Wat lezen betreft, ben ik niemand iets verschuldigd; ik kan lezen wat ik wil. Toch voel ik een zweem van schuldgevoel als ik het werk van een schrijver veronachtzaam. Ik had het bijvoorbeeld bij Wessel te Gussinklo, van wie ik pas in 2020 voor het eerst een roman las en ik heb het eigenlijk ook bij Allard Schröder.
Van hem las ik Raaf (1995) al snel na verschijnen en die roman beviel me goed. Maar daarna las ik niets meer van hem, zonder voor mij achterhaalbare reden. Grover (1999) werd genomineerd voor twee literaire prijzen, De hydrograaf (2002) werd bekroond, maar ik liet de boeken ongelezen. Wel heb ik onlangs die laatste roman meegenomen uit een kringloop (netjes betaald, hoor), dus die zal ik nog wel gaan lezen.
Zeker nu ik de nieuwste roman, Dood en leven van de jonge Selder heb gelezen. Goed boek. En het soort boek waarvan ik hou. Het is een boek waarin gespeeld wordt met verbeelding en werkelijkheid. Van sommige delen weet je niet of die nu werkelijk zijn of dat ze alleen in het hoofd van het personage bestaan. Dat vind ik altijd heerlijk. Daarom hou ik ook van romans als Door de waterspiegel (2014) en De vrolijke verrijzenis van Arago (2019) van Tomas Lieske.
De titel Dood en leven van de jonge Selder doet me, door dat 'jonge', denken aan Het lijden van de jonge Werther, en ook wel aan Het leven en sterven van een hedendaags aristocraat van Gerrit Paape, maar mogelijk is dat toeval. Die jonge Selder is Robert Selder, afkomstig uit een welgesteld milieu uit 'de voorstad' en studerend in 'de universiteitsstad'. Nou ja, niet echt studerend - hij voert al anderhalf jaar niets uit.
Feest in Villa Nysa
Als hij zijn ouderlijk huis weer eens bezoekt, vindt hij post die voor hem bestemd is. Een uitnodiging van zijn oud-klasgenoot Denis Lenaeus, voor 'een feestelijke bijeenkomst' in Villa Nysa, diezelfde dag nog. Robert gaat erheen.
Onderweg naar de Langelaan kwam er een onvrijwillige herinnering in hem op, die met haar te maken had, degene van wie hij was weggelopen. Of was zij van hem weggelopen? Op momenten dat hij alleen met zichzelf was, dacht hij vaak aan haar, terwijl hij zich toch had voorgenomen dat nooit meer te doen.
Die vrouw blijkt Katja Camberling te heten en als lezer wil je weten wat er tussen die twee is voorgevallen. Er wordt al wel snel verteld dat Robert bij haar weggelopen is, uit angst dat ze anders bij hem weg zou lopen. Maar het fijne ervan is dan nog lang niet duidelijk. Later wordt verteld dat hij twee keer bij haar is weggelopen.
Bij het betreden van het terrein van de Villa Nysa heeft Robert het gevoel dat hij een onzichtbare grens passeert, 'maar als dat zo was, waar was hij dan terechtgekomen?' Wat Robert verder overkomt op het feest lijkt werkelijk, maar door dit soort zinnetjes is er al een beetje gemorreld aan de betrouwbaarheid van zijn waarnemingen. Bovendien nuttigt Robert nogal wat alcohol, wat zijn werkelijkheidsbeleving ook zal beïnvloeden.
Hij ontmoet Katja inderdaad (ze heeft intussen een kind), maar Denis, de gastheer, blijkt in geen velden of wegen te bekennen. Na verloop van uren vindt Robert zichzelf terug onder een struik, waar hij blijkbaar geslapen heeft, Hij loopt naar de weg en wordt daar aangereden door auto. Alles wordt zwart.
In Almannië
In het volgende hoofdstuk gaat het verhaal echter verder en bereikt Robert gewoon het ouderlijk huis, waar iedereen erg ongerust is. Maar als hij met de auto van zijn moeder naar de universiteitsstad gaat, verdwaalt hij en hij komt in een compleet andere wereld terecht. Hij kan er niets met zijn telefoon, zijn geld is onbruikbaar en niemand heeft ooit van het koninkrijk der Nederlanden gehoord.
Onderweg was hij gestopt en had toen gedroomd van een verre, wonderlijke stad, die als een luchtspiegeling aan de horizon was verschenen. Is hij daar uiteindelijk terechtgekomen? In ieder geval is hij beland in Almannië, dat gelokaliseerd zou kunnen zijn waar Duitsland ooit was, maar het is allemaal met onduidelijkheden omgeven. In welke tijdlaag beweegt Robert zich?
In de stad waar hij terechtkomt is zijn verhaal volstrekt ongeloofwaardig en hij blijkt gevaar te lopen omdat hij er illegaal verblijft. Uiteindelijk krijgt hij woonruimte aangeboden door iemand die hij niet vertrouwt en later komt er een jonge vrouw bij hem wonen, Aliese, die ook illegaal is. Ze is moeilijk te benaderen, maar Robert gaat zich aan haar hechten. Dan wordt ze opgepakt door de Zekerheid, zoals de politie (of de geheime dienst) heet.
In het leger
In een poging zijn aanwezigheid te legaliseren, meldt Robert zich aan bij het leger. Daarbij neemt hij een andere naam aan: Reyer Elders. Hij komt in een oorlog terecht. Uiteindelijk wil hij Aliese gaan zoeken.
Als lezer leef je met Robert/Reyer mee. Zijn leven is totaal veranderd: van een leven in de voorstad en de universiteitsstad naar een leven als illegaal en als soldaat (velder) in Almannië. Het moeizame van een illegaal heb ik in de literatuur maar weinig zo goed beschreven gezien. Het eerste boek waaraan ik moest denken was De weg naar het noorden (1995), bij de beschrijving van het soldatenleven had ik vooral associaties met Montyn (1982).
Het is een onwerkelijk leven en dat roept bij Robert de vraag op hoe werkelijk zijn leven daarvoor was. In welk leven bestaat hij echt?
Slecht op zijn gemak keek Elders om zich heen. In een vlaag van verwarring vroeg hij zich af wie het eigenlijk was die er in zijn gedaante door dit woud liep, was het Robert Selder of Reyer Elders of opnieuw iemand anders die zich tot dan in hem had schuilgehouden?
Nog weer later neemt hij de naam Redsel aan. Hij gaat dan met medevelder Alberecht naar diens oom Winewin.
Als dat achter de rug is:
De momenten dat hij wakker was en min of meer helder in zijn hoofd, vroeg hij zich af wie het eigenlijk was die daar in bed lag. Was dat Reyer Elders de velder, Redsel de door Alberecht verzonnen welgestelde zoon van Armen of Robert Selder, kind van de voorstad? Of lag er een nieuwe gestalte van hem in dat bed, die nog geen naam had?
En in een andere passage:
Zijn aardse leven was steeds dat van een simpele rationele materialist geweest, zoals dat van zoveel anderen, maar er was ook dat andere, onaardse leven, het leven van alles wat hij dacht en droomde, waarin hij net zo goed bestond. Misschien waren er nog meer onstoffelijke gestalten van hem, waarvan hij totaal geen weet had. Misschien was hij veel meer dan hij besefte.
Maar hij twijfelt ook aan zijn leven in de voorstad, dat ooit aards, concreet was:
Moest hij geloven dat hij altijd in een verzonnen wereld had geleefd en dat de voorstad altijd een luchtspiegeling was geweest, waarin je alleen kon wonen als je zelf ook een luchtspiegeling was?
Oom Winewin
Als ze in de buurt van oom Winewin komen, steekt er een centaur met zijn kroost over. Alberecht weet dat er onder invloed van zijn oom vreemde dingen kunnen gebeuren. Oom Winewin wordt in verband gebracht met de Dionysus. Op de stofomslag van de roman staat een masker van Dionysus afgebeeld.
Roberts oud-docent Sleen heeft ooit de link tussen Denis en Dionysus gelegd:
Je bent hier in de tuin van Dionysus, m'n beste jongen. We zijn hier ter ere van hem. We vieren hier de wijn en de dood, de geilheid en duizend gezichten van de god.
Misschien had zijn dromende hoofd, zoals een radio een zender ontvangt, signalen van Denis ontvangen. Als de god die hij volgens Sleen moest zijn, die zich hier onder de mensen had begeven, kon hij die zenden.
Dat Denis invloed op hem heeft, is wel duidelijk.
Het was waar, zonder dat hij zich kon verzetten had Selder zich altijd aangetrokken gevoeld door Denis Lenaeus' rattenvangerige aanwezigheid - je had steeds het verlangen in zijn buurt te zijn, hij zoog je naar zich toe, alsof je nog een zweterige tiener was en hij je idool.
Duizend gestalten
Oom Winewin zegt dat Denis duizend gestalten tot zijn beschikking heeft en kan zijn wie hij wil. Ook vertelt hij dat de nacht, de roes en de dood van Denis zijn, omdat ze eigenlijk hetzelfde zijn.
Pas op, jongen, hij is een verleider. Hij laat de mensen uit zichzelf treden, vooral als ze dronken zijn of in welke roes ook verkeren, maar altijd wanneer ze sterven. De extase van het stervensuur is zijn werk, hij laat de stervenden, teder als hij dan is, uit zichzelf treden en zorgt dat hun zielen weer oplossen in het ene geheel waar ze ooit vandaan zijn gekomen.
Opmerkelijk is dat Denis vroeger in de klas ook een uitspraak over het sterven gedaan heeft die op eenzelfde manier begint als wat oom Winewin zegt.
'Pas op, jongens, als jullie doodgaan,' had hij gapend gezegd, 'dan vliegt de ziel niet een tijdloze bovenzinnelijke wereldruimte in, of hoe het daar ook heet. Het tegendeel gebeurt, de eeuwigheid verschijnt aan jou en ontvouwt zich in jou - wees maar niet bang, dat neemt maar een ondeelbaar kort moment in beslag, al kan het voor mensen een eeuwigheid duren - het ogenblik van de dood is voor hen nu eenmaal eindeloos kort en eeuwig lang tegelijk.'
Een ondeelbaar moment dat een eeuwigheid kan duren: is dat wat Robert overkomt nadat hij door een auto is aangereden? Voor zijn gevoel is hij enkele jaren in Almannië geweest, maar is dat ook zo? Dat doet weer sterk denken aan De trein der traagheid (1950) waarin drie mensen na een treinongeluk dwalen door het niemandsland tussen leven en dood.
Robert heeft de stem van Denis in zijn hoofd gehoord en die kondigt aan dat hij vanaf nu een balling zal zijn en dat hij zal moeten wachten tot hij geroepen wordt. Hij zal een zwervend bestaan leiden tot hij bij zinnen komt. Dat is ook wat er gebeurt. Waar Robert ook is, in welk van zijn levens dan ook, steeds duikt er een gestalte op waarvan Robert weet dat het Denis is.
Maar wat moet hij ermee? In zijn hallucinaties ziet hij steeds mensen die wachten.
Opnieuw vroeg hij zich af waarom hij in zijn hallucinaties zo vaak mensen aantrof die ergens op wachtten. Ze kwamen allen uit zijn hoofd, het waren zijn scheppingen, maar waren al die mensen dan ook min of meer zoals hij?
Bestemming
Het laatste hoofdstuk heet 'Bestemming'. Het lijkt erop dat het leven van Robert Selder een tijd zonder richting is geweest en dat hij uiteindelijk een bestemming moet kiezen, moet bepalen wat hij echt wil met zijn leven. Speelt Katja daarbij een rol?
De verhouding met Katja wordt gespiegeld in die met Aliese, die van hem weggevoerd wordt, maar voor wie hij duidelijk wel zijn best wil doen, wat hij tot nu toe voor Katja niet gedaan heeft.
Ook al was hij bij haar weggelopen, nooit was hij haar kwijtgeraakt, altijd was bij hem achtergebleven als deel van hem, soms fel en levend, soms een beetje zeurend als een oude wond, die nooit werkelijk ernstig was geweest, maar hem wel vaak had lastiggevallen.
Dit soort lijnen vind je door de hele roman: Denis die steeds opduikt (of op lijkt te duiden), de relaties met Katja en Aliese, de vioolmuziek (in de villa speelde een vrouw viool), het wisselen van identiteiten, je ergens thuis voelen of je ontheemd voelen, de onduidelijke grens tussen waan en werkelijkheid. Dat maakt Dood en leven van de jonge Selder tot een hecht gecomponeerd boek, waarbij de compositie niet zo nadrukkelijk wordt dat die je in de weg zit. Het is ook gewoon een spannend boek, waarin je maar blijft lezen, omdat je wilt weten hoe het afloopt met Robert.
Wat waan is en wat werkelijkheid en wat er nu echt gebeurd is (zo dat al uit te maken zou zijn), laat ik hier in het midden. De verwarring waarin je als lezer verkeert, maakt deel uit van de charme van het boek en die wil ik niet van je wegnemen.
Het zal duidelijk zijn: in het kamertje met boeken die ik nu toch onderhand eens zou moeten lezen, moet ik op zoek gaan naar De hydrograaf. En daarna naar het andere werk van Allard Schröder. Dood en leven van de jonge Selder is een intrigerend en verbluffend boek dat me doet verlangen naar meer.
Allard Schröder, Dood en leven van de jonge Selder. Uitg. De Arbeiderspers, 2026; 448 blz. € 29,99 (hardcover, stofomslag)


.webp)
.webp)
.webp)
.webp)
.webp)
.webp)
.webp)
.webp)





.jpg)
.jpg)
.jpg)












