woensdag 12 augustus 2026

Virl (Dick Matena)

In april overleed Dick Matena (1943 - 1926). De oude leeuw had voor het laatst gebruld en daarna heeft hij het strijdperk van het leven verlaten. Hij laat een gigantisch oeuvre na. Er is bij zijn dood al veel over hem geschreven en dat hoef ik niet over te doen. 

In die overzichten worden steeds zijn verstrippingen van literaire werken genoemd. Enkele ervan heb ik besproken. De links naar die recensies vind je onderaan. Matena gaf de beelden bij de literaire tekst en veel van die teksten liet hij intact. Strikt genomen zou je kunnen zeggen dat hij werken als De avonden en Kort Amerikaans niet verstripte, maar illustreerde. Als de tekeningen het verhaal al vertellen, is er eigenlijk een deel van de tekst overbodig, maar Matena had zoveel respect voor de tekst dat hij die onaangetast wilde laten. 

Daarmee bereikte hij wel dat er een nieuw publiek (de literatuurlezers) strips gingen lezen. In hoeverre ze overstapten naar dat nieuwe medium en of ze na Kees de jongen ook Thorgal of Blueberry gingen lezen, is voor zover ik weet niet onderzocht. 

Virl integraal

Nu heeft uitgeverij L de strip Virl integraal uitgebracht. Je zou kunnen zeggen dat dat aan de late kan is, aangezien Matena het zelf niet meer heeft kunnen meemaken, maar aan de andere kant is het mooi dat deze strip nu beschikbaar is en het is onmiskenbaar een eerbetoon aan Dick Matena. 

Virl behoort tot de science fiction. Dat is nooit mijn eerste keus, maar ik heb mij in het verleden al verschillende keren laten overtuigen door bijvoorbeeld delen van Ravian en Laureline en Luc Orient. 

Toen Matena aan Virl begon, was dat voor hem wel iets nieuws: een realistische tekenstijl. In het dossier voor in de uitgave geeft Jos van Waterschoot (met medewerking van Rob van der Nol) de context bij de strip. 

Matena begon aan de strip in 1977. Het eerste album, Verbanning naar Cion verscheen in 1979, het tweede, Speurtocht naar Terra in 1981. Daarna werd het stil rond Virl, tot Matena die in 2011 toch weer oppakte. In dat jaar en het jaar erna verschenen er korte afleveringen in het stripblad Eppo. Het leverde een derde album op, Het asiel, in 2013. 

Heldere stijl

Virl werd getekend voor Mickey Maandblad, dat gedrukt werd op een kleiner formaat dan het gebruikelijke albumformaat. Het papier was goedkoper en de strip zou in zwartwit worden gepubliceerd. Matena moest op zoek naar een helderder stijl, de stijl waaraan hij uiteindelijk herkenbaar zou blijven. 

Het eerste album bestaat uit zes korte verhalen. Daarbij deed zich een probleem voor. Virl had in de loop van de verhalen een ander uiterlijk gekregen. In de eerste twee verhalen waren zijn haren korter en minder sluik. Bij de losse afleveringen in Mickey Maandblad viel dat niet op, maar in een album is het niet acceptabel. Matena hertekend waar dat nodig is. Bovendien maakte hij kleurvoorbeelden voor de inkleurstudio. Later zou Matena zelf zijn strips inkleuren. 

Matena: 

Ik ben toen zelf gaan kleuren. Alles wat ik in kleur maak, doe ik zelf. Ik had geen zin meer om mijn werk over te leveren aan een inkleurstudio, met mensen die je nooit ziet en die ook helemaal niet blij waren met mijn suggesties. Ik ben altijd mijn eigen kleurideeën gehad, dus waarom zou je het laten doen?

Geregeld komt in het dossier Matena zelf aan het woord. Hij is een goede verteller, dus dat zijn heel aangename passages, waarin je hem zo ongeveer hoort praten. Uitstekende keuze dus. 

Verder is het mooie van het dossier, dat er zoveel materiaal getoond wordt. De hele weg van schets naar uiteindelijke tekening, de kleurvoorbeelden die Matena maakte, de aanpassingen die hij bij het hertekenen aanbracht - het is allemaal smullen voor de stripliefhebber.

Verbannen van Terra

Maar nu de strip zelf. In het begin van het eerste verhaal wordt Virl verbannen van Terra naar de planeet Cion. Degene die het oordeel uitspreekt heeft een hoog voorhoofd en heeft in zijn uiterlijk wel wat weg van Marten Toonder. Maar misschien maak ik dat mijzelf alleen maar wijs. Verder hebben de mensachtige figuren vaak een vrij lang bovenlijf. Zoals in veel sci-fiverhalen is er een merkwaardige mengeling van technologische snufjes en elementen die juist doen denken aan vroegere beschavingen: mensen die in kleding lopen die van dierenhuiden gemaakt is en die op dieren rijden. 

Uiteindelijk zal Virl terugkeren naar Terra, waar hij een vroegere geliefde ontmoet, die al die tijd genoegen genomen heeft met de kloon van de echte Virl, maar die kloon laat zich niet zomaar opzij zetten. Je ziet ook hoe de stijl van Matena zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld, wat ervoor zorgt dat het album Het asiel vertrouwd aandoet: typisch Matena. 

De verhalen over Virl zijn best aardig, maar ook niet zoveel meer. Sommige ontwikkelingen waren me 'te veel poespas', te gezocht, en dan raakte ik de aandacht toch een beetje kwijt. Maar de tekeningen blijven altijd boeiend. Matena brengt mooie stileringen aan en de helderheid die hij bereikt, is heel aangenaam. 

Deze integrale uitgave van Virl is misschien niet helemaal in mijn straatje, maar het is zonder meer een mooie uitgave geworden, met een informatief dossier. En het is goed dat het werk van Matena vindbaar blijft. Ik hoop dan ook op meer van deze uitgaven, zodat ik niet alleen De Argonautjes of De teloorgang van oude Knudde, maar ook bijvoorbeeld Dandy of Mozart en Casanova nog eens ter hand kan nemen. 

Titel: Virl (integraal)
Tekst en tekeningen: Dick Matena
Tekst dossier: Jos van Waterschoot (m.m.v. Rob van der Nol)
Redactie: Rob van Bavel
Uitgever: Uitgeverij L
2026, 208 blz. € 39,95 (hardcover)



Eerder schreef ik over ander werk van Dick Matena:

dinsdag 11 augustus 2026

Ging fietsen

Gewoonlijk plaats ik op de eerste werkdagen van de week dagelijks een recensie, maar dat is me deze week niet gelukt. Ik heb de afgelopen vier dagen namelijk op de fiets gezeten. Voor de goede orde: dat is een veertig jaar oud herenrijwiel zonder ondersteuning dat geheel door mankracht aangedreven moet worden. Hoewel ik geen opzienbarende afstanden heb afgelegd (een kleine tweehonderdvijfig kilometer in die vier dagen), waren mijn dagen toch zo ingedeeld dat ik niet aan schrijven toekwam. Dat is toch al lastiger als ik mijn eigen studeerkamer niet tot mijn beschikking heb. 

Gelezen heb ik wel en ik heb een voorraadje dat ik de komende tijd ga bespreken. Ik loop het even met jullie door, waarschijnlijk in de volgorde van bespreking. 

Virl

Enkele maanden geleden overleed Dick Matena, een stripmaker die een gigantisch oeuvre nalaat. Zijn verstrippingen van literatuur kent iedereen, maar er is ook veel werk dat minder bekend is, zoals de science-fictionstrip Virl, waaraan Dick Matena al in de jaren zeventig begon. Het derde en laatste deel verscheen in 2013 als album. De strip wordt voorafgegaan door een mooi dossier. 

Noodweer

Het werk van Marijke Schermer ben ik van achteren naar voren aan het lezen. Eerst las ik In het oog (2024), Daarna Liefde als dat het is (2019) en nu Noodweer (2016). In al die boeken gaat het om relaties tussen mensen, maar daar gaan de meeste romans over. Schermer is wel heel goed in mensen in lastige situaties brengen en de lezer mee laten kijken in wat er gebeurt. In Noodweer gaat het om het verzwijgen van iets binnen de relatie. Kun je daaraan voorbijleven of steekt het verzwegene vroeg of laat de kop op? De problemen in de relatie worden weerspiegeld in het dijkhuis dat te kampen heeft met een stijgende waterstand. Hoe red je de meubels van je huwelijk?

The Story of Black Hills

De titel is Engels: The Story of Black Hills, maar het is een Nederlandse strip. Deel 1, Conchita is van 2025, maar ik kreeg het pas later toegestuurd. Ik heb het album een tijdje laten liggen en ben het toen toch gaan lezen. Er zit zeker wel iets aantrekkelijks in de strip, maar het is toch vooral een verhaal dat in losse scènes. De vrouw die een belangrijke rol in de strip speelt en naar wie het album vernoemd is, doet me denken aan de Cubaanse actrice en zangeres María Conchita Alonso. Niet dat ik bekend met haar werk, maar er is een foto van haar die wel gelijkenis vertoont met de hoofdpersoon van de strip. Maar misschien is dat toeval. 

70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties

In 1971 ging ik van de lagere naar de middelbare school. Ik vind daarom dat ik opgegroeid ben in de jaren zeventig. In 70's, Het levengevoel van de jaren zeventig in advertenties (Roelof Bouwman en Minke Vogel), wist het jeugdsentiment bij mij uitstekend te wekken. Het boek staat vol met afbeeldingen van reclame, gesorteerd naar onderwerp (shag, bier, plaatjes draaien, auto rijden, voor de keuken) waarbij steeds vijf afbeeldingen zijn gezocht. Alle half vergeten slogans stonden me weer bij. 'De wilde frisheid van limoenen' hoort natuurlijk bij Fa en 'Dit is de man, dit is zijn bier' bij Amstel. Die laatste advertentie staat er niet in, maar dat is het leuke van dit boek, dat er ook allerlei andere reclames je te binnen schieten. Heerlijk boek. 

Cor Morelli, Het grote geluk

De strips van Cor Morelli, getekend en geschreven van Aloys Oosterwijk, gaan er bij mij goed in. Ik heb er ook vaak over geschreven. Oosterwijk is zijn wat oudere strips nog eens gaan bekijken en ze worden opgefrist nu gepubliceerd. In het album Het grote geluk staan twee verhalen. Vooraf is er een dossiertje met leuk beeldmateriaal en een informatieve inleiding door iemand die het werk van Oosterwijk goed kent, maar zichzelf ook wel graag hoort praten. Hoe dan ook, een nieuwe Aloys Oosterwijk is altijd je aandacht waard. 

Nachtbezorger

Van Lucas de Waard had ik nog nooit wat gelezen en zijn roman Nachtbezorger heeft een interessante setting. Daarom ben ik het gaan lezen. 
De stad Andrecht ligt op een schiereiland. Op een dag wordt de stad afgesneden van Het Land: er komen graafmachines die het de stad scheiden van het land. In de chaos die ontstaat neemt een zanger, Leandere Winkelman, het voortouw, benoemt zichzelf tot burgemeester en krijgt zo de steun van het volk. 
Maar Winkelman lijkt uiteindelijk zijn macht belangrijker te vinden dan het welzijn van het volk en de stad en er gebeurt niets buiten zijn wil. 
We volgen enkele personen: Amy, ex-profboksster en nu smokkelaar van post (nachtbezorger), kroegbaas Jonah en Ben, ooi kleermaker. Amy krijgt een bijzondere opdracht. 
De Waard heeft een spannend verhaal geschreven, waar ik ook wel wat vragen bij heb. Maar als luchtig tussendoortje voldoet het wel. 

De kremlinfluisteraar

De kremlinfluisteraar (2022) is een roman van Giuliano da Empoli. Dat boek heb ik indertijd niet gelezen. Het boek werd verfilmd als The Wizard of Kremlin, en die film heb ik ook al niet gezien. Maar ik heb nu wel de verstripping gelezen. Het gaat om Vadim Baranov, die zijn kwaliteiten inzet om Vladimir Poetin aan de macht te helpen. Ik lees de strip vanavond uit en daarna kan ik er meer over vertellen, maar in een strip over Poetin zullen veel mensen geïnteresseerd zijn. 

Kreeft

Kreeft is maar een dun boekje, in een reeks van uitgeverij Lebowski, geschreven naar aanleiding van de tekens van de dierenriem. De auteur is Franca Treur, van wie ik mij afvroeg wat zij in vredesnaam met astrologie zou kunnen hebben. Eigenlijk had het hele gedoe over het sterrenbeeld kreeft gewoon achterwege gelaten kunnen worden, al schrijft ze daar nog best aardige dingen over. Maar Kreeft is wel een echte Treur geworden. Ze vertelt het verhaal van een oom, met het syndroom van Down (al wordt dat heel lang niet genoemd), die jong overlijdt en bij wie ze vlak voor zijn dood waakt. In die periode zegt ze bovendien het geloof en dus de kerk vaarwel. Mooi boekje!

Dat staat er dus op het programma. Het plan is om drie recensies in de week te schrijven, maar dat red ik niet altijd. Bovendien ga ik eind augustus nog twee weken op vakantie. Dan zal ik niet altijd recensies kunnen schrijven, maar ik probeer dan wel wekelijks iets te plaatsen. Ik heb ook nog een vaag plan om te gaan schrijven over enkele woorden die me de laatste tijd opgevallen zijn. Bijvoorbeeld dat in Dood en leven van de jonge Selder (van Allard Schröder) wel een keer of vijf het woord 'gemelijk' gebruikt wordt en dat bij podcast steeds opgeroepen om de betreffende podcast te beluisteren in 'je favoriete podcast-app', waarbij het woord 'favoriete' steeds de klemtoon op de eerste lettergreep krijgt in plaats van op de derde. 

Verder hebben de Staatsexamens me een lijstje opgeleverd van boeken die ik nu toch onderhand eens moet gaan lezen. Afgelopen week nam ik daarom Net echt van Saskia De Coster en Tussenjaren van Yannick Dangre uit de bibliotheek mee naar huis. Die boeken ga ik in ieder geval lezen. 


donderdag 6 augustus 2026

Mijn eerste strips

De laatste weken heb ik jeugdherinneringen uit mijn dagboeken gehaald. Het meeste kwam uit het dagboek Jungske, geschreven voor mijn kleinzoon in de tweede helft van 2023. In de andere dagboeken staan ook best wat jeugdherinneringen, maar meestal afgewisseld met andere stukjes. Daar kan ik niet zomaar een blogpost van maken, voor zover ik nu kan zien. Mogelijk moet ik binnenkort uit verschillende dagboeken stukjes bij elkaar schrapen die over vergelijkbare onderwerpen gaan. 

In het dagboek Zomerkind, voor mijn tweede kleindochter, heb ik deze keer een stukje gehaald over de eerste strips in mijn leven. Het stukje schreef ik op 6 maart 2023. Aan het eind gaat het ineens over op voetbal, maar omdat er toch nog een strip in ter sprake komt, laat ik dat maar staan. Daarna kap ik het wel vrij abrupt af. Aan het eind nog een naschriftje. 


Pas vroeg ik me af wanneer de strips in mijn leven gekomen zijn. Bij mijn vriendje Gerard (die we ook wel Joekie noemden en mijn oma Ganseman zei altijd Joepie) lazen ze de Sjors en daar genoot ik zeer van. Mijn buurjongen Chris, die veel ouder was, had de Pep, maar daar kwam ik haast nooit. Hij woonde in het huis waar later een manege achter gebouwd is. Het is allemaal nog te zien, mocht je daar in de buurt zijn. Merkenhorststraat. Het huis waar ik geboren ben, ligt onder de snelweg.

Hoewel ik Chris weinig zag en weinig bij die buren kwam, heb ik wel eens een stapeltje Peps gekregen. En mijn neef Gerrit, die we toen nog Gert noemden, had de Donald Duck. Die las ik als ik daar logeerde. Ik heb nog een zwak voor de striptijdschriften uit die tijd.

Nu ik dit tik, realiseer ik me dat ik het meisjesblad Tina (dat nog steeds bestaat) ook wel eens las. Waarschijnlijk las de oudere zus van Gerard, Ina, dat blad. Mijn zus las later de Anita. Die was goedkoper, denk ik: ander papier en niet in kleur, maar van dezelfde makers. Ik heb ze driftig meegelezen. Ik zie ze trouwens nooit meer ergens op stripbeurzen.

Van mijn tante Cor, zus van mijn moeder, kreeg ik Het geheim van de boekanier, dat nog ergens in een doos op zolder opgeborgen moet zitten. Ik weet nog hoe die boekanier eruitzag en het meisje dat een belangrijke rol speelde, heette Dientje als ik mij niet vergis.

Ik had ook een strip over De koerier van de tsaar. Dat zal wel in de serie Illustrated Classics gezeten hebben, want het is een bekend boek. De hoofdpersoon was Michael Strogoff, die in de loop van het verhaal blind gemaakt wordt. En (spoiler!) later blijkt dat hij niet blind is.

Op de hoek van de Schoolstraat en de Merkenhorststraat zat de winkel van de kruidenier, die later een klein supermarktje werd. Dat was wat: zelfbediening! Het zaakje werd vroeger gedreven door Engeltje Dekker, later door haar zoon Maarten en zijn vrouw Ineke. Toen de eerste klanten met een metalen mandje (winkelwagens waren er nog niet) hun boodschappen verzamelden, liep ze mee om te helpen.

Dat supermarktje was de IFA en ze hadden er ook strips: kleine boekjes, nog geen A5-formaat. Ze stonden in een bakje bij de kassa en kostten 60 cent. Ik kocht altijd de oorlogsstrips en soms de westerns. Ik kreeg vijf kwartjes (1,25) zakgeld per week. Een kop koffie kostte op school 25 cent en zo kon ik elke dag een kop koffie kopen. Wij dronken dat al op jonge leeftijd, maar dat is een ander verhaal.

Soms kocht ik geen koffie en zo kon ik strips kopen. Wat ik dan dronk? Niets. Ook geen water? Nee, ook geen water. Nu denkt elke scholier dat er meteen een ramp gebeurt als de waterfles leeg is. Dan moet die eigenlijk wel tussen de lessen door gevuld worden. We kunnen best een tijdje zonder.  

Nu ik die westerns heb genoemd: ik had ook westerncomics, slappe kaft. De hoofdpersoon was altijd iemand die onschuldig was, maar die toch moest vluchten voor het gezag. Hij kon altijd geweldig schieten. Ik herinner me Kid Colt en Rawhide Kid (die had net als ik rood haar), maar er waren er meer. Die boekjes had ik wel. Kreeg ik die ook van buurjongen Chris? Geen idee.

In hetzelfde formaat waren er strips over superhelden (Batman, Spinneman -die heette nog geen Spiderman in de Nederlandse strip-, de X-mannen, de Hulk en waarschijnlijk waren er nog anderen die ik nu vergeet). Of kreeg ik die strips van mijn klasgenoot Reinier? Die woonde aan de andere kant naast ons. Nou ja, eigenlijk aan de overkant van het kruispunt, aan de Dijkstraat.

Van hem kreeg ik ook de oude nummers van Voetbal International, dat toen min of meer de vorm van een krant had, maar wel in kleur (sommige bladzijden) en op papier dat een beetje glom. In die krant stond een mooie strip, over Abe, een meisje dat bij Ajax voetbalde, vermomd als jongen. Getekend door Theo van den Boogaard. Dat wist ik toen waarschijnlijk niet, maar nu wel. Ik heb er wel plaatjes van uitgeknipt en in mijn agenda geplakt.

Reinier was overigens voor Feyenoord en ik was voor Ajax, al wist ik niet precies waarom. Daar speelden helden als Cruyff, Swart, Keizer, Krol, Hulshoff, Suurbier, Mühren, Rep, Neeskens. Het halve Nederlands elftal speelde bij Ajax. Weinig buitenlandse spelers. Er is ook een tijd geweest dat er maar drie buitenlanders bij een club mochten spelen, maar dat was later. Ik hield erg van de naam Horst Blankenburg, een Duitse verdediger. Ook Ajax. Een wedstrijd zag ik eigenlijk nooit, maar ik luisterde wel naar de radio. Die mocht dan niet hard staan, want dan had mijn moeder er last van, dus ik drukte mijn oor tegen het kastje.

Naschrift

Veel oude striptijdschriften (Sjors, Pep, Donald Duck, maar ook Robbedoes en Kuifje, die ik pas later las). Heb ik in de loop der jaren weer aangeschaft. Ik ben van plan die eens nauwkeurig te gaan inventariseren. Op sommige dozen staat precies welke jaargang erin zit en welke nummers ontbreken, maar ik kom ook opschriften als 'Oude Peps' tegen. 

De oorlogsstrips die ik las, zijn uit de serie Victoria. Toen ik op zoek ging naar plaatjes, zag ik dat ze ook nog vijftig cent gekost hebben, maar dat ze aan het eind van de jaren zeventig al 1,25 kostten. 

Het meisje uit Het geheim van de boekanier heette inderdaad Dientje en er moet een hele reeks strips over haar geweest zijn. De scenarist was Greg, dus het verhaal zat wel goed in elkaar. Cuvelier tekende ook de strip Corentin

De voetbalstrip die ik Voetbal International las, ik ook als album uitgekomen, maar dat heb ik nooit in mijn bezit gehad. 

woensdag 5 augustus 2026

Dood en leven van de jonge Selder (Allard Schröder)


 Wat lezen betreft, ben ik niemand iets verschuldigd; ik kan lezen wat ik wil. Toch voel ik een zweem van schuldgevoel als ik het werk van een schrijver veronachtzaam. Ik had het bijvoorbeeld bij Wessel te Gussinklo, van wie ik pas in 2020 voor het eerst een roman las en ik heb het eigenlijk ook bij Allard Schröder

Van hem las ik Raaf (1995) al snel na verschijnen en die roman beviel me goed. Maar daarna las ik niets meer van hem, zonder voor mij achterhaalbare reden. Grover (1999) werd genomineerd voor twee literaire prijzen, De hydrograaf (2002) werd bekroond, maar ik liet de boeken ongelezen. Wel heb ik onlangs die laatste roman meegenomen uit een kringloop (netjes betaald, hoor), dus die zal ik nog wel gaan lezen. 

Zeker nu ik de nieuwste roman, Dood en leven van de jonge Selder heb gelezen. Goed boek. En het soort boek waarvan ik hou. Het is een boek waarin gespeeld wordt met verbeelding en werkelijkheid. Van sommige delen weet je niet of die nu werkelijk zijn of dat ze alleen in het hoofd van het personage bestaan. Dat vind ik altijd heerlijk. Daarom hou ik ook van romans als Door de waterspiegel (2014) en De vrolijke verrijzenis van Arago (2019) van Tomas Lieske.

De titel Dood en leven van de jonge Selder doet me, door dat 'jonge', denken aan Het lijden van de jonge Werther, en ook wel aan Het leven en sterven van een hedendaags aristocraat van Gerrit Paape, maar mogelijk is dat toeval. Die jonge Selder is Robert Selder, afkomstig uit een welgesteld milieu uit 'de voorstad' en studerend in 'de universiteitsstad'. Nou ja, niet echt studerend - hij voert al anderhalf jaar niets uit. 

Feest in Villa Nysa

Als hij zijn ouderlijk huis weer eens bezoekt, vindt hij post die voor hem bestemd is. Een uitnodiging van zijn oud-klasgenoot Denis Lenaeus, voor 'een feestelijke bijeenkomst' in Villa Nysa, diezelfde dag nog. Robert gaat erheen. 

Onderweg naar de Langelaan kwam er een onvrijwillige herinnering in hem op, die met haar te maken had, degene van wie hij was weggelopen. Of was zij van hem weggelopen? Op momenten dat hij alleen met zichzelf was, dacht hij vaak aan haar, terwijl hij zich toch had voorgenomen dat nooit meer te doen.

Die vrouw blijkt Katja Camberling te heten en als lezer wil je weten wat er tussen die twee is voorgevallen. Er wordt al wel snel verteld dat Robert bij haar weggelopen is, uit angst dat ze anders bij hem weg zou lopen. Maar het fijne ervan is dan nog lang niet duidelijk. Later wordt verteld dat hij twee keer bij haar is weggelopen. 

Bij het betreden van het terrein van de Villa Nysa heeft Robert het gevoel dat hij een onzichtbare grens passeert, 'maar als dat zo was, waar was hij dan terechtgekomen?' Wat Robert verder overkomt op het feest lijkt werkelijk, maar door dit soort zinnetjes is er al een beetje gemorreld aan de betrouwbaarheid van zijn waarnemingen. Bovendien nuttigt Robert nogal wat alcohol, wat zijn werkelijkheidsbeleving ook zal beïnvloeden. 

Hij ontmoet Katja inderdaad (ze heeft intussen een kind), maar Denis, de gastheer, blijkt in geen velden of wegen te bekennen. Na verloop van uren vindt Robert zichzelf terug onder een struik, waar hij blijkbaar geslapen heeft, Hij loopt naar de weg en wordt daar aangereden door auto. Alles wordt zwart. 

In Almannië

In het volgende hoofdstuk gaat het verhaal echter verder en bereikt Robert gewoon het ouderlijk huis, waar iedereen erg ongerust is. Maar als hij met de auto van zijn moeder naar de universiteitsstad gaat, verdwaalt hij en hij komt in een compleet andere wereld terecht. Hij kan er niets met zijn telefoon, zijn geld is onbruikbaar en niemand heeft ooit van het koninkrijk der Nederlanden gehoord. 

Onderweg was hij gestopt en had toen gedroomd van een verre, wonderlijke stad, die als een luchtspiegeling aan de horizon was verschenen. Is hij daar uiteindelijk terechtgekomen? In ieder geval is hij beland in Almannië, dat gelokaliseerd zou kunnen zijn waar Duitsland ooit was, maar het is allemaal met onduidelijkheden omgeven. In welke tijdlaag beweegt Robert zich?

In de stad waar hij terechtkomt is zijn verhaal volstrekt ongeloofwaardig en hij blijkt gevaar te lopen omdat hij er illegaal verblijft. Uiteindelijk krijgt hij woonruimte aangeboden door iemand die hij niet vertrouwt en later komt er een jonge vrouw bij hem wonen, Aliese, die ook illegaal is. Ze is moeilijk te benaderen, maar Robert gaat zich aan haar hechten. Dan wordt ze opgepakt door de Zekerheid, zoals de politie (of de geheime dienst) heet. 

In het leger

In een poging zijn aanwezigheid te legaliseren, meldt Robert zich aan bij het leger. Daarbij neemt hij een andere naam aan: Reyer Elders. Hij komt in een oorlog terecht. Uiteindelijk wil hij Aliese gaan zoeken. 

Als lezer leef je met Robert/Reyer mee. Zijn leven is totaal veranderd: van een leven in de voorstad en de universiteitsstad naar een leven als illegaal en als soldaat (velder) in Almannië. Het moeizame van een illegaal heb ik in de literatuur maar weinig zo goed beschreven gezien. Het eerste boek waaraan ik moest denken was De weg naar het noorden (1995), bij de beschrijving van het soldatenleven had ik vooral associaties met Montyn (1982). 

Het is een onwerkelijk leven en dat roept bij Robert de vraag op hoe werkelijk zijn leven daarvoor was. In welk leven bestaat hij echt?

Slecht op zijn gemak keek Elders om zich heen. In een vlaag van verwarring vroeg hij zich af wie het eigenlijk was die er in zijn gedaante door dit woud liep, was het Robert Selder of Reyer Elders of opnieuw iemand anders die zich tot dan in hem had schuilgehouden?

Nog weer later neemt hij de naam Redsel aan. Hij gaat dan met medevelder Alberecht naar diens oom Winewin. 

Als dat achter de rug is:

De momenten dat hij wakker was en min of meer helder in zijn hoofd, vroeg hij zich af wie het eigenlijk was die daar in bed lag. Was dat Reyer Elders de velder, Redsel de door Alberecht verzonnen welgestelde zoon van Armen of Robert Selder, kind van de voorstad? Of lag er een nieuwe gestalte van hem in dat bed, die nog geen naam had?

En in een andere passage:

Zijn aardse leven was steeds dat van een simpele rationele materialist geweest, zoals dat van zoveel anderen, maar er was ook dat andere, onaardse leven, het leven van alles wat hij dacht en droomde, waarin hij net zo goed bestond. Misschien waren er nog meer onstoffelijke gestalten van hem, waarvan hij totaal geen weet had. Misschien was hij veel meer dan hij besefte. 

Maar hij twijfelt ook aan zijn leven in de voorstad, dat ooit aards, concreet was:

Moest hij geloven dat hij altijd in een verzonnen wereld had geleefd en dat de voorstad altijd een luchtspiegeling was geweest, waarin je alleen kon wonen als je zelf ook een luchtspiegeling was? 

Oom Winewin

Als ze in de buurt van oom Winewin komen, steekt er een centaur met zijn kroost over. Alberecht weet dat er onder invloed van zijn oom vreemde dingen kunnen gebeuren. Oom Winewin wordt in verband gebracht met de Dionysus. Op de stofomslag van de roman staat een masker van Dionysus afgebeeld. 

Roberts oud-docent Sleen heeft ooit de link tussen Denis en Dionysus gelegd:

Je bent hier in de tuin van Dionysus, m'n beste jongen. We zijn hier ter ere van hem. We vieren hier de wijn en de dood, de geilheid en duizend gezichten van de god. 

Denis, die een oud-leerling van oom Winewin zou zijn, duikt in allerlei gestalten op in het leven van Robert. Als hij onder de struik ligt, tijdens het feest, droomt hij over hem. Of hoort hij de stem van Denis in zijn hoofd?

Misschien had zijn dromende hoofd, zoals een radio een zender ontvangt, signalen van Denis ontvangen. Als de god die hij volgens Sleen moest zijn, die zich hier onder de mensen had begeven, kon hij die zenden. 

Dat Denis invloed op hem heeft, is wel duidelijk. 

Het was waar, zonder dat hij zich kon verzetten had Selder zich altijd aangetrokken gevoeld door Denis Lenaeus' rattenvangerige aanwezigheid - je had steeds het verlangen in zijn buurt te zijn, hij zoog je naar zich toe, alsof je nog een zweterige tiener was en hij je idool. 

Duizend gestalten

Oom Winewin zegt dat Denis duizend gestalten tot zijn beschikking heeft en kan zijn wie hij wil. Ook vertelt hij dat de nacht, de roes en de dood van Denis zijn, omdat ze eigenlijk hetzelfde zijn. 

Pas op, jongen, hij is een verleider. Hij laat de mensen uit zichzelf treden, vooral als ze dronken zijn of in welke roes ook verkeren, maar altijd wanneer ze sterven. De extase van het stervensuur is zijn werk, hij laat de stervenden, teder als hij dan is, uit zichzelf treden en zorgt dat hun zielen weer oplossen in het ene geheel waar ze ooit vandaan zijn gekomen. 

Opmerkelijk is dat Denis vroeger in de klas ook een uitspraak over het sterven gedaan heeft die op eenzelfde manier begint als wat oom Winewin zegt. 

'Pas op, jongens, als jullie doodgaan,' had hij gapend gezegd, 'dan vliegt de ziel niet een tijdloze bovenzinnelijke wereldruimte in, of hoe het daar ook heet. Het tegendeel gebeurt, de eeuwigheid verschijnt aan jou en ontvouwt zich in jou - wees maar niet bang, dat neemt maar een ondeelbaar kort moment in beslag, al kan het voor mensen een eeuwigheid duren - het ogenblik van de dood is voor hen nu eenmaal eindeloos kort en eeuwig lang tegelijk.'

Een ondeelbaar moment dat een eeuwigheid kan duren: is dat wat Robert overkomt nadat hij door een auto is aangereden? Voor zijn gevoel is hij enkele jaren in Almannië geweest, maar is dat ook zo? Dat doet weer sterk denken aan De trein der traagheid (1950) waarin drie mensen na een treinongeluk dwalen door het niemandsland tussen leven en dood. 

Robert heeft de stem van Denis in zijn hoofd gehoord en die kondigt aan dat hij vanaf nu een balling zal zijn en dat hij zal moeten wachten tot hij geroepen wordt. Hij zal een zwervend bestaan leiden tot hij bij zinnen komt. Dat is ook wat er gebeurt. Waar Robert ook is, in welk van zijn levens dan ook, steeds duikt er een gestalte op waarvan Robert weet dat het Denis is. 

Maar wat moet hij ermee? In zijn hallucinaties ziet hij steeds mensen die wachten. 

Opnieuw vroeg hij zich af waarom hij in zijn hallucinaties zo vaak mensen aantrof die ergens op wachtten. Ze kwamen allen uit zijn hoofd, het waren zijn scheppingen, maar waren al die mensen dan ook min of meer zoals hij?

Bestemming

Het laatste hoofdstuk heet 'Bestemming'. Het lijkt erop dat het leven van Robert Selder een tijd zonder richting is geweest en dat hij uiteindelijk een bestemming moet kiezen, moet bepalen wat hij echt wil met zijn leven. Speelt Katja daarbij een rol?

De verhouding met Katja wordt gespiegeld in die met Aliese, die van hem weggevoerd wordt, maar voor wie hij duidelijk wel zijn best wil doen, wat hij tot nu toe voor Katja niet gedaan heeft. 

Ook al was hij bij haar weggelopen, nooit was hij haar kwijtgeraakt, altijd was bij hem achtergebleven als deel van hem, soms fel en levend, soms een beetje zeurend als een oude wond, die nooit werkelijk ernstig was geweest, maar hem wel vaak had lastiggevallen. 

Dit soort lijnen vind je door de hele roman: Denis die steeds opduikt (of op lijkt te duiden), de relaties met Katja en Aliese, de vioolmuziek (in de villa speelde een vrouw viool), het wisselen van identiteiten, je ergens thuis voelen of je ontheemd voelen, de onduidelijke grens tussen waan en werkelijkheid. Dat maakt Dood en leven van de jonge Selder tot een hecht gecomponeerd boek, waarbij de compositie niet zo nadrukkelijk wordt dat die je in de weg zit. Het is ook gewoon een spannend boek, waarin je maar blijft lezen, omdat je wilt weten hoe het afloopt met Robert. 

Wat waan is en wat werkelijkheid en wat er nu echt gebeurd is (zo dat al uit te maken zou zijn), laat ik hier in het midden. De verwarring waarin je als lezer verkeert, maakt deel uit van de charme van het boek en die wil ik niet van je wegnemen. 

Het zal duidelijk zijn: in het kamertje met boeken die ik nu toch onderhand eens zou moeten lezen, moet ik op zoek gaan naar De hydrograaf. En daarna naar het andere werk van Allard Schröder. Dood en leven van de jonge Selder is een intrigerend en verbluffend boek dat me doet verlangen naar meer. 

Allard Schröder, Dood en leven van de jonge Selder. Uitg. De Arbeiderspers, 2026; 448 blz. € 29,99 (hardcover, stofomslag)

dinsdag 4 augustus 2026

Queen, De stripbiografie (Emmanuel Marie, Sophie Blitman e.a.)

Er zijn veel passanten in de popmuziek: musici wier nummer de top van de charts bereikt, maar die vergeten worden. Als ik denk aan de nummer-1-hits uit de jaren zeventig in Nederland, schieten mij namen te binnen als die van Kamahl, Joey Dyser, Ferrari. Het stof is op hen neergedaald. Er zijn ook anderen, wier muziek nooit meer verdwenen is, die volgende generaties nog steeds kennen. De lijst van die groepen is gelukkig heel lang en zeker zal de groep Queen daarin staan. In de 27 keer dat de Top 2000 is uitgezonden stond Bohemian Rhapsody van Queen 22 keer op nummer 1 en de overige keren op nummer 2. 

Maar Queen is meer dan dat ene iconische nummer. Ik vermoed dat mensen die van popmuziek houden moeiteloos tien nummers van de groep kunnen opnoemen. In de Top 2000 van 2025 stonden maar liefst 32 nummers van deze groep. En dat is dan alleen nog maar een Nederlandse graadmeter. In vrijwel alle landen had Queen hits. 

Over de groep is al veel geschreven, er zijn documentaires over gemaakt en podcasts. Indertijd heb ik bijvoorbeeld zeer genoten van De laatste dagen van Freddie Mercury Je kon erop wachten: er is nu ook een strip over Queen. 

Stripbiografie

In Queen, De stripbiografie is het verhaal van Queen (en van de vier bandleden) opgeknipt in stukjes. Elk stukje is verstript in een stip van vijf pagina's lang. Vooraf gaat een korte inleiding in proza (van een enkele alinea), erna wordt de periode beschreven in twee bladzijden tekst, ook weer geïllustreerd. 

Het scenario van de strips is van Emmanuel Marie, de biografische teksten zijn van Sophie Blitman en het tekenwerk is verzorgd door een keur van striptekenaars. Onderaan zal ik alle namen noemen. De covertekening, van Freddy Mercury met een kroon op, trekt meteen de aandacht. Die tekening is van Enzo Gosselin.

Het verhaal van Queen is intussen in grote lijnen wel bekend, maar ik vermoed dat er voor veel lezers toch feiten in dit boek te vinden zijn die ze niet direct paraat hadden. 

Het boek begint met de jeugd van Freddie Mercury, die geboren wordt als Farrokh Bulsara. Hij wordtop Zanzibar en hij zal via India in Engeland belanden. Daar ontmoet hij de andere bandleden: Brian May, Roger Taylor en John Deacon. 

Bohemian Rhapsody

Het begin van de band is moeizaam. In Nederland komt Killer Queen eind 1974 in de top 40, bereikt nummer drie en houdt het elf weken vol, maar de opvolger, Now, I'm here komt niet verder dan nummer 32 en is na drie weken weer verdwenen. Maar dan komt Bohemian Rhapsody. Het kostte nog moeite genoeg om dat nummer uit te brengen, want het was volgens sommigen veel te lang om gedraaid te worden op de radio. 

Freddie Mercury brengt het plaatje bij een van zijn vrienden, radiopresentator Kenny Everett, en vraagt hem het voor hem te bewaren. Die draait het nummer voor de radio, waar het meteen aanslaat. Men kan niet meer om het nummer heen. Ook de LP A night at the opera wordt een succes. In het boek wordt het allemaal uitgebreid verteld en ook bijvoorbeeld hoe de groep aan zijn logo komt. 

In principe is Queen nu binnen de wereld van de popmuziek opgenomen, maar hoe hou je het vol? En wat wil je eigenlijk met je muziek? Kenmerkend voor de groep is de eclectische stijl: de nummers verschillen onderling sterk. Dat is mede te verklaren doordat elk groepslid zijn eigen inbreng heeft, maar het is ook een keuze. Het zorgt ervoor dat de groep moeilijk in een hokje is te plaatsen. 

Naast het groepswerk hebben de groepsleden ook altijd solo-opnames kunnen maken en beroemd zijn de duetten van Freddie Mercury met David Bowie, Michael Jackson en Montserrat Caballé. 

Freddie Mercury

In de stripbiografie komt het allemaal voorbij, tot aan het tragische einde van Freddie Mercury. Zonder iets af te doen aan de verdienste van de andere bandleden, was hij wel het gezicht van de groep. Het blad Rolling Stone zette hem in 2008 in de top 50 van de beste vocalisten aller tijden op nummer 18. Lager dan Aretha Franklin (1), Elvis Presley (3), John Lennon (5), Bob Dylan (7), Mick Jagger (16) en Tina Turner (17), maar hoger dan Bob Mareley (19), Johnny Cash (21), David Bowie (23), Michael Jackson (25), Prince (30) en Bruce Springsteen (36). Het is natuurlijk maar een lijstje en nog subjectief ook, maar in vergelijkbare lijsten zal hij wel hoog gestaan hebben. In 2023 stond hij overigens op nummer 14. 

In deze stripbiografie komen de verschillende kanten van Freddie Mercury goed naar voren. Hij was een rasperformer, die veel ruimte innam op het podium, maar daarbuiten was hij een persoon die veel minder naar buiten trad. 

De mix van tekst en strip werkt goed, in Queen, de stripbiografie. De stijlen van de tekenaars verschillen onderling nogal, van vrij realistisch tot sterk gestileerd. Maar altijd blijven de verschillende bandleden herkenbaar. Niet alles zal naar ieders smaak zijn en ik vind de ene tekenstijl ook aangenamer of beter dan de andere. Maar doordat er na elke strip een paar bladzijden tekst is opgenomen, is de overgang niet al te hard. 

Queen, De stripbiografie is geschikt voor liefhebbers van popmuziek en zeker voor liefhebbers van Queen. Maar als je gewoon van strips houdt en bij het lezen toch wat op wilt steken, zul je ook van dit boek ook genieten.

Titel: Queen, De stripbiografie
Scenario: Emmanuel Marie
Biografische teksten: Sophie Blitman
Tekeningen: Ricardo Randazzo, Céline Olive, Antonio Campofredano, Samuel Wambre, Julien Hugonnard-Bert, Lauriane Rérolle, Jean-Jacques Dzialowski, Alex-Imé, Francesco Colafella, Samuel Figuière, Antoine Pédron, Arnaud Jouffroy, Toni Cittadini, Carmelo Zagaria, François Foyard, Paolo Loreto, Dario Formisani
Vertaling: Bert Niks
Uitgever: Silvester Strips
2026, 160 blz. € 29,95 (hardcover)






Eerder schreef ik over:
Low (David Bowie)
Starman (David Bowie)
Hazes, De stripbiografie (De delen Bloed en Zweet)
Kiss the sky (Jimi Hendrix)


maandag 3 augustus 2026

Koloniale oorlogen in Indonesië (Piet Hagen)

Over het lezen van Koloniale oorlogen in Indonesië (2018) van Piet Hagen heb ik lang gedaan. Het is heel dik (duizend pagina's) en het bevat heel veel informatie. Bovendien word je niet zo vrolijk van de inhoud, dus ik legde het soms na tien of twintig bladzijden opzij. Het leest trouwens niet moeilijk; het is helder geschreven. 

Ik had al van het boek gehoord of erover gelezen en toen ik vorig jaar een keer met mijn vriendin in Bronbeek was, zag ik het staan bij de tweedehands boeken. Aan de ene kant leek het me heel interessant, maar ik wist niet of ik het op kon brengen om het ook daadwerkelijk te gaan lezen. Toen ik even niet keek, kocht mijn vriendin het en ze gaf het me later op mijn verjaardag. 

Vijfhonderd oorlogen

Piet Hagen schreef een geschiedenis van Indonesië aan de hand van de oorlogen die er gewoed hebben. Dan heb je ook meteen de hele geschiedenis, want eigenlijk waren er altijd oorlogen. Hoeveel dat er waren is moeilijk te zeggen. Als er een strijd plaatsvindt, is dat dan een nieuwe oorlog of hoort die nog bij de oorlog die eigenlijk al aan de gang was? Dat is lastig te bepalen. Dat erkent Hagen ook. Hij komt grofweg tot zo'n vijfhonderd oorlogen tussen koloniale troepen en Indonesische legers, strijdgroepen en religieuze of politieke bewegingen. 

Die koloniale troepen waren trouwens niet alleen Nederlandse legers (maar bijvoorbeeld ook Britse, Spaanse, Portugese en Franse) en als het Nederlandse legers waren, waren het niet alleen Nederlandse soldaten. 

Verder beschrijft Hagen ook onderlinge oorlogen. Indonesië is een groot land, dat uit verschillende vorstendommen bestond (en het zullen ook niet allemaal vorstendommen geweest zijn). 

De geschiedenis is op allerlei manieren toegankelijk gemaakt: voor in het boek is een tiental kaarten opgenomen, die ik vooral in het begin nauwgezet moest raadplegen om een beeld te hebben van de plaatsen waar het zich afpeelde. Aan het eind van het boek is er een personenregister opgenomen, een chronologische lijst van opstanden, expedities en oorlogen en een woordenlijst. Hagen verantwoordt natuurlijk de illustraties, maar ook de spelling die hij gebruikt. Ik moest nogal wennen aan de spelling Aceh dat ik altijd als Atjeh ben tegengekomen. Hagen hanteerde zoveel mogelijk de moderne Indonesische spelling. 

Tijdens het lezen kon ik niet ontsnappen aan de constatering dat het in Indonesië zo'n beetje altijd al oorlog is geweest en dat dat aan heel veel mensen het leven heeft gekost. Zo'n drie à vier miljoen Indonesiërs, berekent Hagen. 

De vanzelfsprekendheid van het kolonialisme is verbijsterend. Er zijn altijd wel proteststemmen geweest, ook in de koloniserende landen, maar het kolonialisme werd door heel veel Europeanen geaccepteerd. Het is bizar dat in 1914 maar liefst 84 procent van het aardoppervlak beheerst werd door Europeanen. Vanuit dat oogpunt bezien is het weer niet zo vreemd dat we zo lang een europacentrische blik op de geschiedenis hebben gehad. 

Als kind ben ik opgegroeid met het idee dat Nederlands-Indië 'van ons' was en dat de gekoloniseerden blij mochten zijn met de overheersing door Nederland. Dat idee heb ik natuurlijk achter me gelaten, zoals bijna iedereen, neem ik aan. Maar ik heb me nooit afgevraagd hoe het in Indonesië was voordat de Nederlanders er waren, zoals ik me ook nooit afgevraagd heb hoe het met de koloniën ging toen Nederland geen zelfstandig land was, maar onderdeel van het Franse rijk, onder Napoleon. 

Indonesië ligt op de route tussen China en Japan enerzijds en India anderzijds. Dat het op zo'n handelsroute handig is om tussenstops te maken spreekt vanzelf. Er zijn dan ook al gauw mensen die zich vestigen en later mensen die immigreren. Aan het begin van de zeventiende eeuw woonden er in Indonesië bijvoorbeeld al veel Chinezen (alleen in Banten al drieduizend). 

Malakka

De Straat van Malakka is een belangrijke zee-engte. De moslimstaat Malakka had vanaf 1400 een leidende positie in de wereldhandel. De stad Malakka had mogelijk 100.000 inwoners, wat voor die tijd gigantisch geweest moet zijn. Ter vergelijking: in die tijd had Utrecht (dat toen veel groter was dan Amsterdam) 13.000 inwoners. 

In de vijftiende eeuw is daar de eerste koloniale confrontatie, waarbij Portugezen gevangengenomen worden. Vanaf dan is er eigenlijk voortdurend oorlog of de dreiging ervan. Na de Portugezen komen er de Spanjaarden, vanaf de andere kant, via de Filipijnen. 

Religie

Godsdienst heeft al vanaf lang geleden een rol gespeeld. De islam ontstond in de zevende eeuw in de Arabische steden Mekka en Medina en verbreidde zich vandaar. Al in de achtste eeuw waren er in Zuid-China islamitische kolonies. Vanaf de negende eeuw zijn er moslimpredikers in Indonesië. 

Godsdienst wordt ook een twistpunt voor kolonisatoren. Hagen:

In 1578 stelden de Spanjaarden een ultimatum aan de sultan van Brunei, waarin ze eisten dat het evangelie overal verkondigd mocht worden. Inwoners die zich tot het christendom bekeerden, mocht geen strobreed in de weg worden gelegd. Daarentegen moest elke missionaire activiteit van moslims vanuit Brunei zowel in Kalimantan als in de Filipijnen worden gestaakt, aangezien 'de religie van Mohammed een valse en slechte leer en het christendom de ware leer' was. 

Vanaf 1595 bemoeien de Engelsen en de Nederlanders zich met het gebied dat later Indonesië zal heten. In de zestiende eeuw voeren er overigens ook al Franse schepen naar deze streek. De handel stond voorop en toen Cornelis en Frederik de Houtman, namens de Veerse Compagnie een tocht naar de archipel begonnen, kregen ze de opdracht mee zo mogelijk de vrede te bewaren. 

Het zal ons aangenaam wezen dat al deze handel geschiedt zonder bloed te storten noch enige overlast aan de inwoners des lands te doen. 

De Houtman ging op 1 juli 1599 voor anker in de baai van Aceh. Die strijd kwam er overigens toch. 

VOC:  handel en oorlog

In 1602 wordt de Verenigde Oostindische Compagnie opgericht. Er is een dubbel doel: handel en oorlog. In de woorden van Jan Pieterszoon Coen, in 1614:

Per experientie behoorden de Heeren wel bekent te wesen, dat in Indiën den handel gedreven en gemainteneert moet worden onder beschuttinge ende faveur van U eygene wapenen [...] in voege dat den handel sonder d'oorloge noch d'oorloge sonder den handel nyet gemainteneert connen werden.

Waar ik ook nooit bij stil had gestaan: Nederland was in de zestiende en zeventiende eeuw in oorlog met Spanje (wat vroeger de Tachtigjarige Oorlog heette en later de Hollandse Opstand) en dat dat natuurlijk meespeelde in de confrontatie in de Indische archipel. Op een gegeven moment was er een Twaalfjarig Bestand. Maar in de parktijk ging de strijd in Azië gewoon door en de VOC ging door met haar expansiebeleid. Aan het begin van de zeventiende eeuw besteedde de Republiek een groter deel van het bruto nationaal product aan oorlogen dan enig ander Europees land. 

Alleen al in de eerste twee decennia van de zeventiende eeuw kaapte de VOC zo'n tweehonderd schepen van Europese, Chinese en Indonesische concurrenten, met een totale opbrengst van 10 à 20 miljoen gulden. 

Er werden ook veel mensen naar Indonesië vervoerd. Op het hoogtepunt van haar bestaan had de VOC in Azië gemiddeld 25.000 man in dienst. Het aandeel militairen lag meestal tussen de veertig en zestig procent. 

Er stierven ook veel mensen, niet alleen in oorlogen, maar ook door ziekte en door schipbreuken (bijna 250 in twee eeuwen). 

De Grote Ambonese Oorlog

Het is ondoenlijk over alle oorlogen wat te zeggen, maar elke keer weer sta ik versteld van het aantal slachtoffers, vooral aan Indonesische kant. De Grote Ambonese of Hoamoalse Oorlog duurde van 1651 tot 1658. Waarschijnlijk is de uitroeiing van de mensen op de Bandaeilanden bekender dan deze oorlog, maar deze ging ook over kruidnagel. 

Er is onvrede op Hoamoal en die uit zich in 1651 in een reeks verrassingsaanvallen, waarbij 150 doden vallen, niet alleen Europeanen, maar ook slaven van de VOC. Op acht plaatsen gaan er versterkingen van de compagnie verloren. 

Daarop besluit de regering in Batavia alle nagelbomen op Hoamoal te vernietigen. Ook op andere eilanden gebeurt dat met nagel- vrucht- en sagobomen. De oorlog kost 1500 mensenlevens. Ongeveer 12.000 bewoners worden uit hun dorpen gehaald en naar Ambon en Manipa getransporteerd. De eilanden Kelang en Buano worden ontvolkt. 

Gerrit Knaap schat dat de bevolking in het Ambonese kerngebied tussen 1630 en 1660 met 25.000 afnam; hij spreekt van een 'meedogenloze strijd' die vooral moslims het leven kostte - meer dan bij de volkerenmoord op Banda.  

Chinezenmoord

Ook opvallend: hoe vaak de agressie zich richtte op het Chinese deel van de bevolking. In 1740 ging in Batavia het gerucht dat de Chinezen een opstand voorbereidden. Een voorstel om de hele stad van Chinezen te zuiveren werd door de Raad van Indië verworpen, maar wel werd de opdracht gegeven om alle Chinese huizen op wapens te doorzoeken. 

Het leidde op 9 en 10 oktober tot grootschalige plundering en tot pogroms op Chinezen. Meer dan zeshonderd huizen gingen in vlammen op. De meeste Chinezen waren niet bewapend en konden zich dus niet verdedigen. Het dodental liep op tot 5.000 à 10.000, onder wie veel gevangenen en zieken. Na afloop was bijna geen Chinees meer in de stad te bekennen. 

In het Tijdschrift voor Nederlands-Indië uitte W.R. van Hoëvell zijn afschuw:

Er is geen pen welke al de gruwelen kan beschrijven, toen gepleegd. Al wat tot de Chinese natie behoort, arm en rijk, oud en jong, schuldig en onschuldig, al wat men ontmoet, wordt meedogenloos vermoord. Zwangere vrouwen, zogende moeders, argeloze kinderen, bevende grijsaards worden door het zwaard geveld. De weerloze gevangenen wordt als schapen de keel afgesneden. 

Maar in de kerk is er een dankdienst na afloop. De schriftlezing is uit 1 Samuël 6, de verzen 6 tot en met 13. De strijd tegen de Chinezen wordt blijkbaar vergeleken met die van Israël tegen de Filistijnen. De Raad van Indië en gouverneur-generaal Valckenier hebben de slachting gedoogd en wellicht ook aangemoedigd. Vier dagen na het begin van de moordpartij had de Raad ter bestrijding van de Chinezen buiten de stad nog een premie gezet op elk afgeslagen hoofd. 

Het einde van de VOC

In 1799 wordt de VOC ontbonden. Piet Hagen:

Internationale concurrentie, slecht bestuur, te hoge kosten en schulden, privéhandel en smokkel, corruptie, nepotisme, hoge sterftecijfers door ziekten - het zijn allemaal factoren die hebben meegespeeld. Maar het meest in het oog springt toch de zelfoverschatting van de compagnie, die dacht met militair geweld de internationale handel naar haar hand te kunnen zetten. 

Piet Hagen houdt grofweg een chronologische volgorde aan, maar soms concentreert hij zich op een gebied om te bekijken hoe daar de koloniale strijd een tijd lang gevoerd werd. 

Het beeld is wel dat er altijd oorlog is geweest. Achteraf is prima te begrijpen dat gekeken werd op welke plekken ter wereld er handel te drijven was, maar het is niet meer voor te stellen dat men ooit gedacht heeft ook recht op een land te kunnen doen gelden. Je komt bij een land waar mensen wonen, je gaat oorlog voeren en daarna denk je dat het land van jou is. Het is een heel rare gedachte, maar na verloop van tijd wordt die vanzelfsprekend. Zoals gezegd: ik ben opgegroeid met de vanzelfsprekendheid dat Nederland koloniën had. 

Hagen vertelt dat Nederland in de Indonesische archipel een grondgebied verwierf dat zestigmaal het eigen oppervlak besloeg. Met Suriname en de Nederlandse Antillen erbij was het koninkrijk in 1899 de tweede koloniale macht ter wereld, na Groot Brittannië. 

De Nederlandse grondwet van 1814 gaf de koning bij uitsluiting het oppergezag over de koloniën. Pas in 1848 zouden de Staten-Generaal medezeggenschap krijgen en zelfs daarna zou het nog twintig jaar duren voordat het Nederlandse parlement de Indische begroting mocht vastsstellen. 

Dwangarbeiders

Hagen besteedt verder aandacht aan het leger, waarvoor mensen vaak met illegale middelen werden geronseld. Verder was het lot van koelies, dwangarbeiders, verschrikkelijk. 

Zo werden in 1849 voor de derde Bali-expeditie 2000 Madurese koelies geprest, die zo zwak en ziekelijk waren dat er na twee maanden nog maar 300 over waren. Tijdens de Bali-expeditie van 1868 sloegen 1500 dragers op de vlucht. Paul van 't Veer schat dat in de Aceh-oorlog 25.000 koelies zijn omgekomen. Ze stierven 'als ratten'. 

De straffen die koelies kregen, zouden we nu kenmerken als mishandeling. In 1881 (ruim na de afschaffing van de slavernij dus), kwam aan het licht dat geketende dwangarbeiders het jaar daarvoor in Aceh zo waren mishandeld dat zij aan hun verwondingen bezweken. 

Volgens officieren van gezondheid bestonden de straffen uit twintig of meer harde slagen met rotans die met touw omwonden en in urine gedrenkt waren. De soms centimeters diepe wonden leidden tot gangreen, waarbij delen van de huid en het onderliggend weefsel verrotten en afstierven. 

De zaak kwam ook in de Nederlandse pers en werd behandeld in de Tweede Kamer. De klacht tegen de beheerder van de dwangarbeiders werd geseponeerd. 

Excessen?

Later zou het geweld in Nederlands-Indië gerelativeerd worden: het zouden excessen betreffen. Intussen weten we veel meer, bijvoorbeeld door het boek De brandende kampongs van generaal Spoor. Hagen:

Hoe belangrijk het onderzoek naar excessen ook is, fundamenteler is de vraag of niet al het oorlogsgeweld ter wille van eigen economische belangen 'excessief' is. Met welk recht kan een koloniserende mogendheid handelsvoordelen afdwingen via oorlogvoering?

Hagens boek bevat zoveel wetenswaardigheden dat je kunt blijven citeren. Hoe dichter bij in de tijd, hoe meer het mensen betreft van wie we ons nog een levendige voorstelling kunnen maken. Bijvoorbeeld de leden van het koningshuis. Zo was er in 1894 een expeditie naar Lombok. Daarbij vielen nogal wat slachtoffers. Aan koloniale kant: 524 soldaten (23 procent), 37 officieren (33 procent) en 414 dwangarbeiders (30 procent) waren gesneuveld, zwaargewond of vermist. 

De reactie van de latere minister-president, die kort daarna zelf als militair naar Lombok zou gaan: 'Wij zullen niet weten wat genade is! Het is onze heilige roeping Mataram en Cakranegara voor eeuwig met de grond gelijk te maken.' 

Op 31 augustus, de veertiende verjaardag van kroonprinses Wilhelmina, stuurde koningin-regentes Emma een telegram aan de gouverneur-generaal waarin ze sprak van 'in het duister gepleegd verraad' en verklaarde ervan overtuigd te zijn dat het leger 'op schitterende wijze zijn roemvolle naam [zou] handhaven en bevestigen. Beide koninginnen en het vaderland hebben het oog op u gevestigd.' Het koninklijk enthousiasme wakkerde de oorlogszucht verder aan. Overal in het land werden inzamelingen gehouden en meldden zich vrijwilligers.

Hendrik Colijn

Over Colijn gesproken: die nam als tweede luitenant deel aan de gevechten op Lombok. Hij kreeg daarvoor de Militaire Willemsorde. In een brief aan zijn vrouw schreef hij:

Ik heb negen vrouwen en drie kinderen die genade vroegen op één hoop moeten zetten en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar 't kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. 

Hij schrijft er ook over in een brief aan zijn ouders:

Zelfs jonge, schone vrouwen met zuigelingen op de arm streden mee en wierpen uit de daken stukken lood op ons, terwijl anderen zelfs de lans hanteerden. Gelukkig stonden mijn dappere Ambonezen als een muur. Na de achtste aanval bleven nog enige weinigen over die genade vroegen, ik geloof dertien. De soldaten keken mij vragend aan. Een dertigtal mijner manschappen was dood of gewond. ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Enige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij omdraaide waren ook die dertien dood. 

Wie kan dat nu lezen zonder kwaad te worden, zonder te beseffen hoe gruwelijk Nederland huishield in Indonesië? En waarom krijgt zo iemand een eervolle Orde en later een politieke carrière in plaats van straf? 

Hagen constateert dat de veronderstelling dat er in de negentiende eeuw buiten Java relatief weinig koloniale oorlogen waren, volkomen onjuist is. Paul van 't Veer beschouwde de 'rustige' negentiende eeuw al als 'één lange, ononderbroken oorlog'.

Ook over de twintigste eeuw, met natuurlijk de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog weet Hagen veel treffende details te geven, maar die laat ik hier ongenoemd. Ik heb al veel van je geduld geëist door zo veel over Hagens boek te schrijven. 

Ik heb bijvoorbeeld nog niet verteld dat er ook een mooi katern met illustraties is opgenomen, maar dat zie je wel als je misschien zelf dit boek gaat lezen. Het is een onthutsend boek. Zelfs als je weet hoe erg het kolonialisme in Indonesië heeft gewoed, dan nog vallen veel details je rauw op het dak. Dat daar excuses voor aangeboden zijn, is niet meer dan terecht. Als staat past ons diepe schaamte. 

Koloniale oorlogen in Indonesië is een indrukwekkend boek, met een schat aan informatie. Zelfs als je wel zo ongeveer weet wat er gebeurd is in wat toen Nederlands-Indië werd genoemd, zul je versteld staan van de gang van zaken toen. 


Misschien heb je ook belangstelling voor wat ik eerder schreef over:

Het mooiste meisje aan boord (H.W. Beijerinck)
Rubber (M.W. Székely-Lulofs)
Nog pas gisteren (Maria Dermoût)
Getekend verleden (Tom van der Geugten)
Sleuteloog (Hella Haasse)
Lichter dan ik (Dido Michielsen)
De tolk van Java (Alfred Birney)
Indocomics (Ruud den Drijver)
Multatuli's Max Havelaar (Eric Heuvel/Jos van Waterschoot)
De schaduw van de Tambora (Philip Dröge)
Adat (M.A.M. Renes-Boldingh)
Saïdjah en Adinda (Dick Matena)
Tropische jaren (Cornets de Groot)
Gerucht en geweld (Beb Vuyk)

donderdag 30 juli 2026

De vleespotten van Herveld

Dit gedeelte uit een dagboek schreef ik op 29 september 2023. Daarvoor had ik geschreven over wat we op brood aten en daarbij had ik niet genoemd dat we ook wel eens spek op brood aten. Daarmee begin ik dus. 

Daarna kom ik op het vlees dat we eten, op het slachten en eten van kip en ten slotte, nog eventjes, op het eten van vis. 

Dat we na het slachten op brood ook nier, lever en hart aten, heb ik waarschijnlijk elders al beschreven. 

Bij dit onderwerp heb ik zo gauw geen goede foto paraat en daarom plaats ik maar een foto van ons gezin. Die is genomen in 1966, het jaar dat ik zeven jaar oud werd, mijn zus vijf en mijn broer twee. Mijn vader werd dat jaar zesendertig, mijn moeder dertig (maar die was op deze foto nog negenentwintig). De foto werd genomen toen opa en opoe Loenen vierden dat ze veertig jaar getrouwd waren. Het stukje daarover zal ik nog plaatsen. 



Soms kookt mijn moeder een stuk ‘vet spek’. Daar snijdt ze plakjes van en dat doen we op brood, met mosterd erop. Het is heerlijk. Ik snap niet dat er mensen zijn die niet van spek houden.

Gerookt spek kan ook gekookt worden, net als rookworst. Ook dat is heerlijk op brood. Op zolder, in de spekkast, hangt een gerookte ham, met een laken eromheen, tegen de vliegen, al zouden die eigenlijk niet in de spekkast moeten kunnen komen. Bij het oude huis hadden we niet zo’n kast, aan de Schoolstraat hebben we die wel.

Het gerookte spek moet dun gesneden worden en dat is best lastig. Het is vrij zout, en een beetje hard. Maar ook lekker.

En er zijn altijd rookworsten. Als er geslacht is, brengt mijn vader een veilingkist vol worsten naar Arns, de roker. Onder in de veilingkist liggen kranten, zodat de worsten schoon blijven.

Als de worsten (en de ham) gerookt zijn, komt de kist weer vol terug. Mijn moeder hangt de worsten op de zolder, wat een heerlijke geur geeft. Het zijn heel wat grote rookworsten, niet allemaal even groot. Als ze lang hangen, slaan ze soms een beetje wit uit, maar dat geeft niet.

Er zijn drie kleine worstjes, voor Lientje, Marinus en mij. Die van mij is iets groter dan de andere twee. Ik ben ouder en kan dus meer eten.

Er is ook ‘verse worst’. Die is niet gerookt, maar die is meteen in de diepvries gedaan. Die kun je bakken of koken en dan eet je die worst bij bijvoorbeeld een stamppot. Worst is altijd lekker. Lekkerder dan krabbetjes, die voornamelijk uit bot bestaan, met een beetje vlees eromheen. We eten ze bij de hutspot.

Het lekkerst is gebakken spek. Mijn moeder snijdt het in plakjes en bakt ze heel lang. Als ze ze uit de koekenpan haalt, druipt het vet ervan af. Ook dat vet is lekker. De plakjes spek zijn zo lang gebakken dat de zwoerdjes knapperig geworden zijn. Ze knoepen als je erop bijt. Speklappen zijn soms ook knapperig, maar soms ook niet. Ik heb ze het liefst knapperig.

En dan zijn er natuurlijk nog karbonades. Die kun je kluiven. Mijn ome Henk, het Hommeltje, heeft wel eens verteld dat hij ergens moest eten, blijkbaar bij een deftig iemand. Ze kregen een karbonade en mijn oom nam die ‘op de vuist, zoals hij dat noemt.

De anderen zaten te worstelen met vork en mes. Alleen deftige mensen eten met vork en mes. Wij snijden het vlees met het mes en dan eten we alleen met de vork.

Ome Henk nam de karbonade dus op de vuist, om te kluiven. Enkele andere gasten vonden dat blijkbaar lomp, maar het was een karbonade ‘met handvat’ en die moet je juist kluiven. Dus mijn oom was de enige die het op de juiste manier deed. Tenminste, dat zegt hij. Bij het Hommeltje weet je nooit wat je nu moet geloven en wat niet. Hij liegt dat het gedrukt staat, zegt mijn moeder wel eens. En hij gelooft zelf wat hij zegt.

Verder eten we geregeld gehakt. Mijn moeder kan dat heel lekker maken. Lekkerder dan bij sommige andere moeders. Als er een verjaardag is, bakt ze ook altijd kleine gehaktballetjes. Die kun je een tijd van tevoren maken en op de avond zelf hoeft ze ze alleen maar even op te warmen. Ze doet in elk balletje een cocktailprikker.

Op een van die verjaardagen heb ik zo’n prikker in mijn hand als er iemand naar huis gaat. Mijn moeder loopt mee, de deel over, om de vertrekker uit te zwaaien. De kinderen lopen met haar mee. Daarna rennen we weer naar binnen.

Voor mij rent Joekie. Ik haal hem in en steek mijn prikker in zijn bil. Ik ren snel door naar het voorhuis. Joekie blijft stilstaan. De prikker staat in zijn bil en dat doet hem behoorlijk wat pijn. Voor mij was het maar een grapje, maar dit is niet grappig meer. Ik krijg een uitbrander.

Draadjesvlees is ook lekker. Dat moet heel lang sudderen en dan heb je het lekkerste vlees dat je je kunt voorstellen.

Van tijd tot tijd eten we kip. Dan moet mijn vader een kip slachten. Toen we op de Merkenhorststraat woonden, hadden we een kippenhok. Op het hok liggen golfplaten van asbest. Die worden lekker warm als de zon er een tijdje op staat. Aan de voorkant is het hok veel hoger dan aan de achterkant. Daar kan ik wel op het dak klimmen, via de vlierstruik.

Ik loop over de golfplaten naar het hoogste gedeelte en ga daar liggen. Je kunt goed om je heen kijken van die hoogte. Ik geloof dat mijn vader liever niet heeft, dat ik dat doe, maar ik doe voorzichtig en maak de golfplaten niet kapot.

Als mijn vader een kip gevangen heeft, houdt hij hem vast bij de poten. Hij legt de kip met zijn kop op het hakblok. Met zijn vrije hand pakt hij de bijl. Dat is een grote bijl, die je eigenlijk alleen met twee handen kunt hanteren. Mijn vader noemt het een ‘aks’. Ik heb wel ooms die een klein bijltje hebben. Dat heeft mijn vader niet.

Met die ene hand kan hij moeiteloos de kop van de kip afhakken. Ik kijk naar de kop op het hakblok. De ogen van de kip zijn nu bijna helemaal dicht. Het lijkt wel of er een vliesje over het kippenoog gegaan is.

Mijn vader houdt de kip ver van zich af, want de kip fladdert nog even. Er komen kleine druppeltjes bloed op zijn broek, maar daar trekt hij zich niets van aan. Dan gaat hij de kip slachten.

Er zijn vaders die de kip plukken, dan blijft er een vel over de kip zitten. Dat lijkt me niet lekker. Ik griezel er een beetje van als dat op tafel komt. Mijn vader snijdt bij de buik van de kip het vel open en trekt de kip de jas uit. Hij moet de vleugels kort afsnijden en ook de poten moeten eraf.

Wij willen graag die poten hebben. Als je peutert, zie je een stuk of drie draadjes. Pezen heten die. Als je de goede te pakken hebt en je trekt eraan, krommen de tenen van de kip zich. Soms staan er kinderen bij die dat eng vinden. Die loop ik achterna met mijn kippenpoot. Dat vind ik grappig.

De kale kip wordt opengesneden, van beneden naar boven. ‘Mag ik het hartje?’ vraag ik meteen. ‘En ik de lever?’ zegt Marinus. ‘En ik dan?’ vraagt Lientje. ‘Jij mag de niertjes,’ zeg ik en dan is ze tevreden. Maar een kip heeft geen niertjes. De kip moet eerst nog gebraden worden en dan weten we toch niet meer wat we gevraagd hebben.

De longen en de darmen en zo gaan bij het afval. Mijn vader snijdt de maag open. Het velletje aan de binnenkant van de maag trekt hij eraf. De maag is mooi blauw van binnen, lichtblauw. Mijn vader krijgt altijd de maag, zoals mijn moeder altijd het nekje krijgt. Die lijken me allebei niet zo lekker.

Van oude kippen wordt soep gemaakt. Jonge haantjes worden gebraden. Als kind krijgen wij meestal een vleugeltje. Als we groter zijn, mogen we een poot.

Bij opa en opoe Dojewèrd krijg ik ook een keer kip. Die is nogal droog. Het vlees wordt een bal in mijn mond. Ik blijf erop kauwen, maar de bal lijkt niet kleiner te worden. Ik zou hem het liefst uit mijn mond halen, maar dat durf ik niet. Het duurt heel lang, maar dan heb ik hem toch op.

Soms eten we vis. Vaak op mijn verjaardag. Dan zijn er net nieuwe aardappels. Die eten we dan, met peultjes bijvoorbeeld. Mijn moeder heeft dan kabeljauw gekookt en boterjus gemaakt. Daar doen we mosterd doorheen. Het is heerlijk. Ik heb geluk dat ik in juni jarig ben.

We eten ook wel gebakken vis, maar niet bij het warme eten. Wel ‘s avonds, op brood.

Enkele eerder geplaatste dagboekfragmenten: