donderdag 23 april 2026

Wij lusten ook ham!

Een stukje dat ik op 10 oktober 2023 in mijn dagboek schreef. Het begint met Rein die aan het kersenplukken is. Wij hadden geen kersenbongerd, maar ome Wout wel. Als illustratie heb ik gekozen voor een foto van ver voor mijn tijd. Hierop zie je een stel kersenplukkers. Op de voorste rij, tweede van rechts, mijn vader met een lege hoenderik, op de achterste rij, helemaal rechts, mijn ome Wout. 

Over Rein schoot mij nog het volgende te binnen. Hij hoorde slecht en hij had een litteken in zijn bovenlip. Dat kwam door de oorlog. Hij bestuurde een jeep met een stel Engelsen erin en reed toen op een landmijn die door de eigen troepen gelegd was. In mijn hoofd zie ik de jeep met een boog van de dijk vliegen, al weet ik niet meer zeker of zich dit wel op de dijk afspeelde. 

Mijn vader vertelde het me met een twinkeling in de ogen. Blijkbaar vond hij het een goed verhaal. Ook waarschijnlijk omdat het uiteindelijk goed afgelopen is. 

Verder komt de oorlog in het Midden-Oosten ter sprake. Dat zal de Zesdaagse oorlog in 1967 geweest zijn. In die tijd stond (in mijn perceptie) iedereen achter Israël. Dat die steun zo massaal was, kan ik me nu nauwelijks voorstellen. Ook dat er helemaal geen oog was voor het lot van bijvoorbeeld de Palestijnen, vind ik nu vreemd. Misschien komt het door het schuldgevoel over de oorlog die maar goed twintig jaar daarvoor nog woedde. 

Ten slotte: ik noem de strip Appie Happie. Daarover heb ik hier geschreven. 

Net als bij de andere stukjes uit mijn dagboek zit er weinig lijn in deze bijdrage en houdt zij plotseling op. Blijkbaar bekommerde ik me niet zo om de compositie. 



Het is juni 1967. Ik lig bij mijn oma op de vloer, op mijn buik, vlak bij de oliekachel, en lees in de krant. Mijn oma heeft De Gelderlander. Die krant brengt Rein de Vos altijd mee. Zo heet hij niet echt, maar zo noemen we hem. Hij kan boos worden als je hem ‘de vos’ noemt.
 
We zingen als kinderen wel: ‘Rein de vos, de beer is los. Hoor hem nou eens brullen. Snij hem de kop en de oren af. Dan heb ik ook wat te smullen.’ Ik vind het een vreemde tekst. Waarom zou je bij een beer de oren afsnijden als je de kop al hebt afgesneden? En wat heeft die beer met een vos te maken? Maar ik zing het wel mee.
 
Rein zien we best vaak. Hij rijdt op een brommer met grote fietstassen. In die fietstassen heeft hij de kranten en ook pakken koffie en thee. Die verkoopt hij. Mijn oma heeft altijd de koffie van Rein.
 
Hij helpt ook wel bij ome Wout, bijvoorbeeld met het kersen plukken. Als Rein boven in de boom op de ladder (wij zeggen: de leer) staat, roepen we soms naar hem. Marinus is vijf jaar jonger dan ik. Ik spreek met hem af dat hij het liedje over de beer zal zingen. Ik zet hem in een kruiwagen en rij met hem onder de boom door. Ik kan immers sneller lopen dan hij en zo is hij op tijd weg.
 
Marinus zingt uit volle borst, maar ik zet de kruiwagen onder aan de leer en ren zelf weg. Mijn broertje moet maar zien dat hij snel uit de kruiwagen komt. Rein komt al van de leer af.
 
Of Rein werkelijk iets gedaan zou hebben als hij ons te pakken had gekregen, is helemaal niet zeker, maar mijn broer heeft het idee dat hij aan een groot gevaar ontsnapt is. En ik heb hem natuurlijk een smerige streek geleverd.
 
Dat is een paar jaar later. Nu is het 1967. Iedereen heeft het over de oorlog in Israël. In De Gelderlander staat een forse kaart van de regio. Er staan soldaten op en tanks en vliegtuigen, zodat je kunt zien waar welk gevecht zich afspeelt en hoe groot de legers zijn.
 
Mijn ouders hebben het ook al gehoord op de radio, vermoed ik. Of krijgen we pas een radio in 1969 in het nieuwe huis? Het is de oude radio van opa en oma, die zelf een nieuwe krijgen. Ook die zullen wij later krijgen. Na opa’s dood zal oma geen radio meer hebben. Blijkbaar luisterde vooral opa ernaar.
 
Dat er strijd is in Israël is nauwelijks nieuws. Daar is altijd wel wat. Maar nu is het echt oorlog. Israël is maar een klein landje, maar met een heel goed leger. In het zuiden dreigt Egypte, in het oosten Jordanië, in het noorden Syrië en nu is het in al die gebieden raak. Of mis. Israël heeft bij verrassing een groot deel van de luchtmacht van Egypte verwoest, er is een tankslag met Jordanië en in het noorden wordt de hoogte van Golan veroverd.
 
Oorlog is eng, maar stiekem vind ik het prachtig. Het lijkt op het verhaal van David en Goliath. Het is altijd mooi als de underdog wint en nu lijkt Israël te gaan winnen. Ik zie het als een partijtje stratego. Dat speel ik ook graag.
 
Ons strategospel deugt niet helemaal: als je goed kijkt, zie je op de achterkant van de bommen een klein licht streepje van de lont. Als je het weet, kun je zien waar bij de tegenstander de bommen staan. Daarom heeft mijn moeder leukoplast op de achterkant van alle poppetjes (hoe moet je die eigenlijk noemen?) geplakt.
 
Dat er slachtoffers vallen bij een oorlog, daar denk ik niet aan. Ik vraag aan oma of ik het kaartje uit de krant mag knippen en mee mag nemen naar school. Meester Postma hangt het dan op het prikbord. Ik voel me trots dat juist mijn kaartje op het prikbord komt.
 
Al eerder heb ik een foto uit de Revu geknipt van de bokser Cassius Clay: alleen zijn hoofd, helemaal vol met zweetdruppeltjes. Die hangt ook op het prikbord.
 
In De Gelderlander lees ik altijd de strip van Appie Happie, een grote, wat dommige voetballer die bij De Taaie Tijgers voetbalt. Hij eet altijd bananen. In zijn team zitten allemaal vreemde spelers, onder andere Laserels. Dat is een keiharde verdediger. Die naam is een combinatie van die van Rinus Israël en Theo Laseroms, verdedigers van Feyenoord.
 
Maar Appie Happie doet ook mee met een wielrenwedstrijd en met de Elfstedentocht. Ik vind het heel grappige verhalen. De tekenaar is Dik Bruynesteyn, die altijd ondertekent met simpel Dik met een heel grote punt op de i. Ik herken zijn stijl altijd meteen. Hij tekent veel sportcartoons.
 
Opoe heeft ook de Revu. Dat blad heette vroeger Revue, dat herinner ik me nog wel. Er staan interessante artikelen in. En in het midden staat soms een heel grote uitklapplaat van een voetbalteam. Die van Ajax zal ik op mijn kamer (in de Schoolstraat) op de muur hangen. Ik ken alle namen: Cruijff, Keizer, Swart, Mühren, Suurbier, Krol, Suurendonk, Hulshoff, Groot, Geels, Bals en nog veel meer.
 
Nederland is heel goed in het voetballen. In de Revu staat een keer een artikel over de vier beste voetballers ter wereld. Cruyff natuurlijk, Eusebio van Benfica, de keeper Gordon Banks en George Best. Met zo’n naam kun je het je ook niet veroorloven om een slechte voetballer te zijn, lijkt me.
 
Achter op de Revu staat een strip. Die wisselt soms, maar ik vind ze allemaal leuk. Olivier B. Bommel vind ik geweldig. Mijn moeder leest die ook wel. Ze weet waar ik het over heb als ik 'De jakkerjekker' noem of 'De tic van Joost.'
 
Later staat Asterix een tijdje achter op het tijdschrift. Ook Lucky Luke en Agent 327. Dat is altijd een afgerond verhaal dat eindigt met de tekst ‘Wat een agent al niet moet doen om incognito op kantoor te komen.’ In elk verhaal heeft de agent een andere vermomming.
 
Er is ook een hele bladzijde met cartoons, waar er altijd wel een paar leuke tussen zitten. Verder is er elk jaar een prijsvraag, een puzzel waarmee je een prijs kunt verdienen.
 
Er is een puzzel met mensen die elk een bord met een letter omhooghouden, alsof ze meelopen in een protestdemonstratie. Ze hebben allemaal twee verschillende schoenen of laarzen aan. Aan de hand daarvan moet je de juiste volgorde van de letters achterhalen. Dat lukt me. De oplossing is: ‘Wij lusten ook ham.’
 
Bij opoe Dojewèrd lees ik achter op De Spiegel altijd de strip van Puk en Poppedijn en die is ook heel mooi. Verder zijn er wel eens tantes die de Margriet of Libelle hebben. Die blader ik altijd even door. Daar staan heel lang geen strips in, maar in 1970 begint Libelle met Jan, Jans en de kinderen.
 
Die is heel grappig, vooral als het vriendje van Catootje meedoet. Hij heet Jeroen en rijmt de hele tijd. Jeroen - poep aan je schoen. Dat doe ik ook wel na.
 
Thuis hebben we alleen De Boerderij. Daarin kijk ik altijd eerst naar de cartoon van Emil van Beest. Zijn manier van tekenen kun je goed herkennen. Hij maakt altijd kleine krulletjes, bijvoorbeeld bij de neusvleugels van mensen en bij de neusgaten koeien en paarden. Later zal ook de strip Opa in De Boerderij komen.
 
Zo gauw het Reformatorisch Dagblad opgericht is, nemen mijn ouders een abonnement. Ik zit dan nog net op de lagere school. In de krant staan strokenstrips: plaatjes met tekst eronder. Eerst over een boswachter. Heet die Van Bergen? Het is een simpel verhaal, voor jonge kinderen.
 
Veel mooier is Erik de Noorman van Hans G. Kresse. Dat lees ik meteen als de krant er is. Ook mijn moeder leest die strip. Het zijn spannende verhalen en ze zijn ook nog eens heel mooi getekend. We knippen ze wel uit en al die knipsels vormen samen een boekje. Maar ik ben te slordig om daar elke dag aan te denken.
 
Strips vind ik heerlijk. Bij mijn vriendje Joekie (Gerard) hebben ze de Sjors en die krijg ik vaak als ze die uit hebben. Soms krijg ik ook de Tina mee. Die leest zijn zus Ina. Tina is eigenlijk een meidenblad, maar dat geeft niet. Ze hebben bij Joekie thuis ook de dikke stripboeken van Sjors en Sjimmie, getekend door Frans Piët. Die lees ik ook graag.
 
In de Sjors staat er vaak niet bij wie het getekend heeft. Ik weet alleen de namen van Frans Piët en die van Carol Voges. Die tekent de strip over Dinky en Opa. Dinky draagt een tuinbroek en opa heeft een grote borstelsnor.
 
Bijna alle verhalen verslind ik. Old Shatterhand en Winnetou vind ik het mooist getekend. Totdat Opkomst en ondergang van het keizerrijk Trigië in de Sjors komt. Maar ik houd ook van Wimpie’s wonderlijke dromen, van de strip over Bill Bluffer en die over Archie, de man van staal. Die naam spreek ik niet uit als 'Aartsjie', maar gewoon met een g-klank. Als het eind van het woord 'monarchie', maar dan met een andere klemtoon. 
 
En natuurlijk van Billie Turf. Die lees ik vaak als eerste, want die is heel grappig. Hij wordt ‘het dikste studentje ter wereld’ genoemd en hij is dan ook heel dik en denkt alleen maar aan eten. Eigenlijk is hij niet sympathiek en toch hou je van hem. Meestal eindigt het ermee dat hij een pak slaag krijgt van meester Kwel, die soms een hele doos wandelstokken aan laat rukken om hem af te rossen.
 
Een enkele keer loopt het goed af en mag hij op het laatste plaatje veel eten. Ik kijk altijd eerst hoe het afloopt en ga daarna pas lezen.
 
Je kunt de strip heel gemakkelijk vinden, want het is het enige verhaal dat op geel papier is afgedrukt. Billie heeft ook een zus, Bessie. Die staat in de Tina. Ook zo’n schrokop, maar bij haar loopt het juist meestal goed af.
 
Bij mijn neef Gertje lees ik vaak de Donald Duck. Hij heeft er heel veel en ik kan er uren in lezen. Natuurlijk bestaat Duckstad niet echt, maar je hebt het idee dat je er iedereen kent: Donald en zijn neefjes, Dagobert, de gierigaard. Katrien met haar drie nichtjes en Guus Geluk, de zware jongens, Diederik Duck, Otto van Drakesteyn, Oma en Gijs Gans. En dan heb je nog Mickey Mouse, Goofy en Pluto, Dombo, Japie Krekel, de grote boze wolf en Wolfje, met de drie biggetjes en Hiawatha. En nu vergeet ik bijna nog Knabbel en Babbel, Rakker, Madam Mikmak en Zwarte Magica.

woensdag 22 april 2026

RuZland, Land in oorlog met zichzelf en met de wereld (Eva Cukier)

Op 24 februari 2022 viel Rusland Oekraïne binnen. Eigenlijk was dat al eerder gebeurd, in 2014, toen Rusland De Krim bezette, maar dat zorgde toen niet lang voor hogere golven in de Westerse nieuwszee. In 2022 was dat anders. Toen ook werd het woord oorlog gebruikt. 

Eva Cukier (1981) was in 2022 in Rusland als correspondent voor wat toen nog NRC Handelsblad heette. Ze zou er blijven zo lang de krant het veilig achtte en moest toen weer terug naar Nederland. Over haar laatste tijd in Rusland schreef ze het boek RuZland, dat in 2024 verscheen. Ik las het nu pas. 

De 'Z', die op de cover van het boek dwars door de 's' van 'Rusland' is geschreven, is een symbool van de oorlog. Wat het symbool betekent, is niet helemaal duidelijk, maar sinds de invasie in Oekraïne verschijnt het overal: op tanks, op shirts, net als de letter V. 

Dagboek

Het boek van Cukier is verdeeld in drie delen: 1. Oorlog, 2. Protest, 3. Chaos. Het eerste begint als een soort dagboek, op 22 februari 2022, twee dagen voor de invasie, maar ze schrijft ook over januari 2022. Cukier doet er alles aan om de juiste informatie te krijgen en reist naar de plekken waar ze die kan opdoen. Ze doet dat met veel journalistieke doortastendheid, spreekt veel mensen aan en gaat kritisch om met wat ze te horen krijgt. 

De oorlog in Oekraïne komt heel vaak in de pers als een weergave van oorlogshandelingen. Natuurlijk, die informatie hebben we ook nodig, maar Cukier bepaalt ons bij de mensen in Rusland, die heel andere informatie krijgen. 

Ingewikkelde samenleving

Pas na het lezen van RuZland werd me duidelijk hoezeer ik Rusland altijd als een land, als een geheel heb gezien, wat waarschijnlijk gevoed is door de tijd waarin ik opgegroeid ben, waarin alle inwoners van de Sovjet-Unie Russen genoemd werden. Cukier legt uit dat de Russische samenleving veel ingewikkelder in elkaar zit. 

Waar westerse media steevast schrijven over 'de Russen' als ze het hebben over de inwoners van Rusland, kent het Russisch twee woorden om het verschil aan te duiden: roesskije voor etnische Russen en rossijanje, waarmee alle inwoners van de federatie worden aangeduid, ongeacht hun etniciteit. Ze spreken dezelfde taal, leven in dezelfde steden, krijgen nagenoeg hetzelfde onderwijs, maar leven desalniettemin in totaal verschillende werelden. 

Ze reist naar verschillende delen van Rusland, bijvoorbeeld naar Boerjatië, waar veel soldaten voor het Russische leger geworven worden. Daar wordt goed voor betaald en als een soldaat sneuvelt, krijgt zijn familie geld. De begrafenissen van de militaire doden zijn geheim, maar Cukier weet er toch een bij te wonen. Dan blijkt ook hoe gevaarlijk haar werk is. Ze is al een tijdje gevolgd en gefilmd en wordt geframed als iemand die Rusland in diskrediet brengt. 

Veel Russen zien niet Putin, maar juist Oekraïne als de agressor. Het klopt natuurlijk helemaal niet en vanuit het Westen is het bijna niet in te denken dat mensen dat ook daadwerkelijk kunnen geloven, maar Cukier laat zien hoe gecensureerd de media zijn en als heel je omgeving het gelooft, is het moeilijk om daar niet in mee te gaan. 

Complottheorieën

Er bestaan (net als in het Westen) veel complottheorieën. In RuZland worden er veel opgesomd. Ik citeer daar slechts een deel van:

Vrijwel dagelijks stel ik mezelf de vraag hoe idioot Russen, maar ook sommige westerlingen, moeten zijn om te geloven dat Oekraïne gerund wordt door nazi's. Dat de Oekraïners hun land laten volzetten met Amerikaanse kernraketten en biolaboratoria. Dat Europese politici voedsel laten injecteren met insecten om kanker op te wekken en de bevolking te vernietigen. Dat lhbti'ers worden betaald om het landelijke geboortecijfers te ondermijnen. Dat vluchtelingenstromen worden gecontroleerd om de samenstelling van de bevolking te veranderen. Dat het boordpersoneel van de neergeschoten MH 17 de 298 lijken van inzittenden al op Schiphol aan boord had gebracht om Rusland verdacht te maken. 

Wie dit soort dingen steeds te horen krijgt, kan zich slechts met heel veel moeite aan dit beeld van de werkelijkheid onttrekken. De tegenstemmen zijn meestal niet hoorbaar in Rusland. Organisaties die andere informatie overbrengen dan welke de overheid welgevallig is, kunnen beschuldigd worden van extremisme. Russische oppositieleden worden uit de weg geruimd of moeten vluchten, vaak niet naar Europa. 

In plaats van het enorme potentieel van de in Rusland vervolgde democratisch gezinde politici, activisten, wetenschappers, journalisten en cultuurmakers te benutten en hen in Europa te verwelkomen, worden velen van het veroordeeld tot een onzeker en onveilig bestaan in landen als Georgië, Armenië en Kazachstan. 

Het bekendst in het Westen werd Navalny. Ook aan hem wordt in RuZland aandacht besteed. Zo reist Cukier naar een van de juridische zittingen die Navalny aanspant en doet daar verslag van. 

In de Russische samenleving zijn er nog steeds mensen die kritisch blijven denken. Cukier ontmoet ze en laat hun stemmen horen. Ze laat zien hoe verdeeld de Russen zijn en dat we degenen die niets van Putin moeten hebben onrecht doen als we ze met hem en zijn beleid over één kam scheren. 

Groot hart

RuZland is geschreven met een groot hart voor het Russische volk, dat ook slachtoffer is van de eigen leider. In het nawoord schrijft ze dat er waarheidsvinding en verzoening noodzakelijk zullen zijn. 

Daarvoor zijn bruggenbouwers nodig: moedige en doortastende mensen die zich willen inzetten voor een gemeenschappelijke toekomst in vrede en veiligheid, vrij van onderdrukking en terreur. De afgelopen vijfentwintig jaar heb ik in Rusland ontzettend veel van zulke moedige, inspirerende mensen ontmoet. Hun kennis, ervaring en daadkracht zijn van onschatbare waarde voor de toekomst, maar hun stemmen klinken steeds zwakker. Laten we niet ophouden naar hen te luisteren. 

RuZland is een goed boek. Niet voor niets werd het genomineerd voor de Brusseprijs 2025, de prijs voor het beste journalistieke boek. Cukier schrijft helder, in soepele zinnen, waardoor je bij het lezen door het boek heen vliegt. Dat zal niet alleen liggen aan de stijl, maar ook aan haar betrokkenheid bij het land en vooral bij de mensen in Rusland. In een wereld van desinformatie en gemakkelijke meningen hebben we dit soort stemmen meer dan ooit nodig. 

dinsdag 21 april 2026

De wind in de woestijn (Michel Plessix)


Een maand geleden schreef ik over de verstripping van De wind in de wilgen van Kenneth Grahame, een klassieker die ik helemaal niet kende. Michel Plessix maakte er vier mooie albums van, die door uitgeverij Silvester zijn samengebracht in een mooie integrale uitgave, gebonden met leeslint en stofomslag en bij Silvester is de binnenkant van de stofomslag ook weer een mooie afbeelding. 

In die uitgave komen maar elf van de oorspronkelijke twaalf hoofdstukken van De wind in de wilgen voor. In het twaalfde raakt Rat in gesprek met een zeerat, die al een deel van de wereld bereisd heeft. Uitgaande van dat hoofdstuk heeft Michel Plessix vijf albums gemaakt, De wind in de woestijn, waarin de dieren die we al kennen (Rat, Das, Pad en Mol) op reis gaan en in Afrika belanden. 

Meer dan De wind in de wilgen is dit een lang, doorgaand verhaal. Het verhaal komt dan ook veel beter tot zijn recht in deze integrale uitgave dan in de losse albums. 

Zijlijnen

Naast de hoofdverhaallijn zijn er kleine zijlijntjes. Aan de ene kant volg je dan de hoofdpersonages, maar je volgt ook het gesprek tussen andere dieren, dat soms losstaat van het grote verhaallijn. Verder zijn er terugkerende ontmoetingen met andere dieren, zoals de luie trekvogels, die niet zelf vliegen, maar zich laten vervoeren. 

Ook De wind in de woestijn is een sfeervol boek geworden. Voor een deel speelt het zich af in een stedelijke omgeving, voor een deel in de woestijn. In De wind in de wilgen speelt de liefde voor de natuur nadrukkelijk mee. Dat ervoer ik hier wat minder. De dieren zijn dan ook niet in hun vertrouwde omgeving. 

De karakters van de dieren zijn hetzelfde gebleven. Zo probeert de wat patserige pad altijd weer de hoofdrol te pakken. Die karakters dragen het verhaal en vormen ook het sterkst de continuïteit met De wind in de wilgen.

Natuurlijk komen de dieren in de problemen, maar ze hebben ook helpers en uiteindelijk redden ze zich wel. Je zit daar als lezer ook niet echt over in. De moeilijkheden geven soms een zekere spanning, maar dat is toch niet de reden dat je deze strip leest. Je wilt de figuren volgen. Het zijn vrienden en toch is er ook van tijd tot wrijving. 

Tekenplezier

Michel Plessix is een schrijver die duidelijk lol heeft beleefd aan het tekenen. Hij heeft tekeningen gemaakt waar je lang naar kunt kijken, omdat ze veel details bevatten. De tekeningen hebben iets gemoedelijks, iets gezelligs, zonder dat ze zoet of gezapig worden. Er zit ook altijd een zekere frisheid en lichtheid in. Altijd is er wel wat te glimlachen. Het belangrijkst is dat ze je heel goed meenemen in het verhaal en je onderdompelen in de sfeer. 

Kenneth Grahame publiceerde De wind in de wilgen in 1908, maar het verhaal blijkt tijdloos. Je hebt geen moment het idee dat je een historisch verhaal leest. Dat is ook zo bij De wind in de woestijn. De werkelijkheid van de dieren aanvaard je en je gaat erin mee. Hoe kinderen zouden reageren op het verhaal kan ik moeilijk inschatten, maar ik vermoed dat ze net als de volwassenen, houden van de dieren die het verhaal dragen. 

Het is mooi dat uitgeverij Silvester deze twee integrale uitgaven uitgebracht. Hopelijk gaan ze nog meer van Michel Plessix uitgeven. zoals Patje van het Groenewoud. In ieder geval zijn De wind in de wilgen en De wind in de woestijn er en dat is al heel veel. 


Titel: De wind in de woestijn
Tekst en tekeningen: Michel Plessix
Vertaling: Mariella Manfré
Uitgeverij: Silvester
 2025, 160 blz. € 39,95 (hardcover, leeslint, stofomslag) 

maandag 20 april 2026

Stakkers en wolven (Lotfi El Hamidi)


In de proloog van Stakkers en wolven schrijft Lotfi El Hamidi:

Dit boek is een antwoord op het oprukkende fascisme en een aanklacht tegen de morele onverschilligheid van het Westen. Het voelt als een herhaling van zetten, maar kennelijk moet het steeds weer gezegd worden, in andere bewoordingen en met nog meer overtuiging. Stug blijven schrijven om terug te duwen. Om voor mezelf te spreken: ik kan niet anders. 

Dat laatste doet denken aan de woorden van Maarten Luther, die hij wellicht nooit zo gezegd heeft, maar die mij wel als schooljongen voor waar werden verteld. 

Dat ik het schooljongetje erbij haal, is niet voor niets. Ik ging in de jaren zestig naar de lagere school en in de jaren zeventig naar de middelbare en in die tijd stond de overgrote meerderheid van de Nederlanders achter Israël. Dat was ook in het buitenland duidelijk. Het leverde ons in 1973 de autoloze zondagen en benzinebonnen op.  

Goed, ik was nog een kind en er zal mij veel ontgaan zijn, maar ik herinner mij niet dat er oog was voor het lot van de Palestijnen. Palestijnen waren alleen in het nieuws als er vliegtuigkapingen waren en voor de rest bekommerde niemand zich om hen. 

Dat is tegenwoordig anders: er zijn grote demonstraties geweest om te protesteren tegen het genocidaal geweld van Israël tegen de Palestijnen. Maar in hoeverre kan het ons echt wat schelen? 

In het licht van Gaza

Op het voorblad van Stakkers en wolven staat 'In het licht van Gaza', een soort ondertitel, die niet voorkomt op de titelpagina. Je zou kunnen zeggen dat wat er gebeurt in Gaza de aanleiding is voor het boek, maar het gaat over meer. Het gaat ook over hoe in Nederland omgegaan is met migranten en over hoe weinig oog er geweest is voor hun perspectief. 

De titel is ontleend aan een column van Gerrit Komrij uit 1989, over de nasleep van de Rushdie-affaire. Komrij, over moslims: 'We hebben ze als stakkers verwend en krijgen ze als wolven terug.' Dat hier een hele bevolkingsgroep generaliserend wordt weggezet, lijkt me duidelijk. Maar op de site Neerlandistiek ontstond een discussie over het al dan niet islamofoob zijn van Komrij. Ook interessant misschien, maar het leidt wel af van wat El Hamidi aan de orde stelt. 

In Nederlandse Tweede Kamer zitten tegenwoordig aardig wat uiterst rechtse partijen en afsplitsingen en wat ze zeggen wordt steeds meer genormaliseerd. Van framende woorden als 'islamisering' en 'instroom' van vluchtelingen wordt niet meer opgekeken en er wordt niet meer tegen geprotesteerd. En we hebben zelfs een kabinet gehad waarin de PVV meedeed. Dat Wilders ooit veroordeeld is voor zijn uitspraak over 'minder Marokkanen' was blijkbaar geen breekpunt. 

El Hamidi haalt naar boven hoe Vincent Karremans de deur naar de PVV openzette en na hem deed Yeşilgöz dat nog eens dik over. 

Illustratief was de uitspraak van de VVD'er Vincent Karremans, toen wethouder van Rotterda, die al vóór de verkiezingen zei geen probleem te zien in een eventuele samenwerking met de PVV. In zee gaan met een notoire Marokkanenhater is voor hem kennelijk een kwestie van 'ik heb zelf heus geen hekel aan Marokkanen, ik heb alleen schijt aan ze'.

Welk signaal geeft dat af aan mensen met een migratieachtergrond? Wat moeten ze doen om ere ooit bij te horen? Eigenlijk is het al raar dat juist zij iets zouden moeten doen. En niet wij, wilde ik schrijven, me daarmee realiserend dat ik al in mijn hoofd twee groepen heb gemaakt: wij en zij. 

El Hamidi:

Wanneer politici en opiniemakers beginnen over 'gewone' Nederlanders, 'hardwerkende' Nederlanders, 'bezorgde' Nederlanders, 'afgehaakte' Nederlanders, Nederlanders die zich zorgen maken 'of Nederland nog wel Nederland blijft', dan weet je meteen welke Nederlander zij voor zich zien. Of misschien moet je het omdraaien: je weet meteen welke Nederlander zij níét voor zich zien. 

Juist de oorlog in Gaza maakt duidelijk hoe principes niet meer mee lijken te spelen, hoe het gaat om politieke belangen en dat het dan blijkbaar niet meer uitmaakt of het ten koste gaat van mensen. El Hamidi herinnert ons aan de tijd die het kostte om te beslissen of doodzieke kinderen uit Gaza hier geholpen zouden kunnen worden. 

Tot mijn schaamte moet ik erkennen, dat ik 'o ja', dacht en ook bij wat El Hamidi schreef over de burgerwachten die grenscontroles uitvoerden. Blijkbaar meen ik de luxe te hebben om dit soort dingen weer te kunnen laten wegzakken in mijn geheugen. Ook dat is misschien een blijk van de morele onverschilligheid. 

Bij de les houden

Stakkers en wolven is een strijdbaar boek. Ergens schrijft El Hamidi dat hij schrijft om mensen bij de les te houden, om te laten zien dat genormaliseerd wordt (en al is) wat niet normaal hoort te zijn. Dat kan als pijnlijk ervaren worden, maar het is wellicht ten diepste een daad van liefde. Van Alphen schreef al: 'Een vriend, die mij mijn feilen toont, / Gestreng bestraft, en nooit verschoont, / Heeft op mijn hart een groot vermogen'.

Goed vind ik ook hoe hij het bombardement van Rotterdam te berde brengt als hij schrijft over een bezoek aan Damascus. Hij zoekt hierbij duidelijk naar de verbinding. Maar veel discussies draaien juist uit op uitsluiting. Over de Dodenherdenking schrijft hij: 

Opeenvolgende generaties kregen de woorden 'nooit meer' mee als ultieme les van de oorlog, als morele opdracht. Maar nu vraagt een nieuwe generatie zich af: als we de doden elders niet herdenken, als we geen parallellen naar het heden mogen trekken, wat is dan het nut van de historische les? Is 'nooit meer' soms een geografisch, om niet te zeggen etnisch, afgebakende boodschap?

El Hamidi roept op tot waakzaamheid en tot bezinning en het zal wel weer tegenspraak en verdachtmakingen opgeroepen hebben. Ik herinner me nog naar wat er tien jaar geleden gebeurde toen Tunahan Kuzu opriep tot waakzaamheid. Daarover schreef ik hier. De reacties op wat hij zei toonden maar al te zeer dat hij gelijk had. De liefdeloosheid (of beter: de haat) was maar al te duidelijk. 

Wie Stakkers en wolven leest, kan er niet de schouders over ophalen, lijkt me. De lezer wordt flink bij de schouders genomen en heen en weer geschud. Juist om die lezer bij de les te houden, juist omdat we iedereen nodig hebben om te bouwen aan een inclusieve samenleving en daarom moeten we alert blijven, ons blijven realiseren wat er gebeurt. In onze maatschappij, maar ook met ons. Zoals Campert al schreef, begint verzet met het stellen van een vraag aan jezelf. Die vragen worden ons ruimschoots gesteld in Stakkers en wolven. Het wordt tijd dat we die ook aan onszelf gaan stellen. 

Lotfi El Hamidi, Stakkers en wolven. Uitg. Pluim, 2026; 160 blz. € 22,99

Op 21 juni 2026 houdt Lotfi El Hamidi een lezing in de Vluchtheuvelkerk in Zetten. Ingang tegenover Bakkerstraat 20. Toegang gratis. 

donderdag 16 april 2026

Een gevoarlijk mins

Weer een stukje uit een dagboek, dat zich voornamelijk afspeelt in Loenen, in de Betuwe. Daar woonden mijn grootouders en een oom en tante en mijn vader had er zijn boomgaard. Ik beschrijf hoe opa niet goed wordt en op een luik langs het huis gedragen wordt. Achteraf denk ik dat dat niet klopt. Opa was peren aan het plukken, Buerré Alexander Lucas, en die stonden in een deel van de boomgaard waar je met een ambulance gemakkelijk via een andere ingang kon komen. 

Mogelijk heeft mijn geheugen hier een andere gebeurtenis ingevuld: de keer dat opa niet goed werd en op een ladder weggedragen werd. 

Aan het begin vertel ik over een koekenpan met een opscheplepel erin die helemaal meegaat naar Loenen, achter op de auto. Die lepel met de platte, beetje gebobbelde onderkant, heb ik mee naar huis genomen na het overlijden van mijn moeder en die ligt nu in mijn besteklade. Ik gebruik hem nog steeds. 

Wat hieronder staat, komt uit een enkel dagboek. Ik schreef het stukje op 5 september 2023. Meestal schreef ik de stukjes zonder voorbereiding: ik ging zitten en schreef wat in me opkwam. Dat levert geen keurige bijdragen met een inleiding, een kern en een slot op. Dit stukje eindigt bijvoorbeeld heel abrupt. Niets aan te doen. Nou ja, er is wel iets aan te doen, maar dat laat ik na. 

Op de foto sta ik met opa en opoe Loenen voor hun huis, de bungalow. Die dag trouwden tante Gerrie en ome Henk. 


Opa en opoe Loenen verhuizen als ik een jaar of vier oud ben. Ze wonen op de boerderij De Grote Doorn, die mijn opa in 1926 gekocht heeft. Ze hebben nog gevraagd of mijn ouders bij ze komen wonen, maar mijn moeder wil dat zeker niet. Daarom gaan ome Wout en tante Met in Loenen wonen. Ze woonden daarvoor in de Kalkestraat in Dodewaard.
 
Mijn moeder vertelt me op welke kamer mijn vader als kind heeft geslapen. Het is maar moeilijk voor te stellen dat mijn vader ook kind geweest is. Hij deelde een kamer met Ome Wout. Ze namen een pispot mee naar boven als ze naar bed gingen, zodat ze ‘s nachts niet beneden naar de wc hoefden. Maar ‘s ochtends hadden ze geen zin om die pot in de wc te legen. Die kiepten ze uit het raam en dat kon je wel ruiken.
 
In 1963 blijven mijn grootouders en oom en tante niet langer in hetzelfde huis wonen. In de boomgaard wordt een bungalow gebouwd. Het wordt een houten huis. Soms loop ik daar wat rond als vierjarige, als de timmerlui bezig zijn. Je kunt al een beetje zien hoe het wordt.
 
Het huis wordt geel geschilderd. Later zal het allerlei kleuren krijgen: donkergroen, paars, oranje. Blijkbaar wordt het goed onderhouden. Ome Wout en tante Met laten ook wat verbouwen aan hun huis. Er komt een badkamer en een wc die je kunt doortrekken. De trap naar de zolder wordt verplaatst. Die staat daarna niet meer midden in de keuken. Je moet een deur opendoen om bij de trap te komen.
 
Als opa en oma er nog wonen, is er een deur van de keuken naar de deel. Die wordt weggewerkt. De boerderij is best bijzonder: er zijn twee delen: de nieuwe deel, waar ome Wout de koeien heeft staan en de oude deel, die we ook wel 'opa’s deel' noemen. Daar staat de stier op stal en wat jongvee. Er zijn ook nog een paar hokjes met een varken erin. Ik loop met mijn opa mee als hij die varkens gaat voeren. Blijkbaar heeft hij nog een varken (of meer varkens) als hij al in de bungalow woont. Opa loopt langzaam, ik loop achter hem over het smalle paadje door de boomgaard. 
 
Nog een bijzonderheid: de boerderij heeft twee huiskamers. In de ene zit heel hoog in de muur een deurtje. Ome Wout moet op een stoel gaan staan om het open te doen. In de muur zit een kastje, naast de schoorsteen. Ome Wout bewaart daarin zijn sigaren en misschien ook wel wat van zijn administratie. In de andere kamer is de trap naar opkamer. Die trap kun je in twee delen naar de zijkant opklappen en dan zie je een trapje naar beneden, naar de kelder. 

We komen vaak bij ome Wout en tante Met op de boerderij en ook wel bij opa en opoe. De boomgaard waarin de bungalow staat is van mijn vader, dus als het de oogsttijd van het fruit is, zijn mijn ouders vaak daar. Als wij uit school komen, zijn mijn ouders niet thuis. We moeten op de fiets van Herveld naar Loenen.
 
Ik ben een jaar of tien, elf misschien, en ik moet weer naar Loenen, maar ik heb geen zin om ‘dat hele eind’ te fietsen. Zo’n eind is het trouwens niet. Drie kilometer? Vier? Soms zijn mijn ouders met de trekker en de wagen naar Loenen, als ze bijvoorbeeld kisten mee moeten nemen naar de boomgaard. Soms gaan ze met de auto. Mijn vader gaat ook wel eens alleen.
 
Na de warme maaltijd doet hij altijd een dutje. Mijn moeder ruimt in die tijd de tafel af en doet de afwas. Met de etensresten voert ze de hond en de kippen. Op een dag heeft ze weer zo’n prakje. Ze doet het in de koekenpan en loopt daarmee naar de kippen. Als ze die gevoerd heeft, zet ze de pan achter op de auto en ze gaat kijken of de kippen nog eieren hebben gelegd. Dat is altijd even zoeken, want de kippen lopen los en kunnen nesten maken waar ze willen.
 
Na afloop vergeet ze de pan mee te nemen. Ze zal met een schort vol eieren naar binnen gelopen zijn. Mijn vader stapt in de auto, ziet de pan niet staan en rijdt naar Loenen. Hij rijdt blijkbaar rustig, want de pan blijft achter op de auto staan. Pas bij de laatste bocht, bij het huis van Gèrt van Bernd, schuift de pan van de auto af. We vinden hem een dag later. De opscheplepel die in de pan ligt, is door het hobbelen helemaal plat aan de onderkant.
 
Maar goed, ik ben dus tien, elf jaar oud en moet naar Loenen. Ik besluit om niet te gaan fietsen, maar om de brommer van mijn moeder te nemen. Mijn moeder heeft een grijs brommertje, een Tips. Die gaat behoorlijk snel. Ik krijg hem gestart door hem van de bult af te rijden en dan de koppeling los te laten. We hebben namelijk een vloedschuur, die we 'de hoge schuur' noemen. Die ligt op een bult.
 
De motor van de bromfiets slaat aan en ik rijd door het bos naar Loenen. Ik weet dat de politie je niets kan maken in het bos. De boswachter wel, maar hij weet wie ik ben en wij mogen met een auto of een trekker door het bos. Of met een brommer dus.
 
Ik kom aan bij de boerderij van ome Wout en ik minder gas. De brommer gaat langzaam rijden, maar ik krijg hem niet helemaal stilgezet. Langzaam rij ik rondjes achter het huis van ome Wout en ik weet niet goed wat ik moet doen. Er moet wel iets gebeuren.
 
Dan besluit ik om de mestvaalt in te rijden die achter het huis van ome Wout ligt. Dat werkt. De brommer zakt met het voorwiel in de mest en komt niet meer vooruit. De motor slaat af. Ik zie het als een overwinning, maar ik moet nog wel aan mijn ouders vertellen dat ik in mijn eentje met de bromfiets gekomen ben. Ze doen er niet moeilijk over.
 
Mijn vader doet niet gauw moeilijk. Ik ben zijn oudste kind en hij vertrouwt mij veel toe. Ik mag ook wel eens met de trekker rijden en een enkele keer zelfs met de auto. Als mijn vader bijvoorbeeld kisten met peren achter in het volkswagenbusje moet laden, moet het busje steeds een stukje verder rijden naar de volgende drie, vier of soms vijf of zes kisten. Als mijn vader steeds moet in- en uitstappen kost dat veel tijd. Daarom mag ik op die kleine stukjes de auto rijden.
 
Later zal hij me ook wel alleen met de auto naar huis laten rijden. Maar ik moet wel oppassen dat de politie mij niet ziet. Op een gegeven moment hebben we een volkswagenbusje met problemen met de versnelling: hij schiet steeds uit de vierde. Mijn vriendje Gerard rijdt met mij mee door het bos. Als ik overgeschakeld heb naar de vierde, houdt hij de pook vast. We rijden blijkbaar wel aan de harde kant, want later spreekt de boswachter mijn vader aan omdat wij het wild verschrikken.
 
In de boomgaard help ik mee met plukken. Soms, bij niet al te hoge bomen. Bij de hoge goudreinetten raap ik de ‘val’ op, de appels die gevallen zijn en die dus gekneusd zijn. Ze zijn voor ‘de industrie’: er wordt appelmoes van gemaakt. Ik raap de appels en doe ze in een kist. Als ik een stukje schoon heb, schuif ik de kist wat verder over het gras, totdat hij te zwaar voor me wordt. De rotte appels mogen er niet bij.
 
Ik moet het wel systematisch aanpakken. ‘Van de voet af aan oprapen,’ zegt mijn vader altijd. Soms helpt mijn vriendje Joekie (Gerard) mij. Als we aan de rand van de boomgaard zijn, zien we over de sloot de koe van Gèrt van Bernd lopen. We proberen hem te raken met een rotte appel. Koeien zijn eigenlijk vrouwelijk, maar wij zeggen tegen elk dier ‘hij’ en ‘hem’. Gèrt ziet dat wij een appel gooien, en waarschijnlijk denkt hij dat we de koe iets te eten geven. ‘Dat vrèt hij wel op,’ zegt hij en loopt door. Wij verzamelen veel rotte appels, gaan aan de rand van de sloot staan en richten een spervuur van appels op de koe. Bij elke appel roepen we: ‘Dat vrèt hij wel op!’

Maar vaak ook hoef ik helemaal niet te helpen en ga ik binnen bij mijn oma spelen. Ze heeft een knikkerspel: een rijtje houten honden en katten naast elkaar, met een gat tussen hun poten. Je rolt er knikkers naar toe en probeert er zoveel mogelijk in de gaten te laten verdwijnen. 
 
Dan is er commotie: oma haast zich het huis uit naar de boomgaard, maar ik moet in huis blijven. Even later komt mijn moeder om op mij te passen. Zijn er ook kinderen van ome Wout bij?

Later zal ik horen dat mijn opa, die meehelpt met peren plukken, ineens niet goed geworden is. Hij is hartpatiënt dus hij is ‘een gevoarlijk mins’. Samen met mijn moeder is hij aan het plukken. Mijn moeder hoort een vreemd geluid en gaat kijken. Opa ligt op de grond.
 
Snel gaat mijn moeder hulp halen. Bij ome Wout zijn de schilders aan het werk. Die pakken een van de luiken die mijn tante wel voor de ramen doet. Die brede plank is bruikbaar als brancard. Daar wordt opa op gelegd. Ze komen met opa langs het huis, maar ik kan het niet goed zien. Iemand heeft blijkbaar de ziekenwagen gebeld, want die staat al klaar. Opa gaat naar het ziekenhuis. Hij heeft een hartaanval gehad, maar het loopt goed af.
 
Het komt ook een keer voor dat opa niet goed wordt en op een ladder wordt gelegd. Daar zal ik later nog maar weinig herinneringen aan hebben, al ben ik er wel bij.
 
Opa ligt wel vaker in het ziekenhuis, maar nooit lang. Hij wordt een keer geholpen aan een breuk. Als hij naar huis mag, mag ik hem samen met mijn vader ophalen. Opa moet zich nog aankleden. Ik zie hem voor het eerst in zijn onderbroek.

woensdag 15 april 2026

De storm (Ibrahim R. Ineke)


Voor in de beeldroman De storm, van Ibrahim R. Ineke, staat in kleine letters: 'ogni pensiero vola', elke gedachte vervliegt. Dat blijkt ook een nummer te zijn van het duo MACE en Venerus. In de tekst (die ik heb laten vertalen) komt de volgende passage voor:

Misschien ken jij me wel, 
want dan duurt het maar een moment voordat alles wegglipt. 
Een andere wereld wacht ons iets verderop. 

Ik zoek naar nieuwe manieren om uit mezelf te ontsnappen,
om al mijn grenzen te overwinnen,
om een beetje van de buitenwereld te ontdekken.

Misschien komt het doordat ik in een soort magische wereld thuishoor. 
Ik zou hier graag wegvliegen.
En soms voelt alles om me heen een beetje vreemd aan. 
Ik vraag me af of er nog meer mensen zo in elkaar zitten. 
Daarmee wil ik niet zeggen dat de beeldroman van Ineke ook daadwerkelijk iets met het lied te maken heeft, maar er staan wel wat zinnen in die van toepassing zijn op meer werk van deze stripmaker. Zo is er vaak sprake van een andere werkelijkheid, een werkelijkheid die moeilijk grijpbaar is en die vaak duister is. Ook in de liedtekst gaat het over 'een andere wereld', 'een soort magische wereld' en over het niet thuis zijn in de wereld. 

Jaromir

In De storm gaat het om iemand die toekijkt, een beschouwer, een getuige wellicht. De figuur die hij bekijkt, is Jaromir. Dat is een naam die niet veel voorkomt. Ik moest meteen denken aan de Jaromir-cyclus van A.C.W. Staring. De tekst daarvan vind je hier. Het is een serie van vier verhalende gedichten. In elk ervan heeft Jaromir te strijden met de duivel. Ook hierbij zeg ik niet dat De storm rechtstreeks te maken heeft met de gedichten van Staring, maar het duistere (of het duivelse) is wel een terugkerend element in het werk van Ineke. 

Aan het begin van het boek zit de verteller achter een kopje koffie. Hij haalt herinneringen op aan zijn studententijd. En aan Jaromir, van wie hij niet zeker weet of hij hem wel gekend heeft. De studenten hechtten indertijd minder belang aan kennis dan aan het debiteren van meningen. Maar Jaromir was anders dan de gemiddelde student 

Zo kwam hij niet uit de stad, maar was hij opgegroeid op een landgoed. Het zal mijn verliteratuurde hoofd wel zijn, maar ik moet dan denken aan Staring, die woonde in de Wildenborch, tussen Lochem en Vorden. Van Jaromir wordt verteld dat hij zich op het verwerven van kennis stortte 'met de wellustige verbetenheid van een monnik'. Ook de Jaromir van Staring was een monnik. 

Alchemie

De Jaromir uit De Storm verdiept zich in gnosis, alchemie, het occulte, en er wordt gefluisterd dat hij abonnee is van het tijdschrift van het genootschap Aphinar. In het blad wordt geschreven over een magische spiegel. Jaromir vermoedt dat dat meer waarheid dan literatuur is. Dat vertelt hij aan de verteller, die hem jaren na de studententijd weer eens ziet. De auteur, tevens hoofdredacteur van het blad, is zijn oud-docent, met wie Jaromir een ontmoeting heeft. 

Intussen is de wereld chaotischer geworden. Er zijn bijvoorbeeld knokploegen actief. De verteller heeft het gevoel achtervolgd te worden. 'Het bleek de storm te zijn'. De storm zit misschien ook wel in hoofd van de verteller. Hij droomt dat de stad al jaren gebombardeerd is. Hij ziet twee roodharige kinderen wegrennen en iemand vertelt hem dat een warenhuis vroeger aan het station grensde. De verteller gaat de onderaardse gangen in, maar hij vindt geen rails. Wel ziet hij uit de verte een figuur die doet denken aan een soort minotaurus. 

De gehoornde figuur staat ook op de omslag van De storm. Ook de duivel wordt vaak afgebeeld met hoorntjes en het haar van Jaromir is ook gekapt in een soort hoorntjes. 

Een van de roodharige kinderen zou Jaromir kunnen zijn, maar zeker is dat allerminst. In oudere literatuur komen wel roodharigen voor, soms in verband met de duivel, maar de bronnen die ik vind, lijken me dubieus. Wel is er in de alchemie een recept voor het maken van goud waarvoor je het bloed van een roodharige man nodig hebt. De tekst daarover wordt geciteerd in het blad Literatuur (jrg. 9, 1992). Het citaat komt een vroeg vijftiende-eeuws handschrift dat zich bevindt in de collectie van de Leidse Universiteitsbibliotheek. Jaromir had in ieder geval belangstelling voor alchemie. 

Het zijn geen verbanden die De storm legt, maar wel associaties die het boek veroorzaakt. Het verhaal suggereert, raakt aan en de rest gebeurt in het hoofd van de lezer. 

Naar de Oost

De verteller ziet Jaromir nog een enkele keer, bij een seance, een verwijzing naar een andere werkelijkheid, waarbij wel aangetekend wordt dat het medium niet haar beste avond had.  en daarna vertrekt Jaromir naar de Oost. Hij wordt getekend met een klewang in zijn hand. De oost wordt afgebeeld als een wereld waarin de natuur onherbergzaam is en vol van gevaren. 

De verteller is maar een getuige, een toeschouwer, maar de onrust is ook in hem gevaren. Hij voelt zich nauwelijks meer thuis in zijn vertrekken. 'Het is of er een ander woont'. De storm heeft de kieren van zijn bestaan gevonden en het is niet duidelijk hoe het met hem verder zal gaan. 

Net als het andere werk van Ibrahim R. Ineke is De storm intrigerend. Juist doordat het niet helemaal grijpbaar is, wat heel goed past bij het onderwerp van deze beeldroman. Alles is weer getekend met de kenmerkende lijn van Ineke, die me altijd zeer aanstaat. In zijn vorige twee beeldromans werd er voor het eerst gebruik gemaakt van kleur. De storm is weer vertrouwd in zwart-wit. 

De uitvoering is in klein formaat, 88 bladzijden dik, een pocket, die je in je binnenzak kunt steken. Je bent er dan ook zo doorheen, maar het verhaal blijft nog lang in je hoofd woelen. 



Titel: De Storm
Tekst en tekeningen: Ibrahim R. Ineke
Uitgever: Sherpa
2026, 88 blz. 12,50 euro (softcover)

Eerder schreef ik over ander werk van Ibrahim R. Ineke:


dinsdag 14 april 2026

Lachen door een waas van tranen (Aaltje Hendriks)

De lijst van al dan niet autobiografische boeken over een jeugd in een religieuze omgeving is heel lang. Soms is er van de geschiedenis van de jeugd een roman gemaakt, soms is het wat men tegenwoordig een 'memoir' noemt. Onderaan neem ik een lijst op met recensies die ik over dit soort boeken heb geschreven. Die lijst is zeker niet compleet. 

Onlangs verscheen er weer zo'n boek: Lachen door een waas van tranen van Aaltje Hendriks. Aaltje groeide op in Veenendaal in een gezin dat ter kerke ging bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Die naam komt in het taalgebruik ook wel voor als afkorting: Ger. Gem in Ned. of GGiN. Het is een afscheiding van de Gereformeerde Gemeenten (Ger. Gem. of GG), ontstaan in 1953. Wie wil snappen wat de aanleiding was, moet zich verdiepen in de theologische scherpslijperij omtrent het 'algemeen, onvoorwaardelijk, welmenend aanbod van genade'. 

Uitgetredenen en synodalen

De GGiN werden door de Ger. Gem. wel de uitgetredenen genoemd, zij noemden de Ger. Gem. de synodalen. Toen de GGiN vijfentwintig jaar bestonden, werd een boek uitgebracht met de titel Uit ons uitgegaan, verwijzend naar de Bijbeltekst: 

Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. (1 Joh. 2:19)

Daarmee werd gesuggereerd dat niet de GGiN uit de GG gestapt waren, maar omgekeerd. Alle afscheiders zien zichzelf als de ware kerk. Toen de PKN ontstond (2004) stapte een stel gemeenten uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Ze noemden zich de Hersteld Hervormde Kerk. 

Intussen is er weer toenadering tussen GG en GGiN en er is zelf een document van overeenstemming, maar dat stuit ook weer op weerstand. Het Reformatorisch Dagblad volgt de ontwikkelingen op de voet. 

Maar hoe is het om op te groeien binnen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland? Dat zal per gezin anders zijn. Aaltje Hendriks geeft een beeld van hoe het bij haar ging. 

De ondertitel van haar boek is: 

Het verhaal van een gereformeerd meisje dat leerde dat leven een onmogelijke opgave is - en toch niet ophield het te proberen. 

Het zou me niets verbazen als de uitgever de hand heeft gehad in deze tekst. Ik vermoed dat iemand uit de GGiN zich niet 'gereformeerd' zal noemen. 

Doop

Lachen door een waas van tranen begint met een proloog: Aaltje wordt gedoopt. 

'Aaltje Hendrika, ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest.' Het is begin 1983 als deze woorden uitgesproken worden door een in het zwart geklede man in een kerk vol van mensen met uitgestreken gezichten. Dit zou een plek moeten zijn van blijdschap en vertrouwen. Maar treurnis en verstikkend ongeloof voeren hier de boventoon, nemen hier de leiding. Er zal ironisch genoeg alles aan worden gedaan om de kloof tussen, Vader, Zoon en Geest en dit kind zo groot mogelijk te maken. 

Aan de ene kant is dit een beschrijving van een doopdienst, aan de andere kant klinkt hier al duidelijk het kritische oordeel door van de volwassen Aaltje. Zo zal het in de rest van het boek ook gaan: soms is er de vrij neutrale beschrijving van wat er gebeurt en daarin vind ik Lachen door een waas van tranen het sterkst. Het oordeel (in deze passage bijvoorbeeld in het woord 'uitgestreken') hoeft meestal niet expliciet gemaakt te worden, denk ik, om de tekst goed zijn werk te laten doen. 

Tegelijk klinkt door hoe Aaltje zou willen dat het was: er zou blijdschap en vertrouwen moeten zijn. Ook dat is een lijn in het boek. Niet het geloof staat de vertelster tegen, maar hoe het door het kerkgenootschap wordt geïnterpreteerd. Er is daar een sterke nadruk op zondebesef en op de bijna onmogelijkheid om zich te bekeren. Aaltje heeft wel een bekeerde moeder, die aangaat aan het Heilig Avondmaal, als een van de weinigen in de kerk. 

Lijkenkijkerij

Kinderen moet al vroeg ingeprent worden dat het leven eindig is en dat iedereen moet sterven, waarna het oordeel volgt. In het hoofdstukje 'Lijkenkijkerij' wordt verteld hoe Aaltje als vierjarige meegaat met haar vader als die gaat condoleren. Ze is benieuwd hoe een overleden mens eruit zal zien, maar ze is wel wat teleurgesteld: 'Is dit nu alles? Het valt me tegen. Hier is niet zoveel aan. Maken papa en mama hier nou zo'n drukte om?'

Aaltje groeit op in een groot gezin, waarin de geur van het zware calvinisme altijd hangt. Als het gezin naar de kerk gaat, wordt er vooraf knielend gebeden: 'We verzamelen ons om de ronde salontafel. Tien paar gebogen knieën om de hier en daar kalende vloerbedekking.' Dat zie je voor je. 

Je kleedt je sober en Aaltje mag van haar moeder geen sieraden dragen. 'Het sieraad van een vrouw is haar eenvoud.' Aaltje krijgt een ringetje van de tandartsassistente, maar als haar moeder het ziet, moet ze het inleveren. Ook dat is een sterke scène in het boek. Zonder dat het expliciet gemaakt wordt, wordt duidelijk dat moeder haar dochter misschien wel het ringetje had gegund, maar haar principes staan haar moederliefde in de weg. 

Op bijna elk terrein speelt het geloof een rol. Als er in de winter ijs ligt, mag Aaltje niet schaatsen, want daarmee zou ze zichzelf moedwillig in gevaar brengen. Je kunt immers zomaar in een wak schaatsen. 'Nogal wiedes als je moedwillig van zwemles af gehouden wordt', denkt Aaltje. Je merkt hoe ze als kind al worstelt met sommige regels.  

Regels internaliseren

Aan de ene kant heeft Aaltje kritiek of begrijpt ze sommige regels niet, maar aan de andere kant internaliseert ze die ook. Op een gegeven moment wil ze niet meer groter worden. Als je jarig bent, ben je weer een jaar dichter bij de dood. 

Daarom kijken papa en mama natuurlijk zo ernstig als ze me feliciteren. Ze fluisteren me niet toe dat ze me lief vinden. Ze geven me een hand, geen knuffel. Het is alsof ze willen laten weten dat het in het leven niet om menselijke genegenheid gaat. Ik ben niet in de eerste plaats hun kind, maar een mensenkind dat bekeerd moet worden, een nieuw hart moet krijgen, gered moet worden. En dat staat zó op de voorgrond dat hun liefde geen naam mag hebben.

Moeder en vader slikken niet alles van de kerk voor zoete koek. Niet altijd is er een dominee en dan wordt er een preek gelezen. Maar moeder merkt dat de lezende ouderling de preek aanpast: 'Ze halen het hele aanbod van genade eruit.' 

Als Aaltje kritische vragen stelt tijdens de catechisatie, geven haar ouders haar een compliment. Voor Aaltje is het een stap op de weg die ze wil gaan: weg van de zwaarte, de twijfel, het zondebesef, op zoek naar een liefdevolle God. 

Vandaag heb ik dat opgehemelde ongeloof en de verdwaasde twijfel van de troon gestoten. Ik wil leven uit ongehoord geloof, opstandige hoop en eindeloze liefde. Daarom ben ik vastbesloten God te vinden, waar hij ook is. 

Maar Aaltje beweegt zich wel verder weg van het gezin. Ze gaat werken, bij een werkgever uit eenzelfde bubbel, ze wordt verliefd op iemand buiten de GGiN en uiteindelijk durft ze de regels waarmee ze zich vereenzelvigd heeft los te laten. Zo is het een hele stap als ze voor het eerst naar de kapper gaat. 

Dat ze haar eigen weg zoekt, stuit thuis op weerstand, maar Aaltje krabbelt niet terug. Of misschien is het meer gepast als ik zeg dat ze niet laat varen wat haar hand is begonnen, al wordt dat in de GGiN juist van God gezegd. 

Lachen door een waas van tranen wordt vooral verteld in losse scènes, maar als je al die losse gebeurtenissen na elkaar leest, zie je wel de lijn. Remco Campert schreef al dat verzet begint met jezelf een vraag stellen en daarna die vraag aan een ander stellen. Aaltje ziet steeds meer dingen die ze niet kan rijmen met de Bijbel, ze kan steeds minder geloven dat het geloof zo bedoeld is als het wordt gepredikt in de kerk van haar ouders. Haar ouders hebben ook hun kritiek, maar hebben zich nog veel meer vereenzelvigd met de regels van de kerk en houden zich daar uiteindelijk aan vast. 

Tragiek

Dat is ook de tragiek in het boek: Aaltje voelt de afstand tot de ouders die het toestaan dat de uitleg van de Bijbel of van het geloof tussen hen in komt. Die zo de zekerheid van de regels nodig hebben, dat ze zich eraan vastklampen. Doordat het een groot gezin is, voelt Aaltje zich toch al minder gezien. 

Er zijn bij de ouders wel momenten van zelfinzicht. De vader accepteert het als zijn dochter hem erop wijst dat in de Bijbel staat dat de vaders de kinderen niet tot toorn mogen verwekken, maar in hoeverre voelt hij dat ook? Misschien beredeneert hij het alleen. Zo zegt hij ook dat hij zijn vrouw niet half genoeg gewaardeerd heeft, maar dat heeft geen gevolg voor hoe hij met de kinderen omgaat. Een dominee van vaders kerk zou waarschijnlijk zeggen dat het in het hoofd zit, maar niet in het hart en dat het dan een voet te hoog zit. 

Aaltje Hendriks heeft niet een rancuneus boek geschreven, al laat ze duidelijk zien wat haar dwars heeft gezeten en waarmee ze het moeilijk heeft gehad. Maar ze laat ook de tragiek zien van mensen die zo vast zitten in een systeem dat het hun niet lukt om warmte te laten blijken aan hun meest nabije naasten. Daarin zit de mildheid, al gaat die ook samen met ongemak. 

Ik ken geen andere boeken die geschreven zijn over een jeugd in de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, waardoor die uithoek van de kerkelijke kaart voor veel mensen onbekend zal zijn. Die krijgen met Lachen door een waas van tranen een beeld van wat het hypercalvinisme kan doen met mensen in het algemeen en met dit gezin in het bijzonder. 


Eerder schreef ik over:

Ellen Heijmerikx, Blinde wereld
Kees Versluijs, Altijd zondag
Lale Gül, Ik ga leven
Annemieke Reesink, Zwaartekracht
Annemarie van Heijningen, Refomeisje
Rachel Visser, Zwarte dauw
Sytse van der Veen, Een stem uit de hemel
Michelle van Dijk, Witter dan sneeuw
Frederik Hautain, Wachtkamer
Josien Laurier, Een hemels meisje (interview)
Franca Treur, Dorsvloer vol confetti
Peter van Beek, Sla ons met medelijden