maandag 7 september 2026

Ik moest vanmorgen denken 2, Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen (Jacques Klöters)

Geregeld schrijft Jacques Klöters stukken op Facebook, die allemaal beginnen met 'Ik moest vanmorgen denken'. Af en toe lees ik zo'n bijdrage en dan lees ik die ook altijd uit, al is het behoorlijk wat tekst. Ik vind dat ik dat vaker moet doen, maar daar komt het dan toch niet altijd van. Blijkbaar ga ik op een andere manier om met het medium dan deze bijdragen van mij vragen. 

Maar gelukkig is er ook een boek van en dat heb ik besteld. Voorop staat als titel Ik moest vanmorgen denken, maar op de titelpagina staat ook nog Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen. Deel 2. Dat suggereert dat er ook een deel 1 is, maar dat ken ik dan weer niet. Het boek telt acht hoofdstukken, die alle beginnen met de zinsnede 'Ik moest vanmorgen denken', maar ik vermoed dat er verschillende stukken van Facebook samengevoegd en omgevormd zijn tot een enkel hoofdstuk.

De vreugde uitdragen

Voor in het boek nam Klöters een motto van Montaigne op:

Maar wij moeten in ons leven juist de vreugde
uitdragen en de droefenis zoveel mogelijk verkroppen.

Dat is wel de sfeer die uit het boek spreekt: het heeft een zekere monterheid en dat is een van de dingen die het lezen aangenaam maakt. 

Een groot deel van wat Klöters schrijft behelst herinneringen, aan een tijd die voorbij is, aan mensen die hij gekend heeft en dat zijn ook vaak mensen die wij kennen, maar niet van zo dichtbij. We kennen ze van de televisie, de radio, het theater, van hun plaatjes, van hun teksten. 

Achterwaarts begrijpen

Klöters vraagt zich wel af wat hij in de stukjes doet. Hij blikt om, maar niet met nostalgie, niet met chagrijn of verdriet om wat voorbij is. 

Maar begrijp me niet verkeerd. Ik ben niet van 'hadden we die tijd maar terug en wat is er veel verloren gegaan'. Mij gaat het om het verlangen zelf naar toen, de geamuseerdheid om toen, de vreugde die de herinnering aan toen oproept, de kennis van nu die ik les naast mijn herinneringen aan toen. Immers: het leven dient voorwaarts geleefd te worden en achterwaarts begrepen. 

Dat laatste verwijst naar een bekend citaat van Sören Kierkegaard. Een ander die hij aanhaalt is Walter Benjamin:

De filosoof Walter Benjamin (1892 - 1940) onderzocht zijn Berlijnse jeugd om zich in te enten met zijn herinneringen, zodat hij beter bestand zou zijn tegen de kwalen die hem wachtten. Daar lijkt het bij mij meer op. Ik kijk vooral naar het verleden om het heden te kunnen begrijpen en ook een beetje om weg te schuilen voor de toekomst. 

En even verderop schrijft hij:

Wat ik vooral wil is in taal de wereld oproepen waarvan ik deel heb uitgemaakt. Een enkele keer probeer ik zelfs terug in de tijd te reizen en de wereld binnen te stappen van mijn voorouders, omdat ik wil weten waar ik vandaan kom. 

Rondlopen in het verleden

Soms lijkt hij werkelijk rond te lopen in dat verleden. Dat doet me denken aan het boek Waar was je nou? (2005), van K. Schippers waarin iemand via een foto in zijn verleden stapt. Klöters doet iets soortgelijks: hij gaat terug naar de jaren veertig en ziet daar zijn vader rondlopen. Hij observeert hem: 

Wat steekt mijn vader af bij al deze mensen in zijn driedelige kamgaren kostuum en met zijn mooie nieuwe derby op zijn hoofd. Hij hoort er al niet meer bij, hij neemt alleen waar. Hoe oud zou hij zijn? Een jaar of twintig, een ouwelijke jongeman die zich omhoogwerkt uit zijn haveloze jeugd. Een man die op weg is naar het mooie licht en de zuivere lucht van het chique Amsterdam Zuid. Zijn kleren zijn er al. 

Maar hij doet het ook met zijn jongere ik, wat me doet denken aan Tomas Lieske die in Alles kantelt (2010) zichzelf ontmoet toen hij nog een kind was. 

Mijn vroegere ik - lang haar en een baard - is in gesprek met journalist Jan Bart Klaster van Het Parool. Ik ben druk aan het woord. Cabaret moet een voorbeeldfunctie hebben, hoor ik mezelf zeggen. 

Klöters wil zijn jongere ik toespreken en vertellen dat cabaret helemaal niets moet, maar hij wordt natuurlijk niet opgemerkt. 

Op de bal

Vaker neemt Klöters afstand van het gedrag van een ik in het verleden. Hij vertelt hoe hard hij bijvoorbeeld Arthur Japin beoordeeld heeft. Het gaat niet om het oordeel, maar op de manier waarop hij dat verwoordde. En hij was het ook nog vergeten. 

Kritiek moet. Desnoods harde kritiek, om gehoord te worden. Maar die moet op het werk zelf gericht zin en mag nooit de mens degraderen. En ja, ik heb dat vroeger vaak gedaan, in mijn cabarettijd en dus kennelijk ook als leraar. Het is iets waarvoor ik me nu geneer en wat me nu stoort op internet, op de tv en in het cabaret. Op de man spelen en niet op de bal. 

Klöters spaart zichzelf niet, maar tegelijkertijd blijft hij loyaal aan zichzelf. Ook bij kritiek op zichzelf speelt hij op de bal. En dat doet hij ook bij anderen. 

Veel van zijn observaties zijn uit de eerste hand, wat ze bijzonder aantrekkelijk maakt. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe Jaap van de Merwe optrad voor een publiek dat slechts uit een tiental mensen bestond. Van de Merwe was bitter, juist tegen de mensen die er wel waren. Tot iemand zei: 'Meneer Van de Merwe, zou u hiermee óp willen houden? Ik heb zo'n goede herinnering aan uw werk, en dat maakt u allemaal kapot vanavond.' Het moet een pijnlijk moment geweest zijn. Maar hij introduceert Van de Merwe wel als 'de grote tekstschrijver', waarmee hij hem recht doet. 

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Freek de Jonge, een van de allergrootsten in het cabaret, maar die ook buiten het theater veel aandacht gevraagd heeft, wat hem niet altijd goed gedaan heeft. Ook daarin is Klöters niet vergoelijkend terwijl hij de loyaliteit blijft behouden. Ook hierin wil hij achterwaarts begrijpen en vraagt hij zich af hoe het toch zit. 

Maar hij heeft met zijn succes natuurlijk ook zijn ziel aan de duivel verkocht. Wie is die duivel? Het publiek? Het geld? De roem en aandacht? Ik denk dat het de duivel in hemzelf is, de man die alsmaar aan het werk wil, alsmaar wil scoren, nooit tevreden is, steeds beter moet, bang is voor de achtervolgers. 

Don Quishocking

Natuurlijk komt de geschiedenis van Don Quishocking terug, van het eerste contact met George en Anke Groot tot het programma We zijn volstrekt in de war. Toen ik de LP Trappen op (1978) kocht, had de groep zich al ruimschoots bewezen en kende iedereen de beroemdste liedjes en conferences. Maar ook die groep moest ooit ergens beginnen en het maar zien te maken. Het is een mooi stuk geschiedenissen geworden, verteld in scènes. 

Af en toe kwam er toch wel een weemoedig gevoel over me: al die mensen, waarvan er sommigen al gestorven zijn, in een fase van hun leven dat ze zich nog moesten bewijzen, dat ze nog moesten uitgroeien tot wie ze later zouden worden. Schrijvers als Jan Boerstoel, Willem Wilmink en Hans Dorrestijn, bijvoorbeeld. Maar ook Gerrit Komrij, Tom van Deel, Carel Peeters, Adriaan van Dis. En dan zijn er natuurlijk herinneringen aan artiesten als Heinz Polzer (drs. P.), Adèle Bloemendaal, Toon Hermans, Jules de Corte. 

Er komt een generatie voorbij als een gebergte met heel veel toppen. Het is ook een generatie die voorbij lijkt, wat droevig genoeg is. 

Soms voelt het of ik met een grote schuiver van de tafel word geborsteld. Er zijn al heel wat kruimels omlaag getuimeld, we raken met steeds minder, nog even en dan zijn we outsiders over de rand gekieperd en gaat iedereen rustig door tot het hun tijd is. 

Maar zolang iemand nog een stem heeft, zolang hij nog zijn bijdragen op Facebook kan schrijven en er een boek van kan maken, is het zeker nog zijn tijd. Klöters schrijft niet alleen toegankelijk, maar hij schrijft ook goed: scherpe observaties, nauwkeurig verwoord. En de milde blik waarmee hij de wereld en zichzelf beziet en is aangenaam in mediawereld die vooral lijkt in te spelen op polarisatie. Aan de ene kant formuleert Klöters scherp en trefzeker, maar in zijn gedachten is hij een zoeker, die altijd de nuance bij de hand heeft. 

Achter in het boek is een handig register van namen opgenomen, zodat je op kunt zoeken waar er geschreven is over bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt, Friedrich Nietzsche of Youp van 't Hek.