woensdag 28 oktober 2026

Vroeger was de aarde plat (Marten Toonder)

Over biografieën heb ik al verschillende keren geschreven. Wie wat door mijn weblog scrolt, komt ze tegen: van Karel van het Reve tot Geertruida Muysken-Kaptein, van Arthur van Schendel tot Heere Heeresma en van Ageeth Scherphuis tot Jan Blokker, Cissy van Marxveldt, Betje Wolff en Jacob van Lennep. Ik lees dit soort boeken graag. Ze geven niet alleen een beeld van de gebiografeerde, maar ook van een tijd en soms heb ik die tijd zelf meegemaakt. 

Autobiografieën kwamen er minder op mijn pad. Meestal noemden de schrijvers van boeken over hun eigen leven het ook geen autobiografie, maar noemden ze het jeugdherinneringen of memoires. Tegenwoordig heet  iets al gauw 'een memoir', als het iets beschrijft dat de auteur zelf heeft meegemaakt. In ieder geval heb ik geschreven over de jeugdherinneringen van Annie M.G. Schmidt (Wat ik nog weet, 1992) en verder las ik autobiografische boeken van bijvoorbeeld Justus van Maurik (Toen ik nog jong was, 1901), Maurits Dekker (Amsterdam bij gaslicht, 1949), Theo Thijssen (In de ochtend van het leven, 1941) en de vrouwenarts L.M. Muller (Aan de poort van het leven, 1948).

Drie delen en een epiloog

Maar deze keer gaat het over een heuse biografie, met een flinke omvang: de autobiografie van Marten Toonder (1912 - 2005), die later als een enkel boek verschenen is, maar die aanvankelijk uit drie delen (en een dunnere epiloog) bestond. Die delen zijn: Vroeger was de aarde plat (1912 - 1939), Het geluid van bloemen (1939 - 1945), Onder het kollende meer Doo (1945 - 1965) en ten slotte het deeltje Tera (epiloog 1998). De laatste drie delen had ik in de loop der jaren in kringlopen bij elkaar gescharreld, maar het eerste deel ontbrak. Ongeveer tegelijkertijd had ik er ineens twee exemplaren van: ik vond er een in een kringloop en mijn zoon had er eentje voor me gekocht, voor mijn verjaardag. Daarna kon ik eindelijk beginnen met lezen. 

Bij zo'n autobiografie moet je altijd een beetje wantrouwig zijn. Grote kans dat de auteur zijn leven een beetje bijkleurt, minder gunstige gebeurtenissen weglaat. In hoeverre dat gebeurd is bij Vroeger was de aarde plat (1992) kan ik niet goed beoordelen, maar ik maak daar verder ook geen punt van. Ik lees gewoon wat er staat en zie wel. 

Verteller

Toonder is een verteller en dat merk je ook in deze autobiografie, die een verhalende toon heeft. Dat leest erg lekker. Het korte openingshoofdstuk, dat je misschien als een soort proloog kunt lezen, begint als volgt:

Toen ik een walvis op het strand vond, was het erg mistig. Daardoor zag ik hem niet direct, maar de nevels die om me heen wolkten hadden een vreemde geur. Het was de geur van de dood: en toen dat tot me doordrong bleef ik staan en keek beklemd om me heen. 

Dat zou het begin van een roman kunnen zijn, maar het is een herinnering van Toonder die een dode walvis ziet. Een man zegt tegen hem: 'Death is full of uncanny life'. In een latere periode van zijn leven moet Toonder daaraan terugdenken. Zijn echtgenote Phiny Dick (1912 - 1990) was intussen overleden en Toonder zocht de memoires op waar hij ooit aan bezig was geweest.

Ik besloot ermee verder te gaan. Het was een eenzaam werk, maar het hielp om oude herinneringen op te schrijven. Gouden kralen waren het niet; ze bestonden uit 'uncanny life', en dat is een soort 'vervreemd leven', waar de dood inderdaad vol van is. 

Kapitein

In zijn jeugd was Toonders vader veel afwezig; hij was kapitein. Het gezin bestond in de praktijk dus vaak uit moeder, Marten en zijn twee jaar jongere broer Jan Gerhard, die ook schrijver zou worden. Moeder verhuisde vaak. 

Iets wat ik een ouderlijk huis kan noemen heb ik niet gehad; mijn moeder kende geen rust, en wanneer het ene huis was ingericht, zocht ze al weer naar een ander.

Als vader weer eens thuis is, brengt hij op een keer Weekly Comics mee, stripbijvoegsels van Amerikaanse zondagsbladen. Er stonden verschillende strips in, waarvan Felix the Cat Toonders favoriet werd. 

Toonder beschrijft zijn vroege jeugd onderhoudend, met leuke details, zoals deze:

Maat was een dienstmeisje dat ik me goed herinner, omdat ze altijd een hoed droeg tegen haar kiespijn; een geneeswijze die sindsdien in onbruik is geraakt. 

Zo is er ook nog een buurvrouw die 'tweehonderd pond' weegt en die dagelijks urenlang piano speelt om te vermageren. 

Ipsen

Verschillende dingen uit het leven van Marten zullen later in zijn werk opduiken. Met een vader als zeeman, ligt kapitein Walrus misschien wel voor de hand. En dan deze passage:

Het was toen, dat ik een boomgroepje ontdekte waar een oud vloerkleed over de onderste takken hing. Daarvoor brandde een vuurtje, en een gebogen figuur zat in het blikje te roeren dat erboven hing. 
Dit was niet zo geheimzinnig als ik verwacht had, maar ik liep er toch nieuwsgierig naar toe. De roerende figuur bleek een verschrompelde grijsaard te zijn die een afgedragen hoed droeg, waaronder vervilte haarpieken staken. Toen hij me hoorde, keerde hij zijn hoofd met een ruk naar me toe en keek me aan met felle ogen. 

De figuur noemt zich Peregrinus en hij heeft een opmerkelijk taalgebruik. Hij begroet Marten met: 'Goed dag, jong man,' en later zegt hij:

'Ipse,' zei hij met plotselinge verheffing van stem. 'Ipse, ipsum, ipsimus! dat zal help geven.'

Het kleine volkje (Pee Pastinakel, Kwetal/Kweetal) zal het werkwoord 'ipsen' later nog veel gebruiken. Hier is dus de bron. 

De titel van dit eerste deel is ook aan Peregrinus ontleend:

'Aarde is plat,' verklaarde hjij plechtig. 'De zon wielt onderdoor en bovenheen: niet recht, maar kwart.'

Verderop komt Toonder nog eens terug op die platte aarde, maar dat laat ik even voor wat het is. 

De formuleringen die Toonder gebruikt, na decennia lang schrijven over Tom Poes en Olivier B. Bommel, zouden soms zomaar uit een Bommelverhaal kunnen komen. 

Alles wat met magie te maken heeft moet geheim blijven, anders gebeurt er iets vervelends. Dat voelde ik toen al heen fijn aan, hoewel ik nog nooit met zoiets van doen had gehad. 

Ik voel dat heel fijn aan is ook de titel van een bundel waarin twee verhalen van Toonder ('De opvoedering' en 'De aamnaak') gebundeld zijn. 

De vader van Toonder tekent trouwens. Hij vertelt over de lotgevallen van Abraham en tekent die dan ook. Wat dat betreft valt de appel niet ver van de boom. 

Gewonere vader

In de loop der jaren is Toonders beeld van zijn vader veranderd. Vader is daarin gewoner geworden.

Hij begon als de hoofdfiguur van een mythe; een soort Vliegende Hollander, die in eerbied gememoreerd moest worden wanneer de storm om het huis huilde. Langzaamaan veranderde hij in een God der Wrake, die in regen en wind ons welzijn op het oog had, maar die bij misstanden deerlijk zou toornen. En omstreeks de Abraham-tijd leek hij een gemoedelijke man te zijn, wel veel van huis, maar verder niets bijzonders. Zelfs was het zo dat men zich soms af kon vragen, wie nu eigenlijk de baas in dat huis was, en dan is het natuurlijk ver gekomen. 

Maar als vader thuis is, hangt er toch een soort spanning, die weer opgetrokken is als hij naar zee is. Als Marten acht jaar oud is, maakt het gezin een reisje mee met vader, naar Hamburg. Dan pas beseft hij hoezeer de wereld van vader anders dan die van de rest van het gezin. 

Phiny Dick

Op dansles leert Marten de dochter van een andere zeeman kennen: Afine Kornélie Dick. De familie noemde haar Fientje, maar zij had een hekel aan die naam en noemde zichzelf Phiny. Ze zijn een tijdje buurkinderen. Hij zou later met haar trouwen. 

De scholen gingen moeizaam bij de jonge Marten. Hij kreeg het advies om naar de ambachtsschool te gaan, maar dat werd de mulo en later de hbs. In 1931 vaart hij naar Zuid-Amerika, waar hij kennis maakt met Jim Davis, die gewerkt heeft bij de schepper van Felix the Cat en met Dante Quinterno, die opgeleid is door Walt Disney. 

Marten moet zijn weg zoeken en hij wil graag tekenen. Zijn vader zegt dat hij een jaar lang mag proberen of hij er een broodwinning van kan maken. 

Thuisgevoel

Voortdurend staan er in het boek reflecties op het gezinsleven:

Ik realiseerde me toen ineens, dat ik eigenlijk geen ouders had gehad. Twee mensen die ieder in een eigen wereld leefden - en in die wereld speelden kinderen geen rol. Materieel hadden mijn broer en ik het goed: we waren zelfs nogal verwend. Maar een ouderlijk huis kenden we niet, en ook geen ouders om mee te praten of een opvoeding van te krijgen. 

Het thuisgevoel heeft hij meer in de verhalen die hij verzint:

Ik zag in, dat ik eigenlijk altijd in verhalen geleefd had: ook later toen ik met Phiny naar dansles ging en een club oprichtte. Met de werkelijkheid had dat allemaal niet veel te maken. Ik was me daar diep van bewust, wanneer ik aan het doel van mijn leven dacht. 

De vaders van Marten en Phiny zien niet veel in een verbintenis van hun kinderen en de kapiteins kunnen onderling ook niet goed overweg. De moeders maken geen bezwaar. Als Marten zijn militaire dienstplicht vervult, is hij geregeld een weekend bij Piny. Ze wandelen samen in het Baarnse bos.

Ach ja, de verlatenheid en de diepe stilte van dat woud, waar de herfstnevels tussen de oude stammen kronkelden en het meertje te glinsteren lag in het licht van de maan; het dwarrelen van de dorrende bladeren, de geuren van de paddestoelen, de zachtheid van het dichte mos - tja, dat waren de hoogtepunten van de diensttijd. 

 Bij zo'n beschrijving zie ik al voor me welke tekening Toonder er later bij zou maken. Is hier het Donkere Bomen Bos geboren?

Toonder krijgt zijn eerste krantenstrip, Bram Ibrahim, waar zijn vader wel enthousiast over is. Het is intussen 1933 en vader vertelt over wat hij in Duitsland heeft gezien. 

Hij had 's morgens vroeg de postbodes in het gelid uit het postkantoor zien komen, en er marcheerden zingende troepen mannen in hun bruine kielen door de straten. Allemaal met laarzen. 'Het dreunt daar van de laarzen,' zei hij nadenkend. 'Als je nu in Duitsland laarzen in de grond plant, komen er soldaten uit.' 

Marten heeft een krantenstrip en werkt als illustrator bij de Rotogravure. Hij moet daar ook cartoons tekenen, wat hij eigenlijk niet kan. Hij haalt ze uit obscure tijdschriften en moderniseert ze, wat een vorm van plagiaat is. 

Terpen Tijn

Hij maakt kennis met de kunstenaars Onnaerd en Eterman. Als ik ze hoor over vibraties, moet ik wel aan de schilder Terpen Tijn denken. 

'Maar dat is toch evident,' zei de kunstenaar. 'Momenteel verstarren de vibraties; het vleeslichaam overheerst de etherische krachten. Ik voelde de noodzaak fijnere trillingen te zoeken dan de steen kan geven, om mijn astrale ik niet de prooi van de catastrofische invloeden te laten worden. (...) 
Deze groftrillende malverseur een kunstenaar! Ha!'
Marten en Phiny trouwen in 1935 en in 1936 werd hun zoon Eiso geboren. Het is hard werken om genoeg te verdienen. Er gaan heel wat uren in het tekenen zitten. 

In de autobiografie komen enkele mensen die van oorsprong Duitstalig zijn. Ze kunnen zinnen zeggen als: 
'Daar heeft der kunstmaker doch niet zien gekund wat der originaal war.' En dat doet weer sterk denken aan de taal van Professor Prlwytzkofsky. En als Phiny zegt dat ze iets van Marten zo knap vindt, hoor ik 
juffrouw Doddel (Doddeltje). 

Phiny schrijft en tekent trouwens ook. Zo bedenkt zo Olle Kapoen en Miezelientje en schrijft ze teksten bij Kappie. Toonder schrijft dat ze verder had kunnen komen als ze ambitie had gehad. 

Ze had het in een van die liefhebberijen ver kunnen brengen als ze gewild had; maar omdat ze voor zichzelf geen eerzucht kende, had ze daar geen behoefte aan. Soms probeerde ik haar duidelijk te maken wat ze kon bereiken; ik heb haar op mogelijkheden gewezen, maar daar had ze geen belangstelling voor. 
'Dat is meer iets voor jou. Jij bent zo knap,' zei ze dan, zodat ik me ontmoedigd terugtrok om Al Peppernose te gaan tekenen. 
Dit is zo'n passage waarvan ik wel zou willen weten wat ervan klopt. Voor iemand met weinig ambitie heeft ze toch aardig wat bij elkaar geschreven en getekend. Mogelijk is Miezelientje een soort voorbeeld geweest voor Tom Poes. De kat, die Tom Poes zal worden, ontstaat nog net voor het eind van dit eerste deel. 

Oorlogsjaren

Het tweede deel zal geheel gewijd zijn aan de oorlogsjaren. Dat zal ook interessant zijn. Tom Poes begint dan en Toonder blijft in dienst bij de foute Telegraaf en ziet zichzelf al een tekenfilm maken. Hij zal na de oorlog veroordeeld worden wegens collaboratie, maar zegt dat hij ook verzetswerk heeft gedaan. Wat zijn visie is zal in dat tweede deel te lezen zijn. 

Dat ga ik ook daadwerkelijk lezen, maar ik heb nog meer non-fictie liggen, waaronder een dik boek over vijfenzeventig jaar Nederlandstalige muziek en de biografieën van Godfried Bomans en Michaël Zeeman. En die van Frank Martinus Arion wil ik eigenlijk ook wel lezen. Ik had hem ter recensie aangevraagd, maar ik ving bot. 

Vroegere was de aarde plat is een aangename kennismaking met de autobiografie van Marten Toonder. Het leest lekker en je krijgt heel wat gebeurtenissen uit zijn leven. Verspreid over het boek zijn er heel wat foto's te vinden en die geven niet alleen een beeld van de jonge Marten, maar ook van de tijd waarin hij opgroeide. 

Er is overigens ook een biografie van Marten Toonder, geschreven door Wim Hazeu. Die heeft heel veel biografieën op zijn naam staan (van Lucebert, Achterberg, Slauerhoff, Vestdijk, Escher) en deze dus ook. Die heb ik nooit gelezen. Misschien moet ik dat wel een keer doen. 

maandag 26 oktober 2026

Louise Pembleton 2: Deep City Lights (Ben Prieur / Djief)

Het is februari 1926 en het blad Lady's opent met een 'ongelooflijke modeshow' in Central Park. De vooraanstaande Haute Couturekoningin Mary Ann heeft aan het begin van dat jaar een verrassingsmodeshow gehouden op een ongebruikelijke plaats. Daar doet Louise Pembleton verslag van, waarbij ze niet alleen de burgemeester voor zijn hulp bedankt, maar ook haar lieve vriendin Gloria Maxwell en alle medewerkers van modehuis Mary Ann. 

Louise Pembleton kennen we uit het eerste deel van de stripreeks Het verhaal van Louise Pembleton, waar ze op hoge leeftijd wordt geïnterviewd door een journalist. Met hem blikt ze terug op haar leven. Het album eindigt in november 1925, met een brand. 

Schuldgevoel

Bij dat punt neemt het tweede deel, Deep City Lights, al gauw de draad weer op. De brand blijkt aangestoken te zijn en Louise Pembleton denkt dat het een reactie is op een van de stukken die ze geschreven heeft, waardoor ze zich schuldig voelt:

Wat heb ik gedaan.. Ik ben echt totaal onverantwoordelijk. Wat een domme actie Louise Pembleton! En dat allemaal voor een stomme foto en een beetje roem...

In hoeverre dat schuldgevoel terecht is, zal later opgehelderd worden. 

Deep City Lights

De titel van het tweede deel verwijst naar een pand dat Louise koopt. In dat pand zal ook een theaterzaal gerealiseerd worden. Louise en haar vriendinnen kunnen hier aan de wereld laten zien waarmee ze bezig zijn. Het is een nieuwe stap in de carrière van de hoofdpersoon. 

Intussen gebeurt er veel in haar leven: ze redt met haar vriendinnen een jonge vrouw die mishandeld wordt door haar man. De vrouw wordt liefdevol opgenomen en sluit zich bij de vriendinnengroep aan. Louise worstelt verder met het gebruik van laudanum, dat uit de hand gaat lopen. Verder hinkt ze op twee gedachten: ze onderhoudt zowel met een vrouw (Mary-Ann) als met een man (Andrew) een relatie. 

Setting

De setting van dit tweede deel wisselt nogal. Louises leven speelt zich voornamelijk in New York af, maar ze gaat met haar vriendinnen ook naar het platteland (beducht voor een nieuwe aanslag) en we treffen haar ook aan het strand aan. 

Het tweede deel beslaat de tweede helft van de jaren twintig, die eindigt met de beurscrisis. De rijke Gloria Maxwell verliest in een paar uur tijd driekwart van haar fortuin (dat ze in obligaties en aandelen had gestoken). Het betekent dat het blad Lady's ophoudt te bestaan. Door de lage prijzen zijn Louise en Andrew wel in staat een appartement te kopen en te gaan samenwonen. 

Deep City Lights blijft veel publiek trekken. Juist in tijden van ellende heeft het publiek behoefte aan afleiding, vermaak. 

Een Amerikaanse in Europa

Het tweede deel eindigt met de uitnodiging van Louises vriendin Estelle om een aantal maanden in Europa door te brengen. Daar zullen we dus in het derde album meer over lezen. 

In het eerste deel zagen we hoe Louise zich een positie moest verwerven, wat voor een vrouw indertijd niet gemakkelijk was. In het tweede deel heeft ze die positie. Ze is een bevoorrechte vrouw, die weliswaar persoonlijke problemen heeft te overwinnen, maar die ook de kans heeft om gebruik te maken van haar privileges. 

Dit tweede album geeft weer een goed beeld van de jaren twintig, vooral ook door de sepiakleurige tekeningen van Djief. Hij roept goed de sfeer op door de kleding van de vrouwen, de auto's, de stadsdecors. En de scenaris, Ben Prieur, laat ook de grote geschiedenis meespelen: de beurskrach. 

Als lezer bezie je het allemaal van een afstandje. Wat je leest zijn passages uit een leven, maar er is te weinig een verhaal, een plot, een dwingende lijn. Misschien mag je dat ook niet verwachten van een strip die meer een biografie is dan een verhaal, maar ik werd het opsommerige van de gebeurtenissen tijdens het lezen toch een beetje zat. In de meeste scènes miste ik de pit. Het kabbelt voort en dat is niet eens oninteressant, maar er wordt te weinig gedaan om de lezer mee te nemen. Het is allemaal niet echt vervelend en je hobbelt wel mee, maar de matheid ligt op de loer en dat kan niet de bedoeling zijn. 

Reeks: Het verhaal van Louise Pembleton
Deel 2: Deep City Lights
Scenario: Ben Prieur
Tekeningen: Djief
Vertaling: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2026, 64 blz. € 11,95 (softcover) € 21,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over:

vrijdag 23 oktober 2026

Jeugdherinnering: schoolreisjes en gezinsuitjes

Maar weer eens in een dagboek gedoken. Deze keer iets dat ik schreef op 30 augustus 2023. Ik begin over schoolreisjes. Daar heb ik een paar foto's bij gezocht. Ik dacht dat ik er nog ergens eentje had, genomen in Madurodam, maar die kan ik nu niet vinden. Mogelijk heb ik die foto niet in mijn bezit, maar zit hij in een oud album van mijn ouders. Daar ga ik naar op zoek. 

Verder vertel ik iets over uitjes met het gezin. Dat waren er niet zoveel, maar als we weggingen, was het feest. We zijn ook wel eens weggeweest met het gezin van tante Cor en ome Henk. Ik weet dat daar een kleurenfoto van is, waar mijn moeder ook op staat, maar ook die is onvindbaar. Ik heb wel een foto waarop ik sta met mijn neefjes, Tonnie en Henkie en Ome Henk. Ik heb het idee dat ik wat ongemakkelijk probeer te glimlachen en dat de andere drie vrij chagrijnig kijken. Maar of dat klopt met hoe we ons voelden, weet ik niet. De foto zal wel gemaakt zijn door tante Cor. Het is vreemd om te beseffen dat van de vier op de foto ik de enige ben die nog leeft. 

Al met al zijn het maar terloopse opmerkingen en zit er weinig verhaal in. Er zou veel meer over te vertellen zijn, maar dat heb ik indertijd niet gedaan. Dat moet ik misschien later nog maar eens doen. Ik kijk nu naar wat ik al ooit geschreven heb. 




Als ik op de lagere school zit, is er elk jaar een schoolreisje. We gaan dan naar een dierentuin met een speeltuin of naar Madurodam of zo. We stappen dan in een grote bus en dat is een hele belevenis. Mijn moeder heeft voor die dag kadetjes klaargemaakt, wat een feestelijk gevoel geeft. Die eet je anders nooit. Ik krijg ook wat geld mee.

De eerste keer vind ik het een beetje spannend, maar vooral leuk. Er is een meisje uit een hogere klas dat een beetje op mij let. Ze heet Aaltje en haar zusje Gerrie zit bij mij in de klas.

Mijn moeder kent het gezin goed. Ze heeft daar vroeger gediend als meisje voor dag en nacht. Ze had de zorgen over de kinderen, want de moeder verbleef toen in een inrichting. Die had in de oorlog veel meegemaakt. De vader van de kinderen had in ‘het kamp’ gezeten. Dat weten we, maar we praten er nooit over. Dat doet hijzelf trouwens ook niet.

Mijn vader verkoopt wel eens biggen aan hem, voor zestig gulden per stuk. Als hij weer een keer biggen komt kopen, zegt mijn moeder dat die nu wel tweeënzestig gulden moeten kosten. Dat vindt Methorst (zo heet hij) best.

Het is lastig bij zo’n schoolreisje om te bepalen waar je je geld aan uitgeeft. Er is een motor waarop je kunt gaan zitten. Je kunt een kwartje in een gleuf gooien en dan gaan er rollen lopen, waardoor de wielen van de motor gaan draaien. Je kunt heen en weer sturen. Iemand maakt een foto van mij op de motor. Aaltje en Gerrie staan ook op de foto. En achter mij zit hun oudere broer Dik. 

Er is ook een kraam waar je patat kunt kopen. Ook al zoiets feestelijks. Patat krijgen we eigenlijk nooit. We hebben geen frituurpan. Ik denk dat er nog maar weinig van die pannen zijn, want niemand in de familie heeft er een. Er zullen wel frietzaken zijn, maar niet bij ons in de buurt.

Wel bakt mijn moeder soms broajertjes. Dat zijn krieltjes. Soms worden bij het rooien van de aardappels alle kleintjes verzameld. Die moeten dan geschild worden, of geschrapt. Dat is veel werk en mijn moeder heeft daar meestal geen zin in. Maar dan helpt mijn vader mee, zoals hij ook wel meehelpt met het schillen van de stoofperen.

Als de broajertjes geschild zijn, gaan ze in een grote braadpan met veel boter. Wij vinden ze heerlijk.

Maar hier staat dus een heuse frietkraam! Ik bestel een zakje patat. ‘Met of zonder?’ vraagt de man. Ik heb geen idee waar hij het over heeft. ‘Zeg maar zonder’, zegt Aaltje en dan zeg ik dat. Ik krijg het zakje. Er zit geen mayonaise op de patat. Dat hebben andere mensen wel. Ik durf daar niks van te zeggen en zonder smaakt de patat ook lekker.

Mayonaise hebben we trouwens niet in huis. We hebben alleen slasaus, die we dus over de sla gebruiken en mijn moeder roert die ook door het slaatje heen dat ze zelf maakt.

De jongens uit de vijfde klas (en eentje uit klas 6)

Zo’n schoolreisje is heerlijk. Het is altijd heel ver rijden en zo ver kom je anders nooit. Soms gaan we met het gezin een dagje weg, maar in de zomer heeft mijn vader het altijd erg druk. Dan gaan we samen met het gezin van tante Cor en ome Henk of met dat van ome Wout en tante Met.

Met tante Cor en ome Henk gaan we naar de Efteling. Dat is een groot sprookjesbos, waar je steeds weer iets nieuws tegenkomt. Je kunt propjes papier in Holle bolle Gijs gooien, er zijn paddestoelen met muziek, er is een kasteel van Doornroosje, een fakir op een vliegend tapijt, een reus met een heel lange nek. En er is een speeltuin, waar je heel lang kunt schommelen of elke keer van de hoge glijbaan kunt roetsjen. Heerlijk!

Met ome Wout en tante Met gaan we naar de dierentuin. Er is een kameel die er niet best uitziet: de vellen hangen erbij. Mijn nicht Johanna zegt tegen haar broertje: ‘Loop maar door, Wim. Die gaat toch zo dood.’

Zoals gezegd, meestal gaat mijn vader niet mee, omdat hij dan nog druk in het fruit is. Maar op een dag zegt hij dat we ‘s middags weggaan. Schoenen aan! Mijn moeder is verbaasd. Ze weet van niets. Het is een verrassing van mijn vader. We gaan naar Avifauna, dat is een dierentuin met alleen maar vogels. Mooi hoor, maar ik wil liever naar de speeltuin.

Als we genoeg vogels hebben gezien, mogen we naar de speeltuin. Het mooist vind ik de familieschommel. Aan de beide einden van de schommel is er een soort gazen hok, waar je in kunt staan. Het is alleen aan de achterkant open.

Ik ga daarin staan. Dat betekent dat je de schommel op gang moet brengen. Ineens is er een mager meisje, met een muizig gezichtje en afgevreten haar. Ze komt zomaar bij mij in het gazen hok staan en helpt mij mee. Ze is in badpak, waardoor je goed kunt zien dat ze maar mager is. Op haar bovenbeen, vlak onder haar bil heeft ze een blauwe plek.

Maar ze is wel taai en sterk en samen krijgen we de schommel heel hoog. Het is een wonderlijke ervaring, een meisje zo dicht bij je. Ik heb een geweldige middag.

We gaan ook verschillende keren naar de Flevohof. Dat is een park dat met de landbouw te maken heeft. Als je binnenkomt, zie je twee heel grote pratende aardappelen. Veel dingen weet ik al wel, maar er zijn ook heel moderne ontwikkelingen, zoals koeien die met een machine gemolken worden.

In de Flevohof is er een kinderafdeling met allemaal vierkante houten gebouwen. In elk gebouw kun je iets anders doen. Je mag bijvoorbeeld zelf een pannenkoek bakken. Dan krijg je wel een stempel op je kaart. Zoiets kan natuurlijk maar een enkele keer. De pannenkoeken zijn heel dun en dat vind ik juist zo lekker.

De pannenkoeken van mijn moeder zijn ook lekker, maar die zijn altijd dik. Soms breken ze als je ze oprolt. Dan kun je er minder van op, denk ik, en dan hoeft ze er dus ook minder van te bakken.

Er is ook een soort cowboydorp, met een echte saloon. De Flevohof is altijd leuk. We gaan er verschillende keren heen. En mijn vader gaat dan ook mee, wat extra feestelijk is.


Henkie, Tonnie, Teunis, Ome Henk van de Veen


woensdag 21 oktober 2026

Sprokkelaars (Mira Aluç)


Sommige titels laat ik aan mij voorbijgaan; je kunt niet alles lezen. Maar sommige bereiken mij niet eens. Dat laatste gebeurde mij met Sprokkelaars van Mira Aluç. Vooraf heb ik geen recensie ervan gezien en dat het boek de Bronzen Uil gewonnen heeft in 2025 is mij ook al ontgaan. Een kandidaat voor de Staatsexamens had het op haar of zijn lijst gezet en daarom vond ik dat het moest lezen. 

Het verhaal van de roman heeft een bijzondere setting: een loods op een 'vergeten' industrieterrein tussen twee steden in. Daar komen restpartijen aan van van alles en nog wat, spullen die weer gesleten worden aan de klanten. De hoofdpersoon, die door zijn oom Jong wordt genoemd, werkt er zes maanden lang, na het beëindigen van zijn studie. Naast zijn oom is er nog iemand in dienst, een grote man, Baris, die blikjes energiedrank drinkt. 

Sprokkelaars

Op het industrieterrein van je nog een tankstation, een snackkar, een zalencentrum. Het zijn mensen die hun leven bij elkaar sprokkelen en dat geldt ook voor de klanten. 

Stakkers vond ik het, maar het waren sprokkelaars; mensen die met al hun kracht en tekortkomingen hun bestaansrecht bijeensprokkelen. 

Jong heeft net zijn studie afgerond en hij komt dus terecht in een wereld die hij helemaal niet kent. Daarvoor is hij zijn oom dankbaar.

Ik weet niet of ik van hem hield, maar ik ben dankbaar. Hij gaf me een studiebeurs voor iets wat je niet leert in een collegezaal en waarvan ik de maandelijkse toelage in een envelop onder mijn kinderbed bewaarde. 

Stilstand

Maar het is ook een wereld waarin het leven van Jong tot stilstand gekomen is. Je zou kunnen zeggen dat er eigenlijk niets gebeurt en dat geldt ook voor een groot deel van de roman: die laat het leven in en om de loods zien, maar er is niet iets wat het verhaal voortstuwt. Als Jong de administratie onder handen neemt en daarmee het systeem van zijn oom in de war schopt, lijkt het even tot een conflict te leiden, maar ook dat vlakt weer af. 

Aan de ene kant geeft Sprokkelaars daardoor een goed beeld van het leven van Jong en de mensen om hem heen, maar aan de andere kant verlangde ik ook wel naar enige ontwikkeling, dat er een verhaal op gang zou komen, dat er nou eens iets gebeurde. 

Een andere mogelijke aanzet tot gebeurtenissen is de komst van Lunya, die optrekt met Baris, maar ook vriendschappelijk omgaat met Jong. Maar zij verdwijnt weer. 

Ik was Jong en zij was Lunya. Ik kon haar dat niet kwalijk nemen. Lunya geloofde in de toekomst en dat kon niemand van haar afpakken. Ze had geprobeerd me mee te trekken en toen dat niet lukte, koos ze voor zichzelf. Ze was niet gevlucht; ze was gegaan. 

Dat gebrek aan verhaal, aan gebeurtenissen, aan ontwikkeling vind ik wel een bezwaar van Sprokkelaars; het suddert maar door. Maar ik snap ook dat het past bij het leven van Jong, die zonder illusies de dingen doet die hij moet doet, die met weinig mensen omgaat, geen plannen maakt voor zijn leven. 

Spullen

Hij is omringd door spullen. Het zijn aanwezigheden in zijn leven. Spullen zijn een stabiele factor. 

Pas tegen de ochtend viel ik in slaap. Ik gaf me over, aan de dingen. Aan alle dingen die ooit zijn gemaakt en verbrand, stukgegooid, doorgezaagd, versnipperd en omgesmolten. Verwoest, vernield en teruggebracht tot nul. Aan alle spullen op aanrechten, alle aanrechten in keukens, alle keukens met servies. Aan alle kleden onder meubels, aan alle meubels in huizen, aan alle huizen met kleden. Er zijn meeer spullen geweest dan er nu zijn. En alles wat er niet meer is, daarvan zijn zelfs de asdeeltjes, het laatste partikel tot niets, spoorloos verdwenen. 

In zo'n opsomming ga ik als lezer zeker mee en Mira Aluç kan wel degelijk schrijven. Het wereldje dat ze oproept boeit me ook wel, maar toch was ik niet echt gegrepen door Sprokkelaars. Anderen hebben het boek trouwens zeer geprezen en ik noemde al dat het de Bronzen Uil gewonnen heeft. 

Die positieve recensies snap ik ook wel. Ik zie ook wel hoe de leegte en de eenzaamheid goed naar voren komen in Sprokkelaars. Maar ik kan niet nalaten te denken: En toch... Het is me net te weinig. Maar ga het boek vooral zelf lezen. Het is niet dik (172 bladzijden), dus je hebt het zo uit. 

dinsdag 20 oktober 2026

Jim Cutlass (Charlier / Giraud / Rossi)

Al eerder heb ik betoogd mijzelf niet als kenner te beschouwen op het gebied van strips, maar het is altijd nuttig om dat van tijd tot tijd te herhalen. Zeker nu ik een bundeling onder ogen heb gekregen van een strip die ik helemaal niet kende, Jim Cutlass. 

De reeks heeft een bijzondere geschiedenis. Het begon met een kort stripverhaal (zeventien pagina's) dat in 1976 gepubliceerd werd in een westernspecial van het blad Pilote. De auteurs waren niet de eersten de besten: Jean-Michel Charlier en Jean Giraud, een koppel dat we kennen van Blueberry. 

Daarna was het een tijdje stil rond Jim Cutlass, maar in 1980 werd het verhaal Missisipi River door de twee auteurs uitgewerkt tot een volwaardig album. Tussen 1991 en 1999 verschenen er nog zes albums, met als tekenaar Christian Rossi. Charlier was in 1989 overleden en Giraud schreef het scenario. Meer achtergrondinformatie over het ontstaan van de reeks en over de onenigheid tussen Charlier en uitgever Dargaud vind je op Stripinfo.

Alle zeven albums zijn nu uitgebracht door uitgeverij Tzooz in een degelijke hardcover. Het is een mooie uitgave, compleet met oranje leeslint, maar eigenlijk was, zoals bij veel andere integrale uitgaven, een dossier wel op zijn plaats geweest. Er is wel een 'Grafisch dossier' van acht pagina's aan het eind, met daarin schetsen en tekeningen van Christian Rossi en dat is werkelijk mooi, maar iets van achtergrondinformatie was wel op zijn plaats geweest, lijkt me. 

Het eerste deel van Jim Cutlass is 'losjes gebaseerd' (zoals ik overal lees) op Gone with the wind, de roman van Margaret Mitchell uit 1936, die in 1939 verfilmd werd. Ik laat die parallel even voor wat die is. 

Jim Cutlass, Johnny Playcard, Don Clay

Jim Cutlass is een noordelijke officier, die naar Louisiana trekt, omdat hij een katoenplantage erft. Onderweg is er gedoe aan de pokertafel, met zijn tegenstander Johnny Playcard, die ook in volgende albums Jims grote tegenstrever zal blijken. Hij wordt neergeslagen door Jim, die ooit bokskampioen was van Westpoint, de militaire school. 

Jim blijkt zijn erfenis te moeten delen met zijn nicht Carolyn Swift, die wel van hem gecharmeerd is, maar zij is verloofd met Don Clay, die Jim meteen uitdaagt voor een duel. Jim schiet hem neer, gaat ervandoor en moet het leger in te dienen in de burgeroorlog. Na de oorlog keert hij terug naar de plantage. 

Als noorderling is Jim tegen slavernij, maar in het zuiden stuit hij daardoor op verzet. Carolyn heeft op de plantage gepast, maar die verkeert in moeilijke omstandigheden. Men probeert haar te dwingen tot verkoop. Ook hier blijkt Playcard een rol in te spelen en zelfs Ku Klux Klan is een tegenstander. Verder zal Don Clay weer opduiken. 

De eerste delen van de reeks lezen lekker weg en de verhalen hebben wel iets weg van die van Blueberry, wat natuurlijk niet zo vreemd is, gezien de makers. Beide hoofdpersonen zijn charmant, eigenzinnig, wars van conventies. De verhalen zitten goed in elkaar, hebben vaart en spanning. 

Hallucinaties, voodoo en zombies

In de latere delen komen voodoo en hallucinaties voor. Carolyn wordt vastgehouden door een albino met kwade bedoelingen en Jim probeert haar te bevrijden. Maar wat is werkelijk en wat is verbeelding? Aan de ene kant kun je zeggen dat Jim Cutlass zich in dit soort scènes pas echt losmaakt van de Blueberry-achtige wereld, maar aan de andere kant gaat daardoor het verhaal zozeer zijn eigen weg, dat je misschien ook lezers kwijtraakt. 

Ik vind die laatste delen minder interessant. Zo gauw het gaat over dromen, hallucinaties, tovenaars en zombies, kan zo'n beetje alles in het verhaal en krijg je het altijd wel kloppend. Voor mijn gevoel is het altijd een zwaktebod, maar misschien zeg ik dat omdat het gewoon mijn smaak niet is. Het verhaal blijft wel vaart houden, en iemand die ervan houdt zal het met plezier lezen, maar ik haakte in die latere delen toch af. 

Jim Cutlass was een strip die ik helemaal niet kende en het is mooi dat Tzooz nu alle albums gebundeld heeft in deze mooie uitgave, zodat je alles achter elkaar door kunt lezen en een beeld krijgt van de hele reeks. Ik heb bijvoorbeeld Blueberry als losse albums gelezen en dan ook nog in willekeurige volgorde. Dan is elk album nog steeds zeer genietbaar, maar een grotere lijn raak je daardoor wel kwijt. Die hou je  in deze uitgave van Jim Cutlass steeds vast en dat is zonder meer prettig. Net als het personage Blueberry zal Jim Cutlass je bijblijven: een eigenwijze dondersteen, die goedgehumeurd zich in de nesten werkt, maar die in principe deugt en bereid is zich in te zetten voor anderen. Het was een aangename kennismaking. 

Titel: Jim Cutlass (integrale uitgave)
Scenario: Jean-Michel Charlier en Jean Giraud
Tekeningen: Jean Giraud en Christian Rossi
Inkleuring: Isabelle Beaumery-Joannet en Christian Rossi
Uitgeverij: Tzooz
2026, 448 blz. € 69,95 (hardcover, leeslint)

maandag 19 oktober 2026

Nachtnotitie (Jan Siebelink)



Bij Jan Siebelink denkt de gemiddelde lezer het eerst aan Knielen op een bed violen (2005), het boek dat hem het grote succes gebracht heeft. Daarvoor had hij ook al goede boeken geschreven, zoals Met afgewend hoofd (1986), De overkant van de rivier (1990) en Verdwaald gezin (1993). Eerlijk gezegd moet De overkant van de rivier het wel vooral van de eerste helft hebben. 

Na Knielen op een bed violen heeft Siebelink nog wel andersoortige boeken geschreven, zoals Oscar (2011), maar in verschillende romans bleef hij dicht bij de thematiek van zijn violenboek, zoals in Margje (2015), De buurjongen (2017) en Brengschuld (2022). Aan de ene kant is het begrijpelijk dat een schrijver dicht bij zijn autobiografie blijft, aan de andere kant voelde het ook wel een beetje als het uitmelken van het succes en als herhaling met een kleine variatie. De boeken zijn soms aardig als aanvulling op wat je al weet, maar ze redden het eigenlijk niet als zelfstandig boek. 

Rouwjournaal (2025) gaat over het overlijden van zijn vrouw. Dat boek heb ik overgeslagen, dus daar kan ik niets over zeggen. Maar Nachtnotitie, zijn nieuwste, heb ik toch maar weer aangeschaft. Het is eigenlijk wel een heel aardig boek. 

Ook in Nachtnotitie komt weer veel bekends voor, dat te maken heeft met de tuinderij in Velp, maar deze keer is de verteller niet Ruben Sievez, maar de 'ik' is de schrijver. Zo noemt hij de naam van zijn overleden vrouw, Gerda. En zijn overleden vriend Louis Ferron heet aanvankelijk nog wel Loet IJzertje, maar even verderop zegt Siebelink over wie het werkelijk gaat. 

In Nachtnotitie ligt de verteller op bed en er gaat van alles door zijn hoofd. Herinneringen aan zijn vrouw, maar ook aan de tuinderij van zijn vader en aan hoe hij als kind met zijn slee van de heuvel ging. Zijn vader had iets op een latje van de slee geschreven en de verteller probeert zich te herinneren wat dat is. 

Schoolleven

In zijn oeuvre heeft Siebelink niet alleen vaak geschreven over de tuinderij in Velp, maar ook over zijn werk als docent Frans. Dat deed hij bijvoorbeeld in Nachtschade (1975), Laatste schooldag (2000) en Suezkade (2008).

Ook in Nachtnotitie komt de school terug. De verteller kreeg anonieme brieven in zijn postvak met kritiek op zijn manier van docent zijn. Hij zou te weinig toetsen geven en het zijn werk op school zou lijden onder 'al dat boekengeschrijf'. 

Op een dag had hij zijn tas al achter op zijn fiets en stond hij op het punt naar school te gaan, maar hij kreeg het niet voor elkaar het huis daadwerkelijk te verlaten. Daarover schreef Siebelink al eerder in het verhaal 'Ten strengste verboden dit pand te betreden', dat opgenomen werd in een bundel over het Huis Kernhem in Ede, in 2003. Daarin verwoordde hij het zo:
Wat was er die dag met mij aan de hand? Zojuist had ik mijn vrouw goedendag gezegd, die boven met de baby bezig was (enige weken daarvoor was er een dochter in ons gezin geboren), ik had de fiets al uit de schuur gehaald, mijn tas onder de snelbinders gedaan. De beide oudste kinderen groetten mij, gingen op weg naar school. Nu ik zelf nog. Zonlicht viel in de keuken, ik stond op het punt de achterdeur open te doen, riep nog dat ik nu wegging...
Maar het lukt hem niet het huis te verlaten. 

Siebelink beschrijft ook hoe een collega Engels, die juist zelf moeite heeft met de orde, de verteller hem aanspreekt en op een feest van de school pikt hij dat niet meer en heef hij zichzelf niet meer in de hand. Hij werkt de collega tegen de grond. Zijn vrouw zal tegen hem zeggen: 'Je raakte buiten jezelf. Dat wilde je ook. Je ging in zekere zin je vader achterna.'

Godzoeker

Die vader speelt ook in Nachtnotitie een centrale rol. Niet alleen in zijn gezwoeg om de tuinderij draaiend te houden, maar ook in zijn extreme vorm van geloof. Siebelink schrijft:
Heel zeker is dat ik, al maar zoekend - ik besef dat ik een godzoeker ben -, ergens in me dat geloof van vader met me meedraag. 
Siebelink is bezig met het geloof zoals zijn vader dat beleefd heeft. Hij leest dan ook een preek van Smytegeld. Met instemming citeert hij de slotzin van À rebours van J.K. Huysmans:
Ik ken de laatste zin van de roman uit mijn hoofd: 'Seigneur... O, Heer, heb medelijden met de ongelovige die zou willen geloven, met de galeislaaf van het leven, die alleen scheep gaat, in de nacht, onder een firmament dat niet meer wordt verlicht door de vertroostende bakens van de oude hoop!
Het is het beeld van een ongelovige die wil geloven en dat lukt hem niet. 
Geloven is weten. Maar wat weet ik nou? Niet eens wat mijn vader op de slee heeft geschreven. 

Bergafwaarts

Het met slee naar beneden suizen komt steeds terug en wellicht is dat een beeld van de schrijver die in een fase gekomen is dat hij bergafwaarts gaat, maar het is geen schrikbeeld meer. Het overlijden van zijn vrouw heeft hem in een nieuwe fase gebracht, die hem anders doet kijken, niet alleen naar de toekomst, maar ook naar zijn eigen verleden:
Het sterven van Gerda roept het ingesloten sterven van vader op, het besef van het alleen-zijn van mijn moeder. Ook mijn eigen naderende einde. 

Het jongetje gaat hard met zijn slee van de Koningsberg af, met de slee die een boodschap van zijn vader meegekregen heeft. Hij geniet van de snelheid: 'ik ga ineens zo hard, daarginds het schijnsel, ik verlang naar huis, thuis wordt op mij gewacht...'

Zo gaat het ook met de ik-figuur. Hij beseft dat hij de berg af gaat, maar tegelijkertijd is er het besef dat er thuis op hem gewacht wordt. Niet dat hij er bijna geweest is, maar dat hij er bijna is. 

Charmant

Nachtnotitie is een charmant boekje, waarin Siebelink de maskers van romanpersonages laat vallen en direct over zijn eigen leven schrijft. Alle thema's in zijn werk zijn de thema's van zijn leven en ze komen nog een keer langs. Aan de ene kant is het peinzen in de nacht een vrij losse manier van ordenen, omdat gedachten nu eenmaal alle kanten heen gaan, aan de andere kant zit er ook duidelijk lijn in het boek door het herhalen van de sleetocht de heuvel af. 

De slotzin van het boek ('Deze nanacht heb ik mezelf gered') kwam voor mij nog wel een beetje uit de lucht zetten en ik vind hem ook wel een beetje zwaar aangezet, maar dat geeft niet. Het is mooi om te zien dat Siebelink met het bekende nog steeds iets nieuws kan doen, dat toch weer iets toevoegt aan wat we al weten.  


Eerder schreef ik over:

donderdag 15 oktober 2026

Mysterie in Rommelgem, Een avontuur van IJzerlijm (Elric & Sophie Guerrive)

Als een stripreeks succesvol is, ontstaan er nevenreeksen, spin-offs. Denk aan de reeksen over Roodhaar, de marsupilami, Kid Lucky, Fanny K, Rataplan, Idéfix en Erwin (de zoon van Eric de Noorman). Robbedoes en Kwabbernoot is een succesvolle reeks, die begin jaren vijftig startte. In de hoofdreeks zijn al meer dan vijftig albums verschenen. 

Uit die reeks kwamen andere reeksen voort. Het zijn er een heel stel, waaronder De kleine Robbe, Zwendel, Rommelgem en Supergroom. En intussen is er ook IJzerlijm, waarvan nog maar een enkel album verschenen is, Mysterie in Rommelgem, maar de scenariste, Sophie Guerrive, vertelde dat er al drie albums gepland zijn. 

Sophie Guerrive schreef al het scenario van twee albums in de reeks Robbedoes en Kwabbernoot: nr. 56, De dood van Robbedoes (2022) en nr. 57 Het geheugen van de toekomst (2024). In de nieuwe reeks zet ze de journaliste IJzerlijm centraal. 

Het personage gaat al een heel tijdje mee. Ze verscheen voor het eerst in deel 6, De hoorn van de neushoorn (1955) en sinds die tijd duikt ze geregeld op. 

kasteel van Skeuvre

Rommelgem

In deze nieuwe reeks verhuist IJzerlijm naar het platteland, naar het dorp Rommelgem, dat we in de hoofdreeks kennen als de woonplaats van de graaf van Rommelgem, die in veel Robbedoesalbums voorkomt. Hij woont in een kasteel, waarvoor het kasteel van Skeuvre model heeft gestaan. Het komt ook voor in dit avontuur van IJzerlijm. 

Het vertrek van de stad naar het platteland is al een hele overstap, maar IJzerlijm gaat ook nog buiten het dorp wonen, in een huisje op een heuveltje, in het midden van nergens. Het is behelpen in het begin: haar computer is er nog niet, ze kan haar pannen niet vinden in de stapels dozen en de enige pizzeria blijkt al gesloten te zijn. 

Kasteel van Rommelgem

Verdwenen dieren

In het dorp zelf is het allesbehalve rustig. Met enige regelmaat verdwijnen er dieren, waardoor twee groepen lijnrecht tegenover elkaar staan. De VVR, de Vereniging voor Veiligheid in Rommelgem, bestaande uit boeren en jagers, die 's nachts door het dorp lopen om de wacht te houden, en de vrienden van Arthur Natuur, de groene hippies en veganisten. Zij worden er door sommige mensen van verdacht de dieren  los te laten. 

IJzerlijm gaat op onderzoek uit, waarbij ze gevolgd wordt door Colette en wat naïeve jonge vrouw, die het plan heeft opgevat om journaliste te worden. De zaak is complex: er is een inbraak in het kasteel, er zijn geheimzinnige paddestoelen en IJzerlijm en Colette lopen gevaar 

Natuurlijk wordt het mysterie opgelost, al gaat dat niet vanzelf. IJzerlijm is nieuwsgierig en niet bang. Ze is gewend om zelf dingen uit te zoeken en de aanwezigheid van Colette komt soms ook van pas. Verder heeft ze de hele tijd contact gehouden met Robbedoes en Kwabbernoot, die nog een bijrol mogen spelen, net als de eekhoorn Spip. De graaf van Rommelgem is prominent aanwezig en zelfs Guust Flater komt nog even om de hoek kijken. 

Tekeningen

Al met al is Mysterie in Rommelgem een leuk verhaal: spannend, al wordt het nooit echt beklemmend en is er steeds een zekere luchtigheid. De tekeningen zijn van de hand van Elric (Elric Dufau), tekenaar van een van de albums in de reeks Robbedoes en Kwabbernoot Classic (De varkensbaai, 2024) en van de Franse Iznogoedh. Ik kende zijn werk niet, maar was door zijn manier van tekenen meteen terug bij de vroege Robbedoesalbums. Zijn het de niet al te geprononceerde lijnen? De inkleuring? Mijn kennis schiet tekort om precies te zeggen hoe het komt; ik ben slechts afgegaan op mijn beleving. 

Slechts een enkele keer betrapte ik hem op een onnauwkeurigheid: om de tuin (eigenlijk een stuk gras) bij het huis van IJzerlijm staat een laag muurtje. Het pad van haar huis loopt nog een heel eind door tot aan de weg. Maar als de verhuiswagen komt, loopt die weg ineens vlak langs het muurtje. Het is een kleinigheid. 

IJzerlijm voldoet uitstekend als hoofdpersoon en het verhaal boeit. Het gaat onder anderen over de gevolgen van framing en polarisatie voor en dat is een actueel thema. Het besloten veilige wereldje van Rommelgem is een omgeving waarin je als lezer graag verkeert. Eigenlijk is de wereld niet groter dan dat dorp en zorgt voor een overzichtelijk wereldbeeld.

Het is fijn dat er nog meer albums over IJzerlijm gaan verschijnen. Ook die zal ik weer met plezier gaan lezen. 

Reeks: IJzerlijm
Deel 1: Mysterie in Rommelgem
Scenario: Sophie Guerrive
Tekeningen: Elric
Uitgever: Dupuis
2026, 56 blz. € 9,99 (softcover)