Op de benaming 'de grote drie' in onze literatuur van de twintigste eeuw is veel af te dingen. Waarom zouden we bijvoorbeeld Hella Haasse, Hugo Claus en Jan Wolkers ook niet bij de top scharen? Maar dat Mulisch, Reve en Hermans grote schrijvers waren, met een interessant oeuvre, waarvan de beste boeken ook heel erg goed zijn, lijkt me duidelijk.
Vandaag wil ik het hebben over Hermans (1921-1995), wiens werk mogelijk van de drie de tand des tijds het best zal doorstaan. Ik heb indertijd veel van hem gelezen. Niet alleen romans als De tranen der acacia's (1949), De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966), maar ook essaybundels als Houten leeuwen en leeuwen van goud (1979), Ik draag geen helm met vederbos (1979) en Klaas kwam niet (1983). En dan natuurlijk de novellen, zoals Filip's sonatine (1980) en Homme's hoest (1980) en het polemische werk in boeken als Mandarijnen op zwavelzuur (1964) en Het sadistische universum (1964).
Niet alles wat ik las vond ik even goed. De novellen Geyerstein's dynamiek (1982) en De zegelring (1984) vond ik minder goed (als mijn geheugen mij niet bedriegt) en de roman Au pair (1989) is onderhoudend, maar haalt het niet bij de topwerken van Hermans.
Hieronder zal ik wat links opnemen naar wat ik eerder over Hermans schreef, waaronder een recensie van Een heilige van de horlogerie (1987).
Ooit luisterde ik naar de podcast Boeken FM, waar 'de grote drie' besproken werden. Die aflevering zorgde ervoor dat ik afhaakte. Een van de besprekers had slechts twee boeken van Hermans gelezen, maar meende zich wel een oordeel over het oeuvre te kunnen aanmeten. Mogelijk zijn er nu andere medewerkers aan de podcast en geldt wat ik net schreef helemaal niet voor de huidige medewerkers.
Niet alles gelezen
Ik moet trouwens meteen het boetekleed aantrekken: ook ik heb verschillende boeken van Hermans niet gelezen. De opvallendste titel daarbij is Onder professoren (1975), een leuke roman over de Universiteit van Groningen. Uit talloos veel miljoenen (1981), een soort vervolg, heb ik begrepen, heb ik weer wel gelezen. Onderhoudende roman. Verder heb ik de bundel De laatste roker (1991) en tot voor kort had ik Ruisend gruis (1995) niet gelezen, een korte roman. Maar nu wel, en daar gaat dit stukje over.
Onder professoren en De laatste roker heb ik intussen in huis. Het eerstgenoemde boek ga ik dit jaar nog lezen, calamiteiten voorbehouden.
Ik wist niet wat ik moest verwachten bij Ruisend gruis. Waarschijnlijk heb ik indertijd de recensie gelezen, maar er stond mij absoluut niet meer bij waarover het boek ging. Ik begon dus vrij blanco te lezen.
Ruisend gruis verscheen postuum, in 1995, het jaar van Hermans' overlijden. Het jaar ervoor werd de roman al door Hermans aangekondigd, toen hij te gast was bij de Stichting Literaire Activiteiten Leeuwaren. De Volkskrant deed er verslag van in het artikel 'Groningen is voorlopig nog niet van W.F. Hermans' toorn verlost, dat op 13 oktober 1994 in die krant stond. Een passage daaruit:
De professor is Vigeland Fahrenkrog, gespecialiseerd in de mineralogie. De naam Groningen valt niet in het begin van het boek (als ik het goed gelezen), maar later wordt er wel gesproken over de N.V. Groninger Maatschappij voor Grondborigen, de Groninger Harmonie en de Groninger stadskleuren. In de recensies die ik gelezen heb, wordt steeds een link gelegd met Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen. Dan wordt Ruisend gruis gezien als een afrekening met de Groninger universitaire wereld.
De hoofdpersoon zou autobiografische trekken kunnen hebben. Zo heeft hij hoestbuien, net als Hermans zelf, zoals iedereen weet die wel eens een interview met hem heeft teruggeluisterd of -gekeken. Voor andere wetenschappers die in het boek voorkomen, zoals Silvio Birra en Ulbo Rombouts zouden ook mensen uit de werkelijkheid model hebben gestaan.
Fahrenkrog is al vaak verhuisd. De vorige panden heeft hij steeds gehuurd, maar nu heeft hij een huis gekocht. Als hij alleen in het huis is, boort hij een gaatje in een muur, omdat hij daar een oude kwikbarometer wil ophangen, maar dan begint er stof, zand, poeder, gruis (hoe moet je het noemen?) uit het gaatje te stromen. Aanvankelijk lijkt het alsof het gruis (laat ik het woord uit de titel maar aanhouden) uit de spouw van de muur komt, maar dan zou de stroom al gauw moeten stoppen en hier gaat die maar door. Fahrenkrog gaat naar de zolder, maar kan later niet meer naar beneden en kan dus zijn huis niet verlaten. Gelukkig heeft het huis een balkon, zodat hij kan communiceren met eventuele voorbijgangers.
Fahrenkrog zal niet zomaar gered worden, weten we uit het andere werk van Hermans. Door moedwil en misverstand gaan er altijd dingen mis. Dat zal ook hier het geval zijn, al laat ik de juiste toedracht nog even in het midden.
Grappig
Het is een intrigerend gegeven, die stroom gruis, en daardoor zit je ook meteen in het verhaal. Het is spannend, want je wilt weten hoe de professor zich zal redden. Als je in het personage Hermans ziet, is het ook grappig, zeker als hij zich vergelijkt met de andere wetenschappers.
In gezelschap van andere mineralogen vreesde hij dat ze hem eigenlijk niet knap genoeg vonden, in ieder geval niet zo knap als zij (terwijl hij meer publiceerde!) Dit maakte zijn optreden stroef, houterig. Niemand doorzag zijn verlegenheid, en zijn angst betrokken te zullen raken in gesprekken over onderwerpen die hij niet beter beheerste dan iedereen. (De kans hierop was in werkelijkheid klein.) Dus stond hij te boek als verwaand en onuitstaanbaar. Deze reputatie werd door kwaadsprekers nog versterkt, omdat hij menigmaal zonder daar bijzonder zijn best voor te doen, veel briljanter was dan zijn collega's, wat zij heel goed beseften, zij het met afgunst en spijt.
Fahrenkrog heeft een dochtertje, Lievestro, elf jaar oud. Ze heeft een handplant, een plant die groeit in de palm van haar hand. Die koestert ze, al kan ze die ook doorgeven aan een ander, door een handdruk. Bij haar leeftijdsgenoten is de handplant een soort rage, zoals bijvoorbeeld de tamagotchi, maar die was er toen nog niet. Fahrenkrog is niet voor zo'n plant:
'Je weet toch dat die organismen vroeger niet bestonden, dat ze met behulp van radioactieve straling zijn geteeld. Zelfs of het eigenlijk wel een plant is, weet niemand precies. Er zijn stemmen opgegaan die staande houden dat handplanten virussen zijn, tot monsterlijke afmetingen vergroot. Ik word doodziek als ik er alleen maar aan denk...''Jij wel.'
Magisch realisme
(...) want het staat als een paal boven water dat hij in dat busje de laatste adem heeft uitgeblazen: hartverlamming, en dood was hij. (Maar wanneer? En is het eigenlijk wel zo?).
De onderwereld komt boven. Het wordt allemaal veroorzaakt doordat de aardgaswinning de bodem heeft verzwakt, gelooft u mij maar.














