vrijdag 23 augustus 2019

Podcast: CIP



Tijdens het zoeken naar podcasts voel ik me soms als iemand die op een rommelmarkt in dozen met boeken zoekt: je komt boeken tegen die je al gelezen hebt, boeken die je wel kent maar niet hoeft te lezen en ook boeken waarvan je nog nooit gehoord hebt en waarvan je ook niet weet wat je ermee aan moet.

Zo stuitte ik onlangs op de podcast CIP, een podcast die gemaakt is door christenen. Nooit eerder van gehoord. De bijbehorende website is gemakkelijk te vinden, maar daarop staat geen statement waarin duidelijk wordt met wat voor christenen je te maken hebt. Als het er wel staat, heb ik het zo gauw niet gevonden.

Zelfs waar de afkorting voor staat, was me niet meteen duidelijk. Bij het googlen kwam ik betekenissen tegen als Centrum Integrale Pschychiatrie en Cleaning In Place, maar gelukkig ook Christelijk Informatie Platform en dat zal het wel zijn.

Veel afleveringen

Voor wie zich helemaal wil onderdompelen in de christelijke podcast: er zijn intussen al meer dan negentig afleveringen online gezet. Een aflevering duurt meestal tussen een half uur en drie kwartier, wat ik een aangename lengte vind. Om mij een beeld te vormen heb ik tot nu toe een kleine twintig afleveringen in hun geheel beluisterd.

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik met plezier geluisterd heb. Meestal zijn er twee presentatoren die met elkaar drie onderwerpen bespreken die actueel zijn in het christelijke wereldje of die aan de orde geweest zijn op de site van CIP. Op die site staan namelijk veel artikelen, columns en video's, die voor een deel door jan en alleman te lezen of te bekijken zijn. Wil je alles bekijken, dan moet je lid worden.

De presentatoren worden in de meeste gevallen alleen aangeduid met hun voornaam en het zijn allemaal (jonge, schat ik in) mannen. Hoewel de onderwerpen ook ernstig kunnen zijn, is de toon meestal vrij vrolijk en luchtig, wat niet ten koste gaat van de serieuze behandeling van het onderwerp.

Onderwerpen

Soms gaat het over zaken die in bepaalde kerkgenootschappen spelen (de vrouw in het ambt, opkomst evangelische gemeenten, pinkstergemeenten die van kerkleden tien procent van hun inkomen vragen), soms over politiek (met vooral aandacht voor SGP, ChristenUnie en -vreemd genoeg- ook Forum voor Democratie), soms over andere zaken in de actualiteit (van Zwarte Piet tot de aanslag in een tram in Utrecht).

In de podcasts heb ik veel nieuws gehoord. Veel van wat ter sprake komt, speelt zich namelijk af buiten de bubbel waar ik blijkbaar in leef. Nooit gehoord van een docent die een bekeerling gedoopt heeft in het IJsselmeer of van een gospelzangeres die uit de kast is gekomen. Ik schrijf nu 'gospel', wat voor mij een containerbegrip is, maar in de christelijke muziek zijn de onderverdelingen subtieler. Misschien had ik wel 'worship' of nog iets anders moeten schrijven.

Ook de zanger Marty Sampson zit in die hoek. Nog nooit had ik zijn naam gehoord, maar blijkbaar heeft hij opzien gebaard: op zijn instagramaccount heeft hij bekend dat hij zijn geloof is kwijtgeraakt.

Het feit dat veel over voor mij onbekende zaken gaat, is ook wel eens lastig. Zo dacht ik een van de presentatoren te horen vertellen dat hij in Heelsum naar de kerk ging. Pas toen het woord enkele keren terugkwam, hoorde ik dat hij 'Hillsong' zei.

Onverdraagzaamheid

Wat me verbaasd heeft, is de onverdraagzaamheid die er blijkbaar bij sommige christenen is. Op sociale media (Twitter wellicht, maar misschien ook wel sommige fora) liegen de reacties er niet om. De zangeres die ik net noemde, had lang geworsteld met haar homoseksualiteit en geprobeerd die te onderdrukken, maar uiteindelijk lukte dat niet meer. Toen ze dat openbaar maakte, heeft ze bergen stront over zich heen gekregen.

Hetzelfde gebeurde na de dood van Klaas Hendrikse, 'de atheïstische dominee', schrijver van het Geloven in een God die niet bestaat. De man overleed en kreeg nog allerlei trappen na. In dit soort gevallen was de christelijke naastenliefde ver te zoeken. In de podcast wordt trouwens rigoureus afstand genomen van deze liefdeloze reacties. Ze worden uitdrukkelijk afgekeurd, wat me eigenlijk niet meer dan logisch lijkt.

Richting

De presentatoren zijn het niet altijd met elkaar eens en dat verbloemen ze niet, wat alleen maar prettig is. Blijkbaar is er ruimte voor discussie en hoeft niet ieder op dezelfde lijn te zitten. Maar is er toch een soort gemiddelde lijn aan te geven? In welke hoek moeten we de CIP'ers zoeken?

Eerlijk gezegd is me dat niet helemaal duidelijk. Ik schatte ze in als wat evangelisch, maar ik hoorde ook dat er iemand zei dat in evangelische gemeenten wel erg op de emotie werd gespeeld en dat dat wel eens ten koste ging van de diepgang, wat weer duidt op enige afstand van de evangelischen.

Een dominee van de gereformeerde gemeente had beweerd dat opwekkingsmuziek botst met de prediking van wet en evangelie. De eerste reactie was dat de dominee afgegaan was op zijn vooroordelen, maar toen een van de CIP-medewerkers in gesprek ging met de dominee bleek die zich juist heel erg verdiept te hebben in de opwekkingsmuziek.

Niet prekerig

In de podcast staan de CIP'ers open voor veel: ze willen graag ook de andere kant horen en nemen mensen met wie ze het niet eens zijn serieus. Meestal is de podcast ook niet prekerig en gelukkig ook niet altijd stellig, maar eerder onderzoekend. Wel is de christelijke overtuiging duidelijk en wanneer een presentator iets beweert over het geloof kan de andere ineens instemmen met een luid 'Amen', wat je tegenwoordig blijkbaar uitspreekt met de klemtoon op de laatste lettergreep: Amén!

Een enkele keer blijkt uit een bijzinnetje dat er niet altijd begrip is voor de meest orthodoxe kerken (gereformeerde gemeente en dergelijke) en aan de andere kant werd ook Franca Treur in een enkele zin weggezet ('Het gaat ook wel eens mis, zoals je ziet aan Franca Treur') en wordt een andere schrijfster verheven tot 'de christelijke Franca Treur', met wie het blijkbaar niet is misgegaan.

Natuurlijk komen er meningen langs die mij tegen de borst stuiten. Over de bootvluchtelingen ('economische vluchtelingen'): 'Van mij mogen die bootjes rechtsomkeert maken,' maar dat maakt dan ook weer duidelijk waar je zelf staat. Van de 'linksheid' van de ChristenUnie moeten de presentatoren weinig hebben. 'Groen Links met de Bijbel' wordt de partij genoemd en over het kamerlid Carla Dik-Faber: 'Alles is links aan die vrouw'. Daar moet ik dan wel weer om grijnzen. Groen Links is trouwens heel fout in de ogen van CIP'ers.

Waarschijnlijk blijf ik voorlopig nog wel luisteren naar de podcast: ik blijf op de hoogte van waar men zich in de  christelijke wereld (of in ieder geval in een bepaald deel ervan) druk over maakt en dat wordt op een prettige toon verteld, vaak ook wel met de nodige humor. Wat me minder aanstaat, neem ik dan maar op de koop toe.


Podcast kort

Weer twee korte signaleringen: een podcast met veel jazzmuziek en een met documentaires.


All that jazz

Voor wie van jazz houdt, is All that jazz een aanrader. Twee uur jazz per week en bij elkaar zijn dat heel wat afleveringen. Je vindt ze hier.

De presentator is Willem Habers, die overkomt als een gezellige man, die ook nog kijk heeft op de muziek. Hij dringt zichzelf nooit op de voorgrond; het gaat altijd om de jazz.

De podcast blijkt ook als programma uitgezonden te worden op een lokaal radiostation: Enschede FM. Een enkele keer wijkt de formule iets af, als er bijvoorbeeld gasten zijn die hun eigen LP's of cd's mogen draaien, maar meestal is het gewoon lekkere jazz, met korte verbindende teksten.

Al enkele jaren ben ik geabonneerd en ik heb nog geen aflevering overgeslagen. Lekkere muziek, leuke presentatie. Aanbevolen!

Radio Doc

Documentaires - altijd leuk om naar te luisteren en het radioprogramma Radio Doc heeft in de loop der jaren al heel wat mooie documentaires uitgezonden. Je vindt ze hier. De documentaires kom je soms ook weer tegen bij andere podcasts als Nooit meer slapen of Parel Radio of OVT. Dat is natuurlijk geen probleem. 

Aanvankelijk was in Nederland een podcast eigenlijk niet anders dan een radioprogramma dat je later nog eens terug kon luisteren. Bij de bespreking van podcasts dreigen dit soort podcasts wel eens over het hoofd gezien te worden en dat is jammer. Sommige van die podcasts zijn immers, als radioprogramma of als podcast, zeer de moeite waard.

Radio Doc heeft intussen een indrukwekken archief, van enkele honderden uitzendingen. Daar zit altijd wel wat tussen, lijkt me. Natuurlijk verschillen de documentaires onderling nogal, van heel persoonlijk tot onderzoeksjournalistiek, maar dat is ook het aardige ervan. 

Nu worden wekelijks podcasts ten gehore gebracht die door jonge podcastmakers zijn gemaakt. Zij dingen mee naar een podastprijs. 

Je kunt je op de podcast abonneren (wat ik al jaren geleden heb gedaan), maar je kunt er ook uitpikken wat je aanstaat en die downloaden. 

donderdag 22 augustus 2019

Race tegen de klok! (Olivier Marin/Jérome Phalippou)


Veel strips verschijnen in reeksen. Als het goed is, zijn de verschillende albums los van elkaar te lezen, maar wie de hele reeks volgt, krijgt een vollediger beeld van bijvoorbeeld de hoofdpersonages en is vertrouwd met de setting, die een nieuwe lezer nog helemaal moet leren kennen.

De reeks De avonturen van Betsy kende ik nog niet. Nu is het derde deel verschenen, Race tegen de klok! De hoofdpersoon, Betsy Haller, is in dienst van de rijke Fritz Schlumpf. Hij is een amateurracer en autoliefhebber en Betsy spoort voor hem bijzondere auto's op. In deel 2 van de reeks, Het zilveren spoor was dat 'een elegante en zeldzame Rolls-Royce Silver Ghost uit 1921.'

Dat komen we te weten doordat er op de binnenkant van het voorplat en op het schutblad van het nieuwe album twee pagina's afgedrukt staan van het al dan niet fictieve blad Auto-Revue uit augustus 1963. Je zou zo'n krantachtig gedeelte over kunnen slaan, maar je gaat dat toch lezen en voor je het weet zit je in de reeks. Jammer genoeg zit er in dit gedeelte een flinke uitglijder van de vertaler: 'niet in het minst' in plaats van 'niet het minst', waardoor er in de zin het tegengestelde staat van wat er bedoeld wordt. Maar goed, daar laten we ons plezier niet door vergallen.

Talbot Lago

In dit derde deel spoort Betsy een Talbot Lago 26C op voor Fritz Schlumpf. Omdat hij daarmee wil racen in de Vogezen, gaat Betsy stiekem met de Talbot over de grens om alvast het parcours te verkennen. Dat heeft grote gevolgen: ze wordt verdacht van staatsgevaarlijke activiteiten en wordt zelfs gearresteerd. Verder blijkt er iemand te zijn die wel erg op haar lijkt en er dreigt ook nog iemand uit de weg geruimd te worden.

Verwikkelingen te over dus en natuurlijk komt het uiteindelijk allemaal goed, maar als lezer ga je altijd mee in de mogelijkheid dat het allemaal ook flink mis had kunnen gaan.

Race tegen de klok! gaat over racewagens, wat geen garantie is voor vaart in het verhaal, maar in dit album hoeft de lezer zich niet te vervelen. Betsy heeft lange tijd niet in de gaten in welk spel zij als pion is ingezet, maar ze is in ieder geval van plan om zelf actie te ondernemen en dat doet ze voortvarend. De vraag is wel of ze nog op tijd is.

De lezer blijft geboeid omdat hij met dezelfde vragen zit en omdat hij onvoorwaardelijk sympathie heeft voor Betty. Ze loopt rond als mooie, jonge vrouw in een mannenwereld (de tekenaar laat geen kans onbenut om haar benen onder onze aandacht te brengen) en de band tussen haar en haar vader (monteur bij Fritz Schlumpf) roept empathie op. Vader zal er alles voor doen om te zorgen dat 'zijn meisje' niets overkomt.

Auto's

Net als in de albums over Brian Jones is er voor de autoliefhebber veel te genieten in Race tegen de klok! Ten eerste speelt het verhaal zich af in 1963, dus in de straten van de stad rijden allerlei auto's die in die tijd gangbaar waren. Daarnaast zijn er veel oudere racewagens te bewonderen.

Aan het eind van het album is er een bonusgedeelte, waarin de auto's in het zonnetje worden gezet die van belang zijn voor het verhaal. Naast de Talbot is dat een Maserati uit 1948 en een Mercedes uit 1937. Van elke auto wordt het aantal cilinders genoemd, de cilinderinhoud, het vermogen en de topsnelheid. Verder een foto van elke auto en een (niet geïnkte) kleurentekening met Betty en/of Schlumpf bij de auto.

het haar op de schedel geplakt
Race tegen de klok! is onmiskenbaar een leuke strip. Het scenario van Olivier Marin zit goed in elkaar en houdt de aandacht vast. Je zou kunnen zeggen dat wel strak wordt vastgehouden aan de formule van een avonturenstrip: iemand heeft een missie, ondervindt problemen, maar slaagt uiteindelijk. Maar de lezer die vermaakt wil worden, vindt dat zeker voldoende. Hij weet ook wel dat het uiteindelijk goedkomt. De spanning zit erin dat je niet vooraf en in de loop van het verhaal weet hoe het in vredesnaam allemaal goed moet komen.

Tekeningen

De tekeningen van Jérome Phalippou zijn prettig: de personages bewegen natuurlijk, er is veel wisseling van decor en de auto's zijn met aandacht getekend. Ook het inktwerk trekt de aandacht. In sommige tekeningen wordt een lijn net dikker aangezet, waardoor de afbeelding wat meer spreekt. Het pakt overigens niet altijd goed uit: soms wordt een haargrens met een vrij dikke lijn gemarkeerd, waardoor het haar op de schedel geplakt lijkt. Maar vaker werkt de lijn juist goed.

Ten slotte is de inkleuring van Fabien Alquier mooi bescheiden, maar wel effectief. Nooit wordt er op gemakkelijke effecten gespeel, maar de inkleuring van de blauwe Talbot is wel altijd zo gedaan dat de rondingen van de auto goed uitkomen. Geen dramatische schaduwwerkingen, geen pogingen zich op de voorgrond te dringen. Alles in dienst van het verhaal.

Race tegen de klok is een onderhoudende strip: spannend, met hier en daar de nodige luchtigheid. Geschikt voor een vrij groot publiek en niet alleen voor wie nostalgisch oude auto's wil bekijken. De heldere verhaallijn en de dito tekeningen maken de strip voor iedereen toegankelijk.

Reeks: De avonturen van Betsy
Deel 3: Race tegen de klok!
Scenario: Olivier Marin
Tekeningen Jérome Phalippou
Inkleuring: Fabien Alquier
Uitgever: Silvester
Den Bosch 2019, 56 blz. hardcover, € 17,95


woensdag 21 augustus 2019

In dienst bij de duivel (Naima El Bezaz)


De voorkant van het boek oogt als een glossy: jonge vrouw in close-up en kreten als 'onthullend en geestig' en 'AFGUNST & AMBITIE'. Dat is ook wel passend, want In dienst bij de duivel (2013) van Naima El Bezaz, gaat over een glossy.

De schrijfster Dina, die nog maar een enkel matig succesvol boek op haar naam heeft staan, heeft een vast inkomen nodig en solliciteert bij een tijdschrift. Ze wordt aangenomen, wat de hoofdredactrice, Angela, later zal doen voorkomen als een prestatie van haarzelf: zij heeft maar mooi een schrijfster binnengeharkt. Een mooie buit; de schrijfster is immers ook al enkele keren op tv geweest. .

Ik heb de indruk dat het verhaal speelt in een nabij verleden: een telefoon heeft nog een kronkelig snoer en een smartphone heet nog een gsm, waarmee ge-sms't wordt. Maar misschien was dat in 2013  nog het geval.

Dina moet zich richten op de human interest: persoonlijke verhalen, meestal van lezeressen. Verder doet ze straatinterviews en heeft ze een testrubriek. Het gaat allemaal nog niet vanzelf en Angela is onberekenbaar. De collega's, schikken zich naar haar wispelturigheid en stellen zo min mogelijk vragen: dat is slecht voor je carrière of zelfs voor je baanzekerheid.

Naïef

El Bezaz schildert Dina een beetje af als een sukkel. Nou ja, meer als een naïeveling die niet zo veel weet. Ze heeft nog nooit gehoord van de groet 'houdoe', weet niet wat kaviaar is, weet niet dat een urn met as van een overledene wel eens bij mensen thuis bewaard wordt.

Wat haar overkomt als ze artikelen moet schrijven is luchtig geschreven en het leest ook wel lekker door. Het wordt allemaal in de ik-vorm verteld, waarbij de schrijfster Dina vooral de stijl hanteert van de tijdschriftmedewerker. Dat levert zinsneden op als 'een flauwe glimlach speelde om haar lippen'; 'haar ogen spuwden vuur'; 'hield ze haar lippen stijf op elkaar geklemd'; 'de felblauwe ogen waren kil'; 'Elke vezel in mijn lijf was gespannen'; 'koffie smaakt 'naar afwaswater'.

Misschien gebruikt El Bezaz deze clichés om te laten zien dat Dina's schrijverschap helemaal in het gedrang komt door haar drukke tijdschriftenbaan, maar het maakt het lezen er niet prettiger op. Dina maakt af en toe erg rare zinnen. Ze ziet het tijdschrift als 'een geïsoleerd eiland'. 'Het keukentje was klein en de koelkast nog kleiner.' 'Ik liep de treden op omhoog'.

Twee keer kwam ik de volgende constructie tegen: 'De appel legde ze op een uitgevouwen zakdoekje, maar niet nadat ze de vrucht met het doekje aan alle kanten had schoongewreven.' Bedoeld is, lijkt me: 'maar niet voordat' of 'maar niet dan nadat' of domweg 'nadat'.

Afstand

De stijl van In dienst bij de duivel maakt het lastig om mee te gaan in het boek. Zo'n rommelstijl schept (in mijn geval) afstand. Meeleven met de hoofdpersoon gaat ook al niet zo goed, omdat ze vrij oppervlakkig beschreven wordt. Ook dat hoort misschien wel bij de tijdschriftaanpak, maar ik wil graag wat meer. Soms krijgen we iets meer te weten over Dina. Dat ze niet zo goed kan omgaan met mensen of hoezeer ze vroeger vrij wilde zijn. Maar daarna gaat het weer over de dingetjes op haar werk.

In een enkel zinnetje krijgen we te lezen dat zij probeert zwanger te raken, maar verder lijkt haar thuissituatie er nauwelijks toe te doen. Nou ja, haar man vindt dat ze te hard werkt en dat is eigenlijk ook wel duidelijk: werk kost haar veel tijd en levert veel spanning op.

Omdat deze roman vaak aan de oppervlakte blijft, word je als lezer bijna nooit werkelijk geraakt. Op een gegeven moment heeft Dina contact met een terminaal zieke lezeres, Ellen. Haar man belt op om te melden dat Ellen overleden is. Dat is wel een ontroerende passage geworden.

Proloog en epiloog

In dienst bij de duivel heeft, net als De weg naar het noorden (1995), een proloog en een epiloog. In die roman werkte dat goed, in dit geval wat minder. De epiloog is ook niet een soort naschrift, maar eerder bedoeld als climax. Eigenlijk valt die climax nogal tegen en bovendien is de handelwijze van Dina niet zo geloofwaardig. Ze doet dingen die helemaal niet bij haar lijken te passen, ook niet als je in aanmerking neemt dat ze zich getergd voelt door het gedrag van Angela.

Van Naima El Bezaz heb ik maar weinig gelezen. Behalve dit boek las ik De weg naar het noorden, wat ik een mooie beknopte roman vond. De boeken over de vinexvrouwen heb ik aan mij voorbij laten gaan, maar ik had misschien wel een roman als De verstotene (2006) moeten lezen om meer zicht te krijgen op het werk El Bezaz.

In dienst bij de duivel viel me nogal tegen. Ik kan me voorstellen dat de schrijfster de onechtheid van het tijdschriftenwereldje aan de kaak wilde stellen, door ons te laten zien dat het eigenlijk alleen maar gaat om de verkoop, om scoren bij de lezeressen. En de redactie is een slangenkuil.

Dat maakt de schrijfster duidelijk door het aaneenrijgen van gebeurtenissen, waarin niet zo heel veel ontwikkeling zit. Dina kan steeds slechter tegen de hoeveelheid werk en haar wispelturige hoofdredactrice en ze raakt een beetje meer geïsoleerd, maar ik krijg toch vooral het idee dat elke volgende gebeurtenis meer van hetzelfde is.

Niet betrokken

Omdat Dina een beetje  als een sukkel wordt afgeschilderd en vrij oppervlakkig wordt getekend, raak je als lezer niet niet erg betrokken en dat is jammer. Angela is eigenlijk een interessanter figuur. Ze is grillig en tomeloos ambitieus, maar ze lijkt ook haar warmere kanten te hebben, al weet je nooit in hoeverre dat berekening is.

Het zal misschien wel even duren voor ik weer wat ga lezen van Naima El Bezaz. Ik ben ervan overtuigd dat ze meer kan dan ik in deze roman heb gezien. Voor zover ik weet, is er niets meer verschenen na 2013. Hopelijk werkt de schrijfster in stilte aan een meesterwerk.




dinsdag 20 augustus 2019

Jonathan Cartland deel 3 en 4 (Blanc-Dumont / Harlé)


















Alles wat je aandacht geeft, wordt mooier. Een goed voorbeeld daarvan is de integrale uitgave van de strip Jonathan Cartland. Dat is een uitgave op groot formaat, gedrukt op zwaar papier. Wanneer je deze uitgave vergelijkt met de oorspronkelijke albums zie je het verschil.

De tekenaar, Michel Blanc-Dumont, houdt van het detail en gemakzucht is hem vreemd. Daar begint de aandacht. Daarbij heeft uitgeverij Sherpa met aandacht de uitgave verzorgd en dat roept, ten slotte, de aandacht van de lezer op. Die wil natuurlijk weten hoe de verhalen aflopen, maar wie daarna rustig de tijd neemt om de verschillende tekeningen te bekijken ervaart pas werkelijk de schoonheid van de strip.

Deel 1 en 2 werden uitgegeven zonder kleur, deel 3 en 4 zijn wel ingekleurd. Waarom dat is, is me niet duidelijk, maar ik ben wel blij met de kleur. Misschien omdat die me herinnert aan mijn oorspronkelijke leeservaring, toen ik de softcovers las in de jaren tachtig.

Detective

Deel 3 wordt gevormd door De geest van Wah-Kee (1975, maar in het Nederlands 1984). Jonathan ontmoet in de saloon enkele mannen die in een ruzie verzeild raken. De volgende ochtend zullen ze met de boot vertrekken. Op het laatste moment springt Cartland ook op de boot: hij heeft een verzoek gekregen om zich te begeven naar Fort Union, aangezien er een opstand van de Oglala's dreigt. De hulp van Cartland is gewenst.

Dan ontrolt zich een soort detective: mensen worden omgebracht, er breekt een brand uit en de overlevenden (waaronder Jonathan Cartland) lopen gevaar. Om te overleven zullen ze moeten uitzoeken wat er aan de hand is. Op de achtergrond, maar op beslissende momenten zeer aanwezig, is 'de geest van Wah-Kee', misschien wel de geest van een omgekomen indiaan.

Dat laatste is kenmerkend voor de scenarioschrijver Laurence Harlé, die zeer geïnteresseerd was in de indiaanse cultuur. De indiaanse spiritualiteit speelt dan ook door De geest van Wah-Kee. In hoeverre dat waarheidsgetrouw is, kan ik niet beoordelen. Ik kan me voorstellen dat er ook sprake is van een zekere exotisering. In ieder geval staat Cartland altijd aan de kant van de indianen. Niet zij zijn de tegenstanders.

Tragiek

Wie dat dan wel zijn, is nog best verrassend. In het slot volgt Cartland zijn rechtvaardigheidsgevoel, ook als dat pijnlijk is voor hem. Maar bij wat hij ook kiest, zal hij pijn ervaren. Juist die tragiek, die we ook al in eerdere delen zagen, maakt Jonathan Cartland interessant.

Ook in deel 4, De schat van de spinnenvrouw (1978/1984), zit die tragiek. Aan het slot wil Cartland iemand redden die niet gered wil worden. Als hij geheel alleen buiten staat, hoort hij in zijn hoofd de stem van een indiaan die eerder in het verhaal voorkwam: 'Volg de weg van je ondergang.' Die ondergang ligt bij Cartland vaak op de loer. In een eerder deel ging hij er ook, rouwend over de dood van zijn vrouw, bijna onderdoor.

Het is overigens wel vreemd dat Jonathan de indiaan deze uitspraak hoort doen. Het kan geen herinnering zijn, want eerder in het album heeft de indiaan dat alleen maar gedacht, wat overigens niet zo sterk is, omdat dat ineens een wisseling van vertelperspectief inhoudt.

Verder zit het verhaal goed in elkaar. Jonathan Cartland moet een gezelschap begeleiden dat op weg is naar een schat. Er is concurrentie, dus er moet haast gemaakt worden. Maar de opdrachtgever van Cartland is bepaald niet sympathiek en hij laat zijn oren nogal eens hangen naar een jonge vrouw die haar zin wil krijgen, ook als dat niet verstandig is.

Dossier

Beide verhalen zijn met vaart verteld en zitten duidelijk beter in elkaar dan die in de eerdere delen. Het dossiergedeelte is aan de sobere kant: een tekst die al begon in deel 2 en nu in deel 3 en 4 doorloopt en afgerond wordt. Verder verschillende extra tekeningen en dat is altijd prettig. In deel 4 staat bijvoorbeeld de oorspronkelijke covertekening van De schat van de spinne-vrouw waarachter het jaartal 1979 vermeld staat, hoewel ik in de veronderstelling was dat dat deel in 1978 verscheen. De tekening lijkt op de covertekening van de integrale heruitgave, maar is toch net anders. Leuk om te zien.

Wie integralen gaat kopen, koopt (neem ik aan) de hele reeks. Deze twee delen zullen hun weg naar de koper dan ook wel vinden. Het tekenwerk is nog net zo goed als in deel 1 en 2, en de verhalen zijn beter.

Reeks: Jonathan Cartland
Titel deel 3: De geest van Wah-Kee
Titel deel 4: De schat van de spinnenvrouw
Scenario: Laurence Harlé
Tekeningen: Michel Blanc-Dumont
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2019, hardcover, groot formaat, 56 blz. € 29,95

De geest van Wah-Kee

De schat van de spinnenvrouw

maandag 19 augustus 2019

De hoeve en het hart (Enny de Bruijn)


Ergens tussen Gorinchem en Zaltbommel, aan de noordkant van de Waal ligt Herwijnen, een dorpje zoals veel dorpen wellicht. Even ten oosten ervan ligt Hellouw een nog kleiner dorp. Wie op een zondagmiddag een tochtje over de Waaldijk (of de Waalbandijk) maakt ziet de dorpjes liggen.

Je kunt er doorheen rijden en misschien moet je dan denken aan Koos van Zomeren die bijvoorbeeld in Nog in morgens gemeten schreef over Herwijnen. Daarna kun je het dorp achter je laten.

Tot voor kort tenminste. Want nu is er De hoeve en het hart van Enny de Bruijn, die ons rondleidt in Herwijnen en Hellouw van de zeventiende en de achttiende eeuw. Ze vertelt ons alles over de dorpen. Tenminste alles wat er nu nog te achterhalen valt en dat blijkt nog aardig wat. Wie de meer dan vierhonderd bladzijden leest, blijft nog lang rondhangen in Herwijnen, of misschien moet ik zeggen dat Herwijnen dan in de lezer is gekropen en daar niet meer weggaat.

De lezer weet dan de namen van de boerenfamilies uit die tijd en wie met wie getrouwd is. We horen de dominees waarschuwen, we zien de schoolmeester die niet van de drank af kan blijven, we zien de families hulp bieden aan buren na een brand, we zien hoe na een dijkdoorbraak er hard gewerkt moet worden om alles te herstellen. We mogen meekijken in een tijd die niet de onze is in een dorp dat we daarvoor niet kenden en toch blijven we de hele tijd betrokken.

Dat is een enorme verdienste van Enny de Bruijn. Ze brengt het dorp tot leven, zoals eertijds Van Deursen deed met Graft in Een dorp in de polder, dat De Bruijn ook, waarderend, noemt.

Brieven

Voordat ik De hoeve en het hart ging lezen, had ik er al iets over gelezen. Ik ging ervan uit dat we voornamelijk te maken hadden met brieven. In de achttiende eeuw vertrekt Gijsbert, de zoon van Arien van Rijckhuijsen van Herwijnen naar Leiden. Vader en zoon schrijven elkaar brieven en ook andere familieleden corresponderen. De brieven (afschriften ervan) zijn bewaard gebleven en vormen een schat aan materiaal. Corresponderende boeren in de achttiende eeuw, daar weten we nog niet zoveel van en al die brieven zijn een prachtige bron.

Maar nu ik het boek van De Bruijn gelezen heb, weet ik dat ze meer, veel meer, gedaan heeft. Zo'n beetje elk archief waarin iets te vinden kan zijn over Herwijnen heeft ze doorgespit. Het moet monnikenwerk geweest zijn en er moet heel, heel veel tijd in zijn gaan zitten. De Bruijn zal ook wel eens een dag gezocht hebben zonder iets te vinden. Het is bewonderenswaardig dat ze zo ontzettend veel verzameld heeft.

Dat heeft tot gevolg dat we een vrij breed beeld van het dorp Herwijnen krijgen, waarbij zowel economische als culturele, sociale en theologische kanten belicht worden, met altijd weer die persoonlijke insteek: we hebben het immers over mensen. De Bruijn heeft een goed oog voor structuren, voor regels en gebruiken, voor de manier waarop zaken georganiseerd zijn, maar bovenal voor mensen. Dat maakt De hoeve en het hart een warm boek en juist daardoor leest het zo prettig.

Door wat Enny de Bruijn nu gedaan heeft, maakt ze meteen duidelijk hoezeer de geschiedenis van Nederland voor een groot deel de geschiedenis van Holland is en dan ook nog vooral van de stedelijke samenleving. Maar dat geeft een onvolledig beeld. We hadden ook nog de Tielerwaard en de dorpen daarin.

Een boer met een pruik

Terecht wijst ze erop dat in het werk van onze grote schrijvers het boerenleven aan de ene kant geïdealiseerd wordt en dat aan de andere kant boeren vaak als lomp en onbeschaafd worden afgeschilderd. En beide karakteriseringen kloppen niet. Het boerenbestaan was niet zelden hard en boeren waren allerminst onbeschaafd. Velen waren geletterd, wat ook wel nodig was met de boerenbedrijven die ze leidden en met de internationale handel die ze dreven en al in het begin van het boek lezen we over een boer die een pruik droeg. Een boer met een pruik. Die kwamen we nog niet eerder tegen in de geschiedschrijving.

De Bruijn maakt ook goed duidelijk hoe het gereformeerde geloof nieuw is in de zeventiende eeuw en dat dat gevolgen heeft voor wat men eervol of deugdzaam vindt. Hoe de dominees soms vinden dat ze maar op een rotsachtige bodem zaaien, en hoe ze botsen met de dorpsbewoners, 'die best naar de kerk willen komen en ook wel willen nadenken over zonde, berouw en bekering, maar die het te ver vinden gaan als hun plaatselijke kermis, hun herbergbezoek, hun oogst- en bruiloftsfeesten of hun avondmaalspraktijk onder vuur komen te liggen.'

Rammelen aan vooroordelen

Aan alle kanten rammelt De Bruijn aan vooroodelen: boerenvrouwen blijken behoorlijk zelfstandig te zijn: ze leiden een bedrijf als hun man overleden is en ondertekenen ook contracten. Boeren die zo graag een erfgenaam willen dat de bruid eerst zwanger moet zijn voor er getrouwd kan zijn: een mythe.

Ook de opvatting dat ouders van schoolkinderen nu bemoeiziek zijn en vroeger alles over hun kant laten gaan, blijkt niet te kloppen. De Bruijn beschrijft een kenmerkend incident. De schoolmeester heeft het zoontje van de dominee dat met andere jongens aan het vechten was een paar klappen gegeven. 'De domineesvrouw komt meteen haar huis uit zetten en scheldt de meester uit 'voor eenen schoolbeul of schoolduijvel' en zijn vrouw voor een vod ende vercken',
daer op gevolcht dat voornoemde schoolmeesters vrouw oir kind, dat sij opden arm hadde, ter nedersettende des voornoemde predicants vrouw aenviel, en gaf se een clinck [klap], daer door sij aen malcanderen comende, de cappen aenstond van het hooft raeckten, soo dat de schoolmeesters vrouw, eijndelick van malcanderen gescheijden sijnde, seer gecabt ende geslagen was, werdende den predicants handen die mede daer aen doende was geweest, door den schoolmester int eijnde vast gehouden ende beleth om meer te doen.
Dit soort heerlijke citaten uit de bronnen geeft De Bruijn overvloedig. Ze geeft ze zo letterlijk mogelijk (alleen het hoofdlettergebruik is hier en daar aangepast), wat van de lezer soms een beetje inspanning vereist, maar waardoor je nog meer het idee hebt dat je teruggeplaatst wordt in de beschreven tijd.

Nog een mooie anekdote: de schoolmeester heeft zijn dienstmeid bezwangerd en de dominee vindt dat hij daarom niet te handhaven is. Maar achttien inwoners tekenen een verzoekschrift waarin de meester geprezen wordt voor zijn 'grooten ijver & gestadige onderwijsinge vande jonge jeucht,' waarna de meester mag blijven. Maar een jaar later moet meester alsnog vertrekken: hij heeft ingebroken in de pastorie om de bladzijden over zijn wangedrag uit het kerkenraadsboek te scheuren.

Wat we niet weten

De Bruijn heeft veel boven water gehaald, maar het mooie is dat ze ook een beeld heeft van wat we niet weten en misschien wel nooit te weten zullen komen. Als ze het grondbezit van de aanzienlijkste boeren in kaart brengt, weet ze dat boeren ook nog wel land gepacht zullen hebben, maar hoeveel dat is, is niet altijd te achterhalen.

We weten wat sommige predikanten gepubliceerd hebben, maar we weten niet hoe hun preken waren en hoe de kerkdiensten vormgegeven waren. Elk beeld van het verleden is onvolledig en het is al mooi dat De Bruijn in veel gevallen kan aangeven wat er ontbreekt.

Met bronnen gaat ze zeer zorgvuldig om: vaak vertelt ze wat ze gevonden heeft, overweegt daarna hoe representatief haar bron is en besluit daar weer na in hoeverre de bron toch een algemenere strekking kan hebben. Zo kun je nagaan dat ze niet over een nacht ijs is gegaan. Als iets bijvoorbeeld niet terug te vinden in afschriften van brieven, kan dat betekenen dat het niet in de brieven stond, maar het kan ook zijn dat de afschrijver het niet belangrijk vond en het daarom weggelaten heeft.

Eigen opvatting

Vaak laat De Bruijn de bronnen spreken. Wat haar mening over het gevondene is, blijft meestal achterwege. Blijkbaar wil ze de lezer niet in de weg zitten. Maar soms piept haar opvatting toch door de beschrijving heen en ook dat is prettig. Zo beschrijft ze de aanpak van het herstellen van de dijk na een doorbraak:
Eerste indruk: het leeuwendeel van het geld gaat naar overheid en administratie, terwijl de mannen die het zware werk met spade en kruiwagen doen genoegen moeten nemen met twaalf stuivers per dag. Dat is op zichzelf geen slecht dagloon voor een arbeider - maar vergeleken met de bedragen die de dijkschrijvers en de heemraden declareren, maakt het toch een schamele indruk. Wat dat betreft lijkt er de eeuwen door weinig veranderd. 
Enny de Bruijn eindigt haar boek met de dood van Arien van Rijckhuijsen en de aanloop daarvan. Juist daarin komen we dicht bij de mensen uit die tijd. De oude Arien krijgt last van kwalen en wordt zwakker. Omdat zijn zoon niet in de buurt woont, krijgt hij dat per brief te weten en wij mogen delen in die intimiteit. Het zijn ontroerende passages.

De hoeve en het hart is een rijk boek en het is belangrijk voor het beeld van het platteland in de zeventiende en de achttiende eeuw. Maar bovenal is het een boeiend boek, dat je alleen maar met gretigheid kunt lezen. De Bruijn formuleert helder en zorgvuldig en ze heeft bewonderenswaardig veel materiaal opgediept. Het zou mooi zijn als dit boek een groot publiek bereikt. Het leesplezier dat ik eraan beleefd heb, gun ik aan zoveel mogelijk mensen.

Illustraties uit De hoeve en het hart, dat ook een katern met mooie kleurenafbeeldingen bevat.

vrijdag 16 augustus 2019

Podcast: Ik was jou



Er zijn nogal wat podcasts die over cabaret gaan. Eerder besteedde ik aandacht aan Fokcast en De mens achter de lach. In de toekomst zal ik, calamiteiten voorbehouden, nog meer van zulke podcasts bespreken.

Bij toeval stuitte ik op Ik was jou, een podcast van Omroep Max, gemaakt door Owen Schumacher. Schumacher heeft in satirische programma's (Koefnoen en Kopspijkers) personen uit de actualiteit nagespeeld. Omdat ik nauwelijks tv kijk, is het meeste daarvan mij ontgaan, maar ik heb er toch wel een beeld van.

Bij het spelen van een persoon uit de werkelijkheid, moet het uiterlijk zo goed mogelijk nagemaakt worden en je focust je op eigenaardigheden in gebaren, mimiek en taalgebruik. Verder moet de stem een beetje in de buurt komen. De kijkers moeten even de illusie krijgen dat de gespeelde persoon er werkelijk zit, terwijl ze tegelijkertijd weten dat het een acteur is. Dat is balanceren, maar dat lukte Schuhmacher altijd goed.

Zo'n typering van een min of meer bekende Nederlander blijft vaak oppervlakkig. Ik bedoel daarmee dat de diepe zielenroerselen van iemand logischerwijs niet getoond kunnen worden en dat is ook niet de bedoeling: het typetje wordt ingezet om een bepaalde boodschap over die persoon te ventileren. Door eigenschappen van hem uit te vergroten, maakt de cabaretier duidelijk wat hij van die persoon  vindt.

Van mens tot mens

Schuhmacher besloot om nader kennis te maken met de door hem getypeerde personen. Een gesprek van mens tot mens, waarin ook duidelijk moet worden hoe de getypeerde persoon het ervaren heeft dat hij gepersifleerd werd: was het een eer of was het pijnlijk? Daarom is er in het gesprek ook altijd een moment dat Schuhmacher met de geïnterviewde samen een stukje satire terugkijkt.

Er zijn dit jaar in maart en april zes van die gesprekken online gekomen. Het zijn gesprekken met: Ilja Gort, Erik Scherder, Gerrit Zalm, Bart Chabot, Jack Spijkerman en Andries Knevel. Gemiddeld genomen zijn het interessante gesprekken. Schuhmacher gaat open de dialoog aan en vraagt goed door, ook als dat voor hem ongemakkelijk antwoorden kan opleveren. Soms vult hij zelf te veel in en geeft hij een voorzetje: 'Is het omdat...?' Maar meestal krijgen de geïnterviewden kans om zelf na te denken.

In het gesprek met Jack Spijkerman wordt duidelijk dat Frank de Grave toch last gehad heeft van de persiflage. Zijn kinderen vonden het in ieder geval niet leuk. Juist De Grave had dan geïnterviewd moeten worden, lijkt me. Wellicht is hij wel gevraagd, maar wilde hij niet meewerken.

Aan het begin van elke aflevering doet Schuhmacher of hij de stem van de geïnterviewde oefent en aan het eind vraagt hij of zijn gesprekspartner op de foto wil met een foto van het typetje. Vier van die foto's staan ook op wat ik maar even het logo van de podcast noem.

Knevel en Spijkerman

De gesprekken met Andries Knevel en Jack Spijkerman zijn me het best bijgebleven. Knevel is weinig terughoudend in wat hij vertelt, wat natuurlijk komt door de manier waarop Owen Schuhmacher het gesprek voert. Het is daardoor een heel persoonlijk gesprek geworden, waarin we meer van Knevel te horen krijgen dan we gewend zijn. Ik wil niet uitsluiten dat Knevel al veel van dit soort interviews gegeven heeft, maar die heb ik in ieder geval niet gehoord.

Bij Jack Spijkerman gaat het natuurlijk ook over satire op tv en waarom die nodig is, maar ook over zijn vertrek bij de VARA, waarop hij veel kritiek heeft gekregen. Indertijd heeft hij er niet op gereageerd, omdat hij niet wilde bijten in de hand die hem gevoederd heeft. Nu geeft hij openheid van zaken. Tegelijkertijd kwam er (in de Telegraaf) publiciteit over zijn echtscheiding. Dat raakt hem tijdens het gesprek nog steeds, na zoveel jaren.

De gesprekken duren gemiddeld een kleine drie kwartier, wat een mooi behapbare lengte is voor een podcast. Ik heb de zes afleveringen in twee weken beluisterd (schat ik) en ik heb me niet verveeld, wat voor mij een goede maatstaf is. Laat het tweede seizoen maar komen.

Alle afleveringen zijn hier te vinden.

Podcast kort

Twee korte besprekingen: De Blankenberge Tapes en Muziek voor volwassenen

De Blankenberge Tapes

Er zijn veel verhalende podcasts waarin een (mogelijke) misdaad ontrafeld wordt. Eerder besprak ik bijvoorbeeld De kofferbakmoord en De brand in het landhuis. (Voor mij) uit het niets verscheen in mei 2019 de podcast De Blankenberge Tapes. Drie afleveringen die je terug kunt vinden op de bijbehorende site

Het lijkt een podcast als andere true-crimestories: Er is een meisje vermoord en de verdachte is verdwenen. In de zoektocht naar hem (b)lijkt er verband met een soortgelijke moordzaak uit het verleden. 

Omdat er verder geen inleiding is, vraag je je al meteen af of dit nu een documentaire is of dat je naar fictie luistert. Na een tijdje weet je wel dat het verhaal bedacht is, maar het feit dat je een groot deel van een aflevering aan het twijfelen bent, laat zien dat de makers (Tom Hofland en Pascal van Hulst) de echtheid wel goed benaderd hebben. 

Het verhaal zit degelijk in elkaar en je blijft geboeid luisteren, ook als je weet dat het fictie is. Dat dat er niet meteen bij verteld is, heeft voor mij geen meerwaarde, geloof ik. Ook als ik meteen geweten had dat het verhaal bedacht is, had ik er waarschijnlijk naar geluisterd en ik had er net zo veel van genoten. 


Muziek voor volwassenen

Johan Derksen is vooral bekend als voetbalcommentator, maar hij is ook liefhebber en kenner van muziek en dat wil hij graag met ons delen. Maar liefst drie uur in de week komt er online van Muziek voor volwassenen, een programma dat ook te beluisteren is op zaterdagmorgen op Radio Rijnmond en op de zender 40Up Radio. 

Wie die zender nog niet kent, moet daar toch eens naar gaan luisteren. Je komt er plaatjesdraaiers tegen als Mart Smeets, Jan Donkers, Vincent van Engelen en Marc Stakenburg. Ik heb me geabonneerd op de podcast van Derksen, maar ook op die van Jean-Pierre Geelen (Gevoelige snaren) en Leo van der Goot (Goot op de radio). Aanvankelijk luisterde ik ook naar het programma van Harry de Winter (Wintertijd), maar dat is al een tijdje overgenomen door Kluun en dat trek ik toch slecht. 

Derksen draait Americana, blues, soul, country - prettige en vooral goede muziek. In de drie uren is er een rode draad: een artiest die in elk uur terugkomt, bijvoorbeeld Etta James, Koko Taylor of Van Morrison. Zijn presentatie is sober en dat is heerlijk. Geen onnodige grapjes, maar alleen de muziek. 

Elke week, maar dan ook letterlijk elke week, beluister ik de volle drie uren. Verveelt nooit. Er gaat een zekere kalmte uit van de presentatie, die je misschien niet zou associëren met het beeld dat je hebt van de voetbalcommentator. Nu heb ik daar maar een heel diffuus beeld van, omdat ik weinig tv kijk, maar ik heb het idee dat we in het presenteren van de muziek een andere kant van Derksen zien, die ook (of misschien zelfs meer) helemaal Johan Derksen is. Mooi, hoor. Probeer maar eens. 

Je vindt de afleveringen op de site van 40Up Radio of bij RTV Rijnmond, waar je ook de playlist aantreft.

dinsdag 13 augustus 2019

Otmars zonen (Peter Buwalda)

Ooit las ik (maar bij wie?) dat men de neiging heeft een dik boek overmatig te prijzen, alleen al omdat men zich er helemaal doorheen geworsteld heeft. Misschien klopt dat, maar als een dik boek niet goed is, lees je het misschien ook niet helemaal.

De tweede roman van Peter Buwalda, Otmars zonen, is meer dan zeshonderd bladzijden dik, maar je leest je er moeiteloos doorheen. Dat gold indertijd ook voor Bonita Avenue (2010), dat net iets minder dik is, maar wel in kleinere letters is gezet. Otmars zonen is overigens het eerste deel van een drieluik; het verhaal gaat verder in de volgende delen.

Flashbacks

In dit eerste deel krijgen we veel informatie door flashbacks en dat werkt erg goed. In het heden (2013) lijkt niet zo heel veel te gebeuren: de vierendertigjarige Ludwig Smit bevindt zich op het Russische eiland Sakhalin, ten noorden van Japan. Hij heeft een afspraak gehad met Hans Tromp, een van de hoogstgeplaatsten bij Shell. Er is een kans dat hij bestuursvoorzitter wordt.

Omdat hij vanwege een sneeuwstorm niet naar huis kan, overnacht hij in een hotel, samen met Isabelle Orthel, die hij nog van vroeger kent. Wij kennen haar ook nog: uit Bonita Avenue: de studente die het met Siem Sigerius aangelegd had.

Isabelle heeft Hans Tromp meegemaakt in Nigeria, waar zij zich met hem in een sadistische affaire heeft begeven, met een journalistiek doel: ze wilde informatie van hem, zodat ze over hem kon publiceren. Dat heeft ze ook gedaan, samen met Timothy Spade schreef ze het boek Billion Barrel Bastards. 

Ze komt zo bijvoorbeeld te weten dat hij een ontvoerde journaliste, Jill Biggerstaff, had kunnen vrijkopen, maar dat niet heeft gedaan. Biggerstaff zal over de geschiedenis later het boek Kidnapped publiceren.

Centrale personages

Hans Tromp, Ludwig Smit en Isabelle Orthel zijn de centrale personages in Otmars zonen, maar om hen heen cirkelen er meer.

Ludwig heette oorspronkelijk Dolf, maar toen zijn moeder Ulrike een relatie kreeg met Otmar Smit gaf die naam problemen omdat Otmar al een zoontje had dat Dolf heette. En een dochter: Tosca. Dolf van Ulrike kreeg toen de naam Ludwig, net als zijn grootvader. En net als Beethoven.

Dolf en Tosca zijn muzikaal begaafd: Dolf als pianist, Tosca als violiste. Dolf heeft wel zijn eigenaardigheden. Zo heeft hij zich een tijdje vereenzelvigd met Beethoven, waardoor ook zijn gehoor achteruit leek te gaan. Nu heeft hij weer iets: een Beethovenschat, zoals hij het noemt: het manuscript van een verloren gegaan deel van pianosonate opus 111.

Beethovenschat

Dat gaat ongetwijfeld in de volgende delen een belangrijke rol spelen. Niet voor niets begint dit deel met hoofdstuk 111, waarna er wordt afgeteld. En Ludwig heeft Isabelle verteld over de vondst van zijn stiefbroer, die naast het stuk muziek ook brieven en dagboekbladen bevat. Dat zal de journaliste niet laten liggen. Maar hoe betrouwbaar is het verhaal van Dolf?

Ook Isabelle heeft haar achtergrond. Ze is geadopteerd door Peter en Marij. Haar grootvader, Andries Star Busman, was voorzitter van VNO, werd ooit oneervol uit een kabinet ontslagen en schreef kinderboeken over de hond Bello, een beetje vergelijkbaar met Snuf de hond. Uit zijn nalatenschap heeft Isabelle het boek Juliette van Markies De Sade.

Dat kwam haar natuurlijk van pas in haar affaire met Hans Tromp, maar Juliëtte is ook de partner van Ludwig, met wie hij in het heden alleen telefonisch contact heeft. De relatie lijkt over haar hoogtepunt heen. Ludwig koester overigens wel vadergevoelens voor Juliëttes dochter Noa.

Het centrale punt in dit eerste deel is de ontmoeting tussen Ludwig en Hans Tromp, die zijn biologische vader is. Achteraf bezien is Tromp misschien al meer in zijn leven geweest dan hij beseft heeft. Hij komt er ook achter dat Juliëtte al op de hoogte was. Na de eerste ontmoeting (waarin niet over de familieverhouding wordt gesproken) nodigt Tromp hem uit om samen te gaan skiën, wat Ludwig aanneemt. Hoe dat zal gaan, lezen we in een volgend deel.

Ouderschap

De roman heet Otmars zonen, maar strikt genomen had Otmar maar één zoon, Dolf. Ludwig was zijn stiefzoon, maar hij heeft hem wel altijd als een zoon behandeld. Vaderschap/ouderschap/familie speelt door de hele roman: Isabelle is geadopteerd en verafschuwt haar grootvader, Ludwig heeft een stiefdochter.

Otmar is overleden, maar Ulrike heeft zich helemaal ontfermd over haar stiefzoon Dolf. Is Ludwig jaloers op Dolf omdat die zijn moeder heeft afgepakt? Isabelle vraagt zich dat af.

Ook in Bonita Avenue waren de familierelaties doorslaggevend, bijvoorbeeld tussen Siem Sigerius en zijn zoon. Die zoon was een tijd uit het leven van de andere familieleden (hij zat in de gevangenis), maar nu duikt hij weer op, zoals Hans Tromp opduikt in het leven van Ludwig.

Otmars zonen is een dik boek, maar het is eigenlijk te dun: je wilt doorlezen, maar je moet wachten op de volgende delen. Dat is een belangrijke kwaliteit. Buwalda roept steeds vragen op waarop je het antwoord wilt weten. En soms weet je al een antwoord, maar wil je toch weten hoe de weg naar het antwoord is.

Door het verhaal in het heden bescheiden van omvang te houden, kan Buwalda eindeloos uitweiden in de flashbacks en hij kan ook gemakkelijk heen en weer springen in de tijd. Je krijgt zo stukjes van de puzzel van het verleden, die je graag helemaal wilt leggen.

Humor

Sommige delen van Otmars zonen zijn bijzonder humoristisch. Op de omslag staat een absintlepel afgebeeld. Die heeft te maken met een streek die Ludwig Isabelle in het verleden geleverd heeft. Nu ze elkaar opnieuw ontmoeten blijft dat onuitgesproken. Ludwig denkt dat Isabelle wraak neemt door zijn oordopjes achterover te drukken. Om wat toen allemaal volgde moest ik breed grijnzen.

En dan is er natuurlijk de fraaie stijl, die ook nu weer is om te watertanden:
Omdat gewone seks kennelijk nauwelijks effect op hem had, besloot ze van het ene op het andere moment de perverse vleugelmoer die ergens in zijn libido moest zitten een tik te geven.
Die tik tegen de vleugelmoer - je ziet het voor je en je ziet de vleugeltjes al ronddraaien: raak! Vaak zijn het maar kleine zinnetjes ('De overtrekloze dekbedden liggen als rolmopsen op de voeteneindes'), maar ze helpen je altijd om het beeld dat je voor je moet zien gemakkelijker te vormen, terwijl je tegelijkertijd geniet van de manier van schrijven.

Verder zijn er overal in het boek parallellen en tegenstellingen: de affaire die Isabelle had met Hans Tromp doet denken aan wat ze weet over Hans en Isolde (wier man bevriend was opa Star Busman), de afwezige vaders en stiefvaders. Verder is een verwijzing naar de geschiedenis van Abélard en Héloïse, maar nu verenigd in een enkele persoon die van geslacht verandert. Ach, er is zoveel.

In ieder geval lijkt het, net als in Bonita Avenue te gaan om iemand die van zijn voetstuk valt. Ik neem aan dat de positie van de machtige Tromp toch wankel zal blijken. We zullen het lezen in deel 2 en 3 (De jaknikker en Hysteria Syberiana).