woensdag 3 juni 2026

Speldjes, sleutelhangers, stickers

Weer wat jeugdherinneringen, uit een dagboek. Ik schreef dit op 17 september 2023. 

Net als de andere stukjes is ook dit stukje rommelig qua opzet. Het gaat over enkele rages uit mijn jeugd (speldjes, sleutelhangers, stickers) en ik neem je mee naar het huis van mijn vriendje Gerard Zwijnen, die wij ook wel Joekie Bil noemden, al weet ik niet meer waarom. 

Andere verzamelrages komen niet in dit stukje terug. Mogelijk heb ik daar elders over geschreven. Bijvoorbeeld over de voetbalmunten die we bij de benzine kregen en de schelpen. De voetbalmunten had ik compleet, maar ik weet niet waar ze gebleven zijn. Ik heb ze niet meer. 


Huis van de familie Zwijnen, aan de dijk in Andelst
   

Als ik nog maar heel klein ben, is er een rage: speldjes. Je krijgt ze bij de boodschappen. Wij hebben er ook wel een stelletje. Die prikken we in het behang. We sparen ze niet echt. Er zijn mensen die hebben een groot stuk schuimrubber, bijvoorbeeld in de vorm van een hart en daarop prikken ze de speldjes, soort bij soort.

Als ik iets ouder ben (klas 4 of 5 van de lagere school?) is er een nieuwe rage: sleutelhangers. Bij bijna elk product kun je een sleutelhanger krijgen, vaak in de vorm van dat product: een pak koekjes, een fles afwasmiddel, een stuk zeep, een zakje soep, een fles slasaus.

Bij mijn vriendje Gerard hebben ze er heel veel. Ik heb het idee dat zijn moeder juist die boodschappen bestelt waarbij je sleutelhangers krijgt. Ik kijk mijn ogen uit als ik bij hen in de huiskamer kom: langs de wand hangen lange slingers van sleutelhangers. Er is trouwens veel te zien in de huiskamer: vrouw Zwijnen houdt van prulletjes.

Verder doet ze niet zoveel in huis. Meestal zit ze te haken en je kunt altijd bij haar gaan zitten kletsen. Koken doet haar man, Wim Zwijnen. Ik eet daar nooit mee, maar in de keuken ruikt het altijd naar gekookte aardappels.

De familie Zwijnen woont in een huis dat tegen de dijk aan staat. Overal zijn trappen. Meestal ga ik achterom. Als het water van de Waal erg hoog staat, kan dat bijna niet. Het hele erf loopt dan onder en soms komt het ook in het achterhuis.

Er is een hokje voor geiten of varkens, maar daar zit bijna nooit wat in. Misschien staat het konijnenhok in dat varkenshok. Gerard moet altijd ‘kettingpollen’ voor de konijnen verzamelen. Dat woord ken ik helemaal niet. Volgens mij is het gewoon het blad van de paardenbloem.

Hij heeft wel meer dingen waar ik mijn bedenkingen bij heb. Zo mag hij niet dicht bij het water komen. Daarin zit de oude Jood, hebben zijn ouders verteld en die trekt hem het water in. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Het lijkt mij onzin.

Achter het huis bij Gerard is een brede sloot, een soort strang. In de zomer staat het water soms heel laag en valt het strangetje gedeeltelijk droog. Dan bestaat het voor een deel uit modder. We zien een keer een oude schoen half in de modder. ‘Een schoen van de oude Jood,’ zegt Gerard. Zegt hij dat als grapje? Ik kan me niet voorstellen dat hij het meent en zeg maar niks.

Als je het hokje voorbij bent, kom je op de vrij kleine deel. Daar staat veel rommel. Er is eigenlijk alleen een paadje waarop je kunt lopen. Op die deel wordt wel hout gehakt. Vader Zwijnen hakt hele smalle houtjes om de kachel aan te maken. Wij doen dat met turf.

En Roel en Joekie (zoals we Gerard vaak noemen) sleutelen er wel aan brommers en fietsen. In de hoek van de deel staat een hokje met de wc, net als bij ons.

Je gaat rechtsaf, richting het voorhuis, een paar treden omhoog. Dan kom je weer bij een deelachtige ruimte. Rechtsaf is de keuken. Die is heel donker en vrij nauw. Er staat een tafel met stoelen in, waar je maar net omheen kunt lopen, en er is een aanrecht en een gootsteen. Door het raam erboven kijk je uit op de uiterwaarden Er staat ergens een radio, die vaak aan staat. Op Radio Veronica. En in de hoek staat natuurlijk een kachel.

Weer terug naar het kleine deeltje. Met een stenen trap van een trede of vijf kom je op dijkhoogte. Links zie je de voordeur, rechts is de deur van de kamer, recht voor je de slaapkamer van Gerards ouders en de trap naar boven. Daar zijn de slaapkamers van de kinderen. Achter je rug is er een zolder waar we wel eens wat rommelen. Het is een soort opslagruimte. Je kunt er vanaf de dijk in en dan is het eigenlijk gewoon een schuurtje.

Maar goed, in die kamer hangen dus al die sleutelhangers. Wij hebben ze ook. Niet zoveel als bij Zwijnen, maar wel aardig wat. Ik vind de poppetjes het mooist. Bij de jam krijg je popjes uit de Flipjeverhalen: Flipje zelf, juffrouw Schaap, Bertje big, Jasper aap en die oude ram in zijn zeemanspak. 

We hebben veel meer poppetjes: Swiebertje en Bromsnor, de rattenvanger van Hamelen, Pipo en de Dikke Deur, smurfen. Als je er hard aan trekt, kun je ze uit elkaar trekken, maar dan zijn ze wel kapot. Dat doe ik wel eens.

Als ik nog iets ouder ben, zijn er stickers. Die krijg je trouwens meestal niet bij de boodschappen, maar allerlei zaken hebben ze. Mijn vader krijgt ze bij het tanken. In Slijk-Ewijk is er een tankstation bij een man die Tineke Paul heet. Die heeft op de lagere school bij mijn vader in de klas gezeten. Hij heeft een bult achter in zijn nek. Tineke is een rare naam voor een man, maar hij blijkt Martien te heten. Martineke, dus. Als we het vragen, krijgen we stickers met FINA erop, het benzinemerk dat hij verkoopt.

Bij Esso krijg je dierenstickers. Die kun je verzamelen. We hebben er wel een paar. Op eentje staan twee zwemmende ijsberen. Maar mijn vader tankt bijna nooit bij Esso, dus we sparen ze niet. Er zijn albums waar je de stickers in kunt plakken, maar ik ken niemand die zo’n album heeft.

Mijn vader tankt meestal Shell, bij Latta, aan de Waalstraat in Andelst. Daar hebben ze stickers van raketten, de Apollo’s. Ik heb een grote poster waar ik ze op kan plakken. In juli 1969 is er voor het eerst een Amerikaanse raket op de maan geland. Daarmee waren ze de Russen mooi te snel af.

Wij moeten op school een werkstuk maken over Apollo 11. Gelukkig heeft mijn oma een krant, anders zou ik niet weten hoe ik dat zou moeten doen. Ik hou ook niet zo heel erg van werkstukken maken.

Maar goed, ik knip wat artikelen uit de krant en schrijf daar wat bij. Ik haal ergens (waar?) twee blaadjes blauw papier vandaan, die de kaft kunnen vormen. Daarna knip ik gaatjes in alle blaadjes, met de grijze perforator van mijn vader. Die heeft hij altijd bij zijn boekhoudspullen liggen. Als je de onderkant openmaakt, heb je confetti. 


Door de gaatjes doe ik een draadje wol en dan heb ik een boekje. Als ik er een cijfer voor gekregen heb, zal het wel voldoende zijn geweest, maar niet zoveel meer.

Mijn vader moet geregeld tanken en uiteindelijk heb ik de hele poster vol met stickers. Die van de Apollo 11, met de adelaar is het mooist, maar de sticker met de drie paarden met lange manen mag er ook zijn. Ik plak de poster boven mijn bed.

Mensen plakken overal stickers op. Bij BP zijn er stickers van smurfen en die zie je veel op de achterruit van auto’s: ‘Als u dit kunt lezen, smurft u te dichtbij.’ Die stickers blijven nog wel een tijdje, ook als ik al op de middelbare school zal zitten. Maar daar heb ik het nu niet over.

Er is nog meer om te verzamelen. Mijn moeder heeft onderzetters van Rick de Kikker. Ze zijn van plastic in allerlei vrolijke kleuren. In het midden een afbeelding van Rick. Op eentje zit hij op een schildpad, op een andere zit hij te vissen. Ik heb een plat plastic poppetje van Rick met een voetbal. Het kan blijven staan.  

Ik heb meer van die platte poppetjes. In sommige zit schuimrubber, zodat ze zacht aanvullen. Ze kunnen niet allemaal blijven staan. Ik heb bijvoorbeeld Lucky Luke en Batman. Ik neem ze mee naar school. Als ik in de hoogste klas zit, schrijven we al niet meer met pen en inkt, maar de schoolbanken hebben nog wel inktpotjes. Daar kun je de figuurtjes in zetten.

Mijn moeder heeft ook glazen, van Bolletje. Daarop staan een soort cartoons met de tekst ‘Ik wil Bolletje!’, bijvoorbeeld van een jongetje dat staat te springen op de buik van zijn vader, die nog in bed ligt. Hij roept ‘Ik wil Bolletje!’






dinsdag 2 juni 2026

Want ik besta (Jurrian van Dongen / Stien van Kerkckhoven)


Liederen zijn er om gezongen en beluisterd te worden. Maar er zijn in de loop van de eeuwen heel veel liederen gemaakt die we voornamelijk kennen door de tekst, van 'Het lied van heer Halewijn' tot 'Klare, wat heeft er uw hartje verlept'. Liedteksten zijn gebundeld en die bundels werden soms gretig verkocht, bijvoorbeeld het Boertigh, Amoureus en Aendachtigh Groot Lied-Boeck van Gerbrand Adriaansz. Bredero. 

Dat is allemaal wel heel lang geleden, maar ook in de twintigste eeuw werden liedteksten nog veelvuldig gebundeld. Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar heeft in de serie Pluche gebundelde liedteksten uitgebracht van onder anderen Lennaert Nijgh, Jules de Corte, Drs. P., Eli Asser en Raymond van het Groenewoud. Daar heb ik vaak uit voorgelezen aan het begin van een les, net als uit bijvoorbeeld Ik zou je het liefste in een doosje willen doen. Oud-leerlingen refereren daar nog wel eens aan. 

Het is dan ook niet zo gek dat nu Want ik besta is verschenen, een bundeling van liedteksten die geschreven zijn voor Het Klokhuis door Jurrian van Dongen. Het Klokhuis heeft, voor zover ik weet, vanaf het begin (1988) liedjes gehad, en altijd geschreven door goede tekstschrijvers, zoals Willem Wilmink en Hans Dorrestijn. Ook die liedteksten zijn indertijd gebundeld. 

Veel van de genoemde bundelingen zijn waarschijnlijk voornamelijk gelezen door volwassenen en soms werd er in de presentatie van de teksten geen onderscheid gemaakt tussen gedichten en liedteksten. Ze zeggen dat de aarde draait (1988) van Willem Wilmink heeft als ondertitel '37 nieuwe gedichten', terwijl je aan de vorm kunt zien dat sommige ervan als lied zijn bedoeld. Wilmink gebruikte vaak drie strofen (coupletten, moet ik eigenlijk zeggen) van zes regels, waarbij de derde en de zesde regel korter zijn dan de andere. Ook het lied waaraan de titel van de bundel ontleend is ('Mijn wetenschap') heeft die vorm. 

Uit Want ik besta leer ik dat bij het Het Klokhuis nog steeds af en toe teksten gegoten worden in een bestaande mal. In de bloemlezing is 'Boeiende groente' opgenomen (over broccoli) en in de aantekening erbij noteert Van Dongen dat er met deze vorm meer dan twintig korte liedjes zijn geschreven. 

Voor kinderen

Aan het eind van de bundel staat bij elke liedtekst een korte aantekening. Deze aantekeningen zijn voor kinderen bedoeld. Soms om de context uit te leggen. Je mag ervan uitgaan dat niet ieder kind weet heeft van Srebrenica en dat je dus moet uitleggen wat daar gebeurd is als een kind het lied 'Meisje in Srebrenica' te lezen krijgt. Er wordt bij een andere tekst ('De ridder met het vastgeroeste harnas') uitgelegd dat het een scèneliedje is, een kort toneelstukje op muziek. 

De hele bundel is bedoeld voor kinderen. Dat merk je niet alleen aan de aantekeningen aan het eind van het boek, maar veel meer nog aan de vormgeving van het boek. Het heeft het formaat van een prentenboek en het heeft ook wel die uitstraling, vooral door de prachtige tekeningen van Stien Van Kerckhoven. Het zijn paginagrote tekeningen en soms beslaan ze twee pagina's. Enkele teksten zijn afgedrukt op een gekleurde achtergrond, zodat ze min of meer in de tekening zijn opgenomen. 

Ziekenhuis

Dat alles zorgt ervoor dat Want ik besta niet alleen een leesboek, maar vooral een kijkboek is. Niet alleen de teksten, maar ook de tekeningen laten je nog even nadenken. In bijvoorbeeld 'Ziekenhuis' gaat het over een vader van wie het kind zich in een ziekenhuis bevindt. In de aantekening is te lezen dat het gaat over het Maxima Centrum, voor kinderen met kanker. Daar zijn gamekamers en hangplekken, en iedereen doet zijn best om het verblijf voor het kind zo fijn mogelijk heeft:

Oké, je hebt een kamer met balkon
Dus je kan veel naar buiten kijken
De kleuren en de gangen doen hun best
Niet op een ziekenhuis te lijken

Een eigen hangplek met de nieuwste games
Al lig je hier niet voor je plezier
Als je toch zo ziek moet zijn
Dan maar hier.

Oké, je noemt het zelf een soort hotel
En alle dokters maken grapjes
Het eten vind je lekkerder dan thuis
Al neem je soms maar kleine hapjes
(...)

Maar het kind is wel ziek en de vader is wanhopig:

(...)
En het hoort niet
Het hoort gewoon niet
Jij hoort hier niet te liggen
ik hoor hier niet zo dom te staan

Met m'n halfzachte beloftes
Van beter worden
En dan weer naar huis toe gaan
(...)

Op de pagina voor de liedtekst is een grote ballon te zien, met een glimlachende zon erop. Ook die ballon doet heel erg zijn best om hoop en optimisme over te brengen en dat wordt na het lezen van de tekst alleen nog maar schrijnender. Het lijkt een eenvoudige tekeningmaar die roept gecompliceerde gevoelens op. 

Want ik besta

De titel van de bundel is ontleend aan de tekst 'Doe gewoon normaal'. Die begint als volgt:

Dat je ons nooit uitzwaait
Als pappa mij komt halen, mam
Weet je wel hoe rot dat voelt?

En pap, dat jij om mamma 
niet naar m'n schooltoneelstuk kwam
Is raar, en ook niet eens voor mij bedoeld.

Doe gewoon normaal
Ik voel me bijna een verrader
Als ik vrolijk bij de één de ander bel
Heel lang getrouwd is niet gelukt
Maar een lieve moeder en een lieve vader
Kan toch nog wel?
(...)
Ik moest daarbij meteen denken aan een tekst van Willem Wilmink. Misschien ook wel doordat de eerste zin met 'Dat' begint. 
Dat ik van mijn vader hou,
doet moeder soms verdriet.
En dat ik van mijn moeder hou,
dat weet mijn vader niet.
Zo draag ik mijn geheimen mee
en loop van hier naar daar.
Nog altijd hou ik van die twee
die hielden van elkaar. 
Bij Wilmink beschrijft het kind vooral de situatie, waarvan het het slachtoffer is. Het kind bij Van Dongen is mondiger. Het spreekt de ouders aan. Het slot:

(...)
Doe gewoon normaal
Doe alsof je niet meer weet
Waarom jullie ooit trouwden
Maar geef elkaar geen duizend trappen na

Er is nog altijd één bewijs
Hoeveel jullie van elkaar hebben gehouden
Want ik besta
Bij Wilmink bladert het kind door het fotoalbum van toen de ouders trouwden, toen alles nog goed was ('Nog niets van de ruzies die komen zouden, / nog niets van de dag dat hij weg zou gaan.') Bij Van Dongen is juist dat gedeelde verleden een grond om op te roepen tot het 'normaal' doen. 

Dat het kind bestaat, dat het een product is van de liefde die er was, doet weer denken aan wat Bette Westera schreef:
Mijn  vader is een lieverd,
mijn moeder is een schat,
maar dat mijn vader ooit iets
met mijn moeder heeft gehad,
dat kan ik niet begrijpen, 
daar kan ik echt niet bij. 
Ze hebben niets, maar dan ook 
niets gemeen, behalve mij. 
Ook bij deze tekst van Van Dongen zijn de tekeningen van Van Kerckhoven weer geweldig. Op de ene pagina een kip en een haan die ruzie maken, zodat de pluisveren in het rond vliegen. Op de andere pagina een lief kuikentje dat je vanuit zijn ooghoeken aankijkt. Het denkt er het zijne of het hare van. 

Dementerend

Over elke tekst is natuurlijk veel te zeggen, maar daarvoor ontbreekt de ruimte. 'Voor ons samen' is gedrukt in een tekening: een oude man, tot halverwege zijn lichaam in het water, op zijn schouders een kleinkind, boven zijn hoofd enkele meeuwen. Je kunt niet goed zien waar het water ophoudt en de lucht begint. De bewolkte lucht zou ook mist kunnen zijn. 

Opa dementeert en kan steeds minder onthouden. Maar de liefdevolle kleindochter zal dan wel zijn geheugen zijn.

(...) 
Soms ben ik bang
Want je wordt vast nooit meer beter
Ook al voel je je niet ziek

Maar dat je vroeger trots en groot en sterk was
En met mij in je moestuin aan het werk was
En alle lieve dingen dingen
Die je ooit tegen me zei
Onthoud ik wel voor ons allebei

En zelfs als je m'n naam straks niet meer weet
Zie ik nog wie je was en wat je deed
Lieve opa, 
Daar kun je op vertrouwen

Ik zal je, tot ik zelf oma wordt, onthouwen
Er zijn intussen veel kinderboeken over grootouders met dementie. Mij schiet meteen Een opa met gaatjes van Wally De Doncker te binnen, maar recenter zijn er ook nog heel wat verschenen. 

Net als in die boeken ligt het perspectief bij het kleinkind. Natuurlijk gaat dit lied over dementie, maar meer nog over de liefde van het kleinkind voor haar opa en hoe ze koestert wat opa voor haar was en is. 

Struisvogel

Voor op het boek staat een jongen op de rug van een struisvogel. In het boek komt nog 'Struisvogels wiegelied' voor, dat meteen doet denken aan 'Stekelvarkentjes wiegelied' van Annie M.G. Schmidt. In de aantekeningen wordt daar ook naar verwezen. 

De moederstruis, zingt een wiegelied voor haar kind: een vogel die niet kan vliegen. Moeder troost het kind en ziet al voor zich hoe het kind, eenmaal volwassen, weer haar kind zal troosten:

(...)
Laat ze lachen, Struisje
Daar raak je aan gewend
En ben je 't moe
M'n schat dan doe je
Of je er niet bent
De lucht is toch al overvol
Antennes, toren en Schiphol
Dat is niks voor jou
Vooruit ga slapen nou

Ooit sta jij stevig en gezond
Met beide benen op de grond
En komt het eens op rennen aan
Dan lach jij in je vuistje
Welterusten, Struisje
Voor op het boek zie je een fiere struisvogel. Daardoor krijgt de titel ook iets zelfverzekerds: 'Ik besta!' 

Twee vaders

Laat ik eindigen met een complete liedtekst: 'Twee vaders'. Ik heb het niet nageteld, maar ik heb de indruk dat Van Dongen meer over vaders en grootvaders schrijft dan over moeders en grootmoeders, maar dat kan ook aan de keuze in deze bundel liggen. 

Twee vaders

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
De één helpt bij m'n huiswerk
Koopt cadeaus en neuriet blij
De ander schreeuwt en drinkt en slaat
M'n moeder en m'n broer
En soms ook mij

Zo vreemd, ik snap er zelf maar weinig van
Dat de handen die me knuffelen en pijn doen
Horen bij dezelfde man

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
En nooit, als ik naar huis ga,
Weet ik wie er op me wacht
De stomme lijkt nooit heel ver weg
Zelfs als de leuke vrolijk naar me lacht

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
Wie zou dat ooit begrijpen?
Hoe hij is, weet ik alleen
Laatst toen de kwade me weer sloeg
Zag ik heel kort 
De lieve er doorheen

Alsof iets in hem zeggen wou:
Ik wil dit niet
Ik hou van jou

En toen hij stil m'n kamer weer verliet
Moest ik huilen omdat ik de rotzak haatte
Maar de lieve vader niet
Want ik besta is een prachtige bundel of moet ik zeggen: een prentenboek van Stien van Kerckhoven met tekst van Jurrian van Dongen?

Voor zover ik weet, heeft Van Dongen intussen al wel heel veel liedteksten geschreven en dan is toch wel een  heel bescheiden keuze. Moet er niet ooit een dikke verzamelbundel komen? Liedjes zijn nogal vluchtig en zeker liedjes voor tv. Het zou toch mooi zijn als we over jaren of eeuwen nog steeds de teksten van Van Dongen, net als die van Bredero, kunnen lezen in zijn Groot Liedboek.

Want ik besta. De mooiste liedteksten uit Het Klokhuis van Jurrian van Dongen met tekeningen van  Stien Van Kerckhoven. Uitg. Blauw gras, 2026; 84 blz. € 18,99 (hardcover)

Twee vaders

maandag 1 juni 2026

Ballade voor Sophie (Filipe Melo / Juan Cavia)



Wat heb je eraan als je de hele wereld wint, maar schade lijdt aan je ziel? Aan die uitspraak, in het bijbelboek Mattheüs (hoofdstuk 16, vers 26) moest ik denken na het lezen van Ballade voor Sophie, een graphic novel van Filipe Melo (scenario) en Juan Cavia (tekeningen). 

De oude maestro Julien Dubois heeft zich teruggetrokken in zijn huis, waar zijn huisgenote Marguerite iedereen op zijn verzoek buiten de deur houdt. Maar een stagiaire van de krant Le Monde, Adeline Jourdan, laat zich niet afschepen en dringt toch tot hem door. Aan haar vertelt hij het ware verhaal van zijn leven. 

Julien en Frédéric

Julien was als jongetje al succesvol, vooral ook omdat hij zo gepusht werd door zijn moeder, voor wie het allemaal nooit goed genoeg was. Bij een wedstrijd speelt hij goed, maar uiteindelijk is er een andere jongen, Frédéric Simon, zoon van een schoonmaker, autodidact, die veel beter blijkt te zijn. Die kan door zijn spel het gevoel overbrengen dat hij zweeft. Maar Frédéric wint niet. Julien gaat met de prijs naar huis. 

Dat kan geen zuivere koffie zijn, dat beseft Julien ook wel. En daarom wil hij Frédéric op een eerlijke manier verslaan, maar die kans krijgt hij niet. Dan breekt ook nog de oorlog uit. Frédéric blijkt Joods te zijn en komt in een kamp terecht. De moeder van Julien gaat in die tijd juist om met de Duitsers. 

Na de oorlog begint Julien een relatie met Anne-Marie, de vrouw van Frédéric. Houdt hij van haar? Doet hij dat om dichter bij Frédéric te komen? Om hem dwars te zitten?

Juliens loopbaan is intussen grillig verlopen. Hij is erg succesvol geweest als commercieel pianist, onder de naam Eric Bonjour, maar eigenlijk was dat niet wat hij echt wilde. Hij heeft het idee dat hij zichzelf verloochent. 

De drijvende kracht achter de transformatie van Julien Dubois tot Eric Bonjour is de pianoleraar Hubert Triton, die consequent getekend wordt als een bok, wat hem iets duivels geeft. De moeder van Julien is intussen met hem getrouwd. Het kost Julien moeite om om zich aan hem te ontworstelen. Dat doet hij door als toegift een klassiek stuk te spelen, zoals hij vroeger. Het is het einde van Eric Bonjour. 

Schuldgevoelens

Aan het eind van zijn leven voelt Julien zich schuldig. Hij heeft verraad gepleegd aan zijn eigen talent en hij heeft de dood van Frédéric op zijn geweten. Niet letterlijk, maar zo voelt hij het wel. Verraad, collaboratie, speelt in het hele boek een rol. In de oorlog legt de moeder van Julien het aan met de Duitsers en waarom is ze eigenlijk met Triton getrouwd? Julien verraadt George Rivière, die hem ooit uit de goot gehaald heeft. In hoeverre is Julien eerlijk tegenover Anne-Marie? En zelfs: is Adeline wel eerlijk tegenover Julien? 

Pas in het laatste deel komen we erachter hoe het zit, wie Adeline echt is en waarom dit boek Ballade voor Sophie heet. Die ballade is een muziekstuk, waarvan de bladmuziek opgenomen is in het boek. Het stuk is ook te beluisteren op Spotify (Balada para Sophie), waarbij als componist Filipe Melo is genoemd, wat me een mystificatie leek, maar de scenarist blijkt ook werkelijk de componist te zijn. Er is verder trouwens een playlist, samengesteld door de tekenaar Juan Cavia, waarnaar ik luister terwijl ik dit tik. Daarin zijn muziekstukken opgenomen die voorkomen in de graphic novel. 

Het eerste nummer is een nocturne van Chopin, gespeeld door François Samson. Van deze pianist staan nog meer nummers in de playlist. Als Frédéric Simon overleden is, wordt vreemd genoeg, niet zijn grafsteen getoond, maar die van François Samson (maar met de jaartallen die bij Frédéric Simon horen). Samson was een bijzondere pianist, die niet heel oud is geworden. Hij kreeg in 1968 een hartaanval op het podium en stierf twee jaar later. 

Getormenteerd

Julien Dubois is een getormenteerd man, die besloten heeft om al het onechte in zijn leven achter zich te laten en het werkelijke verhaal aan Adeline te vertellen. Het is een manier om met zichzelf in het reine te komen. Pas aan het einde van het boek vertelt ook Adeline haar ware verhaal. 

Dat is ontroerend. Ballade voor Sophie zit zonder meer knap in elkaar. De innerlijke strijd van Dubois wordt mooi getekend en die komt ook goed uit omdat die gezet wordt naast de oprechte belangstelling van Adeline en de toewijding van Marguerite. Dat het vredig is aan het eind is aan de ene kant mooi, want je gunt het de personages zo dat ze de vrede vinden. Aan de andere kant was het me ook een beetje aan de zoete kant. Er zit een zweem van sentimentaliteit in, maar misschien past dat wel bij Julien, die toch voor een deel ook Eric Bonjour geweest moet zijn. 

De tekeningen van Juan Cavia bevallen mij zeer. Zijn lijnen hebben iets hoekigs, wat zeker past bij de hoekige karakters van de personages, maar zijn tekeningen hebben ook een vleugje ironie en een een zekere mildheid, waardoor je met empathie de hoofdrolspelers volgt. 

Of Julien van Ann-Marie gehouden heeft, blijft lang in het midden, maar uit de tekeningen kun je al veel opmaken. Als die twee met elkaar vrijen gaan ze zo in elkaar op en raken ze zo vervoerd dat het lijkt alsof ze overspoeld zijn door muziek die gespeeld wordt. Het zweven kan Julien in de muziek niet bereiken, al probeert hij het na te bootsen, maar wel in de liefde. Dat is op dat moment allemaal nog niet uitgelegd als je het al wel voelt, door de manier waarop die passage getekend is. 

Ballade voor Sophie is een mooie en bijzondere graphic novel en dat is ook door het publiek herkend. De eerste druk is intussen uitverkocht. Hopelijk is het boek snel weer verkrijgbaar. 

Titel: Ballade voor Sophie
Scenario: Filipe Melo
Tekeningen: Juan Cavia
Uitgeverij: Lauwert
2026, 320 blz. € 39,95 (hardcover)




vrijdag 29 mei 2026

Afgestoft: interview met Henk van der Waal

Eigenlijk zou ik deze week nog een recensie willen schrijven van de graphic novel Ballade voor Sophie, uitgekomen bij uitgeverij Lauwaert. Maar door de correctiedrukte is daarvoor in mijn hoofd te weinig ruimte en ik wil de uitgave wel recht doen. Je moet dus nog even wachten tot volgende week. 

Voor vandaag heb ik daarom een oude tekst afgestoft, een interview met Henk van der Waal, dat eerder gepubliceerd werd in Liter nr. 18 (jaargang 4, 2001). Voordat ik begon aan het gesprek las ik de twee bundels die Van der Waal toen gepubliceerd had: De windsels van de sfinx (1995) en Schuldsanering (2000). Ik herinner me die als interessante bundels, maar ik vond de gedichten ook moeilijk. 

Het gesprek over die gedichten en over de dichter vind je hieronder. 




Een niet te saneren schuld

In gesprek met Henk van der Waal

Henk van der Waal werd in 1960 geboren in Hilversum, waar hij tot zijn achttiende woonde. Daarna vertrok hij naar Amsterdam om medicijnen te gaan studeren. Na twee jaar stapte hij over naar de studie filosofie. Van 1984 tot 1985 studeerde hij in Parijs en in 1988 studeerde hij in Amsterdam af op een studie over Heidegger. Later vertaalde hij onder andere boeken van de Franse filosofen Maurice Blanchot en François Lyotard.

Intussen heeft hij twee bundels gedichten op zijn naam staan. De windsels van de sfinx (1995) werd in 1996 bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut van dat jaar en onlangs verscheen Schuldsanering. Zijn gedichten vallen op door een weelderig beeldgebruik dat gepaard gaat met een bijna Spartaanse vorm. Hij zet de tekst bijvoorbeeld neer in driehoeken, ruiten en rechthoeken.

Ik sprak met hem vooral over zijn laatste bundel en over de schuld die daarin zo vaak voorkomt, maar ook over Heidegger en over de ontdekking dat Sinterklaas niet bestaat.

Je besteedt bij je gedichten veel aandacht aan de uiterlijke vorm.

Alles wat zeggingskracht kan hebben, gebruik ik. Dus ook de vorm. Tegelijk wil ik laten zien dat de vorm in zekere zin arbitrair is. Je kunt hetzelfde gedicht presenteren als een cirkel, een ruit of een vierkant. Dat maakt wel iets uit, maar ook niet zo gek veel. Misschien gebruik ik de vorm ook wel als een bliksemafleider. Die werkt nog heel goed ook, want elke recensent die iets over mijn gedichten schrijft, focust helemaal op de vorm. Dat is nogal de tendens in de Nederlandse kritiek, die obsessie voor uiterlijke kenmerken. Ik word daar wel eens wat mistroostig van, want ik doe meer dan wat lijntjes trekken op een wit stuk papier. Ik schrijf gedichten die ergens naartoe willen met de lezer.

Is dat gedoe met die vorm meer dan spielerei?
Het is spielerei, absoluut, en ik zou willen dat wat meer mensen dat doorhadden. Maar toch is het ook meer dan dat. Door mezelf beperkingen op te leggen blijf ik bij de les. Voor zo'n gedicht uit de serie ‘Kruisingen’ moet ik letten op de lengte, de opbouw, de overgang in de middenregel. De compositie wordt daardoor heel belangrijk. Ik ontneem me de vrijheid om zomaar wat losse uitspraken achter elkaar te zetten.

Het zijn heel strenge vormen, maar daarbinnen schiet de taal alle kanten op, op het losbandige af.
Klopt. Misschien gebruik ik de vorm ook om me enigszins te beschermen tegen mezelf. Dat het niet te losbandig wordt, dat het niet maar doorgaat.

Vraagt elke cyclus zijn eigen vorm?
Als ik een nieuwe cyclus begin, bepaal ik vaak eerst de vorm. Ik probeer voor elke serie een eigen vormwet te creëren. Daarna tast ik tenminste niet meer helemaal in het duister. Het is net als met een toneelstuk. Dat heeft niet alleen tekst nodig maar ook enscenering. Een gedicht wordt ook ten tonele gevoerd, is dus drama.

Interferenties III

Al uwe baren
en golven zijn over
mij heengegaan, maar
ontzondigd met hysop of witter
dan sneeuw ben ik niet, want de zee
van een andere hand, die al het eeuwige heeft
uitgebannen, likt aan mijn strand, stroomt over
de rots van mijn verlangen en bonkt tegen derzelver
verheffing alleen om mij in mijn verstarren te omarmen,

tot ik vernacht
zal zijn, ook al ben
ik niet verzadigd, want hoe
ook de erosie aan mijn buikwand
met haar hand over hand toeneemt tot ze me
niet meer geweest maakt en ik naar haar kijk en
niets dan de wind en de zee voel in de haardos van
mijn herinnering, verstoken van oneindigheid blijf ik
van eeuwigheid tot eeuwigheid die ik niet ben; hallelu nee -

bewaar me niettemin de blauwe ogen blozend blonde glimlach van mijn kind.

[Dit gedicht interfereert met Psalm 42:8, 51:9, 46:4, 69:17]


Je hebt de cyclus ‘Interferenties’ opgedragen aan God. Zit er een ironische ondertoon in die opdracht?
Het is een knipoog, maar het is ook serieus. In die opdracht zit dezelfde ambivalentie opgesloten die ook in de cyclus zit. Dat merk je pas als je ‘Voor God’ naar het Frans vertaalt. Je krijgt dan Adieu en neemt dus afscheid van iemand. Dat is heel adequaat, want in deze cyclus neem ik op een nogal stevige wijze afscheid van God. Ondanks de hardvochtigheid die in dat afscheid verborgen ligt, kan ik er echter niet omheen zijn hulp in te roepen als er iets mis zou gaan met mijn dochter. Misschien is deze cyclus eigenlijk wel opgedragen aan deze ambivalentie zelf. Aan dat niet bestaan van God en het tegelijk niet zonder kunnen.

Heb je een religieuze achtergrond?
Ik kom uit een gereformeerd gezin. Ik ben altijd naar de kerk gegaan en aan tafel lazen we uit de Bijbel. Je ziet dat ik voor deze cyclus de statenvertaling heb genomen. Die anachronismen mag ik graag gebruiken. Het bijbellezen zal ook zeker mijn taalgevoel gevormd hebben, dat kan bijna niet anders. Dat is de enige reden waarom ik mijn kinderen soms uit de Bijbel zou willen voorlezen.

Zegt het jou inhoudelijk nog iets? Is het meer dan een herinnering?
Mijn religieuze opvoeding heeft me enorm gemarkeerd. Daar doet mijn huidige status van ongelovige niet zo veel aan af. De cyclus ‘Interferenties’ laat ook zien dat ik heel wat te stellen heb met dat geloof. Het is een soort protestsong tegen de christelijke God. Maar omdat ik weet dat die wraakzuchtig is, kan ik het niet laten om me in te dekken als het gaat om het dierbaarste wat ik heb: mocht U er zijn, pak me mijn kind dan niet af. Met andere woorden: bezoek mijn zondigheid niet aan mijn kinderen.
Pas hoorde ik op tv een liedje van Maarten van Roozendaal, ‘Red mij niet’. Dat kon ik heel goed meevoelen. Maar ik heb zijn gedachte eigenlijk een stapje verder gevoerd. Als het om je kind gaat, kantelen sommige zaken, dan wil je toch wel een God als hoeder. Dat komt steeds terug in die laatste, eenregelige strofe.

Ook in de vorige bundel schreef je over je kind. Verandert het hebben van een kind in dit soort dingen het perspectief?
Het perspectief wijzigt bijna per definitie. Nu ik kinderen heb, kan ik me niet meer puur en alleen wentelen in mijn eigen besognes. Er zit ineens iets aan me geklonken, waar ik van afhankelijk ben, maar dat toch een heel eigen weg gaat. Met alle risico's van dien. Me volledig op mezelf laten terugwerpen is een luxe die ik me niet meer kan veroorloven.

Omdat de verantwoordelijkheid groter is?
Ja. Ik moet voorzichtiger zijn, ook in geloofszaken. Daarom staat er: ‘bewaar me niettemin’. Verdoem mij maar, of weet ik veel wat, maar bewaar me mijn kind.

De toon wordt in de loop van de cyclus milder, zeker in het laatste gedicht.
Het protest gaat inderdaad over in een ingekeerde houding.

Waar wil je tegen protesteren?
Tegen alle beperkingen die het geloof mee heeft gebracht, tegen alle verboden, de verdoeming van het lichaam, de poging om mensen klein te maken door te dreigen met hel en verdoemenis, tegen dat grote verhaal dat is geweven.
Op een gegeven moment merkte ik dat Sinterklaas niet bestond. Dat is voor mij de katalysator geweest. Ik geloofde heilig in Sinterklaas! Toen die niet bleek te bestaan, moest ik ook wel gaan twijfelen aan het bestaan van de andere man met de baard. Toen mijn zusje het me vertelde, viel echt de grond onder mijn voeten weg. Met Sinterklaas is dat hele tere bouwwerk van het geloof gaan verzakken, om in mijn puberteit definitief in te storten.

Verlang je wel eens terug naar het wereldbeeld uit je jeugd?
In het begin misschien wel, want het is leuk om uit het niets cadeautjes te krijgen en 's avonds voor het naar bed gaan te kunnen regelen dat je de volgende dag een voldoende krijgt. Maar nu ben ik blij voor de openheid van geest die ik kan betrachten.

Praatte je er thuis over toen je geloof begon te wankelen?
Nee, natuurlijk heb ik het daar thuis niet over gehad. Geloofskwesties heb ik nauwelijks besproken. Zij wilden wel, maar ik niet. Ik heb me nooit vrij gevoeld te twijfelen, ben waarschijnlijk heel erg bang geweest mijn ouders en met name mijn vader teleur te stellen. Maar er is meer aan de hand. Waarschijnlijk gunde ik hun geen macht over mijn gevoelsleven en ben ik daarom alle discussie uit de weg gegaan: dat gaf me de meeste zekerheid op zelfstandigheid.

Richt je kritiek zich op de kerk of op hoe het er in jullie gezin aan toe ging?
Ik weet niet of ik in staat ben dat uit elkaar te houden. Via het ene protesteer ik tegen het andere en ongetwijfeld ook omgekeerd. Over mijn gezin en de mores die daar heersten ben ik in de loop van de tijd wat milder gaan denken. Ik betrap me er soms zelfs op dat het in mijn geval om een echte haat-liefdeverhouding gaat. Als andere mensen een sneer geven naar het christendom heb ik bijvoorbeeld de neiging een licht verdedigende houding aan te nemen. Er zijn immers weinig religies die de menselijke existentie zo diep hebben weten te beroeren. De muziek en schilderkunst die dat heeft opgeleverd, zijn onovertroffen. En de gevoelens die daarmee gepaard gaan werken zeker door in mijn gedichten.

Als je schrijft ‘Al uwe baren en golven zijn over mij heengegaan’, waar doel je dan op?
Dan bedoel ik dat de traditie, de dominee, mijn ouders, de verhalen, de bijbel, dat ze allemaal heel erg hebben geprobeerd om mij erbij te trekken, mij tot de hunnen te maken, maar dat het, jammer maar helaas, niet is gelukt. Waarom niet lees je verderop in het gedicht.

Het is niet gelukt, maar je voelt je wel schuldig.
Ja, absoluut. Zoals elke religie verstaat ook het christendom de kunst om zelfs afvalligen nog met huid en haar te binden. Ik denk overigens niet maar alleen negatief over die schuld. Daarom is de titel ook licht ironisch. Het gaat hier om een schuld die eigenlijk niet gesaneerd kan worden. Waarom niet? Omdat wij zelf een product zijn van die schuld aan God, aan de medemens, aan het eigen menselijk tekort. Dat tekort maakt ons nederig, maar geeft ons ook bewustzijn. Soms denk ik dat het hele bewustzijn het resultaat is van schuldbesef. Bewustzijn kan nooit ontstaan zonder dat je iemand inperkt, zonder dat je iemand laat zien dat hij een grens overschrijdt. Pas dan kun je hem tot zichzelf bepalen. Vroeger deed men dat in naam van God. Nu doen we dat in naam van een vaag soort humanisme.

Dat is de positieve bijwerking van de schuld.
Inderdaad. Zonder schuldgevoel kan het individu en de maatschappij niet functioneren, maar je wilt die schuld natuurlijk wel eens van je afwerpen.

De schuld zit ook in het schrijven. In de cyclus ‘Schuldsanering’ schrijf je: Wie schuldig gaat, moet de medeplichtigen met zich dragen. Dan noem je ook het potlood als medeplichtige.
Ja, als ik schrijf heb ik altijd het gevoel dat ik mijn eigen aanklacht aan het schrijven ben. Nog sterker dan voor wie spreekt, geldt dat alles wat je schrijft tegen je kan worden gebruikt. Vroeger dacht ik dat schrijven nabijheid kon brengen. Dat is niet zo. Schrijven vereenzaamt, houdt de mensen op afstand. Dat neemt niet weg dat, eenmaal begonnen, je niet meer op kunt houden met schrijven. In de poging schuld te lenigen, wordt die alleen maar groter. Alsof de existentiële schuld alleen maar uit te wissen is door hem groter te maken. Net een inktvlek op een broek die je probeert weg te poetsen. Alles wat je doet, alle sporen die je achterlaat en waarmee je die achterlaat, vergroten de schuld. Elke positiviteit die je neerzet, is schuld, belasting van de wereld, van anderen.

Is het schuld omdat je tekortschiet?
Ook, maar vooral omdat je belast. Het hoeft niet altijd erg te zijn, maar het is wel schuld.

Tegenover wie?
Dat ligt volledig in het ongewisse. Maar om het zekere voor het onzekere te nemen zeg ik maar: tegenover iedereen. Met die psalmencyclus heb ik misschien een paar mensen inzicht gegeven in hun eigen strijd met hun geloof, maar anderen heb ik er ongetwijfeld pijn mee gedaan. Wie een positie inneemt, schopt altijd mensen tegen de schenen.

Het alternatief is dan: in een hoekje gaan zitten en niet meer bewegen.
Die neiging heb ik inderdaad. Die eerste cyclus (‘Schuldsanering’) heeft dat ook duidelijk in zich en mijn vorige bundel, De windsels van de sfinx, nog meer. Daarin ligt een verlangen om egaal te worden, volledig neutraal.

Is dat een dagelijks verlangen voor je?
Je gelooft het misschien niet, maar eigenlijk wel. Het kan me enorm benauwen wat je allemaal niet fout kunt doen. Je zegt iets verkeerds of kijkt op straat niet goed uit en rijdt bijna tegen iemand aan. Vaak heb ik een verlangen om van die dagelijkse besognes waarmee het huis- tuin en keukengeweten vol zit, verlost te zijn.
Soms denk ik dat ik niets goeds kan doen. Dat had ik vroeger nog veel sterker. Vooral als ik dingen vergeet. Dan doe je iets fout dat per definitie geen opzet is. Maar je wordt er wel zwaar op afgerekend. Ik voel me dan onschuldig, terwijl ik weet dat ik bijna nog schuldiger ben dan als ik het met opzet niet had gedaan.

Heeft de godsdienst van je jeugd een rol gespeeld in dit aankoeken van je schuldbesef?
Dat lijkt me duidelijk ja.

Is dat ook een van de redenen voor je geweest om daarvan weg te willen?
O zeker. Ik heb me van heel wat ketenen willen bevrijden. Heb me er zelfs in geoefend om alle gedachten en gevoelens toe te laten waarop een doem rustte. Wedergeboorte wordt zoiets wel genoemd.

Terwijl je tegelijkertijd op een ander vlak dat schuldgevoel weer meeneemt.
Ja, goed, laten we ons geen illusies maken. Ik ben ook gek genoeg geen atheïst geworden. De gedichten die ik schrijf, zijn niet puur a-religieus. Maar wel op een andere manier dan het binnen de christelijke visie kan.

Hoe religieus ben je?
Ik ben geen logo-positivist. Laat ik het zo zeggen: ik probeer mezelf ertegen te beschermen er een te worden. Als je het goed bekijkt, en ik zeg dit niet zonder een dosis ironie, is de opdracht veelomvattend en zwaar. Mijn hele leven heb ik al het gevoel in een sterfhuisconstructie te leven. Toen ik jong was, ging Sinterklaas in rook op, toen ik in de puberteit zat begaf het christendom het op nationale schaal, toen ik ging studeren liep het oude idealisme van de studentenvakbonden ten einde en nam het nihilisme en egoïsme van de kraakbeweging het heft in handen. In die afbraak probeer ik iets vast te houden. Om het in bijbels jargon te zeggen: aren te lezen. En wie weet kan ik daar op een gegeven moment weer brood van bakken. Maar of er ook krenten in zullen zitten?

Door te dichten bouw je aan een eigen metafysica?
Nu moet ik voorzichtig zijn. Op de een of andere manier. Laat ik zeggen: op een andere manier.

Gaat dat beter met dichten dan met denken?
Dichten is de voorpost van het denken.

Kun je dat uitleggen?
Denken heeft een afzetpunt nodig om op gang te komen. Als dat er eenmaal is, kom je via verschillende stappen en onderscheidingen altijd wel ergens uit. Het is naar mijn idee aan het dichten om dat afzetpunt, hoe vaag soms ook, neer te leggen. Het dichten zet zich niet af, heeft geen fundament nodig. Dichten reikt naar iets wat nog niet omlijnd is. Daarom heeft dichten ook meer toekomst in zich dan denken, al klinkt dat een beetje soft. Het laat meer mogelijkheden open, zit minder vast aan logica en tradities.

Heeft je studie filosofie je poëzie beïnvloed?
Soms voel ik mijn studie filosofie als een ballast. Er zijn zoveel mensen die zo diepzinnig zijn geweest, dat beneemt me soms de adem. Het meeste wat je zelf bedenkt, heeft een ander al beter of mooier of treffender bedacht. Toch ben ik, na alles wat ik heb gelezen en heb moeten bestuderen, altijd een lacune blijven voelen. Ik vroeg me wel eens af, diep onder de indruk van een traktaat: ‘Is dit het nou? Is hier nu geraakt wat ik aan wil raken of, als je wilt, wat mij aanraakt?’ Dan moest ik die vraag altijd ontkennend beantwoorden en dat doe ik nog. Ik voel dat als de rechtvaardiging van mijn schrijven en dichten. Zolang ik die lacune voel, heb ik recht van spreken, wat helemaal niet betekent dat ik hem zelf kan dichten. Waarschijnlijk is die lacune ook helemaal niet te dichten en kan ik hem hoogstens een beetje verplaatsen of indrukken of vervormen.

Je hebt je onder meer met Nietzsche beziggehouden.
Voor ik filosofie ging studeren, probeerde ik al op alle mogelijke manieren mijn leef- en denkwereld open te breken. Een aantal filosofen zorgde ervoor dat dat proces in een stroomversnelling kwam. Het bleek zomaar dat ik niet helemaal alleen stond in al mijn overpeinzingen. Dat stimuleerde me enorm, anderen hadden met resultaat de grenzen van hun wereld verlegd, dus waarom zou ik niet hetzelfde doen? Dat dat laatste ietwat stoutmoedig is, weet ik wel, toch heb ik nooit die ambitie verloren. Wie zoiets heeft, kan bijna niet buiten Nietzsche, en ik dus ook niet. Die dringt zo direct en nietsontziend door tot het hart van de zaak en dat ook nog eens met een behoorlijke dosis humor, dat is fenomenaal. Het is bovendien een medicijn dat iedereen die een christelijke opvoeding heeft gehad, moet slikken. Niemand is zo goed in staat een door geloof en dogma's vernauwde blik weer vrij en open te maken als Nietzsche.

Kon je Nietzsche gebruiken voor het afbreken en Heidegger voor het opbouwen?
Nietzsche is inderdaad niet het hele verhaal. Hij breekt open en af, maar verzuimt om je gevoelig te maken voor, laat ik het maar het poëtische van het bestaan noemen. Heidegger is daar ondanks een zekere oubolligheid van zijn latere werk wel op een hele bijzondere en genuanceerde manier toe in staat. Voor het eerst was er een filosoof die het over stemmingen en over het dichterlijke van het denken had. Zelfs nu is dat nog redelijk ongehoord. Door velen ongeweten en waarschijnlijk nauwelijks toegegeven heeft hij dan ook een hele grote invloed op de poëzie gehad, ook in Nederland. Wat nu, met een woord dat meer misverstanden wekt dan inzicht schept, autonome poëzie heet, wordt overkoepeld door Heideggers formule ‘Die Sprache spricht’. De meesten interpreteren die zin als een vrijbrief voor taalkunstenaars en andere charlatans die niets van het echte leven weten, maar achter die uitspraak gaat een hele andere ambitie schuil. Als je hem namelijk koppelt aan een andere stelling van Heidegger: ‘De taal is het huis van het zijn’, dan heeft de ‘autonome’ poëzie altijd de pretentie in zich het ‘zijn’ of het ‘bestaan’ zelf aan de oppervlakte te laten komen. Dichters als Faverey en Kouwenaar hebben die kunst op exemplarische wijze verstaan. En in hun kielzog probeert een hele sliert dichters dat na te doen.

Jouw poëzie is wel in verband gebracht met die van Faverey.
Dat ik op grond van mijn eerste bundel met Faverey in verband ben gebracht, heb ik wel begrepen, maar ook als nogal kortzichtig ervaren. Dat komt omdat ook Heidegger weer wat steekjes heeft laten vallen. Steekjes die zijn opgepakt door filosofen als Emmanuel Levinas en Maurice Blanchot en in het dichterlijke bereik door iemand als Paul Celan. De ander, de vreemdeling, de geliefde, was buiten beeld geraakt bij Heidegger en ook bij de dichters die opereren binnen zijn invloedssfeer. Ik ben onder invloed van die kritiek gaan beseffen dat mijn zorgvuldig gekoesterde zelfstandigheid alleen kan bestaan en leefbaar is bij gratie van de inbreuken erop door anderen. De hoop van mijn verzen is, eigenlijk tegen beter weten in, dat het kloofdichtsels zijn, dat ze de intermenselijke eenzaamheid iets draaglijker maken. Ze zijn dan ook verre van autonoom. Als je in die terminologie wilt blijven, kun je beter spreken van alteronoom: bepaald door de inbreuk van de ander.

We hebben het even gehad over het bouwen aan een eigen metafysica. Van Heidegger kennen we juist de metafysicakritiek.
Metafysica is door Heidegger een besmet woord geworden. Ook Kant had al niet zoveel op met metafysica. De overgeleverde metafysica had alles zo strak ingedeeld en bepaalde zozeer de manier waarop we geacht werden de wereld te interpreteren, dat er iets moest gebeuren als we verder wilden komen. Daarom heeft Heidegger zijn destructie uitgevoerd: afbreken die handel om ruimte te scheppen voor een denken dat oor en oog heeft voor de lotgevallen van het ‘zijn’. Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk, want voor je het weet zit je met nieuwe interpretatiekaders die weer gaan werken als een metafysica. Dat lijkt een beetje op Nietzsche: de waarheid bestaat niet, maar je hebt hem wel nodig. Dat soort frases geeft altijd van die duizelingen in je hoofd. Een tijdlang ben je er zeer van onder de indruk en helpt het om het een en ander te relativeren, maar toch blijft zoiets in zekere zin een lege uitspraak of meta-uitspraak. In mijn poëzie probeer ik, hoe gek het misschien ook klinkt, dit soort meta-uitspraken te vermijden.

Waarom?
Omdat een wijsheid uiteindelijk altijd een semi-wijsheid blijkt te zijn.
Ik ga nog niet gebukt onder Nietzscheaanse doemscenario's, maar wel geloof ik dat er nauwelijks enig besef is van de mate waarin ons overgeleverde gedachtegoed is aangetast. De grote woorden hebben het veld moeten ruimen, maar daarmee ook een hele reeks kleinere. Zoals mens, ratio, gevoel, wil, individualiteit, depressie, genegenheid etc. Iedereen gebruikt die woorden nog, maar eigenlijk zijn ze al lang in rook opgegaan. Dat is aan één kant een enorme kans, omdat alles wat achter zo'n woord is weggestopt dan tevoorschijn kan komen. Maar aan de andere kant is het een gevaarlijke situatie.

Wat is er gevaarlijk aan?
Het hele terrein dat daarachter ligt, is voor je het weet geannexeerd door een nieuwe overheersende visie. En die visie is, het zal niet verbazen, die van de wetenschap en technologie. Het kind kolkt zo in razend tempo met het badwater weg. Ik voel aan mijzelf hoezeer het wetenschappelijk en technologisch denken de macht over probeert te nemen in mijn hoofd. Ik vind dat beangstigend. Ik merk om mij heen dat er een soort vrolijke acceptatie is van deze feitjes producerende instantie. Ik ben niet geneigd daaraan mee te doen, voel het zelfs een beetje als mijn taak om die andere kant, die het christendom de laatste eeuw eigenlijk ontglipt is, open te houden met nieuwe invullingen, probeersels, woorden. Het woord metafysica kan daar gelukkig nog niet op van toepassing zijn.

*
mij buitenstaander de schraping van zandgestengelde handen onder de laffe schemer van je bewimperde zicht dat uitdrukking loost in de matte gelieving die ondanks terging net boven de haatheid uitlaaft en wegdraagt naar wezende armen aan polsen om ijzer, naar barsten op lip lezende loosheid, naar monden in gaping en ogen van sneeuw, naar goudloze tanden, naar schreeuwen uit bijtende stilte - zestig vermiljoen vingers me je dood in duwen


De cyclus ‘Rasterwerk’ lijkt qua uiterlijke vorm meer op proza dan op poëzie.
Zoals we in het begin zeiden, vorm is altijd ook spielerei. Deze cyclus grijpt terug op oorlogsslachtoffers en ik vond het niet kies om daarbij spielerei te betrachten. Daarom heb ik de tekst als blokken neergezet. Bewust. Daarmee wordt het voor mij geen proza. Het zijn geen verhaaltjes. Die blokken zijn tralies...

Wat wil je met de cyclus?
‘Rasterwerk’ is voor mij een heel belangrijke cyclus, om meerdere redenen. Ik heb mijn gedichten net kloofdichtsels genoemd. ‘Rasterwerk’ is de ultieme poging daarvan die tegelijk gedoemd is geweest te mislukken. Op allerlei niveaus overschrijd ik ongeschreven wetten en regels.

Noem er eens een paar.
Het meest in het oog springend zijn die van de taal. Er staan veel neologismen in en ook de grammatica wordt hier en daar geweld aangedaan. Die overschrijdingen van de grenzen die de taal normalerwijs stelt, had ik nodig om een gebied te betreden waar mijn generatie ofwel met desinteresse, ofwel met veel politieke correctheid omheen loopt. Hoe kan ik mij, eigenlijk als volstrekte buitenstaander, verhouden tot de slachtoffers van oorlogsgeweld, meer in het bijzonder tot de slachtoffers van de holocaust? Normaal gesproken betracht ik een gepast stilzwijgen daarover en meng ik me nauwelijks in discussies dienaangaande. Maar tegelijk voel ik een beroep dat op me gedaan wordt, het stille verwijt van de gebruskeerden. Daar heb ik in deze reeks op willen antwoorden zonder enige terughouding te betrachten. Alsof je bij voorbaat al over de schreef bent gegaan als je daarover schrijft.



*





De cyclus ‘Kruisingen’ bestaat uit precies tien gedichten. Voor mij verwezen ze daardoor naar de tien geboden.
Ja, ze zijn ook geschreven in een soort gebiedende taal. En die middenregel natuurlijk.

Interfereer je hier met de tien geboden?
Dat ‘opdat ge niet...’ is eigenlijk de conclusie van een gebod en verwijst naar het gebod ervoor. ‘Opdat uw dagen verlengd worden...’, je kent het wel. Dat is een van de vele kruisingen die erin zitten, die van gebod en ervaring. Dat zijn eigenlijk twee werelden die dwars op elkaar staan, die nauwelijks met elkaar te verenigen zijn, maar wel met elkaar te maken hebben.

Kun je dat uitleggen?
Het is een oud verhaal. De ervaring, de liefde, het genot, maar ook de agressie en het geweld, ze hebben grenzen nodig en worden daarom gesanctioneerd door wetten. Dat leidt tot orde en welvaart, maar ook tot tragedies en ellende en zoiets als fundamentalisme. Maar te rijmen met elkaar vallen ze niet. De ervaring is zogezegd niet in de wet te vertalen en andersom gaat het ook niet. Ze congrueren niet. Het zijn twee verschillende bereiken die elkaar nodig hebben maar elkaar ook bestrijden en inperken en doorsnijden, maar vooral ook uithollen. Om dat te laten zien heb ik in de cyclus ‘Kruisingen’ twee idiomen gebruikt en twee lettertypes en een aparte opmaak.

Ik stelde mij dat kruisen ook heel lichamelijk voor.
Ja, het heeft een erotische component, maar het gaat ook over het voorgeslacht, dat dwars staat op een nieuwe liefde.

Het voorgeslacht dat mij gekruist heeft.
Ja, natuurlijk ook letterlijk. De kruising kruisigt, spijkert je vast op je genetische structuur.

Als je het zo verwoordt, krijgt het ook iets als een last.
Dat is het ook.

Omdat het zo determinerend is?
Ja, het is de grootste vrijheidsberoving die er is. Bij voorbaat een gevangene, een veroordeelde. Je bent schuldig omdat je het leven gekregen hebt, en daar zit je mooi mee opgescheept.

Lijkt dat ook op iets als de erfzonde?
Ik heb nooit uit de voeten gekund met het begrip erfzonde. Misschien moet ik beter uitleggen wat ik hierboven zei: het woord vrijheidsberoving impliceert schuld en overtreding, binnen ons rechtsstelsel althans. Tenzij je het als een gijzeling ziet: gegijzeld door je genetisch materiaal. Ook een reële optie. Maar laten we even bij de eerste optie blijven, dan komt het mooier uit. Wie schuld heeft, heeft namelijk ook iets goed te maken, iets te saneren. In die zin is het leven in een overgeërfde genetische structuur schuldsanering. Blijft open de vraag wie de goede gever van de schuld is, want laten we wel wezen, juist door die genetische determinatie kun je de mens zijn die je bent, in plaats van een ongedefinieerde berg modder. Het pijnlijke is dat degene die het schuldig heeft uitgesproken, niet te achterhalen is, of beter gezegd opgaat in een oneindige reeks van ouders en grootouders en overgrootouders. Die reeks heeft jou bepaald, heeft het oordeel uitgesproken: leef! Ik zie dat los van iets als erfzonde. Schuld kan je proberen te lenigen. Voor zonde ben je aangewezen op vergeving. En wie moet dat doen?

Dan krijg je ook te maken met het verschil tussen schuld en verantwoordelijkheid.
Maar dat is sowieso een probleem wanneer je er een deterministische visie op na houdt. Daarom is natuurlijk ook de vrijheid uitgevonden, want die geeft je de verantwoordelijkheid terug. In die gedichten probeer ik ook dwars op het voorgeslacht en de genetische en sociale determinatie die daarmee gepaard gaat, vrijheid te verwerven.

Binnen grenzen die al gesteld zijn.
Niet per se. Maar op een gegeven moment ben je wel zo verstandig dat je ze accepteert of er in ieder geval mee om kunt gaan zonder telkens je hoofd te stoten.

Maar zoals je voorgeslacht jouw vrijheid beperkt, geef jij die beperking weer door aan het volgende geslacht.
Daar hebben deze gedichten het niet over, maar het is wel waar. Het is een ketting die maar doorgegeven wordt, Schopenhauer ten voeten uit. Maar bij mij gaat het om het moment van het uitbreken en van de liefde die daar een soort pauze in is, een cesuur mee vormt.

De liefde heft die beperkingen niet op.
De liefde komt wel een heel eind, maar helemaal opheffen? Soms ben ik wat somber gestemd. In de wetenschap wordt er met man en macht aan gewerkt om ons voor 99,9% gedetermineerd te maken. Ik word ook een beetje meegenomen op die stroom. Maar tegelijk mag ik toch ook graag een tegengeluid laten horen. Dat zit vervlochten in de ervaring van liefde en schoonheid, in iets dat men wel kunst pleegt te noemen.

Omdat de mens daarbij boven zichzelf uit getild wordt?
Dat is het niet helemaal. Je kan jezelf heel gedetermineerd voelen. Dan denk je: Ja, zo deed mijn vader dat ook, of mijn moeder, en tegelijkertijd daarbinnen toch een vrijheid ervaren, zonder dat je nu meteen boven jezelf uit springt. Ik ervaar het meer impliciet dan transcendentaal.

Bestaat die vrijheid dan uit de variatie binnen de grenzen?
Ik ben er een beetje huiverig voor om het zo te zeggen. ‘Kruising’ is wel het goede woord: vrijheid is iets wat dwars op de determinatie staat. Ze kunnen determineren wat ze willen, er blijft iets existentieels dat niet helemaal in te dammen is.

donderdag 28 mei 2026

Afgestoft: Kilroy (Harmen Wind)

Maar weer eens een recensie van gedichtenbundel afgestoft. Er moeten er nog veel meer zijn, maar ik heb niet alles meer beschikbaar. Alle besprekingen die ik voor de Poëziekrant geschreven heb, heb ik niet bewaard, zo te zien. 

Deze keer een recensie van een bundel van Harmen Wind, Kilroy, die eerder gepubliceerd is in Liter nr. 58 (jaargang 13, 2010). Ik heb hier al eerder recensies van het werk van Wind afgestoft. Links vind je onderaan. 

Mijn indruk is dat de poëzie van Wind een beetje in de vergetelheid raakt en dat is jammer. En zijn roman Het verzet is ook nog altijd het lezen waard. 

Nog even kort over wat je kunt verwachten op mijn weblog: ik probeer drie recensies in de week te plaatsen (vaak om en om over literatuur en over strips), maar ik weet niet of ik het helemaal red, door de examencorrectie. Volgende week is het gelukkig al rustiger. Dat zeg ik tenminste tegen mezelf. 


Een zoen als een vuistslag


‘Kilroy was here.’ In de Tweede Wereldoorlog en daarna dook deze tekst op de meest vreemde plaatsen op, op stoepen, muren en hekken. Er wordt zelfs verteld dat tijdens de conferentie van Potsdam in 1945 iemand hem in de badkamer van Stalin op de muur gekalkt had.

Er zijn veel theorieën over de betekenis van de kreet. Zo zou die verwijzen naar een werkelijk bestaand hebbende James Kilroy, maar bewijs is daar eigenlijk niet voor.

Harmen Wind noemde zijn nieuwe bundel Kilroy en hij opent met ‘Kilroy was here’: 
Kilroy was here
Hoe listig ik hem ook trachtte te ontlopen, 
steeds weer bleek ik hem te volgen: in
al mijn toevluchten ging hij mij voor. 

De vloek van zijn geurvlag, de spot 
van zijn prent, joegen mij keer op keer 
de deur uit. Waar ik ook arriveerde, 

ik vond er zijn tekens, nooit trof ik 
hemzelf. Pas toen ik het opgaf, liet 
de boodschap zich lezen ik zag 

dat ik het was, de man die schrijft 
er overal altijd geweest te zijn, 
welk heenkomen hij ook kiest.


De eerste regel draait al meteen de zaken om: de Amerikaanse soldaten troffen ‘Kilroy was here’ als tekst op een muur aan. Kilroy was hun dus voor geweest. Hij was alweer verdwenen. Maar bij Wind is Kilroy degene die achtervolgt. De ik probeert hem te ontkomen, maar merkt dat hij hem alleen maar achterna loopt.

Wind houdt van dat soort omkeringen. Hij schrijft bijvoorbeeld ook: Op de vlucht voor de vader van onze / gedachten maken wij mee wat wij willen / ontgaan’; ‘Zie in het gaan de gave om te komen’; ‘Snel raakt zijn spoor hem bijster’; ‘Alleen in wat verloren gaat kom je tot / jezelf’ en ‘o licht / dat mij ontgaat - draag mij, laat mij niet los’.

Het woord ‘toevluchten’ in de eerste strofe deed mij meteen denken aan ‘God is een toevlucht t' allen tijde’, waardoor de alomtegenwoordigheid van Kilroy voor mij ook een religieuze component kreeg.

Het woord ‘heenkomen’ in de laatste strofe is een synoniem van ‘toevlucht’, waardoor het gedicht onnadrukkelijk ‘rond’ wordt gemaakt. Bovendien heet de laatste afdeling van de bundel ‘Heenkomens’.

Zo spant Wind zijn lijntjes van het eerste gedicht naar de rest van de bundel.

De koortsigheid waarmee de ‘ik’ op Kilroy jaagt dan wel hem probeert te ontlopen, wordt duidelijk in de beeldspraak in de tweede strofe, die aan de jacht ontleend is. Ook hier preludeert Wind al op een gedicht verderop in de bundel: ‘Ik, jouw verleden, raak / tussen passanten, meute op / het haarwild, achterhaalde prent.’ De ik jaagt op een onbekende, maar juist als hij het zoeken opgeeft, vindt hij. Zichzelf, de dichter. De man die tekens nalaat, maar zelf onvindbaar blijft. We hebben zijn gedichten; daar zullen we het mee moeten doen.

Dit gedicht lijkt van alles uit te leggen, maar door erbij te zeggen dat het maar een gedicht is, dat het maar tekens zijn en niet meer dan dat, zet Wind het ook meteen weer op losse schroeven. Daarmee wordt het gedicht, wat mij betreft, gered.

Wind heeft wel vaker de neiging uitleggerig te zijn. Een gedicht als ‘Correctie’ zakt erdoor in elkaar. Alles wordt verklaard en voor de lezer blijft er niets meer te genieten over.

Op die momenten verdwijnt de zeggingskracht en jammer genoeg heeft Wind verschillende keren in de bundel zo'n moment. ‘Ooit valt mijn adem stil, trekt mijn zijn / zich terug onder de tekens van een / naam’, lezen we dan, zoals we het zo vaak op zoveel plaatsen hebben gelezen, maar dan misschien zonder dat lelijke ‘mijn zijn’.

Of ‘Dat wit van tanden, blinkend in zacht rood’ of ‘zon / op golvend haar’ of ‘Ademloos strekt de / kust zich uit’. Zulke zinnen of zinsgedeelten doen bijna gemakzuchtig aan. Ik aarzel om zo'n zin te tikken, omdat gemakzucht gewoonlijk het laatste is waarvan ik Wind verdenk. Toch lijkt het alsof hij bij sommige gedichten in deze bundel te weinig kritisch is geweest, alsof ze niet lang genoeg ‘kelder’ hebben gehad, zoals Paul van Ostaijen ooit schreef.

Gelukkig laat Harmen Wind in deze bundel ook zien dat hij veel beter kan. Een zin ‘als een vuist raakte haar mond / mijn lippen’ is bijzonder krachtig, doordat hier twee dingen met elkaar vergeleken worden die wij als tegengesteld ervaren. Ook als lezer word je gezoend door zo'n zin, terwijl je daar alleen van kunt genieten door tegelijk de vuistslag te ontvangen.

In datzelfde gedicht laat Wind de lucht naar adem snakken en mos van dijen kruimelen. Zo lees ik Wind graag. Ik vergeef hem er met plezier de hele afdeling ‘Confrontaties’ voor, waarin ik weinig te beleven had.

Op het moment dat je als lezer aan het werk gezet wordt, kun je ook wel wat voor lief nemen. Zoals bijvoorbeeld in het gedicht ‘Wollegras’: 
Wollegras

Wij merkten wel hoe groot 
het water was geworden. Een 
schuimbekkend monster joeg 
met zijn razende stormloop over 
de vlakte ons ontzetting aan. 

Wij zagen het wel komen door 
het zolderraam, wij voelden wel
het radeloze beven van het huis, 
wij vreesden wel het rauwe brullen 
van dat grote water in de tuin - 

Maar ik rook ook je haren, want het was 
maar een smal dakvenster - en boven dat 
enorme water spiegelde, te midden van zacht 
wollegras, ons kleine wiel, net toen wij wel 
beseften dat de draagmuur het begaf.

Op dit gedicht is van alles aan te merken. Er zijn nogal wat zware woorden in de eerste twee strofen en het zijn niet de meest originele: ‘schuimbekkend monster’, ‘razende stormloop’, ‘ontzetting’, ‘radeloze’, ‘rauwe brullen’. De dichter vertelt het ons expliciet, terwijl hij het beter aan ons had kunnen laten zien, zodat dergelijke woorden als vanzelf in ons opgekomen zouden zijn. En dan is er natuurlijk nog de herhaling van dat grote water dat zelfs ‘dat enorme water’ wordt.

Maar daarnaast blijft dit een intrigerend gedicht, waarin de woestheid van het water gepaard kan gaan met de geur van haren en met zacht wollegras. Dat blijkt zelfs het belangrijkste te zijn, ook als de draagmuur het begeeft.

Laten wij het dan ook maar niet zo erg vinden als sommige muren van dit gedicht wankelen. Er waait een geur van haar doorheen en ergens zien we ‘ons kleine wiel’ en we kunnen ons nog lang afvragen wat de dichter daar nou mee wil. Voor dit soort passages wil ik Wind wel blijven lezen, maar ik hoop ze in zijn volgende bundel wel veelvuldiger aan te treffen.

Eerder schreef ik over Harmen Wind:

woensdag 27 mei 2026

Kijk onder de staart hoe laat het is!

In 2000 vroeg het Nederlands dagblad of ik in de oudejaarsbijlage over een maand van dat jaar wilde schrijven. Dat wilde ik wel, als ik maar vooraf wist welke maand. Nee, ik had geen voorkeur. Het werd november. Ik weet, een kwarteeuw later nog levendig allerlei dingen uit die maand, bijvoorbeeld de treinbrand bij Kaprun en de verkiezing van George W. Bush, waarvoor er een hertelling van de stemming in Florida nodig was. 

Ik zocht naar een vorm om verslag te doen van wat er die maand gebeurde en ik besloot de gebeurtenissen af te wisselen met een terugblik op de novembers van mijn jeugd, waarin er nog aan huis geslacht werd. Het stuk dat ik toen geschreven heb, kon ik zo gauw niet meer vinden, maar ik heb de herinneringen opnieuw genoteerd in een dagboek voor mijn kleinkind, op 7 november 2023. 

In 2000 leefde de slachter nog. Hij kreeg het stuk onder ogen en belde me. 'Het is krek zoals het was', zei hij, wat ik een mooi compliment vond. Of ik het in 2023 op dezelfde manier heb terugverteld of dat mijn geheugen intussen het een en ander heeft veranderd, kan ik niet meer nagaan. 

Voor zover ik weet zijn er indertijd bij ons thuis geen foto's gemaakt van het slachten. Daarom heb ik ergens anders een foto vandaan gehaald. Een keurmeester die het vlees van een varken keurt. De foto vond ik hier, een pagina met veel informatie over de slacht. Die informatie heb ik (toen en nu) niet gelezen. De andere foto heb ik ook gestolen van deze pagina.

Net als bij de eerder gepubliceerde dagboekfragmenten, houdt dit gedeelte vrij abrupt op. Meestal begon ik zonder plan te schrijven en na een bladzijde of drie was mijn concentratie wel op. Dan stond ik op om beneden een kop koffie te pakken en liet het verder rusten. De keer erna begon ik dan over een volgend onderwerp. 


Elk jaar wordt er een keuje (varken) geslacht. Dan komt eerst de keurmeester, Ruysch, langs om te kijken of het varken gezond is. Het is altijd goed. Ik heb het idee dat die keurmeester niet veel doet: hij geeft het varken met de vlakke hand een klap op zijn rug, zodat het een eindje gaat lopen en dan is het al in orde. Dan pakt hij zijn houten hamer, met allemaal pinnetjes op het slagvak van de kop. Daar geeft hij het varken een flinke klap mee. De gaatjes kun je ook na het slachten nog zien.

Een paar dagen later komt de slachter, Piet Petoet. Hij heet Van der Linden, maar hij vindt het mooi als we hem Piet Petoet noemen (of kortweg Piet Toet). Heeft hij ooit in de gevangenis gezeten? Hij is wel vaak druk met stropen. Dat is een soort sport voor hem. Hij kan er mooie verhalen over vertellen.

Zo heeft hij uren in een sloot met water gelegen, terwijl de boswachter vlakbij was. En hij heeft een keer een schot hagel in zijn kont gehad, zodat hij midden in de nacht de dokter uit zijn bed moest bellen om de hagelkorreltjes te laten verwijderen. De boswachter belde ook nog aan bij de dokter, maar die heeft zijn ambtsgeheim, dus die zei niets.

Piet komt op zijn brommer. Voorop heeft hij een veilingkist en daarin staan de spullen die hij nodig heeft. Als hij binnenkomt, roept hij al: ‘Hanneke, hedde het woater heet?’ Mijn moeder heeft natuurlijk al lang water gekookt, op de kachel.

Mijn vader komt er ook bij. ‘We goan een keutje dood maken,’ zegt Piet. Mijn vader gaat mee en ik loop achter hen aan. Het varken wordt uit het hok gehaald en het krijgt een touw aan zijn achterpoot. Piet maakt het masker in orde. Een masker is een soort geweer zonder loop. Het ziet eruit als een proppenschieter. Na afloop vind je soms de huls van het kogeltje.

Piet gaat voor het varken staan en zet het masker voor de kop van het beest. Als hij schiet, trekt mijn vader aan het touw, waardoor het varken omvalt. Piet duikt erop en steekt het varken in de keel. Het bloed komt er met grote gulpen uit.

‘Tunnis, kijk onder de start hoe loat het is!’ roept Piet. Ik voel me heel erg ongelukkig, want ik ben nog maar klein en kan nog niet klokkijken. Dat is wel jammer. Het moet toch heel bijzonder zijn dat je juist nu onder de varkensstaart kunt zien hoe laat het is. Piet en mijn vader moeten er erg lachen dat ik geen raad met de situatie weet.

Het dode varken wordt naar binnen gesleept, de deel over. Je kunt het bloedspoor zien. Tussen de kelder en de wc is er een cementen ondergrond. De rest van de deel is van aangestampte klei en die is nogal hobbelig. De cementen vloer is glad.

Daar staat een grote gaspit. Daarop kookt mijn moeder het water voor de was en als ze moet wecken gebruikt ze die gaspit ook.

Piet vult een ketel met kokend water en dat giet hij uit over het varken. Het is een ketel met een
gebogen tuit. Piet moet verschillende keren heen en weer gaan voor de ketel leeg is. Dan pakt hij een soort ijzeren puntmuts, een hoedje. Daarmee schraapt hij de haren van het varken. Boven aan het hoedje zit een haak. Daarmee wipt Piet de hoefjes van het varken eraf. Het duurt lang voordat Piet alle haren verwijderd heeft. Met een brandertje verwijdert hij de laatste. Dat stinkt, maar het is wel de geur die bij het slachten hoort.

Daarna wordt het varken op de andere zij gerold en dan  gebeurt hetzelfde nog een keer. Ik sta er de hele tijd bij. Piet zegt dat ik met mijn voet op het varken moet drukken en dan begint het te plassen. ‘Dat is de blaas,’ legt Piet uit. Mijn moeder vertelt dat de jongens vroeger voetbalden met een varkensblaas, maar dat heb ik nooit gezien. ‘We maakten er ook een foekepot van,’ zegt ze. Dan werd de varkensblaas over een blik gespannen en er ging een stokje door de blaas. Als je dat stokje op en neer bewoog, maakte het geluid. Ik kan me er moeilijk iets bij voorstellen. Mijn moeder weet ook nog het liedje dat ze daar indertijd bij zong: ‘Ik heb al zo lang met mijn foekepot gelopen.’ Gingen ze ermee langs de huizen? Dat gebeurt allemaal niet meer. Of heeft mijn moeder het niet over een foekepot maar een rommelpot?

‘Hou je hand eens op!’ zegt Piet. Dat doe ik. Dan legt hij een varkensoog op mijn hand. Hij heeft het er net uit gewipt. Ik vind het een beetje griezelig, maar ook wel heel interessant. Piet ziet dat ik me een beetje ongemakkelijk voel. Hij pakt het oog weer terug. Ga maar een krant halen, zegt hij. Dat doe ik. Piet legt het oog op de krant en snijdt het open met zijn mes. ‘Dit is de lens,’ zegt hij. Die legt hij op de letters, die nu ineens heel groot zijn. Het is wonderlijk.

Met een mes maakt Piet aan de achterkant van de achterpoten van het varken de pezen vrij. Daarachter steekt hij een knuppeltje, een rond stuk hout. Hij heeft het varken op zijn rug gedraaid en het ligt nu stijfjes met de poten omhoog. Pa komt al aan met de stalleer.

Het varken wordt op de ladder gelegd en het knuppeltje wordt stevig aan de ladder vastgebonden. Ik weet dat het dier niets meer voelt, maar het lijkt me heel onhandig als je zo moet hangen. Samen tillen Piet en pa de ladder op en zetten hem tegen de muur. Piet heeft de ladder op zijn rug, zoals Jezus ooit zijn kruis gedragen moet hebben of Simson de poorten van Gaza.

Dan hangt het varken, ondersteboven. Bovenaan de achterpoten aan het knuppeltje, onderaan de kop. Piet snijdt de buik open en de darmen komen eruit. Je ruikt een soort lauwe, weeïge lucht. De darmen kletteren even later op de grond. Die zitten vol met poep. Ze moeten schoongemaakt worden, want daar komt de worst in.

Bij de kop moet Piet de bijl gebruiken. Na een paar keer hakken is die in tweeën. Het varken hangt nu helemaal opengeklapt. Piet slaat de plakken reuzel naar buiten. Hij hangt de nieren, het hart en de lever aan een haak in het varken. Hangt de tong er ook bij? Dat is misschien wel het lekkerste van het varken.

De hersenen mag Piet niet weggooien van mijn moeder. Zij gaat ze bakken, met peper en zout. Ik heb ze wel eens geproefd. Ze voelen in je mond een beetje papperig aan. Ik vind ze niet heel erg lekker, maar mijn moeder smult ervan.

Piet en pa maken opmerkingen over hoe vet het varken is. Het moet niet mager zijn, maar te vet is ook niet goed. Aan de ene kant van het varken zie je nog de staart, die kleiner lijkt nu alle haren eraf zijn. Er zit een rood puntje aan. Die staart komt later in de erwtensoep. Ik verheug me er nu al op.

Mijn moeder heeft een laken gehaald. Dat wordt om het varken heen geslagen, zodat de vliegen geen eitjes kunnen leggen in het vlees. Maar om deze tijd van het jaar (altijd november) zijn er eigenlijk geen vliegen.

Dan zit de eerste etappe erop. Nu moet het vlees besterven. Piet gaat mee naar binnen om er een borreltje op te drinken. Dan bederft het vlees niet.

De volgende dag komt de keurmeester weer. Hij moet alle delen van het varken keuren. Ook dat is altijd in orde. De keurmeester heeft een stempel en dat zet hij op al die delen. Het geeft paarse afdrukken.

Dan kan het varken afgehakt worden. Van tevoren is afgesproken op welke dag het keuje klein gemaakt zal worden. Mijn moeder heeft gezegd wat ze wil: gehakt, karbonaden, speklappen.

Het worstmachien wordt op de rand van de tafel geschroefd. Piet hakt de karbonaden. Het vlees gaat in teilen. Mijn moeder doet het allemaal in porties in plastic zakken. Dat gebeurde vroeger niet. Toen kon je maar twee dingen doen: pekelen of wecken. In onze kelder zit nog de pekelbak.

Piet draait het gehakt en de worst, met dezelfde worstmolen. Eerst vlees en spek door de gehaktmolen. Je kunt er aan het eind een ijzeren schijf voor draaien met gaatjes. Voor de worst gaat er aan het eind een buis. Daarover gaat de darm en die wordt gevuld met de ‘mèt’. Af en toe knijpt Piet in de darm. Daar begint een nieuwe worst. Straks moet hij ze lossnijden en afbinden. Het is al met al een heel werk.

Mijn moeder heeft een weckketel opgezet. Ze maakt leverworst en hoofdkaas. In de hoofdkaas gaat het vlees van de kop van het varken. Je kunt de hoofdkaas warm eten, maar dat doen we eigenlijk nooit. Alleen om te proeven of er genoeg kruiden in zitten. De hoofdkaas kun je ook in de azijn zetten. Dan heb je zure zult. Ook lekker, maar ik heb liever de gewone hoofdkaas. We zullen die vaak op brood hebben.

De leverworst is eigenlijk geen worst, maar een soort paté. Grijs, zoals de leverworst bij de slager. Er is ook wel roze worst, maar daar zit kleurstof in.

Vlees wecken deed mijn moeder vroeger wel, maar nu er diepvries is, gebeurt dat niet veel meer. Worst gaat naar de rokerij, net als een ham. Soms wordt er ook rookvlees gemaakt. Dat is lekker, maar je kunt het maar moeilijk dun snijden en dan moet je soms wel hard kauwen om die dikke plakken weg te krijgen.

Wat naar de diepvries moet, komt in teilen te staan. Dan worden er voor de familie ‘hutspotjes’ gemaakt. De familie mag immers ook proeven van het geslachte varken: elk gezin krijgt een worst en wat vlees. Ik breng de hutspot voor tante Annie weg, die in de Dijkstraat woont. De opa’s en oma’s krijgen ook een hutspot.

Het ‘afhakken’ is een heel gedoe en mijn moeder heeft nog best wel veel werk met de hoofdkaas, de leverworst en het koken van de nieren, de lever, het hart, de tong. Maar het is wel de moeite waard. Gewoon brood eten wordt een feestmaal omdat je dan lever, hart of nier op je brood kunt doen.