vrijdag 20 maart 2026

Afgestoft: Boeken voor de katholieke jeugd

Intussen lig ik weer aardig op schema wat betreft het posten van nieuwe bijdragen. Ik heb bij het schrijven nog wel een achterstand op mijn lezen, maar dat komt wel goed. Deze week is overigens wel druk, want ik loop in de avonden rond met de collectebus. Aangezien er in onze wijk weinig collectanten zijn, neem ik dertien straten voor mijn rekening en daar ben ik wel drie avonden aan kwijt. 

Voor vandaag een stukje dat eerder verschenen is in Liter nr. 65, jaargang 15 (2012). In die tijd plaatste ik wat ik in een krant of een tijdschrift publiceerde niet op mijn weblog. Het blijkt dat ik indertijd toch een stukje  online gezet heb en dat komt voor een deel (het lange citaat) overeen met wat ik in Liter schreef. Maar dat is allemaal alweer lang geleden, dus ik vind dat ik met een gerust hart het Literstukje hier kan plaatsen. Dat was, zoals je kunt zien, een niet zo lange bespreking. 

In de loop der jaren heb ik geregeld oude jeugdboeken gekocht en die heb ik nog lang niet allemaal gelezen. Mijn voornemen is om dat wel te gaan doen. Om mijn herinnering te controleren, als het boeken betreft die ik al in mijn jeugd las, maar vooral om te kijken wat voor wereldbeeld erin naar voren komt. Onder het label Zwart en wit heb ik verschillende boeken besproken die met inclusie en exclusie te maken hebben, waaronder ook een stel oudere kinderboeken. Over dit soort boeken wil ik in ieder geval nog gaan schrijven. 



Boeken voor de katholieke jeugd


Als kind las ik alles wat ik te pakken kreeg, althans zo herinner ik het mij. De boeken uit de kast van mijn ouders (Goof Bonk, Hotse Hiddes); de Sjors van mijn vriendje Joekie Bil, die eigenlijk anders heette; de pockets uit de boekenrekjes van nicht Aantje en neef Teunis (auteurs als A.G. Eggebeen, P. de Zeeuw JGzn). En af en toe kwam er een man aan de deur met een zwarte hoed op, een zwarte jas aan en een grote koffer bij zich. Daarin zaten boeken en dan mochten alle kinderen uit ons gezin een boek uitzoeken. Zo kwam ik aan Luyt Lievensz, de liedjeszanger van H. te Merwe en Het hol op de hei van G. van Essen. Op verjaardagen kreeg ik deeltjes van De Kameleon, Pietje Bell en later ook wel van Arendsoog.

Ha, Arendsoog! En zijn betrouwbare vriend Witte Veder en zijn paard Lightfeet, waarover in elk deel werd verteld dat hij zo hard liep als hij nog nooit gelopen had. Jaren later vertelde iemand mij dat en ik vond het verhaal te mooi om te controleren. Natuurlijk hield ik van een held als Bob Stanhope, zoals Arendsoog in werkelijkheid heette. Ik was immers even moedig en even slim, alleen had ik geen paard en er waren geen boeven in de buurt met wie ik moest afrekenen.

Arendsoog was een cowboy, zoals Old Shatterhand, die ik uit Sjors kende en Buffalo Bill, over wie ik een reeks pockets kocht bij Warenhuis Houpst, dat gerund werd door een stel bejaarde zussen, die je altijd van alles wilden aansmeren. ‘We hebben nog heel goedkope agenda's, van vorig jaar. Je hoeft alleen maar de datum door te strepen.’ Als wraak heb ik ze eens een kwartier laten zoeken naar plastic geheugensteuntjes. Buffalo Bill was net zo heldhaftig als Arendsoog, maar ik vond de boekjes grappiger, wat waarschijnlijk kwam door het personage Scot Oliver.

Buffalo Bill was niet christelijk, net zo min als de karakters uit Sjors, Pietje Bell of De kameleon. Er werd bijvoorbeeld niet in gebeden. In Arendsoog ook niet.

Dacht ik.

Maar nu heb ik een boek in huis dat Boeken voor de katholieke jeugd heet en het omslag staat vol Arendsogen. Hè? Is Arendsoog Rooms? Nooit wat van gemerkt.

Het eerste boek dat ik van Arendsoog kocht, was deel 38, Arendsoog en de Duncandollars. Het boek blijkt uit 1969 te zijn. Zou ik het voor mijn tiende verjaardag hebben gekregen? P. Nowee schreef het, maar er waren ook deeltjes waarop J. Nowee stond. Ook die vroege delen las ik, later. Ik geloof niet dat ik toen verschil merkte.

Toch moeten die delen anders geweest zijn. Dat schrijft in ieder geval Karen Ghonem-Woets in haar boek. Arendsoog verraadde in de eerste delen nog wel de katholieke geest van vader Nowee; zo deed de cowboy geregeld een beroep op de Voorzienigheid. Dat is mij ontgaan. Maar misschien was ik al aan zoveel godsdienst in jeugdboeken gewend, dat een schietgebedje mij helemaal niet opviel.

In Boeken voor de katholieke jeugd beschrijft Karen Ghonem-Woets de geschiedenis van de katholieke uitgeverijen Zwijssen en Malmberg, die zich zowel op de markt van de schoolboeken als van de leesboeken begaven. Ze doet dat degelijk en redelijk prettig leesbaar.

In het begin (van de oprichting in de negentiende eeuw tot ongeveer 1945) zijn de uitgeverijen katholiek, zowel wat de lesmethoden als de jeugdboeken betreft. Onder de auteurs bevinden zich ook geestelijken.

Frater Sigebertus Rombouts formuleerde in 1925 richtlijnen waaraan een goed katholiek boek zou moeten voldoen. Het godsdienstige stond natuurlijk voorop. Verder: 

2. Te veroordelen is ieder boek met een heidense, anti- of onroomse sfeer. Dus ook het neutrale boek. 
3. Boeken moeten worden afgekeurd als: a. Een of andere hartstocht, b.v. haat, afgunst, gierigheid, eerzucht er sterk in spreekt en later niet door goede leiding of flinkheid van eigen karakter wordt overwonnen. b. Als ze verruwend werken door het milieu, door platte of onbehoorlijke woorden en uitdrukkingen. Onder deze categorie vallen schrijvers als Kievit (Dik Trom) en Van Abcoude (Pietje Bell, Kruimeltje). Het gezag van ouders, opvoeders en politie mag nooit bespottelijk worden gemaakt. c. Als ze meer of minder duidelijk enige “voorlichting” geven, of dingen aanroeren waarmee een kind niets te maken heeft. d. Als de illustraties in zedelijk opzicht niet deugen. Plaatjes die de sexuele verbeelding prikkelen, maar ook illustraties met daarop personen die niet volgens de kerkelijke richtlijnen gekleed zijn. 
4. Het verhaal moet geen tastbare onmogelijkheden of doldwaze dingen bevatten.

Een uitgebreid citaat, maar ik vond het zo fraai dat ik niet kon laten het over te tikken.

In de loop van de decennia worden de boeken van Malmberg en Zwijsen steeds minder katholiek. Al toen ik op de lagere school zat, die toch goed Hervormd was, kregen wij op school de Taptoe en de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie). Blijkbaar was in de jaren zestig van de vorige eeuw het katholieke al niet meer te herkennen.

Bob Stanhope, alias Arendsoog, was rond die tijd ook al van zijn geloof gevallen en toen hij nog wel van het houtje was, viel het mij niet op. Karen Ghonem-Woets behandelt Arendsoog uitvoerig, evenals Puk en Muk. Dat doet ze goed, maar eigenlijk had ik voor ik begon te lezen gehoopt op een ander boek. Een boek waarin iemand mij vertelt hoe zijn moeder de prentenboeken uit de serie Voor Roomsche kleuters voorlas; of hoe hij de missieverhalen las, stiekem in bed, want hij moest eigenlijk al slapen; of hoe hij las over Damiaan en zelf ook wel melaats wilde worden als dat nodig was om mensen te helpen. Misschien moet iemand als Ton van Reen zo'n boek schrijven. Dat zal ik dan met plezier lezen. Nu loop ik eerst maar eens naar de zolder om te kijken in welke doos Buffalo Bill en Arendsoog opgeborgen zitten. Ik ruik de kruitlucht al.

Karen Ghonem-Woets, Boeken voor de katholieke jeugd. Verzuiling en ontzuiling in de geschiedenis van Zwijsen en Malmberg. Walburg Pers, Zutphen 2011, 256 blz., €39,50.

donderdag 19 maart 2026

Mijn eerste boeken (Herinneringen)

Weer een stukje uit een dagboek. Ik heb wel zin om er achteraf van alles in te veranderen, maar dat heb ik niet gedaan. Eigenlijk had ik op dit onderwerp in het dagboek veel uitgebreider in moeten gaan. Helemaal aan het eind van deze bijdrage geef ik nog enkele aanvullingen. 

Die aantekeningen in mijn dagboek zijn nogal ongericht, soms gaan ze alle kanten uit. Ik plaats hier maar een stukje van wat ik noteerde op 20 mei 2023. Daarom houdt dit gedeelte ook zo plotseling op. 

Voor degenen die het gemist hebben: in mijn dagboeken richt ik mij steeds tot een nog niet geboren kleinkind. In dit deel noem ik 'je moeder'. Dat is mijn oudste dochter. 



Ik geloof (maar ik heb het niet teruggelezen) dat ik een keer geschreven had dat ik het over lezen zou hebben. Mijn moeder heeft mij lezen geleerd voordat ik naar school ging. Je ging indertijd naar school als je zes jaar oud was. Dan kwam je in de eerste klas. Nu is dat groep 3. Daarvoor kon je nog twee jaar naar de kleuterschool, maar daar zagen mijn ouders het nut niet van in. Ik denk dat ze het ook te druk hadden om mij elke keer te brengen.

Het boekje, Leer lezen in een wip (deel 2) heb ik lang gehad, maar het was in een niet te beste staat en ik heb later een beter exemplaar gekocht. Dat was zo’n beetje mijn leerboek. Vanaf die tijd heb ik zoveel mogelijk gelezen. Dat werd ook erg gestimuleerd.

Mijn moeder zong veel voor en met mij en vertelde verhalen. Uit de Bijbel, maar ook alle sprookjes. En ze had altijd gedichtjes, die ze bij gelegenheid op kon zeggen. Die talige omgeving heeft mij zeker geholpen. Mijn moeder kon trouwens ook erg goed tekenen. Voor mijn gevoel kon ze tekenen wat ze wilde. Ik heb nog ergens een oud schriftje van haar liggen, met prachtige tekeningen.

Op school hadden we het vak lezen en dan lazen we uit de boekjes van Jaap en Gerdientje. Die waren toen eigenlijk al een beetje ouderwets, maar ik hield erg van die verhalen. Ik denk dat ik de meeste deeltjes een keer heb aangeschaft. Ik heb ook een voorleesboek met korte verhalen over die twee (of is dat een verhalenbundel van W.G. van de Hulst?) en daaruit wilde Thomas altijd voorgelezen worden als hij logeerde bij mijn ouders in Dodewaard.

Mijn ouders hadden wel wat kinder- en jeugdboeken, maar niet zoveel. De boeken van mijn vader waren voor een deel verloren gegaan in de oorlog. Maar gelukkig had ik een oudere nicht en neef (Aantje en Teunis) en die hadden veel leesstof. Al die boeken heb ik geleend en gelezen. Later leende ik ook wel boeken van andere neven en nichten. Ik weet nog wie welke boeken had. Joop, die jonger is dan ik, had bijvoorbeeld de serie Bakkertje deeg en ook Pinkeltje.

Af en toe kwam er een boekhandelaar met verantwoorde boeken langs de deur, met een grote koffer. Dan mocht ik altijd wel een boek uitzoeken en ik kreeg ook wel boeken op mijn verjaardag. Wat de series betreft: ik las de boeken van de Kameleon, van Arendsoog en vooral die van Buffalo Bill. Ik had ook wat deeltjes van Biggles (een piloot in de Eerste Wereldoorlog), maar ik weet niet hoe ik eraan kwam. Ze waren niet nieuw, maar er was geen tweedehandsboekenzaak in Herveld.

Daar was ook geen bibliotheek en ook geen boekhandel. Op school was er wel in elk lokaal een bibliotheekje, maar ik weet niet of we die boeken mee naar huis mochten nemen. Als je eerder klaar was met je werk, mocht je wel gaan lezen. Ik herinner me nog dat er nieuwe boeken aangeschaft werden toen ik in de vijfde klas (nu groep zeven) zat. Die waren niet met het bruine, gestreepte papier gekaft, zoals de andere boeken, maar die hadden kleurige voorkanten. Prachtig vond ik het. Ik was waarschijnlijk gewoon blij dat er nieuwe boeken waren.

Er waren in mijn jeugd veel boeken over de Tachtigjarige Oorlog, waarin elke katholiek een schurk en elke protestant een held was. Ik overdrijf, dat weet ik wel, maar het was wel de teneur. Ik las ook boeken over de Tweede Oorlog en over de Boerenoorlog. Ook die zullen behoorlijk ongenuanceerd zijn geweest, vrees ik.

Toen ik naar de mavo ging, kon ik naar hartenlust lezen, want daar was een goede bibliotheek. Later, toen ik op die school ging werken, in 1980, zou ik die zelf gaan beheren. Met veel plezier. De eerste week van de vakantie zat ik vaak nog boeken te repareren.

Wat heb ik daar geleend? Zo’n beetje alles van Toon Kortooms: humoristische boeken met titels als Help, de dokter verzuipt! Beekman en Beekman en Mijn kinderen eten turf. Verder veel boeken van W. Schippers, Tragedie in Toulouse van J. Overduin en het mooist vond ik De adelaar van het negende van Rosemary Sutcliff. Een boek over de Romeinen in Engeland.

En ik kwam in contact met de literatuur! Onze docent, Ewout Kouwenhoven, behandelde de literatuur uit de Middeleeuwen en dat vond ik geweldige verhalen. Wat ik op mijn lijst zette, was niet zo heel veel soeps, denk ik. Bartje van Anne de Vries, Mensen zonder geld van Jan Mens, De zwarte ruiter van Simon Vestdijk (dat is wel een goed boek, al weet ik er niet veel meer van) en verder weet ik het eigenlijk niet meer. Maar het vuur was wel aangestoken.

Na de mavo ging ik naar Gouda. Ik werd lid van de bibliotheek en las alles wat los en vast zat, ook buitenlandse literatuur. Ik heb werk van Dostojevski, Tolstoj, De Maupassant, Stendhal, Edgar Allen Poe, de zusjes Brontë en nog veel meer gelezen. Er was ook een groot boek van Margriet (het vrouwenblad) met heel veel verhalen uit de wereldliteratuur. Allemaal gelezen, van A tot Z.

Ik leende ook gedichten en ik las veel, ook over literatuur, en eigenlijk ben ik dat altijd blijven doen. De hoeveelheid literatuur die ik toen tot me nam, is zo groot, dat ik niet goed weet, hoe ik die moet beschrijven.

Wat ik nog vergat: mijn vader had de verzamelde gedichten van Jacob Cats aangeschaft en die las hij ook wel voor. Die heb ik ook met veel plezier gelezen.

Verder heb ik steeds veel tweedehands boeken gekocht. Er waren toen nog antiquariaten die om de zoveel maanden een catalogus rondstuurden en daar kon je boeken van bestellen. Toen ik op de P.A. (Pedagogische Academie) in Gouda zat, had ik les van L.J.M. Hage, die altijd een koffer met boeken bij zich had. Die verkocht hij voor een prikkie aan studenten. Daar heb ik veel van aangeschaft. Jarenlang heb ik hem nog bezocht om boeken bij hem te halen. Je moeder heeft nog gespeeld met zijn kleindochter, die ook op de Peuterbrink zat.

Lezen is, ook vandaag nog, de snelste manier om informatie tot je te nemen. Ik kijk bijna geen tv, omdat het veel tijd kost en weinig oplevert. Nog steeds heb ik de gretigheid om veel te willen weten. Ik luister ook wel naar podcasts over wetenschap. Dan gaat het bijvoorbeeld over de ontwikkeling dat wij in de toekomst koolzaad zullen kunnen eten. Dat kan al, maar het is niet lekker. Maar ze hebben ontdekt hoe ze de bitterheid kunnen voorkomen en de eiwitten in koolzaad zijn hoogwaardig. Ze zijn te vergelijken met die in soja. Dat soort dingen vind ik interessant.

Tegenwoordig hoef je niet meer te zoeken naar leesvoer, want dat is er overal. En bij mij op zolder heb ik sowieso kinderboeken. Het is wel goed als je daar ooit mee begint. Wie meer leest, weet meer. En als je meer weet, besef je ook dat je heel veel dingen niet weet en dat maakt weer bescheiden. Alles wat je weet, geeft je een kader voor de nieuwe informatie die je opdoet, of voor wat je hoort of ziet in de actualiteit.

Aanvullingen

Ik had hier nog de boeken kunnen noemen die we bij het kerstfeest kregen, samen met een sinaasappel, verpakt in een vloeipapiertje. In klas 1 kreeg ik Tippeltje van W.G. van de Hulst jr. en in de tweede Hertevoet en Zilveroog. 

Van de jeugdboeken die mijn vader bezat, herinner ik mij Goof Bonk, Het jonge boerenknechtje en iets over een jonge bakker, van wie ik nog weet dat hij Herman heette. Mijn moeder had een trilogie (geloof ik) over Simon Gieke en het boek Geus met God. Verder herinner ik mij titels als De Franse koopmanszoon, Keteltje in de Lorzie en de bundel Zoutkorreltjes. Natuurlijk alles onder voorbehoud. Het kan zomaar zijn dat mijn geheugen mij bedriegt. 

Over de boekverkoper die met zijn koffer vol boeken langs de deur ging, schreef ik hier al eerder. Over oude jeugdboeken die ik pas op latere leeftijd las, heb ik ook wel geschreven, maar dat is al weer een tijdje geleden. Zo schreef ik over enkele boeken van Johanna Breevoort.

Aan mr. Hage heb ik veel te danken. Van hem kocht ik bijvoorbeeld de verzamelde gedichten van P.A. de Génestet, Daniël Sils van J.J. Cremer, verschillende boeken van Justus van Maurik, de brieven van Multatuli en het verzameld werk van Bilderdijk. Voor de schrijvers uit de negentiende eeuw heb ik altijd belangstelling gehouden en van tijd tot tijd lees ik nog boeken uit die tijd, bijvoorbeeld Waarheid en droomen van Jonathan (J.P. Hasebroek). 

woensdag 18 maart 2026

De laatste schaker (Max Pam)

Er zijn verschillende literaire werken waarin het schaken centraal staat. De bekendste zijn Schachnovelle van Stefan Zweig en De verdediging van Nabokov. Gerrit Krol schreef Een schaaknovelle (2002) en onlangs besprak ik Schijnoffers van Daan Heerma van Voss. Aan dat rijtje kan nu een roman toegevoegd worden: De laatste schaker van Max Pam

Plaats van handeling is een cruiseschip waarop de grootmeester Viktor Sanders de mensen moet vermaken met het schaakspel. Zo geeft hij simultaanseances en verzorgt hij een schaakrubriek in het krantje dat verspreid wordt onder de passagiers. 

Sanders heeft deze klus ooit overgenomen van de schaker Merlijn Domar in wie gemakkelijk de schaker Hein Donner is te herkennen. Pam heeft wel wat met de tijd moeten schuiven. Er hangt ergens een poster van de Netflixserie The Queen's Gambit en die kwam online toen Donner al lang overleden was. Het is verder vreemd dat er nog ergens een demonstratiebord met magnetische stukken staat. Je zou denken dat dat bord al lang door een scherm vervangen zou zijn. 

Half verhuld

De naam Domar lijkt wel een beetje op Donner en Pam doet zoiets vaker om een schaker half verhuld op te voeren. Zo heet Genna(di) Sosonko in het boek Gennadi Bobonko. Sanders vindt overigens The Queen's gambit een slechte serie. Hij herkent in de hoofdpersoon stukjes van schakers die in het echt bestaan hebben en verder klopt er weinig van, vindt hij. 

Schakers uit de werkelijkheid tot voorbeeld nemen voor zijn personages doet Pam ook. Aan boord is bijvoorbeeld ook de wonderlijke schaker Lunamann, die door Sanders verdacht wordt van fraude. Die heeft wel wat trekken van Hans Niemann en Sanders ontmoet ook nog de schaker Bashir Karajan, die in de verte doet denken Yasser Seirawan. Dat Sanders aangesproken wordt omdat hij een simultaan gaf in spijkerbroek doet denken aan wat er gebeurde met Magnus Carlsen die, ondanks een waarschuwing, in spijkerbroek aan het bord verscheen. 

Sanders moet zich schikken naar de regels aan boord. Zo moet hij in elke simultaan een partij verliezen, zodat de winnaar of winnares een prijs kan krijgen. Het is ook niet de bedoeling dat hij zijn partijen zo snel mogelijk wint. Schaken moet amusement zijn en de deelnemers moeten er wel lol aan beleven. 

Het schaken aan boord is een slap aftreksel van het schaken waar Sanders voor staat. Dat leeft nog een beetje voort in Merlijn Domar, wiens leven bijna voorbij is. Hij is een levensgenieter, een hartstochtelijk roker en drinker, waarbij schaken een onderdeel van zijn leven was. Donners dochter, Marian, komt ook nog voor in het boek. Zij schreef het Zelfverwoestingsboek, dat bij Pam The Beauty of Self-Destruction heet. 

Hoogtepunt van het schaken aan boord zal een partij zijn tussen Sanders en Lunamann. Bashir helpt Sanders aan een variant die hij zelf nooit heeft kunnen gebruiken en die Sanders in de partij daadwerkelijk kan inzetten. Hoe dat precies afloopt en hoe Lunamann reageert, verklap ik niet. 

Dood van Domar

De laatste schaker eindigt met de dood van Merlijn Domar. Je zou kunnen zeggen dat met hem er een manier van schaken, die ook een manier van leven was, gestorven is. Sanders heeft ook zo'n leven van grote gebaren nagestreefd, maar hij is terechtgekomen in het schaken aan boord van een cruiseschip, waarbij hij om den brode heel veel concessies moet doen. De laatste ontmoeting van Sanders en Domar is een mooi gedeelte in het boek. 

Ongetwijfeld is De laatste schaker een weemoedig boek. Aan de ene kant is het ook een boek van een ouder iemand die vindt dat vroeger alles beter was, maar het is ook een heel aardig verhaal en vooral ook een pleidooi voor een leven waarin je juist geen concessies doet en zo dicht mogelijk bij je idealen blijft. 

Pam zal met deze roman niet de shortlist of zelfs maar de longlist met gegadigden voor een literaire prijs halen, maar het is wel een heel aardig boek, dat vlot leest en dat ook nog ergens over gaat. 

dinsdag 17 maart 2026

Piaggio / Cantate Domino (Hendrik Groen / Cocky Minderhoud)

De Boekenweek is alweer bijna een week oud en er is al veel lelijks gezegd over het Boekenweekgeschenk. Eigenlijk is er elk jaar wel kritiek en dat snap ik ook wel. Een novelle van Ilja Leonard Pfeijffer is toch anders dan een van zijn dikke romans. Bovendien zal een schrijver er wellicht ook wel rekening mee houden dat het Boekenweekgeschenk gelezen zal worden door mensen die anders nooit literatuur lezen. 

Vorig jaar greep de CPNB terug op een oud concept: dat van een wedstrijd. Dat idee vond ik nog wel aardig, al zet je wel veel schrijvers aan het werk die niet weten of hun inzending ooit gepubliceerd zal worden. Het was in ieder geval beter dan het gezinsproject van de Chabotten in het jaar ervoor. Het is wel duidelijk dat de CPNB zoekende is. Blijkbaar moet er iets veranderen, maar het is nog niet duidelijk hoe. 

De trend is wel dezelfde als die bij fietsen voor oudere mensen: graag een verlaagde instap. Daarom ook heet het Boekenweekessay ook geen essay meer. Of is dat intussen weer teruggedraaid? Dit jaar is het Boekenweekgeschenk Piaggio, geschreven door Hendrik Groen. 

Jaren tachtig

De vorige grote verandering was in de jaren tachtig. Daarvoor was het een beetje een rommeltje geweest, in 1981 was er gedoe door De vierde man van Gerard Reve, dat niet geschikt werd geacht vanwege controversiële passages en toen moest Henri Knap op het laatste moment iets schrijven. Of misschien had hij het al liggen en hoefde hij het alleen in te leveren. De details herinner ik me niet. 

Ik vond het indertijd niet eens zo'n beroerd boek, maar er was veel kritiek. In 1982 was er een verhaal van Marten Toonder en het jaar erop was er het mislukte geschenk dat Wim Kan schreef en toen was het blijkbaar genoeg. Vanaf dan zou een literaire auteur het Boekenweekgeschenk schrijven. Hoe er gereageerd werd op De ortolaan van Maarten 't Hart weet ik niet meer zeker, maar over Somberman's actie van Remco Campert uit 1985 was men meer dan tevreden. 

Daarna was elk jaar het geschenk een novelle die door een erkende literaire auteur geschreven was. De eerste tien na Campert: Marga Minco, Tessa de Loo, J.M.A. Biesheuvel, Hugo Claus, F. Springer, Cees Nooteboom, A.F.Th. van der Heijden, Willem Frederik Hermans, Hella Haasse (voor de derde keer) en Leon de Winter. Allemaal onverdachte schrijvers, die al bewezen hadden dat ze wat konden. Wel weer veel meer mannen dan vrouwen. 

Treurig niveau

In 2001 was het boek van Salman Rushdie een vreemde eend in de bijt en naar mijn mening ging het pas weer mis in 2018 bij het Boekenweekgeschenk dat Griet Op de Beeck, dat ik me herinner als van een treurig niveau. En nu is er dus Piaggio van Hendrik Groen. Dat blijkt het pseudoniem te zijn van Peter de Smet, dezelfde naam dus als van de beroemde tekenaar van de strip De generaal

Van Groen heb ik alleen het eerste boek gelezen. Het begin vond ik grappig, maar verderop raakte ik indertijd de interesse kwijt. Dat er ook een schrijnende kant zat aan het verhaal wist de schrijver niet bij me over te brengen. Daarna heb ik nooit meer iets van hem gelezen. Nu ik Piaggio gelezen heb, is me weer eens duidelijk geworden waarom. 

Het begin van het boek wordt afwisselend verteld door Anton en door Marieke. Anton heeft de droom om met een Piaggio van Italië naar Nederland te rijden en Marieke, die hij net pas kent, gaat met hem mee. Verderop rommelt Groen wat meer met het perspectief en soms is er ineens een alwetende verteller: 'Als ze hadden omgekeken, zouden ze hebben gezien dat de oude baas meewarig zijn hoofd schudde'. 

Er zijn natuurlijk wat probleempjes onderweg en Anton en Marieke groeien steeds meer naar elkaar toe en uiteindelijk loopt alles goed af. Ik vind het allemaal niet zo boeiend; het boekje is duidelijk niet voor mij bedoeld. Hopelijk zijn er veel mensen die er wel van kunnen genieten.

Anton wordt op zijn nek gezeten door zijn vader, die vindt dat Anton snel een nieuwe baan moet zoeken en Marieke voelt druk van haar dochter. Dat is wel een link met het christelijke Actieboek, Cantate Domino. Dat is geschreven door Cocky Minderhoud, van wie ik nog niet eerder wat gelezen heb. Het Actieboek is mede uitgegeven door uitgeverij De Banier, waaruit ik maar geconcludeerd heb dat er geen literaire pretenties zijn. 

Hoofdpersoon in Cantate Domino is Joppa, een 78-jarige vrouw. Haar man is vijf jaar daarvoor overleden. Ze houdt van zingen en het koor, dat ze mede opgericht heeft en dat Cantate Domino heet, bereidt een jubileumconcert voor. 

Op het parkeerterrein bij het repetitielokaal wordt haar auto aangereden door een ander koorlid en dat zorgt voor bezorgdheid bij haar drie zoons. Ze vragen zich af of Joppa nog wel door moet gaan met autorijden en ook maar meteen of ze nog wel zelfstandig kan wonen. Het geeft een vervelende stemming tussen moeder en kinderen. Na de avond van de uitvoering, waar Joppa onverwacht een solo heeft, wordt alles uitgesproken en raakt de lucht opgeklaard. 

Ook in Cantate Domino is er op literair gebied niet zo veel te beleven, doordat er zo veel wordt uitgelegd. We krijgen wel heel veel gedachten van Joppa te lezen, zodat we precies snappen wat er aan de hand is. De lezer hoeft zelf niets meer te doen. 

Maar dit Actieboek gaat wel wat dieper dan Piaggio. De inhoud van de koorstukken die Joppa zingt, is betekenisvol voor haar en die helpt haar ook. Aan het eind van de novelle zijn de teksten (met vertaling) opgenomen en wie naar de muziek wil luisteren, kan de QR-codes scannen. 

Cantate Domino heeft zeker, net als Piaggio, iets zoets, maar het heeft ook zeker wat ontroerends, terwijl het boekje van Groen geen enkel beroep doet je op je gevoel. 

Waar het heen zal gaan met Boekenweekgeschenk is nog maar helemaal de vraag. Misschien helpt het dat Eveline Aendekerk terugtreedt als directeur, maar ik durf nergens op te hopen. 

Eerdere bijdragen over de Boekenweek (inclusief de christelijke Actieboeken) vind je hier. En je vindt ook links onder de bespreking van De krater van Gerwin van der Werf en onder die van De schilder en de prinses van Frans Willem Verbaas. 

maandag 16 maart 2026

Asterix, de vrolijke wetenschap (Jaap Toorenaar)


Als je aan niet-striplezers vraagt om enkele strips te noemen, noemen ze, naast Donald Duck, vaak dezelfde series: Kuifje, Lucky Luke en Asterix. Die laatste serie leeft, na meer dan zestig jaar, nog volop. Vorig jaar nog schreef ik over het meest recente deel, nummer 41. 

Wie wat meer wil weten over de verschillende albums, doet er goed aan Asterix, de vrolijke wetenschap van Jaap Toorenaar te lezen. Toorenaar was docent klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium in Leiden en houdt zich al jaren bezig met Asterix. In 2003 won hij op de Duitse tv een quiz over dit onderwerp. In 2010 bundelde hij zijn stukken die hij over de verschillende albums schreef en sinds die tijd wordt de bundeling geregeld herdrukt, met daarin aanvullingen, zodat het boek niet gaat achterlopen op de reeks. In 2025 verscheen de vijfde druk, waarin alle eenenveertig albums behandeld worden. 

Elk album behandeld

Album voor album komt langs. Toorenaar geeft eerst een korte kenschets van het betreffende album en behandelt het daarna op detailniveau. Hij vertrekt steeds vanuit de Franse editie en licht daar bijvoorbeeld de woordgrappen uit, ook als ze niet de Nederlandse vertaling hebben gehaald. Verder gaat hij in op de namen van de personages en op de personen uit de werkelijkheid die in de strip zijn opgenomen. Laurel en Hardy zullen de meeste mensen nog wel herkennen, maar als het een Franse acteur betreft, merken we dat waarschijnlijk niet op. 

In eerste instantie was ik een beetje teleurgesteld in het boek van Toorenaar. Weliswaar staan er veel illustraties in, maar er zijn weinig afbeeldingen die uit de albums zelf komen. Zelfs de afbeeldingen van de covers ontbreken meestal. Dat is een rechtenkwestie. Het was Toorenaar domweg niet toegestaan die op te nemen in zijn boek. Dat is jammer. 

Aan de andere kant zou zijn boek dan minstens twee keer zo dik zijn geworden en veel duurder. Bovendien zullen veel lezers de albums erbij pakken als ze het boek lezen. En sommigen zullen de verhalen zo goed kennen dat ze de albums niet nodig hebben en de plaatjes voor zich zien als Toorenaars boek lezen. 

Vertalingen

Toorenaar begint met het lezen van de Franse uitgave en daarmee vergelijkt hij de Nederlandse vertaling of liever gezegd, de Nederlandse vertalingen, want ooit heeft Frits van der Heide een aantal albums opnieuw vertaald. Die vertaling is op verschillende punten beter dan de eerste, zoals Toorenaar aantoont, maar leidde indertijd ook tot ophef, omdat verschillende vertrouwde namen vervangen werden door nieuwe.

Maar de auteur kijkt niet alleen naar het Nederlands, hij geeft ook aandacht aan de vertaling in het Duits en zelfs aan die in het Afrikaans. Een interessant artikel van Onno Kosters over de vertalers van Asterix vind je hier. Het verscheen in 2008 en besteedt onder meer aandacht aan de Engelse vertaling van Asterix en de Britten/Asterix bij de Britten. 

Wie Asterix, de vrolijke wetenschap leest, krijgt niet alleen heel veel leuke weetjes voorgeschoteld, maar wordt er weer eens bij bepaald hoe nauwkeurig je de albums moet lezen om te zien wat er allemaal op de plaatjes gebeurt. Daar gaat ook wel eens wat mis. In de Nederlandse vertaling is verschillende keren een tekstballon leeg gebleven en in een album ontbreekt een waslijn, zodat de was in de lucht zweeft. 

Ik had me verder niet gerealiseerd dat het hondje Idefix in de eerste albums niet voorkomt. In album nummer vijf maakt hij zijn debuut. Dat soort weetjes lijken me altijd leuk voor liefhebbers van de serie. In het album De dochter van de veldheer lijkt die dochter wel erg op Greta Thunberg en ik nam dan ook aan dat zij model had gestaan. Dat wordt door de makers met klem ontkend. Wist ik ook niet. 

Toorenaar heeft bij een volgende druk steeds zijn boek aangevuld (ook met korte artikelen voorin), maar voor zover ik kan zien, heeft hij de oude niet meer geüpdatet. In veel albums worden bepaalde volken op de hak genomen. Later wordt dat minder. Bij album zestien schrijft Toorenaar dat het in het zonnetje zetten van een bepaald volk wat op de achtergrond raakt en dat het na dat album alleen nog maar zal gebeuren bij de Corsicanen en de Belgen. Toen de Picten en de Portugezen toch onderwerp werden heeft hij de eerdere opmerking niet meer veranderd.

N-woord

Wat al snel opvalt, is dat Toorenaar onbekommerd het n-woord gebruikt als hij het personage beschrijft dat gebaseerd is Baba uit Roodbaard. Ik kan me voorstellen dat dat een tijd geleden helemaal geen issue was, maar toen dat het wel werd, had het gemakkelijk bijgewerkt kunnen worden. Bij album 38 uit 2019 gebruikt Toorenaar het woord overigens nog steeds. En pas bij album nummer 41 heeft hij het over 'de donkergekleurde (ik vermijd het woord dat met een n begint!) piraat'. Hij merkt ook nog op dat hij het jammer vindt dat het uiterlijk van de betreffende piraat neutraler is geworden. Dat mag hij vinden, maar ik vind dat weer bedenkelijk. Het lijkt me alleen maar goed als beledigende stereotyperingen vervangen worden. 

Natuurlijk maakt Toorenaar wel eens een foutje: zo laat hij de film Ben Hur (1959) uitkomen in de jaren zestig, schrijft hij Avatar als Atavar, Nietzchse als Nietschze en Californië als Calefornië, maar dat zijn kleinigheden. Ook in dit stukje zal ik wel tikfouten gemaakt hebben. 

Soms is er een vechtpartij in het Gallische dorp, waarbij de vissen over en weer vliegen. Dat noemt Toorenaar een 'visslacht' wat een aparte benaming is. Je kunt een vechtpartij wel een slag noemen, maar strikt genomen worden de vissen niet geslacht, lijkt me. Maar misschien snap ik het woord domweg niet goed. 

Nauwgezet

Wat vooral opvalt is de nauwgezetheid waarmee Toorenaar te werk is gegaan en met welke toewijding hij zich op het werk gestort heeft. Daarbij haalt hij zo veel informatie boven water, dat ik niet zou weten wie hem dat na kan doen. Vooral op het gebied van de vertalingen en van de naamgeving is hij heel nauwgezet. Bij album 34 noemt hij wel de koerier Petetix, maar niet waar die naam op slaat. Ik was ervan uitgegaan dat die verwees naar de PTT. Maar daar staan tientallen namen tegenover waarvan ik nooit de herkomst heb bevroed en die Toorenaar nu netjes uit de doeken heeft gedaan. 

Uitgeverij Arboris heeft van het boek een mooie gebonden uitgave gemaakt, voor een schappelijke prijs, zeker gezien het aantal illustraties. Elke Asterixliefhebber zal er veel plezier aan beleven. 

Jaap Toorenaar, Asterix, de vrolijke wetenschap. Uitg. Arboris. 192 blz. € 21,95 (gebonden)

Eerder schreef ik over:

donderdag 12 maart 2026

Extinctie / De laatste goendroen


Zoals ik al eerder schreef, ben ik gedwongen het een beetje rustig aan te doen, ook hier. Daarom heb ik gisteren niets geplaatst en ook vandaag zal ik geen recensie plaatsen. Maar iets kleins tussendoor lijkt me wel gepast. 

Gisteravond was ik aanwezig bij een lezing van René ten Bos, voormalig Denker des Vaderlands, over het verlies van biodiversiteit. Het was een boeiend verhaal. Het gezelschap was bescheiden van omvang, maar misschien maakte dat de avond alleen maar beter. 

Goendroen

Toen er gesproken werd over het uitsterven van soorten, moest ik denken aan De laatste goendroen (1977) van Anton Koolhaas. Het boek is in zijn geheel terug te lezen op DBNL Het is lang geleden dat ik het gelezen heb en het geheugen is per definitie onbetrouwbaar, maar ik zal weergeven hoe ik het boek onthouden heb. 

Een goendroen is fantasiebeest, zoals Koolhaas er wel meer geschapen. Denk aan de hoedna's in Vanwege een tere huid (1973). Koolhaas beschrijft de dieren wel in een realistische setting, zodat je toch het idee hebt dat ze in ieder geval zouden kunnen bestaan. 

Hoe een goendroen er precies uitziet, weet ik niet meer, maar als hij doodgaat, verandert hij in een struik. Wie weet zijn de struiken in je tuin gewoon dode goendroens. De goendroen Bladroes, de hoofdpersoon van de roman, is al snel na zijn geboorte vrij zelfstandig. De enige van zijn soort in zijn omgeving is zijn moeder, maar die zal over niet al te lange tijd overlijden. Bladroes moet op zoek naar een wijfje om zich voort te planten. Hij weet echter niet dat hij de laatste goendroen is en dat zijn zoektocht tevergeefs zal zijn. 

Hoe het verhaal precies gaat, is me intussen ontschoten, maar ik weet wel dat ik het idee goed vond: je zult maar de laatste van je soort zijn, terwijl je dat niet weet. 

In de lezing hoorde ik dat het heel lastig te bepalen is of een soort daadwerkelijk uitgestorven. Dat geldt sterk voor kleine organismen en voor insecten, maar soms ook voor grotere dieren als de Tasmaanse buidelwolf, waarvan berichten zijn dat die toch weer opgedoken is. 

Toen De laatste goendroen in mijn gedachten kwam, besefte ik ook dat ik al lang niets van Koolhaas herlezen had. Ik vermoed dat ik in de jaren tachtig en de jaren negentig zo'n beetje zijn complete oeuvre heb gelezen. Bij Koolhaas worden altijd zijn dierenverhalen genoemd, waarvan er sommige heel bekend geworden zijn, zoals 'Meneer Tip is de dikste meneer', 'Gekke witte' en 'De liefde schuilt in een doublet van hazen'. 

Rouwen

Maar hij schreef ook prachtige romans waar nauwelijks een dier in voorkomt, zoals Tot waar zal ik je brengen (1976) en De hond in het lege huis (1964). Beide boeken gaan over een man die zijn vrouw kwijt is, maar die niet zeker weet of ze dood is, zodat hij ook niet echt kan gaan rouwen. Ook dat komt voor bij mensen die rouwen om het verdwijnen van een diersoort waarvan ze nooit zeker zullen weten of die ook definitief verdwenen is. 

Over rouw heeft Koolhaas meer geschreven, bijvoorbeeld in Een punaise in de voet (1974) over een vrouw die op een bizarre manier om het leven komt, terwijl ze net ruzie heeft met haar man. 

Er is een tijd dat ik veel van Koolhaas las. Niet alles vond ik goed. Een roman als Nieuwe maan (1978) was minder aan mij besteed. Maar over veel van zijn werk was ik enthousiast en dat enthousiasme heb ik ook uitgedragen. Op een reünie vertelde een oud-leeerlinge dat ik de klas in groepjes verdeelde en dat elk groepje een boek of enkele boeken van een bepaalde schrijver moest lezen. Zij zat in een Koolhaasgroepje. Ik vroeg aan haar welk boek van Koolhaas ze gelezen had. Ik heb ze allemaal gelezen, zei ze. Dat was meer dan ik had durven verwachten. 

Veel boeken van Koolhaas zijn goed en ik vermoed dat ze nog steeds gelezen kunnen worden, maar ik hoor nooit meer iemand die De geluiden van de eerste dag (1975) of Er zit geen spek in de val (1958) gelezen heeft en dat is jammer. Maar Je kunt nog altijd beginnen met het lezen van zijn werk. Ik heb al wat titels genoemd die mij goed zijn bijgebleven, maar Een kind in de toren (1977) herinner ik mij als een prachtig boek. En anders lees je maar Tot waar zal ik je brengen of Vanwege een tere huid. Of een bundel met dierenverhalen. 

dinsdag 10 maart 2026

De bovenste regel heeft ook geld gekost. Herinneringen aan de lagere school

Zoals ik eerder aankondigde, zal ik af en toe hier wat plaatsen uit de dagboeken die ik geschreven heb voor mijn kleinkinderen. Mijn vroegste herinneringen deelde ik hier. Deze keer twee stukjes uit een dagboek uit 2023 die te maken hebben met de lagere school. 

In het eerste fragment beschrijf ik wat ik me herinner van de eerste schooldag, in het tweede gaat het vooral over hoe het gebouw eruitzag en een herinnering aan het hoofd van de school. 

Het is misschien allemaal plotloos en fragmentarisch, maar hopelijk geeft het wel een beeld van hoe de dingen gingen in de jaren zestig. Ik ging in 1965 voor het eerst naar de lagere school. 

Over de voorgeschiedenis van de lagere school in Herveld schreef ik hier.

Lagere school met het huis van het hoofd

27 juli 2023

Als ik zes jaar oud ben, brengt mijn moeder mij naar school, die heel toepasselijk in de Schoolstraat staat. In 1969 zullen wij in de Schoolstraat gaan wonen en als ik in klas zes zit (nu groep 8) verhuist de school naar Herveld-Noord. In het gebouw zit daarna nog een tijdje een fabriek waarin ze ‘leren’ tassen en koffers maken, fluorescerend rood. We halen wel eens restjes uit de container die bij de oude school staat. Nog weer later wordt de school gesloopt en komen er op die plek vier huizen. Dan heeft Herveld een Schoolstraat zonder school, zoals het dorp ook al een Kerkstraat zonder kerk heeft.

Ouders, moeders eigenlijk, komen alleen de eerste dag mee naar school. Later niet meer, geen kind wordt naar school gebracht. Zijn er ouderavonden? Niet dat ik mij herinner. Boven in de deur van het lokaal zitten zes (acht?) kleine ruitjes. Als de deur dicht eenmaal is, zie ik dat mijn moeder nog even op haar tenen staand door het ruitje kijkt.

Ik vind het spannend op school, maar niet vervelend spannend. Ik kan eigenlijk al lezen. Dat heeft mijn moeder me geleerd uit het boekje Leer lezen in een wip 2. Hoe we aan dat boekje komen, weet ik niet.

Wat doen we die eerste schooldag? Er zal wel een Bijbelverhaal verteld zijn, maar dat herinner ik me niet. We zitten met zijn tweeën in een bank. Ik zit aan de linkerkant, omdat ik linkshandig ben, in de rij het dichtst bij de deur. Tweede bank van voren, schat ik. Naast me zit André van Cleef. We mogen tekenen en ik vraag wat hij aan het tekenen is. ‘Een tjoeketrein’, zegt hij. Ik vind dat een dom antwoord, maar dat zeg ik niet.

Iedereen heeft in zijn bank een pennengleuf en een inktpotje. Maar aan het begin van het jaar mogen we nog niet met pen schrijven, maar alleen met potlood. Pas een paar maanden later schrijven we met pen en inkt. Niet met een kroontjespen, maar met een pennetje met een iets bredere punt. Er is een boogje uitgespaard in de pen, zodat het lijkt alsof hij altijd lacht. Mijn penhouder is blauw. Pas in de derde klas krijgen we een balpen. Ballpoint, zeggen verschillende mensen dan nog.

Het eerste woord dat we leren is ‘toos’. Toos is een meisje met een blauwe jurk, dat aan tafel zit te schrijven of te tekenen. Voor elk woord is er een mooie plaat. De eerste woorden zijn: toos, miep, kees, jaap en dan die twee samen: kees en jaap. Ik vind de platen prachtig, al zijn het eenvoudige tekeningen. We moeten de woorden overtrekken op overtrekpapier. Linksboven staat de afbeelding van de plaat, een kleine tekening. Ook die mogen we overtrekken. Ik ben er erg trots op dat me dat lukt.

Onze juf heet juffrouw De Graaf. Ik vind haar erg aardig. Ze ruikt zoet. En ze leest voor. Een verhaal over Hanneke, die in pannetjes roert. Ze spreekt de a-klank in Hanneke anders uit dan ik dat doe. Niet met de a van ‘kan’ maar met die van ‘Annie’. Daarom herinner ik me de zin ‘Hanneke roert in al die pannetjes.’ Later kom ik erachter dat de zin voorkomt in een verhaal van W.G. van de Hulst. 


28 juli 2023
Om het schoolplein staat een ijzeren omheining, met gaas. Als je door de poort komt, zie je recht voor je het fietsenhok. Er is nog een foto van klas 1 en 2, met op de achtergrond dat fietsenhok. Als je op de omheining klimt, kun je op het fietsenhok klimmen. Als je dan over het dak naar de school loopt, kun je op het platte dak van de school komen. Dat moet soms als er een bal op terechtkomt.

Vlak naast het fietsenhok zit het gaas niet vast, zodat je het opzij kunt schuiven. Dan kun je naar de achterkant van de school lopen. Tussen de fruitbomen en de brandnetels door.

Als je naar de ingang van de school wilt, moet je vanuit het hek naar rechts. Daar is een stenen trap met ongeveer zes treden. Bovenaan links is een zware deur. Als je die opent, kijk je de gang in. Daarboven is een plat dak.

Links zijn de wc’s. Een stuk of vier, vijf, schat ik. Als je er dicht langsloopt, ruik je de pislucht. Aan het eind van de gang is het kolenhok. We noemen het nog steeds zo, al worden er geen kolen meer in opgeslagen; op school hebben we oliekachels.

Je kunt door het kolenhok heen lopen en dan is er weer een deur. Als je daar doorheen gaat, ben je aan de achterkant van de school. Je moet een paar treden af, maar niet zoveel. Blijkbaar ligt de grond aan de achterkant van de school hoger dan aan de voorkant. Je komt bijna meteen bij een betonnen ring die in grond is gegraven. De doorsnee ervan enkele meters.

Als ik in de hoogste klas zit, zit ik vaak op vrijdagmiddag op de trap met de betonnen treden. Zo gauw de meester na de middag op school is, vraag ik of ik de prullenbakken mag legen. Dat moet altijd voor het weekend. Ik haal dan later op de middag, samen met een klasgenoot de grote houten prullenbakken op bij de andere lokalen. We legen ze in de betonnen ring en verbranden de inhoud. We blijven erbij tot alles verbrand is.

Weer terug naar de voordeur van de school, waar we de gang in kijken. Rechts zijn vier lokalen. Eerst het lokaal van klas 3 en 4, dan een leeg lokaal, waar we toch wel eens komen. In de hogere klassen doen we er natuurkundeproefjes, Sinterklaas wordt er ontvangen en wat er nog meer gebeurt, weet ik niet. Er zijn wat meubels opgeslagen en wat landkaarten. Als de school groeit, komt er een klas in dat lokaal. In het derde lokaal zit juffrouw De Graaf, met klas 1 en 2. In het achterste lokaal zit de hoofdonderwijzer met klas 5 en 6. Als ik op school kom, is dat nog meester Dantuma, die naast de school in het bijbehorende huis woont.

Ik moet bij dat huis een keer wat brengen of wat vragen en de zoon van Dantuma, Hille, doet open. Op zijn sloffen en in zijn pyjama. Hij ziet er slaperig uit. Dat zal me bijblijven. Er is niets te bespeuren van de deftigheid die toch een beetje om het hoofd heen hangt.

In het lokaal van de hoofdonderwijzer staat een hoge lessenaar, met een hoge stoel. Er staan soms geheimzinnige woorden op het bord: ‘Le coq est sur le mur'. Meester Dantuma leert de kinderen in de zesde Frans. Als in de oorlog de bevolking van Herveld geëvacueerd wordt naar België, komt het goed uit dat Dantuma Frans spreekt, maar hij spreekt het minder goed dan hij zelf ingeschat heeft. ‘Ik stamelde als een klein kind,’ zal hij later zeggen. Zijn zoontje Hille is nog heel klein en moet steeds huilen. In de vrachtwagen waarmee de mensen vervoerd worden, ergert iemand zich aan het gehuil en roept: ‘Zet dat jong op een natte zak!’

Als kinderen kijken we wel op tegen het hoofd der school. Hij is natuurlijk in pak. Een man die voor de klas staat, heeft trouwens altijd een jasje aan. Een enkele keer moeten we een les volgen in het lokaal van het hoofd. Is dat omdat de meester of juf ziek is? Ik weet het niet meer. Als hij mijn schrift controleert, ziet hij dat ik de bovenste regel niet gebruik. Mijn eerste zin staat steeds tussen de eerste twee lijntjes in, maar niet op het bovenste lijntje. Volgens mij heb ik gedaan wat me is aangeleerd, maar ik moet voor straf in mijn hele schrift strafregels op de bovenste regel schrijven: ‘De bovenste regel heeft ook geld gekost.’

Als ik in de zesde zit, is meester Dantuma al weg en krijg ik les van meester Postma. Meester Postma woont niet naast de school, maar op De Tip, waar later ook nog mijn zus zal wonen als ze volwassen is. Af en toe werken enkele jongens bij de meester in de groentetuin, op zaterdag. We krijgen daarvoor een paar pakjes kauwgum of zo. Eigenlijk zijn we goedkope arbeidskrachten, maar we voelen ons uitverkoren.