woensdag 30 september 2026

De vallei der vergetenen (Henriet / Dubois / Usagi)

Dat je met een western te maken hebt, wordt meteen duidelijk als je de cover van De vallei der vergetenen ziet: een cowboy op een paard (revolver in de holster), sfeervol van onderen belicht. Op de achtergrond, in silhouet, vrouwen met een geweer en aan de andere kant twee lichamen, ondersteboven aan een tak opgehangen. 

Het scenario voor de strip is geschreven door Pierre Dubois en die neemt ons in het begin meteen mee naar het bijbehorende landschap waarin de hoofdpersoon op zijn paard rijdt, door de wijdte, langs een dorpje, naar een stadje, waar men hem blijkt te kennen. Zijn naam is Clark en iemand herinnert hem aan zijn verleden: 'Jij ging ervandoor en hij heeft 'n hekel aan verraders. Het maakt hem woest. Je weet wat dat opgeleverd heeft.' Die 'hij' is de baas, Winter, tot wiens bende Clark ooit behoord heeft. Clark heeft zich aan de bende onttrokken en dat is hem duur komen te staan. Sindsdien zint hij op wraak, maar het is lastig om het in je eentje tegen een hele groep op te nemen. 

Vrouwenfort

Clark lijkt het onderspit te delven. Hij wordt geraakt en wordt voor dood bij een rivier achtergelaten. Daar wordt hij gevonden door een meisje, Dorothy, die hem meeneemt naar huis. Ze blijkt te wonen in een fort waarin alleen vrouwen verblijven. Het is de bedoeling dat dat fort geheim blijft en dat Clark er nu is, is een moeilijkheid. Alleen de oude Scurly komt af en toe langs en hij neemt Clark op sleeptouw als die weer op krachten gekomen is. Samen zullen ze afrekenen met de bende, een bijna onmogelijke taak. 

Zoals zo vaak in westerns, gaat het verhaal in De vallei der vergetenen over goed en kwaad. Clark heeft ooit tot een bende behoord, maar uiteindelijk begon zijn geweten te spreken. Dat hij deugt, blijkt ook uit hoe hij een zwaargewonde indiaan (zo noem ik die toch maar even) verzorgt. Het bondgenootschap dat zij sluiten komt aan het eind van het verhaal nog terug. Het kwaad wordt bestraft in deze strip, maar het kost wel wat: er vallen heel wat doden. Dat is blijkbaar de prijs die betaald moet worden. 

Het verhaal van De vallei der vergetenen zit best goed in elkaar. Er zijn genoeg verwikkelingen, er is voldoende spanning, het tempo is goed. Clark heeft een verleden gekregen waardoor hij niet alleen maar goed is. Dat voorkomt een al te simpele zwart/wittekening, die je in dit soort strips toch wel hebt. Ook hier is duidelijk wie de goeden en de slechten zijn. De bijfiguren zijn interessant, zoals Ma Joe, de stevige leidster van het kamp en het eigenwijze meisje Dorothy. Figuren krijgen voldoende achtergrond, zodat duidelijk is wat hun drijfveren zijn. 

Toch heb je het idee dat veel van het verhaal doorsnee is, een variatie op dingen die al bekend zijn. Origineel is wel het vrouwenfort, een minimaatschappij die alleen uit vrouwen bestaat. 

Tekeningen

De tekeningen van Alain Henriet zijn helder, wat prettig is bij het lezen. De landschappen zijn sfeervol, ook dankzij de inkleuring door Usagi (Patricia Tilkin). Hoe fraai de tekeningen ook zijn, ze zijn ook statisch. Er wordt wel beweging gesuggereerd, maar het blijven stills: alsof de film even stilgezet is. Ook is het allemaal wel erg keurig en dat past niet zo bij de inhoud. Daaraan is ook de inkleuring debet. 

Aan de andere kant wordt het rood heel erg ruim gebruikt als iemand geraakt wordt door een schot: Clark verliest zoveel bloed, dat het niet aannemelijk is dat hij het overleefd heeft en bij andere schotwonden spat het bloed er wel erg uitbundig uit. In plaats van dat het de gruwelijkheid van de scène benadrukt, moet je daar eerder om glimlachen en dat kan de bedoeling niet zijn. 

De vallei der vergetenen is een lekkere strip om te lezen. Er is ruim de tijd genomen (bijna 150 bladzijden), het verteltempo is rustig, maar er blijft genoeg vaart in het verhaal. Een toegankelijke strip, die niet al te moeilijk doet. Dat is ook wel eens aangenaam. 

Titel: De vallei der vergetenen
Scenario: Pierre Dubois
Tekeningen: Alain Henriet
Inkleuring: Usagi
Uitgever: Le Lombard
2026, 148 blz. € 29,99 (hardcover)





dinsdag 29 september 2026

Mouth & MacNeal, Duo tegen wil en dank (Roel Smit)

In mijn jeugd was Mouth & MacNeal een bekend duo en mensen van mijn generatie weten dan ook meteen wie ik bedoel. Intussen is hun roem weggewaaid met de wind. Bij mijn kinderen (die zelf ook weer kinderen hebben) zal er geen enkel belletje gaan rinkelen, noch bij de horen van de naam van het duo, noch bij het horen van de nummers waarmee de twee in de toplijsten stonden. Daarom stel ik ze toch maar even voor. 

Limburgsch Dagblad, 18 maart 1972
Mouth verwijst naar Willem Duijn (wiens naam ook wel als Willem Duyn werd geschreven), die optrad onder de naam Big Mouth. MacNeal is Maggie MacNeal, de artiestennaam van Sjoukje van 't Spijker (later Sjoukje Smit), die eerder ook een plaatje opnam als Maggie Macneil. Het duo vierde triomfen van 1971 tot en met 1974, stond met het nummer 'How do you do' vier weken in Amerika in de top tien van de Billboard Top 100 en werd derde op het Eurovisiesongfestival met 'I see a star'/'Ik zie een ster'.

Motto's

Over dit duo bracht Roel Smit in 2012 een boek uit: Mouth & MacNeal, Duo tegen wil en dank. Dat is al een tijdje terug, maar ik las het boek nu pas. Uit de ondertitel blijkt dat de samenwerking niet altijd even hartelijk was en daarnaar verwijzen ook de drie motto's, die ontleend zijn aan nummers die Willem en Sjoukje samen zongen:

Once I said I wanted you
I don't remember why
(How do you do)

I understand that all men can't be the same
but the way you treated me when we met was hard and strange
(Hello-A)

I think I have to excuse myself
cause I behaved kinda rude
(Batteringram)
Deze citaten verwijzen naar de samenwerking en dan vooral naar het gedrag van Willem. Maar het zou jammer zijn om de geschiedenis van het duo daartoe te beperken. 

Het duo werd bij elkaar gebracht omdat anderen daar wel iets in zagen. Hun eerste nummer zongen ze apart van elkaar in. Ze zagen elkaar toen zelfs niet in de studio. Zo zou het later nog wel eens gaan. Maar al vrij snel kwam het succes, waardoor het voor veel partijen beter was als het duo het een tijdje vol zou houden. 

Een groot succes was het Eurovisiesongfestival 1974, gewonnen door ABBA, waar Mouth & MacNeal derde werden. Maar aan het eind van het jaar viel het duo uit elkaar. 

Hoe dat allemaal zo gegaan is, beschrijft Roel Smit tot in detail. Als zestienjarige ziet hij het duo voor het eerst (in november 1971). Dat beschrijft hij in het voorwoord. '(...) en mijn besluit staat vast, ik ga een fanclub oprichten voor Mouth & MacNeal!' Pas bijna aan het eind van het boek wordt duidelijk dat hij dat ook inderdaad gedaan heeft. In die jaren heeft hij een schat aan informatie verzameld en die deelt hij in dit boek. 

Citaten

Dat doet hij met veel (te veel) uitroeptekens en met veel citaten uit interviews. De bronvermelding is meestal summier, maar Smit maakt wel steeds duidelijk wat de citaten zijn; die zijn cursief gedrukt. Dat maakt het lezen overigens niet altijd even makkelijk. Een paragraaf uit het eerste hoofdstuk ('Holland Kwartet (1958-1967)') bestaat voor ongeveer de helft uit cursieve tekst en dat ook nog gepresenteerd als een enkele alinea van meer dan een pagina lang. 

Bedenkelijker is dat Smit wel citeert, maar dat hij het daarbij laat, waardoor een stuk uit een interview al gauw als de waarheid wordt gepresenteerd. De bladzijde over de jeugd van Willem is bijna in zijn geheel opgetekend uit de mond van de zanger. Of de informatie klopt, wordt niet duidelijk. 

Heel vaak staat onder aan een hoofdstuk of paragraaf, vetgedrukt: 'N.B. Zie bijlage voor discografie en hitstanden' of 'N.B. Zie bijlage voor discografie, hitstanden, covers en tv-optredens.' Het zijn overbodige verwijzingen, want uit de inhoudsopgave wordt ook wel duidelijk waar de lezer de informatie kan vinden en deze aanwijzingen staan misschien wel in de helft van alle hoofdstukken. 

Feitelijke informatie

Dat gedeelte van het boek is trouwens indrukwekkend. Blijkbaar heeft Smit zijn werk als voorzitter van de fanclub goed gedaan: hij heeft zo'n beetje alles bijgehouden. De agenda van het  duo, hun tv-optredens in binnen- en buitenland, de discografie natuurlijk, maar ook de hitnoteringen, de tracks op LP's, CD's en DVD, de covers die van de nummers gemaakt zijn en hoe Mouth & MacNeal (gezamenlijk en afzonderlijk) scoorden in de populariteitspolls. 

Bij de 'Geraadpleegde boeken, kranten en tijdschriften' staat dan weer bijna niks. Titels van kranten en tijdschriften worden genoemd, maar niet welke artikelen gebruikt zijn. Van boeken wordt alleen de titel en de auteur genoemd. Eigenlijk heb je aan deze lijst niets. 

Wie oude tv-optredens van Mouth & MacNeal bekijkt, zal de lol zien die daaruit spreekt: een vrolijk duo dat het goed met elkaar kan vinden. Zo professioneel waren ze wel. Ook de muziek, die vrij commercieel is, heeft iets vrolijks, iets luchtigs. Maar er waren perioden dat het tussen hen niet goed liep. 
Tubantia, 9 mei 1973. Een miljoen exemplaren
van 'How do you do' verkocht in Amerika

Verschillen

Het is goed om te bedenken dat er grote verschillen tussen de twee zijn. Willem Duijn werd geboren in 1937, Sjoukje van 't Spijker in 1950; Duijn had al verschillende bands achter de rug toen hij toetrad tot het duo, Van 't Spijker had een enkel plaatje uitgebracht, dat geen succes had. Verder waren er grote verschillen in karakter. 

Willem was altijd zeer aanwezig, wilde de boel opschudden, hield van de show. Daarbij ging hij zich te buiten aan de drank. Smit vertelt van een bedreigende situatie waarin Van 't Spijker hem nauwelijks haar hotelkamer uit gewerkt krijgt. Van 't Spijker viel wat buiten de groep, (Willem en de band) en kwam veelvuldig te laat of meldde zich af voor optredens, wat Willem weer niet professioneel vond. Smit vertelt wel dat de zangeres het soms 'niet meer trekt', maar omdat hij vaak anderen citeert in plaats van zelf te duiden, blijft 'plichtsverzuim' doorschemeren, terwijl er wellicht ook plausibele redenen waren om het niet langer op kunnen brengen. 

Bekend werd hoe Willem zijn zangpartner verschillende keren aangekondigd heeft: als 'de zangeres zonder borsten', wat door haar als een grove belediging werd opgevat. Dat zal het ook geweest zijn. Aan de andere kant vertellen anderen dat hij zo'n aankondiging daarvoor ook al deed bij bijvoorbeeld Ronnie Tober. 

Sjoukje moet zich vaak eenzaam gevoeld hebben in de groep mensen, wat mogelijk pas wat beter werd toen Frans Smit (die later haar man zou worden) haar ging vergezellen. 

In de paar jaren dat het duo bestaan heeft, heeft Sjoukje zich snel ontwikkeld, van een beginnend zangeresje voor wie alles nieuw was tot een vrouw die duidelijker zag wat ze wel en niet wilde. Het duo heeft kansen gehad om de populariteit in het buitenland (Verenigde Staten, Japan) verder uit te bouwen, maar Willem weigerde te vliegen. Vliegschaamte bestond toen nog niet, vliegangst wel, maar er wordt door Roel Smit gesuggereerd dat Willem Duijn die beslissing nu eenmaal genomen had en uit een soort koppigheid er niet op wilde terugkomen. 

Dicht bij de hoofdpersonen

Mouth & MacNeal, Duo tegen wil en dank is een interessant boek. Je hebt het idee dat je dicht bij de twee hoofdpersonen komt, doordat mensen uit de directe omgeving over hen vertellen en doordat er ook weergegeven wordt wat zij zelf verteld hebben. Niet alleen achteraf, maar ook op het moment dat het allemaal speelde. Aan de andere kant had ik soms wat meer afstand gewild, meer duiding, meer objectiviteit. Niet dat Smit subjectief is, maar de mensen die hij aan het woord laat, zijn dat onvermijdelijk wel. Misschien ontstaat er door al die persoonlijke indrukken wel een soort intersubjectiviteit, maar Smit is me net te veel degene die het ook maar optekent, in plaats van iemand die er zijn biografie van maakt. 

In veel biografieën komt er een fotokatern voor. Die foto's staan in dit boek tussen de tekst door en het zijn er behoorlijk wat, maar ze zijn meestal vrij klein en ze zijn niet van topkwaliteit. Bij de afzonderlijke foto's staat vaak geen bronvermelding. Hier zal ook meegespeeld hebben dat Smit voor zijn boek niet een degelijke uitgeverij heeft gevonden. Bij Gigaboek kan iedereen zijn eigen boek laten drukken, maar het is niet een uitgeverij met een eigen fonds en eigen promotiemogelijkheden. Waarschijnlijk heeft Roel Smit zelf zijn boek onder de aandacht van de pers moeten brengen. 

In hoeverre dat gelukt is, kan ik niet nagaan, maar als er over Mouth & MacNeal wordt gesproken, wordt zijn boek vaak genoemd en dat lijkt me terecht. Er is best het een en ander op aan te merken, maar je merkt dat het geschreven is door iemand die hield van het duo en hun muziek. Smit heeft veel materiaal verzameld. Dat is niet compleet, maar het is wel veel. 

Naleven

Over het naleven van de twee artiesten, na de breuk, besteedt Smit eigenlijk geen aandacht; dat viel buiten het bestek van zijn boek. Willem Duijn heeft nog als Big Mouth een duo gevormd met Little Eve en hij heeft ook solo nog plaatjes gemaakt, zowel als Big Mouth als als Willem Duyn. Over het nummer 'Willem' schreven John Schoorl en Paul Onckenhout in de Volkskrant (20 februari 2024) dat het een soort boetedoening was. Willem Duijn overleed in 2004. 

Sjoukje van 't Spijker had na Mouth & MacNeal nog een hele carrière als Maggie MacNeal. Ze scoorde hits in het Nederlands en het Engels (bijvoorbeeld 'Terug naar de kust' en 'When you're gone'), vertegenwoordigde Nederland succesvol (vijfde plaats) op het Eurovisiesongfestival (met 'Amsterdam') en trad op als een van de drie Dutch Divas (met Sandra Reemer en Marga Bult). In haar leven zit zeker nog een boek. Dat zou ik wel willen lezen. 

Het Parool, 1 september 1972

maandag 28 september 2026

Aangaande Anna (Ben Prieur / Cosimo Ferri)

Anna is succesvol in het zakenleven. Ze is 32 jaar oud en heeft nog een hele carrière voor de boeg, maar ze zegt haar baan zomaar op. Ze wil blijkbaar een ander leven leiden. Naar deze Anna verwijst de titel van de strip Aangaande Anna, uitgekomen in de reeks Arboris XL, wat dikkere albums met meestal op zichzelf staande verhalen. 

Het scenario van de strip is geschreven door Ben Prieur, van wie ik het eerste deel van Louise Pembleton (link onderaan) besprak. Deel twee lees ik binnenkort. 

Drie vrouwen

Hij begint het verhaal met een korte proloog: een berglandschap, met daarin een alleen de tekst van een gesprek tussen Anna en Benjamin, dat je nog niet veel wijzer maakt. Daarna krijg je drie verhalen van drie vrouwen, Anna, Karine en Clara. Steeds is duidelijk over wie het gaat, doordat er bij elk verhaal een andere steunkleur is gebruikt: Voor Anna een donkere groen, voor Karina bruin, soms neigend naar een rood, voor Clara blauw. Het zijn gedempte kleuren en er worden aardig wat grijzen in gebruikt, zodat de verhalen slechts subtiel van elkaar in kleur verschillen. 

Het verhaal begint in de zomer van 2016. Aan het begin is nog niet duidelijk waarom die tijdsaanduiding van belang is. Later blijkt dat het hele verhaal maar twee jaar beslaat. 

Karine leeft intens en probeert uit het leven te halen wat erin zit. Het lijkt erop of ze vooral het genot zoekt, maar ze wordt ermee geconfronteerd dat ook een ander op eigen genot uit kan zijn en daarbij over grenzen gaat. Clara rijdt op een motor probeert veel uit, zoals bungeejumpen en parachutespringen. Ze gaat yogalessen volgen en zij en haar yogalerares raken gecharmeerd van elkaar. 

De verhalen van de drie vrouwen wisselen elkaar af en aanvankelijk is nog niet duidelijk wat de drie vrouwenlevens met elkaar te maken hebben. De vrouwen lijken uiterlijk op elkaar en op een gegeven moment zegt Anna tegen een man (Benjamin) die haar meent te herkennen, dat hij haar waarschijnlijk verwart met haar zus en wat lijkt te suggereren dat de vrouwen drie zussen zouden zijn. Het verhaal blijkt wat ingewikkelder in elkaar te zitten, maar hoe het zit, onthul ik hier niet, omdat de plot belangrijk is voor het leesplezier. 

Tegen het einde wordt duidelijk, in een flashback, wat er precies aan de hand is. Tussendoor heb je al wel aanwijzingen gekregen dat gezondheidsproblemen een rol spelen. Bij de uitleg van de situatie ligt het perspectief bij Benjamin, die uiteindelijk een relatie met Anna heeft gekregen. 

Afstand

Het verhaal is intrigerend. Je hebt het gevoel dat je als lezer op afstand gehouden wordt, maar dat komt ook doordat de vrouwen de mensen in hun omgeving op een afstand houden. Zelfs als ze intiemer met iemand zijn, verzwijgen ze wat en blijven ze iets raadselachtigs houden. In de strip is relatief weinig tekst gebruikt en de vrouwen worden ook getekend op momenten dat er weinig gebeurt. Anna bijvoorbeeld, zit op de bank, aait de poes, kijkt uit het raam. Er kan van alles in haar omgaan, maar je moet ernaar raden wat dat is. Dat werkt overigens wel, omdat het je nieuwsgierigheid voedt. 

Ook de tekeningen, van Cosimo Ferri, dragen bij aan de afstandelijkheid. Ze zijn vrij statisch, zelfs op momenten dat er beweging getekend wordt. Emoties worden benoemd of zichtbaar gemaakt in gezichtsuitdrukkingen of handelingen, maar je voelt ze eigenlijk niet. Je kunt dat zien als een gebrek, en misschien is dat het wel, maar het past ook bij het verhaal, waarin de vrouwen de ander nooit echt toelaten tot hun diepste geheim. 

Ferri tekent graag naakte vrouwen. Soms is dat functioneel, maar niet altijd. Dan krijgt het iets objectiverends, dat bijdraagt aan de afstandelijkheid. Bij sommige vrouwen lijkt hun manier van leven oppervlakkig, maar wel wordt duidelijk dat daaronder een zekere tragiek zit. Het lukt ze maar niet om echt te zijn, om echt verbinding met anderen aan te gaan, om eerlijk te zijn over wat er aan de hand is. 

Als je de strip gelezen hebt, weet je dat het eigenlijk een tragisch verhaal is, maar doordat je steeds op afstand gebleven bent (door het verhaal en de tekeningen) is het eerder een tragiek die je kunt beredeneren dan dat je die voelt. Ook na afloop blijf je op afstand, zelfs als je weet wat er precies aan de hand is, hoe de vrouwen zich tot elkaar verhouden en wat hun drijfveren zijn. Het zal natuurlijk ook aan mij liggen dat ik niet werkelijk door het verhaal geraakt werd, maar ik vermoed dat het zeker ook aan de strip ligt. 

Voor mijn gevoel deugt Aangaande Anna in opzet wel, maar bereikt het verhaal toch niet helemaal het beoogde effect. Dat maakt de strip nog steeds wel boeiend om te lezen, maar uiteindelijk doet die me toch te weinig, waardoor van het verhaal meer de plot blijft hangen dan de diepte van de tragiek. 

Titel: Aangaande Anna
Scenario: Ben Prieur
Tekeningen: Cosimo Ferri
Vertaling: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2026, 112 blz. € 12,95 (softcover)

Eerder schreef ik over ander werk van Ben Prieur:



vrijdag 25 september 2026

Fietsenmakers, opiniemakers en andere makers

De fietsenmaker waar ik vroeger graag kwam

Op de middelbare school kwam ik van tijd tot tijd bij de fietsenmaker. Bij Bart Gerritsen, zeiden mijn ouders en af en toe zag ik de oude baas daar nog wel rondscharrelen, maar meestal was Piet er, Piet Latta. Blauwe overall met zwarte vegen, alpinopetje op, ogen een beetje samengeknepen achter zijn bril, haar dat uit zijn neus groeide. 

Bij Piet in de werkplaats was het altijd gezellig. In de winter brandde het vuur in de kachel en de radio was altijd aan. Vaak was er ook wel een jongen aan zijn eigen bromfiets of zijn eigen fiets aan het sleutelen. Piet vond het allemaal best. Hoe hij zijn prijzen berekende, was nooit zo duidelijk, maar je had altijd het idee dat het een koopje was. 

Vaak moest ik een kleinigheid hebben: een tubetje solutie, voor tien cent ventielslang, en soms moest ik mijn fiets ophalen omdat Piet die gerepareerd had. Gemaakt had. Hij was immers fietsenmaker, fietsenreparateur. 

'Maken' kan 'repareren' betekenen. Zoals Jean Pierre Rawie in een gedicht zou schrijven: 'Wij zijn kapot en kunnen niet gemaakt.' Maar 'maken' kon ook 'produceren' betekenen: een mandenmaker bijvoorbeeld, een kaartenmaker of een klompenmaker . Die laatste repareert geen klompen, maar produceert ze, uit een blok hout. 

Je hebt ook nog een ander maken: Hoe maak je het? Mijn tante Gijb zei dan wel eens: Dat zeg ik niet, want dan ga jij het ook maken. Dat vond ik heel grappig. En je kunt ook zeggen: Wat maak je me nou! Maar op die vormen van maken ga ik verder niet in. 

De laatste tijd lees ik geregeld over 'makers' of ik hoor erover in podcasts. Dat iemand filmmaker of stripmaker is, kan ik nog wel volgen. Zo iemand maakt een film of een strip, zoals een ander vroeger klompen of manden maakte. 

Maar wat is bijvoorbeeld een opiniemaker? Een opinie is een mening en je kunt over verschillende zaken meningen hebben. Zo'n mening vorm je op basis van wat je weet, wat je gelezen, gehoord en gezien hebt. Volgens mij gaat het bij de opiniemakers er niet alleen om dat ze zelf een opinie vormen, maar dat ze die opinie overbrengen, dat ze anderen zover krijgen dat ze na gaan denken over die opinie en die misschien wel overnemen. 

Opiniemaker is blijkbaar een beroep. Het lukt me maar niet om me daar echt iets bij voor te stellen. Hoe verloopt een gesprek als iemand op een feestje vraagt: Wat doe jij voor de kost? (Dat zal wel een ouderwets geformuleerde vraag zijn, maar dat hoort bij mijn leeftijd). Geef je dan als antwoord: ik ben opiniemaker? En moet je daarna iets uitleggen?

Programmamaker vind ik een duidelijke benaming, net als podcastmaker. Maar ik luister ook een podcast waarin iemand zich in het begin voorstelt als mediamaker. Vroeger hadden we het over een massamedium, een manier om een groot publiek te bereiken: de krant, de radio, de tv. Maar tegenwoordig zijn er veel meer media, bijvoorbeeld de sociale media. Maar wat bedoelt iemand als hij of zij zegt: Ik maak media? Als iemand voor een krant werkt, is hij dan een mediamaker? Geen idee. Wat voor media maakt een mediamaker? Of draagt hij of zij alleen maar bij aan een medium?

Ook zijn er mensen die zich 'content creator' noemen. Mijn Engels is niet zo best, maar volgens mij is 'content' hetzelfde als 'inhoud'. Dus een content creator is iemand die inhoud maakt. Meestal gaat het niet om tastbare zaken, vermoed ik. Het is niet iemand die de vulling voor loempia's maakt, maar het gaat om tekst, filmpjes, audio. Wellicht ben ik zelf een content creator als ik voor mijn weblog schrijf, maar ik wil niet zo genoemd worden. 

Toch is 'inhoudmaker' wel een heel vage term en het zit me ook niet helemaal lekker dat de term gereserveerd is voor een bepaald soort inhoud. Er zijn veel mensen bezig met inhoudelijk belangrijke zaken, maar die mogen zich niet een 'content creator' noemen. Denk ik. 

Verder hoor ik de laatste tijd ook wel zeggen dat iemand een 'maker' is. Of dat hij met 'andere makers' samenwerkt. Het gaat dan niet om reparateurs (klokkenmakers, glazenmakers, schoenmakers) en het gaat ook niet om mensen die concrete voorwerpen voortbrengen (klompenmakers, tassenmakers, hoedenmakers, pruikenmakers, kaarsenmakers) maar het zit voor mijn gevoel altijd in de creatieve hoek. 

Willen deze makers zich niet vastleggen op de dingen die ze voortbrengen? Zijn het mensen die niet alleen films maken maar ook schilderijen of hoorspelen? Of hebben ze een andere reden om niet helder te zeggen wat ze maken? Waarom houden ze het zo vaag, zo algemeen? En waarom komt het woord maker vooral voor in die creatieve hoek? Ik hoor een metselaar, een stratenmaker of een banketbakker nooit zichzelf een maker noemen. 

Misschien ben ik gewoon oud en is het de weemoed die me bevangt als ik terugdenk aan de makers uit mijn jeugd, zoals aan Piet Latta. Je fiets kon er nog zo beroerd aan toe zijn, Piet maakte er een goed lopend karretje van. Of aan Van Schaik, de klompenmaker. En natuurlijk aan de stratenmaker op zee!

woensdag 23 september 2026

Onder professoren (Willem Frederik Hermans)

Sommige klassiekers heb ik nooit gelezen, al weet ik vaak wel waarover ze gaan. Sterker nog: ik heb er onbekommerd naar gevraagd bij het afnemen van mondelinge examens. Met enkele geestgenoten speelde ik vroeger wel eens het spelletje 'Bescheidenheid'. In een groep van vier bijvoorbeeld, noem je een titel van een boek dat je niet gelezen hebt, maar waarvan je vermoedt dat de anderen het wel gelezen hebben. Voor elke groepsgenoot die het betreffende boek wel gelezen heeft, krijg je een punt. Heeft iedereen het gelezen: dubbele punten. 

Bij dat spel kon ik scoren met De kleine Johannes, De berg van licht en ook met Onder professoren. Maar dat laatste boek heb ik intussen gelezen. Toen ik eraan begon, wist ik alleen dat het een afrekening was met de Universiteit van Groningen en de mensen die daar indertijd werkten. En Uit talloos veel miljoenen (1981) zou een soort vervolg zijn. Dat boek heb ik overigens wel gelezen. 

Nobelprijs

Onder professoren opent met het bezorgen van een telegram bij een boerderijtje (eigenlijk een arbeiderswoning) op het platteland in het noorden van het land. Het is het tweede huisje van de hoogleraar Rufus (Roef) Dingelam en zijn vrouw Gré. In het telegram wordt verteld dat Dingelam de Nobelprijs voor scheikunde is toegekend voor zijn ontdekking, twintig jaar geleden, van een stof die wel de derde witmaker werd genoemd, maar die ook als potentieverhogend middel gebruikt zou kunnen worden. 

Dingelam staat bekend als iemand die nooit lacht en dat doet hij bij het ontvangen van dit bericht dus ook niet. Zijn vrouw Gré houdt hem bovendien met de voeten op de grond: 'Maar man! Tweehonderdtachtduizend gulden, dat is nog geen vier keer je jaarsalaris. Daar ben je zo doorheen!'

Het vrije volk, 23 mei 1975

Gré heeft iets aandoenlijks: ze beseft nauwelijks wat de Nobelprijs inhoudt, kan eigenlijk niet koken en past ook niet helemaal in het milieu waartoe ze veroordeeld is. Maar ze is ook grootmoedig, wil geen kwaad van haar man denken en neemt het allemaal voor hem op. Zonder meer een interessant personage. 

Graantje meepikken

De omgeving van Dingelam is weliswaar blij voor hem, maar probeert ook een graantje mee te pikken. Men hoopt dat het aanzien van de prijswinnaar afstraalt op de universiteit waar Dingelam werkzaam is. Iedere lezer heeft daarbij de universiteit van Groningen in gedachten, waar Hermans lector is geweest. In het nawoord bij de roman, door dr. B.J.O. Zomerplaag (Hermans zelf) wordt nadrukkelijk gesteld dat het gaat om 'denkbeeldige professoren aan een denkbeeldige universiteit'. De roman is, volgens Zomerplaag, geen sleutelroman. 

De universiteit lijkt met een soort minderwaardigheidscomplex te kampen en kan misschien bij haar strijd om gelijkheid de Nobelprijs inzetten:

Wij moeten onze Nobelprijs op tafel leggen en zeggen: Binnen een maand twintig fotokopieermachines en anders hoeft er niet meer op te worden gerekend dat er nog een enkele wetenschappelijke publikatie uit onze universiteit te voorschijn zal komen. 

Sleutelroman

Dat Onder professoren behoorlijk wat trekken van een sleutelroman heeft, is intussen wel bekend. Sommige mensen (Lou de Jong, Jan Pen, Andreas Burnier, J.B. Charles) zijn herkenbaar geportretteerd of ze zijn zo vaak benoemd in relatie tot dit boek dat je ze daardoor tijdens het lezen door de personages heen ziet. Bij prof. dr. R. Tamsma, met wie Hermans in zijn Groningentijd een conflict had, heeft hij de naam nauwelijks veranderd (Prof. drs. K. Talsma), maar hij degradeerde hem wel van dr. tot drs. Het is een personage dat er bijzonder slecht afkomt. 

In het Nieuwsblad van het noorden staat bij een bericht over de Nobelprijs bij vergissing het portret van Talsma afgedrukt in plaats van dat van Dingelam. 

Dat snuit van Tamstra in de krant. En als die man nu nog een enigszins fatsoenlijk gezicht had! Maar het is precies de tronie van een spoorloos verdwenen Duitse oorlogsmisdadiger. Moet je dat mondje zien! En die enge oogjes! De overal vruchteloos gezochte voormalige commandant van het Duitse vernietigingskamp. 

Van die vergissing zal Talsma nog misbruik maken. 

Studenten hebben besloten een deel van de universiteit te bezetten, waardoor Dingelam niet meer bij zijn laboratorium kan. Later zal zijn huldiging verhinderd worden door een rookbom. Talsma verklaart zich solidair met de bezetters, maar waarschuwt wel de politie, waarbij hij zich uitgeeft voor Dingelam. 

Dingelam leeft voor zijn vak en hij beseft nauwelijks waarmee de bezetters bezig zijn. 'Baas in eigen reageerbuis' is hun leus. Al op de eerste bladzijde laat de verteller weten dat Dingelam niet veel op heeft met de inspraak die er tegenwoordig geëist wordt op universiteiten. 

Sinds de universiteiten waren gedemocratiseerd, wat inhield dat hij bijna elke week vele uren moest vergaderen om mensen die niets afwisten van de zaken waar ze over praatten, de gelegenheid te geven van hun democratische recht gebruik te maken er toch het hoogste woord over te voeren, ergerde hij zich. 

Aksie!

De modieusheid van het actievoeren blijkt ook uit de spelling die Hermans hanteert als het over de bezetters gaat: aksie, aitems, konkrete situaatsie, prosent, systematiese, tejorie, ekonomiese emansipaatsie, implikaatsies, konsepten, demokraatsie, sosiale en ekonomiese revolutie, repressieve toleransie, hoostesses, sjoow. 

Misschien legt hij een verband met het televisiekijken en typeert hij de studentengeneratie als jongeren die veel tv hebben gekeken. 

Bij het woord 'aitempie' geeft hij een voetnoot: 'telefiesisch voor: onderwerp'. Ook het taalgebruik in de tv-reclame wordt belachelijk gemaakt: heel vaak 'dus'.

Daar kwam die mevrouw die nooit meer kloven in haar vingers had sinds ze het afwasmiddel Lux gebruikte dus. Het water blijft ook langer schuimen dus en het laat geen vette kringen achter in de afwasbak dus en mijn handen blijven gaaf en glad dus. Lux voor de vuile vaat. Met de derde witmaker. 
En daar was die andere mevrouw weer, die haar vlees braadde in Diamantvet dus, omdat het dan veel mooier bruin werd dus en dat alles zonder spatten dus. 
Ook de studenten gebruiken vaak 'dus', en 'weet u wel' zal ook wel zo'n stoplap zijn:

En dat het lijkt of de hele aksie speciaal tegen professor Dingelam was gericht, maar dat is absoluut niet waar, dus. Het gaat om de strukturen van de maatschappij, weet u wel?
Wat ze uiteindelijk willen, is: 'Ol pouwer toe de piepul!'. Ze noemen geregeld Marcuse ('Marcuse heeft zonder aarzeling alle implikaatsies van zijn konsepten geaksepteerd.') maar wat ze over hem zeggen lijkt geen inhoud te hebben. 

Toeval

Uiteindelijk laat Dingelam de universiteit achter zich en hij gaat op reis met Gré, waar ze veel geld winnen in het casino. Stom geluk, zoals het leven van toeval aan elkaar hangt. 

In veel van Hermans' boeken komen stuntels en losers voor, maar Dingelam is een ander soort personage. Hij wordt ineens uitgeroepen tot een bekend persoon, maar wordt daar niet gelukkiger door. 
De nutteloze conversatie met dokter Barend kwam in zijn herinnering terug en bevestigde zijn vermoeden dat de hem toegekende unieke onderscheiding hem tot een van de eenzaamste mensen ter wereld maakte. Alsof hij eigenlijk niet altijd eenzaam was geweest. Maar hij had het tot dusverre tamelijk wel geheim kunnen houden. 
Zijn vrouw is de stabiele factor in zijn leven, op wie hij altijd terug blijkt te kunnen vallen. 

Venijn

Hermans tekent de universitaire wereld met veel venijn. Hij moet daar behoorlijk wat plezier aan beleefd hebben. Zo geeft hij iemand de bijnaam 'Plofje de olifant' en heel vermakelijk is het personage Goudewolf, ex SS'er, wiens hand weigert als hij de benoeming van een joodse hoogleraar moet ondertekenen. Ook heeft zijn rechterarm steeds de neiging om de Hitlergroet te brengen. Tegen de buitenwereld verkondigt hij dat hij in het verzet heeft gezeten: 'Tot over mijn oren, mag ik wel zeggen.' Hij geeft wel toe dat hij niet in een concentratiekamp gezeten heeft, 'maar wel een tijdje gevangen. Maar daar wil ik het nu niet over hebben.'

Grappig is ook dat Roef en Gré een haan krijgen, om te slachten, maar dat kunnen ze niet over hun hart krijgen. Het beest wordt een huisdier, maar poept overal. Uiteindelijk ontsnapt het. 

Ook de beschrijving van de ontmoeting met Talsma in een bordeel, waar alles er heel klungelig aan toe gaat, is op en top Hermans: grappig, met een triest randje.  

Soms duurden gesprekken in het boek me wel wat te lang, soms overheerste de boodschap het verhaal, maar gemiddeld genomen heb ik Onder professoren met veel plezier gelezen. Hermans voert je gemakkelijk mee door het verhaal dat op de meeste plekken genoeg vaart heeft, luchtig van toon is en dat vooral helder is. Het boek haalt het niet bij romans als Nooit meer slapen, De donkere kamer van Damokles, Aantekeningen van een engelbewaarder of Een heilige van de horlogerie, maar het is een roman waar je naar volle tevredenheid een aantal uren aan kunt besteden. 

Eerder schreef ik over:

de Telegraaf 12 september 1975

dinsdag 22 september 2026

Berenvel (Ken Broeders)



Ken Broeders is een geweldige striptekenaar. Hij tekent in een realistische stijl, waarbij hij enorm veel sfeer in zijn tekeningen weet te leggen, mede door de manier waarop hij inkleurt. In de gezichtsuitdrukking van zijn personages brengt hij veel nuances aan. Zo'n beetje elke gemoedstoestand kan hij in een portret tot uitdrukking brengen. 

Bovendien schrijft hij zelf zijn scenario's. Eerder besprak ik Driftwereld en Tarare van hem (links vind je onderaan) en nu ga ik het hebben over zijn laatste album, Berenvel. Er komen enkele bekende motieven in terug. 

Ziel verkocht aan de duivel

De eerste is het verkopen van je ziel aan de duivel. We kennen dat uit verschillende teksten. Eerder besprak ik hier de strip Love in vain, over Robert Johnson (1911 - 1938), die geweldig gitaar kon spelen en het verhaal ging dat hij zijn ziel aan de duivel verkocht had. In de Nederlandse literatuur kennen we het sprookje 'Het gestolen hart' van Godfried Bomans: een arme visser verkoopt zijn hart aan de duivel. Na een jaar mag hij het terug hebben, maar intussen is hij zo versteend dat hij dat niet meer wil. Maar hij heeft een kind. 

Uit dat laatste voorbeeld blijkt dat je je ziel wel aan de duivel kunt verkopen, maar dat dat altijd een prijs heeft. Dat is ook zo bij de jonge soldaat, hoofdpersoon in Berenvel. Het verhaal speelt zich in het verleden af. Laten we zeggen: een paar eeuwen geleden. De oorlog is afgelopen en de soldaat moet zelf in zijn onderhoud voorzien. De duivel (in de gedaante van een oud mannetje) belooft hem een beurs die zichzelf zal vullen, maar dan moet de soldaat zeven jaar rondzwerven. Hij mag zich niet wassen en moet gekleed gaan in het kleed dat de duivel hem geeft. Dat blijkt het vel te zijn van de beer die hij zojuist gedood heeft. De soldaat gaat op het aanbod in. 

Zo'n beurs die zichzelf vult, is een motief dat we kennen uit de strips van Douwe Dabbert, wiens knapzak altijd bevat wat hij op dat moment nodig heeft, en ook uit de strip Pol. Daarin is de snavel van de pelikaan Pelle een onuitputtelijk magazijn. 

Een beest?

De soldaat in de strip van Broeders, die al gauw de naam Berenvel krijgt, heeft het niet gemakkelijk. Door zijn uiterlijk en zijn geur moeten mensen weinig van hem hebben en op de meeste plekken waar hij komt, wordt hij weer weggejaagd. Maar er is een enkele jonge vrouw, Lotte, die door het uiterlijk van Berenvel heen kijkt en van hem houdt. Dat is een motief dat we kennen uit bijvoorbeeld Belle en het beest. Haar zuster kijkt daar heel anders naar en ook de controverse tussen twee zussen (de goede en de slechte) kennen we uit verschillende sprookjes, zoals bij Assepoester en haar stiefzusters. 

Berenvel is een mens op wie een vloek rust. De duivel probeert hem ervan te overtuigen dat hij geen mens meer is. Als hij bedreigd wordt, komt soms de beer in hem boven en kan hij zomaar iemand verscheuren. Maar Berenvel houdt vast aan het menselijke in hem en probeert de duivel te weerstaan. Tegen Lotte heeft hij gezegd dat hij terug zal komen en hij wacht op hem. 

Slot

Het verhaal van Berenvel wordt door Broeders rechttoe rechtaan verteld. Het verloop is redelijk eenvoudig, zoals bij een sprookje. Het zou dan ook in de lijn van het sprookje zijn dat de soldaat het volhoudt en uiteindelijk zijn beloning krijgt. Hij rijdt terug naar Lotte en ze leven nog lang en gelukkig. Maar dat is ook een zoet einde en dat wil Broeders voorkomen. Hij trekt aan het slot het verhaal naar de tijd van de lezer. Dat heeft wel iets grappigs, maar ook iets gekunstelds. Het lijkt of Broeders daar zelf niet helemaal uit gekomen is. 

Maar dat zij hem vergeven. Hij heeft met Berenvel weer een intrigerende strip gemaakt. Het verhaal boeit van begin tot eind, niet alleen door de gebeurtenissen, maar ook door de psychologische diepgang. De getormenteerdheid van de hoofdpersoon blijkt uit elke bladzijde. Het verhaal heeft niet alleen rauwe, maar ook lieflijke kanten. Het is ook weer schitterend getekend. Daardoor is het een verhaal waardoor je je lekker mee kunt laten voeren. Je kunt je onderdompelen in de sfeer van enkele eeuwen geleden en in de strijd tussen goed en kwaad, zoals die zo vaak in sprookjes gevoerd wordt, waarbij het goede behoort te winnen. 

Titel: Berenvel
Tekst en tekeningen: Ken Broeders
Uitgeverij: Uitgeverij L
2026, 48 blz. € 24,99 (hardcover)


Eerder schreef ik over ander werk van Ken Broeders:



maandag 21 september 2026

We zijn hier niet om vrienden te maken (Emma van den Berg)


'Ik ben een vriend, geloof ik', zegt Elmer tegen de vader van Werther Nieland in de beroemde novelle van Gerard Reve. Het is het bekendste citaat uit het boek en het laat zien dat het moeilijk is om te weten wat een vriendschap betekent. Over vriendschap is altijd al geschreven, van De vriendschap van Connie Palmen tot Bougainville van F. Springer en Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Maar de laatste tijd kom ik het thema vaak tegen in recente literatuur. Ik las Aardige vrouwen van Megan van Kessel, ik zag de titel We hebben het over je gehad van Stéphanie Hoogenberk voorbijkomen (Dat boek moet ik maar eens gaan lezen) en ik las We zijn hier niet om vrienden te maken van Emma van den Berg. 

Dat boek begint met een kort gedeelte, dat niet begint met een hoofdletter, zodat je het idee hebt dat je ergens middenin valt. Het leest als een proloog. Later kom je erachter dat het een stukje is uit het laatste hoofdstuk. 

Het woord 'hoofdstuk' klopt misschien niet helemaal. We zijn hier niet om vrienden te maken is opgebouwd in vier delen en binnen die delen zijn er een soort van hoofdstukken, maar ze zijn niet genummerd en hebben geen titel. Veel van die hoofdstukken (zo noem ik ze toch maar even) zijn scènes uit het leven van de verteller, Felicia, door haar ouders Fee genoemd, door haar vriendin Sacha Fees. 

Sacha en Fees

Het eerste deel heet 'Sacha en Fees' en beschrijft de basisschooltijd van de twee vriendinnen. Aan het eind ervan komt er een derde in het verbond, Cat. Een vriendin, maar ze voelt voor Felicia ook als een concurrent. Cat is er ineens als Fees terugkomt van vakantie. 

Sacha wilde met z'n drieën afspreken: zij, Cat en ik. Het was een heel redelijk voorstel, dus zei ik ja, terwijl ik eigenlijk boos wilde doen. Ik wilde dat ze naar mijn vakantie in Frankrijk vroeg en welke smaken ijs ik daar geproefd had. 

Fees heeft de oudere rechten op de vriendschap en ze heeft het idee dat ze daarin voorbijgestreefd is door Cat. Zeker als Cat ook nog op de begrafenis van de oma van Sacha mag komen. 

Ik vroeg me ondertussen af waarom Cat op de begrafenis mocht komen. Ze had Sacha's oma nooit ontmoet toen ze nog leefde en ik vond het behoorlijk vroeg in de vriendschap om iemand uit te nodigen voor de begrafenis van een ander. Sacha en Cat waren nog niet eens op elkaars verjaardagsfeest geweest. Ze wisten niet van welke taarten de ander hield en welke cadeautjes het meest gewenst waren. 

De drie leven in een toeristisch dorp aan het Markermeer. Fees vergelijkt zichzelf en Sacha met het Markermeer en het IJsselmeer, waartussen de Houtribdijk ligt. Dat zou dan Cat zijn, degene die scheiding aanbrengt tussen de twee. 

Onvoorwaardelijk

Het tweede deel ('Sacha en Fees en Cat') beslaat de tijd van de middelbare school. De meiden zijn naar verschillende scholen gegaan, maar ze houden contact met elkaar. Ze hebben een hechte vriendschap en Cat benadrukt de onvoorwaardelijkheid ervan:

Onze vriendschap is onvoorwaardelijk, zei Cat. Ze zei dat wel vaker. 
Ja, zei ik. Sacha knikte.
Als ik een zwerver moest worden óf onze vriendschap op moest geven, dan werd ik een zwerver.
We knikten driftig. Ja, wij ook. 
Ik zou me nog eerder laten verkrachten dan dat ik onze vriendschap opgeef. 
Oké, zei ik. 

Fees knikt driftig mee als Cat het zegt, maar uit haar laatste reactie blijkt toch enige reserve: onvoorwaardelijkheid gaat wel erg ver. 

In de titel van het derde deel, 'Felicitas', is alleen de hoofdpersoon overgebleven, al heeft ze nog wel contact met Sacha en Cat. Felicitas is intussen gaan studeren. Dat de vriendschap niet meer zo stevig is, blijkt bijvoorbeeld als Fees Sacha na een feestje niet naar huis wil brengen, hoewel haar vriendin zich echt niet goed voelt. 

Het is niet direct onwil, het is ook ongemak. Fees voelt zich schuldig omdat ze Sacha tijdens het feestje uit het oog verloren is en ze meent dat ze zich aan een jongen verplicht heeft nog even te blijven. Fees is een zoeker, die probeert uit te vinden hoe het leven eigenlijk moet, wie ze is. 

En dat is niet gemakkelijk. In een appartement woont ze met vier anderen, die elk hun eigen kamer hebben, waarvandaan de geluiden doordringen tot Fees. 

De band die ik had met de buren was de intiemste die ik gekend had. Op hun beurt konden zij mij vaker horen huilen dan mijn vrienden of familie dat ooit gedaan hadden. 

Leugens

Cat is altijd erg aanwezig, weet zich te presenteren en liegt als haar dat beter uitkomt. Dat laatste was er al vanaf het begin, toen Cat vertelde dat ze een fotografisch geheugen had, maar niet meer de plek wist waar ze haar fiets neergezet had. Nu vraag Felicia haar waarom ze liegt. 

Nog een paar tellen bleef ze stil. Omdat ik me dan beter voel over mezelf, fluisterde ze toen terug. Het was geen moment van inkeer of emotie, het bracht ons niet dichter bij elkaar en voelde ook niet kwetsbaar. Ze bracht het op de toon van iemand die woordjes had gestampt en een vertaling oplepelde. Droog en feitelijk. 

Het laat zien dat Felicia intussen anders in de vriendschap staat dan vroeger. In de loop van de tijd gaat het minder goed met Sacha en uiteindelijk wordt ze opgenomen, wat ze aanvankelijk niet wil vertellen. 

Ik wist niet hoe ik haar moest uitleggen dat ik boos was omdat Sacha altijd eerlijk tegen me geweest was, zolang ik mij kon herinneren, en ik wilde niet twee vriendinnen die logen. Ik wilde er maar eentje (...). En ik wist niet hoe ik haar moest uitleggen dat de woede me tegelijkertijd bevrijdde, dat ik het misschien al langer gezocht had, maar nooit een goede reden had gezien om het te voelen. 

Felicia besluit te stoppen met de vriendschap, of die in ieder geval op te schorten. 'Misschien is het beter als we elkaar even niet zien', laat ze weten. Cat reageert met: 'Je hebt ons misschien niet meer zo hard nodig, maar wij jou wel.' Later zal ze zeggen dat ze zichzelf uit de optelsom van hun drieën haalde. 

Ze wil bij de coole mensen horen, maar ze weet niet goed hoe dat moet. En ze heeft al vaak gelezen dat je eerst van jezelf moet houden om van een ander te kunnen houden. Op dat gebied heeft ze nog wel wat werk te doen.

Terugkijken

Dat lezen we in het vierde deel, 'Feest', dat niet zo feestelijk is. Nou ja, Fees viert haar dertigste verjaardag, maar juist dan is ze gedwongen om terug te kijken op de vriendschap van hun drieën. Weliswaar heeft ze negen keer de box dvd's van Friends gekeken, maar ze vraagt af in hoeverre ze een vriendin is geweest. Bij herinneringen heeft ze toch al de neiging om juist de pijnlijke naar boven te halen:

Ik heb het idee dat ik veel belangrijke dingen vergeet, terwijl juist de momenten die ik het liefst zou vergeten me hardnekkig bijblijven. 

Eigenlijk kan ik best vertellen wat er precies in het vierde deel gebeurt, want We zijn hier niet om vrienden te maken moet het niet in de eerste plaats hebben van de plot, maar als iemand toch daar haar of zijn leesplezier aan meent te kunnen ontlenen, wil ik die ook niet voor de voeten lopen en daarom laat ik maar in het midden wat de aanleiding is voor de terugblik van Fees, de eerste drie delen. 

Ze voelt zich achteraf schuldig tegenover Sacha (en Cat):

Ik heb dingen nagelaten en fout gedaan, en kan alleen maar concluderen dat ik hier niet ben om vrienden te maken. Ik zal zonder hen kunnen doorleven, ik zal mijn ledematen aan laten groeien, ik zal ze nooit eindeloos liefhebben. Ik ben bang dat ik vluchtig van haar hield terwijl zij dieper van mij hield. Ik ben bang dat ik slechts verliefd was, als een wind die over het wateroppervlak strijkt, terwijl zij een vriend nodig had, wat een veel dapperder gevoel van mij vereiste, dat ik nooit kon geven. En ik ben bang voor de grenzen die ik ben overgegaan in de nachten die ik bij haar thuis doorbracht, als ik bij haar mocht liggen, de keren dat ik haar aanraakte en ze verstijfde en ik doorging, en ik ben bang voor mijn aandeel in alles wat volgde, want ik wil helemaal niet verantwoordelijk zijn en ik verlang nog steeds naar slachtofferschap. Het lukt me alleen niet meer om het uit de pijn van een ander te halen. 

Dat betekent dat ik ben aangewezen op mijn eigen schamele en vooral doodnormale leven. 

Schamel leven

'Wie zijn makkers in de steek laat, laat alleen zichzelf alleen', schreef George Groot in zijn bewerking van het Solidariteitslied van Bertolt Brecht. Daar moest ik aan denken bij het lezen van We zijn hier niet om vrienden te maken. Fees beziet haar 'eigen schamele leven', waarmee ze verder moet. Pas nadat ze de vriendschap heeft opgezegd en gedwongen is erop terug te kijken, ziet ze wat de som der delen van die vriendschap was, maar ook welke rol zij erin gespeeld heeft. 

Het laatste hoofdstuk in de roman is mij net te expliciet, geeft net te veel uitleg, alsof er toch een soort conclusie moet zijn. Dat vind ik een beetje jammer, want de kracht van het boek zit juist in het laten zien wat er gebeurt, in de aaneenrijging van de scènes, zonder nadere uitleg. En ook heel erg in de vertelstem: die heeft iets laconieks en de ironie die er vaak is, houdt de vertelster een beetje op afstand tot wat er gebeurt, misschien ook wel omdat dat voor haar de minst ongemakkelijke positie is. 

Het gevolg is dat de gebeurtenissen, ook als ze belangrijk zijn, zijdelings verteld lijken te worden. Ook omdat de vertelster misschien niet altijd in de gaten heeft wat er belangrijk is in haar leven. Pas nu ze terugblikt, kan ze het belang scherper zien. 

Ook door de opzet (korte hoofdstukjes), vlieg je bij het lezen door We zijn hier niet om vrienden te maken heen. Maar net als Fees, moet je je daarna afvragen wat je nu eigenlijk gelezen hebt, wat er nu gebeurd is, zoals er ook in je eigen leven soms dingen tussen jou en anderen gebeuren waarvan je maar moeilijk kunt inschatten wat die betekenen. Of misschien neem je niet de moeite om er bij stil te staan. 

Fees heeft bij veel dingen misschien te weinig stil gestaan. Maar de lezer kan er niet omheen. En als het boek uit is, gonst het nog een tijdje na in je hoofd. 

Emma van den Berg, We zijn hier niet om vrienden te maken. Roman. Uitg. Lebowski, 176 blz. € 22,99