Bunt Blogt
maandag 15 juni 2026
De koning zonder kroon (Toni Carbos)
vrijdag 12 juni 2026
Lucky Me (Manon Albers)
Tom Lucky
![]() |
| Ons Noorden, 20 maart 1946 |
Verhalen van een dochter
Liefdevol
![]() |
| Henk Albers (l.) en Otto Veenhoven (r.) (en hond Rattaplan) |
Illustraties
![]() |
| Het Parool, 4 maart 1975 |
Kobus Kat
![]() |
| Het Parool, 13 maart 1975 |
donderdag 11 juni 2026
De weg weten in een huis dat er niet meer is
Vorige week plaatste ik weer jeugdherinneringen, zoals ik die ooit had opgetekend in een dagboek. De bijdrage ging over de dingen die we in onze jeugd verzamelden: speldjes, sleutelhangers en stickers, maar ook nam ik je mee door het huis van mijn vriendje Gerard.
Het blijft vreemd dat je nog steeds feilloos de weg kunt weten door een huis dat er niet meer is. In een ander dagboek loop ik in gedachten door het huis waar ik geboren ben. Foto's van dat huis vind je bijvoorbeeld hier. Dat is best een lange tocht en die heb ik hier verder niet gedeeld.
'Gelukkig hebben we de foto's nog', zouden ze zeggen bij Dit was het nieuws. Ik wist dat er een foto was van het huis van mijn vriendje en ik vond die, na een tijdje zoeken, bij de Facebookgroep Midden Betuwe. Ik plakte hem bij mijn blogpost.
Goede herinneringen
De dagen erna betrapte ik mezelf erop dat ik verschillende keren de foto bekeek en dat mij dat een goed gevoel gaf. Blijkbaar heb ik goede herinneringen aan die plek en dat is ook niet zo gek. Spelen met Gerard was immers altijd fijn. Op die plek heb ik dus alleen maar leuke dingen gedaan.
Zoals je ziet, staat het huis met de zijkant naar de weg. De twee ramen aan de zijkant, naast de voordeur, zijn van de slaapkamer van Gerards ouders, net als het eerste raam, net om de hoek, aan de voorkant. Het andere raam aan de voorkant is iets lager; het is het raam van de kamer. Blijkbaar moest je vanuit de gang een paar treden naar beneden om in de kamer te komen. Dat was ik kwijt. Vrouw Zwijnen zat vaak achter dat raam. Ervoor was een tuintje: een paar oude fruitbomen, een grasperkje en een border met bloemen. Het was een knusse tuin.
Vrouw Zwijnen keek erop uit en zag de seizoenen voorbijgaan. Aan de andere zijkant was een breed raam dat uitkeek op de uiterwaarden. Het moet een prachtig uitzicht geweest zijn, al herinner ik me niet dat ik mij dat toen realiseerde. Ook het raam van de keuken keek uit op de uiterwaarden.
![]() |
| Hofstede Koeweide |
Koeweide
Het huis van Gerard en zijn ouders moest verdwijnen en het gezin verhuisde naar het huis van een oom van Gerard, broer van zijn moeder: Wimke Gerritsen, die zichzelf wel Wim Gerritsen genoemd zal hebben. Ook daar ben ik nog verschillende keren geweest. Ik herinner me de vorige bewoner nog: een aardige man met een snor als een borstel. De laatste keer dat ik in het huis was, had Gerard al twee kinderen, die in de box in de kamer stonden.
Ook dat huis stond aan de dijk, maar niet boven aan de dijk, maar aan de voet ervan. Op het huis stond de naam Koeweide. Een van de weilanden (wij zeiden de polders) draagt de naam Koeweide. Die was bij ons bekend. Heeft het huis later de naam van het buitendijkse weiland gekregen of had het die altijd al maar stond die niet op de gevel? Ik weet het niet.Gerard was al op vrij jonge leeftijd getrouwd. 'Gerrie is de naam van de merrie', zei hij. Het huwelijk hield uiteindelijk geen stand en voor zover ik weet heeft Gerard veel gedaan aan de opvoeding van de kinderen. Nog weer later werd hij ziek en overleed hij. In die tijd zagen we elkaar al niet meer.
Maar nu ik de foto van het huis boven aan de dijk zie, moet ik vaak aan hem denken. Ik vermoed dat ik nog wat herinneringen aan hem in mijn dagboeken heb. Die zal ik eens opzoeken. Ook hoe ik op een verjaardag een geintje met hem dacht uit te halen en hem toen behoorlijk pijn deed.
![]() |
| Gerard |
12,5 jaar getrouwd
Ik herinner me ook nog dat mijn ouders 12,5 jaar getrouwd waren. Het werd gewoon bij ons thuis gehouden. Er stonden wel extra tafels in de kamer, waarrond de rest van de familie zat, er was wit papier over de tafels gelegd en er waren klapstoelen gehaald.
Het moet maart 1970 geweest zijn. Ik zou in juni 11 jaar oud worden. Vrouw Zwijnen vond dat er wel iets leuks gedaan moest gedaan Ze schreef een paar gedichtjes die mijn zus Lientje, Gerard en ik moesten voorlezen en voor zichzelf had ze ook een gedicht. We kregen allemaal een raar hoofddeksel op en brachten onze tekst. Ik had die uit mijn hoofd geleerd en was er trots op dat ik die zonder haperen kon opzeggen. Vooral Alie, vrouw Zwijnen, oogstte veel hilariteit met haar uitdossing en haar tekst.
![]() |
| Zus Lientje (Carolien) |
Verder was het gezin Zwijnen waarschijnlijk de start van mijn liefde voor strips. Het gezin las de Sjors en de Tina. Al die Sjorsen kreeg ik mee als het gezin ze uit had en soms gingen er ook wat Tina's mee. Ook hadden ze dikke stripboeken van Sjors en Sjimmie getekend door Frans Piët. Over Sjors en Sjimmie bij de Baanbrekers schreef ik al een keer. De andere ingang tot de strips kreeg ik bij mijn neefje Gertje (later Gerrit) van tante Gerrie, die geabonneerd was op de Donald Duck.
woensdag 10 juni 2026
Het Archief, De oudste strips in een nieuw jasje
Nieuw blad
![]() |
| Algemeen Dagblad 28 juni 1946 |
Artikelen
Strips in Het Archief
dinsdag 9 juni 2026
Afgestoft: Niek Verhaagen
Niek Verhaagen is intussen nagenoeg verdwenen. Dat is jammer, want hij schreef aardig werk. Gelukkig is er intussen wel een boek over hem, geschreven door Lo van Driel. Dat boek wil ik zeer aanbevelen. Ik besprak het hier.
Onder het stof 6
Niek Verhaagen (Delft 1915-Turijn 1948)
Avondmaal
Hij heeft onhandig naar het brood gegrepen
en hield de beker te krampachtig vast.
Toen telde hij verstrooid de schaduwstrepen
der zilvren broodschaal op het wit damast.
Hij dacht er aan een kleine slok te nemen
omdat een grote hier toch ook niet past,
keek toen terzij naar mooie meisjesbenen
en dronk en zocht zijn zakdoek op de tast...
Zo zat hij bij U aan het avondmaal.
Hij zag het tafelkleed, het brood, de beker,
hij at, hij dronk, maar hij zag U voorbij.
En ik zat rechts van hem en schoof de schaal
hem haastig toe en keek, want ik was zeker
van een verwantschap tussen hem en mij.
Soms noemt iemand een dichter van wie ik niets gelezen heb, maar wiens naam mij nog bekend voorkomt. Andere dichters zijn zo ver weg gezakt in het stof van de tijd dat hun naam de naam van ieder ander had kunnen zijn; van een bakker in Dedemsvaart, een fietsenmaker in Andelst of een petroleumboer in Zaamslag. Niek Verhaagen - zijn naam leek al bij zijn leven niet in de hoofden van mensen te willen blijven hangen. Op zijn bundel De verboden vrucht (clandestien verschenen in 1943) staat op de voorkant de naam correct geschreven. Op het titelblad staat ‘Verhagen’, met slechts één ‘a’ dus.
Ook de redactie van het blad Het korenland kon de juiste spelling van de naam blijkbaar maar niet onthouden. In de laatste twee jaargangen (1937 en 1938) verschijnt vier keer een gedicht van hem, ondertekend met ‘Niek Verhagen’. In die jaargangen gaat het overigens ook zes keer goed en krijgt de dichter gewoon de dubbele ‘a’ in zijn naam.
‘Avondmaal’ is niet zo'n heel goed gedicht. Het is in de onvoltooid verleden tijd geschreven, behalve in regel 1. Een reden lijkt daar niet voor te zijn.
In de tweede strofe lijkt de verteller in het hoofd van de avondmaalganger te kunnen kijken en dus te weten waaraan hij denkt. Maar aan het eind van het gedicht blijkt dat de man juist alleen van buiten af wordt geobserveerd.
De derde strofe is waarschijnlijk de zwakste van het gedicht. Tafelkleed, brood, beker, drinken en eten worden nog eens herhaald en daarna komt het uitleggerige ‘maar hij zag U voorbij’, dat zo'n beetje alles doodslaat.
In de laatste strofe is er dan nog een aardige verspringing van de man aan de avondmaalstafel naar de ‘ik’, maar eigenlijk vind ik het slap dat de dichter die omweg nodig heeft, dat hij niet meteen de ‘ik’ introduceert en hem de beker krampachtig vast laat houden en naar de meisjesbenen laat kijken.
C. Rijnsdorp schrijft in In drie etappen dat de poëzie van Niek Verhaagen een klasse apart vormt, ‘niet zozeer om de kwaliteit als om de toon’ en die toon is ook de reden dat ik dit gedicht heb geciteerd.
In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse. Nog steeds wordt wel gesproken over het heilig avondmaal en in sommige kerken is het ronduit een zwaar onderwerp, maar Verhaagen toont ons een gewone man, die naar de schaduw op het witte kleed kijkt en naar zijn zakdoek zoekt. Niks sacraals, niks gewichtigs, niks eerbiedigs, niks beschroomds.
Het gedicht komt uit Verhaagens laatste bundel, Stukwerk (1946), en het zou kunnen zijn dat het in die tijd in het christelijke wereldje toch enigszins gedurfd was om op deze manier over het avondmaal te schrijven.
Verhaagen hield ervan om de kerk en het geloof terug te brengen tot het alledaagse. In dezelfde bundel schreef hij het volgende kwatrijn:
De verdoolde
Ik ben de kerk ontvlucht, want onze predikant
heeft naast zijn gouden ring geen spatter aan de hand.
Maar zie ik door de weeks zijn blonde dochter rijpen
dan neem ik mij weer voor hem beter te begrijpen.
‘Avondmaal’ is een deemoedig gedicht. De ‘ik’ voelt zich verwant met de man die wel het brood eet en de wijn drinkt, maar met zijn hoofd niet bij God is. In de laatste strofe zou men wat schuldgevoel kunnen lezen. Dat doet denken aan een gedicht in zijn debuutbundel, Kort traject (1939):
Gebed in de morgendienst
Heer, deze predikant die psalmen leest
is in de week ver van U weg geweest.
En wij, vanmorgen Uw verdwaalde schapen,
toonden wel ánders dan zo'n blatend beest...
Vergeef ons allen, Heer! maar mij het meest.
En in Stukwerk komt nog een uitdrukkelijke zelfbeschuldiging voor, in het sonnet ‘Kerstmis 1939’: ‘Niet Hitler, Stalin, Chamberlain, maar ik / heb Christus van dit werelddeel verdreven.’ Ik heb het gedicht enkele keren geciteerd gezien en wellicht is het een van de bekendere gedichten van Verhaagen geweest. In de verte doet het denken aan ‘'t En zijn de Joden niet Heer Jesu die u kruisten’ van Revius. Maar ik heb mijn twijfels bij Verhaagen. De vergelijking van de ‘ik’ met de groten der wereld is te grotesk, niet geloofwaardig. De dichter slaat zich net iets te hard vol schuldgevoel op de borst. Het lijkt allemaal zo deemoedig, maar de ‘ik’ plaatst zichzelf wel in het middelpunt en het vers begint wat te ronken.
Heeft dat met de oorlog als onderwerp te maken? Op zijn eerste en zijn laatste bundel na verscheen het hele werk van Verhaagen in de oorlog. De verboden vrucht in 1941, De Hollandse bruiloft in 1942, En zij zagen dat zij naakt waren nog een jaar later. Het waren clandestiene uitgaven. Blijkbaar heeft Verhaagen geweigerd zich aan te melden bij de Nederlandsche Kultuurkamer.
In het voorjaar van 1945 verscheen bij De Bezige Bij de bundel De laatste Adam, die Verhaagen publiceerde onder het pseudoniem Antonie Lems. Het zijn bepaald niet zijn beste gedichten. Verhaagen zet ze vaak behoorlijk vet aan: ‘Wanneer ik uitzie over stad en gracht / naar de verwoeste huizen, die nog roken, / weet ik mijn droom van gisteren gebroken / in de geweldsorgie van deze nacht [...]’.
Ook in deze bundel roept Verhaagen luid: ‘Ik ellendig mens’: ‘als [...] Gij Uw walging voor het mensenras / in bommen naar de aarde hebt gezonden, // waarom mij, even zondig, uitgezonderd / en laten leven tussen steen en as?...’
Het geronk van deze gedichten overstemt dat der bommenwerpers. Vooral als je weet dat Verhaagens stad in de oorlog gespaard is gebleven. Een gebombardeerde stad was blijkbaar een mooi dramatisch decor voor zijn gedichten.
Maar gelukkig heeft Verhaagen in veel andere gedichten, in andere bundels, een andere toon. Verscheidene gedichten drijven op een wat weemoedige ironie en hij moet ook uitgesproken hilarische verzen hebben geschreven. Ab Visser vertelt in ‘Klein mausoleum’ dat Verhaagen hem in dagen van verdriet opbeurde met cadeautjes, ‘verpakt in de allerzotste troostverzen’. En in een ‘in memoriam’ in het blad Ontmoeting schrijft Heeroma dat hij altijd met veel genoegen de gedichten en brieven van Verhaagen las. Een bezoek van of aan hem ‘kon daarentegen wel eens vervelend worden’. Ook Heeroma schrijft over Verhaagens humor: ‘De humor kon hem tot op zekere hoogte redden, maar hij slaagde er ook al weer niet in de humor zo te verdiepen dat deze de vormgeving van het hele leven en het hele dichterschap kon dragen.’
![]() |
| Deze foto stond bij de publicatie in Liter |
Heeroma gold als mentor van veel jonge protestantse dichters. In zijn huis ontmoette Ab Visser voor het eerst Niek Verhaagen. ‘Hij was klein van stuk, aan de gezette kant en blond’, constateerde Visser.
Die eerste ontmoeting was in de mobilisatiewinter van 1939. Verhaagen schreef toen al een tijd. In 1934 of 1935 sloot hij zich aan bij de ‘Christelijk-letterkundige kring te Delft’. Heeroma leerde hem daar kennen. Hij zag hem spelen in Vondels Joseph in Dothan en Adam in ballingschap. ‘Zijn gestalte uit die tijd staat mij het duidelijkst voor ogen in de transformatie van de aartsengel Gabriël, iets te klein, maar zeer beminnelijk.’
Volgens Heeroma zorgde Verhaagens contact met een ‘Christelijk-idealistische jeugdgroep, de Christen Jongeren Bond,’ ervoor dat Verhaagen ‘een radicale, profetische levenshouding’ aannam. In de debuutbundel Kort traject (1939) wordt meteen duidelijk dat Verhaagen een christelijk dichter wil zijn. Bij vier van de eerste vijf gedichten verwijzen de titels nadrukkelijk naar de Bijbel: ‘Jozef bij het kruis’, ‘Het kerstkind’, ‘Als Mozes’ en ‘Als Petrus’ en ook in andere gedichten komt het geloof of het gebrek daaraan naar voren.
Maar er zijn ook gedichten die juist over dagelijkse werkelijkheid gaan, die veel concreter zijn en die naar mijn gevoel een persoonlijker toon hebben. De eerste strofe van ‘Ik ben een schrijver...’ luidt:
Ik ben een schrijver op een klein kantoor
van 's morgens acht, met één uur middageten,
tot 's avonds zes en schrijf aan één stuk door
en tel mijn broeken op kantoorkrukken versleten.
Misschien zit in zo'n gedicht de humor waar Heeroma op doelt, de humor die de dichter niet helemaal zou kunnen redden. Heeroma noemt het in verband met de spanning tussen het leven dat de dichter in werkelijkheid leidde en dat hij zou willen leiden.
Verhaagen trouwde in de oorlog en kreeg een baantje als ambtenaar, schrijver tweede klasse. In 1945 publiceerde hij de korte roman Zonruiter, schrijver tweede klasse, geschreven in december 1943-januari 1944. ‘Sympathiek, maar zwak’, oordeelde Ab Visser. Heeroma ziet in de roman het conflict terug in het leven van Verhaagen: de man die dichter wil zijn, maar zich moet onderwerpen aan de slavernij van het werk, die gefnuikt wordt door zijn huwelijk, zijn vaderschap. Het is comfortabel om werk te hebben, getrouwd te zijn, vader te zijn, maar de onvrede blijft, omdat hij weet dat hij niet doet wat hij werkelijk wil doen.
In Kort traject komt het dorre ambtenarenbestaan vaker terug. ‘Collega x en ex’ opent met:
Men zegt dat hij een dwaas is, want hij dicht,
terwijl hij toch moest werken voor een akte.
En zijn collega x - die nimmer zakte -
stijgt jaarlijks in salaris en gewicht.
In De verboden vrucht is er ook een gedicht over een kantoorbediende. Het begint met:
Ik heb verachting voor de folianten
en maak grimassen als de baas niet kijkt,
knoei in de lijsten die ik vergelijk
en kreuk geestdriftig rekening-couranten.
De man blijkt het baantje toch aan te houden, omdat hij verliefd is op de dochter van de baas. Zoals in het eerder geciteerde kwatrijn iemand in de kerk blijft komen omdat hij het prettig vindt om naar de blonde dochter van de dominee te kijken. In Zonruiter wordt de hoofdpersoon uiteindelijk ontslagen omdat hij onder werktijd wordt betrapt als hij scharrelt met een vrouwelijke collega.
Verhaagen heeft zijn ambtenarenbaantje uiteindelijk opgegeven om van de pen te gaan leven. Maar er moet wel brood op de plank komen en daarom werd hij journalist. ‘Schrijver zoveelste klasse in een krant’, volgens Heeroma. Het lijkt erop dat Verhaagen er niet echt mee opgeschoten is. Het nieuwe baantje vergde nog meer tijd van hem dan het oude, weet Ab Visser.
In ‘Avondmaal’ glimmen onder de tafel de meisjesbenen. Verhaagen liet de erotiek in zijn gedichten toe, wat misschien in die tijd en in die kring toch bijzonder was. In de bundels De verboden vrucht en En zij zagen dat zij naakt waren ontloopt hij het beschrijven van de lichamelijke liefde niet. Niet altijd even geslaagd, niet altijd even subtiel: ‘Dan, onverwacht, strek ik mijn handen uit / en maak haar boezem, stevig bolwerk, buit.’ Maar er zijn gedichten bij die langer blijven hangen, niet briljant, maar op zijn minst heel aardig.
Abisag bij David [I]
Omdat geen kleed hem warmen kon, moet ik
nu bij hem liggen, maar ik vrees zijn handen
die koud als marmer aan mijn borsten branden
en die mijn hals betasten tot ik stik.
De aderen zijn rozerood en dik
en als hij mij omknelt, dan gruw ik van de
bijtende haren en de zwarte tanden
en van zijn grondeloze, harde blik.
Soms bid ik vurig: Here, laat hem sterven!
Ik wil niet bij hem slapen, ik wil niet
dat hij mijn jonge lichaam zal bederven.
Maar God vergeet mij en een rillend riet,
zo lig ik in zijn armen, die mij kérven,
mij weerloos schaap, dat men hem slachten liet.
Goed, dat ‘koud als marmer’ is een cliché en David wordt wel erg afschrikwekkend gemaakt met die ‘bijtende’ haren en dat zwarte gebit en ook dat ‘kerven’, met een accent, is overdreven, maar het gegeven uit de Bijbel wordt wel op een originele manier behandeld.
In het tweede gedicht in de cyclus is David in het begin nog steeds onaantrekkelijk, maar aan het eind van het gedicht is hij mild en begripvol:
Mijn boezem is Hachíla, mijn gezicht
Gilboa - daar is Jonathan gestorven...
Ach! drukt hij daarom steeds mijn ógen dicht?
Verhaagen is niet oud geworden. Ab Visser vertelt dat hij al eerder verkondigde dat hij de veertig niet zou halen en dat Visser dat aanstellerig vond klinken voor iemand die lichamelijk niets leek te mankeren. In 1948 ging Verhaagen op vakantie bij vrienden in Turijn. Hij werd getroffen door een hersenbloeding en overleed. De krant waarvoor hij schreef meldde in een ‘kort bericht’ dat ‘de journalist N. Verhaagen’ was overleden. Laten wij niet de journalist, maar de dichter gedenken. Al is het maar voor even.
maandag 8 juni 2026
Los (Merel Bem)
Tijdens de groepsreis ZelfBewust Wandelen & Communicatie (zbwc) ontdek je hoe het is om écht te wandelen in BewustZijn. Met aandacht voor je lichaam, je omgeving, het moment & de mensen die tijdelijk met je meebewegen. Los van dwang. Los van ruis. (...)
Ben jij iets van jezelf verloren onderweg? Wil jij loskomen van oude patronen en stevig in je eigen kracht gaan staan? Dan is deze wandelworkshop voor jou! gun jezelf dit. Zet die stap. Laat los & word heel.
Madeliefjes
Ik snap wel dat je daarin gelooft. Ze groeien hier gewoon óp de stenen, dat je denkt: hóé dan, joh?
Die madeliefjes staan ook prominent op de cover de roman.
Los begint met een proloog, waarin Anja net de groep wandelaars verlaten heeft. Blijkbaar is de spanning hoog opgelopen.
Ze voelde de verbaasde blikken van de anderen in haar rug, maar het was al te laat, daar ging ze, het was hun eigen schuld. Hadden ze haar maar niet de hele tijd over het hoofd moeten zien.
Kleurloos
Door de jaren heen was Anja gewend geraakt aan haar onzichtbaarheid, waardoor ze soms eenzaam was, maar vaker nog - ze schaamde zich er bijna voor - comfortabel en vreemd bevoorrecht. Niet bekeken worden was zo lekker rustig.
Moeder
Ironie
Enige dramatiek
vrijdag 5 juni 2026
Afgestoft: Justus de Harduwijn
Een groot deel van onze literatuurgeschiedenis bestaat uit namen. Sommige namen kent bijna iedereen, maar dat wil niet zeggen dat het werk van deze schrijvers ook gelezen wordt. Wie leest nog de sonnetten van Kloos? Wie heeft een bundel Vondel op zijn nachtkastje liggen? Wie kan drie gedichten van Bilderdijk reciteren? Hun werk is vindbaar, maar het wordt nog maar weinig gelezen.
Er zijn dichters die intussen zover onder het stof terechtgekomen zijn, dat zelfs hun namen door velen vergeten zijn. Justus de Harduwijn, Joannes Reddingius, H.W.J.M. Keuls, bijvoorbeeld. Van enkele van die dichters wil ik in deze rubriek het stof af blazen.
Sonnet V
't En is de blondheid niet van uw gestruiveld haar,
't en is uw voorhoofd niet zo matig opgerezen,
't en is uw windbrauw niet, noch uwen mond geprezen,
en vieriglijk aanbeên van zo menig minnaar;
't en zijn uw lipkens niet, die elkeneen voorwaar
wonden als 't hen gelieft, en wederom genezen;
't en zijn uw deugden niet, noch uw bevallig wezen,
noch het toov'rig gelaat dat in u schijnt eenpaar;
't en zijn uw wangen niet, met purperrood begoten;
't en zijn die perels niet, in uwen mond gesloten;
't en is uw tale niet, nochtans als heunig zoet;
maar 'tgene dat mijn jeugd als een blad komt verdrogen,
en jongjarig hert van binnen branden doet,
en is anderszins niet, dan 't raaisel uwer ogen.
Justus de Harduwijn
Eind jaren tachtig fietste ik dagelijks naar en van mijn werk, twee keer een uur. Ik kortte de tijd met lezen tijdens het fietsen. Het is even wennen, maar als je de witte streep van het fietspad onder de punt van je boek door laat glijden, is het te doen. Tijdens die fietstochten las ik veel poëzie; korte zinnen, waarvan je nog eens kunt opkijken. Een van de dichters die ik toen las, was Justus de Harduwijn, die toen al driehonderdvijftig jaar dood was, maar al die jaren vielen weg en zijn stem klonk nog glashelder.
Justus de Harduwijn werd geboren op 11 april 1582 in Gent, in een intellectuele en kunstzinnige omgeving. Zo was zijn vader (François) bevriend met een van de eerste renaissancedichters uit onze literatuurgeschiedenis, jonker Jan van der Noot. Justus erfde van een oom een rijke bibliotheek, en een andere oom (Maximiliaan de Vriendt) stimuleerde hem en wees hem de weg naar het humanisme. De Vriendt liet hem onder anderen Petrarca lezen en Justus' vader bracht hem op de hoogte van de nieuwe poëziestromingen in Frankrijk (de Pleiadedichters).
Met de elite van de jeugd werd Justus onderwezen door de jezuïeten. In 1600 ging hij naar Leuven om daar de beide rechten te gaan studeren.
In 1607 werd De Harduwijn tot priester gewijd en aan het eind van dat jaar werd hij benoemd tot pastoor van Oudegem en Mespelaar (bij Dendermonde). In 1613 verscheen anoniem zijn eerste bundel: De weerliicke (wereldlijke) Liefden tot Roose-Mond. De gedichten waren waarschijnlijk al een decennium eerder geschreven, maar De Harduwijn had ze tot die tijd niet uit willen geven. De hoogleraar Erycius Puteanus, factor van de rederijkerskamer in Aalst, was ervan overtuigd dat de gedichten van De Harduwijn belangwekkend waren en samen met enkele literaire vrienden van de dichter, kreeg hij hem zover dat hij zijn poëzie uit handen gaf.
De weerliicke Liefden tot Roosemond bestaat uit een krans van vijftig sonnetten met daar tussendoor enkele liedjes, oden en elegieën gevlochten. De bundel toont ons de opbloei en het verbloeien van een liefde. Het is de eerste bundel in het Nederlands die op die manier gecomponeerd is.
Wie het bovenstaande gedicht leest, merkt dat De Harduwijns gedicht nog niet in zuivere jamben is geschreven, maar hij hanteert het metrum al veel soepeler dan bijvoorbeeld Van der Noot. In navolging van Petrarca benoemt hij allerlei schone onderdelen van zijn geliefde Rozemond, waarbij vooral het hoofd uitgebreid aandacht krijgt: haar, voorhoofd, wenkbrauw, mond, wangen, tanden. Het mooie is dat De Harduwijn al deze schoonheden noemt, maar ze aan het eind van het gedicht weer relativeert. Al die dingen vallen in het niet bij ‘het raaisel uwer ogen’.
Het stralen van Rozemonds ogen maakt zo'n indruk op de dichter dat de rest erbij verbleekt.
In het sonnet ervoor had hij nog geschreven hoe juist het haar, de tanden, de lippen enzovoort hem duizendmaal per dag deden ‘hersterven en herleven’:
O blond-gestruiveld haar! Haar dat de zon beraait,
dat mijn jongjarig hert houdt zo strange bevangen!
O tanden van ivoor! O sneeuwwittige wangen,
die 't pinseel van Apell' met purper heeft verfraaid!
[...]
Rozemonds ogen moeten iets bijzonders geweest zijn. Maar liefst zesenzestig maal noemt De Harduwijn ze in zijn gedichten. Maar ze laten slechts zijn jeugd verdrogen en zijn hart branden, want blijkbaar moet Rozemond niet veel van de dichter hebben. In een ‘klachtdicht’ schrijft De Harduwijn dan ook ‘Schoonheid zeer zoet in 't oog, bitter nochtans in 't hart.’ Zijn aanbedene zal het geschenk dat hij haar met nieuwjaar aanbood, dan ook niet aangenomen hebben:
Heden, als elk zijn lief met giften gaat vereren,
schenk ik u voor nieuwjaar mijn herte, Rozemond.
(Sonnet XLI)
Velen, vooral uit de omgeving van Harduwijn, hebben gesuggereerd dat het hele Rozemondverhaal maar een literair spel is, misschien om de priester De Harduwijn uit de wind te houden. Het zou liefde zonder liefde zijn, amor sine amor. Ik geloof er niets van. Het hart van de dichter klopt er voor mij nog zo duidelijk hoorbaar in, dat niemand mij wijsmaakt dat het maar papier is, dat het maar letters zijn. Voor mij is het allemaal waar, of het nu echt gebeurd is of niet.
Met de Rozemondbundel liep het bijna even triest af als met de liefde van de dichter. Even als later Luyken zou doen, herriep De Harduwijn zijn bundel, nam exemplaren in en vernietigde ze. Hij nam uitdrukkelijk afstand van zijn ‘Venus gejanksel’. Daarna zou hij nog alleen geestelijke poëzie schrijven (die trouwens ook van hoog niveau zou zijn). Lange tijd waren daardoor de liefdesgedichten onvindbaar. In de zevendelige literatuurgeschiedenis van G. Kalff, waarvan het laatste deel in 1912 verscheen, wordt De Harduwijn niet eens genoemd. Pas in 1913 dook het tot nu toe enige bekende exemplaar van het Rozemondbundeltje op. Nog in 1972 volgde een tweede druk van een heruitgave en Komrij gunde De Harduwijn in zijn bloemlezing acht gedichten, waarvan zeven uit Rozemond. Het heeft niet geholpen, vrees ik.




















.jpeg)
.jpeg)

.jpeg)














