Mijn vader is van huis uit gewend om ‘s avonds pap te eten. Mijn moeder heeft wel verteld dat ze er heel erg aan moest wennen. Ze vond het vreemd dat bij mijn opa en oma ‘s avonds (om een uur of negen?) de tafel werd gedekt.
Ze heeft het gebruik overgenomen, in ieder geval in de eerste jaren van haar huwelijk. Soms word ik vroeg wakker en dan ga ik snel naar beneden om te kijken of er nog pap van gisteravond over is. Niemand vindt het erg als ik dat gewoon pak.
Mijn moeder kookt de pap altijd zelf. Bij tante Jannie komt de melkboer. Die heeft pap uit flessen, bijvoorbeeld chocoladevla of vanillevla. Of yoghurt. Die maakt mijn moeder ook wel eens zelf, maar het kan zijn dat we die een enkele keer uit de winkel hebben.
Als mijn moeder weinig tijd heeft, eten we beschuitenpap: melk met stukken beschuit erin. Misschien heeft ma er ook nog wat kaneel in gedaan. De beschuit is zacht geworden. De pap is dun en dat eet niet altijd makkelijk, maar ik lust het best.
Soms mogen wij een beschuit met melk: we gieten dan heel langzaam melk op een beschuit. De beschuit absorbeert de melk en wordt dan wel twee keer zo groot. Ik hou ervan om daarna de vellen uit de melkkoker te vissen en die op de beschuit te leggen. Daarna doe ik er suiker op. Heerlijk!
Karnemelksepap eten we verschillende keren per week. Je kunt die warm en koud eten. Niet altijd lukt die even goed. Soms gaat de pap schiften en dan zitten er korreltjes in. Wij vinden dat niet erg. De smaak blijft goed. Over de pap doen we suiker en als hij warm is doen we er ook wel een lepel stroop in. De stroop zit in een kartonnen bus, van De Zeeuwse Boerin.
De melkrijder brengt elke week tien liter karnemelk mee uit de fabriek. We drinken die ook wel bij het brood, maar we maken er dus ook pap van. Soms doet mijn moeder bier (oud bruin) door de pap. Dan wordt het bierepap. Daar zal ook wel wat kaneel in zitten, denk ik. Bierepap is lekker en het klinkt ook best stoer als je kunt vertellen dat je dat gegeten hebt.
Pruimenpap is van bloem gemaakt. Mijn moeder heeft de gedroogde pruimen een nacht lang laten weken en die gaan door de pap heen. De pap heeft een zachte smaak en de pruimen zijn heerlijk. In de kersentijd maakt ma ook wel kersenpap, van de wrak, de kersen die niet helemaal gaaf meer zijn. Die pap is paars. De pitten zitten nog in de kersen, dus na afloop heeft iedereen een hoopje pitten naast het bord liggen.
Soms gaan er heel wat borden pap doorheen. Iedereen mag opscheppen of op laten scheppen hoeveel en hoe vaak hij maar wil.
We hebben ook wel eens tutti frutti over de pap. Dat is meer iets voor de zondag en niet voor door de week.
Op weekdagen eten we wel havermoutpap of rijstepap, soms met rozijnen of krenten. Griesmeel eten we ook wel en daar zitten soms ook rozijnen door. Als we griesmeel op zondag krijgen, is het amandelgries of vruchtengries.
Mijn moeder bestelt bij de boodschappen altijd pudding voor de zondag, van Victrix. We krijgen een keer een spelletje bij de pudding: kaartjes met koppen, lijven en benen van mensen. Die kun je op allerlei manieren aan elkaar leggen, wat een grappig effect heeft.
Er zijn heel veel soorten pudding, zoals frambozenpudding of karamelpudding. Mijn moeder doet ze in kleine bakjes. Dan koelen ze snel af. Er zijn altijd meer bakjes dan er mensen in het gezin zijn. Dus soms kun je meer bakjes leegeten.
Er bestaat ook Saroma. Dat is geen kookpudding, maar kloppudding. Die is best snel klaar. De puddinkjes moeten alleen even opstijven in de kelder. Een koelkast hebben we niet.
Er zijn heel veel soorten pudding en op feestdagen doet mijn moeder die soms in een puddingvorm. Die pudding wordt gestort en dan zie je een druiventros bovenop.
Met custard kun je heel veel maken. Bijvoorbeeld vanillesaus. Die kun je dan over de chocoladepudding doen. Die eten we trouwens ook wel met slagroom. Maar je kunt ook pudding maken van custard.
Het lekkerst is die met lange vingers. Mijn moeder heeft dan vruchtenwijn op een bord gegoten en daar laat ze de vingers in weken. Als je het niet weet: lange vingers zijn koekjes. Het zijn zo’n beetje de eerste koekjes die kleine kinderen te eten krijgen.
Een laagje pudding, een laagje lange vingers, weer een laagje pudding enzovoort. Je kunt de wijn nog goed proeven.
Door de custard kun je ook bitterkoekjes doen, maar die koekjes kunnen ook door de bloempap. Altijd lekker.
Een van de lekkerste toetjes krijgen we in de perentijd. Mijn vader heeft in de boomgaard enkele rijen met Buerré Alexander Lucas. Wij zeggen geen buerré, maar bree, net als bij de bree hardy’s. Een peer voor iedereen brengt mijn vader mee. Mijn moeder schilt die, maar ze snijdt hem niet door en ze laat het steeltje zitten.
Ze kookt de peren in rode wijn, totdat ze helemaal rood zijn. Dan zet ze de peren in bakjes, met een beetje van de wijn eromheen. Dan gaat er chocolademousse over de peren. Dat is smullen. Als we het eten, hebben we allemaal een feestelijk gevoel. We noemen het toetje perendroom.
Dat het klokhuis er nog in zit is geen bezwaar. Bij peren kun je het klokhuis gewoon opeten. Dat leer je nog wel. Een peer eet je ook niet rondom, maar van boven naar beneden. Even het steeltje eruit trekken (dat gaat gemakkelijk als de peer goed rijp is) en dan beginnen te eten bij de punt. Wel oppassen dat de peer niet te rijp is. Sommige peren worden dan melig en andere worden buikziek: die zijn bruin van binnen. Dat is niet zo lekker.
Maar we hadden het over toetjes en wij noemen alle toetjes pap. Over de pap, maar eigenlijk de pudding, hebben we soms sap. Bessensap natuurlijk, maar ook bramensap. Meestal over de ‘gele pudding’. In de aardbeientijd hebben we ook wel aardbeien over de pap. En soms hoef je je niets van het seizoen aan te trekken, want dan zijn er aardbeien of kersen uit de weck. En ook wel eens groentjes. Dat zijn pruimen, die trouwens geel worden als ze goed rijp zijn.
We hebben ook wel eens slemp over de pap: gestoofde pruimen. Die eten we ook wel op brood.
We eten ook af en toe lammetjespap, maar ik weet niet goed hoe die gemaakt wordt. Is die anders dan de bloempap? Waarschijnlijk wel. En er is ook wel brinta, maar dat eet je meer bij het ontbijt.
Als we oud brood hebben, maakt mijn moeder broodschotel: brood in dobbelsteentjes, melk, eieren, rozijnen, kaneel en dan in de oven. Het is heerlijk, maar het is ook machtig, dus je moet niet te veel opscheppen. Wat je opschept, moet je immers opeten. Als dat niet lukt, krijg je te horen dat je ogen groter zijn dan je maag. Maar eigenlijk laat niemand zijn eten staan.
Soms krijgen we wentelteefjes van het oude brood, maar meestal niet als toetje en het komt maar heel weinig voor.
Deense vla is ook erg lekker. Onder in elk bakje doet mijn moeder bessensap met rozijnen erdoor en daar giet ze de dunne custard op. We zeggen altijd Deense vla, maar als het een tijdje in de kelder heeft gestaan, is het meestal wel pudding.
We krijgen ook wel pannenkoeken als toetje. Eerst erwtensoep en daarna pannenkoeken. Maar pannenkoeken krijgen we meestal ‘s avonds, in plaats van brood. Als het winter is, letten we goed op de koeien. Als alle koeien op dezelfde zij liggen, bakt mijn moeder pannenkoeken. Dat komt maar weinig voor.
In de kersentijd bakt tante Met ook wel kersenkoek: pannenkoeken met kersen erdoorheen. Dat doet ze als een van de plukkers een dubbele kers heeft gevonden. Als wij er zijn, eten we ook een pannenkoek mee, in de bongerd.
Als we een keer bij Ome Ab en tante Ria gaan eten, krijgen we ijs als toetje. Dat komt als een blok uit een groot kartonnen pak. Het is heerlijk. Wij hebben geen vriezer, dus dat krijgen we nooit. Er gaat sap overheen.
Ook watergruwel maakt mijn moeder niet, voor zover ik weet. Precies weet ik het niet, maar volgens mij is het bessensap met daardoorheen gort en rozijnen. Heb ik dat wel eens bij een oom of tante op? Of zal ik dat later pas leren kennen als ik op het internaat zit?
Haagse bluf maakt mijn moeder wel eens, maar niet vaak. Dat is ook met bessensap en eiwit, geloof ik. Mijn moeder moet heel lang kloppen met haar garde (wij zeggen: gar) en dan wordt het een soort schuim.













.jpg)



