Posts tonen met het label Meegemaakt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Meegemaakt. Alle posts tonen

donderdag 23 juli 2026

Luiewijvenbrood

Weer een passage, geknipt uit een dagboek, misschien nog wel met een kop, maar zonder staart. Ik begin te schrijven over wat ik vroeger at, maar, maar ga al gauw over naar de broodmaaltijd. Die aten wij in de ochtend, het ontbijt dus, en aan het eind van de middag. Warm aten we 'tussen de middag'. 

Een paar weken geleden schreef ik al over de toetjes van toen. Nu dus over de broodmaaltijd. Lang geleden vertelde ik hier over de bakker die langs de deur kwam. Het dagboekgedeelte hieronder schreef ik drie jaar geleden, op 17 augustus 2023. 

Marinus, neefje Herman, Teunis, Lientje. Brood eten bij opa en opoe Dojewèrd op de bank

Als baby krijg ik borstvoeding. Elke keer als ik huil, denkt mijn moeder dat ik honger heb en dan geeft ze me weer de borst. Ik groei daardoor als kool. Mijn nicht Johanna is een maand jonger dan ik, maar op sommige foto’s lijk ik anderhalf keer zo zwaar als zij.
Teunis en Johanna


Ik heb een emaillen bordje met twee konijnen met een wortel erop. Er hoort een bestekje bij dat ik de rest van mijn leven zal bewaren, evenals de metalen beker met een konijntje erop. In het bordje maakt mijn moeder later Brinta klaar. Er is ook Bambix te koop, dat iets fijner is dan Brinta, maar dat krijg ik niet.

Verder is er Liga. Mijn moeder verkruimelt die soms en doet er melk bij en/of een beetje sinaasappelsap. Al gauw eet ik de warme maaltijd met de pot mee. Als ik mijn groente niet wil eten, doet mijn moeder er een schep suiker doorheen en dan eet ik het wel.

Het brood dat wij eten, wordt gebracht door de bakker. Mijn vader snijdt het op de plank die mijn opa (van moederskant) gemaakt heeft. Misschien heeft hij ook wel het houten handvat van de broodzaag gemaakt. Mijn vader snijdt dikke sneden brood, zodat we minder beleg nodig hebben. Als ik wat groter ben, komt er gesneden brood in de handel. Dat koopt mijn moeder niet. Ze noemt het 'luiewijvenbrood'.

Op brood hebben we altijd vleeswaren en kaas. Hagelslag is er ook altijd, net als stroop, basterdsuiker, jam, chocoladepasta (dat wij gewoon ‘pasta’ noemen), vruchtenhagel en soms appelstroop. In de tijd van de pruimen is er ‘slemp’ (gestoofde pruimen). Dat mogen we gerust dik op onze boterham smeren. Bij uitzondering mogen we speculaasjes op brood.

De jam maakt mijn moeder zelf: van bramen, bessen, frambozen, aardbeien, kruisbessen, pruimen of een combinatie. Ook wel eens van kersen, maar die jam wordt meestal niet goed dik, hoeveel Opekta mijn moeder er ook bij doet. Een enkele keer is er jam van vlierbessen, maar misschien is dat maar een eenmalig experiment.

De potjes gaan in de weckketel en die wordt op de grote gaspit gezet, waar mijn moeder ook de was op kookt. Het is een tref als alle potjes daarna dichtzitten.

Als er net geslacht is, is het feest. Van het varken kookt mijn moeder het hart, de lever, de nieren en de tong. We vinden het allemaal even lekker. Er is dan ook smout. Dat smeren we op brood in plaats van margarine en dan smeren we er stroop overheen of we strooien er suiker over.

Na de slacht bakt mijn moeder ook kaantjes. Heel vet, maar het is heerlijk. We smeren stroop op ons brood en daar komen de kaantjes op. Als we geluk hebben, bakt ma smoutappeltjes, dan zitten er ook nog zoete appeltjes door de kaantjes. De appels zijn soms een beetje stroperig.

Mijn moeder maakt ook hoofdkaas. Soms doet ze die in het zuur: zure zult. Maar zonder zuur vind ik de hoofdkaas ook lekker. Ook maakt mijn moeder leverworst. Eigenlijk is het leverpastei. Zowel de hoofdkaas als de leverworst zijn grijs. Later zal er roze leverworst op de markt komen. Daar zit kleurstof in.

En er wordt balkenbrij gekookt. Dat is zwaar werk. Mijn moeder moet de brij roeren, die in een grote pan zit en steeds taaier wordt. Ze breekt er wel eens een houten lepel mee. De balkenbrij is paars. Dat komt door het rommelkruid dat mijn moeder erin doet. Er zitten ook rozijnen in. Andere moeders hebben soms een ander recept. Ik vind de balkenbrij van mijn moeder het lekkerst.

Als de balkenbrij net gekookt is, kun je die warm eten. Mijn moeder schept een diep bord vol. Wij maken een kuiltje in het midden en daar doen we heel veel stroop in. De rest van de balkenbrij gaat in schalen. Daarin koelt de brij af en wordt stijf. Later kunnen er plakken van gesneden worden, die mijn moeder door de bloem wentelt en bakt in de koekenpan. Die plakken eten wij op brood: eerst stroop op je brood en daar de balkenbrij op. Ongebakken zijn de plakken overigens ook smakelijk, maar gebakken zijn ze lekkerder.

Na de slacht gaan de metworsten naar de rokerij. Als die terugkomen, worden ze op zolder gehangen, wat heerlijk ruikt. Die worsten worden ook geregeld in plakjes gesneden en op brood gedaan.

Roomboter hebben we alleen in het weekend. Door de week hebben we margarine op brood, gewoon uit pakjes. Later zal men zeggen dat dat bakmargarine is, maar iedereen smeert het gewoon op brood. Dat valt niet altijd mee, want de margarine is vaak behoorlijk hard.

Bona brengt margarine in een kuipje op de markt. Ik kan de radioreclame goed meezingen: ‘Rij maar mee in de arreslee door de sneeuw. Wij nemen Bona mee, wij nemen Bona mee.’ Mijn moeder vindt die boter te duur en er wordt verteld dat het gewoon margarine is met water erdoorheen.

In het weekend is er een krentenbrood. Daar mogen we roomboter op. Daarover strooien we altijd suiker. Maar soms mag roomboter ook op een snee wittebrood. Dat is ook heerlijk met suiker of met hagelslag.

Wij eten altijd dubbele sneden brood, een witte op een bruine. Daarom eten we altijd een oneven aantal sneden, want dan kun je eindigen met een enkele. Beschuit is er ook. Die kun je apart eten, maar je kunt hem ook op een snee brood leggen. Altijd met zoet beleg. We mogen best zoet beleg eten, maar altijd eerst ‘hartig’ (vleeswaren of kaas).

Bij het beleg ontbreekt de pindakaas. Die hebben we nooit. Opoe Loenen heeft het wel. Houdt mijn moeder er niet van?

Mijn vader houdt van sinaasappeljam en van gemberjam. Dat krijgt hij van zijn zussen wel eens op zijn verjaardag en daar is hij altijd blij mee. Honing is er aanvankelijk ook. Later vindt mijn moeder de honing te duur worden en dan is er alleen in het weekend honing. Bij opoe Loenen zit de honing in een potje dat de vorm heeft van een bijenkorf, met enkele grote bijen op de buitenkant.



Opoe heeft ook Smac, blikworst. Een nieuw blikje moet je met een sleuteltje openmaken. Dat sleuteltje zit op de bovenkant of op de zijkant geplakt. In het sleuteltje zit een gleufje. Het lipje van het blikje moet door het gleufje en als het goed is, kun je dan zo het blikje opendraaien. Dat gaat nog wel eens verkeerd, als je het sleuteltje niet goed recht kunt houden.

Zo’n sleuteltje zit er ook bij de blikjes sardines, die wij ook wel eens op brood hebben, net als de haring in tomatensaus. Volgens mij maakt mijn moeder dat blik gewoon met de blikopener open. Dan zien we de haringen liggen, maar niet zo lang: mijn moeder prakt de tomatensaus door de haringen heen, zodat iedereen hetzelfde heeft.

Als de visboer geweest is, hebben we soms gebakken vis op brood. Er komt ook wel eens een oom een maaltje vis brengen. Soms smaakt die vis een beetje naar grond, maar dat vinden we niet zo erg. Mijn vader heeft een hekel aan graatjes. Die moet mijn moeder eerst voor hem verwijderen. Paling is het lekkerst, maar die is er niet zo vaak.

Bij de jam uit de winkel kun je boekjes van Flipje krijgen, maar we hebben meestal eigen jam. In de winkel halen we wel bijvoorbeeld abrikozenjam, want die maakt mijn moeder zelf niet.

Een paar boekjes van Flipje hebben we. Er is een verhaal bij waarin iemand natgespoten wordt en dat is favoriet bij mij. Ik vraag mijn moeder of ze nog een keer wil voorlezen van ‘Pies, nat is-tie’. Later zal ik meer van deze boekjes lenen van de kinderen van Methorst, de mulder, die er heel veel van hebben.

Bij de chocoladepasta kun je boekjes krijgen van Sjokkie. Net als bij Flipje zijn het verhalen die uit gedichtjes bestaan. Sommige zinnen ken ik na verloop van tijd uit mijn hoofd. Als Sjokkie pasta heeft geïntroduceerd heeft in het wilde westen is er een cowgirl die zegt: ‘Ik eet mai fingers erbai op!’ De pasta noemen we trouwens ook wel chocopasta of pastachoca.

dinsdag 14 juli 2026

Naar de veiling

Weer een stukje dat ik uit een dagboek heb geknipt. Ik zeg het er elke keer maar bij en verontschuldig me dan voor de slordige compositie: ook deze keer houdt het fragment zomaar op. Ik schreef het op vrijdag 4 augustus 2023. 

Het was altijd een feest als we met onze vader meemochten naar de fruitveiling in Zetten. Het gebouw staat er overigens nog steeds. En mijn broer doet, samen met mijn neef, nog steeds in fruit. In 1926 begon mijn opa met het telen van fruit, dus de fruitteelt zit nu honderd jaar in de familie. Als je wilt zien hoe het er nu aan toe gaat, kijk dan op de website van het huidige bedrijf. 

De foto's hieronder heb ik geratst van de facebookpagina van Midden-Betuwe, het filmpje van YouTube. 


1965. Links de veiling, rechts station Zetten-Andelst


Een deel van het jaar is het druk met het fruit. Als we heel klein zijn, kunnen we niet zo heel veel doen. Als mijn ouders aan het sorteren zijn, kunnen we wel papier in de kistjes doen. Dat papier is een soort golfkarton, maar dan geen karton. Eerst de rand in de kist doen en dan de bodem. Daarna ziet de kist er heel netjes uit.

Als we ietsje ouder zijn, kunnen we mee appels rapen. Papa plukt en alles wat op de grond ligt, moet in de kist. De rotte appels niet, maar de geblutste wel. Dat is voor ‘val’ niet erg. Die is toch bestemd voor de fabriek. Daar wordt er appelmoes van gemaakt.

Als ik nog iets ouder ben, moet ik ook meehelpen met plukken. De bramen met hun scherpe doorns hoef ik niet te doen en de kruisbessen (knoepers) ook niet. Ook de zwarte bessen doet papa meestal zelf. Maar met de rode bessen help ik wel mee. Ik kan het lang niet zo snel als mijn vader.

Ik zet een veilingkistje op zijn kant en daar ga ik op zitten. Tussen mijn benen zet ik het kistje neer waar de bessen in moeten. Ik moet een bepaald aantal kistjes vol plukken voordat ik met Gerard mag gaan spelen. Als dat te lang duurt, doe ik een beetje aarde onder in de kist. Dan gaat het een stuk sneller. Alle kistjes worden afgewogen op de bascule; er moet altijd genoeg in zitten.

Uiteindelijk komt het natuurlijk uit. Mijn vader krijgt op zijn kop van de keurmeester op de veiling omdat er grond in de kistjes zit. Ik krijg een uitbrander en haal het verder niet meer in mijn hoofd om zoiets te doen.

Als ik nog groter ben, pluk ik ook mee met de pruimen, de appels en de peren. We hebben ladders van verschillende lengte. In het begin is zo’n ladder te zwaar voor mij. Mijn vader zet hem dan voor mij in de boom en ik ga met de hoenderik (voor de pruimen) of de kanis (voor de appels en de peren) de ladder op.

Het lastigst is het als er een tak helemaal naar buiten hangt. Je moet dan een been door de ladder steken. Als je een sport in je knieholte houdt, kun je achteroverleunen en alsnog het fruit plukken. Daar heb ik een hekel aan. Ik ben niet zo’n held in de hoogte.

De langste ladder telt 43 sporten. Die gebruikt mijn vader altijd zelf. Als ik op de middelbare school zit, ben ik een volwaardige plukker en mijn broer helpt dan intussen ook mee. Helemaal aan het eind van het seizoen moeten altijd alleen nog de perenbomen met Zwijndrechtse geplukt worden. Onze ladders (dertig sporten lang) komen lang niet bij de top van deze wel zeer hoge bomen. Ook met die van 43 is het nog lastig.

Aan het eind moet de kop van de boom nog wel geplukt worden. Mijn vader zet de ladder in de boom, kijkt mijn broer aan en zegt: ‘Toe maar, jong!’ Mijn broer antwoordt: ‘Het oude brood moet eerst op.’ En dan gaat pa zelf de ladder op.

De tijd van het fruit is de drukste tijd. Overdag plukt mijn vader, in de avond sorteert hij. Pas als wij wat groter zijn, kunnen wij daarbij ook meehelpen. Er staan een stuk of vier veilingkisten op hun kant. Daarop zijn vier andere veilingkisten gezet. De linker is voor de heel grote appels, daarnaast de kist voor de vrij grote. Daarop ligt ‘de maat’, een plankje met gaten van verschillende grootte. Daarnaast de kist met de appels die gesorteerd moeten worden en helemaal rechts de kist voor de kleintjes. Is er nog een aparte kist voor de ‘kroet’? Dat zijn de appels met een vlekje, door de schurft bijvoorbeeld. Of gaan die appels bij de kleintjes? Ik weet het niet meer. Het zullen wel verschillende kisten zijn.

Ik help mee tot koffietijd en daarna ga ik naar bed. Maar papa werkt door, soms tot een uur of elf. Als er heel veel te sorteren valt, zet hij de wekker op drie uur en gaat hij heel vroeg eruit om verder te gaan. Hij heeft tot half zes of zes uur. Dan moet hij gaan melken.

Bramen en bessen kunnen vaak met het Volkswagenbusje naar de veiling gebracht worden, pruimen soms ook. Maar soms, als het veel is, gaat papa met de trekker en de platte wagen. Bij de appels en de peren altijd.

Wij mogen vaak mee en dat is een feest. Als pa met de auto is, rijdt hij de veiling in, waar allerlei mannen met steekwagentjes rondrijden. Velen ervan ken ik bij naam. Als pa met de trekker is, rijdt hij buitenom. Hij rijdt de trekker met de wagen dicht langs het laadplatform. De mannen met de steekwagentjes kunnen dan zo de wagen op rijden.

De kisten worden in rijtjes gezet. Bij de laatste stapel wordt de veilingbrief tussen twee kistjes geklemd. Die veilingbrief heeft mijn vader thuis al geschreven. Zijn naam staat erop en er staat vermeld hoeveel kisten hij met welk fruit geleverd heeft. En het veilingnummer. Mijn vader heeft 551.

Bij het schrijven heeft mijn vader hard op de pen gedrukt. Dat doet hij eigenlijk altijd, maar hier is het ook nodig: het zijn twee velletjes op elkaar. Door het carbonblaadje ertussen kun je op het onderste vel zien wat er op het bovenste geschreven is. Het onderste krijgen we later terug. Daar staat de prijs op die het fruit heeft opgebracht.

Als we het fruit afgeleverd hebben, wordt het gekeurd. De keurmeester, Oostering, loopt rond in een beige stofjas. Hij heeft grijs haar dat in golfjes naar achteren is gekamd. Hij bepaalt tot welke klasse het fruit gerekend wordt.

Vanaf de hal waar het fruit staat, kun je binnendoor, door een gang naar ‘het kantoor’. Dan zie je links de kantine en rechts de ruimte waar de grote klok hangt. Er staan bankjes in waar de handelaars in plaatsnemen. Het loopt daar steil op, als in een collegezaal.

In het kantoor is er eerst een ruimte met een rij bakken waarin de veilingbrieven liggen, gerangschikt naar plaatsnaam. Herveld is het tweede bakje. Mijn vader zoekt zijn veilingbrief eruit. Soms kijkt hij op de andere brieven om te zien wat het fruit bij de anderen heeft opgebracht. Dat kun je ook zien op de lijst, die hangt voor het raam van het kantoortje van de keurmeester, dat grenst aan de hal waar we het fruit hebben neergezet.

Soms moet mijn vader iets op het kantoor. Moet hij het daar opgeven als hij nieuwe kisten wil hebben? Door het raam zie je de mensen die achter bureaus zitten te werken. Daar mogen de fruittelers niet komen. Mijn vader gaat voor het loket staan en wacht tot er iemand opstaat, naar de glazen wand loopt en het loket omhoog schuift.

We rijden naar de kistenloods. Daar werken twee mannen, met een grijze kiel aan, Bart en Arie. Bart is kort en dik en vrij vrolijk, Arie is lang en dunner. Het zijn aardig mensen. Als we het vragen, mogen we naar hun piepkleine kantoortje, waarin eigenlijk alleen maar ruimte is voor een bureau en twee stoelen. Daar zit bijna nooit iemand.

Onder het bureau staat een kist waarin Bart en Arie het carbonpapier hebben weggegooid. Soms is dat erg gekreukt, maar soms ziet het er heel mooi uit. We mogen velletjes carbonpapier mee naar huis nemen. Thuis leggen we zo’n velletje in bijvoorbeeld de Donald Duck, met een wit velletje papier eronder. Dan kun je Donald, Katrien of Hiawatha zo overtrekken.


1942

Achterzijde van de veiling

donderdag 9 juli 2026

Toetjes van toen

Eind jaren tachtig kwam ik in Ede wonen en toen werd daar 's avonds nog de papklok geluid. Intussen is dat gebruik afgeschaft. Er waren vroeger blijkbaar veel mensen die voor het naar bed gaan een bord pap aten. Dat deden mijn ouders ook, in het begin van hun huwelijk. 

Daarover schreef ik op 23 oktober 2023 in mijn dagboek. Ik heb dat stuk eruitgeknipt. Het houdt zomaar ergens op. Blijkbaar ging ik toen over op een ander onderwerp. En het is nogal opsommerig. Dat moet je dan maar even voor lief nemen. 

Indertijd heb ik opgeschreven wat op dat moment bij me opkwam, dus compleet zal het overzicht niet zijn. Geen gruttenpap, geen boekweitpap. Mogelijk aten we die helemaal niet. Beide heb ik wel gegeten, maar wellicht later en bij iemand anders. 

Ik zal binnenkort weer wat stukjes opzoeken in de dagboeken, maar ik zie ook dat ik over sommige dingen nooit in het dagboek geschreven heb, dus die stukken moeten nog geschreven worden. Hoe ik als kind onbedoeld een kat bijna (of helemaal) de dood in gejaagd heb bijvoorbeeld, hoe ik samen met mijn zusje en een oude kinderwagen weggelopen was van huis, hoe mijn vader zich zo ergerde aan het gehuil van mijn jonge broertje dat hij hem met bed en al naar een andere ruimte tilde. Dat soort dingen. 

Wel heb ik geschreven over feest: mijn opa en oma van moeders kant waren dertig jaar getrouwd en die van mijn vaders kant veertig jaar. Daar moet ik dan wel foto's bij zoeken en dat kan ook even duren. 

Je merkt wel wat ik opzoek en wat ik plaats en ik welk tempo. De maand juli is erg druk omdat ik dan examineer voor de Staatsexamens. In augustus heb ik meer ruimte. 

Op de foto familieleden aan het toetje, dat wat feestelijker was dan gewoonlijk. De foto is gemaakt met Pasen 1960. Op de foto mijn toen tienjarige tante Riet, jongste zus van mijn moeder en ome Henk, getrouwd met de oudste zus van mijn moeder. Naast hem zijn zoon Tonnie, zes weken ouder dan ik. We zijn dan nog geen jaar oud. 


Mijn vader is van huis uit gewend om ‘s avonds pap te eten. Mijn moeder heeft wel verteld dat ze er heel erg aan moest wennen. Ze vond het vreemd dat bij mijn opa en oma ‘s avonds (om een uur of negen?) de tafel werd gedekt.

Ze heeft het gebruik overgenomen, in ieder geval in de eerste jaren van haar huwelijk. Soms word ik vroeg wakker en dan ga ik snel naar beneden om te kijken of er nog pap van gisteravond over is. Niemand vindt het erg als ik dat gewoon pak.

Mijn moeder kookt de pap altijd zelf. Bij tante Jannie komt de melkboer. Die heeft pap uit flessen, bijvoorbeeld chocoladevla of vanillevla. Of yoghurt. Die maakt mijn moeder ook wel eens zelf, maar het kan zijn dat we die een enkele keer uit de winkel hebben.

Als mijn moeder weinig tijd heeft, eten we beschuitenpap: melk met stukken beschuit erin. Misschien heeft ma er ook nog wat kaneel in gedaan. De beschuit is zacht geworden. De pap is dun en dat eet niet altijd makkelijk, maar ik lust het best.

Soms mogen wij een beschuit met melk: we gieten dan heel langzaam melk op een beschuit. De beschuit absorbeert de melk en wordt dan wel twee keer zo groot. Ik hou ervan om daarna de vellen uit de melkkoker te vissen en die op de beschuit te leggen. Daarna doe ik er suiker op. Heerlijk!

Karnemelksepap eten we verschillende keren per week. Je kunt die warm en koud eten. Niet altijd lukt die even goed. Soms gaat de pap schiften en dan zitten er korreltjes in. Wij vinden dat niet erg. De smaak blijft goed. Over de pap doen we suiker en als hij warm is doen we er ook wel een lepel stroop in. De stroop zit in een kartonnen bus, van De Zeeuwse Boerin.

De melkrijder brengt elke week tien liter karnemelk mee uit de fabriek. We drinken die ook wel bij het brood, maar we maken er dus ook pap van. Soms doet mijn moeder bier (oud bruin) door de pap. Dan wordt het bierepap. Daar zal ook wel wat kaneel in zitten, denk ik. Bierepap is lekker en het klinkt ook best stoer als je kunt vertellen dat je dat gegeten hebt.

Pruimenpap is van bloem gemaakt. Mijn moeder heeft de gedroogde pruimen een nacht lang laten weken en die gaan door de pap heen. De pap heeft een zachte smaak en de pruimen zijn heerlijk. In de kersentijd maakt ma ook wel kersenpap, van de wrak, de kersen die niet helemaal gaaf meer zijn. Die pap is paars. De pitten zitten nog in de kersen, dus na afloop heeft iedereen een hoopje pitten naast het bord liggen.

Soms gaan er heel wat borden pap doorheen. Iedereen mag opscheppen of op laten scheppen hoeveel en hoe vaak hij maar wil.

We hebben ook wel eens tutti frutti over de pap. Dat is meer iets voor de zondag en niet voor door de week.

Op weekdagen eten we wel havermoutpap of rijstepap, soms met rozijnen of krenten. Griesmeel eten we ook wel en daar zitten soms ook rozijnen door. Als we griesmeel op zondag krijgen, is het amandelgries of vruchtengries.

Mijn moeder bestelt bij de boodschappen altijd pudding voor de zondag, van Victrix. We krijgen een keer een spelletje bij de pudding: kaartjes met koppen, lijven en benen van mensen. Die kun je op allerlei manieren aan elkaar leggen, wat een grappig effect heeft.

Er zijn heel veel soorten pudding, zoals frambozenpudding of karamelpudding. Mijn moeder doet ze in kleine bakjes. Dan koelen ze snel af. Er zijn altijd meer bakjes dan er mensen in het gezin zijn. Dus soms kun je meer bakjes leegeten.

Er bestaat ook Saroma. Dat is geen kookpudding, maar kloppudding. Die is best snel klaar. De puddinkjes moeten alleen even opstijven in de kelder. Een koelkast hebben we niet.

Er zijn heel veel soorten pudding en op feestdagen doet mijn moeder die soms in een puddingvorm. Die pudding wordt gestort en dan zie je een druiventros bovenop.

Met custard kun je heel veel maken. Bijvoorbeeld vanillesaus. Die kun je dan over de chocoladepudding doen. Die eten we trouwens ook wel met slagroom. Maar je kunt ook pudding maken van custard.

Het lekkerst is die met lange vingers. Mijn moeder heeft dan vruchtenwijn op een bord gegoten en daar laat ze de vingers in weken. Als je het niet weet: lange vingers zijn koekjes. Het zijn zo’n beetje de eerste koekjes die kleine kinderen te eten krijgen.

Een laagje pudding, een laagje lange vingers, weer een laagje pudding enzovoort. Je kunt de wijn nog goed proeven.

Door de custard kun je ook bitterkoekjes doen, maar die koekjes kunnen ook door de bloempap. Altijd lekker.

Een van de lekkerste toetjes krijgen we in de perentijd. Mijn vader heeft in de boomgaard enkele rijen met Buerré Alexander Lucas. Wij zeggen geen buerré, maar bree, net als bij de bree hardy’s. Een peer voor iedereen brengt mijn vader mee. Mijn moeder schilt die, maar ze snijdt hem niet door en ze laat het steeltje zitten.

Ze kookt de peren in rode wijn, totdat ze helemaal rood zijn. Dan zet ze de peren in bakjes, met een beetje van de wijn eromheen. Dan gaat er chocolademousse over de peren. Dat is smullen. Als we het eten, hebben we allemaal een feestelijk gevoel. We noemen het toetje perendroom.

Dat het klokhuis er nog in zit is geen bezwaar. Bij peren kun je het klokhuis gewoon opeten. Dat leer je nog wel. Een peer eet je ook niet rondom, maar van boven naar beneden. Even het steeltje eruit trekken (dat gaat gemakkelijk als de peer goed rijp is) en dan beginnen te eten bij de punt. Wel oppassen dat de peer niet te rijp is. Sommige peren worden dan melig en andere worden buikziek: die zijn bruin van binnen. Dat is niet zo lekker.

Maar we hadden het over toetjes en wij noemen alle toetjes pap. Over de pap, maar eigenlijk de pudding, hebben we soms sap. Bessensap natuurlijk, maar ook bramensap. Meestal over de ‘gele pudding’. In de aardbeientijd hebben we ook wel aardbeien over de pap. En soms hoef je je niets van het seizoen aan te trekken, want dan zijn er aardbeien of kersen uit de weck. En ook wel eens groentjes. Dat zijn pruimen, die trouwens geel worden als ze goed rijp zijn.

We hebben ook wel eens slemp over de pap: gestoofde pruimen. Die eten we ook wel op brood.

We eten ook af en toe lammetjespap, maar ik weet niet goed hoe die gemaakt wordt. Is die anders dan de bloempap? Waarschijnlijk wel. En er is ook wel brinta, maar dat eet je meer bij het ontbijt.

Als we oud brood hebben, maakt mijn moeder broodschotel: brood in dobbelsteentjes, melk, eieren, rozijnen, kaneel en dan in de oven. Het is heerlijk, maar het is ook machtig, dus je moet niet te veel opscheppen. Wat je opschept, moet je immers opeten. Als dat niet lukt, krijg je te horen dat je ogen groter zijn dan je maag. Maar eigenlijk laat niemand zijn eten staan.

Soms krijgen we wentelteefjes van het oude brood, maar meestal niet als toetje en het komt maar heel weinig voor.

Deense vla is ook erg lekker. Onder in elk bakje doet mijn moeder bessensap met rozijnen erdoor en daar giet ze de dunne custard op. We zeggen altijd Deense vla, maar als het een tijdje in de kelder heeft gestaan, is het meestal wel pudding.

We krijgen ook wel pannenkoeken als toetje. Eerst erwtensoep en daarna pannenkoeken. Maar pannenkoeken krijgen we meestal ‘s avonds, in plaats van brood. Als het winter is, letten we goed op de koeien. Als alle koeien op dezelfde zij liggen, bakt mijn moeder pannenkoeken. Dat komt maar weinig voor.

In de kersentijd bakt tante Met ook wel kersenkoek: pannenkoeken met kersen erdoorheen. Dat doet ze als een van de plukkers een dubbele kers heeft gevonden. Als wij er zijn, eten we ook een pannenkoek mee, in de bongerd.

Als we een keer bij Ome Ab en tante Ria gaan eten, krijgen we ijs als toetje. Dat komt als een blok uit een groot kartonnen pak. Het is heerlijk. Wij hebben geen vriezer, dus dat krijgen we nooit. Er gaat sap overheen.

Ook watergruwel maakt mijn moeder niet, voor zover ik weet. Precies weet ik het niet, maar volgens mij is het bessensap met daardoorheen gort en rozijnen. Heb ik dat wel eens bij een oom of tante op? Of zal ik dat later pas leren kennen als ik op het internaat zit?

Haagse bluf maakt mijn moeder wel eens, maar niet vaak. Dat is ook met bessensap en eiwit, geloof ik. Mijn moeder moet heel lang kloppen met haar garde (wij zeggen: gar) en dan wordt het een soort schuim.

donderdag 2 juli 2026

De schoolfotograaf

Weer een fragment uit een dagboek, deze keer van woensdag 2 augustus 2023. Het gaat alle kanten op: van de schoolfotograaf tot het zingen in de klas en van de politie op school tot de sportdag. Het is een beetje een rommeltje, maar blijkbaar vond ik dat niet erg en ik laat het nu ook maar zo. 

Ik plaats er een paar foto's bij die op school gemaakt zijn. De oudste van Lientje en mij is al in kleur, zie ik. Een paar jaar (?) later is er toch weer een foto in zwart-wit gemaakt. 

Er is ook een foto gemaakt van de eerste en tweede klas, samen met juffrouw De Graaf. Toen zat ik al in de tweede en een foto van alle leerlingen, toen ik in de vijfde klas zat. Misschien bestond de school toen 95 jaar. Zeker weet ik het niet meer. 



Soms komt de schoolfotograaf op school. Iedere twee jaar, schat ik. De fotograaf zet me samen met Lientje in de bank. Lientje draagt altijd vlechten en iemand maakt die vlechten los, zodat ze met los haar op de foto staat. Achter ons een schoolplaat. Ik moet een pen in mijn hand houden.

Ik draag een sweater. Dat spreken wij thuis uit als zwieter. Bij Joekie noemen ze het zwetter en dat vind ik maar raar. Het kan niet kloppen. Onder de sweater draag ik een blouse. Als de foto klaar is, krijg ik hem mee naar huis. Mijn moeder ziet meteen dat er een kraagpunt van het blouse over de sweater zit en eentje eronder. Ze neemt de foto toch.



 
Als ik in een hogere klas zit, komen er foto’s in kleur. Ze worden buiten gemaakt. Ik moet met Lientje op het muurtje zitten van een brugje. Blijkbaar ligt daar een duiker onder het pad door. Het is naast de school. Je kunt tussen de school en het meestershuis (waar Hent en Jo dan al wonen) door naar een boomgaard en daarin staat het huis van Dinie Toone (of Dinie Tonen). Eigenlijk weet ik niet hoe je haar naam schrijft. Er loopt een sloot achter de school langs en achter het huis van Hent en Jo door. Het pad van de straat naar de boomgaard met daarin het huis van Dinie en haar kinderen loopt gewoon door. Je merkt niet dat de sloot eronderdoor gaat. 

Maar goed, ik zit op dat muurtje, met een boek op mijn knieën. Ik ben netjes aangekleed: ik heb een stropdasje om.

Even over Dinie. Die woont alleen; ze is gescheiden. Dat komt weinig voor. Ze heeft drie kinderen: Wim, Gerrit en Jan. Wim is vrij dik en kan niet goed leren. Voor kinderen die niet goed kunnen leren, is er geen extra programma. Ze blijven gewoon zitten aan het eind van het jaar en doen het jaar erop alles nog een keer. Wim is zeker twee keer blijven zitten.

Ik gok dat hij van mijn leeftijd is, maar misschien is hij een jaar jonger. Hij heeft ook nog bij Lientje in de klas gezeten. Gerrit slist een beetje en hij kan goed voetballen. Jan is bevriend met mijn kleine broertje Marinus. Een goede, vriendelijke jongen.

Waar Dinie van leeft, weet ik eigenlijk niet. We zien haar soms lopen op het kerkpad, dat tussen ons huis in de Schoolstraat en dat van buurman Piet Frentz door loopt. Ze gaat dan naar haar vader. Is ze de dochter van de smid?

Dinie is best dik. Het verhaal gaat dat ze soms op twee stoelen zit, wat best kan, want ze is heel breed. Bij het kerstfeest in het CVC-gebouw is ze er ook. Voor haar zit een man die een harde wind laat. Hij draait zich om en zegt tegen haar: ‘Nou, Dinie, dat was vlak achter mij.’ Dinie krijgt een rood hoofd en iedereen denkt dat zij de scheet liet. Dat vertelt mijn ome Ab tenminste. 

Ik ken Dinie als een vrolijke, vriendelijke vrouw.   

Voor zover ik weet, wordt maar een enkele keer een foto van alle leerlingen samen genomen. Ik zit dan in klas vijf, als ik het goed heb. Als ik mijn best doe, ken ik jaren later nog de namen van bijna alle kinderen.

Ik ga graag naar school. Het komt bijna nooit voor dat ik ziek ben. Over het algemeen verzuimen leerlingen weinig. Maar als ik in een van de lagere klassen zit, voel ik mij misselijk. Het gaat duidelijk niet goed met me. Een meisje uit de hoogste klas moet me naar huis brengen. Het is Corrie Frentz, een oudere zus van mijn vriendje Dikkie Frentz. Voor mijn gevoel zijn de meisjes uit de zesde klas al bijna volwassen. Ik vind het dan ook een heel plechtig moment als Corrie met mij meefietst naar de Merkenhorststraat.

Het is winter, de kachel in de keuken is aan. Er staat een haardbankje bij. Eigenlijk zijn het vier vierkante klossen die met een plankje verbonden zijn. Het geheel vormt een U die om de kachel geschoven kan worden.

Blijkbaar is het niet druk, want mijn ouders hebben het ontbijt nog op tafel staan en mijn vader heeft een van zijn voeten op het haardbankje gezet. Ik weet niet zeker of het bankje zo heet, maar ik noem het maar even zo. Mijn ouders zijn verwonderd dat ik thuisgebracht word. Corrie wordt bedankt en waarschijnlijk word ik in bed gelegd. Dat zal wel het bed van mijn ouders zijn geweest. Ik voel me niet goed, maar ik vind het ook wel gezellig dat ik nu thuis ben. 

Zingen

Op school is muziek niet echt een vak, maar we zingen wel veel. Als we in een van de hogere klassen zitten, komt er een platenspeler in de klas. Wij noemen dat een pick-up, wat we trouwens uitspreken als piekup.

De liedjes zijn vrij modern en wij moeten meezingen met de plaat. Met Sinterklaas zijn het niet alleen de traditionele liedjes als 'Zie ginds komt de stoomboot' en 'Zie, de maan schijnt door de bomen', maar ook Piet op het dak:

Piet op het dak
Piet op het dak
Piet met de zak op het dak
En een storm, zeg, enorm!


Piet is maar een heel schriel ventje (‘Wie had gedacht dat hij zo weinig woog?’) en hij gaat met zak en al de lucht in.

Er is ook lied over een verdrietig jongetje:

Wat is er toch met Woutertje, met Wouter, aan de hand?
Hij is de laatste dagen toch zo stil.
Als anderen gaan spelen dan staat Wouter aan de kant.
En niemand weet wat Woutertje nu wil.


Het blijkt dat zijn konijn ziek is en dat hij zich daar zorgen over maakt. Maar aan het eind speelt hij weer gewoon mee, want ‘morgen komt de dokter bij ‘t konijn.’

En ook het lied over het paard van de waard in Bolsward:

Het paard van de waard in Bolsward,
in Bolsward, in Bolsward,
het paard van de waard in Bolsward,
dat heeft maar ene tand.

Daarom kan het beest niet eten,
niet eten, niet eten.
Daarom kan het beest niet eten,
niet eten met die tand.

Geef hem pap van haver
of gemalen klaver
of verrotte stokvis
als de honger erg is.


In de lagere klassen zingen we ook: 'De kop van de kat is jarig', 'Hoofd, schouders, knie en teen', 'Advocaatje ging op reis', 'Ik stond laatst voor een poppenkraam'. Ik hou erg van een lied waarbij we naast de bank mogen staan: En mijn één been staat en de ander moet marcheren. / En mijn één been staat en de ander is soldaat.

Zingen vind ik leuk. Mijn moeder zingt ook veel en ik zing ook. Soms zelfs als ik op mijn fiets zit. Anderen vinden dat af en toe raar, maar dat kan me weer niet zoveel schelen. Een van mijn vriendjes is Bert van Binsbergen. Hij zingt altijd hetzelfde lied, van 'bladie merrie'. Later leer ik dat het gaat om Bloody Mary. Ik zing wel eens met hem mee, want intussen ken ik het ook.

Als ik onder de koe zit, tijdens het melken, zing ik de hele tijd. Mijn vader zegt dat ik dan wel door moet blijven melken.

Sportdag

Eén keer per jaar is er een sportdag. Ik denk dat ik dan al wel in klas vier zit als dat begint. Zo’n beetje alle scholen uit de buurt zijn er dan. In ieder geval de Willibrordusschool, de katholieke school uit Herveld, de school uit Andelst en uit Zetten twee scholen: de Lammerts van Buerenschool en de Ds. Van Lingenschool.

Je moet allerlei onderdelen doen: gooien met de tennisbal en met de grote bal, verspringen, hoogspringen, 60 meter hardlopen. Je resultaten worden opgeschreven en aan het eind van de dag krijg je een diploma. Als je er weinig van terecht hebt gebracht, zit daar een A op geplakt, bij iets minder slecht krijg je een B, C is gemiddeld. Als je het goed doet, krijg je een D en misschien is er ook nog een E voor de heel goede. Ik weet niet of ik twee of drie keer een sportdag meemaak. Ik haal de ene keer een C (of haal ik die twee keer?) en een keer D. Verspringen gaat altijd beter dan gooien.

Politie op school

Gooien brengt me nog een keer in de problemen. Ik ga altijd met mijn vader mee koeien melken. Vaak zijn er meer kinderen op ‘de polder’, die eigenlijk geen polder is maar de uiterwaard. We zeggen ook wel de wèrd.

Vaak gaan we na het melken meteen naar huis. Maar soms gaat mijn vader bij een andere boer praten of komt die bij hem praten. Af en toe zit er een heel groepje te kletsen. Dat kan lang duren en dan moppert mama dat we laat thuis zijn. De kinderen hebben dan wel veel tijd om samen te spelen.

We zijn met een stel kinderen bij de dijk, onze vaders zitten beneden op de uiterwaard te kletsen. Op de dijk is een tijdje terug geteerd. Op de vloeibare teer is puntig grind gestrooid. In het begin ligt er dan nog veel los grind. Je hoort het als je er met de auto overheen rijdt. Nu is het meeste grind al in de teer gereden. Er ligt nog wel wat los langs de kant. Wij maken daarvan heuveltjes op de weg. Daarna duiken we de berm in. We liggen langs de dijk en wachten tot er een auto aankomt. Als die door de bergjes heen rijdt, maakt dat een rammelend geluid.

Ik stel voor om bij de volgende auto met een steentje te gooien. Mogelijk wordt zo’n steentje dan teruggekaatst door de band van de auto. De volgende auto is een sportwagen. Tenminste, zo noemen we het. Het is een laag model, zoals er dan wel meer zijn. Is het een Ford Capri of een Ford Mustang? Zoiets, misschien. De auto stopt en we maken dat wegkomen.

De volgende dag komt de politie op school en ik word uit het lokaal gehaald. Er wordt gevraagd of ik met steentjes op een auto heb gegooid. Ik ontken; het was volgens mij ook maar een enkel steentje. Maar de agent heeft al met meer leerlingen gepraat en Theo Lijbers heeft mijn naam genoemd.

Het blijkt dat ik de voorruit van de auto heb geraakt. Dat is niet best, want het kost mijn ouders een hoop geld en geld is soms een probleem.

Nou ja, we zitten wel altijd netjes in de kleren, al kopen we niet veel nieuw. Meestal krijgen we de kleren van mensen die kinderen hebben die net iets ouder zijn dan wij. En we eten altijd goed. 'Een boer verhongeren en een vis verzuipen - dat valt niet mee', zegt mijn vader altijd.

Sportdag en schaatsen

Terug naar de sportdag. Ik denk dat er ook wel wedstrijden zijn tussen schoolteams, in voetbal en slagbal. Op onze school zitten een paar heel goede voetballers: Sjaak Verwaayen, Karel Grimm en Hans Jansen, die heel snel is. En Elbert Moed en Reinier de Zeeuw kunnen het ook wel. Ik ben er niet zo goed in, al vind ik het wel leuk.

Als ik net in de eerste klas zit en mee mag doen op het plein, weet ik nog niets van voetbal af. Een van de leerlingen zegt dat ik ‘vliegende kiep’ ben, wat ik heel grappig vind. Wat ‘kiepen’ zijn weet ik wel, we hebben zelf een hok vol. Maar het blijkt dat ik keeper moet zijn. Er wordt mij uitgelegd wat die doet, want dat weet ik dan nog niet. Maar ik hoef niet in het doel te blijven, want ik ben vliegende keep en mag gewoon meevoetballen.

Soms, als er ijs ligt, gaan we met de hele school schaatsen. Er zijn leerlingen die dat geweldig kunnen. Die hebben dan ook ‘hoge noren’ en sommige meisjes hebben ‘kunstschaatsen’. Elbert Moed heeft nog weer andere schaatsen en dat blijken ijshockeyschaatsen te zijn.

Ik heb ‘houtjes’, houten schaatsen. Krijgertjes natuurlijk. Ze zijn nooit geslepen, maar dat is niet zo erg. Ik ben geen goede schaatser, maar uiteindelijk kan ik er redelijk mee uit de voeten. Ik ga dan ook wel eens met sommige jongens schaatsen. Meestal schaats ik op een slootje dicht bij huis. Een beetje krabbelen, meer kun je daar niet.

Als er weer een wedstrijd gehouden wordt, steeds met zijn tweeën tegen elkaar, kan ik aardig meekomen, denk ik. Bij de echte snelle jongens heb ik niets te zoeken, maar bij de krabbelaars heb ik een kans. Ik moet tegen Karel Grimm, die er ook niet zoveel van kan.

Toch wint Karel. Hij heeft zijn schaatsen heel los ondergebonden en tijdens de wedstrijd schuift hij ze naar de zijkant van zijn voeten, zodat hij gewoon kan lopen. Zo wint hij alsnog. Dat had hij slim bekeken. 




Schoolfoto van mijn moeder met haar broertjes Ab en Henk

donderdag 25 juni 2026

Eerst duidelijk dan snel

Weer een stukje uit een dagboek, met herinneringen aan de lagere school. Ik schreef dit voor mijn kleinzoon op dinsdag 1 augustus 2023. 

Het is weer van alles wat, zonder erg veel lijn: van het opzeggen van het versje tot het schrijfschriftje, van het schoolsparen en het zendingsgeld tot de leesboekjes en de geschiedenisplaten van de stempels bij aardrijkskunde tot de tekenlessen. 

Mogelijk herken je er iets van, afhankelijk van je leeftijd. En mogelijk is het allemaal nieuw voor je, omdat het al zo oud is. 


Op maandag wordt op school het ‘versje’ overhoord. Het versje is een psalm of een gezang dat je uit je hoofd moet leren. Onze school is een hervormde school. Er wordt gezongen uit de nieuwe berijming en gelezen uit de nieuwe vertaling, van 1951. Maar bij mij thuis lezen we de Statenvertaling en zingen we de oude berijming. Ik mag van school altijd een psalm in de oude berijming opzeggen.

Een voor een wordt iedereen voor het bord geroepen en dan zeg je het versje op. Dat doe je in een razend hoog tempo, om te laten merken hoe goed je het geleerd hebt. Je krijgt er ook een cijfer voor op het rapport. Het is niet een vak dat voorgedrukt vermeld staat; de meester of juf moet het er met hand bij schrijven. Ik heb meestal een 9 of een 10, maar misschien hebben de meeste kinderen dat wel. Je krijgt ook een cijfer voor ‘vlijt’, dat ook wel ‘ijver’ wordt genoemd. Later zal men dat ‘inzet’ noemen. En voor ‘gedrag’. Er is een rapport waarop ik maar een 6,5 voor ‘gedrag’ scoor en eigenlijk moet je wel een 7 halen en nog liever een 8. Waar ik die 6,5 aan te danken heb, weet ik niet. Mijn ouders doen er niet moeilijk over.

Mijn laagste cijfer is altijd voor ‘schrijven’, meestal een 6 of een 6-, soms een 5,5. Slechts een enkele keer scoor ik een 6,5. Schrijven gaat niet zo best met mijn linkerhand. Er zijn volwassenen die vertellen dat ik maar bof. In hun tijd werd je gedwongen om met rechts te schrijven en ik mag mijn pen met links vasthouden. Maar ik heb hetzelfde schrijfschriftje als de rechtshandigen, van Tazelaar en Mathijsse, met een blauw/geel kaft. Eerst duidelijk, dan snel heet de methode.

We schrijven in de laagste klassen met pen en inkt. Een linkshandige moet goed oppassen dat hij niet met zijn hand over de natte inkt gaat. Dat valt niet mee. Als je een draadje aan de punt van je pen hebt, gaat het schrijven ook niet goed. Gelukkig heb ik een inktlap, waarmee ik mijn pen kan afvegen. Ik heb een hele mooie, van schuimrubber, in de vorm van een hondje. De meeste leerlingen hebben er een met een stel velletjes van spul dat een beetje op de zemelap van mijn moeder lijkt.

Als ik even niet kijk, heeft mijn buurman mijn inktlap te pakken. Op dat moment is dat Gerard (Joekie). Hij trekt de inktlap in stukjes en propt die in de inktpot, wat een enorme zooi geeft. Hoe het verder gaat, weet ik niet.

Als je inktpot bijna leeg is, kun je het tegen de juf zeggen. Die haalt dan uit de kast een heel grote fles inkt. Minstens twee liter, schat ik. Er zit een tuitje aan, zodat je makkelijk kunt schenken.

Mijn moeder maakt zelf een nieuwe inktlap voor me. Ze knipt met de kartelschaar allemaal rondjes uit, zo groot als een beschuit. Het zijn er heel veel. Die naait ze in het midden aan elkaar. Bovenop komt een grote, roze knoop. Het bovenste lapje stof is donkergroen, met een ribbeltje. Het zijn zoveel velletjes, dat ik er heel lang mee kan doen. Altijd is er wel een schoon plekje op te vinden.

Als je een stukje geschreven hebt, leg je je vloeipapier erop. Dat is van lichtgroen, nogal vezelig papier. Als je een druppel inkt op je schrift hebt laten vallen, moet je dat velletje er niet zomaar op drukken, want dan wordt het een grote vlek. Met een hoek van het vloeipapier kun je eerst wat inkt opzuigen.

In de laagste klassen leer je lezen, schrijven, rekenen en taal. Daarnaast natuurlijk tekenen en gym. En godsdienst, maar dat heet ‘Bijbelse geschiedenis’. Daar begint elke dag mee en met zingen. De meeste vakken gaan me redelijk af, al vind ik taal leuker dan rekenen.

Bijbelse geschiedenis is altijd mooi, want de juf kan goed vertellen. Een enkele keer zet ze het viltbord voor de klas. Daar blijven plaatjes aan plakken. Voor sommige bijbelverhalen heeft ze een set plaatjes. Dat vind ik altijd prachtig.

Op maandag nemen we geld mee naar school voor de zending en voor het schoolsparen. Ik zit al niet meer in de eerste klas als er voor de zending ineens een bruin plastic kerkje is, met een gleuf in het dak. Als je daar geld in gooit, tingelt hij een beetje. In de hoogste klas mag je ook iets uitzoeken als beloning voor al het geld dat je voor de zending geeft. Ik kies twee keer een langwerpig boekje, een stripboek: een reeks plaatjes met daaronder tekst. De tekeningen zijn in zwart/wit, maar enkele ervan kleur ik in. Ik zal de boeken later kwijtraken. Verder kies ik een keer een leesboek:
Kameroen in 59 dagen
, over een man uit Afrika die in een paar maanden door heel Kameroen fietst. 

Voor het sparen krijg je zegels die je op een spaarkaart moet plakken. Donkerrode zegels met een eekhoorn erop. Als de kaart vol is, ga je met je spaarbankboekje naar het postkantoor. Daar wordt het bedrag dat je gespaard hebt bijgeschreven op je boekje. Je kunt ook geld storten op het boekje door een contant bedrag mee te nemen naar het postkantoor, bijvoorbeeld als je geld voor je verjaardag hebt gekregen. En jaarlijks kun je rente bij laten schrijven.

Lezen doen we uit de boekjes van Jaap en Gerdientje. Het zijn al oude boekjes en ze zijn misschien zelfs al verouderd, maar ik herken er veel van. De verhalen spelen zich af op het platteland. Er zijn daar ook kinderen die op klompen lopen. Zelf loop ik helemaal niet zo vaak op klompen, meer op laarzen, maar goed. Ik hou erg van de tekeningen van Tjeerd Bottema.

We lezen klassikaal, om de beurt een stukje. Maar sommige kinderen lezen erg traag en dan ga je vanzelf vooruitlezen. Het gevolg is wel dat je dan soms niet weet waar ze zijn als je ineens de beurt krijgt.


Jaap en Gerdientje
Er is ook een klassenbibliotheekje van een paar plankjes met boeken. Als je klaar bent met je werk, mag je soms gaan lezen in je bibliotheekboek. Alle boeken zijn gekaft met bruin papier met een streepje. Als ik in klas vijf zit, zijn er ineens nieuwe boeken, zonder kaftpapier, met een kleurrijke voorkant. Ik word daar helemaal gelukkig van.

Zoveel kleur is er gewoonlijk niet. In de boeken van taal en rekenen staan geen plaatjes, alleen maar oefeningen. Alle schriften zijn donkergroen. Maar er zit wel een etiket voorop, waarop de juf of de meester heel netjes je naam schrijft. Het etiket is een plaatje met daaronder ruimte voor je naam. Een van de etiketten is er eentje met een boot. Meestal mag je zelf niet kiezen.

Als ik in klas 2 zit, verlang ik erg naar klas 3. Dan krijg je vaderlandse geschiedenis. De methode heet Toen… en nu. De tekst is van W.G. van de Hulst. Er staan mooie tekeningen in het boek (van J.H. Isings) en soms pakt de meester er een schoolplaat bij. Enkele van die schoolplaten hangen aan de muur. Over de walvisvaart, met een ijsbeer erbij die een mens aanvalt. Over de Noormannen, over Maarten Luther. En natuurplaten over sloot en plas of over het weiland. Allemaal prachtig. Ik zal mijn hele leven lang van schoolplaten houden.

Die natuurplaten zijn voor het vak dat ‘kennis der natuur’ heet. Later zal dat biologie genoemd worden. Er is een meester die wil dat wij een herbarium aanleggen. Daarvoor moeten planten gedroogd worden. Je legt ze in een dik boek en dan plet je ze. Het vocht wordt opgenomen door de bladzijden. Ik heb er niet zo’n zin in en verzamel maar vijf planten, waaronder de boterbloem, het herderstasje en het klein kruiskruid. Van die laatste weet ik de naam niet. Iemand moet me daarbij helpen.

Al die plantjes gaan in een plakboek, op elke bladzijde eentje. Je moet ze met heel dunne stukjes plakband vastmaken. Onder aan de bladzijde moet je opschrijven waar je ze gevonden hebt.

Er zijn leerlingen die er hele boekwerken van hebben gemaakt. Ik heb maar vijf plantjes, maar ik heb ze wel goed gedroogd en heel netjes vastgeplakt. Toch een voldoende.

In klas drie krijgen we ook aardrijkskunde. Dan hangt de meester een landkaart voor het bord en wijst de plaatsen aan. Er is een kaart met de namen erbij en er is een ‘blinde’ kaart. Het zijn hele rijtjes plaatsnamen, rivieren en meren die we moeten leren.

In de derde klas leren we alleen over Nederland, alle elf provincies. Als er een nieuwe provincie aan de beurt is, komt de meester langs om een paginagrote stempel in je schrift te zetten. De stempels zitten elk in een doos, blauw met heel licht grijs. Ze zijn gebogen, zodat de meester ze gemakkelijk op het stempelkussen kan drukken. Daarna krijg je de stempel in je schrift. Je moet wel even wachten tot het droog is. Daarna kun je de nummers bij de plaatsen schrijven en de letters bij de rivieren. De namen overschrijven en leren maar!

Later zal men dat topografie of topo noemen. Dat woord kennen wij dan nog niet.

We krijgen niet alleen een stempel bij aardrijkskunde. Als je taal of rekenen (of een ander vak) heel goed hebt gedaan, krijg je ook een stempel. Je krijgt altijd twee cijfers: voor het vak en voor schrijven. In mijn geval is dat dan weer jammer. De juf schrijft dan bijvoorbeeld T9 S5. Dan heb je taal wel goed gedaan, maar het schrijven was dan toch onvoldoende.

Later komen er piepkleine stickertjes, die we plaatjes noemen. Eerst naast de stempels. Is drie stempels een plaatje? Later zijn de stempels er niet meer en hebben de plaatjes het overgenomen.

Er is ook een vak tekenen, maar daar leer je niet zoveel. Soms moet je een opstel schrijven. Meestal is de opdracht om het bijbelverhaal na te vertellen. Daarbij maak je ook een tekening.

In de hoogste klassen moeten we een voorbeeld natekenen. Als ik in de vijfde zit, is er een jongen in de zesde die daar altijd negens voor haalt: Kees Frentz. Ik blijf meestal op de zeven steken, maar ik heb er best plezier in. Een deel van de tekenles op vrijdagmiddag mis ik, doordat ik dan net de grote houten prullenbakken aan het ophalen ben.

De voorbeelden zijn er in allerlei stijlen. Ik kies de leeuw met de rotsblokken. Dat is nog best lastig. En na het tekenen moet je ook nog inkleuren. Als de punt van je kleurpotlood stomp geworden is, mag je je potlood slijpen met het slijpmachientje dat op het bureau van de meester vastgeklemd is. Je ruikt dan het hout.

Er is ook een tekenvoorbeeld van een man met een hoge hoed en een bril die hij aan een stokje vasthoudt. Een ouderwetse tekening van een deftige man. Hij heeft een blauwe jas aan, een gele broek en hij draagt laarzen.

Bij een bepaalde gelegenheid maken enkele kinderen deze tekening in het groot. We hebben geen heel grote tekenvellen, maar ze plakken een heel stel vellen aan elkaar. Het wordt een prachtige, grote tekening. Ze mogen hem inkleuren met verf. De plaat wordt overhandigd aan de burgemeester, op de stoep van het gemeentehuis. Clasina houdt de tekening vast, samen met Ina Hofman. Er komt een foto van in de krant.

Een van de mooiste dingen op school is iets waarvan ik niet weet hoe het heet. Nog vroeger noemden ze het een toverlantaarn, maar dat is het eigenlijk niet, geloof ik. Achter in het lokaal staat een soort projector in de kast. Een doodenkele keer haalt de meester die eruit en zet die op een tafeltje. Hij hangt een landkaart achterstevoren voor het bord en daar kan de projector op schijnen.

Dan moet er nog een filmstrook in het apparaat. De filmpjes zitten in plastic kokertjes met een deksel erop. Die zien eruit als de doosjes waarin fotorolletjes zitten. De meester zet het rolletje op de pin naast het apparaat, leidt het filmpje voor de lamp langs en draait het op het spoeltje dat op de pin aan de andere kant van het apparaat zit. Dan kan de voorstelling beginnen.

Nou ja, voorstelling - de meester vertelt een verhaal en schuift het filmpje steeds een plaatje verder. Ik vind het prachtig. Het is geen film, maar het is wel in kleur. Televisie is dan nog in zwart/wit, dus dit is wel iets heel bijzonders. Maar het gebeurt bijna nooit. Dat is wel jammer.

woensdag 17 juni 2026

Een diepzwart, glimmend bord

Uit mijn dagboeken pluk ik meestal zomaar een gedeelte. Dat maakt het allemaal nogal hapsnap, maar als ik wel alles keurig in volgorde zou publiceren, zou dat niet zoveel anders zijn. En er zitten ook gedeelten tussen die voor hier helemaal niet interessant zijn. 

Onder de titel De bovenste regel heeft ook geld gekost plaatste ik herinneringen aan mijn lagere school. Daar ga ik nu mee verder. Wat hieronder staat, schreef ik op vrijdag 28 juli 2023. De komende weken zal ik doorgaan met herinneringen aan school. Weinig gestructureerd, zonder enig plan. 

Meestal schreef ik gewoon op wat er op dat moment bij me opkwam en als mijn gedachten op een zijpad belandden, volgde ik ze toch maar als ik dat interessant genoeg vond. De stukjes waren eigenlijk ook niet bedoeld voor publicatie: ik schreef ze voor mijn kleinkind, om het te laten zien uit wat voor wereld ik kom. Ik schreef ook over de wereld waarin het kind terechtkomt, aan de hand van de actualiteit, maar die gedeelten laat ik achterwege. 

Over het algemeen verander ik weinig tot niets aan wat ik een paar jaar geleden schreef. Soms verduidelijk ik iets, een doodenkele keer laat ik een zin weg, meestal als het om personen gaat wier nabestaanden zo'n zin onprettig zouden vinden. Voor het grootste gedeelte is het toch knippen en plakken. 




Terug naar de school, waar ik mijn schoolloopbaan dus in het derde lokaal begin. Naast de gang, de wc’s, het kolenhok en de vier lokalen, zijn er geen ruimtes in de school. Boven de lokalen is een puntdak. Er zal dus een zolder zijn, maar ik weet niet hoe je daar komt. Gaat er in het kolenhok een trap naar de zolder? Ook bij de verhuizing van de school, als ik in de zesde zit, kom ik niet op de zolder, voor zover ik mij herinner.

Na die verhuizing krijgt het hoofd van de school een eigen kamer. Dat vinden we overdreven. Postma heeft het blijkbaar hoog in de bol. In de oude school is er geen directeurskamer. Er is ook geen keuken. Als het bijna pauze is, zet juffrouw De Graaf de waterkoker aan. Drinken de onderwijzers en onderwijzeressen oploskoffie? Ik weet het niet.

In de pauze spelen we buiten. Het achterste gedeelte van het plein is voor de grote jongens. Die voetballen daar. Het zijn in mijn ogen bijna volwassen mannen, als ik in de eerste klas zit. We doen de gewone spelletjes: tikkertje, voetje van de vloer, stringvangertje. 'String' zal wel dialect zijn voor 'streng'. Twee kinderen zijn ‘hem’. Ze lopen hand in hand en proberen iemand te tikken. Als dat gelukt is, komt die tussen hen in. De streng wordt dus steeds langer, zodat het voor de niet-getikten steeds moeilijker is om te ontkomen.

De meisjes kaatseballen tegen de muur van de school. Er wordt niet geknikkerd. Als mijn broer en zus van school af gaan naar de reformatorische school, komen ze op een school waar wel geknikkerd wordt.

In de zomer hebben veel jongens stukjes spiegelglas bij zich, waarin ze het zonlicht vangen. Ze laten het schijnen op de meisjes die bij de muur in de schaduw staan. De meisjes doen ook wel aan touwtjespringen. Soms hebben ze een eigen springtouw, maar vaak ook is er een lang springtouw. Dan kun je met een hele groep tegelijk springen. Het is echt iets voor meiden, al doen jongens ook wel eens mee. Ik ben er niet goed in. Ik weet nooit wanneer je nu in moet springen.

We doen ook wel een soort riddergevechten. Twee jongens zitten op de rug bij twee andere jongens. De onderste zijn dus de paarden, de bovenste de ridders. Je probeert de andere ridder van het paard te werpen of ervoor te zorgen dat het paard door zijn hoeven zakt. Ik doe het als paard vrij goed. Blijkbaar sta ik stevig op mijn benen.

In de winter maken we glijbanen. Er zijn er dan verschillende op het plein. Ze eindigen allemaal bij de betonnen rand waar de omheining op staat.

Het plein is ook de plek voor de gymlessen; een sportveld of een gymzaal is er niet. We moeten oefeningen doen. Vuisten tegen elkaar voor de borst, ellebogen omhoog en dan die ellebogen naar achteren bewegen. En met je benen iets uit elkaar je bukken en proberen je voeten aan te raken. Je benen moeten gestrekt blijven. Dat lukt mij nooit. Maar we doen ook wel spelachtige dingen, zoals korfbal, slagbal en trefbal. Dat laatste is mijn lievelingsspel. Gooien met een bal kan ik niet goed, maar de bal ontwijken gaat me meestal behoorlijk af. Het is mooi als je een van de laatsten bent die ‘afgegooid’ wordt.

Aan de achterkant van het plein is de omheining twee keer zo hoog. Toch gaat er wel eens een bal overheen. Dan moet je snel door het hek naar de tuin van de buren rennen. Die wonen in een duplexwoning en boven woont Gerrie Stoffelen. Die heeft wel eens een bal lekgestoken. Ik heb het nooit gezien, maar het verhaal wordt vaak genoeg verteld.

In de lagere klassen doen we ook wel kringspelletjes als ‘de zevensprong’, ‘Joepiejoepie is gekomen’ en ook ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’, ‘Schipper mag ik overvaren?’ en waarschijnlijk nog wel meer.

Bij slecht weer of in de winter lopen we voor het gymmen naar het CVC-gebouw: we lopen de Schoolstraat uit en gaan linksaf de Tielsestraat op. Dan ben je bijna meteen bij het gebouw. Daar is ook wel eens de kerstviering, al is die soms ook in de kerk. Als er bazar is, gaan we er ook heen.

Er is een zaal met een houten vloer en voorin een podium. Daarachter zijn nog enkele kleinere ruimten. Daar zit de schooldokter als je daar naar toe moet. En de schooltandarts. Daar ben ik niet dol op.

Als het regent, gaan we op de laarzen naar school. Soms mogen we in de pauze binnen blijven. Niemand heeft trouwens iets te eten of te drinken bij zich. Tussen de middag eet iedereen thuis. Warm, neem ik aan. Ik ken geen gezinnen waar er tussen de middag brood wordt gegeten.

Voor in elk lokaal, in de hoek bij het raam, staat een grote oliekachel. We zetten onze laarzen bij de kachel, zodat ze warm en droog zijn als we weer naar huis gaan.

De ramen zitten hoog, zodat je er niet doorheen kunt kijken als je in de bank zit. Je ziet alleen de lucht. Als je staat, kun je wel naar buiten kijken. De bovenramen kunnen opengezet worden met een lange stok met aan het uiteinde een ijzeren uitsteeksel dat door het oogje van de raamsluiting gestoken kan worden. 

De borden zijn zwart. Pas later zullen er groene borden komen, maar niet op deze school. De borden worden met een bordenwisser gereinigd. Aan het eind van de dag moet een leerling die bordenwisser schoonmaken. Je krijgt een liniaal mee en daarmee moet je buiten net zo lang op die bordenwisser slaan tot er geen stof meer uit komt. Er zijn wel leerlingen die met de bordenwisser tegen de muur slaan. Dat gaat sneller, maar dat laat witte afdrukken van de bordenwisser achter. Je krijgt op je kop als je dat doet.

Soms maakt de juf het bord schoon met de spons. Dat is een feestelijke gebeurtenis. Het bord wordt er diepzwart van en het glimt, zodat je de klas erin weerspiegeld zit.

Bij de kachel staat het grote telraam met witte en rode ballen. Daarbij is ook een smal schoolbord. Daarop tekent de juf een vlag als er iemand jarig is. Je voelt je belangrijk als de hele dag jouw naam onder de vlag staat.

Van thuis krijg je op je verjaardag een trommel met snoepjes (bijvoorbeeld toffees) mee. Alle klasgenoten krijgen een snoepje en jij krijgt een kaart of een plaatje van de meester of juf. Daarna mag je een of twee kinderen uitkiezen die met je meegaan, de klassen rond. In de andere klassen word je gefeliciteerd door de juf of meester en je krijgt weer een kaart. In elke klas kies je een paar kinderen uit die een snoepje van je krijgen. Ieder kind hoopt dat je hem of haar uitkiest.

Als er een meester of juf jarig is, gaat de hele school naar het betreffende lokaal. Je schuift bij elkaar in de bank, zodat er wel drie of vier kinderen in een bank zitten. Niet iedereen heeft een zitplek. Het lokaal is bomvol. Wat er daarna gebeurt, weet ik niet. De jarige komt binnen en wordt gefeliciteerd door het hoofd der school, denk ik, en er zal ook wel gezongen worden.

En er zijn traktaties. Voor de eigen klas, maar ook voor de andere kinderen. Kinderen gaan rond met hapjes. Maar wat krijgen we dan? Geen idee. Het is niet achtergebleven op de zeef van mijn geheugen. 

donderdag 11 juni 2026

De weg weten in een huis dat er niet meer is


Vorige week plaatste ik weer jeugdherinneringen, zoals ik die ooit had opgetekend in een dagboek. De bijdrage ging over de dingen die we in onze jeugd verzamelden: speldjes, sleutelhangers en stickers, maar ook nam ik je mee door het huis van mijn vriendje Gerard. 

Het blijft vreemd dat je nog steeds feilloos de weg kunt weten door een huis dat er niet meer is. In een ander dagboek loop ik in gedachten door het huis waar ik geboren ben. Foto's van dat huis vind je bijvoorbeeld hier. Dat is best een lange tocht en die heb ik hier verder niet gedeeld. 

'Gelukkig hebben we de foto's nog', zouden ze zeggen bij Dit was het nieuws. Ik wist dat er een foto was van het huis van mijn vriendje en ik vond die, na een tijdje zoeken, bij de Facebookgroep Midden Betuwe. Ik plakte hem bij mijn blogpost. 

Goede herinneringen

De dagen erna betrapte ik mezelf erop dat ik verschillende keren de foto bekeek en dat mij dat een goed gevoel gaf. Blijkbaar heb ik goede herinneringen aan die plek en dat is ook niet zo gek. Spelen met Gerard was immers altijd fijn. Op die plek heb ik dus alleen maar leuke dingen gedaan. 

Zoals je ziet, staat het huis met de zijkant naar de weg. De twee ramen aan de zijkant, naast de voordeur, zijn van de slaapkamer van Gerards ouders, net als het eerste raam, net om de hoek, aan de voorkant. Het andere raam aan de voorkant is iets lager; het is het raam van de kamer. Blijkbaar moest je vanuit de gang een paar treden naar beneden om in de kamer te komen. Dat was ik kwijt. Vrouw Zwijnen zat vaak achter dat raam. Ervoor was een tuintje: een paar oude fruitbomen, een grasperkje en een border met bloemen. Het was een knusse tuin. 

Vrouw Zwijnen keek erop uit en zag de seizoenen voorbijgaan. Aan de andere zijkant was een breed raam dat uitkeek op de uiterwaarden. Het moet een prachtig uitzicht geweest zijn, al herinner ik me niet dat ik mij dat toen realiseerde. Ook het raam van de keuken keek uit op de uiterwaarden. 

Hofstede Koeweide
Gerard leeft helaas niet meer. Na de lagere school ging hij naar de LTS en ik ging naar de mavo. Mogelijk kwam hij bij ons nog wel een tijdje over de vloer en hielp hij bij ons mee op de boerderij. In 1975 vertrok ik naar een internaat in Gouda, waar ik de hoogste klassen van de havo zou doorlopen en de PA (Pedagogische Academie, voorloper van de PABO, opvolger van de kweekschool). Gerard ging werken als monteur bij Vogelenzang. 

Koeweide

Het huis van Gerard en zijn ouders moest verdwijnen en het gezin verhuisde naar het huis van een oom van Gerard, broer van zijn moeder: Wimke Gerritsen, die zichzelf wel Wim Gerritsen genoemd zal hebben. Ook daar ben ik nog verschillende keren geweest. Ik herinner me de vorige bewoner nog: een aardige man met een snor als een borstel. De laatste keer dat ik in het huis was, had Gerard al twee kinderen, die in de box in de kamer stonden. 

Ook dat huis stond aan de dijk, maar niet boven aan de dijk, maar aan de voet ervan. Op het huis stond de naam Koeweide. Een van de weilanden (wij zeiden de polders) draagt de naam Koeweide. Die was bij ons bekend. Heeft het huis later de naam van het buitendijkse weiland gekregen of had het die altijd al maar stond die niet op de gevel? Ik weet het niet. 

Gerard was al op vrij jonge leeftijd getrouwd. 'Gerrie is de naam van de merrie', zei hij. Het huwelijk hield uiteindelijk geen stand en voor zover ik weet heeft Gerard veel gedaan aan de opvoeding van de kinderen. Nog weer later werd hij ziek en overleed hij. In die tijd zagen we elkaar al niet meer. 

Maar nu ik de foto van het huis boven aan de dijk zie, moet ik vaak aan hem denken. Ik vermoed dat ik nog wat herinneringen aan hem in mijn dagboeken heb. Die zal ik eens opzoeken. Ook hoe ik op een verjaardag een geintje met hem dacht uit te halen en hem toen behoorlijk pijn deed. 

Gerard

12,5 jaar getrouwd

Ik herinner me ook nog dat mijn ouders 12,5 jaar getrouwd waren. Het werd gewoon bij ons thuis gehouden. Er stonden wel extra tafels in de kamer, waarrond de rest van de familie zat, er was wit papier over de tafels gelegd en er waren klapstoelen gehaald. 

Het moet maart 1970 geweest zijn. Ik zou in juni 11 jaar oud worden. Vrouw Zwijnen vond dat er wel iets leuks gedaan moest gedaan Ze schreef een paar gedichtjes die mijn zus Lientje, Gerard en ik moesten voorlezen en voor zichzelf had ze ook een gedicht. We kregen allemaal een raar hoofddeksel op en brachten onze tekst. Ik had die uit mijn hoofd geleerd en was er trots op dat ik die zonder haperen kon opzeggen. Vooral Alie, vrouw Zwijnen, oogstte veel hilariteit met haar uitdossing en haar tekst. 

Zus Lientje (Carolien)

Verder was het gezin Zwijnen waarschijnlijk de start van mijn liefde voor strips. Het gezin las de Sjors en de Tina. Al die Sjorsen kreeg ik mee als het gezin ze uit had en soms gingen er ook wat Tina's mee. Ook hadden ze dikke stripboeken van Sjors en Sjimmie getekend door Frans Piët. Over Sjors en Sjimmie bij de Baanbrekers schreef ik al een keer. De andere ingang tot de strips kreeg ik bij mijn neefje Gertje (later Gerrit) van tante Gerrie, die geabonneerd was op de Donald Duck. 

Als ik op een rommelmarkt oude exemplaren van Sjors of Donald Duck zie, koop ik ze. Ik moet onderhand eens gaan inventariseren wat ik heb. Compleet zullen de jaargangen niet zijn en ik zal ook exemplaren dubbel hebben. Afgelopen zondag kocht ik nog anderhalve jaargang van Tina op een markt in Arnhem (1973, 1974). Hopelijk kom ik ooit aan het herlezen toe. Gewoonlijk plaats ik alleen maar jeugdherinneringen die ik al eerder heb opgeschreven, maar omdat de foto van het huis van het gezin van Gerard mij bleef trekken, ben ik daar voor deze keer maar van afgeweken. Dat gaat misschien vaker gebeuren. 

Vrouw Zwijnen

woensdag 3 juni 2026

Speldjes, sleutelhangers, stickers

Weer wat jeugdherinneringen, uit een dagboek. Ik schreef dit op 17 september 2023. 

Net als de andere stukjes is ook dit stukje rommelig qua opzet. Het gaat over enkele rages uit mijn jeugd (speldjes, sleutelhangers, stickers) en ik neem je mee naar het huis van mijn vriendje Gerard Zwijnen, die wij ook wel Joekie Bil noemden, al weet ik niet meer waarom. 

Andere verzamelrages komen niet in dit stukje terug. Mogelijk heb ik daar elders over geschreven. Bijvoorbeeld over de voetbalmunten die we bij de benzine kregen en de schelpen. De voetbalmunten had ik compleet, maar ik weet niet waar ze gebleven zijn. Ik heb ze niet meer. 


Huis van de familie Zwijnen, aan de dijk in Andelst
   

Als ik nog maar heel klein ben, is er een rage: speldjes. Je krijgt ze bij de boodschappen. Wij hebben er ook wel een stelletje. Die prikken we in het behang. We sparen ze niet echt. Er zijn mensen die hebben een groot stuk schuimrubber, bijvoorbeeld in de vorm van een hart en daarop prikken ze de speldjes, soort bij soort.

Als ik iets ouder ben (klas 4 of 5 van de lagere school?) is er een nieuwe rage: sleutelhangers. Bij bijna elk product kun je een sleutelhanger krijgen, vaak in de vorm van dat product: een pak koekjes, een fles afwasmiddel, een stuk zeep, een zakje soep, een fles slasaus.

Bij mijn vriendje Gerard hebben ze er heel veel. Ik heb het idee dat zijn moeder juist die boodschappen bestelt waarbij je sleutelhangers krijgt. Ik kijk mijn ogen uit als ik bij hen in de huiskamer kom: langs de wand hangen lange slingers van sleutelhangers. Er is trouwens veel te zien in de huiskamer: vrouw Zwijnen houdt van prulletjes.

Verder doet ze niet zoveel in huis. Meestal zit ze te haken en je kunt altijd bij haar gaan zitten kletsen. Koken doet haar man, Wim Zwijnen. Ik eet daar nooit mee, maar in de keuken ruikt het altijd naar gekookte aardappels.

De familie Zwijnen woont in een huis dat tegen de dijk aan staat. Overal zijn trappen. Meestal ga ik achterom. Als het water van de Waal erg hoog staat, kan dat bijna niet. Het hele erf loopt dan onder en soms komt het ook in het achterhuis.

Er is een hokje voor geiten of varkens, maar daar zit bijna nooit wat in. Misschien staat het konijnenhok in dat varkenshok. Gerard moet altijd ‘kettingpollen’ voor de konijnen verzamelen. Dat woord ken ik helemaal niet. Volgens mij is het gewoon het blad van de paardenbloem.

Hij heeft wel meer dingen waar ik mijn bedenkingen bij heb. Zo mag hij niet dicht bij het water komen. Daarin zit de oude Jood, hebben zijn ouders verteld en die trekt hem het water in. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Het lijkt mij onzin.

Achter het huis bij Gerard is een brede sloot, een soort strang. In de zomer staat het water soms heel laag en valt het strangetje gedeeltelijk droog. Dan bestaat het voor een deel uit modder. We zien een keer een oude schoen half in de modder. ‘Een schoen van de oude Jood,’ zegt Gerard. Zegt hij dat als grapje? Ik kan me niet voorstellen dat hij het meent en zeg maar niks.

Als je het hokje voorbij bent, kom je op de vrij kleine deel. Daar staat veel rommel. Er is eigenlijk alleen een paadje waarop je kunt lopen. Op die deel wordt wel hout gehakt. Vader Zwijnen hakt hele smalle houtjes om de kachel aan te maken. Wij doen dat met turf.

En Roel en Joekie (zoals we Gerard vaak noemen) sleutelen er wel aan brommers en fietsen. In de hoek van de deel staat een hokje met de wc, net als bij ons.

Je gaat rechtsaf, richting het voorhuis, een paar treden omhoog. Dan kom je weer bij een deelachtige ruimte. Rechtsaf is de keuken. Die is heel donker en vrij nauw. Er staat een tafel met stoelen in, waar je maar net omheen kunt lopen, en er is een aanrecht en een gootsteen. Door het raam erboven kijk je uit op de uiterwaarden Er staat ergens een radio, die vaak aan staat. Op Radio Veronica. En in de hoek staat natuurlijk een kachel.

Weer terug naar het kleine deeltje. Met een stenen trap van een trede of vijf kom je op dijkhoogte. Links zie je de voordeur, rechts is de deur van de kamer, recht voor je de slaapkamer van Gerards ouders en de trap naar boven. Daar zijn de slaapkamers van de kinderen. Achter je rug is er een zolder waar we wel eens wat rommelen. Het is een soort opslagruimte. Je kunt er vanaf de dijk in en dan is het eigenlijk gewoon een schuurtje.

Maar goed, in die kamer hangen dus al die sleutelhangers. Wij hebben ze ook. Niet zoveel als bij Zwijnen, maar wel aardig wat. Ik vind de poppetjes het mooist. Bij de jam krijg je popjes uit de Flipjeverhalen: Flipje zelf, juffrouw Schaap, Bertje big, Jasper aap en die oude ram in zijn zeemanspak. 

We hebben veel meer poppetjes: Swiebertje en Bromsnor, de rattenvanger van Hamelen, Pipo en de Dikke Deur, smurfen. Als je er hard aan trekt, kun je ze uit elkaar trekken, maar dan zijn ze wel kapot. Dat doe ik wel eens.

Als ik nog iets ouder ben, zijn er stickers. Die krijg je trouwens meestal niet bij de boodschappen, maar allerlei zaken hebben ze. Mijn vader krijgt ze bij het tanken. In Slijk-Ewijk is er een tankstation bij een man die Tineke Paul heet. Die heeft op de lagere school bij mijn vader in de klas gezeten. Hij heeft een bult achter in zijn nek. Tineke is een rare naam voor een man, maar hij blijkt Martien te heten. Martineke, dus. Als we het vragen, krijgen we stickers met FINA erop, het benzinemerk dat hij verkoopt.

Bij Esso krijg je dierenstickers. Die kun je verzamelen. We hebben er wel een paar. Op eentje staan twee zwemmende ijsberen. Maar mijn vader tankt bijna nooit bij Esso, dus we sparen ze niet. Er zijn albums waar je de stickers in kunt plakken, maar ik ken niemand die zo’n album heeft.

Mijn vader tankt meestal Shell, bij Latta, aan de Waalstraat in Andelst. Daar hebben ze stickers van raketten, de Apollo’s. Ik heb een grote poster waar ik ze op kan plakken. In juli 1969 is er voor het eerst een Amerikaanse raket op de maan geland. Daarmee waren ze de Russen mooi te snel af.

Wij moeten op school een werkstuk maken over Apollo 11. Gelukkig heeft mijn oma een krant, anders zou ik niet weten hoe ik dat zou moeten doen. Ik hou ook niet zo heel erg van werkstukken maken.

Maar goed, ik knip wat artikelen uit de krant en schrijf daar wat bij. Ik haal ergens (waar?) twee blaadjes blauw papier vandaan, die de kaft kunnen vormen. Daarna knip ik gaatjes in alle blaadjes, met de grijze perforator van mijn vader. Die heeft hij altijd bij zijn boekhoudspullen liggen. Als je de onderkant openmaakt, heb je confetti. 


Door de gaatjes doe ik een draadje wol en dan heb ik een boekje. Als ik er een cijfer voor gekregen heb, zal het wel voldoende zijn geweest, maar niet zoveel meer.

Mijn vader moet geregeld tanken en uiteindelijk heb ik de hele poster vol met stickers. Die van de Apollo 11, met de adelaar is het mooist, maar de sticker met de drie paarden met lange manen mag er ook zijn. Ik plak de poster boven mijn bed.

Mensen plakken overal stickers op. Bij BP zijn er stickers van smurfen en die zie je veel op de achterruit van auto’s: ‘Als u dit kunt lezen, smurft u te dichtbij.’ Die stickers blijven nog wel een tijdje, ook als ik al op de middelbare school zal zitten. Maar daar heb ik het nu niet over.

Er is nog meer om te verzamelen. Mijn moeder heeft onderzetters van Rick de Kikker. Ze zijn van plastic in allerlei vrolijke kleuren. In het midden een afbeelding van Rick. Op eentje zit hij op een schildpad, op een andere zit hij te vissen. Ik heb een plat plastic poppetje van Rick met een voetbal. Het kan blijven staan.  

Ik heb meer van die platte poppetjes. In sommige zit schuimrubber, zodat ze zacht aanvoelen. Ze kunnen niet allemaal blijven staan. Ik heb bijvoorbeeld Lucky Luke en Batman. Ik neem ze mee naar school. Als ik in de hoogste klas zit, schrijven we al niet meer met pen en inkt, maar de schoolbanken hebben nog wel inktpotjes. Daar kun je de figuurtjes in zetten.

Mijn moeder heeft ook glazen, van Bolletje. Daarop staan een soort cartoons met de tekst ‘Ik wil Bolletje!’, bijvoorbeeld van een jongetje dat staat te springen op de buik van zijn vader, die nog in bed ligt. Hij roept ‘Ik wil Bolletje!’