woensdag 8 april 2026

Exovida (Adriaan Bijloo / Govert Schilling)


Tom Friend wil later striptekenaar worden. Bovendien stelt hij bovenmatig veel belangstelling in ruimtevaart en sterrenkunde. Gelukkig stuit hij op een oude strip uit het begin van de twintigste eeuw, Via Dexo. Hij wordt gegrepen door het verhaal van de ruimtevaarders Virgil en Alan, die te maken krijgen met maanbewoners. 

Zijn moeder, Mary Friend, werkt bij de NASA en haar team doet een grote ontdekking: een exoplaneet waarvan de omstandigheden erg lijken op die van de aarde. Daar zou dus leven op mogelijk kunnen zijn. 

Scenario

Dat is zo'n beetje het begin van de graphic novel Exovida, waarvoor het scenario werd geschreven wetenschapsjournalist Govert Schilling, in samenwerking met de tekenaar, Adriaan Bijloo. Tom en zijn moeder maken een trip met een Volkswagenbusje door een deel van Amerika. Ze bezoeken een expositie, een telescoop, Roswell (van het Roswell-incident) en meer plaatsen die, niet toevallig natuurlijk, te maken hebben met het onderwerp van dit boek: de mogelijkheid van buitenaards leven. 

En passant krijgen we de hele geschiedenis mee van het denken over buitenaards leven, waarbij grote namen, zoals Epicurus, Giordano Bruno en Johannes Kepler passeren. Die laatste schreef misschien wel de eerste science-fictionroman, Somnium. Al zou je ook heel andere titels kunnen noemen. Er worden meer voorbeelden uit dat genre gegeven, zoals het werk van H.G. Wells. 

Tom heeft zijn oude strip, maar het is slechts het eerste deel van een serie van vier en misschien is er nog wel een vijfde deel. Hij probeert de andere delen ook te pakken te krijgen. Tijdens zijn speurtocht ontmoet hij verschillende beroemde mensen. 

Gesprekken

Aan de ene kant wil Exovida veel informatie meegeven. Er komen dan ook veel gesprekken in voor waarin de leergierige Tom vragen stelt en zijn gesprekspartners hem de antwoorden geven. Dat vertraagt het verhaal wel, maar ik heb het idee dat het boek er net mee wegkomt. Op tijd zijn er kleine gebeurtenissen zodat we toch ook een beetje voortgqng blijven houden. Maar het verhaal is wel duidelijk het karretje waarop de boodschap vervoerd wordt. 

Het oude stripverhaal is een mooie vondst. De stukken eruit zijn in een andere stijl getekend op een andere kleur papier. En Tom tekent zelf ook. De grens tussen fictie en werkelijkheid wordt vaag en dat is het interessantste aan het boek. Van veel dingen weet je lange tijd niet of ze, binnen het verhaal, werkelijkheid of fictie zijn. 

Dat wordt mooi verbonden met de theorie van het multiversum. Als er verschillende universa zijn, zal er ook wel een universum zijn waarin werkelijkheid is wat in de onze fictie is. Dat geeft een speelse kant aan Exovida en die staat me wel aan. 

Tekeningen

De tekeningen zijn van de hand van  Adriaan Bijloo. De personages bewegen nogal stijfjes en de gezichten hebben weinig expressie. Ook lukt het niet goed om leeftijd weer te geven. Je moet goed kijken om te zien dat de ene persoon een generatie ouder is dan de andere. Verder gaat het tekenen van vogels niet altijd goed. 

Dat mag allemaal waar zijn, maar er is ook veel goeds over de tekeningen te zeggen. Bijloo hanteert verschillende stijlen, die hij ook nodig heeft omdat de stijl waarin de strip Via Dexo getekend is duidelijk anders moet zijn dan die van het verhaal van Tom. 

De belangrijkste kwaliteit is de helderheid. Er zijn geen details die afleiden, in elke tekening weet je meteen waarom het draait. En dat is maar goed ook, omdat je je hersens al zo bij de informatie in het verhaal moet houden. Het verhaal blijft helder dankzij de tekeningen en de inkleuring helpt daar ook bij. Naast de stukken waarin minder kleur gebruikt wordt (de verhalen in het verhaal) worden er in het hoofdverhaal veel vrij heldere kleuren gebruikt, met weinig kleurnuance. Dat ondersteunt het verhaal goed. 

Het onderwerp van Exovida is bijzonder interessant. Er moet heel veel informatie overgebracht worden en dat gaat een beetje ten koste van het verhaal, maar doordat er zoveel speelse elementen in het verhaal zitten, blijft het toch boeiend. Naast het onderwerp is het spel met fictie en werkelijkheid het boeiendste van het boek. 

Aandacht vasthouden

Exovida is een dik boek, meer dan driehonderd bladzijden, en dan moet je de aandacht van de lezer een hele tijd vasthouden. Bij deze lezer is dat zeker gelukt. Voor de volledigheid staat achter in het boek een lexicon van namen en gebruikte termen, gedrukt in een soort typemachineletter. Dat werkt goed en het geeft ook duidelijk een onderscheid aan met de rest van het boek. Het is fijn dat je bepaalde zaken op deze manier nog eens kunt nazoeken. Bovendien is het lexicon geïllustreerd en er zijn markeringen aangebracht in de tekst. De gemarkeerde termen of namen zijn weer op te zoeken. 

Daarna krijgen we ook nog, kort, de ontstaansgeschiedenis van dit boek (met schetsen), iets over de bronnen en een literatuurlijst voor wie verder wil lezen over dit onderwerp. In de literatuurlijst zijn alleen boeken opgenomen, geen artikelen of sites. 

Exovida ziet er aantrekkelijk uit, leest lekker genoeg en je krijgt ook nog eens veel informatie mee. Interessant boek.  



dinsdag 7 april 2026

Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen (Ingrid Biesheuvel)


Sommige titels uit de Middelnederlandse literatuur kent bijna iedereen: Karel ende Elegast, Van den vos Reynaerde en Beatrijs bijvoorbeeld. Tijdens mijn studie vond ik het heerlijk om teksten te leren kennen waar ik daarvoor nog nooit gehoord had, zoals twee van de Bliscappen van Maria en Die wrake van Ragisel. De literatuur uit de Middeleeuwen is nooit mijn specialiteit geweest, maar ik heb er altijd graag over gelezen en graag over verteld. In de loop van de jaren heb ik er aardig wat van gelezen en van wat ik niet gelezen heb, ken ik meestal wel de titels en de strekking. 

Weet- en leeslustige taalminnaars

En dan ineens verschijnt er een hertaling van een tekst waarvan ik nog nooit gehoord had: Van den VII vroeden binnen Rome. In 1889 is die tekst toegankelijk gemaakt door K. Stallaert, een uitgave die terug te vinden is in DBNL. Die was mij ontgaan. Er was indertijd wel kritiek op, bijvoorbeeld door F.A. Stoett. Stallaert schreef dat de tekst nu verstaanbaar was gemaakt voor de 'weet- en leeslustige taalminnaars'. Stoett had een andere mening:

Ik voor mij geloof daarentegen, dat de gedenkstukken onzer voorvaderen geen lectuur zijn voor weet- en leeslustige taalminnaars, doch alleen voor hen zijn bestemd, die de oude letterkunde als wetenschap beoefenen en de taal der middeleeuwen verstaan. Wil men de middeleeuwsche werken voor Jan en alleman verstaanbaar maken, laat men het dan doen zooals het door J.A. Alberdingk-Thijm zoo voortreffelijk is gedaan in zijne uitgave der Karolingsche Verhalen.


Zoals gezegd: ik kende Van den VII vroeden binnen Rome niet, maar nu is er een schitterende hertaling door Ingrid Biesheuvel, die eerder Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant hertaalde. Het boek over de zeven vroeden verscheen onder de intrigerende titel Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen. Je kunt aan het 'Van' in de titel al zien dat het om een oudere tekst gaat. Dat doet namelijk denken aan bijvoorbeeld Van den vos Reynaerde. Tegenwoordig zouden we dat woord vervangen door 'over'. 

Ik vermoed dat Stoett enthousiast geweest zou zijn over deze uitgave. Net als Alberdingk Thijm koos Biesheuvel voor een prozatekst, die dicht bij het origineel blijft. In een verantwoording legt ze overtuigend uit waarom ze voor deze vorm heeft gekozen en waarom ze de Middelnederlandse tekst niet heeft opgenomen in haar uitgave. 

Van den VII vroeden binnen Rome blijkt niet alleen een prachtig verhaal te zijn, het is ook beroemd. Een deel ervan is afkomstig uit het oosten en indertijd is het verspreid over een groot deel van Europa in allerlei talen, waarbij de Middelnederlandse tekst de vroegste is. Ook op andere plekken op het continent is er nog steeds belangstelling voor het werk. Zo verscheen er vorig jaar een uitgave in het Duits, door Rita Schlusemann, met wie Biesheuvel nauw heeft overlegd. Deze uitgave vind je hier

Soepel Nederlands

De hertaling van Biesheuvel is geschreven in soepel Nederlands, dat heel lekker leest, zodat het boek voor een breed publiek geschikt is. Je hoeft er niet eens een weet- of leeslustige taalminnaar voor te zijn. Als je houdt van een goed verhaal is Van minzieke vrouwen al geschikt voor je. 

Wat is het verhaal? In Rome woont een keizer, die getrouwd is met een lieve en alom beminde vrouw, maar zij overlijdt. Ze laat een kind na, dat de keizer buiten Rome laat opvoeden door zeven wijzen (vroeden). De keizer hertrouwt en zijn nieuwe vrouw beseft dat de zoon van de keizer een bedreiging is voor haar positie. 

Die zoon groeit op en rondt zijn opleiding af. Als hij terug zal keren naar het paleis wordt er uit de sterren duidelijk dat zijn leven op het spel staat, maar de jongeman kan ook uit die sterren aflezen dat hij zijn leven kan redden als hij na de ontmoeting met zijn vader zeven dagen niet zal spreken. 

De keizerin tracht de jongen, net teruggekeerd in het paleis, te verleiden, een passage die doet denken het Bijbelverhaal over Jozef en de vrouw van Potifar. De prins gaat er niet op in, waarna ze hem ervan beschuldigt haar te hebben willen verkrachten en vermoorden. Zoiets moet natuurlijk bestraft worden. De keizer beveelt om de jongen buiten de stadsmuur te brengen en hem te doden. 

De keizerin zet haar verhaal kracht bij door het vertellen van het verhaal over de pijnboom en de uitloper. Die uitloper werd zo krachtig, dat hij de oorspronkelijke boom verdrong. De keizer is overtuigd; de volgende dag zou de prins gedood worden. 

Maar dan komt de eerste wijze op de proppen en die zegt tegen de keizer dat door het doden van zijn zoon het de keizer mogelijk net zo zal vergaan als de ridder die zijn woede koelde door zijn hazewindhond te doden en daarmee een groot onrecht beging. 

Dat verhaal wil de keizer wel horen, maar dan moet de terechtstelling van de zoon opgeschort worden en dat gebeurt. De keizerin is teleurgesteld en ook zij vertelt een verhaal, waarna de keizer besluit het vonnis toch de volgende dag uit te laten voeren. 

Zo gaat het steeds: de keizerin vertelt een verhaal dat de keizer overtuigt, maar voor de terechtstelling is er een wijze die parabel vertelt, waarna de keizer het vonnis terugdraait, waarna de keizerin weer een verhaal vertelt. Nadat ze zeven verhalen heeft verteld en de zeven wijzen ook elk hun eigen verhaal hebben verteld neemt de zoon van de keizer het woord en uiteindelijk loopt het natuurlijk allemaal goed af. 

Raamvertelling

Van den VII vroeden binnen Rome is een raamvertelling. Binnen het raam van de dreigende terechtstelling worden er verhalen verteld. Zo'n constructie kennen we ook uit Duizend-en-één nacht en The Canterbury Tales. Dat is het mooie van dit verhaal. Aan de ene kant bevat het elementen die bekend zijn. Zo wordt de jongen opgevoed in een huis dat staat in een tuin die aan alle kanten omheind is, de hortus conclusus. Aan de andere kant is het een heel eigen verhaal. 

Behalve dat de tekst voorbeeldig toegankelijk is gemaakt door Ingrid Biesheuvel, heeft Walburgpers het ook nog eens uitgegeven als een mooie hardcover, rijk geïllustreerd door Fred Marschall. Elk hoofdstuk begint met een klein portret van de verteller/vertelster in dat hoofdstuk. Heel gepast, omdat dat doet denken aan een miniatuur, een versierde hoofdletter waarin in oude teksten een hoofdstuk begint. Verder zijn er paginagrote illustraties en kleinere illustraties tussen de tekst door. Het zijn prachtige, realistische tekeningen. Hij zou een uitstekende striptekenaar zijn, dacht ik en dat blijkt hij ook te zijn. Hij komt in ieder geval voor in de Comiclopedia.

Alles bij elkaar (de mooie hertaling, de heldere inleiding en verantwoording, de fraaie tekeningen, de aantrekkelijke manier van uitgeven) maakt Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen tot een schitterend boek dat een groot publiek verdient. Koop het, lees het, vertel erover. 


Ingrid Biesheuvel, Van minzieke vrouwen en ontroostbare weduwen. Middeleeuwse verhalen van de zeven wijzen van Rome. Met illustraties van Fred Marschall. Uitg. Walburgpers, 2026; 152 blz. € 20,00 (hardcover)

Illustratiemateriaal is aangevraagd bij de uitgever. Zo gauw dat binnen is, voeg ik het toe. 

maandag 6 april 2026

De helden van Amoras 2: Kolmanskop (Marcel Legendre / Charel Cambré)

Het is waarschijnlijk vloeken in de Vandersteenkerk, maar ik ben nooit een heel groot liefhebber van Suske en Wiske geweest. Ik vermoed dat mijn zoon meer van die rode albums heeft gelezen dan ik. Mijn neef Joop had Bessy en daar heb ik toen aardig wat deeltjes van gelezen. Onderhoudend, zeker, maar dat was het dan ook wel. Maar misschien zou ik het een en ander moeten herlezen om er een afgewogen oordeel over te vormen. 

Toen de spin-off van Suske en Wiske verscheen, Amoras, de saga, ben ik die wel gaan lezen. Daarover heb ik geschreven bij de bespreking van Doodvonnis, het eerste deel van de serie De helden van Amoras. Onder die bespreking vind je ook de links naar eerdere besprekingen.  De helden van Amoras is al de derde serie. Tussendoor is de reeks De kronieken van Amoras verschenen. 

In De helden van Amoras zal elk deel een afgerond verhaal vormen, waarin de twee hoofdpersonen, Suske en Wiske dus, weer centraal zullen staan. Het tweede deel in die reeks is Kolmanskop. Het scenario is van Marc Legendre, de tekeningen zijn van Charel Cambré

Kolmanskop 2016

Kolmanskop

Kolmanskop is tegenwoordig een spookstadje in het zuiden van Namibië, in het zuiden van de Namibwoestijn. Het was ooit een klein, maar heel rijk stadje. Er waren namelijk diamantmijnen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen bleek dat de mijnen uitgeput waren, raakte het stadje in verval. Intussen herneemt de woestijn zijn rechten. Op Wikipedia is een foto uit 2016 te zien die een indruk geeft. 

Die foto is duidelijk ook gebruikt door Cambré om Kolmanskop te tekenen. Daar komen Suske en Wiske namelijk terecht. 

Het begint ermee dat ze professor Barabas met een vrouw zien. Ze gaan samen bij een diamanthandelaar naar binnen. Sus en Wis denken er het hunne van, maar uiteindelijk krijgen ze het hele verhaal te horen. 

Vader en zoon

Lothar Schweiberg is de eigenaar van de mijnen. Hij wil Kolmanskop teruggeven aan de plaatselijke bevolking, de Herero, als compensatie voor de misdaden die Duitsers daar lang geleden pleegden. Zijn zoon, een projectontwikkelaar, heeft echter andere plannen en hij schuwt daarbij het gebruik van geweld niet. 

De vrouw met wie Barabas gezien is, is al onderweg naar Namibië, maar ze loopt gevaar. Suske en Wiske moeten er als de donder heen en dat gaat snel, met de teletijdmachine. Natuurlijk wordt het spannend en er komt nog een race met oude racewagens in voor (waarvan er eentje gesaboteerd is), maar het loopt, zoals te verwachten, goed af. 

Het onderwerp van dit deel is zeker interessant. Zo wist ik niets af van Kolmanskop en het is prettig dat mijn kennis daaromtrent wat aangevuld is. Verder is het verhaal aardig, maar eigenlijk ook niet meer dan dat. Legendre houdt er nog behoorlijk de vaart in, maar je weet al gauw wie er deugt en wie niet en dan is de afwikkeling ook weer niet heel erg verrassend. 

Tekeningen

Met de tekeningen van Cambré is trouwens niets mis. Lekker soepel getekend met een sfeervolle inkleuring door Marloes Dekkers. De tekeningen zijn geïnkt door Patrick van Oppen. 

Het is wel een onderhoudende strip, maar eigenlijk had ik er net iets meer van verwacht. Ik ben wel van plan de reeks te blijven volgen. Het volgende deel zal Cross Road Blues gaan heten en daarin zal een nieuwe scenarist aantreden, Kristof Berte. Ik ben benieuwd wat hij ervan maakt. De titel doet vermoeden dat Rober Johnson er een rol in speelt. 

vrijdag 3 april 2026

Afgestoft: Woorden om het licht te horen (Lenze L. Bouwers)

Lenze Bouwers is een bijzondere auteur. Waarschijnlijk is er geen nog levende dichter te vinden die zo veel rondelen heeft geschreven. Technisch kan Bouwers veel en toch heb ik vaak wat op zijn gedichten aan te merken gehad. Als je nauwkeurig leest, blijken zijn zinnen vaak net niet nauwkeurig geformuleerd. 

Maar misschien ben ik gewoon een dorknoper die muggen aan het ziften is en zullen anderen zich helemaal niet ergeren aan zijn formuleringen en voluit genieten van zijn gedichten. Zijn verzamelbundel met rondelen, Woorden om het licht te horen, besprak ik in Liter jaargang 13, nr. 57 (2010). Het is een vrij korte bespreking. Mogelijk was mij niet meer ruimte toebedeeld, mogelijk vond ik een korte recensie gepast voor de bundel. 

Daarbij heb ik niet een compleet gedicht geciteerd en dat is toch wel jammer. Ik vermoed dat ik indertijd geen complete gedichten kwijt kon in de vrij smalle kolommen, maar dat weet ik niet zeker. Maar nu vind ik het vreemd dat er een poëziebundel besproken wordt zonder dat je een gedicht uit die bundel te lezen krijgt. Ook om het werk van Bouwers recht te doen, alsnog een rondeel in zijn geheel. 

een stem nog sterker dan de storm die raast:
kom snel -gebons- help mee, de dijk bezwijkt,
verzamelpunt de kerk, met schop en laars;
de hele nacht zat ik op wacht, verbaasd
dat je niet sterft bij zoveel angst, verdwaasd
omdat de zondvloed zeker verder reikt
dan zeeland - hoor hoe vader wakker blijkt:
een stem nog sterker dan de storm die raast;
hij gaat, terwijl zijn schildknaap achterblijft
en week bij moeder waakt, die langzaam strijkt,
gaat zitten, op het uur naar buiten kijkt
en met haar handen onverstaanbaar praat:
een stem nog sterker dan de storm die raast

Bij nader inzien heb ik over dit gedicht wel wat te zeuren: waarom maar een enkele laars? Maar er zit ook veel moois in dit rondeel. 


Bouwers' rondelen verzameld


Toen Lenze Bouwers in 1985 de bundel Rondelen op de markt bracht, kreeg hij er behoorlijk wat aandacht mee: een hele bundel vormvaste gedichten, geschreven in een compacte taal, dat zag je in die tijd niet vaak. Bouwers bleef rondelen schrijven. Soms hele bundels vol (De route van de rondvaartboot, De schaduw van de buizerd), soms kwamen er een paar in een bundel met andere gedichten terecht (Biotoop, Groeiringen).

Nu zijn Bouwers' rondelen verzameld in Woorden om het licht te horen. De eerste afdeling bevat een complete, nieuwe rondelenbundel, de tweede een ruime keuze uit de vroegere bundels.

De gedichten van Lenze Bouwers lees ik vaak met een mengeling van ergernis en interesse. Ze hebben altijd wel iets aangenaams: een metrum dat lekker loopt, een aardig rijm, soms een mooie beeldspraak. Ik zet meteen een plusje in de kantlijn bij ‘een manchestersterk profeet’ en ik heb ook een streepje gezet bij ‘zo zilverwit als i in lichtgewicht / zo zwaar vaak als ik keurend naast je sta’.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat in deze regels eigenlijk onzin staat. De i is immers helemaal niet wit. Verder is zo'n woord als ‘zilverwit’ ook wel erg nadrukkelijk poëtisch. Ik zie die bezwaren wel, maar toch werken deze regels. Bouwers heeft het woord ‘lichtgewicht’ goed gekozen. Hij had ook kunnen schrijven ‘zo zilverwit als i in internist’. Ik had dan misschien een witte jas voor me gezien en had het witte van de i me beter kunnen voorstellen.

Maar Bouwers doet het geraffineerder: hij schrijft dat het over het witte gaat, maar in je hoofd blijft het woord ‘lichtgewicht’ hangen, vooral ook doordat hij de regel erna ‘zwaar’ gebruikt. Zo gaat het dus niet alleen over het witte, maar ook over het lichte. De associatie zorgt ervoor dat je meer leest dan er staat. Bouwers op zijn best.

Vaak vertrouwt Bouwers op die associatie en heel vaak ook gaat dat mis. Wanneer je nauwkeurig gaat lezen wat er nu precies staat, klopt het dan domweg niet.

De uitgever citeert zelfs zo'n kromme zin op de achterflap: ‘De ronding heeft een eigen zeggingskracht, / zoals een vrucht er is, de aarde, maan.’ De ronding heeft blijkbaar zeggingskracht zoals een vrucht, de aarde en maan. Tja, het is zo dat die alledrie een ronding hebben, maar heeft de juttepeer eenzelfde zeggingskracht als ‘de ronding’?

Ook de asymmetrie ‘de aarde, maan’ staat mij niet zo aan. Ik vermoed dat bij de maan het lidwoord weggevallen is vanwege het metrum, zoals ik ook vermoed dat Bouwers bij ‘De dagen en nacht voorbij’ een lettergreep te veel had en daarom niet ‘nachten’ schreef. Het maakt een onmachtige indruk.

Vaak speelt Bouwers nogal gemakkelijk op het effect, door het gebruik van sfeerwoorden en expliciete typeringen: je lippen zo zacht, je lieve mond, bleek verfijnd, vederlicht, ik vind je mooi, uw gulle lach, je intieme lach, zomerpracht, korengoud, blaadje van fluweel, warm ingebed, blij verliefd, droomtrance, bladgoud (over bladeren in de herfst, een ‘vondst’ die hij in twee gedichten gebruikt). Eerlijk gezegd stellen de meeste gedichten dan ook literair gezien niet zoveel voor.

Toch hebben ze iets aangenaams. Misschien komt dat wel door de geest die door veel gedichten waait. Overduidelijk blijkt de betrokkenheid van de dichter bij zijn omgeving, bij de mensen om hem heen. Ziekte en dood komen in veel gedichten terug. In sommige worden nadrukkelijk een rolstoel, multiple sclerose, een chemokuur, kanker, opname, de vechtlustige zieke genoemd en met veel compassie schrijft de dichter over mensen die vechten voor hun leven en vaak toch verliezen.

Veel van de gedichten zijn sympathiek, omdat je gemakkelijk kunt meevoelen met welke emotie ze waarschijnlijk geschreven zijn. Maar in poëzie gaat het uiteindelijk niet om de emotie van de dichter, maar om die van de lezer. Soms weet Bouwers die te raken, maar vaker missen de gedichten daarvoor de kracht.

Eerder schreef ik over:

donderdag 2 april 2026

Koppige opa

Een stukje uit een dagboek. Ik schreef het op zaterdag 16 mei 2020, in het coronajaar. Het dagboek is gericht aan mijn toen nog ongeboren kleindochter. Als ik het heb over mijn moeder, heb ik het dus ook over haar overgrootmoeder. 

Het zijn meer flarden van verhalen dan dat het mooi afgeronde vertelsels zijn, maar dat moet je maar op de koop toe nemen. Mijn opa van moeders kant komt erin voor. Je ziet hem hieronder op de foto, met zijn geiten, bij het hout dat gejut had. Hij woonde aan de Waal en er dreef nog wel eens wat aan. Soms moesten we roeien naar zijn huis. Een foto van het huis vind je hier.

In het dagboek schrijf ik dat de huizen van mijn grootouders er nog staan, maar het huis van opa en opoe Dojewèrd is intussen gesloopt. Er staat nu een huis dat wel doet denken aan het oorspronkelijke huis. 

In dit stukje komt vooral de koppigheid van opa naar voren, maar hij had ook andere kanten. Ook daarover heb ik geschreven. Die stukjes zal ik nog eens opzoeken. Ik heb vooral goede herinneringen aan hem. 

Verder gaat het ook nog even over het trouwen van mijn ouders, al bericht ik daar maar kort over. Ik was toen bij mijn moeder geweest (die in januari 2025 zou overlijden) en gaf vooral weer wat zij vertelde. 


Opa Dojewèrd, in 1968

Vanochtend weer bij mijn moeder geweest, die me dingen vertelde die ik misschien wel eens gehoord had, maar niet onthouden. Dat tante Cor niet op de bruiloft van mijn ouders was, maar alleen op de dijk (voor het huis van mijn grootouders) het bruidspaar kon feliciteren. Ze stond toen al een paar jaar op voet van oorlog met mijn opa. Ze wilde het geld dat ze verdiend had niet afgeven en opa zei: ‘Ik houd geen kostgangers’ en toen kon ze gaan. Eruit en niet meer erin.
 
Dat een paar jaar later de spanningen nog niet voorbij waren, zegt iets over de koppigheid van mijn opa. Geen koppiger mensen dan Gansemannen en geen driftiger mensen dan Bunten, zei iemand ooit. Daar ben ik dus een mix van en jij ook, voor een kwart.
 
Toen ik het had over de koppigheid van mijn opa, zei mijn moeder: ‘Ja, maar Cor was ook niet makkelijk.’ En de opstelling van mijn oma, die altijd met iedereen medelijden had, zal daarbij niet geholpen hebben. Zo gaf ze het geld dat bedoeld was voor de slager aan Corrie, die er slangenleren schoenen van kocht.
 
Tussen haar vriend Henk en mijn opa ging het ook niet goed. Er zijn heel veel Henken in mijn familie. Bij deze man, die later mijn ome Henk zou zijn, zeiden we er altijd ‘van tante Cor’ bij, of ‘Van der Veen’.
 
Hij bracht zijn vriendin te laat thuis en mijn opa kapittelde hem. Henk zei dat hij voor niemand zijn petje in de ogen hoefde te trekken en kwam niet meer over de vloer. Hij bleef op de weg staan als hij tante Cor kwam ophalen. En die liet hem wachten, omdat ze nog niet klaar was, met haar haar bijvoorbeeld en oma maar zeggen dat ze ‘die jong’ niet moest laten wachten.
 
Het is niet alleen van voor de tijd van je moeder, maar ook van voor mijn tijd. Ik herinner me niet anders of tante Cor en ome Henk konden bij iedereen over de vloer komen. Later raakte tante Cor in de war. Als ze een punt taart had of een koekje liet ze het laatste stukje altijd liggen. Als ze dood zou neervallen kon altijd nog onderzocht worden of ze vergiftigd was.
 
Je overgrootmoeder vertelde ook over haar eigen bruiloft: mijn oma had een groot stuk vlees gevraagd aan Methorst, bij wie mijn moeder in dienst was als meisje voor dag en nacht. Methorst had pas geslacht en mijn oma wilde een stuk vlees van hem overnemen. Dat heeft Methorst toen geschonken.
 
De overbuurvrouw, Nel van de Geer, zorgde voor de groente en er werd een lekkere maaltijd gemaakt. Als toetje was er Haagse bluf, wat mijn opa van vaderskant, die wij opa Loenen noemden, nog nooit gegeten had.

Ma gnuifde nog steeds toen ze het vertelde. Opa Bunt was boer, had een boerderij en had het goed. Het gezin van mijn moeder had weinig geld. Je overgrootmoeder gebruikte het woord ‘armoedzaaiers’. Dat ze zo’n maaltijd niet verwacht hadden van zulke armoedzaaiers.
 
Van de avond zelf, op de deel van het huis van mijn grootouders (opa en opoe Dojewérd, Dodewaard), wist ze alleen nog dat er zoute haring was. Dat had blijkbaar indruk gemaakt. En dat zij en mijn vader al naar huis waren toen het feest nog niet afgelopen waren.
 
Daar was een verrassing: er lagen kokosmatten op de vloer. De familie (of was het de buurt?) had een raam omhoog geschoven en had matten op de tegelvloer gelegd. Mijn moeder had wel gespaard voor haar huwelijk: ze had tweehonderd gulden. Daarvan had ze de trouwjurk en de gordijnen laten maken en ze had een weckketel gekocht.
 
Mijn vader zal de meubels wel betaald hebben. Van zijn ouders kreeg hij een groot cadeau: een koe.
 
Natuurlijk had ik je graag mettertijd dat huis laten zien, maar het is er niet meer: het is gesloopt en de A-50 is eroverheen gelegd. Ik kan nog wel het huis laten zien waarnaar mijn ouders (met intussen drie kinderen) verhuisden in 1969. Daar woont Marinus, mijn broer.
 
De huizen van mijn grootouders zijn er nog. Het geboortehuis van mijn vader (die door mijn kinderen altijd Opa Koeien is genoemd) werd door mijn opa in 1926 gekocht. Het heet De Grote Doorn en staat in Loenen. In de Betuwe, bij Slijk-Ewijk, aan de rand van het bos. Mijn grootouders hadden gewild dat mijn ouders bij hen in kwamen wonen, maar dat wou mijn moeder niet.
 
Toen zijn Ome Wout (de broer van mijn vader) en tante Met daar gaan wonen. Maar dat ging niet goed. Ik gok dat dat het met mijn oma had te maken, die niet altijd gemakkelijk was, al was ze altijd erg aardig voor mij. Nu zouden we zeggen ‘lief’, maar zo zouden wij dat als kind niet noemen.
 
Mijn opa en oma lieten een houten huis bouwen in de boomgaard en daar hebben ze gewoond tot opa overleed. Intussen zijn er stenen muren om dat oude huis gebouwd. Marinus heeft het gekocht en er woont een van mijn achterneven in.
 
Ja, oude verhalen, ik weet het. Ik hou van die verhalen, maar ik vertel ze ook omdat het goed is om de geschiedenis van je familie te weten. Het zal wel biologische onzin om te zeggen dat die geschiedenis opgeslagen wordt in de genen, maar ik ben ervan overtuigd dat ook de onbekende verhalen een soort baslijn in mijn leven zijn.
 
Ook zij horen bij de grond waarin ik geworteld ben. Met Thomas heb ik ooit aan het graf van Opa en Opoe Loenen gestaan, gewoon omdat we in de buurt waren. Het was vreemd: ik las mijn eigen naam op de zerk. Ik ben namelijk naar opa Loenen genoemd.
 
Eigenlijk had ik dat helemaal niet willen vertellen, maar als jij mij niet onderbreekt, ratel ik gewoon door. Ik had willen vertellen dat ik voor het eerst sinds lange tijd weer bij Wilma in huis was en dat we samen geluncht hebben. Iets wat altijd zo vanzelfsprekend was, was nu tegelijk onwennig en meteen weer vertrouwd.

woensdag 1 april 2026

Moet dwalen (Charlotte Mutsaers)



Van Charlotte Mutsaers heb ik te weinig gelezen. En dat is raar, want bij wat ik wel van haar gelezen heb, heb ik me nooit verveeld. Zo was ik diep onder de indruk van het sprankelende Rachels rokje (1994). Al eerder heb ik verteld dat ik hier in huis een kamertje heb, waarin niet alleen mijn strijkplank staat, maar waarin ik ook de boeken opstapel die ik nu toch echt binnenkort moet gaan lezen. Op die stapels liggen twee boeken van Mutsaers: Koetsier Herfst (2008) en Harnas van hansaplast (2017), maar van lezen kwam het niet. 

Haar meest recente boek, Moet dwalen, kocht ik in een impuls, misschien vanwege de titel die mij herinnerde aan het liedje ''k Moet dwalen, 'k moet dwalen op bergen en in dalen'. Dat liedje komt ook daadwerkelijk in het boek voor en ook waarom er wel of geen onderwerp in de eerste regel staat. Door de roman heen zijn er trouwens steeds verwijzingen naar liedjes van vroeger, van 'Een karretje dat op de zandweg reed' tot 'Que sera, sera' en 'Slaap kindje, slaap.'

Isi en Fleur

In de roman gaat het vooral over twee personen: de 64-jarige Isi Witlamm en zijn dertig jaar jongere partner Fleur Vischbeen. Ze zijn tijdens een zoektocht naar paddenstoelen verdwaald. Tenminste dat beweert Fleur; Isi vindt dat ze helemaal niet verdwaald zijn. Het leidt voortdurend tot stekelige dialogen. 

Fleur is niet de grote liefde van Isi; dat is de rivier de Doubs. 
[D]e Doubs is de enige op aarde met wie hij zich onvoorwaardelijk heeft kunnen verbinden, de enige in wie hij gelooft, de enige in wie hij in volle vrijheid wijze mag verglijden en zich op alle fronten kan laten gaan. 
Isi houdt van het vloeiende, terwijl hij Fleur juist als star ziet:
Al vrij snel was Isi ervan overtuigd dat deze blunder van de natuur, die niets anders dan krokodillentranen plengde en elke man beschouwde als misbruiker in de dop, deze opportuniste die de voortbrengselen van kunst en wetenschap niet als bron van wijsheid of geluk beschouwde maar slechts als tools om hogerop te komen, deze vleesgeworden belediging van alles wat hem lief was, deze ondermijnster van romantiek en levenslust, deze dierenvriend die snoefde dat ze nog geen vlieg kwaad zou doen terwijl ze elke vlieg die onbesuisd naar binnen vloog kapotsloeg, dit uitgedroogde tussenstation vol brandnetels en distels waar zijn vermoeide trein per ongeluk even had stilgestaan, hem op zekere dag zou fnuiken. Die dag lijkt nu gekomen. Isi hapt naar adem en weet dat er maar één weg is waarlangs hij ontsnappen kan: de vloeibare. 
Dat iemand in een rivier een geliefde kan zien, vind ik een speelse gedachte en die speelsheid vind ik terug in het hele boek, waarin verbeelding en werkelijkheid niet altijd strikt te scheiden zijn. Je kunt daar het best maar gewoon in meegaan in plaats van te bedenken wat nu werkelijkheid is en wat droom of fantasie. 

Stijl

Verder laat het uitgebreide citaat zien hoe fonkelend de stijl van Mutsaers is. Fleur die omschreven wordt als 'dit uitgedroogde tussenstation vol brandnetels en distels waar zijn vermoeide trein per ongeluk even had stilgestaan' - daar geniet ik wel van. Uit de hele roman blijkt een enorm vertelplezier en elke zin is een verrassing. Daar heb ik zeer van genoten. 

Isi zegt verschrikkelijke dingen, niet alleen over Fleur, maar zo is hij blijkbaar. Goddank zijn er in de literatuur nog personages die niet deugen, die ongepast reageren, die kwalijke gedachten hebben. 

Hoe kwalijk die gedachten zijn, piept al snel door enkele zinnen heen. Isi is wel klaar met Fleur en hij is tot het uiterste in staat. Al op bladzijde 76 staat: 'Fleur hoeft immers niet te weten dat ze de vierendertig niet eens zal halen.' Ook Fleur heeft in de gaten dat er iets grondig mis is: ''Er gaat ons iets ergs overkomen,' zegt ze verslagen. 'Iets heel ergs. Ik voel het aan mijn water.'' 

Fleur vindt dat ze verdwaald zijn, Isi vindt dat verdwalen een staat van zijn is en ook dat het een kunst is: je moet het maar kunnen. Hij denkt dat hij binnenkort de Doubs wel als oriëntatiepunt zal zien, maar de rivier houdt zich schuil. Later blijkt de stroom uitgedroogd te zijn. Daaruit blijkt al hoe mis het is in het leven van Isi. En dan raakt hij ook nog zijn geliefde mes kwijt. 

Elan

Isi en Fleur raken uit elkaar -laat ik het maar even zo beschrijven- en gelukkig ontmoet hij een man met een skateboard onder zijn arm, Elan. Maar ook tussen hen gaat niet alles soepel. 

Uiteindelijk is Isi op zichzelf aangewezen, verdwaald in het leven, een rivier die naar een bedding zoekt, een oceaan om in uit te stromen. Hij houdt hoop, maar de vraag is of dat terecht is. 

Moet dwalen lees je niet vanwege de plot, niet om van de personages te houden, want dat is nogal lastig, maar vooral vanwege de stijl, het vertelplezier. De rivier heeft zich misschien teruggetrokken, maar ze stroomt door de woorden van Mutsaers en op die stroom heb ik me als lezer heerlijk mee laten voeren. Ik heb genoten van de discussies en het gebekvecht van de verschillende personages. Ze hebben nauwelijks een eigen stem. Eenzelfde taal stroomt door hen heen, waarin steeds alles op scherp staat. In hun taal vliegen de personages verschillende keren uit de bocht. Moet dwalen is een boek dat geschreven lijkt zonder de rem erop. Het is een gul boek en alles wat het geeft, heb ik met gretigheid tot me genomen. 

dinsdag 31 maart 2026

Bernard Prince: De hel van Suong-Bay / Avontuur in Manhattan (Hermann / Greg)

De planning die ik eerder publiceerde, ga ik niet helemaal volgen. Zo zou ik volgende week pas schrijven over het tweede deel van de integrale uitgave van Bernard Prince, maar dat stuk heb ik naar voren gehaald in verband met het overlijden van Hermann (1938 - 2026). Hij overleed op 22 maart. 

Andere links naar besprekingen van albums van Hermann, waaronder die van het eerste deel van Bernard Prince, vind je onderaan. 

Reeksen

Hermann heette voluit Hermann Huppen en hij was een geweldige tekenaar, in het realistische genre. Hij heeft veel reeksen op zijn naam staan en het beste uit die reeksen is heel goed. Als kind lette ik niet zo op de namen van tekenaars en scenaristen. Na verloop van tijd wist ik natuurlijk wel wie Marten Toonder, Willy Vandersteen, Hans G. Kresse of Piet Wijn waren, maar Hermann was een van de eersten bij wie ik gericht op zoek ging naar albums waar zijn naam op stond en toen kwam ik bij aardig wat verschillende reeksen terecht: naast Bernard Prince waren dat Comanche, Jeremiah, Jugurtha (alleen de eerste delen), De torens van Schemerwoude en Nick. 

Er is ook nog de serie Duke, maar die heb ik nooit gehad, en van De torens van Schemerwoude heb ik maar weinig gelezen. Het is een erg harde strip, tenminste dat vond ik indertijd. Maar misschien moet ik die albums maar eens gaan verzamelen en lezen. 

Bernard Prince en Comanche tekende Hermann op scenario's van Greg, maar voor Jeremiah en De torens van Schemerwoude schreef hij zelf alle teksten. 

Inkten en inkleuren

In de loop van de tijd bleef Hermanns tekenstijl herkenbaar, maar die veranderde wel. Op een gegeven moment inktte hij de tekeningen niet meer voordat hij ze inkleurde, wat ze toch een wat ander karakter gaf. En in de loop der jaren leek de kleur geleidelijk uit zijn tekeningen te verdwijnen. Hermann beperkte zich dan bij afbeeldingen tot bijvoorbeeld grijzen en groenen. Het leek wel of hij de kleur kwijtraakte, wat mij deed denken aan de roman Labyrint van Fleur Bourgonje, waarin een vrouwelijke kunstenaar met hetzelfde probleem kampt. 

Sommige van zijn strips hadden scenario's niet top waren, maar die ik toch bleef lezen, omdat Hermann ze getekend had. Hoe dan ook, hij was een grote berg in het striplandschap. Hij is er niet meer, maar we hebben zijn strips nog en zolang die nog gelezen worden, leeft hij voort. 

Juist in deze tijd verschijnt de prachtige integrale uitgave van Bernard Prince. Mooie hardcovers op groot formaat in een oplage van 500 stuks (Haast je!). Door het grote formaat komen de tekeningen uitstekend tot hun recht. 

Interpol-dossiers

De verhalen die in albums terechtgekomen zijn, kennen we, al is het prettig dat we ze in deze uitgave allemaal bij elkaar hebben en dan ook nog mooi uitgegeven. Maar bij een integrale uitgave hoort ook extra materiaal en ook dat is er, in de vorm van vier verhalen, 'De Interpol-dossiers van Inspecteur Prince'. We krijgen niet alleen die verhalen, maar ook nog een blik in verschillende afgekeurde versies (in zwart-wit). Prachtig materiaal, dat je nergens anders te zien krijgt. 

Verder is er een artikel van Ed Hengeveld, waarin hij uitlegt wie Djinn, de scheepsjongen is, en hoe zijn rol in de loop van de serie veranderd is en zijn er enkele grote tekeningen plus omslagen van het blad Kuifje, waarop een nieuw verhaal van Bernard Prince wordt aangekondigd. Het is al met al een prachtuitgave. 

Personages

De verhalen op scenario van Greg doen het nog goed. Misschien is Bernard Prince als karakter niet al te geprononceerd, maar hij is niet gauw uit zijn evenwicht en hij weet zich altijd te redden. Zijn achtergrond bij Interpol speelt nadrukkelijk een rol in het tweede verhaal, Avontuur in Manhattan. 

Zijn stuurman, Barney Jordan is zo'n beetje het tegendeel van Prince: emotioneel, impulsief, niet altijd zichzelf onder controle hebbend en hij brengt ook humor in de strip. In het genoemde verhaal moet hij ineens stand-in spelen voor een zakenman die veel op hem lijkt. Als deze man van het toneel verdwijnt, moet Barney zijn plaats innemen. Bernard gebruikt zijn contacten in het criminele circuit om de verdwijning op te helderen. 

En dan hebben we nog Djinn, over wie de volwassenen wel eens bezorgd zijn, maar hij kan prima zijn eigen boontjes doppen en in het eerste verhaal, De hel van Suong-Bay speelt hij een cruciale rol in de redding van Bernard en Barney die in handen zijn gevallen van Wang-Ho, die we nog kennen uit Generaal Satan. 

Herleesbaar

De albums heb ik al lang geleden gelezen en ik heb de verhalen indertijd verschillende keren herlezen. Toch zat ik er meteen weer in en ging ik er helemaal in mee. Dat bewijst aan de ene kant hoe sterk het scenario van Greg is en aan de andere kant zal mijn bewondering voor het tekenwerk van Hermann een minstens even grote rol gespeeld hebben. 

Bernard Prince is altijd het lezen waard, maar deze prachtuitgave bewijst duidelijk zijn meerwaarde. Het is te vergelijken met het bekijken van een film op je tv of in de bioscoop. Dat laatste maakt altijd meer indruk en geeft je een completere ervaring. Zo is het ook met deze uitgave. 

Reeks: Bernard Prince (luxe uitgave)
Deel: De hel van Suong-Bay / Avontuur in Manhattan
Scenario: Greg
Tekeningen: Hermann
Vertaling: Tonio van Vugt
Uitgever: Sherpa
2025, 128 blz. € 65,- (groot formaat, hardcover) €95,- (extra: linnen rug, gesigneerde dubbelprent)

Eerder schreef ik over:
Bernard Prince: Generaal Satan/Storm over Cormoran (luxe uitgave)