Posts tonen met het label 't Kofschip. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 't Kofschip. Alle posts tonen

woensdag 26 november 2025

Afgestoft: Van de hak op de tak

Het literaire tijdschrift 't Kofschip bevatte in nagenoeg elk nummer een afdeling 'Van de hak op de tak', waarin boeken kort besproken werden. Soms was dat wel heel kort. Vooral Ugo Verbeke verstond de kunst om een hele stapel boeken weg te werken op een enkele pagina. Of de lezers veel aan die signaleringen hebben gehad, weet ik niet.

Zo schreef Verbeke over Fractaal van Leo Vroman:

Bijna jaarlijks verschijnt van Vroman een dichtbundel. De poëzie van deze auteur heeft te maken met ruimte, hoeveelheid, dimensie. Vanuit die optiek benadert de auteur tastbare onderwerpen waarmee ieder te maken heeft: liefde, natuur.

Die bundel had misschien wel een wat uitgebreidere bespreking verdiend. 

Ik denk dat Verbeke zijn stukjes in hoog tempo schreef en dan ging er ook wel eens wat mis. Doeschka Meijsing noemde hij tot twee keer toe Droeschka Meijsing en over De route van de rondvaartboot van Lenze L. Bouwers schreef hij dat het een debuut was (Het is zijn vierde bundel). 

Ik dacht dat ik geregeld zo'n kort stukje had geleverd, maar ik vind er maar een paar. 


Twee korte besprekingen

A. Moonen, De wurger van Delft

Volgens de ondertitel staan er verhalen in het nieuwste boek van A. Moonen, De wurger van Delft. In het boek lezen we ergens: 'Mijn verhalen voor De Wurger zijn als een roman te lezen.' Inderdaad ervoer ik dit boek meer als een geheel dan als een verzameling stukjes. Voor deze stukjes is 'verhalen' niet altijd een doeltreffend woord. Soms zijn het brieven, soms dagboekachtige notities, soms een soort columns en soms -jazeker- heuse verhalen. Uit al deze stukjes krijgen we een beeld van de verteller, zijn bezigheden, zorgen, angsten, grappen.

De stijl van A. Moonen is markant. Sommige passages heb ik, juist vanwege de stijl, met bewondering gelezen. Andere daarentegen ergerden mij. Ook vanwege de stijl. Vooral de vele neologismen, die vaak veel te duidelijk grappig bedoeld waren, wekten die ergernis op. Als geheel vind ik het boek niet bijster interessant. De vele trivialiteiten maken het lezen niet altijd tot een pretje. Niet vanwege hun stuitende omschrijving, maar vanwege hun overbodigheid. 'Waarom moet ik dat in vredesnaam allemaal lezen?' vroeg ik me vaak af.  

('t Kofschip, vijftiende jaargang nr. 3, (mei/juni 1987)


Koen Vermeiren, De vrolijke eenzaamheid

Kurt, een man van ruim dertig jaar, schrijft al vanaf zijn zeventiende. Hij besluit zijn leven op papier te zetten. Hij merkt dat er steeds meer spanning komt tussen wat hij schrijft en de werkelijkheid. Aan het einde van het boek komt hij achter zijn schrijftafel vandaan. Hij zal een reis gaan maken. 

Dit is in het kort de inhoud van De vrolijke eenzaamheid van Koen Vermeiren. Vermeiren toont in dit boek dat hij weet wat schrijven is; ik heb boeiende, goed geschreven passages aangetroffen 

Ik heb me echter ook geërgerd. Zo gauw Vermeiren begint te filosoferen of te psychologiseren wordt het gezeur. Mijns inziens hadden heel wat van die zeurgedeelten domweg geschrapt kunnen worden. Laat Vermeiren zich maar beperken tot wat hij kan: een goed verhaal vertellen. 

('t Kofschip, Zeventiende jaargang nr. 1, (januari/februari 1987)


Knobbelgeschiedenis

Bijzonder zijn de lotgevallen van mijn stukje over de roman Knobbelgeschiedenis van Bert Decorte. Het is goed om te bedenken dat indertijd alles per post ging. Het was nog de tijd van voor de e-mail. Ik kreeg van tijd tot tijd een stapeltje boeken toegestuurd, ik las ze, tikte mijn recensies en stuurde die in een grote envelop terug. Na verloop van tijd werden er dan een stel geplaatst, andere schoven door naar een volgend nummer. 

Ik hield het allemaal niet zo bij, ik zou wel zien wanneer er wat gepubliceerd werd. Tot ik mij realiseerde dat het toch wel erg lang geleden was dat ik het stukje over Knobbelgeschiedenis had opgestuurd. Juist toen ik dat bedacht had, ontmoette ik mijn redacteur, Hervé J. Casier, in Blankenberge en ik vroeg hoe het met dat stukje was. Hij antwoordde: 'Gij weet niet wie Bert Decorte is.' Dat wist ik inderdaad niet. De beste man bleek over het uitdelen van de subsidies te gaan. Hij voegde me ook nog toe dat ik 'couragie' had. 

Daarop vertelde ik Casier dat hij van tevoren had kunnen zeggen dat de recensie positief had moeten zijn. Dan had ik kunnen weigeren. Maar ik had de vrije hand, dacht ik, en ik heb het boek besproken zoals ik gedaan heb. Dat was inderdaad nogal negatief. 

Casier dacht even na en zei toen dat hij het zou regelen. In het volgende nummer stond mijn stukje over Knobbelgeschiedenis, maar niet bij 'Van de hak op de tak', niet bij de besprekingen van prozawerken (waar ook wel eens en kortere bespreking tussendoor glipte), maar bij de poëziebesprekingen, ergens onder aan een bladzijde, als een soort bladvulling. Iedereen tevreden, denk ik. 

Dit is tenminste zoals ik het onthouden heb. Ik hoop dat het ook echt zo gebeurd is. Casier (ik hoop van harte dat hij nog leeft en dat hij nog heel lang zal leven) zal het kunnen bevestigen of ontkrachten. 



Bert Decorte, Knobbelgeschiedenis

Knobbelgeschiedenis bevat Decortes herinneringen aan de mobilisatie van het Belgische leger in 1939 en de Duitse Blitzkrieg in 1940. Volgens de achterflap zou dit boek 'doortrokken' zijn 'van afkeer voor militair geweld en wapengekletter'. Dat is nogal overdreven. Wel ademt het boek een geest van 'geen zin hebben in de oorlog', maar dat is nog geen anti-militarisme. Waar het anti-militarisme duidelijker naar voren komt, maakt het op mij een gekunstelde indruk. Bij die passages moet ik sterk denken aan modieus geklets. Het boek is overigens voor het grootste gedeelte gevuld met onbenulligheden en oninteressante feiten. Dit alles geschreven in een matige tot redelijke stijl, maar er zijn ook passages aan te wijzen die stilistisch zo slecht zijn, dat ik ze een middelbare scholier niet vergeven zou hebben. Laat deze Babbelgeschiedenis de lezers bespaard blijven. 

('t Kofschip, vijftiende jaargang nr. 4, (september-oktober 1987)

donderdag 2 oktober 2025

Afgestoft: De geur van de durian (Peter Andriesse)

Weer heb ik het stof geklopt van een oude recensie. Deze keer van wat ik schreef over De geur van de durian (1986) van Peter Andriesse. Het stond in 't Kofschip, vijftiende jaargang nr. 4 (september / oktober 1987). Waarschijnlijk kreeg ik de opdracht om het boek uitgebreid te bespreken, want het is een hele lap tekst geworden. Het kan ook zijn dat ik zelf mocht weten hoe lang de recensie werd. 

Ik vond het een heel aardig boek, maar ik kwam er nooit toe om iets anders van Andriesse te leven. Als ik Gezelligheid troef (1977) tegenkwam, zou ik de roman wel kopen en ik zou hem ook lezen, al was het maar om literair-historische redenen. Andriesse raakte zijn vrouw kwijt aan Jeroen Brouwers en dat is in die roman te lezen. 

Andriesse werd trouwens in 1985 geïnterviewd in 't Kofschip, maar ik vermoed dat ik toen nog niet in het blad schreef. Ik herinner me niet het interview gelezen te hebben. 

Hieronder dus de recensie, die eigenlijk best wat korter had gekund en die soms een beetje frikkerig is, maar goed, toen meende ik blijkbaar dat ik zo moest schrijven. Het boek kwam wel weer goed bij me boven: ik ging me er steeds meer van herinneren en dat is ook wat waard. 

Wel vertel ik zo'n beetje het hele boek na. Als je spoilers wilt vermijden, moet je deze bespreking dus niet lezen. 


To have your will, is that what pleasure is?

Peter Andriesse verbleef van 1951 tot 1954 op een internaat te Sumatra. Het is dan ook geen wonder dat Indonesië met enige regelmaat in zijn boeken voorkomt. Als voorbeeld kunnen genoemd worden De roep van de tokèh, Koude sambal en zijn nieuwste boek, De geur van de durian. 

Dat boek speelt zich geheel af op het eiland Sumatra, waar Erik Hansen en zijn zuster Heleen een gedeelte van hun jeugd hebben doorgebracht. Samen met Eriks vrouw Myra gaan ze terug voor een vakantie op dat eiland. 

Myra voelt zich een beetje een buitenstaander; ze heeft geen gemeenschappelijke herinneringen met de andere twee. Bovendien heeft ze het idee dat Erik eigenlijk niet meer om haar geeft. Hij verhult niet voor haar dat hij zeer gecharmeerd is van het Indonesische meisje Yati, zoals hij eigenlijk door alle mooie jonge meisjes geprikkeld  wordt. 

Als Erik en Heleen een paar dagen samen weg zijn, wordt Myra door een oud-klasgenoot van Erik, Bert de Zeeuw dronken gevoerd en verkracht. 

Heleen gaat terug naar Nederland en Erik en Myra zullen naar het zuiden van het eiland gaan om daar nog een tijdje samen door te brengen. Vlak voordat ze vertrekken, komt Yati naar hun kamer om afscheid te nemen van Myra, maar die is er niet. Wanneer Erik Yati aan wil raken, rent ze weg. Als ze om de hoek van het gebouw verdwijnt, schiet De Zeeuw tevoorschijn en rent haar achterna.

Naar het zuiden kunnen ze meerijden met Robbie de Goede, een jongen die met zijn vrachtwagen apothekers bevoorraadt. Onderweg koopt Robbie voor Myra een ring met een doorschijnende groene steen. Hij zegt:

(Deze ring) maakt dat je altijd aan mij zult blijven denken. Maar pas op, verlies hem niet, want dat brengt ongeluk. 

Als ze eenmaal in het zuiden zijn, verbetert de verhouding tussen Myra en Erik niet. Er blijven wederzijdse ergernissen. Erik wil met alle geweld de vulkaan Merapi beklimmen, maar Myra heeft daar geen zin in. Ze gaat toch mee en zorgt er zelfs voor eerder dan Erik de top te bereiken. Als Erik boven komt, is het zo mistig geworden, dat hij Myra niet kan zien. Hij roept en wacht, maar Myra komt niet opdagen. 

Erik schakelt de politie in. Er worden zoekacties op touw gezet. Zonder resultaat; alleen Myra's ring wordt teruggevonden. Erik wordt gevangengenomen. In de gevangenis hoort hij dat Yati vermist wordt sinds hij haar voor het laatst gezien heeft. Ook in deze zaak is hij verdachte; De Zeeuw heeft getuigd dat hij Yati voor het laatst in gezelschap van Erik gezien heeft. 

Tijdens een gesprek met zijn advocaat raakt Erik zijn spraak kwijt en na een bezoek van De Zeeuw blijkt hij ook nog doof te zijn geworden. 'De volkomen stilte gaf hem een gevoel van vrede.'


Ik ben met reuzenpassen door het boek heen gebanjerd; ik heb slechts grofweg een verhaallijn aangegeven, zodat u de opmerkingen die ik verder over dit boek maak binnen het verhaal een beetje een plaats kunt geven. 

Centraal in de boek staan de personen, hun onderlinge relaties, de spanningen die daarin ontstaan. Laten we daarom die personen maar eens wat nader bekijken. 

Over Heleen komen we niet zo erg veel te weten. Erik denkt over haar:

Ze is plooibaar als een zijden kledingstuk, gemakkelijk, maar op den duur ongelooflijk saai. Hij realiseerde zich dat ze altijd zo was geweest: een gezeglijk en braaf meisje.

Heleen speelt eigenlijk toch maar een bijrolletje in het boek. In de composities van het verhaal heeft zij steeds een dienende functie: ze moet helpen de buitenstaanderrol van Myra te benadrukken, haar houding tegenover Erik moet met die van Myra contrasteren en verderop in het boek is zij degene aan wie Erik brieven kan schrijven, zodat de lezer hém beter kan leren kennen.

Over Erik en Myra weten we veel meer. Ze zijn de enige personen die van binnen uit beschreven zijn.

Myra weegt slechts vijfenveertig kilo. Te weinig voor haar lengte, zegt Heleen. Toch voelt Myra zich dik. Geregeld propt ze zich vol met voedsel en rent daarna naar het toilet, waar ze probeert over te geven. Dat overmatig eten en het opwekken van de vomatie daarna zijn dwanghandelingen voor haar geworden. Ze heeft een soort 'dikte-fobie' en slikt daarom ook eetlustremmende laxeerpillen. 


Door dit alles vindt ze zichzelf verachtelijk. 'Ze begreep niet dat Erik het ook maar een dag kon uithouden met een zo verwerpelijk mens als zij.'

Ze lijdt eronder dat Erik haar zo weinig aandacht geeft. Het is voor haar een bevestiging van de gedachte dat ze niet de moeite waard is. Soms tergt ze Erik, zodat er tussen hen een fikse ruzie ontstaat, waarbij ook klappen vallen. Hoe pijnlijk dat ook voor haar is, toch geniet ze van de aandacht die ze op dat moment krijgt:

Het gebeuk van zijn vuisten had ze ervaren als een gewelddadig strelen waaraan ze een griezelig genot had beleefd. Hij had haar zijn heftigste emoties getoond in plaats van zijn gewone onverschilligheid. 

Al met al zou je kunnen stellen dat Myra behept is met een flink minderwaardigheidscomplex. Ze zit volgestouwd met zelfverachting en schuldgevoelens. Zo voelt ze zich tekortschieten als echtgenote, omdat ze geen kinderen wil, in tegenstelling tot Erik. Ze vreest dat er iets met Yati gebeurd is en ze wijst zichzelf als schuldige aan. (Zij had Yati's zusje verteld dat ze binnenkort zouden vertrekken. Anders was Yati geen afscheid komen nemen.)

Verder is ze vaak bang. Bang dat er met Yati iets gebeurd is, bang dat De Zeeuw Erik daar de schuld van zal geven, bang dat ze haar ring zal verliezen, bang om naar de top van een berg te klimmen. Soms krijgt ze spontaan een huilbui. Ze is dan ook onder behandeling van een therapeut. 

Erik is twaalf jaar ouder dan zijn vrouw. Hij heeft al een mislukt huwelijk achter de rug. Hij is doof aan een kant en dat lijkt me symbolisch. In feite is hij doof aan Myra's kant, doof voor alles wat er werkelijk in Myra omgaat. 

Hij heeft kunstgeschiedenis gestudeerd en handelt wat in moderne kunst, maar zijn eigenlijk ambitie is 'het schrijven van een filosofisch werk over het wereldraadsel, over de paradox die het 'leven' heet. (...) Verder dan een stapel losse aantekeningen was hij nog niet gekomen.'

In een boek van Saul Bellow leest Erik: 'To have your will, that's what pleasure is.' Erik zegt van zichzelf dat hij meestal blijft steken in een eerdere fase, 'de doelloze drang van I want, I want, I want.' Iets of iemand zijn wil opleggen en er dan plezier aan beleven lijkt niet voor hem weggelegd. Van Myra kan hij meestal wel gedaan krijgen wat hij wil, maar dat mist voor hem de echte uitdaging. 

Jij bent al zeven jaar mijn vrouw, jou heb ik allang veroverd. Als ik jou tiranniseer dan is dat heel wat anders dan 'to have my will'; het is niet veel meer dan mijn zin doordrijven in kleinigheden binnen de marges van een echtelijke verhouding. 

Als ze met de vrachtwagen van Robbie kilometer na kilometer bedwingen, heeft hij soms inderdaad het voldane gevoel dat past bij 'to have your will'. En dat gevoel kent hij ook van vroeger als hij een bergtop had bedwongen. Met het beklimmen van de Merapi probeert hij dat gevoel terug te krijgen. Bovendien moet hij nu ook nog de tegenzin en de angst van Myra overwinnen. Zijn poging mislukt. 'Van het bedwingen van die vulkaan is niets terechtgekomen, we hebben hem wel bestormd, maar de vulkaan heeft Myra bedwongen', schrijft hij aan Heleen. 

Erik noemt zichzelf een nihilistisch vitalist; hij weet dat het leven zinloos is, maar hij probeert er het beste van te maken, toch zo intens mogelijk te leven. Volgens mij is hiermee ook het motto in verband te brengen, dat Andriesse aan Achterberg ontleend heeft: 'de hoop is een krijtwit kind, dat lacht tegen de rover die het slacht'.

Niet altijd komt er evenveel terecht van dat vitalisme van Erik. Hij heeft momenten dat hij zich heel ongemakkelijk voelt in dit leven. Bijvoorbeeld als hij De Zeeuw ontmoet, die hij helemaal niet mag, of als hij samen met Heleen gevangengenomen dreigt te worden, omdat ze zonder toestemming foto's hebben gemaakt. Op zo'n moment krijgt Erik last van zenuwpijnen in nek en schouders. Na Myra's verdwijning trekt die pijn voorlopig niet meer weg. Erik kan zich niet meer ontspannen. Als hij in de spiegel kijkt, ziet hij dat zijn schouders helemaal verkrampt omhooggetrokken zijn en dat het lijkt of zijn hoofd daartussen omlaag wordt geduwd.

In de gevangenis raakt Erik ervan overtuigd, dat hij niet onschuldig is aan het verdwijnen van Yati en Myra: 'Als hij Yati niet had proberen aan te raken, zou ze nooit zijn weggerend en had De Zeeuw geen kans gekregen achter haar aan te gaan.' Myra had hij min of meer gedwongen met hem de vulkaan te beklimmen. 'Zijn onverschilligheid had haar in de mist doen verdwijnen.'

Eriks advocaat wil niet van die zelfbeschuldigingen horen, maar Erik weigert verder zichzelf te rechtvaardigen: hij verliest zijn spraak. Ook dit heeft natuurlijk een symbolische betekenis. Erik wil en kan nu zichzelf, zijn eigen bestaan, tegenover niemand meer rechtvaardigen. Hij wil en kan zijn wil niet meer aan anderen opleggen. Hij zal zijn 'pleasure' op een andere manier moeten zoeken. Als De Zeeuw hem bezocht heeft in de gevangenis, wordt Erik doof. Hij sluit zich dus voor iedereen af. Op dat moment ontspant zijn lichaam, hij voelt geen pijn meer. 

Erik heeft zijn leven geaccepteerd, in al zijn beperktheid. 'Een scheet in het heelal', meer is heet niet. Waarom zou je in dit leven dan nog streven naar 'to have your will', waarom zou je eigenlijk nog érgens naar streven? Waarom zou je je moeten bewijzen tegenover anderen, waarom zou je je tegenover hen moeten rechtvaardigen? Nergens om. Je moet gewoon je eigen leven leven, je eigen gang gaan, je van niemand wat aantrekken. Een overzichtelijk en simpel bestaan. That's what pleasure is. In de gevangenis, waar je met weinig anderen in aanraking komt, is zo'n leven niet al te moeilijk te leiden. Het is Erik dus gelukt de paradox van het 'leven' op te heffen, hoewel hij dacht dat alleen de dood dat kon. 


De geur van de durian noemde Andriesse zijn boek. Wat heeft die durian ermee te maken? Wat zijn durians trouwens?

Durians zijn grote stekelige, tropische vruchten. Ze hebben een penetrante geur. Het eten van de durian zou de geslachtsdrift prikkelen. Myra, Heleen en Erik eten ervan. Myra is nieuwsgierig naar de erotische uitwerking. 'Ze hoopte dat Erik straks, bezeten door de uitwerking van de geheimzinnige vrucht meteen boven op haar zou duiken.' Haar hoop blijkt ijdel, de durian werkt niet. In het zuiden blijken er niet eens durians te zijn. Daar is dus zelfs geen hoop op toenadering tussen Erik en Myra. 

Maar er is meer met de durian aan de hand. 'De bloesem van de durian wordt bestoven door vleermuizen. Zo gaan liefde en dood weer hand in hand: de vrucht ontstaat door de vereniging van een bloesem en een vampier.' Ook in dit boek gaan liefde en dood hand in hand. Erik was verliefd op Yati en zijn gevoel voor Myra wilde hij best liefde noemen, al schonk hij weinig aandacht aan haar. Beide meisjes vinden (waarschijnlijk) de dood. 

De vrucht die ontstaat door de vereniging van liefde en dood is rust, vrede. Erik fantaseert er een keer over dat alle mooie meisjes die hij niet kan krijgen maar gedood moeten worden. Dan zou ook de onrust in hem gedood zijn. 

Ten slotte wil ik 'de geur van de durian' ook wel lezen als 'de geur van Indonesië, die toch wel in het hele boekje hangt. 


Met de frikkerigheid mij eigen heb ik heel wat ruimte besteed aan samenvatting en uitleg, maar een oordeel over het boek heb ik nog niet gegeven. 

Laat ik beginnen et te vertellen dat ik De geur van de durian geen slecht boek vind. Maar ik vind het ook zeker geen volmaakt boek; er zijn voldoende punten waarop ik kritiek heb. Het boek is vrij goed geconstrueerd, maar de constructie is niet altijd met evenveel raffinement aangebracht. Enkele voorbeelden:

De notie 'to have your will' is in het boek zeker belangrijk, maar ik vind dat Andriesse de zin wel érg vaak herhaalt. Dat is helemaal niet nodig. Alleen het beschrijven van de situaties waarop de notie van toepassing is, is al voldoende. Zo'n situatie kan zo beschreven worden, dat er bij de lezer vanzelf een lampje gaat branden dat terugschijnt op 'to have your will'. De schrijver hoeft niet bij te lichten met zijn zaklamp. 

De ring die Myra van Robbie krijgt, krijgt zo'n zware symbolische lading mee, dat de lezer direct in de gaten heeft dat het wel mis moet gaan met die ring. Verschillende keren wordt deze ring genoemd, heel vaak in combinatie met angst voor het verliezen ervan. Even nog heb ik gehoopt, dat de schrijver gewoon een spelletje met zijn lezers speelt, maar nee hoor, aan het einde van het verhaal wordt keurig alleen de ring teruggevonden en Myra is spoorloos. 

De brieven aan Heleen worden door de schrijver duidelijk als truc gebruikt. Erik zou Heleen 'een bijna dagelijks verslag van zijn verdere reis in briefvorm' schrijven. Van dat 'bijna dagelijks' is in het boek niets terug te vinden. Eens duurt het bijna honderd bladzijden voordat we een volgende brief te lezen krijgen. Het lijkt erop dat de schrijver de briefvorm alleen gebruikt als hij geen andere oplossing ziet, of als hij denkt afwisseling nodig te hebben. Op deze manier blijven het toch wat vreemde brokjes in het boek. 

Een enkele keer bezondigt Andriesse zich aan het schrijven 'op het effect'. Zonder angst voor pathos, zonder enige distantie schrijft hij bijvoorbeeld:

Ze kwam overeind, het boek viel op de grond en ze omhelsde hem heftig. Ze overdekte zijn gezicht met zoenen en trok hem over zich heen toen ze achterover ging liggen. 'Ik zal je zo missen', fluisterde ze toen hij bezweet en ontspannen naast haar lag. 

Een gezicht 'overdekken' met zoenen, 'ik zal je zo missen' als laatste woorden in een dialoog en nog gefluisterd ook, dat verwacht ik in liefdesromannetjes uit de supermarkt. 

Zo veel kritiek en dan toch een positief eindoordeel? Ja hoor. Lang niet altijd is Andriesse zo nadrukkelijk in het gebruik van structuurelementen: als Yati verdwijnt, draagt ze een rode jurk, Myra draagt een rode jurk als ze verkracht wordt, Merapi betekent 'rood vuur'. Rood is de kleur die in dit boek bij de ondergang hoort, maar ook bij de schoonheid (de felrode bloemen aan de struiken). Zo'n onopvallend aangebrachte symboliek vind ik wel mooi. 

In de beklimmingsscène wordt de spanning goed opgevoerd. De ruimte is hier bijzonder functioneel. Denk aan uitdrukkingen als 'lopen op de vulkaan' en 'dansen op de vulkaan'. Opvoeren van de spanning vóór het einde van het boek kan tot gevolg hebben dat daarna de aandacht van de lezer ineens verslapt, maar ook dan weet Andriesse ons erbij te houden. In het hele boek heb ik met trouwens niet verveeld en er zijn niet zo vreselijk veel boeken waarvan ik dat kan zeggen. 

donderdag 25 september 2025

Afgestoft: Aantekeningen bij een noodlottige gebeurtenis (Ton Lensink)

Of ik de naam Ton Lensink in 1987 kende, weet ik niet. Wellicht dat ik wist dat hij acteur was, maar ik had toen nog maar weinig films gezien en had nauwelijks tv gekeken. Dat hij een belangrijke rol had in Tita Tovenaar en dat hij speelde in De kleine waarheid zal mij ongetwijfeld ontgaan zijn. In Floris zal ik hem niet herkend hebben en Dokter Pulder zaait papavers zag ik pas later. 

Waarschijnlijk heb ik hem wel gezien in de tv-serie De appelgaard (die ik nog ergens op dvd heb). Die werd bij ons in de buurt opgenomen. Een een heel stel figuranten kende ik persoonlijk. Ik zie nog de bakkersknecht Henk-Jan met kisten appels sjouwen. Maar ik zal niet de link gelegd hebben tussen de acteur en de auteur van de roman Aantekeningen bij een noodlottige gebeurtenis, Een idylle niettemin. Dat boek las ik in mei 1987. De recensie, die ik op 23 mei opstuurde naar de redacteur Hervé Casier,  was te lezen in 't Kofschip, jaargang 16 nr. 1 (januari/februari 1988).

Van de roman was ik niet zo gecharmeerd. Ik herinner me geen recensies uit de tijd en ik zie ze zo gauw ook niet op Delpher, dus ik weet niet hoe anderen erover oordeelden. Ik denk dat van de boeken van Lensink Het boek H (1984) het bekendst geworden is, maar dat is een beetje een wilde gok. Het is gewoon de titel die me het bekendst voorkomt. 

Lensink heeft zijn sporen verdiend als acteur. Als auteur is hij vergeten, schat ik in. Dat is misschien niet zo erg, zo lang we ons Tita Tovenaar nog herinneren. 

Advertentie in de Volkskrant (13 maart 1987)

Aantekeningen bij een mislukte roman

Aantekeningen bij een noodlottige gebeurtenis. Dat staat als titel op de nieuwe roman van Ton Lensink. Op de achterkant las ik zinsneden als 'indringend geschreven', 'meeslepend verhaal', 'liefde die even onweerstaanbaar als onmogelijk is', 'teder', 'meedogenloos', 'een boek vol hartstocht en ontreddering'.

Nou nou, dat was niet mis. De flaptekstschrijver wilde blijkbaar dat ik Lensinks boek zo gauw mogelijk ging lezen. Dat deed ik. Ik las de volgende geschiedenis: een 34-jarige ik-figuur (Johannes) kijkt terug op zijn leven. Hij vertelt over zijn vader, iemand die altijd op zijn kamertje zat te studeren en door andere gezinsleden professor Cornelis werd genoemd. Na de dood van professor Cornelis raakt Johannes' moeder aan de drank en sterft ook. Johannes gaat bij zijn oom en tante wonen. 

Bij het opruimen van zijn vaders studeerkamer vindt hij onder andere twee schriften met aantekeningen (waaruit hij het hele boek door citeert) en moeders drankvoorraad. Op zijn eenentwintigste gaat Johannes zelfstandig in zijn ouderlijk huis wonen. Intussen heeft hij kennis gemaakt met Ineke, een meisje dat enkele jaren ouder is dan hij. Hun jarenlange relatie loopt uit op een 'noodlottige gebeurtenis'.


Toen had ik het boek uit en daar was ik blij om. Ik las nogmaals de flaptekst en herkende alleen 'ontreddering'. Bij mezelf dan. Ik kon me niet voorstellen dat de flaptekstschrijver en ik hetzelfde boek gelezen hadden. Zo vond ik het verhaal niet 'indringend geschreven' en niet 'meeslepend'. 

Misschien werd dat wel veroorzaakt door Lensinks stijl. Verschillende keren formuleert Lensink zeer onbeholpen. Laat ik eens een paar voorbeelden geven: 
Dit is een van de vele aantekeningen in de twee hardgekafte schriften die ik vond tussen een grote hoeveelheid van voor mij onbegrijpelijke wetenschappelijke beschouwingen en wiskundige berekeningen, bij het opruimen van de werkkamer, vele jaren na zijn dood, van professor Cornelis. (blz. 8)
Vooral de onverwoestbare minzaamheid van de uitgever ten aanzien van alles wat moeder omgaf, zelfs haar onuitstaanbare zoon, een genegenheid die waarschijnlijk ook gestimuleerd werd door de sherry die mama niet zuinig schonk, wat er op het eind van de avond toe leidde dat zij innig eensgezind afscheid van elkaar namen, moeder hem daarna tot voorzichtigheid maande - moet mij tot het vermoeden hebben gedreven dat er tussen de twee meer dan een afstandelijk vriendelijke band bestond.' (blz. 29)
Verder heb ik me nogal geërgerd aan de stapeling van allerlei niet functionele vergelijkingen en metaforen. Dat zal Lensink wel 'beeldend taalgebruik' noemen. Ik vind het eerder een voorbeeld van schadende overdaad. 

Behalve de stijl deugt er nog meer niet in het boek. Zo is de ik-figuur psychologisch onvoldoende uitgewerkt. Het avontuurtje dat Johannes met een man op touw wil zetten wordt niet gemotiveerd door de informatie die de lezer heeft over Johannes' innerlijk. Hetzelfde geldt voor zijn 'noodlottige' daad. 

Ook is niet duidelijk waarom Johannes op 34-jarige leeftijd zijn voorgeschiedenis vertelt. Wil hij na de noodlottige gebeurtenis terugkijken op zijn relatie met Ineke? Dan had hij zijn vroege jeugd niet hoeven te beschrijven en niet het hele boek hoeven te larderen met aantekeningen van zijn vader. Of ging het juist om die vader en zijn aantekeningen? Dan had Ineke beter buiten het boek kunnen blijven. Met andere woorden, het boek is slordig gecomponeerd. Het bezit geen dwingende structuur. 

Slechts een enkele keer heb ik in het boek een passage gelezen die de moeite waard was. Bijvoorbeeld waar verteld wordt hoe Johannes per ongeluk de bril van zijn vader vertrapt, waardoor er een kloof tussen vader en zoon ontstaat. Maar zulke passages zijn zo zeldzaam, dat je ze je nauwelijks herinnert als je het boek uit hebt. Bij mij overheersten in ieder geval de ontevredenheid en de ergernis. Ik had een slecht boek gelezen en had dus mijn tijd verknoeid. 



donderdag 21 augustus 2025

Afgestoft: Het lied van Iram (Ivo van Orshoven)

Wat komt er nu weer onder het stof uit? Een recensie van Het lied van Iram, Een verhaal van verwachting (1987) van Ivo van Orshoven. Het stukje werd gepubliceerd in de zestiende jaargang van 't Kofschip, nr 3 (mei/juni 1988). In hetzelfde nummer stond ook mijn recensie van Een heilige van de horlogerie van Willem Frederik Hermans. 

Van Ivo van Orshoven had ik nog nooit gehoord toen ik Het lied van Iram thuisgestuurd kreeg. Ook later las ik nooit wat over hem en daarom zocht ik nu maar wat informatie op. Die vond ik op de site Schrijversgewijs. Daar lees ik dat Van Orshoven (1946 - 2000) al vijfentwintig jaar geleden overleed. Voor Het lied van Iram, zijn debuut, heeft hij de Emiel Vlieberghprijs ontvangen. Vliebergh was een centrale figuur in de katholieke Vlaamse beweging. 

Van Orshoven schreef ook nog Diplodocumenten (1988) en de verhalenbundel Guffa (1991). Verder schreef hij jeugdboeken. 

Onder mijn recensie schreef ik in potlood '23-12-87' en dat zal de datum zijn waarop de recensie op de post ging. Op 31 december stuurde ik de recensie van het boek van Hermans op. Het was een welbestede kerstvakantie. 



Een prenatale maatschappij

Geboren worden - het is ons allemaal overkomen en niemand van ons herinnert zich er nog wat van. Aan de eerste paar levensjaren heb ik trouwens ook nauwelijks herinneringen. Wat dacht ik toen? Hoe redeneerde ik? Ik kan het alleen maar raden. 

Nu is het best leuk om daar eens naar te raden. K. Schippers deed dat in het boek Eerste indrukken, waarin hij een driejarige haar memoires laat vertellen. Het aardige van dit boek is dat de peuter niet van buitenaf maar van binnenuit beschreven is. 

Ivo van Orshoven is nog een stap verder gegaan dan Schippers. Hij beschrijft het leven van de embryo Iram in Het lied van Iram. Ook Iram wordt van binnenuit beschreven, van het eerste begin, de versmelting van zaadcel en eicel, tot het einde, de geboorte. 

Iram voelt zich in zijn baarmoeder allerminst eenzaam. Al snel merkt hij dat andere embryo's in andere baarmoeders op een klankloze manier met hem in contact proberen te komen. Na verloop van tijd kan Iram zelf ook signalen uitzenden en kan hij met hen communiceren. 

Er blijkt een complete embryomaatschappij te bestaan, met een eigen regering (het Lichaam), een eigen wetenschapsafdeling, een eigen ordedienst, eigen wetten, een eigen geschiedenis en meer zaken die wij ook terugvinden in onze grote-mensenmaatschappij. 

Dit is natuurlijk een prachtige vondst van Van Orshoven. Hij kan zo steeds onnadrukkelijk en toch heel duidelijk parallellen aangeven tussen de embryomaatschappij en de onze. Als voorbeeld geef ik een stukje dat handelt over de voeding van de embryo's:
Er waren fijnproevers die elkaar receptjes doorspeelden en pochten op ongekende geneugten die ze bereid hadden. En er waren droogstoppels die beweerden dat er een verband bestond tussen voeding en gezondheid, en dat je om moeilijkheden vroeg als je zomaar at waar je zin in had. 
De grootste verschrikking voor de embryo's is het ouder worden. Als je eenmaal vingertjes gekregen hebt, tel je niet meer mee. Geen embryo praat dan nog met je. Met foetussen mag zelfs niet eens gesproken worden. Omdat zij geloven dat de uitstoting (de geboorte) niet het einde betekent, maar het begin is van een ander leven, vaardigde het Lichaam een communicatieverbod uit. 

Het ouder worden gaat ook met aftakelingsverschijnselen gepaard. Vlak voor de geboorte weten foetussen nog maar heel weinig van hun allereerste bestaan. Dat is er natuurlijk de oorzaak van dat wij ons niets meer van voor onze geboorte herinneren. 

Voor Het lied van Iram ontving Van Orshoven de Vlieberghprijs. Als reden voor die toekenning geeft de flaptekst vooral de keuze van het originele thema aan. Belangrijk lijkt mij vooral de manier waarop dat thema uitgewerkt is. 

Heel goed beschrijft Van Orshoven het hele groeiproces van Iram. Een van de fraaiste momenten daarin is het punt waarop Iram zich bewust wordt van zijn eigen hart. Verderop in het boek treffen we de spiegelpassage aan: als Iram zich bewust wordt van het moederhart. 

Een grote verdienste van Van Orshoven vind ik ook dat hij zijn prenatale maatschappij zo doordacht geconstrueerd heeft, dat zij volstrekt geloofwaardig is. De lezer heeft er geen enkele moeite mee om, binnen de fictie van het boek, deze maatschappij de accepteren. De parallellen met onze maatschappij zijn vaak verrassend en soms zelfs humoristisch. Bijvoorbeeld als er verteld wordt over de 'prenatalte depressie' waarmee de foetussen te kampen hebben. 

Het is alleen jammer dat Van Orshoven niet consequent het perspectief bij Iram gelegd heeft. Soms kan de verteller het niet laten er zelf iets tussendoor te zeggen. Ik geef een paar voorbeelden. 

- Over een conferentie van wetenschapsembryo's schrijft Van Orshoven:
Nu mag men zich deze Conferentie niet voorstellen zoals de Conferenties die wij kennen, met charmante hostesses in keurige mantelpakjes (...).
- Op een andere plaats lezen we:
Werken voor een tegenprestatie als geld is in de embryonale wereld natuurlijk uitgesloten. 
-  En weer ergens anders:
Het ontging Iram niet dat er zich ook aan hem veranderingen voltrokken. Hij had natuurlijk geen spiegels om zich te bekijken (...).
Dat de schrijver zich zo vaak laat verleiden tot deze terzijdes doet duchtig afbreuk aan het consequent de lezer mee laten leven met Iram. De lezer wordt op zulke momenten ineens buiten het verhaal gezet en wordt van deelnemer toeschouwer. Ik vind het jammer dat Van Orshoven, in een boek dat verder goed is, zulke steken laat vallen.  

dinsdag 29 juli 2025

Afgestoft: Langs de doofpot (Joost Zwagerman)

Over poëzie heb ik veel geschreven. Een deel van die stukken heb ik niet meer: alle afleveringen van de Poëziekrant heb ik ooit geruimd. Misschien kan ik nog een keer op zoek gaan naar wat ik daarin heb geschreven. 

De eerste poëzierecensie schreef ik, voor zover ik mij herinner, in een schoolkrant. Het geniete bundeltje waarover dat stukje ging (Met yoghurt spuiten van Kees Koenen), staat nog in mijn boekenkast. 't Kofschip was het eerste literaire tijdschrift waarvoor ik poëzie besprak en ik vermoed dat de recensie van Langs de doofpot (1987) een van mijn eerste stukjes over gedichten in dat tijdschrift was. Dat was in jaargang 16 nr. 1 (januari/februari 1988). 

De bespreking schreef ik al een half jaar eerder. Met potlood heb ik er in het tijdschrift onder geschreven: '6-6-87'. Voor in de bundel vond ik het kaartje dat de redacteur, Hervé J. Casier, mij stuurde: Ik mocht de bundel kort bespreken. 

In datzelfde nummer van 't Kofschip stonden nog meer van mijn recensies: Kroniek van een karakter van Jeroen Brouwers, Eb en vloed van F.B. Hotz, Vrouwelijk enkelvoud van Pol Hoste en Aantekeningen bij een noodlottige gebeurtenis van Ton Lensink. Volgens het kaartje van Casier had hij mij meer boeken van Hoste gestuurd, maar volgens mij heb ik er maar eentje ontvangen. 

Ook in dit nummer heb ik de gedichten indertijd weer aandachtig gelezen en ik vond het nodig mijn oordeel erbij te noteren: 'wel leuk' bij een gedicht van Deen Engels, 'zwak' bij twee gedichten van Marc Jacobs, 'bijzonder zwak' bij een gedicht van Job ten Gode, 'verbeterde versie van gedicht in de bloemlezing 'Hij vroeg haar...' bij een gedicht van Vera Lesandré. 

Die bloemlezing herinner ik me vaag. Donkerrode omslag, geloof ik. Maar wat was de juiste titel? Hij vroeg haar welke kleur... maar ik weet niet meer hoe het verder ging. Het zal wel niet Hij vroeg haar welke kleur ze had geweest zijn. En stond daar indertijd ook een gedicht van mij in? Ik kan het boekje niet meer vinden. 

Bij een gedicht van Jasper Daams in 't Kofschip schreef ik 'inferioriteitsrecord 1988'. Het record zal wel niet officieel geregistreerd zijn. 

Over de gedichten van Joost Zwagerman was ik meer tevreden, al vind ik wel dat ik in die vroege recensies altijd ook op zoek was naar puntjes van kritiek. Nu ergert mij dat. Ik was heel erg bezig met beoordelen, in plaats van dat ik een leeservaring weergaf. Bovendien leg ik helemaal niet uit waarom ik de bundel 'niet in alle opzichten even gaaf' vind. Daar had een redacteur mij niet mee weg mogen laten komen. 





Tegen de roerloosheid

In zijn eerste dichtbundel, Langs de doofpot, leren we Joost Zwagerman kennen als iemand die niet aarzelend zijn eerste passen doet, maar die al zo duidelijk mogelijk standpunten wil innemen. Zo neemt hij in de eerste afdeling, 'de stilte ontluisterd', stelling tegen de hermetische, autonome poëzie. Met betrekking tot deze poëzie hanteert Zwagerman het woord 'roerloosheid', een toestand die hij in ieder geval wil vermijden. Dat vertelt hij ons ook in de tweede afdeling, 'Ik heb te regelen'. 
Ik heb te regelen een kindjelief
een woning en natuurlijk spullen ook.
Het moet aanwendbaar zijn mijn bezit. 
Ik moet het nu en dan alleen kunnen laten
zonder even later roerloosheid aan te treffen. 
Zwagerman heeft een voorkeur voor de beweging. In de afdeling 'Reiziger die spelen gaat' lezen we: 'De afstand van mij van hier naar / waar men mij brengt, neerlegt, dat / laat ik me maar aanleunen, antwoord ik, / ik hoef dus eigenlijk nergens heen, antwoord ik.' De bestemming is minder belangrijk dan de reis, het bewegen. Deze voorkeur maakt de standpunten van de dichter minder vastliggend. Doorgeredeneerd is het zoeken naar een standpunt immers belangrijker dan het innemen ervan. 

Ook de laatste afdeling van de bundel, 'Een verhuizing', is in te passen in deze lijn. Ook hier gaat het om het proces, het verlaten van het ene huis en het betrekken van het andere. Het is een proces van zich losmaken en zich eigen maken. 'Iedere handeling hierbinnen (...) is nog een handeling daar, daarbinnen.'

Zwagerman kiest steeds voor de processen, de ontwikkelingen, datgene wat nog onderweg is, nog niet vastligt. Geen wonder dat hij zich verzet tegen de poëzie die staat als een blok, die is. 
want nooit stop ik mijn vinger in de dijk. 
Het stroomt, het woekert en het gist, geen
gat gedicht. 

Eén afdeling heb ik nog ongenoemd gelaten: 'De argeloze hangmat'. De meest milde gedichten staan in deze afdeling. Het laatste gedicht, het titelgedicht, vind ik het fraaist. Een meisje in haar slaapkamer durft niet haar ogen te sluiten: 'Geen ooglid naar beneden dus. Duisternis, dat is / een vormeloze koelcel met ingevroren stemmetjes.' Dat meisje moet getroost worden, bevrijd van haar angst:
Juist voor haar moet een gedicht geschreven,
geen wandelgang van woorden, nee: om haar hoofd 
moet een geschubde hand waarin zich schemer plooit, 
de slaapdoorlopen eierschaal, de argeloze hangmat. 
Ook in het openingsgedicht van deze afdeling staat de beheersing van de angst centraal. 

 Zwagermans debuut is niet in alle opzichten even gaaf. Het zou niet zo moeilijk zijn een recensie te schrijven waarin deze bundel genadeloos onderuitgehaald wordt. Maar ik wil deze dichter best wat krediet geven. Hij heeft ongetwijfeld iets eigens, wat onder andere tot uitdrukking komt in sommige idiomatische eigenaardigheden. Maar ook het eigenzinnige spreekt me wel aan. Zwagerman is duidelijk bezig zelf zijn weg te zoeken. Het is vergeeflijk dat dat niet meteen de eerste keer al vlekkeloos gaat. 

woensdag 23 juli 2025

Afgestoft: De geheimen van wikke en dille (Wiel Kusters)

Boeken over poëzie heb ik altijd graag gelezen. Mij schieten nu bijvoorbeeld enkele werken van Herman de Coninck (De vliegende keeper, Over Marietje van de bakker) van Rutger Kopland (Het mechaniek van de ontroering, Mooi, maar dat is het woord niet) en van Willem Wilmink (Koen, maak je mijn schoen? Waar het hart vol van is, Goedenavond, speelman). En ook De geheimen van wikke en dille (1988) van Wiel Kusters. Ik denk dat ik al viel voor de titel. 

Ik besprak de bundel in 't Kofschip, zeventiende jaargang nr. 1 (januari-februari 1989). Daarvoor had ik al van Kuster Raad van Alfabet (1987) gelezen, een boekje met korte stukjes, waarin dichters gerangschikt zijn op alfabet. Onlangs had ik het nog in mijn handen en verbaasde me erover dat er nauwelijks een vrouw in voorkomt. Wat ik aan poëzie van Kusters gelezen had, weet ik niet precies meer. In ieder geval Een oor aan de grond (1978) en mogelijk ook Hoofden (1981).

In het stukje dat ik schreef over Kusters staan veel tikfouten. Die heb ik er - hoop ik- uit gehaald. Onderaan stond Herveld, 13 augustus 1988, blijkbaar de datum waarop ik het stukje schreef. Maar zoiets werd nooit opgenomen in het tijdschrift. Waarom het er toen wel bij stond, is me een raadsel.

Verder stond er in dit nummer van 't Kofschip van mijn hand alleen nog een korte bespreking van De vrolijke eenzaamheid van Koen Vermeiren. Eigenlijk is het meer een signalering. Ik zal die krielstukjes een keer bij elkaar vegen. 

De rest van het tijdschrift heb ik wel gelezen. Dat kan ik zien aan het commentaar dat ik met potlood in de marge schreef. Bij een gedicht van Paul Possemiers: 'aardig', bij een gedicht van Mieke Vandromme alleen maar een dikke min,  bij een gedicht van Job ten Gode, waar op elke regel maar een enkel woord staat: 'heel / erg / slecht', bij een gedicht van Ietje Liebeek-Hoving: 'nietje'. 

Bij gedichten van Bert Deben schreef ik 'flutterdeflut' en bij een gedicht van Leopold Vermeiren: 'Lucebert gelezen? Slecht hoor.'

Er stond veel poëzie in dit nummer. De gedichten van Edith Oeyen vond ik blijkbaar slecht. Van de drie gedichten kregen er twee een min, van haar naam maakte ik KnOeyen. Het laatste gedicht op de pagina:

Vuur

Je speelt met vuur
zeg je. 
Nee,
zeg ik
ik ben vuur
en wacht 
tot jij mij blust
Daaronder schreef ik 'brand maar op'. 

Bij de recensies maakte ik alleen een aantekening bij een zin van Ferry Tielens is zijn recensie van Vastgenageld aan de eeuwigheid van Ina Stabergh. 

Tielens is nogal weg van Staberghs poëzie. Hij schrijft:
Verder is me opgevallen dat Ina Stabergh inspiratie put uit het werk van Judith Herzberg en M. Vasalis. Doch... beide dichteressen hebben niet het beeldende vermogen van Ina Stabergh
In deze zin heb ik twee tikfouten verbeterd. Maar het gaat me natuurlijk om het feit dat Tielens Stabergh boven Herzberg en Vasalis plaatst (en meteen daarna een slecht gedicht van Stabergh citeert dat hij 'prachtig' vindt). Ik schreef erbij: 'Ach, meneer Tielens'. 

Maar nu naar De geheimen van wikke en dille!


Solidair met de poëzie

In 1986 publiceerde Wiel Kusters zijn mooie dissertatie over Gerrit Kouwenaar, De killer. Drie jaar eerder verscheen Een tuin in het niks, vijf opstellen over Kouwenaar. Ook in De geheimen van wikke en dille speelt Kouwenaar een belangrijke rol. Het boek begint en eindigt met deze dichter en het titelstuk is voornamelijk aan hem gewijd. 

De geheimen van wikke en dille bevat kronieken, kritieken en essays die Kusters de afgelopen jaren in verschillende kranten en tijdschriften publiceerde. Daarin krijgen natuurlijk ook andere dichters dan Kouwenaar ruimschoots aandacht. 

In deze bundel komen de stukken soms beter tot hun recht dan toen ze in de krant gepubliceerd werden. Ik herinner me dat ik indertijd niet zo tevreden was over Kusters' bespreking in NRC Handelsblad van een bundel van Lloyd Haft; ik vond dat niet de bundel besproken werd, Kusters stelde slecht één gedicht aan de orde. In dit boek lees ik Kusters' artikel heel anders: niet als een recensie, maar als een stuk over een gedicht. 

Sommige artikelen kregen vorig jaar al een aanzetje in Raad van alfabet, een bundel korte besprekingen van gedichten. De aantekeningen over de vaderfiguur in sommige gedichten van Remco Campert en over 'o, als ik dood zal, dood zal zijn' van Leopold zijn nu verder uitgewerkt. 

Doordat Kusters goed thuis is in de poëzie, legt hij heel gemakkelijk verbanden. Zo snort hij voor het titelstuk een stel gedichten op waarin het kruid wikke voorkomt en hij laat zien dat wikke altijd verbonden wordt met verdwijnen. 

Altijd is Kusters spiritueel, altijd bereid om ook sprongen te maken die op het eerste gezicht soms vreemd lijken, maar die achteraf op de lezer altijd als verantwoord of zelf als voor de hand liggend voorkomen. Een voorbeeld hiervan is het artikel waarin hij de overeenkomst laat zien tussen Leopolds Christusverzen en 'Om mijn oud woonhuis peppels staan' enerzijds en Wuthering heights anderzijds. 

Kusters wil altijd meedenken met de dichter, met het gedicht. Hij geeft dan ook een keer een kat aan iemand die 'Droogstoppelige' vragen aan een gedicht stelt. Kusters is solidair met de poëzie en wil de gedichten zelf het woord laten doen. Als (de door hem bewonderde) Kees Fens over een gedicht van Gilliams schrijft dat het maar geen poëzie wil worden, doet Kusters alle moeite om het gedicht toch een kans te geven. 

Het is werkelijk een plezier om de artikelen van Kusters te lezen, vooral omdat ze zo spannend zijn. De lezer volgt Kusters op zijn speurtocht door de poëzie. Daarbij houdt onze gids er behoorlijk de gang in, maar iedereen die dat wil zal hem gemakkelijk kunnen volgen. 

woensdag 18 juni 2025

Afgestoft: Paradijs (Hilbrand Rozema)

Poëzie! Een bespreking van de debuutbundel van Hilbrand Rozema (Paradijs), die eerder te lezen was in Bloknoot 21, jaargang 6 nr. 3 (augustus 1997). Daarna heeft Rozema nog meer geschreven en ik heb een vermoeden dat ik ook geschreven heb over de bundels Blauwe plekken (2003) en Slagveldtoerisme (2008), maar ik heb de recensies niet meer en ik heb geen toegang meer tot Literom. Als die recensies bestaan en als iemand ze op kan duikelen, hou ik me aanbevolen. Dan zal ik ze hier graag plaatsen. 

In dit nummer van Bloknoot bespreek ik maar liefst drie bundels. Die van Plaatselijke tijd van Harmen Wind stofte ik hier af. Daarbij is ook te lezen wat er nog meer voor interessants in dit nummer stond. Verder besprak ik Wakker van Rien van den Berg. Die hou je nog van mij tegoed. 

In de onderstaande recensie valt me mijn eigen frikkentoontje op, als ik aan het eind toch nog wat aan weet te wijzen wat ik dan net minder geslaagd vind, terwijl ik enthousiast ben over de bundel als geheel. Dat stukje zou ik nu geschrapt hebben. 


Hoger, groener knollenland

Tegelijk met de krant haalde ik uit de brievenbus het pakketje met daarin de debuutbundel van Hilbrand Rozema, Paradijs. Wat kan er nog paradijselijk zijn in een wereld vol krantenkwaad? In het dorp waar ik woon is een winkel die zich De hof van Ede noemt en ik heb nog ergens een cd met een lied dat 'Paradise by the dashboardlight' heet, maar voor de rest is er toch weinig meer dat aan het paradijs herinnert. 

Om ons duidelijk te maken wat voor hem het paradijs is, heeft Rozema vier gedichten met die titel opgenomen in de bundel: een serie van drie en een op zichzelf staand gedicht. Dat laatste, 'losse' gedicht begint zo:

Gisteren, God, ben ik weer in uw dierentuin beland.
Het restje paradijs waar onze soort nog tuinman is.
Hier geeft Adam de dieren nog bordjes met namen. 
Het gedicht gaat over een dierentuin, of liever: over Gods dierentuin. Ik geloof niet dat hier bedoeld wordt dat God de eigenaar van de zoo is, maar dat de 'tuin' gevuld is met Gods dieren. Dieren horen bij God. Het is vreemd dat we in dit gedicht niet het zicht krijgen op de dieren in het wild, maar alleen op opgesloten dieren. Het is dan ook niet meer dan een 'restje paradijs'. Adam had van God de opdracht gekregen om de tuin te bouwen en te bewaren. Je zou hem tuinman kunnen noemen. Ook hier onderhoudt de mens (Adam) de tuin en geeft de dieren namen, net zoals in Genesis 2. Opmerkelijk genoeg spreekt het gedicht niet van de mens, maar van 'onze soort', een uitdrukking die je eerder bij dieren, diersoorten zou verwachten. Zo wordt de mens verwant aan het dier. Niet alleen dieren horen bij God, ook de mens hoort bij God.

De rest van het gedicht gaat voornamelijk over de dieren. De 'ik' (voor het gemak zeg ik maar even 'de dichter') is een toeschouwer die geniet van al die mooie dieren. ('En dan de roerloze pracht van de argusfazant.') De schoonheid van de dieren brengt hem het paradijs in gedachten. Deze dieren zijn al zo mooi, hoe mooi moet dan niet het paradijs geweest zijn! 

Ook de serie van drie paradijsgedichten gaat over een dierentuin. Ook hier heb je als lezer de indruk dat de dichter vooral heeft staan kijken. Lang heeft staan kijken, nauwkeurig heeft staan kijken. Het is kenmerkend voor veel van Rozema's gedichten: er is veel in te zien. Mij trof vooral het begin van het derde gedicht:
Heuphoge ezeltjes dragen een zwart ruggemerk
staan indolent in hun hoeven, zonder tijdverlies
worden ze duizend jaar oud op een dag. 
Het eerste, en dus misschien wel het belangrijkste, wat over de ezeltjes verteld wordt, is dat ze 'een zwart ruggemerk' dragen. Ik moest onmiddellijk denken aan Jacob van Maerlant die daar in Der naturen bloeme ook op wijst. Met een beetje goede wil is dat 'ruggemerk' (Kok doet nog niet aan nieuwe spelling) te zien als een kruis. Volgens Van Maerlant komt dat doordat Jezus ooit gedragen werd door een ezel. 

Je kunt altijd beweren dat dit stukje gedicht gewoon over een paar stilstaande ezels gaat. Daar gaat het ook (en vooral) over, maar als ik het lees, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat er meer meespeelt. Dat de ezels 'duizend jaar oud [worden] op een dag' (zonder tijdverlies), zal wel betekenen dat de tijd geen vat op hen heeft, maar mij doet het ook denken aan een bijbeltekst, 2 Petrus 3:8, waar staat dat bij God duizend jaren een dag is en een dag duizend jaar. 

'Duizend jaar' komt ook voor in het gedicht 'De koe': 'draagt ze duizend jaar geduldig / het stamboekmerk als plastic / dissonant in handgrote dovemansoren.' Hier geeft het aan hoe lijdzaam de koe is wat weer in de buurt komt van de indolentie van de ezels. 

Een duidelijke verwijzing naar de hierboven genoemde bijbeltekst staat in een van de gedichten in de serie 'Jeugd' die ik verderop nog aan de orde stel. 

Voor Rozema zijn de dieren dus het laatste restje paradijs. In veel gedichten komen dan ook dieren voor (de gedichten tussen de paradijsgedichten in heten 'Karpers' 'Het paard' en 'De koe'), en de meeste gedichten spelen zich buiten af. In 'Terra nova gaat de dichter nog verder terug dan het paradijs. 'Alsof ik / tegentijds de schepping door kan gaan // om dicht bij God te zijn in stille wadden / waar Zijn Geest op zweeft, engelmansplaat.' Het waddenlandschap doet hem denken  aan het 'landschap' van Genesis 1, toen er nog niets was dan God alleen. Dat directe contact met God wijst natuurlijk meteen vooruit naar het toekomstig paradijs, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. het gedicht eindigt dan ook met. 

(...) Wanneer ben ik vervuld

van kapitalen en minuskels, ALFA, OMEGA, 
houtvrij en alles onderschept uit spatnieuw
water onder hoge alpensneeuw vandaan. 
Het is een vraag zonder vraagteken, meer een verlangen waarschijnlijk. Een verlangen om vervuld te zijn van  taal, van hoofdletters en kleine letters, op houtvrij geschept papier. Maar dat niet alleen. Een minuskel is ook een bijbelhandschrift en God heeft gezegd dat Hij de Alfa en de Omega is. Hier staat dus niet minder dan het verlangen vervuld te zijn van God. Houtvrij kan dan zoiets betekenen als: zonder een enkele smet. Mooi is ook dat 'spatnieuw' water, waarin zowel het heel nieuwe als het spatten van water zit. Voor spatnieuw water is een schepping of een herschepping nodig. 

Dit verlangen naar het paradijs, het verlangen houtvrij en spatnieuw te zijn is ook een vertrouwen. Daarvan spreekt ook het gedicht 'Lichtbak'. 
Wat pepert me de levensadem in
als in een jongensboek het hagelschot
dat je verjaagt, de boomgaard uit.
Wat zet me op een lopen. 

Stofgoud kuilt op uit amechtige longen
bij de klaroenstoot, het weidmansheil
blazen. Maar nee, de klopstok van de
drijfjacht van de Dood niet. 

De kerf, de kerm van koperdraad,
ambachtelijk in brandend braam gezet
door een melancholieke stroper
vangt me vlak voor de jagers weg - 
het scheelt maar een dood. 

Hij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen.
Met al mijn wissels is Hij vertrouwd.
Hij omgeeft mij van achteren en van voren, 
en grijpt mij in mijn nekvel. 
Zei ik: duisternis moge mij overvallen,
dan is de nacht een lichtbak om mij heen. 
Het beeld van God als een melancholieke stroper, die de dichter vangt in zijn strik, vind ik erg krachtig. Natuurlijk is het een dier dat door God in zijn nekvel gegrepen wordt; dieren horen immers bij God. Juist in deze situatie identificeert de dichter zich met het dier. Het dier is op de vlucht voor de jagers, op de vlucht voor de Dood. Die is zo afschrikwekkend dat hij een hoofdletter gekregen heeft. God vangt het dier vlak voor de jagers weg. Het scheelt maar een haartje, maar het is wel een levensgroot verschil door wie je gevangen wordt.

Het is duidelijk dat de gehele laatste strofe verwijst naar Psalm 139. Mooi vind ik ook de laatste zin. Als je op God kunt vertrouwen, bestaat de duisternis van de nacht niet. Rozema zegt het mooier: 'dan is de nacht een lichtbak om mij heen.' De lichtbak behoort bij het gereedschap van de stroper, evenals het koperdraad waarmee hij zijn strik zet. Het is verrassend dat juist de stroper, degene die illegaal het wild vangt, een beeld van God is.

Ik weet niet zeker wat voor dier bedoeld is in dit gedicht, maar het zou me niet verbazen als het een haas was. Ook in het openingsgedicht van de bundel wordt over een haas gesproken en over de dichter 'die hem, na een leven van een half gedicht, / naar hoger, groener knollenland verhuist. / Voor 't eerst in rechte lijn, en sneller dan het licht.' Als er een hazenhemel is, dan bestaat die ongetwijfeld in een hoger, groener knollenland. De haas hoeft hier niet al haken slaand naar toe, maar in rechte lijn. Ook de haas die door de stroper in zijn nekvel gepakt is, zal naar de hazenhemel verhuizen. 

Paradijs eindigt met een cyclus van zeven gedichten, 'Jeugd', opgedragen aan Ido, wat gezien de inhoud van de gedichten wel eens des dichters broer kan zijn. Het zijn misschien niet de beste gedichten uit de bundel, maar hun eenvoud spreekt me erg aan. Sommige van Rozema's gedichten zijn nogal zwaar aangezet: een overdaad aan beelden gecombineerd met een soms gekunstelde zinsbouw. Dat is in deze cyclus geheel afwezig. Ik citeer het zesde gedicht. 
De tijd draait straks als een tuimel-
raam om. Polygoon-journaal en Verkade-
albums, dat is dan wat de klok slaat. 
De zomerdag nog koel en vol gebrom.

Een hooikoortsbriesje van bloemen
van vroeger steekt op en salamanders
glippen door waterinlaten.
Uit een boomgaard vol glanzend fruit

gejaagd lopen mijn broertje en ik, steedse
eierrapertjes, door sterrenbeelden groeiend
op de kim, met hemel en aarde verwant

is ons een etmaal duizend regels. 
Ach man, die eeuwige hang naar
woordeloos contact, laat ons lachen. 
Wie het heeft over het paradijs van de jeugd, doet aan geschiedvervalsing, legde de dichter al in het vorige gedicht van deze cyclus uit. Je maakt het mooier dan het is, als in een jongensboek. Bovenstaand gedicht knipoogt dan ook naar 'Lichtbak': 'als in een jongensboek het hagelschot / dat je verjaagt, de boomgaard uit.' In deze cyclus wordt ook de jeugd een boomgaard met louter glanzend fruit, een paradijs waaruit je niet door een engel met een vurig zwaard, maar door een fruitteler met een geweer gejaagd wordt. Paradise lost: de boomgaard van de jeugd is nooit meer te betreden. 

Als de jongetjes verjaagd zijn uit de boomgaard, zie je ze lopen 'op de kim'. Niet alleen met elkaar, maar ook met hemel en aarde verwant. Ze zijn in harmonie met hemel en aarde, maar je kunt ook zeggen dat hun bondgenootschap kosmische afmetingen krijgt, eeuwige vriendschap. Voor hen is een etmaal duizend regels. Behalve dat de tekst uit Petrus weer meeklinkt, lijkt me deze zin ook te duiden op de regels waaraan de jongens zich moeten houden en tegelijkertijd aan de onbeschrijflijkheid van hun vriendschap en van wat ze op een dag meemaken. 

'Ach man', verzucht  de dichter, alsof hij het achteraf toch liever relativeert ('laat ons lachen'). Ik ben blij dat hij dat in het grootste deel van de cyclus niet doet. De relativering is altijd veilig, je houdt jezelf buiten schot. De kans dat je vervalt in sentimentaliteit verklein je daardoor. Maar die veiligheid is ook een stuk minder spannend. Zonder voorbehoud eindigt het laatste gedicht van de cyclus (en van de bundel) met: 'Maar toch. Ik hou. Ik hou zoveel van jou.' Eerst nog haperend, maar dan toch. Je moet van goeden huize komen om zo'n slotzin niet snotterig te laten klinken. Rozema kan dat. 

Het moge duidelijk zijn dat ik Paradijs een goede bundel vind. Enkele mooie gedichten ('Renaissance', 'Troost I') heb ik zelfs nog niet eens kunnen noemen. Ik ben aangenaam getroffen door het vertelplezier dat uit de gedichten spreekt, die soms breed uitwaaieren. Ook op taalgebied is er veel te beleven. De dichter houdt van mooie, soms wat minder bekende woorden en laat vaak zo veel mogelijk betekenissen meespelen. Ten slotte zijn er de mooie en krachtige beelden die overvloedig in de bundel te vinden zijn. 

Dat laatste is meteen een van de zwakke punten. De beelden zijn niet alleen overvloedig, maar ook overdadig. Een strofe als de volgende kan mij absoluut niet bekoren: 'Wit als gesteven linnenkragen / springen de bogen haasje-over, / lopen spanten evenwijdig uit een / sluitsteen als een vuist.' Er is op zich niet zoveel mis met de afzonderlijke beelden (linnenkragen, haasje-over springen, vuist), maar de beelden hebben onderling te weinig met elkaar te maken. 

Het kennelijke of schijnbare gemak waarmee Rozema mooie beelden 'maakt', leidt soms tot mooischrijverij. Een gedicht als 'Paradijs II' is knap gemaakt, maar voor mij blijft het toch vooral een plaatje, een proeve van techniek, waar de dichter zo ongeveer uit verdwenen is. Nogmaals: knap, technisch niets op aan te merken, maar het is mij te veilig, te afstandelijk. Misschien wel: te mooi. 

In ieder geval zijn in deze bundel heel wat goede gedichten aan te wijzen en ook de minder goede bevatten vaak wel enkele mooie zinnen of beelden. Dat is al meer dan we van een debuut mogen verwachten. 

donderdag 12 juni 2025

Afgestoft: Eigen schuld (Maarten Spanjer)

Deze keer een ouwetje: een recensie uit 't Kofschip, jaargang 15 nr. 2 (maart/april 1987) over een verhalenbundel van Maarten Spanjer. Het is jammer, maar een goede afbeelding van de omslag van het boek kan ik zo gauw niet vinden. Er zijn wel afbeeldingen van het boek, maar meestal niet met de omslag waar ik herinneringen aan heb. 

Maarten Spanjer had toen nog niet de bekendheid die hij later zou krijgen met het tv-programma Taxi, maar hij had al wel een rol gehad in de film Spetters. Daarvan was ik indertijd niet op de hoogte; ik kon de bundel onbevangen lezen. 

Ik vind het leuk dat door het afstoffen het werk van de schrijver Spanjer weer even aandacht krijgt. Wat betreft mijn recensie van toen: ik zeur weer over kleine foutjes en ik denk dat ik dat niet zo gauw meer zou doen. En dat ik die foutjes dan 'vergeef' klinkt ook wel zelfingenomen. Maar goed, zo schreef ik het en zo heb ik het laten staan. 

 Leed met een glimlach

Van aard zó ongeschikt triomf te vieren,
dat nederlaag een sport geworden is...
Deze regels van L.Th. Lehmann staan als motto voor in Eigen schuld, de verhalenbundel waarmee Maarten Spanjer debuteert. Iemand die de verhalen gelezen heeft, hoeft niet meer te vragen naar de reden van dit motto; nederlagen, vernederingen, komen we in elk verhaal tegen. 

De ik-figuur in het boek is de jongen Maarten. Niet in elk verhaal wordt hij met name genoemd, maar er worden steeds voldoende aanwijzingen gegeven om aan te nemen dat het inderdaad steeds over dezelfde persoon gaat. Maarten is 'ongeschikt triomf te vieren'. Slechts één keer overwint hij. Dat is in het verhaal 'Wraak', waarin hij aan een suppoost verraadt dat zijn broer zonder kaartje een voetbalwedstrijd probeert bij te wonen, zodat die opgepakt wordt. Het is trouwens het slechtste verhaal van de bundel, vind ik. Een anekdote, redelijk verteld. Meer niet. 

Spanjer is beter op dreef als hij de verliezers tekent. 

Maarten, die zich schuldig voelt als zijn opa overleden is, of die als hulpje van de melkman zijn werkgever met een Russische dame -zijn meest bewonderde klant- op de bank moet aantreffen, of die uitgelachen wordt door leeftijdgenootjes, omdat hij in een weinig eervolle positie op tv geweest is. 

Maar ook anderen moeten nederlagen incasseren. Als Maartens vader na een tijdlang knutselen eindelijk een stereomeubel gemaakt heeft, moet hij ontdekken dat hij overtroffen is door zijn zoon Gerard. Oom Wim kan het niet verkroppen dat zijn favoriete voetbalclub verliest. Een melkman raakt aan de drank als hij ziet hoe zijn zaak na de melksanering verloopt. 

Vol sympathie tekent Spanjer deze pechvogels. Nooit gaat hij boven zijn verhaalfiguren staan, nooit doet hij neerbuigend naar hen, maar hij tekent de grote tragiek van het kleine leed, vol mededogen. 

Tragiek? Ontaardt dat dan niet in pathetiek? Loodzware somberheid om niks? Gelukkig niet.

Ondanks alle ellende en verdrietigheidjes, blijft dit een luchtig boek. De grinnik en de glimlach zijn tijdens het lezen nauwelijks bij mij weg geweest. En ze werden haast altijd veroorzaakt door kleinigheidjes. 

Dat opa met een stofzuiger het aquarium leeg staat te zuigen, is leuk, omdat het slechts terloops opgemerkt wordt, als een aantekening in de marge. Nooit worden de grappigheden in het licht van de schijnwerpers geplaatst. Je krijgt ze erbij, als een onverwacht extraatje. Nog een voorbeeld:
Zijn vrouw probeerde er nog het beste van te maken en wist door haar aandoenlijke levenslust een kleine klantenkring te behouden, tot ook zij, murw gemaakt door het gebral in de achterkamer, de strijd opgaf, haar snor liet staan en de katten niet meer van de kazen in de etalage afjoeg.
Een trieste toestand, zeker, maar licht beschreven. 

Op deze manier beschrijft Spanjer ook allerlei onsmakelijkheden, en dat zijn er nogal wat. Zoals een slecht gereinigd kunstgebit in een bakje, zweetsokken, een flesje urine dat doorlekt in een broekzak, een handdoek met oorsmeer, een harige bult op iemands hoofd, zwarte nagelranden, haren die uit een neus groeien. Praktisch nooit wekken de beschrijvingen afschuw op bij de lezer. Als Maarten op vakantie het potje van zijn moeder, dat afgedekt is met servetjes, moet wegbrengen naar het toilet, lezen we:
Elke ochtend liep ik, het vrachtje als een schaal oliebollen voor mij uit houdend, naar de campingtoiletten (...).

Een enkele keer laat Spanjer de luchtige toon varen. Ik denk aan bijvoorbeeld het slot van het verhaal 'Kamperen', waar de auto van de heuvel af rijdt, recht op het meer en de bomen aan. Toch wordt het verhaal dan niet larmoyant of zwaar somber. Het krijgt iets beklemmends:

Vanaf de heuvel klonk de schorre stem van mijn vader. Zijn grote gestalte tekende zich donker af tegen de avondhemel. Als een dreigend standbeeld stond hij daar, zijn armen boven het hoofd geheven. 'De handrem, de handrem,' riep hij, maar zijn stem kaatste terug tegen de bergen. 

Dit is blijkbaar het grote leed, waarbij geen luchtigheid past. Deze ernst treffen we ook aan het slot van 'De Zuiderzeeballade' aan. 

Opvallend is het gemak waarmee het boek geschreven lijkt. Spanjer heeft een vlotte, trefzekere stijl. Onnauwkeurigheden, fouten, uitglijders, die slechts sporadisch voorkomen, vallen dan des te erger op. Soms zijn het kleinigheidjes (pyjamajas verkeerd gespeld), maar af en toe zijn de fouten ernstiger. Twee voorbeelden: 'Hoewel zelf kinderloos gebleven, stond er altijd zo'n rozewit busje van de Ruyter's bij haar op de plank' Een kinderloos busje? En: 'Had je pech, en Gerard hàd pech, mijn vader zijn zondagse puntschoenen aan (...) dan kreeg je die venijnige punt precies in de bilspleet.'

Jammer natuurlijk, maar ik vergeef het Spanjer als ik al het goede zie dat hij ertegenover stelt.  

maandag 9 juni 2025

Afgestoft: In ommezien (Jan H. de Groot)

Gedichten! Deze keer een recensie van een bundeltje van Jan H. de Groot (1901 - 1990), een dichter die door velen intussen vergeten is. Of weet iemand nog vaag iets over een gedicht over een kalf? Dat werd ooit gepubliceerd in het protestantse tijdschrift Opwaartsche wegen en in die hoek moet je de dichter ook zoeken. 

Al voor de oorlog ving hij, samen met anderen, Joodse vluchtelingen op bij de grens om ze in Nederland onder te laten duiken. Na de oorlog kreeg hij de verzetsprijs van de stad Amsterdam. 

Ik zocht hem ooit op in de jaren tachtig, toen hij in Doorn woonde. Hij woonde op een terrein waar meer oudere kunstenaars woonden. Helemaal helder heb ik het niet meer, maar ik herinner me dat Nol Gregoor (bekend uit de kringen rond Vestdijk) en de harpiste Phia Berghout er ook woonden. 

Het zal een uur of elf in de ochtend geweest zijn toen ik arriveerde. Een van de eerste vragen van De Groot was: 'Wilt u wijn?' Toen ik antwoordde dat ik eerder gedacht had aan koffie, zei hij: 'O. Ik drink nogal wijn.' 

Het was gezellig bij De Groot, van wie ik informatie hoopte te krijgen over Martien Beversluis en wel over de jaren twintig, waarin hij bijvoorbeeld Canzonen schreef. Maar daar kon de dichter mij niet aan helpen. Wel beweerde hij dat de eerste roman van Beversluis' echtgenote, Johanna Verstrate, door haar man geschreven zou zijn. Verstrate schreef onder de namen Dignate Robbertz en Sylvia Maris. Als ik het tenminste allemaal goed onthouden heb. 

De recensie van de bundel In Ommezien komt uit 't Kofschip, jaargang 15 nummer 1 (januari-februari 1987). Toen was ik 27, een eeuwigheid geleden. In dit nummer stonden drie recensies van mij. Een korte van Kinderen van de fraters van Jules de Palm, eentje van De jacobsladder van Maarten 't Hart (die ik hier afstofte) en die van de bundel van De Groot. 

Het was maar een dun bundeltje, een bladzijde of dertig, waarin De Groot een keuze uit de eigen gedichten had gemaakt. Het kwam uit bij MediaMix in Zeist in een oplage van 250 genummerde exemplaren, waarvan het mijne 192 was. Ik had het boekje bij me toen ik De Groot bezocht en hij signeerde het. 



Terugblikken

 De nieuwe gedichtenbundel van Jan H. de Groot heet In Ommezien. Hij is uitgegeven ter gelegenheid van de 85ste verjaardag van de dichter en bevat zowel nieuw als oud werk. 'De inhoud van deze poëzie bevat een terugblik op mijn werk; een omzien waaruit de lezer mij kan herkennen, want de dichter schrijft wel zijn verzen, maar het vers schrijft ook zijn dichter', verklaart De Groot in 'Ter inleiding'.

De bundel is verdeeld in drie afdelingen van elk zes gedichten. In de eerste afdeling, 'Kanttekeningen', staat de ouderdom centraal. De eerste drie gedichten sluiten nauw aan bij de titel van de bundel; het zijn alle terugblikken. Mildheid en vredigheid overheersen in deze gedichten. 'Nederlagen' (waarin m.i. een zetfout voorkomt; 'geduchten' moet zijn: gedachten) eindigt zo: 

Ik kwam ze tegen 's nachts, mijn nederlagen.
Ik telde ze toen ze mij steels aanzagen,
maar ik heb het schaamrood niet teruggekregen:
april beloofde overmilde dagen. 

In de volgende drie gedichten ontmoeten we de dood. Letterlijk  ('De dood liep door het park de knoken op de rug'), in de gedaante van een een oude man die al een tijdlang dood achter het raam zit en in de persoon van Anne Frank (in het gedicht 'De naam'). 

De afdeling 'Plaatsbepalingen' bevat gedichten geïnspireerd op bepaalde locaties. In bijna alle gedichten is de dichter zelf aanwezig. De plaatsen worden getekend in de emotie die ze bij de dichter oproepen. In het eerste gedicht is het terugblikken weer aanwezig: de dichter bezoekt met zijn zoon zijn geboortestad, waarin hij nu een vreemde is, hoewel veel dingen niet veranderd zijn. (''k Herken zoveel maar ik ben niet herkend').

Het bekende gedicht 'Reiziger doet Berlijn' detoneert een beetje in deze afdeling. Het is van een ander soortelijk gewicht: lichter, luchtiger. Voor degenen die dit gedichtje over het platgebombardeerde Berlijn nog niet kennen, citeer ik het:
Reiziger doet Berlijn

Geen week geleden kwam ik hier
en vond een stad vol ijlend leven. 
Nu kijk ik weer uit het portier, 
verrek, waar is Berlijn gebleven?

Humoristisch, zeker, maar ook niet meer dan dat. Daarom vind ik het jammer dat dit gedicht opgenomen is. 

De derde afdeling heet 'Bij gelegenheid' en bevat dan ook gelegenheidsgedichten: een gedicht naar aanleiding van een ongeluk dat de schrijver Louis de Bourbon overkwam, een kerstgedicht, een gedicht naar aanleiding van een operatie, een gedicht voor de plaquette voor het perscentrum Nieuwspoort (in Den Haag), een bruiloftslied en een soort oudejaarsgedicht. 

Opmerkelijk is het kerstgedicht ('Kerstbrief van Melchior'). Het is een brief van de zwarte van de drie koningen aan de andere twee, Caspar en Balthazar. Hij schrijft dat hij niet mee kan gaan naar Bethlehem, omdat hij moet strijden tegen de blanken. 

De eerste strofe:
Ik schrijf u Caspar, Balthazar
vanuit mijn hoofdkwartier
ik kan en wil niet weg dit jaar
want oorlog houdt mij hier
de laatste oorlog weliswaar
tegen het blank verweer
maar laatste loodjes wegen zwaar
en dat weet God de Heer
'Sonnet voor het volgende jaar' is het laatste gedicht van de bundel. Het is een gedicht waarin de dichter naar de toekomst kijkt. Nu blijkt ook dat De Groot zijn bundel nauwkeurig opgebouwd heeft: hij begint met omzien maar eindigt met vooruitblikken. Zoals ook de bundel niet alleen maar oude gedichten bevat, waarin we kunnen terugblikken op het werk van de dichter, maar ook nieuwe, die ons doen uitzien naar toekomstig werk. 

De meeste gedichten in deze bundel zijn strak van vorm: veel sonnetten (de helft), veel rijm, vaak verdeling in gelijke strofen. Maar in elke afdeling staat één gedicht met een vrije vorm ('De naam', 'Petra', 'Operatie X'). Hoewel deze gedichten ook vaak mooie zinnen bevatten (bijvoorbeeld: 'Ik moet (...)/ mij neerleggen in de berm van mijn bed'), overtuigen ze me mij niet. Ik vind ze vaak nogal babbelachtig (vooral 'Operatie X'), vol overbodige, nietszeggende zinnen. 

Jammer, natuurlijk, maar niet noodlottig. Ondanks de zwakheden, is deze bundel mij sympathiek. Een aardige gelegenheidsbundel, waarbij ik het woord 'aardig' niet bedoel als synoniem van 'redelijk', maar van 'aangenaam'. Ik kan niet beter dan afsluiten met het citeren van het mooie slotgedicht. 

Sonnet voor het volgende jaar

Misschien komt er na dit een volgend jaar
wie deert de vraag, behalve dan mijn jongen, 
uw dochter, die in watervlugge sprongen
de tennisbal toespelen naar elkaar?

Zijn zij al niet de hoeken ingedwongen;
verslagen, maar het eind nog niet gewaar?
Boleten vol van kosmisch vuurgevaar
bedreigen reeds de toppen van hun longen. 

Ik zie ze schaatsend in hun asbestpak
de glasplaat kruisen van het wereldrond,
gewapend met het laatste blik conserven.

Op weg het Nieuwe Aardrijk te beërven,
want God, die nimmer zijn belofte schond,
moet ergens wachten met een bloesemtak.