Tom Lucky
![]() |
| Ons Noorden, 20 maart 1946 |
Verhalen van een dochter
Liefdevol
![]() |
| Henk Albers (l.) en Otto Veenhoven (r.) (en hond Rattaplan) |
Illustraties
![]() |
| Het Parool, 4 maart 1975 |
Kobus Kat
![]() |
| Het Parool, 13 maart 1975 |
![]() |
| Ons Noorden, 20 maart 1946 |
![]() |
| Henk Albers (l.) en Otto Veenhoven (r.) (en hond Rattaplan) |
![]() |
| Het Parool, 4 maart 1975 |
![]() |
| Het Parool, 13 maart 1975 |
Vorige week plaatste ik weer jeugdherinneringen, zoals ik die ooit had opgetekend in een dagboek. De bijdrage ging over de dingen die we in onze jeugd verzamelden: speldjes, sleutelhangers en stickers, maar ook nam ik je mee door het huis van mijn vriendje Gerard.
Het blijft vreemd dat je nog steeds feilloos de weg kunt weten door een huis dat er niet meer is. In een ander dagboek loop ik in gedachten door het huis waar ik geboren ben. Foto's van dat huis vind je bijvoorbeeld hier. Dat is best een lange tocht en die heb ik hier verder niet gedeeld.
'Gelukkig hebben we de foto's nog', zouden ze zeggen bij Dit was het nieuws. Ik wist dat er een foto was van het huis van mijn vriendje en ik vond die, na een tijdje zoeken, bij de Facebookgroep Midden Betuwe. Ik plakte hem bij mijn blogpost.
De dagen erna betrapte ik mezelf erop dat ik verschillende keren de foto bekeek en dat mij dat een goed gevoel gaf. Blijkbaar heb ik goede herinneringen aan die plek en dat is ook niet zo gek. Spelen met Gerard was immers altijd fijn. Op die plek heb ik dus alleen maar leuke dingen gedaan.
Zoals je ziet, staat het huis met de zijkant naar de weg. De twee ramen aan de zijkant, naast de voordeur, zijn van de slaapkamer van Gerards ouders, net als het eerste raam, net om de hoek, aan de voorkant. Het andere raam aan de voorkant is iets lager; het is het raam van de kamer. Blijkbaar moest je vanuit de gang een paar treden naar beneden om in de kamer te komen. Dat was ik kwijt. Vrouw Zwijnen zat vaak achter dat raam. Ervoor was een tuintje: een paar oude fruitbomen, een grasperkje en een border met bloemen. Het was een knusse tuin.
Vrouw Zwijnen keek erop uit en zag de seizoenen voorbijgaan. Aan de andere zijkant was een breed raam dat uitkeek op de uiterwaarden. Het moet een prachtig uitzicht geweest zijn, al herinner ik me niet dat ik mij dat toen realiseerde. Ook het raam van de keuken keek uit op de uiterwaarden.
![]() |
| Hofstede Koeweide |
Het huis van Gerard en zijn ouders moest verdwijnen en het gezin verhuisde naar het huis van een oom van Gerard, broer van zijn moeder: Wimke Gerritsen, die zichzelf wel Wim Gerritsen genoemd zal hebben. Ook daar ben ik nog verschillende keren geweest. Ik herinner me de vorige bewoner nog: een aardige man met een snor als een borstel. De laatste keer dat ik in het huis was, had Gerard al twee kinderen, die in de box in de kamer stonden.
Ook dat huis stond aan de dijk, maar niet boven aan de dijk, maar aan de voet ervan. Op het huis stond de naam Koeweide. Een van de weilanden (wij zeiden de polders) draagt de naam Koeweide. Die was bij ons bekend. Heeft het huis later de naam van het buitendijkse weiland gekregen of had het die altijd al maar stond die niet op de gevel? Ik weet het niet.Gerard was al op vrij jonge leeftijd getrouwd. 'Gerrie is de naam van de merrie', zei hij. Het huwelijk hield uiteindelijk geen stand en voor zover ik weet heeft Gerard veel gedaan aan de opvoeding van de kinderen. Nog weer later werd hij ziek en overleed hij. In die tijd zagen we elkaar al niet meer.
Maar nu ik de foto van het huis boven aan de dijk zie, moet ik vaak aan hem denken. Ik vermoed dat ik nog wat herinneringen aan hem in mijn dagboeken heb. Die zal ik eens opzoeken. Ook hoe ik op een verjaardag een geintje met hem dacht uit te halen en hem toen behoorlijk pijn deed.
![]() |
| Gerard |
Ik herinner me ook nog dat mijn ouders 12,5 jaar getrouwd waren. Het werd gewoon bij ons thuis gehouden. Er stonden wel extra tafels in de kamer, waarrond de rest van de familie zat, er was wit papier over de tafels gelegd en er waren klapstoelen gehaald.
Het moet maart 1970 geweest zijn. Ik zou in juni 11 jaar oud worden. Vrouw Zwijnen vond dat er wel iets leuks gedaan moest gedaan Ze schreef een paar gedichtjes die mijn zus Lientje, Gerard en ik moesten voorlezen en voor zichzelf had ze ook een gedicht. We kregen allemaal een raar hoofddeksel op en brachten onze tekst. Ik had die uit mijn hoofd geleerd en was er trots op dat ik die zonder haperen kon opzeggen. Vooral Alie, vrouw Zwijnen, oogstte veel hilariteit met haar uitdossing en haar tekst.
![]() |
| Zus Lientje (Carolien) |
![]() |
| Algemeen Dagblad 28 juni 1946 |
Avondmaal
Hij heeft onhandig naar het brood gegrepen
en hield de beker te krampachtig vast.
Toen telde hij verstrooid de schaduwstrepen
der zilvren broodschaal op het wit damast.
Hij dacht er aan een kleine slok te nemen
omdat een grote hier toch ook niet past,
keek toen terzij naar mooie meisjesbenen
en dronk en zocht zijn zakdoek op de tast...
Zo zat hij bij U aan het avondmaal.
Hij zag het tafelkleed, het brood, de beker,
hij at, hij dronk, maar hij zag U voorbij.
En ik zat rechts van hem en schoof de schaal
hem haastig toe en keek, want ik was zeker
van een verwantschap tussen hem en mij.
De verdoolde
Ik ben de kerk ontvlucht, want onze predikant
heeft naast zijn gouden ring geen spatter aan de hand.
Maar zie ik door de weeks zijn blonde dochter rijpen
dan neem ik mij weer voor hem beter te begrijpen.
Gebed in de morgendienst
Heer, deze predikant die psalmen leest
is in de week ver van U weg geweest.
En wij, vanmorgen Uw verdwaalde schapen,
toonden wel ánders dan zo'n blatend beest...
Vergeef ons allen, Heer! maar mij het meest.
![]() |
| Deze foto stond bij de publicatie in Liter |
Ik ben een schrijver op een klein kantoor
van 's morgens acht, met één uur middageten,
tot 's avonds zes en schrijf aan één stuk door
en tel mijn broeken op kantoorkrukken versleten.
Men zegt dat hij een dwaas is, want hij dicht,
terwijl hij toch moest werken voor een akte.
En zijn collega x - die nimmer zakte -
stijgt jaarlijks in salaris en gewicht.
Ik heb verachting voor de folianten
en maak grimassen als de baas niet kijkt,
knoei in de lijsten die ik vergelijk
en kreuk geestdriftig rekening-couranten.
Abisag bij David [I]
Omdat geen kleed hem warmen kon, moet ik
nu bij hem liggen, maar ik vrees zijn handen
die koud als marmer aan mijn borsten branden
en die mijn hals betasten tot ik stik.
De aderen zijn rozerood en dik
en als hij mij omknelt, dan gruw ik van de
bijtende haren en de zwarte tanden
en van zijn grondeloze, harde blik.
Soms bid ik vurig: Here, laat hem sterven!
Ik wil niet bij hem slapen, ik wil niet
dat hij mijn jonge lichaam zal bederven.
Maar God vergeet mij en een rillend riet,
zo lig ik in zijn armen, die mij kérven,
mij weerloos schaap, dat men hem slachten liet.
Mijn boezem is Hachíla, mijn gezicht
Gilboa - daar is Jonathan gestorven...
Ach! drukt hij daarom steeds mijn ógen dicht?
Tijdens de groepsreis ZelfBewust Wandelen & Communicatie (zbwc) ontdek je hoe het is om écht te wandelen in BewustZijn. Met aandacht voor je lichaam, je omgeving, het moment & de mensen die tijdelijk met je meebewegen. Los van dwang. Los van ruis. (...)
Ben jij iets van jezelf verloren onderweg? Wil jij loskomen van oude patronen en stevig in je eigen kracht gaan staan? Dan is deze wandelworkshop voor jou! gun jezelf dit. Zet die stap. Laat los & word heel.
Ik snap wel dat je daarin gelooft. Ze groeien hier gewoon óp de stenen, dat je denkt: hóé dan, joh?
Die madeliefjes staan ook prominent op de cover de roman.
Los begint met een proloog, waarin Anja net de groep wandelaars verlaten heeft. Blijkbaar is de spanning hoog opgelopen.
Ze voelde de verbaasde blikken van de anderen in haar rug, maar het was al te laat, daar ging ze, het was hun eigen schuld. Hadden ze haar maar niet de hele tijd over het hoofd moeten zien.
Door de jaren heen was Anja gewend geraakt aan haar onzichtbaarheid, waardoor ze soms eenzaam was, maar vaker nog - ze schaamde zich er bijna voor - comfortabel en vreemd bevoorrecht. Niet bekeken worden was zo lekker rustig.
Sonnet V
't En is de blondheid niet van uw gestruiveld haar,
't en is uw voorhoofd niet zo matig opgerezen,
't en is uw windbrauw niet, noch uwen mond geprezen,
en vieriglijk aanbeên van zo menig minnaar;
't en zijn uw lipkens niet, die elkeneen voorwaar
wonden als 't hen gelieft, en wederom genezen;
't en zijn uw deugden niet, noch uw bevallig wezen,
noch het toov'rig gelaat dat in u schijnt eenpaar;
't en zijn uw wangen niet, met purperrood begoten;
't en zijn die perels niet, in uwen mond gesloten;
't en is uw tale niet, nochtans als heunig zoet;
maar 'tgene dat mijn jeugd als een blad komt verdrogen,
en jongjarig hert van binnen branden doet,
en is anderszins niet, dan 't raaisel uwer ogen.
Justus de Harduwijn
O blond-gestruiveld haar! Haar dat de zon beraait,
dat mijn jongjarig hert houdt zo strange bevangen!
O tanden van ivoor! O sneeuwwittige wangen,
die 't pinseel van Apell' met purper heeft verfraaid!
[...]
Heden, als elk zijn lief met giften gaat vereren,
schenk ik u voor nieuwjaar mijn herte, Rozemond.
(Sonnet XLI)