woensdag 16 september 2026

Schaduwen der Verlichting 1: De vijand van de mensheid (Alain Ayroles / Richard Guérineau)

De ondertitel van de strip Schaduwen der Verlichting is De brieven van de ridder de Saint-Sauveur. Het eerste deel, De vijand van de mensheid, begint met een 'Noot van de uitgever':

Er is zeer weinig bekend over ridder Justin Fleuri de Saint-Sauveur, zo weinig dat sommigen zelfs betwijfelen of hij  ooit echt heeft bestaan. Zijn briefwisseling, die in ietwat vreemde omstandigheden werd teruggevonden en door een anonieme redacteur werd gekopieerd, is nooit gepubliceerd, vermoedelijk uit angst voor een schandaal, wat doet vermoeden dat de brieven van de ridder wellicht -niettegenstaande tal van onmiskenbare onzorgvuldigheden- een kern van waarheid bevatten. Een authentieke verzameling brieven of epistolaire fictie? Of het verhaal nu waar is of verzonnen, deze bewerking betracht er een zo nauwkeurig mogelijke weergave in stripvorm van te zijn. 

Het lettertype geeft de indruk dat de tekst zo uit een roman van minstens anderhalve eeuw terug had kunnen zijn en ook de inhoud van de tekst plaatst ons terug naar vroeger tijden. Er wordt geheimzinnig gedaan over de herkomst van het manuscript. Dat was indertijd een manier om fictie een schijn van authenticiteit te geven. 

Een van de bekendste voorbeelden is Max Havelaar (1860). Batavus Droogstoppel ontmoet een oude bekende, die in kommervolle omstandigheden is geraakt (Sjaalman) en die overhandigt hem een pak met manuscripten. Daarin bevindt zich ook het verhaal van Max Havelaar. 

In Snikken en grimlachjes (1867) doet François HaverSchmidt alsof hij een jongeman, Piet Paaltjens, heeft ontmoet, van wie hij nu de gedichten bundelt. Hij geeft een levensschets van deze dichter die al acht jaar uit Leiden verdwenen is, maar voor zijn vertrek aan HaverSchmidt zijn gedichten heeft gegeven. 'Men weet haast niets van hem, en wat men nog van hem weet, is hartverscheurend.'

We lezen fictie, maar ergens achter in het hoofd van de lezer blijft er een deur op een kiertje staan: het zou ook nog authentieke non-fictie kunnen zijn. 

De brieven in het cilinderbureau

In het album volgt na de 'Noot van de uitgever' het 'Voorwoord van de samensteller'. De samensteller heeft een brief ontvangen die hem waarschuwt voor een royalistische samenzwering, waarvan de aanstichter 'een in alle opzichten verfoeilijk en schadelijk persoon' zou zijn, 'de gevallen ridder Justin Fleuri de Saint-Sauveur'.

De samensteller krijgt de opdracht de ridder te arresteren, maar die ligt ziek te bed. Later leest hij de brieven die hij in een cilinderbureau heeft gevonden en daarin ontdekt hij het 'schokkende portret van een kwaadaardig persoon'. 

Ik ontdekte uiteindelijk geen royalistisch complot, maar wel de talloze kuiperijen van een doortrapte libertijn wiens misdaden samen zowat alle euvelen van het ancien régime omvatten: meer dan een gevaar voor de natie was hij een vijand van de mensheid!

Die brieven worden nu gepubliceerd, zo geordend dat ze min of meer een verhaal vormen. Natuurlijk dient de publicatie een hoger doel:

Door de wandaden van de ridder, zijn volharding in de boosheid en de onstuitbaarheid van zijn neergang te onthullen, zal de publicatie ervan hopelijk bijdragen tot een triomf van de Deugd. 

Silvester Strips heeft er alles aan gedaan de strip in stijl uit te geven. Zo wordt de coverafbeelding in een soort medaillon geplaatst, evenals het cilinderbureau op de titelpagina en de namen van de uitgever, de scenarist (Alain Ayroles) en de tekenaar (Richard Guérineau) zijn afgedrukt in oude schrijfletters. 

Eunice de Clairefont

Het verhaal begint in 1745, midden in de achttiende eeuw, met een brief van ridder Saint Sauveur aan Mevrouw de ***. De citaten uit de brief zijn cursief gezet in een lettertype dat aan de schrijfletter doet denken. In de brief wordt Eunice de Clairefont geïntroduceerd. Ze heeft belangstelling voor wetenschap en doet aan liefdadigheid. Ze is 'zedig, maar zeker niet vroom', bekoorlijk maar ook onbereikbaar en juist dat zorgt ervoor dat de briefschrijver haar wil 'En ik zal ervoor zorgen dat zij mij ook wil'. 

Eunice schrijft aan haar vriendin 'mevrouw de Chevreuse' over de toenadering van de ridder en dat ze maar niets tegen haar man zal zeggen. 

De omgeving van Eunice de Clairefont is interessant. Ze beweegt zich in intellectuele kringen, waarin gesproken wordt over literatuur en filosofie. Alles ademt de sfeer van de hogere klasse in de achttiende eeuw: diners, spitse gesprekken, belangstelling voor filosofie en wetenschap, maar ook duels en het al dan niet toegeven aan verleiding. Het roept de gedachte op aan Les liaisons dangereuses, een roman uit 1782 van Pierre Choderlos de Laclos. De roman bestaat geheel uit brieven, net als bijvoorbeeld Sara Burgerhart, en deze strip dus. 

Wie een eigentijdser associatie wil, kan denken aan de serie Bridgerton, waarin niet de brieven leidend zijn maar de pamfletten van een aanvankelijk anonieme schrijfster, die de roddels van de dag openbaar maakte. De schrijfster blijkt Penelope Featherington te zijn.

Een authentieke Irokees

Er is in Schaduwen der Verlichting ook aandacht voor het exotische, in de persoon van Adario, 'een authentieke Irokees'. Die treedt soms op als een 'wilde', maar hij wil ook leren lezen en kleedt zich uiteindelijk als de mensen om zich heen. Aan het eind van het album zal de ridder de Saint-Sauveur de oversteek naar Amerika maken. Adario zal hem vergezellen. 

Uit de brieven moet de lezer een soort doorgaande lijn halen. Dat is goed te doen, maar je moet er ook je hoofd bij houden. Goed werk van Alain Ayroles, die daarnaast vooral interessante personages geschapen heeft, die je wel wilt volgen. 

Of Eunice uiteindelijk bezwijkt voor de aandrang van de ridder en of haar man daar uiteindelijk achterkomt, laat ik even in het midden, evenals de rest van de ontwikkelingen. Al wordt ridder de Saint-Sauveur als een gevaar voor de mensheid gezien, je leeft met hem mee, zoals je met Reinaart de Vos meeleeft. Meer dan een schurk is hij een schelm, van wie je wilt dat hij wegkomt met zijn daden. 

De tekeningen zijn van Richard Guérineau, van wie ik eerder Een stil geloof in engelen besprak. Hij weet de sfeer van de achttiende eeuw goed te treffen, door een rake setting. 

Met Schaduwen der Verlichting is uitgeverij Silvester Strips een interessante reeks gestart, die wel wat vraagt van de lezer, maar de beloning voor de inspanning is daarna groot. Er ontvouwt zich een boeiende wereld met sprankelende personages. 

Reeks: Schaduwen der Verlichting, De brieven van ridder De Saint-Sauveur
Deel 1: De vijand van de mensheid
Scenario: Alain Ayroles
Tekeningen en inkleuring: Richard Guérineau
Vertaling: Frederik Van Wonterghem
Uitgever: Silvester Strips
2026, 72 blz. € 24,95 (hardcover)









dinsdag 15 september 2026

Tussenjaren (Yannick Dangre)


Waarom lees je het ene boek en niet het andere? Dat kan ik zelf ook niet altijd nagaan. Sommige schrijvers wil ik volgen en daarom lees ik hun werk, maar andere boeken kom ik toevallig tegen: in een kringloop, via een recensie in een krant, op sociale media. Tussenjaren van Yannick Dangre werd genoemd door een gewaardeerde collega bij de Staatsexamens. Ze was dat boek op dat moment aan het lezen en vond het goed. Ik besloot het te lenen bij de bibliotheek. 

Hoofdpersoon is de hartchirurg Charles Dumont, 61 jaar oud. Hij heeft tegen zijn vrouw Delphine verteld dat hij naar Napels is voor een medisch congres; zijn dochter Claudia heeft hij beloofd dat hij op tijd terug zal zijn om haar drieëndertigste verjaardag te vieren. Maar hij is om een heel andere reden in Napels. 

In het begin van de jaren negentig had hij een relatie met Sylviane, de moeder van Claudia. Het was een heftige relatie, met momenten van intens geluk, maar ook met heel moeilijke perioden. Sylviane was labiel, dronk te veel en is ook elf weken lang opgenomen geweest in een inrichting. Ze heeft Charles en Claudia verlaten en in het briefje dat ze ten afscheid schreef, heeft ze gezegd dat ze na dertig jaar, in 2023, Charles nog een keer wil ontmoeten op 1 juli in Napels. 

In de tussentijd, de tussenjaren, hebben ze geen contact gehad, maar Charles vindt toch dat hij die ontmoeting een kans moet geven. Terwijl hij rond die tijd in het warme Napels is, komt alles uit zijn relatie met Sylviane weer boven. En hij moet het in zijn eentje op een rijtje zien te krijgen, want niemand anders weet ervan. 

De bonkende vuisten van het leven

Stukje bij beetje krijgen we een beeld van wat er allemaal gebeurd is in het verleden, wie Sylviane is en hoe het tot een breuk tussen Charles en haar gekomen is. 

Sylviane wilde uitbundig leven:

Kom nou, Charles, het leven bonkt met al zijn vuisten op onze deur. En als het leven klopt, dan doe je open, toch?

Ze had moeite met het moederschap en het lijkt erop dat haar dochtertje haar gedroomde manier van leven in de weg zit. Ze wilde maximaal leven, joeg dromen na, en Charles was de stabiele factor die haar in de realiteit hield. 

Heeft Charles zich op die manier zijn eigen dromen ontzegd? Als hij vrienden van Sylviane beziet, gefnuikte kunstenaars, bekijkt hij ook zichzelf:

Op welk punt in mijn leven ben ik gaan begrijpen dat ik in niets van die artistieke aasvliegen verschilde, behalve dan dat ik in mijn mislukking had berust? En maakte precies dat mij heimelijk niet nog verwerpelijker dan hen?

Is dat de reden dat hij na dertig jaar teruggaat naar Napels, waar hij ooit met Sylviane was? Hij heeft zijn hele leven op orde gehad en netjes heeft hij gedaan wat hij moest doen. Zat daaronder een verwaarloosde droom?

Dark Eyes

Sylviane was gek op films, vooral die van Fellini. Voor in Tussenjaren staat een motto dat aan hem ontleend is: Niets bestaat. Alles is verbeelding. 

In de roman komen veel films voor. Bijvoorbeeld de film Dark Eyes (1987): Over Romano en Elisa. In Tussenjaren wordt de inhoud ervan samengevat:

Ik moet denken aan een van de laatste scènes uit Dark Eyes, Sylvianes favoriete film, waarin Marcello Mastroianni zijn bazige vrouw ontvlucht naar een kuuroord. Ter plekke beleeft hij een passionele romance met de jonge Russin Anna, die hij dolverliefd achternareist naar haar geboorteland. Hij, Romano, wil vervolgens met haar trouwen, maar moet eerst thuis de echtscheidingspapieren en andere praktische aangelegenheden afhandelen. Vastberaden keert Romano terug naar Italië, waar zijn vrouw Elisa lucht blijkt te hebben gekregen van de affaire. Op de man af vraagt ze hem of hij haar in Rusland bedrogen heeft, waarna je ziet hoe Mastroianni's personage tergend lang aarzelt en je als kijker verwacht dat de emotioneel uitgewoonde, tussen de bankschroef van twee liefde geklemde echtgenoot alles zal opbiechten, tot hij uiteindelijk met een uitgestreken gezicht antwoordt: 'Natuurlijk niet.'
En het verzoende paar leefde nog lang en gelukkig. 
Romano en Elisa verzoenen zich en het avontuur dat hij met Anna heeft beleefd, lijkt slechts een intermezzo. Maar wat is het verband met Tussenjaren? Zijn de jaren van van Charles met Delphine, de tussenjaren, het intermezzo, en verzoenen hij en Sylviane zich? Of is het mogelijke weerzien met Sylviane het intermezzo en keert hij daarna weer terug naar Delphine?

Charles is zich bewust van de parallel. Bovendien hebben Romano en Elisa, net als hij en Sylviane, een dochter: Claudia. De film is een raamvertelling en juist in een van de laatste scènes blijkt dat na zoveel jaar Romano met Anna blijkt te zijn en niet met Elisa. Dat wordt overigens niet verteld in de roman. 

Meeslepend

Tussenjaren is een meeslepend boek. Je wilt weten of Sylviane na zoveel jaren inderdaad verschijnt in Napels. Eigenlijk had ik verwacht dat we dat niet te weten zouden komen, maar Dangre vult het wel in, wat ik misschien wel jammer vind, al blijft er nog genoeg open aan het einde. 

Bovendien zie je hoe de beheerste Charles in Napels wegraakt van zijn gecontroleerde leven. Hij drinkt te veel en je zou kunnen zeggen dat hij daarmee een echo wordt van Sylviane. 

Boeiend is de relatie met zijn dochter Claudia, die nooit het fijne heeft geweten van de relatie van haar vader met haar moeder en het einde ervan. In hoeverre gaat hij haar vertellen wat er speelt en gespeeld heeft?

Alles is verbeelding, zegt Fellini. In hoeverre verbeeldt Charles zich de dingen die gebeuren? Of zet het motto ons op het verkeerde been? Dat zijn vragen die opkomen tijdens het lezen, al liet ik ze ook weer achter me. 

Mensen in crisis, het najagen van dromen of het kiezen voor veiligheid - het zijn thema's waar ook jongeren wel door geraakt zullen worden. Ik heb Tussenjaren nog niet op boekenlijsten gezien, maar ik kan me voorstellen dat het daar uitstekend zou passen. En als je geen scholier meer bent: Tussenjaren is een lekker leesbaar boek, waar je doorheen vliegt. 

maandag 14 september 2026

Off the record (Jan-Willem de Vries, Ben Westervoorde)

Het is een mooie hardcover: Off the record, met voorop een plaatje, een single, zoals we die vroeger wel draaiden op de pick-up, met in het midden een gat, waardoor we de hoofden van de twee personages kunnen zien, Bas en Nina. Het stripboek is gemaakt door Jan-Willem de Vries (tekst) en Ben Westervoorde (tekeningen), die ook de stripbiografie van André Hazes maakten (links onderaan). 

Bas is een oudere man die jarenlang elpees verkocht heeft in zijn muziekwinkeltje. Daar stopt hij mee. Hij heeft een enorme voorraad en die zal hij nog verkopen, maar daarna is het gebeurd. Dan stapt Nina binnen, vijftien jaar oud. Andere generatie, ander referentiekader. De twee vinden elkaar en Bas vertelt graag over de muziek die hem altijd dierbaar is geweest. 

Zeven verhalen

Zijn verhalen, zeven stuks, vormen de inhoud van dit album, dat blijkbaar het eerste in een rij wordt. Dit eerste deel heet Verandering. Dat is een kopje waaronder bijna alles te vangen is, maar goed, de verhalen die Bas vertelt, zijn ook nogal divers en in elk verhaal is wel iets van verandering aan te wijzen. Voorin Off the record worden de artiesten genoemd over wie verteld wordt: Garry Higgins, Billie Eilish, Prince, Edith Piaf, The Zombies, David Bowie en The Spice Girls. 

Nina zal Bas helpen met het verkopen van zijn platen op internet, want daar heeft de oudere man te weinig kaas van gegeten. Ze komt allerlei platen van allerlei artiesten tegen in de winkel en Bas vertelt graag over hen, waarbij hij nogal heen en weer springt in de tijd (van Garry Higgins naar Billie Eilish) en ook de muzieksoorten waarover hij vertelt verschillen onderling nogal (van Edith Piaf tot The Spice Girls). 

Tekst en tekeningen

Maar Nina wil het allemaal horen en wij willen het allemaal lezen, want De Vries vertelt boeiend en Westervoorde tekent helder. De korte biografieën van de artiesten beslaan steeds drie of vier pagina's en zijn ingekleurd met slechts een enkele steunkleur, zodat ze goed te onderscheiden zijn van de gesprekken tussen Bas en Nina, die volledig in kleur zijn. 

Door de diversiteit zal iedereen er wel iets van zijn gading in vinden en muziekliefhebbers willen graag hun kennis uitbreiden, neem ik aan, dus liefhebbers van Prince willen waarschijnlijk ook wel weten wat nu het 'chinck'-incident bij Billie Eilish was (waar ze overigens krachtig afstand van heeft genomen). 

Raamvertelling

De strip is een raamvertelling en dat werkt goed. Bas en Nina zijn twee personages met wie je je gemakkelijk kunt identificeren. In het begin lijkt Bas een tragische figuur, die afstand moet doen van datgene wat hem altijd dierbaar is geweest: het verkopen van platen. Maar hij is vooral een man in wie een vuur brandt, bij wie het enthousiasme voor muziek zo groot is, dat hij er wel over moet vertellen, zeker nu hij een aandachtig publiek heeft. 

Nina is de representant van de jongste generatie, opgegroeid met Spotify. Maar zij is nieuwsgierig en heeft oprechte belangstelling voor de muziek. Ze gaat Bas niet alleen helpen omdat die internetdingetjes haar nu eenmaal gemakkelijker afgaan, maar ook omdat ze zijn verhalen wil horen. 

Literatuurlijst

Achter in Off the record is er een keurige literatuurlijst opgenomen, per artiest, zodat je kunt zien waar Jan-Willem de Vries zijn informatie vandaan gehaald heeft. Bovendien wordt er literatuur genoemd over het verschil in klankkwaliteit tussen vinyl en cd. 

Over popmuziek zijn al veel strips gemaakt, vaak monografieën over een enkele artiest. Hieronder zal ik een aantal links opnemen naar bijdragen die ik daar eerder over schreef. In Off the record zijn de verhalen korter en gaan ze over meer artiesten. Je zou kunnen zeggen dat de verhalen daardoor meer aan de oppervlakte blijven, maar ze zijn dan ook bedoeld als een eerste kennismaking en ik denk dat verschillende lezers toch wel een paar nummers gaan opzoeken (op Spotify, wellicht) om eens te horen wat dat ook alweer voor muziek was. 

Hopelijk werkt het twee kanten op: muziekliefhebbers die geïnteresseerd raken in strips en stripliefhebbers die toch eens gaan luisteren naar muziek die zich wellicht in de periferie van hun interesse bevindt. Off the record kan een breed publiek aanspreken en is daardoor sowieso leuk om iemand cadeau te geven. Succes gegarandeerd. 

Titel: Off the record
Deel 1: Verandering
Tekst: Jan-Willem de Vries
Tekeningen: Bas Westervoorde
Uitgeverij: Personalia
2026, 52 blz. € 29,90 (hardcover)

Eerder schreef ik over:
Hazes, De stripbiografie (Bloed, Zweet)
Hazes, De stripbiografie (Tranen)
Low (David Bowie)
Starman (David Bowie)
Songlife (door Gerrit de Jager)
Het kruispunt (ontmoeting strips en muziek)


donderdag 10 september 2026

Penicillinezalf, Haarlemmerolie, levertraan en Sloan's liniment

 

Mijn ouders gebruikten medicijnen die ik tegenwoordig nooit meer tegenkom. Zo herinner ik me de penicillinezalf, een gelig goedje uit een tube. Als ik een gat in mijn knie gevallen had, deed mijn moeder het op een gaasje en dat ging op de wond. 

Pas nu vraag ik me af of je in die tijd antibiotica zonder doktersrecept kon krijgen. Indertijd vond ik het niet vreemd dat de tube gewoon in de la van het keukenkastje lag. Ik heb kort gezocht op Delpher en in oude kranten komt het geregeld voor, bijvoorbeeld hier. Het middel werd wel verkocht op plaatsen waarin veemarkten gehouden werden, dus mogelijk heeft mijn vader het ooit van 'de mart' meegebracht. 

Indertijd werd al gewaarschuwd tegen het onoordeelkundig gebruik van het middel. Voor zover ik weet, heeft mijn vader het nooit voor het vee gebruikt. 

Haarlemmerolie

Verder hadden we natuurlijk de Haarlemmerolie, een wijdverbreid middel. Ik gok dat al mijn ooms en tantes het in huis hadden. Het zou tegen zo'n beetje alles helpen. Volgens mij gebruikten wij het voornamelijk bij kiespijn en oorpijn. Een watje werd doordrenkt met de sterk ruikende olie en aangebracht in het oor of in de holle kies. Natuurlijk ging de pijn na een tijdje over en dan zou dat door de bruine vloeistof komen. Waarschijnlijk was het de placebowerking. 

Dat er ook capsules waren met Haalemmerolie was iets van later datum, dacht ik, maar ik vond een advertentie uit 1940 waarin de capsules al werden aangeprezen. 

Suriname, Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad 2 januari 1940

Levertraan

Als de 'r' in de maand was (van september tot en met april dus) slikten we een lepel levertraan. Aanvankelijk was dat traan, olie, met een smaakje: sinaasappelsmaak. Later was het de pure, gele olie. De eetlepels die wij thuis hadden, hadden een behoorlijke afmeting, dus het was een beste slok. In mijn herinnering hadden mijn zusje en mijn broertje er nogal moeite mee. Ik vond het ook helemaal niet lekker, maar ik nam maar snel de slok om ervan af te zijn. Mijn moeder erkende ook wel dat het goedje niet lekker smaakte en daarom kregen we meteen na de lepel olie een schep suiker. En daarna snel naar bed. 

Net als de Haarlemmerolie was de levertraan in mijn jeugd al beschikbaar in capsules. Maar die hadden wij niet. Ik vermoed dat je met wat er in de eetlepel ging verscheidene capsules had kunnen vullen. 

Leeuwarder Courant, 4 januari 1958

Sloan's liniment

Verder was er Sloan, een al heel oud middel. Het zat in een flesje dat in een doosje zat en daarop stond het hoofd afgebeeld van een man met een snor. Later zou ik vinden dat die man op mijn ome Ab leek. Mijn moeder gebruikte het als ze last had van haar rug. Als je het spul erop smeerde (het was verkrijgbaar als zalf en als vloeistof), ging de huid gloeien en dat had blijkbaar een verlichtende werking. 

De oudste advertentie voor dit middel kwam ik tegen in de Sheboygan Nieuwsbode, de oudste Nederlandstalige krant in Amerika, die bestond van 1849 tot 1861. De advertentie stamt uit 1851.


Hierboven staat maar een stukje van de advertentie. Het middel blijkt ook bedoeld voor hoornvee en paarden en werd gebruikt bij aandoeningen aan de 'galblaas, verrekking der pezen, kneuzingen, gekwetste pooten, ringbeen, gezwollen enkels, nekgezwel, wratten, spatten, fistel, zadelknobbel, verwrikking, kreupelheid, stijve pooten, stramheid, schurft en paardenziekte.' Letterlijk een paardenmiddel dus. 

Sloan had ook Conditie Poeder, dat ook al een wonderbaarlijke werking had. Het verdrijft 'elke ontsteking en koorts, zuivert het bloed, maakt het vel los, reinigt het water en versterkt elk deel des ligchaams.' Verder heeft het zich een uitmuntend middel voor de volgende ziekten getoond: 'stijfheid, ziekte, vastheid der huid, gebrek aan eetlust, inwendige verrekking, geel water, ontsteking der oogen, vermoeijenis van harden arbeid; ook rhumatiek (gewoonlijk stijfheid genoemd) hetwelk in dit land voor zo menig paard doodelijk is. Het is ook een veilig en zeker middel voor hoest en verkoudheid, welke zoo vele noodlottige ziekten na zich slepen.'

Dat het ook helpt bij 'ziekte' is altijd handig. Dan kun je het overal voor gebruiken. Het tekstje is ondertekend door W.B. Sloan, die nog vertelt dat het middel volkomen veilig is: 'Deze remedies schaden nimmer en genezen altijd, indien de voorschriften worden opgevolgd.' Het hoofddepot bevond zich indertijd in Chicago. 

Blijkbaar hebben de middelen van Sloan in de loop der jaren de oversteek over de oceaan gemaakt en waren ze zelfs in Herveld te koop. Zou mijn moeder het flesje bij Engeltje Dekker gekocht hebben? Toen ik klein was, werd er flink reclame voor gemaakt. En vaak hoefde er geen uitleg bij. Ik kwam een advertentie uit 1960 tegen waarin alleen verteld werd dat het overal verkrijgbaar was.

Het Nieuws, Algemeen Dagblad, 17 mei 1960

Hoe dan ook, wij hadden een flesje Sloan's liniment in huis. We spraken de naam trouwens uit als 'Slowan'. Toen wij klein waren, moesten mijn zusje en ik onszelf soms bezighouden, omdat mijn ouders 'achter' aan het werk waren. Mijn vader molk de koeien en mijn moeder zal ze intussen wel gevoerd hebben en de deel geveegd hebben met een rijshouten bezem. 

Toen mijn moeder eens binnen ging kijken of haar kinderen wel braaf waren en deur naar de gang opende, kwam de kat in paniek de deel op rennen. Hij ging via de stalladder de hooizolder op, likte zich driftig, maar werd daar niet rustiger door. 

Mijn moeder haastte zich naar binnen, waar ze mijn zusje aantrof die op haar buik op de divan lag, met haar trui omhoog. De huid van haar rug, was helemaal rood. Mijn moeder zag het flesje Sloan's liniment en begreep meteen het verband. Ze nam mijn zusje op en hield haar rug onder de pomp om de Sloan van haar af te spoelen. 'Lientje had een zere rug', zei ik. 

Ma snapte ook wel dat niet alles uit het flesje op de rug van mijn zusje terecht was gekomen. Ze vroeg me wat er met de rest van de inhoud gebeurd was. 'Dat heb ik op de poes gedaan', vertelde ik. Er is nog naar het beestje gezocht, maar het is nooit meer gevonden. Mogelijk heb ik door mijn gesmeer de dood van het dier op mijn geweten. Mijn zusje hield er geen nadelige gevolgen aan over. 

Nieuwe Vlaardingsche Courant, 14 november 1962

De foto boven deze bijdrage is uit 1962. In dat jaar werd ik drie en werd mijn zus een jaar oud. Ook de betreffende poes is te zien, die niet veel ouder geworden zal zijn dan op de foto. Hieronder nog een foto van mijn vader en moeder op de deel. In de vaten zat meel (of misschien ook wel biks) dat mijn vader er met de 'meelkop' uit schepte. Links achter aan de muur de 'kippenklok', die ervoor zorgde dat op een bepaalde momenten het licht in het kippenhok aan- of uitging. 

Op deze foto zie je een trap tegen de hooizolder staan. In mijn herinnering was het een ladder, de 'stalleer'. 

woensdag 9 september 2026

Net echt (Saskia de Coster)

Toen ik het na ging kijken, verbaasde het me: hier heb ik nog nooit geschreven over een boek van Saskia de Coster. Ik las Held (2007), maar dat was voordat ik begon hier mijn besprekingen te plaatsen. Mogelijk heb ik het indertijd besproken in Nederlands Dagblad, maar wat ik daar geschreven heb, heb ik niet meer tot mijn beschikking. Verder was ik vast van plan Wij en ik (2013) te lezen, maar ik realiseer me nu pas dat ik dat nooit gedaan. En in 2019 nam ik Nachtouders op in het lijstje met de beste boeken van dat jaar die ik niet las, maar het jaar erop las ik het niet. De helft van dat lijstje las ik wel. Vreemd. 

Nu heb ik Net echt (2023) gelezen, omdat ik het enkele keren tegenkwam op boekenlijsten van kandidaten voor het Staatsexamen. Gelukkig maar. Intussen ben ik wel wat in twijfel geraakt over de spelling van de naam van de auteur. Die schreef ik altijd als Saskia De Coster, met een hoofdletter 'D' dus, maar op de titelpagina van deze roman is 'de' een minuskel. Dat hou ik dan maar aan. 

Max, Manon en Noah

In Net echt ligt het perspectief wisselend bij Max, Manon en hun dochter Noah. Max en Manon hebben een huis gekocht in de Blauwstraat in Antwerpen. Het is een negentiende-eeuws herenhuis en er moet nog wel het een en ander aan verbouwd worden. Max is architect en het lijkt een klus die je wel aan hem kunt overlaten, maar het schiet niet op. 

Max verkondigt na een tijdje ook dat het misschien niet hoeft, dat je het huis kunt zien als een voorbeeld van onaffe architectuur. Maar de voordeur blijft wel knellen. Max zegt zijn baan op en is daarna veel binnenshuis. Hij gaat een relatie aan met de buurvrouw, Lia. 

Manon werkt bij het bedrijf iCar, waar ze op een gegeven moment 'head legal' kan worden voor de USA, waarvoor ze uiteindelijk een tijd naar de Verenigde Staten moet. Dochter Noah trekt veel op met Pixie, een meisje dat ooit een arm verloren heeft. Ze is verliefd op haar. 

Dat is zo'n beetje de setting. Het huis herbergt een gezin waarvan de leden het moeilijk hebben. De staat van het huis is gebrekkig, zoals de samenhang van het gezin. Max en Manon drijven verder uit elkaar en dat lijkt maar gewoon te gebeuren. 

Als het boek begint, is het helemaal fout gelopen: Max is het huis ontvlucht en verblijft in Kopenhagen, Noah zit aan het andere eind van de wereld. 

Ander soort tekst

De manier van vertellen is aan dat begin (en ook tegen het eind) opmerkelijk: nagenoeg elke zin begint op een nieuwe regel en ook in de loop van de zinnen is er soms ineens een harde return gebruikt, waardoor die stukken niet lezen als deel van een roman, maar eerder als een soort toneeltekst of iets wat tussen poëzie en proza in zit. 

Zes maanden geleden is hij gevlucht, als een misdadiger.
    Ooit was hij een goed mens
    maar wie gelooft dat nog?
    Zijn hele leven ondersteboven,
    opeens was de bodem eruit geslagen. 
    Alle betekenis weg,
    zo veel verloren, 
    zoals dit bad dat leegloopt,
    het ijskoude water verdwijnt in de tuin. 
Het lezen ervan houdt je heel erg bij dit moment, het moment waarop het 'gezegd' wordt. Anders dan de 'echte' prozagedeelten, waaruit een groot deel van het boek bestaat. Daarin zit meer een lijn, volg je meer de voortgang in de tijd. 

Wit op zwart

Na enkele hoofdstukken is er steeds een hoofdstuk in witte letters op zwart papier. Iemand spreekt daarin een 'jij' toe, die schrijfster is. Ik heb het gelezen als een innerlijke dialoog, als de dingen die de vertelster tegen zichzelf zegt. 

Vroeger maakte ze hutten in het bos, nu schrijft ze. De teksten die ze schrijft zijn de hutten die ze voor zichzelf bouwt. Het verhaal van Max, Manon en Noah wordt daardoor de hut die de schrijfster, de 'jij', gebouwd heeft en misschien is het ook wel het onderkomen dat ze nodig heeft. 

De 'jij', die ik voor het gemak maar even de vertelster noem, blijkt ook in de Blauwstraat gewoond te hebben. 

En ondertussen woonden daar rond de Blauwstraat zo veel mensen op elkaar, stapelden de verhalen zich op, en werd hun verhaal ook van jou. 

Je komt het een en ander te weten over haar verleden, met een onvoorspelbare vader, en over de moeite om haar leven op orde te houden of te krijgen. Er wordt verteld dat ze twee dingen wil: schrijven en een geliefde die haar begrijpt. Maar hoe krijg je dat voor elkaar. 

Ze houdt zichzelf een spiegel voor: 

Hier ben je dan, met je eigen verhaal verpakt als dat van andere mensen. 

Toeschouwertjes

Het verhaal van Max, Manon en Noah is een manier om naar zichzelf te kijken. Binnen dat verhaal heeft Max ook al zo'n soort mechanisme: de toeschouwertjes. Die geven commentaar op wat hij doet. Zoals iemand de 'jij' toespreekt, spreken de toeschouwertjes Max toe. 

Die toeschouwertjes zijn er al een tijd:

(...) die waren weer klaarwakker nadat ze jaren in hem hadden geslapen als speelgoedsoldaatjes in een doos in de kelder.

Max is architect, die zich uiteindelijk ex-architect noemt. Hij heeft niet meer het overzicht over het bouwwerk van zijn leven, zoals hij niet meer de controle had over het huis en zoals zijn gezin hem tussen  de vingers door is geglipt. Maar misschien wordt hij juist daardoor teruggeworpen op zichzelf en moet hij zich wel afvragen wie hij is en wat hij moet. 

En dat is dus weer het verhaal dat de 'jij' gebruikt om naar zichzelf te kijken, om zich af te vragen hoe het zit met de bewoonbaarheid van de hutten die ze gebouwd heeft, haar teksten. En in hoeverre is ze zelf daarin te vinden?

Net echt eindigt met:

Het huis staat daar maar. Tot er een sleutel wordt omgedraaid. Het geluid van een slot dat lang niet bewogen heeft en nu krakend uit zijn scharnieren komt, de mond van de deur die sleutel weer hapt, de deur die stroef opendraait. 

De roman is een huis dat je als lezer binnentreedt als je begint te lezen. Achter op het boek staat: 'Begin nu. Leg je scherven bij elkaar. Ga het huis binnen.' Ook de roman zou je kunnen zien als onaffe architectuur, een huis dat zich niet helemaal prijsgeeft en dat in ieder geval een bewoner, een lezer, nodig heeft. En die heeft misschien ook weer zijn eigen toeschouwertjes, zoals de reien in een klassieke tragedie. 

Veiligheid en harmonie

Als kind stelde de 'jij' zich een huis voor dat een symbool was van veiligheid en harmonie. 

En door je zo hard het huis voor te stellen, zou het tot leven komen, je had nog dat kinderlijke geloof. Het huis had een toverkracht, het zou alle zenuwen en angst doen verdwijnen, het was een antigif. Over de drempel stappen zou je genezen van angst. Zo'n huis zou je later bewonen, een huis dat niet voortdurend onder stroom stond. 

Wat voor de 'jij' geldt, zal voor iedereen wel gelden. We fantaseren ons een huis, we maken een verhaal van ons leven in de hoop dat het een huis is, waarin het niet al te zeer waait, wel wetend dat het huis ook een eigen wil heeft. 

Het huis vertoonde zo veel gaten en kieren dat het een eigen leven had. Het verzette zich tegen een verbouwing, de voordeur klemde de kaken steeds meer opeen. 

Maar woorden kunnen veel. Voor en achter in het boek staan motto's die ontleend zijn aan Ocean Vuong. In een ervan staat woorden niets kunnen vernietigen dat niet door woorden herbouwd kan worden. 

In ieder geval heeft Saskia de Coster met Net echt een huis gebouwd waarin we nog lang kunnen ronddwalen. Het geeft niet zomaar alle uithoeken prijs. 

Nu heb ik zin om meteen meer van Saskia de Coster te gaan lezen, maar ik weet dat ik niet al mijn leesvoornemens ten uitvoer breng. Herinner me er maar aan als het te lang duurt voor ik weer over haar schrijf. 

dinsdag 8 september 2026

Guiseppe Bergman 1: Venetiaanse avonturen (Manara)


Wie de strip Guiseppe Bergman, Venetiaanse avonturen openslaat, komt eerst bij een voorwoord, geschreven door de stripmaker, Milo Manara. Het is een wat lastig te lezen tekst: gezet in een vrij klein lettertype en verschillende alinea's zijn niet langer dan een enkele zin. 

Manara vertelt dat er in de jaren zeventig met een zeker dedain gesproken werd over de avonturenstrip, maar dat er gelukkig een stripmaker was die zich daar niets van aantrok: Hugo Pratt. Manara verwonderde zich over de houding tegenover avonturenstrips: er zijn altijd fantastische vertellers geweest. Hij noemt Melville, Conrad, Stevenson London en Kipling. 

Zo begon ik het verhaal van Giuseppe Berman te vertellen, waarbij ik probeerde te analyseren, maar niet helemaal op wetenschappelijke of zelfs maar serieuze wijze, waarom het Avontuur geen populair onderwerp was en of het tegenwoordig nog mogelijk was om dat vervloekte Avontuur echt te beleven. 

Hij vertelt in de inleiding nog meer over zijn zoektocht. Zo reisde hij bijna een jaar lang in een camper 'richting Pakistan, Nepal en India'. Hij vertelt dan weer niet of hij daar ook geweest is of alleen een eindje in die richting. 

Op zoek naar het avontuur

In die strip zegt Guiseppe Bergman op de eerste pagina dat het avontuur eindelijk gaat beginnen. Hij is vrij man en kan beslissen wat hij gaat doen. Hij gaat zich niet meer aan 'absurde, onmenselijke, kunstmatige regels' houden. Hij heeft gereageerd op een wonderlijke advertentie en een producent zegt dat hij geheel vrij is om het theater van zijn  avontuur te kiezen. Geld speelt daarbij geen rol. Maar degenen die het volgen, moeten hun dagelijkse problemen er geheel door vergeten. Een meester van het avontuur, HP, zal hem helpen bij zijn taak. 

Die twee letters zullen niet voor niets de initialen zijn van Hugo Pratt. Guiseppe gaat op pad. Hij is aan niets meer gebonden, zijn vriendin heeft hem net het huis uit gezet. 

Guiseppe trekt eropuit met zijn busje, ontmoet daadwerkelijk HP en komt in allerlei avonturen terecht. Hij speelt daarin geen heldenrol, maar struikelt zich een weg door de avonturen. Eigenlijk valt het Avontuur hem nogal tegen, maar hij zit in het schuitje en moet daarom meevaren. Je zou kunnen zeggen dat hij leert dat het avontuur overal te vinden, als je het maar wilt zien. 

Luchtig

Venetiaanse avonturen is een luchtig vertelde strip, waarin inderdaad veel gebeurt, zoals je van een avonturenstrip mag verwachten. Verder zijn de tekeningen geweldig. In de inleiding vertelt Manara al dat Giraud/Moebius een tijd lang zijn voorbeeld is geweest en dat is ook wel te zien. Je kunt je slechtere voorbeelden kiezen. Het uitgangspunt van de tekeningen is realisme, al zijn er ook afbeeldingen die meer karikaturaal ogen. 

Dat realisme werkt goed, omdat het de balans bewaakt tegenover het verhaal dat absurde kanten heeft, met wendingen die surrealistisch aandoen. 

Metalaag

Manara kan er wat van, dat kun je aan deze strip wel merken. Het verhaal leest lekker, het is grappig en je blijft lezen tot je door de honderd pagina's heen bent. Maar toch. De strip zou een pleidooi voor de avonturenstrip moeten zijn, maar waarom dan niet de lezer een avontuur voorgeschoteld? We krijgen een avontuur, zeker, maar altijd hangt het metaverhaal erboven van iemand die op zoek is naar het avontuur. Die metalaag houdt mij als lezer toch een beetje op afstand. Graag was ik voluit meegegaan in het avontuur, maar ik zit niet alleen in het verhaal, maar ben tegelijkertijd eigenlijk een essay over het Avontuur in de strip aan het lezen. 

Of het waar is dat er neergekeken wordt op de avonturenstrip, weet ik niet, maar je zou kunnen zeggen dat Manara met deze strip dat vooroordeel juist bevestigt: blijkbaar is het niet voldoende om de lezer mee te nemen in een avontuur, er moet ook nog over getheoretiseerd worden. Misschien is 'gewichtigdoenerij' een te zwaar woord, maar het komt wel bij me op, zoals ik ook de inleiding wel wat aanstellerig vind. Met alleen het avontuur van Giuseppe Bergman was ik al tevreden geweest. De metalaag had ik kunnen missen. 

Reeks: Guiseppe Bergman
Deel 1: Venetiaanse avonturen
Tekst en tekeningen: Manara
Uitgeverij: Lauwert
2026, 104 blz. € 26,95

maandag 7 september 2026

Ik moest vanmorgen denken 2, Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen (Jacques Klöters)

Geregeld schrijft Jacques Klöters stukken op Facebook, die allemaal beginnen met 'Ik moest vanmorgen denken'. Af en toe lees ik zo'n bijdrage en dan lees ik die ook altijd uit, al is het behoorlijk wat tekst. Ik vind dat ik dat vaker moet doen, maar daar komt het dan toch niet altijd van. Blijkbaar ga ik op een andere manier om met het medium dan deze bijdragen van mij vragen. 

Maar gelukkig is er ook een boek van en dat heb ik besteld. Voorop staat als titel Ik moest vanmorgen denken, maar op de titelpagina staat ook nog Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen. Deel 2. Dat suggereert dat er ook een deel 1 is, maar dat ken ik dan weer niet. Het boek telt acht hoofdstukken, die alle beginnen met de zinsnede 'Ik moest vanmorgen denken', maar ik vermoed dat er verschillende stukken van Facebook samengevoegd en omgevormd zijn tot een enkel hoofdstuk.

De vreugde uitdragen

Voor in het boek nam Klöters een motto van Montaigne op:

Maar wij moeten in ons leven juist de vreugde
uitdragen en de droefenis zoveel mogelijk verkroppen.

Dat is wel de sfeer die uit het boek spreekt: het heeft een zekere monterheid en dat is een van de dingen die het lezen aangenaam maakt. 

Een groot deel van wat Klöters schrijft behelst herinneringen, aan een tijd die voorbij is, aan mensen die hij gekend heeft en dat zijn ook vaak mensen die wij kennen, maar niet van zo dichtbij. We kennen ze van de televisie, de radio, het theater, van hun plaatjes, van hun teksten. 

Achterwaarts begrijpen

Klöters vraagt zich wel af wat hij in de stukjes doet. Hij blikt om, maar niet met nostalgie, niet met chagrijn of verdriet om wat voorbij is. 

Maar begrijp me niet verkeerd. Ik ben niet van 'hadden we die tijd maar terug en wat is er veel verloren gegaan'. Mij gaat het om het verlangen zelf naar toen, de geamuseerdheid om toen, de vreugde die de herinnering aan toen oproept, de kennis van nu die ik leg naast mijn herinneringen aan toen. Immers: het leven dient voorwaarts geleefd te worden en achterwaarts begrepen. 

Dat laatste verwijst naar een bekend citaat van Sören Kierkegaard. Een ander die hij aanhaalt is Walter Benjamin:

De filosoof Walter Benjamin (1892 - 1940) onderzocht zijn Berlijnse jeugd om zich in te enten met zijn herinneringen, zodat hij beter bestand zou zijn tegen de kwalen die hem wachtten. Daar lijkt het bij mij meer op. Ik kijk vooral naar het verleden om het heden te kunnen begrijpen en ook een beetje om weg te schuilen voor de toekomst. 

En even verderop schrijft hij:

Wat ik vooral wil is in taal de wereld oproepen waarvan ik deel heb uitgemaakt. Een enkele keer probeer ik zelfs terug in de tijd te reizen en de wereld binnen te stappen van mijn voorouders, omdat ik wil weten waar ik vandaan kom. 

Rondlopen in het verleden

Soms lijkt hij werkelijk rond te lopen in dat verleden. Dat doet me denken aan het boek Waar was je nou? (2005), van K. Schippers waarin iemand via een foto in zijn verleden stapt. Klöters doet iets soortgelijks: hij gaat terug naar de jaren veertig en ziet daar zijn vader rondlopen. Hij observeert hem: 

Wat steekt mijn vader af bij al deze mensen in zijn driedelige kamgaren kostuum en met zijn mooie nieuwe derby op zijn hoofd. Hij hoort er al niet meer bij, hij neemt alleen waar. Hoe oud zou hij zijn? Een jaar of twintig, een ouwelijke jongeman die zich omhoogwerkt uit zijn haveloze jeugd. Een man die op weg is naar het mooie licht en de zuivere lucht van het chique Amsterdam Zuid. Zijn kleren zijn er al. 

Maar hij doet het ook met zijn jongere ik, wat me doet denken aan Tomas Lieske die in Alles kantelt (2010) zichzelf ontmoet toen hij nog een kind was. 

Mijn vroegere ik - lang haar en een baard - is in gesprek met journalist Jan Bart Klaster van Het Parool. Ik ben druk aan het woord. Cabaret moet een voorbeeldfunctie hebben, hoor ik mezelf zeggen. 

Klöters wil zijn jongere ik toespreken en vertellen dat cabaret helemaal niets moet, maar hij wordt natuurlijk niet opgemerkt. 

Op de bal

Vaker neemt Klöters afstand van het gedrag van een ik in het verleden. Hij vertelt hoe hard hij bijvoorbeeld Arthur Japin beoordeeld heeft. Het gaat niet om het oordeel, maar op de manier waarop hij dat verwoordde. En hij was het ook nog vergeten. 

Kritiek moet. Desnoods harde kritiek, om gehoord te worden. Maar die moet op het werk zelf gericht zin en mag nooit de mens degraderen. En ja, ik heb dat vroeger vaak gedaan, in mijn cabarettijd en dus kennelijk ook als leraar. Het is iets waarvoor ik me nu geneer en wat me nu stoort op internet, op de tv en in het cabaret. Op de man spelen en niet op de bal. 

Klöters spaart zichzelf niet, maar tegelijkertijd blijft hij loyaal aan zichzelf. Ook bij kritiek op zichzelf speelt hij op de bal. En dat doet hij ook bij anderen. 

Veel van zijn observaties zijn uit de eerste hand, wat ze bijzonder aantrekkelijk maakt. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe Jaap van de Merwe optrad voor een publiek dat slechts uit een tiental mensen bestond. Van de Merwe was bitter, juist tegen de mensen die er wel waren. Tot iemand zei: 'Meneer Van de Merwe, zou u hiermee óp willen houden? Ik heb zo'n goede herinnering aan uw werk, en dat maakt u allemaal kapot vanavond.' Het moet een pijnlijk moment geweest zijn. Maar hij introduceert Van de Merwe wel als 'de grote tekstschrijver', waarmee hij hem recht doet. 

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Freek de Jonge, een van de allergrootsten in het cabaret, maar die ook buiten het theater veel aandacht gevraagd heeft, wat hem niet altijd goed gedaan heeft. Ook daarin is Klöters niet vergoelijkend terwijl hij de loyaliteit blijft behouden. Ook hierin wil hij achterwaarts begrijpen en vraagt hij zich af hoe het toch zit. 

Maar hij heeft met zijn succes natuurlijk ook zijn ziel aan de duivel verkocht. Wie is die duivel? Het publiek? Het geld? De roem en aandacht? Ik denk dat het de duivel in hemzelf is, de man die alsmaar aan het werk wil, alsmaar wil scoren, nooit tevreden is, steeds beter moet, bang is voor de achtervolgers. 

Don Quishocking

Natuurlijk komt de geschiedenis van Don Quishocking terug, van het eerste contact met George en Anke Groot tot het programma We zijn volstrekt in de war. Toen ik de LP Trappen op (1978) kocht, had de groep zich al ruimschoots bewezen en kende iedereen de beroemdste liedjes en conferences. Maar ook die groep moest ooit ergens beginnen en het maar zien te maken. Het is een mooi stuk geschiedenissen geworden, verteld in scènes. 

Af en toe kwam er toch wel een weemoedig gevoel over me: al die mensen, waarvan er sommigen al gestorven zijn, in een fase van hun leven dat ze zich nog moesten bewijzen, dat ze nog moesten uitgroeien tot wie ze later zouden worden. Schrijvers als Jan Boerstoel, Willem Wilmink en Hans Dorrestijn, bijvoorbeeld. Maar ook Gerrit Komrij, Tom van Deel, Carel Peeters, Adriaan van Dis. En dan zijn er natuurlijk herinneringen aan artiesten als Heinz Polzer (drs. P.), Adèle Bloemendaal, Toon Hermans, Jules de Corte. 

Er komt een generatie voorbij als een gebergte met heel veel toppen. Het is ook een generatie die voorbij lijkt, wat droevig genoeg is. 

Soms voelt het of ik met een grote schuiver van de tafel word geborsteld. Er zijn al heel wat kruimels omlaag getuimeld, we raken met steeds minder, nog even en dan zijn we outsiders over de rand gekieperd en gaat iedereen rustig door tot het hun tijd is. 

Maar zolang iemand nog een stem heeft, zolang hij nog zijn bijdragen op Facebook kan schrijven en er een boek van kan maken, is het zeker nog zijn tijd. Klöters schrijft niet alleen toegankelijk, maar hij schrijft ook goed: scherpe observaties, nauwkeurig verwoord. En de milde blik waarmee hij de wereld en zichzelf beziet en is aangenaam in de mediawereld, die vooral lijkt in te spelen op polarisatie. Aan de ene kant formuleert Klöters scherp en trefzeker, maar in zijn gedachten is hij een zoeker, die altijd de nuance bij de hand heeft. 

Achter in het boek is een handig register van namen opgenomen, zodat je op kunt zoeken waar er geschreven is over bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt, Friedrich Nietzsche of Youp van 't Hek.