donderdag 21 mei 2026

De ziener (S. Vestdijk)


Het is al bijna twee jaar geleden dat ik een boek van Simon Vestdijk las, zie ik. Link naar de bespreking vind je onderaan. En ik had me nog wel voorgenomen om elk jaar iets (en zo mogelijk meer dan iets) van hem te lezen. Al was het maar om de norm weer helder te krijgen: zo ziet een goed boek eruit. 

Natuurlijk is niet elk boek van Vestdijk even goed. Hijzelf vertelde in een interview aan Clara Eggink (De Telegraaf, 13 november 1959) dat hij bij herlezing zijn romans De vuuraanbidders en Het vijfde zegel 'bar vervelend' had gevonden. Maar van zijn formuleerkunst geniet ik ook in de wat mindere romans. 

Al een tijdje had ik een stapeltje Vestdijk klaarliggen en daarvan heb ik nu De ziener gelezen. Ik wist dat het boek over een voyeur ging. Een collega bij de Staatsexamens vertelde me dat ik in die voyeur vooral ook de schrijver moest zien, dus dat heb ik in mijn achterhoofd gehouden toen ik het boek las. 

De ziener verscheen in 1959. Ik las de tweede druk uit 1966. Daar staat op de achterflap een citaat uit de recensie van H.A. Gomperts, Het Parool,  31 oktober 1959. Die ziet in de voyeur duidelijk de schrijver. 


Die link was niet zo heel moeilijk te leggen, want op de achterkant van de eerste druk was ook al duidelijk gemaakt dat de voyeur staat voor de schrijver. Ondanks die aanwijzing, wilde of kon niet iedereen die parallel zien. 

De recensent van de Arnhemsche Courant,1 december 1959, schreef:


Bij oudere boeken wordt soms op de achterflap al het hele verhaal uit de doeken gedaan, zonder dat men blijkbaar bang was voor spoilers. In hoeverre dat bij de eerste druk gebeurd is, weet ik niet, maar wel dat ons er nadrukkelijk op gewezen wordt dat De ziener niet alleen gaat over voyeurisme, maar over het schrijverschap. 

Ik veronderstel dat dat gebeurd is omdat men het onderwerp controversieel achtte. In de recensies wordt hoofdpersoon vaak negatief getekend. De recensent neemt duidelijk afstand van Pieter le Roy. Enkele woorden die ik in recensies las: 'bepaald onfris', 'miezerig', 'een ietwat drabbige nietsnut', 'een geestelijk en sexueel gestoorde'. 

Pieter le Roy

Over wie hebben we het eigenlijk? Het betreft Pieter le Roy, een in het zwart geklede man, met een breedgerande hoed op. Hij woont nog thuis, bij zijn moeder, en heeft een postzegelverzameling. Hij vervult een adviseursfunctie bij een lompenhandel, maar die baan stelt eigenlijk niks voor, al probeert hij zich wel belangrijk te maken. In de loop van het boek raakt hij het baantje ook nog kwijt. Dat is misschien een spoiler, maar om spoilers bekommer ik mij niet in dit stuk. Volgens mij is een roman van Vestdijk altijd de moeite waard, ook als je al weet hoe die afloopt. Maar mocht je liever in het ongewisse blijven, lees dan de rest van dit stuk niet. 

Le Roy houdt ervan vrijende paartjes te bespieden. Hij weet dat hij daarbij betrapt kan worden en dat windt hem op. Zeker als hij dan ook daadwerkelijk betrapt wordt en een pak slaag krijgt. Het is hem niet om die aframmeling te doen, maar het moment er vlak voor. 

Maar zolang ze hem niet lam sloegen, of voor het leven verminkten, dan maakte ook dàt geen verschil. Het was de prijs nu eenmaal, de onaangename kant. Het allerlaatste. Het voorlaatste was heerlijk. Als ze op je afkwamen. Er zou een middel moeten bestaan om ervoor te zorgen, dat ze op je afkwamen, en dan niet sloegen. Maar als ze niet sloegen, dan wist je ook niet of ze op je af waren gekomen om te slaan en dat hinderde niet voor één keer, maar wel voor de volgende en daarop volgende keren, want dan zou je niet meer geloven dat het ernst was. 
Overigens overdreef hij, want in de vier of vijf jaar, waarin het misschien honderd of honderdvijftig maal gebeurd was, hadden ze hem niet meer dan twintig maal geslagen, ruim berekend. 
Verderop in het boek zal hij tegen iemand nog duidelijker uitleggen wat dat moment, vlak voor een aframmeling met hem doet:
Wanneer zo'n stel dan op me afkomt, of de jongen alleen, dan voel ik me opeens gelukkig. Dan is het of er iets geweldigs gaat gebeuren, een mooi feest, of een geweldige natuurramp, of een veldslag waarvan je niet weet hoe het zal aflopen, - een geweldige spanning, iets beslissends in je leven, - (...)

Le Roy is ook een intrigant. Bij een kaatswedstrijd doet er iemand mee wiens been niet helemaal in orde is. Le Roy wil dat dan wel even melden. Hij komt het huis van de notaris Thieme Bakker binnen en neemt schrijfpapier van hem mee om op dat papier te vertellen dat er een speler meedoet die eigenlijk geweerd zou moeten worden. 

Juffrouw Rappange en Dick

In het huis van Le Roy en zijn moeder worden kamers verhuurd en een ervan is verhuurd aan juffrouw Rappange, een docente Frans, 34 jaar oud. Er wordt expliciet door Vestdijk verteld dat ze niet knap is. Een andere belangrijke figuur is Dick, een scholier uit de hoogste klas van de hbs. Die heeft het ooit voor Le Roy opgenomen toen die een aframmeling kreeg. Volgens Le Roy heeft Dick zijn leven gered. 

Dick Thieme Bakker komt wel eens bij juffrouw Rappange op de kamer en Le Roy schrijft daarna twee anonieme brieven waarin verteld wordt dat de twee 'een liaison' hebben. Zowel de directeur van de school als de vader van Dick krijgen de brief. 

De ontvangers spelen open kaart. Thieme Bakker vertelt het aan zijn zoon en de directeur bespreekt het met enkele personeelsleden. In de hele roman zijn de personen vrij eerlijk tegenover elkaar: Dick bespreekt het met juffrouw Rappange en zij besluiten zich niets aan te trekken van de publieke opinie en elkaar regelmatig te zien in verband met bijlessen, die Dick eigenlijk niet nodig heeft. 

Aan de ene kant wil Le Roy graag dat juffrouw Rappange en Dick een relatie beginnen, zodat hij ze kan beloeren. Daartoe klimt hij in een boom en vandaaruit kan hij in de kamer van Rappange kijken. Hij wordt gezien en ook nu weer wordt er open kaart gespeeld: Dick spreekt Le Roy aan en juffrouw Rappange gaat ook een gesprek met hem aan. 

Aan de andere kant lijkt het erop dat Le Roy die twee ook gewoon een relatie gunt: Dick heeft immers zijn leven gered en juffrouw Rappange is altijd vriendelijk en ze bewaart buitenlandse postzegels voor zijn postzegelverzameling. In die zin is zijn gemanipuleer een daad van liefde. 

Door de omstandigheden worden de twee naar elkaar toe gedreven, zonder dat ze daaropuit zijn. Uiteindelijk vertrekt juffrouw Rappange en daarvan stelt Le Roy Dick meteen op de hoogte, zodat hij haar op station misschien nog kan treffen. 

De voyeur en de schrijver

Le Roy staat dus voor de schrijver: hij creëert situaties en kijkt er van een afstandje naar, maar neemt er eigenlijk niet aan deel. Nol Gregoor, aan wie De ziener is opgedragen, heeft ooit over Vestdijk gezegd dat hij schrijft om niet te hoeven leven. Dat is misschien wat kras uitgedrukt, maar een schrijver moet het in ieder geval hebben van zijn verbeelding. 

Le Roy kijkt niet alleen naar vrijende paartjes, maar soms fantaseert hij ook wat er allemaal kan gebeuren. Dan is zijn verbeelding volop aan het werk. Zo stelt hij zich voor dat zijn zus Tine loopt naast Roukema (van de lompenhandel), hoewel die twee nog nooit een woord gewisseld hebben.  

Le Roy manipuleert mensen, maar hij kan niet voorspellen hoe ze zullen reageren. Misschien heeft ook de schrijver zijn personages niet altijd in de hand en gaan ze uiteindelijk in de roman hun eigen gang. De schrijver kan dan alleen noteren wat er gebeurt: hij is de voyeur die het allemaal ziet, maar er uiteindelijk niets aan kan doen. 

Je zou kunnen zeggen dat de titel De ziener ironisch is: het gaat om iemand die ziet, een loerder, maar niet om een soort profeet. Maar misschien is er ook een minder ironische kant aan de titel. Le Roy voorziet dat Dick en juffrouw Rappange uiteindelijk samen zullen komen, dat er misschien wel een liefde tussen hen zal groeien. 

In een gesprek met juffrouw Rappange probeert Le Roy uit te leggen wat de reden is van voyeurisme en dat het niets te maken heeft met nieuwsgierigheid. 
Je kunt het vergelijken met God. God ziet óok alles, terwijl Hij toch niet ingrijpt, tenminste normaal niet, en Hij doet dat ook niet uit nieuwsgierigheid, want Hij weet alles van tevoren.
God is de schepper bij uitstek, maar ook degene die alles voorziet, die weet wat er gebeuren zal. Zowel Le Roy als de schrijver zijn daarin met hem verwant. 

Dat juffrouw Rappange uiteindelijk vertrekt, komt doordat ze weet hoe Le Roy alles opgezet heeft. Ze zegt dat ze niet kon blijven, omdat ze zich dan altijd een creatuur van Le Roy zou voelen en Dick ook. 

Van De ziener heb ik zeer genoten. In het eerste hoofdstuk leren we Pieter Le Roy kennen, maar voor mijn gevoel was het allemaal nogal ongericht. Langzaam kom je erachter met wat voor persoon je te maken hebt. Vestdijk switcht vaak van perspectief en daar lijkt weinig systeem achter te  zitten, maar daar wende ik tijdens het lezen snel aan. 

Het boek wordt in de loop van het verhaal alleen maar spannender en je komt dan als lezer dichter bij de personages en leeft meer met hen mee. Mooi boek. 

Koppelaar

Mijn collega bij de staatsexamens vertelde me dat hij ook gelezen had wat Pauline Slot en Maarten 't Hart over deze roman geschreven hebben en dat zich erover verbaasd had dat die niet ingingen op de koppelaarsrol van Le Roy. Volgens hem is Le Roy juist dan te vergelijken met de schrijver. Hij brengt de twee immers samen door brieven te schrijven. 

Dat is zo, al zie ik de schrijver net zo goed, zo niet meer, terug in de verbeelding van Le Roy, in zijn manipulatie, in zijn rol van buitenstaander. 

Dat Le Roy de opzet heeft om juffrouw Rappange en Dick samen te brengen, staat expliciet in het boek en het komt ook terug in verschillende recensies die indertijd verschenen. Dat Slot en 't Hart dat niet noemen, is dan wel vreemd, maar ik heb hun boeken niet gelezen en misschien past dit gewoon niet in wat ze over dit boek wilden schrijven. 

Ontvangst

De recensies die indertijd verschenen zijn, zijn overwegend positief. De recensent van De tijd De Maasbode  van 31 oktober 1959 vindt de roman niet zo geslaagd, omdat hij vindt dat het verhaal lijdt onder de symbolische betekenis ervan:


In Het Parool  van 31 oktober 1959 bespreekt H.A. Gomperts De ziener. Hierboven citeerde ik daar al wat uit. 
De mensen die Vestdijk plegen te beschuldigen van een ongezonde voorkeur voor onfrisse en morbide onderwerpen, krijgen dus met dit boek heel gemakkelijk gelijk. Maar zij zouden zich toch vergissen, als zij meenden dat het deze schrijver alleen om het nogal groezelige genoegen van het bekijken van zo'n bekijker te doen was. 
Hij bespreekt de roman tegelijk met een deel uit de Anton-Wachterreeks, De rimpels van Esther Ornstein, 'als roman een van Vestdijks zwakste boeken'. Over De ziener is hij alleen maar positief. 

In het Zutphens Dagblad van 9 november 1959 heeft Willem Brandt wat meer reserves. Hij vindt De ziener een beetje een herhaling van Het glinsterend pantser en hij vindt het verhaal hier en daar te veel uitgesponnen. Toch eindigt hij zijn recensie met:


Ronduit lovend is B. Stroman, de recensent van het Algemeen Handelsblad, 19 december 1959. Hij gaat uitgebreid in op de parallel met het schrijverschap en vindt De ziener ontroerend.  


Ook noemt hij de scène waarin misschien wel het duidelijkst blijkt dat Le Roy van een afstand toekijkt. Hij vernielt dan zijn dierbare postzegelverzameling en bekijkt tegelijkertijd zichzelf van een afstandje. Het is een prachtige passage. 
Maar onderwijl, alsof hij in een hoek van de kamer zat toe te zien, zag hij zichzelf aan de tafel het album vernielen, blad voor blad in tweeën en vieren scheuren, soms door de postzegels heen, soms vlak er naast. Daar zat hij, die andere Le Roy, hij zat daar met een doodsbleek gezicht en met tranen in de ogen iets te doen dat hij niet wou doen, een nogal nare vent om te zien, straks zou hij zijn domineeshoed opzetten en de straat opgaan, te beroerd voor een doodschop, - maar hij zat daar, en hij verscheurde zijn eigen postzegels, als de bewijzen van zijn schande, de paspoorten van zijn korte reizen, de zinnebeelden van zijn hart. 
Dat de recensent geroerd is, dat de roman hem aangesproken heeft, komt terug in meer recensies. In de Volkskrant van 3 december 1959 schrijft Gabriël Smit een niet zo lange bespreking, maar hij is heel lovend. Hij schrijft dat hij vaak een kille afstandelijkheid ervaart bij het lezen van het werk van Vestdijk, maar dat dat nu helemaal niet het geval is. De manier waarop Pieter le Roy beschreven is, vindt hij zelfs ontroerend. 

Hetzelfde overkwam de recensent van Trouw, 27 februari 1960, die vooraf niet zo'n zin had in een boek van Vestdijk, maar dit een ontroerende roman vindt. 

 
Hij noemt in het stukje hierboven dat er romans zijn die hij 'vervelend of om andere reden onaanvaardbaar' vindt. De recensent, v D., moest natuurlijk wel zijn christelijke lezerspubliek in het oog houden. Hij eindigt zijn bespreking dan ook met:
Een knappe, boeiende, verrassende roman. Wij wijzen er onze lezers nadrukkelijk op, dat dit niet een christelijke roman is en dat de auteur zich in sommige gesprekken een voor zijn sujetten kenmerkend gebruik van platte woorden veroorlooft, een gebruik dat ons tegen de borst stuit en dat vermeden kan worden. 

Stijl

Afgezien van hoe knap de roman is of hoe boeiend het verhaal is, bij Vestdijk zijn er ook altijd weer zinnen die opvallen, omdat ze verrassende beelden bevatten. Ik geef drie voorbeelden.

Het waren twee oude warmoezeniershuisjes, kleumig tegen elkaar aangedrukt, de kinds geworden gevelgezichtjes naar hun oude straatweg gekeerd.

In zulk een neerslachtige toestand kwam hij bij de directeur aan, met zulke sprekende gebaren van rouwbetoon, als een oudtestamentisch profeet die een andere profeet de ondergang van de de tempel komt aanzeggen (...).  

Was de directeur niet slaperig, dan ging er nog heel wat gezag van hem uit, vooral wanneer hij losweg bevelen gaf over enkele meters afstand, waarbij zijn oogspleten zich samenknepen en zijn stem een dwingende galm aannam; hij was dan als sommige legeraanvoerders, die in de open lucht, met wat kruitdamp, veel meer waard lijken dan tijdens een krijgsraad in de tent; men zag dan, dat hij misschien wel een domme man was, traag van begrip, gauw in de war wanneer men men hem haastte, maar geen onbeduidende man. 

De meeste recensies van De ziener waren positief en dat oordeel werd nog eens onderstreept door de jury van Romanprijs van de stad Amsterdam, die eind 1960 de prijs toekende aan Vestdijk voor De ziener

Nijmeegsch Dagblad, 29 december 1960


Eerder schreef ik over ander werk van Vestdijk:

woensdag 20 mei 2026

Genieten bij de brandstapel

 Deze keer twee stukjes uit het dagboek dat ik in 2023 bijhield. Het eerste, over het opruimen en verstoken van het snoeihout schreef ik op 12 september, het tweede, over het snoeien bij tante Jannie, een week later. 

Ik plak er een foto bij die genomen is achter het huis van tante Jannie. Ik heb de ratel in mijn handen, naast mij zit mijn neefje Joop op de driewieler. De foto is genomen in juni 1967. Het is de maand dat ik acht jaar oud werd. Met de ratel moest ik de spreeuwen verjagen uit de morellen van mijn tante. 



Eerst maar even wat ik al beloofd had: over snoeihout opruimen. In de winter heeft mijn vader het niet zo druk. Twee keer per dag de koeien melken en de varkens voeren, maar aan het fruit hoeft hij niets te doen.

Soms wel. Dan heeft hij fruit in ‘de cel’. Er zijn koelcellen en je hoort ook wel over de gascel. Een koelcel kan altijd opengemaakt worden. Dan kun je de kisten eruit halen, maar dan moet het fruit nog wel gesorteerd worden. Er kunnen intussen hier en daar rotte appels of peren in de kisten zitten. Verschillende fruittelers hebben hun fruit in dezelfde cel.

Een gascel maak je niet even tussendoor open. Is er vooraf een datum afgesproken? Ik weet het niet.

Als pa niet hoeft te sorteren, gaat hij snoeien. Dat is altijd in de winter. Als het erg koud is, draagt hij zwarte, wollen wanten. Ze zijn eigenlijk niet zo dik, maar blijkbaar dik genoeg. Het kan gemeen koud zijn. Mijn vader draagt klompen, waarin je minder snel koude voeten krijgt dan in laarzen. Ik heb ook wel boeren gezien die stro in hun klompen doen en de vader van mijn vriendje Gerard draagt klompsloffen, een soort leren pantoffels die je in je klompen aan kunt houden. Dat doet mijn vader niet.

Hij neemt een snoeischaar mee en een zaag aan een lange steel. En een ladder natuurlijk. Af en toe komen er een stel fruittelers samen voor een soort instructie. Van Drumpt, een oude man, is meesterknecht bij de baron. Gerard noemt hem altijd ‘boaske’. Als de fruittelers een tijd naar de instructeur hebben geluisterd, vragen ze aan Van Drumpt, hoe hij de boom zou snoeien. Hij zegt dat hij dat niet kan uitleggen, maar dat hij het wel voor kan doen. Hij doet het zoals de instructeur het nooit gedaan zou hebben, maar iedereen heeft respect voor Van Drumpt. Mijn vader vertelt het als hij terugkomt, vol bewondering.

Soms neemt mijn vader mij mee naar het snoeien. Dan moet ik het snoeihout opruimen. Ik moet het op hoopjes leggen. Dat doe ik met de gavel, de hooivork, maar het is onhandig werk, want de takken steken alle kanten uit en vallen steeds van de gavel af. Ik vind het geen prettig werk. Als alles gesnoeid is, liggen er overal hoopjes snoeihout in de boomgaard.

Dan rijdt mijn vader erlangs met de trekker en de wagen en laadt hij het snoeihout op. Het komt wel voor dat de dikke ome Henk hem erbij helpt. Al het snoeihout wordt gelost in een droge sloot. Mijn vader rijdt de wagen dicht langs de kant van de sloot. Ome Henk en hij zetten allebei een gavel in de vracht hout en schuiven zo de hele vracht de sloot in. Het wordt een gigantische stapel.

Ergens onder in de houtstapel hebben de mannen oude autobanden op het hout gegooid. Daarop is de rest van het hout gekomen. En dan gaat de boel in brand. Mijn vader heeft een jerrycan met benzine of dieselolie en dat gaat over het hout heen.

Het brandt als een gek. De vlammen komen meters boven de brandstapel uit. Het lijkt of ze de zwarte wolken rook naar de hemel duwen. Ik sta vanaf een eindje te kijken en voel hoe het vuur mijn gezicht warm maakt. Het is een prachtig schouwspel. Ook de mannen genieten ervan. Het is mooi en een beetje gevaarlijk en dat is een goede combinatie. Als we thuiskomen, moppert mijn moeder omdat we zo naar de rook ruiken.

Het plezier van het vuur maakt alles goed. Ik ben meteen vergeten met hoeveel tegenzin ik het snoeihout op hoopjes heb gelegd. Het was het allemaal waard.

---

Nog even iets over snoeien. Tante Jannie is weduwe. Haar man, ome Jo, heb ik maar eventjes meegemaakt. Ik herinner me nog maar weinig van hem. We waren een keer aan het spelen met veilingkistjes en die moesten we van hem weer opruimen. Het was niet bij hem thuis, maar bij ons. Een strenge man, lijkt me.

Tante Jannie heeft een uitkering als weduwe, denk ik. Ze verdient verder geld als naaister. Dat kan ze goed. Allerlei vrouwen bestellen bij haar hun kleren. Ze heeft hele stapels van bladen waarin patronen staan: de Marion en de Burda.

Verder heeft ze fruit. Veel morellen, dat zijn zure kersen. Maar de morellen van tante Jannie zijn net iets minder zuur dan die van andere mensen. Blijkbaar is het een apart ras. Ze heeft ook pruimen en kleinfruit: rode bessen en kruisbessen. Waarschijnlijk ook wel wat aardbeien. In de zomer logeer ik vaak bij haar en dan help ik met het plukken van de morellen.

In de winter gaan de mannen van de familie snoeien bij tante Jannie: mijn vader, zijn broer (ome Wout), ome Kors (de man van tante Annie) en Teunis, de oudste zoon van ome Kors. Hij zit al op de landbouwschool.

De mannen zijn buiten aan het snoeien en ik speel binnen, met Joop of alleen. Tante Jannie heeft een oud spel met vierkante kaarten, waarop allerlei voorwerpen staan afgebeeld. Daar kun je in je eentje niks mee. Wel met het advertentiespel, waarmee je zelf rare advertenties kunt maken. En Joop heeft veel jeugdboeken, over Pinkeltje en over Bakkertje Deeg.

Tante Jannie gaat dan aan het koken, want er wordt tussen de middag warm gegeten. Het smaakt ons altijd goed als tante Jannie kookt en het is gezellig om met zoveel mensen aan tafel te zitten.

Na het eten pakt tante Jannie de Bijbel en geeft die aan mijn vader. Blijkbaar is mijn vader het belangrijkst van al die mannen. Zo voel ik het tenminste. Ik ben trots op hem. Door hem word ik ook een beetje bijzonder.

Ik denk dat vooral de bessen gesnoeid worden, de pruimen misschien een beetje, de morellen niet. Het is in een dag eigenlijk altijd wel gebeurd.

dinsdag 19 mei 2026

Greenwood 2: De wedstrijd (Canepa/Halard/Almanza)

Schrijven over een strip voor kinderen is altijd lastig, omdat je je volwassenheid niet kunt afleggen en tijdens het lezen van die strip moet je maar hopen dat je kindheid nog genoeg te bereiken is. En dan nog: in hoeverre is het kind van toen te vergelijken met het kind van nu? Aan de andere kant mag je ook best met een volwassen blik kijken naar hoe degelijk een kinderstrip in elkaar zit. Vind ik. 

Greenwood is duidelijk bedoeld voor kinderen. De personages zijn sprekende dieren en het zijn ook allemaal jonge dieren, dierenkinderen. Soms heeft het verhaal iets spannends of iets griezeligs, maar nooit zo dat een kind er wakker van zal liggen. In de grond is het een knus en veilig verhaal. 

De wedstrijd

In deel 1 (zie link onderaan) werd er toegewerkt naar een wedstrijd in het bakken van een hartige taart en het vriendenclubje dat centraal staat, gaf zichzelf goede kans om te winnen. Deel 2 heet De wedstrijd en dat is dan ook de taartenbakwedstrijd. Hoe het afloopt mag ik wel spoilen, lijkt me, want we weten het al op de helft van het album. De taart van onze vriendjes blijkt afschuwelijk te smaken. Ze winnen dus zeker niet. 

Hoe komt hun taart aan zo'n afschuwelijke smaak? Is er wat misgegaan of is hier sprake van sabotage? Dat is de vraag waar de dieren in de rest van het album mee zitten en ze doen hun best om een antwoord op die vraag te krijgen. In dit deel lukt dat niet meer, maar misschien in het volgende, dat in voorbereiding is, De zaterdagclub.

Greenwood is een leuke strip voor kinderen. De scenaristen, Barbara Canepa en Anaïs Halard hebben ongetwijfeld spanning aangebracht in het verhaal: heeft het vriendenclubje pech gehad of zijn ze het slachtoffer van een rotstreek? Een deel van dit album is detectiveachtig, waarbij details cruciale aanwijzingen kunnen geven. Er is bijvoorbeeld kauwgom gevonden, maar de dieren kennen niemand die kauwgom gebruikt. Zeggen ze, in ieder geval. 

Tekeningen

De tekeningen, door Jéremie Almanza, zijn gedetailleerd en je merkt de lol waarmee al die details getekend zijn. Kinderen kunnen lang naar een tekening kijken en dromen dat ze zelf in zo'n fantasieomgeving zouden zijn. Jonge lezertjes kunnen strips wel twintig keer lezen, maar ook als ze het verhaal niet meer zouden hoeven te lezen, blijft er nog genoeg te kijken. 

Net als in deel 1 wordt het verhaal af toe onderbroken door een bladzijde uit een encyclopedie. Deze keer over 'De opa van het bos' (de eik), over vuurvliegjes en over 'Het mysterie onder onze voeten' (o.a. over de communicatie tussen bomen). Dat laatste is ook zeker van belang voor het verhaal: als het blad van een acacia wordt aangevreten, wordt het bitter, om bijvoorbeeld de grote grazers af te schrikken. Zou zo'n blad voor de nare smaak van de taart gezorgd hebben?

Er wordt verondersteld dat bomen ondergronds met elkaar communiceren via schimmelnetwerken, maar daar wordt nog studie naar verricht en er is nog wel wat bewijs nodig, lees ik hier. Maar de weetjes in het album vallen bij kinderen waarschijnlijk in vruchtbare aarde en het lijkt me alleen maar te prijzen als kinderen meer willen weten over de natuur om hen heen. 

Ook dit tweede deel van Greenwood is een sfeervol album. Het is een knus verhaal met een zekere spanning en een soms wat geheimzinnige setting. Maar voor kinderen is er altijd een gevoel van veiligheid. Ze kunnen zich gemakkelijk identificeren met de dieren en ze weten dat het uiteindelijk allemaal goedkomt. 


Serie: Greenwood
Deel 2: De wedstrijd
Scenario: Barbara Canepa en Anaïs Halard
Tekeningen: Jéremie Almanza
Tekeningen encyclopedie: Giovanni Rigano
Vertaling: Mariella Manfré
Uitgever: Silvester Strips
2025, 48 blz. € 9,95 (softcover), € 19,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over:

maandag 18 mei 2026

De schoft (Marente de Moor)


Vorig jaar schreef ik over Foon van Marente de Moor en ik vond en vind het een prachtig boek. Het had zomaar opgenomen kunnen worden in de lijst met de beste boeken die ik dat jaar gelezen had, maar ik had met mezelf afgesproken dat ik me zou beperken tot tien boeken en toen paste het er niet meer in. 

In 2025 verscheen er een nieuwe roman van De Moor, De Bandagist. Voor de zekerheid nam ik dat alvast op in de lijst van beste boeken die ik dat jaar niet las. Dat is meestal een goed geheugensteuntje bij het kopen van boeken. Maar ik heb nu eerst een iets oudere roman gelezen, De schoft, uit 2023. 

De hoofdpersoon is Tom Wilenski, een journalist die op een zijspoor is beland. Hij krijgt de kans om een reportage te schrijven over een schip met haar bemanning dat op de Middellandse Zee vaart om vluchtelingen te redden. Tom besluit om niet zijn echte naam te gebruiken, zodat hij half undercover gaat. Hij maakt wel duidelijk waarom hij aan boord is. 

Angst

Aan het begin van het boek maken we Tom mee die luistert naar de ademhaling van Adama, met wie hij een hut deelt. Adama is een van de opgepikte vluchtelingen en hij slaapt rustig. Tom is wakker. 

De pandemie is nog niet helemaal voorbij. Het was de tijd dat iemands adem een gevaar kon zijn. Tom voelt zich niet veilig, maar niet vanwege de adem van Adama. Hij wordt al twee jaar behandeld voor een angststoornis. Die diagnose heeft hem verbaasd, omdat hij dacht geen angst te kennen. Bij het maken van zijn reportages (bijvoorbeeld over de gevaarlijkste achterbuurten) heeft hij zich nooit door angst laten leiden. 

Dochter

Tom is ontslagen bij de krant, maar krijgt nu van een oude vriend, Hans, de kans om deze reportage te maken. Het werk van Tom is omstreden, hij is nogal rechts in het politieke spectrum terechtgekomen, mede door de opvattingen van zijn vader. Het geeft hem conflicten met zijn dochter Lauren, die 21 jaar oud is.
Fout is hij sowieso, als hij zijn dochter mag geloven. Steeds vaker onderbreekt Lauren hem met de uitroep dat is wat hij net heeft gezegd 'echt niet meer kan', terwijl hij voor zijn gevoel nog niet zo lang geleden uitspraken deed die heel wat bouder waren en ze nog publiceerde ook. 
Hij maakt zich het hele boek door zorgen over Lauren en hij vindt dat ze 'verkeerde vrienden, met krankzinnige meningen' heeft.  Omdat zijn telefoon zonder stroom zit, heeft hij geen mogelijkheid om haar te bereiken. 

De bemanning van het schip bestaat voornamelijk uit vrouwen, van wie Lady Aga de kapitein is. Een andere vrouw is Luce, die -als de waarneming van Tom klopt- slachtoffer wordt van seksueel geweld, maar als Tom dat aan de kaak stelt, keert dat zich tegen hem. 

De titel zou dan ook goed kunnen slaan op Tom, die al door veel mensen uitgekotst is, die door zijn dochter wordt gezien als fout, van wie duidelijk wordt dat hij onder een valse naam aan boord is en die ook nog een verhaal ophangt dat een vluchteling in diskrediet brengt. De verhalen die over je verteld worden bepalen je meer dan wie je denkt te zijn. 

Beeldvorming is belangrijk en Tom is van plan om een kritische reportage te schrijven over de mensenredderij en dreigt dus het beeld aan te tasten. De bemanning is overtuigd van eigen goedheid:
 'Alleen een schoft zou hun goed bedoelingen in twijfel trekken.'

Heiligen

Door het hele boek heen worden er verhalen verteld. Tom las Legenda Aurea van Jacobus de Voragine, een verzameling heiligenlevens, in de Middeleeuwen geschreven. Een van die heiligen vinden we op de cover van De schoft: de heilige Agatha van Sicilië, die een minnaar afwees, omdat ze zich aan Jezus wilde wijden. Ze werd gemarteld en haar borsten werden afgesneden. 

Er wordt ook verteld over de heilige Lucia van Syracuse. Zij wierp haar ogen in zee, omdat ze niet langer mooi wilde zijn voor de mannen die naar haar hand dongen. Het zal wel niet voor niets zijn dat de namen van de vrouwen aan boord (Aga, Luce) lijken op die van Agatha en Lucia. Zowel Agatha als Lucia komen van Sicilië, een eiland in de omgeving van waar het schip op missie is. En over die twee wordt ook nog gezegd dat Aga Luce 'het licht in de ogen niet gunt'. De naam van Lauren lijkt op die van de heilige Laura, die 'in de negende eeuw door de islamitische horden in een ketel met kokend lood werd gegooid.'

De begrafenis van Lucia is geschilderd door Caravaggio. Als je meer van deze schilder wilt weten, moet je zeker de prachtige roman Wij van de Ripetta van Tomas Lieske lezen. 

De toestand aan boord is nijpend en het schip mag nergens aanleggen. Dan besluit de kapitein weer uit te varen voor een nieuwe reddingsmissie, terwijl er aan boord al een tekort is aan water en voedsel. Hoe moet dat aflopen?

De schoft doet mij qua setting denken aan de romans van Renate Dorrestein. Ook zij plaatste haar personages vaak op een plek waar weinig anderen kwamen, in een soort laboratoriumopstelling. En dan maar zien wat er gebeurt. 

Vader

Dat zie je hier ook gebeuren. Tom komt in het nauw en overdenkt zijn leven. Hij is sterk beïnvloed door zijn vader, afkomstig uit Lviv, die ging studeren in Warschau. Hij leed onder het marxistisch bewind en dat heeft zijn opvattingen danig beïnvloed. Van linksheid moet hij weinig hebben. 
'Linkse radicalen zijn moeilijk te bestrijden omdat ze zich hullen in empathie,' ging zijn vader door. 'Ze gebruiken universele humanitaire waarden als schild. Mensenliefde, eerlijk alles delen en zo... Wie kan daar nou iets op tegen hebben? Vrouwenrechten, alfabetisering... In de Sovjet-Unie kwamen ze ook op voor de vrouwenrechten en alfabetisering. Die waren geëmancipeerd en gealfabetiseerd tot in de Goelag toe.'  
De inval van Rusland in Oekraïne heeft Toms vader gesterkt in zijn opvattingen. Tom is door zijn vader geïndoctrineerd, volgens zijn moeder. En bij de krant worden hem xenofobie, islamofobie en racisme verweten. Maar voor Adama wil hij hij iets goeds doen. 

Beeldvorming

Vaak gaat het in De schoft over beeldvorming. Tom heeft eigen foto's gemaakt voor bij de reportage, maar men heeft liever foto's waar vrouwen en kinderen op staan. Met foto's van alleen maar mannelijke vluchtelingen zou de racisten in de kaart gespeeld worden. 

Tom interviewt Aga:
Tom zou haar bevlogenheid graag recht willen doen, maar als hij haar letterlijk citeert zal ze een karikatuur worden. 
De vrouwen die de vluchtelingen redden, zijn erbij gebaat dat ze als deugende mensen worden gezien. Of zoals Luce zegt: 'Het gaat er niet om wie we redden, maar dat we ze redden.' Eigenlijk roepen ze ook het beeld op van heiligen of martelaressen. 

Natuurlijk heeft ook Tom te maken met het beeld dat van hem ontstaan is. De wereld is veranderd en hij is hetzelfde gebleven, in tegenstelling tot Hans, die de meningen verkondigt die goed in de markt liggen. 

De meningen van de personages zijn gestoeld op de beelden die zij van de werkelijkheid hebben. En ze kijken volstrekt verschillend naar dezelfde gebeurtenissen. Mooi is dat ook de afgewezen minnaar van de heilige Agatha aan het woord komt, die vertelt dat Agatha het goed bij hem gehad zou hebben als ze op zijn verzoek was ingegaan, maar dat ze dan niet in zo'n grote bekendheid gehad zou hebben. Dat roept de vraag op naar de heiligheid van Agatha. In hoeverre werken de personages zelf aan hun beeld? In hoeverre zijn ze zich gaan gedragen naar het beeld dat anderen van hen hebben?

Moreel oordeel

Eigenlijk was indertijd het verschijnen van De schoft mij een beetje ontgaan. Nu blijkt me dat veel recensenten geworsteld hebben met deze roman en dat heeft vooral te maken met het morele oordeel over de opvattingen van Tom. Daar mag je best een oordeel over hebben, maar daar hangt het oordeel van de kwaliteit van het boek niet van af, mag ik hopen. 

Ik heb De schoft met veel plezier en waardering gelezen. Het is helder geschreven, met veel formuleerplezier (dat mij weer leesplezier geeft). Er zijn twee mensen aan boord (Mik en Kim), die Tom moeilijk kan plaatsen. Hij neemt zich voor om voorzichtig te zijn met het gebruik van voornaamwoorden. Over hun uiterlijk:
Ze hebben allebei hetzelfde gebleekte haar met een lichtgroene vlek van achteren, als pas gedekte schapen. 
Het zal wel mede door mijn plattelandsziel komen, maar van zo'n vergelijking word ik meteen vrolijk. Laat ik nog een voorbeeld van een fraaie vergelijking geven. Tom is ineens weer gaan roken. 
Klaarblijkelijk worden angsten en behoeften niet verdreven door het verstrijken van de tijd, maar kunnen ze bij de juiste gelegenheid uit de kast worden gehaald, als een trouwpak dat nog steeds blijkt te passen. Het betekent dat de wereld zich nooit zal verbeteren. 

Het verhaal staat midden in deze tijd, niet alleen doordat genderkwesties worden aangeraakt, maar ook door de vluchtelingenproblematiek en door de hoofdpersoon die verward is over waar hij tegenwoordig politiek staat. Hij heeft het idee heeft dat hij dezelfde gebleven is, maar dat zijn positie in het veld veranderd is. Het is hem allemaal veel te woke en hij is blijkbaar een schoft geworden. 

Misschien past het ook wel bij deze tijd om de mensen te verdelen in heiligen en schoften. Dat op die indeling wel wat aan te merken is, laat De schoft zien. 


Eerder schreef ik over andere boeken van Marente de Moor:

vrijdag 15 mei 2026

De complete Baard en Kale 11: Dreiging alom (Desberg/Will)

Al eerder heb ik hier geschreven dat ik mijzelf wel een liefhebber van strips acht, maar geen kenner. Daarvoor vertoont mijn kennis te veel gaten. Er zijn beroemde strips waarvan ik nauwelijks wat gelezen heb. Zo zijn series als Guus Slim en Dan Cooper grotendeels aan mij voorbijgegaan. 

Van uitgeverij Arboris ontving ik het elfde deel van De complete Baard en Kale, Dreiging alom, en ik was er meteen blij mee. Dat is best vreemd, want zo heel veel albums van Baard en Kale heb ik niet gelezen, al schoot mij wel meteen hun grote tegenstander Stomp te binnen: keurig in pak en met een helm op zoals een ridder bij een harnas droeg. Indertijd zal ik de strip gelezen hebben in Sjors, toen nog onder de titel Baardmans en De Kale. 

Bij het doorbladeren van het de integrale uitgave was ik al meteen terug in het verleden. Het papier dat gebruikt is doet denken aan het houthoudende papier van vroeger. Daar is met opzet voor gekozen, lezen we voor in deze uitgave, omdat op dit papier de kleuren beter uitkomen. 

Arboris heeft ervoor gekozen om niet alle albums chronologisch te bundelen, maar om goed te kijken welke om andere redenen bij elkaar passen. In dit deel zijn vier albums opgenomen die allemaal geschreven zijn door Stephen Desberg. Van hem heb ik al veel besproken. De links naar die besprekingen vind je onderaan. De tekeningen zijn van Will, Willy Maltaite, die veel verhalen van Baard en Kale heeft getekend. 

Vier albums

In deze integraaluitgave zijn vier albums opgenomen: Metamorfose, De vergeten tempel, Schaak en match en Swastika. Om het tijdsbestek van publicatie aan te duiden: het eerste van die vier werd in 1979 gepubliceerd in Robbedoes (album in 1980) en het laatste verscheen, zowel als tijdschriftpublicatie als als album, in 1983. 

Zo'n integrale uitgave lees je niet alleen omdat je de oude stripverhalen nog eens wil lezen, maar ook vanwege de extraatjes die de nieuwe uitgave biedt. Het dossiergedeelte is deze keer bijzonder interessant, omdat het zicht geeft op de Belgische stripwereld aan het eind van de jaren zeventig. 

Kort na elkaar stierven Goscinny en Maurice Tillieux (de scenarist van onder andere Guus Slim), in respectievelijk november 1977 en februari 1978. Als Yves Chaland het overlijdensbericht van Tillieux op de radio hoort, schrijft hij  onder aan een bladzijde van Captivant. 'Tillieux is overleden, alle gaat naar de kloten!'

Bij het blad Robbedoes ontstaat er een soort scenariocrisis na het overlijden van hun topscenarist. Het betekent wel dat er ruimte komt voor de jonge Desberg, die dan nog maar 23 jaar oud is. Hij gaat zelfstandig de verhalen van Baard en Kale schrijven. 

In Metamorfose zijn een stel mensen die op safari zijn een vreemd lichtverschijnsel. Alle mensen en dieren die eraan zijn blootgesteld metamorfoseren en worden een gevaar voor hun omgeving. Eigenlijk gaat het in Swastika ook om een metamorfose: Hitler blijkt de oorlog overleefd te hebben, maar is nu een oud mannetje in een rolstoel. Maar met een verjongingsmiddel zou hij nog heel lang mee kunnen. Ook Kale krijgt trouwens het middel binnen en verandert in een klein jongetje. 

Censuur

Dat laatste verhaal krijgt trouwens nog te maken met censuur. In veel verhalen is Kale nogal zeker van zijn eigen capaciteiten en ook van hoe vrouwen onder de indruk zullen zijn van hem. Swastika speelt zich voor een deel af in het oerwoud, wat heerlijk moet zijn geweest om te tekenen voor Will. Daar leeft ook een stam die bestaat uit vrouwen. Uit het laatste plaatje in Robbedoes bleek dat Kale bij deze vrouwen kinderen had verwekt. 

Een administrateur van de familie Dupuis (uitgever van Robbedoes) nam meteen contact op. Binnen die familie was het trouwens op dat moment ook hommeles. Zo'n seksueel geobsedeerde maniak als Kale zou niet thuishoren in een blad voor de jeugd. De makers pasten voor de album hun strip aan. Maar in het dossier staat natuurlijk ook de oorspronkelijke tekening. 

Het zijn wel de verhalen die je wilt lezen. Didier Pasamonik, die met Patrick Pinchard de teksten leverde voor dit dossier, heeft een vlotte pen en dat merk je. 

Naast de grotere verhalen, zijn er ook nog enkele korte verhalen opgenomen, zodat het in totaal een lekker dikke uitgave is geworden van 240 bladzijden. 

Aantrekkelijk

Wat maakt Baard en Kale toch zo aantrekkelijk? Natuurlijk, de verhalen zitten goed in elkaar en het tekenwerk is goed, maar dat kan niet alles zijn. Ik denk dat je je als lezer vooral hecht aan de twee karakters, die zo tegengesteld zijn. De impulsieve Kale en Baard die meer bedachtzaam te werk gaat. De verhalen kennen zeker spanning, maar die spanning zorgt er nooit voor dat je het vertrouwen in een goede afloop verliest. Voor kinderen maakt dat het een veilige strip om te lezen. 

Tegelijkertijd zijn er genoeg complicaties en gaat de oplossing van de problemen nooit gemakkelijk. Er zijn altijd tegenslagen. De twee detectives laten zich trouwens nooit ontmoedigen door problemen, maar ze steken meteen de handen uit de mouwen. 

In Schaak en match komt een onderwerp voor dat nu actueel is: de zelfrijdende auto, zij het dat het nog wel iets anders werkt dan nu. In dit geval gaat het om een racewagen en Kale zal de coureur zijn. Het levert Michel-Vaillantachtige taferelen op, maar Kale wint niet en er gaat ook nog iemand met de plannen vandaar. Die duiken weer op bij het tennissen. De titel van het album is niet zo gelukkig. Er wordt niet in geschaakt. Je kunt hoogstens zeggen dat de boeven schaakmat worden gezet. In het Frans werkt de titel wat beter omdat 'Échec et mat' schaakmat betekent, terwijl een échec ook een mislukking is. 

In ieder geval ook in dit verhaal blijven onze helden doorzetten. Met de aantrekkelijkheid van Kale wordt mooi gespeeld in het slot als juist Baard zich de vrouwen niet van het lijf kan houden en daar zichtbaar ongelukkig mee is, terwijl de Kale er met de vrouw van zijn keuze vandaar gaat. 

Het elfde deel van De complete Baard en Kale biedt veel. Voor de oudere lezer is er het jeugdsentiment, verder krijg je een stuk stripgeschiedenis en voor iedereen is er leesplezier. Ook na zoveel jaren blijken de strips over Baard en Kale nog prima mee te kunnen. 

Reeks: De complete Baard en Kale
Titel: Dreiging alom
Scenario: Desberg
Tekeningen: Will
Teksten dossier: Patrick Pinchart en Didier Pasamonik
Vertaling: Kees-Willem Bruggeman en Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2026, 240 blz. € 39,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over andere boeken van Desberg:


donderdag 14 mei 2026

Afgestoft: Dieperik / Waar was ik weer (Leo Pleysier)

Het is een tijdje geleden dat ik een oude recensie heb afgestoft. Laat ik dat nu maar weer eens doen. Het is een niet zo lange recensie, over twee uitgaven, maar eigenlijk over vier boeken. Het stukje stond op 10 december 2010 in Nederlands Dagblad. 

De roman Dieperik van Leo Pleysier was net verschenen, een behoorlijke tijd na het enorme succes van Wit is altijd schoon (1989). Naar aanleiding daarvan verschenen in 1989 drie van zijn vroege romans samen in een band in herdruk onder de titel Waar was ik weer? Ik noem de drie titels in het stukje hieronder, al had bij de eerste roman het jaartal 1978 moeten staan. 

Maar waarom besprak ik Waar was ik weer? in 2010. Werd het toen weer herdrukt? Eigenlijk besprak ik de drie boeken niet, wat ook niet gekund had in zo'n kort bestek. Als mijn geheugen mij niet bedriegt kreeg ik wel het beoogde aantal woorden van het stukje als richtlijn. 

Van Pleysier heb ik best wat gelezen, maar ik heb ook nog het een en ander van hem niet gelezen. Een boek als Heel de tijd (2018) zou ik toch eigenlijk wel moeten lezen. 

Er is nog heel veel wat niet recent is en wat het lezen waard is. Binnenkort schrijf ik over De ziener van Simon Vestdijk en ik wil het komende jaar ook weer het een en ander van Hella Haasse en Arthur van Schendel lezen en ik heb ook wel zin in werk van bijvoorbeeld A.H. Nijhoff, Clare Lennaert, Melati van Java, Wilma en Top Naeff. Het is geen belofte dat ik dat ook ga doen, maar het is wel een geheugensteuntje voor mezelf als ik binnenkort een boek van de stapel moet nemen. 

En hopelijk grijp jij een keer naar een boek van Leo Pleysier. Je moet in ieder geval Wit is altijd schoon lezen, maar hij heeft veel meer goede boeken geschreven. 

 

De diepte aan de oppervlakte


Een jongetje rijdt op zijn fiets op het erf van een boerderij een parcours in de vorm van een acht. Buiten, op een bank zit zijn moeder een paar emmers prinsessenbonen klaar te maken voor de weck. Het is zomer.

Een vredig tafereeltje. Leo Pleysier begint er zijn nieuwe roman Dieperik mee. Maar eigenlijk is het helemaal niet zo vredig, want het hoofd van het jongetje Michel barst bijna uit elkaar, omdat er iets in zit wat hij niet mag vertellen. Niet van zichzelf en niet van Nonkel Wies, die bij hen inwoont.

In de epiloog legt de verteller uit dat het dit beeld van het fietsende jongetje is, waar hij taal aan toegevoegd heeft.
En zo is die herinnering nu verdubbeld geraakt tot twee herinneringen: die ene mét woorden, de andere zonder.
Wie Dieperik gelezen heeft, zou zijn schouders op kunnen halen en kunnen zeggen dat het boek nauwelijks over iets gaat: zo'n gebeurtenisje en dat wat uitgesponnen is. Maar juist dat kan Leo Pleysier heel goed: de zaken klein houden, de kleine dingen beschrijven, zodat je weet hoe het ruikt op de boerderij, hoe de mensen praten, wat voor weer het is en hoe dat voelt. Groter hoeft het voor mij, eigenlijk, niet. 

Pleysier laat die kleine dingen bijna achteloos zien. Hij poetst ze niet op, maakt ze niet zwaar symbolisch, wijdt er geen ronkende zinnen aan. Hij is de soberheid zelf en hij weet dat dat genoeg is.

Zijn zinnen lopen gemakkelijk, alsof er nauwelijks aan gewerkt is. Dat is natuurlijk de kunst. Je mag als schrijver zwoegen en zweten, maar de lezer moet dat er niet aan af kunnen zien. Pleysier verstaat die kunst. Het lijkt of hij bij ons aan de keukentafel zit en het ons rustig vertelt. 

Op het hoogtepunt van het verhaal dat Pleysier ons vertelt (en dat ik maar even niet onthul), schieten er zinnen door de hoofdpersoon heen. Het is een bonte verzameling uitspraken van drie bladzijden lang, waarin de vrouw van Potifar, Boerke Naas, Roodkapje, Kapitein Haddock, Herodes, Nonkel Fik en Anton van Wilderode naast elkaar kunnen staan. In het tweede deel van het boek is er nog zo'n lijst, waarin Pleysier aangeeft hoe de tijd verstrijkt. Hij rijgt daarin grote gebeurtenissen aan kleine, bijna zeven bladzijden lang. Het werkt.

Deze opsommingen doen denken aan die in eerdere boeken van Pleysier. Drie daarvan (De razernij der winderige dagen (1977), De weg naar Kralingen (1981) en Kop in kas (1983) zijn onlangs herdrukt in één band, onder de titel Waar was ik weer? 

Het eerste boek begint meteen met een reeks korte zinnetjes onder elkaar: '
Op de boerenbuiten wonen.
In het aloude Kempenland.
In het land van berk en brem.
Het heideland.
De wónderfrisse perel aan de Dietse kroon.
En zo verder. De weg naar Kralingen heeft tegen het einde een inventarislijst van vier bladzijden lang. Hoewel we ze van hem gewend zijn, zijn in Dieperik toch beide opsommingen verrassend en bovendien bijzonder effectief. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die Pleysier verwijten dat hij met zijn laatste boek niet meer de dieperik in gegaan is. Het is een verwijt dat ook ooit Marijke Höweler kreeg, die trouwens een totaal ander schrijfster was dan Pleysier is. Maar haar antwoord zou Pleysier zo in de mond kunnen nemen: 'Bij mij zit de diepte aan de oppervlakte'. 

Dat is Dieperik: een anekdote, een onbeduidendheid, die een heel leven lang in iemand door kan blijven zeuren. Niet iedereen kan dat beschrijven op een manier die blijft boeien. Pleysier wel.

Van Pleysier recenseerde ik ook:

woensdag 13 mei 2026

Naar de mart

Als kind mocht ik vaak met mijn vader mee. Op dinsdag 23 augustus 2023 schreef ik de herinneringen daaraan in het dagboek Jungske. Het begint met uitstapjes dicht bij huis en loopt uit op wat ik indertijd als een hoogtepunt ervoer: het bezoek aan de veemarkt ('de mart') in Den Bosch. 

Ik heb geen foto van mijn vader op de veemarkt. Er heeft ooit een foto in het blad Boerderij gestaan van de mart, waarop mijn ome Wout te zien is. Die foto bezit ik niet. Daarom een willekeurige foto van de veemarkt. 

Met mijn kinderen ben ik ook ooit naar de veemarkt geweest. Daar zouden wel foto's van moeten zijn, maar mijn foto's zijn zo ongeordend dat ik geen zin heb om ze op te zoeken. 

Het gebouw van de veemarkthal stamt uit 1931 en het staat er nog steeds. De markt is gehouden tot 2001. Toen brak er een golf uit van besmettingen met mond- en klauwzeer (MKZ). Het zou het einde van de markt betekenen. 

Ook dit dagboekfragment is niet mooi gecomponeerd en houdt vrij plotseling op. Zoals elke keer tot nu toe laat ik dat maar zo. 

foto uit 1931


In het begin heeft mijn vader alleen de beschikking over een fiets. Later koopt hij een trekker, tweedehands natuurlijk. Een Farmal, waarbij je de lange stuurstang helemaal naar voren ziet doorlopen aan de zijkant van de motor van de trekker. Zit het stuur niet in het midden? Dat zal toch niet kunnen kloppen. Hij koopt de trekker van WD, een halfbroer van mijn opa. Hij heet eigenlijk Wim, maar zo noemt niemand hem. Zeker niet als hij er niet bij is.

Nog weer later neemt mijn vader het Volkswagenbusje van Ome Wout over. Het is blauw en heeft alleen ramen voorin, voor de bestuurder en de medepassagier. Achterin zitten geen ramen (behalve eentje in de achterklep). Blijkbaar is het busje niet bedoeld voor personenvervoer. Als pa de richtingaanwijzer aanzet, klapt er uit de zijkant van de auto, net achter het portier, een soort oranje lepel omhoog, alsof de auto zijn hand uitsteekt als hij de hoek om gaat. Ik mag met papa mee als hij het busje gaat halen bij Ome Wout.

Als hij weggaat met de auto mag ik vaak met hem mee, bijvoorbeeld naar de fruitveiling. Soms krijgt mijn vader vragen over mij als hij met een andere fruitteler praat. Hij vertelt dan vol trots dat ik zijn oudste kind ben.

We gaan ook wel naar de Boerenbond, al weet ik na zoveel jaar niet meer wat we daar kopen. Kunstmest? Dat zou kunnen. Het gebouw staat in de Bredestraat in Herveld. Als we nieuwe palen moeten hebben, om een heining te maken, halen we die bij Blijderveen, in de Rozenstraat. Die palen hebben een lekkere, doordringende geur.

De bank is aan de Wageningsestraat, net over het spoor, vlak bij station Zetten-Andelst. Het lijkt een gewoon woonhuis. Er staat niet met grote letters Boerenleenbank op. Geregeld haalt mijn vader daar geld. Als hij in 1958 een huis wil kopen, gaat hij ook naar de bank. Die bank is een eenmansbedrijfje, van meneer Van Hal. Als mijn vader vraagt of hij geld kan lenen, moet Van Hal lachen: ‘Bunt, een bank is om geld te brengen, niet om te halen.’ Via de notaris krijgt mijn vader toch een hypotheek geregeld. Een verzekeringsmaatschappij wil wel geld verstrekken.

Mijn ouders hebben principiële bezwaren tegen verzekeringen: ze hebben geen ziektekostenverzekering, geen brandverzekering, geen levensverzekering. Blijkbaar gaan hun bezwaren niet zo ver dat ze het geld van zo’n maatschappij weigeren.

Zijn eigen geld kan mijn vader natuurlijk wel bij de bank ophalen. Buiten bij de deur trekt hij zijn klompen uit en hij gaat op zijn sokken naar binnen. Ik trek mijn laarzen of mijn klompen ook uit en loop met hem mee.

Het is het mooist als ik mee mag naar ‘de mart’, we zeggen ook wel naar Den Bosch. Daar is de veemarkt, in de Brabanthallen. In het begin ben ik nog te klein. Mijn vader moet heel vroeg op. Hij moet eerst de koeien melken en die moet hij dan al om een uur of zes uit hebben. Dan rijdt hij naar Den Bosch.   
foto uit 1931



Hij verhandelt soms zelf een koe of een kalf. Maar hij gaat niet zo vaak. Als er toch iets verkocht moet worden, doet Ome Wout dat. Die gaat elke woensdag. Hij verkoopt vee voor de boeren. De kalveren laadt hij achter in zijn volkswagenbusje, de koeien worden door de veerijder opgehaald. In de zomer moet dan de koe de dag ervoor uit de wei gehaald worden en op stal gezet, zodat hij gemakkelijk mee te nemen is.

Als pa terugkomt van de veemarkt, brengt hij altijd iets lekkers mee. Meestal is dat voor de kinderen een Mars en voor mijn moeder een Mekka, een brede chocoladereep met noten en rozijnen. Vaak is er ook nog wel een zakje Treets, pinda’s in chocola. Met zo’n Mars kunnen we heel lang doen. Met een aardappelschilmesje snijden we er elke keer een klein plakje af en dan duurt het altijd meer dan een week voordat de Mars op is. En soms kun je er langer dan een maand mee doen.

Later mag ik mee. Mijn vader trekt naar de markt zijn manchester jasje aan en daaroverheen doet hij zijn ‘martjas’, een beige stofjas. Soms doet hij een nette pet op, soms een hoedje, van ribstof. Hij neemt ook zijn ‘martstok’ mee, een wandelstok van bamboe, zoals bijna iedereen op de mart heeft.

Als ik voor het eerst mee mag, kijk ik mijn ogen uit. Het is heel ver met de auto, voor mijn gevoel. Mijn vader parkeert zijn auto en ik loop achter hem aan naar de hallen. In elke hal is wat anders te koop. Er is een hal met konijnen en andere kleine dieren en met kalveren. Of zitten die kalveren in een andere hal? Dat zou kunnen. Er zijn hokken gemaakt van een soort dranghekken en daarin zitten de kalveren. Er worden ook geiten en schapen verkocht, maar in welke hal?

In een andere hal zitten varkens en in nog een andere hal staan koeien. Sommige zijn helemaal schoongespoten. Bij een enkele koe is het uier rood geverfd, alsof er een vorm van make-up is aangebracht. Je moet goed uitkijken, want er zijn altijd handelaren die met een paar koeien door het gangpad lopen en dat gaat best snel. Ze roepen hard. Als een koe niet wil doorlopen, krijgt hij met een martstok een tik op zijn billen.

Gelukkig heb ik mijn laarzen aan, want overal ligt poep. Het zijn geen hoopjes, maar alle poep is intussen vertrapt tot een soort papje.

Elke hal ruikt anders. De kalveren ruiken het lekkerst. Die liggen in het stro. Sommige kalveren hebben een teken op hun rug. Elke koper heeft een buisje met een soort vetkrijt bij zich, waarmee hij een merkteken kan zetten op elk dier dat hij koopt. Mijn vader heeft bijna altijd blauw krijt, maar rood en groen zie je ook wel.

Het is heel erg druk op de veemarkt en ik ben bang dat ik mijn vader kwijtraak, al heeft hij mij verzekerd dat hij niet naar huis gaat zonder mij. Ik hou hem voortdurend in het oog.

De boeren zijn over het algemeen goed gehumeurd. We zoeken Ome Wout op, die druk is met het verkopen van een koe. Handjeklap. Verkoper en koper slaan elkaar voortdurend op de opengehouden hand. De een houdt de hand op, de ander geeft er een klap op draait zijn hand om, zodat hij er een klap op kan krijgen.

De twee boeren praten constant met elkaar, terwijl het klappen doorgaat. Als er een bod komt, wordt er extra hard geslagen. Tussendoor maken ze grapjes. Als een bod te laag blijft, zegt mijn oom: ‘Doe eens netjes een bod,’ of ‘Ge spot ermee’. En dan laat hij soms zijn hand zakken als teken dat hij niet verder onderhandelt.

Bij elke hal is er een kantine. Daar eten pa en ik ons brood op. Pa neemt koffie en ik krijg limonade. Het is een wonderlijk gezicht: al die boeren die in de kantine hun klompen aanhouden en vrij hard met elkaar praten. Ze hebben dikke portefeuilles, want alle betalingen gaan contant. Heb ik daarvoor al wel eens briefjes van duizend gezien? Hier zijn ze heel gewoon.

Als ik iets groter ben, ga ik ook wel eens met Ome Wout mee naar de mart. In de kantine is het zo druk, dat je altijd ook met wildvreemden aan een tafeltje zit. Aan de andere kant van de tafel zit een boer die uit zijn broek gescheurd is: de naad aan de binnenkant van zijn been is bij zijn dij uitgetornd. Ome Wout wijst me erop.

In de kantine ligt ook gewoon de koeienpoep. Klodders die van laarzen en klompen zijn gevallen. Ome Wout pakt zijn martstok en haalt er een klodder poep van de vloer mee omhoog. Die smeert hij aan het blote bovenbeen van de boer tegenover hem. Die slaakt een krachtterm maar moet toch lachen. Blijkbaar moet je dit soort grapjes kunnen verdragen.

Buiten de hallen is er ook een markt met kraampjes. Daar ga ik met mijn vader heen voordat we weer naar huis gaan. Hij haalt daar de Marsen en de Mekka voor mijn moeder. Je kunt er ook koerepen (touwen) kopen of halsters, die wij helsters noemen. Er is ook iemand die Bossche bollen verkoopt. Pa koopt er voor ons allebei eentje. We eten zo’n bol gewoon uit de hand, wat niet zo makkelijk is. Het is wel een verrassing. Ik heb het idee dat ik een enorme traktatie heb gehad. Zoiets eet je anders toch alleen maar op een verjaardag of een bruiloft.

(bron van de foto's)