![]() |
| Met Pa en Ma |
Van mijn eerste jaren zal me niets bijblijven, maar er is mij genoeg over verteld. Mijn vader werkt overdag in de boomgaard of bij de beesten, maar hij is er altijd bij het eten. Als hij binnenkomt, hup ik op en neer in de kinderstoel. Zo blij ben ik dan dat ik hem zie.
In het fruit is het druk. Soms komt een oom meehelpen, maar vaak staan mijn ouders er alleen voor. Onze achterste boomgaard grenst aan het huis van de dominee. Als ome Ab daar de ladder in een perenboom heeft staan, zingt hij ‘Hey baberiba!’, zo hard en zo vaak dat hij daarmee dominee de tuin uit jaagt.
Mijn moeder plukt mee. Er zijn niet alleen appels, peren en pruimen te oogsten, maar ook bramen, frambozen, rode en zwarte bessen en kruisbessen. En misschien staat er ergens ook wel een bedje aardbeien. Voor mij is er geen oppas. Mijn moeder zet mij in een veilingkist, dicht bij haar, zodat ze haar oog op me kan houden.
Ze werkt natuurlijk ook in huis. Dan zingt ze veel. Het nummer ‘Hou je echt nog van mij Rockin’ Billy?’ is mijn favoriet. Als ik een beetje kan praten, vraag ik erom: ‘Kokke Billy’.
Na anderhalf jaar wordt mijn zus geboren. Een zware bevalling. Ze weegt ruim tien pond en ze komt ook nog in stuitligging. De huisarts heeft nog geprobeerd haar te draaien toen ze nog in de buik zat, maar dat is niet gelukt. Mijn moeder moet hals over kop naar het ziekenhuis. Ik neem aan dat ik een tijdje bij opoe en opa Dojewèrd in huis ben geweest, maar heb er geen herinnering aan.
Na de geboorte kampt mijn moeder met een postnatale depressie. Die ken ik alleen uit latere verhalen. Zoiets is voor iedereen zwaar en het gaat maar niet over. Uiteindelijk komt ze terecht bij een homeopathisch arts en daarna gaat het beter. Als ik later homeopaten oplichters noem, zal ze het altijd voor deze arts opnemen.
In 1964 wordt mijn broertje Marinus geboren. Ook weer een zware bevalling: een keizersnee waarbij mijn moeder lang in het ziekenhuis moet blijven. Op foto’s die ik later zie, heeft mijn moeder ingevallen ogen. Ze ziet er moe uit. Ze blijft enkele weken in het ziekenhuis.
Mijn broer wordt geboren op 14 april. Mijn zus is op 26 april jarig, maar mijn moeder ligt dan nog in het ziekenhuis. We gaan op die dag bij mijn moeder kijken. Mijn zus heeft een grote strik in haar haar. Ik meen me dat te herinneren: we staan bij opa en oma in de kamer en staan op het punt om te vertrekken. Mogelijk is het een van mijn oudste herinneringen, maar het is niet veel meer dan een losstaand beeld.
Of ik mij het ziekenhuis van deze keer herinner of van later, is me niet duidelijk: mijn moeder zal vaker opgenomen worden. Je gaat het ziekenhuis binnen met een draaideur. Zoiets heb ik nog niet eerder gezien: er zitten borstels aan de rand van de deur.
Als we eenmaal in het Wilhelminaziekenhuis zijn, moeten we wachten in een soort hal tot het bezoekuur begint. Daarna gaan we zo snel mogelijk naar de zaal waar mijn moeder ligt. Het is een zaal met wel twintig bedden, in mijn herinnering, maar misschien zijn het er niet meer dan twaalf. Sommige vrouwen roken sigaretten in bed.
Aan het eind van het bezoekuur komt er een zuster: ‘Wil het bezoek afscheid nemen?’ Dan gaan we weer naar huis. Nou ja, naar opa en oma. Mijn vader gaat weer naar Herveld. Later hoor ik dat hij de kokosmatten in de keuken opgerold heeft, zodat hij zijn klompen aan kan houden als hij naar binnen gaat.
Ik kan me niet voorstellen dat hij voor zichzelf gekookt heeft. Verder dan het bakken van een ei zal zijn kookkunst niet gereikt hebben. Eet hij ‘s avonds samen met ons bij opa en oma of bij zijn ouders, in Loenen?
Uiteindelijk komt mijn moeder weer thuis. Het huis is helemaal opgeruimd door mijn oma. Ze heeft een vaas met bloemen op tafel gezet en alles straalt feestelijkheid uit. De huisarts, dokter Somford, is er ook. Nog steeds zie ik hem zijn grote tas op de keukentafel zetten. Verdere beelden ontbreken.
Mijn moeder is nog zwak. Later krijgen we te horen dat ze bijna dood was. Of was dat bij de geboorte van Carolien? En heeft ze ook nu weer last van een depressie?
Mijn zus en ik zijn als kinderen soms druk. Ik herinner me van een paar jaar later, maar nog wel in het oude huis (dus voor juni 1969), dat wij achter elkaar aan rennen: om de tafel in de kamer, de kamer uit, de gang oversteken, naar de keuken, daar om de tafel heen en weer terug. Mijn moeder zal gezegd hebben dat we rustig moeten doen, maar daar trekken we ons niets van aan. We hebben schik en rennen maar door. Mijn moeder zit op haar knieën met haar handen voor haar ogen. Ze zal wel huilen. Pas later zal ik dat een naar beeld vinden en zal ik me daar schuldig over voelen.
Er zit weinig lijn in de herinneringen aan die jaren. Het zijn flarden, die aan elkaar geknoopt kunnen worden met wat er later is verteld. Dit is ook zo'n flard: Ik speel buiten met Lientje (die dan nog geen Carolien heet). We trekken graspolletjes uit de grond en gooien die op het dak. Dat kan gemakkelijk: de rand van het dak bevindt zich misschien anderhalve meter van de grond. De polletjes rollen weer naar beneden.
Tegen de muur staat een herenfiets. Is die van ome Geurt? Ome Geurt is een halfbroer van mijn opa, de vader van mijn vader. Hij komt vaak rond etenstijd, zodat hij mee kan eten. Als ik nog maar nauwelijks kan praten, vraagt hij aan mij: ‘Hoe hiet ik?’ Ik kan zijn naam nog niet zeggen en antwoord: ‘Ome keuje’. Ome Geurt blijkt beledigd. Hij zal later tegen mijn ome Wout zeggen: ‘Dat jong van Wim zei keuje tegen mijn.’
Ome Geurt heeft hoge bloeddruk en eigenlijk moet hij zoutloos eten. Hij probeert zich daaraan te houden, maar ‘s ochtends drinkt hij een glaasje water met een schep zout erin. ‘Anders worden de nieren lam,’ zegt hij.


















