Posts tonen met het label Theater. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Theater. Alle posts tonen

woensdag 28 oktober 2020

Podcast: Ervaring voor beginners, Mysterieus België


Ervaring voor beginners

Een gesprek tussen twee mensen - dat is een vorm die aan heel wat podcasts ten grondslag ligt. Enkele voorbeelden: De Grote Harry Bannink PodcastMet Groenteman in de kastCredoDe mens achter de lachDrie boekenDe Rotonde. Ook Ervaring voor beginners, een podcast van Theo Maassen, is niet meer (maar zeker ook niet minder) dan dat. 

Maassen gaat in zijn podcast in gesprek met 'makers', die in dit geval te maken hebben met theater en tv, maar mogelijk gaat hij ook andere gebieden verkennen. Tot nu zijn er zes afleveringen verschenen. 

Aan het begin van elke aflevering zet Maassen een eierwekker, wat doet denken aan de podcast Rauw van Ruud de Wild. Alleen loopt daar de wekker na half uur af en bij Maassen na een uur. 

Gesprek

Het mooie van Ervaring voor beginners is dat het een echt gesprek is en geen interview. Het begint altijd wel als een interview, maar Maassen vraagt niet alleen, hij reflecteert ook op wat er verteld wordt, onderzoekt hoe dat eigenlijk bij hem zit en voor je het weet zitten er twee mensen samen hardop na te denken. 

Een uur is lang, voor de meeste podcasts, maar bij deze podcast werd ik elke keer verrast door het aflopen van de wekker en dan wilde ik dat het nog doorging, doorging. 

De gasten zijn interessant: naar Jeroen van Merwijk, Laura van Dolron, Paulien Cornelisse of Adelheid Roosen wil ik altijd wel luisteren. Van Ruut Weissmann wist ik wat minder, maar ook zijn bijdrage was zeer verhelderend. Van de eerste aflevering is mij wat minder bijgebleven, maar dat zal wel aan mij liggen. 

De luisterervaring deed mij denken aan sommige afleveringen van de Fokcast als Fokke van der Meulen er met zijn gast probeert achter te komen wanneer iets werkt in stand-up comedy. Fokcast is heel divers en gaat ook over films, comics en meer, maar in ieder geval is daar ook vaak een echt gesprek. 

Zelfvertrouwen en twijfel

Mooi is de conclusie van Maassen dat je eigenlijk zowel zelfvertrouwen moet hebben als zelftwijfel, en eigenlijk ook tegelijkertijd. Het gaat ook over jezelf zijn. In het gesprek met Jeroen van Merwijk gaat het over het zijn van een podiumpersonage, wat iets anders is dan jezelf zijn. Maar ook zo'n personage zegt natuurlijk veel over wie je bent. 

Meteen heb ik een verlanglijstje: zouden die en die niet uitgenodigd kunnen worden? Ik zou bijvoorbeeld Alex Roeka of Manon Uphoff wel willen horen. En kunnen we de tijd een aantal jaren terugspoelen en alsnog Maarten van Roozendaal met Theo Maassen laten praten?

Ervaring voor beginners is een podcast waarin een opgewekte sfeer hangt, maar het gesprek is ook intiem en de twee mensen durven ook kwetsbaar te zijn (wat ze natuurlijk tegelijkertijd sterk maakt). Leerzaam, verhelderend en nooit zijn de mensen in deze podcast bang om dieper te boren. Mooi, mooi. Gauw gaan luisteren als je dat nog niet hebt gedaan. 


Mysterieus België

Mysterieus België is een podcast van Patrick Bernauw. Op zijn pagina op Wikipedia staat de lezen dat Bernauw een lange lijst aan publicaties op zijn naam heeft staan. Hij is vooral geïnteresseerd in mysteries, sterke verhalen, legenden. Daarover maakt hij al enkele jaren deze podcast. Intussen zijn er al zo'n veertig afleveringen verschenen. 

Bernauw heeft duidelijk een brede interesse: van het altaarstuk Het Lam Gods (tot genezende kruiden, van de moord op Albert I tot een engelenleger in de Eerste Wereldoorlog. Fascinerende verhalen, waarvan het goed is dat ze nog eens verteld worden. 

Bovendien besteedt Bernauw altijd zorg aan de manier waarop hij het vertelt. De ene keer is dat op een documentaireachtige manier, de andere keer als een soort luisterspel, met geluidseffecten. Eigenlijk weet je nooit helemaal wat je te wachten staat als je een aflevering gaat beluisteren. 

Naar deze oude verhalen van Bernauw heb ik over het algemeen met plezier geluisterd. Veel afleveringen zijn ongeveer een half uur lang en dat is ook een mooie lengte. 

Stemmetjes

Wel heeft de maker de neiging om met 'stemmetjes' te werken. Dan wordt een verhaal op een (in mijn oren) overdreven dramatische manier verteld. Ik kreeg dan het idee dat ik naar aflevering van een podcast voor kinderen aan het luisteren was. Eigenlijk denk ik dat kinderen niet het publiek zijn voor Mysterieus België, maar mogelijk zitten er ook afleveringen tussen die voor hen geschikt zijn. 

De onderwerpen voor de podcast doen wel wat denken aan die van Verborgen verhalen waarover ik nog niet geschreven heb. Maar Bernauw heeft zich in sommige complexe verhalen veel meer verdiept. Over sommige onderwerpen heeft hij dan ook verschillende afleveringen gemaakt. Dat zijn soms ook de afleveringen waar je je aandacht goed bij moet houden, omdat het verhaal ingewikkeld is. 

Over alle afleveringen publiceert hij ook op zijn website. Ook als je niet van plan bent om alles van deze podcast te beluisteren zijn er zeker wel afleveringen te vinden die je toch eens wilt proberen, lijkt me. En misschien smaakt dat naar meer. 

dinsdag 19 februari 2019

Jenny. Een theaterleven (Xandra Knebel)


In de inleiding van Jenny, een theaterleven, vraagt Xandra Knebel zich af hoe ze haar boek over Jenny Arean moet karakteriseren. Ze is geneigd het een theaterportret te noemen, maar suggereert dat het misschien wel een theaterbiografie is.

In het boek volgt Knebel inderdaad de theaterloopbaan van Jenny Arean, maar ze doet meer. Ze begint met het leven. Ze schetst de familie waarin Arean als Jenny Klarenbeek geboren wordt, een familie waaraan theater niet vreemd was. Haar grootmoeder trad bijvoorbeeld al op bij onder meer het cabaret van Jean-Louis Pisuisse en ook opa, Willy van Noord, stond op de planken, net als haar moeder, Conny Renoir.

Het was een 'onrustige' jeugd en de relatie van Jenny met haar moeder is lang onrustig en moeilijk gebleven. Moeder zou daar later zelfs in interviews over spreken, waarna Jenny daar door sommige lezers op werd aangekeken.

ABC-Cabaret

Ook Jenny zou naar het toneel gaan. Ze werd aangenomen door Wim Kan en Corry Vonk om mee te doen in het ABC-cabaret. Later zou Arean de overstap maken naar het toneel en de musical en in 1985 was er haar eerste soloprogramma.

Ze speelde verschillende soloprogramma's en vormde soms met iemand een gelegenheidsduo, bijvoorbeeld met Ischa Meijer, George Groot, Lucretia van der Vloot of Marijn Brouwers. Het opmerkelijkst is, in mijn ogen althans, de combinatie met Willeke Alberti, in het programma Klarenbeek en Verbrugge.

Knebel volgt strak de opeenvolging van de musicals, de toneelstukken, soloprogramma's en televisieseries waarin Jenny Arean speelde. Tussendoor krijgen we te horen hoe het haar op persoonlijk vlak verging: stemproblemen in de jaren zeventig, verschillende huwelijken (onder anderen met Ischa Meijer), het krijgen van een kind en later een kleinkind.

Gescheiden vrouw op oorlogspad

Het persoonlijke leven en het theaterleven raken elkaar verschillende keren, bijvoorbeeld als ze met Ischa Meijer speelt, die bekend was als journalist (interviewer) en schrijver, maar die op het toneel alles nog moest leren. Jenny Arean speelde samen met hem toen ze een relatie hadden en toen dat huwelijk afgelopen was, maakte ze haar eerste soloprogramma: Gescheiden vrouw op oorlogspad. 

Daar ging ik indertijd naar kijken, in de kleine zaal van de schouwburg in Arnhem, waar ik vaker kwam. Verschillende keren zat daar ook een man met een grote flaphoed. Later begreep ik dat dat Thomas Verbogt was.

Kracht, vitaliteit en prachtige liedjes. Dat herinner ik me van die avond. Humor ook, zoals bij het laatste nummer ('Godallemachtig'), waarin aanvankelijk vreselijk geslijmd wordt met het publiek. De pianist heeft nog een schnabbel, dus ze moeten stoppen, maar als iedereen nog wat geld geeft, kan het optreden nog wat langer duren. Intussen gaat er een teil rond, waarin geld gegooid moet worden. Dat zet weinig zoden aan de dijk en dan krijgt het publiek er ongenadig van langs. Heerlijk.

Nieuwsblad van het Noorden, 5 oktober 1985 
In die tijd kende ik Jenny Arean van 'Vluchten kan niet meer', met Frans Halsema en verder wist ik niet veel van haar. Maar die avond werd ik overrompeld en sindsdien kon ze weinig kwaad bij mij doen. Ik was dan ook geïrriteerd toen ik een interview las met een rancuneuze Ischa Meijer, die breed mocht uitmeten hoe lelijk Jenny Arean 'Love for sale' had gezongen.

Kritiek

De kritiek is over het algemeen vriendelijk geweest voor Jenny Arean. Nou ja, die lof heeft ze natuurlijk afgedwongen: een stem als een klok, het vermogen om een lied diep te peilen en goed te brengen en het kiezen van de juiste tekstschrijvers (Ivo de Wijs, Jan Boerstoel, George Groot, Robert Long, Jurriaan van Dongen, om er maar enkele te noemen).

Ze was daarbij terecht kritisch. Zo weigerde ze ooit een compositie van Harry Bannink. Niet omdat die niet goed was, maar omdat ze iets anders bij een bepaalde tekst wilde.

Dat alles heeft ertoe geleid dat ze een geweldig oeuvre bij elkaar heeft gespeeld en gezongen. Achter in het boek van Knebel is er een lijstje opgenomen van tien belangrijke liedteksten, die integraal zijn afgedrukt. Jammer genoeg staat daar geen komische tekst tussen, zoals 'De begrafenis van Manke Nelis', terwijl ook het komische een substantieel aandeel is geweest in het werk van Arean.

Helderheid

Jenny, een theaterleven leest bijzonder prettig. Je voelt de betrokkenheid van de schrijfster, maar ze heeft genoeg afstand om verslag te doen op een manier die niet als subjectief overkomt. Knebel heeft een aangename helderheid in het presenteren van wat er gebeurd is en in haar formuleringen. In de gedeelten waarin ze Jenny Arean citeert, hoor je de geïnterviewde praten.

Het verantwoorden van de herkomst van de informatie is slim gedaan: geen overdaad aan voetnoten, maar in de 'Oeuvrelijst theater, televisie en film' staat bij elke productie welke krantenartikelen zijn geraadpleegd. Uit de recensies wordt rijk geciteerd, waardoor je een helder beeld krijgt van de reacties van de recensenten.

Vooral in die recensies heeft Knebel zich goed ingelezen, al lijkt het soms net iets meer dan het is. Dan zijn er allerlei kwalificaties geciteerd uit een advertentie, zonder dat er verwezen wordt naar de achterliggende recensies.

Verder waren er natuurlijk gesprekken met Jenny Arean en met mensen in haar omgeving (George Groot, Ivo de Wijs, Brigitte van Gool en Ale van Dijk). Met die personen is maar een enkel gesprek gevoerd, maar toch heb je niet het idee dat je iets mist. Blijkbaar heeft Knebel een zeer efficiënte manier van interviewen.

Keukentafel

Al veel genoemd is de keukentafel van Jenny Arean, waaraan gepraat wordt, gegeten, gerookt en gedronken en in de gesprekken wordt dan duidelijk wat er moet gebeuren. Arean schrijft niet zelf haar teksten en toch staan veel teksten dicht bij haar. Dat komt doordat de tekstschrijvers zo goed weten wat ze graag in het lied wil hebben. Jan Boerstoel schreef bijvoorbeeld de tekst 'Amsterdams parfum', die beeldend een olfactorisch portret van Amsterdam oproept, hoewel hij geen Amsterdamse achtergrond heeft. Naar verluidt zou Willem Wilmink zich eerder op die tekst stukgebeten hebben.

Als Jenny Arean het zingt, is het echter haar tekst: daar is ze in gekropen en ze kan een tekst zo brengen, alsof ze aan ons persoonlijk een verhaal vertelt. Een van haar lijfliederen, 'Wat heb ik over?' is overigens spontaan geschreven door George Groot, maar wel precies van toepassing op Arean.

Apie

Nadat ik Gescheiden vrouw op oorlogspad had beluisterd, ben ik nog verschillende keren naar een optreden van Jenny Arean geweest. Ik herinner me Neem je een apie voor me mee, waarin ze optrad met George Groot. Als ze een duet zongen, zong de pianist, Martin van Dijk, mee, zodat Groot niet weggeblazen werd. Ik kocht de LP's en later de cd's van de shows en een cd waarop Jenny Arean liederen van Ischa Meijer zingt.

Met Knebels interpretatie van de liedteksten kan ik vaak meegaan, maar ik denk niet dat ik 'Wintertenen, luizen en eczeem' als 'hoopvol' zou betitelen. Weliswaar vertelt het nummer dat er ook in de ellendigste omstandigheden nog muziek is, maar dat is niet alleen maar hoop: 'Zo liegt de mens zichzelf uit al zijn rampen.' Met muziek kun je niet alleen de ellende verlichten, maar ook verdoezelen.

Maar goed, het zijn kleinigheden. Jenny, een theaterleven is een mooi boek geworden. Het is een portret van een belangrijke theatervrouw en het is goed dat dit bij haar leven uitkomt. Zij hoort ongetwijfeld bij de groten. Laten we zeggen dat ze zich kan meten met vrouwen als Conny Stuart en Adèle Bloemendaal. Een vrouw om je hoed voor af te nemen. En om veel naar te luisteren natuurlijk.

Jenny. Een theaterleven, door Xandra Knebel. Uitgeverij Water, z.pl. 2018. 240 blz. € 24,99 (gebonden)









woensdag 27 april 2016

Het temmen van de feeks (Knipoog 45)


Een knipoog verbindt: degene die knipoogt laat de beknipoogde weten: wij weten samen iets, we snappen het, wij zien het verband. In deze reeks heb ik al veel knipoogjes belicht. Vaak wordt er in krantenkoppen verwezen naar boektitels, filmtitels, regels uit gedichten. Eentje die ik nog niet eerder tegenkwam, trof ik aan in De Volkskrant van dinsdag 19 april 2016. Anna van Leeuwen schreef daarin een artikel over de kunstenaar Zoro Feigl onder de titel: 'Het temmen van de reeks'.

Dat temmen komt natuurlijk ook terug in het artikel. Feigl zegt daarin:
'Ik vergelijk mezelf vaak met een dierentemmer, ik probeer hun bewegingen te bepalen. Maar je moet er toch niet aan denken dat je hond hebt die nooit iets onverwachts doet?'
Dat 'temmen' houdt nooit op. Terwijl we rondlopen door de tentoonstelling blijkt Chain, een ketting die aan een autoband hangt en snel ronddraait, zich niet te bewegen naar zijn zin. Een goedgemikte trap lost dat op. Dat temmen is niet zonder risico; soms krijgt hij zelf een tik van een kunstwerk.
Het temmen is zo wel duidelijk, maar wat de 'reeks' in de titel doet is minder helder. Nou ja, Feigl heeft al een hele reeks kunstwerken gemaakt, maar het lijkt er meer op dat hij de afzonderlijke kunstwerken moet temmen in plaats van een reeks.

Waarschijnlijk staat de reeks er alleen vanwege de knipoog naar Het temmen van de feeks van William Shakespeare (The Taming of the Shrew). In het Nederlands is dit stuk ook wel uitgevoerd onder de titel De getemde feeks of De feeks wordt getemd. Wie even zijn hand in de googledoos steekt, haalt zo een stel uitvoeringen naar boven.

Ongetwijfeld wilde Anna van Leeuwen met haar titel een knipoog naar het stuk van Shakespeare geven. Misschien is dat inhoudelijk niet zo sterk, maar het trekt wel de aandacht en dat zal de bedoeling geweest zijn.

woensdag 3 februari 2016

De kunst van het lijden. Het lijden en de wederopstanding van Hans Dorrestijn (Dick Welsink)


Hans Dorrestijn is op veel gebieden actief: hij treedt op als cabaretier, schrijft liedteksten, verhalen en romans, is vogelaar en schrijft daarover. Hij is vijfenzeventig jaar geworden en ter gelegenheid daarvan is er een expositie in het Letterkundig Museum. Er is ook een boek verschenen: De kunst van het lijden; Het lijden en de wederopstanding van Hans Dorrestijn, door Dick Welsink. Achter in het boek bevindt zich een dvd, met daarop de documentaire die ook De kunst van het lijden heet en die onlangs werd uitgezonden op televisie. Verder bevat het boek een goede bibliografie, maar vreemd genoeg geen discografie.

Veel van wat Dorrestijn geschreven heeft, is interessant, maar niet alles is geslaagd. De roman Finale kwijting (2000) is een dieptepunt. Het boek gaat over Dorrestijns echtscheiding en loopt over van boosheid en zelfbeklag. De bundel die daarna verscheen, Ik ben een oude cowboy (2004) was ook niet best.

Wat de liedteksten/poëzie betreft: die moet je misschien horen in plaats van lezen. Ik kocht indertijd verschillende LP's van Dorrestijn: DLP (Depressie-Elpee) en Mooi van lelijkheid. Dorrestijn houdt van treurige onderwerpen, die hij heel humoristisch kan brengen. Vaak mankeert er wat aan het metrum en aan het rijm, maar blijkbaar kunnen we daar doorheen luisteren.

Enkele liedteksten van Hans Dorrestijn zullen mij altijd bijblijven: 'Eendjes voeren', 'Lente', 'Oorlogswinter'. Die laatste tekst heb ik altijd als autobiografisch gelezen: de kleine Hans wordt door zijn vader in de oorlog naar Friesland gebracht, waar hij aan kan sterken. Maar vader komt om in de oorlog. Uit 'De kunst van het lijden' blijkt dat Dorrestijns tekst niet helemaal klopt met de werkelijkheid: zijn vader was al omgekomen in kamp Amersfoort, voordat Hans naar Friesland werd gebracht. Aan de kracht van de tekst doet dat trouwens niets af.

Ook de verhalen uit Met dichtgeknepen keel (1978) en Brandnetels en andere verhalen over kindermishandeling (1984) zijn nog steeds het lezen waard.

In de jaren tachtig heb ik met veel plezier geluisterd naar de nieuwsberichten die Dorrestijn verzon. Hij mocht ze voorlezen op vrijdagochtend in het radioprogramma van de VPRO, Het gebouw. Het was het nieuws van het DPA (Dorrestijns Pers Agentschap). Indertijd heb ik ook de boekjes met berichten gekocht en ik herinner me nog zinsneden als 'uit betrouwbare, met de hand gegraven bronnen' en de berichten over de KOD (KinderOpruimingsDienst) en de fruitvervalsing.


Indertijd waren er ook T-shirts met teksten van Hans Dorrestijn. Ik heb er twee van gedragen. Op het ene stond 'De tijd heelt alle wonden / maar slaat er nog veel meer' en op het andere 'NOOIT, NOOIT, NOOIT neem ik een hond'. Wie zo'n shirt draagt, komt er al gauw achter hoe onverdraagzaam hondenbezitters zijn.

De kunst van het lijden is een mooi boek, in die zin dat het er mooi uitziet: rijk geïllustreerd, glanzend papier. Het geeft een aardig overzicht over het leven van Dorrestijn, met humoristische hoofdstuktitels als 'Hans treft akelige hospita', 'Hans krijgt flessen naar zijn kop'en 'Hans krijgt stofzuiger gezet op baard en hoofdhaar'.

Erg diep graaft het boek niet. De verantwoording luidt: 'Iedere gelijkenis met bestaande personen en/of gebeurtenissen berust op louter toeval. Niettemin is voor het schrijven van dit levensverhaal van Hans Dorrestijn gebruik gemaakt van krantenberichten, interviews in kranten en weekbladen, diverse autobiografische boeken van de auteur, en door hem mondeling verstrekte gegevens.'

Het is natuurlijk vreemd dat in een boek over Hans Dorrestijn de beschreven persoon louter toevallig gelijkenis zou vertonen met de werkelijke Hans Dorrestijn. Verder heb ik het idee dat de beschreven persoon de belangrijkste bron is geweest. Ook in de 'autobiografische boeken' lezen we natuurlijk Dorrestijns versie van de gebeurtenissen. Verder lijkt er niet  veel gecheckt of nader uitgezocht te zijn.

Een voorbeeld. In 1956 gaat Dorrestijn naar de Rijkskweekschool. Een citaat: 'Wanneer een meisje uit zijn klas, net nadat hij naar de kapper is geweest, tegen hem zegt: 'Hoe meer er van jouw gezicht bloot komt hoe erger ik het ga vinden', besluit hij zijn baard te laten staan.' Dat moet dus nog voor 1960 zijn geweest. Maar in het boek is Dorrestijn op alle foto's uit de jaren zestig zonder baard te zien.

Verschillende keren worden er in het boek vragen opgeroepen die niet beantwoord worden. Een alinea begint met: 'In het laatste jaar van de kweekschool stuurt Hans twee brieven met gedichten naar Ad den Besten om wiens oordeel hij vraagt.' Natuurlijk willen wij weten waarom Dorrestijn juist Ad den Besten uitkoos. Wellicht in verband met de Windroosreeks die Den Besten redigeerde. En hoe was de reactie? We weten het niet. De zin na de hierboven geciteerde luidt: 'Aan het eind van dat schooljaar wordt de leraar kunstgeschiedenis ziek.' Niets meer over Den Besten.

In hoofdstuk 4 wordt verteld dat Dorrestijn gaat schrijven voor het Lambert ten Kate Cabaret. Hoe is hij daarmee in aanraking gekomen? Hoe kreeg hij het idee om voor cabaret te gaan schrijven? Weer geen antwoord.

In de jaren zestig zingt Herman van Veen een tekst van Hans Dorrestijn. 'Op het gestencilde programmablaadje waarop van elk nummer de naam van de schrijver en de componist voluit wordt vermeld, staat bij dit nummer: tekst H.D.' Dat kan zo zijn, maar er wordt geen bewijs voor gegeven. Ik vermoed dat dit gebaseerd is op een opmerking van Dorrestijn zelf, maar we weten niet hoe goed zijn geheugen is. De passage over de baard klopte immers ook niet.

De kunst van het lijden is een toegankelijk boek; het leest gemakkelijk weg. Voor iemand die niets of weinig over Dorrestijn weet, kan het een aardige inleiding zijn in diens leven en werk en misschien is het zo ook wel bedoeld. Ik had toch graag iets meer diepgang gezien en meer exactheid in de verstrekte informatie.

Op de bijgeleverde dvd staat de documentaire over Dorrestijn, die erg aardig is. We zien Dorrestijn bij optredens (ook in het verleden) en we horen ook wat anderen (bijvoorbeeld Ton Anbeek, Jacques Klöters, Vic van der Reijt, Rob Chrispijn, de Italiaanse chauffeuse, de uitbater van café De kaketoe) over Dorrestijn te zeggen hebben. Dorrestijns kinderen komen  niet aan het woord, maar misschien wilden die niet meewerken aan de documentaire.

Dorrestijn kan heel onderhoudend vertellen over wat hem allemaal overkomen is. Op sommige momenten komt het toch ineens dichtbij en komen de emoties bij hem boven, waardoor het vertellen stokt. Natuurlijk cultiveert Dorrestijn in zijn optredens de treurigheid, maar dat wil niet zeggen dat het gespeelde onecht is.

Verder op de dvd: nog wat stukjes interview en een stel liedjes. Een aardig geheel. Uit zowel dvd als boek blijkt hoe Dorrestijn uiteindelijk het geluk vond: in het spotten van vogels. Intussen heeft hij ook enkele boeken over vogels geschreven, die borrelen van het enthousiasme. Ooit maakte ik een voordracht van Dorrestijn mee over vogels, waarbij de gehele zaal aan het einde de canon over de wielewaal zong; dudeljoho klonk ons lied.

Hans Dorrestijn is niet een van onze grote schrijvers en misschien behoort hij ook niet tot de top van het cabaret, maar zijn beste werk mag er zeker zijn. Ik ben ervan overtuigd dat een deel van zijn liedjes nog decennialang meekan.






zaterdag 1 november 2014

Seth Gaaikema (1939 - 2014 overleden)


Op 21 oktober overleed Seth Gaaikema; hij werd vijfenzeventig jaar. Al een tijdje had ik niets over hem gehoord en pas een paar dagen na zijn dood las ik over zijn verscheiden. Blijkbaar was het geen  groot nieuws op het deel van internet waar ik wel eens kom.

De laatste jaren heb ik weinig aan Gaaikema gedacht. Voor mij behoort hij tot een generatie cabaretiers waartoe ik ook Paul van Vliet en Henk Elsink reken. Eerlijk gezegd dacht ik dat Seth Gaaikema al ouder was.

In mijn schuur staan dozen vol videobanden en cassettebandjes, waar ik voor de verhuizing vanaf wil. Wie daarin gaat rommelen, zal ook cassettes vinden met shows van Seth Gaaikema. Ik had ook een LP met liedjes van hem, maar die heb ik al eerder weggedaan.

Die shows heb ik dus gehoord, verschillende keren. Ik heb ze best leuk gevonden, toen. Maar wat ik me het eerst herinner, zijn zijn liedjes. 'Pastorie', 'Twijfelen', 'Er is altijd een derde', 'Dat typisch Hollands vingertje'. Soms zong hij een heel lied, maar vaker zei hij het op en ging daarna over op zingen. Of andersom. Hij zongzegde zijn liedjes.

Als hij zong, was het niet allemaal even zuiver. Dat vond ik niet zo erg. Ik had ook veel LP's en vooral cassettebandjes van Liesbeth List en die had er ook af en toe een handje van en toch vond ik wat ze deed (en doet) prachtig. De teksten waren over het algemeen in orde, maar soms zat er een rare uitglijder in. In 'Pastorie' bijvoorbeeld: 'Niemand heeft er toegang tot', in plaats van 'Niemand heeft er toegang toe.' Dat was, elke keer weer, een kleine ergernis als ik dat lied beluisterde.

Ik herinner me een lied waarin Seth Gaaikema inging op de kritiek op zijn shows. Dat hij steeds maar moest laten merken dat hij uit het noorden kwam (Volgens Gaaikema werd er in het paradijs Gronings gesproken), dat hij het vaak over het geloof had, dat hij van blaaskapellenmuziek hield, dat mensen altijd mee moesten zingen - moest dan nou allemaal? Zijn reactie was dat hij er nog een schepje bovenop zou doen.

Het werk van Gaaikema zal ik ergens in de jaren zeventig hebben leren kennen, via de radio. In de jaren zakte hij weg uit de grote belangstelling, naar mijn indruk. Men had het wel gezien. Bram en Freek hadden intussen een frisse wind door het Nederlandse cabaret laten waaien, er was een ander soort cabaret ontstaan, waarbij dat van Seth Gaaikema wat belegen aandeed.

Toch heb ik met plezier naar de cassettebandjes geluisterd en sommige liedjes vind ik nog steeds goed. Al die woordspelingen werd ik wel eens moe, maar, ach, die hoorden toch ook wel bij Seth Gaaikema. Ik had het idee dat hijzelf het ook wel best vond en minder ging optreden. Maar nu ik op Wikipedia zijn pagina opzoek, zie ik dat dat helemaal niet klopt: hij had maar liefst zes shows in de jaren tachtig, vijf in de jaren negentig en zes van daarna. Ik heb er weinig over gelezen of gehoord.

Zijn laatste show kreeg ineens weer goede kritieken, als ik mij goed herinner. Ik geloof dat die afgelopen zaterdag opnieuw is uitgezonden. Ik had er wel naar willen kijken, maar het kwam er niet van.

Als vertaler kreeg Seth Gaaikema veel lof. Hij kon goed musicals vertalen, maar ook losse liedjes gingen hem goed af. Fietsen, bijvoorbeeld, gezongen door Jenny Arean. Bij Andermans Veren draaide Kick van der Veer op 22 oktober een lied dat ik helemaal niet kende: 'Appelmoes van een vriend', een klein, intiem lied. Erg mooi.

Gaaikema's liedjes zullen nog wel even blijven. Bij het tv-programma Dit was het nieuws bleek dat verschillende deelnemers nog verschillende liedjes van Gaaikema kenden. Ik hoop dat het stof er niet al te snel op neerdaalt.

Seth Gaaikema met The Buffoons

Persiflage door Koefnoen

1989

Passie met Seth Gaaikema (Brava)

Bron foto bovenaan: eerlijkefoto.nl

dinsdag 5 augustus 2014

Het vuil, de stad en de dood (Knipoog 35)


Op vrijdag 1 augustus 2014 stond in NRC Handelsblad een stuk van Wim Pijbes: 'Amsterdam, het toerisme, het vuil en de volle stad'. Het is een opiniestuk over de vervuiling van Amsterdam. Pijbes pleit ervoor dat de nieuwe gemeenteraad aandacht geeft aan die vervuiling:
Lange tijd gold het hatsjikidee van de Amsterdamse tofheid als charmant en vrijgevochten. Die charme is allang op de achtergrond geraakt en 'I Amsterdam' is ontaard tot 'eerst ik en dan de stad'.
Dat roer moet om en het nieuwe college moet daar met de nieuwe gemeenteraad nu alle ruimte voor nemen en en krijgen zodat onze hoofdstad ook na 2014 'loveable' voor bezoekers en 'liveable' voor bewoners wordt.
De titel van Pijbes' stuk lijkt me een knipoog naar Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder. Fassbinder overleed in 1982. Vijf jaar na zijn dood zorgde het toneelstuk, dat hij in 1975 schreef, in Nederland voor veel ophef. Het zou namelijk antisemitisch zijn.

Niet het feit dat er een ex-nazi aan het woord komt was het probleem, maar dat er een gewetenloze rijke jood in getekend wordt, die een vrouw wurgt met zijn das en daarna door zijn goede connecties zijn straf ontloopt. Tegenstanders van het stuk kochten de helft van de kaartjes op.

Natuurlijk protesteerden Joodse organisaties, maar ook daarbuiten waren veel groepen mensen tegen opvoering van het toneelstuk. Uiteindelijk kwam het tot een besloten voorstelling. In die tijd werd de acteur Jules Croiset ontvoerd en weer vrijgelaten. Er was een hakenkruis in zijn borst gekrast. Verschillende Joodse gezinnen, waaronder dat van Freek de Jonge, kregen dreigbrieven. Al gauw bleek dat hij de hele zaak in scène had gezet in een ultieme poging de voorstelling te voorkomen.

De affaire werd opgerakeld in 2000 toen Harry Mulisch het boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid schreef. Freek de Jonge, die hierin een rehabilitatie van Croiset zag, startte een protestcampagne, met de voorstelling 'De conferencier, het boekenweekgeschenk en de leugen'. Hij riep op tot een boekverbranding aan het begin van het Boekenbal, al zal die oproep wel niet zo letterlijk genomen moeten worden. De voorstelling liep al eerder, toen onder de naam 'De flaptekst'.

Vijftien jaar na de affaire werd, zonder protesten, het stuk opnieuw opgevoerd door het Nationale Toneel in Den Haag. Het was een aanleiding voor verschillende artikelen, bijvoorbeeld hier en hier.

De titel van Pijbes doet meteen denken aan Het vuil, de stad en de dood, waarschijnlijk doordat zowel het vuil als de stad erin voorkomen, maar meer nog door de drieslag. De eerste komma in de titel 'Amsterdam, het toerisme, het vuil en de volle stad' had waarschijnlijk beter een dubbele punt of een liggend streepje kunnen zijn. Het gaat immers niet over Amsterdam en de volle stad, wat door de komma wel gesuggereerd wordt.

Ik vermoed dat iedereen die komma automatisch als een dubbele punt leest, waarna je een drieslag krijgt: net zoals Het theater, de brief en de waarheid of 'De conferencier, het boekenweekgeschenk en de leugen.' Zo'n drieslag zal Pijbes bewust gemaakt hebben, in de veronderstelling dat we dan allemaal eventjes aan Fassbinder denken. En zo gebeurde het.


Via iTunes is de podcast van een gelezen voorstelling van het stuk van Fassbinder gratis te downloaden. Het is te vinden in VPRO Radioarchief.

maandag 4 november 2013

Onbegrepen ironie

In de Volkskrant van afgelopen zaterdag, 2 november, wijdt Joost Zwagerman een paginagrote recensie aan een pamflet van Tolstoi, Wat is kunst? Daarin vaart Tolstoi uit tegen kunstenaars. Zwagerman schrijft dan:
Twee namen schoten mij te binnen bij deze even doldrieste als benepen tirade: Hans Teeuwen en Geert Wilders. Uit Teeuwens programma Hard en zielig (1994) is de schuimbekkende monoloog over 'werklozen en buitenlanders' die, aldus Teeuwen, in tegenstelling tot de bakker, slager, tuinman, smid en anderen met een eerlijk beroep 'de hele dag maar een beetje in hun bed blijven liggen stinken en het liefst de kantjes ervan af lopen'. 
De aanhalingstekens geven aan dat Zwagerman citeert en ik neem aan dat hij het bedoelde fragment dus even gecheckt heeft. Dat heb ik ook gedaan, want ik had een heel andere herinnering aan het fragment. De monoloog van Teeuwen richt zich niet tegen werklozen en buitenlanders, maar juist tegen mensen die gemakkelijke meningen over hen hebben. Kijk en luister maar:


Aan het eind is duidelijk op wie Teeuwen zijn pijlen richt: 'Wimpie Bosboom'. Wim Bosboom kreeg indertijd de gelegenheid om op tv een columnachtige tekst vol reactionaire meningen uit te spreken.

Wellicht dat Joost Zwagerman vooral op zijn geheugen heeft vertrouwd bij het tikken van zijn recensie. Zelfs voor een niet zo goede verstaander moet duidelijk zijn wat de strekking is van wat Teeuwen zegt en Zwagerman kan de clou niet ontgaan zijn. Wel kan ik me voorstellen dat de imitatie waarmee Teeuwen zijn monoloog begint zo goed is, dat die juist bijblijft.

Het begin van Teeuwens monoloog is een zuiver voorbeeld van ironie: het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt. Zolang mensen de ironie als ironie herkennen, werkt het. Wanneer de ironie niet begrepen wordt, werkt het averechts.

Dat is al lang bekend. Ik vond bijvoorbeeld de volgende tekst op DBNL:
Met ironie in de boeken gaat het niet altijd zoo van een leien dakje. Wel behoort er iets in den stijl te zijn, dat den lezer waarschuwt; maar, al hapert het niet aan dat iets, voor zeer velen is de ironie een wereld buiten hen om. Bij de vrouwen komt dat meestal voort uit hartstochtelijkheid, bij de mannen uit stompzinnigheid.
Het citaat komt uit Taal en letteren, jaargang 8, 1898, blz. 428. Het is geschreven door André Hallays, die het eerder schreef in Wetensch. Bl. Ook hij merkt op dat ironie vaak niet begrepen wordt. Er zijn meer voorbeelden.

Bekend is wat Van Kooten en De Bie overkwam. Zij richtten in hun tv-programma de Tegenpartij op: 'Geen gezeik. Iedereen rijk.'


De Tegenpartij was bedoeld als parodie op bijvoorbeeld Hans Janmaat en zijn Centrumpartij. Maar de Tegenpartij werd zo populair dat men zelfs verwachtte dat de partij in de Tweede Kamer zou kunnen belanden. Vlak voor de kamerverkiezingen (1981) werd de partij ontbonden. 

Ook bij de Tegenpartij werd de ironie door velen niet begrepen. De uitspraken van de vrije jongens Jacobse en Van Es werden serieus genomen en geprezen. Die twee zeiden tenminste waar het op stond.

Mij schoot een derde voorbeeld te binnen. De vliegende Panters maakten ooit een nummer over angst voor de islam. Het was een vrolijk nummer, waarbij in het bijbehorende filmpje een fanfare door een dorpje trekt. 



Ook hier is sprake van ironie. Niet de moslims worden op de hak genomen, maar de angst voor de islam. Door de vrolijke toonzetting, wordt dat voldoende duidelijk, lijkt me. Toch moest een lid van de groep zich indertijd (5 oktober 2005) verantwoorden bij Pauw & Witteman.

Volgens Hallays komt het misverstaan van ironie voort uit hartstochtelijkheid of stompzinnigheid. Of dat zo is, is weer een heel andere discussie. Dat iemand die zich bedient van ironie bedient de kans loopt niet goed begrepen te worden, lijkt me duidelijk. Erg is dat niet. Wie de ironie herkent en dus de achterliggende bedoeling oppikt, zal waarschijnlijk extra genieten: ook omdat hij tevreden kan zijn over zichzelf. Hij heeft immers lekker wel gezien wat de makers van het lied, het tv-programma, de sketch bedoelden.

Naschrift
Na enige tijd reageerde Joost Zwagerman. Zijn reactie:

Beste Teunis, met enige vertraging las ik je blog over ironie. Wat opmerkelijk dat de ironie van MIJN observatie je is ontgaan. Natuurlijk weet ik wel dat Teeuwen als cabaretier grappen maakte over buitenlanders en uitkeringstrekkers, en juist daarom noem ik hem ook, omdat de -onbegrijpelijke- ernst en bekrompenheid van tolstoi zo karikaturaal is dat die bekrompenheid alleen nog kan worgden geassocieerd met de potsenmakerij van een grappenmaker (Teeuwen) en het populisme van een kunsthater (Wilders). Ik maakte dat naar mijn idee toch meer dan duidelijk. Denk je nu echt dat ik meende dat Teeuwen meende wat hij in zijn sketch opvoerde? Gph.

succes met het blog!

Vr gr J

maandag 22 juli 2013

Michel van der Plas overleden (1927 - 2013)


Michel van der Plas (Ben Brinkel) is overleden. Ik las het net op de site van Het lied, waar ook een paar filmpjes zijn geplaatst van artiesten die werk van Van der Plas uitvoeren. Jan Beuving reageerde op Twitter: 'Voor haar', gezongen door Frans Halsema, is niet door Van der Plas geschreven; hij vertaalde het slechts. De komende dagen zullen we lezen hoeveel hij wel geschreven heeft. Dat is heel veel.

Het werk van Van der Plas leerde ik kennen toen ik het bundeltje Schuinschrift kocht. Dat verscheen in 1971, maar het zal wel 1975 of zo geweest zijn toen ik het aanschafte. Het was een slecht boek, in die zin dat het na een paar keer doorbladeren uit elkaar lag. Uiteindelijk heb ik het boekje zorgvuldig gesloopt, met een perforator gaatjes in elk blad geslagen en het hele pakketje opgeborgen in een ordner. Daar moet het nog zitten. Als ik het goed heb, samen met twee toernooiboeken over het Nederlands Kampioenschap schaken, die ook al zo gammel waren. Die ordner heb ik nog. In een doos. In theorie kan ik die opzoeken; in de praktijk komt het daar niet van.

In Schuinschrift stonden liedteksten van Van der Plas, maar ook teksten van conferences. Van die liedteksten herinner ik me 'Kees' en 'Zondagmiddag, Buitenveldert'. Ik vond ze mooi en maakte er, op mijn manier, melodieën op, zodat ik ze kon zingen. Voor zingen waren er altijd gelegenheden. Als ik onder koe zat, om te melken, bijvoorbeeld. Wanneer mijn melktempo eronder leed, zei mijn vader er iets van. Of als ik op de fiets zat. In ons dorp werd daar op den duur niet vreemd meer van opgekeken.

'Tearoom tango' kon ik op de originele manier zingen; ik had het wel eens gehoord op de radio. Bij de Arbeidsvitaminen misschien. En 'Frater Venantius' en 'De stalmeester', ook al van Van der Plas, kende ik ook van de radio. Frater Venantius, gespeeld door Wim Sonneveld, werd indertijd bijzonder populair en natuurlijk was er ook gemopper over, omdat Venantius ook het katholieke geloof op de hak nam.

Van dat geloof wist Van der Plas alles af. Hij had op het seminarie gezeten, waar hij stiekem gedichten schreef. Uiteindelijk verliet hij de priesteropleiding, maar hij bleef geïnteresseerd in het katholieke geloof. Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962 - 1965) was hij verslaggever voor de KRO. Door dat katholieke, heeft Van der Plas nooit tot de grachtengordel behoord en dat heeft er zeker voor gezorgd dat hij minder bekend geworden is. De uitvoerders van zijn teksten gingen meestal met de eer strijken.

Het bekendste voorbeeld van 'eerroof' is misschien dat van Godfried Bomans. Omdat Van der Plas in een bloemlezing niet weer een gedichtje van zichzelf wilde opnemen, zette hij onder een kwatrijn de naam van Godfried Bomans. Iedereen kent het:
Spleen
Ik zit mij voor het vensterglas
onnoemelijk te vervelen.
Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen.
Op de Wikipediapagina over 'spleen' staat onder het gedichtje 'Toegeschreven aan Godfried Bomans'. En zelfs in de beroemde bloemlezing Ik wou dat ik twee hondjes was (1982), samengesteld door Vic van der Reijt, gaan de credits naar Bomans.

Van der Plas kon geweldig humoristische gedichten schrijven. Een serie van die gedichten stond in de bloemlezing van Knuvelder, die wij als middelbare scholieren gebruikten. Het waren variaties op 'Twee emmertjes water halen' met daarbij een geestige parodie op Hiëronymus van Alphen, met als moraal:
Kinderen, wilt hieruit leren:
ook al hebt ge een gebrek,
gij kunt enkel koek verteren
als ge rent gelijk een gek.
Ook Gezelle parodieerde hij in die serie.

In 1980 kocht ik Paspoort, weer een verzamelbundel met van alles en nog wat. Daarin las ik ook serieuze gedichten van Michel van der Plas en ik vond ze, als twintigjarige, prachtig. Mijn geheugen is ongetwijfeld onbetrouwbaar, maar ik zie mezelf in het bed van mijn ouders liggen. Dan moet ik ziek geweest. Maar ik las natuurlijk wel, gedichten van Michel van der Plas. Dit bijvoorbeeld:
Nacht om ons heen. Ik hoor je ademhalen
als achter dun papier waar ik op schrijf
al wat ik van die zuchten kan vertalen:
Niet slapen; denk aan me; houd van me; blijf.
Mijn ogen lopen vol, mijn vingers beven.
Ik ben de enige van ons die ziet
wat daar diep in de nacht naast staat geschreven:
Nee; natuurlijk; ja ja; dat kan ik niet. 
Dank als ik eenmaal weg ben en je weet
wat ik je heb geantwoord met mijn adem:
denk niet: 's ochtends kuste hij mij en deed
alsof hij leefde en had mij al verraden.
Ik heb toch naar je geluisterd? en toen
deed ik toch alles wat een mens kan doen?
Het slot is minder sterk, zie ik nu, maar de kwatrijnen houden het nog altijd. Ook van een ander sonnet is het begin goed:
Wanneer twee mensen bij elkander slapen
hebben beiden het warm. De ademtocht
welft als een tent. Een hand, haastig gezocht,
groeit tegen nacht en stilte als een wapen.
Je zoekt de hand van je geliefde, omdat de nacht en de stilte je aanvliegen. Dat is een afhankelijk gebaar. Maar het werkt. Sterker nog: het is niet minder dan een wapen. Maar dan komt het begin de tweede strofe:
Maar dat ene doet men alleen gelegen.
Alleen gelegd.  
Verderop in het gedicht wordt het bed zo breed dat de geliefden elkaar niet meer kunnen bereiken en de kou doortrekt alles. Sterven doet men alleen:
O dat men leven moet naar deze dood,
dat twee mensen niet bij elkander sterven. 
Ik moet enige tijd geteerd hebben op deze gedichten en teksten van Michel van der Plas. Pas in 1984 kocht ik nog een bundel van hem, Dance for you, zijn debuut uit 1947. Dat moet aardige verkoopcijfers hebben gehad, want ik had de zesde druk. Van welk jaar die druk is, staat er niet in. In ieder geval was Ergenshuizen (1953) al verschenen.

In het debuut van Van der Plas worstelt hij nog wel met het geloof, of met het feit dat hij het seminarie verlaten heeft:
Waar zijt Gij, God die ik te vinden tracht?
Ik beuk de poorten Uwer zwijgzaamheid
met vloeken en gebeden, in de nacht
die om Uw ver nabijzijn ligt gespreid:
verbergt Gij u voor wie Uw stem verwacht?
vlucht gij voor hem die bitter om u schreit?
en laat gij dorsten die naar 't water smacht
van Uwe troost? Ach, wist ik waar Gij zijt - 
Beveel de engelen het lied te staken
dat heel de dag door Uw domeinen klinkt,
en luister even, als de stilte zinkt,
naar 't beuken op Uw poort: ik zal er waken
en wachten tot ik aan Uw kleed kan raken
en zeggen: red ons Heer, Uw volk verdrinkt. 
Aan het slot blijkt de ik namens een volk te spreken. Wellicht dat Van der Plas het gedicht in de oorlog schreef.

In 1994 verscheen De oevers bekennen kleur, de verzamelde gedichten van Michel van der Plas. Ik besprak het boek voor het tijdschrift Bloknoot (nr. 8, tweede jaargang, mei 1994). Het meest verrast was ik door de bundel Het ei van Columbus. Het is een omvangrijke bundel, die tachtig bladzijden in de verzamelde gedichten inneemt.

Van der Plas volgt het leven van Columbus en wisselt daarbij geregeld van perspectief, wat hij ook duidelijk maakt door de versvormen die hij gebruikt. Hoogtepunt is een gedicht van zeven bladzijden lang, 'De zeldzame brief'. Het is een gedicht over de lange brief die Columbus schreef aan koningin Isabella. De brief werd bekend als de 'lettera raissima' en is één lange klacht over alle teleurstellingen, gevaren en ellende die Columbus ondervond.

In 'De zeldzame brief' volgen we de inhoud van de brief, maar tegelijkertijd komen we te weten hoe Isabelle de brief leest. De twee lijnen vlecht Van der Plas knap door elkaar.

Van der Plas schreef vaak over zijn vader, al vanaf zijn eerste gedichten. De relatie was lastig, begrijp ik daaruit. Ondanks de lastige relatie is de verbinding gebleven. 'In memoriam patris' schreef hij voor het doodsprentje van zijn vader. Het gaat over een man die staat te biljarten en het eindigt met: 'Hij kan / niet tegen zijn verlies. Ik houd van hem.'

In God en omstreken (1988) komt de vader verschillende keren terug. Jezus is aan het woord en spreekt God aan. Maar misschien spreekt de dichter daardoor ook zijn eigen vader wel aan. Als de relatie met zijn eigen vader soms moeilijk was, wat voor gevolg had dat dan voor zijn geloof? God wordt immers ook aangesproken met 'Onze Vader'. Van der Plas zou nog een hele bundel aan zijn vader wijden: Vaderland (1991).

Vorig jaar werd Van der Plas 85 jaar. Ter gelegenheid daarvan zond RKK een documentaire uit, Michel van der Plas, schrijver in de schaduw. Dat mooie portret kun je hier terugzien. De interviewer vraagt of Van der Plas wel eens de balans opmaakt. Dat doet hij en dan overdenkt hij zijn zonden. Hij is nog steeds vervuld van schuldbesef.

Van der Plas is ook als biograaf bekend geworden, en daarbij is hij ook genomineerd voor grote prijzen. Die biografieën (van Gezelle bijvoorbeeld) heb ik niet gelezen. Op het stapeltje 'misschien voor de vakantie', dat groter is dan het stapeltje 'zeker voor de vakantie', ligt het boekje In de kou waarin hij met Godfried Bomans praat over het geloof. Misschien moet dat boekje maar een stapel opschuiven.

Van der Plas kon veel en daar had best wat meer aandacht voor mogen zijn. Het lijkt me niet meer dan logisch dat ik afsluit met een van zijn gedichten.

Wind
Vanmorgen is de grote wind gekomen
met een almachtige krachtige veeg
en heeft de laatste wolken meegenomen,
en heel de hemel is weer blauw en leeg.
Het is voorbij, jouw regen en het stromen
over mijn ziel. Al wat ik van je kreeg
is weer doodstil en brengt niets meer teweeg.
Je beeld is uitgewist, zelfs in mijn dromen.
Ik lig alleen en hoor de verre hanen.
Alleen de oude dingen zijn weer waar,
de kale uren en de arme wanen.
En toch, ik ben je kind nog, en de tranen
waarvoor ik vreesde zijn er maar een paar.
Dag vader, we zijn haast weer bij elkaar. 

Afbeelding: still uit de documentaire die de RKK vorig jaar vertoonde.

maandag 8 juli 2013

Om te janken zo mooi


De doden zijn overal. Ze zitten achter een krant in de trein die ze bij hun leven nooit genomen hebben; ze kuchen vanachter een plant in een restaurant; ze neuriën door Bach heen. En in je dromen komen ze voorrijden en stappen energiek uit hun auto.

Maarten van Roosendaal is nog maar pas overleden en hij is aanweziger dan ooit. Op de radio hoor ik zijn liedjes vaker dan een paar maanden geleden. Gisteren vertolkten Keetje en Ko een lied van hem bij Dante in de Kuil en in de boekhandels kijkt hij me aan vanaf de voorkant van het boekje Om te janken zo mooi. 

Dat boekje was het laatste project van Van Roozendaal, nog net voor zijn dood afgerond. Een aantal schrijvers en een enkele beeldend kunstenaar vroeg hij te reageren op een van zijn liedteksten. Het mocht geen in memoriam worden en verder waren de medewerkers vrij. Als ze maar opschoten; de tijd drong.

Het zijn niet de eersten de besten die meegewerkt hebben aan Om te janken zo mooi. Een greep: Manon Uphoff, Désanne van Brederode, Menno Wigman, Sanneke van Hassel, Neeltje Maria Min en meer nog - achttien stuks, meneertje! En dan heb je natuurlijk nog de achttien liedteksten van Maarten van Roozendaal, die ook opgenomen zijn.

Het is interessant om te zien hoe de verschillende schrijvers het aangepakt hebben. Rick de Leeuw nam 'Postbode' en schreef een liedtekst over hetzelfde gegeven, maar nu vanuit een ander perspectief. Thomas Verbogt schreef een soort 'Judith' in proza, waarbij het hem lukt om hetzelfde misluktheidsgevoel op te roepen als Van Roozendaal deed in zijn tekst. Peter van Straaten vatte 'Maaltijd' in een tekening.

Joost Zwagerman schreef een persoonlijk stuk over de kraaktijd van Maarten van Rozendaal, waarbij we ook nog een decor bij het schrijven van De buitenvrouw meekrijgen. A.L. Snijders vertelde hoe een enkel zinnetje van Van Roozendaal hem ooit getroffen heeft.

En er zijn schrijvers die helemaal hun eigen gang gaan en een flinke draai aan de oorspronkelijke tekst geven. Désanne van Brederode bijvoorbeeld, die een wonderlijk verhaal schreef over een kunstenaar die zo geobsedeerd was door zijn hart, dat hij het buiten zijn lichaam ging dragen. Of Neeltje Maria Min en Joke van Leeuwen, die tot prachtige gedichten gekomen zijn. Van Leeuwen schrijft onder anderen:
We waren een menigte op een plein.
We verstonden onszelf niet meer.
Je hoeft zo'n strofe maar te lezen, of je krijgt er journaalbeelden bij.

Enkele namen wil ik toch nog even noemen. Jan Rothuizen maakte naar aanleiding van 'Lijn 17' een combinatie van een tekening en een gedicht. Het zijn maar een paar regels, maar ze zijn precies raak. En Bernard Wesseling schetste een journalist in een kroeg met markante figuren. Zijn 'Het heenkomen' is grappig en tragisch. Maar vooral heeft het een vertelstem waaraan je je moeilijk kunt onttrekken.

Manon Uphoff sluit het boekje af, met een stukje over haar overleden ouders die haar in haar dromen bezoeken. Ze wijst hun de deur en dat zit haar toch niet lekker.

Zo gaat dat. Doden zijn niet kapot krijgen. Ze komen aanwaaien en als ze binnen zijn, krijg je ze niet meer weg. Zo zal het ook gaan met Maarten van Roozendaal. Hij zal, welkom of niet, ons nog vaak bezoeken. Misschien maar eventjes. En daarna gaat alles weer verder. Alsof er niets is gebeurd.

Om te janken zo mooi is verschenen bij Nieuw Amsterdam. 

maandag 1 juli 2013

Maarten van Roozendaal overleden (1962 - 2013)


Maarten van Roozendaal is vandaag op 51-jarige leeftijd overleden. De zanger met de stem waarover het leven was gegaan; de pianist die zichzelf uitstekend begeleidde; de theaterman die in zijn eentje een podium kon vullen. In het bos van het betere lied is een grote eik omgevallen.

Eerder dit seizoen had ik kaartjes gekocht voor De gemene deler, het programma waar Van Roozendaal dit seizoen mee toerde. Een of twee dagen voor de voorstelling kreeg ik bericht dat de voorstelling geannuleerd was. Maarten van Roozendaal was ziek. Ik wist toen nog niet hoe ziek.

Hij wist het wel en hij wist dat hij nog weinig tijd had. Nog net voor wat letterlijk zijn deadline zou zijn, rondde hij een project af: een boek met stukjes van schrijvers die geïnspireerd waren op zijn teksten. Om te janken zo mooi heet het. Het boek zal hier nog besproken worden.

Wanneer ik kennis maakte met het werk van Maarten van Roozendaal weet ik niet meer precies. Ik kende al gauw zijn nummer 'Red me niet', waarvoor hij in 2000 de Annie M.G. Schmidt-prijs won. In radioprogramma's als Andermans veren hoorde ik vaker nummers van Van Roozendaal.

In 2004 kwam bij Nijgh & Van Ditmar de liedtekstenverzameling uit die ook Red mij niet heette. Ik vond de teksten 'wel goed' en sommige vond ik zonder meer goed. Maar Van Roozendaals teksten werken maar half op papier. Je moet ze hem horen zingen en dan laat je alle reserve varen.

Ik kocht Van Roozendaals cd Kerstmis in april (1999) en ging naar zijn voorstelling Maarten van Roozendaal zonder vrienden (2010 - 2011). Het was een bijna huiselijke voorstelling: Van Roozendaal alleen met zijn piano op het podium, dicht bij het publiek. Hij praatte tegen de aanwezigen alsof ze met hem in dezelfde huiskamer zaten.

De muziek was heerlijk en Maarten van Roozendaal zong met zoveel betrokkenheid en gedrevenheid dat alles gloeide en vonkte. Ik heb mijn handen rood geklapt.

Maar nu is het doek gevallen. Van Roozendaal zwijgt, al hoort iedereen die zijn nummers kent, zijn stem nog als zijn naam valt. Laten we die nummers nog maar eens draaien. En daarna lang stil zijn.






bron foto: eerlijkefoto.nl

maandag 10 juni 2013

Nieuwe klassiekers



Wanneer noem je een lied een klassieker? In ieder geval moeten heel veel mensen het kennen, lijkt me. Ik denk dan aan nummers als 'Op een mooie pinksterdag', 'Het dorp', 'Mens, durf te leven' of 'Laat me'. De uitvoerende artiesten hoef ik niet te noemen, omdat iedereen die kent.

Daan Bartels maakte een boekje met nieuwe klassiekers, nummers uit de laatste vijfentwintig jaar die grote bekendheid genieten. Hij heeft zich daarbij voornamelijk beperkt tot de kleinkunst en tot de betere popliedjes. We treffen in zijn boekje Nieuwe klassiekers dus niet 'Heb je even voor mij?' van Frans Bauer aan of 'Ik neem je mee' van Gers Pardoel.

Voordat ik het boekje inkeek, had ik bedacht welke nummers erin zouden kunnen staan. Ik dacht aan 'Papa' (Stef Bos), 'Geen kind meer' (uitgevoerd door Karin Bloemen), 'Bloasmuziek' (Gé Reinders), 'Op fietse' (Daniël Lohues), 'Mooi'(Maarten van Roozendaal). Die in ieder geval, leek me. Spinvis zou er wel bij zitten, Guus Meeuwis misschien en natuurlijk Claudia de Breij met dat lied over Lynndie England. Nou ja, en misschien wel iets van Jeroen van Merwijk of Dorine Wiersma of Roosbeef. En zou 'Wegwaaien' van Milou Frencken bekend genoeg zijn? Of 'Ruimtevaarder' van Kommil Foo? Dat waren nummers en namen die door mij heen gingen. Ik kreeg maar een beetje gelijk.

In het nawoord geeft Bartels toe dat hij maar een beperkte keus heeft gemaakt (eenentwintig liederen) en dat er veel meer klassiekers zijn, waaronder 'Papa' van Stef Bos. Bartels liet zich bij de keuze leiden door vermeldingen in de Top 2000, door de mate waarin nummers werden aangevraagd bij radiopogramma's waarbij hij werkte en of nummers voorkwamen op 'lijstjes met betrekking tot uitvaarten, trouwerijen en andere ceremonies'. Ten slotte ging hij af op de mening en de smaak van vakgenoten en van (hier zet Bartels drie puntjes) zichzelf.

'Papa' komt op al die lijstjes voor, volgens mij; het reikte tot in de top honderd van de Top 2000, wordt gedraaid bij begrafenissen en andere plechtigheden en ik heb nog nooit iemand iets vervelends over het nummer horen zeggen. Dat het niet opgenomen is, moet dus liggen aan de smaak van de samensteller.

Maar goed, ik kan billijken dat in een vrij beperkte selectie nu eenmaal niet alle goede en populaire nummers opgenomen kunnen worden. Maar ik verbaasde me wel over de nummers die wel de selectie haalden. Ten eerste kende ik sommige nummers niet, maar dat zal aan mij liggen. In musicalnummers ben ik bijvoorbeeld slecht thuis. Ten tweede zijn er ook nummers opgenomen die tekstueel maar heel matig zijn.

'Morgen is vandaag' bijvoorbeeld, uit Soldaat van oranje. 'Vaderland' van Frank Boeijen stelt ook niet zoveel voor en helemaal erg is de draak 'Inspiratie' van Koen en Ad van Dijk, gezongen door Mathilde Santing. 'Ik heb je lief' van Paul de Leeuw is zo bekend, dat Bartels misschien daarom er niet omheen kon. Toch kan ik mij niet voorstellen dat iemand die van goede teksten houdt 'veel beetjes blij' wordt van dit lied. 'Vinkeveen' (Jan Beuving/Angela Groothuizen) is helemaal geen gek lied, maar kan een lied dat zo kortgeleden uitgebracht is al een klassieker zijn?

Bartels nam overigens ook nummers op waarvan het niet meer dan logisch is dat ze in een dergelijke selectie voorkomen: 'Mooi' (Maarten van Roozendaal), 'Amsterdams parfum' (Jan Boerstoel/Jenny Arean/Martin van Dijk)', 'De vondeling van Ameland' (Boudewijn de Groot/Freek de Jonge) en de 'Bloasmuziek' van Gé Reinders dus.Van Theo Nijland had ik gegokt op 'Een vrolijk liedje', maar 'De pijn is weg' is ook acceptabel, al is dat begin wel erg expliciet met die 'tranen' en dat 'verdriet.

De ondertitel van het boek belooft 'verhalen' over de nummers, maar het zijn eigenlijk korte interviewtjes, die niet zo erg strikt geredigeerd zijn. Er zijn babbelachtige passages die prima geschrapt hadden kunnen worden. Dat iets letterlijk zo gezegd is, lijkt me geen argument.

Bartels interviewde de tekstschrijvers, de componisten en de uitvoerende artiesten. Claudia de Breij ('Mag ik dan bij jou?') geeft daarin bijvoorbeeld zelf al aan wat het zwakke puntje in haar tekst is en Maarten van Roozendaal vertelt dat 'Mooi' als een geintje begonnen is, maar dat er toch een heel serieuze laag in de tekst geschoven is.

Bij het boekje is geen cd geleverd. Ieder die de muziek wil horen, wordt geacht naar de website van Bartels te gaan, hetlied.nl, waarop trouwens heel veel over het Nederlandse lied te vinden is. Iedere liefhebber van het Nederlandse lied zou daar van tijd tot tijd eens moeten gaan kijken. Op die site staan de filmpjes die bij de nummers horen. Het loont zeker de moeite om die te bekijken en te beluisteren.

Zo kende ik 'Bij mij' van Anne van Veen niet. In de tekst komt de zwakke zin 'Je blootje maakt me blij' voor, waardoor ik de rest van de tekst ook nauwelijks meer interessant vond. Maar Herman van Veen laat bij de uitvoering die zin gewoon weg en dan blijkt 'Bij mij' ineens een heel aardig nummer te zijn.

Eigenlijk had ik wat meer verwacht van Nieuwe klassiekers. Bij elk lied een stevige inleiding bijvoorbeeld, waarbij er meer over het lied gezegd wordt dan dat de melodie in tien minuten klaar was. Maar toch verveelt het boek niet. Je bladert het lekker door, leest hier en daar wat; je herkent sommige dingen en je laat je verrassen door andere.

Wel moet er een vervolg komen, lijkt me, waarin klassiekers geen plaats hoeven maken voor nummers die het nog moeten worden.










donderdag 13 december 2012

Oxytocine



Vorige week vrijdag zag ik in Cultura in Ede, samen met mijn lief, de voorstelling Oxytocine van Monic Hendricx. In de recensie in de Volkskrant was er niet veel van de voorstelling overgebleven. Nou ja, met het spel van Monic Hendricx was niet zoveel mis, maar het stuk deugde niet, begreep ik uit het stuk van Karin Veraart.

Oxytocine is geen gemakkelijk stuk: veel tekst, waarbij je ook nog steeds moet opletten. De scènes worden onderbroken door muziek van een Balkanensemble. Aangenaam, mooi ook wel, maar ook wel nodig om even op adem te komen.

Hendricx speelt twee rollen: Thera, die alles heeft, maar niet gelukkig is. Er zit een tumor in haar hoofd, waardoor ze verandert. Ze gaat op zoek naar Het Geluk, en daarvoor moet ze naar het zuiden.

Het andere personage is Maro, haar Iraanse werkster. Ook zij zocht het geluk en kwam daarbij in Nederland terecht. Haar kind liet ze achter bij oma.

Oxytocine is de stof die vrijkomt bij liefdevolle aanrakingen. Het wordt ook wel het knuffelhormoon genoemd. Wie oxytocine aanmaakt, moet wel gelukkig zijn. De personages zijn dat niet, maar willen dat wel worden. Ze moeten er een lange weg voor gaan. Ze zijn elkaars spiegelbeeld, maar ze leggen een soortgelijke weg af: ver van huis gaan, om te ontdekken dat daar het geluk (ook) niet is.

Het stuk is geschreven in fraaie zinnen en misschien zijn die soms wel iets te fraai, te veel theater, te nadrukkelijk. Maar als je dat voor lief neemt, kun je daar ook van genieten. En welke tekst het ook is, Hendricx kan volgens mij alles overtuigend brengen.

Het stuk snijdt veel onderwerpen aan: illegalen, verschil tussen arm en rijk, materialisme, het najagen van geluk, hoe mensen van elkaar verwijderd kunnen raken. Dat geeft iets om nog even op te kauwen, waardoor je ook als het afgelopen is nog van Oxytocine kunt genieten. En daarna moet je natuurlijk dicht tegen je geliefde aankruipen en zoveel mogelijk oxytocine aanmaken.




dinsdag 20 november 2012

Janne Schra



Op haar Facebookpagina stelt Janne Schra zich voor: Janne Schra (Room Eleven, Schradinova) will save the planet with something not yet defined. In the meantime singer, songwriter and painter. Afgelopen zaterdag bezocht ik met Grote Zoon een theaterconcert van haar en haar band in Cultura, Ede.

Janne Schra treedt op met een band in interessante bezetting: twee violisten, een altvioliste, een cellist, een drummer/slagwerker en een gitarist. Zelf speelt ze piano en gitaar, maar dat hoor je eigenlijk alleen als ze soleert. Als ze met de band meespeelt, valt haar instrument weg.

Band en zangeres deden het goed, tijdens het concert. Het is duidelijk dat ze met plezier samenspelen. De nummers zijn fraai gearrangeerd en verschillende bandleden krijgen de kans om in een nummer te laten horen wat zij in huis hebben.

Schra poseert een beetje tijdens haar optreden, als de naïeveling die het leven nog niet zo erg snapt, misschien om vertedering bij het publiek op te wekken. Ze kreeg dat wel snel aan haar kant, overigens. Dat is ook niet zo gek, want haar optreden straalt een zekere lichtheid uit en Schra weet met haar teksten tussendoor de afstand tot het publiek klein te houden.

Haar stem is fraai en ze kan er veel mee. In het lagere segment is die stem laag en vol, in het hogere kan die ijl zijn, maar ze kan ook lekker uithalen. Ook kan ze zacht en ingetogen zingen. Een veelzijdig zangeres.

Het concert begon met nieuwe nummers, 'Speak up' en 'Light up', maar er kwamen ook oude bekenden voorbij, zoals 'Swimmer'. Heerlijke muziek, waardoor je je graag laat meevoeren en dat deed het publiek dan ook. Het was bereid om helemaal aan de kant van Schra te gaan staan en zelfs toen ze in een nummer de slappe lach kreeg, werd haar dat niet kwalijk genomen.

In januari verschijnt het nieuwe album. Dat ga ik kopen.







zondag 7 oktober 2012

Spitz!




De laatste twee cd’s van Ellen ten Damme waren Nederlandstalig. Eerst verscheen Durf jij? met teksten van Ilja Leonard Pfeijffer en daarna Het regende zon met ook teksten van Remco Campert, Harry Mulisch en Ten Damme herself. De liedjes van de tweede cd vormen de basis voor de voorstelling Spitz! Maar ze zingt ook nummers van haar vorige cd (bijvoorbeeld ‘Misschien’ en ‘Je bent het einde’, het bekende ‘See you in Vegas’ en een nummer dat we vooral van Marilyn Monroe kennen (‘I wanna be loved by you").

Ten Damme heeft geen moeite met een groot podium. Ze neemt het direct in beslag, of ze nu zingt, speelt (piano, gitaar, viool), danst of het publiek toespreekt; ze is het middelpunt. Ze wordt ondersteund door een uitstekende groep dansers van het Scapino Ballet Rotterdam en zogenoemde ‘visuals’, geprojecteerde beelden.

Ten Damme is energiek. Onvermoeibaar zingt en danst ze, nergens zakt de voorstelling in. Ze houdt de spanning erin en lijkt moeiteloos het publiek mee te krijgen. Dat publiek bewondert haar niet alleen. Bewondering schept immers afstand. Maar Ten Damme weet ook bijna huiselijke momenten in haar optreden te bouwen.

De muziek is prima in orde, de meeste teksten zijn dat ook. Het nummer ‘Verder, verder’ wordt ondersteund door beelden van sneeuwvlokken en een fraaie choreografie. Maar zinnen als ‘ik heb mijn hersens uit hun taak ontheven’ en ‘het enige wat ik aan mijn bestaan nog toevoeg is dat ik wanhopig schreeuw’ zijn houterig en omslachtig. Ook bezondigt Pfeijffer zich aan tautologieën (‘zoals bijvoorbeeld’). Dat had beter gekund.

Maar dat is niet wat je blijblijft. Ik heb gewoon een goed optreden gezien van iemand die met overgave haar nummers brengt. Pet af.





maandag 20 augustus 2012

'Het is veel erger wat ik voel' - Toneelstukken van Gerrit Komrij



Toen ik onlangs iets schreef naar aanleiding van het overlijden van Gerrit Komrij, kon ik het tekstboekje niet meer vinden van zijn toneelstuk Het chemisch huwelijk. Intussen ben ik druk in de weer geweest met het opruimen van boekenkasten en het boekje is boven water. De poster van de voorstelling zat er voorin. Op de speellijst kan ik zien dat ik op donderdag 17 of vrijdag 18 februari naar de voorstelling geweest moet zijn.

Dat tekstboekje zocht ik vanwege een claus van Manfred, gespeeld door Huib Rooijmans. Hij begint met een prachtige homerische vergelijking, die ik nog vaak als illustratiemateriaal in mijn lessen heb gebruikt. Ook de rest van het citaat mag er zijn, trouwens:
Mijn jaloezie? Bewaar me. Jaloezie
Is als een geile, vette worm die om
Zijn kroost te voeden in ons lichaam kruipt.
Hij boort en knaagt en rolt zich in de etter.
Dat voel ik niet. Dat is een kleinigheid.
De jonge wormen doen zich aan ons hart
Te goed, ze zwemmen in die zee van slijm,
Ze knagen oorverdovend aan de wanden.
Dat voel ik niet, dat is een kleinigheid.
Een hele horde plant zich voort, er komt
Geen einde aan hun kindertal, de een
Heeft zich net volgevreten of de ander
Springt uitgehongerd in de rotte bron
Van long en nier en tong en speekselklier.
Dat voel ik niet. Dat is een kleinigheid.
Ons hele lichaam jeukt. De maagwand sist.
De hersens worden gek. De mergpijp smelt.
En niemand weet wat meer pijn doet, de worm
Die vol en dood is of de worm die knaagt,
Nog steeds op zoek naar flarden gillend vlees.
Dan valt in de poreuze ingewanden
- De lever is nog maar een hazelip,
Het is één wormennest van schurftig bloed -
Ineens een blinkend slagersmes. Loodrecht.
Dat voel ik niet. Dat is een kleinigheid.
Het roert en roert, het mes. De wormen muiten.
Ze slaan op hol. Er breken rellen uit.
Het koude mes maakt van het brullend bloed
Een draaikolk. Niemand weet meer wie wie eet.
En alles - speelt zich af in één seconde.
Dit is de jaloezie. Ik voel het niet.
Het is veel erger wat ik voel. Het is
Of ik maar half besta. Ik mis een helft.
Ik tol in een verloren ruimte rond
En vind geen houvast. Jou ontbeer ik.
Je bent, Max, van me weggerold - en zelf
Ben ik geen eenheid meer. Elk deel van mij
Is half, mijn woorden, mijn gedachten
Zijn half en half zijn al mijn moleculen.
Er zullen later dokters opstaan die
Beweren dat wij alles in ons hebben,
Dat wij onszelf, waar iets ontbreekt, aanvullen,
Dat wij wat in ons sluimert door ontbering,
Verdringing, amputatie en verlies
Naar boven kunnen halen, dat de geest
Naar gaafheid streeft, naar evenwicht, de ziel
Haar tegenhanger vindt op eigen kracht
En in zichzelf. Geloof die dokters niet. -
Ik ben op zoek en wat ik nodig heb
Ligt buiten mij. Jou of een ander, Max.
 In dat eerder genoemde blogbericht vertelde ik ook nog dat ik naar De redders was geweest, 'wat ik, geloof ik, wel aardig vond'. Nu besef ik dat dat niet klopt: ik heb De redders helemaal niet gezien. Wel ging ik naar De stem van het water, wat ik helemaal niet noemde, omdat het op dat moment niet omhoog borrelde uit het moeras van mijn geheugen. Maar nu weet ik het weer.


















Naar De stem van het water ging ik met een groep leerlingen. Vooraf kregen we uitleg van iemand van Theater van het Oosten. Ik herinner me dat er iets verteld werd over de tegelvloer die we te zien zouden krijgen. En natuurlijk over de opmerkelijke personages: Kniertje, Piet Heyn, Kortjakje, Meester Pennewip, P.A. Saaije Azn. en Jan Rap. De première was in 1991. Ik zal het stuk dus wel in 1992 hebben gezien, in De Reehorst in Ede.

De oerhollandse personages verblijven allemaal in Pension Kniertje. Kortjakje heeft een baantje aan de kassa bij de Hema en Meester Pennewip begint aan het eind van het stuk iets met Jan Rap. Verder veel satirische en dus hilarische scènes.

Een claus van Meester Pennewip:
Een vrouw hoort niet op het toneel
Ze zijn zichzelf dat is erg genoeg
Jongedochters ouwe moeren
Als vrouwen botsen ze botsen meestal
Botsen ze met een lichte plof
Met vuur dat sneller dooft dan het kwam
Van smart is nog nooit een vrouw gestorven
Als mannen botsen ze botsen meestal
Ik bedoel die bijzondere botsing
Slaat daar vuur uit dat laait en laait
Lekkend met nameloze tongen
Vuur dat de meest gevoelloze hoort
Zonder de bron van het vuur te kennen
Een knal
Wat doet een vrouw op het toneel?
Een vrouw kan breien haken tornen
Wol afwinden met een vriendin
Vriendschap en vrede die betekenen
Die betekenen bij twee vrouwen
Dat de ene doof is de andere blind
Toneel was altijd een zaak van mannen
het liefst zie ik mannen op het toneel
Toneel moet een zaak van mannen blijven
Vuur gaat boven zwakke sintels
Kunst gaat boven kunstigheden
Wie weet hoe nu een zekere man
Nog onbewust nog half bewust
De sintels aan de kant zal schuiven
Om voor zijn vuur een waardig doel
Een doel te vinden dat verlangt
Dat er onstilbaar naar verlangt
Verbrand verschroeid verteerd te worden
Aldus
Ach, er staat zoveel moois en zoveel leuks in De stem van het water. Het zou mooi zijn als het weer eens ergens te zien zou zijn.

Piet Heyn (Jules Croiset) en Meester Pennewip (Carl Ridders)
foto: Kees de Graaff

Kniertje (Rick Nicolet) en Kortjakje (Majorie Boston)
foto: Kees de Graaff