Een Michelingids voor de Vlaamse poëzie
Wat de dikke Komrij voor de Nederlandstalige poëzie is, wordt misschien Hotel New Flanders wel voor de Vlaamse poëzie. Deze dikke bloemlezing, samengesteld door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters, zou ook wel eens kunnen gaan fungeren als een soort canon.
Net als bij Komrijs verzameling is er gedoe over Hotel New Flanders. De samenstellers openden zelfs een website, om te reageren op de recensies. Ze blijken niet van plan om stil te blijven zitten als ze geschoren worden door bijvoorbeeld Benno Barnard, Philip Hoorne of Hans Vandevoorde, maar reageren gepikeerd en met een zeker dedain. Misschien niet allemaal even verheffend, maar wel vermakelijk.
Hotel New Flanders geeft een beeld van de Vlaamse poëzie van 1945 tot 2005. Je kunt je afvragen of de Vlaamse poëzie wel zelfstandig bestaat, maar als je daarvan uitgaat, is een dergelijke bloemlezing zeker gerechtvaardigd. Uit de inleiding blijkt dat de samenstellers aan de ene kant het landschap van de Vlaamse poëzie in beeld hebben willen brengen, maar aan de andere kant ook nadrukkelijk de aandacht hebben willen richten op vernieuwende dichters. Daarbij zijn ze trouwens niet kieskeurig geweest. Er staan veel dichters in aan wie zo'n beetje alle vernieuwingen voorbij gegaan zijn.
In een bloemlezing ontkom je niet aan een kwaliteitsoordeel. Van grote dichters als Claus en De Coninck zul je meer gedichten opnemen dan van bijvoorbeeld Ben Klein, Maja Panajotova, Pol le Roy en Ivo Vroom, dichters wier naam ik zelfs niet kende, maar die wel met meer dan een gedicht vertegenwoordigd zijn.
Maar Hotel New Flanders moest niet alleen literair-historisch verantwoord zijn, het doel was ook een beeld te geven van de poëzieproductie in Vlaanderen. De samenstellers zeggen dat ze meer dan andere bloemlezers aandacht voor de heterogeniteit hebben gehad.
Daarom bevat deze bloemlezing niet enkel gedichten die we goed vinden, maar ook gedichten van dichters die ons weinig of niet interesseren, omdat we ze saai, flauw, truttig of ouderwets vinden. Toch hebben we hen opgenomen.
In de inleiding geven Van Bastelaere, Jans en Peeters uitleg bij het sterrensysteem dat ze, net als de Michelingids, gehanteerd hebben. Behalve in de inleiding komen de sterren in de bloemlezing overigens niet terug.
Vijf sterren (dat wil zeggen negen of tien gedichten) kregen wat zij noemen de paradigmadichters, simpel gezegd: de vernieuwers. Dat zijn Hugo Claus, Leonard Nolens, Hugues Pernath, Willy Roggeman (allen tien gedichten), Dirk van Bastelaere, Herman de Coninck en Jotie T'Hooft (negen gedichten).
Er is natuurlijk wel kritiek gekomen op het grote aantal gedichten dat Van Bastelaere van zichzelf opnam. Het lijkt me inderdaad een geval van zelfoverschatting om je boven bijvoorbeeld Christine D'Haen en Anton van Wilderode te plaatsen, zeker als je dan ook nog een gedicht als ‘abc-hart’ opneemt, dat speels genoemd zou kunnen worden, maar ook flauw.
Van De Coninck werden overigens alleen poëticale gedichten opgenomen, wat een vreemde keuze is. Dat geeft een vertekend beeld van zijn oeuvre. Gingen de samenstellers ervan uit dat de lezers de rest van De Conincks gedichten wel kenden? Maar waarom is bij andere bekende dichters dan niet een thematische keuze gemaakt?
Vier sterren kregen de oeuvredichters, over het algemeen dichters die zich niets aangetrokken hebben van modes, maar stug hun oeuvre bij elkaar geschreven hebben. Dat zijn Jan de Roek, Eddy van Vliet (acht gedichten), Claude van de Berge, Albert Bontridder, Hendrik Carette, Paul Claes, Christine D'Haen, Aleidis Dierick, Gust Gils, Luuk Gruwez, Herwig Hensen, Stefan Hertmans, Mark Insingel, Roland Jooris, Remy C. van de Kerkckhove, Roger M.J. de Neef, Erik Spinoy en Anton van Wilderode (zeven gedichten).
Jan de Roek kende ik niet en bij nazoeken blijkt hij ook niet voor te komen in de auteurslijst van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. De Roek kwam in 1971 om het leven en het zou dan ook logisch geweest zijn, als zijn gedichten in de bloemlezing terecht gekomen zou zijn tussen andere gedichten uit eind jaren zestig. De samenstellers van Hotel New Flanders hebben immers alle gedichten chronologisch gerangschikt op jaar van publicatie. Maar ze plaatsten de Roekgedichten bij 1980, toen de Verzamelde gedichten op de markt kwamen. De motivering dat op dat moment pas zijn belang voor de Vlaamse poëzie duidelijk wordt, houdt geen steek. Ook bij Daisne wordt, om dezelfde reden, uit zijn verzameld werk geciteerd. Het lijkt me sterk dat van de dichters bij wie uit de afzonderlijke bundels wordt geciteerd het belang meteen in het publicatiejaar duidelijk was. Verder lijkt me Roger M.J. de Neef ruim betaald en bij Roland Jooris blijf ik altijd wat twijfels houden, maar dat zal wel een kwestie van smaak zijn.
Drie sterren kregen de dichters die ‘in belangrijke mate bij[dragen] tot de articulatie van een paradigma.’ Het zijn dus dichters die een bepaalde stroming vertegenwoordigen. Om maar even het hele rijtje te noemen: Paul Snoek (zes gedichten), Wilfried Adams, Michel Bartosik, Leopold M. van den Brande, Nic van Bruggen, Ben Cami, Patrick Conrad, Frans Deschoemaeker, Charles Ducal, Jos de Haes, Miriam Van hee, Hubert van Herreweghen, Karel Jonckheere, Tom Lanoye, Marcel van Maele, Gwij Mandelinck, Jan van Nijlen, Erik van Ruysbeek, Lucienne Stassaert, Peter Verhelst, Freddy de Vree, Marcel Wauters.
Tja, wat moet je ervan zeggen? Misschien wat weinig eer voor Lanoye en Verhelst.
Maar er zijn meer auteurs die er bekaaid afkomen. Opvallend is bijvoorbeeld het ene gedicht van Bart Moeyaert dat werd opgenomen.
Over bloemlezingen is altijd te strijden en dat moeten we ook vooral doen. Hoe meer reuring, hoe meer aandacht voor de poëzie, hoop ik. En van die poëzie staat er genoeg moois in Hotel New Flanders. In ieder geval zal mij het ontroerende gedicht ‘Adieu xviii’ bijblijven dat Gaston Burssens schreef aan de nagedachtenis van Paul van Ostaijen:
O Heer, mijn grote vriend en ik,wij hebben U zo dikwijls aangeroepenmet vloeken en met bedelarij,maar met gebedjes ook om van te snoepen,want daar was zoveel schone vroomheid bijals van een koperen cent die wij tot goudmunt schuurden.Gij weet het wel, de moordenaars en de dieven,geschuurd met zand van afgunst en van gunst,verhieven wij tot heiligen der kunst.Maar ik alleen bleef over,en dat was erger dan het toeterenvan mijn klaxon in mijn woestijn.Gij hadt er geen idee van hoe het ploeterenin mijn moeras mij op één hand liet lopen.Nu weet Gij het, nu ik het zeg,maar 't was voorwaar geen spel zo, tussen heg en steg,alleen en zonder tandenborstelen al die jaren op mijn hoofd te moeten staan,terwijl mijn sleutels uit mijn zakken vielen. -En nu!Nu ik weer op mijn voeten sta, maar krom gebogen,nu zijn mijn oren doof, en dof mijn ogen.
D. van Bastelaere, E. Jans en P. Peeters (red.), Hotel New Flanders. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005. Poëziecentrum, Gent 2008, 752 blz., €29,95.








.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)





