Posts tonen met het label Maatschappij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maatschappij. Alle posts tonen

maandag 20 april 2026

Stakkers en wolven (Lotfi El Hamidi)


In de proloog van Stakkers en wolven schrijft Lotfi El Hamidi:

Dit boek is een antwoord op het oprukkende fascisme en een aanklacht tegen de morele onverschilligheid van het Westen. Het voelt als een herhaling van zetten, maar kennelijk moet het steeds weer gezegd worden, in andere bewoordingen en met nog meer overtuiging. Stug blijven schrijven om terug te duwen. Om voor mezelf te spreken: ik kan niet anders. 

Dat laatste doet denken aan de woorden van Maarten Luther, die hij wellicht nooit zo gezegd heeft, maar die mij wel als schooljongen voor waar werden verteld. 

Dat ik het schooljongetje erbij haal, is niet voor niets. Ik ging in de jaren zestig naar de lagere school en in de jaren zeventig naar de middelbare en in die tijd stond de overgrote meerderheid van de Nederlanders achter Israël. Dat was ook in het buitenland duidelijk. Het leverde ons in 1973 de autoloze zondagen en benzinebonnen op.  

Goed, ik was nog een kind en er zal mij veel ontgaan zijn, maar ik herinner mij niet dat er oog was voor het lot van de Palestijnen. Palestijnen waren alleen in het nieuws als er vliegtuigkapingen waren en voor de rest bekommerde niemand zich om hen. 

Dat is tegenwoordig anders: er zijn grote demonstraties geweest om te protesteren tegen het genocidaal geweld van Israël tegen de Palestijnen. Maar in hoeverre kan het ons echt wat schelen? 

In het licht van Gaza

Op het voorblad van Stakkers en wolven staat 'In het licht van Gaza', een soort ondertitel, die niet voorkomt op de titelpagina. Je zou kunnen zeggen dat wat er gebeurt in Gaza de aanleiding is voor het boek, maar het gaat over meer. Het gaat ook over hoe in Nederland omgegaan is met migranten en over hoe weinig oog er geweest is voor hun perspectief. 

De titel is ontleend aan een column van Gerrit Komrij uit 1989, over de nasleep van de Rushdie-affaire. Komrij, over moslims: 'We hebben ze als stakkers verwend en krijgen ze als wolven terug.' Dat hier een hele bevolkingsgroep generaliserend wordt weggezet, lijkt me duidelijk. Maar op de site Neerlandistiek ontstond een discussie over het al dan niet islamofoob zijn van Komrij. Ook interessant misschien, maar het leidt wel af van wat El Hamidi aan de orde stelt. 

In Nederlandse Tweede Kamer zitten tegenwoordig aardig wat uiterst rechtse partijen en afsplitsingen en wat ze zeggen wordt steeds meer genormaliseerd. Van framende woorden als 'islamisering' en 'instroom' van vluchtelingen wordt niet meer opgekeken en er wordt niet meer tegen geprotesteerd. En we hebben zelfs een kabinet gehad waarin de PVV meedeed. Dat Wilders ooit veroordeeld is voor zijn uitspraak over 'minder Marokkanen' was blijkbaar geen breekpunt. 

El Hamidi haalt naar boven hoe Vincent Karremans de deur naar de PVV openzette en na hem deed Yeşilgöz dat nog eens dik over. 

Illustratief was de uitspraak van de VVD'er Vincent Karremans, toen wethouder van Rotterdam, die al vóór de verkiezingen zei geen probleem te zien in een eventuele samenwerking met de PVV. In zee gaan met een notoire Marokkanenhater is voor hem kennelijk een kwestie van 'ik heb zelf heus geen hekel aan Marokkanen, ik heb alleen schijt aan ze'.

Welk signaal geeft dat af aan mensen met een migratieachtergrond? Wat moeten ze doen om ere ooit bij te horen? Eigenlijk is het al raar dat juist zij iets zouden moeten doen. En niet wij, wilde ik schrijven, me daarmee realiserend dat ik al in mijn hoofd twee groepen heb gemaakt: wij en zij. 

El Hamidi:

Wanneer politici en opiniemakers beginnen over 'gewone' Nederlanders, 'hardwerkende' Nederlanders, 'bezorgde' Nederlanders, 'afgehaakte' Nederlanders, Nederlanders die zich zorgen maken 'of Nederland nog wel Nederland blijft', dan weet je meteen welke Nederlander zij voor zich zien. Of misschien moet je het omdraaien: je weet meteen welke Nederlander zij níét voor zich zien. 

Juist de oorlog in Gaza maakt duidelijk hoe principes niet meer mee lijken te spelen, hoe het gaat om politieke belangen en dat het dan blijkbaar niet meer uitmaakt of het ten koste gaat van mensen. El Hamidi herinnert ons aan de tijd die het kostte om te beslissen of doodzieke kinderen uit Gaza hier geholpen zouden kunnen worden. 

Tot mijn schaamte moet ik erkennen, dat ik 'o ja', dacht en ook bij wat El Hamidi schreef over de burgerwachten die grenscontroles uitvoerden. Blijkbaar meen ik de luxe te hebben om dit soort dingen weer te kunnen laten wegzakken in mijn geheugen. Ook dat is misschien een blijk van de morele onverschilligheid. 

Bij de les houden

Stakkers en wolven is een strijdbaar boek. Ergens schrijft El Hamidi dat hij schrijft om mensen bij de les te houden, om te laten zien dat genormaliseerd wordt (en al is) wat niet normaal hoort te zijn. Dat kan als pijnlijk ervaren worden, maar het is wellicht ten diepste een daad van liefde. Van Alphen schreef al: 'Een vriend, die mij mijn feilen toont, / Gestreng bestraft, en nooit verschoont, / Heeft op mijn hart een groot vermogen'.

Goed vind ik ook hoe hij het bombardement van Rotterdam te berde brengt als hij schrijft over een bezoek aan Damascus. Hij zoekt hierbij duidelijk naar de verbinding. Maar veel discussies draaien juist uit op uitsluiting. Over de Dodenherdenking schrijft hij: 

Opeenvolgende generaties kregen de woorden 'nooit meer' mee als ultieme les van de oorlog, als morele opdracht. Maar nu vraagt een nieuwe generatie zich af: als we de doden elders niet herdenken, als we geen parallellen naar het heden mogen trekken, wat is dan het nut van de historische les? Is 'nooit meer' soms een geografisch, om niet te zeggen etnisch, afgebakende boodschap?

El Hamidi roept op tot waakzaamheid en tot bezinning en het zal wel weer tegenspraak en verdachtmakingen opgeroepen hebben. Ik herinner me nog naar wat er tien jaar geleden gebeurde toen Tunahan Kuzu opriep tot waakzaamheid. Daarover schreef ik hier. De reacties op wat hij zei toonden maar al te zeer dat hij gelijk had. De liefdeloosheid (of beter: de haat) was maar al te duidelijk. 

Wie Stakkers en wolven leest, kan er niet de schouders over ophalen, lijkt me. De lezer wordt flink bij de schouders genomen en heen en weer geschud. Juist om die lezer bij de les te houden, juist omdat we iedereen nodig hebben om te bouwen aan een inclusieve samenleving en daarom moeten we alert blijven, ons blijven realiseren wat er gebeurt. In onze maatschappij, maar ook met ons. Zoals Campert al schreef, begint verzet met het stellen van een vraag aan jezelf. Die vragen worden ons ruimschoots gesteld in Stakkers en wolven. Het wordt tijd dat we die ook aan onszelf gaan stellen. 

Lotfi El Hamidi, Stakkers en wolven. Uitg. Pluim, 2026; 160 blz. € 22,99

Op 21 juni 2026 houdt Lotfi El Hamidi een lezing in de Vluchtheuvelkerk in Zetten. Ingang tegenover Bakkerstraat 20. Toegang gratis. 

maandag 22 september 2025

Beladen huis (Christien Brinkgreve)

Op 27 februari 2022 overleed Arend Jan Heerma van Voss, journalist, acteur, omroepbestuurder, auteur, vader van Thomas en Daan Heerma van Voss, echtgenoot van Christien Brinkgreve. Dat zijn mensen die zelf publiceren en die in sommige publicaties dicht bij huis blijven. Zo schreef Thomas in Het archief over de periode dat zijn vader al ziek was.  Die zou eigenlijk zijn studeerkamer op moeten ruimen, maar het kwam er maar niet van. 

Zelfs als een boek niet gaat over de huiselijke situatie van de auteur, wordt het soms nog autobiografisch geduid. Dat overkwam Daan bij een recensie van zijn roman Schijnoffers, die ik overigens aangeschaft heb, maar ik moet hem nog lezen.

In Beladen huis schrijft Christien Brinkgreve over het leven met haar man, die ze steeds aanduidt met A, al weet iedereen intussen wie het betreft. 

Bij zijn uitvaart spraken de kinderen, zij niet. Wat ze had kunnen zeggen, was: 'Je hebt het ons heel moeilijk gemaakt, maar we hielden toch van je.' Maar een vriendin vond dat ze dan beter niets kon zeggen. 

Brinkgreve schrijft over haar relatie met A, waarin goede dingen waren, maar die ook moeizaam was. Ze onderzoekt in Beladen huis hoe dat nou zit, hoe dat gewerkt heeft tussen hen. 

Beladen met herinneringen

De titel verwijst naar het huis dat opgeruimd moest worden. Dat doet denken aan wat Nicolaas Matsier beschrijft in Gesloten huis (1994), waarin hij het huis van zijn overleden moeder opruimt. Dat Brinkgreve het huis 'beladen' noemt, heeft te maken met de herinneringen, die in de voorwerpen zijn gaan zitten:

Dingen zijn geen levenloze objecten, ze zijn beladen met herinneringen, hun betekenis is in de voorwerpen gaan zitten. 

Het huis ziet ze soms ook als symbool voor haar relatie met A. Op een gegeven moment kwam er water in de kelder te staan, waaraan maar niets gedaan werd. 

Ik weet niet meer hoe lang we met de ondergelopen kelder leefden. We hielden de kelderdeur zo veel mogelijk dicht, alsof je daarmee het onheil weg kunt houden. Het weten en de deur dichthouden: voor mij is dit symbolisch voor hoe we toen daar leefden. 

Buiten het gezin was Brinkgreve succesvol. Ze was hoogleraar in Nijmegen in Utrecht. Bij Universiteit Utrecht was ze jarenlang hoogleraar sociale wetenschappen. Maar binnen het gezin, nam ze weinig ruimte in, was ze inschikkelijk, zag ze zich genoodzaakt zich terug te trekken in haar studeerkamer. 

Drie richtingen

Voor het moeizame leven met A zoekt Brinkgreve verklaringen, die ze zoekt in drie richtingen: haar eigen leven, het leven van A en de structuren in de maatschappij, die aangebracht zijn door het patriarchaat. 

Brinkgreve is opgegroeid in een gezin met een emotioneel niet stabiele moeder, die vaak radeloos was. Niet alleen deed vader zijn best voor moeder te zorgen, maar die taak kwam ook op de vier kinderen meer, meer dan vader toen besefte. 

Bij ons alle vier is als diep patroon gevormd dat je voor de ander zorgt, met voorbijgaan aan eigen behoeften; je wist niet eens wat die behoeften waren. 

Ze is opgegroeid met het automatisme dat je voor een ander zorgt en dat je geen ruimte vraagt voor jezelf. Bovendien is het moeilijk om bij A ruimte in te nemen. Hij is gevoelig voor rivaliteit en heeft zelf veel ruimte nodig. Zo zei hij dat hij gehoopt had dat Brinkgreve na het voltooien van haar proefschrift zich helemaal aan hem zou wijden. 

Toen er kinderen kwamen, werd het eigenlijk alleen maar moeilijker:

Voor A betekende het krijgen van kinderen, hoeveel hij ook van ze hield en hoeveel ze ook voor hem betekenden, ook verlies: verlies van mijn aandacht die nu voor een belangrijk deel naar de kinderen uitging. 

Dokie

Ze analyseert ook het boek Dokie dat A schreef over het verlies van zijn zusje, dat overreden werd toen ze zeven jaar oud was. Mede daardoor is bij hem het patroon gelegd langs welk hij verder zou leven: de angst overweldigd te worden door het verdriet van zijn moeder en de angst om verlaten te worden. 

Toen A ziek werd, kwamen Brinkgreve en hij niet nader tot elkaar. A verzette zich tegen de gedachte dat hij dood zou gaan, weigerde om ook maar iets te regelen, had zorg nodig en hield die tegelijkertijd op afstand. 

Brinkgreve schrijft daarover:

Het was zo anders dan wat iedereen vertelde: dat je in die laatste fase weer tot elkaar komt, dat het contact intensiveert, de intimiteit terugkomt. Ik heb het zo gehoopt. Geprobeerd. Maar de grond was te rotsig, de afstand te groot. Het is een open wond, dit niet-afscheid, die verschansing, elke keer als ik er aan terugdenk moet ik huilen. En het is onherstelbaar. Steeds keer ik terug naar die momenten, had ik het anders kunnen doen, had ik hem dan wel kunnen bereiken?

Maatschappij

Beide echtelieden hadden een verleden, die de relatie stempelde. Maar ze leefden ook beiden in een maatschappij die andere dingen vroeg en vraagt van vrouwen dan van mannen. Weliswaar hadden de ontwikkelingen geleid tot meer mogelijkheden voor vrouwen voor een maatschappelijke loopbaan, maar ook het gezin vroeg aandacht en dat was een zware opgave. Bovendien kon je eigenlijk niet vertellen dat dat zwaar was, omdat dat ook leek op kritiek op wat er allemaal al bereikt is. Dat de mogelijkheid van een carrière er was een mogelijkheid die ook verbonden was met verplichtingen. En dan was er nog de achtergrond van haar jeugd:

Ik had niet zoals eerdere generaties vrouwen hoeven kiezen tussen werk en moederschap, tussen kind en carrière: ik kon beide en dat voelde als een enorme verrijking van het bestaan. Ik kon daarmee, dacht ik, aan het lot van mijn moeder ontsnappen met haar terugkerende inzinkingen.

Met de maatschappijstructuren hebben zowel Brinkgreve als A te maken:

Maar ook het oude diepe spoor van het patriarchaat: de angst voor de doorbreking van de hiërarchische orde door oprukkende vrouwen zoals hij het beleefde. Zolang hij het overwicht in onze relatie had was het goed, toen dat verschoof kantelde ook zijn innerlijk evenwicht en moest ik kleiner worden.

De vertrouwde structuren geven veiligheid en het is lastig om daarbuiten te raken. Het zijn karrensporen waar de wielen van je kar steeds weer in terechtkomen. Je kunt de wetten en de regels veranderen, maar de sporen verander je niet zomaar.

Jaren feministische strijd weten deze dieptelaag vrijwel intact te laten. Overal zie ik dit patroon opduiken: hoe vrouwen inschikken, gericht zijn op het voorzien in de verlangens en behoeften van hun mannen en het gezin, ik zie het aanpassen, het faciliteren, het ruimte geven die je zelf niet opeist, het uitleggen, het zich moeten verdedigen, het de ander de veren laten plukken van gezamenlijk werk. Het is een andere laag dan die van de wetten en de regels, ongrijpbaarder, taaier. 

Huis

Ook na de dood van A is het lastig voor Brinkgreve om de ruimte te nemen. Ze moet van alles met het huis, om het volledig van haarzelf te maken, maar het is ook het huis waarin de kinderen opgegroeid en die willen graag vasthouden aan sommige vaste punten uit hun verleden. 

Brinkgreve schrijft dat er echt wel iets moet gebeuren. Het huis is een opbergplaats geworden van gebruikte in onbruik geraakte dingen. 

Maar er was nog een kracht die me in dit huis de adem benam en mijn energie opslorpte, en dat was de moedeloosheid, de ontstemming, het gevoel dat in het huis was gaan hangen en ik er niet meer uit kon verjagen. Het gevoel van tekort, van niet goed, van het tegen de klippen op proberen er iets van te maken dat tot mislukken was gedoemd. 

Beladen huis is niet alleen een verslag van een relatie, maar het is ook een onderzoek. Brinkgreve leest allerlei boeken die haar meer inzicht zouden kunnen geven. Een lijst van die boeken is achterin opgenomen. 

In gesprek

Zo probeert ze duidelijk te krijgen wat er gebeurd is (en wat er nog steeds gebeurt) en waardoor het veroorzaakt is. Ze is in gesprek met zichzelf, met het huis, met A. 

Ik voel me nog in gesprek met hem. Of weer opnieuw: onze gesprekken waren stilgevallen. Ik zou hem nog iets willen zeggen wat me in die laatste fase van zijn leven niet meer lukte. Dat ik veel van hem gehouden heb. Dat ik weer meer contact heb gekregen met zijn leuke en lieve kanten, maar ook met zijn wanhoop en eenzaamheid. Dat ik zie hoe hij zijn best heeft gedaan en leed onder het gevoel tekort te schieten. Het onvermogen. Dat we het echt geprobeerd hebben en dat het ons niet gelukt is. Ik zou zijn hand pakken en we zouden voelen hoeveel we ook samen gehad hebben. De verbinding ervaren, al zou dat woord direct door hem in de ban zijn gedaan.  

Daan Heerma van Voss zei in een bijzinnetje in een interview naar aanleiding van zijn roman Schijnoffers iets over Beladen huis: 'Alles aan dat boek is pijnlijk'.  

Het is zeker een pijnlijk boek, dat onverhuld verslag doet van wat moeilijk was, wat niet lukte, wat pijn deed. Tegelijk is het een liefdevol boek. Op zijn minst is het een poging daartoe, maar het is moeilijk rouwen om een geliefde met wie je steeds moeilijker samen kunt leven. 

Intussen is Beladen huis verschillende keren herdrukt en het heeft veel publiciteit gekregen. Waarom juist dit boek aanslaat bij een groot publiek is gissen. Natuurlijk omdat het een persoonlijk boek is en omdat het gaat over mensen die in wijdere kring bekend zijn dan in die van hun persoonlijke contacten. Maar misschien ook omdat veel mensen er iets in herkennen en omdat het duidelijk maakt hoe moeilijk relaties kunnen zijn. Niet alleen heb je beiden je eigen verleden, je grondpatroon, maar je leeft ook nog in een maatschappij met patronen die meestal niet expliciet gemaakt worden. 

In ieder geval is Beladen huis zowel een persoonlijk boek als een boek dat het persoonlijke ver overstijgt. Het kan nog een heel tijdje mee, denk ik. 

donderdag 17 september 2020

Podcast: Moord op het Oosterveld / Kerekewere (De Standaard Podcast)


Moord op het Oosterveld

Wie van waargebeurde misdaadverhalen houdt, kan een hele tijd vooruit. De zogeheten true-crime-podcasts zijn er te kust en te keur. Eerder schreef ik hier over De kofferbakmoordDadersCokevissersIn het hart geraaktKwaad bloedDe wereld van Jan de Man. VAn die laatste kun je je overigens afvragen hoe 'true' de 'crime' is. Wel beluisterd, niet over geschreven: De moord op Patrick, De gijzeling van Gladbeck, De showbizzmoord, De Deventer moordzaak. Er zijn er meer, veel meer. Aan deze lijst is weer een podcast toegevoegd: Moord op het Oosterveld

Op 3 juli 2018 wordt de zesentwintigjarige Daan Mellee dood aangetroffen in zijn huis. Hij blijkt doodgeschoten te zijn. Tot nu toe is de moord niet opgelost. 

Gesprekken

Tom Meerbeek is opnieuw in deze zaak gedoken en maakte er een podcast van voor RTV Oost.  Hij sprak met mensen die dicht bij Daan stonden. Voornamelijk de vader, moeder en broer Chris. Daan rommelde af en toe wat in de criminaliteit, maar het is niet duidelijk of dat de aanleiding van de moord was. Een huiselijke twist met Daans vriendin Debby op de avond voor de moord liep hoog op, maar Debby blijkt nu geen verdachte meer te zijn. 

Meerbeek heeft een wat hortende manier van praten in zijn voice-overs. Dat komt wat onnatuurlijk over, maar daar luister je wel doorheen. De drie afleveringen zijn op dezelfde dag online gezet, maar misschien is het niet handig om ze meteen na elkaar te beluisteren. Dan is er wel erg veel (letterlijke) herhaling. 

Het lijkt er niet op dat Meerbeek boven water wil halen wie er nu schuldig is. Dat is in ieder geval niet de grootste verdienste van de podcast. De waarde ligt vooral in het inzichtelijk maken van wat nabestaanden moeten doormaken. Daan was zo verminkt, dat de familieleden zijn lichaam niet meer konden zien. Ze hebben alleen foto's van delen van zijn lichaam. Het was dan ook moeilijk om echt afscheid te nemen. 

Veilige sfeer

Doordat er geen dader is aangewezen, is voor hen de zaak nog steeds open en daardoor blijven ze ermee bezig. Dat brengt Meerbeek goed naar voren. De familieleden praten vrijuit, dus het is de interviewer goed gelukt om een veilige sfeer te scheppen, waarin mensen zeggen wat hen echt op het hart ligt. 

De familieleden zijn bepaald niet blind voor de moeilijke kanten die Daan had, maar het zijn bovenal mensen die geven om hun zoon en broer en die moeten leren leven met een gemis en dat blijkt erg moeilijk. 

Meer dan als een reconstructie van een misdaad heb ik de podcast beluisterd als een beeld van wat een moord doet met de naaste verwanten van het slachtoffer. Daar heeft Meerbeek een goed beeld van geschetst. 

Voor meer informatie: zie de site van RTV Oost. 


Kerekewere (De Standaard Podcast)

Sinds een tijdje beluister ik af en toe een aflevering van de podcast De Standaard Podcast. De Standaard is een Vlaamse krant. Enkele decennia geleden had ik een collega die met een Vlaamse getrouwd was. Wanneer hij op bezoek geweest was bij de familie van zijn vrouw, bracht hij voor mij altijd een stapeltje boekenbijlagen van deze krant voor mij mee. 

De podcast van De Standaard (die volgens mij eerst De Standaard Audio heette) zit meestal dicht op de actualiteit. In de podcast worden de achtergronden bij het nieuws belicht, door mensen die zich in de materie verdiept hebben. Dat kan de Brexit zijn, het coronavaccin, de onlusten in Wit-Rusland, de kunstenaar Bansky of de voetballer Messi. Ruim een jaar is de podcast aan de gang en er zijn nu al meer dan tweehonderd afleveringen. 

Kom eens terug

Soms is er een bijzondere serie en daarvoor wil ik nu aandacht vragen: Kerekewere. Dat is Vlaams-Nederlands dat in de standaardtaal zoiets als 'Kom eens terug' zou luiden. Alle afleveringen vindt u hier.

De podcastmaker is Brecht Castel en in vier afleveringen gaat hij op zoek naar het verhaal van zijn vader, die een einde heeft gemaakt aan zijn leven. Over dat onderwerp zijn al eerder indringende podcasts gemaakt, zoals WaaromVerstrikt gaat over zelfdoding en jongeren. 

Het is alweer een tijdje geleden dat ik Kerekewere heb beluisterd, maar de podcast heeft wel indruk gemaakt. Brecht weet zijn vader dicht te naderen. Hij leest dagboeken en brieven  die zijn ouders elkaar hebben geschreven en hij praat met Dirk de Wachter (die tegenwoordig overal opduikt, maar wat hij te vertellen heeft is dan ook altijd de moeite waard). Vader en moeder Castel waren ooit bij De Wachter in therapie. 

Brecht was acht jaar oud toen hij zijn vader verloor. Intussen zijn we eenentwtintig jaar verder. Door een gesprek met een computervriend van zijn vader, leert hij zijn vader kennen in een andere hoedanigheid en in een andere tijd. Het waren de pioniersjaren van het internet. 

Teleurstelling

Een studievriendin van vader Castel maakte hem mee tijdens de lerarenopleiding. Daar kreeg hij te maken met een teleurstelling. In de laatste aflevering is er een gesprek met Brechts moeder. Brecht is in dat gesprek de interviewer, maar natuurlijk ook de zoon. Het is mooi gesprek geworden, waarin blijkt dat professionaliteit en betrokkenheid goed kunnen samengaan. 

Wat me bijgebleven is, is het portret van een man die het altijd moeilijk heeft gehad, wie het vaak niet lukte om een beetje goed door het leven heen te komen. De podcastserie is met aandacht en liefde gemaakt. Het zou me niet verbazen als vader Castel gedacht zou hebben dat hij al die aandacht niet waard was. Gelukkig denkt zijn zoon daar heel anders over. 

vrijdag 13 december 2019

Podcast: Daders, De Buren, Adieu God?

Drie podcasts deze week: een podcast waarin ex-criminelen hun verhaal vertellen, een podcast van honderden afleveringen op het gebied van maatschappij, literatuur, cultuur en gesprekken met mensen over hun geloof of ongeloof.


Daders

De laatste tijd loop ik om een of andere reden nogal eens op tegen podcasts waarin de dader van een misdaad (of van misdaden) centraal staat. Onlangs nog besprak ik, in dezelfde blogpost,  De wereld van Jan de Man en Ik sla mijn vrouw. En nu is er weer eentje: Daders. Die gaat zes afleveringen tellen, waarvan er nu vier verschenen zijn. De afleveringen zijn zo om en nabij drie kwartier lang.

Cas de Jong is de presentator. In elke aflevering staat een dader centraal, die aan Jansen zijn verhaal vertelt. En hij of zij moet alles vertellen, zegt Jansen stoer in de inleiding: bij hem heeft niemand zwijgrecht.

De verhalen zijn divers: (ex-)criminelen met verschillende achtergronden die verschillende soorten misdaden hebben begaan. Je krijgt hun kant van het verhaal goed mee en soms is dat aangrijpend, bijvoorbeeld als Willeke (aflevering 3) over haar jeugd vertelt. Je snapt dat iemand met zo'n achtergrond anders in het leven staat dan de gemiddelde burger.

Sensatie

Wat me een beetje tegenstaat, is de gerichtheid van Jansen op het sensationele, met vragen als 'Wat is het meest bizarre dat je in de gevangenis hebt meegemaakt?' Hij blijft tijdens de gesprekken ook aardig op afstand. Soms zegt hij na een gesprek dat hij het heftig vond, maar daar is verder eigenlijk niks van te merken.

Ook het morele oordeel dat op de achtergrond meebromt, zit me wat in de weg. De gesprekspartners moeten altijd zeggen of ze er spijt van hebben en er zijn ook altijd een paar 'confronterende' vragen of opmerkingen, die ook weer een beetje stoer overkomen. Liever had ik gehad dat Jansen gewoon goed doorvroeg en geïnteresseerd was in zijn gesprekspartners in plaats van in zijn eigen morele superioriteit.

Uit een bijzinnetje blijkt dat enkele of misschien wel alle (ex-)criminelen een boek hebben geschreven. Het zijn dus mensen die hun verhaal al verschillende keren hebben gedaan. Vreemd is dat er dan weer niet gemeld wordt welk boek zo iemand heeft geschreven.

Al met al zijn de afleveringen aardig om te beluisteren, maar zeker niet meer dan dat. Je vindt ze hier.

De Buren

Als je een tijdje vooruit wilt met een en dezelfde podcast, neem dan De Buren. Dat is de naam van het Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat. Misschien bedriegt mijn geheugen mij, maar ik vermoed dat ik al meer dan tien jaar podcasts van deze aanbieder beluister.

Aanvankelijk waren dat vooral voorgelezen verhalen. De laatste tijd zijn het vooral inleidingen en complete debatavonden, over zeer diverse onderwerpen. Alleen al op deze pagina vind je zeventig podcasts en hier vind je er meer dan vierhonderd.

In sommige podcasts is het geluid een beetje aan de zachte kant, maar meestal is alles goed te volgen.  De onderwerpen zijn altijd prikkelend en je kunt prettig meedenken tijdens de gesprekken. 

Enkele titels/onderwerpen: Klimaat en verbeelding, Serotonine van Houellebecq, Zin en waanzin, Naar een werkweek van dertig uur? en afleveringen over filosofen als Martha Nussbaum en Jürgen Habermas.

Er is heel veel over te vertellen, maar eigenlijk moet je zelf even gaan grasduinen. Dit is een heel rijke bron, waarvan je echt even moet drinken. 


Adieu God?

Adieu God? is eigenlijk een tv-programma, denk ik, want ik kwam filmpjes tegen. Nooit gezien, wel gehoord, als podcast. Ik miste het beeld niet. Om een indruk te krijgen heb ik ongeveer twintig afleveringen gehoord. Daaruit concludeerde ik dat de gesprekken van presentator Tijs van den Brink zich op verschillende plaatsen afpspelen en dat hij vaak, of misschien wel altijd, een Jezusbeeld bij zich heeft. 

Aanvankelijk was het de bedoeling (denk ik) dat Van den Brink in gesprek zou gaan met kerkverlaters, maar intussen zijn het gesprekken geworden over geloof en ongeloof, ook met mensen die volop gelovig zijn.

De gesprekken kennen vaste elementen, zoals de vraag naar het gezin waaruit de gesprekspartner komt en de vervolgvraag of geloof daarin een rol speelde. Een vraag naar de kindertijd en naar het geloof is altijd een goede manier om dicht bij iemand te komen. En vaak worden het dan ook wel boeiende gesprekken. 

Van den Brink geeft zijn gesprekspartners genoeg ruimte en schiet gelukkig niet vaak in de verdediging. Als je wilt weten wat iemand beweegt, kun je immers vaak beter doorvragen, dan dat je je eigen wereldbeeld ertegenover plaatst.

Niet alle gasten leken me boeiend, maar toen ik er een stel uit wilde pikken, had ik ruime keus: van Freek de Jonge tot Hans Sibbel, van Mei Li Vos tot Ben Bot, van Margriet van der Linden tot Stephan Sanders. Uit de oudere afleveringen heb ik een keuze gemaakt, de meer recente heb ik allemaal beluisterd. 

Voor bingeluisteren leent de podcast zich minder. Als je er in enkele dagen een heel stel beluistert, gaan de afleveringen op elkaar lijken. Maar wekelijks een aflevering is best prettig. 

Dat prettige zit natuurlijk in de loop van het gesprek. Ik noemde al de ruimte die wordt gegeven, maar ook het doorvragen en de oprechte belangstelling van Van den Brink voor wie er tegenover hem zit. Ook de lengte van de podcast (vijfentwintig minuten) is prettig: luisteren kan even tussendoor. 

Dit is de site. In de laatste afleveringen waren te gast: Trijntje Oosterhuis, Wierd Duk, Ans Markus en Mart Smeets. Daar zit vast iemand tussen die je wel eens over het geloof wilt horen praten. 

donderdag 20 december 2018

Podcast: In mijn tijd - was 't beter



Soms grasduin ik wat in iTunes in het podcastaanbod, in de hoop iets tegen te komen waarvan ik nog niet eerder had gehoord. Ik download dan enkele afleveringen om te beoordelen of ik de rest wil horen.

Zo kwam ik ook terecht bij In mijn tijd - was 't beter. Ik viel wel over het apostrofje. Zonder dat hadden we een mooie, jambische titel gehad.

Vlaams

We hebben hier te maken met een Vlaamse podcast. Meestal is dat geen bezwaar. De taal die veel Nederlanders 'Vlaams' noemen, is meestal niet anders dan Nederlands met een Vlaamse tongval en soms een bijbehorende woordkeus. Dan wordt er niet gesproken over 'een jurkje met bloemetjes erop', maar 'een kleedje met bloemkes op'. Ik vind dat alleen maar prettig.

Maar in deze podcast wordt wel degelijk (aan het begin van elke aflevering) het Vlaamse dialect gesproken. Dat is (voor mij) moeilijk verstaanbaar, al heb ik wel enige ervaring met het Vlaams, doordat ik bijvoorbeeld luisterde naar het komische duo Gaston en Leo.

Nederlandse luisteraars moeten zich echter niet af laten schrikken door het Vlaams. Er is altijd wel iets uit op te maken en in elke aflevering is het grootste gedeelte in het Nederlands, met dat mooie Vlaamse sausje dus.

Formule

De formule is heerlijk helder. Aan vrouwen uit verschillende generaties wordt gevraagd wat hun ervaringen zijn op verschillende gebieden, bijvoorbeeld oorlog, daten, mode, rages, muziek, geloof, drugs, winkelen, tv. Een aflevering gaat over één onderwerp.

De oudste geïnterviewde is Godelieve, die geboren is in 1926. Daarna springen we over naar iemand uit 1956 en daarna komen jongere generaties aan de beurt. Je krijgt, door de chronologische volgorde, een beeld van de ontwikkeling in de loop der decennia.

Oja-gehalte

In mijn tijd - was 't beter is een heerlijke podcast. Veel dingen weet je wel (zo ongeveer), maar je geheugen wordt ook opgefrist. Zo was ik bijvoorbeeld helemaal vergeten dat er een tijd was (jaren tachtig) waarin meisjes in wielrenbroeken liepen. Dat geeft de podcast een hoog oja-gehalte.

Ook de geÏnterviewden vinden het leuk om samen herinneringen op te halen, wat de gesprekken enthousiast maakt. Dat maakt het luisteren prettig.

Door de podcast leer je bovendien over verschillen tussen Vlaanderen en Nederland. We kennen 'Johnny en Anita', in Vlaanderen heten die 'Johnny en Marina'. De wijde pijpen bij broeken heten in Vlaanderen 'olifantenpijpen', een prachtige benaming.

De podcast is meestal een half uurtje lang. Je kunt een aflevering dus gemakkelijk even snel tussendoor beluisteren.

Geen nieuwe afleveringen

Tot nu toe zijn er tien afleveringen, plus een bonusaflevering. Die is echter al van februari 2018, wat doet vrezen dat er geen nieuwe afleveringen meer zullen komen. Dat zou jammer zijn. Het lijkt me dat er nog genoeg onderwerpen zijn (telefoon, wielrennen, milieuzorg, misdaad, vervoer, gezondheidszorg, theater, huisdieren en nog veel meer) waaraan verschillende generaties verschillende herinneringen kunnen ophalen.

Hopelijk pakken de makers ooit de draad weer op. Tot die tijd kunnen we genieten van de al bestaande afleveringen.

vrijdag 4 november 2016

Onbehagen (Bas Heijne)


In de 'filosofische pamfletserie' Nieuw licht wordt er een klassieke tekst/een klassiek werk met hedendaagse ogen bekeken. Wat heeft die tekst ons vandaag nog te zeggen? De serie start met het boekje Onbehagen; Nieuw licht op de beschaafde mens van Bas Heijne. Hij geeft een analyse van de tijd waarin we leven met op de achtergrond  Het onbehagen in de cultuur van Sigmund Freud.

Het wetenschappelijke werk van Freud is voor een groot deel achterhaald. Dat geeft Heijne ook toe. Maar volgens hem heeft Freud ons wel wat te bieden als filosoof. Hij gebruikt vooral drie principes van Freud: het lustprincipe, het realiteitsprincipe en de doodsdrift.

Het lustprincipe spreekt voor zich: een mens heeft behoeften, verlangens, lusten en die wil hij bevredigen. Het realiteitsprincipe stelt die bevrediging uit: als je een motor wilt kopen, moet je eerst sparen. Uit de doodsdrift zou de agressie te verklaren zijn die we om ons heen zien, de vernietigingsdrift.

Heijne begint midden in onze tijd: de aanslag op Charlie Hebdo, die hem, zoals veel Europeanen, geschokt heeft. Die schok is te verklaren door de tijd waarin velen van ons zijn opgegroeid. Heijne:
een tijd van vertrouwen en verwachtingen - verwachtingen over groei en gelijkheid, een almaar rationelere ordening van de wereld, geïnspireerd door de ideeën van de Verlichting, zoals die na de Tweede Wereldoorlog hun beslag kregen.
Heijne licht nog toe dat het niet om een diep doorvoelde heilsverwachting of ideologische overtuiging gaat, maar dat het een vanzelfsprekendheid was.

Daar herken ik wel iets in. In de jaren zeventig waren er de treinkapingen, de bezetting van een basisschool, activiteiten van de Rode Jeugd en de RAF en er werd door ons jongeren flink over gediscussieerd. Toch had je het idee dat het incidenten waren. Het maakte niet echt inbreuk op het gevoel van veiligheid. Op de radio hoorden we de berichten over Vietnam, dagelijks. Maar het had niet iets te maken met onze leefwereld.

De enige keer dat we oprecht geschokt waren, was in 1979, toen Rusland Afghanistan binnenviel. We hadden het idee dat Amerika dat niet over zijn kant zou laten gaan en dat dat ook gevolgen zou hebben voor ons. We vroegen ons af of dit het begin kon zijn van een Derde Wereldoorlog. Maar al binnen een dag bleek dat we rustig door konden leven.

De verwachting waarmee Heijne, en niet alleen hij, is opgegroeid strookt niet met sommige tendensen die, in ieder geval na 2001, steeds duidelijker in de maatschappij aanwezig zijn. Die tendensen konden een tijd lang door hen worden afgedaan als ontsporingen en er was dan ook niet echt behoefte om zich te verdiepen in de emoties die eraan ten grondslag liggen. Nationalisme, wij/zij-denken, anti-Europese gevoelens - die passen niet in het perspectief waarmee velen keken naar de wereld waarin ze leefden en naar de toekomst die ze tegemoet gingen. Ze werden gezien als incidenten.

Bij een verwachtingsvol leven past niet het onbehagen, dat intussen niet meer te ontkennen is. Er zijn immers veel boze en bange mensen. Heijne begint zijn essay niet voor niets met Charlie Hebdo, die de angst flink hebben aangewakkerd. Hij zegt daarover 'dat er iets stierf in mij, die winterse januaridag'. Hij vraagt zich af of er oprecht optimisme mogelijk is in een door pessimisme gekleurd wereldbeeld.

Aanslagen geven een gevoel van onveiligheid. Heijne laat zien dat de roep om veiligheid beantwoord wordt met een inperking van onze vrijheid, bijvoorbeeld doordat er steeds meer gegevens over ons verzameld worden.

Na 11 september 2001 werden er in Nederland in hoog tempo wetten aangenomen waarbij mogelijkheden om de gangen van mensen na te gaan en om verdachte personen op te pakken enorm vergroot werden. Ik herinner me dat die wetten bijna geruisloos door de Tweede Kamer werden aangenomen. Alleen Marijke Vos (Groen Links) maakte bezwaar, als mijn geheugen me niet bedriegt. Nog onlangs werd er een wet aangenomen die de AIVD en de MIVD grotere bevoegdheden geeft.

Leidend voor veel wetgeving zijn statistieken, onderzoeksgegevens. Heijne:
Het zijn cijfers en statistieken die maatgevend worden. Het individu ziet zijn burgerschap, zijn band met de samenleving, niet langer als een bewust proces waarbij hij zijn keuzes en opvattingen kenbaar kan maken en zodoende bijdragen aan het idee van gemeenschap. hij ziet zich steeds meer gereduceerd tot een te monitoren object, waarvan de toestand, het gedrag en de risico's samengevat kunnen worden in tabellen. Samen maken die tabellen uit hoe de samenleving naar hem kijkt. Hoe hij naar de samenleving kijkt, doet er minder toe. 
Dat is een terechte signalering door Heijne. Cijfers bepalen overigens niet alleen de houding van de overheid tegenover de onderdanen, maar ook die van de mensen tegenover hun omgeving. We zien dat terug  in bijvoorbeeld het omgaan met voedingsadviezen. Er zijn ouders die hun kinderen geen worst laten eten, omdat je daar kanker van krijgt. Ze verabsoluteren de cijfers, net als de mensen die producten wegdoen omdat ze over de datum zijn, zonder te vertrouwen op eigen reuk- en smaakvermogen of op het gezonde verstand.

Heijne signaleert nog een probleem bij het vooruitgangsdenken. De vooruitgang in de wetenschap geeft ons ook op een andere manier minder vrijheid:
Vooruitgang in de wetenschap gaat onmiskenbaar hand in hand met een reductie van de mens zelf. Die paradox kun je als volgt samenvatten: naarmate de wetenschap steeds dieper in onze levens en, vaak letterlijk, in onze lichamen doordringt om ons te genezen, te beschermen en zelfs te verbeteren (...) lijkt dat ons juist eerder minder dan meer vrijheid op te leveren. We worden steeds meer gewaar hoezeer we door onze biologie gedetermineerd zijn. 
Dat gevoel van onvrijheid is een vruchtbare bodem voor het populisme. Wie zich bedreigd voelt in een complexe wereld, is vatbaar voor eenvoudige 'oplossingen'. De Europese Unie had een gevoel van gemeenschap op kunnen roepen, maar veel mensen zien die als een bedreiging voor de eigen kleine gemeenschap. Ooit schreef ik een column over hoe de globalisering juist nostalgie naar een overzichtelijke wereld oproept en dat dat blijkt uit bijvoorbeeld de pagina's met foto's uit het verleden die op Facebook te vinden zijn.

Heijne zet het populisme niet weg als iets om op neer te kijken. Hij probeert het te begrijpen. Zo schrijft hij over Trump en de Trumpachtigen:
Trump en zijn politieke geestverwanten bedienen burgers die aan de ene kant gewend zijn om als consumenten benaderd te worden en geen geduld hebben voor de inspanning en gemeenschapszin die bijvoorbeeld klimaatverandering van hen vraagt - en aan de andere kant bevrijd willen worden van een onoverzichtelijke, hopeloos complexe wereld waarin experts de dienst uitmaken en die wordt bestuurd door een elite die pleitbezorger blijft van een wereldbeeld dat hun autonomie en vrijheid belooft, maar hen in wezen juist verweesd heeft gemaakt.
Dit alles legt een typische paradox van deze tijd bloot - verwende, ongeduldige individuen die hunkeren naar een verloren gemeenschap.
Hij brengt de gedachtegang in verband met de drie principes van Freud: het lustprincipe, het realiteitsprincipe en de doodsdrift (of vernietigingsdrift).
De tendens om een mens steeds meer los te zien van zijn omgeving, hem niet langer als een burger maar als en klant te zien, als object voor commerciële en politieke manipulatie, als louter optelsom van statistieken en tabellen, maakt de verbondenheid met zijn omgeving zwakker en versterkt het onbehagen. het roept het verlangen op naar een radicaal herstel van autonomie, de fantasie van een gesloten gemeenschap die zich niets van de buitenwereld meer hoeft aan te trekken. Al het onbehagen in de cultuur richt zich daarop.
Je wilt iets - dat is je lust. Maar hoe ga je daarmee om? Heijne:
Wie Freuds realiteitsprincipe erkent, zal die wereld willen hervormen. Wie het realiteitsprincipe ontkent, zal haar willen vernietigen. 
Dat laatste kan alleen door je buiten de wereld van de anderen te plaatsen. Door een wereld van 'zij' en een wereld van 'wij' te creëren. De sociale media staan bol van de woede op 'de hoge heren'. Vaak wordt zelfs gesuggereerd dat ze met opzet het land te gronde richten. De 'zij' is de elite, waar de boze mens zelf niet toe behoort. We krijgen dan foto's als die hiernaast. We kunnen dit afdoen als onderbuikgevoelens, maar laten we ervan uitgaan dat de angst en de woede reëel zijn. Vaak klinkt een agressieve oproep om een daad te stellen. Om iets te doen.

In Nederland is, op Facebook in ieder geval, onze premier vaak het symbool van de elite die geen goed meer kan doen. Naast onderstaande foto stond de volgende tekst:

Wij hebben geen zeggenschap over ons geld, land en leven. De politiek is corrupt en in handen van de 1% elite.
Iedereen die verantwoordelijk is voor misdaden tegen het volk moet voor een volkstribunaal komen. En om dat mogelijk te maken moeten we meer mensen wakker krijgen, dus roep ik iedereen op dit te zoveel mogelijk te delen.
De elite wordt gezien als een kleine groep. De rest is 'het volk' en dat volk moet zijn autonomie terug  zien te vinden. Zo worden de zaken in ieder geval voorgesteld.

Dankzij het essay van Heijne zien we dat het niet vreemd is dat mensen verontrust zijn. Hun reacties mogen grotesk lijken, het is niet vreemd dat, gezien de huidige ontwikkelingen, mensen het gevoel krijgen dat ze hun autonomie kwijt zijn. Voor een deel hebben ze daarin zelfs gelijk.

Het mooie van het essay van Heijne is dat het ons aan het denken zet over de maatschappij waarin we leven en over wat wij persoonlijk daarmee zouden moeten. Dat is iets waar we nog wel een tijdje op kunnen kauwen. We kunnen er niet van uitgaan dat onze redelijke, humanistische blik op de wereld ons automatisch gelijkgeeft en dat het een kwestie van tijd is voordat iedereen dat ziet. In het slot van Onbehagen formuleert Heijne dat als volgt:
Wanneer het humanisme te zeker van zichzelf wordt, wordt het onherroepelijk naïef - en ok hypocriet. De mens laat zich niet rationeel beheersen. Hoed je voor de overmoed van de rede, het idee dat de wereld zich een kant op laat sturen, dat beschaving een blijvende garantie is tegen menselijke agressie en vernietigingsdrang. Beschaving en verlichting roepen het onheil over zichzelf af zodra ze verblind worden voor tegenkrachten - van buitenaf maar ook van binnenuit.
Reken jezelf niet rijk, denk niet dat de mens het alleen af kan, leun niet lui achterover met het idee dat instituties de beschaving voor altijd waarborgen. Hoed je voor de barbaar in je omgeving. En voor de barbaar in jezelf.
Het is altijd goed als mensen aangezet worden tot nadenken. Er is al genoeg wat inspeelt op de emotie en op de impulsieve reactie. Bezinning is meer dan nodig. Onbehagen geeft daartoe een goede aanzet.

donderdag 28 april 2016

Wij en zij


We denken graag in tegenstellingen: wie niet voor ons is, is tegen ons; je verdedigt Erdogan of de vrijheid van meningsuiting; je wilt alle asielzoekers tegenhouden of zoveel mogelijk vluchtelingen toelaten; je bent voor Ajax of voor Feyenoord; je vindt Geert Wilders een held of je verafschuwt hem.

In dat tweedelingsschema past het niet dat je ook wel eens ergens je schouders over ophaalt, of dat je nog niet zeker weet wat je ergens van moet denken. Als je mee wilt spelen, moet je kiezen bij welk team je gaat staan en welke kant je op wilt voetballen. Hoor je bij ons of bij hen?

Tegelijkertijd gaan er stemmen op van mensen die vinden dat we dat wij/zij-denken nu eens achter ons moeten laten. Dat is uitsluitingsdenken en dat leidt tot niets goeds. Als je mensen uitsluit, gaan ze wraakgevoelens koesteren en gaan ze radicaliseren. We zijn allemaal mensen en als we dat nu maar in de gaten houden, komt alles goed. Bang voor de asielzoekers? Ze zijn banger dan wij.

Let maar eens op, zeggen deze mensen. Zo gauw je anderen niet meer als anders ziet, veroorzaken ze geen problemen meer. In de jaren zeventig was er bijvoorbeeld een groepje Molukkers bijzonder gewelddadig. Er werden treinen gekaapt, er werden schoolkinderen gegijzeld, er werd een consulaat bezet. En nu? Geen enkel probleem meer. Niemand heeft het meer over Molukkers als aparte bevolkingsgroep. Ze horen erbij en zijn nu Nederlanders zoals wij.

Graag zou ik die mensen gelijkgeven. Ik zou graag geloven dat er ten diepste geen verschillen zijn tussen mensen. Dat het niet uitmaakt of je puber of bejaarde bent, links- of rechtshandig, Marokkaan of Fries, man of vrouw. Dat er geen ‘zij’ bestaat, dat iedereen tot ‘wij’ behoort. Maar ik twijfel.

Er is een groep mensen die al tijden tussen ons leeft, maar die nog steeds erg afwijkt van mensen zoals ik. Leden van die groep kunnen voor een kast met kleren staan en toch zeggen dat ze niets hebben om aan te trekken. Of ze gaan in korte tijd allemaal hetzelfde drinken: verse-muntthee of prosecco.

U snapt het al: ik heb het over vrouwen. Vrouwen en mannen, dat zijn gescheiden werelden. Vrouwen lezen hun eigen tijdschriften, kijken hun eigen tv-series en vinden shoppen en chocola belangrijker dan seks. Bomans dichtte er al over:
Meisjes, dat is niets voor mij.
Als zij lief doen, moet ik lachen.
Als ik lief doe, lachen zij.
Een vrouwelijke collega vertelde dat ze op dagen dat ze zich kwetsbaar voelt, mascara opdoet die niet watervast is. Dan weet ze zeker dat ze niet gaat huilen op haar werk. De gedachte dat je mascara uitloopt, is immers afschrikwekkender dan welk verdriet dan ook. Dat had ik niet zelf kunnen verzinnen.

Eigenlijk mag je niet zeggen dat vrouwen en mannen verschillen. Dat is weer wij/zij-denken en als je daarmee bezig bent, begeef je je op een hellend vlak. De schaker Donner schreef ooit dat vrouwen niet kunnen schaken. Meteen kreeg hij een ingezonden brief: ‘Het zal wel niet lang meer duren voordat meneer Donner gaat beweren dat negers niet kunnen schaken.’ Donner antwoordde: Nee, mevrouw, u hebt het niet goed begrepen. Negers kunnen wel schaken, negerinnen niet.

Vrouwen en mannen verschillen en wie dat beweert, zal wel een wij/zij-denker zijn. Maar is dat erg? Met de meeste vrouwen heb ik geen problemen; ik heb zelfs vrouwen onder mijn beste vrienden. Ze zijn anders, maar dat is alleen maar prettig.

Ik wil daarom een pleidooi houden voor het wij/zij-denken. Laten we erkennen dat een Syrische vluchteling, een Marokkaan die al jaren in Nederland woont, een fan van Geert Wilders, een boze burger, een veganist, een complotdenker, een museummijder of een hondenbezitter anders is dan wijzelf. Daar hoeven we geen oordeel over te hebben. We kunnen elkaar ontmoeten en ons verbazen over de ander en over onszelf.

Als een man en een vrouw, ondanks de verschillen, vreedzaam en zelfs liefdevol kunnen samenleven, is er geen gelukzoeker, PSV-fan, Priusrijder, onbespoten-fruiteter, orthodoxe moslim of tubaspeler die niet past in onze samenleving.

Foto: Edwin Nieuwstraten

donderdag 22 mei 2014

Eurovisieverkiezingen


Enkele weken geleden was er het Eurovisie Songfestival. Ook als je het nieuws erover niet volgde, kon je dat niet ontgaan: overal gonsde het. ‘Onze artiesten’ deden het goed in de polls en ze zouden niet alleen een gevaarlijke outsider zijn, maar werkelijk kans maken. Een groot deel van het land leefde mee.

Op de avond van finale was bijna heel Nederland in spanning. De uitzending was een succes. Op hetzelfde moment keken miljoenen Europeanen naar hetzelfde programma en velen brachten hun stem uit. Na afloop was er volop discussie: had Oostenrijk gewonnen vanwege het lied, of vanwege de opmerkelijke zangeres? En wilde die zangeres een statement maken of was ze toch een aanstelster? Was Nederland vooral zo hoog geëindigd vanwege het uitstekende camerawerk? Je kon er gemakkelijk enkele talkshows mee vullen en dat gebeurde dan ook. Eurovisie leefde.

Vandaag is er weer een Europese gebeurtenis en weer gaat het om wie de meeste stemmen krijgt. De belangstelling voor de Europese verkiezingen is echter een stuk minder is dan voor het songfestival. Wat dat betreft kan de politiek nog iets leren van de muziek.

Bij het songfestival is heel Europa het publiek. Je moet dus artiesten afvaardigen en een lied inzenden dat zo goed is, dat je kunt verwachten dat allerlei Europeanen er de kwaliteit van inzien. Dus niet de Toppers op laten treden, die buiten onze landsgrenzen alleen maar gêne oproepen, maar artiesten die hun sporen internationaal hebben verdiend.

Ook voor het Europese parlement zouden wij mensen kandidaat moeten stellen die hebben bewezen dat ze het vak beheersen. België doet dat. Het vaardigde ooit de ex-premiers Jean-Luc Dehaene en Guy Verhofstadt af. Dat zijn toch andere namen dan onze toppers Paul Tang, Esther de Lange en Bas Eickhout.

De verkiezingen zijn Europees, maar we horen meer over de landelijke dan over de Europese partijen. VVD en D66 zitten in het Europese parlement in dezelfde fractie, maar ze voeren niet gezamenlijk campagne. Dat hadden Ilse de Lange en Waylon beter begrepen: als je toch op dezelfde lijn zit, kun je maar beter de krachten bundelen. Als ze elk afzonderlijk hun liedje hadden gezongen, was het niks geworden.

Ook het stemmen zouden we kunnen doen op de Eurovisiemanier: we organiseren een verkiezingsavond en die zenden we rechtstreeks uit in alle EU-landen. De leiders van de zeven fracties van het Europese parlement zijn aanwezig. Zij mogen een kwartier lang het beleid van hun partij presenteren. Tussendoor worden filmpjes vertoond waarin we de fractievoorzitter van de Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten het woord zien voeren tijdens een debat, of waarin we de leider van de Europese Conservatieven en Hervormers iets zien hervormen of zich conservatief zien verzetten tegen een hervorming.

Aan het eind komen de sms-codes in beeld en kunnen we stemmen. Je kunt niet op je eigen land stemmen, je stemt op de Europese fracties. Aan het eind van de avond maken we een rondje langs de landen en wordt de uitslag van de stemming bekend gemaakt. De puntentelling is vergelijkbaar met die van het songfestival.

Omdat we weten hoeveel punten er in totaal te verdelen zijn, is meteen duidelijk bij welk puntenaantal je partij een zetel heeft. In de Green Room zien we de fractieleiders juichen bij elke zetel die wordt binnengehaald. Aan het eind komt de complete winnende fractie op het podium om de bloemen in ontvangst te nemen.

Ja, dat gaat heel anders dan met een rood potloodje in een stemhokje, maar is dat erg? Als we bij het songfestival allemaal naar een stembureau hadden gemoeten om het hokje van Wit Rusland of Zweden in te kleuren, was de opkomst bedroevend geweest. In talkshows en columns zouden mensen beweerd hebben dat we bij deze geringe belangstelling zouden moeten overwegen om uit Eurovisie te stappen. Maar daar heb je bij het mobiel stemmen geen last van: omdat de drempel zo laag is, is de opkomst is groot. Bovendien kost het de overheid geen cent.

Natuurlijk zullen er mensen twee keer stemmen en er zullen ook jongeren stemmen van wie we nu nog vinden dat ze de kiesgerechtigde leeftijd niet hebben, maar is dat dan erg?

Bij het songfestival heb ik niemand horen klagen over het gebrek aan controle op de stemmen. Als iemand vijf keer op Polen of Zwitserland wilde stemmen, was dat geen probleem en niemand zeurde over het feit dat ook mensen onder de achttien meestemden. De uitslag werd geaccepteerd.

Het lijkt me dat de Europese Verkiezingen heel wat kunnen leren van het Eurovisie songfestival. Het zal wel wennen zijn en het zal ook wel ophef geven, maar uiteindelijk wordt het ‘Calm after the Storm’. De verkiezingen, waar nu maar weinig leven in lijkt te zitten, zullen ‘Rise like a Phoenix’.

donderdag 24 oktober 2013

Sinterklazien

Onlangs zag ik de documentaire ‘Houdt God van vrouwen?’ van Emile van Rouveroy. Hierin zien we de orthodox christelijke Hilligje Kok-Bisschop uit Staphorst, die er in haar kerk voor strijdt om gehoord te worden, ook als is ze geen man. Het is een ontroerend portret van een vrouw die keer op keer met haar hoofd botst tegen een glazen plafond, dat in haar kerk ook wel erg laag is aangebracht.

Ik moest daarbij denken aan Lilian Janse, de montere, skeelerende vrouw uit Vlissingen, die gekozen is tot lijsttrekker van de plaatselijke afdeling van de SGP. Ook de SGP heeft het moeilijk met vrouwen en als de partijleiding er niet toe gedwongen was geweest door een rechterlijke uitspraak, hadden vrouwen nooit lid kunnen worden. Nu is er dus zelfs een vrouwelijke lijsttrekker. Het glazen plafond bleek breekbaar.

Lilian Janse en Hilligje Kok zijn strijdbare vrouwen, die zich niet neerleggen bij tradities, maar in actie komen voor wat zij de goede zaak achten. Op sommige andere terreinen zouden vrouwen een voorbeeld aan hen kunnen nemen.

Zo is er al sinds meer dan honderd jaar in Nederland de traditie dat in november een bisschop vanaf een stoomboot aan land komt. Aanvankelijk was hij door slechts één knecht vergezeld, Zwarte Piet; tegenwoordig heeft hij tientallen medewerkers, die allemaal naar dezelfde naam luisteren.

Dat de hulpen van Sint Piet heten, geeft al aan dat het mannen zijn. Het schijnt dat er ook vrouwelijke Pieten voorkomen, maar die mogen niet laten merken dat ze vrouw zijn: ze houden dezelfde naam en dezelfde kleding. Sinterklaas is altijd een man.

Nu zijn er binnen het sinterklaasfeest wel wat elementen die verwarrend kunnen zijn als het gaat om de bepaling van het geslacht: Sint draagt een jurk en Piet een panty. Aan hun mannelijkheid doet dat echter niets af. Het sinterklaasfeest is een mannenzaak.

Voor zover ik weet, is er geen enkele vrouw die deze misstand aan de kaak heeft gesteld. Bij de Verenigde Naties heeft niemand geklaagd over het feit dat er een man is die mag bepalen wie de koek krijgt, wie de gard en dat een man de naaste medewerker is van deze alleenheerser. Hun symbolen, de staf en de zak, zijn nadrukkelijk mannelijk. De vrouwen hebben geen pepernootje invloed.

Maar blijkbaar is er niemand die zich daaraan stoort. Opzij zwijgt; Hedy d’Ancona en Cisca Dresselhuys laten zich niet horen; er verschijnen geen ingezonden stukken in de kranten; in de talkshows gaat het over andere onderwerpen.

Ja maar, zegt u misschien, Sinterklaas is een bisschop en daarom kan hij geen vrouw zijn. Bovendien hechten wij aan onze traditie: een witte sint, een zwarte piet en beide van het mannelijk geslacht.

Tradities veranderen. Sint is geen bisschop meer. Bij de intocht draagt hij op zijn mijter het stadswapen van Amsterdam. Ook daarin volgde de goedheiligman niet de traditie. De traditionele roe is intussen ook al verdwenen. Zo’n grote stap is de vervrouwelijking van 5 december niet.

Maar de dames zwijgen. De enige strijdbare vrouwen bevinden zich blijkbaar in SGP-kringen. We zullen het moeten hebben van Lilian Janse en Hilligje Kok, die overigens als Hilligje Bisschop geboren werd. Wanneer zij het bij de SGP tot kamerlid hebben geschopt, zal Sint zijn baard verliezen en veranderen in Sinterklasina. Of Zwarte Pieternel dan nog zwart is, zal de tijd leren. Ik gok erop dat zij (of hij) in ieder geval de zwarte kousen zal behouden.

Foto: Edwin Nieuwstraten

Andere columns over Sinterklaas:

woensdag 14 december 2011

Zwarte Piet racistisch? (Zwart en wit 1)


Elk jaar wordt er in de Sinterklaastijd wel een beetje gemopperd over Zwarte Piet. Zo´n zwarte knecht van een witte klaas zou racistisch zijn. Dit jaar was voor mijn gevoel het debat veel heftiger dan in voorgaande jaren. Zo was er een uitzending van  Debat op 2 waar de emoties hoog opliepen.

Nu de Sint weer naar Spanje vertrokken is en de gemoederen wellicht enigszins bedaard zijn, is het misschien tijd om in alle rust over deze zaak nog eens wat na te denken.

Tegenstanders van Zwarte Piet beroepen zich op de herkomst. Het lijkt wel duidelijk dat Zwarte Piet zijn uiterlijk gekregen heeft met als voorbeeld de moor, die we bijvoorbeeld ook nog als gaper tegenkomen bij drogisterijen. Gapers waren er al vanaf 1500.


J.A. Alberdingk Thijm schrijft in 1850 in een boekje dat hij Potgieter cadeau geeft een opdracht in de vorm van een dialoog tussen ‘St. Niklaas’ en ‘Pieter-mê-knecht’. Het is hetzelfde jaar dat Jan Schenkman het boek Sint Nicolaas en zijn knecht uitbrengt. Daarin heet de knecht overigens nog geen Piet.

Dezelfde Alberdingk Thijm schrijft in 1884 in het dagblad De Amsterdammer een jeugdherinnering: een strooiavond in 1828 waarbij ook ‘een kroesharige neger’ present is, die ook weer door Alberdingk Thijm ‘Pieter me knecht’ wordt genoemd. Deze gegevens ontleen ik aan een nieuwsbrief van het Meertens Instituut.

In een tijd waarin de slavernij in Nederland nog niet afgeschaft is, lijkt zo'n 'kroesharige neger' een stereotypering. Hij is de knecht, de ondergeschikte en sommigen zullen zelfs zeggen: de slaaf.

De voorstanders van Zwarte Piet halen hun schouders op over de herkomst. Die telt voor hen niet. Op dit moment heeft Piet voor hen niets met racisme te maken. Piet is niet meer een dom knechtje, maar een moderne manager, betogen ze, zonder wie de wat suffige Sint niets is. Volgens hen heeft het bestaan van Zwarte Piet absoluut geen kwetsende bedoeling.

Beide partijen hebben gelijk: iemand die nu het sinterklaasfeest viert, heeft niet de bedoeling een vorm van racisme uit te dragen en tegelijkertijd zit er op zijn minst wat verdachts aan de herkomst van Zwarte Piet. Voorstanders en tegenstanders hebben het over verschillende zaken en zullen dus ook niet tot elkaar komen.

Je kunt je afvragen wat het zwaarst moet wegen, de herkomst of de bedoeling. Het is de discussie die ook opsteekt als het over vloeken gaat. Als iemand bewonderend zegt: ‘Jezus, wat mooi!’ moet hij dan gekapitteld worden omdat hij de naam van Jezus misbruikt, of gaat het om de intentie, die immers niet verkeerd is? En wat als hij niet letterlijk ‘Jezus’ zegt, maar ‘jemig’ of ‘jeetje’? Hoe verder het afdwaalt van de oorsprong, hoe lastiger het wordt om er een eventueel probleem in te zien.

En wat als je je nu nooit bewust bent geweest van de afkomst? Gesteld dat onze stropdas afkomstig zou zijn van het feit dat slaven met een strop om de nek moesten lopen, zodat ze gemakkelijk opgehangen zouden kunnen worden, zouden wij dan moeten weigeren een das te dragen?

Voor welk gezichtspunt je ook kiest (herkomst of intentie), feit blijft dat er blijkbaar mensen oprecht gekwetst zijn door het feit dat Zwarte Piet er is. Natuurlijk kun je zeggen dat die mensen niet zo gevoelig moeten zijn of niet zulke lange tenen moeten hebben. Maar in hoeverre is het een keuze om je gekwetst te voelen? En in hoeverre kun of moet je rekening houden met elkaar?

Ik hou van een lekker stukje vlees, maar als ik een vegetariër als gast aan tafel heb, hou ik daar natuurlijk rekening mee en serveer ik geen karbonaden. Het is ook heel gebruikelijk om te vragen of iemand bezwaar heeft, voordat er een sigaret opgestoken wordt. Geen probleem, kleine moeite. Maar ik drink wel koffie als ik een theedrinker te gast heb en schenk mezelf ook een glas wijn in als mijn gast om een sapje vraagt. Blijkbaar maak ik een afweging in wat vervelend is voor de gast en wat niet.

Toch zijn er heel wat mensen die zich bij Zwarte Piet niet afvragen of zijn optreden storend is voor anderen, maar verdedigen ze hem met hand en tand. Ik heb ook de neiging om in de zwarte knecht van Sinterklaas vooral iets onschuldigs te zien. Maar waarom eigenlijk?

Misschien wel omdat we allemaal met Zwarte Piet zijn opgegroeid, in alle onschuld, want in alle onwetendheid. We willen loyaal blijven aan het onschuldige kind dat we ooit waren en willen niet met terugwerkende kracht schuld laden op de schouders van dat kind of van onze ouders. Dat is begrijpelijk.

Maar zoals we onze eigen goede bedoelingen serieus nemen, zouden we ook de emoties van van tegenstanders serieus moeten nemen. Ook als we elkaars opvattingen niet delen, zouden we op zijn minst begrip kunnen hebben voor elkaar.



donderdag 24 november 2011

Gedoogde Sinterklaas



Wie door de supermarkt loopt, kan er niet omheen: gevulde speculaas, marsepein, strooigoed, kruidnoten, al dan niet met chocoladejasje, sinten van chocola, letters van chocola, munten van chocola en er is vast nog veel meer lekkers wat je eigenlijk alleen in de laatste twee maanden van het jaar kunt kopen. Inderdaad: de heilige Nicolaas is weer in ons land.

Zoals u weet, is Sinterklaas allochtoon. Onder het huidige kabinet is hij waarschijnlijk de enige allochtoon die met gejuich, applaus en hoempamuziek wordt ingehaald. Het verbaast mij werkelijk dat er nog niet een kamerlid van de PVV-fractie is geweest, die met overslaande stem heeft geprotesteerd tegen het binnenhalen van iemand uit een land in de eurozone dat er economisch niet al te best voor staat en waar wij nu zo onderhand al genoeg stoomboten vol geld naar toe gevaren hebben. En – hierbij zou het kamerlid zijn vinger geheven hebben -  dat zijn echt geen chocolademunten, maar keiharde euro’s, die de hardwerkende Nederlanders met hun eigen eeltige handen hebben verdiend.

Misschien is het protest uitgebleven, omdat Sinterklaas blank is. En een niet-moslim, natuurlijk. Vroeger was de bisschop zelfs zichtbaar katholiek, maar tegenwoordig is het kruis op de mijter vervangen door het gemeentewapen van Amsterdam. Echt nodig was dat niet, want de PVV heeft een behoorlijke aanhang in het Roomse Limburg en daarom zou Wilders toch niet gewaarschuwd hebben tegen de katholificering van Nederland of tegen een tsunami van papisme. Ook voor een kopdozentax voor alle mijterdragers hoeven we niet te vrezen.

Het is duidelijk: de PVV gedoogt niet alleen het kabinet, maar ook Sinterklaas. Dion Graus, de geestelijke en geestige vader van de dierenpolitie en de perspolitie, heeft nog geen voorstel ingediend voor een sintenpolitie, al moet het toch ook hem een doorn in het oog zijn dat iemand een arme schimmel bij nacht en ontij het dak op jaagt. En als het arme beestje niet wil, kan het ook nog een klap met de roe krijgen van de knollenpiet.

Wat de PVV’ers waarschijnlijk wel aanstaat, is dat de witte Sint de baas is over een stel zwarte knechten. Ik neem aan dat zij dat als de natuurlijk orde zullen zien. Een orde die trouwens authentiek Nederlands is, getuige ons koloniale verleden en de afbeeldingen op de gouden koets.

Natuurlijk zijn er mensen die dat willen wegpoetsen en die zeggen dat Zwarte Piet zwart is, doordat hij door de schoorsteen komt. Dat is soft geklets. In de meeste huizen staat al lang geen kachel meer en Piet is nog steeds zwart. Het is dus gewoon een niet-westerse allochtoon.

Maar Zwarte Piet is waarschijnlijk wel zo’n socialistische theedrinker, die het een beetje gezellig wil houden. Er hangen nog genoeg kut-Marokkaantjes rond in Veldhuizen en de Rietkampen en die worden vaak genoeg gewaarschuwd, maar je hoort nooit eens dat rond deze tijd een stel zwarte pieten daadwerkelijk ingrijpt en met de roe zo’n groepje afranselt. En daar is die roe toch voor.

En wanneer hebben we voor het laatst gehoord dat er een paar van die uitvreters in de zak gestopt werden en werden meegenomen naar Spanje? Ik kan het me niet heugen en je kunt dus wel merken uit welke hoek de wind waait: Sinterklaas is bisschop van de linkse kerk. Zijn intocht wordt uitgezonden door de linkse NOS en zijn tabberd is zo rood als de kam van de VARA-haan ooit was.

Er is dus reden genoeg voor de PVV om alle Henken en Ingrids op te roepen om te gaan protesteren tegen deze Nicolaas met het dubbele paspoort; om meteen een wetsvoorstel in te dienen dat de grenzen moet sluiten voor Pietermanknechten die niet geslaagd zijn voor het inburgeringsexamen; om keihard te roepen: ‘Geen cent voor de Sint!’

Maar het gebeurt niet. De PVV breekt in dit geval nergens zijn staf over, geeft niemand de zak, schuift niemand de zwarte piet toe. Wilders vindt het allemaal best.

En ook dat is wel te begrijpen. Sint is immers een allochtoon die uit zichzelf weer uit Nederland verdwijnt. Geert Wilders hoopt stilletjes dat velen een voorbeeld aan hem zullen nemen. En als iedereen wien Neerlands bloed niet door d’aadren vloeit, iedereen van wie het bloed niet van vreemde smetten vrij is, uiteindelijk verdwenen zal zijn, dan knielt Wilders bij zijn schoentje en roept uit: O, kom er eens kijken! Daarna zal hij uit volle borst zingen: Dank u, Sinterklaasje!