Posts tonen met het label Persoonlijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Persoonlijk. Alle posts tonen

donderdag 10 september 2026

Penicillinezalf, Haarlemmerolie, levertraan en Sloan's liniment

 

Mijn ouders gebruikten medicijnen die ik tegenwoordig nooit meer tegenkom. Zo herinner ik me de penicillinezalf, een gelig goedje uit een tube. Als ik een gat in mijn knie gevallen had, deed mijn moeder het op een gaasje en dat ging op de wond. 

Pas nu vraag ik me af of je in die tijd antibiotica zonder doktersrecept kon krijgen. Indertijd vond ik het niet vreemd dat de tube gewoon in de la van het keukenkastje lag. Ik heb kort gezocht op Delpher en in oude kranten komt het geregeld voor, bijvoorbeeld hier. Het middel werd wel verkocht op plaatsen waarin veemarkten gehouden werden, dus mogelijk heeft mijn vader het ooit van 'de mart' meegebracht. 

Indertijd werd al gewaarschuwd tegen het onoordeelkundig gebruik van het middel. Voor zover ik weet, heeft mijn vader het nooit voor het vee gebruikt. 

Haarlemmerolie

Verder hadden we natuurlijk de Haarlemmerolie, een wijdverbreid middel. Ik gok dat al mijn ooms en tantes het in huis hadden. Het zou tegen zo'n beetje alles helpen. Volgens mij gebruikten wij het voornamelijk bij kiespijn en oorpijn. Een watje werd doordrenkt met de sterk ruikende olie en aangebracht in het oor of in de holle kies. Natuurlijk ging de pijn na een tijdje over en dan zou dat door de bruine vloeistof komen. Waarschijnlijk was het de placebowerking. 

Dat er ook capsules waren met Haalemmerolie was iets van later datum, dacht ik, maar ik vond een advertentie uit 1940 waarin de capsules al werden aangeprezen. 

Suriname, Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad 2 januari 1940

Levertraan

Als de 'r' in de maand was (van september tot en met april dus) slikten we een lepel levertraan. Aanvankelijk was dat traan, olie, met een smaakje: sinaasappelsmaak. Later was het de pure, gele olie. De eetlepels die wij thuis hadden, hadden een behoorlijke afmeting, dus het was een beste slok. In mijn herinnering hadden mijn zusje en mijn broertje er nogal moeite mee. Ik vond het ook helemaal niet lekker, maar ik nam maar snel de slok om ervan af te zijn. Mijn moeder erkende ook wel dat het goedje niet lekker smaakte en daarom kregen we meteen na de lepel olie een schep suiker. En daarna snel naar bed. 

Net als de Haarlemmerolie was de levertraan in mijn jeugd al beschikbaar in capsules. Maar die hadden wij niet. Ik vermoed dat je met wat er in de eetlepel ging verscheidene capsules had kunnen vullen. 

Leeuwarder Courant, 4 januari 1958

Sloan's liniment

Verder was er Sloan, een al heel oud middel. Het zat in een flesje dat in een doosje zat en daarop stond het hoofd afgebeeld van een man met een snor. Later zou ik vinden dat die man op mijn ome Ab leek. Mijn moeder gebruikte het als ze last had van haar rug. Als je het spul erop smeerde (het was verkrijgbaar als zalf en als vloeistof), ging de huid gloeien en dat had blijkbaar een verlichtende werking. 

De oudste advertentie voor dit middel kwam ik tegen in de Sheboygan Nieuwsbode, de oudste Nederlandstalige krant in Amerika, die bestond van 1849 tot 1861. De advertentie stamt uit 1851.


Hierboven staat maar een stukje van de advertentie. Het middel blijkt ook bedoeld voor hoornvee en paarden en werd gebruikt bij aandoeningen aan de 'galblaas, verrekking der pezen, kneuzingen, gekwetste pooten, ringbeen, gezwollen enkels, nekgezwel, wratten, spatten, fistel, zadelknobbel, verwrikking, kreupelheid, stijve pooten, stramheid, schurft en paardenziekte.' Letterlijk een paardenmiddel dus. 

Sloan had ook Conditie Poeder, dat ook al een wonderbaarlijke werking had. Het verdrijft 'elke ontsteking en koorts, zuivert het bloed, maakt het vel los, reinigt het water en versterkt elk deel des ligchaams.' Verder heeft het zich een uitmuntend middel voor de volgende ziekten getoond: 'stijfheid, ziekte, vastheid der huid, gebrek aan eetlust, inwendige verrekking, geel water, ontsteking der oogen, vermoeijenis van harden arbeid; ook rhumatiek (gewoonlijk stijfheid genoemd) hetwelk in dit land voor zo menig paard doodelijk is. Het is ook een veilig en zeker middel voor hoest en verkoudheid, welke zoo vele noodlottige ziekten na zich slepen.'

Dat het ook helpt bij 'ziekte' is altijd handig. Dan kun je het overal voor gebruiken. Het tekstje is ondertekend door W.B. Sloan, die nog vertelt dat het middel volkomen veilig is: 'Deze remedies schaden nimmer en genezen altijd, indien de voorschriften worden opgevolgd.' Het hoofddepot bevond zich indertijd in Chicago. 

Blijkbaar hebben de middelen van Sloan in de loop der jaren de oversteek over de oceaan gemaakt en waren ze zelfs in Herveld te koop. Zou mijn moeder het flesje bij Engeltje Dekker gekocht hebben? Toen ik klein was, werd er flink reclame voor gemaakt. En vaak hoefde er geen uitleg bij. Ik kwam een advertentie uit 1960 tegen waarin alleen verteld werd dat het overal verkrijgbaar was.

Het Nieuws, Algemeen Dagblad, 17 mei 1960

Hoe dan ook, wij hadden een flesje Sloan's liniment in huis. We spraken de naam trouwens uit als 'Slowan'. Toen wij klein waren, moesten mijn zusje en ik onszelf soms bezighouden, omdat mijn ouders 'achter' aan het werk waren. Mijn vader molk de koeien en mijn moeder zal ze intussen wel gevoerd hebben en de deel geveegd hebben met een rijshouten bezem. 

Toen mijn moeder eens binnen ging kijken of haar kinderen wel braaf waren en deur naar de gang opende, kwam de kat in paniek de deel op rennen. Hij ging via de stalladder de hooizolder op, likte zich driftig, maar werd daar niet rustiger door. 

Mijn moeder haastte zich naar binnen, waar ze mijn zusje aantrof die op haar buik op de divan lag, met haar trui omhoog. De huid van haar rug, was helemaal rood. Mijn moeder zag het flesje Sloan's liniment en begreep meteen het verband. Ze nam mijn zusje op en hield haar rug onder de pomp om de Sloan van haar af te spoelen. 'Lientje had een zere rug', zei ik. 

Ma snapte ook wel dat niet alles uit het flesje op de rug van mijn zusje terecht was gekomen. Ze vroeg me wat er met de rest van de inhoud gebeurd was. 'Dat heb ik op de poes gedaan', vertelde ik. Er is nog naar het beestje gezocht, maar het is nooit meer gevonden. Mogelijk heb ik door mijn gesmeer de dood van het dier op mijn geweten. Mijn zusje hield er geen nadelige gevolgen aan over. 

Nieuwe Vlaardingsche Courant, 14 november 1962

De foto boven deze bijdrage is uit 1962. In dat jaar werd ik drie en werd mijn zus een jaar oud. Ook de betreffende poes is te zien, die niet veel ouder geworden zal zijn dan op de foto. Hieronder nog een foto van mijn vader en moeder op de deel. In de vaten zat meel (of misschien ook wel biks) dat mijn vader er met de 'meelkop' uit schepte. Links achter aan de muur de 'kippenklok', die ervoor zorgde dat op een bepaalde momenten het licht in het kippenhok aan- of uitging. 

Op deze foto zie je een trap tegen de hooizolder staan. In mijn herinnering was het een ladder, de 'stalleer'. 

donderdag 27 augustus 2026

'Al sloa de me dood, ik gif oe gin gelijk'

Een stel korte stukjes uit verschillende dagboeken. Ik heb er steeds boven gezet op welke dag ik ze opgeschreven heb. Het zijn dingen die mijn moeder vertelde als ik bij haar op bezoek ging. 

In verschillende ervan figureert mijn ome Ab, daarom plaats ik er een foto bij waar hij prominent op staat, vooraan in het midden. De foto is genomen bij de voordeur van het huis van mijn grootouders, de ouders van mijn moeder, op de trouwdag van mijn ouders. Behalve mijn ouders staan mijn grootouders en mijn ooms en tantes van moederskant erop. Tante Cor ontbreekt. Dat heb ik hier uitgelegd. 

De vrouw naast mijn oma, ken ik niet. Het zal de toenmalige vriendin zijn geweest van mijn ome Henk, die in die tijd blijkbaar in militaire dienst zat. Verder staat links tante Gijb en op de voorstr rij, aan weerszijden van ome Ab, zitten tante Riet en ome Dik. 

12 september 2020


Wel haalde mijn moeder andere herinneringen uit haar eigen jeugd op. Dat haar moeder, mijn oma dus, in 1954 nog een miskraam kreeg.

Mijn moeder was toen als meisje voor dag en nacht in dienst van de familie Methorst. Ze ging dan ‘s ochtends om halfvijf naar haar eigen ouders om de was te doen. Ze moest weer op tijd terug zijn bij Methorst. Vrouw Methorst zat toen in een inrichting en mijn moeder moest ervoor zorgen dat de kinderen op tijd op school kwamen.

Ze kon bij haar ouders wel de was koken, maar spoelen moest tante Gijb doen, die toen pas negen jaar was. Er waren toen ook oudere broers (Henk, Ab), maar blijkbaar kwam het in niemands hoofd op dat die ook wat in het huishouden zouden kunnen doen.

Ome Ab had als kind hersenvliesontsteking gehad en was daardoor verwend. Later werd hij erg ondeugend en als hij iets verkeerds had gedaan, riep hij: ‘Ge meug me lekker toch niet sloan!’

Toen hij wat ouder werd, gebeurde dat overigens wel en opa was niet zachtzinnig: die sloeg met zijn riem. Ome Ab zei: ‘Al sloa de me dood, ik geef oe gin gelijk.’ Maar de buurman kwam die keer tussenbeide.

Ome Ab werd beschuldigd van het stelen van een portemonnee en van een psalmboek. Dat laatste kwam later boven water en hij bleek dat niet gedaan te hebben. Maar de portemonnee werd gevonden bij Hentje van den Berg, net over het spoor bij Zetten. Daar zit nu een Chinees restaurant. Ome Ab zal het geld wel gebruikt hebben voor drank.

Hij had een keer de solex van zijn moeder meegenomen naar het café (Café De Zon, bij Pietje Beschuit). Hij kwam lopend terug, omdat hij de solex verkocht had. Ook bij mijn ouders heeft hij ooit honderd gulden gestolen. Mijn moeder vermoedt dat mijn vader een kalf had verkocht of zo. De portemonnee lag in de la, waar hij later ook altijd zou liggen. Mijn vader had nooit een portemonnee bij zich.

Mijn moeder zei dat ze toen nog nooit een biljet van honderd gulden had gezien, wat wel kan kloppen, want in het begin van hun huwelijk hadden mijn ouders niet veel geld. Mijn vader vertelde aanvankelijk niet aan mijn moeder dat het geld gestolen was. Wel aan zijn schoonouders. Oma kwam toen helpen in huis bij mijn moeder, om het op die manier terug te betalen. Het lijkt erop dat ook toen de hand boven het hoofd van mijn oom werd gehouden. Toch noemde mijn moeder hem ‘een best jong.’

Ook vertelde ze dat ze als vijftienjarige hielp op de boerderij bij Trien (Catrinus). Ze moest eigenlijk in huis werken, bij Arta, maar die zei dat ze maar op het bedrijf moest gaan helpen. Ik heb alles gedaan, zei mijn moeder: ploegen, eggen. Allemaal met het paard. Er waren twee paarden: de bruine, waar ze bang voor was, en de schimmel. Die had Trien gekregen na de oorlog als compensatie voor de oorlogsschade. De Duitsers hadden alle paarden gevorderd.

De schimmel was een oud circuspaard en als hij voor de wagen liep, speelde mijn moeder op haar mondharmonica, zodat het paard heel showerig ging lopen: kop omhoog en de voorpoten heel hoog optillen. Dat heeft ze wel vaker verteld.

13 september 2020


Ik heb nog een aanvulling op gisteren, ook door mijn moeder verteld. Er was ook nog een ‘jonge’ Trien, die 47 jaar oud was. Die kwam aan mijn grootmoeder vragen of mijn moeder niet op de boerderij kon blijven. Eigenlijk was het de bedoeling dat hij dan later met mijn moeder ging trouwen. Mijn oma zei: 'Denk je dat ik mijn kind verkoop?' Mijn moeder mocht niet meer naar de boerderij.

Die jonge Trien kwam ook een keer huilend bij het huis van mijn grootouders aan. Tijdens het melken in de wei was hij gewond geraakt. Hij goot de melk uit in het zeef, over de draad, toen er een tochtige koe op zijn rug sprong. Hij kwam met zijn borst op de heiningpaal terecht. Daarna hebben mijn moeder en haar jongere broer Henk een tijdje gemolken op die boerderij. Ze hadden een hoop lol gehad, begreep ik.

13 februari 2023


Ik zal je nog een verhaal vertellen dat ik een tijdje terug van mijn moeder hoorde. Vroeger moest zij altijd langs het gezin Collau als ze bijvoorbeeld naar de winkel ging en dat was geen pretje. Op een dag liep ze met tante Cor (haar oudere zus) en ome Ab (haar kleine broertje) daar weer voorbij en toen kreeg tante Cor ruzie met een van de grote meiden. Die stond voorover gebukt en ome Ab viel haar aan: hij beet haar in haar kont.

De moeder van het gezin was altijd heel zenuwachtig en riep mijn oma (de moeder van mijn moeder, dus de moeder van je overgrootmoeder) soms binnen. Haar zoontje was heel dwingend. Als hij iets wilde hebben, zei hij: ‘Geef op, of ik zèk oe nat!’

28 februari 2023


Vanochtend had ik het nog met mijn moeder over Corrie Tendeloo. Zij diende in 1955 in het parlement een motie in die het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen aanvocht. Als ik het goed heb werd de wet Handelingsonbekwaamheid in 1956 afgeschaft. Voor die tijd konden vrouwen geen huis kopen, geen geld opnemen van hun rekening en meer van dat soort dingen, zonder machtiging van hun man (of als ze die niet hadden: van hun vader).

Mijn moeder herinnert zich nog dat haar moeder (mijn oma dus) het erover had. Er was toen net een neef van mijn opa op bezoek, Toon de Bruin. ‘Nu hebben we het voor elkaar’, zei mijn oma. ‘Vrouwen hebben nu net zoveel te zeggen als mannen.’ Toon reageerde met: ‘Ze hebben altijd al meer aan de moel gehad.’

Zijn zoon was Zweer de Bruin, die ook wel de rooie Zweer genoemd werd. Die reageerde heel blij toen hij mijn moeder als kind zag: ‘Nu ben ik niet meer de enige rooie in de familie!’ Mijn moeder kreeg een bal van hem. Ze denkt dat hij toen een jaar of veertien, vijftien is geweest. Intussen is hij overleden. Zijn weduwe zit in ‘t Anker, waar mijn moeder ook zit. Die heeft die vrouw aangesproken, maar ze reageerde niet. Ze zal wel niet helemaal helder meer zijn.

donderdag 20 augustus 2026

'Wa zulde dan een oud moedje zijn'

Dit stukje schreef ik in een dagboek op 24 oktober 2023. Het gaat over een paar feesten, in de familie en in de buurt. 

Mijn opa en opoe van moederskant, uit Dojewèrd, waren dertig jaar getrouwd. Op de bovenste foto staan ze met zijn tweeën, onderaan met hun kinderen. Tante Cor staat er maar half op en ome Dik was er niet bij. Die zat bij de marine en kon niet zomaar naar huis komen. 

Er zijn ook nog foto's van mijn moeder en tante Cor die samen een stukje opvoeren, maar die kon ik niet vinden. Als ik ze ergens tegenkom, zal ik ze alsnog delen. 

Mijn opa en opoe van vaderskant, uit Loenen, waren in hetzelfde jaar veertig jaar getrouwd. Ter gelegenheid daarvan werd een foto van ons gezin gemaakt. Van Opa en opoe Loenen heb ik onderaan nog een foto toegevoegd. 

Verder gaat het nog over het huwelijk van tante Gerrie en over de bazar in het dorp en daarna houdt het stukje ook weer zomaar op. 

Opa en Opoe Dojewèrd dertig jaar getrouwd

Het is 1966. Ik ben zes, misschien net zeven. Er zijn dat jaar twee feesten. Bij opa en opoe Loenen is er feest omdat ze veertig jaar getrouwd zijn. Opa en opoe zijn altijd jarig in de zomer: opa op 6 juni, oma op 16 juli. Soms wordt dan de tafel naar buiten gesjouwd en eten we het avondbrood onder de grote goudreinet waar de schommel in hangt. De tantes en de kinderen tenminste. De mannen zijn dan nog op de boerderij bezig: koeien melken, varkens voeren enzovoort.

Soms heeft een tante een fototoestel. Van mijn moeders kant heeft volgens mij alleen tante Cor zoiets, van mijn vaders kant tante Met. Die wijkt af van wat de meeste mensen hebben. Je moet hem voor je buik houden en dan kun je van bovenaf in een raampje kijken om te zien wat er voor de lens staat.

Ook bij het veertigjarig huwelijk van opoe en opa worden er foto’s gemaakt. We zijn bij het huis van ome Wout en tante Met, waar mijn grootouders heel lang hebben gewoond, van 1926 tot 1963 of zo. Op het grind, voor het huis, gaat elk gezin op de foto. Ik heb het bruine pakje aan dat tante Jannie genaaid heeft. Links op mijn borst zit een zakje met een hondje erop.

Er wordt ook een groepsfoto gemaakt, met opa en opoe in het midden op grote stoelen. De ooms en tantes staan achter hen. De kleinkinderen zitten op een rijtje voor hen. Lientje staat naast opoe. Het is zonnig en we moeten tegen de zon in kijken. Sommigen van ons knijpen de ogen een beetje dicht.

We eten bij ome Wout in de kamer. Mijn opa kijkt naar mijn moeder en moet een beetje lachen. Als ze vraagt waarom hij lacht, zegt hij dat hij zat te bedenken hoe ze eruit zou zien als zij en mijn vader veertig jaar getrouwd zijn. ‘Wat zulde dan een oud moedje zijn,’ zegt hij. Mijn moeder is nog net geen dertig. Als ze veertig jaar getrouwd zal zijn, zal ze eenenvijftig zijn. Dat is nog zo ver weg, dat je het je bijna niet kunt voorstellen.

Opa en opoe Dojewèrd zijn dertig jaar getrouwd. Opoe wil het niet vieren. ‘Ik ga gewoon weg’, zegt ze. Maar haar kinderen en haar buren laten dat niet zomaar gebeuren. Ze versieren het huis en ze halen hortensia’s. Opa en opoe krijgen een corsage opgespeld.

Bijna alle kinderen en kleinkinderen zijn er. De kamer van opoe en opa is niet zo heel groot, dus het is al gauw vol. De kleinkinderen spelen dan ook meestal op deel. De verjaardagen bij opa en opoe zijn altijd vrolijk. Soms is ook ome Dik erbij, in zijn uniform van de marine. Dan speelt hij op het harmonium. Hij kan ook bugel spelen. Verder hebben opa en opoe een citer, maar die gebruiken wij als speelgoed. Ik heb er nog nooit iemand serieus op horen spelen.

De mannen zingen vaak luidkeels liederen. Bijvoorbeeld ‘Oh, when the saints’ of over een pot met stront die opgehangen was. ‘En hadden die vol met stront gedaan’, zingen ze extra hard. Die pot wordt opgehangen en als ik het goed begrepen heb, wordt er (door soldaten?) op die pot geschoten. ‘En alle boertjes en boerinnekes waren met die stront belaân!’ Het is kostelijk om iedereen zo vrolijk te zien.

Ik zit bij het raam, vlak bij het orgel. Dan komen ineens mijn moeder en tante Cor uit de slaapkamerdeur de kamer binnen. Ze zijn verkleed. Tante Cor is een dametje, met een hoedje op. Mijn moeder is aangekleed als een man. Ze heeft een pak aan en een hoed op en ze heeft een sigaar in haar mond. Die zit nog in het cellofaan, wat het iets minder echt maakt. Ze zijn Thomasvaar en Pieternel en lezen een gedicht op van een lang vel papier.

Zou mijn moeder dat geschreven hebben? Er zijn wel vaker mensen die haar vragen om een gedicht te schrijven als er een feest is en dan rijmt mijn moeder erop los. Ze lijkt er nooit veel moeite mee te hebben. In ieder geval hebben tante Cor en mijn moeder veel succes.

In hetzelfde jaar gaan ome Ab en tante Ria trouwen. Later zal mijn tante zich Rhea noemen. Ook nu is er een feestje bij opa en oma Dojewèrd. De vader van tante Ria voert een toneelstukje op. Hij doet alsof hij moet huilen. Mijn oma denkt dat het echt is: ‘Wat is ‘t nou, Van den Berg?’ En dan begint hij te vertellen hoe hij met zijn vader over een plank moet lopen die over een sloot ligt. Hij zit bij zijn vader op de nek. En zijn vader heeft ‘grote platspoten’. Steeds komt hetzelfde zinnetje terug: ‘En de plank die brak. Bijna!’ Elke keer dat de zin herhaald wordt, wordt het grappiger.

Er is ook nog feest van tante Gerrie en ome Henk. Die gaan trouwen. Tante Gerrie heeft al een kind, Gertje. Ze is heel kort getrouwd geweest met Gètje Frentz. Die heeft als bijnaam ‘de strontvlieg’, al weet ik niet waarom. Wij gebruiken die ook niet, maar bij oma Kors in huis wordt hij zo genoemd. Opa en opoe waren tegen dat huwelijk, maar tante Gerrie zette toch door. Hoe dat precies gegaan is, weten wij niet.

Maar nu heeft ze ome Henk. Zijn moeder leeft niet meer, zijn vader wel. Die heeft spierwit haar en een bril met een zwart montuur. Hij heeft ook een paar broers en een zus. De stoet vertrekt bij de bungalow van opoe en opa Loenen. Daar woont tante Gerrie trouwens niet. Misschien woont ze in bij de veearts bij wie ze werkt. Eigenlijk weet ik het niet goed.

We gaan met koetsen naar het gemeentehuis. Voordat we instappen gaan we op de foto. Ik met opa en opoe. Opa heeft een hoge hoed op, oma een klein hoedje. Er is afgesproken dat ik bij ze in de koets zit. Het is altijd fijn om bij opa en opoe te zijn, maar nu had ik liever in een andere koets gezeten. Deze is namelijk dicht, terwijl de andere koetsen allemaal open zijn, zodat je alle kanten op kunt kijken.

Op de trap van het gemeentehuis gaan we nog een keer op de foto: mijn vader en moeder, Lientje, ik en mijn nicht Johanna. We zijn ongeveer even oud en ik kan goed met haar opschieten. Waarom ze bij ons komt staan en niet bij haar ouders, weet ik niet. Lientje heeft onderweg in haar broek geplast. Dat kan gebeuren, ook als je al lang zindelijk bent. Er kan onderweg natuurlijk niet gestopt worden voor een plaspauze.

Het is mij ook wel eens overkomen. Ik ben nog klein, drie jaar oud, maar natuurlijk al lang zindelijk. Johanna komt bij ons logeren, zomaar ineens. Het is vrij koud, februari, maar op mijn bed liggen veel dekens. Johanna en ik kruipen dicht tegen elkaar en zo vallen we in slaap. De volgende ochtend blijkt dat ik in bed heb geplast: de pyjamabroek van Johanna is helemaal nat. Ik schaam me, maar mijn moeder vindt het niet erg en Johanna moet erom lachen.

De volgende dag horen we dat Johanna een broertje heeft, Wim (Willem Andries).

‘s Avonds op de bruiloft van tante Gerrie en ome Henk is er feest. Met een band! Dat heb ik nog nooit meegemaakt en ik vind het prachtig. Tante Gerrie is in het lichtblauw met wit en ze heeft een stola om haar schouders. Als ze in de zaal langs de tafeltjes loopt, om haar jurk te laten bekijken, zingt de zanger van de band: ‘O, wat ben je mooi!’ Heel vaak achter elkaar. De volgende dag zing ik alle liedjes die ik mij nog herinner.

Een band hoor je eigenlijk nooit. Er is wel eens muziek op de radio, maar mijn ouders luisteren vooral naar het nieuws, het weerbericht, de waterstanden en de marktberichten. Toch kent mijn moeder heel veel liedjes en die zingt ze vaak: Hou je echt nog van mij, Rocking Billy, Louise, zit niet op je nagels te bijten, Nee, niet zoenen op het zebrapad, Mijn achterband is wel wat zacht, maar het geeft niet, lieve pop. Op den duur ken ik die liedjes ook.

Soms horen we ineens muziek in de straat: een geluidswagen. Meestal is het een Volkswagen kever, met speakers op het dak. Die rijdt door de straat met muziek. Af en toe wordt de muziek uitgezet en dan zegt iemand wat er gaat gebeuren, bijvoorbeeld bazar in het CVC-gebouw. Daar gymmen wij met school.

We gaan wel eens kijken bij de bazar. Je kunt een gulden betalen en je naam schrijven in een vakje van een kaart. Als de kaart vol is, wordt er een naam uitgepikt en die krijgt dan een taart.

Het mooist is het lichtspel: er staat op het podium een groot bord met allerlei namen van bedrijven. Je kunt bij elke ronde kaartjes kopen en op elk kaartje staat de naam van zo’n bedrijf. Het is altijd leuk als je een bedrijf hebt dat je kent. Daarna flitsen er lampjes achter het scherm. Het gaat heel snel heen en weer. Ik probeer het licht met mijn ogen te volgen, maar het is me net te snel af. Dan blijft het licht stilstaan. ‘Garage Latta!’ roept de man met de microfoon. Als die naam op je kaartje staat, loop je naar voren en krijg je je prijs.

Bij een ander kraampje zijn er enveloppen aan een draad geregen. Je betaalt een gulden en trekt een envelop van de lijn. Binnen in zit een briefje met een getal. Bij sommige getallen hoort een prijs. Een enkele keer winnen we iets. Maar het is alleen al leuk om rond te kijken.

Opa en Opoe Loenen 40 jaar getrouwd

Opa en Opoe Dojewèrd met kinderen

'Soms wordt de tafel naar buiten gesjouwd'
Opa Loenen helemaal links, opoe tussen mijn moeder en tante Met in. 
Ik zit tussen tante Gerrie en mijn nicht Johanna in. Mijn hoofd gaat schuil achter mijn tante.

donderdag 13 augustus 2026

'Nu hou ik het niet meer!'

In het dagboek dat ik schreef in de tweede helft van 2023, voor mijn kleinzoon, maak ik een rondgang door wat wij later 'het oude huis' zouden noemen, het huis aan de Merkenhorstraat in Herveld, waar ik geboren ben en bijna tien jaar gewoond heb. Toen verhuisden we naar de Schoolstraat, over ons oude huis kwam de A50. 

Niet alles wat ik indertijd schreef, lijkt me nu nog interessant. Ik neem je mee naar de zolder en wat daar bijvoorbeeld gebeurd is. Het gekke is, dat ik aan een bepaalde gebeurtenis (bijna aan het eind), nog maar weinig herinneringen heb, terwijl die indertijd toch indruk gemaakt moet hebben. 

Ik verwijs in het fragment een keer naar 'de man die naar de ruiters roept'. Schuin tegenover ons huis stond de boerderij de Merkenhorst. Later zou daarachter een manege gebouwd worden. Toen ik nog klein was, lag er wel zand achter het huis en werden er ruiters getraind in dressuur. We hoorden dan aanwijzingen als 'Bij M hand veranderen!'

Het gedeelte hieronder schreef ik op 3 juli 2023. Ik zeg het er toch maar weer bij: het houdt zomaar op. Ik heb gewoon een stukje uit het dagboek geknipt en daardoor is het geen afgerond geheel. Het begint ook vrij plotseling. In de rondgang door het huis beschrijf ik de trap naar de zolder, die afgesloten is door een luik. Met dat luik begint het stukje. 

Hieronder een foto van het huis waarover het gaat. Je ziet in het midden het kleine zolderraam waarvoor wij op onze knieën zaten om naar de pony's te kijken. Het raampje van de achterzolder is op deze foto niet te zien, het bevond zich in de muur aan de linkerkant. Het schuurtje eronder is ook te zien, als je goed kijkt. Het staat tegen het huis aan. Op de voorgrond links staat het kippenhok. 

In de deuropening sta ik, maar daar schreef ik al eerder over. En verder, mocht je het gemist hebben: tien jaar geleden schreef ik een serie bijdragen over mensen die aan de deur kwamen. 



Als ik nog heel klein ben, kan ik dat luik niet zelf openen om naar beneden te gaan. Ik kan wel op mijn hurken gaan zitten en een kiertje maken. Als ik niet wil gaan slapen, roep ik: ‘Mama, ik moet bij jou!’ Mijn moeder heeft me al verschillende keren op bed gelegd en elke keer kom ik er weer uit. Mijn vader is dat zat.

Ik heb het luik weer op een kiertje getild en herhaal weer dat ik bij mijn moeder wil. Dan zie ik dat mijn vader de trap op komt stuiven. Ik laat het luik los, maar pa heeft zo’n vaart dat hij het nog op zijn hoofd krijgt. Daar trekt hij zich niets van aan. Hij grijpt me en ik krijg een pak op mijn broek. Mijn vader heeft grote handen en hij kan hard slaan.

Ik moet hard huilen en mijn moeder wil daarom naar mij toe. Ze denkt dat ik zo hard huil dat mijn bloed karnemelk kan worden. Hoe ze daarbij komt, weet ik niet. ‘Er is nog nooit een kind van janken doodgegaan,’ zegt mijn vader en ik overleef het inderdaad. Daarna is het wel afgelopen met het gezeur.

Niet veel later leer ik hoe ik naar beneden kan komen: het luik iets verder optillen, mijn benen eronder schuiven en zo onder het luik door naar beneden. Ik weet nog hoe triomfantelijk ik dat beneden kom vertellen. Al moet ik eigenlijk op bed blijven, mijn ouders reageren er vrolijk op. Misschien laat ik op die manier zien hoe groot ik al ben.

Wij, de kinderen, slapen, een paar jaar later, met zijn drieën op de zolder. Ik heb een mintgroen, houten ledikant, met een hoog kopeinde en een hoog voeteneinde. Op de hoeken zitten houten ballen, maar ik weet niet of het aantal compleet is. Aan de muur heb ik een poster gehangen: met de Nederlandse deelnemers aan de Olympische Spelen van 1968. Ada Kok gaat zwemmen voor Nederland, René Pijnen wielrennen.

Als je van beneden komt en het luik opent, staat recht voor je een ijzeren ledikantje. Daarin slaapt Carolien. Als je je een kwartslag naar links draait, kijk je naar de voorgevel. In de rechterhoek staat mijn bed, in de linkerhoek een divan. Later zal daar het bed van Carolien staan. Tussen de twee bedden in het bed van Marinus. Die krijgt op een gegeven moment een nieuw bed. Daar kruipen we dus met zijn drieën in.

Recht voor ons is de muur van de voorgevel, met een laag raam. Wij gaan soms op onze knieën zitten om er doorheen te kunnen kijken. Door dat open raam horen we dus de man die naar de ruiters roept. We kunnen de pony’s ook zien, al is het nog best een eind weg.

Achter het trapgat, vlak bij het schuine dak, zit een plank in de vloer los. Die zit aan een touwtje, geloof ik. Als je die plank omhoog haalt, kun je in de keuken kijken, op de kachel. Waarschijnlijk hing men daar vroeger het spek aan.

Tussen dat gat en de divan staat een ladenkast. In de onderste la zitten leesboeken, die van mijn ouders zijn. Mijn vader had als kind veel boeken, maar die zijn in de oorlog verloren gegaan. De boeken over Simon Gieke en Keteltje zijn van mijn moeder, mijn vader heeft een boek over een bakkersknecht, over het kleine boerenknechtje en over Goof Bonk. Er zijn nog meer boeken. Sommige zijn gekaft met bruin papier.

Boven de divan is er een dakraam. Het dak is vrij dik, het is immers van riet, en daarom is er onder het dakraam een stuk board. Als dat net geschilderd is, schrijft mijn oma (van moederskant) met haar haarspeld erin ‘Opoe sliep hier’. Het is de bedoeling dat het nauwelijks te zien is, maar als de verf opdroogt, ziet het eruit alsof de tekst er met potlood op geschreven is. De zin zal er altijd blijven staan.

Weer terug naar het trapgat. Tussen mijn ledikant en het bedje van Carolien is er een opstapje, een trap van een enkele trede. Via dat opstapje ga je naar de achterzolder. Hier heeft mijn moeder waslijnen hangen. Als het slecht weer is, droogt ze daar de was. Anders gaat die buiten aan de waslijn. Er staan ook oude biscuitblikken, die moeilijk open gaan. Daarin worden de gedroogde appeltjes bewaard. Daar snoepen wij wel eens van.

Nog niet zo lang geleden zag ik de blikken in een museum in Ommeren. Ik heb ze meteen gefotografeerd. Ik denk dat ze uit de oorlog stammen. De Engelsen zullen ze wel bij zich gehad hebben. Er zijn meer restanten uit de oorlog, al realiseer ik mij dat als kind nog niet. Mijn vader heeft een groene jerrycan, die van militairen geweest moet zijn. En er zijn mensen die een asbak hebben die van een granaat gemaakt is.

Dat hebben wij niet. Als we verhuizen naar de Schoolstraat, vinden we wel een granaatscherf in de deur van de trap naar de zolder. Het huis heeft in de oorlog een voltreffer gehad.

De achterzolder is vrij donker. Aan het eind ervan zit een klein raampje. Later spelen we een keer verstoppertje en ik heb me heel goed verstopt. Ik heb me uit dat raampje laten zakken en hang aan de vensterbank. Daaronder staat een schuurtje met een rieten dak. Daar zitten wel eens varkens in. Voor die varkens is een weitje gemaakt: ze kunnen vanuit het schuurtje naar buiten lopen, waar ze de grond omwroeten. Misschien kan ik net staan op de plek waar dat schuine dak tegen de muur aan komt. Ik weet het niet zeker meer.

In ieder geval word ik niet gevonden. Ik roep en Lientje en Marinus komen kijken. Het lukt me niet om in mijn eentje weer omhoog te komen, dus ik moet geholpen worden. Dat gaat vrij goed. Ik ben bijna zo ver dat ik me weer naar binnen kan werken. Maar Marinus, die nog klein is, zegt: ‘Nu hou ik het niet meer, hoor!’ Hij laat me los en daar ga ik. Hoe gaat het verder? Val ik door het dak van het schuurtje? Rol ik van het schuine dak af? Hoe reageren mijn ouders? Vertellen wij het meteen? Dat weet ik allemaal niet meer.

Weer terug naar de achterzolder. Als je met je rug naar het raampje gaat staan, kijk je dus naar de zolder. Daarboven is de vliering. Daar mogen wij eigenlijk niet komen, maar we doen het wel. Op de vliering kun je niet overal lopen. Het plafond van de zolder bestaat uit zachtboard, dat met groene latjes tegen de balken is gespijkerd. Op die balken kun je lopen. Als je ernaast stapt, ga je door het board heen. Dat zal ons nooit overkomen.

Op de vliering is het nog donkerder dan op de achterzolder. Geen idee wat er ligt. Ik denk dat er wel een stoel op de achterzolder staat en dat we via die stoel omhoog klimmen, maar ook dat weet ik niet meer precies.

donderdag 30 juli 2026

De vleespotten van Herveld

Dit gedeelte uit een dagboek schreef ik op 29 september 2023. Daarvoor had ik geschreven over wat we op brood aten en daarbij had ik niet genoemd dat we ook wel eens spek op brood aten. Daarmee begin ik dus. 

Daarna kom ik op het vlees dat we eten, op het slachten en eten van kip en ten slotte, nog eventjes, op het eten van vis. 

Dat we na het slachten op brood ook nier, lever en hart aten, heb ik waarschijnlijk elders al beschreven. 

Bij dit onderwerp heb ik zo gauw geen goede foto paraat en daarom plaats ik maar een foto van ons gezin. Die is genomen in 1966, het jaar dat ik zeven jaar oud werd, mijn zus vijf en mijn broer twee. Mijn vader werd dat jaar zesendertig, mijn moeder dertig (maar die was op deze foto nog negenentwintig). De foto werd genomen toen opa en opoe Loenen vierden dat ze veertig jaar getrouwd waren. Het stukje daarover zal ik nog plaatsen. 



Soms kookt mijn moeder een stuk ‘vet spek’. Daar snijdt ze plakjes van en dat doen we op brood, met mosterd erop. Het is heerlijk. Ik snap niet dat er mensen zijn die niet van spek houden.

Gerookt spek kan ook gekookt worden, net als rookworst. Ook dat is heerlijk op brood. Op zolder, in de spekkast, hangt een gerookte ham, met een laken eromheen, tegen de vliegen, al zouden die eigenlijk niet in de spekkast moeten kunnen komen. Bij het oude huis hadden we niet zo’n kast, aan de Schoolstraat hebben we die wel.

Het gerookte spek moet dun gesneden worden en dat is best lastig. Het is vrij zout, en een beetje hard. Maar ook lekker.

En er zijn altijd rookworsten. Als er geslacht is, brengt mijn vader een veilingkist vol worsten naar Arns, de roker. Onder in de veilingkist liggen kranten, zodat de worsten schoon blijven.

Als de worsten (en de ham) gerookt zijn, komt de kist weer vol terug. Mijn moeder hangt de worsten op de zolder, wat een heerlijke geur geeft. Het zijn heel wat grote rookworsten, niet allemaal even groot. Als ze lang hangen, slaan ze soms een beetje wit uit, maar dat geeft niet.

Er zijn drie kleine worstjes, voor Lientje, Marinus en mij. Die van mij is iets groter dan de andere twee. Ik ben ouder en kan dus meer eten.

Er is ook ‘verse worst’. Die is niet gerookt, maar die is meteen in de diepvries gedaan. Die kun je bakken of koken en dan eet je die worst bij bijvoorbeeld een stamppot. Worst is altijd lekker. Lekkerder dan krabbetjes, die voornamelijk uit bot bestaan, met een beetje vlees eromheen. We eten ze bij de hutspot.

Het lekkerst is gebakken spek. Mijn moeder snijdt het in plakjes en bakt ze heel lang. Als ze ze uit de koekenpan haalt, druipt het vet ervan af. Ook dat vet is lekker. De plakjes spek zijn zo lang gebakken dat de zwoerdjes knapperig geworden zijn. Ze knoepen als je erop bijt. Speklappen zijn soms ook knapperig, maar soms ook niet. Ik heb ze het liefst knapperig.

En dan zijn er natuurlijk nog karbonades. Die kun je kluiven. Mijn ome Henk, het Hommeltje, heeft wel eens verteld dat hij ergens moest eten, blijkbaar bij een deftig iemand. Ze kregen een karbonade en mijn oom nam die ‘op de vuist, zoals hij dat noemt.

De anderen zaten te worstelen met vork en mes. Alleen deftige mensen eten met vork en mes. Wij snijden het vlees met het mes en dan eten we alleen met de vork.

Ome Henk nam de karbonade dus op de vuist, om te kluiven. Enkele andere gasten vonden dat blijkbaar lomp, maar het was een karbonade ‘met handvat’ en die moet je juist kluiven. Dus mijn oom was de enige die het op de juiste manier deed. Tenminste, dat zegt hij. Bij het Hommeltje weet je nooit wat je nu moet geloven en wat niet. Hij liegt dat het gedrukt staat, zegt mijn moeder wel eens. En hij gelooft zelf wat hij zegt.

Verder eten we geregeld gehakt. Mijn moeder kan dat heel lekker maken. Lekkerder dan bij sommige andere moeders. Als er een verjaardag is, bakt ze ook altijd kleine gehaktballetjes. Die kun je een tijd van tevoren maken en op de avond zelf hoeft ze ze alleen maar even op te warmen. Ze doet in elk balletje een cocktailprikker.

Op een van die verjaardagen heb ik zo’n prikker in mijn hand als er iemand naar huis gaat. Mijn moeder loopt mee, de deel over, om de vertrekker uit te zwaaien. De kinderen lopen met haar mee. Daarna rennen we weer naar binnen.

Voor mij rent Joekie. Ik haal hem in en steek mijn prikker in zijn bil. Ik ren snel door naar het voorhuis. Joekie blijft stilstaan. De prikker staat in zijn bil en dat doet hem behoorlijk wat pijn. Voor mij was het maar een grapje, maar dit is niet grappig meer. Ik krijg een uitbrander.

Draadjesvlees is ook lekker. Dat moet heel lang sudderen en dan heb je het lekkerste vlees dat je je kunt voorstellen.

Van tijd tot tijd eten we kip. Dan moet mijn vader een kip slachten. Toen we op de Merkenhorststraat woonden, hadden we een kippenhok. Op het hok liggen golfplaten van asbest. Die worden lekker warm als de zon er een tijdje op staat. Aan de voorkant is het hok veel hoger dan aan de achterkant. Daar kan ik wel op het dak klimmen, via de vlierstruik.

Ik loop over de golfplaten naar het hoogste gedeelte en ga daar liggen. Je kunt goed om je heen kijken van die hoogte. Ik geloof dat mijn vader liever niet heeft, dat ik dat doe, maar ik doe voorzichtig en maak de golfplaten niet kapot.

Als mijn vader een kip gevangen heeft, houdt hij hem vast bij de poten. Hij legt de kip met zijn kop op het hakblok. Met zijn vrije hand pakt hij de bijl. Dat is een grote bijl, die je eigenlijk alleen met twee handen kunt hanteren. Mijn vader noemt het een ‘aks’. Ik heb wel ooms die een klein bijltje hebben. Dat heeft mijn vader niet.

Met die ene hand kan hij moeiteloos de kop van de kip afhakken. Ik kijk naar de kop op het hakblok. De ogen van de kip zijn nu bijna helemaal dicht. Het lijkt wel of er een vliesje over het kippenoog gegaan is.

Mijn vader houdt de kip ver van zich af, want de kip fladdert nog even. Er komen kleine druppeltjes bloed op zijn broek, maar daar trekt hij zich niets van aan. Dan gaat hij de kip slachten.

Er zijn vaders die de kip plukken, dan blijft er een vel over de kip zitten. Dat lijkt me niet lekker. Ik griezel er een beetje van als dat op tafel komt. Mijn vader snijdt bij de buik van de kip het vel open en trekt de kip de jas uit. Hij moet de vleugels kort afsnijden en ook de poten moeten eraf.

Wij willen graag die poten hebben. Als je peutert, zie je een stuk of drie draadjes. Pezen heten die. Als je de goede te pakken hebt en je trekt eraan, krommen de tenen van de kip zich. Soms staan er kinderen bij die dat eng vinden. Die loop ik achterna met mijn kippenpoot. Dat vind ik grappig.

De kale kip wordt opengesneden, van beneden naar boven. ‘Mag ik het hartje?’ vraag ik meteen. ‘En ik de lever?’ zegt Marinus. ‘En ik dan?’ vraagt Lientje. ‘Jij mag de niertjes,’ zeg ik en dan is ze tevreden. Maar een kip heeft geen niertjes. De kip moet eerst nog gebraden worden en dan weten we toch niet meer wat we gevraagd hebben.

De longen en de darmen en zo gaan bij het afval. Mijn vader snijdt de maag open. Het velletje aan de binnenkant van de maag trekt hij eraf. De maag is mooi blauw van binnen, lichtblauw. Mijn vader krijgt altijd de maag, zoals mijn moeder altijd het nekje krijgt. Die lijken me allebei niet zo lekker.

Van oude kippen wordt soep gemaakt. Jonge haantjes worden gebraden. Als kind krijgen wij meestal een vleugeltje. Als we groter zijn, mogen we een poot.

Bij opa en opoe Dojewèrd krijg ik ook een keer kip. Die is nogal droog. Het vlees wordt een bal in mijn mond. Ik blijf erop kauwen, maar de bal lijkt niet kleiner te worden. Ik zou hem het liefst uit mijn mond halen, maar dat durf ik niet. Het duurt heel lang, maar dan heb ik hem toch op.

Soms eten we vis. Vaak op mijn verjaardag. Dan zijn er net nieuwe aardappels. Die eten we dan, met peultjes bijvoorbeeld. Mijn moeder heeft dan kabeljauw gekookt en boterjus gemaakt. Daar doen we mosterd doorheen. Het is heerlijk. Ik heb geluk dat ik in juni jarig ben.

We eten ook wel gebakken vis, maar niet bij het warme eten. Wel ‘s avonds, op brood.

Enkele eerder geplaatste dagboekfragmenten:

donderdag 23 juli 2026

Luiewijvenbrood

Weer een passage, geknipt uit een dagboek, misschien nog wel met een kop, maar zonder staart. Ik begin te schrijven over wat ik vroeger at, maar, maar ga al gauw over naar de broodmaaltijd. Die aten wij in de ochtend, het ontbijt dus, en aan het eind van de middag. Warm aten we 'tussen de middag'. 

Een paar weken geleden schreef ik al over de toetjes van toen. Nu dus over de broodmaaltijd. Lang geleden vertelde ik hier over de bakker die langs de deur kwam. Het dagboekgedeelte hieronder schreef ik drie jaar geleden, op 17 augustus 2023. 

Marinus, neefje Herman, Teunis, Lientje. Brood eten bij opa en opoe Dojewèrd op de bank

Als baby krijg ik borstvoeding. Elke keer als ik huil, denkt mijn moeder dat ik honger heb en dan geeft ze me weer de borst. Ik groei daardoor als kool. Mijn nicht Johanna is een maand jonger dan ik, maar op sommige foto’s lijk ik anderhalf keer zo zwaar als zij.
Teunis en Johanna


Ik heb een emaillen bordje met twee konijnen met een wortel erop. Er hoort een bestekje bij dat ik de rest van mijn leven zal bewaren, evenals de metalen beker met een konijntje erop. In het bordje maakt mijn moeder later Brinta klaar. Er is ook Bambix te koop, dat iets fijner is dan Brinta, maar dat krijg ik niet.

Verder is er Liga. Mijn moeder verkruimelt die soms en doet er melk bij en/of een beetje sinaasappelsap. Al gauw eet ik de warme maaltijd met de pot mee. Als ik mijn groente niet wil eten, doet mijn moeder er een schep suiker doorheen en dan eet ik het wel.

Het brood dat wij eten, wordt gebracht door de bakker. Mijn vader snijdt het op de plank die mijn opa (van moederskant) gemaakt heeft. Misschien heeft hij ook wel het houten handvat van de broodzaag gemaakt. Mijn vader snijdt dikke sneden brood, zodat we minder beleg nodig hebben. Als ik wat groter ben, komt er gesneden brood in de handel. Dat koopt mijn moeder niet. Ze noemt het 'luiewijvenbrood'.

Op brood hebben we altijd vleeswaren en kaas. Hagelslag is er ook altijd, net als stroop, basterdsuiker, jam, chocoladepasta (dat wij gewoon ‘pasta’ noemen), vruchtenhagel en soms appelstroop. In de tijd van de pruimen is er ‘slemp’ (gestoofde pruimen). Dat mogen we gerust dik op onze boterham smeren. Bij uitzondering mogen we speculaasjes op brood.

De jam maakt mijn moeder zelf: van bramen, bessen, frambozen, aardbeien, kruisbessen, pruimen of een combinatie. Ook wel eens van kersen, maar die jam wordt meestal niet goed dik, hoeveel Opekta mijn moeder er ook bij doet. Een enkele keer is er jam van vlierbessen, maar misschien is dat maar een eenmalig experiment.

De potjes gaan in de weckketel en die wordt op de grote gaspit gezet, waar mijn moeder ook de was op kookt. Het is een tref als alle potjes daarna dichtzitten.

Als er net geslacht is, is het feest. Van het varken kookt mijn moeder het hart, de lever, de nieren en de tong. We vinden het allemaal even lekker. Er is dan ook smout. Dat smeren we op brood in plaats van margarine en dan smeren we er stroop overheen of we strooien er suiker over.

Na de slacht bakt mijn moeder ook kaantjes. Heel vet, maar het is heerlijk. We smeren stroop op ons brood en daar komen de kaantjes op. Als we geluk hebben, bakt ma smoutappeltjes, dan zitten er ook nog zoete appeltjes door de kaantjes. De appels zijn soms een beetje stroperig.

Mijn moeder maakt ook hoofdkaas. Soms doet ze die in het zuur: zure zult. Maar zonder zuur vind ik de hoofdkaas ook lekker. Ook maakt mijn moeder leverworst. Eigenlijk is het leverpastei. Zowel de hoofdkaas als de leverworst zijn grijs. Later zal er roze leverworst op de markt komen. Daar zit kleurstof in.

En er wordt balkenbrij gekookt. Dat is zwaar werk. Mijn moeder moet de brij roeren, die in een grote pan zit en steeds taaier wordt. Ze breekt er wel eens een houten lepel mee. De balkenbrij is paars. Dat komt door het rommelkruid dat mijn moeder erin doet. Er zitten ook rozijnen in. Andere moeders hebben soms een ander recept. Ik vind de balkenbrij van mijn moeder het lekkerst.

Als de balkenbrij net gekookt is, kun je die warm eten. Mijn moeder schept een diep bord vol. Wij maken een kuiltje in het midden en daar doen we heel veel stroop in. De rest van de balkenbrij gaat in schalen. Daarin koelt de brij af en wordt stijf. Later kunnen er plakken van gesneden worden, die mijn moeder door de bloem wentelt en bakt in de koekenpan. Die plakken eten wij op brood: eerst stroop op je brood en daar de balkenbrij op. Ongebakken zijn de plakken overigens ook smakelijk, maar gebakken zijn ze lekkerder.

Na de slacht gaan de metworsten naar de rokerij. Als die terugkomen, worden ze op zolder gehangen, wat heerlijk ruikt. Die worsten worden ook geregeld in plakjes gesneden en op brood gedaan.

Roomboter hebben we alleen in het weekend. Door de week hebben we margarine op brood, gewoon uit pakjes. Later zal men zeggen dat dat bakmargarine is, maar iedereen smeert het gewoon op brood. Dat valt niet altijd mee, want de margarine is vaak behoorlijk hard.

Bona brengt margarine in een kuipje op de markt. Ik kan de radioreclame goed meezingen: ‘Rij maar mee in de arreslee door de sneeuw. Wij nemen Bona mee, wij nemen Bona mee.’ Mijn moeder vindt die boter te duur en er wordt verteld dat het gewoon margarine is met water erdoorheen.

In het weekend is er een krentenbrood. Daar mogen we roomboter op. Daarover strooien we altijd suiker. Maar soms mag roomboter ook op een snee wittebrood. Dat is ook heerlijk met suiker of met hagelslag.

Wij eten altijd dubbele sneden brood, een witte op een bruine. Daarom eten we altijd een oneven aantal sneden, want dan kun je eindigen met een enkele. Beschuit is er ook. Die kun je apart eten, maar je kunt hem ook op een snee brood leggen. Altijd met zoet beleg. We mogen best zoet beleg eten, maar altijd eerst ‘hartig’ (vleeswaren of kaas).

Bij het beleg ontbreekt de pindakaas. Die hebben we nooit. Opoe Loenen heeft het wel. Houdt mijn moeder er niet van?

Mijn vader houdt van sinaasappeljam en van gemberjam. Dat krijgt hij van zijn zussen wel eens op zijn verjaardag en daar is hij altijd blij mee. Honing is er aanvankelijk ook. Later vindt mijn moeder de honing te duur worden en dan is er alleen in het weekend honing. Bij opoe Loenen zit de honing in een potje dat de vorm heeft van een bijenkorf, met enkele grote bijen op de buitenkant.



Opoe heeft ook Smac, blikworst. Een nieuw blikje moet je met een sleuteltje openmaken. Dat sleuteltje zit op de bovenkant of op de zijkant geplakt. In het sleuteltje zit een gleufje. Het lipje van het blikje moet door het gleufje en als het goed is, kun je dan zo het blikje opendraaien. Dat gaat nog wel eens verkeerd, als je het sleuteltje niet goed recht kunt houden.

Zo’n sleuteltje zit er ook bij de blikjes sardines, die wij ook wel eens op brood hebben, net als de haring in tomatensaus. Volgens mij maakt mijn moeder dat blik gewoon met de blikopener open. Dan zien we de haringen liggen, maar niet zo lang: mijn moeder prakt de tomatensaus door de haringen heen, zodat iedereen hetzelfde heeft.

Als de visboer geweest is, hebben we soms gebakken vis op brood. Er komt ook wel eens een oom een maaltje vis brengen. Soms smaakt die vis een beetje naar grond, maar dat vinden we niet zo erg. Mijn vader heeft een hekel aan graatjes. Die moet mijn moeder eerst voor hem verwijderen. Paling is het lekkerst, maar die is er niet zo vaak.

Bij de jam uit de winkel kun je boekjes van Flipje krijgen, maar we hebben meestal eigen jam. In de winkel halen we wel bijvoorbeeld abrikozenjam, want die maakt mijn moeder zelf niet.

Een paar boekjes van Flipje hebben we. Er is een verhaal bij waarin iemand natgespoten wordt en dat is favoriet bij mij. Ik vraag mijn moeder of ze nog een keer wil voorlezen van ‘Pies, nat is-tie’. Later zal ik meer van deze boekjes lenen van de kinderen van Methorst, de mulder, die er heel veel van hebben.

Bij de chocoladepasta kun je boekjes krijgen van Sjokkie. Net als bij Flipje zijn het verhalen die uit gedichtjes bestaan. Sommige zinnen ken ik na verloop van tijd uit mijn hoofd. Als Sjokkie pasta heeft geïntroduceerd heeft in het wilde westen is er een cowgirl die zegt: ‘Ik eet mai fingers erbai op!’ De pasta noemen we trouwens ook wel chocopasta of pastachoca.

donderdag 2 juli 2026

De schoolfotograaf

Weer een fragment uit een dagboek, deze keer van woensdag 2 augustus 2023. Het gaat alle kanten op: van de schoolfotograaf tot het zingen in de klas en van de politie op school tot de sportdag. Het is een beetje een rommeltje, maar blijkbaar vond ik dat niet erg en ik laat het nu ook maar zo. 

Ik plaats er een paar foto's bij die op school gemaakt zijn. De oudste van Lientje en mij is al in kleur, zie ik. Een paar jaar (?) later is er toch weer een foto in zwart-wit gemaakt. 

Er is ook een foto gemaakt van de eerste en tweede klas, samen met juffrouw De Graaf. Toen zat ik al in de tweede en een foto van alle leerlingen, toen ik in de vijfde klas zat. Misschien bestond de school toen 95 jaar. Zeker weet ik het niet meer. 



Soms komt de schoolfotograaf op school. Iedere twee jaar, schat ik. De fotograaf zet me samen met Lientje in de bank. Lientje draagt altijd vlechten en iemand maakt die vlechten los, zodat ze met los haar op de foto staat. Achter ons een schoolplaat. Ik moet een pen in mijn hand houden.

Ik draag een sweater. Dat spreken wij thuis uit als zwieter. Bij Joekie noemen ze het zwetter en dat vind ik maar raar. Het kan niet kloppen. Onder de sweater draag ik een blouse. Als de foto klaar is, krijg ik hem mee naar huis. Mijn moeder ziet meteen dat er een kraagpunt van het blouse over de sweater zit en eentje eronder. Ze neemt de foto toch.



 
Als ik in een hogere klas zit, komen er foto’s in kleur. Ze worden buiten gemaakt. Ik moet met Lientje op het muurtje zitten van een brugje. Blijkbaar ligt daar een duiker onder het pad door. Het is naast de school. Je kunt tussen de school en het meestershuis (waar Hent en Jo dan al wonen) door naar een boomgaard en daarin staat het huis van Dinie Toone (of Dinie Tonen). Eigenlijk weet ik niet hoe je haar naam schrijft. Er loopt een sloot achter de school langs en achter het huis van Hent en Jo door. Het pad van de straat naar de boomgaard met daarin het huis van Dinie en haar kinderen loopt gewoon door. Je merkt niet dat de sloot eronderdoor gaat. 

Maar goed, ik zit op dat muurtje, met een boek op mijn knieën. Ik ben netjes aangekleed: ik heb een stropdasje om.

Even over Dinie. Die woont alleen; ze is gescheiden. Dat komt weinig voor. Ze heeft drie kinderen: Wim, Gerrit en Jan. Wim is vrij dik en kan niet goed leren. Voor kinderen die niet goed kunnen leren, is er geen extra programma. Ze blijven gewoon zitten aan het eind van het jaar en doen het jaar erop alles nog een keer. Wim is zeker twee keer blijven zitten.

Ik gok dat hij van mijn leeftijd is, maar misschien is hij een jaar jonger. Hij heeft ook nog bij Lientje in de klas gezeten. Gerrit slist een beetje en hij kan goed voetballen. Jan is bevriend met mijn kleine broertje Marinus. Een goede, vriendelijke jongen.

Waar Dinie van leeft, weet ik eigenlijk niet. We zien haar soms lopen op het kerkpad, dat tussen ons huis in de Schoolstraat en dat van buurman Piet Frentz door loopt. Ze gaat dan naar haar vader. Is ze de dochter van de smid?

Dinie is best dik. Het verhaal gaat dat ze soms op twee stoelen zit, wat best kan, want ze is heel breed. Bij het kerstfeest in het CVC-gebouw is ze er ook. Voor haar zit een man die een harde wind laat. Hij draait zich om en zegt tegen haar: ‘Nou, Dinie, dat was vlak achter mij.’ Dinie krijgt een rood hoofd en iedereen denkt dat zij de scheet liet. Dat vertelt mijn ome Ab tenminste. 

Ik ken Dinie als een vrolijke, vriendelijke vrouw.   

Voor zover ik weet, wordt maar een enkele keer een foto van alle leerlingen samen genomen. Ik zit dan in klas vijf, als ik het goed heb. Als ik mijn best doe, ken ik jaren later nog de namen van bijna alle kinderen.

Ik ga graag naar school. Het komt bijna nooit voor dat ik ziek ben. Over het algemeen verzuimen leerlingen weinig. Maar als ik in een van de lagere klassen zit, voel ik mij misselijk. Het gaat duidelijk niet goed met me. Een meisje uit de hoogste klas moet me naar huis brengen. Het is Corrie Frentz, een oudere zus van mijn vriendje Dikkie Frentz. Voor mijn gevoel zijn de meisjes uit de zesde klas al bijna volwassen. Ik vind het dan ook een heel plechtig moment als Corrie met mij meefietst naar de Merkenhorststraat.

Het is winter, de kachel in de keuken is aan. Er staat een haardbankje bij. Eigenlijk zijn het vier vierkante klossen die met een plankje verbonden zijn. Het geheel vormt een U die om de kachel geschoven kan worden.

Blijkbaar is het niet druk, want mijn ouders hebben het ontbijt nog op tafel staan en mijn vader heeft een van zijn voeten op het haardbankje gezet. Ik weet niet zeker of het bankje zo heet, maar ik noem het maar even zo. Mijn ouders zijn verwonderd dat ik thuisgebracht word. Corrie wordt bedankt en waarschijnlijk word ik in bed gelegd. Dat zal wel het bed van mijn ouders zijn geweest. Ik voel me niet goed, maar ik vind het ook wel gezellig dat ik nu thuis ben. 

Zingen

Op school is muziek niet echt een vak, maar we zingen wel veel. Als we in een van de hogere klassen zitten, komt er een platenspeler in de klas. Wij noemen dat een pick-up, wat we trouwens uitspreken als piekup.

De liedjes zijn vrij modern en wij moeten meezingen met de plaat. Met Sinterklaas zijn het niet alleen de traditionele liedjes als 'Zie ginds komt de stoomboot' en 'Zie, de maan schijnt door de bomen', maar ook Piet op het dak:

Piet op het dak
Piet op het dak
Piet met de zak op het dak
En een storm, zeg, enorm!


Piet is maar een heel schriel ventje (‘Wie had gedacht dat hij zo weinig woog?’) en hij gaat met zak en al de lucht in.

Er is ook lied over een verdrietig jongetje:

Wat is er toch met Woutertje, met Wouter, aan de hand?
Hij is de laatste dagen toch zo stil.
Als anderen gaan spelen dan staat Wouter aan de kant.
En niemand weet wat Woutertje nu wil.


Het blijkt dat zijn konijn ziek is en dat hij zich daar zorgen over maakt. Maar aan het eind speelt hij weer gewoon mee, want ‘morgen komt de dokter bij ‘t konijn.’

En ook het lied over het paard van de waard in Bolsward:

Het paard van de waard in Bolsward,
in Bolsward, in Bolsward,
het paard van de waard in Bolsward,
dat heeft maar ene tand.

Daarom kan het beest niet eten,
niet eten, niet eten.
Daarom kan het beest niet eten,
niet eten met die tand.

Geef hem pap van haver
of gemalen klaver
of verrotte stokvis
als de honger erg is.


In de lagere klassen zingen we ook: 'De kop van de kat is jarig', 'Hoofd, schouders, knie en teen', 'Advocaatje ging op reis', 'Ik stond laatst voor een poppenkraam'. Ik hou erg van een lied waarbij we naast de bank mogen staan: En mijn één been staat en de ander moet marcheren. / En mijn één been staat en de ander is soldaat.

Zingen vind ik leuk. Mijn moeder zingt ook veel en ik zing ook. Soms zelfs als ik op mijn fiets zit. Anderen vinden dat af en toe raar, maar dat kan me weer niet zoveel schelen. Een van mijn vriendjes is Bert van Binsbergen. Hij zingt altijd hetzelfde lied, van 'bladie merrie'. Later leer ik dat het gaat om Bloody Mary. Ik zing wel eens met hem mee, want intussen ken ik het ook.

Als ik onder de koe zit, tijdens het melken, zing ik de hele tijd. Mijn vader zegt dat ik dan wel door moet blijven melken.

Sportdag

Eén keer per jaar is er een sportdag. Ik denk dat ik dan al wel in klas vier zit als dat begint. Zo’n beetje alle scholen uit de buurt zijn er dan. In ieder geval de Willibrordusschool, de katholieke school uit Herveld, de school uit Andelst en uit Zetten twee scholen: de Lammerts van Buerenschool en de Ds. Van Lingenschool.

Je moet allerlei onderdelen doen: gooien met de tennisbal en met de grote bal, verspringen, hoogspringen, 60 meter hardlopen. Je resultaten worden opgeschreven en aan het eind van de dag krijg je een diploma. Als je er weinig van terecht hebt gebracht, zit daar een A op geplakt, bij iets minder slecht krijg je een B, C is gemiddeld. Als je het goed doet, krijg je een D en misschien is er ook nog een E voor de heel goede. Ik weet niet of ik twee of drie keer een sportdag meemaak. Ik haal de ene keer een C (of haal ik die twee keer?) en een keer D. Verspringen gaat altijd beter dan gooien.

Politie op school

Gooien brengt me nog een keer in de problemen. Ik ga altijd met mijn vader mee koeien melken. Vaak zijn er meer kinderen op ‘de polder’, die eigenlijk geen polder is maar de uiterwaard. We zeggen ook wel de wèrd.

Vaak gaan we na het melken meteen naar huis. Maar soms gaat mijn vader bij een andere boer praten of komt die bij hem praten. Af en toe zit er een heel groepje te kletsen. Dat kan lang duren en dan moppert mama dat we laat thuis zijn. De kinderen hebben dan wel veel tijd om samen te spelen.

We zijn met een stel kinderen bij de dijk, onze vaders zitten beneden op de uiterwaard te kletsen. Op de dijk is een tijdje terug geteerd. Op de vloeibare teer is puntig grind gestrooid. In het begin ligt er dan nog veel los grind. Je hoort het als je er met de auto overheen rijdt. Nu is het meeste grind al in de teer gereden. Er ligt nog wel wat los langs de kant. Wij maken daarvan heuveltjes op de weg. Daarna duiken we de berm in. We liggen langs de dijk en wachten tot er een auto aankomt. Als die door de bergjes heen rijdt, maakt dat een rammelend geluid.

Ik stel voor om bij de volgende auto met een steentje te gooien. Mogelijk wordt zo’n steentje dan teruggekaatst door de band van de auto. De volgende auto is een sportwagen. Tenminste, zo noemen we het. Het is een laag model, zoals er dan wel meer zijn. Is het een Ford Capri of een Ford Mustang? Zoiets, misschien. De auto stopt en we maken dat wegkomen.

De volgende dag komt de politie op school en ik word uit het lokaal gehaald. Er wordt gevraagd of ik met steentjes op een auto heb gegooid. Ik ontken; het was volgens mij ook maar een enkel steentje. Maar de agent heeft al met meer leerlingen gepraat en Theo Lijbers heeft mijn naam genoemd.

Het blijkt dat ik de voorruit van de auto heb geraakt. Dat is niet best, want het kost mijn ouders een hoop geld en geld is soms een probleem.

Nou ja, we zitten wel altijd netjes in de kleren, al kopen we niet veel nieuw. Meestal krijgen we de kleren van mensen die kinderen hebben die net iets ouder zijn dan wij. En we eten altijd goed. 'Een boer verhongeren en een vis verzuipen - dat valt niet mee', zegt mijn vader altijd.

Sportdag en schaatsen

Terug naar de sportdag. Ik denk dat er ook wel wedstrijden zijn tussen schoolteams, in voetbal en slagbal. Op onze school zitten een paar heel goede voetballers: Sjaak Verwaayen, Karel Grimm en Hans Jansen, die heel snel is. En Elbert Moed en Reinier de Zeeuw kunnen het ook wel. Ik ben er niet zo goed in, al vind ik het wel leuk.

Als ik net in de eerste klas zit en mee mag doen op het plein, weet ik nog niets van voetbal af. Een van de leerlingen zegt dat ik ‘vliegende kiep’ ben, wat ik heel grappig vind. Wat ‘kiepen’ zijn weet ik wel, we hebben zelf een hok vol. Maar het blijkt dat ik keeper moet zijn. Er wordt mij uitgelegd wat die doet, want dat weet ik dan nog niet. Maar ik hoef niet in het doel te blijven, want ik ben vliegende keep en mag gewoon meevoetballen.

Soms, als er ijs ligt, gaan we met de hele school schaatsen. Er zijn leerlingen die dat geweldig kunnen. Die hebben dan ook ‘hoge noren’ en sommige meisjes hebben ‘kunstschaatsen’. Elbert Moed heeft nog weer andere schaatsen en dat blijken ijshockeyschaatsen te zijn.

Ik heb ‘houtjes’, houten schaatsen. Krijgertjes natuurlijk. Ze zijn nooit geslepen, maar dat is niet zo erg. Ik ben geen goede schaatser, maar uiteindelijk kan ik er redelijk mee uit de voeten. Ik ga dan ook wel eens met sommige jongens schaatsen. Meestal schaats ik op een slootje dicht bij huis. Een beetje krabbelen, meer kun je daar niet.

Als er weer een wedstrijd gehouden wordt, steeds met zijn tweeën tegen elkaar, kan ik aardig meekomen, denk ik. Bij de echte snelle jongens heb ik niets te zoeken, maar bij de krabbelaars heb ik een kans. Ik moet tegen Karel Grimm, die er ook niet zoveel van kan.

Toch wint Karel. Hij heeft zijn schaatsen heel los ondergebonden en tijdens de wedstrijd schuift hij ze naar de zijkant van zijn voeten, zodat hij gewoon kan lopen. Zo wint hij alsnog. Dat had hij slim bekeken. 




Schoolfoto van mijn moeder met haar broertjes Ab en Henk

donderdag 25 juni 2026

Eerst duidelijk dan snel

Weer een stukje uit een dagboek, met herinneringen aan de lagere school. Ik schreef dit voor mijn kleinzoon op dinsdag 1 augustus 2023. 

Het is weer van alles wat, zonder erg veel lijn: van het opzeggen van het versje tot het schrijfschriftje, van het schoolsparen en het zendingsgeld tot de leesboekjes en de geschiedenisplaten van de stempels bij aardrijkskunde tot de tekenlessen. 

Mogelijk herken je er iets van, afhankelijk van je leeftijd. En mogelijk is het allemaal nieuw voor je, omdat het al zo oud is. 


Op maandag wordt op school het ‘versje’ overhoord. Het versje is een psalm of een gezang dat je uit je hoofd moet leren. Onze school is een hervormde school. Er wordt gezongen uit de nieuwe berijming en gelezen uit de nieuwe vertaling, van 1951. Maar bij mij thuis lezen we de Statenvertaling en zingen we de oude berijming. Ik mag van school altijd een psalm in de oude berijming opzeggen.

Een voor een wordt iedereen voor het bord geroepen en dan zeg je het versje op. Dat doe je in een razend hoog tempo, om te laten merken hoe goed je het geleerd hebt. Je krijgt er ook een cijfer voor op het rapport. Het is niet een vak dat voorgedrukt vermeld staat; de meester of juf moet het er met hand bij schrijven. Ik heb meestal een 9 of een 10, maar misschien hebben de meeste kinderen dat wel. Je krijgt ook een cijfer voor ‘vlijt’, dat ook wel ‘ijver’ wordt genoemd. Later zal men dat ‘inzet’ noemen. En voor ‘gedrag’. Er is een rapport waarop ik maar een 6,5 voor ‘gedrag’ scoor en eigenlijk moet je wel een 7 halen en nog liever een 8. Waar ik die 6,5 aan te danken heb, weet ik niet. Mijn ouders doen er niet moeilijk over.

Mijn laagste cijfer is altijd voor ‘schrijven’, meestal een 6 of een 6-, soms een 5,5. Slechts een enkele keer scoor ik een 6,5. Schrijven gaat niet zo best met mijn linkerhand. Er zijn volwassenen die vertellen dat ik maar bof. In hun tijd werd je gedwongen om met rechts te schrijven en ik mag mijn pen met links vasthouden. Maar ik heb hetzelfde schrijfschriftje als de rechtshandigen, van Tazelaar en Mathijsse, met een blauw/geel kaft. Eerst duidelijk, dan snel heet de methode.

We schrijven in de laagste klassen met pen en inkt. Een linkshandige moet goed oppassen dat hij niet met zijn hand over de natte inkt gaat. Dat valt niet mee. Als je een draadje aan de punt van je pen hebt, gaat het schrijven ook niet goed. Gelukkig heb ik een inktlap, waarmee ik mijn pen kan afvegen. Ik heb een hele mooie, van schuimrubber, in de vorm van een hondje. De meeste leerlingen hebben er een met een stel velletjes van spul dat een beetje op de zemelap van mijn moeder lijkt.

Als ik even niet kijk, heeft mijn buurman mijn inktlap te pakken. Op dat moment is dat Gerard (Joekie). Hij trekt de inktlap in stukjes en propt die in de inktpot, wat een enorme zooi geeft. Hoe het verder gaat, weet ik niet.

Als je inktpot bijna leeg is, kun je het tegen de juf zeggen. Die haalt dan uit de kast een heel grote fles inkt. Minstens twee liter, schat ik. Er zit een tuitje aan, zodat je makkelijk kunt schenken.

Mijn moeder maakt zelf een nieuwe inktlap voor me. Ze knipt met de kartelschaar allemaal rondjes uit, zo groot als een beschuit. Het zijn er heel veel. Die naait ze in het midden aan elkaar. Bovenop komt een grote, roze knoop. Het bovenste lapje stof is donkergroen, met een ribbeltje. Het zijn zoveel velletjes, dat ik er heel lang mee kan doen. Altijd is er wel een schoon plekje op te vinden.

Als je een stukje geschreven hebt, leg je je vloeipapier erop. Dat is van lichtgroen, nogal vezelig papier. Als je een druppel inkt op je schrift hebt laten vallen, moet je dat velletje er niet zomaar op drukken, want dan wordt het een grote vlek. Met een hoek van het vloeipapier kun je eerst wat inkt opzuigen.

In de laagste klassen leer je lezen, schrijven, rekenen en taal. Daarnaast natuurlijk tekenen en gym. En godsdienst, maar dat heet ‘Bijbelse geschiedenis’. Daar begint elke dag mee en met zingen. De meeste vakken gaan me redelijk af, al vind ik taal leuker dan rekenen.

Bijbelse geschiedenis is altijd mooi, want de juf kan goed vertellen. Een enkele keer zet ze het viltbord voor de klas. Daar blijven plaatjes aan plakken. Voor sommige bijbelverhalen heeft ze een set plaatjes. Dat vind ik altijd prachtig.

Op maandag nemen we geld mee naar school voor de zending en voor het schoolsparen. Ik zit al niet meer in de eerste klas als er voor de zending ineens een bruin plastic kerkje is, met een gleuf in het dak. Als je daar geld in gooit, tingelt hij een beetje. In de hoogste klas mag je ook iets uitzoeken als beloning voor al het geld dat je voor de zending geeft. Ik kies twee keer een langwerpig boekje, een stripboek: een reeks plaatjes met daaronder tekst. De tekeningen zijn in zwart/wit, maar enkele ervan kleur ik in. Ik zal de boeken later kwijtraken. Verder kies ik een keer een leesboek:
Kameroen in 59 dagen
, over een man uit Afrika die in een paar maanden door heel Kameroen fietst. 

Voor het sparen krijg je zegels die je op een spaarkaart moet plakken. Donkerrode zegels met een eekhoorn erop. Als de kaart vol is, ga je met je spaarbankboekje naar het postkantoor. Daar wordt het bedrag dat je gespaard hebt bijgeschreven op je boekje. Je kunt ook geld storten op het boekje door een contant bedrag mee te nemen naar het postkantoor, bijvoorbeeld als je geld voor je verjaardag hebt gekregen. En jaarlijks kun je rente bij laten schrijven.

Lezen doen we uit de boekjes van Jaap en Gerdientje. Het zijn al oude boekjes en ze zijn misschien zelfs al verouderd, maar ik herken er veel van. De verhalen spelen zich af op het platteland. Er zijn daar ook kinderen die op klompen lopen. Zelf loop ik helemaal niet zo vaak op klompen, meer op laarzen, maar goed. Ik hou erg van de tekeningen van Tjeerd Bottema.

We lezen klassikaal, om de beurt een stukje. Maar sommige kinderen lezen erg traag en dan ga je vanzelf vooruitlezen. Het gevolg is wel dat je dan soms niet weet waar ze zijn als je ineens de beurt krijgt.


Jaap en Gerdientje
Er is ook een klassenbibliotheekje van een paar plankjes met boeken. Als je klaar bent met je werk, mag je soms gaan lezen in je bibliotheekboek. Alle boeken zijn gekaft met bruin papier met een streepje. Als ik in klas vijf zit, zijn er ineens nieuwe boeken, zonder kaftpapier, met een kleurrijke voorkant. Ik word daar helemaal gelukkig van.

Zoveel kleur is er gewoonlijk niet. In de boeken van taal en rekenen staan geen plaatjes, alleen maar oefeningen. Alle schriften zijn donkergroen. Maar er zit wel een etiket voorop, waarop de juf of de meester heel netjes je naam schrijft. Het etiket is een plaatje met daaronder ruimte voor je naam. Een van de etiketten is er eentje met een boot. Meestal mag je zelf niet kiezen.

Als ik in klas 2 zit, verlang ik erg naar klas 3. Dan krijg je vaderlandse geschiedenis. De methode heet Toen… en nu. De tekst is van W.G. van de Hulst. Er staan mooie tekeningen in het boek (van J.H. Isings) en soms pakt de meester er een schoolplaat bij. Enkele van die schoolplaten hangen aan de muur. Over de walvisvaart, met een ijsbeer erbij die een mens aanvalt. Over de Noormannen, over Maarten Luther. En natuurplaten over sloot en plas of over het weiland. Allemaal prachtig. Ik zal mijn hele leven lang van schoolplaten houden.

Die natuurplaten zijn voor het vak dat ‘kennis der natuur’ heet. Later zal dat biologie genoemd worden. Er is een meester die wil dat wij een herbarium aanleggen. Daarvoor moeten planten gedroogd worden. Je legt ze in een dik boek en dan plet je ze. Het vocht wordt opgenomen door de bladzijden. Ik heb er niet zo’n zin in en verzamel maar vijf planten, waaronder de boterbloem, het herderstasje en het klein kruiskruid. Van die laatste weet ik de naam niet. Iemand moet me daarbij helpen.

Al die plantjes gaan in een plakboek, op elke bladzijde eentje. Je moet ze met heel dunne stukjes plakband vastmaken. Onder aan de bladzijde moet je opschrijven waar je ze gevonden hebt.

Er zijn leerlingen die er hele boekwerken van hebben gemaakt. Ik heb maar vijf plantjes, maar ik heb ze wel goed gedroogd en heel netjes vastgeplakt. Toch een voldoende.

In klas drie krijgen we ook aardrijkskunde. Dan hangt de meester een landkaart voor het bord en wijst de plaatsen aan. Er is een kaart met de namen erbij en er is een ‘blinde’ kaart. Het zijn hele rijtjes plaatsnamen, rivieren en meren die we moeten leren.

In de derde klas leren we alleen over Nederland, alle elf provincies. Als er een nieuwe provincie aan de beurt is, komt de meester langs om een paginagrote stempel in je schrift te zetten. De stempels zitten elk in een doos, blauw met heel licht grijs. Ze zijn gebogen, zodat de meester ze gemakkelijk op het stempelkussen kan drukken. Daarna krijg je de stempel in je schrift. Je moet wel even wachten tot het droog is. Daarna kun je de nummers bij de plaatsen schrijven en de letters bij de rivieren. De namen overschrijven en leren maar!

Later zal men dat topografie of topo noemen. Dat woord kennen wij dan nog niet.

We krijgen niet alleen een stempel bij aardrijkskunde. Als je taal of rekenen (of een ander vak) heel goed hebt gedaan, krijg je ook een stempel. Je krijgt altijd twee cijfers: voor het vak en voor schrijven. In mijn geval is dat dan weer jammer. De juf schrijft dan bijvoorbeeld T9 S5. Dan heb je taal wel goed gedaan, maar het schrijven was dan toch onvoldoende.

Later komen er piepkleine stickertjes, die we plaatjes noemen. Eerst naast de stempels. Is drie stempels een plaatje? Later zijn de stempels er niet meer en hebben de plaatjes het overgenomen.

Er is ook een vak tekenen, maar daar leer je niet zoveel. Soms moet je een opstel schrijven. Meestal is de opdracht om het bijbelverhaal na te vertellen. Daarbij maak je ook een tekening.

In de hoogste klassen moeten we een voorbeeld natekenen. Als ik in de vijfde zit, is er een jongen in de zesde die daar altijd negens voor haalt: Kees Frentz. Ik blijf meestal op de zeven steken, maar ik heb er best plezier in. Een deel van de tekenles op vrijdagmiddag mis ik, doordat ik dan net de grote houten prullenbakken aan het ophalen ben.

De voorbeelden zijn er in allerlei stijlen. Ik kies de leeuw met de rotsblokken. Dat is nog best lastig. En na het tekenen moet je ook nog inkleuren. Als de punt van je kleurpotlood stomp geworden is, mag je je potlood slijpen met het slijpmachientje dat op het bureau van de meester vastgeklemd is. Je ruikt dan het hout.

Er is ook een tekenvoorbeeld van een man met een hoge hoed en een bril die hij aan een stokje vasthoudt. Een ouderwetse tekening van een deftige man. Hij heeft een blauwe jas aan, een gele broek en hij draagt laarzen.

Bij een bepaalde gelegenheid maken enkele kinderen deze tekening in het groot. We hebben geen heel grote tekenvellen, maar ze plakken een heel stel vellen aan elkaar. Het wordt een prachtige, grote tekening. Ze mogen hem inkleuren met verf. De plaat wordt overhandigd aan de burgemeester, op de stoep van het gemeentehuis. Clasina houdt de tekening vast, samen met Ina Hofman. Er komt een foto van in de krant.

Een van de mooiste dingen op school is iets waarvan ik niet weet hoe het heet. Nog vroeger noemden ze het een toverlantaarn, maar dat is het eigenlijk niet, geloof ik. Achter in het lokaal staat een soort projector in de kast. Een doodenkele keer haalt de meester die eruit en zet die op een tafeltje. Hij hangt een landkaart achterstevoren voor het bord en daar kan de projector op schijnen.

Dan moet er nog een filmstrook in het apparaat. De filmpjes zitten in plastic kokertjes met een deksel erop. Die zien eruit als de doosjes waarin fotorolletjes zitten. De meester zet het rolletje op de pin naast het apparaat, leidt het filmpje voor de lamp langs en draait het op het spoeltje dat op de pin aan de andere kant van het apparaat zit. Dan kan de voorstelling beginnen.

Nou ja, voorstelling - de meester vertelt een verhaal en schuift het filmpje steeds een plaatje verder. Ik vind het prachtig. Het is geen film, maar het is wel in kleur. Televisie is dan nog in zwart/wit, dus dit is wel iets heel bijzonders. Maar het gebeurt bijna nooit. Dat is wel jammer.