vrijdag 15 mei 2026

De complete Baard en Kale 11: Dreiging alom (Desberg/Will)

Al eerder heb ik hier geschreven dat ik mijzelf wel een liefhebber van strips acht, maar geen kenner. Daarvoor vertoont mijn kennis te veel gaten. Er zijn beroemde strips waarvan ik nauwelijks wat gelezen heb. Zo zijn series als Guus Slim en Dan Cooper grotendeels aan mij voorbijgegaan. 

Van uitgeverij Arboris ontving ik het elfde deel van De complete Baard en Kale, Dreiging alom, en ik was er meteen blij mee. Dat is best vreemd, want zo heel veel albums van Baard en Kale heb ik niet gelezen, al schoot mij wel meteen hun grote tegenstander Stomp te binnen: keurig in pak en met een helm op zoals een ridder bij een harnas droeg. Indertijd zal ik de strip gelezen hebben in Sjors, toen nog onder de titel Baardmans en De Kale. 

Bij het doorbladeren van het de integrale uitgave was ik al meteen terug in het verleden. Het papier dat gebruikt is doet denken aan het houthoudende papier van vroeger. Daar is met opzet voor gekozen, lezen we voor in deze uitgave, omdat op dit papier de kleuren beter uitkomen. 

Arboris heeft ervoor gekozen om niet alle albums chronologisch te bundelen, maar om goed te kijken welke om andere redenen bij elkaar passen. In dit deel zijn vier albums opgenomen die allemaal geschreven zijn door Stephen Desberg. Van hem heb ik al veel besproken. De links naar die besprekingen vind je onderaan. De tekeningen zijn van Will, Willy Maltaite, die veel verhalen van Baard en Kale heeft getekend. 

Vier albums

In deze integraaluitgave zijn vier albums opgenomen: Metamorfose, De vergeten tempel, Schaak en match en Swastika. Om het tijdsbestek van publicatie aan te duiden: het eerste van die vier werd in 1979 gepubliceerd in Robbedoes (album in 1980) en het laatste verscheen, zowel als tijdschriftpublicatie als als album, in 1983. 

Zo'n integrale uitgave lees je niet alleen omdat je de oude stripverhalen nog eens wil lezen, maar ook vanwege de extraatjes die de nieuwe uitgave biedt. Het dossiergedeelte is deze keer bijzonder interessant, omdat het zicht geeft op de Belgische stripwereld aan het eind van de jaren zeventig. 

Kort na elkaar stierven Goscinny en Maurice Tillieux (de scenarist van onder andere Guus Slim), in respectievelijk november 1977 en februari 1978. Als Yves Chaland het overlijdensbericht van Tillieux op de radio hoort, schrijft hij  onder aan een bladzijde van Captivant. 'Tillieux is overleden, alle gaat naar de kloten!'

Bij het blad Robbedoes ontstaat er een soort scenariocrisis na het overlijden van hun topscenarist. Het betekent wel dat er ruimte komt voor de jonge Desberg, die dan nog maar 23 jaar oud is. Hij gaat zelfstandig de verhalen van Baard en Kale schrijven. 

In Metamorfose zijn een stel mensen die op safari zijn een vreemd lichtverschijnsel. Alle mensen en dieren die eraan zijn blootgesteld metamorfoseren en worden een gevaar voor hun omgeving. Eigenlijk gaat het in Swastika ook om een metamorfose: Hitler blijkt de oorlog overleefd te hebben, maar is nu een oud mannetje in een rolstoel. Maar met een verjongingsmiddel zou hij nog heel lang mee kunnen. Ook Kale krijgt trouwens het middel binnen en verandert in een klein jongetje. 

Censuur

Dat laatste verhaal krijgt trouwens nog te maken met censuur. In veel verhalen is Kale nogal zeker van zijn eigen capaciteiten en ook van hoe vrouwen onder de indruk zullen zijn van hem. Swastika speelt zich voor een deel af in het oerwoud, wat heerlijk moet zijn geweest om te tekenen voor Will. Daar leeft ook een stam die bestaat uit vrouwen. Uit het laatste plaatje in Robbedoes bleek dat Kale bij deze vrouwen kinderen had verwekt. 

Een administrateur van de familie Dupuis (uitgever van Robbedoes) nam meteen contact op. Binnen die familie was het trouwens op dat moment ook hommeles. Zo'n seksueel geobsedeerde maniak als Kale zou niet thuishoren in een blad voor de jeugd. De makers pasten voor de album hun strip aan. Maar in het dossier staat natuurlijk ook de oorspronkelijke tekening. 

Het zijn wel de verhalen die je wilt lezen. Didier Pasamonik, die met Patrick Pinchard de teksten leverde voor dit dossier, heeft een vlotte pen en dat merk je. 

Naast de grotere verhalen, zijn er ook nog enkele korte verhalen opgenomen, zodat het in totaal een lekker dikke uitgave is geworden van 240 bladzijden. 

Aantrekkelijk

Wat maakt Baard en Kale toch zo aantrekkelijk? Natuurlijk, de verhalen zitten goed in elkaar en het tekenwerk is goed, maar dat kan niet alles zijn. Ik denk dat je je als lezer vooral hecht aan de twee karakters, die zo tegengesteld zijn. De impulsieve Kale en Baard die meer bedachtzaam te werk gaat. De verhalen kennen zeker spanning, maar die spanning zorgt er nooit voor dat je het vertrouwen in een goede afloop verliest. Voor kinderen maakt dat het een veilige strip om te lezen. 

Tegelijkertijd zijn er genoeg complicaties en gaat de oplossing van de problemen nooit gemakkelijk. Er zijn altijd tegenslagen. De twee detectives laten zich trouwens nooit ontmoedigen door problemen, maar ze steken meteen de handen uit de mouwen. 

In Schaak en match komt een onderwerp voor dat nu actueel is: de zelfrijdende auto, zij het dat het nog wel iets anders werkt dan nu. In dit geval gaat het om een racewagen en Kale zal de coureur zijn. Het levert Michel-Vaillantachtige taferelen op, maar Kale wint niet en er gaat ook nog iemand met de plannen vandaar. Die duiken weer op bij het tennissen. De titel van het album is niet zo gelukkig. Er wordt niet in geschaakt. Je kunt hoogstens zeggen dat de boeven schaakmat worden gezet. In het Frans werkt de titel wat beter omdat 'Échec et mat' schaakmat betekent, terwijl een échec ook een mislukking is. 

In ieder geval ook in dit verhaal blijven onze helden doorzetten. Met de aantrekkelijkheid van Kale wordt mooi gespeeld in het slot als juist Baard zich de vrouwen niet van het lijf kan houden en daar zichtbaar ongelukkig mee is, terwijl de Kale er met de vrouw van zijn keuze vandaar gaat. 

Het elfde deel van De complete Baard en Kale biedt veel. Voor de oudere lezer is er het jeugdsentiment, verder krijg je een stuk stripgeschiedenis en voor iedereen is er leesplezier. Ook na zoveel jaren blijken de strips over Baard en Kale nog prima mee te kunnen. 

Reeks: De complete Baard en Kale
Titel: Dreiging alom
Scenario: Desberg
Tekeningen: Will
Teksten dossier: Patrick Pinchart en Didier Pasamonik
Vertaling: Kees-Willem Bruggeman en Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2026, 240 blz. € 39,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over andere boeken van Desberg:


donderdag 14 mei 2026

Afgestoft: Dieperik / Waar was ik weer (Leo Pleysier)

Het is een tijdje geleden dat ik een oude recensie heb afgestoft. Laat ik dat nu maar weer eens doen. Het is een niet zo lange recensie, over twee uitgaven, maar eigenlijk over vier boeken. Het stukje stond op 10 december 2010 in Nederlands Dagblad. 

De roman Dieperik van Leo Pleysier was net verschenen, een behoorlijke tijd na het enorme succes van Wit is altijd schoon (1989). Naar aanleiding daarvan verschenen in 1989 drie van zijn vroege romans samen in een band in herdruk onder de titel Waar was ik weer? Ik noem de drie titels in het stukje hieronder, al had bij de eerste roman het jaartal 1978 moeten staan. 

Maar waarom besprak ik Waar was ik weer? in 2010. Werd het toen weer herdrukt? Eigenlijk besprak ik de drie boeken niet, wat ook niet gekund had in zo'n kort bestek. Als mijn geheugen mij niet bedriegt kreeg ik wel het beoogde aantal woorden van het stukje als richtlijn. 

Van Pleysier heb ik best wat gelezen, maar ik heb ook nog het een en ander van hem niet gelezen. Een boek als Heel de tijd (2018) zou ik toch eigenlijk wel moeten lezen. 

Er is nog heel veel wat niet recent is en wat het lezen waard is. Binnenkort schrijf ik over De ziener van Simon Vestdijk en ik wil het komende jaar ook weer het een en ander van Hella Haasse en Arthur van Schendel lezen en ik heb ook wel zin in werk van bijvoorbeeld A.H. Nijhoff, Clare Lennaert, Melati van Java, Wilma en Top Naeff. Het is geen belofte dat ik dat ook ga doen, maar het is wel een geheugensteuntje voor mezelf als ik binnenkort een boek van de stapel moet nemen. 

En hopelijk grijp jij een keer naar een boek van Leo Pleysier. Je moet in ieder geval Wit is altijd schoon lezen, maar hij heeft veel meer goede boeken geschreven. 

 

De diepte aan de oppervlakte


Een jongetje rijdt op zijn fiets op het erf van een boerderij een parcours in de vorm van een acht. Buiten, op een bank zit zijn moeder een paar emmers prinsessenbonen klaar te maken voor de weck. Het is zomer.

Een vredig tafereeltje. Leo Pleysier begint er zijn nieuwe roman Dieperik mee. Maar eigenlijk is het helemaal niet zo vredig, want het hoofd van het jongetje Michel barst bijna uit elkaar, omdat er iets in zit wat hij niet mag vertellen. Niet van zichzelf en niet van Nonkel Wies, die bij hen inwoont.

In de epiloog legt de verteller uit dat het dit beeld van het fietsende jongetje is, waar hij taal aan toegevoegd heeft.
En zo is die herinnering nu verdubbeld geraakt tot twee herinneringen: die ene mét woorden, de andere zonder.
Wie Dieperik gelezen heeft, zou zijn schouders op kunnen halen en kunnen zeggen dat het boek nauwelijks over iets gaat: zo'n gebeurtenisje en dat wat uitgesponnen is. Maar juist dat kan Leo Pleysier heel goed: de zaken klein houden, de kleine dingen beschrijven, zodat je weet hoe het ruikt op de boerderij, hoe de mensen praten, wat voor weer het is en hoe dat voelt. Groter hoeft het voor mij, eigenlijk, niet. 

Pleysier laat die kleine dingen bijna achteloos zien. Hij poetst ze niet op, maakt ze niet zwaar symbolisch, wijdt er geen ronkende zinnen aan. Hij is de soberheid zelf en hij weet dat dat genoeg is.

Zijn zinnen lopen gemakkelijk, alsof er nauwelijks aan gewerkt is. Dat is natuurlijk de kunst. Je mag als schrijver zwoegen en zweten, maar de lezer moet dat er niet aan af kunnen zien. Pleysier verstaat die kunst. Het lijkt of hij bij ons aan de keukentafel zit en het ons rustig vertelt. 

Op het hoogtepunt van het verhaal dat Pleysier ons vertelt (en dat ik maar even niet onthul), schieten er zinnen door de hoofdpersoon heen. Het is een bonte verzameling uitspraken van drie bladzijden lang, waarin de vrouw van Potifar, Boerke Naas, Roodkapje, Kapitein Haddock, Herodes, Nonkel Fik en Anton van Wilderode naast elkaar kunnen staan. In het tweede deel van het boek is er nog zo'n lijst, waarin Pleysier aangeeft hoe de tijd verstrijkt. Hij rijgt daarin grote gebeurtenissen aan kleine, bijna zeven bladzijden lang. Het werkt.

Deze opsommingen doen denken aan die in eerdere boeken van Pleysier. Drie daarvan (De razernij der winderige dagen (1977), De weg naar Kralingen (1981) en Kop in kas (1983) zijn onlangs herdrukt in één band, onder de titel Waar was ik weer? 

Het eerste boek begint meteen met een reeks korte zinnetjes onder elkaar: '
Op de boerenbuiten wonen.
In het aloude Kempenland.
In het land van berk en brem.
Het heideland.
De wónderfrisse perel aan de Dietse kroon.
En zo verder. De weg naar Kralingen heeft tegen het einde een inventarislijst van vier bladzijden lang. Hoewel we ze van hem gewend zijn, zijn in Dieperik toch beide opsommingen verrassend en bovendien bijzonder effectief. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die Pleysier verwijten dat hij met zijn laatste boek niet meer de dieperik in gegaan is. Het is een verwijt dat ook ooit Marijke Höweler kreeg, die trouwens een totaal ander schrijfster was dan Pleysier is. Maar haar antwoord zou Pleysier zo in de mond kunnen nemen: 'Bij mij zit de diepte aan de oppervlakte'. 

Dat is Dieperik: een anekdote, een onbeduidendheid, die een heel leven lang in iemand door kan blijven zeuren. Niet iedereen kan dat beschrijven op een manier die blijft boeien. Pleysier wel.

Van Pleysier recenseerde ik ook:

woensdag 13 mei 2026

Naar de mart

Als kind mocht ik vaak met mijn vader mee. Op dinsdag 23 augustus 2023 schreef ik de herinneringen daaraan in het dagboek Jungske. Het begint met uitstapjes dicht bij huis en loopt uit op wat ik indertijd als een hoogtepunt ervoer: het bezoek aan de veemarkt ('de mart') in Den Bosch. 

Ik heb geen foto van mijn vader op de veemarkt. Er heeft ooit een foto in het blad Boerderij gestaan van de mart, waarop mijn ome Wout te zien is. Die foto bezit ik niet. Daarom een willekeurige foto van de veemarkt. 

Met mijn kinderen ben ik ook ooit naar de veemarkt geweest. Daar zouden wel foto's van moeten zijn, maar mijn foto's zijn zo ongeordend dat ik geen zin heb om ze op te zoeken. 

Het gebouw van de veemarkthal stamt uit 1931 en het staat er nog steeds. De markt is gehouden tot 2001. Toen brak er een golf uit van besmettingen met mond- en klauwzeer (MKZ). Het zou het einde van de markt betekenen. 

Ook dit dagboekfragment is niet mooi gecomponeerd en houdt vrij plotseling op. Zoals elke keer tot nu toe laat ik dat maar zo. 

foto uit 1931


In het begin heeft mijn vader alleen de beschikking over een fiets. Later koopt hij een trekker, tweedehands natuurlijk. Een Farmal, waarbij je de lange stuurstang helemaal naar voren ziet doorlopen aan de zijkant van de motor van de trekker. Zit het stuur niet in het midden? Dat zal toch niet kunnen kloppen. Hij koopt de trekker van WD, een halfbroer van mijn opa. Hij heet eigenlijk Wim, maar zo noemt niemand hem. Zeker niet als hij er niet bij is.

Nog weer later neemt mijn vader het Volkswagenbusje van Ome Wout over. Het is blauw en heeft alleen ramen voorin, voor de bestuurder en de medepassagier. Achterin zitten geen ramen (behalve eentje in de achterklep). Blijkbaar is het busje niet bedoeld voor personenvervoer. Als pa de richtingaanwijzer aanzet, klapt er uit de zijkant van de auto, net achter het portier, een soort oranje lepel omhoog, alsof de auto zijn hand uitsteekt als hij de hoek om gaat. Ik mag met papa mee als hij het busje gaat halen bij Ome Wout.

Als hij weggaat met de auto mag ik vaak met hem mee, bijvoorbeeld naar de fruitveiling. Soms krijgt mijn vader vragen over mij als hij met een andere fruitteler praat. Hij vertelt dan vol trots dat ik zijn oudste kind ben.

We gaan ook wel naar de Boerenbond, al weet ik na zoveel jaar niet meer wat we daar kopen. Kunstmest? Dat zou kunnen. Het gebouw staat in de Bredestraat in Herveld. Als we nieuwe palen moeten hebben, om een heining te maken, halen we die bij Blijderveen, in de Rozenstraat. Die palen hebben een lekkere, doordringende geur.

De bank is aan de Wageningsestraat, net over het spoor, vlak bij station Zetten-Andelst. Het lijkt een gewoon woonhuis. Er staat niet met grote letters Boerenleenbank op. Geregeld haalt mijn vader daar geld. Als hij in 1958 een huis wil kopen, gaat hij ook naar de bank. Die bank is een eenmansbedrijfje, van meneer Van Hal. Als mijn vader vraagt of hij geld kan lenen, moet Van Hal lachen: ‘Bunt, een bank is om geld te brengen, niet om te halen.’ Via de notaris krijgt mijn vader toch een hypotheek geregeld. Een verzekeringsmaatschappij wil wel geld verstrekken.

Mijn ouders hebben principiële bezwaren tegen verzekeringen: ze hebben geen ziektekostenverzekering, geen brandverzekering, geen levensverzekering. Blijkbaar gaan hun bezwaren niet zo ver dat ze het geld van zo’n maatschappij weigeren.

Zijn eigen geld kan mijn vader natuurlijk wel bij de bank ophalen. Buiten bij de deur trekt hij zijn klompen uit en hij gaat op zijn sokken naar binnen. Ik trek mijn laarzen of mijn klompen ook uit en loop met hem mee.

Het is het mooist als ik mee mag naar ‘de mart’, we zeggen ook wel naar Den Bosch. Daar is de veemarkt, in de Brabanthallen. In het begin ben ik nog te klein. Mijn vader moet heel vroeg op. Hij moet eerst de koeien melken en die moet hij dan al om een uur of zes uit hebben. Dan rijdt hij naar Den Bosch.   
foto uit 1931



Hij verhandelt soms zelf een koe of een kalf. Maar hij gaat niet zo vaak. Als er toch iets verkocht moet worden, doet Ome Wout dat. Die gaat elke woensdag. Hij verkoopt vee voor de boeren. De kalveren laadt hij achter in zijn volkswagenbusje, de koeien worden door de veerijder opgehaald. In de zomer moet dan de koe de dag ervoor uit de wei gehaald worden en op stal gezet, zodat hij gemakkelijk mee te nemen is.

Als pa terugkomt van de veemarkt, brengt hij altijd iets lekkers mee. Meestal is dat voor de kinderen een Mars en voor mijn moeder een Mekka, een brede chocoladereep met noten en rozijnen. Vaak is er ook nog wel een zakje Treets, pinda’s in chocola. Met zo’n Mars kunnen we heel lang doen. Met een aardappelschilmesje snijden we er elke keer een klein plakje af en dan duurt het altijd meer dan een week voordat de Mars op is. En soms kun je er langer dan een maand mee doen.

Later mag ik mee. Mijn vader trekt naar de markt zijn manchester jasje aan en daaroverheen doet hij zijn ‘martjas’, een beige stofjas. Soms doet hij een nette pet op, soms een hoedje, van ribstof. Hij neemt ook zijn ‘martstok’ mee, een wandelstok van bamboe, zoals bijna iedereen op de mart heeft.

Als ik voor het eerst mee mag, kijk ik mijn ogen uit. Het is heel ver met de auto, voor mijn gevoel. Mijn vader parkeert zijn auto en ik loop achter hem aan naar de hallen. In elke hal is wat anders te koop. Er is een hal met konijnen en andere kleine dieren en met kalveren. Of zitten die kalveren in een andere hal? Dat zou kunnen. Er zijn hokken gemaakt van een soort dranghekken en daarin zitten de kalveren. Er worden ook geiten en schapen verkocht, maar in welke hal?

In een andere hal zitten varkens en in nog een andere hal staan koeien. Sommige zijn helemaal schoongespoten. Bij een enkele koe is het uier rood geverfd, alsof er een vorm van make-up is aangebracht. Je moet goed uitkijken, want er zijn altijd handelaren die met een paar koeien door het gangpad lopen en dat gaat best snel. Ze roepen hard. Als een koe niet wil doorlopen, krijgt hij met een martstok een tik op zijn billen.

Gelukkig heb ik mijn laarzen aan, want overal ligt poep. Het zijn geen hoopjes, maar alle poep is intussen vertrapt tot een soort papje.

Elke hal ruikt anders. De kalveren ruiken het lekkerst. Die liggen in het stro. Sommige kalveren hebben een teken op hun rug. Elke koper heeft een buisje met een soort vetkrijt bij zich, waarmee hij een merkteken kan zetten op elk dier dat hij koopt. Mijn vader heeft bijna altijd blauw krijt, maar rood en groen zie je ook wel.

Het is heel erg druk op de veemarkt en ik ben bang dat ik mijn vader kwijtraak, al heeft hij mij verzekerd dat hij niet naar huis gaat zonder mij. Ik hou hem voortdurend in het oog.

De boeren zijn over het algemeen goed gehumeurd. We zoeken Ome Wout op, die druk is met het verkopen van een koe. Handjeklap. Verkoper en koper slaan elkaar voortdurend op de opengehouden hand. De een houdt de hand op, de ander geeft er een klap op draait zijn hand om, zodat hij er een klap op kan krijgen.

De twee boeren praten constant met elkaar, terwijl het klappen doorgaat. Als er een bod komt, wordt er extra hard geslagen. Tussendoor maken ze grapjes. Als een bod te laag blijft, zegt mijn oom: ‘Doe eens netjes een bod,’ of ‘Ge spot ermee’. En dan laat hij soms zijn hand zakken als teken dat hij niet verder onderhandelt.

Bij elke hal is er een kantine. Daar eten pa en ik ons brood op. Pa neemt koffie en ik krijg limonade. Het is een wonderlijk gezicht: al die boeren die in de kantine hun klompen aanhouden en vrij hard met elkaar praten. Ze hebben dikke portefeuilles, want alle betalingen gaan contant. Heb ik daarvoor al wel eens briefjes van duizend gezien? Hier zijn ze heel gewoon.

Als ik iets groter ben, ga ik ook wel eens met Ome Wout mee naar de mart. In de kantine is het zo druk, dat je altijd ook met wildvreemden aan een tafeltje zit. Aan de andere kant van de tafel zit een boer die uit zijn broek gescheurd is: de naad aan de binnenkant van zijn been is bij zijn dij uitgetornd. Ome Wout wijst me erop.

In de kantine ligt ook gewoon de koeienpoep. Klodders die van laarzen en klompen zijn gevallen. Ome Wout pakt zijn martstok en haalt er een klodder poep van de vloer mee omhoog. Die smeert hij aan het blote bovenbeen van de boer tegenover hem. Die slaakt een krachtterm maar moet toch lachen. Blijkbaar moet je dit soort grapjes kunnen verdragen.

Buiten de hallen is er ook een markt met kraampjes. Daar ga ik met mijn vader heen voordat we weer naar huis gaan. Hij haalt daar de Marsen en de Mekka voor mijn moeder. Je kunt er ook koerepen (touwen) kopen of halsters, die wij helsters noemen. Er is ook iemand die Bossche bollen verkoopt. Pa koopt er voor ons allebei eentje. We eten zo’n bol gewoon uit de hand, wat niet zo makkelijk is. Het is wel een verrassing. Ik heb het idee dat ik een enorme traktatie heb gehad. Zoiets eet je anders toch alleen maar op een verjaardag of een bruiloft.

(bron van de foto's)

dinsdag 12 mei 2026

De grote schoonmaak (Rob van Essen)



In 1980, het jaar dat John Lennon werd vermoord, stopt Thomas met zijn middelbare school in plaats van aan zijn examenjaar te beginnen. Hij gaat werken in een supermarktje in Wageningen, Vendriks VéGé Voordeelmarkt. Daar overkomt hem iets onverklaarbaars. 

Om die gebeurtenis en de nawerking ervan draait alles in de nieuwe roman van Rob van Essen, De grote schoonmaak

Bij het begin van het boek bevindt Thomas zich in Engeland en dan is het intussen tien jaar na de gebeurtenis in de supermarkt. Hij heeft rondgelopen in een pak in de vorm van een grote bierfles en een vrouw heeft hem ondergekotst. De geur beschrijft Van Essen beeldend:
Er kwam een lauwe geur van af, eerder een walm dan een geur - de walm van een cafékelder waarin onlangs een paar vaten bier zijn leeggelopen en die daarna is getroffen door een vloedgolf die onderweg een wegrottende begraafplaats voor kleine huisdieren heeft meegenomen. 
Hij vertelt aan een man op een bankje wat hem tien jaar daarvoor overkomen is. Dat ga ik navertellen en daarbij moet ik wel wat spoilen. Maar ik zal het mysterie van het einde van de roman intact laten. 

Brixo

In de supermarkt waar Thomas werkte was er een promotiecampagne. Er liep een man rond in een pak in de vorm van een fles met het schoonmaakmiddel Brixo. Maar er overkomt de man een ongeluk, waardoor het pak scheurt en leegloopt. De man blijkt verdwenen. Of opgelost. Of nooit te hebben bestaan. Thomas ruimt samen met de supermarkteigenaar, Vendriks, het schoonmaakmiddel op. Intussen is alles veranderd. 
Ons leven was voorbij. Dat wisten we nog niet, Vendriks en ik, toen we daar stapjes terug stonden te nemen, maar het was wel zo. Opeens bevonden we ons in een ander stadium, niet meer in het leven zelf maar in een epiloog, waarin we wanhopig op zoek gingen naar een verklaring voor het absurde en onbegrijpelijke wat we hadden meegemaakt, en toen die uitbleef, naar een manier om met die leegte om te gaan; eerst ieder voor zich, later met z'n tweeën. 
Het is absurd wat Vendriks en Thomas hebben meegemaakt. Ze zullen er met niemand over kunnen praten. Dan zullen ze voor gek verklaard worden en anders zullen ze in ieder geval niet geloofd worden. 

Leven met het absurde

Thomas probeert de rest van zijn leven in het reine te komen met deze absurde gebeurtenis. Eerst probeert hij er vorm aan te geven door middel van kunst, later roept hij de filosofie te hulp, maar het blijkt niet te werken. Misschien is de mens niet toegerust om te kunnen leven met het absurde, het onverklaarbare. 
Want dat was het probleem: als ik ervan uitging dat wat ik had gezien echt gebeurd was, dan kon alles gebeuren. Dus verwachtte ik van alles. Een huis dat opeens in een fluitketel veranderde. Auto's die tegen je begonnen te praten. Mensen die voor je ogen oplosten. 
In mijn jeugd, in de jaren zeventig, was er een televisieprogramma dat Waar gebeurd heette. Het werd gemaakt door Gied Jaspers en Paul Haenen. Mensen vertelden over dingen die waar gebeurd waren en die niemand wilde geloven. Het konden heel kleine dingetjes. Ik herinner me een mevrouw die een kopje liet vallen en dat was niet kapot; het stuiterde weer omhoog zodat ze he zo kon opvangen. Uitzenddata vind je hier. Daar deed het me in eerste instantie aan denken. 

Maar Van Essen laat zien wat het absurde doet met je leven: het tast het fundament aan. Het logisch redeneren in oorzaak en gevolg volstaat niet meer: er zijn geen logische verklaringen. Het is niet alleen zo dat deze gebeurtenis niet 'klopt', maar misschien klopt het hele leven niet en heb je altijd in een waan geleefd. 

Thomas blijft zoeken naar bevestiging. Dat het echt gebeurd is wat hij gezien heeft. Dat hij niet gek is. Hij moet wel accepteren wat er gebeurd is, maar dat kan hij eigenlijk niet. Bij zijn zoektocht komt hij Vendriks weer tegen en samen trekken ze naar Engeland, omdat ze daar een aanwijzing hopen aan te treffen. 

Brixopolis

Ze komen met lotgenoten in contact en samen vormen ze een leefgroep. Maar ook daarin gebeurt iets onverklaarbaars. Dat wil ik niet gaan spoilen, maar wie door het boek bladert, ziet dat er delen zijn die zich afspelen in de verre toekomst, 2197, in Brixopolis. 

Wat daar gebeurt, kan een verklaring zijn voor het boek dat de lezer op dat moment in handen heeft. Heeft Van Essen dat eigenlijk wel zelf geschreven? Maar het brengt Thomas misschien ook iets verder. Het inzicht dat je het absurde niet kunt verklaren, maar dat je er wel mee kunt omgaan door te handelen. 
Door te handelen kan je alles overwinnen, zelf het onmogelijke kan je ermee overwinnen, door aan het werk te gaan, door het absurde te gebruiken voor wat er moet gebeuren.  
Sinds De goede zoon (2018) verkent Van Essen wat er in de verbeelding mogelijk is. In die roman en in Ik kom hier nog op terug (2023) rekt hij de werkelijkheid op, kijkt hij in hoeverre hij de lezer mee kan nemen in het verhaal. Die werkwijze is verwant aan die van Tomas Lieske in boeken als Door de waterspiegel en De vrolijke verrijzenis van Arago, waarin mensen terechtkomen in parallelle werkelijkheden en in andere tijden. In dezelfde hoek plaats ik K. Schippers, met een boek als Waar was je nou?

VéGé in Wageningen

Vertrouwde werkelijkheid

Om het absurde goed uit te laten komen, moet je daartegenover veel vertrouwde werkelijkheid hebben. Dat doet Van Essen door nadrukkelijk locaties in Wageningen, Bennekom en Ede te noemen. Aangezien ik in Ede woon en lesgegeven heb aan de school die Thomas bezoekt is de herkenning voor mij heel leuk. 

Op het Christelijk Streeklyceum (vaak afgekort tot Het Streek, wat later de officiële naam werd) was in de tijd dat ik er was (van 1988 tot 1999) nog De Streekbuis nog steeds de naam van de schoolkrant. De snackbar tegenover het politiebureau (nu: een restaurant dat lang Het oude politiebureau heeft geheten) zou ik ook zo kunnen aanwijzen. Dat hij de straat in Bennekom het Midden-Eng noemt, bevreemdt me weer. Ik noem die altijd de Midden-Eng, zoals ik ook spreek over de Wageningse Eng. 

Interieur VéGé Wageningen

VéGé

De VéGé in Wageningen kende ik niet, maar die heeft wel bestaan. De naam kwam van Verkoop Gemeenschap. In 1961 waren er 28.900 winkeliers bij aangesloten, lees ik in een bericht van Oud-Wageningen. De eigenaar in Wageningen heette van Berkel. Bij het bericht staan ook foto's, die ik je niet wil onthouden. Je ziet dan ook dat een supermarkt er in het verleden anders uitzag dan wat je je er tegenwoordig bij voorstelt. Zo waren er nog geen winkelwagentjes, maar wel al mandjes. 

Van Essen zal het interieur van deze supermarkt niet precies zo terug hebben laten komen in de roman en de beelden die ik naderhand opgezocht heb, hebben de beelden die bij me opkwamen tijdens het lezen niet vervangen. Blijkbaar zijn die zo krachtig, dat die zich niet zomaar laten vervangen. 
Kassa van VéGé in Wageningen

Uit De grote schoonmaak blijkt een enorme lol in het vertellen en dat veroorzaakte bij mij weer leesplezier. Ondanks het mysterieuze is het een bijzonder helder verhaal, wat je gemakkelijk tot je neemt. 

De titel slaat natuurlijk op de gebeurtenis in de supermarkt en op de schoonmaakklus die dat opleverde voor Vendriks en Thomas, maar ook op het idee dat er nog wat op te ruimen is in het leven van Thomas en uiteindelijk ook op de happening (of de show, of de cultus) in Brixopolis, waaraan Thomas het inzicht overhoudt dat de grote schoonmaak alleen maar kan geschieden als je inderdaad de handen uit de mouwen steekt, wat doet met datgene wat opgeruimd moet worden. 

Misschien ben ik door De grote schoonmaak net iets minder verrast dan door Ik kom hier nog op terug, omdat er soortgelijke mechanismen onder het verhaal werkzaam zijn. Maar ik denk dat ik het wel spannender vind, dat ik nog meer door wilde lezen om te weten te komen wat er allemaal gebeurd was en nieuwsgierig was of er toch een aanwijzing zou zijn in Engeland en wat er te zien zou zijn op de foto's die van de man in het Brixopak genomen zijn. 

De grote schoonmaak zal ongetwijfeld, net als de vorige romans van Van Essen terechtkomen in eindejaarslijstjes. In ieder geval zal ik het opnemen in mijn eigen lijstje. De goede zoon eindigde in het jaar dat ik het las in de top vijf en Ik kom hier nog op terug plaatste ik in 2024 zelfs bovenaan. Van Essen heeft een heerlijke roman geschreven. Speels, spannend, maar ook bezinnend: hoe ga je om met wat je niet kunt accepteren in je leven. Geschikt voor een groot publiek, lijkt mij. 

Eerder schreef ik over andere boeken van Rob van Essen. 

Naschrift
Rob van Essen reageerde op deze recensie. Hij schreef dat supermarkt die hij bedoelde, niet degene is waarvan ik foto's heb geplaatst. In Wageningen was dus nog een VéGé, in een klein winkelcentrum in een wederopbouwwijk.  

maandag 11 mei 2026

Storm: De nacht van Angul (Rob van Bavel/Romano Molenaar)

In de wirwar van reeksen raak je soms de weg kwijt. Hoe zat het ook alweer met Storm? Het eerste album, De diepe wereld, verscheen in 1978. Later zouden de vroege albums opgenomen worden in de reeks De kronieken van de eerste wereld. Die zou gevolgd worden door De kronieken van Pandarve en een soort tussenreeks, Kronieken van de Buitenring en een van de personages zou haar eigen reeks krijgen: Kronieken van Roodhaar

De belangrijkste personages zijn Storm, die van oorsprong van de aarde komt, Roodhaar en Nomad. Die raken elkaar soms kwijt, maar uiteindelijk komen ze altijd weer samen. 

In De kronieken van Pandarve is album 35 verschenen, De nacht van Angul. Het scenario daarvan is geschreven door Rob van Bavel, de tekeningen zijn gemaakt door Romano Molenaar

Continuïteit en eigenheid

Bij een album uit een reeks moet de schrijver ervoor zorgen dat aan de ene kant de continuïteit van de reeks gewaarborgd blijft en aan de andere kant dat het verhaal iets eigens heeft, waardoor het niet het zoveelste verhaal uit een serie is. Dat laatste is bij De nacht van Angul goed gelukt. 

Op de eerste pagina's sluit het verhaal aan bij het vorige album, De jagers van Umatopee (link onderaan): Storm is met zijn metgezel Numa op weg in een luchtschip. Hier moeten we die aanduiding zo letterlijk mogelijk nemen: het is een boot die zweeft door de ruimte. Het is een ruimte zoals wij die niet kennen: de druk is gelijk aan wat je lichaam gewend is en er is zuurstof in overvloed. 

Storm en Numa komen aan bij een zwevend stuk vaste grond waarop een groot hotel is gebouwd. Dat is het Arionlafic hotel. Het hotel is van alle gemakken voorzien en de barkeeper zal voor de lezers iets bekends hebben. Storm begint argwaan te krijgen en die is terecht: al gauw blijkt dat je het hotel gemakkelijk betreedt, maar dat je er niet meer wegkomt. 

Hotel California

Ik denk dat iedereen dan denkt aan het nummer Hotel California van Eagles: 'You can check out any time you like, but you can never leave'. Of is dat een associatie die bij mensen van mijn generatie hoort en pikken jongeren dat niet op? Dat Arionlafic een anagram is van California is toch ook wel een heel vette knipoog, lijkt me. 

Net als de vrouw die in de deuropening staat. 'Zij staat daar elke avond naar buiten te staren... Terwijl op de binnenplaats, haar zogenaamde vrienden de hele nacht door dansen...' 

She got a lot of pretty, pretty boysThat she calls friendsHow they danced in the courtyard

zongen Eagles. De barman stelt zich voor als Henley, waarbij de link met Don Henley snel gelegd is. Er wordt ook nog bij verteld dat er geen wijn is ('We haven't had that spirit here since 1969'). 

Dat zorgt ervoor dat je De nacht van Angul op twee manieren leest: als een avontuur van Storm, maar ook als een verbeelding van het nummer Hotel California. Ik denk dat de lezers het leuk vinden om de parallel zelf te ontdekken, al is die overduidelijk. Maar Van Bavel gaat het ook nog uitleggen. Storm laat zien dat Arionflac een letterhusseling is van California en dat het gebouwtje dat ze zien hetzelfde is als het gebouw op de hoes van Hotel California

Kill the beast

Nomad en Roodhaar blijken ook in het hotel te zijn. En samen met Numa zullen ze moeten zien hoe ze dit hotel weer verlaten. Ze blijken hun leven namelijk niet zeker te zijn. In de liedtekst staat: 'But they just can't kill the beast'. 

Natuurlijk is het wel de opdracht van Storm, Roodhaar en Nomad om het beest te doden en of dat lukt moet je zelf lezen in het album. 

Hoewel de parallellen met het nummer van Eagles er wat mij betreft te dik op gelegd worden, heb ik wel genoten van De nacht van Angul. Juist dat knipogen naar de liedtekst geeft het verhaal een speelse kant, die heel aangenaam is. Daardoor ook wordt dit album een verhaal dat niet zomaar een deel in een lange reeks wordt. 

Alice

Tegelijkertijd wordt met de De nacht van Angul duidelijk de continuïteit van de reeks onderstreept. Aan het begin sluit het verhaal aan bij het vorige album, waaraan Storm zijn maat Numa te danken heeft, Roodhaar en Nomad komen terug en we zien ook Alice weer, een duidelijke verwijzing naar Alice in Wonderland. Zelfs de Cheshire Cat komt even om de hoek kijken. Alice is al sinds album nummer 15, De levende planeet (1987) de verpersoonlijking van de planeet Pandarve. Ze gaat in De nacht van Angul de strijd aan en het is de vraag of zij het overleeft. 

Ook dit album is weer getekend door Romano Molenaar, die dat gemiddeld genomen goed doet. Hier en daar zou een beweging net wat vloeiender kunnen of verhoudingen net iets beter, maar eigenlijk voeren de tekeningen je altijd prettig door het verhaal. 

De nacht van Angul heeft een zekere frisheid, misschien juist wel door het speelse element. In ieder geval onderstreept het album dat de reeks Storm nog altijd genoeg leven in zich heeft. 

Reeks: Storm, De kronieken van Pandarve
Deel 35: De nacht van Angul
Scenario: Rob van Bavel
Tekeningen: Romano Molenaar
Uitgeverij: L
2025, 48 blz. € 10,95 (softcover)

Eerder schreef ik over"
De kronieken van Pandarve

Kronieken van Roodhaar:


donderdag 7 mei 2026

De vogel op het nest gevangen

Het onderstaande schreef ik op 29 augustus 2023 in mijn dagboek. Het gaat over wat wij de hooiverkoping noemden (maar wat eigenlijk een hooigrasverkoping was) en over het hooien. In dat laatste deel zit niet zoveel verhaal, maar ik plaats het er toch maar bij. Het laat wel zien hoe ontwikkelingen plaatsvonden. Terwijl er al nieuwe machines waren, werden oude (die bedoeld waren om door een paard getrokken te worden) hier en daar toch nog gebruikt werden. 

Toen ik zocht naar een geschikte foto om daarbij te plaatsen, vond ik er geen. Blijkbaar was er niemand die een foto nam tijdens het hooien. Mijn ouders hadden lange tijd geen fototoestel, dus zo vreemd is dat niet. 

Daarom heb ik maar een foto gekozen waarop mijn vader met de zicht koren aan het maaien is. Zijn jongste zus, tante Gerrie is erbij. Kwam ze hem net koffie brengen?

Mijn vader had een hekel aan het werken met de zicht. Je moest daarbij altijd een beetje krom staan en dat was niet fijn voor je rug. 

Van het koren had je niet alleen het graan, maar ook het stro. Voor zover ik mij herinner, heb ik daar nooit over geschreven. Het stro werd aangevoerd met een grote vrachtwagen, soms helemaal uit Zeeland. Wat ik mij daarvan herinner, zal ik nog wel een keer op papier zetten. 

          
Mijn vader met zijn jongste zus


Verschillende keren ga ik met mijn vader mee naar de hooiverkoping. Het gaat meestal om de uiterwaarden, waar men het gras lang heeft laten groeien. Iemand heeft dan dat grote stuk land verdeeld in percelen. Aan het kopeind (bij de Waal) staan rechte takken in de grond geprikt, met daarin het nummer van het perceel gekerfd, in Romeinse cijfers. Aan de andere kant van het stuk land staan ook zulke stokken. Mijn vader loopt met grote passen langs het grasland, om te meten of alle percelen wel even groot zijn.

Er zijn drie plekken waar hooigras verkocht wordt. Bij Oosterhout ligt De Plaat, de verkoping vindt plaats in Slijk-Ewijk, in het enige café, van Derksen. Er zitten in de voorgevel van het gebouw twee deuren. Als je de linkerdeur pakt, kom je bij de kruidenierswinkel, de rechter voert je naar het café.

De verkoping van het gras van de Andelstse polder is vlak bij ons huis, in café Midden-Betuwe, op de hoek van de Dijkstraat en de Tielsestraat. Ik ben nog klein als ik voor het eerst meega. Pa en ik gaan zitten en iemand komt ons vragen wat we willen drinken. Ik heb geen idee en kijk op naar mijn vader. ‘Zeg maar kasjies’, zegt hij. Dat versta ik tenminste. Ik heb geen idee wat het is. Ik krijg een glas met donkerrode priklimonade.

Ik vind de limonade heerlijk. Zoiets heb ik nog nooit op. Thuis hebben we alleen maar siroop en die smaakt heel anders dan deze limonade. Later zal ik leren dat dit cassis heet.

Ook in Dodewaard is er verkoping, in een gelegenheid die café Zwijnen heet. Er zijn meer onbekende boeren dan in Herveld en Slijk-Ewijk.

Bij de verkoping is een notaris aanwezig en er zijn nog enkele mensen die blijkbaar belangrijk zijn. Ze zitten voor de boeren, als een soort bestuur tegenover de leden. Behalve de boeren zijn de loonwerkers present. Die hopen dat ze een stel percelen mogen maaien. Misschien mogen ze het hooi ook schudden en later op de kits rijden en er balen van persen.

Gért Jansen maakt mooie, stevige balen, maar ze zijn ook altijd erg zwaar. Betalen voor het persen gaat per baal, dus soms is dat aantrekkelijk. Van Boldrik (die vaak gewoon Boldrik of den Boldrik wordt genoemd) maakt lichtere balen, vaak ook wat slapper geperst. Als ik op de middelbare school zit, zal ik meehelpen met hooien. Geef mij dan de lichte baaltjes maar. Tenminste als je het hooi moet opsteken. Als ik moet pakken, de balen op de wagen stapelen, heb ik liever die van Jansen. Daar kun je de vracht gemakkelijk stevig mee houden.

In Dodewaard is Hanhart de loonwerker die de meeste klanten heeft.

Het gras van de percelen wordt bij afslag verkocht. De notaris zegt bijvoorbeeld: 130 staat vast. En dan, in een heel hoog tempo: 29, 28, 27, 26, 25, 24, 23, 22, 21, 120 en dan weer door naar de volgende tien. Je wilt als boer niet te snel roepen, want dat maakt het hooi duur. Het drijft ook de prijs op voor de volgende percelen.

Vaak heeft mijn vader een prijs al in zijn hoofd, bijvoorbeeld 115 gulden. Hij roept dan, als het bedrag genoemd wordt, heel hard ‘Mijn!’ en steekt meteen zijn vinger op. De boeren roepen hard. Het komt wel voor dat enkele boeren tegelijk roepen en dan wil je er zeker van zijn dat jij gehoord wordt.

Niet elke boer is er even gehaaid in. Een verhaal gaat over een boer die langzaam zijn hand naar boven bewoog als hij wilde gaan roepen. Hij was altijd te laat, omdat iemand hem net voor was. Je moet goed op lichaamstaal letten. Sommige boeren gaan rechtop zitten of buigen zich naar voren als ze een perceel willen afmijnen.

Mijn vader laat zich niet gek maken door de prijzen. Hij heeft het grasland goed geïnspecteerd. Zitten er geen plekken in een perceel waar het gras wat dunner is? Pa maakt een schatting van het aantal balen dat van een perceel kan komen en daar is hij goed in.

Hij kan ook het gewicht van een varken heel goed schatten. Soms doet hij een soort wedstrijdje met de slager die wel eens een ‘keutje’ van hem koopt. Ze zeggen dan allebei hoe zwaar het varken is. ‘Vuil gewicht? Nee, schoon aan de haak’. De slager heeft er oog voor, maar vaak wint mijn vader.

Het meest zie ik mijn vader glunderen als hij iedereen te snel af is. Samen met hem heb ik door het grasland gelopen. Mijn vader constateert dat het laatste perceel wel anderhalf keer zo groot is als de andere percelen. De notaris begint bij elk perceel met ‘150 staat vast’. Veel percelen worden verkocht voor tussen de 120 en 135 gulden. Hier en daar doet mijn vader mee. Misschien heeft hij al een of twee percelen gekocht.

Dan is het laatste perceel aan de beurt. ‘150 staat vast,’ zegt de notaris. ‘Mijn!’ roept mijn vader meteen, nog voor de notaris begonnen is met het aftellen. Iedereen kijkt naar mijn vader en de notaris kijkt naar Zwijnen, naast hem. Dat is niet de Zwijnen van het café, maar de vader van mijn vriendje Gerard, Joekie Bil. Die vertelt hem dat het laatste perceel een ietsje groter is. Mijn vader weet dat het anderhalf keer zo groot is en dat hij een koopje heeft.

De andere boeren vinden het een prachtige zet van mijn vader. Ze lachen en zeggen dat hij de vogel op het nest heeft gevangen. Mijn vader glundert. Ik vind mijn vader een held.

Als ik klein ben, kan ik nog niet zo veel doen bij het hooien. Als de hooibalen op de wagen worden geladen, kan ik ze wel ‘aanrollen’. Dan hoeven degenen die het hooi moeten opsteken niet zo ver te lopen.

Als ik iets groter ben, hoogste klassen van de lagere school, ga ik wel mee hooi schudden, bijvoorbeeld in de wei achter ons huis. Iemand (wie?) heeft het gemaaid en het gras ligt netjes in zwadden, rijtjes. Als de bovenkant gedroogd is, gaan pa en ik het keren, met de hooivork, de gavel. Zwad voor zwad, of twee zwadden tegelijk. Het duurt een hele tijd voordat je op die manier al het hooi hebt gekeerd.

Bij ome Wout achter het huis staat nog een vorkjesschudder, waarvoor vroeger een paard werd gespannen. Nu kan er een trekker voor. Maar een enkele keer heb ik gezien dat die schudder gebruikt wordt. Je mag er niet te hard mee rijden. Als zo’n vorkje in de grond prikt kan er een tand breken.
vorkjesschudder

Al gauw komt er een nieuwe manier van schudden: met de trommelschudder. Daar kun je heel snel een groot stuk hooigras mee schudden. Al gauw blijkt ook het nadeel. Het hooi wordt gebroken. Dat is niet erg als je maar een keer moet schudden, maar als je tussendoor regen krijgt, moet je vaak schudden. Het is een dorskast, zegt Thé Lijbers, met wie mijn vader vaak praat na het melken. Hij slaat het hooi kort en klein en je krijgt er veel stof van.

Maar dan is er alweer een nieuwe schudder: een Strela, met twee horizontale cirkels met tanden daaraan. Dat wordt al gauw de schudder.

Voordat het hooi geperst wordt, moet het op de kits. Wij hebben thuis een harkmachine. Ook die hing vroeger achter een paard. Nu kan hij achter de trekker, maar dan moet er nog steeds iemand op het ijzeren zadel van het harkmachien zitten.

Van tijd tot tijd haal je de tanden van de hark omhoog en meteen daarna moet het geheel weer naar beneden. Er blijft een soort grote drol van hooi liggen. De volgende keer, bij de baan ernaast, moet je het machien op hetzelfde moment omhoog halen als de vorige keer, anders krijg je geen rechte kits. Dat is nog lastig genoeg.

harkmachine
Bijna niemand heeft nog een harkmachien. Kitsen gaat vaak met de acrobaat: een wonderlijk apparaat met vier grote ijzeren wielen na elkaar. Nou ja, geen echte wielen. Ze zijn rond, maar het zijn alleen de spaken, niet de band. Eigenlijk zijn het harken in wielvorm. Sommige loonwerkers kunnen daar heel handig mee omgaan. Je kunt ook kitsen met de trommelschudder, als je een soort schermen achter aan de schudder bevestigt. Dan kan het hooi er alleen in het midden uit.

Een enkele maal laat mijn vader het hooi helemaal niet persen. Meestal bij een klein weitje. Hij zet het hooi dan op ‘uppers’, hopen. Die uppers worden dan weer op de wagen geladen. Mijn vader leert me hoe dat moet. Eerst de hoeken opzetten, dan de rest van de rand, dan pas het midden. Ik weet bijna zeker dat weinig jongens van mijn leeftijd dat geleerd hebben en ik weet nu hoe het moet.

acrobaat
Uppers zie je nog wel geregeld staan. Alleen mijn ome Kors doet het anders. Hij komt oorspronkelijk uit Spankeren en daar zullen ze wel andere gebruiken hebben. Hij heeft ook nog een paard voor zijn wagen. Ome Kors zet het hooi op ruiters: Dat zijn houten stellages van drie balken die als een tentje worden opgezet. Met drie dwarsbalken wordt alles bij elkaar gehouden. Als kinderen kruipen we wel eens in zo’n ruiter als er hooi op ligt. Je kunt in het midden wel een holletje maken. Dat mag eigenlijk niet.

Op een ruiter is het hooi van de grond. Dan kan het nog een beetje nadrogen. Ome Kors heeft ook kuilgras. Dat hebben wel meer boeren. Later noemen we dat een natte kuil: het gras wordt meteen na het maaien ingekuild. Als ik groter ben, wordt het gebruikelijk om het gras eerst wat te laten drogen. Dan is er ook een ‘opraapwagen’ waarmee het gedroogde gras verzameld wordt. Het is dan bijna hooi, als het ingekuild wordt.

Ome Kors doet het anders dan de andere boeren met een natte kuil. Hij doet het gras in betonnen silo’s. Hoe ze dat er weer uithalen, weet ik niet. Boeren die kuilgras voeren, kun je altijd ruiken. De geur van kuilvoer trekt overal in. Ik vind het geen fijne geur.

Als de hooibalen op de wagen geladen zijn, moet de vracht nog gebonden worden. De pakker staat altijd op de vracht, de touwen gaan er kruiselings overheen. De pakker trekt het touw omhoog en laat het weer schieten. De man die moet binden, trekt het touw meteen aan.

Dan moet de vracht nog naar huis. Als ik wat groter ben, mag ik boven op de vracht zitten als we naar huis rijden. Ik ga ook wel op mijn rug liggen, zodat ik naar boven kan kijken. Je ziet dan de wolken voorbijgaan en de takken van de bomen. Als de vracht erg hoog is, moet je oppassen, want dan schrapen de takken soms over de vracht.

Midden op de vracht is er een sluitrij van balen en als je je daar strak tegenaan drukt, gaat het altijd wel goed. Het blijft een avontuur. Boven op zo’n wagen voel ik me een koning, die door de straten gereden wordt. Er zijn maar weinig dingen die nog mooier zijn.

woensdag 6 mei 2026

Overgave op commando (Nadia de Vries)

 
Schelvis groeit op aan de kust, in een dorp van tweeduizend zielen. Nou ja, in de zomer zijn er vijfhonderd extra. 'Deze mensen bezaten een huisje op ons strand, ze beschikten over dure honden en vakantiedagen.' Zo is er een 'wij' en een 'zij', de dorpelingen en de toeristen. 

Dat is de setting in het eerste deel van de kleine roman Overgave op commando van Nadia de Vries. Veel mensen in het dorp werken in de staalfabriek, of in een van de plaatselijke distributiecentra. 

Het is geen lieflijke wereld waarin Schelvis opgroeit. 
We groeiden op met episodes van banaal geweld. Dan vloog er weer een vaas tegen de wand, of veranderde een vuist een meubelstuk in schroothout. 

Niet onbeschadigd blijven

Wat doet dat met iemand die in zo'n omgeving opgroeit? Die leert dat de wereld hard is, dat succes niet verzekerd is, dat het leven niet maakbaar is. De dorpskinderen reageren anders dan de stadskinderen die moeten huilen als een golf een zandkasteel overspoelt. 

Maar wij, de kinderen die aan het strand geboren waren, wisten beter en huilden nooit. Wij accepteerden dat de grote golf soms voor onze toren kwam. Dat we niet onbeschadigd zouden blijven. We verzorgden onze knieschijven niet wanneer we vielen en begonnen jong met roken, om alvast aan het verval te wennen. Tegen de tijd dat we vijftien waren, waren we oud en wijs, en zij die dat niet waren, waren overleden. 

Schelvis gaat naar een speciale school en trekt later op met een vriendengroep: Jeremy, Duncan en Celine. Het doet een beetje denken aan  het kleine groepje leeftijdsgenoten in Het smelt van Lize Spit en het groepje jongeren in Wij van Elvis Peeters. Ook deze jongeren gaan over grenzen en ook over elkaars grenzen, op een gewelddadige manier. 

Dat gebeurt ook in Overgave op commando. Schelvis probeert bij Jeremy in de gunst te komen en gedraagt zich zo dat die hopelijk door Jeremy gezien wordt. Dat zal zich uiteindelijk tegen Schelvis keren. 

Schelvis probeert erg bij de groep te horen en dat lukt niet. Als het fout gelopen is:
Ik zag niets en ik hoorde niets. Al kruipend bedacht ik dat er geen 'wij' meer was waarop ik aanspraak kon maken. Vanaf nu was ik alleen, echt alleen, en de zwelger in mij vond dat zowel begeerlijk als tragisch. 
Schelvis verzet zich niet tegen het lot, maar aanvaardt het als een gegeven. Zonder veel illusies lijkt het en toch is Schelvis iemand die niet opgeeft, maar doorgaat. Schelvis verlaat het dorp en gaat naar de stad, niet wetend of die zich daar kan redden. 

De hemel en de zee


Overgave op commando is verdeeld in twee delen: I 'Aan mijn voeten, de zee' en II 'Boven mijn hoofd, de oneindigheid'. Aan het eind van het eerste deel ontmoet Schelvis op een duintop een man die Schelvis door een telescoop laat kijken. 

Waar ik ook keek, door het kijkgat of erbuiten, ik werd omringd door kolossale dingen. De hemel en de zee: ze konden me wel degelijk opslokken, als ze daar zin in hadden, ze konden me alles laten doen wat ze wilden. In het grote plaatje van alles was ik piepklein, vrijwel niets. Ik kon er niet aan ontsnappen. 

Dat is voor mij ontroerend aan Schelvis: klein zijn, besef hebben van de kleinheid en de machteloosheid, maar wel gewoon doorgaan en er het beste van maken. Zoals alle dorpelingen misschien wel doen. 

In de stad

Ook in de stad heeft Schelvis het niet gemakkelijk. Onderdak blijkt alleen te verkrijgen bij een oudere man die er wel wat voor terugverlangt, maar ook dat ondergaat Schelvis. Er volgt een baantje op een terras waar Schelvis wel de grens trekt en uiteindelijk komt onze held terecht in een woongroep, waar men strikte opvattingen heeft. Als duidelijk wordt dat Schelvis schoonmaakwerkzaamheden in een slachterij verricht, voltrekt zich iets soortgelijks als met de vriendengroep in de slachterij. Schelvis moet het maar ondergaan: overgave op commando. 

Ik gebruikte net het woord 'held'. Dat komt in zo'n beetje elke hoofdstuktitel van deze roman voor. Een voorbeeld: 

Onze held leert de charme van levensgevaar. Romantiseert het niet. Verandert wel voorgoed. 

Het doet me, behalve aan het begin van De avonden van Gerard Reve natuurlijk, denken aan wat er boven hoofdstukken in romans uit de negentiende eeuw staat als aanduiding van de inhoud. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij  Ferdinand Huyck van Jacob van Lennep. Ook hier een voorbeeld:

Waarin onze held voor de tweede reis op denzelfden dag gevaar loopt van zijn hart te verliezen.

Kijk, dat ben ik!

Ik kan dat 'held' (net als bij Reve) niet anders dan ironisch lezen. Je kunt niet eens zeggen dat Schelvis zich redt, maar ook niet dat die eronderdoor gaat. Het boek eindigt met een werkelijke schelvis in welks oog Schelvis zichzelf weerspiegeld ziet.

In het oog van de dode vis zag ik mijzelf weerspiegeld. Mijn wang was grotesk, mijn gezicht was onmenselijk. In het vlies van het oog glinsterde ik. Ik was onmiskenbaar en groot. En ik dacht: Kijk, dat ben ik!

Dat cursief gedrukte 'Kijk, dat ben ik!' heeft toch de indruk van een overwinning of op zijn minst van zelfbewustzijn. Niet meer de neiging om zich te conformeren aan de omgeving, om ergens bij te horen, maar het besef zelf iemand te zijn. 

Overgave op commando is een bevreemdend boek. Het verhaal heeft realistische kanten, maar het vergroot ook dingen uit, vertekent ze, zodat de getekende wereld ook iets onwerkelijks heeft. Bij mij riep dat associaties op met televisieseries van Dennis Potter als Pennies from heaven en Lipstick on you collar

Dat Schelvis alles maar lijkt te accepteren wat er gebeurt, zorgt ervoor dat de lezer dat ook maar moet doen en dat die daardoor bevreemd naar zichzelf kijkt: accepteer dat zomaar, een wereld waarin mensen zo over elkaars grenzen gaan? Blijkbaar. 

Fijn pennetje

Het is een intrigerend boek, geschreven met een fijn pennetje. Tijdens het lezen geniet je niet alleen van het verhaal, maar ook van hoe het verteld wordt en steeds zijn er zinnen die oplichten. Een enkel voorbeeld:

Haar g was zo hard dat je er een brood mee kon snijden. 

Genieten van het verhaal is misschien niet goed gezegd, omdat er ook veel verteld wordt dat in een andere vorm eerder afschuw opgeroepen zou hebben. En toch kan ik niet anders zeggen dan dat ik genoten heb van Overgave op commando. Het werk van Nadia de Vries moet ik maar eens in de gaten houden.