vrijdag 1 mei 2026

Ghostmoney 3: Sterven in Dubai (Smolderen/Bertail)


In november 2025 schreef ik over de eerste twee delen van de stripreeks Ghostmoney, die tegelijk in het Nederlands verschenen. Je vindt die bijdrage hier. Het was een goede keuze van uitgeverij Arboris om meteen twee delen op de markt te brengen: het verhaal zit redelijk ingewikkeld in elkaar en dan heb je even tijd nodig om de verhoudingen tussen de groepen goed tot je door te laten dringen. 

Dat geldt ook voor de jonge vrouw Lindsey, die in het eerste deel bij toeval terechtkwam in het leven van de schatrijke Chamza. Rond Chamza is er van alles aan de hand. In het tweede deel bleek dat haar tegenstanders haar zelfs in de gaten kunnen houden via haar ogen, die voor hen als een camera fungeren. Wat Chamza nu precies weet en welke rol ze speelt, blijft en beetje in nevelen gehuld voor Lindsey en eigenlijk ook voor de lezer, al worden er wel aanwijzingen gegeven. 

Wat vooraf ging

Voor wie het verhaal van de reeks niet meer zo helder heeft is voor in het derde deel een korte samenvatting opgenomen van wat voorafging en dat is een mooie service. Het speelt zich allemaal af na de aanslag op de Twin Towers. Er wordt verondersteld dat er een schat van Al Qaida is, een gigantisch bedrag. Degene die erover beschikt kan wereldwijd grote dingen veroorzaken. Twintig jaar na de aanslag zijn er verschillende partijen naar op jacht, onder wie Kendricks, die in 2005 de bankier van Al Qaida heeft ondervraagd in opdracht van de CIA. De groep van Kendricks houdt Chamza in de gaten. 

Chamza blijkt de dochter van de president van Tashkitië te zijn en haar vriend wordt de Emir van het Licht genoemd. Hij wordt verdacht van terroristsiche aanslagen en wordt opgejaagd in Afghanistan. Hij spreekt met Chamza af in Dubai. Verder is er nog een koffer van Chamza's moeder en het is de vraag wat die bevat. In dit wespennest komt Lindsey terecht. 

Aanslag in Dubai

Het derde deel heet Sterven in Dubai en dat gevaar loopt Lindsey inderdaad. Er is namelijk een enorme aanslag gepland, waarvan ze bijna het slachtoffer wordt. Gelukkig heeft ze iemand bij zich die haar kan beschermen. Het levert in de strip spectaculaire beelden op. Maar het feit dat zoiets kan gebeuren in het verhaal is op zich al belangrijk. 

Al in de vorige delen bleek dat de scenarist, Thierry Smolderen, lekker veel vrijheid genomen heeft en dat hij zich niet heeft laten beperken door wat er waarschijnlijk is. Technisch blijkt er in de wereld van Ghostmoney zo'n beetje alles mogelijk te zijn (wat al blijkt uit de operatie die Chamza in het tweede deel onderging) en dat heeft tot gevolg dat de lezer steeds verrast wordt, omdat zaken nog extremer zijn dat zij of hij al gedacht had. 

Dat is een van de aantrekkelijke kanten van deze strip: het verhaal vraagt om de grenzen van je fantasie op te rekken en mee te gaan in een verhaal dat van een afstand bezien misschien over de top lijkt, maar als je erin zit, accepteer je het moeiteloos. 

Aan de hand van Lindsey

Mensen gaan tot het uiterste, en verder, voor het bereiken van hun doel en ze zijn daarin meedogenloos. Ook dat is de wereld van Ghostmoney. Om dat te accepteren hoeft de lezer niet over morele grenzen heen, omdat die zich kan identificeren met Lindsey, die net als de lezer overrompeld wordt door wat er gebeurt en die, net als de lezer, haar twijfels heeft Zij maakt het verhaal verteerbaar en aan haar hand worden wij meegevoerd. 

Waar dat allemaal op uitdraait, zal duidelijk worden in deel 4 en 5. Wie drie delen gelezen heeft, zit intussen zo ver in de wereld van Ghostmoney dat hij er niet meer uit wil, voordat hij weet hoe het nu allemaal zit. 

De tekeningen Dominique Bertail maken een ingetogen indruk. De heftigheid van sommige scènes wordt vooral opgeroepen door de grootte van de letters die de geluiden moeten weergeven. Ook in de inkleuring houdt Bertail zich ver van het effectbejag en dat blijkt goed te werken. Achter in het album zijn als extraatje vier paginagrote tekeningen opgenomen. 

Reeks: Ghostmoney
Deel 3: Sterven in Dubay
Scenario: Thierry Smolderen
Tekeningen: Dominique Bertail
Vertaling Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2025, 64 blz. € 11.95 (softcover), € 21,95 (hardcover)





donderdag 30 april 2026

Dit zijn onze plaatsen, dames!

Het dagboekfragment hieronder noteerde ik op dinsdag 14 november 2023. Het laat goed zien met hoe weinig plan het geschreven is: ik begin met een herinnering aan de kapper, stap over op herinneringen aan kerk en geloof en eindig met het beschrijven van de rollen snoep die in kerk langskwamen. Ook nu weer -ik zeg het er toch elke keer maar weer bij -  houdt het fragment zomaar op. 

Hieronder een foto van opa en opoe Loenen, de ouders van mijn vader. Ik denk dat de foto genomen is op de huwelijksdag van mijn ouders. Mijn andere oma, de moeder van mijn moeder, kun je net nog zien. Die mag hierna blijkbaar met opa op de foto. 

Deze foto is wat raar afgesneden. Er zal nog best een stukje aan de bovenkant gezeten hebben, maar ik had indertijd een eigenzinnige scanner. Als ik dan een bladzijde van een fotoalbum scande, maakte die er zelf afzonderlijke afbeeldingen van. Zo zal het gegaan zijn. Denk ik.


Soms mag ik met mijn vader mee naar de kapper. Voor we gaan, geeft mijn vader mijn moeder een kus. Dat zal hij nooit overslaan als hij het huis uit gaat. Ik stap bij hem voor in de Volkswagenbus. We gaan naar kapper Daams, in de Hoofdstraat. Ik word eerst geknipt en daarna mijn vader.


Ik mag in een hoge stoel zitten en krijg een soort cape om, die strak om mijn nek zit. Ik kijk in de spiegel terwijl Daams met mijn vader praat. Het ruikt lekker bij de kapper. Als het klaar is, pakt hij een fles met een verstuiver. Er zit een oranje rubberen bal met een slang aan bevestigd. Hij nevelt daarmee een soort reukwater over me heen.
 
Na afloop klim ik weer van de stoel af. Daams veegt de haren bij elkaar. In de hoek van de zaak zit er een vierkant putje in de vloer, met een deksel erop. Hij haalt het deksel eraf en veegt de haren in het putje. Wat zouden ze met die haren doen? Dan is mijn vader aan de beurt.
 
Later zal mijn moeder zelf onze haren knippen. Ze doet het net als de kapper: je haar tussen twee vingers nemen en dan afknippen wat erbovenuit steekt. Verder heeft ze zo’n knippertje. Het werkt een beetje als de maaibalk bij de trekker: er gaan twee gepunte vlakken over elkaar heen als mijn moeder de poten van het knippertje bij elkaar knijpt.
 
Soms gaat het allemaal goed, maar het kan ook wel eens trekken en dat doet zeer. Mijn moeder maakt het apparaat dan even schoon en meestal gaat het dan wel weer. Je kunt het beste maar stil blijven zitten, dan is het het snelst voorbij. Bij Marinus is het vaak een heel gedoe: hij maakt zich dan kwaad en moet huilen. Mijn moeder zegt dan dat hij stil moet zitten, want dat ze anders in zijn oor knipt.
 
Vrouwen gaan niet naar de kapper. Tenminste niet in onze familie. Vrouwen horen lang haar te dragen volgens de Bijbel. Bij sommige kerken letten ze daar niet zo op, maar dat zijn dan ook heel lichte kerken, waar ze niet op hele noten zingen en de Bijbel in de nieuwe vertaling lezen. Voor mijn gevoel zijn dat halve heidenen. De dominee waarschuwt niet alleen voor de wereld, maar ook voor de godsdienst. 

We gaan elke zondag naar de kerk, meestal alleen in de ochtend. We hebben geen plekken gehuurd, dus we moeten wachten tot vijf minuten voor tijd het lampje op de preekstoel gaat branden. Eerst is dat een oranje lampje, later, na een verbouwing misschien, wordt dat een groen lampje. Dan zijn alle zitplaatsen vrij.
 
Vaak gaan we in de bank van Methorst zitten, omdat die bijna nooit komt. Mijn opa en oma (van vaders kant) hebben wel plekken gehuurd, in de linker rij, de achtste bank van voren. Alle banken hebben een letter. Opoe en opa zitten in de H-bank. Ik mag wel eens bij ze zitten. Ze hebben eigenlijk maar twee plekken, maar als iedereen een beetje inschikt, kan een klein jongetje er nog wel bij. 

Op een zondag zijn ze erg laat, het lampje brandt al. Ik ga met opa en oma mee, maar hun plekken zijn al bezet; er zitten twee vrouwen. Daar trekt mijn opa zich niets van aan. ‘Dames, dit zijn onze plaatsen,’ zegt hij. Ze zeggen dat het lampje al aan is. Opa herhaalt dat dit de plaatsen van mijn grootouders zijn en dan staan ze toch op.
 
Voordat de mannen gaan zitten in de kerk, doen ze staand een gebed. De vrouwen doen het zittend, met de handen in hun schoot. Tijdens ‘het grote gebed’ gaan ook wel mannen staan. Mijn vader doet dat niet. Ik heb wel eens gevraagd waarom die mannen gaan staan, maar ik heb er geen duidelijk antwoord op gekregen. Misschien zijn ze bang dat ze anders in slaap vallen.
 
Dat is mij ook wel overkomen. Als je laat bent, kun je niet altijd als gezin bij elkaar zitten. Meestal gaat Lientje met mijn moeder mee en ik met mijn vader. Maar soms zijn er ook geen twee plekken naast elkaar vrij. Een keer zet mijn vader mij naast iemand in de bank. Die heet ook Teunis Bunt, weet ik, maar we beschouwen hem niet als familie. Hij is alleen maar ergens in de verte familie. Zijn vrouw heet Wimke, wat ik een rare naam vind voor een vrouw. Mijn vader zit achter mij.
 
Tijdens het gebed sukkel ik in slaap. Misschien heb ik gedroomd, maar ineens schrik ik wakker. Mijn handen, die ik samengevouwen had, gaan uit elkaar en wapperen als ik met een schok wakker word. Ik moet mijn buurman behoorlijk aangestoten hebben. Meteen knijp ik mijn ogen weer dicht en ik voel me rood worden, want ik schaam mij. Mijn buurman doet alsof hij niks gemerkt heeft.

Als ik wat groter ben, neemt Jo Gerritsen mij mee. Hij heeft twee plekken gehuurd, maar zijn vrouw blijft meestal thuis. Het is gemakkelijk als je al kunt zitten voordat het lampje gaat branden en je niet hoeft te zoeken naar een vrije plek. Jo hoeft meestal niets te zeggen: hij kijkt mij aan, knipoogt, en dan loop ik met hem mee.
 
Ome Wout heeft een hele bank gehuurd, rechts vooraan. Wij zitten meestal links achteraan. ‘s Avonds gaan we bijna nooit naar de kerk. Mijn moeder leest dan voor uit de kinderbijbel. Ik zit dan naast haar, aan de tafel voor het keukenraam, dat uitkijkt op de put. Lientje zit bij haar op schoot.

We hebben een mooie kinderbijbel, van Van Wijk. Er staan platen in. De meeste zijn zwartwit, maar die van David en Jonathan is in kleur. Sommige plaatjes zijn een beetje eng, bijvoorbeeld die van de zondvloed. Het water stijgt en mensen proberen te ontsnappen, maar je weet dat ze allemaal zullen verdrinken. En, wat nog erger is, ze gaan ook nog naar de hel en die duurt eeuwig.
Illustratie uit de kinderbijbel van B.J. van Wijk


Eeuwig kun je je bijna niet voorstellen. Mijn moeder heeft het wel eens geprobeerd uit te leggen. Stel je voor dat je een berg hebt. Dat is al moeilijk voor te stellen. In het Loenense bos is er de zandheuvel. Zoiets moet het zijn, maar dan groter. En, gaat mijn moeder verder, dat er een vogeltje is dat elke dag een zandkorreltje van die berg weg zou nemen. Het zou heel lang duren, maar ooit zou die berg dan weg zijn.

Mij lijkt het dat die vogel na honderd dagen nog maar een klein kuiltje in die berg zou hebben en dat het dus wel duizend jaar of nog langer zou duren voor die berg weg is. En de eeuwigheid duurt dus nog langer. Een griezelig idee.
 
De meeste mensen komen in de hel, weet ik. Alleen niet als je bekeerd bent, maar dat zijn er niet zoveel, kom je in de hemel. Soms is er avondmaal. Omdat wij een beetje achter in de kerk zitten, kan ik niet goed zien wie er aan het avondmaal gaat. In de buurt waar wij zitten is dat alleen een vrouw die aan de andere kant van het gangpad zit. Ik weet niet hoe ze heet.
 
Verder natuurlijk de dominee en de ouderling, Van Straaten. Dat is de enige ouderling die we hebben, want een ouderling moet bekeerd zijn en daar zijn er dus niet veel van. Hoeveel mensen gaan er aan tafel? Een stuk of zes? Dat zal het wel zijn en de kerk is best groot. Maar de dominee heeft wel eens gezegd dat hij blij is dat de mensen niet massaal aan het avondmaal gaan, een toeloop als der wateren, of zoiets. Hij zegt dat er kerken zijn waar mensen wel heel gemakkelijk bekeerd worden. Die mensen worden eigenlijk voor de gek gehouden. Ze gaan met een ingebeelde hemel naar de hel. Gelukkig wordt in onze kerk verteld hoe het echt zit.
 
De dienst duurt altijd lang. Ik probeer wel eens te luisteren, maar eigenlijk is het allemaal te moeilijk. Ik tel de pijpen van het orgel, maar ik raak de tel steeds kwijt. Leuker is het om je voor te stellen dat de hele kerk kantelt, met de achterkant omhoog. Ik stel me voor hoe ik dan langs de banken naar beneden zou klimmen. Of hoe het zou zijn als je over het plafond zou moeten lopen of langs de ramen omhoog zou moeten klimmen.
 
De kerkdienst heeft altijd dezelfde volgorde. Eerst komt er een diaken binnen die vertelt wat we gaan zingen. Onder het zingen komt de dominee met de kerkenraad binnen. De dominee krijgt een hand en doet onder aan de preekstoel een gebed. De kerkenraad schuift in de ouderlingenbank en bidt ook staande. Dan gaat de dominee langzaam over de trap naar boven.
 
De diaken leest de wet voor en een Bijbelgedeelte en dan pas komt de dominee aan het woord. Hij doet zijn handen omhoog, als een soort groet of een zegening. Als mijn neefje Anton, een van de kinderen van Ome Wout, voor het eerst meegaat naar de kerk, heeft hij van tevoren op het hart gedrukt gekregen dat hij goed stil moet zitten. Anders gooit de dominee die zware bijbel naar je hoofd, is er gezegd. ‘De dominee ging bijna gooien', zal hij achteraf zeggen. ‘Hij deed de handen al omhoog.’
 
Dan is er een bijna eindeloos gebed. De dominee vraagt niet alleen wat aan God, maar hij vertelt vooral heel veel. Raar dat God die dingen al niet weet. Als het afgelopen is, wordt er gezongen en gecollecteerd. We hebben een dubbeltje en een kwartje meegekregen om in de zak te doen. Op de zak staat dan ook een D of een K.
 
Later wordt me duidelijk dat die letters staan voor Diaconie en Kerk en niet voor dubbeltjes en kwartjes. Eenmaal per maand is er een derde zak, met een C. Die kan niet voor de centen zijn, want in de derde zak doen we een gulden. Hij is van Collecte.
 
Dan begint de preek. We krijgen dan altijd een snoepje. Meestal een Mentos, maar ook wel eens een Rang, een pepermunt of een Fruittella. Het ligt er een beetje aan wie het eerst de rol te pakken heeft. Die geeft hem dan door in de rij. De rol komt vanzelf terug en dan pak je er een snoepje van. Ome Wout heeft vaak Italiano. Die hebben wij niet, maar ik vind die wel lekker. Hij zal die wel bij de mart in Den Bosch gehaald hebben.
 
Soms is er ook drop. Topdrop, met een grote T erop, of Autodrop. Daar doe je niet zo lang mee, want die drop is vrij zacht. De rand van het dropje ziet eruit als een autoband. Maar leuker is dat elk dropje in een papiertje zit met een interessant weetje erop. Dan heb je wat te lezen tijdens de dienst.
 
We hebben ook wel eens stophoest. Lekkere, bruine snoepjes, maar ze smelten wel snel in je mond. Ik probeer zo lang mogelijk met een snoepje te doen. Meestal krijgen we er drie tijdens de dienst.
 
Mijn oma van moeders kant gaat niet zo vaak naar de kerk. Soms vraagt ze of ze mag meerijden en dan halen we haar op. Blijkbaar dacht ze er op het laatste moment aan dat ze snoep moest meenemen, maar ze had geen rollen in huis. Als we in de kerk zitten, geeft ze een grote rol chocoladeflikken door. Die rol is erg groot en het is heel ongebruikelijk om zoiets door te geven. Maar het is wel lekker.

maandag 27 april 2026

Wegens vakantie gesloten

Illustratie gemaakt met behulp van AI


Omdat ik geniet van een korte vakantie, zal ik aan het begin van deze week geen recensies plaatsen. Ik probeer donderdag wel weer met een jeugdherinnering te komen en vrijdag met een bespreking van een stripalbum.  

Strips

Wat kun je de komende tijd verwachten? Wat de strips betreft: ik ga schrijven over het derde deel van de strip Ghostmoney. De eerste twee delen besprak ik samen en bij dit derde deel moest ik er duidelijk weer even in komen. Maar er zit wel vaart in. 

Verder het tweede deel van de historische strip De glazen kroon. Het eerste deel besprak ik hier. Dus als je nog even de voorgeschiedenis door wilt lezen, dan kan dat. 

En daarna volgt een bespreking van een album van Storm, De nacht van Angul, dat de scenarist geschreven heeft met veel knipogen naar de tekst van Hotel California van Eagles. Alleen dat al is erg leuk. Hij had best wat minder daarvan uit mogen leggen, maar zo is hij er wel zeker van dat alle verwijzingen opgemerkt worden. 

Verder ben ik net begonnen met het lezen van het elfde deel van de integrale uitgave van Baard en Kale. In het dossier wordt goed uitgelegd hoe de situatie van de striptijdschriften was aan het eind van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig. 


Romans


Wat de romans betreft: boven op de stapel ligt De wonderen van Jeroen Olyslaegers. Ik was indertijd al heel enthousiast over Wil en Wildevrouw, dus ik begon vol verwachting aan deze nieuwe roman. Ik ben niet teleurgesteld. 

De wonderen is een forse roman. Heel anders is Overgave op commando van Nadia de Vries. Bescheidener van omvang, maar wel een indrukwekkend boek. Het roept bij mij verschillende herinneringen op aan andere boeken, van Wij van Elvis Peeters tot Het smelt van Lize Spit. 

Daarna zal ik schrijven over De grote schoonmaak van Rob van Essen. Nog een kleine honderd bladzijden en ik heb het uit, maar het is, net als de vorige boeken van Van Essen, weer een geweldige roman. Raadselachtig, leest als een trein en een deel speelt zich af in Wageningen, Bennekom en Ede, de regio waarin ik mij dagelijks beweeg. 

Als ik het uit heb, ga ik De schoft (2023) van Marente de Moor lezen. Ik had van haar De Nederlandse maagd gelezen. Goed boek, dat ik aan het eind van het jaar opnam in de lijst met de beste boeken die ik in 2014 las. Maar het duurde tot 2025 voordat ik Foon las. Ook goed, en het greep mij meer dan De Nederlandse maagd. Dat jaar las ik zoveel goede boeken dat ik Foon niet opnam in de eindejaarslijst, omdat ik maar tien plekken vrij had, maar het is een topboek. 

Non-fictie

En dan is er nog de non-fictie. Ik heb nog drie biografieën op de stapel liggen. Eigenlijk nog meer, maar drie recente. Van Godfried Bomans, Jan Blokker en Michaël Zeeman. En ik lees nog steeds, met wat tussenpozen, in het boek van Piet Hagen over de koloniale oorlogen in Indonesië. Ik ben nu ergens tussen bladzijde 600 en 700. Het is zo dik, dat ik het maar niet meegenomen heb op mijn korte vakantie en ik kan er ook niet al te lang achter elkaar in lezen. Het is interessant genoeg, maar opwekkend is het allemaal niet. 

Dat heb je dus te verwachten. Ik probeer mijn schrijven niet al te veel achter te laten lopen op mijn lezen, maar mei wordt wel een drukke maand, door de examencorrectie. In ieder geval hou ik je op de hoogte van de stand van zaken. 




donderdag 23 april 2026

Wij lusten ook ham!

Een stukje dat ik op 10 oktober 2023 in mijn dagboek schreef. Het begint met Rein die aan het kersenplukken is. Wij hadden geen kersenbongerd, maar ome Wout wel. Als illustratie heb ik gekozen voor een foto van ver voor mijn tijd. Hierop zie je een stel kersenplukkers. Op de voorste rij, tweede van rechts, mijn vader met een lege hoenderik, op de achterste rij, helemaal rechts, mijn ome Wout. 

Over Rein schoot mij nog het volgende te binnen. Hij hoorde slecht en hij had een litteken in zijn bovenlip. Dat kwam door de oorlog. Hij bestuurde een jeep met een stel Engelsen erin en reed toen op een landmijn die door de eigen troepen gelegd was. In mijn hoofd zie ik de jeep met een boog van de dijk vliegen, al weet ik niet meer zeker of zich dit wel op de dijk afspeelde. 

Mijn vader vertelde het me met een twinkeling in de ogen. Blijkbaar vond hij het een goed verhaal. Ook waarschijnlijk omdat het uiteindelijk goed afgelopen is. 

Verder komt de oorlog in het Midden-Oosten ter sprake. Dat zal de Zesdaagse oorlog in 1967 geweest zijn. In die tijd stond (in mijn perceptie) iedereen achter Israël. Dat die steun zo massaal was, kan ik me nu nauwelijks voorstellen. Ook dat er helemaal geen oog was voor het lot van bijvoorbeeld de Palestijnen, vind ik nu vreemd. Misschien komt het door het schuldgevoel over de oorlog die maar goed twintig jaar daarvoor nog woedde. 

Ten slotte: ik noem de strip Appie Happie. Daarover heb ik hier geschreven. 

Net als bij de andere stukjes uit mijn dagboek zit er weinig lijn in deze bijdrage en houdt zij plotseling op. Blijkbaar bekommerde ik me niet zo om de compositie. 



Het is juni 1967. Ik lig bij mijn oma op de vloer, op mijn buik, vlak bij de oliekachel, en lees in de krant. Mijn oma heeft De Gelderlander. Die krant brengt Rein de Vos altijd mee. Zo heet hij niet echt, maar zo noemen we hem. Hij kan boos worden als je hem ‘de vos’ noemt.
 
We zingen als kinderen wel: ‘Rein de vos, de beer is los. Hoor hem nou eens brullen. Snij hem de kop en de oren af. Dan heb ik ook wat te smullen.’ Ik vind het een vreemde tekst. Waarom zou je bij een beer de oren afsnijden als je de kop al hebt afgesneden? En wat heeft die beer met een vos te maken? Maar ik zing het wel mee.
 
Rein zien we best vaak. Hij rijdt op een brommer met grote fietstassen. In die fietstassen heeft hij de kranten en ook pakken koffie en thee. Die verkoopt hij. Mijn oma heeft altijd de koffie van Rein.
 
Hij helpt ook wel bij ome Wout, bijvoorbeeld met het kersen plukken. Als Rein boven in de boom op de ladder (wij zeggen: de leer) staat, roepen we soms naar hem. Marinus is vijf jaar jonger dan ik. Ik spreek met hem af dat hij het liedje over de beer zal zingen. Ik zet hem in een kruiwagen en rij met hem onder de boom door. Ik kan immers sneller lopen dan hij en zo is hij op tijd weg.
 
Marinus zingt uit volle borst, maar ik zet de kruiwagen onder aan de leer en ren zelf weg. Mijn broertje moet maar zien dat hij snel uit de kruiwagen komt. Rein komt al van de leer af.
 
Of Rein werkelijk iets gedaan zou hebben als hij ons te pakken had gekregen, is helemaal niet zeker, maar mijn broer heeft het idee dat hij aan een groot gevaar ontsnapt is. En ik heb hem natuurlijk een smerige streek geleverd.
 
Dat is een paar jaar later. Nu is het 1967. Iedereen heeft het over de oorlog in Israël. In De Gelderlander staat een forse kaart van de regio. Er staan soldaten op en tanks en vliegtuigen, zodat je kunt zien waar welk gevecht zich afspeelt en hoe groot de legers zijn.
 
Mijn ouders hebben het ook al gehoord op de radio, vermoed ik. Of krijgen we pas een radio in 1969 in het nieuwe huis? Het is de oude radio van opa en oma, die zelf een nieuwe krijgen. Ook die zullen wij later krijgen. Na opa’s dood zal oma geen radio meer hebben. Blijkbaar luisterde vooral opa ernaar.
 
Dat er strijd is in Israël is nauwelijks nieuws. Daar is altijd wel wat. Maar nu is het echt oorlog. Israël is maar een klein landje, maar met een heel goed leger. In het zuiden dreigt Egypte, in het oosten Jordanië, in het noorden Syrië en nu is het in al die gebieden raak. Of mis. Israël heeft bij verrassing een groot deel van de luchtmacht van Egypte verwoest, er is een tankslag met Jordanië en in het noorden wordt de hoogte van Golan veroverd.
 
Oorlog is eng, maar stiekem vind ik het prachtig. Het lijkt op het verhaal van David en Goliath. Het is altijd mooi als de underdog wint en nu lijkt Israël te gaan winnen. Ik zie het als een partijtje stratego. Dat speel ik ook graag.
 
Ons strategospel deugt niet helemaal: als je goed kijkt, zie je op de achterkant van de bommen een klein licht streepje van de lont. Als je het weet, kun je zien waar bij de tegenstander de bommen staan. Daarom heeft mijn moeder leukoplast op de achterkant van alle poppetjes (hoe moet je die eigenlijk noemen?) geplakt.
 
Dat er slachtoffers vallen bij een oorlog, daar denk ik niet aan. Ik vraag aan oma of ik het kaartje uit de krant mag knippen en mee mag nemen naar school. Meester Postma hangt het dan op het prikbord. Ik voel me trots dat juist mijn kaartje op het prikbord komt.
 
Al eerder heb ik een foto uit de Revu geknipt van de bokser Cassius Clay: alleen zijn hoofd, helemaal vol met zweetdruppeltjes. Die hangt ook op het prikbord.
 
In De Gelderlander lees ik altijd de strip van Appie Happie, een grote, wat dommige voetballer die bij De Taaie Tijgers voetbalt. Hij eet altijd bananen. In zijn team zitten allemaal vreemde spelers, onder andere Laserels. Dat is een keiharde verdediger. Die naam is een combinatie van die van Rinus Israël en Theo Laseroms, verdedigers van Feyenoord.
 
Maar Appie Happie doet ook mee met een wielrenwedstrijd en met de Elfstedentocht. Ik vind het heel grappige verhalen. De tekenaar is Dik Bruynesteyn, die altijd ondertekent met simpel Dik met een heel grote punt op de i. Ik herken zijn stijl altijd meteen. Hij tekent veel sportcartoons.
 
Opoe heeft ook de Revu. Dat blad heette vroeger Revue, dat herinner ik me nog wel. Er staan interessante artikelen in. En in het midden staat soms een heel grote uitklapplaat van een voetbalteam. Die van Ajax zal ik op mijn kamer (in de Schoolstraat) op de muur hangen. Ik ken alle namen: Cruijff, Keizer, Swart, Mühren, Suurbier, Krol, Suurendonk, Hulshoff, Groot, Geels, Bals en nog veel meer.
 
Nederland is heel goed in het voetballen. In de Revu staat een keer een artikel over de vier beste voetballers ter wereld. Cruyff natuurlijk, Eusebio van Benfica, de keeper Gordon Banks en George Best. Met zo’n naam kun je het je ook niet veroorloven om een slechte voetballer te zijn, lijkt me.
 
Achter op de Revu staat een strip. Die wisselt soms, maar ik vind ze allemaal leuk. Olivier B. Bommel vind ik geweldig. Mijn moeder leest die ook wel. Ze weet waar ik het over heb als ik 'De jakkerjekker' noem of 'De tic van Joost.'
 
Later staat Asterix een tijdje achter op het tijdschrift. Ook Lucky Luke en Agent 327. Dat is altijd een afgerond verhaal dat eindigt met de tekst ‘Wat een agent al niet moet doen om incognito op kantoor te komen.’ In elk verhaal heeft de agent een andere vermomming.
 
Er is ook een hele bladzijde met cartoons, waar er altijd wel een paar leuke tussen zitten. Verder is er elk jaar een prijsvraag, een puzzel waarmee je een prijs kunt verdienen.
 
Er is een puzzel met mensen die elk een bord met een letter omhooghouden, alsof ze meelopen in een protestdemonstratie. Ze hebben allemaal twee verschillende schoenen of laarzen aan. Aan de hand daarvan moet je de juiste volgorde van de letters achterhalen. Dat lukt me. De oplossing is: ‘Wij lusten ook ham.’
 
Bij opoe Dojewèrd lees ik achter op De Spiegel altijd de strip van Puk en Poppedijn en die is ook heel mooi. Verder zijn er wel eens tantes die de Margriet of Libelle hebben. Die blader ik altijd even door. Daar staan heel lang geen strips in, maar in 1970 begint Libelle met Jan, Jans en de kinderen.
 
Die is heel grappig, vooral als het vriendje van Catootje meedoet. Hij heet Jeroen en rijmt de hele tijd. Jeroen - poep aan je schoen. Dat doe ik ook wel na.
 
Thuis hebben we alleen De Boerderij. Daarin kijk ik altijd eerst naar de cartoon van Emil van Beest. Zijn manier van tekenen kun je goed herkennen. Hij maakt altijd kleine krulletjes, bijvoorbeeld bij de neusvleugels van mensen en bij de neusgaten koeien en paarden. Later zal ook de strip Opa in De Boerderij komen.
 
Zo gauw het Reformatorisch Dagblad opgericht is, nemen mijn ouders een abonnement. Ik zit dan nog net op de lagere school. In de krant staan strokenstrips: plaatjes met tekst eronder. Eerst over een boswachter. Heet die Van Bergen? Het is een simpel verhaal, voor jonge kinderen.
 
Veel mooier is Erik de Noorman van Hans G. Kresse. Dat lees ik meteen als de krant er is. Ook mijn moeder leest die strip. Het zijn spannende verhalen en ze zijn ook nog eens heel mooi getekend. We knippen ze wel uit en al die knipsels vormen samen een boekje. Maar ik ben te slordig om daar elke dag aan te denken.
 
Strips vind ik heerlijk. Bij mijn vriendje Joekie (Gerard) hebben ze de Sjors en die krijg ik vaak als ze die uit hebben. Soms krijg ik ook de Tina mee. Die leest zijn zus Ina. Tina is eigenlijk een meidenblad, maar dat geeft niet. Ze hebben bij Joekie thuis ook de dikke stripboeken van Sjors en Sjimmie, getekend door Frans Piët. Die lees ik ook graag.
 
In de Sjors staat er vaak niet bij wie het getekend heeft. Ik weet alleen de namen van Frans Piët en die van Carol Voges. Die tekent de strip over Dinky en Opa. Dinky draagt een tuinbroek en opa heeft een grote borstelsnor.
 
Bijna alle verhalen verslind ik. Old Shatterhand en Winnetou vind ik het mooist getekend. Totdat Opkomst en ondergang van het keizerrijk Trigië in de Sjors komt. Maar ik houd ook van Wimpie’s wonderlijke dromen, van de strip over Bill Bluffer en die over Archie, de man van staal. Die naam spreek ik niet uit als 'Aartsjie', maar gewoon met een g-klank. Als het eind van het woord 'monarchie', maar dan met een andere klemtoon. 
 
En natuurlijk van Billie Turf. Die lees ik vaak als eerste, want die is heel grappig. Hij wordt ‘het dikste studentje ter wereld’ genoemd en hij is dan ook heel dik en denkt alleen maar aan eten. Eigenlijk is hij niet sympathiek en toch hou je van hem. Meestal eindigt het ermee dat hij een pak slaag krijgt van meester Kwel, die soms een hele doos wandelstokken aan laat rukken om hem af te rossen.
 
Een enkele keer loopt het goed af en mag hij op het laatste plaatje veel eten. Ik kijk altijd eerst hoe het afloopt en ga daarna pas lezen.
 
Je kunt de strip heel gemakkelijk vinden, want het is het enige verhaal dat op geel papier is afgedrukt. Billie heeft ook een zus, Bessie. Die staat in de Tina. Ook zo’n schrokop, maar bij haar loopt het juist meestal goed af.
 
Bij mijn neef Gertje lees ik vaak de Donald Duck. Hij heeft er heel veel en ik kan er uren in lezen. Natuurlijk bestaat Duckstad niet echt, maar je hebt het idee dat je er iedereen kent: Donald en zijn neefjes, Dagobert, de gierigaard. Katrien met haar drie nichtjes en Guus Geluk, de zware jongens, Diederik Duck, Otto van Drakesteyn, Oma en Gijs Gans. En dan heb je nog Mickey Mouse, Goofy en Pluto, Dombo, Japie Krekel, de grote boze wolf en Wolfje, met de drie biggetjes en Hiawatha. En nu vergeet ik bijna nog Knabbel en Babbel, Rakker, Madam Mikmak en Zwarte Magica.

woensdag 22 april 2026

RuZland, Land in oorlog met zichzelf en met de wereld (Eva Cukier)

Op 24 februari 2022 viel Rusland Oekraïne binnen. Eigenlijk was dat al eerder gebeurd, in 2014, toen Rusland De Krim bezette, maar dat zorgde toen niet lang voor hogere golven in de Westerse nieuwszee. In 2022 was dat anders. Toen ook werd het woord oorlog gebruikt. 

Eva Cukier (1981) was in 2022 in Rusland als correspondent voor wat toen nog NRC Handelsblad heette. Ze zou er blijven zo lang de krant het veilig achtte en moest toen weer terug naar Nederland. Over haar laatste tijd in Rusland schreef ze het boek RuZland, dat in 2024 verscheen. Ik las het nu pas. 

De 'Z', die op de cover van het boek dwars door de 's' van 'Rusland' is geschreven, is een symbool van de oorlog. Wat het symbool betekent, is niet helemaal duidelijk, maar sinds de invasie in Oekraïne verschijnt het overal: op tanks, op shirts, net als de letter V. 

Dagboek

Het boek van Cukier is verdeeld in drie delen: 1. Oorlog, 2. Protest, 3. Chaos. Het eerste begint als een soort dagboek, op 22 februari 2022, twee dagen voor de invasie, maar ze schrijft ook over januari 2022. Cukier doet er alles aan om de juiste informatie te krijgen en reist naar de plekken waar ze die kan opdoen. Ze doet dat met veel journalistieke doortastendheid, spreekt veel mensen aan en gaat kritisch om met wat ze te horen krijgt. 

De oorlog in Oekraïne komt heel vaak in de pers als een weergave van oorlogshandelingen. Natuurlijk, die informatie hebben we ook nodig, maar Cukier bepaalt ons bij de mensen in Rusland, die heel andere informatie krijgen. 

Ingewikkelde samenleving

Pas na het lezen van RuZland werd me duidelijk hoezeer ik Rusland altijd als een land, als een geheel heb gezien, wat waarschijnlijk gevoed is door de tijd waarin ik opgegroeid ben, waarin alle inwoners van de Sovjet-Unie Russen genoemd werden. Cukier legt uit dat de Russische samenleving veel ingewikkelder in elkaar zit. 

Waar westerse media steevast schrijven over 'de Russen' als ze het hebben over de inwoners van Rusland, kent het Russisch twee woorden om het verschil aan te duiden: roesskije voor etnische Russen en rossijanje, waarmee alle inwoners van de federatie worden aangeduid, ongeacht hun etniciteit. Ze spreken dezelfde taal, leven in dezelfde steden, krijgen nagenoeg hetzelfde onderwijs, maar leven desalniettemin in totaal verschillende werelden. 

Ze reist naar verschillende delen van Rusland, bijvoorbeeld naar Boerjatië, waar veel soldaten voor het Russische leger geworven worden. Daar wordt goed voor betaald en als een soldaat sneuvelt, krijgt zijn familie geld. De begrafenissen van de militaire doden zijn geheim, maar Cukier weet er toch een bij te wonen. Dan blijkt ook hoe gevaarlijk haar werk is. Ze is al een tijdje gevolgd en gefilmd en wordt geframed als iemand die Rusland in diskrediet brengt. 

Veel Russen zien niet Putin, maar juist Oekraïne als de agressor. Het klopt natuurlijk helemaal niet en vanuit het Westen is het bijna niet in te denken dat mensen dat ook daadwerkelijk kunnen geloven, maar Cukier laat zien hoe gecensureerd de media zijn en als heel je omgeving het gelooft, is het moeilijk om daar niet in mee te gaan. 

Complottheorieën

Er bestaan (net als in het Westen) veel complottheorieën. In RuZland worden er veel opgesomd. Ik citeer daar slechts een deel van:

Vrijwel dagelijks stel ik mezelf de vraag hoe idioot Russen, maar ook sommige westerlingen, moeten zijn om te geloven dat Oekraïne gerund wordt door nazi's. Dat de Oekraïners hun land laten volzetten met Amerikaanse kernraketten en biolaboratoria. Dat Europese politici voedsel laten injecteren met insecten om kanker op te wekken en de bevolking te vernietigen. Dat lhbti'ers worden betaald om het landelijke geboortecijfers te ondermijnen. Dat vluchtelingenstromen worden gecontroleerd om de samenstelling van de bevolking te veranderen. Dat het boordpersoneel van de neergeschoten MH 17 de 298 lijken van inzittenden al op Schiphol aan boord had gebracht om Rusland verdacht te maken. 

Wie dit soort dingen steeds te horen krijgt, kan zich slechts met heel veel moeite aan dit beeld van de werkelijkheid onttrekken. De tegenstemmen zijn meestal niet hoorbaar in Rusland. Organisaties die andere informatie overbrengen dan welke de overheid welgevallig is, kunnen beschuldigd worden van extremisme. Russische oppositieleden worden uit de weg geruimd of moeten vluchten, vaak niet naar Europa. 

In plaats van het enorme potentieel van de in Rusland vervolgde democratisch gezinde politici, activisten, wetenschappers, journalisten en cultuurmakers te benutten en hen in Europa te verwelkomen, worden velen van het veroordeeld tot een onzeker en onveilig bestaan in landen als Georgië, Armenië en Kazachstan. 

Het bekendst in het Westen werd Navalny. Ook aan hem wordt in RuZland aandacht besteed. Zo reist Cukier naar een van de juridische zittingen die Navalny aanspant en doet daar verslag van. 

In de Russische samenleving zijn er nog steeds mensen die kritisch blijven denken. Cukier ontmoet ze en laat hun stemmen horen. Ze laat zien hoe verdeeld de Russen zijn en dat we degenen die niets van Putin moeten hebben onrecht doen als we ze met hem en zijn beleid over één kam scheren. 

Groot hart

RuZland is geschreven met een groot hart voor het Russische volk, dat ook slachtoffer is van de eigen leider. In het nawoord schrijft ze dat er waarheidsvinding en verzoening noodzakelijk zullen zijn. 

Daarvoor zijn bruggenbouwers nodig: moedige en doortastende mensen die zich willen inzetten voor een gemeenschappelijke toekomst in vrede en veiligheid, vrij van onderdrukking en terreur. De afgelopen vijfentwintig jaar heb ik in Rusland ontzettend veel van zulke moedige, inspirerende mensen ontmoet. Hun kennis, ervaring en daadkracht zijn van onschatbare waarde voor de toekomst, maar hun stemmen klinken steeds zwakker. Laten we niet ophouden naar hen te luisteren. 

RuZland is een goed boek. Niet voor niets werd het genomineerd voor de Brusseprijs 2025, de prijs voor het beste journalistieke boek. Cukier schrijft helder, in soepele zinnen, waardoor je bij het lezen door het boek heen vliegt. Dat zal niet alleen liggen aan de stijl, maar ook aan haar betrokkenheid bij het land en vooral bij de mensen in Rusland. In een wereld van desinformatie en gemakkelijke meningen hebben we dit soort stemmen meer dan ooit nodig. 

dinsdag 21 april 2026

De wind in de woestijn (Michel Plessix)


Een maand geleden schreef ik over de verstripping van De wind in de wilgen van Kenneth Grahame, een klassieker die ik helemaal niet kende. Michel Plessix maakte er vier mooie albums van, die door uitgeverij Silvester zijn samengebracht in een mooie integrale uitgave, gebonden met leeslint en stofomslag en bij Silvester is de binnenkant van de stofomslag ook weer een mooie afbeelding. 

In die uitgave komen maar elf van de oorspronkelijke twaalf hoofdstukken van De wind in de wilgen voor. In het twaalfde raakt Rat in gesprek met een zeerat, die al een deel van de wereld bereisd heeft. Uitgaande van dat hoofdstuk heeft Michel Plessix vijf albums gemaakt, De wind in de woestijn, waarin de dieren die we al kennen (Rat, Das, Pad en Mol) op reis gaan en in Afrika belanden. 

Meer dan De wind in de wilgen is dit een lang, doorgaand verhaal. Het verhaal komt dan ook veel beter tot zijn recht in deze integrale uitgave dan in de losse albums. 

Zijlijnen

Naast de hoofdverhaallijn zijn er kleine zijlijntjes. Aan de ene kant volg je dan de hoofdpersonages, maar je volgt ook het gesprek tussen andere dieren, dat soms losstaat van het grote verhaallijn. Verder zijn er terugkerende ontmoetingen met andere dieren, zoals de luie trekvogels, die niet zelf vliegen, maar zich laten vervoeren. 

Ook De wind in de woestijn is een sfeervol boek geworden. Voor een deel speelt het zich af in een stedelijke omgeving, voor een deel in de woestijn. In De wind in de wilgen speelt de liefde voor de natuur nadrukkelijk mee. Dat ervoer ik hier wat minder. De dieren zijn dan ook niet in hun vertrouwde omgeving. 

De karakters van de dieren zijn hetzelfde gebleven. Zo probeert de wat patserige pad altijd weer de hoofdrol te pakken. Die karakters dragen het verhaal en vormen ook het sterkst de continuïteit met De wind in de wilgen.

Natuurlijk komen de dieren in de problemen, maar ze hebben ook helpers en uiteindelijk redden ze zich wel. Je zit daar als lezer ook niet echt over in. De moeilijkheden geven soms een zekere spanning, maar dat is toch niet de reden dat je deze strip leest. Je wilt de figuren volgen. Het zijn vrienden en toch is er ook van tijd tot wrijving. 

Tekenplezier

Michel Plessix is een schrijver die duidelijk lol heeft beleefd aan het tekenen. Hij heeft tekeningen gemaakt waar je lang naar kunt kijken, omdat ze veel details bevatten. De tekeningen hebben iets gemoedelijks, iets gezelligs, zonder dat ze zoet of gezapig worden. Er zit ook altijd een zekere frisheid en lichtheid in. Altijd is er wel wat te glimlachen. Het belangrijkst is dat ze je heel goed meenemen in het verhaal en je onderdompelen in de sfeer. 

Kenneth Grahame publiceerde De wind in de wilgen in 1908, maar het verhaal blijkt tijdloos. Je hebt geen moment het idee dat je een historisch verhaal leest. Dat is ook zo bij De wind in de woestijn. De werkelijkheid van de dieren aanvaard je en je gaat erin mee. Hoe kinderen zouden reageren op het verhaal kan ik moeilijk inschatten, maar ik vermoed dat ze net als de volwassenen, houden van de dieren die het verhaal dragen. 

Het is mooi dat uitgeverij Silvester deze twee integrale uitgaven uitgebracht. Hopelijk gaan ze nog meer van Michel Plessix uitgeven. zoals Patje van het Groenewoud. In ieder geval zijn De wind in de wilgen en De wind in de woestijn er en dat is al heel veel. 


Titel: De wind in de woestijn
Tekst en tekeningen: Michel Plessix
Vertaling: Mariella Manfré
Uitgeverij: Silvester
 2025, 160 blz. € 39,95 (hardcover, leeslint, stofomslag) 

maandag 20 april 2026

Stakkers en wolven (Lotfi El Hamidi)


In de proloog van Stakkers en wolven schrijft Lotfi El Hamidi:

Dit boek is een antwoord op het oprukkende fascisme en een aanklacht tegen de morele onverschilligheid van het Westen. Het voelt als een herhaling van zetten, maar kennelijk moet het steeds weer gezegd worden, in andere bewoordingen en met nog meer overtuiging. Stug blijven schrijven om terug te duwen. Om voor mezelf te spreken: ik kan niet anders. 

Dat laatste doet denken aan de woorden van Maarten Luther, die hij wellicht nooit zo gezegd heeft, maar die mij wel als schooljongen voor waar werden verteld. 

Dat ik het schooljongetje erbij haal, is niet voor niets. Ik ging in de jaren zestig naar de lagere school en in de jaren zeventig naar de middelbare en in die tijd stond de overgrote meerderheid van de Nederlanders achter Israël. Dat was ook in het buitenland duidelijk. Het leverde ons in 1973 de autoloze zondagen en benzinebonnen op.  

Goed, ik was nog een kind en er zal mij veel ontgaan zijn, maar ik herinner mij niet dat er oog was voor het lot van de Palestijnen. Palestijnen waren alleen in het nieuws als er vliegtuigkapingen waren en voor de rest bekommerde niemand zich om hen. 

Dat is tegenwoordig anders: er zijn grote demonstraties geweest om te protesteren tegen het genocidaal geweld van Israël tegen de Palestijnen. Maar in hoeverre kan het ons echt wat schelen? 

In het licht van Gaza

Op het voorblad van Stakkers en wolven staat 'In het licht van Gaza', een soort ondertitel, die niet voorkomt op de titelpagina. Je zou kunnen zeggen dat wat er gebeurt in Gaza de aanleiding is voor het boek, maar het gaat over meer. Het gaat ook over hoe in Nederland omgegaan is met migranten en over hoe weinig oog er geweest is voor hun perspectief. 

De titel is ontleend aan een column van Gerrit Komrij uit 1989, over de nasleep van de Rushdie-affaire. Komrij, over moslims: 'We hebben ze als stakkers verwend en krijgen ze als wolven terug.' Dat hier een hele bevolkingsgroep generaliserend wordt weggezet, lijkt me duidelijk. Maar op de site Neerlandistiek ontstond een discussie over het al dan niet islamofoob zijn van Komrij. Ook interessant misschien, maar het leidt wel af van wat El Hamidi aan de orde stelt. 

In Nederlandse Tweede Kamer zitten tegenwoordig aardig wat uiterst rechtse partijen en afsplitsingen en wat ze zeggen wordt steeds meer genormaliseerd. Van framende woorden als 'islamisering' en 'instroom' van vluchtelingen wordt niet meer opgekeken en er wordt niet meer tegen geprotesteerd. En we hebben zelfs een kabinet gehad waarin de PVV meedeed. Dat Wilders ooit veroordeeld is voor zijn uitspraak over 'minder Marokkanen' was blijkbaar geen breekpunt. 

El Hamidi haalt naar boven hoe Vincent Karremans de deur naar de PVV openzette en na hem deed Yeşilgöz dat nog eens dik over. 

Illustratief was de uitspraak van de VVD'er Vincent Karremans, toen wethouder van Rotterdam, die al vóór de verkiezingen zei geen probleem te zien in een eventuele samenwerking met de PVV. In zee gaan met een notoire Marokkanenhater is voor hem kennelijk een kwestie van 'ik heb zelf heus geen hekel aan Marokkanen, ik heb alleen schijt aan ze'.

Welk signaal geeft dat af aan mensen met een migratieachtergrond? Wat moeten ze doen om ere ooit bij te horen? Eigenlijk is het al raar dat juist zij iets zouden moeten doen. En niet wij, wilde ik schrijven, me daarmee realiserend dat ik al in mijn hoofd twee groepen heb gemaakt: wij en zij. 

El Hamidi:

Wanneer politici en opiniemakers beginnen over 'gewone' Nederlanders, 'hardwerkende' Nederlanders, 'bezorgde' Nederlanders, 'afgehaakte' Nederlanders, Nederlanders die zich zorgen maken 'of Nederland nog wel Nederland blijft', dan weet je meteen welke Nederlander zij voor zich zien. Of misschien moet je het omdraaien: je weet meteen welke Nederlander zij níét voor zich zien. 

Juist de oorlog in Gaza maakt duidelijk hoe principes niet meer mee lijken te spelen, hoe het gaat om politieke belangen en dat het dan blijkbaar niet meer uitmaakt of het ten koste gaat van mensen. El Hamidi herinnert ons aan de tijd die het kostte om te beslissen of doodzieke kinderen uit Gaza hier geholpen zouden kunnen worden. 

Tot mijn schaamte moet ik erkennen, dat ik 'o ja', dacht en ook bij wat El Hamidi schreef over de burgerwachten die grenscontroles uitvoerden. Blijkbaar meen ik de luxe te hebben om dit soort dingen weer te kunnen laten wegzakken in mijn geheugen. Ook dat is misschien een blijk van de morele onverschilligheid. 

Bij de les houden

Stakkers en wolven is een strijdbaar boek. Ergens schrijft El Hamidi dat hij schrijft om mensen bij de les te houden, om te laten zien dat genormaliseerd wordt (en al is) wat niet normaal hoort te zijn. Dat kan als pijnlijk ervaren worden, maar het is wellicht ten diepste een daad van liefde. Van Alphen schreef al: 'Een vriend, die mij mijn feilen toont, / Gestreng bestraft, en nooit verschoont, / Heeft op mijn hart een groot vermogen'.

Goed vind ik ook hoe hij het bombardement van Rotterdam te berde brengt als hij schrijft over een bezoek aan Damascus. Hij zoekt hierbij duidelijk naar de verbinding. Maar veel discussies draaien juist uit op uitsluiting. Over de Dodenherdenking schrijft hij: 

Opeenvolgende generaties kregen de woorden 'nooit meer' mee als ultieme les van de oorlog, als morele opdracht. Maar nu vraagt een nieuwe generatie zich af: als we de doden elders niet herdenken, als we geen parallellen naar het heden mogen trekken, wat is dan het nut van de historische les? Is 'nooit meer' soms een geografisch, om niet te zeggen etnisch, afgebakende boodschap?

El Hamidi roept op tot waakzaamheid en tot bezinning en het zal wel weer tegenspraak en verdachtmakingen opgeroepen hebben. Ik herinner me nog naar wat er tien jaar geleden gebeurde toen Tunahan Kuzu opriep tot waakzaamheid. Daarover schreef ik hier. De reacties op wat hij zei toonden maar al te zeer dat hij gelijk had. De liefdeloosheid (of beter: de haat) was maar al te duidelijk. 

Wie Stakkers en wolven leest, kan er niet de schouders over ophalen, lijkt me. De lezer wordt flink bij de schouders genomen en heen en weer geschud. Juist om die lezer bij de les te houden, juist omdat we iedereen nodig hebben om te bouwen aan een inclusieve samenleving en daarom moeten we alert blijven, ons blijven realiseren wat er gebeurt. In onze maatschappij, maar ook met ons. Zoals Campert al schreef, begint verzet met het stellen van een vraag aan jezelf. Die vragen worden ons ruimschoots gesteld in Stakkers en wolven. Het wordt tijd dat we die ook aan onszelf gaan stellen. 

Lotfi El Hamidi, Stakkers en wolven. Uitg. Pluim, 2026; 160 blz. € 22,99

Op 21 juni 2026 houdt Lotfi El Hamidi een lezing in de Vluchtheuvelkerk in Zetten. Ingang tegenover Bakkerstraat 20. Toegang gratis.