dinsdag 3 februari 2026

Afgestoft: Komrij's canon in 100 gedichten

We hebben veel te danken aan Gerrit Komrij. Natuurlijk vanwege zijn gedichten, zijn kritieken, zijn essays, maar zeker ook vanwege zijn bloemlezingen. Over een van de bloemlezingen schreef ik in nummer 54 van Liter, jrg. 12 (2009). Komrij stelde een canon samen van honderd gedichten en bij elk gedicht schreef hij een stukje. 

Dat heb ik met veel enthousiasme gelezen. In mijn recensie ga ik, zoals bij elke bloemlezing, op de keuze van de gedichten. Ik noem veel titels en beginregels, maar er wordt geen gedicht geciteerd. Dat is toch wel zonde, vind ik nu. 

Verder hou ik deze inleiding kort. Het is druk en ik moeite doen om de tijd te vinden om geregeld bijdragen te leveren. Ik doe mijn best, maar het kost me ook energie om de zaken een beetje op een rijtje te houden. Mocht ik de komende tijd wat minder plaatsen (wat ik zal proberen te voorkomen), dan ligt het daaraan. 


Komrij's canon


Er is geen officiële canon van de Nederlandse poëzie en dat is maar goed ook. Maar er zijn wel gedichten die veel mensen kennen, die blijkbaar de jaren, de decennia of zelfs de eeuwen overleefd hebben en die daarom wellicht tot een soort canon behoren. Je hoeft van deze gedichten de eerste regel maar te declameren of de ogen van de luisteraars lichten op: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’, ‘Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd / in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven’, ‘Mijn moeder is mijn naam vergeten’, ‘Egidius waer bestu bleven’, ‘De moerbeitoppen ruisten’, ‘O krinklende winklende waterding’, ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen’, ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, ‘Hij sprak en zeide / In't zaêl zich wendend’, ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’, ‘Denkend aan Holland’, ‘Ambrosia, wat vloeit mij aan’ en er komen nu waarschijnlijk nog veel meer onsterfelijk lijkende regels in u op.

Komrij stelde zijn eigen canon samen in Komrij's canon in 100 gedichten en, inderdaad, al de hierboven genoemde regels komen erin voor. Natuurlijk kent Komrij zijn klassiekers. In het ‘Vooraf’ is hij bescheiden wat betreft de geldigheid van zijn canon. Weliswaar zijn het ‘gedichten die ertoe doen’, maar het is ook ‘de canon van één lezer, gedurende een bepaalde periode en verkerend in een bepaalde gemoedstoestand. Met een andere muts op of in een ander seizoen was er zelfs bij die ene lezer een andere canon uit gerold.’

Als je de Nederlandse poëzie moet indikken tot honderd gedichten, moet er natuurlijk geschrapt worden. Van elke dichter nam Komrij maar één gedicht op en wat moet je dan met dichters die heel veel klassiekers geschreven hebben? Van Hooft kennen we de ‘Gezwinde grijsaard’, maar ook ‘Klaere, wat heeft er uw hartje verlept’, ‘Galathea, ziet den dag komt aan’, ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief, zo sprak mijn lief mij toe’, ‘Lieve lichte Leonoor’ en dan laat ik er nog heel wat ongenoemd. Dat geldt ook voor Vondel: ‘Constantijntje, 't zaligh kijntje’, ‘Waer werd oprechter trouw’, ‘De felle dood die nu geen wit mag zien’, ‘Mijn wens behoede u onverrot’, ‘Wat treurt gij hooggeleerde Vos’, ‘Wanneer dit tijdelijk leven endt’. Kies maar; altijd raak.

Komrij maakte een andere keuze. Van Hooft nam hij ‘Het liedt dat ick te claeghe laat gaen’ op en van Vondel ‘Op het verongelucken van Doctor Roscius’. Is dat erg? Ach, misschien juist wel niet. Toen ik las hoe dokter Roscius samen met zijn vrouw omkwam in het koude water, was Constantijntje ook aanwezig. Het Rosciusgedicht, dat ik daarvoor niet kende, was een extraatje.

Maar Komrij laat wel vaak gedichten ongenoemd die een gemiddelde lezer graag in een canon zou zien. Van Revius krijgen we niet te lezen ‘'t En zijn de joden niet. Heer Jesu die u kruisten’, van Huygens niet ‘Op de dood van Sterre’, van Dèr Mouw niet ‘'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid’, van Achterberg niet een van de bekendere, maar ‘Jachtopziener’, van Leo Vroman niet ‘Voor wie dit leest’ of ‘Vrede’, van Lucebert het sonnet ‘Ik / Mij / Ik / Mij’ in plaats van, nou ja, noem maar op, bij Herman de Coninck moeten we het doen met ‘De plek’.

Van Achterberg had de een misschien ‘Reiziger doet Golgotha’ willen lezen, een ander ‘Thebe’ en een derde ‘Werkster’ of ‘Deïsme’, maar ze zullen waarschijnlijk toegeeflijk opmerken: ‘Hij staat er tenminste in’.

Wie er ook in staan, zijn Adriaen Hoffer, Joh. Buma, O.C.F. Hoffham, H. Riemsnijder, J. Kerkert, Alex. Gutteling, Paul Verbruggen, Carel C. Scheefhals, om maar een paar minder bekende dichters te noemen. Maar waar zijn Anna Bijns, Jacob Cats, Hiëronymus van Alphen, Rhijnvis Feith, P.C. Boutens, Jacques Perk, Willem Kloos, Paul van Ostaijen, P.N. van Eijck, Frederik van Eeden, Adriaan Roland Holst, Hans Andreus, C. Buddingh', Rutger Kopland? Waar is het lied van heer Halewijn? Waar zijn de koningskinderen die niet bij elkaar konden komen omdat het water te diep was?

Hoffer wil ik graag ruilen voor ‘De bomen dorren in het laat seizoen’. Riemsnijder voor ‘De tuinman en de dood’, Kerbert voor ‘Ik heb de witte waterlelie lief’ en Scheefhals voor ‘Melopee’.

Voor je het weet, ben je je eigen canon aan het samenstellen, die natuurlijk niet beter is dan die van Komrij, maar anders en het zou me niet verbazen als Komrij er stiekem op hoopt dat veel lezers meteen hun boekenkast gaan nakijken en gedichten gaan opzoeken die hun lief zijn (en die ze misschien toch ook al heel lang niet meer gelezen hebben).

Komrij nam niet alleen de gedichten op, maar gaf er ook commentaar bij, zoals wij dat al kenden uit de bundels In Liefde Bloeyende, Trou Moet Blijcken en Kost en inwoning. Zijn canon is dan ook een bloemlezing uit deze bundels.

In christelijke kring is Komrij wel eens verweten dat hij zo weinig van godsdienst en geloof moet hebben. Uit zijn canon blijkt dat helemaal niet. Niet alleen nam hij als gelovig bekend staande dichters op als Jacobus Revius, Bernard ter Haar, J.J.L. ten Kate, Jacqueline van der Waals en Willem de Mérode, maar ook in de gedichten die hij kiest, gaat hij het geloof bepaald niet uit de weg. Van Cornelis Crul krijgen we een vers uit Den Geestelijcken abc te lezen, van Bredero ‘Wat dat de wereld is, / Dat weet ick al te wis’, van Revius ‘Scheppinge’, van Huygens ‘Paeschen’, van Bilderdijk het gebed ‘Genadig God, die in mijn boezem leest!’ van Beets ‘De moerbeitoppen ruisten’, ‘Het schrijverke’ van Gezelle. Weg met dat vooroordeel dus. Komrij neemt een gedicht op als hij het goed vindt, waarover het dan ook gaat. Of, zoals hij het zelf zegt: ‘Het is met Jezus in de poëzie als met hutspot in de poëzie of met boerenschoenen in de poëzie - als het gedicht goed is, accepteren we elk onderwerp.’

In zijn stukjes over de gedichten benadrukt hij ook verschillende keren dat betekenis niet de essentie van het gedicht is. Het gaat niet om het verhaal of om de emotie, een gedicht is gemaakt van woorden, die een sensatie oproepen, die muziek tot klinken brengen. Tijdens het lezen pakt een gedicht je en daarom is voor Komrij een gedicht ‘vooral een kunstwerk [...] dat zo-en-zoveel seconden duurt.’ En dat een gedicht ons bij de strot grijpt, komt volgens hem niet in de eerste plaats door wat er gezegd wordt (de psalmen zingende moeder in ‘De moeder de vrouw’), maar door de manier waarop dat gezegd wordt.

Hij heeft gelijk, natuurlijk. Er zijn immers genoeg gedichten over psalmen zingende moeders denkbaar die ons volstrekt onberoerd zouden laten. Uiteindelijk wint de vorm het altijd van de inhoud.

Komrij weet veel raaks te zeggen over de door hem gekozen gedichten. En soms (zoals bij ‘De idioot in het bad’) zegt hij nauwelijks iets over het gedicht zelf, maar dwaalt hij fluitend, met de handen in de zakken, over een zijpaadje. Dat moet dan maar.

Na het lezen van dit boek kun je Komrij nauwelijks nog iets kwalijk nemen. Een boek dat zo borrelt van enthousiasme over gedichten hoort bij iedereen prominent op de plank te staan of liever nog op het nachtkastje, op het toilet of in de voortent te liggen.

Eerder schreef ik over:


maandag 2 februari 2026

In besloten kring (Fleur Bourgonje)

Toen het mailtje van de uitgever binnenkwam, schrok ik even. Het onderwerp was: 'Fleur Bourgonje - In besloten kring'. Even schoot het door me heen dat de schrijfster overleden was en dat er in besloten kring afscheid van haar genomen was. Dat was gelukkig niet het geval: In besloten kring is de nieuwe roman van Fleur Bourgonje

De hoofdpersoon is een vrouw die een zaterdag doorbrengt aan het strand: wandelen, wat gebruiken in een strandpaviljoen, de krant lezen. Ze heeft een relatie met een man die gebonden is. De laatste keer dat ze samen waren, hebben ze onenigheid gehad en daarna hebben ze elkaar een tijdje niet gezien. Maar die avond zal hij weer komen. Tenminste - hij houdt nog een slagje om de arm. 

In liefde losgelaten

Dan leest ze in de krant dat hij overleden is. Onder zijn naam staat: 'In liefde losgelaten' en daaronder:

Geheel onverwacht gestorven onze dierbare, zorgzame echtgenoot, vader, schoonvader, grootvader, broer. 
Hij is thuis, alwaar geen bezoek. 
Wij nemen in besloten kring afscheid. 

 De vrouw, zijn minnares, krijgt de schrik van haar leven. Officieel bestaat ze niet in zijn leven, voor de anderen, en nu zal ze niet eens afscheid van hem kunnen leven.

Ze kan alleen maar bezig zijn met wat ze net gelezen heeft. Ze stelt zich voor dat ze toch op bezoek zal gaan in het huis waar de overledene zich bevindt en ze herinnert zich hoe haar geliefde eerder niet goed werd toen ze in een vliegtuig waren gestapt. Hoe hij er weer uit moest en hoe het thuisfront ingelicht moest worden. Hoe zij daarbij een rol heeft gespeeld en meteen weer aan de kant moest gaan staan, zo gauw zijn officiële vrouw in zich kwam. 

De vrouw tobt soms toch al met haar gezondheid en als ze een arts raadpleegt, geeft die haar altijd hetzelfde advies:

een correctie op de levenshouding die vrij, zo vrij mogelijk zou moeten zijn, in ieder geval zonder stress, en zonder angst. Dat vooral, zonder angst. 'Denk niet catastrofaal', zegt hij dan bij haar weggaan. 'Stop met die denkbeeldige rampen, loop er in ieder geval niet op vooruit. Reageer als ze zich voordoen. Maar roep ze niet op.'

Maar nu kan ze niet om de angst heen en het evenwicht is weg uit haar leven. Dat evenwicht was toch al lastig: ze heeft zowel een drang naar vrijheid als naar geborgenheid, maar nu wankelt alles en ze moet zich bezinnen op hoe het nu verder moet. 

Hoe het verhaal afloopt, vertel ik maar even niet. Je moet dus zelf maar lezen of ze inderdaad aan durft te bellen bij het huis van haar geliefde en of ze zich staande kan houden in haar verdriet. 

Stijl

In besloten kring is weer een typisch Bourgonjeboek. In de eerste plaats vanwege de poëtische stijl, de zingende zinnen, waaraan elk boek van haar te herkennen is. Het beschrijven van zaken die later een symbolische lading krijgen, de herhalingen waardoor het verhaal toch vooruit gaat en de nadruk op wat er binnen in het personage gebeurt. Daar speelt zich het werkelijke leven af.

De hoofdpersoon is een buitenstaander. Noodgedwongen. Veel van Bourgonjes personages zijn eenzaten, zowel op zoek naar vrijheid als geborgenheid. Met een hoofd vol herinneringen en verlangens, onzeker over wat er komt en koesterend wat er geweest is. En eigenlijk draaien al haar boeken om de liefde. Dat is zeker ook het geval in In besloten kring

Het mysterie van de liefde

Aan het boek vooraf gaat een citaat van Oscar Wilde: 'The mystery of love is greater than the mystery of death.' Die beide mysteries komen samen in deze roman en ze hebben alles met elkaar te maken. En de vrouw moet er in haar eentje uit zien te komen. De relatie was geheim en zal nu voorgoed geheim blijven.

Na vanavond zal ze voorgoed een geheime verhouding hebben met de herinnering. De herinnering aan hem. 

Hij zal doorleven in andermans verhalen, waarvan zij geen deel zal uitmaken en zij moet haar eigen verhaal op orde krijgen. Ze is schrijfster, dus ze zou er nog over kunnen schrijven, zegt ze tegen zichzelf:

Jij hebt het prijsgeven van de waarheid niet nodig,  jouw leven met hem gaat niemand iets aan, hooguit schrijf je er een verhaal over, alsof het zich in je verbeelding heeft afgespeeld, alsof deze geschiedenis niet jou maar een verzonnen vrouw betreft, een voor iemand met jouw aard en inlevingsvermogen niet moeilijk vorm te geven personage -

Misschien hebben we dat boek wel in handen. Maar het onderscheid tussen wat werkelijkheid is en wat zich in de gedachten van de vrouw afspeelt is moeilijk te maken en misschien is dat ook niet belangrijk. In ieder geval is In besloten kring, weer een mooie steen in het oeuvre dat Fleur Bourgonje al zo lang aan het bouwen is. 

Fleur Bourgonje, In besloten kring. Uitg. Magonia, 2025; 108 blz. € 21,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over ander werk van Fleur Bourgonje.


Op andere plaatsen schreef nog over bijvoorbeeld Labyrint en Stromboli. Die recensies zal ik binnenkort afstoffen. 

vrijdag 30 januari 2026

De complete Brammetje Bram 5: Schatten en katten (Eddy Ryssack)

Het zal de leeftijd wel zijn, maar soms overvalt mij een prettig soort nostalgie. Dan dwaal ik in gedachten rond in huizen die er al niet meer zijn, in gezelschap van mensen die al jaren overleden zijn. Die herinneringen lijken levendiger dan ze ooit waren. Zo herinner ik mij ook nog het genot dat ik beleefde aan sommige boeken, zoals de reeks over Buffalo Bill en ook aan de strips die ik las. 

Aan de strip Brammetje Bram bijvoorbeeld kan ik met weemoed terugdenken. Ik herinner mij ook wel Opa, getekend door dezelfde tekenaar, Eddy Ryssack, maar bij het terugdenken daaraan heb ik dat gevoel niet. Die strip herinner ik mij vooral als grappig. Dat juist Brammetje Bram aansloeg, zal ook wel te maken hebben met de boeken die ik al gelezen had over de Nederlandse schepen die naar de Oost voeren. Die boeken zal ik wellicht niet meer zonder schaamte kunnen herlezen. Hoe mijn gevoel daarover veranderd is, zal ik vertellen als ik schrijf over het boek Koloniale oorlogen in Indonesië van Piet Hagen. Dat duurt nog even, want het is een dik boek en ik ben nog niet halverwege. 

Geen slechte mensen

Brammetje is een jongetje met wie je je gemakkelijk kunt identificeren. Hij is een gewoon mens, met wie niet zoveel mis is. Maar dat niet alleen: ook iemand als Knevel de Killer kun je er goed bij hebben: een ruwe bolster met een blanke pit. Dat maakt Brammetje Bram ook zo gemoedelijk: echt slechte mensen komen er niet in voor. Er wordt flink geknokt, maar er vallen nooit doden en de verhalen lopen nooit slecht af. Het piratenleven is natuurlijk een hard leven, maar je krijgt het idee dat het toch niet zo gek is om bemanningslid te zijn aan boord van De Zeemadelief.

Uitgeverij Arboris heeft al vier delen uitgegeven van De complete Brammetje Bram en bij het verschijnen van deel 4 heb ik op verschillende plaatsen gelezen dat dat het laatste deel zou zijn, maar er is nog een vijfde deel verschenen, met avonturen waarvan een deel nooit in albumvorm is verschenen. 

Pittje Pit

Tegen het einde van de reeks verschenen de avonturen van het scheepsmaatje in het Duits, waar ze gepubliceerd werden in het tijdschrift Zack.  Brammetje Bram het daar overigens Pittje Pit. Het formaat van het blad was kleiner dan we gewend zijn bij gewone albums: pocketformaat. Sommige verhalen zijn al eerder omgemonteerd tot het gebruikelijke formaat, bij andere is dat voor deze uitgave gebeurd. Er zijn aan het eind van de jaren zeventig overigens ook nog verhalen in het Nederlands gepubliceerd, in het blad Wham! dat verscheen tussen 13 februari 1979 en 24 juni 1980. 

In dit vijfde deel staat natuurlijk ook weer een dossier, dat weer heel prettig leest. De scenaristen Hec Leemans en Gilbert Declercq halen herinneringen op aan hun samenwerking met Eddy Ryssack, er is een portret van scenarioschrijver Gerd von Haßler en er is een mooi artikel over Ryssack als animatiefilmer. En alles natuurlijk rijk geïllustreerd. 

Marius weg!

Wat de strips betreft: het zijn zowel korte als lange verhalen. Wat me daarbij meteen opviel: Marius is verdwenen. Wat is er met deze zeebonk gebeurd? In het vierde deel was hij ineens gekleed in een groene trui in plaats van in een rode en nu is hij helemaal verdwenen. Er wordt geen woord aan vuil gemaakt. Wonderlijk. 

De eerste twee korte verhalen, 'Bureaucraten en piraten' en 'De kaperbrief' sluiten op elkaar aan. In het eerste verhaal wordt de bureaucratie op de hak genomen, wat grappig is, maar het verhaal is ook redelijk plotloos. Gelukkig gaat het verder in 'De kaperbrief', maar ook dat heeft niet een heel sterke plot. Daar zou ik bij een andere strip misschien over gevallen zijn, maar ik heb de twee verhalen toch met plezier gelezen. Waarschijnlijk omdat die vertrouwde Brammetje-Bramsfeer wel duidelijk uit de verhalen spreekt. 

In het verhaal 'Het schatteneiland' wordt het toerisme op de korrel genomen. In die zin is het vergelijkbaar met 'Bureaucraten en piraten'. Het lijkt erop alsof over de hoofden van de personages heen commentaar gegeven wordt op ontwikkelingen in de samenleving. Wel weer luchtig, zodat het vermakelijk is. 

Een snuf Duitsland

'Het elixer van Salver Quack' leest als een kort tussendoortje, net als 'De kater van kapitein Knevel' en 'Holiday on ice'. De bundel sluit af met het albumlange Brammetje Bram en de Beieren, dat ik -zeker weten- ooit als album kocht. Ryssack komt daarin tegemoet aan de wens van Zack om een snuf Duitsland aan de verhalen toe te voegen. Ook komen er verschillende historische figuren in voor. 

Niet elk verhaal in dit slotdeel van De complete Brammetje Bram is van topniveau, maar dat heeft mijn leesplezier maar weinig in de weg gestaan. Altijd zijn er kleine grapjes die je laten grijnzen. Al staat er soms op de lange verhaallijn net te weinig spanning, binnen het verhaal zijn er ook altijd korte lijntjes met een goede spanningsboog. 

En tussen de tekeningen zitten werkelijk pareltjes. Zo heb ik lang zitten kijken naar een voorschets van een pagina op pocketformaat. Ik had het idee dat ik over Ryssacks schouder mee mocht kijken. Het was alsof hij net zijn tekenhand even weggehaald had en mij een blik gunde op zijn werk. Prachtig!

Ik heb ooit een stripboekhandelaar wat horen snuiven over Brammetje Bram. Hij snapte niet dat ik dat kocht. Ik heb er geen commentaar op gegeven en heb het maar zo gelaten. Ik vind het alleen maar prachtig alle verhalen verschenen en dat we ze nu allemaal bij elkaar hebben. De delen kunnen naast elkaar in de kast gezet worden, op een plek dat je ze gemakkelijk kunt pakken. 

Reeks: De complete Brammetje Bram
Deel 5: Schatten en katten
Tekeningen: Eddy Ryssack
Uitgeverij:  Arboris, 
2025, 176 blz. € 34,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over de andere delen van De complete Brammetje Bram:





donderdag 29 januari 2026

Afgestoft: Ik ben een bijl (Erik-Jan Harmens)

Bij het rommelen in de besprekingen die ik ooit geschreven heb, kom ik ook wel eens stukken tegen waarvan ik helemaal niet meer wist dat die ooit uit mijn toetsenbord zijn gekomen. Een daarvan is de recensie van de bloemlezing Ik ben een bijl van Erik Jan Harmens. De bespreking verscheen in Liter, jaargang 13, nr. 57 (2010). 

De bloemlezing staat nog in mijn kast en pas bladerde ik er nog doorheen. De bundel heeft een prettig formaat (niet te klein) en leest lekker, maar ik kwam niet verder dan hier en daar een gedicht. Nu ik mijn oude recensie heb doorgelezen staat me weer bij wat voor bundel het was. 

In mijn bespreking ga ik in op de inleiding, waarover indertijd blijkbaar gedoe was geweest, en op de keuze van de dichters. Ik citeer geen enkel gedicht en dat vind ik achteraf wel vreemd. Het is toch wel prettig als in een stuk over poëzie ook poëzie te lezen zou zijn. 

Maar misschien kreeg ik wel de opdracht om dat niet te doen. Ik herinner me dat er ook recensies waren waarin ik een gedicht niet in de oorspronkelijke vorm mocht opnemen, maar alleen binnen mijn prozatekst, met slashes tussen de regels. Hoe het precies zat, kan ik niet meer terughalen. 



Bijltjesdag in de poëzie


Er zijn poëziebloemlezingen die iedere literatuurliefhebber op zijn minst van naam kent: Nieuwe griffels, schone leien, Atonaal en ‘De Dikke Komrij’ bijvoorbeeld. Het zijn bloemlezingen die nieuwe dichters een podium gaven of oude dichters herontdekten of aandacht vroegen voor een andersoortige poëzie. In Komrijs bloemlezing moesten de veelgeprezen experimentelen een paar passen terugdoen en de vormvasten en ironischen kregen meer aandacht dan ze decennialang gehad hadden.

Pogingen om via een bloemlezing de poëzie een duwtje in een andere richting te geven, zijn al meer gedaan. Lava en Zwagerman probeerden dat met Maximaal (1988), wat wel wat rumoer opleverde en bovendien een bloemlezing van dichters die zich niet in het maximale geronk herkenden (Ieder hangt aan zijn gevallen toren, Rogi Wieg), maar toch bloedde het allemaal vrij snel dood.

Met Ik ben een bijl probeert Erik-Jan Harmens een weg vrij te hakken voor wat ik toch maar geëngageerde poëzie noem. Over de inleiding die aan de bloemlezing vooraf gaat is al veel te doen geweest. Die zou rammelen, zichzelf tegenspreken, soorten gedichten uitsluiten die toch in de bloemlezing opgenomen zijn en meer nog.

Het zal wel, maar in ieder geval schreef Harmens een inleiding die je in één ruk uit leest. ‘Ik wil poëzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Ik wil poëzie die zich aan iets committeert. Ik wil poëzie die zich op zijn minst aan zichzelf committeert.’ Zo begint Harmens.

Verderop schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Ik wil poëzie die de schrijver de kop heeft gekost. Ik wil poëzie die wordt afgewezen maar als een onder water gedrukte voetbal met een buts komt bovendrijven. Ik wil poëzie die op de schrijversvakschool wordt weggehoond. Ik wil poëzie die niet helemaal de bedoeling is.’

Betrokkenheid, dat is wat Harmens van de dichters vraagt. Hij blieft geen dichters die met een verontschuldigend gezicht zeggen dat het maar poëzie is wat ze schrijven, dat een gedicht niet meer is dan een ding van woorden. Hij wil poëzie die erin hakt.

Tja. Het is mooi hoor, zulke bevlogen dichters, die met een megafoon hun poëzie aan de man brengen; die met bloed schrijven; die hoge idealen hebben. Ze schrijven misschien prachtige gedichten, maar misschien ook blijven ze steken in het gebral.

Ik wantrouw predikers altijd een beetje en hoe prettig woest Harmens ook schrijft, ik begin toch bedenkend te hummen als hij bijvoorbeeld beweert dat we in een wereld van haat geen liefdesgedichten meer kunnen schrijven, omdat dat niet meer dan entertainment zou zijn. Pardon? Het sprookjesachtige ‘Hooglied’ van Menno van der Beek zal door Harmens dan ook wel in de entertainmenthoek geduwd worden, maar het houdt het bijvoorbeeld prima tegen de achtergrond van 11 september 2001. Ook hier staat een toren in brand en een brandweerman klimt ‘als een vlieg tegen het glas’ omhoog. Ondanks die wereld vol haat blijven er dromen bestaan en dichters die geloven ‘dat hij het haalt en dat hij bij haar past’. In de dagen dat CNN op bijna alle tijden op bijna alle tv-schermen verscheen is zo'n gedicht bijna een subversieve daad.

Ach, ik vergeef Harmens graag wat doordraverij. Als hij dan tenminste goede gedichten selecteert en dat heeft hij wel gedaan. Hij selecteerde dichters die in 1998 of later debuteerden. Daarbij smokkelde hij wel een beetje af en toe. Hilbrand Rozema en Menno Wigman bijvoorbeeld debuteerden een jaar eerder met een bundel en in tijdschriften waren hun gedichten waarschijnlijk nog eerder te lezen. Dat soort onnauwkeurigheden lijkt me overigens vergeeflijk.

De dichters met het grootst aantal gedichten in Ik ben een bijl zijn Menno Wigman, Ilja Leonard Pfeijffer, Ramsey Nasr (niet zo heel veel gedichten, maar wel heel veel bladzijden), Saskia de Jong en Alfred Schaffer, een keuze die me te verdedigen lijkt.

Natuurlijk missen we mensen. Hanz Mirck wordt in elke recensie als ontbreker genoemd, waardoor hij door deze bloemlezing meer aandacht krijgt dan wanneer hij wel opgenomen zou zijn. Maar ook René Puthaar, Jane Leusink, Tjitske Jansen, Wouter Godijn, Philip Hoorne en Quirien van Haelen zien we niet terug. Hebben ze te weinig kwaliteit? Te weinig betrokkenheid? Bij Van Haelen kan ik me dat laatste voorstellen, maar we weten het niet.

Van de dichters die wel opgenomen zijn, kan ik niet altijd zeggen dat hun gedichten met de bijl gehakt zijn. Van het gedicht van Erik Harteveld (die al in 1955 geboren werd) druipt bijvoorbeeld de weemoed en eigenlijk vond ik dat wel prettig; een gedicht waarin de wind even gaat liggen tussen al die gedichten waarin het stormt.

Veel gedichten in de bundel hebben namelijk behoorlijk wat vaart en houden ervan te laten merken dat ze krachtig zijn. ‘De metro ramt de voorkant van de dag’ (Menno Wigman) lezen we dan, of ‘de hemel stort zich met bakken te pletter’ (Peter Holvoet-Hansen). Het zal misschien onzin zijn, maar soms moest ik toch terugdenken aan de futuristen van zo'n eeuw geleden. Natuurlijk doel ik niet op de politieke stellingname binnen het futurisme, maar wel op de vaart, de dynamiek, die in veel van de werken uit die tijd terug te vinden was.

Over de keuze van de gedichten is altijd te twisten. Zo snap ik niet waarom van Hilbrand Rozema niets is opgenomen uit zijn bundel Slagveldtoerisme, waarin toch genoeg betrokken gedichten staan. Van Maria Barnas moeten ook betere gedichten te vinden zijn en van Mustafa Stitou had ik wel wat meer gewild. Er is altijd iets te zeuren als je wilt.

In de eerste plaats heb ik echter een interessante bundel gelezen, met werk van dichters die ik voor een deel niet of slecht kende. De bundel heeft me nieuwsgierig en enthousiast gemaakt. Dat lijkt me genoeg.

woensdag 28 januari 2026

Afgestoft: Dierbaar boek. Mein System (Aaron Nimzowitsch)

In het blad Liter was er ooit een rubriek 'Dierbaar boek' en ook ik werd gevraagd een stukje te schrijven over een boek dat mij dierbaar was. Dat stukje werd gepubliceerd in jaargang 8, nummer 38 (2005). Ik weet niet meer of ik lang moest nadenken over de keuze van het boek. 

In zo'n rubriek kies je natuurlijk altijd een boek uit je verre verleden, maar als je veel gelezen hebt, zijn er altijd veel kandidaten. Het boek dat me nu als eerste te binnen schiet is Tippeltje van W.G. van de Hulst jr. dat ik cadeau kreeg op het kerstfeest van de eerste klas van de lagere school. Hoe vaak ik het gelezen heb, weet ik niet, maar het is mij altijd dierbaar gebleven. 

Verder moet ik denken aan Kladboek van Jeroen Brouwers, waarvan ik ondersteboven was en aan de bloemlezingen Voorbij de laatste stad van Gerrit Achterberg en Lees maar, er staat niet wat er staat. Het waren de eerste dichtbundels die ik kocht. 

Mogelijk zijn die boeken ook in mijn gedachten voorbijgekomen, maar ik koos voor een boek van een markante schaker, Aaron Nimzowitsch. Dat boek is niet alleen belangrijk geweest voor mijn begrip van het schaakspel, maar het is vooral ook geschreven in een heerlijke stijl. 

Nu het Tata Steel Chesstoernooi bezig is (dat in mijn gedachten nog steeds het Hoogovenstoernooi is), lijkt het me wel gepast om mijn stukje over dit boek onder het stof uit te halen. 


Mein System (1925/1926) van Aaron Nimzowitsch (1886-1935)

Achttien was ik, net geworden. In mijn boekenkast stonden nauwelijks dichtbundels: bloemlezingen uit het werk van Nijhoff en Achterberg waarschijnlijk, misschien enkele exemplaren van het tijdschrift Gedicht, dat geredigeerd werd door Remco Campert. Het zou nog bijna twee jaar duren voordat ik de verzamelde gedichten van een dichter zou kopen: Leopold, op advies van Anne Schipper.

Wel had ik al een rij schaakboeken in mijn kast staan. Openingenvademecum van Frits Roessel, bijvoorbeeld, een hele reeks prismapockets van Hans Bouwmeester, plus zo'n pocket over de match Fischer-Spasski. En Euwe natuurlijk, Oordeel en plan, na bestudering van welk boek ik voor het eerst het idee had dat ik echt iets van het schaakspel ging begrijpen.

Maar toen ik net achttien was, kocht ik een boek dat niet alleen een uitstekend schaakboek was, maar dat ook nog eens zeer onderhoudend geschreven was: Mein System, van Aaron Nimzowitsch. Waarom ik juist dit boek toen aangeschaft heb (ongetwijfeld bij Van der Galie in Utrecht), weet ik niet meer. Misschien wel vanwege de blauwe, kunstleren band, met gouden letters. Een mooi ingebonden boek, dat prettig openviel, lekker rook, gemakkelijk in de hand lag. Waarschijnlijk wist ik daar in de winkel nog niet dat ik een van de meest invloedrijke schaakboeken uit de geschiedenis in mijn hand had.

Mein System verscheen oorspronkelijk in vijf afleveringen in de jaren 1925/1926. Nimzowitsch (Riga, 1886) was als schaker toen al wel bekend. Zo won hij samen met Aljechin het toernooi in St. Petersburg in 1914. Maar na een slecht toernooi in dezelfde stad, in hetzelfde jaar, verscheen hij jarenlang niet achter het schaakbord.

Niet iedereen zal dat betreurd hebben. Nimzowitsch kon in de omgang bepaald onaangenaam zijn. In een partij tegen Walter John verscheen hij drie kwartier te laat in de toernooizaal, bekeek toen eerst uitgebreid de schilderijen aan de wand, voerde een zet uit zonder te gaan zitten en wandelde weer verder. Voor de eerste zestien zetten gebruikte hij maar vijf minuten, op de zeventiende zet bracht hij een subtiel pionoffer, dat hem uiteindelijk materieel voordeel opleverde. Zijn tegenstander was toen al zo geïrriteerd, dat hij de partij niet opgaf, maar nog tientallen zetten in verloren stelling doorspeelde. Zo maak je geen vrienden.

Nimzowitsch was een sombere, ietwat boosaardige man, overtuigd van zijn eigen gelijk, ook als zijn prestaties achter het schaakbord dat niet aan konden tonen.

In geschrifte laat hij zich voor het eerst gelden in 1912 in een open brief aan dr. Siegbert Tarrasch in Deutsches Wochenschach. Tarrasch, een gerespecteerde schaakmeester, had zich laatdunkend uitgelaten over de ‘lelijke’ en ‘afschuwelijke’ zetten van Nimzowitsch. Fijntjes wijst Nimzowitsch erop dat hij met dit soort zetten wel van Tarrasch heeft gewonnen. Een jaar later valt Nimzowitsch de klassieke, orthodoxe opvattingen van Tarrasch aan in een opstel van twaalf bladzijden, dat verschijnt in de Wiener Schachzeitung onder de titel ‘Entspricht Dr. Tarraschs Die moderne Schachpartie wirklich moderner Auffassung?’

Daarna blijft het een tijdje stil rond Nimzowitsch en zijn ideeën over het schaakspel. Pas in 1923 vermeldt een Oostenrijkse schaakkrant dat Nimzowitsch in Denemarken voordrachten vol humor houdt over moderne schaakstrategie. Intussen heeft hij zijn ‘systeem’ geconstrueerd, dat de basis zal worden van wat indertijd het hypermoderne of ook wel neoromantische schaak genoemd werd.

Niet alles van wat Nimzowitsch beweert, is nieuw, maar wel nieuw is dat hij allerlei losse elementen met elkaar in verband brengt. Bovendien ontwikkelt hij technieken, die in zijn tijd zonder meer revolutionair waren. Nog steeds zal iedere schaker die termen als ‘Prophylaxe’ en ‘Überdeckung’ hoort, onmiddellijk de naam van Nimzowitsch roepen en wanneer ik op het schaakbord met een oprukkende vrijpion geconfronteerd word, spreekt nog steeds Nimzowitsch mij toe: ‘Hemmen, blockieren und vernichten!’

Mein System is een glashelder boek, waarin de schrijver zeer nauwgezet uitlegt hoe er volgens hem geschaakt moet worden. Daarbij hoort ‘der Lernende’ steeds de spreektoon waarop alles geschreven is. Ongetwijfeld komt dat door de vele voordrachten die aan het schrijven vooraf zijn gegaan.

Nimzowitsch is een meeslepend schrijver. De tweede aflevering besteedt hij onder andere aan de behandeling van de vrijpion. Maar eerst neem hij afscheid van het onderwerp uit de vorige aflevering, de open lijn:
Der aufmerksame Leser hat es bereits erraten, ja wir sind in die offene Linie geradezu vernarrt [zijn erop verliefd geworden tb], wir können sie nicht so ohne weiteres entlassen; ein letztes Abschiednehmen noch und dann noch ein allerletztes und dann ein Winken mit Tüchern: sieht sie uns noch? Ja, sie hat uns gesehen, schau, nun flüstert sie ihrem Begleiter, dem Vorpostenritter, etwas zu. Leb Wohl!- Wir zerdrücken eine Träne und wenden uns neuen Dingen zu. Nun sind es andere Helden, mit denen wir uns zo beschäftigen hätten, die Freibauern.

Het is geen wonder dat ik het schaakboek las als een avonturenroman. Zulke schaaklyriek zou ik later alleen bij de nog grotere schrijver J.H. Donner lezen, als hij het kleine schaakpionnetje op a5 liefdevol zou toespreken (‘Mooi klein ding, randpion ben je, niet meer dan één veldje mag je bestrijken. Je bent zo klein, bijna niets en je hebt de hele partij daar op je plaatsje gestaan, maar al die tijd was mijn hoop op jou gebouwd’).

Ik liet me meeslepen door wat ik las en de beelden die Nimzowitsch gebruikte, zetten zich in mij vast. Een ‘zwemverbod’ legde Nimzowitsch mij op: niet maar wat heen en weer zetten (zwemmen) maar een aanvalsdoel kiezen. Daadkracht eiste Nimzowitsch van mij, vooral tegen de vrijpion. ‘Het is een misdadiger die achter slot en grendel hoort’, schreef hij, ‘milde Masznahmen, wie polizeiliche Aufsicht seien nicht genügend!’ De ‘officieren’ moesten alle ‘kastetrots’ laten varen en zich om de nederige pion groeperen. Een afruil van zwakke pionnen wordt bij Nimzowitsch een uitruil van krijgsgevangenen, van een verdedigende toren roept hij ‘er soll sterben!’

Het zou mij niet verbazen als de makers van de film Lang leve de koningin gespiekt hadden bij Nimzowitsch. Zijn koning is werkelijk een vorst:
Met langzame passen nadert de koning het centrum. Daar aangekomen roept hij de gezamenlijke ministers en raadslieden bij zich, sterkt zich door een copieus ontbijt, consulteert zijn ministers, ontbijt nog eens (de koning ontbijt, ter onderscheiding van gewone stervelingen, tweemaal), consulteert nog een keer de bijeengekomen raadslieden en dan pas kiest hij het hem (en de raadgevers) goed dunkend krijgstoneel. (vert. tb)

Wie durft hierna nog onbedachtzame zetten met zijn koning te doen?

Ik ben Nimzowitsch, naast Euwe natuurlijk, veel dank verschuldigd, zoals de schaakwereld veel te danken heeft aan Mein System

In de jaren na het verschijnen van het boek zou Nimzowitsch zijn beste toernooien spelen: Dresden 1926, waar hij won met 8,5 punt uit negen partijen! Niet minder dan anderhalve punt voorsprong op nummer twee, de latere wereldkampioen Aljechin, die weer sterke schakers als Rubinstein en Tartakower achter zich liet. Een jaar later won hij in Londen een zeskamp met zelfs twee punten voorsprong, in 1928 won hij een sterk toernooi in Berlijn (voor Bogoljubow en Tartakower) en in 1929 won hij in Karlsblad, voor Capablanca (wereldkampioen van 1920 tot 1927), Rubinstein, Spielman en onze eigen Euwe. Daarna speelde hij nog zeven toernooien. In vijf ervan eindigde hij bij de eerste drie. 

Hij stierf in 1935, 48 jaar oud. Zijn naam leeft nog voort in twee openingen: Nimzo-Indisch en de Nimzowitschverdediging. Zijn boek, Mein System, is onsterfelijk.

dinsdag 27 januari 2026

Zanger Ronald zingt de blues (Walter van den Berg)

'Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodslag.' Dat is de openingszin van de roman Schuld van Walter van den Berg. Die broer is Ron, zanger Ronald, de hoofdpersoon van Van den Bergs nieuwe roman Zanger Ronald zingt de blues

In deze roman wordt ook duidelijk dat Van dode mannen win je niet over dezelfde personages gaat. Ik denk dat ik dat bij het lezen van Schuld nog niet in de gaten had. In Schuld is de verteller Cor, een schrijver, de broer van Ron. Samen zijn opgegroeid in een gezin met een gewelddadige stiefvader, in wiens hoofd we zitten bij het lezen van Van dode mannen win je niet. Daar heet het zoontje overigens Wesley, maar met terugwerkende kracht is het boek nu getrokken in de wereld van Ron en Cor. 

Ron heeft indertijd de grens getrokken nadat de stiefvader steeds weer de grenzen van de moeder overschreed. Zo heeft hij het in ieder geval onthouden. Ook heeft hij steeds het verhaal verteld dat hij een marinier doodgeslagen heeft, omdat die zijn vrouw te na kwam. In Schuld lezen we al dat Ron de schuld voor die moord op zich genomen heeft, maar dat het verhaal net iets anders in elkaar zit. 

Joop en Annie

Ron komt aan het begin van Zanger Ronald zingt de blues bij een begrafenis een bekende tegen: Joop Vissekom, die zo genoemd wordt vanwege zijn dikke brillenglazen, waarachter zijn ogen als vissen heen en weer gaan. Samen gaan ze wat drinken in een kroeg, waar ze een vrouw oppikken, Annie. 

Die ochtend is Ron, samen met zijn broer Cor, naar het ziekenhuis geweest, waar Ron te horen heeft gekregen dat hij kanker heeft in een ver gevorderd stadium. Dat moet hij vertellen aan zijn vriendin Millie, maar dat stelt hij uit. Ook moet hij contact opnemen met zijn zoon Kevin, maar dat gaat ook al lastig. 

Intussen heeft Ron toch aan Joop en Annie verteld wat er met hem aan de hand is en Joop wil meteen een benefietconcert organiseren en daar moet ook Marco Borsato aan meedoen. Annie heeft het maar alvast gedeeld op de sociale media, waar het meteen belangstelling trekt als een soort project X. Tussendoor schrijft Ron aan een lied, een vertaling van een nummer van Johnny Cash, 'Folsom Prison Blues'. Een lied over een gevangenis en over iemand die een moord op zijn geweten heeft. 

Zoals alles in het leven van Ron loopt het allemaal niet uit op een groot succes. Wel zoekt hij zijn broer Cor op, die hij altijd als bevoorrecht heeft gezien. Hun confrontatie is het hoogtepunt van het boek. 

Verhalen

In Zanger Ronald zingt de blues gaat het om het vertellen van verhalen: aan jezelf, aan anderen. Een verhaal waarmee je kunt leven en waarvan je hoopt dat anderen het geloofwaardig vinden. Maar wat gebeurt er als dat verhaal wegvalt? 

Ook aan schuldgevoelens ligt een verhaal ten grondslag. Zo heeft Ron zich altijd schuldig gevoeld over het feit dat hij doorgeslapen heeft toen zijn doodzieke vader wakker werd en zich de trap op sleepte. Ron had hem willen dragen. 

Voor het overlijden van zijn vader heeft Ron ook een verhaal: hij was een proefkonijn voor de medische industrie. Ron ziet meer complotten. Zo gelooft hij ook in de chemtrails. Net als iedereen kiest hij de verhalen waarin hij wenst te geloven, alleen blijken de zijne in de loop van het verhaal niet houdbaar, waardoor zijn hele leven aan het wankelen raakt. 

Cor laat aan Ron zien dat hun verhalen verschillen. Ron heeft zich als een soort held gezien die zijn stiefvader een halt toeriep, maar misschien klopt dat verhaal niet. Dan is het verhaal waarmee hij geleefd heeft een leugen. Ron heeft alleen maar haatgevoelens ten opzichte van zijn stiefvader. Dat vindt Cor maar gemakkelijk; voor hem liggen de zaken veel genuanceerder. Ron blijkt nooit gezien te hebben welke positie Cor vroeger heeft gehad. 

Eenvoudig/gecompliceerd

Aan de ene kant is Zanger Ronald zingt de blues een eenvoudig boek en dat is het ook als het gaat om de verhaalgebeurtenissen. Zo heel veel gebeurt er niet. Het hele gedoe over het benefietconcert dat uit de hand dreigt te lopen is zo over the top dat het me deed denken De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde van Erik Jan Harmens. Maar ook bij dat onderdeel van het verhaal zijn er weinig ontwikkelingen, zeker als je het vergelijkt met de gevolgen van de sociale media in Ruimte. Aan het einde van het boek vermoedt Ron dat dat ook de overweldigende belangstelling voor het concert maar een verhaal is geweest waarin hij graag wilde geloven. 

Psychologisch gezien is het boek gecompliceerder. Het gaat over de verhouding tussen ouders en kinderen en tussen broers, over loyaliteiten tegen de klippen op, over schuldgevoel, over weten wat je moet doen maar je geblokkeerd voelen om dat ook daadwerkelijk te doen. Door de diagnose die Ron heeft gekregen gaan er dingen schuiven in zijn leven: hij wordt gedwongen de balans op te maken en te bepalen wat er echt belangrijk is in het leven. 

Van den Berg bedt dat in in de tocht van Ron en Joop Vissekom, die vooral langs de kroegen gaat. Net als in de vorige boeken weet de auteur goed de toon van mensen te raken en dat is aangenaam om te lezen. Toch zit er vooral in de eerste helft van het boek wel heel weinig plot, wat een zekere landerigheid tot gevolg heeft. Niet onaardig om te lezen, maar ik was nog niet echt verkocht. Pas bij het gesprek tussen Ron en Cor staat alles onder spanning en dan merk je wat er allemaal op het spel staat. Voor mijn gevoel werd het pas daar een goed boek. 

Krabbelen

Met Zanger Ronald zingt de blues heeft Walter van den Berg weer een boek geschreven waarin hij het leven verkent van iemand die altijd tweede rang gezeten heeft bij het toneel van het leven, die moet krabbelen en weet dat het nooit echt wat wordt, maar hij moet toch door. Dat soort mensen beziet Van den Berg met mededogen en hij laat zien dat er ook iets groots zit en het blijven volhouden tegen beter weten in, in het maar doorgaan omdat het alternatief nog minder aantrekkelijk is. 

De spreektoon waarin het boek geschreven is, houdt het luchtig, maar daaronder schuilt een diepe tragiek. Het tragische is niet dat er dingen niet lukken in het leven van Ron, want daar is hij wel aan gewend. Hij zou ooit voetballer worden en hij zal ook gedroomd hebben dat hij een bekende zanger zou worden. Maar dit gaat dieper. Dit gaat over de kern van zijn leven: over het besef dat hij met lege handen staat, dat het verhaal waarin hij geleefd heeft voorbij is en dat hij nergens op terug kan vallen. Uiteindelijk doet hij het enige wat hij nog kan doen. 

Naschrift: Walter van den Berg liet me weten dat Wesley in Van dode mannen win je niet een zelfstandig personage is, maar dat Ron en Cor wel zijdelings genoemd worden. 


Eerder schreef ik over ander werk van Walter van den Berg:

maandag 26 januari 2026

Doe eens lief (Willem Ritstier)

Er komen allerlei boeken en albums ter bespreking op mijn bureau terecht. Soms zijn dat uitgaven die precies in mijn straatje passen, andere keren vraag ik mij af of ik er wel de juiste recensent voor ben. Dat laatste speelt ook bij Doe eens lief van Willem Ritstier.

Ritstier is een duizendpoot in stripland. Niet alleen tekende en schreef hij graphic novels waarin hij dicht bij zijn eigen leven bleef, maar hij schreef ook voor tientallen albums, in allerlei genres, het scenario, waarvan sommige genomineerd werden voor penning van het Stripschap en die soms die penning ook daadwerkelijk kregen. In 2017 werd hem de Stripschapprijs toegekend. Daarnaast tekent Ritstier wenskaarten en hij heeft ook prentenboeken op zijn naam staan. 

Doe eens lief zit dicht tegen de wenskaarten aan. Er komen geen mensen in voor, de tekeningen zijn toegankelijk en aangenaam en de boodschap is positief. 

Kat

Op elke tekening komt een witte kat, met een dikke staart, voor. Voor mijn gevoel heeft de kat ook iets hondachtigs qua uiterlijk, maar qua gedrag is het een kat. Hij kan in ieder geval op een hek of een tak plaatsnemen. Het maakt ook niet uit of het een kat is en ook niet wat voor soort kat het dan is: het dier heeft iets universeels en ook iets menselijks. Als lezer identificeer je je met dit dier. 

Voor op het boek staat een groot hart en bovenop zitten de poes en een muis. Traditioneel zijn dat gezworen vijanden, maar de poes blaast een hartje in de richting van de muis en geeft zo gevolg aan de opdracht in de titel. Ook zien we op een tekening de poes een roos aanbieden aan een vogeltje. Er zit niets kwaads in het dier. 

Tekst

In het boek staat er op elke pagina een tekening en soms beslaat een tekening twee pagina's. Elke tekening heeft een boodschap of een advies, zoals 'Geluk kun je delen', 'Blijf zoals je herinnerd wilt worden', 'Je bent altijd genoeg', 'Houd van het leven. Dan houdt het leven ook van jou.' Een van de woorden in elke uitspraak is in het rood afgedrukt (en soms zijn dat er twee) om de kern van de boodschap uit te drukken. 

In het persbericht wordt de link gelegd met De jongen, de mol, de vos en het paard van Charly Mackesy. Ik heb nog even de bespreking opgezocht die ik daarover geschreven heb, want ik voelde bij het lezen ervan hetzelfde ongemak. 

Boodschap

Dat ongemak zit niet in het positieve van de boodschap. We hebben in onzekere tijden al het positieve nodig en daar is ook zeker behoefte aan. Het is meer dat ik moeite heb met expliciete boodschappen. Het zou onvriendelijk zijn om daarvoor het woord prekerigheid te gebruiken, maar wellicht komt een boek met een boodschap voor mij toch in die hoek terecht. 

Maar Doe eens lief is vooral vriendelijk. Het is geschreven met een groot hart voor de medemensen en voor het leven en het spoort mensen aan er het beste van te maken. Tegen die intentie kan niemand bezwaar hebben. Maar al die lievigheid werd me ook wel eens te veel. 

Er zijn in dit boek ook tekeningen zonder tekst: waarin de poes gewoon gelukkig is, vaak van kleine dingen. Van die tekeningen heb ik eigenlijk veel meer genoten, waarschijnlijk omdat ze minder sturend zijn. Soms staat er wel een hartje in de tekening en dat is me eigenlijk al te expliciet. 

Maar zoals gezegd, misschien ben ik wel niet de juiste bespreker voor juist dit boekje. Net zoals het boekje van Mackesy heeft dit de potentie om aan te sluiten bij een groot publiek. Niet alleen vanwege de positieve boodschap, maar ook omdat het een heel mooi uitgegeven boek is: gebonden, hardcover, linnen rug. Bovendien kan het als cadeauboek bij zo ongeveer elke gelegenheid gegeven worden. De boodschap is zo universeel, dat je daar niet een bepaalde feestdag of omstandigheid bij nodig hebt. 

Willem Ritstier, Doe eens lief. 2025, 108 blz. € 21,99 (gebonden, hardcover, linnen rug)

Eerder schreef ik over ander werk van Willem Ritstier.
Scenario en tekeningen:
Wills kracht
Opstaan... En doorgaan

Scenario:
De duistere orde (Jack Pott boek 6)
Paniek op Curaçao (Jeff Rylander 1)
Noodweer op Curaçao (Jeff Rylander 2)