donderdag 11 juni 2026

De weg weten in een huis dat er niet meer is


Vorige week plaatste ik weer jeugdherinneringen, zoals ik die ooit had opgetekend in een dagboek. De bijdrage ging over de dingen die we in onze jeugd verzamelden: speldjes, sleutelhangers en stickers, maar ook nam ik je mee door het huis van mijn vriendje Gerard. 

Het blijft vreemd dat je nog steeds feilloos de weg kunt weten door een huis dat er niet meer is. In een ander dagboek loop ik in gedachten door het huis waar ik geboren ben. Foto's van dat huis vind je bijvoorbeeld hier. Dat is best een lange tocht en die heb ik hier verder niet gedeeld. 

'Gelukkig hebben we de foto's nog', zouden ze zeggen bij Dit was het nieuws. Ik wist dat er een foto was van het huis van mijn vriendje en ik vond die, na een tijdje zoeken, bij de Facebookgroep Midden Betuwe. Ik plakte hem bij mijn blogpost. 

Goede herinneringen

De dagen erna betrapte ik mezelf erop dat ik verschillende keren de foto bekeek en dat mij dat een goed gevoel had. Blijkbaar heb ik goede herinneringen aan die plek en dat is ook niet zo gek. Spelen met Gerard was immers altijd fijn. Op die plek heb ik dus alleen maar leuke dingen gedaan. 

Zoals je ziet, staat het huis met de zijkant naar de weg. De twee ramen aan de zijkant, naast de voordeur, zijn van de slaapkamer van Gerards ouders, net als het eerste raam, net om de hoek, aan de voorkant. Het andere raam aan de voorkant is iets lager; het is het raam van de kamer. Blijkbaar moest je vanuit de gang een paar treden naar beneden om in de kamer te komen. Dat was ik kwijt. Vrouw Zwijnen zat vaak achter dat raam. Ervoor was een tuintje: een paar oude fruitbomen, een grasperkje en een border met bloemen. Het was een knusse tuin. 

Vrouw Zwijnen keek erop uit en zag de seizoenen voorbijgaan. Aan de andere zijkant was een breed raam dat uitkeek op de uiterwaarden. Het moet een prachtig uitzicht geweest zijn, al herinner ik me niet dat ik mij dat toen realiseerde. Ook het raam van de keuken keek uit op de uiterwaarden. 

Hofstede Koeweide
Gerard leeft helaas niet meer. Na de lagere school ging hij naar de LTS en ik ging naar de mavo. Mogelijk kwam hij bij ons nog wel een tijdje over de vloer en hielp hij bij ons mee op de boerderij. In 1975 vertrok ik naar een internaat in Gouda, waar ik de hoogste klassen van de havo zou doorlopen en de PA (Pedagogische Academie, voorloper van de PABO, opvolger van de kweekschool). Gerard ging werken als monteur bij Vogelenzang. 

Koeweide

Het huis van Gerard en zijn ouders moest verdwijnen en het gezin verhuisde naar het huis van een oom van Gerard, broer van zijn moeder: Wimke Gerritsen, die zichzelf wel Wim Gerritsen genoemd zal hebben. Ook daar ben ik nog verschillende keren geweest. Ik herinner me de vorige bewoner nog: een aardige man met een snor als een borstel. De laatste keer dat ik in het huis was, had Gerard al twee kinderen, die in de box in de kamer stonden. 

Ook dat huis stond aan de dijk, maar niet boven aan de dijk, maar aan de voet ervan. Op het huis stond de naam Koeweide. Een van de weilanden (wij zeiden de polders) draagt de naam Koeweide. Die was bij ons bekend. Heeft het huis later de naam van het buitendijkse weiland gekregen of had het die altijd al maar stond die niet op de gevel? Ik weet het niet. 

Gerard was al op vrij jonge leeftijd getrouwd. 'Gerrie is de naam van de merrie', zei hij. Het huwelijk hield uiteindelijk geen stand en voor zover ik weet heeft Gerard veel gedaan aan de opvoeding van de kinderen. Nog weer later werd hij ziek en overleed hij. In die tijd zagen we elkaar al niet meer. 

Maar nu ik de foto van het huis boven aan de dijk zie, moet ik vaak aan hem denken. Ik vermoed dat ik nog wat herinneringen aan hem in mijn dagboeken heb. Die zal ik eens opzoeken. Ook hoe ik op een verjaardag een geintje met hem dacht uit te halen en hem toen behoorlijk pijn deed. 

Gerard

12,5 jaar getrouwd

Ik herinner me ook nog dat mijn ouders 12,5 jaar getrouwd waren. Het werd gewoon bij ons thuis gehouden. Er stonden wel extra tafels in de kamer, waarrond de rest van de familie zat, er was wit papier over de tafels gelegd en er waren klapstoelen gehaald. 

Het moet maart 1970 geweest zijn. Ik zou in juni 11 jaar oud worden. Vrouw Zwijnen vond dat er wel iets leuks gedaan moest gedaan Ze schreef een paar gedichtjes die mijn zus Lientje, Gerard en ik moesten voorlezen en voor zichzelf had ze ook een gedicht. We kregen allemaal een raar hoofddeksel op en brachten onze tekst. Ik had die uit mijn hoofd geleerd en was er trots op dat ik die zonder haperen kon opzeggen. Vooral Alie, vrouw Zwijnen, oogstte veel hilariteit met haar uitdossing en haar tekst. 

Zus Lientje (Carolien)

Verder was het gezin Zwijnen waarschijnlijk de start van mijn liefde voor strips. Het gezin las de Sjors en de Tina. Al die Sjorsen kreeg ik mee als het gezin ze uit had en soms gingen er ook wat Tina's mee. Ook hadden ze dikke stripboeken van Sjors en Sjimmie getekend door Frans Piët. Over Sjors en Sjimmie bij de Baanbrekers schreef ik al een keer. De andere ingang tot de strips kreeg ik bij mijn neefje Gertje (later Gerrit) van tante Gerrie, die geabonneerd was op de Donald Duck. 

Als ik op een rommelmarkt oude exemplaren van Sjors of Donald Duck zie, koop ik ze. Ik moet onderhand eens gaan inventariseren wat ik heb. Compleet zullen de jaargangen niet zijn en ik zal ook exemplaren dubbel hebben. Afgelopen zondag kocht ik nog anderhalve jaargang van Tina op een markt in Arnhem (1973, 1974). Hopelijk kom ik ooit aan het herlezen toe. Gewoonlijk plaats ik alleen maar jeugdherinneringen die ik al eerder heb opgeschreven, maar omdat de foto van het huis van het gezin van Gerard mij bleef trekken, ben ik daar voor deze keer maar van afgeweken. Dat gaat misschien vaker gebeuren. 

Vrouw Zwijnen

woensdag 10 juni 2026

Het Archief, De oudste strips in een nieuw jasje



Integrale heruitgaven van strips zijn niet meer weg te denken, van Trigië tot Brammetje Bram, van Archie, de man van staal tot Bessy, zo'n beetje alle strips uit de jeugd van bejaarde mensen, tot wie ik mij ook reken, zijn weer verkrijgbaar. Er wordt fiks ingespeeld op het jeugdsentiment en blijkbaar met succes. 

Tegelijk wordt op die manier de stripgeschiedenis ontsloten. Mogelijk voor mensen die de uitgaven al kenden, maar misschien ook voor een nieuw publiek. 

Nieuw blad

Eerder besprak ik hier enkele uitgaven van uitgeverij Kippenvel (links onderaan) en die uitgeverij komt nu met een blad, Het Archief, De oudste strips in een nieuw jasje. Voor zover ik heb begrepen, kun je je er niet op abonneren, maar je kunt het wel kopen op beurzen. Het eerste nummer is er intussen. 

In het voorwoord legt André Wijntjes uit wat de aanleiding is geweest voor het blad: de verzameldrift van zijn vader. Die knipte de krantenstrips uit en niette ze aan elkaar, zodat hij er boekjes van kon maken. Olivier B. Bommel, Eric de Noorman, Kapitein Rob, Panda en zelfs Robbedoes konden zo gelezen worden door de jonge André. 

Robbedoes verscheen trouwens onder de naam Sproetje, zoals er wel meer strips verschenen onder een andere naam, ook in striptijdschriften. Zo kreeg Bernard Prince de naam Rob Palland en werden Bollie en Billie Bas en Boef. 

Algemeen Dagblad 28 juni 1946
In Het Archief zijn de strips gebundeld die vader Wijntjes verzamelde. In het voorwoord vermeldt de samensteller dat Liefde en geluk (van Gerrit de Jager) verscheen in het Algemeen Dagblad en Bartje (van Willem Ritstier) in onder andere Rotterdams Dagblad. Van veel andere strips wordt niet vermeld uit welke krant ze komen en ook niet wanneer ze daarin oorspronkelijk zijn verschenen. Dat is jammer, maar ik kan me ook voorstellen dat dat indertijd door vader niet genoteerd is en het is blijkbaar achteraf niet meer opgezocht. 

Artikelen

Een verzameling oude strips is al leuk, maar Wijntjes nam ook enkele artikelen, zoals een artikel dat op 26 april 1986 verscheen in het Algemeen Dagblad over de strips in de krant. Al een jaar na de oorlog verscheen bijvoorbeeld Kappie al en even later verscheen Miesje, die in een enkel plaatje haar commentaar gaf het weerbericht. 

Verder schreef Wijntjes een inleiding bij De avonturen van Bim, een strip van Piet van Elk. Hij schetst hoe Van Elk het blad Stripfilm oprichtte, maar dat dat geen lang leven beschoren was. Hij wilde, met Toonder als voorbeeld, een studio oprichten en trok daartoe verschillende mensen aan, onder wie Siem Praamsma, Albert van Beek en Henk Albers. 

Van het verhaal De Gekke Uitvinding (oktober 1945) staan de eerste twintig stroken in Het Archief. Het verhaal gaat verder in nummer 2. Ook Waldo, Het geheim van het spookhuis, door Willy Lohmann is een vervolgstrip en bij Opie van Hank P. Meyer staat in de tekst onder de laatste strook: 'Maar wat zal er met de goudvisheks gebeuren? Dat horen jullie in het volgende verhaal. 

Strips in Het Archief

Verder vind je in dit eerste nummer, naast de al genoemde strips dus, Het Archief van Sjors (met tekeningen van Henk Rotgans en Bert Bus), Gradus (Bare), Belevenissen van een jong gezin en Alfredo (Jørgen Mogensen) en De schuinbewegingen van Boris Bollebal. (Dik Fijnheer) Boris maakte natuurlijk geen 'schuinbewegingen' maar 'schijnbewegingen'. De strip verscheen in het voetbalblad 1-0, volgens de onvolprezen Comiclopedia.

Het Archief is een sympathieke verzameling van oude krantenstrips. Eigenlijk zou er bij de verschillende strips wel een bronvermelding moeten komen, ter wille van de geschiedschrijving, maar het is mooi dat er weer wat oude strips beschikbaar zijn. 

Verder vind ik het ontroerend dat Wijntjes op deze manier een hommage brengt aan zijn vader, die zo nauwgezet al die stripjes heeft uitgeknipt en verzameld. Daar een een tijdschrift van maken is een liefdevolle daad. 

Het Archief is 64 blz. dik en kost slechts € 7,50

Eerder schreef ik over andere uitgaven uitgeverij Kippenvel

Bij Uitgeverij Kippenvel komt ook Zodiack uit, van Willem Ritstier en Minck Oosterveer. Er staat een voorpublicatie in Het Archief


De kwaliteit van onderstaande afbeeldingen is niet optimaal. Zo gauw ik betere binnen heb gekregen, vervang ik ze. Tot die tijd geven ze hopelijk wel een indruk. 

dinsdag 9 juni 2026

Afgestoft: Niek Verhaagen

Eigenlijk zou ik vandaag een recensie plaatsen. Die is ook af, maar het illustratiemateriaal erbij is niet van goede kwaliteit. Ik heb de uitgever gemaild om andere plaatjes, maar die zijn nog niet binnen. 

Daarom stof ik een oud stuk af. Weer een bijdrage in de reeks 'Onder het stof', die ik schreef voor Liter. Deze stond in Liter nr. 48, jaargang 10 (2007). Het was de zesde aflevering in de reeks. Er stond bij 'Met dank aan Dirk Zwart', al staat mij na zoveel jaar niet meer bij waarom ik Dirk dankbaar moest zijn. 

Niek Verhaagen is intussen nagenoeg verdwenen. Dat is jammer, want hij schreef aardig werk. Gelukkig is er intussen wel een boek over hem, geschreven door Lo van Driel. Dat boek wil ik zeer aanbevelen. Ik besprak het hier

De laatste keer dat ik iets uit deze reeks hier plaatste was de bijdrage over Justus de Harduwijn. Onder aan die bijdrage vind je nog enkele links naar de eerder geplaatste afleveringen. 

Onder het stof 6
Niek Verhaagen (Delft 1915-Turijn 1948)



Avondmaal

Hij heeft onhandig naar het brood gegrepen
en hield de beker te krampachtig vast.
Toen telde hij verstrooid de schaduwstrepen
der zilvren broodschaal op het wit damast.

Hij dacht er aan een kleine slok te nemen
omdat een grote hier toch ook niet past,
keek toen terzij naar mooie meisjesbenen
en dronk en zocht zijn zakdoek op de tast...

Zo zat hij bij U aan het avondmaal.
Hij zag het tafelkleed, het brood, de beker,
hij at, hij dronk, maar hij zag U voorbij.

En ik zat rechts van hem en schoof de schaal
hem haastig toe en keek, want ik was zeker
van een verwantschap tussen hem en mij.


Soms noemt iemand een dichter van wie ik niets gelezen heb, maar wiens naam mij nog bekend voorkomt. Andere dichters zijn zo ver weg gezakt in het stof van de tijd dat hun naam de naam van ieder ander had kunnen zijn; van een bakker in Dedemsvaart, een fietsenmaker in Andelst of een petroleumboer in Zaamslag. Niek Verhaagen - zijn naam leek al bij zijn leven niet in de hoofden van mensen te willen blijven hangen. Op zijn bundel De verboden vrucht (clandestien verschenen in 1943) staat op de voorkant de naam correct geschreven. Op het titelblad staat ‘Verhagen’, met slechts één ‘a’ dus.

Ook de redactie van het blad Het korenland kon de juiste spelling van de naam blijkbaar maar niet onthouden. In de laatste twee jaargangen (1937 en 1938) verschijnt vier keer een gedicht van hem, ondertekend met ‘Niek Verhagen’. In die jaargangen gaat het overigens ook zes keer goed en krijgt de dichter gewoon de dubbele ‘a’ in zijn naam.

‘Avondmaal’ is niet zo'n heel goed gedicht. Het is in de onvoltooid verleden tijd geschreven, behalve in regel 1. Een reden lijkt daar niet voor te zijn.

In de tweede strofe lijkt de verteller in het hoofd van de avondmaalganger te kunnen kijken en dus te weten waaraan hij denkt. Maar aan het eind van het gedicht blijkt dat de man juist alleen van buiten af wordt geobserveerd.

De derde strofe is waarschijnlijk de zwakste van het gedicht. Tafelkleed, brood, beker, drinken en eten worden nog eens herhaald en daarna komt het uitleggerige ‘maar hij zag U voorbij’, dat zo'n beetje alles doodslaat.

In de laatste strofe is er dan nog een aardige verspringing van de man aan de avondmaalstafel naar de ‘ik’, maar eigenlijk vind ik het slap dat de dichter die omweg nodig heeft, dat hij niet meteen de ‘ik’ introduceert en hem de beker krampachtig vast laat houden en naar de meisjesbenen laat kijken.

C. Rijnsdorp schrijft in In drie etappen dat de poëzie van Niek Verhaagen een klasse apart vormt, ‘niet zozeer om de kwaliteit als om de toon’ en die toon is ook de reden dat ik dit gedicht heb geciteerd.

In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse. Nog steeds wordt wel gesproken over het heilig avondmaal en in sommige kerken is het ronduit een zwaar onderwerp, maar Verhaagen toont ons een gewone man, die naar de schaduw op het witte kleed kijkt en naar zijn zakdoek zoekt. Niks sacraals, niks gewichtigs, niks eerbiedigs, niks beschroomds.

Het gedicht komt uit Verhaagens laatste bundel, Stukwerk (1946), en het zou kunnen zijn dat het in die tijd in het christelijke wereldje toch enigszins gedurfd was om op deze manier over het avondmaal te schrijven.

Verhaagen hield ervan om de kerk en het geloof terug te brengen tot het alledaagse. In dezelfde bundel schreef hij het volgende kwatrijn:


De verdoolde

Ik ben de kerk ontvlucht, want onze predikant
heeft naast zijn gouden ring geen spatter aan de hand.
Maar zie ik door de weeks zijn blonde dochter rijpen
dan neem ik mij weer voor hem beter te begrijpen.


‘Avondmaal’ is een deemoedig gedicht. De ‘ik’ voelt zich verwant met de man die wel het brood eet en de wijn drinkt, maar met zijn hoofd niet bij God is. In de laatste strofe zou men wat schuldgevoel kunnen lezen. Dat doet denken aan een gedicht in zijn debuutbundel, Kort traject (1939):


Gebed in de morgendienst

Heer, deze predikant die psalmen leest
is in de week ver van U weg geweest.
En wij, vanmorgen Uw verdwaalde schapen,
toonden wel ánders dan zo'n blatend beest...
Vergeef ons allen, Heer! maar mij het meest.


En in Stukwerk komt nog een uitdrukkelijke zelfbeschuldiging voor, in het sonnet ‘Kerstmis 1939’: ‘Niet Hitler, Stalin, Chamberlain, maar ik / heb Christus van dit werelddeel verdreven.’ Ik heb het gedicht enkele keren geciteerd gezien en wellicht is het een van de bekendere gedichten van Verhaagen geweest. In de verte doet het denken aan ‘'t En zijn de Joden niet Heer Jesu die u kruisten’ van Revius. Maar ik heb mijn twijfels bij Verhaagen. De vergelijking van de ‘ik’ met de groten der wereld is te grotesk, niet geloofwaardig. De dichter slaat zich net iets te hard vol schuldgevoel op de borst. Het lijkt allemaal zo deemoedig, maar de ‘ik’ plaatst zichzelf wel in het middelpunt en het vers begint wat te ronken.

Heeft dat met de oorlog als onderwerp te maken? Op zijn eerste en zijn laatste bundel na verscheen het hele werk van Verhaagen in de oorlog. De verboden vrucht in 1941, De Hollandse bruiloft in 1942, En zij zagen dat zij naakt waren nog een jaar later. Het waren clandestiene uitgaven. Blijkbaar heeft Verhaagen geweigerd zich aan te melden bij de Nederlandsche Kultuurkamer.

In het voorjaar van 1945 verscheen bij De Bezige Bij de bundel De laatste Adam, die Verhaagen publiceerde onder het pseudoniem Antonie Lems. Het zijn bepaald niet zijn beste gedichten. Verhaagen zet ze vaak behoorlijk vet aan: ‘Wanneer ik uitzie over stad en gracht / naar de verwoeste huizen, die nog roken, / weet ik mijn droom van gisteren gebroken / in de geweldsorgie van deze nacht [...]’.

Ook in deze bundel roept Verhaagen luid: ‘Ik ellendig mens’: ‘als [...] Gij Uw walging voor het mensenras / in bommen naar de aarde hebt gezonden, // waarom mij, even zondig, uitgezonderd / en laten leven tussen steen en as?...’

Het geronk van deze gedichten overstemt dat der bommenwerpers. Vooral als je weet dat Verhaagens stad in de oorlog gespaard is gebleven. Een gebombardeerde stad was blijkbaar een mooi dramatisch decor voor zijn gedichten.

Maar gelukkig heeft Verhaagen in veel andere gedichten, in andere bundels, een andere toon. Verscheidene gedichten drijven op een wat weemoedige ironie en hij moet ook uitgesproken hilarische verzen hebben geschreven. Ab Visser vertelt in ‘Klein mausoleum’ dat Verhaagen hem in dagen van verdriet opbeurde met cadeautjes, ‘verpakt in de allerzotste troostverzen’. En in een ‘in memoriam’ in het blad Ontmoeting schrijft Heeroma dat hij altijd met veel genoegen de gedichten en brieven van Verhaagen las. Een bezoek van of aan hem ‘kon daarentegen wel eens vervelend worden’. Ook Heeroma schrijft over Verhaagens humor: ‘De humor kon hem tot op zekere hoogte redden, maar hij slaagde er ook al weer niet in de humor zo te verdiepen dat deze de vormgeving van het hele leven en het hele dichterschap kon dragen.’
Deze foto stond bij de publicatie in Liter


Heeroma gold als mentor van veel jonge protestantse dichters. In zijn huis ontmoette Ab Visser voor het eerst Niek Verhaagen. ‘Hij was klein van stuk, aan de gezette kant en blond’, constateerde Visser.

Die eerste ontmoeting was in de mobilisatiewinter van 1939. Verhaagen schreef toen al een tijd. In 1934 of 1935 sloot hij zich aan bij de ‘Christelijk-letterkundige kring te Delft’. Heeroma leerde hem daar kennen. Hij zag hem spelen in Vondels Joseph in Dothan en Adam in ballingschap. ‘Zijn gestalte uit die tijd staat mij het duidelijkst voor ogen in de transformatie van de aartsengel Gabriël, iets te klein, maar zeer beminnelijk.’

Volgens Heeroma zorgde Verhaagens contact met een ‘Christelijk-idealistische jeugdgroep, de Christen Jongeren Bond,’ ervoor dat Verhaagen ‘een radicale, profetische levenshouding’ aannam. In de debuutbundel Kort traject (1939) wordt meteen duidelijk dat Verhaagen een christelijk dichter wil zijn. Bij vier van de eerste vijf gedichten verwijzen de titels nadrukkelijk naar de Bijbel: ‘Jozef bij het kruis’, ‘Het kerstkind’, ‘Als Mozes’ en ‘Als Petrus’ en ook in andere gedichten komt het geloof of het gebrek daaraan naar voren.

Maar er zijn ook gedichten die juist over dagelijkse werkelijkheid gaan, die veel concreter zijn en die naar mijn gevoel een persoonlijker toon hebben. De eerste strofe van ‘Ik ben een schrijver...’ luidt:

Ik ben een schrijver op een klein kantoor
van 's morgens acht, met één uur middageten,
tot 's avonds zes en schrijf aan één stuk door
en tel mijn broeken op kantoorkrukken versleten.


Misschien zit in zo'n gedicht de humor waar Heeroma op doelt, de humor die de dichter niet helemaal zou kunnen redden. Heeroma noemt het in verband met de spanning tussen het leven dat de dichter in werkelijkheid leidde en dat hij zou willen leiden.

Verhaagen trouwde in de oorlog en kreeg een baantje als ambtenaar, schrijver tweede klasse. In 1945 publiceerde hij de korte roman Zonruiter, schrijver tweede klasse, geschreven in december 1943-januari 1944. ‘Sympathiek, maar zwak’, oordeelde Ab Visser. Heeroma ziet in de roman het conflict terug in het leven van Verhaagen: de man die dichter wil zijn, maar zich moet onderwerpen aan de slavernij van het werk, die gefnuikt wordt door zijn huwelijk, zijn vaderschap. Het is comfortabel om werk te hebben, getrouwd te zijn, vader te zijn, maar de onvrede blijft, omdat hij weet dat hij niet doet wat hij werkelijk wil doen.

In Kort traject komt het dorre ambtenarenbestaan vaker terug. ‘Collega x en ex’ opent met:

Men zegt dat hij een dwaas is, want hij dicht,
terwijl hij toch moest werken voor een akte.
En zijn collega x - die nimmer zakte -
stijgt jaarlijks in salaris en gewicht.


In De verboden vrucht is er ook een gedicht over een kantoorbediende. Het begint met:

Ik heb verachting voor de folianten
en maak grimassen als de baas niet kijkt,
knoei in de lijsten die ik vergelijk
en kreuk geestdriftig rekening-couranten.


De man blijkt het baantje toch aan te houden, omdat hij verliefd is op de dochter van de baas. Zoals in het eerder geciteerde kwatrijn iemand in de kerk blijft komen omdat hij het prettig vindt om naar de blonde dochter van de dominee te kijken. In Zonruiter wordt de hoofdpersoon uiteindelijk ontslagen omdat hij onder werktijd wordt betrapt als hij scharrelt met een vrouwelijke collega.

Verhaagen heeft zijn ambtenarenbaantje uiteindelijk opgegeven om van de pen te gaan leven. Maar er moet wel brood op de plank komen en daarom werd hij journalist. ‘Schrijver zoveelste klasse in een krant’, volgens Heeroma. Het lijkt erop dat Verhaagen er niet echt mee opgeschoten is. Het nieuwe baantje vergde nog meer tijd van hem dan het oude, weet Ab Visser.

In ‘Avondmaal’ glimmen onder de tafel de meisjesbenen. Verhaagen liet de erotiek in zijn gedichten toe, wat misschien in die tijd en in die kring toch bijzonder was. In de bundels De verboden vrucht en En zij zagen dat zij naakt waren ontloopt hij het beschrijven van de lichamelijke liefde niet. Niet altijd even geslaagd, niet altijd even subtiel: ‘Dan, onverwacht, strek ik mijn handen uit / en maak haar boezem, stevig bolwerk, buit.’ Maar er zijn gedichten bij die langer blijven hangen, niet briljant, maar op zijn minst heel aardig.

Abisag bij David [I]

Omdat geen kleed hem warmen kon, moet ik
nu bij hem liggen, maar ik vrees zijn handen
die koud als marmer aan mijn borsten branden
en die mijn hals betasten tot ik stik.

De aderen zijn rozerood en dik
en als hij mij omknelt, dan gruw ik van de
bijtende haren en de zwarte tanden
en van zijn grondeloze, harde blik.

Soms bid ik vurig: Here, laat hem sterven!
Ik wil niet bij hem slapen, ik wil niet
dat hij mijn jonge lichaam zal bederven.

Maar God vergeet mij en een rillend riet,
zo lig ik in zijn armen, die mij kérven,
mij weerloos schaap, dat men hem slachten liet.


Goed, dat ‘koud als marmer’ is een cliché en David wordt wel erg afschrikwekkend gemaakt met die ‘bijtende’ haren en dat zwarte gebit en ook dat ‘kerven’, met een accent, is overdreven, maar het gegeven uit de Bijbel wordt wel op een originele manier behandeld.

In het tweede gedicht in de cyclus is David in het begin nog steeds onaantrekkelijk, maar aan het eind van het gedicht is hij mild en begripvol:

Mijn boezem is Hachíla, mijn gezicht
Gilboa - daar is Jonathan gestorven...
Ach! drukt hij daarom steeds mijn ógen dicht?


Verhaagen is niet oud geworden. Ab Visser vertelt dat hij al eerder verkondigde dat hij de veertig niet zou halen en dat Visser dat aanstellerig vond klinken voor iemand die lichamelijk niets leek te mankeren. In 1948 ging Verhaagen op vakantie bij vrienden in Turijn. Hij werd getroffen door een hersenbloeding en overleed. De krant waarvoor hij schreef meldde in een ‘kort bericht’ dat ‘de journalist N. Verhaagen’ was overleden. Laten wij niet de journalist, maar de dichter gedenken. Al is het maar voor even.

maandag 8 juni 2026

Los (Merel Bem)



'Anja van Dijk, 52 jaar, een magere vrouw vrouw met halflang, grijzend piekhaar, een smal gezicht met een lange neus en zeehondengrijze ogen achter een randloze bril.' Zo wordt de hoofdpersoon beschreven van de roman Los, van Merel Bem

In het leven van Anja is aardig wat veranderd: haar kat Simon is verdwenen, haar man Jarno heeft na vierentwintig jaar zijn biezen gepakt en haar moeder is overleden. Anja schrijft zich in voor een groepswandeling, die ook wel een wandelcursus of een wandelworkshop wordt genoemd. Ze zullen gaan wandelen in Bretagne. In de flyer leest ze:
Tijdens de groepsreis ZelfBewust Wandelen & Communicatie (zbwc) ontdek je hoe het is om écht te wandelen in BewustZijn. Met aandacht voor je lichaam, je omgeving, het moment & de mensen die tijdelijk met je meebewegen. Los van dwang. Los van ruis. (...) 
Ben jij iets van jezelf verloren onderweg? Wil jij loskomen van oude patronen en stevig in je eigen kracht gaan staan? Dan is deze wandelworkshop voor jou! gun jezelf dit. Zet die stap. Laat los & word heel.

Madeliefjes

Daar verwijst dus de titel naar, maar de vraag is wat Anja eigenlijk los moet laten. Ze heeft ook behoefte aan vastheid. Niet voor niets gelooft ze in madeliefjes, waarvan iemand anders zegt:
Ik snap wel dat je daarin gelooft. Ze groeien hier gewoon óp de stenen, dat je denkt: hóé dan, joh?

Die madeliefjes staan ook prominent op de cover de roman. 

Los begint met een proloog, waarin Anja net de groep wandelaars verlaten heeft. Blijkbaar is de spanning hoog opgelopen. 

Ze voelde de verbaasde blikken van de anderen in haar rug, maar het was al te laat, daar ging ze, het was hun eigen schuld. Hadden ze haar maar niet de hele tijd over het hoofd moeten zien. 

Kleurloos

Anja is een vrij kleurloze figuur, die de hele tijd over het hoofd wordt gezien. Dat lijkt ze niet erg te vinden. 
Door de jaren heen was Anja gewend geraakt aan haar onzichtbaarheid, waardoor ze soms eenzaam was, maar vaker nog - ze schaamde zich er bijna voor - comfortabel en vreemd bevoorrecht. Niet bekeken worden was zo lekker rustig. 
Maar nu lijkt ze toch de groep te willen straffen voor het feit dat ze haar weer niet opmerken ('hun eigen schuld'). Dat lijkt niet helemaal met elkaar te kloppen. 

Moeder

Van tijd tot tijd verschijnt haar moeder (Gerjanne Carola van Dijk-Hendriks) haar om de daden van haar dochter te becommentariëren, zoals moeder steeds gedaan heeft. Ze hield van aanpakken. Zo heeft zij ook min of meer de aanzet gegeven tot de relatie tussen Anja en Jarno. 

De vraag is of Anja zo ver komt dat zonder haar reeds overleden moeder kan. Het op één na laatste hoofdstuk bestaat maar uit een enkel woord: 'Mam?'. 

In Los beschrijft Merel Bem hoe het Anja vergaat in de wandelgroep. Er zijn heel wat andere groepsleden en ze worden allemaal min of meer als een karikatuur beschreven. Het zijn wonderlijke figuren die vaak teruggebracht worden tot een enkele eigenschap. Anja beziet ze van een afstandje, zoals ze gewend is. 

De enigen die dichter bij haar komen zijn de oudere vrouw Arwen, met wie Anja een kamer deelt en de jongere man Hassan. 

Ironie

Bem heeft vooral geprobeerd het boek luchtig te houden en dat is goed gelukt. Het is met veel ironie geschreven, vlot verteld en op montere toon. Hierbij moest ik denken aan het vroege werk van Renate Dorrestein. 

Maar ironie schept ook afstand en ik kan me maar niet aan de indruk onttrekken dat de auteur haar hoofdpersonage eigenlijk niet serieus neemt en haar ook maar een wonderlijk figuur vindt. Daardoor blijf je als lezer ook op afstand van Anja. Die heeft zeker ook iets tragisch, maar die tragiek bereikt je niet, doordat die steeds geïroniseerd wordt. Dat ging me tijdens het lezen wat tegenstaan. 

Door de proloog weet je dat het uiteindelijk op een confrontatie moet uitlopen, maar tot die tijd kabbelt het allemaal een beetje door. Onderhoudend, zeker, maar misschien vind ik dat toch te weinig. En als het dan toch zover komt dat Anja het zat is en voor de groep uit gaat lopen, verbaast het meer dan dat ik wel snap dat ze het zat is. 

Enige dramatiek

Dat het erop aankomt en dat er echt iets moet gebeuren, wordt wel duidelijk in de slotscène, waarin wel enige dramatiek zit. De vaardigheid om dat wat extra aan te zetten, bezit Bem wel. Maar ook in deze passage neem ik Anja toch maar half serieus en kijk ik van een afstandje toe. 

Het lijkt wel of de auteur in het boek ook de hele tijd op afstand is gebleven. Of ze haar personages niet serieus neemt en dus ook de problematiek op een afstand houdt. Aan de ene kant is het verfrissend dat dit niet de zoveelste navelstaarderige roman is van een auteur die nog dingen uit haar eigen verleden moet verwerken en daar een roman voor gebruikt, maar aan de andere kant wil ik ook wel weten waarom nu juist dit verhaal geschreven moest worden, wat dit nu met de auteur te maken heeft. 

Misschien heeft Bem als auteur toch net een te veilige positie ingenomen. Eigenlijk is ze, net als Anja, in deze roman onzichtbaar en dat vindt ze misschien wel comfortabel. Maar het gevolg is wel dat we haar over het hoofd zien, het boek dichtslaan en verder gaan zonder nog aan haar of haar personage te denken. 

vrijdag 5 juni 2026

Afgestoft: Justus de Harduwijn

Ooit verzorgde ik in Liter een soort vaste rubriek: 'Onder het stof', waarin ik aandacht besteedde aan dichters die min of meer vergeten waren. Enkele afleveringen van die rubriek heb ik al eerder afgestoft. De links vind je onderaan. 

De rubriek heeft niet heel lang bestaan: zes afleveringen lang. Vandaag stof ik er eentje af. Na deze zal ik nog die over Niek Verhaagen en die over Martien Beversluis plaatsen.

Ik mocht de stukken vrij losjes schrijven, al heb ik nooit zomaar wat over de dichters beweerd. Wel had ik mijn bronnen explicieter kunnen maken, denk ik nu. Blijkbaar vond ik dat toen niet zo belangrijk (en de redactie ook niet) en waarschijnlijk hoopte ik alleen maar dat anderen het werk van de vergeten dichters zouden gaan lezen. 

Terwijl ik dit typ, vraag ik me af of dat wel klopt. Toen ik het werk van deze dichters ging herlezen bleef er bij sommigen toch weinig over. Ze waren niet voor niets vergeten. Maar dat was niet het geval bij de eerste in de reeks, Justus de Harduwijn. Het stukje stond in  Liter nr. 37, jaargang 8 (2005). De bundel van De Harduwijn staat in zijn geheel op DBNL.


Een groot deel van onze literatuurgeschiedenis bestaat uit namen. Sommige namen kent bijna iedereen, maar dat wil niet zeggen dat het werk van deze schrijvers ook gelezen wordt. Wie leest nog de sonnetten van Kloos? Wie heeft een bundel Vondel op zijn nachtkastje liggen? Wie kan drie gedichten van Bilderdijk reciteren? Hun werk is vindbaar, maar het wordt nog maar weinig gelezen.

Er zijn dichters die intussen zover onder het stof terechtgekomen zijn, dat zelfs hun namen door velen vergeten zijn. Justus de Harduwijn, Joannes Reddingius, H.W.J.M. Keuls, bijvoorbeeld. Van enkele van die dichters wil ik in deze rubriek het stof af blazen.

Sonnet V

't En is de blondheid niet van uw gestruiveld haar,
't en is uw voorhoofd niet zo matig opgerezen,
't en is uw windbrauw niet, noch uwen mond geprezen,
en vieriglijk aanbeên van zo menig minnaar;

't en zijn uw lipkens niet, die elkeneen voorwaar
wonden als 't hen gelieft, en wederom genezen;
't en zijn uw deugden niet, noch uw bevallig wezen,
noch het toov'rig gelaat dat in u schijnt eenpaar;

't en zijn uw wangen niet, met purperrood begoten;
't en zijn die perels niet, in uwen mond gesloten;
't en is uw tale niet, nochtans als heunig zoet;

maar 'tgene dat mijn jeugd als een blad komt verdrogen,
en jongjarig hert van binnen branden doet,
en is anderszins niet, dan 't raaisel uwer ogen.

Justus de Harduwijn


Eind jaren tachtig fietste ik dagelijks naar en van mijn werk, twee keer een uur. Ik kortte de tijd met lezen tijdens het fietsen. Het is even wennen, maar als je de witte streep van het fietspad onder de punt van je boek door laat glijden, is het te doen. Tijdens die fietstochten las ik veel poëzie; korte zinnen, waarvan je nog eens kunt opkijken. Een van de dichters die ik toen las, was Justus de Harduwijn, die toen al driehonderdvijftig jaar dood was, maar al die jaren vielen weg en zijn stem klonk nog glashelder.  

Justus de Harduwijn werd geboren op 11 april 1582 in Gent, in een intellectuele en kunstzinnige omgeving. Zo was zijn vader (François) bevriend met een van de eerste renaissancedichters uit onze literatuurgeschiedenis, jonker Jan van der Noot. Justus erfde van een oom een rijke bibliotheek, en een andere oom (Maximiliaan de Vriendt) stimuleerde hem en wees hem de weg naar het humanisme. De Vriendt liet hem onder anderen Petrarca lezen en Justus' vader bracht hem op de hoogte van de nieuwe poëziestromingen in Frankrijk (de Pleiadedichters).

Met de elite van de jeugd werd Justus onderwezen door de jezuïeten. In 1600 ging hij naar Leuven om daar de beide rechten te gaan studeren.

In 1607 werd De Harduwijn tot priester gewijd en aan het eind van dat jaar werd hij benoemd tot pastoor van Oudegem en Mespelaar (bij Dendermonde). In 1613 verscheen anoniem zijn eerste bundel: De weerliicke (wereldlijke) Liefden tot Roose-Mond. De gedichten waren waarschijnlijk al een decennium eerder geschreven, maar De Harduwijn had ze tot die tijd niet uit willen geven. De hoogleraar Erycius Puteanus, factor van de rederijkerskamer in Aalst, was ervan overtuigd dat de gedichten van De Harduwijn belangwekkend waren en samen met enkele literaire vrienden van de dichter, kreeg hij hem zover dat hij zijn poëzie uit handen gaf.
             
   
De weerliicke Liefden tot Roosemond
bestaat uit een krans van vijftig sonnetten met daar tussendoor enkele liedjes, oden en elegieën gevlochten. De bundel toont ons de opbloei en het verbloeien van een liefde. Het is de eerste bundel in het Nederlands die op die manier gecomponeerd is.

Wie het bovenstaande gedicht leest, merkt dat De Harduwijns gedicht nog niet in zuivere jamben is geschreven, maar hij hanteert het metrum al veel soepeler dan bijvoorbeeld Van der Noot. In navolging van Petrarca benoemt hij allerlei schone onderdelen van zijn geliefde Rozemond, waarbij vooral het hoofd uitgebreid aandacht krijgt: haar, voorhoofd, wenkbrauw, mond, wangen, tanden. Het mooie is dat De Harduwijn al deze schoonheden noemt, maar ze aan het eind van het gedicht weer relativeert. Al die dingen vallen in het niet bij ‘het raaisel uwer ogen’.

Het stralen van Rozemonds ogen maakt zo'n indruk op de dichter dat de rest erbij verbleekt.

In het sonnet ervoor had hij nog geschreven hoe juist het haar, de tanden, de lippen enzovoort hem duizendmaal per dag deden ‘hersterven en herleven’:

O blond-gestruiveld haar! Haar dat de zon beraait,
dat mijn jongjarig hert houdt zo strange bevangen!
O tanden van ivoor! O sneeuwwittige wangen,
die 't pinseel van Apell' met purper heeft verfraaid!
[...]

Rozemonds ogen moeten iets bijzonders geweest zijn. Maar liefst zesenzestig maal noemt De Harduwijn ze in zijn gedichten. Maar ze laten slechts zijn jeugd verdrogen en zijn hart branden, want blijkbaar moet Rozemond niet veel van de dichter hebben. In een ‘klachtdicht’ schrijft De Harduwijn dan ook ‘Schoonheid zeer zoet in 't oog, bitter nochtans in 't hart.’ Zijn aanbedene zal het geschenk dat hij haar met nieuwjaar aanbood, dan ook niet aangenomen hebben:

Heden, als elk zijn lief met giften gaat vereren,
schenk ik u voor nieuwjaar mijn herte, Rozemond.
(Sonnet XLI)


Velen, vooral uit de omgeving van Harduwijn, hebben gesuggereerd dat het hele Rozemondverhaal maar een literair spel is, misschien om de priester De Harduwijn uit de wind te houden. Het zou liefde zonder liefde zijn, amor sine amor. Ik geloof er niets van. Het hart van de dichter klopt er voor mij nog zo duidelijk hoorbaar in, dat niemand mij wijsmaakt dat het maar papier is, dat het maar letters zijn. Voor mij is het allemaal waar, of het nu echt gebeurd is of niet.

Met de Rozemondbundel liep het bijna even triest af als met de liefde van de dichter. Even als later Luyken zou doen, herriep De Harduwijn zijn bundel, nam exemplaren in en vernietigde ze. Hij nam uitdrukkelijk afstand van zijn ‘Venus gejanksel’. Daarna zou hij nog alleen geestelijke poëzie schrijven (die trouwens ook van hoog niveau zou zijn). Lange tijd waren daardoor de liefdesgedichten onvindbaar. In de zevendelige literatuurgeschiedenis van G. Kalff, waarvan het laatste deel in 1912 verscheen, wordt De Harduwijn niet eens genoemd. Pas in 1913 dook het tot nu toe enige bekende exemplaar van het Rozemondbundeltje op. Nog in 1972 volgde een tweede druk van een heruitgave en Komrij gunde De Harduwijn in zijn bloemlezing acht gedichten, waarvan zeven uit Rozemond. Het heeft niet geholpen, vrees ik.

Eerder plaatste ik hier de afleveringen over:



donderdag 4 juni 2026

Bardo deel 3 (Rege) en deel 4 (Bardo) (Odija / Stefaniec)




Al eerder schreef ik over de twee eerste delen van het vierluik Bardo (zie links onderaan). Nu zijn deel drie, Rege, en deel 4, Bardo, samen in een band verschenen. 

Voordat het verhaal begint, maken we kennis met Dan Rattus en Ratt Stef (die staan voor de makers, Daniel Odija en Wojciech Stefaniec). Zo trekken de auteurs zichzelf het verhaal in, worden ze deelnemers. 

Genesis

Het verhaal in deel 3 opent met een soort Genesis. Het begint met een boom, die doet denken aan de mythische levensboom Yggdrasil. Er komt een schimmel die alles aanvreet en de hoop is gevestigd op de koning Bardo, maar de koning is moe en stuurt zijn zoon eropuit. Die strijdt 'vele eeuwen'. 

Het feit dat iemand vele eeuwen kan strijden laat al zien dat we hier te maken hebben met een mythisch verhaal. En een vader die zijn zoon op missie stuurt, dat zou een knipoog kunnen zijn naar de komst van Jezus op de aarde. De missie van de prins slaagt half, zou je kunnen zeggen. Hij verslaat de schimmel, maar dat zaait dood en verderf en als hij terugkomt, is zijn vader overleden. 

Daarmee is het verhaal over de schimmel en over de strijd ertegen, een soort religieuze verklaring voor de wording van Bardo en voor de herkomst van het kwaad. In deze wereld speelt het verhaal zich af. 

In de vorige twee delen leerden we Stolp kennen, op zoek naar een kind en zijn verdwenen vrouw Rita. Zijn metgezel is een kameleon met bijzondere gaven, Loens, die hij opgehaald had bij Rege. Maar Stolp loopt tegen zijn eigen grenzen aan en intussen gaan de ontwikkelingen in Bardo door. 

Vuile handen

Het is een duistere wereld, waarin gelukkig af en toe iets opgehelderd wordt. Zo leren we Rita kennen met haar 'emotionele sculpturen'. En we komen er ook achter waardoor de zoektocht van Stolp is ingegeven. Uiteindelijk kan hij het kwaad niet buiten zich houden. Om zijn doel te bereiken moet hij vuile handen maken. 

Bardo is een aangetaste wereld. Stolp lijkt een goede kern te hebben en daarom kun je ook zo lang met hem meeleven. Uiteindelijk wordt ook hij aangeraakt door het kwaad. Principes blijken voor hem minder belangrijk dan het bereiken van zijn doel.

Bardo valt uit elkaar. De mad scientist, doctor Maind, heeft zo zijn eigen agenda en het is de vraag of Stolp tegen hem op kan. 

Net als de vorige twee delen zijn Rege en Bardo twee delen die je bij tijd en wijle naar adem laten happen. Sommige passages weerspiegelen de roes die de werkelijkheid draaglijk moet maken of misschien laten ze het onwerkelijke van het leven zelf zien. De vrijheid waarmee die getekend zijn, is geweldig. Ik hou van het experiment dat scenarist en tekenaar telkens weer aangaan. 

De wereld is niet meer rationeel te begrijpen en ook van de lezer wordt gevraagd niet alles te beredeneren, maar het verhaal maar over zich heen te laten komen, in de hoop dat je op tijd door kunt ademen. 

Gelaagd

De tekeningen zijn gelaagd en zo zijn ze ook ingekleurd, met kleur over kleur, waardoor ze vaak massief ogen. Soms zijn de kleuren uitbundig en maken ze het geluid van een schetterende trompet, soms zijn ze meer ingehouden, maar ook dan voel je kracht die erin zindert. 

Is er in deze koude wereld nog ruimte voor de warmte? Je blijft het hopen. In de duisternis klamp je je aan elk lichtpuntje vast. Of is Bardo uiteindelijk al verloren? Is Stolps zoektocht zinloos? 

Om daarachter te komen zul je het boek moeten lezen. 

Net als indertijd bij het expressionisme gaat Bardo ver voorbij categorieën als mooi en lelijk. Bardo wil een kern raken, maar maakt in zijn troebelheid ook niet meteen duidelijk wat die kern dan is. Dat lijkt me een kwaliteit. Bij Bardo gaat het niet om de antwoorden, maar om de vragen die in je blijven woelen en die ervoor blijven zorgen dat je maar in dit boek blijft bladeren, waarbij je aan de ene kant de verontrusting maar niet kwijtraakt en aan de andere kant geniet van de vrijheid die de makers zich veroorloven. 

Eerder schreef ik over:

woensdag 3 juni 2026

Speldjes, sleutelhangers, stickers

Weer wat jeugdherinneringen, uit een dagboek. Ik schreef dit op 17 september 2023. 

Net als de andere stukjes is ook dit stukje rommelig qua opzet. Het gaat over enkele rages uit mijn jeugd (speldjes, sleutelhangers, stickers) en ik neem je mee naar het huis van mijn vriendje Gerard Zwijnen, die wij ook wel Joekie Bil noemden, al weet ik niet meer waarom. 

Andere verzamelrages komen niet in dit stukje terug. Mogelijk heb ik daar elders over geschreven. Bijvoorbeeld over de voetbalmunten die we bij de benzine kregen en de schelpen. De voetbalmunten had ik compleet, maar ik weet niet waar ze gebleven zijn. Ik heb ze niet meer. 


Huis van de familie Zwijnen, aan de dijk in Andelst
   

Als ik nog maar heel klein ben, is er een rage: speldjes. Je krijgt ze bij de boodschappen. Wij hebben er ook wel een stelletje. Die prikken we in het behang. We sparen ze niet echt. Er zijn mensen die hebben een groot stuk schuimrubber, bijvoorbeeld in de vorm van een hart en daarop prikken ze de speldjes, soort bij soort.

Als ik iets ouder ben (klas 4 of 5 van de lagere school?) is er een nieuwe rage: sleutelhangers. Bij bijna elk product kun je een sleutelhanger krijgen, vaak in de vorm van dat product: een pak koekjes, een fles afwasmiddel, een stuk zeep, een zakje soep, een fles slasaus.

Bij mijn vriendje Gerard hebben ze er heel veel. Ik heb het idee dat zijn moeder juist die boodschappen bestelt waarbij je sleutelhangers krijgt. Ik kijk mijn ogen uit als ik bij hen in de huiskamer kom: langs de wand hangen lange slingers van sleutelhangers. Er is trouwens veel te zien in de huiskamer: vrouw Zwijnen houdt van prulletjes.

Verder doet ze niet zoveel in huis. Meestal zit ze te haken en je kunt altijd bij haar gaan zitten kletsen. Koken doet haar man, Wim Zwijnen. Ik eet daar nooit mee, maar in de keuken ruikt het altijd naar gekookte aardappels.

De familie Zwijnen woont in een huis dat tegen de dijk aan staat. Overal zijn trappen. Meestal ga ik achterom. Als het water van de Waal erg hoog staat, kan dat bijna niet. Het hele erf loopt dan onder en soms komt het ook in het achterhuis.

Er is een hokje voor geiten of varkens, maar daar zit bijna nooit wat in. Misschien staat het konijnenhok in dat varkenshok. Gerard moet altijd ‘kettingpollen’ voor de konijnen verzamelen. Dat woord ken ik helemaal niet. Volgens mij is het gewoon het blad van de paardenbloem.

Hij heeft wel meer dingen waar ik mijn bedenkingen bij heb. Zo mag hij niet dicht bij het water komen. Daarin zit de oude Jood, hebben zijn ouders verteld en die trekt hem het water in. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Het lijkt mij onzin.

Achter het huis bij Gerard is een brede sloot, een soort strang. In de zomer staat het water soms heel laag en valt het strangetje gedeeltelijk droog. Dan bestaat het voor een deel uit modder. We zien een keer een oude schoen half in de modder. ‘Een schoen van de oude Jood,’ zegt Gerard. Zegt hij dat als grapje? Ik kan me niet voorstellen dat hij het meent en zeg maar niks.

Als je het hokje voorbij bent, kom je op de vrij kleine deel. Daar staat veel rommel. Er is eigenlijk alleen een paadje waarop je kunt lopen. Op die deel wordt wel hout gehakt. Vader Zwijnen hakt hele smalle houtjes om de kachel aan te maken. Wij doen dat met turf.

En Roel en Joekie (zoals we Gerard vaak noemen) sleutelen er wel aan brommers en fietsen. In de hoek van de deel staat een hokje met de wc, net als bij ons.

Je gaat rechtsaf, richting het voorhuis, een paar treden omhoog. Dan kom je weer bij een deelachtige ruimte. Rechtsaf is de keuken. Die is heel donker en vrij nauw. Er staat een tafel met stoelen in, waar je maar net omheen kunt lopen, en er is een aanrecht en een gootsteen. Door het raam erboven kijk je uit op de uiterwaarden Er staat ergens een radio, die vaak aan staat. Op Radio Veronica. En in de hoek staat natuurlijk een kachel.

Weer terug naar het kleine deeltje. Met een stenen trap van een trede of vijf kom je op dijkhoogte. Links zie je de voordeur, rechts is de deur van de kamer, recht voor je de slaapkamer van Gerards ouders en de trap naar boven. Daar zijn de slaapkamers van de kinderen. Achter je rug is er een zolder waar we wel eens wat rommelen. Het is een soort opslagruimte. Je kunt er vanaf de dijk in en dan is het eigenlijk gewoon een schuurtje.

Maar goed, in die kamer hangen dus al die sleutelhangers. Wij hebben ze ook. Niet zoveel als bij Zwijnen, maar wel aardig wat. Ik vind de poppetjes het mooist. Bij de jam krijg je popjes uit de Flipjeverhalen: Flipje zelf, juffrouw Schaap, Bertje big, Jasper aap en die oude ram in zijn zeemanspak. 

We hebben veel meer poppetjes: Swiebertje en Bromsnor, de rattenvanger van Hamelen, Pipo en de Dikke Deur, smurfen. Als je er hard aan trekt, kun je ze uit elkaar trekken, maar dan zijn ze wel kapot. Dat doe ik wel eens.

Als ik nog iets ouder ben, zijn er stickers. Die krijg je trouwens meestal niet bij de boodschappen, maar allerlei zaken hebben ze. Mijn vader krijgt ze bij het tanken. In Slijk-Ewijk is er een tankstation bij een man die Tineke Paul heet. Die heeft op de lagere school bij mijn vader in de klas gezeten. Hij heeft een bult achter in zijn nek. Tineke is een rare naam voor een man, maar hij blijkt Martien te heten. Martineke, dus. Als we het vragen, krijgen we stickers met FINA erop, het benzinemerk dat hij verkoopt.

Bij Esso krijg je dierenstickers. Die kun je verzamelen. We hebben er wel een paar. Op eentje staan twee zwemmende ijsberen. Maar mijn vader tankt bijna nooit bij Esso, dus we sparen ze niet. Er zijn albums waar je de stickers in kunt plakken, maar ik ken niemand die zo’n album heeft.

Mijn vader tankt meestal Shell, bij Latta, aan de Waalstraat in Andelst. Daar hebben ze stickers van raketten, de Apollo’s. Ik heb een grote poster waar ik ze op kan plakken. In juli 1969 is er voor het eerst een Amerikaanse raket op de maan geland. Daarmee waren ze de Russen mooi te snel af.

Wij moeten op school een werkstuk maken over Apollo 11. Gelukkig heeft mijn oma een krant, anders zou ik niet weten hoe ik dat zou moeten doen. Ik hou ook niet zo heel erg van werkstukken maken.

Maar goed, ik knip wat artikelen uit de krant en schrijf daar wat bij. Ik haal ergens (waar?) twee blaadjes blauw papier vandaan, die de kaft kunnen vormen. Daarna knip ik gaatjes in alle blaadjes, met de grijze perforator van mijn vader. Die heeft hij altijd bij zijn boekhoudspullen liggen. Als je de onderkant openmaakt, heb je confetti. 


Door de gaatjes doe ik een draadje wol en dan heb ik een boekje. Als ik er een cijfer voor gekregen heb, zal het wel voldoende zijn geweest, maar niet zoveel meer.

Mijn vader moet geregeld tanken en uiteindelijk heb ik de hele poster vol met stickers. Die van de Apollo 11, met de adelaar is het mooist, maar de sticker met de drie paarden met lange manen mag er ook zijn. Ik plak de poster boven mijn bed.

Mensen plakken overal stickers op. Bij BP zijn er stickers van smurfen en die zie je veel op de achterruit van auto’s: ‘Als u dit kunt lezen, smurft u te dichtbij.’ Die stickers blijven nog wel een tijdje, ook als ik al op de middelbare school zal zitten. Maar daar heb ik het nu niet over.

Er is nog meer om te verzamelen. Mijn moeder heeft onderzetters van Rick de Kikker. Ze zijn van plastic in allerlei vrolijke kleuren. In het midden een afbeelding van Rick. Op eentje zit hij op een schildpad, op een andere zit hij te vissen. Ik heb een plat plastic poppetje van Rick met een voetbal. Het kan blijven staan.  

Ik heb meer van die platte poppetjes. In sommige zit schuimrubber, zodat ze zacht aanvoelen. Ze kunnen niet allemaal blijven staan. Ik heb bijvoorbeeld Lucky Luke en Batman. Ik neem ze mee naar school. Als ik in de hoogste klas zit, schrijven we al niet meer met pen en inkt, maar de schoolbanken hebben nog wel inktpotjes. Daar kun je de figuurtjes in zetten.

Mijn moeder heeft ook glazen, van Bolletje. Daarop staan een soort cartoons met de tekst ‘Ik wil Bolletje!’, bijvoorbeeld van een jongetje dat staat te springen op de buik van zijn vader, die nog in bed ligt. Hij roept ‘Ik wil Bolletje!’