maandag 6 juli 2026

De fatale vonk. De kruitschipramp van 1807 te Leiden (John Heijink / Berny)

  

Na het ontzet van Leiden (3 oktober 1574) is de buskruitramp, de ontploffing van een kruitschip (12 januari 1807), waarschijnlijk de bekendste historische gebeurtenis met betrekking tot deze stad. Het schip lag aan het Steenschuur (het verlengde van het Rapenburg) en bevatte maar liefst 37 ton buskruit. Een andere bron spreekt van 37.000 pond. 

Ontzachlijk schriktooneel!

De schade was enorm: een flink deel van het centrum werd weggevaagd. Op de plek waar dat gebeurd is, bevindt zich nu het Van der Werfpark. Er kwamen 160 mensen om, meer dan tweeduizend mensen raakten gewond. De dichter Willem Bilderdijk schreef er kort daarna een lang gedicht over: 'Leydens ramp'. Het gedicht beslaat bijna twintig pagina's. Een fragment:

ô Jammer, ô ellend dier ijslijkste aller nachten!
Nog loeit me uw luid gegil afgrijslijk in het oor,
Door de Echo nagebaauwd langs kaalgesloopte grachten,
Waar 't onder 't dof gehuil des stormwinds zich verloor.
De vlam, ter hemelhoogte uit d' afgrond opgestegen,
Spreidde één vervaarlijk licht op al uwe aakligheên.
Haar gloed stroomde als een zee langs de omgedolven wegen,
En joeg door vlakte en puin verwoesting om zich heen.
Ontbladerd stort de kruin der spichte lindenboomen,
Ontworteld ligt de tronk op asch- en steenhoop neêr:
De zilvren Rhijn verliest zijn langbespoelde zoomen,
En vindt in 't stuivend gruis geen' vasten oever meer.

Ontzachlijk schriktooneel! - hoe mengt zich Wanhoops kermen
Met raadloos handgewring en snikken door elkaâr!
Hier klemt een droeve Vrouw 't verbrijzeld Wicht in de armen;
Daar stort ze op 't lijk haars mans in 't schokkendst rouwmisbaar!
Wat heuvel heft zich ginds, wat hoogte daar, voor de oogen?
Wat woelt er op en af en over en omtrent? -
Geslechte woningen met asch en rook betogen!
En alles wat den dood, die nederploft, ontrent!

 Hij noemt het de 'ijslijkste aller nachten'. Dat is beeldspraak lijkt me, want de ontploffing gebeurde om vier uur in de middag. 

Bilderdijk was niet de enige die over de ramp dichtte. A.J. Hanou spreekt in het artikel De ramp van Leiden: eigen schuld? zelfs over duizenden teksten. De titel van zijn artikel verwijst naar de opvatting van sommige predikanten dat de ramp een straf van God was. 

Niet alleen dichters en schrijvers, ook beeldend kunstenaars hebben de ramp verbeeld. Johannes Jelgerhuis toont ons het Rapenburg, drie dagen na de ramp. 


Ik pikte de afbeelding van de website van Historiek. 

De klap moet enorm geweest zijn. In Amsterdam dacht men dat er een oorlogsschip op de Zuiderzee ontploft was, maar er kwamen ook meldingen uit Deventer, Zwolle en zelfs Friesland. Dat is de terug te vinden in het boek dat L. Knappert een eeuw later schreef. Citaten daaruit vond ik hier

Door de ontploffing kwam het Rapenburg korte tijd droog te liggen. Wal en straat werden tot aan de huizen weggeslagen. Hieronder zie je een animatie van de ramp. 



In 1807 was Nederland een deel van Frankrijk en Lodewijk Napoleon was hier koning. Na vijf uur was hij aanwezig en hij liet zich gelden als een betrokken vorst. Hij zette soldaten in, liet het Haagse paleis Huis ten Bosch inrichten als noodhospitaal en riep een rampenfonds in het leven waarin hij zelf het voor die tijd gigantische bedrag van 30.000 gulden stortte. 

Een grote gebeurtenis, niet alleen voor Leiden, maar voor het hele land. Intussen zijn we meer dan tweehonderd jaar verder en mogelijk is de gebeurtenis bij sommigen weggezakt uit het geheugen of heeft die zich er nooit in bevonden. Daarom is het goed dat die geschiedenis weer eens onder onze ogen wordt gebracht. 

De fatale vonk

Dat is gebeurd door de strip De fatale vonk; De kruitschipramp van 1807 te Leiden. Het scenario is van Berny, de tekeningen zijn van John Heijink. Het album bevat een stripverhaal over de ramp en een uitgebreid dossier met historische informatie. 

Dat is zeker interessant om te lezen, maar er zitten qua vormgeving wel wat slordigheidjes in. Kopjes zijn soms dikgedrukt en soms niet, een enkele keer begint een kopje niet met een hoofdletter en soms is een kopje niet als zodanig te herkennen omdat het aan de vorige alinea vastgeplakt zit. 

De tekst is interessant, maar had nog wel enige redactie kunnen gebruiken. Zo zitten er herhalingen in en zijn niet alle zinnen logisch. Een voorbeeld:
Grote hoeveelheden kruit werden in houten vaten vervoerd, vaak bedenkt met natte dekens en zeilen ter bescherming. Toch ontbraken duidelijke regels. 
Het signaalwoord 'toch' past volstrekt niet in deze zin. De suggestie dat het kruit beschermd moet worden, klopt eigenlijk ook niet: men wilde een ontploffing voorkomen, lijkt me. De informatie over de natte dekens en zeilen is dan weer wel interessant. 

Waarschijnlijk ben ik een kniesoor en lezen veel anderen eroverheen, maar mij stoorde het toch, net als het gebruik van het woorden 'centenprentjes' in plaats van 'centsprenten'. 

Van de gebeurtenis is wel een verhaal gemaakt, met personages met wie je kunt meeleven. En passant krijg je historische informatie mee zoals over illegale boterhandel en over hoe schepen voortgetrokken werden. 

Tekeningen

Jammer genoeg zijn de tekeningen in een net iets te lage resolutie gedrukt, waardoor ze niet helemaal tot hun recht komen, maar als je eenmaal aan het lezen bent, lees je daar wel doorheen. Het is Heijink goed gelukt om de historische setting weer te geven. De lezer wordt in no time teruggeplaatst naar de tijd van twee eeuwen terug. 

De strip, met het dossier, lijkt me geschikt voor het onderwijs en ik vermoed dat verder mensen met belangstelling voor geschiedenis in het algemeen en voor Leiden in het bijzonder dit een interessante uitgave vinden. 

Binnenkort komt er een strip met een vergelijkbare opzet uit, over The Pilgrim Fathers, de puriteinen die vanuit Leiden vertrokken naar Amerika. 

Titel: De fatale vonk. De kruitschipramp van 1807 te Leiden.
Tekst: Berny
Tekeningen: John Heijink
Uitgever: C-edition
2025, 32 blz. € 7,50 (softcover) € 16,50 (hardcover)

(binnenkort meer illustratiemateriaal)

vrijdag 3 juli 2026

Afgestoft: Signaleringen (2)

Nu ik wat aan het grasduinen ben in de korte besprekingen die ik schreef voor de rubriek 'Signaleringen' van het tijdschrift Liter valt me op dat die voornamelijk (of misschien wel alleen maar) gaan over gedichtenbundels. In een eerdere bijdrage veegde ik al vijf van deze korte besprekingen bij elkaar en nu heb ik er nog twee. Ze komen uit de derde jaargang Liter (2000), uit nummer 11 en 12. 

Religieuze Gezelle

Als de ziele luistert is een bloemlezing uit de religieuze gedichten van Guido Gezelle. Wie iets van Gezelle weet, zal veel bekends tegenkomen. Van ‘Gij badt op eenen berg alleen’ tot ‘Het schrijverke’ en ‘O! 't ruischen van het ranke riet.’ Dat geeft de poëzie in deze bundel meteen iets vertrouwds en dat is prettig.

Maar in een bundel van meer dan tweehonderd bladzijden staan natuurlijk ook veel gedichten die onbekender zijn, waarmee het aangenaam kennismaken is. Die mix van bekend en volstrekt onbekend maakt deze bloemlezing tot een boek waarin je blijft bladeren en lezen.

De bloemlezing voldoet aan de hoogste eisen die je aan een bloemlezing kunt stellen: een degelijke inleiding met daarin een goede verantwoording van de keuze, een heldere en doordachte opbouw, een goede keuze uit de gedichten en uitgebreide annotaties, die het lezen niet in de weg staan.

Piet Thomas verdeelde de bundel in tweeën: deel 1 (‘Biddenderwijs’) is gebedslyriek, deel 2 (‘Overwegen, mijmeren en belijden’) behelst wat de titel al aangeeft. De delen zijn weer verdeeld in rubrieken als: danken, smeken (deel 1) of De natuur en God en tijd, dood en eeuwigheid (deel 2). Het is maar een greep uit een groot aantal afdelingen.

Bij de keuze van de gedichten heeft Thomas in de eerste plaats naar kwaliteit gekeken. Verder overwoog hij in hoeverre een gedicht thans nog inlevingsmogelijkheden bood. Dat hij op die manier tot een goede keuze kwam, blijkt als je de bundel leest.

In de annotaties toont Thomas zich zeer deskundig. Hij schetst soms de aanleiding tot het gedicht, laat zien in welke context het gefunctioneerd heeft en is goed op de hoogte van de literatuur die erover verschenen is. In noten onder aan de bladzijden zijn woorden verklaard die voor de hedendaagse lezer problemen zouden kunnen opleveren.

Aan de bloemlezing is een cd toegevoegd, waarop Tine Ruysschaert een aantal gedichten leest, afgewisseld met harpmuziek. Dat maakt het helemaal compleet.

Als de ziele luistert is een kwalitatief bijzonder goede bloemlezing. Zo een als Gezelle verdient. 




Maria de Groot

In Brieven uit een hermitage nam Maria de Groot veel gedichten op die geïnspireerd zijn door een reis naar Noorwegen. Dat wordt al duidelijk uit titels als ‘Vikafjell’, ‘Utne’, ‘Het hert van Skjolden’ en ‘Hardangervidda’.

De gedichten geven niet alleen een beschrijving van de bezochte plaatsen, maar ook het verleden klinkt er duidelijk in door. Omdat ook oude Noorse goden als bijvoorbeeld Odin af en toe opduiken en er gerept wordt van onder andere offers en altaren, hebben de gedichten al gauw een mythologische sfeer. Ter illustratie het begin van ‘Rouwsteen’:

Ik gedenk je op de rotsenvidde,
voeg een rouwsteen toe aan de gelaagde
piramide die hier is gestapeld.

Neem mijn offer, schuif het niet terzijde,

[...].


Uit de gedichten spreekt de grote verlatenheid die aan het landschap eigen is. Grond met een geschiedenis, maar zonder de mensen nu. Tegelijkertijd is er een verbondenheid met die grond en is de verlatenheid eerder prettig dan beangstigend.

In de laatste (derde) afdeling is er sprake van een thuiskomst, waarbij het Nederlandse landschap mooi contrasteert met het Noorse:

De geur van nat gras,
de mais zet volle kolven,
nu vlucht de schaduw.


Bij de thuiskomst hoort blijkbaar ook het thuiskomen in het dichterschap, in de taal. De taal neemt zelfs de plaats in van de moeder.

In het slotgedicht vraagt de ‘ik’ zich af of ze in het gedicht zelfs de zoete geuren kan ruiken van ‘eyn sof’, een begrip uit de joodse Kabbala waarmee het Oneindige aangeduid wordt waaruit het geschapene ontvlamt.

Wat vorm betreft, is de bundel nogal divers. Naast vormvaste, bijna klassieke gedichten (sonnetten, een rondeel) staan vrijere verzen en haiku. De eerste soort bevalt mij wat beter dan de tweede, maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Ondanks de diversiteit is het De Groot toch gelukt om van de bundel een eenheid te maken. Ik denk dat dat te maken heeft met de toon die uit de hele bundel spreekt. De stem van de dichteres is in elk gedicht herkenbaar en dat is een verdienste. 

donderdag 2 juli 2026

De schoolfotograaf

Weer een fragment uit een dagboek, deze keer van woensdag 2 augustus 2023. Het gaat alle kanten op: van de schoolfotograaf tot het zingen in de klas en van de politie op school tot de sportdag. Het is een beetje een rommeltje, maar blijkbaar vond ik dat niet erg en ik laat het nu ook maar zo. 

Ik plaats er een paar foto's bij die op school gemaakt zijn. De oudste van Lientje en mij is al in kleur, zie ik. Een paar jaar (?) later is er toch weer een foto in zwart-wit gemaakt. 

Er is ook een foto gemaakt van de eerste en tweede klas, samen met juffrouw De Graaf. Toen zat ik al in de tweede en een foto van alle leerlingen, toen ik in de vijfde klas zat. Misschien bestond de school toen 95 jaar. Zeker weet ik het niet meer. 



Soms komt de schoolfotograaf op school. Iedere twee jaar, schat ik. De fotograaf zet me samen met Lientje in de bank. Lientje draagt altijd vlechten en iemand maakt die vlechten los, zodat ze met los haar op de foto staat. Achter ons een schoolplaat. Ik moet een pen in mijn hand houden.

Ik draag een sweater. Dat spreken wij thuis uit als zwieter. Bij Joekie noemen ze het zwetter en dat vind ik maar raar. Het kan niet kloppen. Onder de sweater draag ik een blouse. Als de foto klaar is, krijg ik hem mee naar huis. Mijn moeder ziet meteen dat er een kraagpunt van het blouse over de sweater zit en eentje eronder. Ze neemt de foto toch.



 
Als ik in een hogere klas zit, komen er foto’s in kleur. Ze worden buiten gemaakt. Ik moet met Lientje op het muurtje zitten van een brugje. Blijkbaar ligt daar een duiker onder het pad door. Het is naast de school. Je kunt tussen de school en het meestershuis (waar Hent en Jo dan al wonen) door naar een boomgaard en daarin staat het huis van Dinie Toone (of Dinie Tonen). Eigenlijk weet ik niet hoe je haar naam schrijft. Er loopt een sloot achter de school langs en achter het huis van Hent en Jo door. Het pad van de straat naar de boomgaard met daarin het huis van Dinie en haar kinderen loopt gewoon door. Je merkt niet dat de sloot eronderdoor gaat. 

Maar goed, ik zit op dat muurtje, met een boek op mijn knieën. Ik ben netjes aangekleed: ik heb een stropdasje om.

Even over Dinie. Die woont alleen; ze is gescheiden. Dat komt weinig voor. Ze heeft drie kinderen: Wim, Gerrit en Jan. Wim is vrij dik en kan niet goed leren. Voor kinderen die niet goed kunnen leren, is er geen extra programma. Ze blijven gewoon zitten aan het eind van het jaar en doen het jaar erop alles nog een keer. Wim is zeker twee keer blijven zitten.

Ik gok dat hij van mijn leeftijd is, maar misschien is hij een jaar jonger. Hij heeft ook nog bij Lientje in de klas gezeten. Gerrit slist een beetje en hij kan goed voetballen. Jan is bevriend met mijn kleine broertje Marinus. Een goede, vriendelijke jongen.

Waar Dinie van leeft, weet ik eigenlijk niet. We zien haar soms lopen op het kerkpad, dat tussen ons huis in de Schoolstraat en dat van buurman Piet Frentz door loopt. Ze gaat dan naar haar vader. Is ze de dochter van de smid?

Dinie is best dik. Het verhaal gaat dat ze soms op twee stoelen zit, wat best kan, want ze is heel breed. Bij het kerstfeest in het CVC-gebouw is ze er ook. Voor haar zit een man die een harde wind laat. Hij draait zich om en zegt tegen haar: ‘Nou, Dinie, dat was vlak achter mij.’ Dinie krijgt een rood hoofd en iedereen denkt dat zij de scheet liet. Dat vertelt mijn ome Ab tenminste. 

Ik ken Dinie als een vrolijke, vriendelijke vrouw.   

Voor zover ik weet, wordt maar een enkele keer een foto van alle leerlingen samen genomen. Ik zit dan in klas vijf, als ik het goed heb. Als ik mijn best doe, ken ik jaren later nog de namen van bijna alle kinderen.

Ik ga graag naar school. Het komt bijna nooit voor dat ik ziek ben. Over het algemeen verzuimen leerlingen weinig. Maar als ik in een van de lagere klassen zit, voel ik mij misselijk. Het gaat duidelijk niet goed met me. Een meisje uit de hoogste klas moet me naar huis brengen. Het is Corrie Frentz, een oudere zus van mijn vriendje Dikkie Frentz. Voor mijn gevoel zijn de meisjes uit de zesde klas al bijna volwassen. Ik vind het dan ook een heel plechtig moment als Corrie met mij meefietst naar de Merkenhorststraat.

Het is winter, de kachel in de keuken is aan. Er staat een haardbankje bij. Eigenlijk zijn het vier vierkante klossen die met een plankje verbonden zijn. Het geheel vormt een U die om de kachel geschoven kan worden.

Blijkbaar is het niet druk, want mijn ouders hebben het ontbijt nog op tafel staan en mijn vader heeft een van zijn voeten op het haardbankje gezet. Ik weet niet zeker of het bankje zo heet, maar ik noem het maar even zo. Mijn ouders zijn verwonderd dat ik thuisgebracht word. Corrie wordt bedankt en waarschijnlijk word ik in bed gelegd. Dat zal wel het bed van mijn ouders zijn geweest. Ik voel me niet goed, maar ik vind het ook wel gezellig dat ik nu thuis ben. 

Zingen

Op school is muziek niet echt een vak, maar we zingen wel veel. Als we in een van de hogere klassen zitten, komt er een platenspeler in de klas. Wij noemen dat een pick-up, wat we trouwens uitspreken als piekup.

De liedjes zijn vrij modern en wij moeten meezingen met de plaat. Met Sinterklaas zijn het niet alleen de traditionele liedjes als 'Zie ginds komt de stoomboot' en 'Zie, de maan schijnt door de bomen', maar ook Piet op het dak:

Piet op het dak
Piet op het dak
Piet met de zak op het dak
En een storm, zeg, enorm!


Piet is maar een heel schriel ventje (‘Wie had gedacht dat hij zo weinig woog?’) en hij gaat met zak en al de lucht in.

Er is ook lied over een verdrietig jongetje:

Wat is er toch met Woutertje, met Wouter, aan de hand?
Hij is de laatste dagen toch zo stil.
Als anderen gaan spelen dan staat Wouter aan de kant.
En niemand weet wat Woutertje nu wil.


Het blijkt dat zijn konijn ziek is en dat hij zich daar zorgen over maakt. Maar aan het eind speelt hij weer gewoon mee, want ‘morgen komt de dokter bij ‘t konijn.’

En ook het lied over het paard van de waard in Bolsward:

Het paard van de waard in Bolsward,
in Bolsward, in Bolsward,
het paard van de waard in Bolsward,
dat heeft maar ene tand.

Daarom kan het beest niet eten,
niet eten, niet eten.
Daarom kan het beest niet eten,
niet eten met die tand.

Geef hem pap van haver
of gemalen klaver
of verrotte stokvis
als de honger erg is.


In de lagere klassen zingen we ook: 'De kop van de kat is jarig', 'Hoofd, schouders, knie en teen', 'Advocaatje ging op reis', 'Ik stond laatst voor een poppenkraam'. Ik hou erg van een lied waarbij we naast de bank mogen staan: En mijn één been staat en de ander moet marcheren. / En mijn één been staat en de ander is soldaat.

Zingen vind ik leuk. Mijn moeder zingt ook veel en ik zing ook. Soms zelfs als ik op mijn fiets zit. Anderen vinden dat af en toe raar, maar dat kan me weer niet zoveel schelen. Een van mijn vriendjes is Bert van Binsbergen. Hij zingt altijd hetzelfde lied, van 'bladie merrie'. Later leer ik dat het gaat om Bloody Mary. Ik zing wel eens met hem mee, want intussen ken ik het ook.

Als ik onder de koe zit, tijdens het melken, zing ik de hele tijd. Mijn vader zegt dat ik dan wel door moet blijven melken.

Sportdag

Eén keer per jaar is er een sportdag. Ik denk dat ik dan al wel in klas vier zit als dat begint. Zo’n beetje alle scholen uit de buurt zijn er dan. In ieder geval de Willibrordusschool, de katholieke school uit Herveld, de school uit Andelst en uit Zetten twee scholen: de Lammerts van Buerenschool en de Ds. Van Lingenschool.

Je moet allerlei onderdelen doen: gooien met de tennisbal en met de grote bal, verspringen, hoogspringen, 60 meter hardlopen. Je resultaten worden opgeschreven en aan het eind van de dag krijg je een diploma. Als je er weinig van terecht hebt gebracht, zit daar een A op geplakt, bij iets minder slecht krijg je een B, C is gemiddeld. Als je het goed doet, krijg je een D en misschien is er ook nog een E voor de heel goede. Ik weet niet of ik twee of drie keer een sportdag meemaak. Ik haal de ene keer een C (of haal ik die twee keer?) en een keer D. Verspringen gaat altijd beter dan gooien.

Politie op school

Gooien brengt me nog een keer in de problemen. Ik ga altijd met mijn vader mee koeien melken. Vaak zijn er meer kinderen op ‘de polder’, die eigenlijk geen polder is maar de uiterwaard. We zeggen ook wel de wèrd.

Vaak gaan we na het melken meteen naar huis. Maar soms gaat mijn vader bij een andere boer praten of komt die bij hem praten. Af en toe zit er een heel groepje te kletsen. Dat kan lang duren en dan moppert mama dat we laat thuis zijn. De kinderen hebben dan wel veel tijd om samen te spelen.

We zijn met een stel kinderen bij de dijk, onze vaders zitten beneden op de uiterwaard te kletsen. Op de dijk is een tijdje terug geteerd. Op de vloeibare teer is puntig grind gestrooid. In het begin ligt er dan nog veel los grind. Je hoort het als je er met de auto overheen rijdt. Nu is het meeste grind al in de teer gereden. Er ligt nog wel wat los langs de kant. Wij maken daarvan heuveltjes op de weg. Daarna duiken we de berm in. We liggen langs de dijk en wachten tot er een auto aankomt. Als die door de bergjes heen rijdt, maakt dat een rammelend geluid.

Ik stel voor om bij de volgende auto met een steentje te gooien. Mogelijk wordt zo’n steentje dan teruggekaatst door de band van de auto. De volgende auto is een sportwagen. Tenminste, zo noemen we het. Het is een laag model, zoals er dan wel meer zijn. Is het een Ford Capri of een Ford Mustang? Zoiets, misschien. De auto stopt en we maken dat wegkomen.

De volgende dag komt de politie op school en ik word uit het lokaal gehaald. Er wordt gevraagd of ik met steentjes op een auto heb gegooid. Ik ontken; het was volgens mij ook maar een enkel steentje. Maar de agent heeft al met meer leerlingen gepraat en Theo Lijbers heeft mijn naam genoemd.

Het blijkt dat ik de voorruit van de auto heb geraakt. Dat is niet best, want het kost mijn ouders een hoop geld en geld is soms een probleem.

Nou ja, we zitten wel altijd netjes in de kleren, al kopen we niet veel nieuw. Meestal krijgen we de kleren van mensen die kinderen hebben die net iets ouder zijn dan wij. En we eten altijd goed. 'Een boer verhongeren en een vis verzuipen - dat valt niet mee', zegt mijn vader altijd.

Sportdag en schaatsen

Terug naar de sportdag. Ik denk dat er ook wel wedstrijden zijn tussen schoolteams, in voetbal en slagbal. Op onze school zitten een paar heel goede voetballers: Sjaak Verwaayen, Karel Grimm en Hans Jansen, die heel snel is. En Elbert Moed en Reinier de Zeeuw kunnen het ook wel. Ik ben er niet zo goed in, al vind ik het wel leuk.

Als ik net in de eerste klas zit en mee mag doen op het plein, weet ik nog niets van voetbal af. Een van de leerlingen zegt dat ik ‘vliegende kiep’ ben, wat ik heel grappig vind. Wat ‘kiepen’ zijn weet ik wel, we hebben zelf een hok vol. Maar het blijkt dat ik keeper moet zijn. Er wordt mij uitgelegd wat die doet, want dat weet ik dan nog niet. Maar ik hoef niet in het doel te blijven, want ik ben vliegende keep en mag gewoon meevoetballen.

Soms, als er ijs ligt, gaan we met de hele school schaatsen. Er zijn leerlingen die dat geweldig kunnen. Die hebben dan ook ‘hoge noren’ en sommige meisjes hebben ‘kunstschaatsen’. Elbert Moed heeft nog weer andere schaatsen en dat blijken ijshockeyschaatsen te zijn.

Ik heb ‘houtjes’, houten schaatsen. Krijgertjes natuurlijk. Ze zijn nooit geslepen, maar dat is niet zo erg. Ik ben geen goede schaatser, maar uiteindelijk kan ik er redelijk mee uit de voeten. Ik ga dan ook wel eens met sommige jongens schaatsen. Meestal schaats ik op een slootje dicht bij huis. Een beetje krabbelen, meer kun je daar niet.

Als er weer een wedstrijd gehouden wordt, steeds met zijn tweeën tegen elkaar, kan ik aardig meekomen, denk ik. Bij de echte snelle jongens heb ik niets te zoeken, maar bij de krabbelaars heb ik een kans. Ik moet tegen Karel Grimm, die er ook niet zoveel van kan.

Toch wint Karel. Hij heeft zijn schaatsen heel los ondergebonden en tijdens de wedstrijd schuift hij ze naar de zijkant van zijn voeten, zodat hij gewoon kan lopen. Zo wint hij alsnog. Dat had hij slim bekeken. 




Schoolfoto van mijn moeder met haar broertjes Ab en Henk

woensdag 1 juli 2026

Het waren toch mijn ouders (Annemieke Waaldijk / Robert Vinkenborg)


Nog voor het boek Het waren toch mijn ouders verscheen, was het nieuws. Het boek is geschreven door Annemieke Waaldijk en Robert Vinkenborg en het gaat over het leven van Annemieke (wat niet haar echte naam is). De ondertitel luidt: Een jeugd vol misbruik

Omdat Annemieke gedetailleerd verslag doet van wat er thuis gebeurde, probeerden haar zussen de publicatie van het boek tegen te houden. Ze hadden delen van het boek vooraf mogen lezen, voor zover ze er zelf in voorkwamen. Ook de zussen hadden overigens aangifte gedaan van misbruik. De rechter oordeelde dat het boek mocht verschijnen. Het verscheen op 4 juni 2026. 

In de pers was toen al gemeld dat het boek handelt over seksueel misbruik binnen een reformatorisch gezin. Door de publiciteit vooraf was het extra druk bij het landelijke Meldpunt Seksueel Misbruik Reformatorische Kerken. Mensen als ambtsdragers (die een functie bekleden in de kerk) en leerkrachten vroegen in groten getale advies over hoe te handelen bij signalen. 

Er komt meer openheid over seksueel misbruik in kerkelijke kringen. Zo verhuisde het Meldpunt Misbruik in Kerkelijke Relaties afgelopen maand naar een pand in Zwolle. Voorheen werkten de medewerkers uit huis. Ook hier was de groeiende vraag naar advies de oorzaak. 

Annemieke groeide op in een groot gezin dat kerkte in een reformatorische kerk. De meisjes in het gezin werden vanaf jonge leeftijd misbruikt door vader. Moeder was daar niet alleen van op de hoogte, maar ze maakte het ook mogelijk. Uiteindelijk werden de ouders veroordeeld: vader tot zestien jaar gevangenisstraf, moeder tot tien maanden. 

Kindermishandeling door falsificatie

Daarnaast had Annemieke erg te lijden onder hoe haar moeder haar aanpraatte dat ze ziek was en haar ook als zodanig liet behandelen. Dat noemen we tegenwoordig kindermishandeling door falsificatie, maar in Het waren toch mijn ouders wordt het nog genoemd bij de oude (en bekendere naam) Münchhausen by Proxy. 

Eerder schreef ik over de graphic novel Jij gaat dood van Nina Blom en Margreet de Heer, die over hetzelfde onderwerp gaat. 

Annemieke Waaldijk maakt bijzonder goed duidelijk hoe een kind zich daaronder voelt. Het kind is loyaal met de moeder en bevestigt wat de moeder gezegd heeft. Het kind wil ook graag geloven wat de moeder zegt, omdat het alternatief, de gedachte dat moeder doelbewust iets doet wat niet goed voor je is, onverdraaglijk is. 

Het kind wordt daardoor in hoge mate afhankelijk van de moeder. Annemieke Waaldijk schrijft:

Mijn wereld draait om haar. Zonder haar weet ik niet wie ik ben of hoe ik moet leven. (...)
Voor een kind is dat bijna niet te begrijpen. Dat je degene van wie je houdt ook associeert met angst. Dat je veiligheid zoekt bij iemand die je onveilig maakt. 
Tegelijkertijd is het heel verwarrend dat de werkelijkheid die je ervaart anders is dan hoe erover gepraat wordt. 

Mama zegt dat ik pijn heb, en dingen niet kan, maar ik voel iets anders. Mama heeft toch gelijk? Maar waarom voel ik dan niet die vreselijke pijn waar zij het steeds over heeft?

Seksueel misbruik

Overdag is er het ziek gehouden worden door moeder en in de nacht komt vader de trap op zijn dochters seksueel te misbruiken. Het is van een gruwelijkheid die je je liever niet voor wilt stellen, maar die wel de realiteit van Annemieke is. Op haar vijftiende jaar lukt het haar eindelijk om haar ouderlijk huist te ontvluchten. 

De meisjes in het gezin zijn allen slachtoffer van seksueel misbruik, de jongens van lichamelijk geweld. De jongens zullen later daar overigens geen aangifte van doen. 

Hulpverlening

Als Annemieke uit huis is, krijgt ze te maken met de hulpverlening (pleeggezinnen, inrichtingen) en dat is een lang en moeizaam proces. Ook daarbij gaat er veel mis. Als ze in behandeling is voor haar eetproblemen, is de dwangvoeding niet minder dan traumatiserend. En de aanpak van de andere problemen gaat ook vaak niet goed, getuigt vaak van onbegrip, sluit vaak niet aan bij wat Annemieke nodig heeft. 

Annemieke beschrijft al die gebeurtenissen en het wordt een lange rij. Intussen heeft Annemieke het ronduit zwaar door alles wat ze meegemaakt heeft. De herbelevingen zijn bijvoorbeeld heftig en Annemieke is suïcidaal. 

Tussen het moment dat Annemieke het gezin ontvlucht en de veroordeling zit een periode van tien jaar. Die veroordeling was in 2025. Dat ze nu met het verhaal in boekvorm naar buiten komt, is te danken aan de journalist Robert Vinkenborg. Het kostte Waaldijk moeite om gesprekken te voeren over wat haar is aangedaan. Vaak ging de communicatie via gesproken en geschreven berichten en ging er tijd overheen tot er een antwoord kwam. Uiteindelijk leidde dat tot een artikel op 27 oktober 2025 in De telegraaf. 

Op 1 december 2025 verschijnt er een artikel over het vonnis onder de titel 'Vader horrorgezin Apeldoorn 16 jaar achter tralies voor jarenlang verkrachten van vier minderjarige dochters.' Die artikelen zijn opgenomen in het boek. 

Ook tussendoor zijn er in Het waren toch mijn ouders steeds bijdragen van Vinkenborg geplaatst, die goed herkenbaar zijn, omdat ze op een grijze ondergrond zijn afgedrukt. Daarin vat hij dingen samen, beziet hij wat er gebeurt van een afstandje. Dat leest prettig. Doordat er wat meer afstand is, krijgt de lezer wat meer ademruimte. 

Streng gelovig

Verschillende keren wordt er gemeld dat het gezin waarin Annemieke opgroeide 'strenggelovig' was. In het verslag van Annemieke komt dat wel voor, maar heel vaak ook niet, zodat je je kunt afvragen in hoeverre het van belang is. Dat belang is er zeker. 

Dat blijkt ook uit een fragment uit een interview met godsdienstpsycholoog Hanneke Schaap-Jonker in het Reformatorisch Dagblad. Een datum wordt door Vinkenborg niet vermeld, zoals de vermelding van de bronnen over het algemeen weinig exact is, maar het stond op 2 december 2025 in het RD.

De oorzaak van het misbruik ligt niet in het geloof, maar doordat de kinderen geleerd is dat ze hun vader en moeder moeten eren is voor hen de situatie nog verwarrender. Soms maakt een gezin deel uit van een hechte kerkelijke gemeenschap. Rinke Verkerk benadrukt in haar boek Het hele dorp wist het de rol van de omstanders en Hanneke Schaap-Jonker noemt die ook:
Als zij wegkijken of iemands leed bagatelliseren, is dat voor een slachtoffer minstens zo erg als het misbruik zelf. 

Dat de ouders voor de buitenwereld heel andere mensen zijn dan voor het gezin is ook moeilijk:

Ik werd als de moeilijke puber gezien, en mijn vader en moeder als de lieve, zorgzame ouders. 

Een lamp voor mijn voet

Ook Liesbeth Labeur heeft geschreven over seksueel misbruik in een bevindelijk gereformeerd gezin in Een lamp voor mijn voet. Als de vader van Neeltje overleden is, wordt hij door gemeenschap zo'n beetje de hemel in geprezen. Neeltje weet dat ze nu nooit meer over het misbruik kan beginnen. 

Het gezin is een besloten gemeenschap en ook de kerkelijke schil daaromheen is dat. Maar ook de inhoud van het geloof speelt mee. De kinderen uit het gezin van Annemieke werden geslagen, soms ook met de Bijbel. En er werd ingespeeld op hun zondigheid, op een mogelijke straf van God. 

Jarenlang is, voor zover ik weet, seksueel misbruik geen gespreksonderwerp geweest binnen de reformatorische gemeenschap. Liesbeth Labeur heeft met Een lamp voor mijn voet een forse poging gedaan om de stilte te verbreken, maar het duurde nog best een tijd voordat het gesprek op gang kwam, voordat er artikelen verschenen in het Reformatorisch Dagblad en er een Meldpunt werd opgericht. Goed dat dat gebeurd is. 

Met Het waren toch mijn ouders lijkt Annemieke Waaldijk nog veel meer het onderwerp uit de taboesfeer te halen. Daar zal de rechtszaak zeker ook aan meegeholpen hebben. Het zou mooi zijn als er uit zoiets naars en verdrietigs toch nog iets goeds kan voortkomen. 

Of het met Annemieke nog goedkomt, weten we niet. Ze heeft al een heel lange weg afgelegd en mogelijk heeft ze nog een lange weg te gaan. Hopelijk helpt het uitbrengen van dit boek haar. 

Annemieke Waaldijk en Robert Vinkenborg, Het waren toch mijn ouders. Een jeugd vol misbruik. Uitg. De Kring. 288 blz. € 23,50

dinsdag 30 juni 2026

Blik vooruit

Afbeelding gemaakt met kunstmatige intelligentie

Even een berichtje tussendoor om je te melden wat je kunt verwachten. De mondelinge Staatsexamens zijn namelijk weer begonnen en dat wil zeggen dat ik verschillende dagen in de week examineer. Deze week en volgende week komen mijn schooldagen er nog bij en ik werk ook nog een dag bij 113. 

Ik probeer zoveel mogelijk tijd te vinden om hier recensies te plaatsen. Het streven is altijd drie recensies in de week, met om de andere post een stuk over een stripalbum. Mijn lezen loopt voor op mijn schrijven, dus ik heb nog wat voorraad. Maar ik moet wel tijd vinden om die stukken daadwerkelijk te schrijven. Als ik bij 113 late dienst heb, kan ik in de ochtend wel wat schrijven, maar als ik een dagdienst heb, doe ik in de avond niets meer. En na een dag examineren en weer naar huis rijden (de komende week examineer ik in Zwolle), heb ik de pap meestal ook wel op. 

Elke week plaats ik ook een stukje met jeugdherinneringen, die ik meestal gewoon uit een dagboek kan knippen. Dat kan tussendoor. Het afstoffen van oude recensies laat ik misschien de komende maand een beetje zitten. 

Wat staat er in de wachtrij? Waarover ga ik schrijven? Een vooruitblik. 

Deze week nog kun je een bijdrage verwachten over Het waren toch mijn ouders van Annemieke Waaldijk en Robert Vinkenborg. De ondertitel is 'Een jeugd vol misbruik'. Non-fictie, die bij vlagen ook wel leest als fictie en dat maakt het weer lastig om er zuiver over te schrijven, omdat ik ook de neiging heb om te kijken o het wel goed geschreven is. Maar dat is hier niet zo gepast. 

Het onderwerp is belangrijk, lijkt me, en ik wil in de recensie nog wat andere boeken noemen met eenzelfde soort onderwerp. Morgen wil ik het schrijven. 

Daarna schrijf ik over een strip: De fatale vonk. De kruitschipramp van 1807 te Leiden. De gebeurtenis is redelijk bekend, denk ik, maar niet bij iedereen. Aan de strip is een uitgebreid dossier toegevoegd. Tekst, Berny, tekeningen John Heijink. Bij uitgeverij C-edition gaan meer van zulke strips verschijnen. De eerstvolgende gaat over de Pilgrim Fathers. Mogelijk dat je met dit soort strips toch een nieuw publiek voor geschiedenis bereikt. 



Daarna een boek dat veel mensen plezier zal geven: Het ABC van JP 2; Op taalavontuur door de supermarkt van J.P. Pellemans. Daar wil ik volgende week over schrijven. Het lijkt me een stuk dat gemakkelijk uit het toetsenbord zal rollen, maar we zullen zien. Het boekje is leuk om cadeau te geven (aan jezelf of een ander) en voor de vakantie. 

Dan de strip Voetsporen van Milan Hulsing, een verstripping van vijf verhalen van Karel Čapek. Prachtig werk. Is al een tijdje uit, maar ik las het nu pas. 

Daarna ga ik schrijven over de biografie van Geertruida Kapteyn-Muysken, door Maite Karssenberg. Tot voor kort had ik niet van deze schrijfster gehoord en ook niet van de gebiografeerde. Het is een geweldig boek en ik hoop dat ik in mijn stuk mijn enthousiasme kan overbrengen. Het boek is nog maar net uit, maar het staat al op de Longlist van de Libris Geschiedenisprijs. Evenals trouwens de biografie van Nicolaas Beets, die ik zeker nog wil gaan lezen, maar ik heb die van Bomans en Michaël Zeeman ook nog liggen. 

De titel van de biografie van Karssenberg is Dubbelleven, Geertruida Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie. 

Ten slotte zal ik schrijven over de strip De lange mars van Lucky Luke door Matthieu Bonhomme.

Dat is wat ik intussen uit heb. Al verschillende keren heb ik geschreven dat ik aan het lezen ben in een boek over koloniale oorlogen. Dat lees ik nog steeds, beetje bij beetje. Het eerstvolgende boek dat ik uitlees is waarschijnlijk Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes van Hendrik Smeeks, hertaald door Arjen van Meijgaard. En qua strips: Apache junction 6, Dead End door Peter Nuyten en Columbusstraat, Een familiegeschiedenis 1935-1945 van Tobi Dahmen. Het kan altijd zijn dat er zomaar een boek tussendoor komt, maar dit is wat ik tot nu toe kan voorzien. 

Als je eenmaal gepensioneerd bent, wat ik sinds kort ben, is de neiging tot achteromkijken groter dan die tot vooruitkijken. Ik heb ook veel meer verleden dan toekomst. Voor die terugblikken gebruik ik de dagboekstukjes. Voor de rest: blik vooruit!



maandag 29 juni 2026

Twaalf (Hanna / Boivin / Georges)

Twaalf is een bijzonder getal. Niet alleen gaan er twaalf maanden in het jaar en geeft de klok twaalf uren aan, maar we kennen ook een benaming voor een twaalftal (dozijn) en voor twaalf twaalftallen (gros). Het heeft ook Bijbelse connotaties: Jezus had twaalf discipelen, Jakob had twaalf zonen, het volk Israël twaalf stammen. En ook in andere mythes komt het getal twaalf voor: zo moest Herakles twaalf werken uitvoeren en op de Olympus huisden twaalf hoofdgoden. Je kunt het getal twaalf dan ook bijna niet gebruiken zonder dat er een zekere symboliek aan hangt. Datzelfde geldt ook voor het getal zeven. 

Bij uitgeverij Silvester is er een hele serie albums verschenen die gebaseerd zijn op dat getal zeven: van Zeven detectives en Zeven draken tot Zeven psychopaten en Zeven pistoleros. En nu is er Twaalf. Dat heeft eenzelfde soort opzet. In plaats van zeven worden er twaalf mensen bijeengebracht. Ze hebben allemaal een opdracht en je komt er snel genoeg achter wat die is. 

De cover zegt ook al wat. Die is donker en je moet goed kijken wat er, in bruin, afgebeeld is. Dat blijken allemaal schietwapens te zijn. Een kenner zal ze zeker herkennen, maar ik kom niet verder dan pistool, revolver, geweer, automatisch wapen. En we zien een masker.

Hydra

Het masker wordt gedragen door een mysterieuze man, die Hydra wordt genoemd. Dat verwijst naar een veelkoppige draak, die moeilijk te verslaan was. Als je een kop afhakte, groeiden er twee terug. Niet voor niets is er in het Marvel-universum een organisatie die Hydra heet. 

Hydra zou zich zo noemen omdat hij een afbeelding van een hydra op zijn lichaam had laten tatoeëren. Van tijd tot tijd organiseert hij een diner voor twaalf mensen. Uiteindelijk is er maar eentje die het overleeft. 

In de strip, geschreven door Herik Hanna, arriveren de twaalf gasten in het gebouw waar ze zullen dineren. Ze praten wat en maken kennis met elkaar. Sommigen kennen elkaar, maar ze weten dat het deze nacht ieder voor zich zal zijn en dat ze niemand kunnen vertrouwen. 

Het diner zal in stilte verlopen en daarna gaat ieder naar zijn kamer. Om middernacht begint het: ieder probeert de nacht te overleven en de anderen uit te schakelen. Een van de deelnemers is dat enkele jaren geleden al gelukt. 

Verschillende kwaliteiten

Het wordt spannend en gewelddadig. De personages zijn uitgebreid geïntroduceerd en je weet wat hun achtergrond is. Daar is best wat tijd voor ingeruimd, zonder dat het verhaal stilvalt. Alle personages hebben hun eigen kwaliteiten. 

Dat kennen we van groepen die gezamenlijk optrekken van the X-men, the A-team en de groep van Bruno Brazil tot The Umbrella Academy, the Teenage Mutant Ninja Turtles en the Fantastic Four. Daar gaat het echter om mensen die in een team samenwerken en elkaar moeten aanvullen. Hier moet ieder het opnemen tegen alle anderen, afzonderlijk of gezamenlijk. 

Het verhaal zit goed in elkaar. Hebben de personen gelijke kansen of is er vooraf door sommigen iets bekokstoofd? En wordt deze avond niet gebruikt om juist de Hydra uit te schakelen? Hoe dat afloopt, kan ik hier natuurlijk niet verklappen, maar de uitkomst is zeker verrassend te noemen. 

Gewelddadig en menselijk

Aan de ene kant is het verhaal van Twaalf hard en gewelddadig, maar de personen blijven toch ook menselijk, zodat je je met hen kunt identificeren. Ze zijn net iets meer dan moordmachines. Van de onderlinge gesprekken voor het diner zou je kunnen denken dat die verhaal ophouden, maar ze zorgen ervoor dat je de mensen leert kennen, dat je ze uit elkaar kunt houden en dat je voor sommige sympathie krijgt, zodat je met meer betrokkenheid het verhaal leest. 

Maar in de tweede helft gaat het hard en wordt de een na de ander uitgeschakeld. Daar blijf je als lezer toch met een zekere afstand naar kijken. Maar misschien is het genoeg dat het spannend is. 

De personages proberen het hoofd koel te houden en hun dialogen zijn boeiend. Er zit in de gesprekken een zekere luchtigheid, die je ook wel nodig hebt. Hoewel het een heftig verhaal is, wordt het niet loodzwaar. Soms wordt er wel wat op het effect gespeeld, maar daar heb ik me niet zo aan gestoord. 

Tekeningen

De tekeningen zijn van Hervé Boivin (inkleuring door Gaétan Georges) en die zijn helder, wat prettig is. Op die manier wordt een tegenwicht gevormd voor het duistere. Het is knap dat alle personages aandacht krijgen. Zo heeft iedere deelnemer zijn eigen menu en de gevulde borden worden alle twaalf getekend, in twaalf vierkante tekeningen. Daarnaast zie je juist weer een paginagrote tekening, waar het gezelschap aan tafel zit. Je ziet het van bovenaf. Door het overzicht krijgt het de allure van een laatste avondmaal, wat het voor bijna allen ook zal zijn. 

Als het middernacht is geweest, zie je om het andere plaatje een klok en daartussen steeds een personage dat zijn (of haar) wapen klaarmaakt, niet wetend hoe lang zijn (of haar) leven nog zal duren. Ieder kan de klok bijna horen tikken. 

Twaalf is niet een diepzinnige strip, maar dat hoeft misschien ook wel niet. Het is een spannend verhaal, met een onverwachte afloop. Je moet misschien van dit soort strips houden, maar ik denk dat er heel wat mensen zijn die zo'n verhaal kunnen waarderen. Ondanks de heftigheid, is het redelijk lichte kost. 

Titel: Twaalf
Scenario: Henrik Hanna
Tekeningen: Hervé Boivin
Inkleuring: Gaétan Georges
Vertaling: Dieter van Tilburgh
Uitgever: Silvester Strips
2026, 72 blz. € 24,95 (hardcover)

zondag 28 juni 2026

Schandoalen op d'n dijk! (De korte broek)

Bij Ouwenhands Dierenpark, in korte broek. Met zus en broertje.

Geregeld luister ik naar oude popmuziek, uit de jaren zestig en zeventig, bijvoorbeeld op Radio 192. Een van de presentatoren, Rob van Wezel, zegt wel eens bij het uitzenden van een top 40 uit pakweg 1965: 'Toen liep ik nog in korte broek.' En dat wil dus zeggen dat hij nog een klein jongetje was. Grote jongens, en zeker volwassen mannen, liepen niet in korte broek. Dat was kinderkleding. 

Van Wezel is twee jaar ouder dan ik; ik ben van 1959. Onlangs vroeg ik me af wanneer die overgang was van korte tot lange broek. Helemaal zeker weet ik het niet, dus corrigeer me vooral als mijn geheugen weer eens loopje met me neemt, maar ik vermoed dat de scheiding tussen kort en lang lag bij de overgang van de vijfde naar de zesde klas. Voor de jongere lezer: bij de overgang van groep zeven naar groep acht. 

Als je eenmaal in de hoogste klas zat, hoefde je in de zomer niet meer de korte broek aan, dan was je 'groot'. Het voelde als een overgang vergelijkbaar met die van je zesde verjaardag, als je naar 'de grote school' ging, naar de eerste klas (nog maar waar eens uitgelegd: nu groep 3). Daarvoor zat je op de kleuterschoool, maar hoeveel kinderen daarheen gingen, weet ik niet. Mijn ouders stuurden mij daar niet heen. 

Op de middelbare school droeg geen enkele jongen een korte broek. Meisjes deden dat wel: het was begin jaren zeventig en toen was de hotpants in de mode. Maar ik beperkt me in dit stukje tot de korte jongensbroek. 

Bij gym droegen we natuurlijk een sportbroekje, maar bij het naar school gaan haalde niemand het in zijn hoofd om in korte broek te komen. Een anekdote van nog eerder maakt dat misschien nog wat duidelijker. 

Het was eind jaren vijftig. Mijn moeder hielp bij een gezin waarin net een baby geboren was of geboren zou worden. Voor degenen die bekend zijn met de situatie in Hien: het was het gezin van Dirkje en Marinus Crum, in de 'stikke drèj'. Het huis stond onder aan de waaldijk, in een bocht. Terwijl Dirkje en mijn moeder op een zomerdag binnen bezig waren, kwamen twee kinderen opgewonden van buiten: 'Mama, mama! Schandoalen op d'n dijk!' 

Daar liepen twee mensen in korte broek. Mijn interpretatie van nu is dat daar waarschijnlijk twee mensen liepen die aan het trainen waren voor de Vierdaagse van Nijmegen. In de weken daarvoor zagen we geregeld mensen die 'zomaar' aan het wandelen waren. Dat deed je ook niet, maar dat is een ander verhaal. 

Toen mijn moeder dat jaren later aan ons vertelde, deed ze dat wel met een brede glimlach. De kinderen hadden er indertijd geen idee van dat mensen in korte broek konden lopen, zonder er 'vur schaand' bij te lopen. Het laat wel zien hoe ongebruikelijk de korte broek was. 

Volwassen mannen in korte broek, dat moesten wel 'stadsen' zijn, mensen die meer rare gewoonten hadden, zoals op vakantie gaan. In mijn familie ging er niemand op vakantie. Juist in de zomer was het druk, met bijvoorbeeld het oogsten van het fruit en met het hooien. 

Waren er dan geen plattelanders in korte broek? Hier en daar wel. De zoon van loonwerker Hanhart, Tutje, zat in korte broek op de trekker. Mijn vader vertelde dat er wel altijd bij: Tutje zat op de trekker 'in een kort bökske' en reed nogal hard over het land. Een wilde jongen blijkbaar, die zich niet aan de regels hield. Daar werd goedmoedig om geglimlacht. Ik herinner me meer verbazing dan afkeuring. 

Mijn vriendin vertelde me dat ze een katholiek vriendje had, uit een ander dorp. Die zou op een zondag met haar en het gezin van haar ouders meegaan naar de kerk. Toen hij de kerkbank in schoof, bleek hij een kort sportbroekje aan te hebben. Vanuit zijn gezichtspunt was het al heel wat dat hij naar een protestantse kerk ging, voor het gezin van mijn vriendin was het volstrekt ongepast. Eigenlijk droeg je al geen korte broek en zeker niet als je naar de kerk ging. 

Ooit hoorde ik iemand het volgende rijmpje opzeggen:

Al doet de zomer ons nog zo zweten, 
de korte broek is voor proleten. 
Wie de auteur van deze regels is, weet ik niet. Degene die het korte gedichtje citeerde, was waarschijnlijk bezig met een achterhoedegevecht. Op mijn werk zie ik heel wat mannen rondlopen in een korte broek. Die broek is in de loop der jaren wel langer geworden: op de knie of maar een klein beetje erboven. De korte broek is gewoon geworden. 

In de zomer ben ik examinator voor de Staatsexamens en daar is de korte broek nog taboe. Toen een nieuwe examinator in een korte broek verscheen, werd hij teruggestuurd. Als vertegenwoordiger van de Staatsexamens, diende hij gepast gekleed te gaan. 

En ik? Ik haal het niet in mijn hoofd om in korte broek naar mijn werk te gaan. Het zal iets uit mijn jeugd zijn: als je 'groot' bent, hoor je niet in korte broek te lopen. Als ik in een vakantie ga wandelen in de bergen loop ik wel in korte broek, wat aan de ene kant prettig is (niet zo warm) en aan de andere kant ook ongemak geeft: als ooit-roodharige moet mijn bleke huid zorgvuldig ingesmeerd worden als ik verbranding wil voorkomen. 

Als ik in en om het huis ben, zou ik best een korte broek aan kunnen trekken. Ik heb zulke broeken immers in mijn garderobe, maar meestal denk ik er domweg niet. Mijn vriendin moet me er dan op attent maken dat ik best een korte broek had kunnen aantrekken. En soms doe ik dat dan alsnog. Vaak ook niet. 

Het is warm in deze dagen. Mocht je mij zien lopen in mijn spijkerbroek, dan weet je hoe het komt. Iets uit mijn jeugd. 


Misschien heb je ook belangstelling voor deze bijdragen:

(over het gebruik van washandjes en katoenen zakdoeken. En het strikken van veters)
Aan de deur (een serie bijdragen over de mensen die bij ons aan de deur kwamen)