vrijdag 23 oktober 2026

Jeugdherinnering: schoolreisjes en gezinsuitjes

Maar weer eens in een dagboek gedoken. Deze keer iets dat ik schreef op 30 augustus 2023. Ik begin over schoolreisjes. Daar heb ik een paar foto's bij gezocht. Ik dacht dat ik er nog ergens eentje had, genomen in Madurodam, maar die kan ik nu niet vinden. Mogelijk heb ik die foto niet in mijn bezit, maar zit hij in een oud album van mijn ouders. Daar ga ik naar op zoek. 

Verder vertel ik iets over uitjes met het gezin. Dat waren er niet zoveel, maar als we weggingen, was het feest. We zijn ook wel eens weggeweest met het gezin van tante Cor en ome Henk. Ik weet dat daar een kleurenfoto van is, waar mijn moeder ook op staat, maar ook die is onvindbaar. Ik heb wel een foto waarop ik sta met mijn neefjes, Tonnie en Henkie en Ome Henk. Ik heb het idee dat ik wat ongemakkelijk probeer te glimlachen en dat de andere drie vrij chagrijnig kijken. Maar of dat klopt met hoe we ons voelden, weet ik niet. De foto zal wel gemaakt zijn door tante Cor. Het is vreemd om te beseffen dat van de vier op de foto ik de enige ben die nog leeft. 

Al met al zijn het maar terloopse opmerkingen en zit er weinig verhaal in. Er zou veel meer over te vertellen zijn, maar dat heb ik indertijd niet gedaan. Dat moet ik misschien later nog maar eens doen. Ik kijk nu naar wat ik al ooit geschreven heb. 




Als ik op de lagere school zit, is er elk jaar een schoolreisje. We gaan dan naar een dierentuin met een speeltuin of naar Madurodam of zo. We stappen dan in een grote bus en dat is een hele belevenis. Mijn moeder heeft voor die dag kadetjes klaargemaakt, wat een feestelijk gevoel geeft. Die eet je anders nooit. Ik krijg ook wat geld mee.

De eerste keer vind ik het een beetje spannend, maar vooral leuk. Er is een meisje uit een hogere klas dat een beetje op mij let. Ze heet Aaltje en haar zusje Gerrie zit bij mij in de klas.

Mijn moeder kent het gezin goed. Ze heeft daar vroeger gediend als meisje voor dag en nacht. Ze had de zorgen over de kinderen, want de moeder verbleef toen in een inrichting. Die had in de oorlog veel meegemaakt. De vader van de kinderen had in ‘het kamp’ gezeten. Dat weten we, maar we praten er nooit over. Dat doet hijzelf trouwens ook niet.

Mijn vader verkoopt wel eens biggen aan hem, voor zestig gulden per stuk. Als hij weer een keer biggen komt kopen, zegt mijn moeder dat die nu wel tweeënzestig gulden moeten kosten. Dat vindt Methorst (zo heet hij) best.

Het is lastig bij zo’n schoolreisje om te bepalen waar je je geld aan uitgeeft. Er is een motor waarop je kunt gaan zitten. Je kunt een kwartje in een gleuf gooien en dan gaan er rollen lopen, waardoor de wielen van de motor gaan draaien. Je kunt heen en weer sturen. Iemand maakt een foto van mij op de motor. Aaltje en Gerrie staan ook op de foto. En achter mij zit hun oudere broer Dik. 

Er is ook een kraam waar je patat kunt kopen. Ook al zoiets feestelijks. Patat krijgen we eigenlijk nooit. We hebben geen frituurpan. Ik denk dat er nog maar weinig van die pannen zijn, want niemand in de familie heeft er een. Er zullen wel frietzaken zijn, maar niet bij ons in de buurt.

Wel bakt mijn moeder soms broajertjes. Dat zijn krieltjes. Soms worden bij het rooien van de aardappels alle kleintjes verzameld. Die moeten dan geschild worden, of geschrapt. Dat is veel werk en mijn moeder heeft daar meestal geen zin in. Maar dan helpt mijn vader mee, zoals hij ook wel meehelpt met het schillen van de stoofperen.

Als de broajertjes geschild zijn, gaan ze in een grote braadpan met veel boter. Wij vinden ze heerlijk.

Maar hier staat dus een heuse frietkraam! Ik bestel een zakje patat. ‘Met of zonder?’ vraagt de man. Ik heb geen idee waar hij het over heeft. ‘Zeg maar zonder’, zegt Aaltje en dan zeg ik dat. Ik krijg het zakje. Er zit geen mayonaise op de patat. Dat hebben andere mensen wel. Ik durf daar niks van te zeggen en zonder smaakt de patat ook lekker.

Mayonaise hebben we trouwens niet in huis. We hebben alleen slasaus, die we dus over de sla gebruiken en mijn moeder roert die ook door het slaatje heen dat ze zelf maakt.

De jongens uit de vijfde klas (en eentje uit klas 6)

Zo’n schoolreisje is heerlijk. Het is altijd heel ver rijden en zo ver kom je anders nooit. Soms gaan we met het gezin een dagje weg, maar in de zomer heeft mijn vader het altijd erg druk. Dan gaan we samen met het gezin van tante Cor en ome Henk of met dat van ome Wout en tante Met.

Met tante Cor en ome Henk gaan we naar de Efteling. Dat is een groot sprookjesbos, waar je steeds weer iets nieuws tegenkomt. Je kunt propjes papier in Holle bolle Gijs gooien, er zijn paddestoelen met muziek, er is een kasteel van Doornroosje, een fakir op een vliegend tapijt, een reus met een heel lange nek. En er is een speeltuin, waar je heel lang kunt schommelen of elke keer van de hoge glijbaan kunt roetsjen. Heerlijk!

Met ome Wout en tante Met gaan we naar de dierentuin. Er is een kameel die er niet best uitziet: de vellen hangen erbij. Mijn nicht Johanna zegt tegen haar broertje: ‘Loop maar door, Wim. Die gaat toch zo dood.’

Zoals gezegd, meestal gaat mijn vader niet mee, omdat hij dan nog druk in het fruit is. Maar op een dag zegt hij dat we ‘s middags weggaan. Schoenen aan! Mijn moeder is verbaasd. Ze weet van niets. Het is een verrassing van mijn vader. We gaan naar Avifauna, dat is een dierentuin met alleen maar vogels. Mooi hoor, maar ik wil liever naar de speeltuin.

Als we genoeg vogels hebben gezien, mogen we naar de speeltuin. Het mooist vind ik de familieschommel. Aan de beide einden van de schommel is er een soort gazen hok, waar je in kunt staan. Het is alleen aan de achterkant open.

Ik ga daarin staan. Dat betekent dat je de schommel op gang moet brengen. Ineens is er een mager meisje, met een muizig gezichtje en afgevreten haar. Ze komt zomaar bij mij in het gazen hok staan en helpt mij mee. Ze is in badpak, waardoor je goed kunt zien dat ze maar mager is. Op haar bovenbeen, vlak onder haar bil heeft ze een blauwe plek.

Maar ze is wel taai en sterk en samen krijgen we de schommel heel hoog. Het is een wonderlijke ervaring, een meisje zo dicht bij je. Ik heb een geweldige middag.

We gaan ook verschillende keren naar de Flevohof. Dat is een park dat met de landbouw te maken heeft. Als je binnenkomt, zie je twee heel grote pratende aardappelen. Veel dingen weet ik al wel, maar er zijn ook heel moderne ontwikkelingen, zoals koeien die met een machine gemolken worden.

In de Flevohof is er een kinderafdeling met allemaal vierkante houten gebouwen. In elk gebouw kun je iets anders doen. Je mag bijvoorbeeld zelf een pannenkoek bakken. Dan krijg je wel een stempel op je kaart. Zoiets kan natuurlijk maar een enkele keer. De pannenkoeken zijn heel dun en dat vind ik juist zo lekker.

De pannenkoeken van mijn moeder zijn ook lekker, maar die zijn altijd dik. Soms breken ze als je ze oprolt. Dan kun je er minder van op, denk ik, en dan hoeft ze er dus ook minder van te bakken.

Er is ook een soort cowboydorp, met een echte saloon. De Flevohof is altijd leuk. We gaan er verschillende keren heen. En mijn vader gaat dan ook mee, wat extra feestelijk is.


Henkie, Tonnie, Teunis, Ome Henk van de Veen


woensdag 21 oktober 2026

Sprokkelaars (Mira Aluç)


Sommige titels laat ik aan mij voorbijgaan; je kunt niet alles lezen. Maar sommige bereiken mij niet eens. Dat laatste gebeurde mij met Sprokkelaars van Mira Aluç. Vooraf heb ik geen recensie ervan gezien en dat het boek de Bronzen Uil gewonnen heeft in 2025 is mij ook al ontgaan. Een kandidaat voor de Staatsexamens had het op haar of zijn lijst gezet en daarom vond ik dat het moest lezen. 

Het verhaal van de roman heeft een bijzondere setting: een loods op een 'vergeten' industrieterrein tussen twee steden in. Daar komen restpartijen aan van van alles en nog wat, spullen die weer gesleten worden aan de klanten. De hoofdpersoon, die door zijn oom Jong wordt genoemd, werkt er zes maanden lang, na het beëindigen van zijn studie. Naast zijn oom is er nog iemand in dienst, een grote man, Baris, die blikjes energiedrank drinkt. 

Sprokkelaars

Op het industrieterrein van je nog een tankstation, een snackkar, een zalencentrum. Het zijn mensen die hun leven bij elkaar sprokkelen en dat geldt ook voor de klanten. 

Stakkers vond ik het, maar het waren sprokkelaars; mensen die met al hun kracht en tekortkomingen hun bestaansrecht bijeensprokkelen. 

Jong heeft net zijn studie afgerond en hij komt dus terecht in een wereld die hij helemaal niet kent. Daarvoor is hij zijn oom dankbaar.

Ik weet niet of ik van hem hield, maar ik ben dankbaar. Hij gaf me een studiebeurs voor iets wat je niet leert in een collegezaal en waarvan ik de maandelijkse toelage in een envelop onder mijn kinderbed bewaarde. 

Stilstand

Maar het is ook een wereld waarin het leven van Jong tot stilstand gekomen is. Je zou kunnen zeggen dat er eigenlijk niets gebeurt en dat geldt ook voor een groot deel van de roman: die laat het leven in en om de loods zien, maar er is niet iets wat het verhaal voortstuwt. Als Jong de administratie onder handen neemt en daarmee het systeem van zijn oom in de war schopt, lijkt het even tot een conflict te leiden, maar ook dat vlakt weer af. 

Aan de ene kant geeft Sprokkelaars daardoor een goed beeld van het leven van Jong en de mensen om hem heen, maar aan de andere kant verlangde ik ook wel naar enige ontwikkeling, dat er een verhaal op gang zou komen, dat er nou eens iets gebeurde. 

Een andere mogelijke aanzet tot gebeurtenissen is de komst van Lunya, die optrekt met Baris, maar ook vriendschappelijk omgaat met Jong. Maar zij verdwijnt weer. 

Ik was Jong en zij was Lunya. Ik kon haar dat niet kwalijk nemen. Lunya geloofde in de toekomst en dat kon niemand van haar afpakken. Ze had geprobeerd me mee te trekken en toen dat niet lukte, koos ze voor zichzelf. Ze was niet gevlucht; ze was gegaan. 

Dat gebrek aan verhaal, aan gebeurtenissen, aan ontwikkeling vind ik wel een bezwaar van Sprokkelaars; het suddert maar door. Maar ik snap ook dat het past bij het leven van Jong, die zonder illusies de dingen doet die hij moet doet, die met weinig mensen omgaat, geen plannen maakt voor zijn leven. 

Spullen

Hij is omringd door spullen. Het zijn aanwezigheden in zijn leven. Spullen zijn een stabiele factor. 

Pas tegen de ochtend viel ik in slaap. Ik gaf me over, aan de dingen. Aan alle dingen die ooit zijn gemaakt en verbrand, stukgegooid, doorgezaagd, versnipperd en omgesmolten. Verwoest, vernield en teruggebracht tot nul. Aan alle spullen op aanrechten, alle aanrechten in keukens, alle keukens met servies. Aan alle kleden onder meubels, aan alle meubels in huizen, aan alle huizen met kleden. Er zijn meeer spullen geweest dan er nu zijn. En alles wat er niet meer is, daarvan zijn zelfs de asdeeltjes, het laatste partikel tot niets, spoorloos verdwenen. 

In zo'n opsomming ga ik als lezer zeker mee en Mira Aluç kan wel degelijk schrijven. Het wereldje dat ze oproept boeit me ook wel, maar toch was ik niet echt gegrepen door Sprokkelaars. Anderen hebben het boek trouwens zeer geprezen en ik noemde al dat het de Bronzen Uil gewonnen heeft. 

Die positieve recensies snap ik ook wel. Ik zie ook wel hoe de leegte en de eenzaamheid goed naar voren komen in Sprokkelaars. Maar ik kan niet nalaten te denken: En toch... Het is me net te weinig. Maar ga het boek vooral zelf lezen. Het is niet dik (172 bladzijden), dus je hebt het zo uit. 

dinsdag 20 oktober 2026

Jim Cutlass (Charlier / Giraud / Rossi)

Al eerder heb ik betoogd mijzelf niet als kenner te beschouwen op het gebied van strips, maar het is altijd nuttig om dat van tijd tot tijd te herhalen. Zeker nu ik een bundeling onder ogen heb gekregen van een strip die ik helemaal niet kende, Jim Cutlass. 

De reeks heeft een bijzondere geschiedenis. Het begon met een kort stripverhaal (zeventien pagina's) dat in 1976 gepubliceerd werd in een westernspecial van het blad Pilote. De auteurs waren niet de eersten de besten: Jean-Michel Charlier en Jean Giraud, een koppel dat we kennen van Blueberry. 

Daarna was het een tijdje stil rond Jim Cutlass, maar in 1980 werd het verhaal Missisipi River door de twee auteurs uitgewerkt tot een volwaardig album. Tussen 1991 en 1999 verschenen er nog zes albums, met als tekenaar Christian Rossi. Charlier was in 1989 overleden en Giraud schreef het scenario. Meer achtergrondinformatie over het ontstaan van de reeks en over de onenigheid tussen Charlier en uitgever Dargaud vind je op Stripinfo.

Alle zeven albums zijn nu uitgebracht door uitgeverij Tzooz in een degelijke hardcover. Het is een mooie uitgave, compleet met oranje leeslint, maar eigenlijk was, zoals bij veel andere integrale uitgaven, een dossier wel op zijn plaats geweest. Er is wel een 'Grafisch dossier' van acht pagina's aan het eind, met daarin schetsen en tekeningen van Christian Rossi en dat is werkelijk mooi, maar iets van achtergrondinformatie was wel op zijn plaats geweest, lijkt me. 

Het eerste deel van Jim Cutlass is 'losjes gebaseerd' (zoals ik overal lees) op Gone with the wind, de roman van Margaret Mitchell uit 1936, die in 1939 verfilmd werd. Ik laat die parallel even voor wat die is. 

Jim Cutlass, Johnny Playcard, Don Clay

Jim Cutlass is een noordelijke officier, die naar Louisiana trekt, omdat hij een katoenplantage erft. Onderweg is er gedoe aan de pokertafel, met zijn tegenstander Johnny Playcard, die ook in volgende albums Jims grote tegenstrever zal blijken. Hij wordt neergeslagen door Jim, die ooit bokskampioen was van Westpoint, de militaire school. 

Jim blijkt zijn erfenis te moeten delen met zijn nicht Carolyn Swift, die wel van hem gecharmeerd is, maar zij is verloofd met Don Clay, die Jim meteen uitdaagt voor een duel. Jim schiet hem neer, gaat ervandoor en moet het leger in te dienen in de burgeroorlog. Na de oorlog keert hij terug naar de plantage. 

Als noorderling is Jim tegen slavernij, maar in het zuiden stuit hij daardoor op verzet. Carolyn heeft op de plantage gepast, maar die verkeert in moeilijke omstandigheden. Men probeert haar te dwingen tot verkoop. Ook hier blijkt Playcard een rol in te spelen en zelfs Ku Klux Klan is een tegenstander. Verder zal Don Clay weer opduiken. 

De eerste delen van de reeks lezen lekker weg en de verhalen hebben wel iets weg van die van Blueberry, wat natuurlijk niet zo vreemd is, gezien de makers. Beide hoofdpersonen zijn charmant, eigenzinnig, wars van conventies. De verhalen zitten goed in elkaar, hebben vaart en spanning. 

Hallucinaties, voodoo en zombies

In de latere delen komen voodoo en hallucinaties voor. Carolyn wordt vastgehouden door een albino met kwade bedoelingen en Jim probeert haar te bevrijden. Maar wat is werkelijk en wat is verbeelding? Aan de ene kant kun je zeggen dat Jim Cutlass zich in dit soort scènes pas echt losmaakt van de Blueberry-achtige wereld, maar aan de andere kant gaat daardoor het verhaal zozeer zijn eigen weg, dat je misschien ook lezers kwijtraakt. 

Ik vind die laatste delen minder interessant. Zo gauw het gaat over dromen, hallucinaties, tovenaars en zombies, kan zo'n beetje alles in het verhaal en krijg je het altijd wel kloppend. Voor mijn gevoel is het altijd een zwaktebod, maar misschien zeg ik dat omdat het gewoon mijn smaak niet is. Het verhaal blijft wel vaart houden, en iemand die ervan houdt zal het met plezier lezen, maar ik haakte in die latere delen toch af. 

Jim Cutlass was een strip die ik helemaal niet kende en het is mooi dat Tzooz nu alle albums gebundeld heeft in deze mooie uitgave, zodat je alles achter elkaar door kunt lezen en een beeld krijgt van de hele reeks. Ik heb bijvoorbeeld Blueberry als losse albums gelezen en dan ook nog in willekeurige volgorde. Dan is elk album nog steeds zeer genietbaar, maar een grotere lijn raak je daardoor wel kwijt. Die hou je  in deze uitgave van Jim Cutlass steeds vast en dat is zonder meer prettig. Net als het personage Blueberry zal Jim Cutlass je bijblijven: een eigenwijze dondersteen, die goedgehumeurd zich in de nesten werkt, maar die in principe deugt en bereid is zich in te zetten voor anderen. Het was een aangename kennismaking. 

Titel: Jim Cutlass (integrale uitgave)
Scenario: Jean-Michel Charlier en Jean Giraud
Tekeningen: Jean Giraud en Christian Rossi
Inkleuring: Isabelle Beaumery-Joannet en Christian Rossi
Uitgeverij: Tzooz
2026, 448 blz. € 69,95 (hardcover, leeslint)

maandag 19 oktober 2026

Nachtnotitie (Jan Siebelink)



Bij Jan Siebelink denkt de gemiddelde lezer het eerst aan Knielen op een bed violen (2005), het boek dat hem het grote succes gebracht heeft. Daarvoor had hij ook al goede boeken geschreven, zoals Met afgewend hoofd (1986), De overkant van de rivier (1990) en Verdwaald gezin (1993). Eerlijk gezegd moet De overkant van de rivier het wel vooral van de eerste helft hebben. 

Na Knielen op een bed violen heeft Siebelink nog wel andersoortige boeken geschreven, zoals Oscar (2011), maar in verschillende romans bleef hij dicht bij de thematiek van zijn violenboek, zoals in Margje (2015), De buurjongen (2017) en Brengschuld (2022). Aan de ene kant is het begrijpelijk dat een schrijver dicht bij zijn autobiografie blijft, aan de andere kant voelde het ook wel een beetje als het uitmelken van het succes en als herhaling met een kleine variatie. De boeken zijn soms aardig als aanvulling op wat je al weet, maar ze redden het eigenlijk niet als zelfstandig boek. 

Rouwjournaal (2025) gaat over het overlijden van zijn vrouw. Dat boek heb ik overgeslagen, dus daar kan ik niets over zeggen. Maar Nachtnotitie, zijn nieuwste, heb ik toch maar weer aangeschaft. Het is eigenlijk wel een heel aardig boek. 

Ook in Nachtnotitie komt weer veel bekends voor, dat te maken heeft met de tuinderij in Velp, maar deze keer is de verteller niet Ruben Sievez, maar de 'ik' is de schrijver. Zo noemt hij de naam van zijn overleden vrouw, Gerda. En zijn overleden vriend Louis Ferron heet aanvankelijk nog wel Loet IJzertje, maar even verderop zegt Siebelink over wie het werkelijk gaat. 

In Nachtnotitie ligt de verteller op bed en er gaat van alles door zijn hoofd. Herinneringen aan zijn vrouw, maar ook aan de tuinderij van zijn vader en aan hoe hij als kind met zijn slee van de heuvel ging. Zijn vader had iets op een latje van de slee geschreven en de verteller probeert zich te herinneren wat dat is. 

Schoolleven

In zijn oeuvre heeft Siebelink niet alleen vaak geschreven over de tuinderij in Velp, maar ook over zijn werk als docent Frans. Dat deed hij bijvoorbeeld in Nachtschade (1975), Laatste schooldag (2000) en Suezkade (2008).

Ook in Nachtnotitie komt de school terug. De verteller kreeg anonieme brieven in zijn postvak met kritiek op zijn manier van docent zijn. Hij zou te weinig toetsen geven en het zijn werk op school zou lijden onder 'al dat boekengeschrijf'. 

Op een dag had hij zijn tas al achter op zijn fiets en stond hij op het punt naar school te gaan, maar hij kreeg het niet voor elkaar het huis daadwerkelijk te verlaten. Daarover schreef Siebelink al eerder in het verhaal 'Ten strengste verboden dit pand te betreden', dat opgenomen werd in een bundel over het Huis Kernhem in Ede, in 2003. Daarin verwoordde hij het zo:
Wat was er die dag met mij aan de hand? Zojuist had ik mijn vrouw goedendag gezegd, die boven met de baby bezig was (enige weken daarvoor was er een dochter in ons gezin geboren), ik had de fiets al uit de schuur gehaald, mijn tas onder de snelbinders gedaan. De beide oudste kinderen groetten mij, gingen op weg naar school. Nu ik zelf nog. Zonlicht viel in de keuken, ik stond op het punt de achterdeur open te doen, riep nog dat ik nu wegging...
Maar het lukt hem niet het huis te verlaten. 

Siebelink beschrijft ook hoe een collega Engels, die juist zelf moeite heeft met de orde, de verteller hem aanspreekt en op een feest van de school pikt hij dat niet meer en heef hij zichzelf niet meer in de hand. Hij werkt de collega tegen de grond. Zijn vrouw zal tegen hem zeggen: 'Je raakte buiten jezelf. Dat wilde je ook. Je ging in zekere zin je vader achterna.'

Godzoeker

Die vader speelt ook in Nachtnotitie een centrale rol. Niet alleen in zijn gezwoeg om de tuinderij draaiend te houden, maar ook in zijn extreme vorm van geloof. Siebelink schrijft:
Heel zeker is dat ik, al maar zoekend - ik besef dat ik een godzoeker ben -, ergens in me dat geloof van vader met me meedraag. 
Siebelink is bezig met het geloof zoals zijn vader dat beleefd heeft. Hij leest dan ook een preek van Smytegeld. Met instemming citeert hij de slotzin van À rebours van J.K. Huysmans:
Ik ken de laatste zin van de roman uit mijn hoofd: 'Seigneur... O, Heer, heb medelijden met de ongelovige die zou willen geloven, met de galeislaaf van het leven, die alleen scheep gaat, in de nacht, onder een firmament dat niet meer wordt verlicht door de vertroostende bakens van de oude hoop!
Het is het beeld van een ongelovige die wil geloven en dat lukt hem niet. 
Geloven is weten. Maar wat weet ik nou? Niet eens wat mijn vader op de slee heeft geschreven. 

Bergafwaarts

Het met slee naar beneden suizen komt steeds terug en wellicht is dat een beeld van de schrijver die in een fase gekomen is dat hij bergafwaarts gaat, maar het is geen schrikbeeld meer. Het overlijden van zijn vrouw heeft hem in een nieuwe fase gebracht, die hem anders doet kijken, niet alleen naar de toekomst, maar ook naar zijn eigen verleden:
Het sterven van Gerda roept het ingesloten sterven van vader op, het besef van het alleen-zijn van mijn moeder. Ook mijn eigen naderende einde. 

Het jongetje gaat hard met zijn slee van de Koningsberg af, met de slee die een boodschap van zijn vader meegekregen heeft. Hij geniet van de snelheid: 'ik ga ineens zo hard, daarginds het schijnsel, ik verlang naar huis, thuis wordt op mij gewacht...'

Zo gaat het ook met de ik-figuur. Hij beseft dat hij de berg af gaat, maar tegelijkertijd is er het besef dat er thuis op hem gewacht wordt. Niet dat hij er bijna geweest is, maar dat hij er bijna is. 

Charmant

Nachtnotitie is een charmant boekje, waarin Siebelink de maskers van romanpersonages laat vallen en direct over zijn eigen leven schrijft. Alle thema's in zijn werk zijn de thema's van zijn leven en ze komen nog een keer langs. Aan de ene kant is het peinzen in de nacht een vrij losse manier van ordenen, omdat gedachten nu eenmaal alle kanten heen gaan, aan de andere kant zit er ook duidelijk lijn in het boek door het herhalen van de sleetocht de heuvel af. 

De slotzin van het boek ('Deze nanacht heb ik mezelf gered') kwam voor mij nog wel een beetje uit de lucht zetten en ik vind hem ook wel een beetje zwaar aangezet, maar dat geeft niet. Het is mooi om te zien dat Siebelink met het bekende nog steeds iets nieuws kan doen, dat toch weer iets toevoegt aan wat we al weten.  


Eerder schreef ik over:

donderdag 15 oktober 2026

Mysterie in Rommelgem, Een avontuur van IJzerlijm (Elric & Sophie Guerrive)

Als een stripreeks succesvol is, ontstaan er nevenreeksen, spin-offs. Denk aan de reeksen over Roodhaar, de marsupilami, Kid Lucky, Fanny K, Rataplan, Idéfix en Erwin (de zoon van Eric de Noorman). Robbedoes en Kwabbernoot is een succesvolle reeks, die begin jaren vijftig startte. In de hoofdreeks zijn al meer dan vijftig albums verschenen. 

Uit die reeks kwamen andere reeksen voort. Het zijn er een heel stel, waaronder De kleine Robbe, Zwendel, Rommelgem en Supergroom. En intussen is er ook IJzerlijm, waarvan nog maar een enkel album verschenen is, Mysterie in Rommelgem, maar de scenariste, Sophie Guerrive, vertelde dat er al drie albums gepland zijn. 

Sophie Guerrive schreef al het scenario van twee albums in de reeks Robbedoes en Kwabbernoot: nr. 56, De dood van Robbedoes (2022) en nr. 57 Het geheugen van de toekomst (2024). In de nieuwe reeks zet ze de journaliste IJzerlijm centraal. 

Het personage gaat al een heel tijdje mee. Ze verscheen voor het eerst in deel 6, De hoorn van de neushoorn (1955) en sinds die tijd duikt ze geregeld op. 

kasteel van Skeuvre

Rommelgem

In deze nieuwe reeks verhuist IJzerlijm naar het platteland, naar het dorp Rommelgem, dat we in de hoofdreeks kennen als de woonplaats van de graaf van Rommelgem, die in veel Robbedoesalbums voorkomt. Hij woont in een kasteel, waarvoor het kasteel van Skeuvre model heeft gestaan. Het komt ook voor in dit avontuur van IJzerlijm. 

Het vertrek van de stad naar het platteland is al een hele overstap, maar IJzerlijm gaat ook nog buiten het dorp wonen, in een huisje op een heuveltje, in het midden van nergens. Het is behelpen in het begin: haar computer is er nog niet, ze kan haar pannen niet vinden in de stapels dozen en de enige pizzeria blijkt al gesloten te zijn. 

Kasteel van Rommelgem

Verdwenen dieren

In het dorp zelf is het allesbehalve rustig. Met enige regelmaat verdwijnen er dieren, waardoor twee groepen lijnrecht tegenover elkaar staan. De VVR, de Vereniging voor Veiligheid in Rommelgem, bestaande uit boeren en jagers, die 's nachts door het dorp lopen om de wacht te houden, en de vrienden van Arthur Natuur, de groene hippies en veganisten. Zij worden er door sommige mensen van verdacht de dieren  los te laten. 

IJzerlijm gaat op onderzoek uit, waarbij ze gevolgd wordt door Colette en wat naïeve jonge vrouw, die het plan heeft opgevat om journaliste te worden. De zaak is complex: er is een inbraak in het kasteel, er zijn geheimzinnige paddestoelen en IJzerlijm en Colette lopen gevaar 

Natuurlijk wordt het mysterie opgelost, al gaat dat niet vanzelf. IJzerlijm is nieuwsgierig en niet bang. Ze is gewend om zelf dingen uit te zoeken en de aanwezigheid van Colette komt soms ook van pas. Verder heeft ze de hele tijd contact gehouden met Robbedoes en Kwabbernoot, die nog een bijrol mogen spelen, net als de eekhoorn Spip. De graaf van Rommelgem is prominent aanwezig en zelfs Guust Flater komt nog even om de hoek kijken. 

Tekeningen

Al met al is Mysterie in Rommelgem een leuk verhaal: spannend, al wordt het nooit echt beklemmend en is er steeds een zekere luchtigheid. De tekeningen zijn van de hand van Elric (Elric Dufau), tekenaar van een van de albums in de reeks Robbedoes en Kwabbernoot Classic (De varkensbaai, 2024) en van de Franse Iznogoedh. Ik kende zijn werk niet, maar was door zijn manier van tekenen meteen terug bij de vroege Robbedoesalbums. Zijn het de niet al te geprononceerde lijnen? De inkleuring? Mijn kennis schiet tekort om precies te zeggen hoe het komt; ik ben slechts afgegaan op mijn beleving. 

Slechts een enkele keer betrapte ik hem op een onnauwkeurigheid: om de tuin (eigenlijk een stuk gras) bij het huis van IJzerlijm staat een laag muurtje. Het pad van haar huis loopt nog een heel eind door tot aan de weg. Maar als de verhuiswagen komt, loopt die weg ineens vlak langs het muurtje. Het is een kleinigheid. 

IJzerlijm voldoet uitstekend als hoofdpersoon en het verhaal boeit. Het gaat onder anderen over de gevolgen van framing en polarisatie voor en dat is een actueel thema. Het besloten veilige wereldje van Rommelgem is een omgeving waarin je als lezer graag verkeert. Eigenlijk is de wereld niet groter dan dat dorp en zorgt voor een overzichtelijk wereldbeeld.

Het is fijn dat er nog meer albums over IJzerlijm gaan verschijnen. Ook die zal ik weer met plezier gaan lezen. 

Reeks: IJzerlijm
Deel 1: Mysterie in Rommelgem
Scenario: Sophie Guerrive
Tekeningen: Elric
Uitgever: Dupuis
2026, 56 blz. € 9,99 (softcover)

woensdag 14 oktober 2026

Bollengrond (Dicky Nieuwenhuis)

Noor Vrijburg groeit op in een gezin met vier kinderen: haar oudere broer Joris, oudere zus Maud en jongere zus Brechtje. Het is een christelijk gezin op een bollenkwekerij in het westen van het land, niet ver van de zee. Op een dag wordt duidelijk dat Maud, die met Noor een kamer en een bed deelt, door vader seksueel misbruikt is. Noor is dan zestien. 

Nu is het dertig jaar later. En Noor heeft besloten om in het verleden te duiken. Wat is er gebeurd en waarom hield iedereen indertijd zijn mond? Ze overlegt daarover met haar broer en zussen, die haar niet tegen willen houden. Moeder is intussen overleden, vader is dementerend. 

Dat is de situatie in de roman Bollengrond, het debuut van Dicky Nieuwenhuis. In het heden volgen we de zoektocht van Noor, die op bezoek gaat bij familieleden en anderen die dicht bij het gezin stonden. Aan de andere kant zijn er herinneringen aan de kindertijd, in hoofdstukken die als titel alleen de leeftijd vermelden die Noor indertijd had. Verder zijn er stukjes uit dagboeken, gesprekken op WhatsApp en spraakmemo's, ingesproken door Noor. Soms om haar geheugen te ondersteunen, soms ook om te reflecteren op wat gebeurd is of op wat ze gehoord heeft. 

Het spreekt niet vanzelf dat Noor het verleden naar boven wil halen. Een jeugdvriend, Bart, zegt: 

'Het is dat jij ernaar vraagt,' onderbreekt Bart mijn gedachten, 'maar ik denk eigenlijk nooit aan vroeger. Wat heb je eraan? Voorbij is voorbij.' 

Niet geweten

Aan de ene kant heeft Noor het idee dat haar indertijd veel ontgaan is. Als Maud eindelijk gaat praten, beseft Noor dat ze juist altijd zo'n fijne jeugd heeft gehad. Dat is niet helemaal waar, want vader misbruikte niet alleen Maud, hij had ook woedeaanvallen waar de anderen het slachtoffer van waren. 

Dat Noor niet alles geweten heeft, ontdekt ze tijdens haar zoektocht. Ze wist bijvoorbeeld niet dat moeder antidepressiva slikte en dat ze aan de drank was. 

Mama die aan de drank was, flessen op tafel, een glas in haar handen. Ik zie niets, herinner me niets. Ben ik de enige die dit totaal heeft gemist? 

Ook de signalen die er waren dat vader niet van de jonge vrouwen af kon blijven, heeft ze nooit helemaal opgepikt en de gedachte dat moeder ervan afgeweten moet hebben, dringt ook nu pas tot haar door. 

Dat er iets is met Maud, heeft ze indertijd wel gezien, maar ze wist niet wat er werkelijk met haar aan de hand was. 

Wat is er met Maud? Ik zie haar zo vaak huilen op onze kamer. Ik durf nooit iets te vragen. Mijn oudere zus leeft in een andere wereld, met een andere taal, andere mensen, waar zaken spelen -eindexamens, vriendjes, deuren die op slot gaan als haar vriendje op bezoek is- die ik nooit aan den lijve heb ervaren. Als ze huilt, zou ik willen dat ik haar taal sprak. 

Maud heeft wel aan Noor laten merken dat er meer aan hand was dan haar zus wist: 'Noor, je hebt geen idee van wat er hier in huis gebeurt.'

Schuldgevoel

Aan de andere kant is er een schuldgevoel. Niet alleen de schuld van het niet weten, het niet geweten hebben, maar ook de schuld van het geen slachtoffer zijn. Als iemand vraagt of zij of Maud in het verleden slachtoffer is geweest, legt ze uit hoe het zit en tegelijkertijd schaamt ze zich. 

Je zou kunnen zeggen dat het onderzoek niet alleen voortgedreven wordt door de wil om informatie te verzamelen, maar ook door schuldgevoel. 

Vaak is Noor zeker van haar zaak. Er is lang genoeg gezwegen door iedereen en nu moet het maar eens openbaar worden. 

Ik ga vragen stellen die ik nooit door mijn strot kreeg, op zoek naar de dingen waar ik altijd voor wegliep. Ik ga naar de donkere diepte duiken. 

Maar er is ook twijfel:

Nu twijfel ik weer aan alles. Soms voel ik me bijna een dader. Is de boel opgengooien echt voor iedereen beter?

En:

Wat nou als mijn voortdurende gepeuter aan de familiewond iets veel ergers zichtbaar maakt? Lichtgele larven met spitse kopjes en stompe achterlijven die decennia geleden al onder de familiehuid zijn gekropen, en nu voor het eerst zuurstof krijgen?

Zwijgen

Het seksueel misbruik is indertijd openbaar gemaakt, maar er is vooral over gezwegen. Door het gezin, door de omgeving. Dat was niet alleen kwaadwilligheid, zoals Noor ziet als ze haar eigen gedrag onder de loep neemt.

Mijn leven lang liep ik hiervoor weg, liet ik me overweldigen door de angst mama pijn te doen en noemde ik dat liefde. Maar liefde moet ook hard zijn, want zonder dat wordt de bodem van het hart nooit bereikt, kan de liefde nooit wortelschieten. 

Dat Maud indertijd geen aangifte heeft gedaan was ook om moeder te sparen. En Maud vroeg zich ook af of het allemaal wel erg genoeg voor aangifte was. 

Noor reflecteert voortdurend op haar eigen drijfveren. Dient dat wel een hoger doel of dient het alleen haarzelf? Wil ze alleen haar eigen leven beter begrijpen? Maud zegt tegen haar:

Dat familieonderzoek en dat geschrijf van jou allemaal niet mijn keuze. 

Kerk

Indertijd is het gezin een beetje aan zijn lot overgelaten. Noor had het idee dat alleen dominee Hintzel wat heeft ondernomen, maar als ze na zoveel jaren  contact met hem opneemt antwoordt hij:

Hoe lastig ook, nu moeder overleden is en vader niet meer bereikbaar is, blijft het belangrijk hen te respecteren. Temer daar we van doen hebben met een gaarne vergevend God om Jezus Christus, ook over de zonden die in het verleden bedreven zijn. 

Een ouderling geeft toe dat de kerkenraad indertijd niet goed gehandeld heeft. 

We hadden veel meer aandacht aan jullie als kinderen moeten besteden. We hebben jullie zelfs nooit gesproken. 

En een oom schrijft:

Noor, om te beginnen wil ik zeggen dat ik het heel erg vind dat je tante en ik niet in actie zijn gekomen voor Maud en jullie allemaal, toen het verhaal bekend werd. Wij hoorden het via via en we wilden niet klakkeloos geruchten volgen. Maar we hadden het jullie zelf moeten vragen. Daar waren jullie oud genoeg voor. We hebben het niet goed aangepakt.  

Maar hij schrijft ook dat men in de familie vindt dat het boek van Noor vooral over hun gezin moet gaan en niet over de familie. En daarna:

Noor, het wordt misschien ook tijd om je te gaan verzoenen met je vader, en met alles wat er gebeurd is. 

Wegkijken

Een tante ontkent het domweg: nee, ze heeft nooit gehoord dat er seksueel misbruik in het gezin was. Later blijkt dat ze het wel degelijk wist als ze zegt: 'Ik weet ook niet of er wel wat gebeurd is.' Tante heeft weggekeken, zoals zoveel mensen weggekeken hebben. En degenen die niet wegkeken, hebben vaak niets gedaan, al waren er al veel langer signalen, het gedrag van vader tegenover andere jonge vrouwen. 

Meer nog dan over seksueel misbruik gaat Bollengrond over het zwijgen, het wegkijken, het uit de weg gaan van de waarheid. Het doet denken aan Het hele dorp wist het van Rinke Verkerk, dat ik overigens niet gelezen heb, maar waar ik wel over gelezen heb. Verkerk houdt zich sindsdien bezig met het omstanderschap, ook wat betreft bijvoorbeeld de genocide in Gaza. 

Dat het gezin Vrijburg een christelijk gezin was, zal ook meegespeeld hebben. Zelfs na zoveel jaren is de reflex bij sommigen christenen dat er maar eens vergeven moet worden, dat het tijd is voor verzoening, waarbij de situatie van slachtoffers genegeerd wordt. 

Mislukte puzzel

Noor zegt aan het eind van het boek dat haar puzzel mislukt is. Wat ze daarna met de bladen doet, is wel erg zwaar aangezet, net als hoe ze zich gedraagt bij het sterfbed van haar vader. Zelfs als het alleen in de verbeelding gebeurt en niet in de werkelijkheid van het boek, viel het voor mijn gevoel uit de toon. Het imaginaire gesprek met de moeder kwam bijvoorbeeld meer natuurlijk over. 

Nieuwenhuis heeft de neiging om alles expliciet te maken en daar hikte ik in het begin wel tegenaan. Tijdens een gesprek lees je dan: 'Nu de uitsmijter, die is het spannendst'. Dat het spannend is voor Noor had ik liever zelf opgemaakt uit het gesprek. Hoewel dat in de rest van het boek ook zo blijft, heeft me dat toch meestal niet gestoord. Wellicht omdat het ook laat zien hoe overbewust Noor zich is van haar eigen handelen. 

Maar ik vind Bollengrond beter in de details waarin alleen maar gesuggereerd wordt. Als Noor ziet dat vader indertijd veel hysop heeft aangeplant, vraagt ze zich waarom hij dat gedaan zou hebben. Bij de lezer komt dan waarschijnlijk wel de psalmtekst boven: 'Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, / Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.'

Er wordt ook verteld over een beroemde reclame voor Rolo: een jongetje pest een jonge olifant en krijgt jaren later een mep van diezelfde olifant. Nieuwenhuis maakt ervan dat dat dertig jaar later is, de tijd die zit tussen wat er in het verleden gebeurd is en de zoektocht van Noor. Wie krijgt er na zo veel jaren een mep? De dader? De omgeving? Komt de klap nu pas bij Noor aan? Door het allemaal niet uit te leggen, komt er ruimte voor interpretaties, die allemaal voor een deel mee kunnen spelen. 

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het zwemmen, dat Noor geregeld doet. Aan de ene kant is dat gewoon een bezigheid, maar het wordt ook soort metafoor. Noor laat zich niet alleen in het water zakken, maar ook in het verleden. En er zijn momenten (het zwemmen in de mist) dat ze denkt dat ze daaraan onderdoor gaat. 

Pijnlijke inzichten

Noor zegt dat de puzzel mislukt is, maar het is maar de vraag of dat ook zo is. Het heeft niet een mooi compleet plaatje opgeleverd, maar het puzzelen zelf heeft haar wel allerlei inzichten gebracht, heeft mensen in andere posities geplaatst, heeft haar na laten denken over haar gezin en over haarzelf. 

De inzichten zijn soms pijnlijk:

'Die onafscheidelijke zussen zaten vooral in mijn hoofd, Maud,' roep ik in de wind. 'In werkelijkheid waren we allebei alleen.'

Dat Noor dat nu onder ogen kan zien, toont aan welke stappen ze gezet heeft, hoe ze verder is gekomen met haar gepuzzel. 

In Bollengrond maken we een particuliere tocht mee: de zoektocht van Noor. Aan de andere kant zien we ook de mechanismen die er optreden in de omgeving: het liever niet willen weten, het denken aan de eigen positie, het uitgaan van de eigen waarheid en niet echt geïnteresseerd zijn van wat een ander is overkomen. Noor zorgt ervoor dat de omgeving niet langer kan wegkijken, ze dwingt bekenden na te denken over wat er gebeurd is. Niet alleen wat er gebeurd is, is verschrikkelijk, maar ook hoe anderen daarop gereageerd hebben. 

Bollengrond is een debuut, maar het is niet een voorzichtig probeersel. Het komt over als een boek van een auteur die weet wat ze wil: in alle kwetsbaarheid laten zien dat zij het ook niet allemaal weet, maar dat ze vastbesloten is de tocht de ondernemen. Dat is niet alleen de zoektocht van Noor, maar ook de onderneming van het schrijven, het maken van een boek. Dat is in ieder geval goed gelukt. 

Dicky Nieuwenhuis, Bollengrond. Uitg. Mozaïek, 2026; 400 blz. € 24,99

maandag 12 oktober 2026

Mykola, Een soldatenverhaal (Erik Kriek)



Het is januari 1940, in Finland, aan het begin van Mykola, Een soldatenverhaal van Erik Kriek. Als lezer zweef je boven een landschap van besneeuwde bossen. Je daalt af totdat je tussen de bomen bent. Omdat de eerste pagina's geen tekst bevatten, is er alleen maar stilte. Er loopt een rendier rond, er vliegen wat vogels op, verder niets. 

Verderop gestrande Russische tanks en kanonnen. Als je dichterbij komt, zie je pas de lichamen van de soldaten, allemaal dood. Nee, er loopt er nog eentje rond, die een dode luitenant ontdoet van zijn jas, omdat hij die zelf goed kan gebruiken. 

Die soldaat blijkt Mykola Volkov te zijn, Oekraïner, soldaat in het Sovjetleger. De tekeningen zijn ingekleurd met enkele bruinen en wat lichtblauw, voor de sneeuw. Daartussen licht de rode ster met de hamer en de sikkel op, op de muts met klep die Mykola draagt. 

Voorgeschiedenis

Hij wordt opgepikt door enkele andere soldaten, die net als hij proberen te ontkomen aan de Finnen. De voorgeschiedenis wordt verteld in een flashback met slechts een enkele steunkleur (een sepia-achtig bruin) en een nog verder verleden in een droom, met dezelfde steunkleur: Mykola's vader werd vermoord door de Sovjets, omdat hij voedsel achter zou houden. 

De soldaten stuiten op een oude Fin, Eero Salminen, die voor zichzelf, zijn vrouw en zijn kleindochter aan eten probeert te komen door strikken voor de konijnen te zetten. Ook hij krijgt een verleden, in een flashback (met grijs als steunkleur). Een kleinzoon van hem moest naar het leger. 

Door de flashbacks worden Mykola en Eero menselijk. Zij hebben een gezin en proberen ook maar zo goed mogelijk een oorlog door te komen. De confrontatie van de soldaten met het gezin van Eero eindigt dramatisch, vooral door Bukya, een sergeant met een borstelige snor. 

1941

Het tweede deel speelt zich af in 1941, in Oekraïne. Mykola Volkov is intussen sergeant geworden en de Sovjets strijden nu tegen de Duitsers. Bukya is kapitein en nog steeds de meerdere van Volkov. Hij is gewetenloos, wat al bleek bij de confrontatie met het gezin van Eero (die hij later als een heldendaad geclaimd heeft) en ook nu, als hij bereid is zijn eigen manschappen de dood in te sturen. 

Met Mykola heeft hij een tweeslachtige verhouding. Aan de ene kant hebben ze een gedeeld verleden, aan de andere kant ziet hij dat Mykola volstrekt anders tegenover de oorlog staat. Hij spreekt Mykola zelfs aan op zijn afkomst: 'Ik had beter moeten weten dan de zoon van een laffe koelak te vertrouwen'.

Ook in dit tweede hoofdstuk wordt het verschil tussen het verhaal en flashbacks duidelijk aan de inkleuring: het verhaal is donkergroen met lichtbruin ingekleurd, de flashback alleen in bruin. Daardoor weten we hoe het indertijd in Finland gegaan is met Mykola en het groepje soldaten bij de hereniging met de rest van het leger.

Het donkergroen met lichtbruin laat zien dat het verhaal zich in de zomer afspeelt, maar het schurkt ook aan tegen het legergroen. 

2022

En dan springen we naar deel 3, maart 2022 in Oekraïne. Weer is er oorlog. Nu hoort Oekraïne niet meer bij de Sovjet-Unie. Rusland is Oekraïne binnengevallen en Russen en Oekraïners staan tegenover elkaar. Mykola is een oude man. In een terugblik op de Tweede Wereldoorlog blijkt dat hij uiteindelijk kapitein werd. 
Hier hebben ze me tot kapitein bevorderd. Dat was nadat ik terugkwam uit Berlijn, na de oorlog. Kijk al die onderscheidingen eens trost op mijn gala-uniform gespeld! Het zei me heel weinig. Ik was vooral opgelucht dat ik die ellende had overleefd. Zoveel van mijn kameraden keerden niet terug...
...Eindelijk was die hel voorbij! En ik had het overleefd! We konden het bijna niet geloven, maar we konden eindelijk terug naar huis. Tenminste, dat hoopten we allemaal. Onze jeugd, onze onschuld, onze familie... We waren zo veel kwijtgeraakt, ik voelde me leeggezogen, zielloos, ik was alleen nog maar een lege huls...
Er dringen bij Russische soldaten bij Mykola binnen en hij kan zijn verhaal doen. De wrange ironie is dat de grootvader van een van de soldaten en Mykola mogelijk een gedeeld verleden hebben. 

Hoe het verhaal afloopt, laat ik even in het midden, zoals ik dat ook met enkele andere verhaalelementen heb gedaan. 

In dit derde deel zijn de kleuren donkergroen en lichtblauw, de flashback heeft als steunkleur bruin. Het donkergroen doet weer denken aan het militaire groen. In het hele boek lijkt nergens de zon te schijnen. De ene keer is het wat lichter dan de andere keer, maar altijd lijkt er een soort betrokkenheid. Dat geeft een zekere somberheid of in ieder geval ernst, wat goed past bij het verhaal. 

De stroom van de geschiedenis

Mykola heeft mee moeten drijven met de stroom van de geschiedenis. Hij heeft geprobeerd menselijk te blijven. Dat is hem niet altijd gelukt, gedwongen door de oorlog, maar vooral ook door anderen (Bukya). Welke keuzes iemand maakt,  of hij overleeft, of hij een held of een slachtoffer is, het lijkt toeval.

Kriek laat ons de gruwel van de oorlog zien, die mensen drijft tot daden die ze niet willen of die mensen afsluit van hun geweten, waardoor ze hun menselijkheid verliezen. Mensen zijn kwetsbaar en kunnen zomaar slachtoffer worden. Daar hebben ze zelf nauwelijks invloed op. Je kunt proberen een daad te stellen, zoals de kleindochter van Eera Salminen, maar uiteindelijk sta je machteloos. 

Mykola is Oekraïner, maar is ook Sovjetonderdaan. Hij vecht tegen de Finnen en de Duitsers en uiteindelijk zijn het de Russen die Oekraïne binnenvallen en daardoor de vijand zijn. Alleen al door de loop van de geschiedenis zijn de rollen van Mykola veranderd. 

Dat doet me denken aan de romans van de Roemeense schrijver Virgil Gheorghiu. Ook daar komen mensen in voor die door de loop van de geschiedenis in moeilijkheden komen, die hun loyaliteit moeten herzien, die ineens aan de verkeerde kant van de streep komen te staan. 

Tekeningen

De tekeningen in Mykola zijn zoals we van Erik Kriek gewend zijn en dat wil zeggen dat ze dik in orde zijn. Kriek werkt zonder kaders en dat werkt goed. Door de afwezigheid van de kaders zijn de verschillende tekeningen minder opgesloten in zichzelf, misschien. Door de inkleuring is de rechthoekige of vierkante vorm van elke tekening toch nadrukkelijk aanwezig. 

De verhaallijn zit goed in elkaar. Eigenlijk is het verhaal niet zo ingewikkeld, doordat Kriek het verhaal van de oorlogen terugbrengt tot het verhaal van een enkel mens. Ondanks de gruwelijkheid en de hardheid is Mykola daardoor een menselijk verhaal. 

Het boek is mooi uitgegeven door Scratch: als hardcover, met een linnen rug.

Titel: Mykola, Een soldatenverhaal
Tekst en tekeningen: Erik Kriek
Uitgever: Scratch Books
2026, 144 blz. € 32,50 (hardcover, linnen rug)

Eerder schreef ik over ander werk van Erik Kriek: