woensdag 17 juni 2026

Een diepzwart, glimmend bord

Uit mijn dagboeken pluk ik meestal zomaar een gedeelte. Dat maakt het allemaal nogal hapsnap, maar als ik wel alles keurig in volgorde zou publiceren, zou dat niet zoveel anders zijn. En er zitten ook gedeelten tussen die voor hier helemaal niet interessant zijn. 

Onder de titel De bovenste regel heeft ook geld gekost plaatste ik herinneringen aan mijn lagere school. Daar ga ik nu mee verder. Wat hieronder staat, schreef ik op vrijdag 28 juli 2023. De komende weken zal ik doorgaan met herinneringen aan school. Weinig gestructureerd, zonder enig plan. 

Meestal schreef ik gewoon op wat er op dat moment bij me opkwam en als mijn gedachten op een zijpad belandden, volgde ik ze toch maar als ik dat interessant genoeg vond. De stukjes waren eigenlijk ook niet bedoeld voor publicatie: ik schreef ze voor mijn kleinkind, om het te laten zien uit wat voor wereld ik kom. Ik schreef ook over de wereld waarin het kind terechtkomt, aan de hand van de actualiteit, maar die gedeelten laat ik achterwege. 

Over het algemeen verander ik weinig tot niets aan wat ik een paar jaar geleden schreef. Soms verduidelijk ik iets, een doodenkele keer laat ik een zin weg, meestal als het om personen gaat wier nabestaanden zo'n zin onprettig zouden vinden. Voor het grootste gedeelte is het toch knippen en plakken. 




Terug naar de school, waar ik mijn schoolloopbaan dus in het derde lokaal begin. Naast de gang, de wc’s, het kolenhok en de vier lokalen, zijn er geen ruimtes in de school. Boven de lokalen is een puntdak. Er zal dus een zolder zijn, maar ik weet niet hoe je daar komt. Gaat er in het kolenhok een trap naar de zolder? Ook bij de verhuizing van de school, als ik in de zesde zit, kom ik niet op de zolder, voor zover ik mij herinner.

Na die verhuizing krijgt het hoofd van de school een eigen kamer. Dat vinden we overdreven. Postma heeft het blijkbaar hoog in de bol. In de oude school is er geen directeurskamer. Er is ook geen keuken. Als het bijna pauze is, zet juffrouw De Graaf de waterkoker aan. Drinken de onderwijzers en onderwijzeressen oploskoffie? Ik weet het niet.

In de pauze spelen we buiten. Het achterste gedeelte van het plein is voor de grote jongens. Die voetballen daar. Het zijn in mijn ogen bijna volwassen mannen, als ik in de eerste klas zit. We doen de gewone spelletjes: tikkertje, voetje van de vloer, stringvangertje. 'String' zal wel dialect zijn voor 'streng'. Twee kinderen zijn ‘hem’. Ze lopen hand in hand en proberen iemand te tikken. Als dat gelukt is, komt die tussen hen in. De streng wordt dus steeds langer, zodat het voor de niet-getikten steeds moeilijker is om te ontkomen.

De meisjes kaatseballen tegen de muur van de school. Er wordt niet geknikkerd. Als mijn broer en zus van school af gaan naar de reformatorische school, komen ze op een school waar wel geknikkerd wordt.

In de zomer hebben veel jongens stukjes spiegelglas bij zich, waarin ze het zonlicht vangen. Ze laten het schijnen op de meisjes die bij de muur in de schaduw staan. De meisjes doen ook wel aan touwtjespringen. Soms hebben ze een eigen springtouw, maar vaak ook is er een lang springtouw. Dan kun je met een hele groep tegelijk springen. Het is echt iets voor meiden, al doen jongens ook wel eens mee. Ik ben er niet goed in. Ik weet nooit wanneer je nu in moet springen.

We doen ook wel een soort riddergevechten. Twee jongens zitten op de rug bij twee andere jongens. De onderste zijn dus de paarden, de bovenste de ridders. Je probeert de andere ridder van het paard te werpen of ervoor te zorgen dat het paard door zijn hoeven zakt. Ik doe het als paard vrij goed. Blijkbaar sta ik stevig op mijn benen.

In de winter maken we glijbanen. Er zijn er dan verschillende op het plein. Ze eindigen allemaal bij de betonnen rand waar de omheining op staat.

Het plein is ook de plek voor de gymlessen; een sportveld of een gymzaal is er niet. We moeten oefeningen doen. Vuisten tegen elkaar voor de borst, ellebogen omhoog en dan die ellebogen naar achteren bewegen. En met je benen iets uit elkaar je bukken en proberen je voeten aan te raken. Je benen moeten gestrekt blijven. Dat lukt mij nooit. Maar we doen ook wel spelachtige dingen, zoals korfbal, slagbal en trefbal. Dat laatste is mijn lievelingsspel. Gooien met een bal kan ik niet goed, maar de bal ontwijken gaat me meestal behoorlijk af. Het is mooi als je een van de laatsten bent die ‘afgegooid’ wordt.

Aan de achterkant van het plein is de omheining twee keer zo hoog. Toch gaat er wel eens een bal overheen. Dan moet je snel door het hek naar de tuin van de buren rennen. Die wonen in een duplexwoning en boven woont Gerrie Stoffelen. Die heeft wel eens een bal lekgestoken. Ik heb het nooit gezien, maar het verhaal wordt vaak genoeg verteld.

In de lagere klassen doen we ook wel kringspelletjes als ‘de zevensprong’, ‘Joepiejoepie is gekomen’ en ook ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’, ‘Schipper mag ik overvaren?’ en waarschijnlijk nog wel meer.

Bij slecht weer of in de winter lopen we voor het gymmen naar het CVC-gebouw: we lopen de Schoolstraat uit en gaan linksaf de Tielsestraat op. Dan ben je bijna meteen bij het gebouw. Daar is ook wel eens de kerstviering, al is die soms ook in de kerk. Als er bazar is, gaan we er ook heen.

Er is een zaal met een houten vloer en voorin een podium. Daarachter zijn nog enkele kleinere ruimten. Daar zit de schooldokter als je daar naar toe moet. En de schooltandarts. Daar ben ik niet dol op.

Als het regent, gaan we op de laarzen naar school. Soms mogen we in de pauze binnen blijven. Niemand heeft trouwens iets te eten of te drinken bij zich. Tussen de middag eet iedereen thuis. Warm, neem ik aan. Ik ken geen gezinnen waar er tussen de middag brood wordt gegeten.

Voor in elk lokaal, in de hoek bij het raam, staat een grote oliekachel. We zetten onze laarzen bij de kachel, zodat ze warm en droog zijn als we weer naar huis gaan.

De ramen zitten hoog, zodat je er niet doorheen kunt kijken als je in de bank zit. Je ziet alleen de lucht. Als je staat, kun je wel naar buiten kijken. De bovenramen kunnen opengezet worden met een lange stok met aan het uiteinde een ijzeren uitsteeksel dat door het oogje van de raamsluiting gestoken kan worden. 

De borden zijn zwart. Pas later zullen er groene borden komen, maar niet op deze school. De borden worden met een bordenwisser gereinigd. Aan het eind van de dag moet een leerling die bordenwisser schoonmaken. Je krijgt een liniaal mee en daarmee moet je buiten net zo lang op die bordenwisser slaan tot er geen stof meer uit komt. Er zijn wel leerlingen die met de bordenwisser tegen de muur slaan. Dat gaat sneller, maar dat laat witte afdrukken van de bordenwisser achter. Je krijgt op je kop als je dat doet.

Soms maakt de juf het bord schoon met de spons. Dat is een feestelijke gebeurtenis. Het bord wordt er diepzwart van en het glimt, zodat je de klas erin weerspiegeld zit.

Bij de kachel staat het grote telraam met witte en rode ballen. Daarbij is ook een smal schoolbord. Daarop tekent de juf een vlag als er iemand jarig is. Je voelt je belangrijk als de hele dag jouw naam onder de vlag staat.

Van thuis krijg je op je verjaardag een trommel met snoepjes (bijvoorbeeld toffees) mee. Alle klasgenoten krijgen een snoepje en jij krijgt een kaart of een plaatje van de meester of juf. Daarna mag je een of twee kinderen uitkiezen die met je meegaan, de klassen rond. In de andere klassen word je gefeliciteerd door de juf of meester en je krijgt weer een kaart. In elke klas kies je een paar kinderen uit die een snoepje van je krijgen. Ieder kind hoopt dat je hem of haar uitkiest.

Als er een meester of juf jarig is, gaat de hele school naar het betreffende lokaal. Je schuift bij elkaar in de bank, zodat er wel drie of vier kinderen in een bank zitten. Niet iedereen heeft een zitplek. Het lokaal is bomvol. Wat er daarna gebeurt, weet ik niet. De jarige komt binnen en wordt gefeliciteerd door het hoofd der school, denk ik, en er zal ook wel gezongen worden.

En er zijn traktaties. Voor de eigen klas, maar ook voor de andere kinderen. Kinderen gaan rond met hapjes. Maar wat krijgen we dan? Geen idee. Het is niet achtergebleven op de zeef van mijn geheugen. 

dinsdag 16 juni 2026

Gala en Zev (Jannah Loontjens)


Je kunt niet alles lezen, ik weet het. En toch is dat een gedachte die ik maar moeilijk kan verkroppen. Op leesgebied heb ik een gretigheid die altijd verder gaat dan wat ik aankan. Mijn moeder zou zeggen: 'Je ogen zijn groter dan je maag.' En groter dan mijn brein dus. Zo had ik tot voor kort niets gelezen van Jannah Loontjens. 

Ik ben echt van plan geweest om mijn hoofd om een hoekje van haar werk te steken om te zien wat het is, zeker nadat ze in 2023 de roman En toen ging hij publiceerde. Niet alleen speelt het verhaal zich af in Zweden in de tijd dat Olof Palme vermoord werd, wat ik me nog levendig herinner, maar ook vanwege de titel die me onweerstaanbaar doet denken aan 'And then you left me' van Tracey Emin. Die tekening hangt in Rijksmuseum Twente. Naar dat museum wilde ik in 2020 omdat er een expositie was waar Picasso's hingen. Daar kwam corona tussen en een aantal jaren later dwaalde ik door dat museum, zomaar wat rondkijkend. In een hoekje hing de tekening van Emin, waarvoor ik lang gestaan heb, ontroerd. 

Maar nu heeft Loontjens Gala en Zev geschreven en nu wilde ik niet langer wachten met de kennismaking met haar werk. 

Gala en Zev zijn de twee vertellers in deze roman. Op haar dertiende komt Gala op Scheveningen wonen. Ze heeft met haar moeder in een woongroep en daarna in een afbraakpand gewoond en nu komt ze in een wijk waar ze een nieuweling is. En dan woont ze ook nog 'aan de goede kant van de trambaan'. De kinderen in de wijk moeten toch de nieuwelingen al niet en ze noemen haar het rijkeluiskind, terwijl ze dat allerminst is. 

Elkaar overeind houden

Maar Zev sluit vriendschap met haar en daar komt Rem (Remco) nog bij. Ze herkennen iets in elkaar. 

Zev was niet zomaar een van mijn jongensvrienden. Met hem lag het anders. Bij hem heb ik het gevoel herkend dat je niets meer te verliezen hebt. En op de bodem van dat gevoel hebben wij elkaar vastgegrepen. Als we met elkaar spraken, was het wij samen, wij met z'n tweeën tegen de wereld. Dat voelde direct zo, vanaf het allereerste begin. 

Het komt ook nog terug als ze jaren later in gesprek is met de vrouw van Rem.

 'Je hebt geen idee wat wij voor elkaar hebben betekend,' zeg ik zacht. Ik zou willen zeggen: hoe we elkaar hebben vastgegrepen. Elkaar gered. Hoe we door onze ouders aan ons lot werden overgelaten, hoe wij tieners, Zev en ik, maar ook Rem, hoe we elkaar overeind hielden. 

Van haar dertiende tot haar achttiende gaan Gala en Zev met elkaar om. Dan vertrekt Gala naar Amsterdam voor haar geschiedenis- en mediastudie.  Daardoor heeft ze zich losgemaakt van de wijk. Tegen Zev heeft ze gezegd dat de wijk altijd in hem zal zitten. 

Zev is op een andere manier succesvol: hij is gaan dealen en is later terechtgekomen in de professionele drugshandel, samen met Rem, voor wie hij zich verantwoordelijk voelt. Daarmee verdient hij veel geld. Maar Rem wordt vermoord en Zev wordt verdacht van die moord. Gala wordt gevraagd inlichtingen over Zev te geven. 

Gala staat aan de kant van Zev, maar ze weet niet of hij Rem gedood heeft. Ze probeert een beter beeld van hem te krijgen door te gaan praten met vrouwen uit zijn omgeving: Isis, de vrouw van Rem, Natasja, een buurmeisje, en Rebecca, de zus van Zev. 

Geen hoofdletters

Ook Zev is bezig de zaken op een rijtje te zetten. Dat vraagt zijn advocaat van hem, maar Zev wil ook zelf begrijpen wat zijn situatie is en wat zijn begin, in de wijk, te maken heeft met wat er nu aan de hand is. De gedeelten waarin we Zev volgen, zijn duidelijk onderscheiden van die waarin Gala aan het woord is: Zev gebruikt geen hoofdletters. Je kunt je afvragen waarom dat zo is of waarom er wel leestekens worden gebruikt, maar in de praktijk blijkt het goed te werken. Misschien zegt het dat Zev zich niets van de conventies wil aantrekken, dat hij ook wat dat betreft vrij wil zijn. 

Gala heeft na haar jeugd nog wel contact met Zev gehad, al was het twintig jaar stil tussen hen. Wat er later allemaal gebeurd is, laat ik even rusten, om niet te veel weg te geven van de inhoud. Het is leuker als je dat zelf leest. 

Ergens bij horen

In het leven van Gala is ergens bij horen wel een thema. Bij een lezing wordt ze door iemand uit het publiek weggezet als iemand uit een bevoorrechte klasse, die niet weet waarover ze het heeft. Dat is te vergelijken met de positie van het 'rijkeluiskind' waarin ze ooit werd geplaatst.  

De ondertitel van Gala en Zev is: Over misdaad, klasse en een liefde. De misdaad lijkt me duidelijk: Zev zit er tot over zijn oren in. De klasse zegt niet alleen iets over de afkomst van beiden, maar die heeft hen ook bepaald. Steeds weer worden ze ermee geconfronteerd in hun leven. En er is liefde, al bekennen ze die niet aan elkaar, in hun jeugd. Gala is 'ziekelijk, duizelingwekkend verliefd', maar dat laat ze niet merken. En Zev:

gala leefde op een andere hoogte. daarom raakte ik haar niet aan, nam me voor haar nooit te versieren. het zou haar omlaaghalen. als ik me aan lust overgaf, zou ze me kunnen afdanken. ik zou ervoor zorgen dat ze me zou blijven respecteren. 

Het dorp, het strand

En het is juist de plaats van hun jeugd, de wijk en vooral het strand, die bepalend zijn geweest. Zev:

pas na de dood van m'n pa begon scheveningen weer aan me te trekken. langzaam kwam de overtuiging: dat is waar mijn lot ligt, dat dorp is mijn thuis, daar waar ik het zout in de wind kan proeven.

En Gala:

Als ik me nog eens omdraai naar het strand, denk ik dat het misschien door Scheveningen komt, door de zee, dat ik vaak stoïcijns ben genoemd, het altijd stug doorgaan, zoals golven die blijven komen: als de ene in de branding breekt, is de volgende al onderweg. Het ritme van het deinen, van het blijven gaan en blijven komen. Zo ben ik ook jarenlang wat koel en schijnbaar onaanraakbaar door het leven gegaan, althans dat is hoe anderen mij zagen. Hoe vaak heb ik niet gehoord dat ik een harde vrouw ben, dat ik mee met mijn gevoel in contact moet komen?

Vrijheid

Een belangrijk begrip in Gala en Zev is vrijheid. Zev ziet in Gala iemand die vrij is, die onafhankelijk is. 

kijk, iedereen streeft vrijheid na, maar zij, zij is de enige die in de kern precies is zoals ik. zij zal zich nooit verlagen tot minderwaardige afhankelijkheid. stel dat zij afgewezen wordt, doet er niet toe door wie, door iemand van haar werk of een minnaar, op wat voor manier dan ook, zij zal 'm direct de rug toekeren, die ander absoluut het gevoel niet gunnen dat hij haar heeft kunnen kleineren, of macht over haar heeft. 

Hij heeft zelf ook de vrijheid nagestreefd en dacht die te bereiken door geld te hebben.

de echte, grootste vergissing was het toewerken naar vrijheid. geld is het glijmiddel dat je naar vrijheid doet roetsjen, die gedachte. altijd maar denken dat ik me vrij zou gaan voelen als ik meer geld had. 
dat was een vergissing.
geloof me, als je toewerkt naar vrijheid, voel je het niet als je die al hebt. 

Kun je vrijheid doorgeven? Als Gala ineens veel geld zou hebben en een huis zou kunnen kopen, zou ze dan meer vrijheid hebben? Daarover is wel het een en ander te lezen in Gala en Zev, maar dat ga ik weer niet vertellen. 

Geen verraad

Ook denken Gala en Zev na over wie ze zijn. Dat Gala kiest voor Zev, vanwege een gedeeld verleden, zonder dat ze weet wat hij gedaan heeft, wat zegt dat over haar? Ze snapt dat verschillende mensen daar verschillende antwoorden op geven, maar ze wil zelf ook weten wat dat werkelijk over haar zegt. Ze weet dat ze Zev nooit zal verraden, zoals Zev weet dat hij nooit anderen zal verraden. En dat beeld wil hij ook graag hebben van Rem. 

Maar hij weet ook dat het kwaad in hem zit, dat ook hij het kwaad is. Dat heeft ook nog te maken met een problematische relatie met zijn vader. Die ga ik hier niet uit de doeken, maar die geeft wel diepte aan het personage Zev. 

Zev heeft steeds voor zichzelf moeten zorgen, heeft hard moeten zijn. Dat maakt hem ook aantrekkelijk voor Gala. Zoals Gala voor Zev iemand was die onafhankelijk is, is Zev iemand met een pantser, waar Gala doorheen wil breken. 

Spannend en rijk

Gala en Zev is een spannend boek. Je wilt als lezer weten wat er gebeurd is. Heeft Zev te maken met de moord op Rem? En wat is er allemaal gebeurd tussen Gala en Zev? Daarom lijkt het me een boek dat het ook goed gaat doen op middelbare scholen: een interessant milieu, een verhaal met plots. 

Maar het is ook een rijk boek, waarin Gala onderzoekt wat haar nu werkelijk bepaald heeft en wie ze is. Bij wie hoort ze? Wat is haar kern? Ze is, na een paar relaties die niet goed voor haar waren, getrouwd en heeft kinderen. Maar in hoeverre begrijpt haar man wie Gala is? In hoeverre kan hij dat begrijpen als zij dat zelf al niet helemaal helder heeft? De personages hebben diepte en roepen vragen op die gaan woelen in het hoofd van de lezer. 

In de proloog betrekken Gala en haar man een nieuw huis, beginnen ze aan een nieuwe toekomst. Maar het is geen schone lei: Gala zal haar verleden met zich meedragen, omdat ze dat verleden ook is. En de lezer vraagt zich af wat op zijn lei geschreven is, welke niet te wissen verhalen hij met zich meedraagt. 

maandag 15 juni 2026

De koning zonder kroon (Toni Carbos)



Voor op de graphic novel De koning zonder kroon, van Toni Carbos, staan twee tekeningen: eentje van twee mannen op een brommer (of een motor) en een van twee schakers, in wie we Viktor Kortsjnoj en Anatoli Karpov te herkennen. 

Volgens de cover is dit een strip 'naar de roman van Javier Cosnava', maar welke roman dat is, wordt niet genoemd. Voor in het boek wordt alleen verwezen naar Le roi sans couronne, met als auteurs Toni Carbos en Javier Cosnava, maar dat lijkt me dezelfde strip, in het Frans waarbij Javier Cosnava dus genoemd wordt als medeauteur. Of hij ook het scenario voor deze strip heeft geschreven is niet duidelijk. 

De twee tekeningen verwijzen naar de twee verhaallijnen in de graphic novel, die elkaar kruisen. Eerst maar even het schaakgedeelte en daarvoor rakel ik wat schaakgeschiedenis op. 

Schaakgeschiedenis

In 1972 werd Bobby Fischer wereldkampioen schaken door Boris Spasski te verslaan. In 1975 zou hij zijn titel verdedigen en een reeks kandidatenmatches moest bepalen wie de uitdager zou zijn. In de finale daarvan speelden Karpov en Kortsjnoj tegen elkaar en Karpov won met een klein verschil: 12,5 - 11,5. Omdat Fischer zijn titel niet verdedigde, bleek dit dus de match om het wereldkampioenschap te zijn geweest. 

Drie jaar later speelden de twee weer tegen elkaar. Karpov was wereldkampioen, Kortsjnoj de uitdager. De match vond plaats in Baguio, op de Filipijnen. Het was een beladen match. Kortsjnoj had in 1976, na afloop van het IBM-toernooi in Amsterdam, politiek asiel aangevraagd in Nederland en daar was in de Sovjet-Unie fel op gereageerd. Een aantal jaren boycotte de Sovjet-Unie de toernooien waaraan Kortsjnoj deelnam, waardoor hij minder uitnodigingen kreeg. Maar van de strijd om het wereldkampioenschap kon hij niet uitgesloten worden. 

Het werd een beladen match met gedoe over de juiste stoel, over al dan niet doorgegeven boodschappen door middel van yoghurt en over mensen in het publiek die de concentratie van de spelers zouden proberen te beïnvloeden. De spanning van de Koude Oorlog was voelbaar. Over die match, in 1978, gaat De koning zonder kroon. In 1981 zouden Karpov en Kortsjnoj voor de derde keer een match spelen, in Merano. Deze keer bleek Karpov veel te sterk voor de uitdager. 


En daarna kregen we de fase in de geschiedenis waarin Karpov vijf matches zou spelen tegen Kasparov, maar dat is een ander verhaal. 

Schaaktechnisch

In de strip zijn Karpov en Kortsjnoj duidelijk te herkennen, zij het dat de lezer wel moet wennen aan de knobbelneus van Karpov. Karpov doet op de tekening een zet, terwijl Kortsjnoj ook een van zijn stukken toucheert. Dat zal nooit gebeurd zijn. 

Verder heeft Toni Carbos zich duidelijk ingespannen om alles schaaktechnisch te laten kloppen. De stellingen op het bord die getekend zijn, kwamen ook in de partijen voor. Wel wordt er gezegd dat Karpov in de achtste partij Kortsjnoj mat zette en dat klopt niet helemaal. Kortsjnoj gaf op, maar het mat zou anders niet te vermijden zijn. 

Zou zijn er meer kleinigheidjes. De arbiter zegt aan het eind van de eenentwintigste partij: 'Meester Kortsjnoi wint. De score is 4-2 voor meester Karpov'. Het zou ronduit beledigend geweest zijn als grootmeesters met 'meester' aangeduid zouden worden. Dat zal dus niet gebeurd zijn. Verder drukt Karpov een keer de klok in met de andere hand dan waarmee hij zet en het notatieformulier wordt 'het partijblaadje' genoemd. 

Storend, zeker, maar je merkt dat in ieder geval inspanning is verricht om de schaakkant van het verhaal te laten kloppen. 

Drievoudige moord

De andere lijn is die van Benjamin Faure-Rojo die al 33 jaar op de Filipijnen in de cel zit. Hij zou er al uit mogen, maar weet niet waarom hij dat ook daadwerkelijk zou gaan doen. Totdat hij op een foto van de schakers iemand in het publiek herkent: MC, die ooit zijn celgenoot was. 

Nu verlaat hij zijn cel wel en hij legt contact met MC, met wie hij uit wil zoeken wat er in zijn verleden gebeurd is. Benjamin is beschuldigd van een drievoudige moord, maar hij herinnert zich er niets van. Hij wil het mysterie oplossen. Dat lukt doordat hij een schaakstelling herkent, wat niet zo aannemelijk is. Benjamin ziet op het bord de beroemde slotstelling uit de partij Petrosjan-Spasski (1966) op het bord staan en kan daaruit concluderen wie er in huis moet zijn (omdat die zich altijd door Petrosjan heeft laten inspireren). Vergezocht, onwaarschijnlijk, lijkt me. 

Dat Benjamin een moord in de schoenen geschoven wordt, zou gepland zijn als een schaakpartij, wat niet zo'n sterke parallel is met het verhaal van de match. Bij een schaakpartij mag je tegenstander ook nog elke keer een zet doen. Schaken speelt wel een belangrijke rol in het leven van Benjamin, dus in die zin is de parallel ook weer niet zo gek. 

De koning zonder kroon is een onderhoudende strip, waarbij je je als lezer niet verveelt. Bij beide verhaallijnen wil je weten hoe het afloopt. Natuurlijk weten we al dat Kortsjnoj nipt verloor, maar in het krachtenspel om de match heen kon Cornava nog wel wat fictie brengen. In hoeverre is Kortsjnoj bijvoorbeeld slachtoffer van wat er gebeurt en in hoeverre heeft hij het zelf gepland? En dan is er ook nog een mysterieuze vrouw die contact heeft met MC. Welke rol speelt zij?

Het verhaal van Benjamin heeft een zekere spanning en het is goed om de gebeurtenissen rond de match in 1978 weer eens opgehaald te zien en te zien hoezeer schaken en politiek met elkaar in verband stonden. Ook het verloop van de match is spannend en het lijkt me dat ook niet-schakers daardoor geboeid zullen zijn.  

Later zou Gary Kasparov oppositie voeren tegen Poetin. Karpov staat op de sanctielijst van de Europese Unie, omdat hij als lid van de Doema gestemd heeft voor de onafhankelijkheid van Luhansk en Donetsk. Michail Gorbatsjov gaf in 1990 Kortsjnoj de Sovjet-Russische nationaliteit terug, als dank voor zijn bijdrage aan de ontwikkeling van het schaakspel in Rusland. 

Titel: De koning zonder kroon
Tekst: naar de roman van Javier Cosnava
Tekeningen: Toni Carbos
Uitgever: Lauwert
2026, 108 blz. € 29,95 (hardcover)


Eerder schreef ik over ander boeken die met schaken te maken hebben. 
Schaak (Victor L. Pinel)
Schijnoffers (Daan Heerma van Voss)
Mein System (Aaron Nimzowitsch)

vrijdag 12 juni 2026

Lucky Me (Manon Albers)


Al verschillende keren heb ik het hier geschreven, maar ik herhaal het nog maar weer: op het gebied van strips ben ik geen kenner, hooguit een liefhebber. In mijn kennis van de stripgeschiedenis en de stripwereld zitten nogal wat gaten. Ik wist bijvoorbeeld niet wie Henk Albers (1927 - 1987) was. 

Dat had ik best kunnen weten, als mij het boek Henk Albers, een leven (2007) niet was ontgaan. Het is een biografie, geschreven door zijn dochter Manon Albers. Albers is al jong begonnen als striptekenaar bij de Toonder Sudio's en Stripfilm. In verband daarmee wordt hij nog genoemd in mijn vorige bijdrage

Hij was productief en er is een lange lijst aan te leggen van publicaties waaraan hij heeft meegewerkt. Het meest tot de verbeelding spreekt waarschijnlijk zijn samenwerking met Morris, de tekenaar van Lucky Luke. Albers maakte sfeervolle tekeningen van deze strip- en revolverheld. 

Tom Lucky

Er was trouwens al eerder een 'Lucky' in zijn leven: al in 1946 had hij een strip in Ons Noorden met als titel Tom Lucky en de veedieven.
 
Ons Noorden, 20 maart 1946

Het zal allemaal terug te vinden zijn in de biografie, maar die heb ik dus niet gelezen (al ben ik er wel nieuwsgierig naar). Wat nu voor me ligt, is een ander boek van Manon Albers, Lucky Me. Manon Albers schrijft columns in Het Parool en op het eerste gezicht lijkt dit een bundeling van die columns. Dat is het ook, maar het is meer. 

Geregeld laat ze mensen aan het woord die enkele bladzijden lang mogen vertellen over haar vader. Een bron wordt daar verder niet bij vermeld, maar ik neem aan dat ze dat aan Albers (de dochter, bedoel ik) geschreven of verteld hebben. De verhalen van Thom Roep en Dick Matena komen bijvoorbeeld voorbij, maar ook wel van mensen wier namen niet direct bekend klinken, maar die Henk Albers persoonlijk gekend hebben. Samen met wat Manon over haar vader vertelt, geven die bijdragen niet een compleet beeld, maar wel een beeld, van een onconventionele man, die zijn eigen weg ging. Hij deed niet altijd wat goed was voor zichzelf en zijn omgeving, maar deed het wel met volle overgave. 

Verhalen van een dochter

De ondertitel van Lucky Me is Verhalen van een dochter. In veel stukken in dit boek gaat het over het beeld dat Manon heeft van haar vader, hoe een jeugd met deze vader haar bepaald heeft, maar ook over waar ze nu staat en wat voor moeder ze is voor haar dochter. Er staan ook heel andere stukjes tussendoor, meer observaties, waarin Albers, meestal in niet te lange zinnen, om zich heen kijkt en een deel van het leven op zijn staart probeert te trappen voordat het haar ontglipt. 

Op het eerste gezicht zit er weinig weinig lijn in het boek, maar een rechttoe rechtaan verteld verhaal past wellicht ook niet bij wie Henk Albers was en bij wie Manon Albers is. Het gaat om het geheel, om wat er in al die losse facetten opduikt en wat er blijft hangen. 

Liefdevol

In ieder geval is Lucky Me een liefdevol boek, over een dochter die postuum haar vader nog dichter wil naderen. Het is geen hagiografie en ze verbloemt de moeilijke kanten van haar vader niet, maar je merkt hoe ze aan haar vader hangt, hoe ze op sommige punten tegen hem opkijkt, trots op hem is. Misschien is ze nog steeds bezig haar best te doen om een goede dochter te zijn, om gezien te worden. Dat is ontroerend. 

Henk Albers (l.) en Otto Veenhoven (r.)
(en hond Rattaplan)


Tegelijk krijg je een beeld van Manon zelf, van haar liefde voor muziek, van haar manier van leven, van hoe ze in de wereld staat. Haar boek eindigt met Lucky Me. Aan de ene kant is dat natuurlijk een knipoog naar Lucky Luke maar ook laat het zien hoe ze haar weg gevonden heeft, hoe het leven haar beter is gaan passen. 

Illustraties

Lucky Me ziet er aantrekkelijk uit: er staan veel illustraties in. Bij de teksten zijn de illustraties van Pieter Hogenbirk en Kees de Boer. Prachtige tekeningen die meer zijn dan alleen maar illustraties. Verschillende ervan hebben de tekst niet nodig en kunnen ook uitstekend op zichzelf staan. 

Achter in Lucky Me zijn er enkele pagina's opgenomen met foto's en met tekeningen van Henk Albers. Die laten maar weer eens zien hoe goed hij was. 

Het Parool, 4 maart 1975
Dat de bundel losjes van opzet is, weinig lijn heeft, stond me tijdens het lezen aanvankelijk een beetje tegen, maar uiteindelijk leek het me slechts een klein bezwaar, omdat het boek zoveel meer biedt. Niet alleen is het een mooi persoonlijk verhaal, maar ik werd ook nieuwsgierig naar het werk van Henk Albers. 

Kobus Kat

Ik heb wat rondgeneusd in oude kranten. In Lucky Me wordt bijvoorbeeld de strip Kobus Kat genoemd, die werd ingezet in een 'netheidscampagne' van de stad Amsterdam, in 1975. Mede ingegeven door het feit dat Amsterdam  zijn zevenhonderdjarig bestaan vierde. Kobus Kat werd geschreven door Otto Veenhoven en getekend door Henk Albers. 

De naam van de hoofdfiguur is opmerkelijk. Die komt namelijk al voor in een kerstverhaal van Henriëtte van Eyk, 'Kerstmis in het oude huis', dat gepubliceerd werd in Het Rotterdamsch Parool van 24 december 1949. Hoofdpersonen daarin zijn de broers Karel en Kobus Kat. Het is misschien toeval, maar het is toch opmerkelijk. Bij het verhaal stond ook een illustratie afgedrukt en het zou mooi zijn als die van Albers was geweest, maar dat is niet zo. De tekenaar was Wim Bijmoer. 

De campagne die gekoppeld was aan Kobus Kat (of andersom) kreeg veel aandacht. Zo was er een week voordat het figuurtje voor het eerst in de strip zou optreden, een aankondiging op de voorpagina van Het Parool en verder was er een interview te lezen met de makers van de strip (Henk Albers en Otto Veenhoven), compleet met foto (zie boven). Kobus zou terugkomen op de gemeentewagens en posters in scholen. 

Lucky Me werd gepresenteerd tijdens Strips op de markt, begin mei in Gouda. Daar was ik, maar ik had me niet goed ingelezen, was druk met het spreken van andere mensen, met het tevergeefs zoeken naar een tekenaar (Ivan Petrus Adriaenssens) en met het drooghouden van wat ik gekocht had, wat me niet helemaal gelukt is. Zo ontging mij de presentatie, maar gelukkig was uitgeverij Personalia zo vriendelijk om mij het boek toe te sturen.  Ik had het niet graag willen missen. 

Het Parool, 13 maart 1975

Manon Albers, Lucky Me, Verhalen van een dochter. Uitg. Personalia, 2026, 120 blz. € 19,90





donderdag 11 juni 2026

De weg weten in een huis dat er niet meer is


Vorige week plaatste ik weer jeugdherinneringen, zoals ik die ooit had opgetekend in een dagboek. De bijdrage ging over de dingen die we in onze jeugd verzamelden: speldjes, sleutelhangers en stickers, maar ook nam ik je mee door het huis van mijn vriendje Gerard. 

Het blijft vreemd dat je nog steeds feilloos de weg kunt weten door een huis dat er niet meer is. In een ander dagboek loop ik in gedachten door het huis waar ik geboren ben. Foto's van dat huis vind je bijvoorbeeld hier. Dat is best een lange tocht en die heb ik hier verder niet gedeeld. 

'Gelukkig hebben we de foto's nog', zouden ze zeggen bij Dit was het nieuws. Ik wist dat er een foto was van het huis van mijn vriendje en ik vond die, na een tijdje zoeken, bij de Facebookgroep Midden Betuwe. Ik plakte hem bij mijn blogpost. 

Goede herinneringen

De dagen erna betrapte ik mezelf erop dat ik verschillende keren de foto bekeek en dat mij dat een goed gevoel gaf. Blijkbaar heb ik goede herinneringen aan die plek en dat is ook niet zo gek. Spelen met Gerard was immers altijd fijn. Op die plek heb ik dus alleen maar leuke dingen gedaan. 

Zoals je ziet, staat het huis met de zijkant naar de weg. De twee ramen aan de zijkant, naast de voordeur, zijn van de slaapkamer van Gerards ouders, net als het eerste raam, net om de hoek, aan de voorkant. Het andere raam aan de voorkant is iets lager; het is het raam van de kamer. Blijkbaar moest je vanuit de gang een paar treden naar beneden om in de kamer te komen. Dat was ik kwijt. Vrouw Zwijnen zat vaak achter dat raam. Ervoor was een tuintje: een paar oude fruitbomen, een grasperkje en een border met bloemen. Het was een knusse tuin. 

Vrouw Zwijnen keek erop uit en zag de seizoenen voorbijgaan. Aan de andere zijkant was een breed raam dat uitkeek op de uiterwaarden. Het moet een prachtig uitzicht geweest zijn, al herinner ik me niet dat ik mij dat toen realiseerde. Ook het raam van de keuken keek uit op de uiterwaarden. 

Hofstede Koeweide
Gerard leeft helaas niet meer. Na de lagere school ging hij naar de LTS en ik ging naar de mavo. Mogelijk kwam hij bij ons nog wel een tijdje over de vloer en hielp hij bij ons mee op de boerderij. In 1975 vertrok ik naar een internaat in Gouda, waar ik de hoogste klassen van de havo zou doorlopen en de PA (Pedagogische Academie, voorloper van de PABO, opvolger van de kweekschool). Gerard ging werken als monteur bij Vogelenzang. 

Koeweide

Het huis van Gerard en zijn ouders moest verdwijnen en het gezin verhuisde naar het huis van een oom van Gerard, broer van zijn moeder: Wimke Gerritsen, die zichzelf wel Wim Gerritsen genoemd zal hebben. Ook daar ben ik nog verschillende keren geweest. Ik herinner me de vorige bewoner nog: een aardige man met een snor als een borstel. De laatste keer dat ik in het huis was, had Gerard al twee kinderen, die in de box in de kamer stonden. 

Ook dat huis stond aan de dijk, maar niet boven aan de dijk, maar aan de voet ervan. Op het huis stond de naam Koeweide. Een van de weilanden (wij zeiden de polders) draagt de naam Koeweide. Die was bij ons bekend. Heeft het huis later de naam van het buitendijkse weiland gekregen of had het die altijd al maar stond die niet op de gevel? Ik weet het niet. 

Gerard was al op vrij jonge leeftijd getrouwd. 'Gerrie is de naam van de merrie', zei hij. Het huwelijk hield uiteindelijk geen stand en voor zover ik weet heeft Gerard veel gedaan aan de opvoeding van de kinderen. Nog weer later werd hij ziek en overleed hij. In die tijd zagen we elkaar al niet meer. 

Maar nu ik de foto van het huis boven aan de dijk zie, moet ik vaak aan hem denken. Ik vermoed dat ik nog wat herinneringen aan hem in mijn dagboeken heb. Die zal ik eens opzoeken. Ook hoe ik op een verjaardag een geintje met hem dacht uit te halen en hem toen behoorlijk pijn deed. 

Gerard

12,5 jaar getrouwd

Ik herinner me ook nog dat mijn ouders 12,5 jaar getrouwd waren. Het werd gewoon bij ons thuis gehouden. Er stonden wel extra tafels in de kamer, waarrond de rest van de familie zat, er was wit papier over de tafels gelegd en er waren klapstoelen gehaald. 

Het moet maart 1970 geweest zijn. Ik zou in juni 11 jaar oud worden. Vrouw Zwijnen vond dat er wel iets leuks gedaan moest gedaan Ze schreef een paar gedichtjes die mijn zus Lientje, Gerard en ik moesten voorlezen en voor zichzelf had ze ook een gedicht. We kregen allemaal een raar hoofddeksel op en brachten onze tekst. Ik had die uit mijn hoofd geleerd en was er trots op dat ik die zonder haperen kon opzeggen. Vooral Alie, vrouw Zwijnen, oogstte veel hilariteit met haar uitdossing en haar tekst. 

Zus Lientje (Carolien)

Verder was het gezin Zwijnen waarschijnlijk de start van mijn liefde voor strips. Het gezin las de Sjors en de Tina. Al die Sjorsen kreeg ik mee als het gezin ze uit had en soms gingen er ook wat Tina's mee. Ook hadden ze dikke stripboeken van Sjors en Sjimmie getekend door Frans Piët. Over Sjors en Sjimmie bij de Baanbrekers schreef ik al een keer. De andere ingang tot de strips kreeg ik bij mijn neefje Gertje (later Gerrit) van tante Gerrie, die geabonneerd was op de Donald Duck. 

Als ik op een rommelmarkt oude exemplaren van Sjors of Donald Duck zie, koop ik ze. Ik moet onderhand eens gaan inventariseren wat ik heb. Compleet zullen de jaargangen niet zijn en ik zal ook exemplaren dubbel hebben. Afgelopen zondag kocht ik nog anderhalve jaargang van Tina op een markt in Arnhem (1973, 1974). Hopelijk kom ik ooit aan het herlezen toe. Gewoonlijk plaats ik alleen maar jeugdherinneringen die ik al eerder heb opgeschreven, maar omdat de foto van het huis van het gezin van Gerard mij bleef trekken, ben ik daar voor deze keer maar van afgeweken. Dat gaat misschien vaker gebeuren. 

Vrouw Zwijnen

woensdag 10 juni 2026

Het Archief, De oudste strips in een nieuw jasje



Integrale heruitgaven van strips zijn niet meer weg te denken, van Trigië tot Brammetje Bram, van Archie, de man van staal tot Bessy, zo'n beetje alle strips uit de jeugd van bejaarde mensen, tot wie ik mij ook reken, zijn weer verkrijgbaar. Er wordt fiks ingespeeld op het jeugdsentiment en blijkbaar met succes. 

Tegelijk wordt op die manier de stripgeschiedenis ontsloten. Mogelijk voor mensen die de uitgaven al kenden, maar misschien ook voor een nieuw publiek. 

Nieuw blad

Eerder besprak ik hier enkele uitgaven van uitgeverij Kippenvel (links onderaan) en die uitgeverij komt nu met een blad, Het Archief, De oudste strips in een nieuw jasje. Voor zover ik heb begrepen, kun je je er niet op abonneren, maar je kunt het wel kopen op beurzen. Het eerste nummer is er intussen. 

In het voorwoord legt André Wijntjes uit wat de aanleiding is geweest voor het blad: de verzameldrift van zijn vader. Die knipte de krantenstrips uit en niette ze aan elkaar, zodat hij er boekjes van kon maken. Olivier B. Bommel, Eric de Noorman, Kapitein Rob, Panda en zelfs Robbedoes konden zo gelezen worden door de jonge André. 

Robbedoes verscheen trouwens onder de naam Sproetje, zoals er wel meer strips verschenen onder een andere naam, ook in striptijdschriften. Zo kreeg Bernard Prince de naam Rob Palland en werden Bollie en Billie Bas en Boef. 

Algemeen Dagblad 28 juni 1946
In Het Archief zijn de strips gebundeld die vader Wijntjes verzamelde. In het voorwoord vermeldt de samensteller dat Liefde en geluk (van Gerrit de Jager) verscheen in het Algemeen Dagblad en Bartje (van Willem Ritstier) in onder andere Rotterdams Dagblad. Van veel andere strips wordt niet vermeld uit welke krant ze komen en ook niet wanneer ze daarin oorspronkelijk zijn verschenen. Dat is jammer, maar ik kan me ook voorstellen dat dat indertijd door vader niet genoteerd is en het is blijkbaar achteraf niet meer opgezocht. 

Artikelen

Een verzameling oude strips is al leuk, maar Wijntjes nam ook enkele artikelen, zoals een artikel dat op 26 april 1986 verscheen in het Algemeen Dagblad over de strips in de krant. Al een jaar na de oorlog verscheen bijvoorbeeld Kappie al en even later verscheen Miesje, die in een enkel plaatje haar commentaar gaf het weerbericht. 

Verder schreef Wijntjes een inleiding bij De avonturen van Bim, een strip van Piet van Elk. Hij schetst hoe Van Elk het blad Stripfilm oprichtte, maar dat dat geen lang leven beschoren was. Hij wilde, met Toonder als voorbeeld, een studio oprichten en trok daartoe verschillende mensen aan, onder wie Siem Praamsma, Albert van Beek en Henk Albers. 

Van het verhaal De Gekke Uitvinding (oktober 1945) staan de eerste twintig stroken in Het Archief. Het verhaal gaat verder in nummer 2. Ook Waldo, Het geheim van het spookhuis, door Willy Lohmann is een vervolgstrip en bij Opie van Hank P. Meyer staat in de tekst onder de laatste strook: 'Maar wat zal er met de goudvisheks gebeuren? Dat horen jullie in het volgende verhaal. 

Strips in Het Archief

Verder vind je in dit eerste nummer, naast de al genoemde strips dus, Het Archief van Sjors (met tekeningen van Henk Rotgans en Bert Bus), Gradus (Bare), Belevenissen van een jong gezin en Alfredo (Jørgen Mogensen) en De schuinbewegingen van Boris Bollebal. (Dik Fijnheer) Boris maakte natuurlijk geen 'schuinbewegingen' maar 'schijnbewegingen'. De strip verscheen in het voetbalblad 1-0, volgens de onvolprezen Comiclopedia.

Het Archief is een sympathieke verzameling van oude krantenstrips. Eigenlijk zou er bij de verschillende strips wel een bronvermelding moeten komen, ter wille van de geschiedschrijving, maar het is mooi dat er weer wat oude strips beschikbaar zijn. 

Verder vind ik het ontroerend dat Wijntjes op deze manier een hommage brengt aan zijn vader, die zo nauwgezet al die stripjes heeft uitgeknipt en verzameld. Daar een een tijdschrift van maken is een liefdevolle daad. 

Het Archief is 64 blz. dik en kost slechts € 7,50

Eerder schreef ik over andere uitgaven uitgeverij Kippenvel

Bij Uitgeverij Kippenvel komt ook Zodiack uit, van Willem Ritstier en Minck Oosterveer. Er staat een voorpublicatie in Het Archief


De kwaliteit van onderstaande afbeeldingen is niet optimaal. Zo gauw ik betere binnen heb gekregen, vervang ik ze. Tot die tijd geven ze hopelijk wel een indruk. 

dinsdag 9 juni 2026

Afgestoft: Niek Verhaagen

Eigenlijk zou ik vandaag een recensie plaatsen. Die is ook af, maar het illustratiemateriaal erbij is niet van goede kwaliteit. Ik heb de uitgever gemaild om andere plaatjes, maar die zijn nog niet binnen. 

Daarom stof ik een oud stuk af. Weer een bijdrage in de reeks 'Onder het stof', die ik schreef voor Liter. Deze stond in Liter nr. 48, jaargang 10 (2007). Het was de zesde aflevering in de reeks. Er stond bij 'Met dank aan Dirk Zwart', al staat mij na zoveel jaar niet meer bij waarom ik Dirk dankbaar moest zijn. 

Niek Verhaagen is intussen nagenoeg verdwenen. Dat is jammer, want hij schreef aardig werk. Gelukkig is er intussen wel een boek over hem, geschreven door Lo van Driel. Dat boek wil ik zeer aanbevelen. Ik besprak het hier

De laatste keer dat ik iets uit deze reeks hier plaatste was de bijdrage over Justus de Harduwijn. Onder aan die bijdrage vind je nog enkele links naar de eerder geplaatste afleveringen. 

Onder het stof 6
Niek Verhaagen (Delft 1915-Turijn 1948)



Avondmaal

Hij heeft onhandig naar het brood gegrepen
en hield de beker te krampachtig vast.
Toen telde hij verstrooid de schaduwstrepen
der zilvren broodschaal op het wit damast.

Hij dacht er aan een kleine slok te nemen
omdat een grote hier toch ook niet past,
keek toen terzij naar mooie meisjesbenen
en dronk en zocht zijn zakdoek op de tast...

Zo zat hij bij U aan het avondmaal.
Hij zag het tafelkleed, het brood, de beker,
hij at, hij dronk, maar hij zag U voorbij.

En ik zat rechts van hem en schoof de schaal
hem haastig toe en keek, want ik was zeker
van een verwantschap tussen hem en mij.


Soms noemt iemand een dichter van wie ik niets gelezen heb, maar wiens naam mij nog bekend voorkomt. Andere dichters zijn zo ver weg gezakt in het stof van de tijd dat hun naam de naam van ieder ander had kunnen zijn; van een bakker in Dedemsvaart, een fietsenmaker in Andelst of een petroleumboer in Zaamslag. Niek Verhaagen - zijn naam leek al bij zijn leven niet in de hoofden van mensen te willen blijven hangen. Op zijn bundel De verboden vrucht (clandestien verschenen in 1943) staat op de voorkant de naam correct geschreven. Op het titelblad staat ‘Verhagen’, met slechts één ‘a’ dus.

Ook de redactie van het blad Het korenland kon de juiste spelling van de naam blijkbaar maar niet onthouden. In de laatste twee jaargangen (1937 en 1938) verschijnt vier keer een gedicht van hem, ondertekend met ‘Niek Verhagen’. In die jaargangen gaat het overigens ook zes keer goed en krijgt de dichter gewoon de dubbele ‘a’ in zijn naam.

‘Avondmaal’ is niet zo'n heel goed gedicht. Het is in de onvoltooid verleden tijd geschreven, behalve in regel 1. Een reden lijkt daar niet voor te zijn.

In de tweede strofe lijkt de verteller in het hoofd van de avondmaalganger te kunnen kijken en dus te weten waaraan hij denkt. Maar aan het eind van het gedicht blijkt dat de man juist alleen van buiten af wordt geobserveerd.

De derde strofe is waarschijnlijk de zwakste van het gedicht. Tafelkleed, brood, beker, drinken en eten worden nog eens herhaald en daarna komt het uitleggerige ‘maar hij zag U voorbij’, dat zo'n beetje alles doodslaat.

In de laatste strofe is er dan nog een aardige verspringing van de man aan de avondmaalstafel naar de ‘ik’, maar eigenlijk vind ik het slap dat de dichter die omweg nodig heeft, dat hij niet meteen de ‘ik’ introduceert en hem de beker krampachtig vast laat houden en naar de meisjesbenen laat kijken.

C. Rijnsdorp schrijft in In drie etappen dat de poëzie van Niek Verhaagen een klasse apart vormt, ‘niet zozeer om de kwaliteit als om de toon’ en die toon is ook de reden dat ik dit gedicht heb geciteerd.

In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse. Nog steeds wordt wel gesproken over het heilig avondmaal en in sommige kerken is het ronduit een zwaar onderwerp, maar Verhaagen toont ons een gewone man, die naar de schaduw op het witte kleed kijkt en naar zijn zakdoek zoekt. Niks sacraals, niks gewichtigs, niks eerbiedigs, niks beschroomds.

Het gedicht komt uit Verhaagens laatste bundel, Stukwerk (1946), en het zou kunnen zijn dat het in die tijd in het christelijke wereldje toch enigszins gedurfd was om op deze manier over het avondmaal te schrijven.

Verhaagen hield ervan om de kerk en het geloof terug te brengen tot het alledaagse. In dezelfde bundel schreef hij het volgende kwatrijn:


De verdoolde

Ik ben de kerk ontvlucht, want onze predikant
heeft naast zijn gouden ring geen spatter aan de hand.
Maar zie ik door de weeks zijn blonde dochter rijpen
dan neem ik mij weer voor hem beter te begrijpen.


‘Avondmaal’ is een deemoedig gedicht. De ‘ik’ voelt zich verwant met de man die wel het brood eet en de wijn drinkt, maar met zijn hoofd niet bij God is. In de laatste strofe zou men wat schuldgevoel kunnen lezen. Dat doet denken aan een gedicht in zijn debuutbundel, Kort traject (1939):


Gebed in de morgendienst

Heer, deze predikant die psalmen leest
is in de week ver van U weg geweest.
En wij, vanmorgen Uw verdwaalde schapen,
toonden wel ánders dan zo'n blatend beest...
Vergeef ons allen, Heer! maar mij het meest.


En in Stukwerk komt nog een uitdrukkelijke zelfbeschuldiging voor, in het sonnet ‘Kerstmis 1939’: ‘Niet Hitler, Stalin, Chamberlain, maar ik / heb Christus van dit werelddeel verdreven.’ Ik heb het gedicht enkele keren geciteerd gezien en wellicht is het een van de bekendere gedichten van Verhaagen geweest. In de verte doet het denken aan ‘'t En zijn de Joden niet Heer Jesu die u kruisten’ van Revius. Maar ik heb mijn twijfels bij Verhaagen. De vergelijking van de ‘ik’ met de groten der wereld is te grotesk, niet geloofwaardig. De dichter slaat zich net iets te hard vol schuldgevoel op de borst. Het lijkt allemaal zo deemoedig, maar de ‘ik’ plaatst zichzelf wel in het middelpunt en het vers begint wat te ronken.

Heeft dat met de oorlog als onderwerp te maken? Op zijn eerste en zijn laatste bundel na verscheen het hele werk van Verhaagen in de oorlog. De verboden vrucht in 1941, De Hollandse bruiloft in 1942, En zij zagen dat zij naakt waren nog een jaar later. Het waren clandestiene uitgaven. Blijkbaar heeft Verhaagen geweigerd zich aan te melden bij de Nederlandsche Kultuurkamer.

In het voorjaar van 1945 verscheen bij De Bezige Bij de bundel De laatste Adam, die Verhaagen publiceerde onder het pseudoniem Antonie Lems. Het zijn bepaald niet zijn beste gedichten. Verhaagen zet ze vaak behoorlijk vet aan: ‘Wanneer ik uitzie over stad en gracht / naar de verwoeste huizen, die nog roken, / weet ik mijn droom van gisteren gebroken / in de geweldsorgie van deze nacht [...]’.

Ook in deze bundel roept Verhaagen luid: ‘Ik ellendig mens’: ‘als [...] Gij Uw walging voor het mensenras / in bommen naar de aarde hebt gezonden, // waarom mij, even zondig, uitgezonderd / en laten leven tussen steen en as?...’

Het geronk van deze gedichten overstemt dat der bommenwerpers. Vooral als je weet dat Verhaagens stad in de oorlog gespaard is gebleven. Een gebombardeerde stad was blijkbaar een mooi dramatisch decor voor zijn gedichten.

Maar gelukkig heeft Verhaagen in veel andere gedichten, in andere bundels, een andere toon. Verscheidene gedichten drijven op een wat weemoedige ironie en hij moet ook uitgesproken hilarische verzen hebben geschreven. Ab Visser vertelt in ‘Klein mausoleum’ dat Verhaagen hem in dagen van verdriet opbeurde met cadeautjes, ‘verpakt in de allerzotste troostverzen’. En in een ‘in memoriam’ in het blad Ontmoeting schrijft Heeroma dat hij altijd met veel genoegen de gedichten en brieven van Verhaagen las. Een bezoek van of aan hem ‘kon daarentegen wel eens vervelend worden’. Ook Heeroma schrijft over Verhaagens humor: ‘De humor kon hem tot op zekere hoogte redden, maar hij slaagde er ook al weer niet in de humor zo te verdiepen dat deze de vormgeving van het hele leven en het hele dichterschap kon dragen.’
Deze foto stond bij de publicatie in Liter


Heeroma gold als mentor van veel jonge protestantse dichters. In zijn huis ontmoette Ab Visser voor het eerst Niek Verhaagen. ‘Hij was klein van stuk, aan de gezette kant en blond’, constateerde Visser.

Die eerste ontmoeting was in de mobilisatiewinter van 1939. Verhaagen schreef toen al een tijd. In 1934 of 1935 sloot hij zich aan bij de ‘Christelijk-letterkundige kring te Delft’. Heeroma leerde hem daar kennen. Hij zag hem spelen in Vondels Joseph in Dothan en Adam in ballingschap. ‘Zijn gestalte uit die tijd staat mij het duidelijkst voor ogen in de transformatie van de aartsengel Gabriël, iets te klein, maar zeer beminnelijk.’

Volgens Heeroma zorgde Verhaagens contact met een ‘Christelijk-idealistische jeugdgroep, de Christen Jongeren Bond,’ ervoor dat Verhaagen ‘een radicale, profetische levenshouding’ aannam. In de debuutbundel Kort traject (1939) wordt meteen duidelijk dat Verhaagen een christelijk dichter wil zijn. Bij vier van de eerste vijf gedichten verwijzen de titels nadrukkelijk naar de Bijbel: ‘Jozef bij het kruis’, ‘Het kerstkind’, ‘Als Mozes’ en ‘Als Petrus’ en ook in andere gedichten komt het geloof of het gebrek daaraan naar voren.

Maar er zijn ook gedichten die juist over dagelijkse werkelijkheid gaan, die veel concreter zijn en die naar mijn gevoel een persoonlijker toon hebben. De eerste strofe van ‘Ik ben een schrijver...’ luidt:

Ik ben een schrijver op een klein kantoor
van 's morgens acht, met één uur middageten,
tot 's avonds zes en schrijf aan één stuk door
en tel mijn broeken op kantoorkrukken versleten.


Misschien zit in zo'n gedicht de humor waar Heeroma op doelt, de humor die de dichter niet helemaal zou kunnen redden. Heeroma noemt het in verband met de spanning tussen het leven dat de dichter in werkelijkheid leidde en dat hij zou willen leiden.

Verhaagen trouwde in de oorlog en kreeg een baantje als ambtenaar, schrijver tweede klasse. In 1945 publiceerde hij de korte roman Zonruiter, schrijver tweede klasse, geschreven in december 1943-januari 1944. ‘Sympathiek, maar zwak’, oordeelde Ab Visser. Heeroma ziet in de roman het conflict terug in het leven van Verhaagen: de man die dichter wil zijn, maar zich moet onderwerpen aan de slavernij van het werk, die gefnuikt wordt door zijn huwelijk, zijn vaderschap. Het is comfortabel om werk te hebben, getrouwd te zijn, vader te zijn, maar de onvrede blijft, omdat hij weet dat hij niet doet wat hij werkelijk wil doen.

In Kort traject komt het dorre ambtenarenbestaan vaker terug. ‘Collega x en ex’ opent met:

Men zegt dat hij een dwaas is, want hij dicht,
terwijl hij toch moest werken voor een akte.
En zijn collega x - die nimmer zakte -
stijgt jaarlijks in salaris en gewicht.


In De verboden vrucht is er ook een gedicht over een kantoorbediende. Het begint met:

Ik heb verachting voor de folianten
en maak grimassen als de baas niet kijkt,
knoei in de lijsten die ik vergelijk
en kreuk geestdriftig rekening-couranten.


De man blijkt het baantje toch aan te houden, omdat hij verliefd is op de dochter van de baas. Zoals in het eerder geciteerde kwatrijn iemand in de kerk blijft komen omdat hij het prettig vindt om naar de blonde dochter van de dominee te kijken. In Zonruiter wordt de hoofdpersoon uiteindelijk ontslagen omdat hij onder werktijd wordt betrapt als hij scharrelt met een vrouwelijke collega.

Verhaagen heeft zijn ambtenarenbaantje uiteindelijk opgegeven om van de pen te gaan leven. Maar er moet wel brood op de plank komen en daarom werd hij journalist. ‘Schrijver zoveelste klasse in een krant’, volgens Heeroma. Het lijkt erop dat Verhaagen er niet echt mee opgeschoten is. Het nieuwe baantje vergde nog meer tijd van hem dan het oude, weet Ab Visser.

In ‘Avondmaal’ glimmen onder de tafel de meisjesbenen. Verhaagen liet de erotiek in zijn gedichten toe, wat misschien in die tijd en in die kring toch bijzonder was. In de bundels De verboden vrucht en En zij zagen dat zij naakt waren ontloopt hij het beschrijven van de lichamelijke liefde niet. Niet altijd even geslaagd, niet altijd even subtiel: ‘Dan, onverwacht, strek ik mijn handen uit / en maak haar boezem, stevig bolwerk, buit.’ Maar er zijn gedichten bij die langer blijven hangen, niet briljant, maar op zijn minst heel aardig.

Abisag bij David [I]

Omdat geen kleed hem warmen kon, moet ik
nu bij hem liggen, maar ik vrees zijn handen
die koud als marmer aan mijn borsten branden
en die mijn hals betasten tot ik stik.

De aderen zijn rozerood en dik
en als hij mij omknelt, dan gruw ik van de
bijtende haren en de zwarte tanden
en van zijn grondeloze, harde blik.

Soms bid ik vurig: Here, laat hem sterven!
Ik wil niet bij hem slapen, ik wil niet
dat hij mijn jonge lichaam zal bederven.

Maar God vergeet mij en een rillend riet,
zo lig ik in zijn armen, die mij kérven,
mij weerloos schaap, dat men hem slachten liet.


Goed, dat ‘koud als marmer’ is een cliché en David wordt wel erg afschrikwekkend gemaakt met die ‘bijtende’ haren en dat zwarte gebit en ook dat ‘kerven’, met een accent, is overdreven, maar het gegeven uit de Bijbel wordt wel op een originele manier behandeld.

In het tweede gedicht in de cyclus is David in het begin nog steeds onaantrekkelijk, maar aan het eind van het gedicht is hij mild en begripvol:

Mijn boezem is Hachíla, mijn gezicht
Gilboa - daar is Jonathan gestorven...
Ach! drukt hij daarom steeds mijn ógen dicht?


Verhaagen is niet oud geworden. Ab Visser vertelt dat hij al eerder verkondigde dat hij de veertig niet zou halen en dat Visser dat aanstellerig vond klinken voor iemand die lichamelijk niets leek te mankeren. In 1948 ging Verhaagen op vakantie bij vrienden in Turijn. Hij werd getroffen door een hersenbloeding en overleed. De krant waarvoor hij schreef meldde in een ‘kort bericht’ dat ‘de journalist N. Verhaagen’ was overleden. Laten wij niet de journalist, maar de dichter gedenken. Al is het maar voor even.