woensdag 7 oktober 2026

Winarta (Basuki Gunawan)

Als ik er een seizoen examineren voor de Staatsexamens op heb zitten (vlak voor en in de zomervakantie), heb ik altijd een lijstje met boeken die op boekenlijsten voorkomen, maar die ik nog niet gelezen heb. Daarom heb ik onlangs Net echt van Saskia de Coster gelezen en Tussenjaren van Yannick Dangre. Nou ja, dat laatste boek was eigenlijk een tip van een collega. 

Op mijn lijstje staan nog een heel stel titels, waaronder Wat ons nog rest (Aline Sax), We moeten praten (Jan van Mersbergen), Trofee (Gaea Schoeters) en Jente Posthuma (Mensen zonder uitstraling). Winarta, van Basuki Gunawan, stond ook op die lijst, maar dat heb ik intussen gelezen. 

Basuki Gunawan (1929 - 2014) is een Indonesisch schrijver; hij werd geboren op Java, onder het koloniale bewind. Na de Japanse bezetting werd hij tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog lid van een guerilla-eenheid die opereerde tegen de Nederlandse bezetting. 

De nieuwe stem

Hij kon met een studiebeurs naar Nederland, waar hij promoveerde in de sociologie. Vroeg in de jaren vijftig werd hij met tuberculose opgenomen in het Studenten Sanatorium in Laren. Daar schreef hij Winarta, dat hij opdroeg 'Aan mijn vrienden in het Nederlands Studenten Sanatorium'. De novelle verscheen in vier afleveringen in jaargang 9 van het blad De nieuwe stem. De tekst is op DBNL niet in te zien ('op verzoek van de rechthebbende'). In de inhoudsopgave is te zien dat de schrijver vooraf een stukje van een bladzijde of vier geschreven heeft, met de titel 'Strijder'. Is dat een inleiding geweest? Stelt de auteur zichzelf voor? Vanachter mijn bureau is dat niet meer na te gaan. 

Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Winarta gehoord. Het verscheen in 2022 als boek, uitgegeven door Alfabet Uitgevers, met een voorwoord van Gustaaf Peek. In 2024 volgde een tweede druk. Het was niet de eerste keer dat de novelle in boekvorm verscheen, maar wel, voor zover ik kan nagaan, voor het eerst dat het als zelfstandige uitgave verscheen. Daarvoor werd het opgenomen in de bloemlezing Moderne Indonesische verhalen (1967), samengesteld door Beb Vuyk en A. Teeuw en in De keerzijde van de medaille, 1940 - 1950. Verhalen van Indonesische auteurs. (1982), samengesteld door Joop van den Berg. In de bespreking ervan in NRC Handelsblad van 28 januari 1983 noemt Gerard Termorshuizen ook de eerdere uitgave, waarnaar Van den Berg blijkbaar niet juist verwezen heeft. 

Op de Wikipediapagina die aan Basuki Gunawan gewijd is (waarvan ik ook enkele zaken die ik hierboven noem overgenomen heb), wordt gezegd dat in Winarta de Indonesische revolutie beschreven wordt vanuit het perspectief van een Indonesiër. Strikt genomen is niet na te gaan of dat zo is. Indonesië wordt namelijk niet genoemd, net zo min als Nederland. Er wordt wel gesproken over 'de vijand'. 

Gezien de achtergrond van Gunawan zal de onafhankelijkheidsoorlog wel de aanleiding zijn geweest, maar mogelijk heeft Winarta een bredere strekking. Ik moest daarbij denken aan het werk van Armando, bijvoorbeeld Aantekeningen over de vijand (1981), waarin met 'de vijand' zeker niet alleen 'de Duitser' wordt bedoeld.

De openingszin, die meteen de openingsalinea van Winarta is, luidt: 'De oude cipier is weggegaan'. Het deed me denken aan de eerste zin van Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans, maar dat verscheen pas veel later, in 1966. 

In de gevangenis

Winarta zit gevangen. De oude cipier komt soms met hem praten. Hij bewondert zijn gevangene, net zoals sommige andere gevangen dat doen. 

Het stoort me dat ze mij zo bewonderen. Maar het kan ook niet anders. Zelf heb ik geen zin om hun de ware toedracht te vertellen. Het zou niet goed voor hen zijn. Ik ben bereid mijn rust op te offeren voor hun illusie. Daarom vind ik het goed dat ze mij bewonderen, ook al stoort het me. Ik heb nooit vrienden onder mijn strijdmakkers gemaakt. Naast hun bewondering vrezen ze mij. Ik ben anders in hun ogen. Ik ben de Moedige. Ze begrijpen me niet omdat ik de Moedige ben. Misschien hebben slechts mijn laatste commandant en nog enkele anderen mij een beetje begrepen. 

Even verder neemt Winarta dat laatste terug:

Alles bij elkaar genomen heeft niemand mij werkelijk begrepen. Ook mijn commandant niet met al zijn menselijkheid. 

Daarna krijgen we te horen wat eraan vooraf is gegaan. Winarta volgt een medische studie, met de gedachte dat hij zijn medemensen zou kunnen helpen, maar in het derde jaar komt hij tot de conclusie dat de gezondheid van zijn medemensen hem eigenlijk weinig kan schelen. Hij houdt de studie vol, met de gedachte dat hij als arts rijk kan worden, maar ziet in dat er snellere manieren zijn om dat te bereiken. Zijn vader zou graag zien dat zijn zoon academicus was en hij wil zijn vader wel een plezier doen, maar bedenkt ook dat zijn vader vandaag of morgen dood zal gaan en dat zijn studie dan zinloos is geworden. 

Revolutie

Als hij de studie op wil geven en zich wil wijden aan de schilderkunst, breekt 'de revolutie' uit. 

Het verwonderde me niet dat het gebeurde. Hoewel ik met instemming het bericht vernam, kon het me toch weinig schelen. Ik wenste afzijdig te blijven van dingen die 'het volk' betroffen. Zulke dingen interesseerden me niet. Het volk was mij steeds vreemd, zoals ik voor het volk. Onze wegen konden nooit hetzelfde zijn. 

Zowel wat betreft zijn studie als de revolutie valt het volkomen gebrek aan idealisme of aan engagement op. De zinloosheid van alles, keert steeds terug. 

Een maand na het uitbreken van de revolutie krijgt Winarta het bericht dat zijn ouders door de vijand vermoord zijn. Later blijkt dat het gevolg van een misverstand: de vijand was op zoek naar iemand anders met dezelfde naam. 

Winarta, wiens naam dan trouwens nog niet in de tekst genoemd is, moet in zijn onderhoud voorzien en denkt dat hij dan wel ambtenaar moet worden. 

Wat min of meer vaststond ws dat ik door mijn zwakke positie na de brand en de dood van mijn ouders onvermijdelijk moest huichelen ten opzichte van mijn medemensen. Mijn huidige toestand was zo kwetsbaar dat ik niet mezelf kon bijven. Ik moest dus meer aandacht schenken aan de meningen van anderen. Voor mezelf vond ik die niet belangrijk. Meningmaal had ik dat ook laten blijken. Nu kon het niet meer. 

Winarta maakt kennis met Nuraina, wier naam 'licht van mijn ogen betekent'. Zij noemt hem Narta, de eerste keer dat de naam van de hoofdpersoon genoemd wordt. 

Hij is van haar gecharmeerd, wat weer onderkoeld geformuleerd wordt: 'Ik zag in ieder geen reden om niet van haar te houden.' 

Doch in deze omstandigheden zou men uiterst sentimenteel moeten zijn om zoiets toe te laten. Dit was zeker niet geschikte tijd om iemand lief te hebben. 

In de trein

In het tweede deel gaat Winarta met de trein op reis. Hij heeft een gesprek met een oude man in de coupé. Ze zien hoe een reiziger uit de trein gesleurd en mishandeld wordt. De oude man vertelt dat het een spion is. Als Winarta vraagt hoe ze weten dat het een spion is, zegt de man: 'Dat zien ze aan zijn gezicht.'

Hij heeft met de man een gesprek over rechtvaardigheid. De oude man: 

Voor mij is wat u willekeur noemt rechtvaardigheid en wat u rechtvaardig noemt kortzichtigheid. 

Winarta meldt zich aan bij Strijdgroep X. Op de vraag waarom hij zich bij de strijdgroep wil aansluiten, antwoordt hij dat hij tegen de vijand wil vechten. 

'Je wilt dus strijden voor land en volk, nietwaar?'
Ik begreep niet waarom hij 'dus' zei, want vanzelfsprekend leek me dat niet. Ik antwoordde: 'Het is moeilijk te zeggen. Ik weet het niet. 

Ook nu weer: geen idealisme, geen hoger doel. Maar ook geen huichelachtigheid. Winarta vertrekt twee weken later naar het front. 

Aan het front

Bij een van de acties wordt een jongen van veertien jaar gearresteerd. 

De spion was een jongen van ongeveer veertien jaar oud. Het verwonderde me dat de vijand niet schroomde kinderen te gebruiken, maar ik bedacht dat er oorlog was. 

Bij de ondervraging wordt Winarta kwaad.

Wat een brutale jongen, een brutale spion, flitste het door mijn hoofd. Later zou hij een gevaarlijke spion worden, die door een vergissing het geluk van onschuldige mensen zou vernietigen. Mijn hoofd begon te gloeien. Ik dacht aan mijn ouders. 

Hij doodt de jongen en daarvan slaapt hij een nacht lang slecht.

De jongen met de afgesneden hals kwam me nog enkele malen voor de geest. Hij was het slachtoffer van duistere machten geworden. Hij kon er niets aan doen, evenmin als ik. Ik kon toch geen uitzonderingen maken, wilde ik niet aan mezelf twijfelen? Het was me duidelijk dat mijn weg doordrenkt zou zijn met bloed. En ik aanvaardde dat. 

Hevige strijd

In het derde deel zal blijken dat die weg inderdaad doordrenkt is met bloed. Als de commandant van de eenheid voor een operatie naar het ziekenhuis moet, heeft Winarta het commando. Een bange jongen gooit zijn geweer weg en loopt weg. Winarta doodt hem.

Ik riep hem toe dat hij terug moest maar hij wilde niet meer luisteren. Ten einde raad joeg ik hem een kogel door het hoofd. Hij was op slag dood. De jongens zwegen en bespiedden de vijandelijke soldaten. 

De strijd die volgt is hevig. Na afloop kijkt de gewonde Winarta om zich heen. 

Ik bekeek mijn manschappen. Ik telde ze. Allen compleet. Geen enkele levende behalve ikzelf. 

Als hij terugkeert, spreken de anderen 'van een heldenstrijd en een heldendood van ons peloton', maar de commandant, Abubakar reageert anders:

'Ik ken je langer dan vandaag. Jij hebt de boel verpest. Jij bent verantwoordelijk voor hun dood.'

Winarta stijgt wel in de achting van zijn commandanten en zijn meerderen. Omdat hij bij volgende acties niet meer gewond wordt, schrijven de soldaten hem een zekere lichamelijke onkwetsbaarheid toe. 

Leegte

Op een gegeven moment wordt de wapenstilstand getekend. Dat zorgt voor een gevoel van leegte. Winarta is te zeer gehecht geraakt aan de spanning van de strijd. Hij zoekt vertier in de stad en bezoekt bordelen. Als de leegte hem bijna te gronde richt, breekt er weer een tijd van strijd aan: de communistenopstand. Afdelingen van het leger lopen over naar de opstandelingen. 

Door beide partijen werden heldendaden verricht en wreedheden begaan. Het werd een bloedige strijd als nooit tevoren. 

Winarta ziet de opstandelingen als een vijfde colonne, omdat ze met hun opstand de weerbaarheid tegenover de vijand aantasten. Hij neemt met zijn compagnie een groep gevangen, die hij verdeelt in meelopers en schuldigen. De meelopers moeten een maand lang dwangarbeid verrichten. 'Voor de schuldigen zag ik geen andere straf dan de dood.' 

Er worden tien jongens geëxecuteerd. 

Ik vond de jongens te jong om te sterven, maar ik kon er niets aan doen. Ze hadden het immers zelf gewild. 

Terug naar de maatschappij

Als Winarta getroffen wordt door een granaat, wordt hij opgenomen in een militair hospitaal. Daar komt hij tot de conclusie dat hij genoeg heeft van zijn daden. 

Het was een zinloze bezigheid geweest. Om een zinloosheid te wreken had ik zinloosheid bedreven! Ik zag in dat de strijd me niets meer kon bieden. Ik nam me voor het leger te verlaten en terug te keren in de maatschappij. 

Hij overweegt zelfmoord, maar vindt dat die dan wel zin moet hebben. 'Maar welke zin moest ik aan zelfmoord geven? Ik kwam er niet uit.'

Het gebrek aan idealisme, het ervaren van zinloosheid, je weg moeten kiezen, maar eigenlijk geen leidraad hebben. Voor mijn gevoel past dat bij het existentialisme, dat pas in de jaren zestig prominente aanhangers zou krijgen. Winarta lijkt me goed binnen deze  stroming te passen. 

Aan het begin van het vierde deel bevindt Winarta zich weer in de maatschappij. Hij is intussen getrouwd. Maar dan begint de tweede militaire actie. Hij bewerkstelligt een echtscheiding en neemt weer dienst in het leger. 

Met een klein groepje dringt hij een stad binnen, op weg naar een munitiedepot van de vijand, dat ze inderdaad in brand kunnen steken, waarna ontploffingen volgen. Winarta is de enige die het overleeft en op vrije voeten blijft, maar hij wordt gezocht. Winarta weet dat hij geen kans heeft om te ontsnappen. 

Ratna

Hij zoekt onderdak bij een prostituée, Ratna. Eigenlijk wil hij niet meer terug. Als Ratna vraagt of hij genoeg heeft van zijn vrienden, zegt hij dat hij genoeg heeft van de strijd. 

'Ben je teleurgesteld in je idealen?'
'Nou niet bepaald. Dat kan trouwens ook niet. Ik houd er geen idealen op na.'
'Waarom ga je dan strijden?'
'Ik strijd omdat ik daar zin in heb. Ik zou liever zeggen: moorden.'
Hij krijgt nog de kans om terug te keren naar zijn compagnie. 
Ik aarzelde. Naar mijn compagnie terug... en alleen en eenzaam zijn... een moordenaar tussen idealisten... een mens die de zin van zijn daden niet inzag en die niet kon verantwoorden. 

Winarta blijft bij Ratna en er lijkt toch iets van warmte tussen die twee. Maar Ratna kan niet voorkomen dat Winarta gearresteerd wordt. Uit het begin van het boek weten we dat hij in de gevangenis terechtkomt. 

Kale stijl

Winarta is een sterke novelle, geschreven in een vrij kale, maar krachtige stijl. In de inleiding vergelijkt Gustaaf Peek het boek met Het bittere kruid van Marga Minco en De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve. Of dat terecht is, kan ik niet goed beoordelen. Daar zou ik de andere twee voor moeten herlezen. 

Voor mijn gevoel is Winarta meer ontluisterend, meer gespeend van elke menselijkheid. Winarta ontwaart de zinloosheid van alles wat hij doet. Hij leeft voor de strijd, omdat die spanning geeft, maar ook daarvan ziet hij de zin niet meer in. Er lijkt iets van warmte te zijn tussen Ratna en hem, maar die houdt geen stand. 

Als je leest, kun je meeleven met de hoofdpersoon, maar je kunt eigenlijk niet met hem meevoelen, omdat elk gevoel lijkt te ontbreken. Dat maakt het lezen van Winarta tot een verbijsterende ervaring. 

Andere publicaties

De naam Basuki Gunawan was hiervoor niet tot mij doorgedrongen, al heeft hij meer geschreven dan alleen deze novelle. Tjalie Robinson meldt in een van zijn krantenstukjes dat er een tekst (een gedicht?) van Gunawan in het Fries is vertaald: De nieuwsgier, 12 oktober 1954. 

In het jaar dat Winarta in afleveringen gepubliceerd werd, schreef hij een ingezonden brief in De Gooi- en Eemlander (20 maart 1954)

In 1956 was werk van hem voor de radio te horen, zo lezen we in de Preangerbode van 12 april van dat jaar. Bij het herdenken van de jong gestorven Indonesische dichter Chairil Anwar werd er werk van tien jonge auteurs ten gehore gebracht en onder hen bevond zich Basuki Gunawan. 

Verder heeft Gunawan vooral non-fictie gepubliceerd. Als socioloog publiceerde hij Indonesische studenten in Nederland, wat besproken werd in De Tijd, dagblad voor Nederland van 30 augustus. In dezelfde krant werd op 28 januari 1969 Kudertá, Staatsgreep in Djakarta besproken. 

Andere auteurs

Het is goed dat Winarta opnieuw uitgegeven is. Er is niet zo veel Nederlandstalig werk van Indonesische schrijvers. Ik ken verder alleen Suwarsih Djojopuspito en Noto Soeroto. Deskundigen op dit gebied zullen meer auteurs kennen, maar ik heb de indruk dat het er in totaal weinig zijn. Van Noto Soeroto heb ik vijf bundels in mijn boekenkast staan. Als student aan de pedagogische academie plaatste ik een van zijn gedichten in de schoolkrant, waarvan ik redacteur was. Mijn lerares Nederlands deed daar wat lacherig over. Niet omdat ze het een slecht gedicht vond, maar omdat ze de auteur niet kende en hem daarom als obscuur beschouwde. 

Ik dank de examenkandidaat die Winarta op zijn of haar lijst heeft gezet en mogelijk ook de docent die hem of haar daarop gewezen heeft. Het boek is alweer vier jaar uit en het wordt onderhand wel tijd dat meer leerlingen het gaan lezen. Het is niet dik (zo'n 125 bladzijden) en dat helpt misschien ook. Vooruit, naar de bibliotheek!

dinsdag 6 oktober 2026

Storm integraal: De kronieken van Pandarve 5 (Martin Lodewijk / Don Lawrence)

Voor het gevoel van sommigen is Storm er altijd al geweest. Toen ik over een van de albums van de serie schreef, reageerde iemand op LinkedIn: bestaat die serie nog? Het was blijkbaar iets uit zijn jeugd, dat gewoon doorgegaan was, zonder dat hij het in de gaten had. 

Storm bestaat inderdaad al lang. Het eerste album verscheen in 1978. Later zijn de vroege albums ingedeeld in een reeks: De kronieken van de diepe wereld. Daarna verschenen er nog meer reeksen, die allemaal 'Kronieken' in de titel hadden: Het waren de Kronieken van: Pandarve, de Buitenring, de Tussentijd, Roodhaar. Eerlijk gezegd heb ik moeten spieken op Wikipedia, want ik had dat niet meer keurig geordend in mijn hoofd. In totaal verschenen zo'n vijftig albums in een kleine vijftig jaar. Dat is niet niks. 

In de loop der jaren hebben verschillende scenaristen en tekenaars de strip gemaakt, maar twee namen die je bij de serie al snel te binnen schieten zijn Don Lawrence en Martin Lodewijk. Zoals bij elke strip die wat voorstelt, worden de albums na verloop van tijd gebundeld in een integrale uitgave en het deel dat mij onlangs toegestuurd werd, bevat drie verhalen van uitgerekend dit tweetal. Heerlijk dus. Het betreft de bundeling van de verhalen De doder van Eriban (1985), De honden van Marduk (1985) en De levende planeet (1986). Het waren de albums 13 tot en met 15, behorend tot de Kronieken van Pandarve. 

Dossier

Bij zo'n integrale uitgave is het niet alleen fijn om drie albums achter elkaar te lezen, en dat ook nog in een stevige hardcover, maar er is ook een dossier met achtergrondinformatie bij. Meestal, tenminste. Dat dossier is deze keer uitstekend verzorgd. De heldere tekst is van Rob van Bavel en die wijst op veel dingen die mij onbekend waren. Bijvoorbeeld op de cameo's die in de strip verwerkt zijn. Voor de scherpe kijker is bijvoorbeeld Meerten Welleman (tegenwoordig vooral bekend van Het Stripschap) te zien, maar ook Roffa, een personage uit Trigië. Trigo zelf komt overigens ook nog voor, duellerend met Marvelman. 

In De doder van Eriban loopt Storm ineens rond met een hoofdband. Die heeft hij altijd gehouden. In een ander deel draagt Storm een geel shirt met een gekleurde streep over de mouw en daaroverheen een leren bodywarmer. Dat is hetzelfde als wat de acteur Peter Strauss droeg in de film Spacehunter. 

In het dossier staat nog meer interessante informatie. Bijvoorbeeld dat Martin Lodewijk tijdens de publicatie van De doder van Eriban in het blad Eppo vastliep, wat natuurlijk problemen geeft: bij elk nummer van het blad moet het verhaal erin staan. Don Lawrence tekende daarom twee tussenpagina's, die later niet in het album werden opgenomen, maar die je dus nu wel kunt zien. 

Verder vooral veel geweldig materiaal van Don Lawrence: schetsen, posters, covertekeningen - ik vind het allemaal prachtig. Ook nooit gezien: een strip van twee pagina's, op scenario van Peter de Smet (van De Generaal) die gepubliceerd is in de Rijam Strip/Cartoon Agenda '84/'85. 

In het dossier staat nog het een en ander over de Don Lawrence Fanclub en over het atelier van Don, boven zijn garage. Met foto's die daar een goede indruk van geven. 

Veel verhalen van Storm heb ik in afleveringen gelezen in Eppo en dat doe ik nog steeds. Daardoor krijg je minder zicht op het gehele verhaal en een oordeel over hoe sterk dat verhaal is, laat staan hoe het album in de reeks past, krijg je dan al helemaal niet. Je dompelt je gewoon steeds een paar bladzijden lang in de wereld van Storm en dat is al genoeg. In het dossier wordt er met meer afstand naar de reeks gekeken en wordt er scherper gesignaleerd wat in de loop van de albums de ontwikkelingen zijn. 

De kronieken van Pandarve

In De kronieken van Pandarve werd een nieuw personage opgevoerd: de schurk Marduk. Storm en Roodhaar krijgen een nieuwe metgezel, Nomad. In De levende planeet komt Alice (van Alice in Wonderland) voor het eerst voor. Ze blijkt een afspiegeling van de levende planeet. Haar zullen we later nog vaker tegenkomen, maar hier begint dat dus. In De levende planeet zien we trouwens ook nog de Cyperse kat en Marilyn Monroe. 

Voor het geval de inhoud van de verhalen je niet meer zo bijstaat, geef ik die kort weer. In De doder van Eriban treft ons drietal een verlaten schip aan, zwevend door de ruimte. In een sarcofaag blijkt Renter Ka Rauw zich te bevinden. Een jongen, maar ook een doder, die de opdracht heeft gekregen om de koning van Marrow te doden. Natuurlijk komen Storm, Roodhaar en Nomad in de problemen en ze raken verzeild in een bijzondere vorm van gladiatorengevechten, barsaman, waarbij de krijgers op zuilen staan. 

Een leuke nevenlijn is die van de verstekeling Tillo, een jongen die gefascineerd raakt door het schaakspel. Hij introduceert het spel op Marrow en het wordt daar al snel populair. 

In De honden van Marduk speurt Marduk, met zijn bijzondere honden naar Storm, Roodhaar en Nomad. Een van de honden verandert later in een mensachtig wezen. Die transformatie stelde Don Lawrence nog wel voor wat problemen, zoals te zien is aan de schetsen in het dossier. Het drietal komt nog terecht in het riool, dat een enorme aardworm blijkt te zijn. Verder bevinden ze zich op een gegeven moment in een kasteel, dat vol zit met allerlei vallen. Ze redden het wel, natuurlijk. 

Alice

De levende planeet  is een fantasierijk verhaal dat al begint met een aanval door minimensjes. Verder is er een stranding op een rots in een lavazee, een schip dat een complete stad is, de jacht op een enorm wormachtig dier en de poging om het ei van Pandarve te stelen uit het laboratorium van Marduk. Pandarve, in de vorm van Alice, vraagt aan Storm of hij de strijd wil aangaan met haar onderbewuste en daar blijken eieren van Pandarve te groeien. Met een ei keert Storm terug naar het minivolk, dat nog steeds Nomad in gijzeling heeft en zo is het verhaal weer rond. 

Op het laatste plaatje verschijn de Cyperse kat nog even die aan Storm zegt dat ze elkaar ooit weer zullen zien. 

Dit vijfde deel van de integrale uitgave van de albums van Storm laat goed zien wat de meerwaarde is van zo'n bundeling. Niet alleen heb je nu drie albums in een enkele band, maar je krijgt veel extra informatie en illustratiemateriaal in het dossier en krijgt zo een completer beeld van de ontstaansgeschiedenis van de albums en de context waarin ze verschenen. En als je het gelezen hebt, kun je het nog vaak doorbladeren, genietend van de schitterende tekeningen. 

Reeks: Storm integraal
Deel 5: De doder van Eriban, De honden van Marduk, De levende planeet
Scenario: Martin Lodewijk
Tekeningen: Don Lawrence
Tekst dossier: Rob van Bavel
Uitgeverij: Uitgeverij L
2026, 176 blz. € 39,95 (hardcover) € 89,95 (gelimiteerde luxe editie, in linnen gebonden, stofomslag, genummerde en gesigneerde ex libris)


Eerder schreef ik over:


maandag 5 oktober 2026

Aardige vrouwen (Megan van Kessel)

Twee vrouwen staan centraal in de roman Aardige vrouwen van Megan van Kessel: Cindy ten Blik en Dolores Lambrechts. Bij het begin van het boek zijn het middelbare-scholieren, maar ze blijven nog heel lang met elkaar verbonden. 

Cindy is een buitenstaander: een Nederlandse in een Belgisch dorp (Bombaye, in de provincie Luik), niet ver van Maastricht. Ook op school is ze een buitenstaander en als er een nieuwe leerling komt, trekken ze naar elkaar. Dolores heeft het verdriet al in haar naam, maar Cindy klampt zich aan haar vast. 

Mijn  moeder waarschuwde me voor vrouwenvertrouwerij, daar komt ellende van, maar zij had zich laten kwetsen en was gesloten. Ik stond nog open. 

Dolores woont op een landhuis en neemt daardoor al een aparte positie in. Zo wordt ze een keer met een koets van school opgehaald. Cindy en zij worden vriendinnen, al is Cindy meer van Dolores afhankelijk dan andersom. Cindy wil vooral een hartsvriendin en ze is bereid om daarvoor veel te slikken. Als Dolores haar laat zitten zal ze nooit 'sorry' tegen Cindy zeggen, maar Cindy kiest ervoor om haar daar niet echt mee te confronteren en in ieder geval de relatie in stand te houden. 

Dolores is haar eerste echte vriendin en Cindy weet ook niet precies hoe dat nu werkt met vriendinnen. 

Ik vroeg me af wat ik nu hoorde te doen. Wat een vriendin was. Of juist niet. 

Ruzie voorkomen

Cindy komt uit een gezin van drie kinderen, van wie zij het middelste is. Dolores is thuis het oudste. Cindy vergelijkt haar met Veronique, haar oudste zus. 

Zij leek op Veronique: verantwoordelijk en snel ontvlambaar. Ik leek op haar middelste zusje. Zij had ook de neiging om te doen alsof ze alles wel prima vond, om ruzie te voorkomen.

Later zal de moeder van Dolores, Cécile, zich vergelijken met Cindy:

'Zo'n vriendin als jij bent, zo ben ik ook.' Ze likte de pudding uit haar mondhoek. 'Een vastklamper. Er is één enkele vriendin met wie ik al mijn hele leven bevriend ben. We kunnen niet met en niet zonder elkaar. In die vriendschap ben ik jou, iemand die er nooit uit stapt. (...)

Na de middelbare school gaan Cindy en Dolores naar de Rietveld Academie. Ze blijven met elkaar verbonden, al is er wel wat meer afstand. Het blijven vriendinnen en van een afstandje zijn ze misschien ook wel aardige vrouwen, zoals ook de titel aangeeft. Het motto van de roman, ontleend aan Virginia Woolf luidt: 'Vrouwen vinden vrouwen niet aardig'. Zeker Dolores doet af en toe onaardig. 

Om maar iets te noemen: de manier waarop ze reageert op de haarkleur van Cindy. 

'Dit is alweer te geel. Je moet er een toner overheen doen, hoe vaak heb ik dat nou niet gezegd. Dit ziet er niet uit.' Ze keek me diep in de ogen. 

Dat had ook liefdevol kunnen zijn, behulpzaam haar vriendin ergens op wijzen. Maar zo komt het nooit over. Het lijkt erop dat Cindy altijd op haar plaats gezet wordt. 

Mensen in Cindy's omgeving laten weten hoe ze over de vriendschap denken. Een vriend zegt haar:

'Je doet het jezelf aan.' Hij stopte het broodje in één keer in zijn mond. 'Dit is geen vriendschap, dit is masochisme. Jullie sporen niet. Jeanne is een echte vriendin, die accepteert jou gewoon zoals je bent. Dolores zegt alleen wat je moet doen. Altijd kritiek. Dodelijk.' 

En een andere vriend vraagt haar waarom ze Dolores niet laat stikken. 'Ik heb altijd zo'n gevoel dat ik haar nodig ga hebben als er een keer echt iets aan de hand is,' antwoordt Cindy. 

Maar als er echt iets aan de hand is, kan ze niet op Dolores rekenen. Het schrijnendst komt dat tot uitdrukking als Cindy verkracht is. Dolores komt met adviezen achteraf, die je niet anders kunt zien dan de schuld bij het slachtoffer leggen:

'Je moet duidelijkers zijn, Cindy. Mannen,' ze keek even naar Maarten, 'mannen zitten heel anders in elkaar.'

Zeker wil Dolores er op dat moment zijn, maar ze wil vooral ook merken dat Cindy haar heel erg nodig heeft. Als Cindy anders reageert dan Dolores in haar hoofd had, gaat ze weer. 

Wraak

Op een gegeven moment neemt Cindy wraak door een film over Dolores te maken. Ik weet niet of wraak het goede woord is. Dat element zit er wellicht in, maar het is ook ene manier om de ware Dolores te leren kennen, Dolores zonder masker. Dat behoeft eigenlijk uitleg, maar ik heb het idee dat ik die maar niet moet geven, zodat de toekomstige lezer zelf kan ontdekken waarover het gaat. 

Cindy weet haar eigen plek in te nemen; ze werkt zich uit de afhankelijkheid. Wellicht had het allemaal ook anders kunnen lopen, maar dat is niet gebeurd. Zoals Van Kessel schrijft: 

In een ander verhaal was dit een moment van verzoening, dan zouden we inzien dat we elkaar nodig hadden. We zouden er proberen wat van te maken, omdat niemand zichzelf alleen kan worden. Maar het was geen ander verhaal. 

Het toeval is er al vrij aan het begin van een boek, als Cindy en Dolores hun tombolaloten ruilen met elkaar, waarna Cindy een snijmachine wint. Volgens het bijgeloof mag je vrienden geen mes cadeau geven, dat snijdt de vriendschap af. De snijmachine zal er later voor zorgen dat Dolores het topje van een vinger verliest. Mogelijk is dat een ongeluk, maar dat is niet helemaal duidelijk. 

Het eerste boek van Van Kessel, Uitzicht van dichtbij, was een interessant boek en ik schreef indertijd dat ik nieuwsgierig was naar hoe de schrijfster zich zou ontwikkelen. Als ik zeg dat ik Aardige vrouwen heel wat beter vind dat het debuut, wil ik daarmee niet dat eerste boek tekort doen, maar ik vind dit tweede steviger als geheel. 

Door het verhaal heen zijn er weetjes, of observaties, die als vanzelf een metafoor worden voor de relatie tussen Cindy en Dolores. Bijvoorbeeld dat van de woestijnsprinkhanen, die aardiger worden voor een soortgenoot als ze elkaar meer aanraken, maar die een andere karakterstand hebben als ze solitair zijn. Of dat van de lachuil, die uitgestorven is omdat zijn voedsel bestond uit een soort rat die de mens succesvol bestreden heeft. Als je te lang vasthoudt aan het verkeerde kan het je dood betekenen. 

Terloops

Het knappe van Onaardige vrouwen is dat het wel toont wat er allemaal gebeurt, maar dat je toch het idee hebt dat je het vanuit je ooghoeken ziet. Het heeft een zekere terloopsheid, een onnadrukkelijkheid, alsof het werkelijk belangrijke zich in tussenzinnetjes afspeelt. Bijvoorbeeld:

Ze bestelde een oolongthee met een heel grote koek. Ik wist dat ze de helft van die koek aan me zou opdringen en me dan een tikkie zou sturen.

Het zou schouderophalend gezegd kunnen zijn en het is tegelijkertijd treffend. 

Ook in dialogen (die vaak bijzonder goed zijn) staat er vaak een onbetekenend zinnetje tussendoor. In de citaten hierboven zijn dat zinnetjes als 'Ze likte de pudding uit haar mondhoek' en 'Hij stopte het broodje in één keer in zijn mond'. En daarna gaat het gesprek weer verder. Als je dat te vaak toepast, wordt het een maniertje, maar zoals Van Kessel het gebruikt, werkt het heel goed. 

Het aangrijpendst gebeurde dat bij de verkrachting, waarvan op het moment dat het gebeurt niet veel meer verteld wordt dan dat van de man de riem op de grond lag en dat zijn onderarmen zo harig en dik waren 'als van een gorilla'. Daarna gaat het verder als de man weer weg is:

Ik beet in mijn kussen, sloeg twee aspirines naar binnen en slikte ze zonder water door. Ik staarde naar mijn handen, niet in staat te bedenken dat dit mijn eigen handen waren. 

Juist de ingehouden manier van vertellen maakt het gruwelijk en hartverscheurend.

Blinde vlekken

Toen ik, enkele weken geleden, in een Instagramverhaal deelde dat ik het boek uit had, vroeg de schrijfster me: 'Kwam je er doorheen, als man zijnde?' Eigenlijk was ik me tijdens het lezen er niet van bewust dat ik een mannelijke lezer ben. Misschien had ik me daar wel van bewust moeten zijn. Ik voelde me de witte mens die zegt dat kleur voor hem er niet toe doet, daarmee toegevend hoe blind hij is voor wat er aan de hand is. 

Hoe het met mijn blinde vlekken zit, daarover moet ik maar eens flink gaan nadenken. In ieder geval heb ik wel gezien dat Aardige vrouwen een goed boek is: scherpe observaties, goed geschreven, stevig opgebouwd. Ik heb dit jaar al heel veel goede boeken gelezen, maar als ik aan het eind mijn lijstje met de beste boeken samenstel, staat dit in ieder geval op mijn longlist. 

Megan van Kessel, Aardige vrouwen. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 2026; 320 blz. € 21,99

woensdag 30 september 2026

De vallei der vergetenen (Henriet / Dubois / Usagi)

Dat je met een western te maken hebt, wordt meteen duidelijk als je de cover van De vallei der vergetenen ziet: een cowboy op een paard (revolver in de holster), sfeervol van onderen belicht. Op de achtergrond, in silhouet, vrouwen met een geweer en aan de andere kant twee lichamen, ondersteboven aan een tak opgehangen. 

Het scenario voor de strip is geschreven door Pierre Dubois en die neemt ons in het begin meteen mee naar het bijbehorende landschap waarin de hoofdpersoon op zijn paard rijdt, door de wijdte, langs een dorpje, naar een stadje, waar men hem blijkt te kennen. Zijn naam is Clark en iemand herinnert hem aan zijn verleden: 'Jij ging ervandoor en hij heeft 'n hekel aan verraders. Het maakt hem woest. Je weet wat dat opgeleverd heeft.' Die 'hij' is de baas, Winter, tot wiens bende Clark ooit behoord heeft. Clark heeft zich aan de bende onttrokken en dat is hem duur komen te staan. Sindsdien zint hij op wraak, maar het is lastig om het in je eentje tegen een hele groep op te nemen. 

Vrouwenfort

Clark lijkt het onderspit te delven. Hij wordt geraakt en wordt voor dood bij een rivier achtergelaten. Daar wordt hij gevonden door een meisje, Dorothy, die hem meeneemt naar huis. Ze blijkt te wonen in een fort waarin alleen vrouwen verblijven. Het is de bedoeling dat dat fort geheim blijft en dat Clark er nu is, is een moeilijkheid. Alleen de oude Scurly komt af en toe langs en hij neemt Clark op sleeptouw als die weer op krachten gekomen is. Samen zullen ze afrekenen met de bende, een bijna onmogelijke taak. 

Zoals zo vaak in westerns, gaat het verhaal in De vallei der vergetenen over goed en kwaad. Clark heeft ooit tot een bende behoord, maar uiteindelijk begon zijn geweten te spreken. Dat hij deugt, blijkt ook uit hoe hij een zwaargewonde indiaan (zo noem ik die toch maar even) verzorgt. Het bondgenootschap dat zij sluiten komt aan het eind van het verhaal nog terug. Het kwaad wordt bestraft in deze strip, maar het kost wel wat: er vallen heel wat doden. Dat is blijkbaar de prijs die betaald moet worden. 

Het verhaal van De vallei der vergetenen zit best goed in elkaar. Er zijn genoeg verwikkelingen, er is voldoende spanning, het tempo is goed. Clark heeft een verleden gekregen waardoor hij niet alleen maar goed is. Dat voorkomt een al te simpele zwart/wittekening, die je in dit soort strips toch wel hebt. Ook hier is duidelijk wie de goeden en de slechten zijn. De bijfiguren zijn interessant, zoals Ma Joe, de stevige leidster van het kamp en het eigenwijze meisje Dorothy. Figuren krijgen voldoende achtergrond, zodat duidelijk is wat hun drijfveren zijn. 

Toch heb je het idee dat veel van het verhaal doorsnee is, een variatie op dingen die al bekend zijn. Origineel is wel het vrouwenfort, een minimaatschappij die alleen uit vrouwen bestaat. 

Tekeningen

De tekeningen van Alain Henriet zijn helder, wat prettig is bij het lezen. De landschappen zijn sfeervol, ook dankzij de inkleuring door Usagi (Patricia Tilkin). Hoe fraai de tekeningen ook zijn, ze zijn ook statisch. Er wordt wel beweging gesuggereerd, maar het blijven stills: alsof de film even stilgezet is. Ook is het allemaal wel erg keurig en dat past niet zo bij de inhoud. Daaraan is ook de inkleuring debet. 

Aan de andere kant wordt het rood heel erg ruim gebruikt als iemand geraakt wordt door een schot: Clark verliest zoveel bloed, dat het niet aannemelijk is dat hij het overleefd heeft en bij andere schotwonden spat het bloed er wel erg uitbundig uit. In plaats van dat het de gruwelijkheid van de scène benadrukt, moet je daar eerder om glimlachen en dat kan de bedoeling niet zijn. 

De vallei der vergetenen is een lekkere strip om te lezen. Er is ruim de tijd genomen (bijna 150 bladzijden), het verteltempo is rustig, maar er blijft genoeg vaart in het verhaal. Een toegankelijke strip, die niet al te moeilijk doet. Dat is ook wel eens aangenaam. 

Titel: De vallei der vergetenen
Scenario: Pierre Dubois
Tekeningen: Alain Henriet
Inkleuring: Usagi
Uitgever: Le Lombard
2026, 148 blz. € 29,99 (hardcover)





dinsdag 29 september 2026

Mouth & MacNeal, Duo tegen wil en dank (Roel Smit)

In mijn jeugd was Mouth & MacNeal een bekend duo en mensen van mijn generatie weten dan ook meteen wie ik bedoel. Intussen is hun roem weggewaaid met de wind. Bij mijn kinderen (die zelf ook weer kinderen hebben) zal er geen enkel belletje gaan rinkelen, noch bij de horen van de naam van het duo, noch bij het horen van de nummers waarmee de twee in de toplijsten stonden. Daarom stel ik ze toch maar even voor. 

Limburgsch Dagblad, 18 maart 1972
Mouth verwijst naar Willem Duijn (wiens naam ook wel als Willem Duyn werd geschreven), die optrad onder de naam Big Mouth. MacNeal is Maggie MacNeal, de artiestennaam van Sjoukje van 't Spijker (later Sjoukje Smit), die eerder ook een plaatje opnam als Maggie Macneil. Het duo vierde triomfen van 1971 tot en met 1974, stond met het nummer 'How do you do' vier weken in Amerika in de top tien van de Billboard Top 100 en werd derde op het Eurovisiesongfestival met 'I see a star'/'Ik zie een ster'.

Motto's

Over dit duo bracht Roel Smit in 2012 een boek uit: Mouth & MacNeal, Duo tegen wil en dank. Dat is al een tijdje terug, maar ik las het boek nu pas. Uit de ondertitel blijkt dat de samenwerking niet altijd even hartelijk was en daarnaar verwijzen ook de drie motto's, die ontleend zijn aan nummers die Willem en Sjoukje samen zongen:

Once I said I wanted you
I don't remember why
(How do you do)

I understand that all men can't be the same
but the way you treated me when we met was hard and strange
(Hello-A)

I think I have to excuse myself
cause I behaved kinda rude
(Batteringram)
Deze citaten verwijzen naar de samenwerking en dan vooral naar het gedrag van Willem. Maar het zou jammer zijn om de geschiedenis van het duo daartoe te beperken. 

Het duo werd bij elkaar gebracht omdat anderen daar wel iets in zagen. Hun eerste nummer zongen ze apart van elkaar in. Ze zagen elkaar toen zelfs niet in de studio. Zo zou het later nog wel eens gaan. Maar al vrij snel kwam het succes, waardoor het voor veel partijen beter was als het duo het een tijdje vol zou houden. 

Een groot succes was het Eurovisiesongfestival 1974, gewonnen door ABBA, waar Mouth & MacNeal derde werden. Maar aan het eind van het jaar viel het duo uit elkaar. 

Hoe dat allemaal zo gegaan is, beschrijft Roel Smit tot in detail. Als zestienjarige ziet hij het duo voor het eerst (in november 1971). Dat beschrijft hij in het voorwoord. '(...) en mijn besluit staat vast, ik ga een fanclub oprichten voor Mouth & MacNeal!' Pas bijna aan het eind van het boek wordt duidelijk dat hij dat ook inderdaad gedaan heeft. In die jaren heeft hij een schat aan informatie verzameld en die deelt hij in dit boek. 

Citaten

Dat doet hij met veel (te veel) uitroeptekens en met veel citaten uit interviews. De bronvermelding is meestal summier, maar Smit maakt wel steeds duidelijk wat de citaten zijn; die zijn cursief gedrukt. Dat maakt het lezen overigens niet altijd even makkelijk. Een paragraaf uit het eerste hoofdstuk ('Holland Kwartet (1958-1967)') bestaat voor ongeveer de helft uit cursieve tekst en dat ook nog gepresenteerd als een enkele alinea van meer dan een pagina lang. 

Bedenkelijker is dat Smit wel citeert, maar dat hij het daarbij laat, waardoor een stuk uit een interview al gauw als de waarheid wordt gepresenteerd. De bladzijde over de jeugd van Willem is bijna in zijn geheel opgetekend uit de mond van de zanger. Of de informatie klopt, wordt niet duidelijk. 

Heel vaak staat onder aan een hoofdstuk of paragraaf, vetgedrukt: 'N.B. Zie bijlage voor discografie en hitstanden' of 'N.B. Zie bijlage voor discografie, hitstanden, covers en tv-optredens.' Het zijn overbodige verwijzingen, want uit de inhoudsopgave wordt ook wel duidelijk waar de lezer de informatie kan vinden en deze aanwijzingen staan misschien wel in de helft van alle hoofdstukken. 

Feitelijke informatie

Dat gedeelte van het boek is trouwens indrukwekkend. Blijkbaar heeft Smit zijn werk als voorzitter van de fanclub goed gedaan: hij heeft zo'n beetje alles bijgehouden. De agenda van het  duo, hun tv-optredens in binnen- en buitenland, de discografie natuurlijk, maar ook de hitnoteringen, de tracks op LP's, CD's en DVD, de covers die van de nummers gemaakt zijn en hoe Mouth & MacNeal (gezamenlijk en afzonderlijk) scoorden in de populariteitspolls. 

Bij de 'Geraadpleegde boeken, kranten en tijdschriften' staat dan weer bijna niks. Titels van kranten en tijdschriften worden genoemd, maar niet welke artikelen gebruikt zijn. Van boeken wordt alleen de titel en de auteur genoemd. Eigenlijk heb je aan deze lijst niets. 

Wie oude tv-optredens van Mouth & MacNeal bekijkt, zal de lol zien die daaruit spreekt: een vrolijk duo dat het goed met elkaar kan vinden. Zo professioneel waren ze wel. Ook de muziek, die vrij commercieel is, heeft iets vrolijks, iets luchtigs. Maar er waren perioden dat het tussen hen niet goed liep. 
Tubantia, 9 mei 1973. Een miljoen exemplaren
van 'How do you do' verkocht in Amerika

Verschillen

Het is goed om te bedenken dat er grote verschillen tussen de twee zijn. Willem Duijn werd geboren in 1937, Sjoukje van 't Spijker in 1950; Duijn had al verschillende bands achter de rug toen hij toetrad tot het duo, Van 't Spijker had een enkel plaatje uitgebracht, dat geen succes had. Verder waren er grote verschillen in karakter. 

Willem was altijd zeer aanwezig, wilde de boel opschudden, hield van de show. Daarbij ging hij zich te buiten aan de drank. Smit vertelt van een bedreigende situatie waarin Van 't Spijker hem nauwelijks haar hotelkamer uit gewerkt krijgt. Van 't Spijker viel wat buiten de groep, (Willem en de band) en kwam veelvuldig te laat of meldde zich af voor optredens, wat Willem weer niet professioneel vond. Smit vertelt wel dat de zangeres het soms 'niet meer trekt', maar omdat hij vaak anderen citeert in plaats van zelf te duiden, blijft 'plichtsverzuim' doorschemeren, terwijl er wellicht ook plausibele redenen waren om het niet langer op kunnen brengen. 

Bekend werd hoe Willem zijn zangpartner verschillende keren aangekondigd heeft: als 'de zangeres zonder borsten', wat door haar als een grove belediging werd opgevat. Dat zal het ook geweest zijn. Aan de andere kant vertellen anderen dat hij zo'n aankondiging daarvoor ook al deed bij bijvoorbeeld Ronnie Tober. 

Sjoukje moet zich vaak eenzaam gevoeld hebben in de groep mensen, wat mogelijk pas wat beter werd toen Frans Smit (die later haar man zou worden) haar ging vergezellen. 

In de paar jaren dat het duo bestaan heeft, heeft Sjoukje zich snel ontwikkeld, van een beginnend zangeresje voor wie alles nieuw was tot een vrouw die duidelijker zag wat ze wel en niet wilde. Het duo heeft kansen gehad om de populariteit in het buitenland (Verenigde Staten, Japan) verder uit te bouwen, maar Willem weigerde te vliegen. Vliegschaamte bestond toen nog niet, vliegangst wel, maar er wordt door Roel Smit gesuggereerd dat Willem Duijn die beslissing nu eenmaal genomen had en uit een soort koppigheid er niet op wilde terugkomen. 

Dicht bij de hoofdpersonen

Mouth & MacNeal, Duo tegen wil en dank is een interessant boek. Je hebt het idee dat je dicht bij de twee hoofdpersonen komt, doordat mensen uit de directe omgeving over hen vertellen en doordat er ook weergegeven wordt wat zij zelf verteld hebben. Niet alleen achteraf, maar ook op het moment dat het allemaal speelde. Aan de andere kant had ik soms wat meer afstand gewild, meer duiding, meer objectiviteit. Niet dat Smit subjectief is, maar de mensen die hij aan het woord laat, zijn dat onvermijdelijk wel. Misschien ontstaat er door al die persoonlijke indrukken wel een soort intersubjectiviteit, maar Smit is me net te veel degene die het ook maar optekent, in plaats van iemand die er zijn biografie van maakt. 

In veel biografieën komt er een fotokatern voor. Die foto's staan in dit boek tussen de tekst door en het zijn er behoorlijk wat, maar ze zijn meestal vrij klein en ze zijn niet van topkwaliteit. Bij de afzonderlijke foto's staat vaak geen bronvermelding. Hier zal ook meegespeeld hebben dat Smit voor zijn boek niet een degelijke uitgeverij heeft gevonden. Bij Gigaboek kan iedereen zijn eigen boek laten drukken, maar het is niet een uitgeverij met een eigen fonds en eigen promotiemogelijkheden. Waarschijnlijk heeft Roel Smit zelf zijn boek onder de aandacht van de pers moeten brengen. 

In hoeverre dat gelukt is, kan ik niet nagaan, maar als er over Mouth & MacNeal wordt gesproken, wordt zijn boek vaak genoemd en dat lijkt me terecht. Er is best het een en ander op aan te merken, maar je merkt dat het geschreven is door iemand die hield van het duo en hun muziek. Smit heeft veel materiaal verzameld. Dat is niet compleet, maar het is wel veel. 

Naleven

Over het naleven van de twee artiesten, na de breuk, besteedt Smit eigenlijk geen aandacht; dat viel buiten het bestek van zijn boek. Willem Duijn heeft nog als Big Mouth een duo gevormd met Little Eve en hij heeft ook solo nog plaatjes gemaakt, zowel als Big Mouth als als Willem Duyn. Over het nummer 'Willem' schreven John Schoorl en Paul Onckenhout in de Volkskrant (20 februari 2024) dat het een soort boetedoening was. Willem Duijn overleed in 2004. 

Sjoukje van 't Spijker had na Mouth & MacNeal nog een hele carrière als Maggie MacNeal. Ze scoorde hits in het Nederlands en het Engels (bijvoorbeeld 'Terug naar de kust' en 'When you're gone'), vertegenwoordigde Nederland succesvol (vijfde plaats) op het Eurovisiesongfestival (met 'Amsterdam') en trad op als een van de drie Dutch Divas (met Sandra Reemer en Marga Bult). In haar leven zit zeker nog een boek. Dat zou ik wel willen lezen. 

Het Parool, 1 september 1972

maandag 28 september 2026

Aangaande Anna (Ben Prieur / Cosimo Ferri)

Anna is succesvol in het zakenleven. Ze is 32 jaar oud en heeft nog een hele carrière voor de boeg, maar ze zegt haar baan zomaar op. Ze wil blijkbaar een ander leven leiden. Naar deze Anna verwijst de titel van de strip Aangaande Anna, uitgekomen in de reeks Arboris XL, wat dikkere albums met meestal op zichzelf staande verhalen. 

Het scenario van de strip is geschreven door Ben Prieur, van wie ik het eerste deel van Louise Pembleton (link onderaan) besprak. Deel twee lees ik binnenkort. 

Drie vrouwen

Hij begint het verhaal met een korte proloog: een berglandschap, met daarin een alleen de tekst van een gesprek tussen Anna en Benjamin, dat je nog niet veel wijzer maakt. Daarna krijg je drie verhalen van drie vrouwen, Anna, Karine en Clara. Steeds is duidelijk over wie het gaat, doordat er bij elk verhaal een andere steunkleur is gebruikt: Voor Anna een donkere groen, voor Karina bruin, soms neigend naar een rood, voor Clara blauw. Het zijn gedempte kleuren en er worden aardig wat grijzen in gebruikt, zodat de verhalen slechts subtiel van elkaar in kleur verschillen. 

Het verhaal begint in de zomer van 2016. Aan het begin is nog niet duidelijk waarom die tijdsaanduiding van belang is. Later blijkt dat het hele verhaal maar twee jaar beslaat. 

Karine leeft intens en probeert uit het leven te halen wat erin zit. Het lijkt erop of ze vooral het genot zoekt, maar ze wordt ermee geconfronteerd dat ook een ander op eigen genot uit kan zijn en daarbij over grenzen gaat. Clara rijdt op een motor probeert veel uit, zoals bungeejumpen en parachutespringen. Ze gaat yogalessen volgen en zij en haar yogalerares raken gecharmeerd van elkaar. 

De verhalen van de drie vrouwen wisselen elkaar af en aanvankelijk is nog niet duidelijk wat de drie vrouwenlevens met elkaar te maken hebben. De vrouwen lijken uiterlijk op elkaar en op een gegeven moment zegt Anna tegen een man (Benjamin) die haar meent te herkennen, dat hij haar waarschijnlijk verwart met haar zus en wat lijkt te suggereren dat de vrouwen drie zussen zouden zijn. Het verhaal blijkt wat ingewikkelder in elkaar te zitten, maar hoe het zit, onthul ik hier niet, omdat de plot belangrijk is voor het leesplezier. 

Tegen het einde wordt duidelijk, in een flashback, wat er precies aan de hand is. Tussendoor heb je al wel aanwijzingen gekregen dat gezondheidsproblemen een rol spelen. Bij de uitleg van de situatie ligt het perspectief bij Benjamin, die uiteindelijk een relatie met Anna heeft gekregen. 

Afstand

Het verhaal is intrigerend. Je hebt het gevoel dat je als lezer op afstand gehouden wordt, maar dat komt ook doordat de vrouwen de mensen in hun omgeving op een afstand houden. Zelfs als ze intiemer met iemand zijn, verzwijgen ze wat en blijven ze iets raadselachtigs houden. In de strip is relatief weinig tekst gebruikt en de vrouwen worden ook getekend op momenten dat er weinig gebeurt. Anna bijvoorbeeld, zit op de bank, aait de poes, kijkt uit het raam. Er kan van alles in haar omgaan, maar je moet ernaar raden wat dat is. Dat werkt overigens wel, omdat het je nieuwsgierigheid voedt. 

Ook de tekeningen, van Cosimo Ferri, dragen bij aan de afstandelijkheid. Ze zijn vrij statisch, zelfs op momenten dat er beweging getekend wordt. Emoties worden benoemd of zichtbaar gemaakt in gezichtsuitdrukkingen of handelingen, maar je voelt ze eigenlijk niet. Je kunt dat zien als een gebrek, en misschien is dat het wel, maar het past ook bij het verhaal, waarin de vrouwen de ander nooit echt toelaten tot hun diepste geheim. 

Ferri tekent graag naakte vrouwen. Soms is dat functioneel, maar niet altijd. Dan krijgt het iets objectiverends, dat bijdraagt aan de afstandelijkheid. Bij sommige vrouwen lijkt hun manier van leven oppervlakkig, maar wel wordt duidelijk dat daaronder een zekere tragiek zit. Het lukt ze maar niet om echt te zijn, om echt verbinding met anderen aan te gaan, om eerlijk te zijn over wat er aan de hand is. 

Als je de strip gelezen hebt, weet je dat het eigenlijk een tragisch verhaal is, maar doordat je steeds op afstand gebleven bent (door het verhaal en de tekeningen) is het eerder een tragiek die je kunt beredeneren dan dat je die voelt. Ook na afloop blijf je op afstand, zelfs als je weet wat er precies aan de hand is, hoe de vrouwen zich tot elkaar verhouden en wat hun drijfveren zijn. Het zal natuurlijk ook aan mij liggen dat ik niet werkelijk door het verhaal geraakt werd, maar ik vermoed dat het zeker ook aan de strip ligt. 

Voor mijn gevoel deugt Aangaande Anna in opzet wel, maar bereikt het verhaal toch niet helemaal het beoogde effect. Dat maakt de strip nog steeds wel boeiend om te lezen, maar uiteindelijk doet die me toch te weinig, waardoor van het verhaal meer de plot blijft hangen dan de diepte van de tragiek. 

Titel: Aangaande Anna
Scenario: Ben Prieur
Tekeningen: Cosimo Ferri
Vertaling: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2026, 112 blz. € 12,95 (softcover)

Eerder schreef ik over ander werk van Ben Prieur:



vrijdag 25 september 2026

Fietsenmakers, opiniemakers en andere makers

De fietsenmaker waar ik vroeger graag kwam

Op de middelbare school kwam ik van tijd tot tijd bij de fietsenmaker. Bij Bart Gerritsen, zeiden mijn ouders en af en toe zag ik de oude baas daar nog wel rondscharrelen, maar meestal was Piet er, Piet Latta. Blauwe overall met zwarte vegen, alpinopetje op, ogen een beetje samengeknepen achter zijn bril, haar dat uit zijn neus groeide. 

Bij Piet in de werkplaats was het altijd gezellig. In de winter brandde het vuur in de kachel en de radio was altijd aan. Vaak was er ook wel een jongen aan zijn eigen bromfiets of zijn eigen fiets aan het sleutelen. Piet vond het allemaal best. Hoe hij zijn prijzen berekende, was nooit zo duidelijk, maar je had altijd het idee dat het een koopje was. 

Vaak moest ik een kleinigheid hebben: een tubetje solutie, voor tien cent ventielslang, en soms moest ik mijn fiets ophalen omdat Piet die gerepareerd had. Gemaakt had. Hij was immers fietsenmaker, fietsenreparateur. 

'Maken' kan 'repareren' betekenen. Zoals Jean Pierre Rawie in een gedicht zou schrijven: 'Wij zijn kapot en kunnen niet gemaakt.' Maar 'maken' kon ook 'produceren' betekenen: een mandenmaker bijvoorbeeld, een kaartenmaker of een klompenmaker . Die laatste repareert geen klompen, maar produceert ze, uit een blok hout. 

Je hebt ook nog een ander maken: Hoe maak je het? Mijn tante Gijb zei dan wel eens: Dat zeg ik niet, want dan ga jij het ook maken. Dat vond ik heel grappig. En je kunt ook zeggen: Wat maak je me nou! Maar op die vormen van maken ga ik verder niet in. 

De laatste tijd lees ik geregeld over 'makers' of ik hoor erover in podcasts. Dat iemand filmmaker of stripmaker is, kan ik nog wel volgen. Zo iemand maakt een film of een strip, zoals een ander vroeger klompen of manden maakte. 

Maar wat is bijvoorbeeld een opiniemaker? Een opinie is een mening en je kunt over verschillende zaken meningen hebben. Zo'n mening vorm je op basis van wat je weet, wat je gelezen, gehoord en gezien hebt. Volgens mij gaat het bij de opiniemakers er niet alleen om dat ze zelf een opinie vormen, maar dat ze die opinie overbrengen, dat ze anderen zover krijgen dat ze na gaan denken over die opinie en die misschien wel overnemen. 

Opiniemaker is blijkbaar een beroep. Het lukt me maar niet om me daar echt iets bij voor te stellen. Hoe verloopt een gesprek als iemand op een feestje vraagt: Wat doe jij voor de kost? (Dat zal wel een ouderwets geformuleerde vraag zijn, maar dat hoort bij mijn leeftijd). Geef je dan als antwoord: ik ben opiniemaker? En moet je daarna iets uitleggen?

Programmamaker vind ik een duidelijke benaming, net als podcastmaker. Maar ik luister ook een podcast waarin iemand zich in het begin voorstelt als mediamaker. Vroeger hadden we het over een massamedium, een manier om een groot publiek te bereiken: de krant, de radio, de tv. Maar tegenwoordig zijn er veel meer media, bijvoorbeeld de sociale media. Maar wat bedoelt iemand als hij of zij zegt: Ik maak media? Als iemand voor een krant werkt, is hij dan een mediamaker? Geen idee. Wat voor media maakt een mediamaker? Of draagt hij of zij alleen maar bij aan een medium?

Ook zijn er mensen die zich 'content creator' noemen. Mijn Engels is niet zo best, maar volgens mij is 'content' hetzelfde als 'inhoud'. Dus een content creator is iemand die inhoud maakt. Meestal gaat het niet om tastbare zaken, vermoed ik. Het is niet iemand die de vulling voor loempia's maakt, maar het gaat om tekst, filmpjes, audio. Wellicht ben ik zelf een content creator als ik voor mijn weblog schrijf, maar ik wil niet zo genoemd worden. 

Toch is 'inhoudmaker' wel een heel vage term en het zit me ook niet helemaal lekker dat de term gereserveerd is voor een bepaald soort inhoud. Er zijn veel mensen bezig met inhoudelijk belangrijke zaken, maar die mogen zich niet een 'content creator' noemen. Denk ik. 

Verder hoor ik de laatste tijd ook wel zeggen dat iemand een 'maker' is. Of dat hij met 'andere makers' samenwerkt. Het gaat dan niet om reparateurs (klokkenmakers, glazenmakers, schoenmakers) en het gaat ook niet om mensen die concrete voorwerpen voortbrengen (klompenmakers, tassenmakers, hoedenmakers, pruikenmakers, kaarsenmakers) maar het zit voor mijn gevoel altijd in de creatieve hoek. 

Willen deze makers zich niet vastleggen op de dingen die ze voortbrengen? Zijn het mensen die niet alleen films maken maar ook schilderijen of hoorspelen? Of hebben ze een andere reden om niet helder te zeggen wat ze maken? Waarom houden ze het zo vaag, zo algemeen? En waarom komt het woord maker vooral voor in die creatieve hoek? Ik hoor een metselaar, een stratenmaker of een banketbakker nooit zichzelf een maker noemen. 

Misschien ben ik gewoon oud en is het de weemoed die me bevangt als ik terugdenk aan de makers uit mijn jeugd, zoals aan Piet Latta. Je fiets kon er nog zo beroerd aan toe zijn, Piet maakte er een goed lopend karretje van. Of aan Van Schaik, de klompenmaker. En natuurlijk aan de stratenmaker op zee!