donderdag 10 september 2026

Penicillinezalf, Haarlemmerolie, levertraan en Sloan's liniment

 

Mijn ouders gebruikten medicijnen die ik tegenwoordig nooit meer tegenkom. Zo herinner ik me de penicillinezalf, een gelig goedje uit een tube. Als ik een gat in mijn knie gevallen had, deed mijn moeder het op een gaasje en dat ging op de wond. 

Pas nu vraag ik me af of je in die tijd antibiotica zonder doktersrecept kon krijgen. Indertijd vond ik het niet vreemd dat de tube gewoon in de la van het keukenkastje lag. Ik heb kort gezocht op Delpher en in oude kranten komt het geregeld voor, bijvoorbeeld hier. Het middel werd wel verkocht op plaatsen waarin veemarkten gehouden werden, dus mogelijk heeft mijn vader het ooit van 'de mart' meegebracht. 

Indertijd werd al gewaarschuwd tegen het onoordeelkundig gebruik van het middel. Voor zover ik weet, heeft mijn vader het nooit voor het vee gebruikt. 

Haarlemmerolie

Verder hadden we natuurlijk de Haarlemmerolie, een wijdverbreid middel. Ik gok dat al mijn ooms en tantes het in huis hadden. Het zou tegen zo'n beetje alles helpen. Volgens mij gebruikten wij het voornamelijk bij kiespijn en oorpijn. Een watje werd doordrenkt met de sterk ruikende olie en aangebracht in het oor of in de holle kies. Natuurlijk ging de pijn na een tijdje over en dan zou dat door de bruine vloeistof komen. Waarschijnlijk was het de placebowerking. 

Dat er ook capsules waren met Haalemmerolie was iets van later datum, dacht ik, maar ik vond een advertentie uit 1940 waarin de capsules al werden aangeprezen. 

Suriname, Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad 2 januari 1940

Levertraan

Als de 'r' in de maand was (van september tot en met april dus) slikten we een lepel levertraan. Aanvankelijk was dat traan, olie, met een smaakje: sinaasappelsmaak. Later was het de pure, gele olie. De eetlepels die wij thuis hadden, hadden een behoorlijke afmeting, dus het was een beste slok. In mijn herinnering hadden mijn zusje en mijn broertje er nogal moeite mee. Ik vond het ook helemaal niet lekker, maar ik nam maar snel de slok om ervan af te zijn. Mijn moeder erkende ook wel dat het goedje niet lekker smaakte en daarom kregen we meteen na de lepel olie een schep suiker. En daarna snel naar bed. 

Net als de Haarlemmerolie was de levertraan in mijn jeugd al beschikbaar in capsules. Maar die hadden wij niet. Ik vermoed dat je met wat er in de eetlepel ging verscheidene capsules had kunnen vullen. 

Leeuwarder Courant, 4 januari 1958

Sloan's liniment

Verder was er Sloan, een al heel oud middel. Het zat in een flesje dat in een doosje zat en daarop stond het hoofd afgebeeld van een man met een snor. Later zou ik vinden dat die man op mijn ome Ab leek. Mijn moeder gebruikte het als ze last had van haar rug. Als je het spul erop smeerde (het was verkrijgbaar als zalf en als vloeistof), ging de huid gloeien en dat had blijkbaar een verlichtende werking. 

De oudste advertentie voor dit middel kwam ik tegen in de Sheboygan Nieuwsbode, de oudste Nederlandstalige krant in Amerika, die bestond van 1849 tot 1861. De advertentie stamt uit 1851.


Hierboven staat maar een stukje van de advertentie. Het middel blijkt ook bedoeld voor hoornvee en paarden en werd gebruikt bij aandoeningen aan de 'galblaas, verrekking der pezen, kneuzingen, gekwetste pooten, ringbeen, gezwollen enkels, nekgezwel, wratten, spatten, fistel, zadelknobbel, verwrikking, kreupelheid, stijve pooten, stramheid, schurft en paardenziekte.' Letterlijk een paardenmiddel dus. 

Sloan had ook Conditie Poeder, dat ook al een wonderbaarlijke werking had. Het verdrijft 'elke ontsteking en koorts, zuivert het bloed, maakt het vel los, reinigt het water en versterkt elk deel des ligchaams.' Verder heeft het zich een uitmuntend middel voor de volgende ziekten getoond: 'stijfheid, ziekte, vastheid der huid, gebrek aan eetlust, inwendige verrekking, geel water, ontsteking der oogen, vermoeijenis van harden arbeid; ook rhumatiek (gewoonlijk stijfheid genoemd) hetwelk in dit land voor zo menig paard doodelijk is. Het is ook een veilig en zeker middel voor hoest en verkoudheid, welke zoo vele noodlottige ziekten na zich slepen.'

Dat het ook helpt bij 'ziekte' is altijd handig. Dan kun je het overal voor gebruiken. Het tekstje is ondertekend door W.B. Sloan, die nog vertelt dat het middel volkomen veilig is: 'Deze remedies schaden nimmer en genezen altijd, indien de voorschriften worden opgevolgd.' Het hoofddepot bevond zich indertijd in Chicago. 

Blijkbaar hebben de middelen van Sloan in de loop der jaren de oversteek over de oceaan gemaakt en waren ze zelfs in Herveld te koop. Zou mijn moeder het flesje bij Engeltje Dekker gekocht hebben? Toen ik klein was, werd er flink reclame voor gemaakt. En vaak hoefde er geen uitleg bij. Ik kwam een advertentie uit 1960 tegen waarin alleen verteld werd dat het overal verkrijgbaar was.

Het Nieuws, Algemeen Dagblad, 17 mei 1960

Hoe dan ook, wij hadden een flesje Sloan's liniment in huis. We spraken de naam trouwens uit als 'Slowan'. Toen wij klein waren, moesten mijn zusje en ik onszelf soms bezighouden, omdat mijn ouders 'achter' aan het werk waren. Mijn vader molk de koeien en mijn moeder zal ze intussen wel gevoerd hebben en de deel geveegd hebben met een rijshouten bezem. 

Toen mijn moeder eens binnen ging kijken of haar kinderen wel braaf waren en deur naar de gang opende, kwam de kat in paniek de deel op rennen. Hij ging via de stalladder de hooizolder op, likte zich driftig, maar werd daar niet rustiger door. 

Mijn moeder haastte zich naar binnen, waar ze mijn zusje aantrof die op haar buik op de divan lag, met haar trui omhoog. De huid van haar rug, was helemaal rood. Mijn moeder zag het flesje Sloan's liniment en begreep meteen het verband. Ze nam mijn zusje op en hield haar rug onder de pomp om de Sloan van haar af te spoelen. 'Lientje had een zere rug', zei ik. 

Ma snapte ook wel dat niet alles uit het flesje op de rug van mijn zusje terecht was gekomen. Ze vroeg me wat er met de rest van de inhoud gebeurd was. 'Dat heb ik op de poes gedaan', vertelde ik. Er is nog naar het beestje gezocht, maar het is nooit meer gevonden. Mogelijk heb ik door mijn gesmeer de dood van het dier op mijn geweten. Mijn zusje hield er geen nadelige gevolgen aan over. 

Nieuwe Vlaardingsche Courant, 14 november 1962

De foto boven deze bijdrage is uit 1962. In dat jaar werd ik drie en werd mijn zus een jaar oud. Ook de betreffende poes is te zien, die niet veel ouder geworden zal zijn dan op de foto. Hieronder nog een foto van mijn vader en moeder op de deel. In de vaten zat meel (of misschien ook wel biks) dat mijn vader er met de 'meelkop' uit schepte. Links achter aan de muur de 'kippenklok', die ervoor zorgde dat op een bepaalde momenten het licht in het kippenhok aan- of uitging. 

Op deze foto zie je een trap tegen de hooizolder staan. In mijn herinnering was het een ladder, de 'stalleer'. 

woensdag 9 september 2026

Net echt (Saskia de Coster)

Toen ik het na ging kijken, verbaasde het me: hier heb ik nog nooit geschreven over een boek van Saskia de Coster. Ik las Held (2007), maar dat was voordat ik begon hier mijn besprekingen te plaatsen. Mogelijk heb ik het indertijd besproken in Nederlands Dagblad, maar wat ik daar geschreven heb, heb ik niet meer tot mijn beschikking. Verder was ik vast van plan Wij en ik (2013) te lezen, maar ik realiseer me nu pas dat ik dat nooit gedaan. En in 2019 nam ik Nachtouders op in het lijstje met de beste boeken van dat jaar die ik niet las, maar het jaar erop las ik het niet. De helft van dat lijstje las ik wel. Vreemd. 

Nu heb ik Net echt (2023) gelezen, omdat ik het enkele keren tegenkwam op boekenlijsten van kandidaten voor het Staatsexamen. Gelukkig maar. Intussen ben ik wel wat in twijfel geraakt over de spelling van de naam van de auteur. Die schreef ik altijd als Saskia De Coster, met een hoofdletter 'D' dus, maar op de titelpagina van deze roman is 'de' een minuskel. Dat hou ik dan maar aan. 

Max, Manon en Noah

In Net echt ligt het perspectief wisselend bij Max, Manon en hun dochter Noah. Max en Manon hebben een huis gekocht in de Blauwstraat in Antwerpen. Het is een negentiende-eeuws herenhuis en er moet nog wel het een en ander aan verbouwd worden. Max is architect en het lijkt een klus die je wel aan hem kunt overlaten, maar het schiet niet op. 

Max verkondigt na een tijdje ook dat het misschien niet hoeft, dat je het huis kunt zien als een voorbeeld van onaffe architectuur. Maar de voordeur blijft wel knellen. Max zegt zijn baan op en is daarna veel binnenshuis. Hij gaat een relatie aan met de buurvrouw, Lia. 

Manon werkt bij het bedrijf iCar, waar ze op een gegeven moment 'head legal' kan worden voor de USA, waarvoor ze uiteindelijk een tijd naar de Verenigde Staten moet. Dochter Noah trekt veel op met Pixie, een meisje dat ooit een arm verloren heeft. Ze is verliefd op haar. 

Dat is zo'n beetje de setting. Het huis herbergt een gezin waarvan de leden het moeilijk hebben. De staat van het huis is gebrekkig, zoals de samenhang van het gezin. Max en Manon drijven verder uit elkaar en dat lijkt maar gewoon te gebeuren. 

Als het boek begint, is het helemaal fout gelopen: Max is het huis ontvlucht en verblijft in Kopenhagen, Noah zit aan het andere eind van de wereld. 

Ander soort tekst

De manier van vertellen is aan dat begin (en ook tegen het eind) opmerkelijk: nagenoeg elke zin begint op een nieuwe regel en ook in de loop van de zinnen is er soms ineens een harde return gebruikt, waardoor die stukken niet lezen als deel van een roman, maar eerder als een soort toneeltekst of iets wat tussen poëzie en proza in zit. 

Zes maanden geleden is hij gevlucht, als een misdadiger.
    Ooit was hij een goed mens
    maar wie gelooft dat nog?
    Zijn hele leven ondersteboven,
    opeens was de bodem eruit geslagen. 
    Alle betekenis weg,
    zo veel verloren, 
    zoals dit bad dat leegloopt,
    het ijskoude water verdwijnt in de tuin. 
Het lezen ervan houdt je heel erg bij dit moment, het moment waarop het 'gezegd' wordt. Anders dan de 'echte' prozagedeelten, waaruit een groot deel van het boek bestaat. Daarin zit meer een lijn, volg je meer de voortgang in de tijd. 

Wit op zwart

Na enkele hoofdstukken is er steeds een hoofdstuk in witte letters op zwart papier. Iemand spreekt daarin een 'jij' toe, die schrijfster is. Ik heb het gelezen als een innerlijke dialoog, als de dingen die de vertelster tegen zichzelf zegt. 

Vroeger maakte ze hutten in het bos, nu schrijft ze. De teksten die ze schrijft zijn de hutten die ze voor zichzelf bouwt. Het verhaal van Max, Manon en Noah wordt daardoor de hut die de schrijfster, de 'jij', gebouwd heeft en misschien is het ook wel het onderkomen dat ze nodig heeft. 

De 'jij', die ik voor het gemak maar even de vertelster noem, blijkt ook in de Blauwstraat gewoond te hebben. 

En ondertussen woonden daar rond de Blauwstraat zo veel mensen op elkaar, stapelden de verhalen zich op, en werd hun verhaal ook van jou. 

Je komt het een en ander te weten over haar verleden, met een onvoorspelbare vader, en over de moeite om haar leven op orde te houden of te krijgen. Er wordt verteld dat ze twee dingen wil: schrijven en een geliefde die haar begrijpt. Maar hoe krijg je dat voor elkaar. 

Ze houdt zichzelf een spiegel voor: 

Hier ben je dan, met je eigen verhaal verpakt als dat van andere mensen. 

Toeschouwertjes

Het verhaal van Max, Manon en Noah is een manier om naar zichzelf te kijken. Binnen dat verhaal heeft Max ook al zo'n soort mechanisme: de toeschouwertjes. Die geven commentaar op wat hij doet. Zoals iemand de 'jij' toespreekt, spreken de toeschouwertjes Max toe. 

Die toeschouwertjes zijn er al een tijd:

(...) die waren weer klaarwakker nadat ze jaren in hem hadden geslapen als speelgoedsoldaatjes in een doos in de kelder.

Max is architect, die zich uiteindelijk ex-architect noemt. Hij heeft niet meer het overzicht over het bouwwerk van zijn leven, zoals hij niet meer de controle had over het huis en zoals zijn gezin hem tussen  de vingers door is geglipt. Maar misschien wordt hij juist daardoor teruggeworpen op zichzelf en moet hij zich wel afvragen wie hij is en wat hij moet. 

En dat is dus weer het verhaal dat de 'jij' gebruikt om naar zichzelf te kijken, om zich af te vragen hoe het zit met de bewoonbaarheid van de hutten die ze gebouwd heeft, haar teksten. En in hoeverre is ze zelf daarin te vinden?

Net echt eindigt met:

Het huis staat daar maar. Tot er een sleutel wordt omgedraaid. Het geluid van een slot dat lang niet bewogen heeft en nu krakend uit zijn scharnieren komt, de mond van de deur die sleutel weer hapt, de deur die stroef opendraait. 

De roman is een huis dat je als lezer binnentreedt als je begint te lezen. Achter op het boek staat: 'Begin nu. Leg je scherven bij elkaar. Ga het huis binnen.' Ook de roman zou je kunnen zien als onaffe architectuur, een huis dat zich niet helemaal prijsgeeft en dat in ieder geval een bewoner, een lezer, nodig heeft. En die heeft misschien ook weer zijn eigen toeschouwertjes, zoals de reien in een klassieke tragedie. 

Veiligheid en harmonie

Als kind stelde de 'jij' zich een huis voor dat een symbool was van veiligheid en harmonie. 

En door je zo hard het huis voor te stellen, zou het tot leven komen, je had nog dat kinderlijke geloof. Het huis had een toverkracht, het zou alle zenuwen en angst doen verdwijnen, het was een antigif. Over de drempel stappen zou je genezen van angst. Zo'n huis zou je later bewonen, een huis dat niet voortdurend onder stroom stond. 

Wat voor de 'jij' geldt, zal voor iedereen wel gelden. We fantaseren ons een huis, we maken een verhaal van ons leven in de hoop dat het een huis is, waarin het niet al te zeer waait, wel wetend dat het huis ook een eigen wil heeft. 

Het huis vertoonde zo veel gaten en kieren dat het een eigen leven had. Het verzette zich tegen een verbouwing, de voordeur klemde de kaken steeds meer opeen. 

Maar woorden kunnen veel. Voor en achter in het boek staan motto's die ontleend zijn aan Ocean Vuong. In een ervan staat woorden niets kunnen vernietigen dat niet door woorden herbouwd kan worden. 

In ieder geval heeft Saskia de Coster met Net echt een huis gebouwd waarin we nog lang kunnen ronddwalen. Het geeft niet zomaar alle uithoeken prijs. 

Nu heb ik zin om meteen meer van Saskia de Coster te gaan lezen, maar ik weet dat ik niet al mijn leesvoornemens ten uitvoer breng. Herinner me er maar aan als het te lang duurt voor ik weer over haar schrijf. 

dinsdag 8 september 2026

Guiseppe Bergman 1: Venetiaanse avonturen (Manara)


Wie de strip Guiseppe Bergman, Venetiaanse avonturen openslaat, komt eerst bij een voorwoord, geschreven door de stripmaker, Milo Manara. Het is een wat lastig te lezen tekst: gezet in een vrij klein lettertype en verschillende alinea's zijn niet langer dan een enkele zin. 

Manara vertelt dat er in de jaren zeventig met een zeker dedain gesproken werd over de avonturenstrip, maar dat er gelukkig een stripmaker was die zich daar niets van aantrok: Hugo Pratt. Manara verwonderde zich over de houding tegenover avonturenstrips: er zijn altijd fantastische vertellers geweest. Hij noemt Melville, Conrad, Stevenson London en Kipling. 

Zo begon ik het verhaal van Giuseppe Berman te vertellen, waarbij ik probeerde te analyseren, maar niet helemaal op wetenschappelijke of zelfs maar serieuze wijze, waarom het Avontuur geen populair onderwerp was en of het tegenwoordig nog mogelijk was om dat vervloekte Avontuur echt te beleven. 

Hij vertelt in de inleiding nog meer over zijn zoektocht. Zo reisde hij bijna een jaar lang in een camper 'richting Pakistan, Nepal en India'. Hij vertelt dan weer niet of hij daar ook geweest is of alleen een eindje in die richting. 

Op zoek naar het avontuur

In die strip zegt Guiseppe Bergman op de eerste pagina dat het avontuur eindelijk gaat beginnen. Hij is vrij man en kan beslissen wat hij gaat doen. Hij gaat zich niet meer aan 'absurde, onmenselijke, kunstmatige regels' houden. Hij heeft gereageerd op een wonderlijke advertentie en een producent zegt dat hij geheel vrij is om het theater van zijn  avontuur te kiezen. Geld speelt daarbij geen rol. Maar degenen die het volgen, moeten hun dagelijkse problemen er geheel door vergeten. Een meester van het avontuur, HP, zal hem helpen bij zijn taak. 

Die twee letters zullen niet voor niets de initialen zijn van Hugo Pratt. Guiseppe gaat op pad. Hij is aan niets meer gebonden, zijn vriendin heeft hem net het huis uit gezet. 

Guiseppe trekt eropuit met zijn busje, ontmoet daadwerkelijk HP en komt in allerlei avonturen terecht. Hij speelt daarin geen heldenrol, maar struikelt zich een weg door de avonturen. Eigenlijk valt het Avontuur hem nogal tegen, maar hij zit in het schuitje en moet daarom meevaren. Je zou kunnen zeggen dat hij leert dat het avontuur overal te vinden, als je het maar wilt zien. 

Luchtig

Venetiaanse avonturen is een luchtig vertelde strip, waarin inderdaad veel gebeurt, zoals je van een avonturenstrip mag verwachten. Verder zijn de tekeningen geweldig. In de inleiding vertelt Manara al dat Giraud/Moebius een tijd lang zijn voorbeeld is geweest en dat is ook wel te zien. Je kunt je slechtere voorbeelden kiezen. Het uitgangspunt van de tekeningen is realisme, al zijn er ook afbeeldingen die meer karikaturaal ogen. 

Dat realisme werkt goed, omdat het de balans bewaakt tegenover het verhaal dat absurde kanten heeft, met wendingen die surrealistisch aandoen. 

Metalaag

Manara kan er wat van, dat kun je aan deze strip wel merken. Het verhaal leest lekker, het is grappig en je blijft lezen tot je door de honderd pagina's heen bent. Maar toch. De strip zou een pleidooi voor de avonturenstrip moeten zijn, maar waarom dan niet de lezer een avontuur voorgeschoteld? We krijgen een avontuur, zeker, maar altijd hangt het metaverhaal erboven van iemand die op zoek is naar het avontuur. Die metalaag houdt mij als lezer toch een beetje op afstand. Graag was ik voluit meegegaan in het avontuur, maar ik zit niet alleen in het verhaal, maar ben tegelijkertijd eigenlijk een essay over het Avontuur in de strip aan het lezen. 

Of het waar is dat er neergekeken wordt op de avonturenstrip, weet ik niet, maar je zou kunnen zeggen dat Manara met deze strip dat vooroordeel juist bevestigt: blijkbaar is het niet voldoende om de lezer mee te nemen in een avontuur, er moet ook nog over getheoretiseerd worden. Misschien is 'gewichtigdoenerij' een te zwaar woord, maar het komt wel bij me op, zoals ik ook de inleiding wel wat aanstellerig vind. Met alleen het avontuur van Giuseppe Bergman was ik al tevreden geweest. De metalaag had ik kunnen missen. 

Reeks: Guiseppe Bergman
Deel 1: Venetiaanse avonturen
Tekst en tekeningen: Manara
Uitgeverij: Lauwert
2026, 104 blz. € 26,95

maandag 7 september 2026

Ik moest vanmorgen denken 2, Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen (Jacques Klöters)

Geregeld schrijft Jacques Klöters stukken op Facebook, die allemaal beginnen met 'Ik moest vanmorgen denken'. Af en toe lees ik zo'n bijdrage en dan lees ik die ook altijd uit, al is het behoorlijk wat tekst. Ik vind dat ik dat vaker moet doen, maar daar komt het dan toch niet altijd van. Blijkbaar ga ik op een andere manier om met het medium dan deze bijdragen van mij vragen. 

Maar gelukkig is er ook een boek van en dat heb ik besteld. Voorop staat als titel Ik moest vanmorgen denken, maar op de titelpagina staat ook nog Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen. Deel 2. Dat suggereert dat er ook een deel 1 is, maar dat ken ik dan weer niet. Het boek telt acht hoofdstukken, die alle beginnen met de zinsnede 'Ik moest vanmorgen denken', maar ik vermoed dat er verschillende stukken van Facebook samengevoegd en omgevormd zijn tot een enkel hoofdstuk.

De vreugde uitdragen

Voor in het boek nam Klöters een motto van Montaigne op:

Maar wij moeten in ons leven juist de vreugde
uitdragen en de droefenis zoveel mogelijk verkroppen.

Dat is wel de sfeer die uit het boek spreekt: het heeft een zekere monterheid en dat is een van de dingen die het lezen aangenaam maakt. 

Een groot deel van wat Klöters schrijft behelst herinneringen, aan een tijd die voorbij is, aan mensen die hij gekend heeft en dat zijn ook vaak mensen die wij kennen, maar niet van zo dichtbij. We kennen ze van de televisie, de radio, het theater, van hun plaatjes, van hun teksten. 

Achterwaarts begrijpen

Klöters vraagt zich wel af wat hij in de stukjes doet. Hij blikt om, maar niet met nostalgie, niet met chagrijn of verdriet om wat voorbij is. 

Maar begrijp me niet verkeerd. Ik ben niet van 'hadden we die tijd maar terug en wat is er veel verloren gegaan'. Mij gaat het om het verlangen zelf naar toen, de geamuseerdheid om toen, de vreugde die de herinnering aan toen oproept, de kennis van nu die ik leg naast mijn herinneringen aan toen. Immers: het leven dient voorwaarts geleefd te worden en achterwaarts begrepen. 

Dat laatste verwijst naar een bekend citaat van Sören Kierkegaard. Een ander die hij aanhaalt is Walter Benjamin:

De filosoof Walter Benjamin (1892 - 1940) onderzocht zijn Berlijnse jeugd om zich in te enten met zijn herinneringen, zodat hij beter bestand zou zijn tegen de kwalen die hem wachtten. Daar lijkt het bij mij meer op. Ik kijk vooral naar het verleden om het heden te kunnen begrijpen en ook een beetje om weg te schuilen voor de toekomst. 

En even verderop schrijft hij:

Wat ik vooral wil is in taal de wereld oproepen waarvan ik deel heb uitgemaakt. Een enkele keer probeer ik zelfs terug in de tijd te reizen en de wereld binnen te stappen van mijn voorouders, omdat ik wil weten waar ik vandaan kom. 

Rondlopen in het verleden

Soms lijkt hij werkelijk rond te lopen in dat verleden. Dat doet me denken aan het boek Waar was je nou? (2005), van K. Schippers waarin iemand via een foto in zijn verleden stapt. Klöters doet iets soortgelijks: hij gaat terug naar de jaren veertig en ziet daar zijn vader rondlopen. Hij observeert hem: 

Wat steekt mijn vader af bij al deze mensen in zijn driedelige kamgaren kostuum en met zijn mooie nieuwe derby op zijn hoofd. Hij hoort er al niet meer bij, hij neemt alleen waar. Hoe oud zou hij zijn? Een jaar of twintig, een ouwelijke jongeman die zich omhoogwerkt uit zijn haveloze jeugd. Een man die op weg is naar het mooie licht en de zuivere lucht van het chique Amsterdam Zuid. Zijn kleren zijn er al. 

Maar hij doet het ook met zijn jongere ik, wat me doet denken aan Tomas Lieske die in Alles kantelt (2010) zichzelf ontmoet toen hij nog een kind was. 

Mijn vroegere ik - lang haar en een baard - is in gesprek met journalist Jan Bart Klaster van Het Parool. Ik ben druk aan het woord. Cabaret moet een voorbeeldfunctie hebben, hoor ik mezelf zeggen. 

Klöters wil zijn jongere ik toespreken en vertellen dat cabaret helemaal niets moet, maar hij wordt natuurlijk niet opgemerkt. 

Op de bal

Vaker neemt Klöters afstand van het gedrag van een ik in het verleden. Hij vertelt hoe hard hij bijvoorbeeld Arthur Japin beoordeeld heeft. Het gaat niet om het oordeel, maar op de manier waarop hij dat verwoordde. En hij was het ook nog vergeten. 

Kritiek moet. Desnoods harde kritiek, om gehoord te worden. Maar die moet op het werk zelf gericht zin en mag nooit de mens degraderen. En ja, ik heb dat vroeger vaak gedaan, in mijn cabarettijd en dus kennelijk ook als leraar. Het is iets waarvoor ik me nu geneer en wat me nu stoort op internet, op de tv en in het cabaret. Op de man spelen en niet op de bal. 

Klöters spaart zichzelf niet, maar tegelijkertijd blijft hij loyaal aan zichzelf. Ook bij kritiek op zichzelf speelt hij op de bal. En dat doet hij ook bij anderen. 

Veel van zijn observaties zijn uit de eerste hand, wat ze bijzonder aantrekkelijk maakt. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe Jaap van de Merwe optrad voor een publiek dat slechts uit een tiental mensen bestond. Van de Merwe was bitter, juist tegen de mensen die er wel waren. Tot iemand zei: 'Meneer Van de Merwe, zou u hiermee óp willen houden? Ik heb zo'n goede herinnering aan uw werk, en dat maakt u allemaal kapot vanavond.' Het moet een pijnlijk moment geweest zijn. Maar hij introduceert Van de Merwe wel als 'de grote tekstschrijver', waarmee hij hem recht doet. 

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Freek de Jonge, een van de allergrootsten in het cabaret, maar die ook buiten het theater veel aandacht gevraagd heeft, wat hem niet altijd goed gedaan heeft. Ook daarin is Klöters niet vergoelijkend terwijl hij de loyaliteit blijft behouden. Ook hierin wil hij achterwaarts begrijpen en vraagt hij zich af hoe het toch zit. 

Maar hij heeft met zijn succes natuurlijk ook zijn ziel aan de duivel verkocht. Wie is die duivel? Het publiek? Het geld? De roem en aandacht? Ik denk dat het de duivel in hemzelf is, de man die alsmaar aan het werk wil, alsmaar wil scoren, nooit tevreden is, steeds beter moet, bang is voor de achtervolgers. 

Don Quishocking

Natuurlijk komt de geschiedenis van Don Quishocking terug, van het eerste contact met George en Anke Groot tot het programma We zijn volstrekt in de war. Toen ik de LP Trappen op (1978) kocht, had de groep zich al ruimschoots bewezen en kende iedereen de beroemdste liedjes en conferences. Maar ook die groep moest ooit ergens beginnen en het maar zien te maken. Het is een mooi stuk geschiedenissen geworden, verteld in scènes. 

Af en toe kwam er toch wel een weemoedig gevoel over me: al die mensen, waarvan er sommigen al gestorven zijn, in een fase van hun leven dat ze zich nog moesten bewijzen, dat ze nog moesten uitgroeien tot wie ze later zouden worden. Schrijvers als Jan Boerstoel, Willem Wilmink en Hans Dorrestijn, bijvoorbeeld. Maar ook Gerrit Komrij, Tom van Deel, Carel Peeters, Adriaan van Dis. En dan zijn er natuurlijk herinneringen aan artiesten als Heinz Polzer (drs. P.), Adèle Bloemendaal, Toon Hermans, Jules de Corte. 

Er komt een generatie voorbij als een gebergte met heel veel toppen. Het is ook een generatie die voorbij lijkt, wat droevig genoeg is. 

Soms voelt het of ik met een grote schuiver van de tafel word geborsteld. Er zijn al heel wat kruimels omlaag getuimeld, we raken met steeds minder, nog even en dan zijn we outsiders over de rand gekieperd en gaat iedereen rustig door tot het hun tijd is. 

Maar zolang iemand nog een stem heeft, zolang hij nog zijn bijdragen op Facebook kan schrijven en er een boek van kan maken, is het zeker nog zijn tijd. Klöters schrijft niet alleen toegankelijk, maar hij schrijft ook goed: scherpe observaties, nauwkeurig verwoord. En de milde blik waarmee hij de wereld en zichzelf beziet en is aangenaam in de mediawereld, die vooral lijkt in te spelen op polarisatie. Aan de ene kant formuleert Klöters scherp en trefzeker, maar in zijn gedachten is hij een zoeker, die altijd de nuance bij de hand heeft. 

Achter in het boek is een handig register van namen opgenomen, zodat je op kunt zoeken waar er geschreven is over bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt, Friedrich Nietzsche of Youp van 't Hek. 

donderdag 27 augustus 2026

'Al sloa de me dood, ik gif oe gin gelijk'

Een stel korte stukjes uit verschillende dagboeken. Ik heb er steeds boven gezet op welke dag ik ze opgeschreven heb. Het zijn dingen die mijn moeder vertelde als ik bij haar op bezoek ging. 

In verschillende ervan figureert mijn ome Ab, daarom plaats ik er een foto bij waar hij prominent op staat, vooraan in het midden. De foto is genomen bij de voordeur van het huis van mijn grootouders, de ouders van mijn moeder, op de trouwdag van mijn ouders. Behalve mijn ouders staan mijn grootouders en mijn ooms en tantes van moederskant erop. Tante Cor ontbreekt. Dat heb ik hier uitgelegd. 

De vrouw naast mijn oma, ken ik niet. Het zal de toenmalige vriendin zijn geweest van mijn ome Henk, die in die tijd blijkbaar in militaire dienst zat. Verder staat links tante Gijb en op de voorstr rij, aan weerszijden van ome Ab, zitten tante Riet en ome Dik. 

12 september 2020


Wel haalde mijn moeder andere herinneringen uit haar eigen jeugd op. Dat haar moeder, mijn oma dus, in 1954 nog een miskraam kreeg.

Mijn moeder was toen als meisje voor dag en nacht in dienst van de familie Methorst. Ze ging dan ‘s ochtends om halfvijf naar haar eigen ouders om de was te doen. Ze moest weer op tijd terug zijn bij Methorst. Vrouw Methorst zat toen in een inrichting en mijn moeder moest ervoor zorgen dat de kinderen op tijd op school kwamen.

Ze kon bij haar ouders wel de was koken, maar spoelen moest tante Gijb doen, die toen pas negen jaar was. Er waren toen ook oudere broers (Henk, Ab), maar blijkbaar kwam het in niemands hoofd op dat die ook wat in het huishouden zouden kunnen doen.

Ome Ab had als kind hersenvliesontsteking gehad en was daardoor verwend. Later werd hij erg ondeugend en als hij iets verkeerds had gedaan, riep hij: ‘Ge meug me lekker toch niet sloan!’

Toen hij wat ouder werd, gebeurde dat overigens wel en opa was niet zachtzinnig: die sloeg met zijn riem. Ome Ab zei: ‘Al sloa de me dood, ik geef oe gin gelijk.’ Maar de buurman kwam die keer tussenbeide.

Ome Ab werd beschuldigd van het stelen van een portemonnee en van een psalmboek. Dat laatste kwam later boven water en hij bleek dat niet gedaan te hebben. Maar de portemonnee werd gevonden bij Hentje van den Berg, net over het spoor bij Zetten. Daar zit nu een Chinees restaurant. Ome Ab zal het geld wel gebruikt hebben voor drank.

Hij had een keer de solex van zijn moeder meegenomen naar het café (Café De Zon, bij Pietje Beschuit). Hij kwam lopend terug, omdat hij de solex verkocht had. Ook bij mijn ouders heeft hij ooit honderd gulden gestolen. Mijn moeder vermoedt dat mijn vader een kalf had verkocht of zo. De portemonnee lag in de la, waar hij later ook altijd zou liggen. Mijn vader had nooit een portemonnee bij zich.

Mijn moeder zei dat ze toen nog nooit een biljet van honderd gulden had gezien, wat wel kan kloppen, want in het begin van hun huwelijk hadden mijn ouders niet veel geld. Mijn vader vertelde aanvankelijk niet aan mijn moeder dat het geld gestolen was. Wel aan zijn schoonouders. Oma kwam toen helpen in huis bij mijn moeder, om het op die manier terug te betalen. Het lijkt erop dat ook toen de hand boven het hoofd van mijn oom werd gehouden. Toch noemde mijn moeder hem ‘een best jong.’

Ook vertelde ze dat ze als vijftienjarige hielp op de boerderij bij Trien (Catrinus). Ze moest eigenlijk in huis werken, bij Arta, maar die zei dat ze maar op het bedrijf moest gaan helpen. Ik heb alles gedaan, zei mijn moeder: ploegen, eggen. Allemaal met het paard. Er waren twee paarden: de bruine, waar ze bang voor was, en de schimmel. Die had Trien gekregen na de oorlog als compensatie voor de oorlogsschade. De Duitsers hadden alle paarden gevorderd.

De schimmel was een oud circuspaard en als hij voor de wagen liep, speelde mijn moeder op haar mondharmonica, zodat het paard heel showerig ging lopen: kop omhoog en de voorpoten heel hoog optillen. Dat heeft ze wel vaker verteld.

13 september 2020


Ik heb nog een aanvulling op gisteren, ook door mijn moeder verteld. Er was ook nog een ‘jonge’ Trien, die 47 jaar oud was. Die kwam aan mijn grootmoeder vragen of mijn moeder niet op de boerderij kon blijven. Eigenlijk was het de bedoeling dat hij dan later met mijn moeder ging trouwen. Mijn oma zei: 'Denk je dat ik mijn kind verkoop?' Mijn moeder mocht niet meer naar de boerderij.

Die jonge Trien kwam ook een keer huilend bij het huis van mijn grootouders aan. Tijdens het melken in de wei was hij gewond geraakt. Hij goot de melk uit in het zeef, over de draad, toen er een tochtige koe op zijn rug sprong. Hij kwam met zijn borst op de heiningpaal terecht. Daarna hebben mijn moeder en haar jongere broer Henk een tijdje gemolken op die boerderij. Ze hadden een hoop lol gehad, begreep ik.

13 februari 2023


Ik zal je nog een verhaal vertellen dat ik een tijdje terug van mijn moeder hoorde. Vroeger moest zij altijd langs het gezin Collau als ze bijvoorbeeld naar de winkel ging en dat was geen pretje. Op een dag liep ze met tante Cor (haar oudere zus) en ome Ab (haar kleine broertje) daar weer voorbij en toen kreeg tante Cor ruzie met een van de grote meiden. Die stond voorover gebukt en ome Ab viel haar aan: hij beet haar in haar kont.

De moeder van het gezin was altijd heel zenuwachtig en riep mijn oma (de moeder van mijn moeder, dus de moeder van je overgrootmoeder) soms binnen. Haar zoontje was heel dwingend. Als hij iets wilde hebben, zei hij: ‘Geef op, of ik zèk oe nat!’

28 februari 2023


Vanochtend had ik het nog met mijn moeder over Corrie Tendeloo. Zij diende in 1955 in het parlement een motie in die het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen aanvocht. Als ik het goed heb werd de wet Handelingsonbekwaamheid in 1956 afgeschaft. Voor die tijd konden vrouwen geen huis kopen, geen geld opnemen van hun rekening en meer van dat soort dingen, zonder machtiging van hun man (of als ze die niet hadden: van hun vader).

Mijn moeder herinnert zich nog dat haar moeder (mijn oma dus) het erover had. Er was toen net een neef van mijn opa op bezoek, Toon de Bruin. ‘Nu hebben we het voor elkaar’, zei mijn oma. ‘Vrouwen hebben nu net zoveel te zeggen als mannen.’ Toon reageerde met: ‘Ze hebben altijd al meer aan de moel gehad.’

Zijn zoon was Zweer de Bruin, die ook wel de rooie Zweer genoemd werd. Die reageerde heel blij toen hij mijn moeder als kind zag: ‘Nu ben ik niet meer de enige rooie in de familie!’ Mijn moeder kreeg een bal van hem. Ze denkt dat hij toen een jaar of veertien, vijftien is geweest. Intussen is hij overleden. Zijn weduwe zit in ‘t Anker, waar mijn moeder ook zit. Die heeft die vrouw aangesproken, maar ze reageerde niet. Ze zal wel niet helemaal helder meer zijn.

woensdag 26 augustus 2026

Silent Jenny (Mathieu Bablet)

 

Er zijn veel luchtige strips en ik lees ze graag, zoals ik ook wel eens met plezier een zak chips eet. Maar er zijn ook strips die meer te vergelijken zijn met een voedzame maaltijd dan met een snack tussendoor. Ik kan er zo een stel uit mijn kast pakken. 

Een ervan is Carbon & Silicium van Mathieu Bablet, dat ik drie jaar geleden besprak. Prachtig boek. En nu heb ik van dezelfde stripmaker weer een uitgave voor me liggen. Net als het vorige heeft dit een Engelse titel: Silent Jenny. Waarom die titel niet vertaald is, snap ik niet zo goed. En net als het vorige is dit weer prachtig uitgegeven door Scratch: gebonden, harde kaft, linnen rug. 

Doodse wereld

Silent Jenny speelt zich af in een verre toekomst. Van de natuur is weinig over: het is een doodse, verstofte wereld. Daardoorheen bewegen zich een soort schipachtige voertuigen, waarop een stel mensen leven. Eigenlijk zijn het mobiele dorpen, die monaden genoemd worden. Binnen de gemeenschap heeft iedereen zijn eigen taak. 

Jenny, naar wie de titel verwijst, gaat geregeld van de monade met haar zeilwagen op expeditie. Ze zoekt DNA van bijen, in de hoop de dieren terug te brengen, zodat ze kunnen helpen met de bestuiving. Binnen de monade is er een lab, waar men met behulp van zaden de natuur in stand probeert te houden. 

De mensen hebben het vermogen om zich te verkleinen tot microniveau, waardoor ze op plekken diep in de aarde kunnen komen, waar ze anders geen toegang toe zouden hebben. Daar leven ook gemeenschappen van microïden, wezens op microformaat. Jenny draagt een pak, maar dat sluit niet goed en het krimpen tast de cellen aan die met buitenlucht in aanraking komen. Ze doet er nogal laconiek over, ervan overtuigd dat haar missie belangrijker is dan zij zelf is. 

Leefgemeenschap

Via Jenny leren we de leefgemeenschap kennen en de tijd waarin die zich beweegt. Het is een tijd met weinig hoop, ook al zijn er nieuwe generaties, met hun eigen ideeën. Op de monade zijn er regels: de monade moet altijd blijven bewegen en de kinderen dragen tot op een bepaalde leeftijd een helm. In hoeverre zijn dat regels die voor iedereen gelden of zijn dat regels die voor deze monade bedacht zijn. De kinderen beginnen daar vragen over te stellen. 

Je leert ook hoe de gemeenschap omgaat met het levenseinde en dat elke gemeenschap zich moet verdedigen tegen aanvallen van buitenaf. 

Jenny is in zichzelf gekeerd. Ze ontzegt zich daarmee het werkelijke contact met de andere monadebewoners, maar ze heeft haar leven nu eenmaal in dienst van haar taak gesteld. 

Aan de ene kant is Silent Jenny een somber boek, het geeft een vooruitblik op een wereld die een decennia of misschien wel eeuwen van klimaatverandering heeft doorgemaakt, een wereld waarop nog maar moeilijk te leven valt. Maar de mensen zetten zich in om er het beste van te maken. 

Opoffering

Jenny laat zien tot welke opoffering ze in staat is, maar ook dat ze haar grenzen bereikt en misschien gaat ze daar wel overheen. Het is hard werken in de wereld van Jenny en menselijkheid lijkt een luxe. Toch glipt die door de kieren van het bestaan. Maar Jenny is ook moe, al moet ze van zichzelf doorgaan. Hoe lang houdt ze dat vol?

Silent Jenny is geen vrolijk boek, maar wel een fascinerende strip. Bablet heeft een wereld uitgedacht die onze toekomst zou kunnen zijn en hij heeft die met veel aandacht getekend. Het moet een gigantisch werk geweest zijn en ook het volbrengen van deze taak is een missie die veel van je vraagt. Bablet moet in zijn hoofd tijden in de wereld van Jenny verkeerd hebben. Ze heeft het niet beseft, maar ze was niet alleen in deze wereld. Ook het werken aan de strip vraagt opoffering en liefde. Het enige wat Jenny kan doen, is doorgaan met haar opdracht, net als de stripmaker, die in zijn eentje zich beweegt in de desolate wereld die hij geschapen heeft. 

Niet alleen heeft Bablet een interessante wereld bedacht, maar hij heeft die ook prachtig getekend, met een inkleuring die precies goed is. Veel bruinen en donkere kleuren, waartussen de rode lampen oplichten. De detaillering van bijvoorbeeld de monade laat zien met welke aandacht -en misschien moet ik wel zeggen: liefde- de tekeningen gemaakt zijn. 

Jenny denkt dat ze alleen is, maar elke lezer is na het lezen van Silent Jenny in gedachten bij haar. Ze moest eens weten. 

Titel: Silent Jenny
Tekst, tekeningen en inkleuring: Mathieu Bablet
Vertaling: W. Davids
Uittever: Scratch Books
2026, 312 blz. € 39,95 (hardcover, linnen rug)


dinsdag 25 augustus 2026

Kreeft (Franca Treur)


Wat mensen hebben met astrologie is me een raadsel. Bijna iedereen weet dat horoscopen onzin zijn en toch weet een overgrote meerderheid van de mensen, of in ieder geval van de Nederlanders, zijn sterrenbeeld. Dat is nog tot daaraan toe, maar er zijn ook mensen die zich ermee identificeren. Die zullen ook wel weten dat ze bij een ander teken van de dierenriem gehoord zouden hebben als ze een paar dagen eerder of later geboren zouden zijn, maar blijkbaar hechten ze daar geen waarde aan. 

De astrologie heeft een zekere aantrekkingskracht en dan zit er dus geld in. Er waren in mijn jeugd meisjes met een kettinkje met een sterrenbeeld eraan en misschien waren er ook wel zulke bedeltjes voor aan een armband. Dat soort hangertjes zijn nog steeds te koop en enig googlen leerde mij dat er zelfs beeldjes van kristal zijn van de verschillende dierenriemtekens. En uitgeverij Lebowski heeft een reeks boekjes waarin steeds een sterrenbeeld centraal staat. Er waren al boekjes verschenen van Hadassah de Boer (ram), Hagar Peeters (stier) en Christine de Boer (tweelingen). En nu is er Kreeft, van Franca Treur

Ik neem aan dat de auteurs ook jarig zijn in de periode die bij het sterrenbeeld hoort. Bij Franca Treur heb ik het opgezocht en ze is jarig op 23 juni. Net als ik, trouwens. Van haar is bekend dat ze opgroeide in een orthodox-christelijke omgeving en voor zover ik weet, moet men daar niet veel hebben van allerlei 'wind van leer', zweverigheid en bijgeloof. Ik was er dan ook van uitgegaan dat ze al aan het begin van Kreeft korte metten zou maken met de astrologie, maar dat doet ze niet. Ze heeft er weetjes over opgezocht en die weet ze best boeiend te presenteren. 

Psychologie

Maar ze begint bij haar eigen geschiedenis: 1997, als ze besloten heeft om psychologie te gaan studeren. Opa doet de studie af met een bijbeltekst, uit het boek Spreuken: 'Een verslagen geest, wie zal die opheffen?' Het was vooral de behoefte aan zelfkennis die Treur tot de studie van de psychologie aanzette. Die kennis was tot nog toe vooral tot haar gekomen via de Bijbel en de Heidelbergse catechismus. Een somber mensbeeld: we zijn geneigd tot alle kwaad. 

Eigenlijk is het bijzonder dat juist bij de bevindelijke christenen altijd gewezen wordt op de noodzaak van een persoonlijke bekering en dat het gaat om een persoonlijke relatie met God, en dat aan de andere kant er heel veel gesproken wordt over de mens in het algemeen. Treur viel het op daar medestudenten veel meer theorieën over zichzelf hadden dan zij en dat ze die graag wilden delen. Misschien heb je ook minder de neiging om aandacht aan jezelf te besteden als je altijd geleerd wordt dat je niets voorstelt (een stofje aan de weegschaal). Treur stapte over naar de studie Nederlands. 

Jaap

In Kreeft is dat de voorgeschiedenis. Pas in het tweede hoofdstuk begint het werkelijke verhaal dat twee lijnen omvat: de ene gaat over Jaap, een oom met het syndroom van Down, en het andere over Treur die afstand heeft genomen van het geloof en van de kerk. 

Het begint meteen met een sterke scène: de vertelster waakt bij het sterfbed van Jaap. De dood is geen onbekende in de familie: voor zijn geboorte is zijn broertje al omgekomen. 
In mijn familie werken ze met grond. Ze stoppen er zaden in en hebben daar verwachtingen van. Nu moeten ze hun kind in de grond stoppen. 
Schrijnende zinnen, in al hun eenvoud. Ze doen sterk denken aan 'Brief aan de grootouders' van Ida Gerhardt, waarin verteld wordt dat een kind slechts een enkele dag geleefd heeft: 'Ik heb de akkers mogen ploegen. / De aarde draagt het winterzaad.'

Nu ze enige afstand heeft, kijkt Treur scherp naar het bevindelijke milieu waarin ze opgegroeid is. 
Het blijft een wrang onderdeel van deze godsdienst: God, de gever van leven, is ook Degene die neemt. En ook Degene bij wie men vervolgens troost zoekt. 
Lange tijd laat Treur ongenoemd wat er met Jaap is, al krijg je al wel snel in de gaten dat er iets met hem moet zijn. Ze schetst een bijzonder liefdevol portret van hem. En ze zit naast zijn bed, juist in een tijd die onzeker is: ze heeft afscheid genomen van het geloof, waardoor er veel weggevallen is en het is nog niet duidelijk wat er allemaal voor in de plaats komt. 

Op je plek

Dan komt de vertelster terug op de astrologie, waartegen ze zich dan toch afzet: net als de godsdienst doet die een beroep op de kosmos en probeert die je vast te pinnen: zo ben je nu eenmaal. Jaap is autonoom en is op zijn plek, maar de vertelster voelt zich anders: 
Als je niet aardt waar je hoort, op een bepaalde plek onder de sterren, dan voel je je misplaatst. 
Aan de ene kant voelt ze de loyaliteit aan de gemeenschap waarin ze opgegroeid is, aan de andere kant voelt ze de noodzaak om daar afstand van te nemen. Je hoort al niet meer bij ze, je bent niet bij hen op je plek. 
Dus wil je zo ver mogelijk de andere kant op. Weg van de achterblijvers, weg van degenen die jouw vertrek in hun verdriet niet kunnen vatten, die vinden dat je hun God zo diep hebt beledigd. Hun huis is wel de allerlaatste plek waar je heen wilt. Het drukt op je om onder hetzelfde dak te zijn, zelfs al liggen ze op bed. 
Wel bij mensen horen, maar niet meer bij hun wereld. Dat is wat Treur laat zien in Kreeft en dat maakt ze duidelijk aan de hand van Jaap, met wie ze zich verbonden voelt, maar van wie ze nu ook afscheid moet nemen. 
Dan is er zijn laatste adem.
Lieve Jaap. Laat me niet alleen.
Hij laat me alleen.
Al maak ik er nu misschien een Jaap en Franca van die nooit hebben bestaan. 

Een echte Treur

Kreeft is voluit een Franca-Treurverhaal. Het past helemaal in haar oeuvre waarin ze geregeld geschreven heeft over het bevindelijk-christelijke milieu waarin ze is opgegroeid (Dorsvloer vol confetti, Hoor nu mijn stem) en hoe ze nu dat, juist nu ze afstand heeft, scherp kan bezien. 

In de scherpte waarmee ze dat milieu observeert, zit veel liefde, zoals die in haar vorige boeken ook altijd al zat, al werd die liefde in het beschreven milieu zelf niet altijd opgemerkt of begrepen. Tegelijkertijd maakt de vertelster zichzelf steeds meer duidelijk dat ze buiten dat milieu staat, dat ze zelf haar weg moet kiezen. Zeker nu Jaap er ook niet meer is. 

Franca Treur heeft zich met Kreeft aanvankelijk braaf in de mal van de reeks geperst, maar uiteindelijk blijkt ze in dit verhaal haar eigen gang te gaan. Gelukkig maar. Kreeft is een echte Treur. En een prachtige novelle. 

Eerder schreef ik over ander werk van Franca Treur:
Hoor nu mijn stem (herlezing)