vrijdag 29 mei 2026

Afgestoft: interview met Henk van der Waal

Eigenlijk zou ik deze week nog een recensie willen schrijven van de graphic novel Ballade voor Sophie, uitgekomen bij uitgeverij Lauwaert. Maar door de correctiedrukte is daarvoor in mijn hoofd te weinig ruimte en ik wil de uitgave wel recht doen. Je moet dus nog even wachten tot volgende week. 

Voor vandaag heb ik daarom een oude tekst afgestoft, een interview met Henk van der Waal, dat eerder gepubliceerd werd in Liter nr. 18 (jaargang 4, 2001). Voordat ik begon aan het gesprek las ik de twee bundels die Van der Waal toen gepubliceerd had: De windsels van de sfinx (1995) en Schuldsanering (2000). Ik herinner me die als interessante bundels, maar ik vond de gedichten ook moeilijk. 

Het gesprek over die gedichten en over de dichter vind je hieronder. 




Een niet te saneren schuld

In gesprek met Henk van der Waal

Henk van der Waal werd in 1960 geboren in Hilversum, waar hij tot zijn achttiende woonde. Daarna vertrok hij naar Amsterdam om medicijnen te gaan studeren. Na twee jaar stapte hij over naar de studie filosofie. Van 1984 tot 1985 studeerde hij in Parijs en in 1988 studeerde hij in Amsterdam af op een studie over Heidegger. Later vertaalde hij onder andere boeken van de Franse filosofen Maurice Blanchot en François Lyotard.

Intussen heeft hij twee bundels gedichten op zijn naam staan. De windsels van de sfinx (1995) werd in 1996 bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut van dat jaar en onlangs verscheen Schuldsanering. Zijn gedichten vallen op door een weelderig beeldgebruik dat gepaard gaat met een bijna Spartaanse vorm. Hij zet de tekst bijvoorbeeld neer in driehoeken, ruiten en rechthoeken.

Ik sprak met hem vooral over zijn laatste bundel en over de schuld die daarin zo vaak voorkomt, maar ook over Heidegger en over de ontdekking dat Sinterklaas niet bestaat.

Je besteedt bij je gedichten veel aandacht aan de uiterlijke vorm.

Alles wat zeggingskracht kan hebben, gebruik ik. Dus ook de vorm. Tegelijk wil ik laten zien dat de vorm in zekere zin arbitrair is. Je kunt hetzelfde gedicht presenteren als een cirkel, een ruit of een vierkant. Dat maakt wel iets uit, maar ook niet zo gek veel. Misschien gebruik ik de vorm ook wel als een bliksemafleider. Die werkt nog heel goed ook, want elke recensent die iets over mijn gedichten schrijft, focust helemaal op de vorm. Dat is nogal de tendens in de Nederlandse kritiek, die obsessie voor uiterlijke kenmerken. Ik word daar wel eens wat mistroostig van, want ik doe meer dan wat lijntjes trekken op een wit stuk papier. Ik schrijf gedichten die ergens naartoe willen met de lezer.

Is dat gedoe met die vorm meer dan spielerei?
Het is spielerei, absoluut, en ik zou willen dat wat meer mensen dat doorhadden. Maar toch is het ook meer dan dat. Door mezelf beperkingen op te leggen blijf ik bij de les. Voor zo'n gedicht uit de serie ‘Kruisingen’ moet ik letten op de lengte, de opbouw, de overgang in de middenregel. De compositie wordt daardoor heel belangrijk. Ik ontneem me de vrijheid om zomaar wat losse uitspraken achter elkaar te zetten.

Het zijn heel strenge vormen, maar daarbinnen schiet de taal alle kanten op, op het losbandige af.
Klopt. Misschien gebruik ik de vorm ook om me enigszins te beschermen tegen mezelf. Dat het niet te losbandig wordt, dat het niet maar doorgaat.

Vraagt elke cyclus zijn eigen vorm?
Als ik een nieuwe cyclus begin, bepaal ik vaak eerst de vorm. Ik probeer voor elke serie een eigen vormwet te creëren. Daarna tast ik tenminste niet meer helemaal in het duister. Het is net als met een toneelstuk. Dat heeft niet alleen tekst nodig maar ook enscenering. Een gedicht wordt ook ten tonele gevoerd, is dus drama.

Interferenties III

Al uwe baren
en golven zijn over
mij heengegaan, maar
ontzondigd met hysop of witter
dan sneeuw ben ik niet, want de zee
van een andere hand, die al het eeuwige heeft
uitgebannen, likt aan mijn strand, stroomt over
de rots van mijn verlangen en bonkt tegen derzelver
verheffing alleen om mij in mijn verstarren te omarmen,

tot ik vernacht
zal zijn, ook al ben
ik niet verzadigd, want hoe
ook de erosie aan mijn buikwand
met haar hand over hand toeneemt tot ze me
niet meer geweest maakt en ik naar haar kijk en
niets dan de wind en de zee voel in de haardos van
mijn herinnering, verstoken van oneindigheid blijf ik
van eeuwigheid tot eeuwigheid die ik niet ben; hallelu nee -

bewaar me niettemin de blauwe ogen blozend blonde glimlach van mijn kind.

[Dit gedicht interfereert met Psalm 42:8, 51:9, 46:4, 69:17]


Je hebt de cyclus ‘Interferenties’ opgedragen aan God. Zit er een ironische ondertoon in die opdracht?
Het is een knipoog, maar het is ook serieus. In die opdracht zit dezelfde ambivalentie opgesloten die ook in de cyclus zit. Dat merk je pas als je ‘Voor God’ naar het Frans vertaalt. Je krijgt dan Adieu en neemt dus afscheid van iemand. Dat is heel adequaat, want in deze cyclus neem ik op een nogal stevige wijze afscheid van God. Ondanks de hardvochtigheid die in dat afscheid verborgen ligt, kan ik er echter niet omheen zijn hulp in te roepen als er iets mis zou gaan met mijn dochter. Misschien is deze cyclus eigenlijk wel opgedragen aan deze ambivalentie zelf. Aan dat niet bestaan van God en het tegelijk niet zonder kunnen.

Heb je een religieuze achtergrond?
Ik kom uit een gereformeerd gezin. Ik ben altijd naar de kerk gegaan en aan tafel lazen we uit de Bijbel. Je ziet dat ik voor deze cyclus de statenvertaling heb genomen. Die anachronismen mag ik graag gebruiken. Het bijbellezen zal ook zeker mijn taalgevoel gevormd hebben, dat kan bijna niet anders. Dat is de enige reden waarom ik mijn kinderen soms uit de Bijbel zou willen voorlezen.

Zegt het jou inhoudelijk nog iets? Is het meer dan een herinnering?
Mijn religieuze opvoeding heeft me enorm gemarkeerd. Daar doet mijn huidige status van ongelovige niet zo veel aan af. De cyclus ‘Interferenties’ laat ook zien dat ik heel wat te stellen heb met dat geloof. Het is een soort protestsong tegen de christelijke God. Maar omdat ik weet dat die wraakzuchtig is, kan ik het niet laten om me in te dekken als het gaat om het dierbaarste wat ik heb: mocht U er zijn, pak me mijn kind dan niet af. Met andere woorden: bezoek mijn zondigheid niet aan mijn kinderen.
Pas hoorde ik op tv een liedje van Maarten van Roozendaal, ‘Red mij niet’. Dat kon ik heel goed meevoelen. Maar ik heb zijn gedachte eigenlijk een stapje verder gevoerd. Als het om je kind gaat, kantelen sommige zaken, dan wil je toch wel een God als hoeder. Dat komt steeds terug in die laatste, eenregelige strofe.

Ook in de vorige bundel schreef je over je kind. Verandert het hebben van een kind in dit soort dingen het perspectief?
Het perspectief wijzigt bijna per definitie. Nu ik kinderen heb, kan ik me niet meer puur en alleen wentelen in mijn eigen besognes. Er zit ineens iets aan me geklonken, waar ik van afhankelijk ben, maar dat toch een heel eigen weg gaat. Met alle risico's van dien. Me volledig op mezelf laten terugwerpen is een luxe die ik me niet meer kan veroorloven.

Omdat de verantwoordelijkheid groter is?
Ja. Ik moet voorzichtiger zijn, ook in geloofszaken. Daarom staat er: ‘bewaar me niettemin’. Verdoem mij maar, of weet ik veel wat, maar bewaar me mijn kind.

De toon wordt in de loop van de cyclus milder, zeker in het laatste gedicht.
Het protest gaat inderdaad over in een ingekeerde houding.

Waar wil je tegen protesteren?
Tegen alle beperkingen die het geloof mee heeft gebracht, tegen alle verboden, de verdoeming van het lichaam, de poging om mensen klein te maken door te dreigen met hel en verdoemenis, tegen dat grote verhaal dat is geweven.
Op een gegeven moment merkte ik dat Sinterklaas niet bestond. Dat is voor mij de katalysator geweest. Ik geloofde heilig in Sinterklaas! Toen die niet bleek te bestaan, moest ik ook wel gaan twijfelen aan het bestaan van de andere man met de baard. Toen mijn zusje het me vertelde, viel echt de grond onder mijn voeten weg. Met Sinterklaas is dat hele tere bouwwerk van het geloof gaan verzakken, om in mijn puberteit definitief in te storten.

Verlang je wel eens terug naar het wereldbeeld uit je jeugd?
In het begin misschien wel, want het is leuk om uit het niets cadeautjes te krijgen en 's avonds voor het naar bed gaan te kunnen regelen dat je de volgende dag een voldoende krijgt. Maar nu ben ik blij voor de openheid van geest die ik kan betrachten.

Praatte je er thuis over toen je geloof begon te wankelen?
Nee, natuurlijk heb ik het daar thuis niet over gehad. Geloofskwesties heb ik nauwelijks besproken. Zij wilden wel, maar ik niet. Ik heb me nooit vrij gevoeld te twijfelen, ben waarschijnlijk heel erg bang geweest mijn ouders en met name mijn vader teleur te stellen. Maar er is meer aan de hand. Waarschijnlijk gunde ik hun geen macht over mijn gevoelsleven en ben ik daarom alle discussie uit de weg gegaan: dat gaf me de meeste zekerheid op zelfstandigheid.

Richt je kritiek zich op de kerk of op hoe het er in jullie gezin aan toe ging?
Ik weet niet of ik in staat ben dat uit elkaar te houden. Via het ene protesteer ik tegen het andere en ongetwijfeld ook omgekeerd. Over mijn gezin en de mores die daar heersten ben ik in de loop van de tijd wat milder gaan denken. Ik betrap me er soms zelfs op dat het in mijn geval om een echte haat-liefdeverhouding gaat. Als andere mensen een sneer geven naar het christendom heb ik bijvoorbeeld de neiging een licht verdedigende houding aan te nemen. Er zijn immers weinig religies die de menselijke existentie zo diep hebben weten te beroeren. De muziek en schilderkunst die dat heeft opgeleverd, zijn onovertroffen. En de gevoelens die daarmee gepaard gaan werken zeker door in mijn gedichten.

Als je schrijft ‘Al uwe baren en golven zijn over mij heengegaan’, waar doel je dan op?
Dan bedoel ik dat de traditie, de dominee, mijn ouders, de verhalen, de bijbel, dat ze allemaal heel erg hebben geprobeerd om mij erbij te trekken, mij tot de hunnen te maken, maar dat het, jammer maar helaas, niet is gelukt. Waarom niet lees je verderop in het gedicht.

Het is niet gelukt, maar je voelt je wel schuldig.
Ja, absoluut. Zoals elke religie verstaat ook het christendom de kunst om zelfs afvalligen nog met huid en haar te binden. Ik denk overigens niet maar alleen negatief over die schuld. Daarom is de titel ook licht ironisch. Het gaat hier om een schuld die eigenlijk niet gesaneerd kan worden. Waarom niet? Omdat wij zelf een product zijn van die schuld aan God, aan de medemens, aan het eigen menselijk tekort. Dat tekort maakt ons nederig, maar geeft ons ook bewustzijn. Soms denk ik dat het hele bewustzijn het resultaat is van schuldbesef. Bewustzijn kan nooit ontstaan zonder dat je iemand inperkt, zonder dat je iemand laat zien dat hij een grens overschrijdt. Pas dan kun je hem tot zichzelf bepalen. Vroeger deed men dat in naam van God. Nu doen we dat in naam van een vaag soort humanisme.

Dat is de positieve bijwerking van de schuld.
Inderdaad. Zonder schuldgevoel kan het individu en de maatschappij niet functioneren, maar je wilt die schuld natuurlijk wel eens van je afwerpen.

De schuld zit ook in het schrijven. In de cyclus ‘Schuldsanering’ schrijf je: Wie schuldig gaat, moet de medeplichtigen met zich dragen. Dan noem je ook het potlood als medeplichtige.
Ja, als ik schrijf heb ik altijd het gevoel dat ik mijn eigen aanklacht aan het schrijven ben. Nog sterker dan voor wie spreekt, geldt dat alles wat je schrijft tegen je kan worden gebruikt. Vroeger dacht ik dat schrijven nabijheid kon brengen. Dat is niet zo. Schrijven vereenzaamt, houdt de mensen op afstand. Dat neemt niet weg dat, eenmaal begonnen, je niet meer op kunt houden met schrijven. In de poging schuld te lenigen, wordt die alleen maar groter. Alsof de existentiële schuld alleen maar uit te wissen is door hem groter te maken. Net een inktvlek op een broek die je probeert weg te poetsen. Alles wat je doet, alle sporen die je achterlaat en waarmee je die achterlaat, vergroten de schuld. Elke positiviteit die je neerzet, is schuld, belasting van de wereld, van anderen.

Is het schuld omdat je tekortschiet?
Ook, maar vooral omdat je belast. Het hoeft niet altijd erg te zijn, maar het is wel schuld.

Tegenover wie?
Dat ligt volledig in het ongewisse. Maar om het zekere voor het onzekere te nemen zeg ik maar: tegenover iedereen. Met die psalmencyclus heb ik misschien een paar mensen inzicht gegeven in hun eigen strijd met hun geloof, maar anderen heb ik er ongetwijfeld pijn mee gedaan. Wie een positie inneemt, schopt altijd mensen tegen de schenen.

Het alternatief is dan: in een hoekje gaan zitten en niet meer bewegen.
Die neiging heb ik inderdaad. Die eerste cyclus (‘Schuldsanering’) heeft dat ook duidelijk in zich en mijn vorige bundel, De windsels van de sfinx, nog meer. Daarin ligt een verlangen om egaal te worden, volledig neutraal.

Is dat een dagelijks verlangen voor je?
Je gelooft het misschien niet, maar eigenlijk wel. Het kan me enorm benauwen wat je allemaal niet fout kunt doen. Je zegt iets verkeerds of kijkt op straat niet goed uit en rijdt bijna tegen iemand aan. Vaak heb ik een verlangen om van die dagelijkse besognes waarmee het huis- tuin en keukengeweten vol zit, verlost te zijn.
Soms denk ik dat ik niets goeds kan doen. Dat had ik vroeger nog veel sterker. Vooral als ik dingen vergeet. Dan doe je iets fout dat per definitie geen opzet is. Maar je wordt er wel zwaar op afgerekend. Ik voel me dan onschuldig, terwijl ik weet dat ik bijna nog schuldiger ben dan als ik het met opzet niet had gedaan.

Heeft de godsdienst van je jeugd een rol gespeeld in dit aankoeken van je schuldbesef?
Dat lijkt me duidelijk ja.

Is dat ook een van de redenen voor je geweest om daarvan weg te willen?
O zeker. Ik heb me van heel wat ketenen willen bevrijden. Heb me er zelfs in geoefend om alle gedachten en gevoelens toe te laten waarop een doem rustte. Wedergeboorte wordt zoiets wel genoemd.

Terwijl je tegelijkertijd op een ander vlak dat schuldgevoel weer meeneemt.
Ja, goed, laten we ons geen illusies maken. Ik ben ook gek genoeg geen atheïst geworden. De gedichten die ik schrijf, zijn niet puur a-religieus. Maar wel op een andere manier dan het binnen de christelijke visie kan.

Hoe religieus ben je?
Ik ben geen logo-positivist. Laat ik het zo zeggen: ik probeer mezelf ertegen te beschermen er een te worden. Als je het goed bekijkt, en ik zeg dit niet zonder een dosis ironie, is de opdracht veelomvattend en zwaar. Mijn hele leven heb ik al het gevoel in een sterfhuisconstructie te leven. Toen ik jong was, ging Sinterklaas in rook op, toen ik in de puberteit zat begaf het christendom het op nationale schaal, toen ik ging studeren liep het oude idealisme van de studentenvakbonden ten einde en nam het nihilisme en egoïsme van de kraakbeweging het heft in handen. In die afbraak probeer ik iets vast te houden. Om het in bijbels jargon te zeggen: aren te lezen. En wie weet kan ik daar op een gegeven moment weer brood van bakken. Maar of er ook krenten in zullen zitten?

Door te dichten bouw je aan een eigen metafysica?
Nu moet ik voorzichtig zijn. Op de een of andere manier. Laat ik zeggen: op een andere manier.

Gaat dat beter met dichten dan met denken?
Dichten is de voorpost van het denken.

Kun je dat uitleggen?
Denken heeft een afzetpunt nodig om op gang te komen. Als dat er eenmaal is, kom je via verschillende stappen en onderscheidingen altijd wel ergens uit. Het is naar mijn idee aan het dichten om dat afzetpunt, hoe vaag soms ook, neer te leggen. Het dichten zet zich niet af, heeft geen fundament nodig. Dichten reikt naar iets wat nog niet omlijnd is. Daarom heeft dichten ook meer toekomst in zich dan denken, al klinkt dat een beetje soft. Het laat meer mogelijkheden open, zit minder vast aan logica en tradities.

Heeft je studie filosofie je poëzie beïnvloed?
Soms voel ik mijn studie filosofie als een ballast. Er zijn zoveel mensen die zo diepzinnig zijn geweest, dat beneemt me soms de adem. Het meeste wat je zelf bedenkt, heeft een ander al beter of mooier of treffender bedacht. Toch ben ik, na alles wat ik heb gelezen en heb moeten bestuderen, altijd een lacune blijven voelen. Ik vroeg me wel eens af, diep onder de indruk van een traktaat: ‘Is dit het nou? Is hier nu geraakt wat ik aan wil raken of, als je wilt, wat mij aanraakt?’ Dan moest ik die vraag altijd ontkennend beantwoorden en dat doe ik nog. Ik voel dat als de rechtvaardiging van mijn schrijven en dichten. Zolang ik die lacune voel, heb ik recht van spreken, wat helemaal niet betekent dat ik hem zelf kan dichten. Waarschijnlijk is die lacune ook helemaal niet te dichten en kan ik hem hoogstens een beetje verplaatsen of indrukken of vervormen.

Je hebt je onder meer met Nietzsche beziggehouden.
Voor ik filosofie ging studeren, probeerde ik al op alle mogelijke manieren mijn leef- en denkwereld open te breken. Een aantal filosofen zorgde ervoor dat dat proces in een stroomversnelling kwam. Het bleek zomaar dat ik niet helemaal alleen stond in al mijn overpeinzingen. Dat stimuleerde me enorm, anderen hadden met resultaat de grenzen van hun wereld verlegd, dus waarom zou ik niet hetzelfde doen? Dat dat laatste ietwat stoutmoedig is, weet ik wel, toch heb ik nooit die ambitie verloren. Wie zoiets heeft, kan bijna niet buiten Nietzsche, en ik dus ook niet. Die dringt zo direct en nietsontziend door tot het hart van de zaak en dat ook nog eens met een behoorlijke dosis humor, dat is fenomenaal. Het is bovendien een medicijn dat iedereen die een christelijke opvoeding heeft gehad, moet slikken. Niemand is zo goed in staat een door geloof en dogma's vernauwde blik weer vrij en open te maken als Nietzsche.

Kon je Nietzsche gebruiken voor het afbreken en Heidegger voor het opbouwen?
Nietzsche is inderdaad niet het hele verhaal. Hij breekt open en af, maar verzuimt om je gevoelig te maken voor, laat ik het maar het poëtische van het bestaan noemen. Heidegger is daar ondanks een zekere oubolligheid van zijn latere werk wel op een hele bijzondere en genuanceerde manier toe in staat. Voor het eerst was er een filosoof die het over stemmingen en over het dichterlijke van het denken had. Zelfs nu is dat nog redelijk ongehoord. Door velen ongeweten en waarschijnlijk nauwelijks toegegeven heeft hij dan ook een hele grote invloed op de poëzie gehad, ook in Nederland. Wat nu, met een woord dat meer misverstanden wekt dan inzicht schept, autonome poëzie heet, wordt overkoepeld door Heideggers formule ‘Die Sprache spricht’. De meesten interpreteren die zin als een vrijbrief voor taalkunstenaars en andere charlatans die niets van het echte leven weten, maar achter die uitspraak gaat een hele andere ambitie schuil. Als je hem namelijk koppelt aan een andere stelling van Heidegger: ‘De taal is het huis van het zijn’, dan heeft de ‘autonome’ poëzie altijd de pretentie in zich het ‘zijn’ of het ‘bestaan’ zelf aan de oppervlakte te laten komen. Dichters als Faverey en Kouwenaar hebben die kunst op exemplarische wijze verstaan. En in hun kielzog probeert een hele sliert dichters dat na te doen.

Jouw poëzie is wel in verband gebracht met die van Faverey.
Dat ik op grond van mijn eerste bundel met Faverey in verband ben gebracht, heb ik wel begrepen, maar ook als nogal kortzichtig ervaren. Dat komt omdat ook Heidegger weer wat steekjes heeft laten vallen. Steekjes die zijn opgepakt door filosofen als Emmanuel Levinas en Maurice Blanchot en in het dichterlijke bereik door iemand als Paul Celan. De ander, de vreemdeling, de geliefde, was buiten beeld geraakt bij Heidegger en ook bij de dichters die opereren binnen zijn invloedssfeer. Ik ben onder invloed van die kritiek gaan beseffen dat mijn zorgvuldig gekoesterde zelfstandigheid alleen kan bestaan en leefbaar is bij gratie van de inbreuken erop door anderen. De hoop van mijn verzen is, eigenlijk tegen beter weten in, dat het kloofdichtsels zijn, dat ze de intermenselijke eenzaamheid iets draaglijker maken. Ze zijn dan ook verre van autonoom. Als je in die terminologie wilt blijven, kun je beter spreken van alteronoom: bepaald door de inbreuk van de ander.

We hebben het even gehad over het bouwen aan een eigen metafysica. Van Heidegger kennen we juist de metafysicakritiek.
Metafysica is door Heidegger een besmet woord geworden. Ook Kant had al niet zoveel op met metafysica. De overgeleverde metafysica had alles zo strak ingedeeld en bepaalde zozeer de manier waarop we geacht werden de wereld te interpreteren, dat er iets moest gebeuren als we verder wilden komen. Daarom heeft Heidegger zijn destructie uitgevoerd: afbreken die handel om ruimte te scheppen voor een denken dat oor en oog heeft voor de lotgevallen van het ‘zijn’. Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk, want voor je het weet zit je met nieuwe interpretatiekaders die weer gaan werken als een metafysica. Dat lijkt een beetje op Nietzsche: de waarheid bestaat niet, maar je hebt hem wel nodig. Dat soort frases geeft altijd van die duizelingen in je hoofd. Een tijdlang ben je er zeer van onder de indruk en helpt het om het een en ander te relativeren, maar toch blijft zoiets in zekere zin een lege uitspraak of meta-uitspraak. In mijn poëzie probeer ik, hoe gek het misschien ook klinkt, dit soort meta-uitspraken te vermijden.

Waarom?
Omdat een wijsheid uiteindelijk altijd een semi-wijsheid blijkt te zijn.
Ik ga nog niet gebukt onder Nietzscheaanse doemscenario's, maar wel geloof ik dat er nauwelijks enig besef is van de mate waarin ons overgeleverde gedachtegoed is aangetast. De grote woorden hebben het veld moeten ruimen, maar daarmee ook een hele reeks kleinere. Zoals mens, ratio, gevoel, wil, individualiteit, depressie, genegenheid etc. Iedereen gebruikt die woorden nog, maar eigenlijk zijn ze al lang in rook opgegaan. Dat is aan één kant een enorme kans, omdat alles wat achter zo'n woord is weggestopt dan tevoorschijn kan komen. Maar aan de andere kant is het een gevaarlijke situatie.

Wat is er gevaarlijk aan?
Het hele terrein dat daarachter ligt, is voor je het weet geannexeerd door een nieuwe overheersende visie. En die visie is, het zal niet verbazen, die van de wetenschap en technologie. Het kind kolkt zo in razend tempo met het badwater weg. Ik voel aan mijzelf hoezeer het wetenschappelijk en technologisch denken de macht over probeert te nemen in mijn hoofd. Ik vind dat beangstigend. Ik merk om mij heen dat er een soort vrolijke acceptatie is van deze feitjes producerende instantie. Ik ben niet geneigd daaraan mee te doen, voel het zelfs een beetje als mijn taak om die andere kant, die het christendom de laatste eeuw eigenlijk ontglipt is, open te houden met nieuwe invullingen, probeersels, woorden. Het woord metafysica kan daar gelukkig nog niet op van toepassing zijn.

*
mij buitenstaander de schraping van zandgestengelde handen onder de laffe schemer van je bewimperde zicht dat uitdrukking loost in de matte gelieving die ondanks terging net boven de haatheid uitlaaft en wegdraagt naar wezende armen aan polsen om ijzer, naar barsten op lip lezende loosheid, naar monden in gaping en ogen van sneeuw, naar goudloze tanden, naar schreeuwen uit bijtende stilte - zestig vermiljoen vingers me je dood in duwen


De cyclus ‘Rasterwerk’ lijkt qua uiterlijke vorm meer op proza dan op poëzie.
Zoals we in het begin zeiden, vorm is altijd ook spielerei. Deze cyclus grijpt terug op oorlogsslachtoffers en ik vond het niet kies om daarbij spielerei te betrachten. Daarom heb ik de tekst als blokken neergezet. Bewust. Daarmee wordt het voor mij geen proza. Het zijn geen verhaaltjes. Die blokken zijn tralies...

Wat wil je met de cyclus?
‘Rasterwerk’ is voor mij een heel belangrijke cyclus, om meerdere redenen. Ik heb mijn gedichten net kloofdichtsels genoemd. ‘Rasterwerk’ is de ultieme poging daarvan die tegelijk gedoemd is geweest te mislukken. Op allerlei niveaus overschrijd ik ongeschreven wetten en regels.

Noem er eens een paar.
Het meest in het oog springend zijn die van de taal. Er staan veel neologismen in en ook de grammatica wordt hier en daar geweld aangedaan. Die overschrijdingen van de grenzen die de taal normalerwijs stelt, had ik nodig om een gebied te betreden waar mijn generatie ofwel met desinteresse, ofwel met veel politieke correctheid omheen loopt. Hoe kan ik mij, eigenlijk als volstrekte buitenstaander, verhouden tot de slachtoffers van oorlogsgeweld, meer in het bijzonder tot de slachtoffers van de holocaust? Normaal gesproken betracht ik een gepast stilzwijgen daarover en meng ik me nauwelijks in discussies dienaangaande. Maar tegelijk voel ik een beroep dat op me gedaan wordt, het stille verwijt van de gebruskeerden. Daar heb ik in deze reeks op willen antwoorden zonder enige terughouding te betrachten. Alsof je bij voorbaat al over de schreef bent gegaan als je daarover schrijft.



*





De cyclus ‘Kruisingen’ bestaat uit precies tien gedichten. Voor mij verwezen ze daardoor naar de tien geboden.
Ja, ze zijn ook geschreven in een soort gebiedende taal. En die middenregel natuurlijk.

Interfereer je hier met de tien geboden?
Dat ‘opdat ge niet...’ is eigenlijk de conclusie van een gebod en verwijst naar het gebod ervoor. ‘Opdat uw dagen verlengd worden...’, je kent het wel. Dat is een van de vele kruisingen die erin zitten, die van gebod en ervaring. Dat zijn eigenlijk twee werelden die dwars op elkaar staan, die nauwelijks met elkaar te verenigen zijn, maar wel met elkaar te maken hebben.

Kun je dat uitleggen?
Het is een oud verhaal. De ervaring, de liefde, het genot, maar ook de agressie en het geweld, ze hebben grenzen nodig en worden daarom gesanctioneerd door wetten. Dat leidt tot orde en welvaart, maar ook tot tragedies en ellende en zoiets als fundamentalisme. Maar te rijmen met elkaar vallen ze niet. De ervaring is zogezegd niet in de wet te vertalen en andersom gaat het ook niet. Ze congrueren niet. Het zijn twee verschillende bereiken die elkaar nodig hebben maar elkaar ook bestrijden en inperken en doorsnijden, maar vooral ook uithollen. Om dat te laten zien heb ik in de cyclus ‘Kruisingen’ twee idiomen gebruikt en twee lettertypes en een aparte opmaak.

Ik stelde mij dat kruisen ook heel lichamelijk voor.
Ja, het heeft een erotische component, maar het gaat ook over het voorgeslacht, dat dwars staat op een nieuwe liefde.

Het voorgeslacht dat mij gekruist heeft.
Ja, natuurlijk ook letterlijk. De kruising kruisigt, spijkert je vast op je genetische structuur.

Als je het zo verwoordt, krijgt het ook iets als een last.
Dat is het ook.

Omdat het zo determinerend is?
Ja, het is de grootste vrijheidsberoving die er is. Bij voorbaat een gevangene, een veroordeelde. Je bent schuldig omdat je het leven gekregen hebt, en daar zit je mooi mee opgescheept.

Lijkt dat ook op iets als de erfzonde?
Ik heb nooit uit de voeten gekund met het begrip erfzonde. Misschien moet ik beter uitleggen wat ik hierboven zei: het woord vrijheidsberoving impliceert schuld en overtreding, binnen ons rechtsstelsel althans. Tenzij je het als een gijzeling ziet: gegijzeld door je genetisch materiaal. Ook een reële optie. Maar laten we even bij de eerste optie blijven, dan komt het mooier uit. Wie schuld heeft, heeft namelijk ook iets goed te maken, iets te saneren. In die zin is het leven in een overgeërfde genetische structuur schuldsanering. Blijft open de vraag wie de goede gever van de schuld is, want laten we wel wezen, juist door die genetische determinatie kun je de mens zijn die je bent, in plaats van een ongedefinieerde berg modder. Het pijnlijke is dat degene die het schuldig heeft uitgesproken, niet te achterhalen is, of beter gezegd opgaat in een oneindige reeks van ouders en grootouders en overgrootouders. Die reeks heeft jou bepaald, heeft het oordeel uitgesproken: leef! Ik zie dat los van iets als erfzonde. Schuld kan je proberen te lenigen. Voor zonde ben je aangewezen op vergeving. En wie moet dat doen?

Dan krijg je ook te maken met het verschil tussen schuld en verantwoordelijkheid.
Maar dat is sowieso een probleem wanneer je er een deterministische visie op na houdt. Daarom is natuurlijk ook de vrijheid uitgevonden, want die geeft je de verantwoordelijkheid terug. In die gedichten probeer ik ook dwars op het voorgeslacht en de genetische en sociale determinatie die daarmee gepaard gaat, vrijheid te verwerven.

Binnen grenzen die al gesteld zijn.
Niet per se. Maar op een gegeven moment ben je wel zo verstandig dat je ze accepteert of er in ieder geval mee om kunt gaan zonder telkens je hoofd te stoten.

Maar zoals je voorgeslacht jouw vrijheid beperkt, geef jij die beperking weer door aan het volgende geslacht.
Daar hebben deze gedichten het niet over, maar het is wel waar. Het is een ketting die maar doorgegeven wordt, Schopenhauer ten voeten uit. Maar bij mij gaat het om het moment van het uitbreken en van de liefde die daar een soort pauze in is, een cesuur mee vormt.

De liefde heft die beperkingen niet op.
De liefde komt wel een heel eind, maar helemaal opheffen? Soms ben ik wat somber gestemd. In de wetenschap wordt er met man en macht aan gewerkt om ons voor 99,9% gedetermineerd te maken. Ik word ook een beetje meegenomen op die stroom. Maar tegelijk mag ik toch ook graag een tegengeluid laten horen. Dat zit vervlochten in de ervaring van liefde en schoonheid, in iets dat men wel kunst pleegt te noemen.

Omdat de mens daarbij boven zichzelf uit getild wordt?
Dat is het niet helemaal. Je kan jezelf heel gedetermineerd voelen. Dan denk je: Ja, zo deed mijn vader dat ook, of mijn moeder, en tegelijkertijd daarbinnen toch een vrijheid ervaren, zonder dat je nu meteen boven jezelf uit springt. Ik ervaar het meer impliciet dan transcendentaal.

Bestaat die vrijheid dan uit de variatie binnen de grenzen?
Ik ben er een beetje huiverig voor om het zo te zeggen. ‘Kruising’ is wel het goede woord: vrijheid is iets wat dwars op de determinatie staat. Ze kunnen determineren wat ze willen, er blijft iets existentieels dat niet helemaal in te dammen is.

donderdag 28 mei 2026

Afgestoft: Kilroy (Harmen Wind)

Maar weer eens een recensie van gedichtenbundel afgestoft. Er moeten er nog veel meer zijn, maar ik heb niet alles meer beschikbaar. Alle besprekingen die ik voor de Poëziekrant geschreven heb, heb ik niet bewaard, zo te zien. 

Deze keer een recensie van een bundel van Harmen Wind, Kilroy, die eerder gepubliceerd is in Liter nr. 58 (jaargang 13, 2010). Ik heb hier al eerder recensies van het werk van Wind afgestoft. Links vind je onderaan. 

Mijn indruk is dat de poëzie van Wind een beetje in de vergetelheid raakt en dat is jammer. En zijn roman Het verzet is ook nog altijd het lezen waard. 

Nog even kort over wat je kunt verwachten op mijn weblog: ik probeer drie recensies in de week te plaatsen (vaak om en om over literatuur en over strips), maar ik weet niet of ik het helemaal red, door de examencorrectie. Volgende week is het gelukkig al rustiger. Dat zeg ik tenminste tegen mezelf. 


Een zoen als een vuistslag


‘Kilroy was here.’ In de Tweede Wereldoorlog en daarna dook deze tekst op de meest vreemde plaatsen op, op stoepen, muren en hekken. Er wordt zelfs verteld dat tijdens de conferentie van Potsdam in 1945 iemand hem in de badkamer van Stalin op de muur gekalkt had.

Er zijn veel theorieën over de betekenis van de kreet. Zo zou die verwijzen naar een werkelijk bestaand hebbende James Kilroy, maar bewijs is daar eigenlijk niet voor.

Harmen Wind noemde zijn nieuwe bundel Kilroy en hij opent met ‘Kilroy was here’: 
Kilroy was here
Hoe listig ik hem ook trachtte te ontlopen, 
steeds weer bleek ik hem te volgen: in
al mijn toevluchten ging hij mij voor. 

De vloek van zijn geurvlag, de spot 
van zijn prent, joegen mij keer op keer 
de deur uit. Waar ik ook arriveerde, 

ik vond er zijn tekens, nooit trof ik 
hemzelf. Pas toen ik het opgaf, liet 
de boodschap zich lezen ik zag 

dat ik het was, de man die schrijft 
er overal altijd geweest te zijn, 
welk heenkomen hij ook kiest.


De eerste regel draait al meteen de zaken om: de Amerikaanse soldaten troffen ‘Kilroy was here’ als tekst op een muur aan. Kilroy was hun dus voor geweest. Hij was alweer verdwenen. Maar bij Wind is Kilroy degene die achtervolgt. De ik probeert hem te ontkomen, maar merkt dat hij hem alleen maar achterna loopt.

Wind houdt van dat soort omkeringen. Hij schrijft bijvoorbeeld ook: Op de vlucht voor de vader van onze / gedachten maken wij mee wat wij willen / ontgaan’; ‘Zie in het gaan de gave om te komen’; ‘Snel raakt zijn spoor hem bijster’; ‘Alleen in wat verloren gaat kom je tot / jezelf’ en ‘o licht / dat mij ontgaat - draag mij, laat mij niet los’.

Het woord ‘toevluchten’ in de eerste strofe deed mij meteen denken aan ‘God is een toevlucht t' allen tijde’, waardoor de alomtegenwoordigheid van Kilroy voor mij ook een religieuze component kreeg.

Het woord ‘heenkomen’ in de laatste strofe is een synoniem van ‘toevlucht’, waardoor het gedicht onnadrukkelijk ‘rond’ wordt gemaakt. Bovendien heet de laatste afdeling van de bundel ‘Heenkomens’.

Zo spant Wind zijn lijntjes van het eerste gedicht naar de rest van de bundel.

De koortsigheid waarmee de ‘ik’ op Kilroy jaagt dan wel hem probeert te ontlopen, wordt duidelijk in de beeldspraak in de tweede strofe, die aan de jacht ontleend is. Ook hier preludeert Wind al op een gedicht verderop in de bundel: ‘Ik, jouw verleden, raak / tussen passanten, meute op / het haarwild, achterhaalde prent.’ De ik jaagt op een onbekende, maar juist als hij het zoeken opgeeft, vindt hij. Zichzelf, de dichter. De man die tekens nalaat, maar zelf onvindbaar blijft. We hebben zijn gedichten; daar zullen we het mee moeten doen.

Dit gedicht lijkt van alles uit te leggen, maar door erbij te zeggen dat het maar een gedicht is, dat het maar tekens zijn en niet meer dan dat, zet Wind het ook meteen weer op losse schroeven. Daarmee wordt het gedicht, wat mij betreft, gered.

Wind heeft wel vaker de neiging uitleggerig te zijn. Een gedicht als ‘Correctie’ zakt erdoor in elkaar. Alles wordt verklaard en voor de lezer blijft er niets meer te genieten over.

Op die momenten verdwijnt de zeggingskracht en jammer genoeg heeft Wind verschillende keren in de bundel zo'n moment. ‘Ooit valt mijn adem stil, trekt mijn zijn / zich terug onder de tekens van een / naam’, lezen we dan, zoals we het zo vaak op zoveel plaatsen hebben gelezen, maar dan misschien zonder dat lelijke ‘mijn zijn’.

Of ‘Dat wit van tanden, blinkend in zacht rood’ of ‘zon / op golvend haar’ of ‘Ademloos strekt de / kust zich uit’. Zulke zinnen of zinsgedeelten doen bijna gemakzuchtig aan. Ik aarzel om zo'n zin te tikken, omdat gemakzucht gewoonlijk het laatste is waarvan ik Wind verdenk. Toch lijkt het alsof hij bij sommige gedichten in deze bundel te weinig kritisch is geweest, alsof ze niet lang genoeg ‘kelder’ hebben gehad, zoals Paul van Ostaijen ooit schreef.

Gelukkig laat Harmen Wind in deze bundel ook zien dat hij veel beter kan. Een zin ‘als een vuist raakte haar mond / mijn lippen’ is bijzonder krachtig, doordat hier twee dingen met elkaar vergeleken worden die wij als tegengesteld ervaren. Ook als lezer word je gezoend door zo'n zin, terwijl je daar alleen van kunt genieten door tegelijk de vuistslag te ontvangen.

In datzelfde gedicht laat Wind de lucht naar adem snakken en mos van dijen kruimelen. Zo lees ik Wind graag. Ik vergeef hem er met plezier de hele afdeling ‘Confrontaties’ voor, waarin ik weinig te beleven had.

Op het moment dat je als lezer aan het werk gezet wordt, kun je ook wel wat voor lief nemen. Zoals bijvoorbeeld in het gedicht ‘Wollegras’: 
Wollegras

Wij merkten wel hoe groot 
het water was geworden. Een 
schuimbekkend monster joeg 
met zijn razende stormloop over 
de vlakte ons ontzetting aan. 

Wij zagen het wel komen door 
het zolderraam, wij voelden wel
het radeloze beven van het huis, 
wij vreesden wel het rauwe brullen 
van dat grote water in de tuin - 

Maar ik rook ook je haren, want het was 
maar een smal dakvenster - en boven dat 
enorme water spiegelde, te midden van zacht 
wollegras, ons kleine wiel, net toen wij wel 
beseften dat de draagmuur het begaf.

Op dit gedicht is van alles aan te merken. Er zijn nogal wat zware woorden in de eerste twee strofen en het zijn niet de meest originele: ‘schuimbekkend monster’, ‘razende stormloop’, ‘ontzetting’, ‘radeloze’, ‘rauwe brullen’. De dichter vertelt het ons expliciet, terwijl hij het beter aan ons had kunnen laten zien, zodat dergelijke woorden als vanzelf in ons opgekomen zouden zijn. En dan is er natuurlijk nog de herhaling van dat grote water dat zelfs ‘dat enorme water’ wordt.

Maar daarnaast blijft dit een intrigerend gedicht, waarin de woestheid van het water gepaard kan gaan met de geur van haren en met zacht wollegras. Dat blijkt zelfs het belangrijkste te zijn, ook als de draagmuur het begeeft.

Laten wij het dan ook maar niet zo erg vinden als sommige muren van dit gedicht wankelen. Er waait een geur van haar doorheen en ergens zien we ‘ons kleine wiel’ en we kunnen ons nog lang afvragen wat de dichter daar nou mee wil. Voor dit soort passages wil ik Wind wel blijven lezen, maar ik hoop ze in zijn volgende bundel wel veelvuldiger aan te treffen.

Eerder schreef ik over Harmen Wind:

woensdag 27 mei 2026

Kijk onder de staart hoe laat het is!

In 2000 vroeg het Nederlands dagblad of ik in de oudejaarsbijlage over een maand van dat jaar wilde schrijven. Dat wilde ik wel, als ik maar vooraf wist welke maand. Nee, ik had geen voorkeur. Het werd november. Ik weet, een kwarteeuw later nog levendig allerlei dingen uit die maand, bijvoorbeeld de treinbrand bij Kaprun en de verkiezing van George W. Bush, waarvoor er een hertelling van de stemming in Florida nodig was. 

Ik zocht naar een vorm om verslag te doen van wat er die maand gebeurde en ik besloot de gebeurtenissen af te wisselen met een terugblik op de novembers van mijn jeugd, waarin er nog aan huis geslacht werd. Het stuk dat ik toen geschreven heb, kon ik zo gauw niet meer vinden, maar ik heb de herinneringen opnieuw genoteerd in een dagboek voor mijn kleinkind, op 7 november 2023. 

In 2000 leefde de slachter nog. Hij kreeg het stuk onder ogen en belde me. 'Het is krek zoals het was', zei hij, wat ik een mooi compliment vond. Of ik het in 2023 op dezelfde manier heb terugverteld of dat mijn geheugen intussen het een en ander heeft veranderd, kan ik niet meer nagaan. 

Voor zover ik weet zijn er indertijd bij ons thuis geen foto's gemaakt van het slachten. Daarom heb ik ergens anders een foto vandaan gehaald. Een keurmeester die het vlees van een varken keurt. De foto vond ik hier, een pagina met veel informatie over de slacht. Die informatie heb ik (toen en nu) niet gelezen. De andere foto heb ik ook gestolen van deze pagina.

Net als bij de eerder gepubliceerde dagboekfragmenten, houdt dit gedeelte vrij abrupt op. Meestal begon ik zonder plan te schrijven en na een bladzijde of drie was mijn concentratie wel op. Dan stond ik op om beneden een kop koffie te pakken en liet het verder rusten. De keer erna begon ik dan over een volgend onderwerp. 


Elk jaar wordt er een keuje (varken) geslacht. Dan komt eerst de keurmeester, Ruysch, langs om te kijken of het varken gezond is. Het is altijd goed. Ik heb het idee dat die keurmeester niet veel doet: hij geeft het varken met de vlakke hand een klap op zijn rug, zodat het een eindje gaat lopen en dan is het al in orde. Dan pakt hij zijn houten hamer, met allemaal pinnetjes op het slagvak van de kop. Daar geeft hij het varken een flinke klap mee. De gaatjes kun je ook na het slachten nog zien.

Een paar dagen later komt de slachter, Piet Petoet. Hij heet Van der Linden, maar hij vindt het mooi als we hem Piet Petoet noemen (of kortweg Piet Toet). Heeft hij ooit in de gevangenis gezeten? Hij is wel vaak druk met stropen. Dat is een soort sport voor hem. Hij kan er mooie verhalen over vertellen.

Zo heeft hij uren in een sloot met water gelegen, terwijl de boswachter vlakbij was. En hij heeft een keer een schot hagel in zijn kont gehad, zodat hij midden in de nacht de dokter uit zijn bed moest bellen om de hagelkorreltjes te laten verwijderen. De boswachter belde ook nog aan bij de dokter, maar die heeft zijn ambtsgeheim, dus die zei niets.

Piet komt op zijn brommer. Voorop heeft hij een veilingkist en daarin staan de spullen die hij nodig heeft. Als hij binnenkomt, roept hij al: ‘Hanneke, hedde het woater heet?’ Mijn moeder heeft natuurlijk al lang water gekookt, op de kachel.

Mijn vader komt er ook bij. ‘We goan een keutje dood maken,’ zegt Piet. Mijn vader gaat mee en ik loop achter hen aan. Het varken wordt uit het hok gehaald en het krijgt een touw aan zijn achterpoot. Piet maakt het masker in orde. Een masker is een soort geweer zonder loop. Het ziet eruit als een proppenschieter. Na afloop vind je soms de huls van het kogeltje.

Piet gaat voor het varken staan en zet het masker voor de kop van het beest. Als hij schiet, trekt mijn vader aan het touw, waardoor het varken omvalt. Piet duikt erop en steekt het varken in de keel. Het bloed komt er met grote gulpen uit.

‘Tunnis, kijk onder de start hoe loat het is!’ roept Piet. Ik voel me heel erg ongelukkig, want ik ben nog maar klein en kan nog niet klokkijken. Dat is wel jammer. Het moet toch heel bijzonder zijn dat je juist nu onder de varkensstaart kunt zien hoe laat het is. Piet en mijn vader moeten er erg lachen dat ik geen raad met de situatie weet.

Het dode varken wordt naar binnen gesleept, de deel over. Je kunt het bloedspoor zien. Tussen de kelder en de wc is er een cementen ondergrond. De rest van de deel is van aangestampte klei en die is nogal hobbelig. De cementen vloer is glad.

Daar staat een grote gaspit. Daarop kookt mijn moeder het water voor de was en als ze moet wecken gebruikt ze die gaspit ook.

Piet vult een ketel met kokend water en dat giet hij uit over het varken. Het is een ketel met een
gebogen tuit. Piet moet verschillende keren heen en weer gaan voor de ketel leeg is. Dan pakt hij een soort ijzeren puntmuts, een hoedje. Daarmee schraapt hij de haren van het varken. Boven aan het hoedje zit een haak. Daarmee wipt Piet de hoefjes van het varken eraf. Het duurt lang voordat Piet alle haren verwijderd heeft. Met een brandertje verwijdert hij de laatste. Dat stinkt, maar het is wel de geur die bij het slachten hoort.

Daarna wordt het varken op de andere zij gerold en dan  gebeurt hetzelfde nog een keer. Ik sta er de hele tijd bij. Piet zegt dat ik met mijn voet op het varken moet drukken en dan begint het te plassen. ‘Dat is de blaas,’ legt Piet uit. Mijn moeder vertelt dat de jongens vroeger voetbalden met een varkensblaas, maar dat heb ik nooit gezien. ‘We maakten er ook een foekepot van,’ zegt ze. Dan werd de varkensblaas over een blik gespannen en er ging een stokje door de blaas. Als je dat stokje op en neer bewoog, maakte het geluid. Ik kan me er moeilijk iets bij voorstellen. Mijn moeder weet ook nog het liedje dat ze daar indertijd bij zong: ‘Ik heb al zo lang met mijn foekepot gelopen.’ Gingen ze ermee langs de huizen? Dat gebeurt allemaal niet meer. Of heeft mijn moeder het niet over een foekepot maar een rommelpot?

‘Hou je hand eens op!’ zegt Piet. Dat doe ik. Dan legt hij een varkensoog op mijn hand. Hij heeft het er net uit gewipt. Ik vind het een beetje griezelig, maar ook wel heel interessant. Piet ziet dat ik me een beetje ongemakkelijk voel. Hij pakt het oog weer terug. Ga maar een krant halen, zegt hij. Dat doe ik. Piet legt het oog op de krant en snijdt het open met zijn mes. ‘Dit is de lens,’ zegt hij. Die legt hij op de letters, die nu ineens heel groot zijn. Het is wonderlijk.

Met een mes maakt Piet aan de achterkant van de achterpoten van het varken de pezen vrij. Daarachter steekt hij een knuppeltje, een rond stuk hout. Hij heeft het varken op zijn rug gedraaid en het ligt nu stijfjes met de poten omhoog. Pa komt al aan met de stalleer.

Het varken wordt op de ladder gelegd en het knuppeltje wordt stevig aan de ladder vastgebonden. Ik weet dat het dier niets meer voelt, maar het lijkt me heel onhandig als je zo moet hangen. Samen tillen Piet en pa de ladder op en zetten hem tegen de muur. Piet heeft de ladder op zijn rug, zoals Jezus ooit zijn kruis gedragen moet hebben of Simson de poorten van Gaza.

Dan hangt het varken, ondersteboven. Bovenaan de achterpoten aan het knuppeltje, onderaan de kop. Piet snijdt de buik open en de darmen komen eruit. Je ruikt een soort lauwe, weeïge lucht. De darmen kletteren even later op de grond. Die zitten vol met poep. Ze moeten schoongemaakt worden, want daar komt de worst in.

Bij de kop moet Piet de bijl gebruiken. Na een paar keer hakken is die in tweeën. Het varken hangt nu helemaal opengeklapt. Piet slaat de plakken reuzel naar buiten. Hij hangt de nieren, het hart en de lever aan een haak in het varken. Hangt de tong er ook bij? Dat is misschien wel het lekkerste van het varken.

De hersenen mag Piet niet weggooien van mijn moeder. Zij gaat ze bakken, met peper en zout. Ik heb ze wel eens geproefd. Ze voelen in je mond een beetje papperig aan. Ik vind ze niet heel erg lekker, maar mijn moeder smult ervan.

Piet en pa maken opmerkingen over hoe vet het varken is. Het moet niet mager zijn, maar te vet is ook niet goed. Aan de ene kant van het varken zie je nog de staart, die kleiner lijkt nu alle haren eraf zijn. Er zit een rood puntje aan. Die staart komt later in de erwtensoep. Ik verheug me er nu al op.

Mijn moeder heeft een laken gehaald. Dat wordt om het varken heen geslagen, zodat de vliegen geen eitjes kunnen leggen in het vlees. Maar om deze tijd van het jaar (altijd november) zijn er eigenlijk geen vliegen.

Dan zit de eerste etappe erop. Nu moet het vlees besterven. Piet gaat mee naar binnen om er een borreltje op te drinken. Dan bederft het vlees niet.

De volgende dag komt de keurmeester weer. Hij moet alle delen van het varken keuren. Ook dat is altijd in orde. De keurmeester heeft een stempel en dat zet hij op al die delen. Het geeft paarse afdrukken.

Dan kan het varken afgehakt worden. Van tevoren is afgesproken op welke dag het keuje klein gemaakt zal worden. Mijn moeder heeft gezegd wat ze wil: gehakt, karbonaden, speklappen.

Het worstmachien wordt op de rand van de tafel geschroefd. Piet hakt de karbonaden. Het vlees gaat in teilen. Mijn moeder doet het allemaal in porties in plastic zakken. Dat gebeurde vroeger niet. Toen kon je maar twee dingen doen: pekelen of wecken. In onze kelder zit nog de pekelbak.

Piet draait het gehakt en de worst, met dezelfde worstmolen. Eerst vlees en spek door de gehaktmolen. Je kunt er aan het eind een ijzeren schijf voor draaien met gaatjes. Voor de worst gaat er aan het eind een buis. Daarover gaat de darm en die wordt gevuld met de ‘mèt’. Af en toe knijpt Piet in de darm. Daar begint een nieuwe worst. Straks moet hij ze lossnijden en afbinden. Het is al met al een heel werk.

Mijn moeder heeft een weckketel opgezet. Ze maakt leverworst en hoofdkaas. In de hoofdkaas gaat het vlees van de kop van het varken. Je kunt de hoofdkaas warm eten, maar dat doen we eigenlijk nooit. Alleen om te proeven of er genoeg kruiden in zitten. De hoofdkaas kun je ook in de azijn zetten. Dan heb je zure zult. Ook lekker, maar ik heb liever de gewone hoofdkaas. We zullen die vaak op brood hebben.

De leverworst is eigenlijk geen worst, maar een soort paté. Grijs, zoals de leverworst bij de slager. Er is ook wel roze worst, maar daar zit kleurstof in.

Vlees wecken deed mijn moeder vroeger wel, maar nu er diepvries is, gebeurt dat niet veel meer. Worst gaat naar de rokerij, net als een ham. Soms wordt er ook rookvlees gemaakt. Dat is lekker, maar je kunt het maar moeilijk dun snijden en dan moet je soms wel hard kauwen om die dikke plakken weg te krijgen.

Wat naar de diepvries moet, komt in teilen te staan. Dan worden er voor de familie ‘hutspotjes’ gemaakt. De familie mag immers ook proeven van het geslachte varken: elk gezin krijgt een worst en wat vlees. Ik breng de hutspot voor tante Annie weg, die in de Dijkstraat woont. De opa’s en oma’s krijgen ook een hutspot.

Het ‘afhakken’ is een heel gedoe en mijn moeder heeft nog best wel veel werk met de hoofdkaas, de leverworst en het koken van de nieren, de lever, het hart, de tong. Maar het is wel de moeite waard. Gewoon brood eten wordt een feestmaal omdat je dan lever, hart of nier op je brood kunt doen.

dinsdag 26 mei 2026

Liefde, als dat het is (Marijke Schermer)

Je kunt niet alles lezen. Soms ben ik nieuwsgierig naar een boek, maar dan komen er weer andere boeken op mijn pad en zakt de nieuwsgierigheid weg. Aan de ene kant is dat jammer, maar daardoor kun je op een later moment ineens verrast worden als je dat half vergeten boek toch nog leest. 

Zo verging het mij een beetje met Liefde, als dat het is van Marijke Schermer. Ik vermoed dat ik er bij verschijnen niet zoveel over gelezen heb, maar ik vond toen al wel, dat het een prachtige titel had. Toen ik twee jaar geleden In het oog gelezen had (link onderaan), was ik nieuwsgierig naar eerder werk van Schermer. Liefde, als dat het is heb ik nu gelezen. Noodweer ligt nog op de stapel. 

Terri en David

Er komen niet eens zo veel personages voor in Liefde, als dat het is, maar ik heb de neiging om de namen door elkaar te halen, dus ik zet ze eerst maar even op een rijtje. Centraal staan Terri en David. Ze zijn zo'n vijfentwintig jaar getrouwd en hebben twee kinderen, Krista (15) en Ally (12). Voor Terri is het na al die tijd op. Het huwelijk tussen haar en David was niet direct slecht, maar het benauwt haar. Ze begint een affaire met Lucas, een heel ander soort man. Na verloop van tijd betrekt ze een eigen appartement. 

David noemt de scheiding een natuurramp, maar hij begint na een tijdje toch te daten, met Sev. Die wil 'geen relatie, alleen dit eiland in de tijd'. Krista zet haar eerste stappen op het pad van de liefde, met Rafik. Als lezer zit je beurtelings in de hoofden van de verschillende personages. 

Het boek begint in de zomer, als Sev en David elkaar al kennen en daarna pas krijgen we de voorgeschiedenis te lezen in de afdeling 'De herfst daarvoor'. Het benauwde gevoel dat Terri ervaart, is goed na te voelen, maar net zo goed het onbegrip van David, die misschien wel nooit echt over de relatie heeft nagedacht. 

Misschien gaat zij wel zeggen dat ze al langer niet meer gelukkig was. Moet hij dan zeggen dat hij niet zozeer gelukkig was, maar dat het op het moment dat zij haar bom liet vallen helemaal geen relevante vraag was. Gelukkig, ongelukkig, waar gaat het over? Ze leefden gewoon. En er was liefde. Wat was het anders?

Maar nu het voorbij is, ontkomt niemand meer aan het overdenken. David denkt ook na over 'het eindeffect van Kahneman, de theorie die zegt dat je een periode, zoals een huwelijk, niet meer kunt zien zoals die werkelijk was, door het effect dat het einde van die tijd heeft op je gevoel erover.'

Schuldgevoel

En het einde van deze relatie heeft weer effect op het begin van de volgende relatie. Lucas is heel anders dan David, zoals Sev heel anders is dan Terri. Op een gegeven moment denkt Terri van Lucas dat hij walgelijk is.

Voor het eerst dacht ze: hij is walgelijk. Maar er was iets in haar dat vond dat ze zijn walgelijkheid verdiende, dat zij zich eraan onderwerpen moest. Het is een straf, straf voor het verlaten van haar gezin, straf voor het volgen van de lust in haar, straf voor het jarenlang verwaarlozen van die lust in haar, straf dat die lust überhaupt bestaat in haar, een verborgen gevoel van waardeloosheid dat erkend, verzadigd en bevestigd wordt als ze zich laat gebruiken, zo, hier, zoals hij dat wil. 

Terri worstelt ook met een schuldgevoel. De scheiding heeft bijvoorbeeld behoorlijk wat gevolgen voor de kinderen. Krista eet een tijdje nauwelijks meer en ze weigert ook op bezoek te bij Terri in haar appartement. 

Door het besluit dat Terri genomen heeft, is veel aan het schuiven gegaan en ze vraagt zich af wat er nog wel vaststaat.

Ze weet dat ze van haar kinderen houdt, maar nergens in zich kan ze dat gevoel nog vinden, ze legt haar hoofd op de tafel. Kan dat? Kan je op een dag wakker worden en de liefde kwijt zijn? is ze gek aan het worden? Is liefde een gewoonte? Of een wilsbesluit? Is er iets, iets echt, waar?

De nieuwe situatie heeft Terri niet direct geluk gebracht, zegt ze, maar ze is wel anders gaan kijken naar haar ongelukkigheid. 

Troost bij de pijn, pijn bij de troost

David gaat af en toe naar Sev, die zich juist nooit heeft willen overgeven aan het gelukkige gezin. Ze ziet David in het begin ook als een onderzoeksproject, maar het samenzijn met David (die haar overigens geheim houdt voor zijn dochters), heeft ook zijn invloed op haar. 

Zolang hij met me vrijt zoals hij doet, denkt ze, zo zacht en vol, levert hij de troost bij de pijn en de pijn bij de troost. Dat is vreemd aan de liefde, de liefde is het medicijn dat je zonder diezelfde liefde niet nodig had. 

Af en toe wordt er teruggeblikt op eerdere relaties, maar om het niet te ingewikkeld te maken, laat ik dat nu rusten. 

Krista heeft Rafik ontmoet. Zij staan juist aan het begin van een relatie. Er is een scène waarin Krista en Rafik in huis zijn en David ook naar huis komt. Terri komt ook, maar die wordt door Rafik tegengehouden, op verzoek van Krista. Iedereen worstelt nog met de resten van de oude relatie en begint waar aan een nieuwe, waarvan ook weer niet duidelijk is waar die op uitloopt. 

Iedereen denkt na over de liefde en wat dat nu eigenlijk is. Is het een gewoonte? Een besluit? Bestaat liefde alleen zolang je erin gelooft? En wat als dat geloof er niet meer is? En moeten de relaties zich ontwikkelen zoals ze nu eenmaal doen of hebben we daar een keus in? En als we kiezen, welke gevolgen heeft zo'n keuze dan voor onszelf of voor anderen?

Liefde, als dat het is is een bijzonder boek. Prachtig geschreven, fraaie dialogen, scherpe observaties. Of er zoveel antwoorden worden gegeven, weet ik niet, maar de vragen zijn interessant en eigenlijk moet je altijd door de antwoorden heen om bij de juiste vragen te komen. 

Je zou kunnen zeggen dat er niet zo heel veel verhaal in deze roman zit. Maar in de hoofden van de personages gebeurt er heel veel en dat wil je als lezer maar al te graag volgen. Er zit niets anders op: ik zal Noodweer ook moeten gaan lezen. 

Eerder schreef ik over:

maandag 25 mei 2026

De legende van Karabala 1: De overval


Van de stripuitgeverij C-Edition heb ik hier nog nooit wat besproken. De uitgeverij bestaat al een tijdje, maar het was me een beetje ontgaan. De laatste tijd kwam ik advertenties tegen en ik op een stripbeurs stond de uitgeverij met een kraam. De uitgever, Berny Boer, was zo vriendelijk mij enkele uitgaven te sturen en die ga ik de komende tijd bespreken. Omdat ik bij mijn besprekingen de uitgeverijen wat afwissel en ik ook nog het een en ander van Scratch, Silvester, Arboris en Lauwert heb liggen (en misschien van nog meer uitgeverijen), zal het dus een paar weken duren voor de volgende uitgave van C-Edition aan bod komt. 

Wie op de site van de uitgeverij kijkt, ziet dat er intussen al een aardig fonds is. Verder is het bijzonder dat C-Edition zich nadrukkelijk profileert als een uitgeverij die maatschappelijk verantwoord wil ondernemen. Een percentage van de opbrengst wordt bijvoorbeeld geschonken aan projecten op het gebied van  opvang van weeskinderen en aan educatieve projecten. Ook staat C-Edition klimaatneutraal ondernemen voor, wat nog best een uitdaging zal zijn. 

Een van de reeksen van C-Edition is De legende van Karabala, een van oorsprong Turkse strip, gemaakt door Hikmet Yamansavaşçılar. Er zullen zo'n tien tot twaalf delen uitkomen. Het eerste deel is De overval. Het verhaal speelt zich 'duizenden jaren' geleden af 'in een onbekend oord'. Dat 'duizenden' is natuurlijk overdreven. Op de eerste tekening komen ruiters voor en mensen en paarden leven misschien 'pas' vijfduizend jaar in elkaars omgeving. 

De aanduiding van tijd en plaats geeft waarschijnlijk aan dat het verhaal fictie is, zoals ook nog eens nadrukkelijk aan het begin van het album vermeld is. 

Het is bitter koud en een groep ruiters valt een nederzetting aan, onder aanvoering van twee broers, Edige en Balkar. Hun doel is een vrouw, Ecey, die zich in een van de tenten bevindt. Verder zal iedereen gedood worden. 

Ecey weet te vluchten. Het is verschrikkelijk koud, maar zij vlucht op blote voeten, schaars gekleed. De dik ingepakte krijgers kunnen haar gevangennemen, maar ze verwijten haar wel dat ze op de vlucht is geslagen: 'Door jou zijn we bijna bevroren'. Dat Ecey, nauwelijks gekleed, nog kan functioneren, is een wonder. 

Ze wordt ontzet door een wonderlijk figuur, met een rode sjaal voor zijn gezicht. De roofvogels, de adelaars, lijken hem te gehoorzamen. Edige keert terug naar zijn vader, de keizer der keizers, de almachtige Mar Hanin, met zijn zwaargewonde broer Balkar, de troonopvolger, oogappel van zijn vader. Verder is er nog een broer, Algan, die kritisch kijkt naar het gedrag van zijn broers. 

Dit eerste deel van de reeks lijkt de decorstukken neer te zetten waarvoor het verhaal zich afspeelt. Mar Hanin met zijn dwarse zoons, de geheimzinnige figuur aan wie de vogels gehoorzamen en de mooie Ecey, die voor geen kleintje vervaard is. 

De vogelman is een intrigerende figuur. Wat is zijn missie? En hoe komt het dat de vogels hem gehoorzamen? En de zonen van Mar Hanin zitten duidelijk niet op dezelfde lijn. Het verhaal is van start, maar het moet duidelijk nog op gang komen. 

Aan het begin is er erg veel geweld. Het extreme ervan is misschien onnodig of onsmakelijk, maar mij stond nog meer tegen dat het onwaarschijnlijk is. Een heel dorp uitmoorden, waarbij de krijgers zelf gevaar lopen, alleen om een vrouw te kunnen ontvoeren - dat lijkt me sterk. De onwaarschijnlijkheid van iemand die zo schaars gekleed is in een zo koude omgeving heb ik al genoemd. 

Aan het eind van het album gekomen, had ik wel enige interesse in de serie, maar ik was nog niet helemaal overtuigd. De reeks zal zich duidelijk nog moeten bewijzen. De tekeningen van Yamansavaşçılar zijn wel in orde. Sommige buitenscènes zijn bijzonder fraai en sfeervol en ze roepen goed de omgeving en de winterse omstandigheden op. Bij andere tekeningen zijn de decors soms erg sober. Dan lijkt het alleen maar om de personen te gaan. 


De vertaling is Ahmad Resh en die leest prettig. Op bladzijde 29 mist een ballonnetje tekst, maar dat kan gebeuren. Het is ook wel eens gebeurd in albums van Asterix. 

Deel 2 heet Verbrijzelde slaapzalen en deel 3 en 4 komen wellicht dit jaar nog uit. 

Achter in het album is drie bladzijden artwork opgenomen en dat voelt een beetje als een cadeautje. Voor de liefhebbers is er ook artwork te koop.

Reeks: De legende van Karabala
Deel 1: De overval
Tekst en tekeningen: Hi202kmet Yamansavaşçılar
Vertaling: Ahmad Resh
Uitgever: C-Edition
2023, 56 blz. €12,50 (softcover)

vrijdag 22 mei 2026

Afgestoft: Klaagliedjes (Judith Herzberg)

Maar weer eens een poëzierecensie afgestoft. Het is de recensie van Klaagliedjes van Judith Herzberg uit Liter nr. 66, jaargang 15 (2012). Zo heel veel heb ik trouwens niet gedaan aan het afstoffen. Alle citaten uit de gedichten stonden in de oorspronkelijke recensie weergeven als de rest van de tekst, met slashes op de plaats waar een volgende regel begon. Dat kwam waarschijnlijk omdat ik toen de gedichten niet in hun oorspronkelijke vorm kon/mocht citeren. 

Hier heb ik de zinnen weer onder elkaar geplaatst. Waarschijnlijk zijn het maar plukjes uit gedichten en had ik dat strikt genomen aan moeten geven met (...). Dat heb ik niet gedaan, maar ik vermeld het hier. 

Klaagliedjes gaat over een rouwende vrouw, maar ook over een verwoeste stad. Tussen 2012 en nu zijn er heel wat steden verwoest en zijn er heel wat rouwende mensen bij gekomen. De bundel zal wel altijd actueel blijven, vrees ik. 


Ach bed, ach straat


Veertig jaar geleden publiceerde Judith Herzberg 27 liefdesliedjes, een bundel gedichten die geïnspireerd waren op het Bijbelboek Hooglied. In de gedichten bleef ze dicht bij de Bijbeltekst. Van gedicht tot gedicht kon je de corresponderende teksten in de Bijbel aanwijzen.

Nu is er de bundel Klaagliedjes, die ontstond nadat de componist Boudewijn Tarenskeen aan Herzberg vroeg een tekst te schrijven voor een muziekstuk dat gebaseerd was op de Klaagliederen.

Die Bijbelse Klaagliederen zijn eigenlijk alleen in de eerste gedichten herkenbaar. In het eerste hoofdstuk van het Bijbelboek wordt de stad Jeruzalem vergeleken met een weduwe. Herzberg keert de zaken om: de hele bundel door toont ze een treurende vrouw, die ze vergelijkt met een verwoeste stad: ‘Als een vernielde stad die ooit vol pracht / en leven was, zit zij daar, verloren, armlastig.’ Daarmee is Klaagliedjes een bundel over rouw geworden.

Het is nog niet zo gemakkelijk om die rouw te verwoorden. De weduwe moet voor de rouw nog een taal leren. De woorden die ze kent, zoals ‘diep verdriet’ voldoen niet. Het is ook nieuw voor haar dat er een verdriet is waaraan ze geen einde ziet.

Fraai is het gedicht waarin de vrouw het huis tekent: 
De ramen hangen scheef 
in de gerimpelde kozijnen, 
ze zijn beslagen, één veeg 
en je ziet weer even 
wat zien had kunnen zijn.
Natuurlijk verandert het huis als de geliefde er nooit meer kan zijn, maar tegelijk heb je het idee dat de rouwende vrouw zelf dat huis wordt, met de klemmende of kierende deuren, een woning waarin niets meer precies past.

Behalve op de Bijbel gaat Klaagliedjes terug op A mind of my own: my life with Robert Maxwell, van Elizabeth Maxwell. Robert Maxwell was een gevluchte Tsjech, die in Engeland lid van het Lagerhuis werd en een media-imperium opbouwde, dat na zijn dood ineenstortte. In verschillende gedichten in Herzbergs bundel is er een Maxwell-achtige overledene terug te vinden: 
Zijn fondsen bleven rijzen 
er kwamen huizen, fabrieken 
paleizen, of het fortuin 
vrijwillig aan hem kleefde.
In die gedichten zie je een weduwe die haar overleden man niet idealiseert, maar wel solidair met hem blijft: 
Bij hem moest “geven” groots,
en met aplomb, galmend
in alle kranten staan.

Ik snapte dat.

Maxwell werd na zijn dood wel van fraude en corruptie beticht. Herzberg schrijft: 
Corruptie vind ik een vulgair begrip
ik houd het liever op
verwonderlijke kastekorten.
En meteen daarna: 
Ach bed ach straat 
ach laan ach plein 
ach stad. Ach dak.
Op het moment dat de weduwe het begrip ‘corruptie’ nuanceert, lijkt ze alles onder controle te hebben, maar direct erna volgt haar klacht, die als het ware door haar zelfbeheersing heen breekt.

Verder geeft Herzberg aan dat ze Beim Häuten der Zwiebel gelezen heeft, de memoires van Günter Grass. Indertijd deed het boek nogal stof opwaaien, vanwege de onthulling dat Grass ooit lid van de Waffen-SS was geweest. Het verband tussen dit boek en Klaagliedjes is mij niet helemaal duidelijk. Misschien zit dat in het ophalen van herinneringen die pijnlijk kunnen zijn.

Niet alle gedichten van Herzberg spreken mij even veel aan, maar eigenlijk geeft dat niet. De bundel als geheel geeft goed weer wat er met iemand gebeurt die een geliefde verliest. Je bent verwoest, zoals dat met een stad kan gebeuren. En nooit ben je meer te helen, omdat er een verlangen blijft dat niet meer te vervullen is: 
Ik slaap denk praat koop bied 
leef loop ren rem val til en bouw 
voor om door ondanks dankzij jou 
en ik verlang naar jou.

donderdag 21 mei 2026

De ziener (S. Vestdijk)


Het is al bijna twee jaar geleden dat ik een boek van Simon Vestdijk las, zie ik. Link naar de bespreking vind je onderaan. En ik had me nog wel voorgenomen om elk jaar iets (en zo mogelijk meer dan iets) van hem te lezen. Al was het maar om de norm weer helder te krijgen: zo ziet een goed boek eruit. 

Natuurlijk is niet elk boek van Vestdijk even goed. Hijzelf vertelde in een interview aan Clara Eggink (De Telegraaf, 13 november 1959) dat hij bij herlezing zijn romans De vuuraanbidders en Het vijfde zegel 'bar vervelend' had gevonden. Maar van zijn formuleerkunst geniet ik ook in de wat mindere romans. 

Al een tijdje had ik een stapeltje Vestdijk klaarliggen en daarvan heb ik nu De ziener gelezen. Ik wist dat het boek over een voyeur ging. Een collega bij de Staatsexamens vertelde me dat ik in die voyeur vooral ook de schrijver moest zien, dus dat heb ik in mijn achterhoofd gehouden toen ik het boek las. 

De ziener verscheen in 1959. Ik las de tweede druk uit 1966. Daar staat op de achterflap een citaat uit de recensie van H.A. Gomperts, Het Parool,  31 oktober 1959. Die ziet in de voyeur duidelijk de schrijver. 


Die link was niet zo heel moeilijk te leggen, want op de achterkant van de eerste druk was ook al duidelijk gemaakt dat de voyeur staat voor de schrijver. Ondanks die aanwijzing, wilde of kon niet iedereen die parallel zien. 

De recensent van de Arnhemsche Courant,1 december 1959, schreef:


Bij oudere boeken wordt soms op de achterflap al het hele verhaal uit de doeken gedaan, zonder dat men blijkbaar bang was voor spoilers. In hoeverre dat bij de eerste druk gebeurd is, weet ik niet, maar wel dat ons er nadrukkelijk op gewezen wordt dat De ziener niet alleen gaat over voyeurisme, maar over het schrijverschap. 

Ik veronderstel dat dat gebeurd is omdat men het onderwerp controversieel achtte. In de recensies wordt de hoofdpersoon vaak negatief getekend. De recensent neemt duidelijk afstand van Pieter le Roy. Enkele woorden die ik in recensies las: 'bepaald onfris', 'miezerig', 'een ietwat drabbige nietsnut', 'een geestelijk en sexueel gestoorde'. 

Pieter le Roy

Over wie hebben we het eigenlijk? Het betreft Pieter le Roy, een in het zwart geklede man, met een breedgerande hoed op. Hij woont nog thuis, bij zijn moeder, en heeft een postzegelverzameling. Hij vervult een adviseursfunctie bij een lompenhandel, maar die baan stelt eigenlijk niks voor, al probeert hij zich wel belangrijk te maken. In de loop van het boek raakt hij het baantje ook nog kwijt. Dat is misschien een spoiler, maar om spoilers bekommer ik mij niet in dit stuk. Volgens mij is een roman van Vestdijk altijd de moeite waard, ook als je al weet hoe die afloopt. Maar mocht je liever in het ongewisse blijven, lees dan de rest van dit stuk niet. 

Le Roy houdt ervan vrijende paartjes te bespieden. Hij weet dat hij daarbij betrapt kan worden en dat windt hem op. Zeker als hij dan ook daadwerkelijk betrapt wordt en een pak slaag krijgt. Het is hem niet om die aframmeling te doen, maar het moment er vlak voor. 

Maar zolang ze hem niet lam sloegen, of voor het leven verminkten, dan maakte ook dàt geen verschil. Het was de prijs nu eenmaal, de onaangename kant. Het allerlaatste. Het voorlaatste was heerlijk. Als ze op je afkwamen. Er zou een middel moeten bestaan om ervoor te zorgen, dat ze op je afkwamen, en dan niet sloegen. Maar als ze niet sloegen, dan wist je ook niet of ze op je af waren gekomen om te slaan en dat hinderde niet voor één keer, maar wel voor de volgende en daarop volgende keren, want dan zou je niet meer geloven dat het ernst was. 
Overigens overdreef hij, want in de vier of vijf jaar, waarin het misschien honderd of honderdvijftig maal gebeurd was, hadden ze hem niet meer dan twintig maal geslagen, ruim berekend. 
Verderop in het boek zal hij tegen iemand nog duidelijker uitleggen wat dat moment, vlak voor een aframmeling met hem doet:
Wanneer zo'n stel dan op me afkomt, of de jongen alleen, dan voel ik me opeens gelukkig. Dan is het of er iets geweldigs gaat gebeuren, een mooi feest, of een geweldige natuurramp, of een veldslag waarvan je niet weet hoe het zal aflopen, - een geweldige spanning, iets beslissends in je leven, - (...)

Le Roy is ook een intrigant. Bij een kaatswedstrijd doet er iemand mee wiens been niet helemaal in orde is. Le Roy wil dat dan wel even melden. Hij komt het huis van de notaris Thieme Bakker binnen en neemt schrijfpapier van hem mee om op dat papier te vertellen dat er een speler meedoet die eigenlijk geweerd zou moeten worden. 

Juffrouw Rappange en Dick

In het huis van Le Roy en zijn moeder worden kamers verhuurd en een ervan is verhuurd aan juffrouw Rappange, een docente Frans, 34 jaar oud. Er wordt expliciet door Vestdijk verteld dat ze niet knap is. Een andere belangrijke figuur is Dick, een scholier uit de hoogste klas van de hbs. Die heeft het ooit voor Le Roy opgenomen toen die een aframmeling kreeg. Volgens Le Roy heeft Dick zijn leven gered. 

Dick Thieme Bakker komt wel eens bij juffrouw Rappange op de kamer en Le Roy schrijft daarna twee anonieme brieven waarin verteld wordt dat de twee 'een liaison' hebben. Zowel de directeur van de school als de vader van Dick krijgen de brief. 

De ontvangers spelen open kaart. Thieme Bakker vertelt het aan zijn zoon en de directeur bespreekt het met enkele personeelsleden. In de hele roman zijn de personen vrij eerlijk tegenover elkaar: Dick bespreekt het met juffrouw Rappange en zij besluiten zich niets aan te trekken van de publieke opinie en elkaar regelmatig te zien in verband met bijlessen, die Dick eigenlijk niet nodig heeft. 

Aan de ene kant wil Le Roy graag dat juffrouw Rappange en Dick een relatie beginnen, zodat hij ze kan beloeren. Daartoe klimt hij in een boom en vandaaruit kan hij in de kamer van Rappange kijken. Hij wordt gezien en ook nu weer wordt er open kaart gespeeld: Dick spreekt Le Roy aan en juffrouw Rappange gaat ook een gesprek met hem aan. 

Aan de andere kant lijkt het erop dat Le Roy die twee ook gewoon een relatie gunt: Dick heeft immers zijn leven gered en juffrouw Rappange is altijd vriendelijk en ze bewaart buitenlandse postzegels voor zijn postzegelverzameling. In die zin is zijn gemanipuleer een daad van liefde. 

Door de omstandigheden worden de twee naar elkaar toe gedreven, zonder dat ze daaropuit zijn. Uiteindelijk vertrekt juffrouw Rappange en daarvan stelt Le Roy Dick meteen op de hoogte, zodat hij haar op station misschien nog kan treffen. 

De voyeur en de schrijver

Le Roy staat dus voor de schrijver: hij creëert situaties en kijkt er van een afstandje naar, maar neemt er eigenlijk niet aan deel. Nol Gregoor, aan wie De ziener is opgedragen, heeft ooit over Vestdijk gezegd dat hij schrijft om niet te hoeven leven. Dat is misschien wat kras uitgedrukt, maar een schrijver moet het in ieder geval hebben van zijn verbeelding. 

Le Roy kijkt niet alleen naar vrijende paartjes, maar soms fantaseert hij ook wat er allemaal kan gebeuren. Dan is zijn verbeelding volop aan het werk. Zo stelt hij zich voor dat zijn zus Tine loopt naast Roukema (van de lompenhandel), hoewel die twee nog nooit een woord gewisseld hebben.  

Le Roy manipuleert mensen, maar hij kan niet voorspellen hoe ze zullen reageren. Misschien heeft ook de schrijver zijn personages niet altijd in de hand en gaan ze uiteindelijk in de roman hun eigen gang. De schrijver kan dan alleen noteren wat er gebeurt: hij is de voyeur die het allemaal ziet, maar er uiteindelijk niets aan kan doen. 

Je zou kunnen zeggen dat de titel De ziener ironisch is: het gaat om iemand die ziet, een loerder, maar niet om een soort profeet. Maar misschien is er ook een minder ironische kant aan de titel. Le Roy voorziet dat Dick en juffrouw Rappange uiteindelijk samen zullen komen, dat er misschien wel een liefde tussen hen zal groeien. 

In een gesprek met juffrouw Rappange probeert Le Roy uit te leggen wat de reden is van voyeurisme en dat het niets te maken heeft met nieuwsgierigheid. 
Je kunt het vergelijken met God. God ziet óok alles, terwijl Hij toch niet ingrijpt, tenminste normaal niet, en Hij doet dat ook niet uit nieuwsgierigheid, want Hij weet alles van tevoren.
God is de schepper bij uitstek, maar ook degene die alles voorziet, die weet wat er gebeuren zal. Zowel Le Roy als de schrijver zijn daarin met hem verwant. 

Dat juffrouw Rappange uiteindelijk vertrekt, komt doordat ze weet hoe Le Roy alles opgezet heeft. Ze zegt dat ze niet kon blijven, omdat ze zich dan altijd een creatuur van Le Roy zou voelen en Dick ook. 

Van De ziener heb ik zeer genoten. In het eerste hoofdstuk leren we Pieter Le Roy kennen, maar voor mijn gevoel was het allemaal nogal ongericht. Langzaam kom je erachter met wat voor persoon je te maken hebt. Vestdijk switcht vaak van perspectief en daar lijkt weinig systeem achter te  zitten, maar daar wende ik tijdens het lezen snel aan. 

Het boek wordt in de loop van het verhaal alleen maar spannender en je komt dan als lezer dichter bij de personages en leeft meer met hen mee. Mooi boek. 

Koppelaar

Mijn collega bij de staatsexamens vertelde me dat hij ook gelezen had wat Pauline Slot en Maarten 't Hart over deze roman geschreven hebben en dat zich erover verbaasd had dat die niet ingingen op de koppelaarsrol van Le Roy. Volgens hem is Le Roy juist dan te vergelijken met de schrijver. Hij brengt de twee immers samen door brieven te schrijven. 

Dat is zo, al zie ik de schrijver net zo goed, zo niet meer, terug in de verbeelding van Le Roy, in zijn manipulatie, in zijn rol van buitenstaander. 

Dat Le Roy de opzet heeft om juffrouw Rappange en Dick samen te brengen, staat expliciet in het boek en het komt ook terug in verschillende recensies die indertijd verschenen. Dat Slot en 't Hart dat niet noemen, is dan wel vreemd, maar ik heb hun boeken niet gelezen en misschien past dit gewoon niet in wat ze over dit boek wilden schrijven. 

Ontvangst

De recensies die indertijd verschenen zijn, zijn overwegend positief. De recensent van De tijd De Maasbode  van 31 oktober 1959 vindt de roman niet zo geslaagd, omdat hij vindt dat het verhaal lijdt onder de symbolische betekenis ervan:


In Het Parool  van 31 oktober 1959 bespreekt H.A. Gomperts De ziener. Hierboven citeerde ik daar al wat uit. 
De mensen die Vestdijk plegen te beschuldigen van een ongezonde voorkeur voor onfrisse en morbide onderwerpen, krijgen dus met dit boek heel gemakkelijk gelijk. Maar zij zouden zich toch vergissen, als zij meenden dat het deze schrijver alleen om het nogal groezelige genoegen van het bekijken van zo'n bekijker te doen was. 
Hij bespreekt de roman tegelijk met een deel uit de Anton-Wachterreeks, De rimpels van Esther Ornstein, 'als roman een van Vestdijks zwakste boeken'. Over De ziener is hij alleen maar positief. 

In het Zutphens Dagblad van 9 november 1959 heeft Willem Brandt wat meer reserves. Hij vindt De ziener een beetje een herhaling van Het glinsterend pantser en hij vindt het verhaal hier en daar te veel uitgesponnen. Toch eindigt hij zijn recensie met:


Ronduit lovend is B. Stroman, de recensent van het Algemeen Handelsblad, 19 december 1959. Hij gaat uitgebreid in op de parallel met het schrijverschap en vindt De ziener ontroerend.  


Ook noemt hij de scène waarin misschien wel het duidelijkst blijkt dat Le Roy van een afstand toekijkt. Hij vernielt dan zijn dierbare postzegelverzameling en bekijkt tegelijkertijd zichzelf van een afstandje. Het is een prachtige passage. 
Maar onderwijl, alsof hij in een hoek van de kamer zat toe te zien, zag hij zichzelf aan de tafel het album vernielen, blad voor blad in tweeën en vieren scheuren, soms door de postzegels heen, soms vlak er naast. Daar zat hij, die andere Le Roy, hij zat daar met een doodsbleek gezicht en met tranen in de ogen iets te doen dat hij niet wou doen, een nogal nare vent om te zien, straks zou hij zijn domineeshoed opzetten en de straat opgaan, te beroerd voor een doodschop, - maar hij zat daar, en hij verscheurde zijn eigen postzegels, als de bewijzen van zijn schande, de paspoorten van zijn korte reizen, de zinnebeelden van zijn hart. 
Dat de recensent geroerd is, dat de roman hem aangesproken heeft, komt terug in meer recensies. In de Volkskrant van 3 december 1959 schrijft Gabriël Smit een niet zo lange bespreking, maar hij is heel lovend. Hij schrijft dat hij vaak een kille afstandelijkheid ervaart bij het lezen van het werk van Vestdijk, maar dat dat nu helemaal niet het geval is. De manier waarop Pieter le Roy beschreven is, vindt hij zelfs ontroerend. 

Hetzelfde overkwam de recensent van Trouw, 27 februari 1960, die vooraf niet zo'n zin had in een boek van Vestdijk, maar dit een ontroerende roman vindt. 

 
Hij noemt in het stukje hierboven dat er romans zijn die hij 'vervelend of om andere reden onaanvaardbaar' vindt. De recensent, v D., moest natuurlijk wel zijn christelijke lezerspubliek in het oog houden. Hij eindigt zijn bespreking dan ook met:
Een knappe, boeiende, verrassende roman. Wij wijzen er onze lezers nadrukkelijk op, dat dit niet een christelijke roman is en dat de auteur zich in sommige gesprekken een voor zijn sujetten kenmerkend gebruik van platte woorden veroorlooft, een gebruik dat ons tegen de borst stuit en dat vermeden kan worden. 

Stijl

Afgezien van hoe knap de roman is of hoe boeiend het verhaal is, bij Vestdijk zijn er ook altijd weer zinnen die opvallen, omdat ze verrassende beelden bevatten. Ik geef drie voorbeelden.

Het waren twee oude warmoezeniershuisjes, kleumig tegen elkaar aangedrukt, de kinds geworden gevelgezichtjes naar hun oude straatweg gekeerd.

In zulk een neerslachtige toestand kwam hij bij de directeur aan, met zulke sprekende gebaren van rouwbetoon, als een oudtestamentisch profeet die een andere profeet de ondergang van de de tempel komt aanzeggen (...).  

Was de directeur niet slaperig, dan ging er nog heel wat gezag van hem uit, vooral wanneer hij losweg bevelen gaf over enkele meters afstand, waarbij zijn oogspleten zich samenknepen en zijn stem een dwingende galm aannam; hij was dan als sommige legeraanvoerders, die in de open lucht, met wat kruitdamp, veel meer waard lijken dan tijdens een krijgsraad in de tent; men zag dan, dat hij misschien wel een domme man was, traag van begrip, gauw in de war wanneer men men hem haastte, maar geen onbeduidende man. 

De meeste recensies van De ziener waren positief en dat oordeel werd nog eens onderstreept door de jury van Romanprijs van de stad Amsterdam, die eind 1960 de prijs toekende aan Vestdijk voor De ziener

Nijmeegsch Dagblad, 29 december 1960


Eerder schreef ik over ander werk van Vestdijk: