kan dus meer eten.

Er is ook ‘verse worst’. Die is niet gerookt, maar die is meteen in de diepvries gedaan. Die kun je bakken of koken en dan eet je die worst bij bijvoorbeeld een stamppot. Worst is altijd lekker. Lekkerder dan krabbetjes, die voornamelijk uit bot bestaan, met een beetje vlees eromheen. We eten ze bij de hutspot.

Het lekkerst is gebakken spek. Mijn moeder snijdt het in plakjes en bakt ze heel lang. Als ze ze uit de koekenpan haalt, druipt het vet ervan af. Ook dat vet is lekker. De plakjes spek zijn zo lang gebakken dat de zwoerdjes knapperig geworden zijn. Ze knoepen als je erop bijt. Speklappen zijn soms ook knapperig, maar soms ook niet. Ik heb ze het liefst knapperig.

En dan zijn er natuurlijk nog karbonades. Die kun je kluiven. Mijn ome Henk, het Hommeltje, heeft wel eens verteld dat hij ergens moest eten, blijkbaar bij een deftig iemand. Ze kregen een karbonade en mijn oom nam die ‘op de vuist, zoals hij dat noemt.

De anderen zaten te worstelen met vork en mes. Alleen deftige mensen eten met vork en mes. Wij snijden het vlees met het mes en dan eten we alleen met de vork.

Ome Henk nam de karbonade dus op de vuist, om te kluiven. Enkele andere gasten vonden dat blijkbaar lomp, maar het was een karbonade ‘met handvat’ en die moet je juist kluiven. Dus mijn oom was de enige die het op de juiste manier deed. Tenminste, dat zegt hij. Bij het Hommeltje weet je nooit wat je nu moet geloven en wat niet. Hij liegt dat het gedrukt staat, zegt mijn moeder wel eens. En hij gelooft zelf wat hij zegt.

Verder eten we geregeld gehakt. Mijn moeder kan dat heel lekker maken. Lekkerder dan bij sommige andere moeders. Als er een verjaardag is, bakt ze ook altijd kleine gehaktballetjes. Die kun je een tijd van tevoren maken en op de avond zelf hoeft ze ze alleen maar even op te warmen. Ze doet in elk balletje een cocktailprikker.

Op een van die verjaardagen heb ik zo’n prikker in mijn hand als er iemand naar huis gaat. Mijn moeder loopt mee, de deel over, om de vertrekker uit te zwaaien. De kinderen lopen met haar mee. Daarna rennen we weer naar binnen.

Voor mij rent Joekie. Ik haal hem in en steek mijn prikker in zijn bil. Ik ren snel door naar het voorhuis. Joekie blijft stilstaan. De prikker staat in zijn bil en dat doet hem behoorlijk wat pijn. Voor mij was het maar een grapje, maar dit is niet grappig meer. Ik krijg een uitbrander.

Draadjesvlees is ook lekker. Dat moet heel lang sudderen en dan heb je het lekkerste vlees dat je je kunt voorstellen.

Van tijd tot tijd eten we kip. Dan moet mijn vader een kip slachten. Toen we op de Merkenhorststraat woonden, hadden we een kippenhok. Op het hok liggen golfplaten van asbest. Die worden lekker warm als de zon er een tijdje op staat. Aan de voorkant is het hok veel hoger dan aan de achterkant. Daar kan ik wel op het dak klimmen, via de vlierstruik.

Ik loop over de golfplaten naar het hoogste gedeelte en ga daar liggen. Je kunt goed om je heen kijken van die hoogte. Ik geloof dat mijn vader liever niet heeft, dat ik dat doe, maar ik doe voorzichtig en maak de golfplaten niet kapot.

Als mijn vader een kip gevangen heeft, houdt hij hem vast bij de poten. Hij legt de kip met zijn kop op het hakblok. Met zijn vrije hand pakt hij de bijl. Dat is een grote bijl, die je eigenlijk alleen met twee handen kunt hanteren. Mijn vader noemt het een ‘aks’. Ik heb wel ooms die een klein bijltje hebben. Dat heeft mijn vader niet.

Met die ene hand kan hij moeiteloos de kop van de kip afhakken. Ik kijk naar de kop op het hakblok. De ogen van de kip zijn nu bijna helemaal dicht. Het lijkt wel of er een vliesje over het kippenoog gegaan is.

Mijn vader houdt de kip ver van zich af, want de kip fladdert nog even. Er komen kleine druppeltjes bloed op zijn broek, maar daar trekt hij zich niets van aan. Dan gaat hij de kip slachten.

Er zijn vaders die de kip plukken, dan blijft er een vel over de kip zitten. Dat lijkt me niet lekker. Ik griezel er een beetje van als dat op tafel komt. Mijn vader snijdt bij de buik van de kip het vel open en trekt de kip de jas uit. Hij moet de vleugels kort afsnijden en ook de poten moeten eraf.

Wij willen graag die poten hebben. Als je peutert, zie je een stuk of drie draadjes. Pezen heten die. Als je de goede te pakken hebt en je trekt eraan, krommen de tenen van de kip zich. Soms staan er kinderen bij die dat eng vinden. Die loop ik achterna met mijn kippenpoot. Dat vind ik grappig.

De kale kip wordt opengesneden, van beneden naar boven. ‘Mag ik het hartje?’ vraag ik meteen. ‘En ik de lever?’ zegt Marinus. ‘En ik dan?’ vraagt Lientje. ‘Jij mag de niertjes,’ zeg ik en dan is ze tevreden. Maar een kip heeft geen niertjes. De kip moet eerst nog gebraden worden en dan weten we toch niet meer wat we gevraagd hebben.

De longen en de darmen en zo gaan bij het afval. Mijn vader snijdt de maag open. Het velletje aan de binnenkant van de maag trekt hij eraf. De maag is mooi blauw van binnen, lichtblauw. Mijn vader krijgt altijd de maag, zoals mijn moeder altijd het nekje krijgt. Die lijken me allebei niet zo lekker.

Van oude kippen wordt soep gemaakt. Jonge haantjes worden gebraden. Als kind krijgen wij meestal een vleugeltje. Als we groter zijn, mogen we een poot.

Bij opa en opoe Dojewèrd krijg ik ook een keer kip. Die is nogal droog. Het vlees wordt een bal in mijn mond. Ik blijf erop kauwen, maar de bal lijkt niet kleiner te worden. Ik zou hem het liefst uit mijn mond halen, maar dat durf ik niet. Het duurt heel lang, maar dan heb ik hem toch op.

Soms eten we vis. Vaak op mijn verjaardag. Dan zijn er net nieuwe aardappels. Die eten we dan, met peultjes bijvoorbeeld. Mijn moeder heeft dan kabeljauw gekookt en boterjus gemaakt. Daar doen we mosterd doorheen. Het is heerlijk. Ik heb geluk dat ik in juni jarig ben.

We eten ook wel gebakken vis, maar niet bij het warme eten. Wel ‘s avonds, op brood.

Enkele eerder geplaatste dagboekfragmenten:

woensdag 29 juli 2026

Bob Dylan Illuminated (Theo van den Boogaard)

 

Als er al heel veel over een liedtekst is geschreven en de indruk is dat die tekst nog steeds niet al zijn geheimen heeft geopenbaard, is dat dan een teken van de kwaliteit van de tekst of juist van de tekortkomingen van de tekst? Alleen al over deze vraag kun je een hele tijd discussiëren. 

Er zal ook wel best wel gediscussieerd kunnen worden over de vraag of Bob Dylan het vooral moet hebben van zijn muziek, zijn zang of zijn teksten. Ik hoorde ooit een fan zeggen: 'Bob Dylan is de beste zanger. Punt uit!' Dat is duidelijk iemand die de discussie niet aan wil gaan en dat is jammer. 

Over Dylans teksten is misschien meer overeenstemming, zeker nadat hem de Nobelprijs voor literatuur is toegekend. Dat wil overigens niet zeggen dat al die teksten gemakkelijk te doorgronden zijn. 

Het boek Bob Dylan Illumintaded, van Theo van den Boogaard dwong me om nauwkeurig enkele teksten te lezen, te herlezen en te herherlezen. Hij heeft namelijk vijf van die teksten gevangen in tekeningen. Het betreft de nummers: 'Ballad of a thin man', 'It takes a lot to laugh, it takes a train to cry', 'Don't think twice, it's all right', 'When the deal goes down' en 'Lay, lady, lay.'

Het zijn behoorlijk wat tekeningen; het boek is 160 blz. dik geworden en bevat nauwelijks tekst. Voor elk nummer zijn twee QR-codes opgenomen. De ene leidt je naar het nummer zoals dat gezongen is door Bob Dylan, de andere naar de uitvoering door de band waarin Theo van den Boogaard zingt en mondharmonica speelt. De andere bandleden zijn: Wim Veenhof, Jac Bico, Bart de Ruiter en Léon Klaasse. Bij die uitvoering, op YouTube zijn de tekeningen mooi gecombineerd met de muziek, zodat je ziet bij welke zin uit het lied welke tekening past. 

Je kunt lang met Bob Dylan Illuminated bezig kunt zijn. Je wilt die nummers in beide uitvoeringen namelijk verschillende keren horen en de tekeningen goed bekijken. 

Ballad of a thin man

Het eerste nummer, 'Ballad Of A Thin Man' (1965) is een vrij duistere tekst. Steeds komt de volgende passage terug:

Because something is happening here
But you don’t know what it is
Do you, Mister Jones?

Wie is die mister Jones? Iemand beweert dat het een interviewer was die Dylan moest interviewen, maar niet goed thuis was in waarover het ging. Dat is tenminste wat ik op Reddit vond. In de gedachtewisseling daarover verwees iemand nog naar een nummer van The Beatles, Yer Blue, geschreven door John Lennon, met daarin de zin 

I feel so suicidal
Just like Dylan's Mr. Jones

Maar is die Mr. Jones zo suïcidaal? Dat hij niet begrijpt wat er allemaal gebeurt, is duidelijk. Ik heb ook ergens de suggestie gelezen dat de luisteraar Mr. Jones zou zijn. Of dat klopt, weet ik niet, maar het is een interessante invalshoek. 

Een uitgebreide analyse van het nummer, door Sander Bax, vind je hier.

Met de tekst ernaast heb ik plaatje voor plaatje bekeken. Je merkt dat Van den Boogaard soms de tekst letterlijk volgt en soms zijn fantasie de vrije loop laat. Zo wordt er in dit nummer wel verteld dat er een 'geek' is, maar niet wat voor een. Dat vult Van den Boogaard in. 

Luchtigheid en liefde

Er zit altijd iets luchtigs in de tekeningen van Van den Boogaard, alsof ze met een ironisch glimlachje getekend zijn. En soms kun je er hardop om lachen. Bij dit nummer is dat overduidelijk. De hoofdpersoon komt in verschillende gedaanten voor, bijvoorbeeld in die van een kip en een dromedaris, maar hij blijft hetzelfde pak dragen, waardoor hij herkenbaar blijft. 

Maar het is niet alleen maar luchtigheid. Tegelijkertijd merk je met hoeveel aandacht elke tekening gemaakt is en als je ziet hoeveel tekeningen er soms nodig zijn om een enkel nummer te verbeelden, bedenk je dat zoveel aandacht heel veel liefde voor die muziek verraadt. Dat is trouwens ook te merken aan de uitvoering van de band, die duidelijk respect voor het origineel laat zien. Maar goed gespeeld, goed gezongen. Lekker om naar te luisteren. 

Het eerste nummer beslaat al ongeveer een derde van het boek. De andere nummers zijn in minder tekeningen geïllustreerd. Soms omdat ze korter zijn, maar soms ook omdat ze niet helemaal in de tekeningen terug te vinden zijn. Bij 'When the Deal Goes Down' raakte ik de weg een beetje kwijt en toen ik op YouTube keek naar de combinatie van muziek en tekeningen werd me duidelijk dat na twee van de drie coupletten er geen tekeningen meer volgen. 

In het persbericht bij dit boek wordt verteld Van den Boogaard ooit begon in Hitweek en dat zijn strips pasten in de rebelse sfeer van de undergroundstrips van die tijd. Eigenzinnig zijn de tekeningen zeker, maar het rebelse zie ik er na zoveel jaren minder aan af. 

Er wordt ook nog verteld dat je bij de titel moet denken aan een uitspraak van Bob Dylan: 'Keep a good head and always carry a light bulb.' Daarom komen er gloeilampen voor in de tekeningen. Hoofden van mensen zijn soms door een lampje vervangen en als de tekst van Dylan zegt dat iemand het licht aandoet, laat Van den Boogaard het licht in iemands hoofd aangaan. Bij de passage 'If I die, on top of the hill', knapt de lampenbol, die het hoofd van iemand is. Zo wordt het licht een leidmotief in het boek. 

Lay, lady, lay

Goed geslaagd zijn ook de tekeningen bij 'Lay, lady, lay'. In het nummer wordt de lady verschillende keren uitgenodigd om te gaan liggen 'across my big brass bed'. Dylan maakte zelf een schets van het bed bij de tekst. 


Madonna vertelde ooit dat ze op bed lag en luisterde naar het nummer. Ze kon niet ophouden met huilen, hoewel het geen verdrietig nummer is. 

Uitbundig

In de tekeningen Van Van den Boogaard is het steeds een andere kunstenaar die de vrouw uitnodigt. Bij Rembrandt ziet het bed er heel anders uit dan bij Mondriaan, al blijft het een koperen ledikant. Het bed bij Van Gogh lijkt het meest op de tekening van Bob Dylan. Heel grappig is dat de kunstenaars het resultaat tonen en dan blijkt Van Gogh een Picasso geschilderd te hebben, Mondriaan een Van Gogh en Rembrandt een Mondriaan. Het is een bijzonder vrolijke serie tekeningen geworden. De meest uitbundige van de vijf. 

Uitgeverij Personalia heeft er een mooie uitgave van gemaakt: gebonden, stofomslag, vrij groot formaat. Eerder verscheen ook Bob Dylan Illustrated, die me jammer genoeg ontgaan is. 

Naar de nummers van Bob Dylan zal ik nog vaak genoeg luisteren. Grote kans dat na het bekijken van Bob Dylan Illuminated er in mijn hoofd bij sommige nummers nu steeds de beelden van Theo van den Boogaard aanmaakt. Dat is bepaald geen straf. 

Theo van den Boogaard, Bob Dylan Illuminated. Uitg. Personalia, 2026; 160 blz. € 44,90 (hardcover, stofomslag)




'You’ve been through all of F. Scott Fitzgerald’s books' (Ballad of a thin man)

Still I wish there was somethin’ you would do or say (Don't think twice, it's all right)

Don't think twice, it's all right

dinsdag 28 juli 2026

Een moeder van niks (Annemarie Oster)

Geregeld lees ik wat oudere boeken om de gaten in mijn kennis iets kleiner te maken. Daarbij heb ik vooral aandacht voor vrouwelijke auteurs, omdat ik vermoed dat ik die nogal eens veronachtzaamd heb. Daarom heb ik bijvoorbeeld ook geschreven over bijvoorbeeld Aleida LeeuwenbergIna Boudier-BakkerHermine Heijermans en Anja Meulenbelt.

Deze keer schrijf ik over Annemarie Oster. Ik had nooit wat van haar gelezen, wel eens iets over haar. In 2025 verscheen er een boek van haar: Mannen. Over charmeurs, egotrippers, kroegtijgers, hoogvliegers en gewoon leuke jongens. Leek me een leuk boek. Ga ik misschien ook nog lezen. 

Wat wist ik verder van haar? Wie haar ouders zijn (want dat wordt er altijd bij vermeld als het over haar gaat) en wat titels: Een moeder van niks (1980) en Mooi geweest (2022). Die laatste titel staat me erg aan, vanwege de ironie erin. Ik dacht dat ze ook Dame in broekpak had geschreven, maar dat is van Annie van den Oever. Van haar heb ik ook nooit wat gelezen en dat moet ik wel gaan doen. 

En ik wist dat Oster Bomans goed gekend heeft. Ik heb de biografie in huis en heb gekeken wat daar over haar gezegd wordt. Niet dat Bomans haar 'Dijmans' noemde. Blijkbaar vond hij haar benen bijzonder. Ik zal Oster dat wel eens hebben horen zeggen in een documentaire over Bomans, vermoed ik. 

NRC Handelsblad, 28 november 1980

Verhalen, columns

Een moeder van niks was haar debuut. Volgens de ondertitel zijn het verhalen, zeventien stuks, maar ze lezen als columns. Misschien omdat de auteur er zelf prominent in voorkomt en dat er van fictie weinig sprake lijkt te zijn. De verhalen gaan over het moederschap. 

Indertijd moet het een succesvol boekje zijn geweest. De eerste druk verscheen in september 1980 en een maand later moest het al herdrukt worden. Ik las de vierde druk, uit april 1981. 

Carmiggelt prijst op de flaptekst Een moeder van niks aan. Die tekst leest wel erg als een reclametekst en tijdens het lezen van de verhalen vroeg ik me af of ik ook nog verwantschap met het werk van Carmiggelt kon ontdekken.

Ook hij kwam vaak in zijn eigen stukjes voor en hij observeerde de wereld en vooral de mensen om zich heen scherp. Die scherpe observaties heeft Annemarie Oster zeker. 

Het dichtst bij Carmiggelt komt ze in het verhaal 'Zielig vriendje' over een jongetje van wie de moeder het gezin heeft verlaten. Ze praat met de vader. Die ogenschijnlijk liefdevol over zijn ex-partner praat, maar daar ook iets vileins doorheen laat glippen. Hij wordt getypeerd door hoe hij vertelt, zoals Carmiggelt dat ook deed. Oster maakt van de vader prachtig een personage. Dan komt wat Oster schrijft nog het dichtst bij een verhaal. 

Voor de rest lees ik ze als columns en misschien zijn ze dat voor een deel ook wel geweest. Het zou zomaar kunnen zijn dat een verhaal opgebouwd is uit verschillende columnachtige teksten. 

Troostend

Oster schrijft dus over de opvoeding. Die komt voornamelijk op de moeder neer in haar boek en dat valt nog niet mee. Je kunt van alles verkeerd doen en dat doe je dan dus ook. 

Ik kan me voorstellen dat het voor de opvoeders van toen heel troostend was om deze verhalen te lezen. Lastige situaties komen in alle gezinnen voor en blijkbaar mag je daar openlijk over praten. Het moederschap hoeft blijkbaar niet alleen een zegen te zijn, het heeft ook moeilijke of ronduit vervelende kanten. 

Neem nu een situatie als deze:

Het is lekker weer en ze vervelen jou en zichzelf tot gekwordens toe. 'Waarom gaan jullie niet buiten spelen?' Een opdracht in vragende vorm, bovendien nog verpakt als negatief zwakte-bod, 'waarom nou niet', is tot mislukken gedoemd. Je had het kunnen weten, druiloor. En zeker met iets te veel volume, na opgekropte irritatie onvermijdelijk. Dan wil het zelfs wel eens een averechts effekt sorteren, zoals verlammingsverschijnselen, op de grond liggen, ergens aan hangen of over elkaar heen dweilen. 'Nee, we willen binnen.'

Of dat je een situatie daadkrachtig ter hand neemt, maar dat je, terwijl je dat doet al begint te twijfelen aan je beslissing.

Was jij een meisje van Jan de Wit! Vooruit, jij moest het heft maar weer in handen nemen: 'jongens we gaan op onderzoek uit.'
Nauwelijks had je die veelbelovende woorden uitgesproken, of het werd je bang te moede want kon je dit vooruitzicht wel invullen, liep de voorgenomen tocht met jou als zonnig akela aan de kop, niet op stront uit?

Het moederschap slurpt veel energie op. Dat heeft de vertelster er ook echt wel voor over, maar ze vraagt zich ook af of ze daarbij niet over haar eigen grenzen gaat. 

Ja jongetjes, vriendjes, jullie hebben het leuk gehad en mamma dus ook want die houdt van jullie. Maar misschien iets te veel en misschien iets te weinig van zich zelf...

Dame, werkster, hoer, moeder

En het is niet alleen het moederschap. De vrouw heeft veel rollen. En in al die rollen moet ze excelleren. Vinden anderen. Maar vindt ze vooral ook zelf. De opvattingen van de maatschappij zijn geïnternaliseerd en het is heel moeilijk om je daaraan te onttekken. 

Hoe was het ook weer? Dame op straat, werkster in de keuken. Hoer in bed. En moeder, waar zat die?

Deze drie rollen komen in twee verschillende verhalen expliciet terug. 

Door het moederschap is de vertelster in een andere fase terechtgekomen. Er is ineens een verantwoordelijkheid die er daarvoor niet was en je bent ook ineens geen meisje meer, maar een vrouw. En niemand heeft het erover dat het moeilijk is. Voor de lezers is het natuurlijk fijn dat dat eens opgeschreven wordt en voor de vertelster is het fijn als ze hetzelfde geworstel in iemand anders herkent.

Hoe weinig geestverwante ook, opeens kun je zielsveel van zo'n vrouw houden al was het alleen maar doordat je weer eens bewezen ziet dat je niet de enige bent, niet de enige geteisterde moeder en dus nooit meer meisje, niet de enige met dat afgedwongen verantwoordelijkheidsgevoel waarvan je zo jong schijnt te blijven maar waardoor jij je juist vaak zo stokoud voelt.

Kwetsbaar

Je bent kwetsbaar in je kinderen en je maakt je zorgen over hen. Als ze naar een nieuwe school gaan, hou je ze extra in de gaten. 

Op de officiële kennismakingsavond een paar weken later als de school op volle toeren draait, zegt de juffrouw op voorzichtige toon dat je zoon wat 'aanpassingsmoeilijkheden' heeft. Ze had je net zo goed met de vlakke hand een klap in je gezicht kunnen geven. 

En je kinderen zelf wat laten doen (iets kopen, bijvoorbeeld) gaat gepaard met zorgen en met fantasieën over wat er allemaal kan gebeuren. 

Terwijl jij je nog paniekerig zorgen had staan maken dat ze uren moesten wachten, -al die grote klerelijers zouden natuurlijk voordringen, ze onder de voet lopen of hun geld zou vallen en als ze het op wilden rapen, zou een botte laars op hun handje trappen of ze zouden in de verdrukking komen tussen dat nietsontziend, gevoelloos volkje. Niets daarvan. Ze deden gewoon wat er gedaan moest worden en verder geen nieuws. 

En de vertelster wil het juist zo graag goed doen. Ze geeft een blik in haar verleden, toen ze als meisje last over de familie De Bloeme, in een christelijk jeugdboek, en zich identificeerde met het voorbeeldige meisje Meta. Zoals Meta zou ze ook willen zijn en daarin schoot ze steeds tekort. 

Het geploeter van een vrouw die alles maar op de rit moet houden, die voor de buitenwereld dat met een zekere opgewektheid doet, maar die ook haar twijfels heeft, die ook niet altijd het geduld heeft, die soms ook niet weet hoe het allemaal moet - dat zal indertijd zeer herkenbaar en, zoals gezegd, troostend geweest zijn. 

En de verhalen lezen ook wel lekker. Er zit een montere toon in, ook (of juist) als ze over de lastige dingen schrijft. Door de ironie zit er ook altijd wel wat afstand in, maar die ironie maakt het moeilijke ook verteerbaar. Het lezen roept een glimlach op en toch kun je niet heen om wat er staat: dat opvoeden geen kattenpis is. 

Schuldgevoelens

Natuurlijk is Annemarie Oster geen moeder van niks, maar het is de vrees om dat gevonden te worden, de gedachte aan het oordeel van anderen dat soms ook het oordeel van jezelf is. Zeker nu ze is gaan schrijven. Er komt een oppas voor de kinderen, maar intussen zit moeder in een ander vertrek te schrijven. Fijn dat het zo kan, maar ze is vervuld van schuldgevoelens. 

Moeder van het jaar nul die haar kinderen niet eens zelf verzorgt omdat ze zich zo nodig moet ontplooien, creatief wil zijn... creatief, dat kun je ook met de kinders samen: boetseren, knutselen... of je neemt een werkje ter hand, ben je tóch aanspreekbaar... Maar nee... luxepop moet zich zo nodig afzonderen, in het luchtledige oplossen: dag mamma... pfft, een stofwolk en mamma is vervluchtigd, bestaat alleen nog uit twee ijle handen boven de schrijfmachine en voor de rest... niet thuis!

 Schuldgevoelens, zelfverwijt - ze zijn nooit ver weg in Een moeder van niks. Vaak nog wel een beetje luchtig verwoord.

Als moeder faal je dat het een aard heeft, je schrijft uitsluitend kokette nonsens en mooi ben je ook al lang niet meer, zo je het ooit geweest bent. 

Maar onder de lichtheid zit wel degelijk zwaarte en die brengt Oster zeker over. 

Eigenlijk heb ik Een moeder van niks niet als literatuur gelezen. Ik was tijdens het lezen ook helemaal niet zo gericht op hoe het geschreven was, maar meer op wat Oster over wilde brengen, wat dat zei over de maatschappij van toen en mogelijk nog steeds over die van nu, waarin moeders door de sociale media nog meer normen opgelegd krijgen (of zichzelf normen opleggen) waaraan ze moeten voldoen. 

Opvallend is de eigenzinnige spelling, die toen ongetwijfeld als modern gold en waaraan ik me indertijd ook wel schuldig heb gemaakt. Blijkbaar was de 'c' een conservatieve letter en die moest dus zoveel mogelijk door de 'k' vervangen worden: kompetitie, kommentaar, kapitulerend, gekombineerd, dekorgeveltjes en nog veel meer 'k's'. Nu doet dat juist gedateerd aan. 

Misschien geldt dat ook wel voor nieuwvormingen als: af-laten-weterig, met een kluitje in het ried stuurderig gedrag, dit soort natte-hond-achtige medemannen. Maar, met mate gebruikt, hebben die ook wel iets grappigs. 

Ik denk dat de kracht van Een moeder van niks zit in de scherpe observatie, van de omgeving, van de kinderen, van de vertelster zelf. En die dan nauwkeurig verwoorden, zodat anderen herkennen waarover het gaat. 

Natuurlijk gaat het over een andere tijd en als er verteld wordt over De Man van Zes Miljoen is dat voor mij zelfs pure nostalgie. Maar de problematiek is actueel: de eisen die aan je gesteld worden en waaraan je wilt voldoen, ook als je inziet dat dat eigenlijk te veel gevraagd is. Hoe je op die manier klem komt te zitten, heeft Oster goed beschreven. 


Toen ik zocht op 'Annemarie Oster, Een moeder van niks', omdat ik een afbeelding wilde van het boek in de uitgave die ik gelezen had, stuitte ik op deze foto. In het boek dat ik hierboven bespreek, zijn de kinderen jonger: de jongste is nog een kleuter. De omslagtekening van Een moeder van niks is van Anjo Mutsaars, die verschillende omslagtekeningen zou maken voor de Salamanderreeks. 

maandag 27 juli 2026

De geest van Warren integraal (Brunschwig / Servain)


 Het integraal (her)uitgeven van strips is aan de orde van de dag. Er is blijkbaar publiek voor en dat is niet zo vreemd: vaak zijn het mooie hardcovers, die meer bewaarwaardig zijn dan de kapotgelezen albums die soms decennialang meegaan. Verder bevindt zich vaak voor of achter in zo'n uitgave een dossier met achtergrondinformatie, die de strip of de stripmaker meer context geeft. Daarbij worden vaak illustraties afgedrukt die je nog niet eerder hebt gezien. 

Ik weet niet of er onderzoek gedaan is naar de lezers van integrale uitgaven, maar ik zou me voor kunnen stellen dat het voor een groot deel wat oudere lezers zijn, die uit nostalgische overwegingen zo'n uitgave willen hebben. Ze hebben in hun jeugd genoten van de strips en proberen dat gevoel tijdens het herlezen terug te halen. 

Voor een uitgever is het natuurlijk prettig als de uitgave ook een nieuw publiek trekt, dat kennis wil maken met een nog onbekende strip en na het eerste deel alle volgende delen ook wil lezen. 

De strip De geest van Warren kende ik tot voor kort niet. Nooit gelezen, nooit iets over gelezen ook. Maar de cover vond ik intrigerend. Die is geheel zwart en daaruit duikt het portret op van iemand die tot de oorspronkelijke Amerikanen zou kunnen behoren. Hij kijkt je strak aan en is moeilijk te peilen. 

Vier delen

Dat in de mooie uitgave geen dossier is opgenomen, vond ik aanvankelijk wat jammer. Ik had wel wat meer context bij deze strip willen hebben. Tijdens het lezen was ik vooral blij dat ik nu vier albums van deze strip na elkaar kon lezen. De titels van de delen zijn: Het negentiende slachtoffer, De legende van de nieuwe man, Het kind in de tuin en Nog een paar uur te leven

De geest van Warren is eigenlijk een lang verhaal en als je de delen na elkaar leest, zie je de grote lijnen. Je valt bij het begin van het eerste deel in het verhaal. Het is rond Kerstmis, een man worstelt met zijn kerstmankostuum, of in ieder geval met zijn baard. Uiteindelijk loopt het uit op moord, zonder dat je nu direct in de gaten hebt wat daarachter zit. 

Dat wordt in de loop van het album wel duidelijk en nog duidelijker wordt het in het tweede deel, waarin je terugspringt naar de jeugd van een van de personages. 

Warren Wednesday

Warren Wednesday is een duistere figuur. Hij is al vierentwintig jaar geleden ter dood gebracht, nadat de door justitie hem de doodstraf was opgelegd. Op het moment dat Warren stierf werd er een kind geboren. Het lijkt erop dat de geest van Warren overgegaan is in het kind. 

Het kind wordt een jongen en als hij groter is, treffen twee andere jongens, Johnny en Stan, hem gewond aan. Ze verbergen hem, maar hij wordt toch opgepakt. Warren besluit zich te wreken, wat tot gevolg heeft dat een van de jongens zijn leven niet meer zeker is. Als hij volwassen is, kan Warren elk moment opduiken, in wat voor lichaam dan ook. Maar als Warren de kans krijgt om met hem af te rekenen, doodt hij hem toch niet. 

Dit is een verhaal dat een Netflixserie waard zou zijn. Een verhaal met voortdurende dreiging, dat steeds je hersens aan de gang zet. Veel vaart, veel spanning, intrigerende personages. Het scenario is van Luc Brunschwig, de tekeningen zijn van Servain. De inkleuring in de eerste drie delen is van Claude Guth, die van het vierde deel van Delphine Rieu. De vertaler van de teksten wordt vreemd genoeg niet vermeld. 

Gelaagd

Het verhaal had me meteen te pakken. Als lezer wil je niet alleen weten hoe het zit, maar ook hoe het verder zal gaan. De personages zijn gelaagd. Johnny en Stan zijn vrienden. Stan heeft een gewelddadige vader die hem mishandelt. Aangifte doen zal geen resultaat hebben, want zijn vader werkt bij de politie. Dat is op zich al een stevige verhaallijn. 

En zo gaat het bij alle belangrijke personages. Door hun achtergrond krijgen, ze diepte, worden ze complete karakters. Warren is bijvoorbeeld niet alleen maar slecht. Er zijn ook manifestaties van hem waarin hij als een idealist naar voren komt en dat een jongen in een tehuis het op een gegeven moment niet meer uithoudt, is ook begrijpelijk. 

Het kwaad is steeds aanwezig in de wereld van deze strip. Ook als de situatie zo is dat de personages onbekommerd hun leven leven, weet je dat dat zomaar voorbij kan zijn, dat het ergste hen kan treffen. 

De relatie tussen Warren en Johnny is gecompliceerd. Warren zit vol wraakgevoelens, maar blijkbaar is hij niet zo hardvochtig dat hij een einde maakt aan het leven van Johnny als hij daar de kans voor krijgt. 

Mooi zijn ook de leidmotieven, zoals de witte kat (Vlok) die geregeld opduikt en die zowel iets vertrouwds als iets dreigends krijgt. 

Verhaal en tekeningen

Het verhaal van Luc Brunschwig zit goed in elkaar en doseert de informatie zo, dat die aan de ene kant je nieuwsgierigheid bevredigt, maar aan de andere kant weer nieuwe nieuwsgierigheid opwekt. De tekeningen van Servain zijn realistisch, helder en dienstbaar aan het verhaal. Ze riepen bij me gedachten op aan sommige strips van William Vance, maar ik kan niet beoordelen in hoeverre die associatie terecht is. 

In ieder geval is De geest van Warren een boeiende strip: goed verteld, goed getekend, mooi uitgegeven. Ik kende de strip vooraf niet en was aangenaam verrast. 

Titel: De geest van Warren
Scenario: Luc Brunschwig
Tekeningen: Servain
Inkleuring: Claude Guth / Delphine Rieu
Uitgeverij: Tzooz
2026, 224 blz. € 36,95 (hardcover)

donderdag 23 juli 2026

Luiewijvenbrood

Weer een passage, geknipt uit een dagboek, misschien nog wel met een kop, maar zonder staart. Ik begin te schrijven over wat ik vroeger at, maar, maar ga al gauw over naar de broodmaaltijd. Die aten wij in de ochtend, het ontbijt dus, en aan het eind van de middag. Warm aten we 'tussen de middag'. 

Een paar weken geleden schreef ik al over de toetjes van toen. Nu dus over de broodmaaltijd. Lang geleden vertelde ik hier over de bakker die langs de deur kwam. Het dagboekgedeelte hieronder schreef ik drie jaar geleden, op 17 augustus 2023. 

Marinus, neefje Herman, Teunis, Lientje. Brood eten bij opa en opoe Dojewèrd op de bank

Als baby krijg ik borstvoeding. Elke keer als ik huil, denkt mijn moeder dat ik honger heb en dan geeft ze me weer de borst. Ik groei daardoor als kool. Mijn nicht Johanna is een maand jonger dan ik, maar op sommige foto’s lijk ik anderhalf keer zo zwaar als zij.
Teunis en Johanna


Ik heb een emaillen bordje met twee konijnen met een wortel erop. Er hoort een bestekje bij dat ik de rest van mijn leven zal bewaren, evenals de metalen beker met een konijntje erop. In het bordje maakt mijn moeder later Brinta klaar. Er is ook Bambix te koop, dat iets fijner is dan Brinta, maar dat krijg ik niet.

Verder is er Liga. Mijn moeder verkruimelt die soms en doet er melk bij en/of een beetje sinaasappelsap. Al gauw eet ik de warme maaltijd met de pot mee. Als ik mijn groente niet wil eten, doet mijn moeder er een schep suiker doorheen en dan eet ik het wel.

Het brood dat wij eten, wordt gebracht door de bakker. Mijn vader snijdt het op de plank die mijn opa (van moederskant) gemaakt heeft. Misschien heeft hij ook wel het houten handvat van de broodzaag gemaakt. Mijn vader snijdt dikke sneden brood, zodat we minder beleg nodig hebben. Als ik wat groter ben, komt er gesneden brood in de handel. Dat koopt mijn moeder niet. Ze noemt het 'luiewijvenbrood'.

Op brood hebben we altijd vleeswaren en kaas. Hagelslag is er ook altijd, net als stroop, basterdsuiker, jam, chocoladepasta (dat wij gewoon ‘pasta’ noemen), vruchtenhagel en soms appelstroop. In de tijd van de pruimen is er ‘slemp’ (gestoofde pruimen). Dat mogen we gerust dik op onze boterham smeren. Bij uitzondering mogen we speculaasjes op brood.

De jam maakt mijn moeder zelf: van bramen, bessen, frambozen, aardbeien, kruisbessen, pruimen of een combinatie. Ook wel eens van kersen, maar die jam wordt meestal niet goed dik, hoeveel Opekta mijn moeder er ook bij doet. Een enkele keer is er jam van vlierbessen, maar misschien is dat maar een eenmalig experiment.

De potjes gaan in de weckketel en die wordt op de grote gaspit gezet, waar mijn moeder ook de was op kookt. Het is een tref als alle potjes daarna dichtzitten.

Als er net geslacht is, is het feest. Van het varken kookt mijn moeder het hart, de lever, de nieren en de tong. We vinden het allemaal even lekker. Er is dan ook smout. Dat smeren we op brood in plaats van margarine en dan smeren we er stroop overheen of we strooien er suiker over.

Na de slacht bakt mijn moeder ook kaantjes. Heel vet, maar het is heerlijk. We smeren stroop op ons brood en daar komen de kaantjes op. Als we geluk hebben, bakt ma smoutappeltjes, dan zitten er ook nog zoete appeltjes door de kaantjes. De appels zijn soms een beetje stroperig.

Mijn moeder maakt ook hoofdkaas. Soms doet ze die in het zuur: zure zult. Maar zonder zuur vind ik de hoofdkaas ook lekker. Ook maakt mijn moeder leverworst. Eigenlijk is het leverpastei. Zowel de hoofdkaas als de leverworst zijn grijs. Later zal er roze leverworst op de markt komen. Daar zit kleurstof in.

En er wordt balkenbrij gekookt. Dat is zwaar werk. Mijn moeder moet de brij roeren, die in een grote pan zit en steeds taaier wordt. Ze breekt er wel eens een houten lepel mee. De balkenbrij is paars. Dat komt door het rommelkruid dat mijn moeder erin doet. Er zitten ook rozijnen in. Andere moeders hebben soms een ander recept. Ik vind de balkenbrij van mijn moeder het lekkerst.

Als de balkenbrij net gekookt is, kun je die warm eten. Mijn moeder schept een diep bord vol. Wij maken een kuiltje in het midden en daar doen we heel veel stroop in. De rest van de balkenbrij gaat in schalen. Daarin koelt de brij af en wordt stijf. Later kunnen er plakken van gesneden worden, die mijn moeder door de bloem wentelt en bakt in de koekenpan. Die plakken eten wij op brood: eerst stroop op je brood en daar de balkenbrij op. Ongebakken zijn de plakken overigens ook smakelijk, maar gebakken zijn ze lekkerder.

Na de slacht gaan de metworsten naar de rokerij. Als die terugkomen, worden ze op zolder gehangen, wat heerlijk ruikt. Die worsten worden ook geregeld in plakjes gesneden en op brood gedaan.

Roomboter hebben we alleen in het weekend. Door de week hebben we margarine op brood, gewoon uit pakjes. Later zal men zeggen dat dat bakmargarine is, maar iedereen smeert het gewoon op brood. Dat valt niet altijd mee, want de margarine is vaak behoorlijk hard.

Bona brengt margarine in een kuipje op de markt. Ik kan de radioreclame goed meezingen: ‘Rij maar mee in de arreslee door de sneeuw. Wij nemen Bona mee, wij nemen Bona mee.’ Mijn moeder vindt die boter te duur en er wordt verteld dat het gewoon margarine is met water erdoorheen.

In het weekend is er een krentenbrood. Daar mogen we roomboter op. Daarover strooien we altijd suiker. Maar soms mag roomboter ook op een snee wittebrood. Dat is ook heerlijk met suiker of met hagelslag.

Wij eten altijd dubbele sneden brood, een witte op een bruine. Daarom eten we altijd een oneven aantal sneden, want dan kun je eindigen met een enkele. Beschuit is er ook. Die kun je apart eten, maar je kunt hem ook op een snee brood leggen. Altijd met zoet beleg. We mogen best zoet beleg eten, maar altijd eerst ‘hartig’ (vleeswaren of kaas).

Bij het beleg ontbreekt de pindakaas. Die hebben we nooit. Opoe Loenen heeft het wel. Houdt mijn moeder er niet van?

Mijn vader houdt van sinaasappeljam en van gemberjam. Dat krijgt hij van zijn zussen wel eens op zijn verjaardag en daar is hij altijd blij mee. Honing is er aanvankelijk ook. Later vindt mijn moeder de honing te duur worden en dan is er alleen in het weekend honing. Bij opoe Loenen zit de honing in een potje dat de vorm heeft van een bijenkorf, met enkele grote bijen op de buitenkant.



Opoe heeft ook Smac, blikworst. Een nieuw blikje moet je met een sleuteltje openmaken. Dat sleuteltje zit op de bovenkant of op de zijkant geplakt. In het sleuteltje zit een gleufje. Het lipje van het blikje moet door het gleufje en als het goed is, kun je dan zo het blikje opendraaien. Dat gaat nog wel eens verkeerd, als je het sleuteltje niet goed recht kunt houden.

Zo’n sleuteltje zit er ook bij de blikjes sardines, die wij ook wel eens op brood hebben, net als de haring in tomatensaus. Volgens mij maakt mijn moeder dat blik gewoon met de blikopener open. Dan zien we de haringen liggen, maar niet zo lang: mijn moeder prakt de tomatensaus door de haringen heen, zodat iedereen hetzelfde heeft.

Als de visboer geweest is, hebben we soms gebakken vis op brood. Er komt ook wel eens een oom een maaltje vis brengen. Soms smaakt die vis een beetje naar grond, maar dat vinden we niet zo erg. Mijn vader heeft een hekel aan graatjes. Die moet mijn moeder eerst voor hem verwijderen. Paling is het lekkerst, maar die is er niet zo vaak.

Bij de jam uit de winkel kun je boekjes van Flipje krijgen, maar we hebben meestal eigen jam. In de winkel halen we wel bijvoorbeeld abrikozenjam, want die maakt mijn moeder zelf niet.

Een paar boekjes van Flipje hebben we. Er is een verhaal bij waarin iemand natgespoten wordt en dat is favoriet bij mij. Ik vraag mijn moeder of ze nog een keer wil voorlezen van ‘Pies, nat is-tie’. Later zal ik meer van deze boekjes lenen van de kinderen van Methorst, de mulder, die er heel veel van hebben.

Bij de chocoladepasta kun je boekjes krijgen van Sjokkie. Net als bij Flipje zijn het verhalen die uit gedichtjes bestaan. Sommige zinnen ken ik na verloop van tijd uit mijn hoofd. Als Sjokkie pasta heeft geïntroduceerd heeft in het wilde westen is er een cowgirl die zegt: ‘Ik eet mai fingers erbai op!’ De pasta noemen we trouwens ook wel chocopasta of pastachoca.

woensdag 22 juli 2026

Fenrir (Hella S. Haasse)

Van Hella Haasse (1918 - 2011) heb ik best wat gelezen, maar ook heel veel niet. Vooral aan sommige van haar vroege romans ben ik nooit toe gekomen, zoals aan Het woud der verwachting (1949), De scharlaken stad (1952) en De ingewijden (1957). Sommige daarvan heb ik intussen in huis en ik hoop er de komende tijd te vinden om ze alsnog te lezen. 

Van haar latere werk besprak ik hier Sleuteloog (2002) en nu heb ik Fenrir (2000) gelezen. Het behoort niet tot haar beste boeken, maar een iets mindere Haasse is altijd nog te verkiezen boven een hoop andere boeken. 

De ondertitel is Een lang weekend in de Ardennen. Dat 'weekend' is wel heel ruim bemeten: de tijd die beschreven wordt loopt van 24 september tot en met 21 oktober en dan is er nog een epiloog die zich twee maanden later afspeelt, in september. Maar het duurt inderdaad tot in oktober voor alle personages in de Ardennen zijn. 

In de ban van wolven

In een soort proloog worden we voorgesteld aan de journalist Matthias Crone, die op 25 september naar een concert van de pianiste Edith Waldschade is geweest. Hij is al sinds zijn vroege jeugd in de ban van wolven en hij werkt zelfs aan een wolvenencyclopedie. Nu heeft hij vernomen dat Edith Waldschade wolven houdt in het bos bij haar landhuis in de Ardennen. 

Crone weet zo'n beetje alles van wolven. Zo kent hij ook de wolf Fenrir. Daarover schrijft Edith in een brief aan ene Jon:

Tot mijn vroegste herinneringen hoort het ogenblik waarop mijn vader mij vertelde van de Wolf Fenrir, die jaar na jaar probeert de zon te verslinden. De zon verliest aan stralenkracht, dooft tot een bloedrode bol, weerloze prooi van het ondier. Oorlog en rampen teisteren de wereld, kinderen vermoorden hun ouders, broers slaan elkaar dood, 'de mens de mens een wolf', een ijskorst bedekt de aarde, en dan wordt het voor lange, lange tijd nacht. 

Het huis in de Ardennen heet Breidablick, zoals in de Oudnoorse mythologie het huis van Balder, de god van licht en vreugde. 

In het huis woont ook nog Ediths zus Gerda met haar man Egon Blanck en dochter Siv. Hen zou Edith het liefst uitkopen, maar het is maar de vraag of ze dat willen. En dan duikt er nog een opmerkelijke man op, Erwin, die beweert een halfbroer van de zussen te zijn. Hij zou geboren zijn uit een eerder huwelijk van hun vader, Erik Waldschade. 

Nieuwe heidenen

Bovendien haalt een bijeenkomst van 'nieuwe heidenen' op het landgoed de krant. De bijeenkomst is georganiseerd door Grootmeesteres Gerda Blanck, 'die diverse spreuken en bezweringen zingzegde en op de harp een aantal mysterieuze composities ten gehore bracht.' De schrijver van het artikel vindt dat er een luchtje aan de bijeenkomst zit: 'Wordt hier een extreem rechtse vrijplaats gevormd? Waakzaamheid lijkt geboden.'

De verdachtmakingen komen niet uit de lucht vallen. De moeder van Edith komt uit een ultrarechtse flamingantenfamilie en er zijn vragen over de zuiverheid van vader, die germanist was. Deugden zijn opvattingen eigenlijk wel?

Edith had een goede verhouding met haar vader en ze heeft hem altijd verdedigd, maar ze heeft ook vragen:

Toch heb ik de indruk dat ik iets over het hoofd zie. Er blijft ergens een lacune, het gemis van een essentieel gegeven. Nooit eerder heb ik duidelijk beseft dat er op de achtergrond van mijn verhouding tot vader sprake is van een onbeantwoorde vraag. 

Intussen heeft Matthias een oud-klasgenoot ontmoet, Rollo Bley, die hij jaren niet meer gezien heeft. Rollo houdt zich bezig met zaken die het daglicht niet of nauwelijks kunnen verdragen. Hij blijkt toevallig Siv (de dochter van Gerda en Egon ontmoet te hebben). Matthias gaat met hem mee naar Breidablick. 

Toevallig

Het lijkt erop dat Haasse zich in allerlei bochten heeft moeten wringen om Matthias op Breidablick te krijgen. Te veel toeval, te gekunsteld. Er zijn meer van dat soort toevalligheden. In de epiloog wil de mogelijke halfbroer Erwin een asielzoekerscentrum openen in een dorp en dat is toevallig het dorp waar Matthias geboren is. 

En dan heb ik het nog niet gehad over de verhaallijn van Edith en Jon, de violist met wie ze jarenlang een duo heeft gevormd, maar met wie ze geen contact meer heeft. Daar bijkt Erwin ook iets meer over te weten. 

Matthias komt in ieder geval in contact met Edith en krijgt toestemming van haar om de bibliotheek te gebruiken, waarin het complete werk van haar vader te vinden is. Wat hij daar vindt, werpt mogelijk een ander licht op vader Waldschade. 

Spannend

Fenrir is wel een spannend boek. Je zit als lezer met heel veel vragen: Deugde de oude Waldschade? Is Erwin een halfbroer? Wat gebeurt er met die nieuwe heidenen? Hoe zat het tussen Edith en Jon? Hoe gaat het verder met de wolven? Het lijkt erop dat Haasse niet alle verhaallijntjes goed aan elkaar geknoopt krijgt en je vraag je af of al die lijnen wel van belang zijn. Maar het verhaal blijft wel vaart houden. 

Verder zijn er allerlei soorten teksten. Als er over Edith geschreven wordt, is dat in de vorm van een soort toneeltekst, er zijn brieven, een krantenbericht en 'gewoon' proza dat je in een roman verwacht. Waarom bijvoorbeeld de teksten over Edith op deze manier vorm hebben gekregen was me niet duidelijk. 

Hoe het afloopt, zal ik niet verklappen. Er zit best wat actie in het verhaal, zeker als blijkt dat de wolven ontsnapt zijn. Ik heb me tijdens het lezen niet verveeld. Fenrir is nog altijd een Haasse en schrijven kan ze wel. Maar het niveau van Sleuteloog, dat ze twee jaar later zou schrijven, heeft Fenrir niet. 

Wel zijn er elementen in die nog steeds actueel zijn en dat verraste me wel. Natuurlijk denk ik hierbij aan de hele wolvendiscussie, maar ook aan die over de opvang van asielzoekers en over mensen die teruggrijpen op oude natuurreligies. Fenrir is meer dan vijfentwintig jaar oud, maar het verhaal oogt nog redelijk fris. Ik kom het op boekenlijsten tegenwoordig niet meer tegen, maar het zou er nog best op kunnen. 

Eerder schreef ik over:

Boekenweek 1959 (Haasse schreef het Boekenweekgeschenk)

dinsdag 21 juli 2026

Columbusstraat (Tobi Dahmen)


Als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, heb ik het nog steeds over 'de oorlog', een markeringspunt in de laatste honderd jaar in Europa (en ook nog daarbuiten). Over die oorlog is al veel geschreven, er zijn films over gemaakt en ik kan zo een stel strips opnoemen die zich afspelen in die oorlog. 

Soms gaat het daarbij over holocaust, soms over het verzet, soms over de veldslagen die geleverd zijn. Het heeft een tijd geduurd voordat er aandacht was voor degenen die in de oorlog collaboreerden met de Duitsers, maar intussen kennen we ook daar verhalen over. Vorig jaar besprak ik bijvoorbeeld Over de rand laait vuur, waarin historicus Chris van der Heijden probeert te begrijpen waarom zijn ouders de keuzes maakten die ze gemaakt hebben. 

Maar hoe zat het met de Duitsers? Tessa de Loo schrijft er over in De tweeling, in Montyn van Dirk Ayelt Kooiman wordt er iets over verteld en er zullen nog wel wat titels te noemen, maar de oogst is schraler dan bij andere soorten oorlogsboeken. In ieder geval wil ik Een tijd als deze van Sarah van der Maas vermelden, een goed boek dat ik vorig jaar te weinig in de eindejaarslijstjes heb gezien. Het gaat over een jonge man in Duitsland die probeert de oorlog zonder kleerscheuren door de komen. Hij is een modelnazi, die zich niet zo met ideologie bemoeit, maar die ervoor zorgt dat er niets op hem aan te merken is. En dan valt zijn kaartenhuis toch ineens in elkaar. 

Hoe was het eigenlijk voor Duitsers in de oorlog? Voor jongens die in het leger moesten? Voor hun familie? Hoe was het als je het niet eens was met de opvattingen die overal verkondigd werden?

Tobi Dahmen las de brieven zijn familieleden schreven tussen 1935 en 1945, zocht naar documenten, reconstrueerde de levens van die familieleden en maakte daarvan een indrukwekkende graphic novel, Columbusstraat. Het is een boek van meer dan vijfhonderd bladzijden geworden. 

Website

Hij vertelt in stripvorm het verhaal van twee families, van zijn vaderskant en van zijn moederskant. Op zijn website vind je de foto's van de betrokkenen en er zouden ook documenten en brieven getoond worden, maar die moeten nog geüpload worden. Enkele maanden geleden zetten de Amerikaanse National Archives een enorme hoeveelheid NSDAP-lidmaatschapskaarten online, meldde het Duitsland Instituut. Mogelijk dat daar ook nog uit geput moet worden. Van tijd tot tijd zal ik op Dahmens site kijken of er al meer staat, want ik ben wel nieuwsgierig. 

Om ons de weg niet kwijt te laten raken, staat voor in het boek de stamboom van de familie Dahmen, achterin de stamboom van de familie Funcke. 



Je ziet een lijntje lopen van Karl-Leo Dahmen naar Andrea Funcke. Dat zijn de ouders van Tobi. Vader werd geboren in 1932, moeder in 1936. Ze waren kinderen toen de oorlog uitbrak. In het boek spelen vooral de grootouders een grote rol, maar ook de ooms, de oudere broers van Karl-Leo, die als militair de oorlog moesten zien te overleven. 

Een daad van liefde

Af en toe springt het verhaal naar het heden, naar de tijd dat Tobi met het boek bezig is. Dat maakt het perspectief duidelijker en het geeft ook begrip voor het werk waar Tobi mee bezig is. Aan de ene kant is dat werk beladen, want het gaat over een tijd waarin ook ongemakkelijke zaken ter sprake komen. Aan de andere kant is het ook een daad van liefde: door het graven in de geschiedenis dichter komen bij je ouders en bij de verdere familie, beseffen uit wie je bent voorgekomen en dat hun geschiedenis ook de jouwe is. 

De titel Columbusstraat verwijst naar een adres in Düsseldorf, waar de familie Dahmen lang woonde. 

Hoe het de families precies verging, laat ik even in het midden. Er gebeurt heel veel en als ik er wat dingen uit pik, doe ik de rest tekort. Dahmen baseert zich bij wat hij vertelt op documenten, die soms ook afgedrukt staan in het boek. Er komen veel letterlijke citaten uit brieven in voor, waardoor je dicht op de huid van de briefschrijvers zit, maar ook op die van de geadresseerden tot wie de briefschrijver zich richt. Bovenal is Columbusstraat het verhaal van mensen. In andere boeken is van alles te lezen over politieke en militaire beslissingen (en die komen hier ook wel in voor), maar in de eerste plaats volgen we de mensen, mensen zoals jij en ik, die niet om de oorlog hebben gevraagd en die geen andere keus hebben dan om door te gaan, zonder dat ze weten hoe hun keuzes zullen uitpakken. 

Daarbij moest ik denken aan een gedicht van Willem Wilmink:

Oorlog

't Was oorlog. We zaten gewoon in de klas.
Je was bang... voor een vak waar je slecht in was,
je was bang... voor een beurt, zo ineens voor het bord.
Niet bang voor de oorlog, maar voor je rapport.

De Duitse soldaten marcheerden maar an.
De Duitse soldaten, wat zongen die dan?
‘Er bloeit een wit bloempje daarginds op de hei.’
Of: ‘In de maand mei is de winter voorbij.’

We vonden het mooi, zo'n soldatenlied.
Het kwaad dat ze deden, dat kenden we niet.
Maar soms was er doodsangst, voor het gerucht
van vliegtuigen, met mooi weer in de lucht.

Mooi weer, dat betekende levensgevaar.
In een kelder zaten we dicht bij elkaar.
En de buurman speelde zo dapper voor spook
en we moesten er nog wel om lachen ook.

We hadden na een bombardement
nieuw speelterrein, met gras en cement.
Daar speelde je dat je gesneuveld was,
dan lag je een tijdje dood in het gras.

Je maakte een voetbal of ook wel een bom
van proppen papier, elastiekje erom.
Het leven ging meestal gewoon maar zijn gang.
Maar soms was je bang. Soms ben ik nog bang.

Ook in dit gedicht lees je dat er oorlog is en dat dat gevaar betekent, maar dat ook de dagelijkse dingen doorgaan. 

Woordenlijst

Achter in het boek heeft Dahmen een 'Woordenlijst' opgenomen, maar liefst vijftien pagina's. Met die benaming doet hij dit deel van het boek ernstig tekort. Niet alleen worden hier zaken nader verklaard die in de strip gezegd worden, maar ook wordt er uitleg gegeven bij wat we zien. We krijgen zo een historische context. Dit is een doorwrocht deel van het boek, met bijzonder veel informatie. 

Dingen die je in een verhalende strip niet kunt uitwerken, kunnen in deze aantekeningen verduidelijkt worden. Een oudoom heeft bijvoorbeeld in 1937 de praktijk van een joodse arts overgenomen. Het was een min of meer goede overeenkomst. Maar, zoals Dahmen opmerkt, Wat betekent goed in deze situatie? Nu er afstand is in de tijd is dat scherper te zien. 

Enkele andere dingen die hij uitlegt: hoe de Volksempfänger, een radio, een belangrijk instrument is geweest in de nazipropaganda; hoe schoolkinderen medicinale kruiden moesten verzamelen voor de Wehrmacht; dat Duitse soldaten die gewond raakten een gewondeninsigne kregen en dat daar naar schatting er tien miljoen van uitgedeeld zijn; dat de gemiddelde levensverwachting van rekruten in 1941 2,5 jaar was, maar dat het aan het eind van de oorlog nog maar 0,1 jaar was; dat er 26.000 soldaten wegens desertie werden veroordeeld, van wie 60 procent de doodstraf kreeg opgelegd en dat er in totaal naar schatting 350.000 tot 400.000 soldaten deserteerden. 

Verder had ik nog nooit gehoord van de Kinderlandverschickung, de evacuatie van kinderen en jongeren uit steden die gevaar liepen gebombardeerd te worden. Dat zijn er waarschijnlijk meer dan twee miljoen geweest!

De pagina's bevatten een schat aan informatie. Verder geeft Dahmen legt Dahmen verantwoording af van de illustraties en de informatiebronnen die hij gebruikt, voegt hij een literatuurlijst toe en beveelt hij sommige strips en graphic novels aan. Hij geeft aan dat het een selectie is. Het zou mooi zijn als iemand die lijst aanvulde. Ik weet ook niet of die achter in dit boek hoeft te staan, maar het zou mooi zijn als iemand in kaart bracht wat er al in stripvorm over de oorlog is verschenen. 

Tekeningen

De tekeningen van Tobi Dahmen zijn in zwartwit, waardoor ze sober ogen, wat goed past bij het onderwerp. De tekeningen zijn helder en toegankelijk. Ze staan in dienst van het verhaal dat verteld moest worden. Er zijn zowel aangrijpende en heftige passages als huiselijke en gezellige. Juist dat hele scala is belangrijk, zoals in het gedicht van Wilmink. 

Wat me van dit boek zal bijblijven is dat het een boek over mensen is en met hoeveel liefde en aandacht voor die mensen het verhaal is verteld. Tegelijkertijd wordt er niets verbloemd en kijkt Dahmen scherp naar wat er gebeurd is. Maar zijn grondhouding is die van empathie. 

Dat werkt goed, maar dat niet alleen. Die grondhouding van empathie hebben we ook in deze gepolariseerde tijd meer dan nodig. 


Titel: Columbusstraat. Een familiegeschiedenis
Tekst en tekeningen: Tobi Dahmen
Vertaling: Christine Anneliese Braun
Uitgever: Scratch Books
2026, 528 blz. € 39,95 (hardcover, gebonden, leeslint)