Posts tonen met het label Herinnerd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Herinnerd. Alle posts tonen

donderdag 10 september 2026

Penicillinezalf, Haarlemmerolie, levertraan en Sloan's liniment

 

Mijn ouders gebruikten medicijnen die ik tegenwoordig nooit meer tegenkom. Zo herinner ik me de penicillinezalf, een gelig goedje uit een tube. Als ik een gat in mijn knie gevallen had, deed mijn moeder het op een gaasje en dat ging op de wond. 

Pas nu vraag ik me af of je in die tijd antibiotica zonder doktersrecept kon krijgen. Indertijd vond ik het niet vreemd dat de tube gewoon in de la van het keukenkastje lag. Ik heb kort gezocht op Delpher en in oude kranten komt het geregeld voor, bijvoorbeeld hier. Het middel werd wel verkocht op plaatsen waarin veemarkten gehouden werden, dus mogelijk heeft mijn vader het ooit van 'de mart' meegebracht. 

Indertijd werd al gewaarschuwd tegen het onoordeelkundig gebruik van het middel. Voor zover ik weet, heeft mijn vader het nooit voor het vee gebruikt. 

Haarlemmerolie

Verder hadden we natuurlijk de Haarlemmerolie, een wijdverbreid middel. Ik gok dat al mijn ooms en tantes het in huis hadden. Het zou tegen zo'n beetje alles helpen. Volgens mij gebruikten wij het voornamelijk bij kiespijn en oorpijn. Een watje werd doordrenkt met de sterk ruikende olie en aangebracht in het oor of in de holle kies. Natuurlijk ging de pijn na een tijdje over en dan zou dat door de bruine vloeistof komen. Waarschijnlijk was het de placebowerking. 

Dat er ook capsules waren met Haalemmerolie was iets van later datum, dacht ik, maar ik vond een advertentie uit 1940 waarin de capsules al werden aangeprezen. 

Suriname, Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad 2 januari 1940

Levertraan

Als de 'r' in de maand was (van september tot en met april dus) slikten we een lepel levertraan. Aanvankelijk was dat traan, olie, met een smaakje: sinaasappelsmaak. Later was het de pure, gele olie. De eetlepels die wij thuis hadden, hadden een behoorlijke afmeting, dus het was een beste slok. In mijn herinnering hadden mijn zusje en mijn broertje er nogal moeite mee. Ik vond het ook helemaal niet lekker, maar ik nam maar snel de slok om ervan af te zijn. Mijn moeder erkende ook wel dat het goedje niet lekker smaakte en daarom kregen we meteen na de lepel olie een schep suiker. En daarna snel naar bed. 

Net als de Haarlemmerolie was de levertraan in mijn jeugd al beschikbaar in capsules. Maar die hadden wij niet. Ik vermoed dat je met wat er in de eetlepel ging verscheidene capsules had kunnen vullen. 

Leeuwarder Courant, 4 januari 1958

Sloan's liniment

Verder was er Sloan, een al heel oud middel. Het zat in een flesje dat in een doosje zat en daarop stond het hoofd afgebeeld van een man met een snor. Later zou ik vinden dat die man op mijn ome Ab leek. Mijn moeder gebruikte het als ze last had van haar rug. Als je het spul erop smeerde (het was verkrijgbaar als zalf en als vloeistof), ging de huid gloeien en dat had blijkbaar een verlichtende werking. 

De oudste advertentie voor dit middel kwam ik tegen in de Sheboygan Nieuwsbode, de oudste Nederlandstalige krant in Amerika, die bestond van 1849 tot 1861. De advertentie stamt uit 1851.


Hierboven staat maar een stukje van de advertentie. Het middel blijkt ook bedoeld voor hoornvee en paarden en werd gebruikt bij aandoeningen aan de 'galblaas, verrekking der pezen, kneuzingen, gekwetste pooten, ringbeen, gezwollen enkels, nekgezwel, wratten, spatten, fistel, zadelknobbel, verwrikking, kreupelheid, stijve pooten, stramheid, schurft en paardenziekte.' Letterlijk een paardenmiddel dus. 

Sloan had ook Conditie Poeder, dat ook al een wonderbaarlijke werking had. Het verdrijft 'elke ontsteking en koorts, zuivert het bloed, maakt het vel los, reinigt het water en versterkt elk deel des ligchaams.' Verder heeft het zich een uitmuntend middel voor de volgende ziekten getoond: 'stijfheid, ziekte, vastheid der huid, gebrek aan eetlust, inwendige verrekking, geel water, ontsteking der oogen, vermoeijenis van harden arbeid; ook rhumatiek (gewoonlijk stijfheid genoemd) hetwelk in dit land voor zo menig paard doodelijk is. Het is ook een veilig en zeker middel voor hoest en verkoudheid, welke zoo vele noodlottige ziekten na zich slepen.'

Dat het ook helpt bij 'ziekte' is altijd handig. Dan kun je het overal voor gebruiken. Het tekstje is ondertekend door W.B. Sloan, die nog vertelt dat het middel volkomen veilig is: 'Deze remedies schaden nimmer en genezen altijd, indien de voorschriften worden opgevolgd.' Het hoofddepot bevond zich indertijd in Chicago. 

Blijkbaar hebben de middelen van Sloan in de loop der jaren de oversteek over de oceaan gemaakt en waren ze zelfs in Herveld te koop. Zou mijn moeder het flesje bij Engeltje Dekker gekocht hebben? Toen ik klein was, werd er flink reclame voor gemaakt. En vaak hoefde er geen uitleg bij. Ik kwam een advertentie uit 1960 tegen waarin alleen verteld werd dat het overal verkrijgbaar was.

Het Nieuws, Algemeen Dagblad, 17 mei 1960

Hoe dan ook, wij hadden een flesje Sloan's liniment in huis. We spraken de naam trouwens uit als 'Slowan'. Toen wij klein waren, moesten mijn zusje en ik onszelf soms bezighouden, omdat mijn ouders 'achter' aan het werk waren. Mijn vader molk de koeien en mijn moeder zal ze intussen wel gevoerd hebben en de deel geveegd hebben met een rijshouten bezem. 

Toen mijn moeder eens binnen ging kijken of haar kinderen wel braaf waren en deur naar de gang opende, kwam de kat in paniek de deel op rennen. Hij ging via de stalladder de hooizolder op, likte zich driftig, maar werd daar niet rustiger door. 

Mijn moeder haastte zich naar binnen, waar ze mijn zusje aantrof die op haar buik op de divan lag, met haar trui omhoog. De huid van haar rug, was helemaal rood. Mijn moeder zag het flesje Sloan's liniment en begreep meteen het verband. Ze nam mijn zusje op en hield haar rug onder de pomp om de Sloan van haar af te spoelen. 'Lientje had een zere rug', zei ik. 

Ma snapte ook wel dat niet alles uit het flesje op de rug van mijn zusje terecht was gekomen. Ze vroeg me wat er met de rest van de inhoud gebeurd was. 'Dat heb ik op de poes gedaan', vertelde ik. Er is nog naar het beestje gezocht, maar het is nooit meer gevonden. Mogelijk heb ik door mijn gesmeer de dood van het dier op mijn geweten. Mijn zusje hield er geen nadelige gevolgen aan over. 

Nieuwe Vlaardingsche Courant, 14 november 1962

De foto boven deze bijdrage is uit 1962. In dat jaar werd ik drie en werd mijn zus een jaar oud. Ook de betreffende poes is te zien, die niet veel ouder geworden zal zijn dan op de foto. Hieronder nog een foto van mijn vader en moeder op de deel. In de vaten zat meel (of misschien ook wel biks) dat mijn vader er met de 'meelkop' uit schepte. Links achter aan de muur de 'kippenklok', die ervoor zorgde dat op een bepaalde momenten het licht in het kippenhok aan- of uitging. 

Op deze foto zie je een trap tegen de hooizolder staan. In mijn herinnering was het een ladder, de 'stalleer'. 

donderdag 27 augustus 2026

'Al sloa de me dood, ik gif oe gin gelijk'

Een stel korte stukjes uit verschillende dagboeken. Ik heb er steeds boven gezet op welke dag ik ze opgeschreven heb. Het zijn dingen die mijn moeder vertelde als ik bij haar op bezoek ging. 

In verschillende ervan figureert mijn ome Ab, daarom plaats ik er een foto bij waar hij prominent op staat, vooraan in het midden. De foto is genomen bij de voordeur van het huis van mijn grootouders, de ouders van mijn moeder, op de trouwdag van mijn ouders. Behalve mijn ouders staan mijn grootouders en mijn ooms en tantes van moederskant erop. Tante Cor ontbreekt. Dat heb ik hier uitgelegd. 

De vrouw naast mijn oma, ken ik niet. Het zal de toenmalige vriendin zijn geweest van mijn ome Henk, die in die tijd blijkbaar in militaire dienst zat. Verder staat links tante Gijb en op de voorstr rij, aan weerszijden van ome Ab, zitten tante Riet en ome Dik. 

12 september 2020


Wel haalde mijn moeder andere herinneringen uit haar eigen jeugd op. Dat haar moeder, mijn oma dus, in 1954 nog een miskraam kreeg.

Mijn moeder was toen als meisje voor dag en nacht in dienst van de familie Methorst. Ze ging dan ‘s ochtends om halfvijf naar haar eigen ouders om de was te doen. Ze moest weer op tijd terug zijn bij Methorst. Vrouw Methorst zat toen in een inrichting en mijn moeder moest ervoor zorgen dat de kinderen op tijd op school kwamen.

Ze kon bij haar ouders wel de was koken, maar spoelen moest tante Gijb doen, die toen pas negen jaar was. Er waren toen ook oudere broers (Henk, Ab), maar blijkbaar kwam het in niemands hoofd op dat die ook wat in het huishouden zouden kunnen doen.

Ome Ab had als kind hersenvliesontsteking gehad en was daardoor verwend. Later werd hij erg ondeugend en als hij iets verkeerds had gedaan, riep hij: ‘Ge meug me lekker toch niet sloan!’

Toen hij wat ouder werd, gebeurde dat overigens wel en opa was niet zachtzinnig: die sloeg met zijn riem. Ome Ab zei: ‘Al sloa de me dood, ik geef oe gin gelijk.’ Maar de buurman kwam die keer tussenbeide.

Ome Ab werd beschuldigd van het stelen van een portemonnee en van een psalmboek. Dat laatste kwam later boven water en hij bleek dat niet gedaan te hebben. Maar de portemonnee werd gevonden bij Hentje van den Berg, net over het spoor bij Zetten. Daar zit nu een Chinees restaurant. Ome Ab zal het geld wel gebruikt hebben voor drank.

Hij had een keer de solex van zijn moeder meegenomen naar het café (Café De Zon, bij Pietje Beschuit). Hij kwam lopend terug, omdat hij de solex verkocht had. Ook bij mijn ouders heeft hij ooit honderd gulden gestolen. Mijn moeder vermoedt dat mijn vader een kalf had verkocht of zo. De portemonnee lag in de la, waar hij later ook altijd zou liggen. Mijn vader had nooit een portemonnee bij zich.

Mijn moeder zei dat ze toen nog nooit een biljet van honderd gulden had gezien, wat wel kan kloppen, want in het begin van hun huwelijk hadden mijn ouders niet veel geld. Mijn vader vertelde aanvankelijk niet aan mijn moeder dat het geld gestolen was. Wel aan zijn schoonouders. Oma kwam toen helpen in huis bij mijn moeder, om het op die manier terug te betalen. Het lijkt erop dat ook toen de hand boven het hoofd van mijn oom werd gehouden. Toch noemde mijn moeder hem ‘een best jong.’

Ook vertelde ze dat ze als vijftienjarige hielp op de boerderij bij Trien (Catrinus). Ze moest eigenlijk in huis werken, bij Arta, maar die zei dat ze maar op het bedrijf moest gaan helpen. Ik heb alles gedaan, zei mijn moeder: ploegen, eggen. Allemaal met het paard. Er waren twee paarden: de bruine, waar ze bang voor was, en de schimmel. Die had Trien gekregen na de oorlog als compensatie voor de oorlogsschade. De Duitsers hadden alle paarden gevorderd.

De schimmel was een oud circuspaard en als hij voor de wagen liep, speelde mijn moeder op haar mondharmonica, zodat het paard heel showerig ging lopen: kop omhoog en de voorpoten heel hoog optillen. Dat heeft ze wel vaker verteld.

13 september 2020


Ik heb nog een aanvulling op gisteren, ook door mijn moeder verteld. Er was ook nog een ‘jonge’ Trien, die 47 jaar oud was. Die kwam aan mijn grootmoeder vragen of mijn moeder niet op de boerderij kon blijven. Eigenlijk was het de bedoeling dat hij dan later met mijn moeder ging trouwen. Mijn oma zei: 'Denk je dat ik mijn kind verkoop?' Mijn moeder mocht niet meer naar de boerderij.

Die jonge Trien kwam ook een keer huilend bij het huis van mijn grootouders aan. Tijdens het melken in de wei was hij gewond geraakt. Hij goot de melk uit in het zeef, over de draad, toen er een tochtige koe op zijn rug sprong. Hij kwam met zijn borst op de heiningpaal terecht. Daarna hebben mijn moeder en haar jongere broer Henk een tijdje gemolken op die boerderij. Ze hadden een hoop lol gehad, begreep ik.

13 februari 2023


Ik zal je nog een verhaal vertellen dat ik een tijdje terug van mijn moeder hoorde. Vroeger moest zij altijd langs het gezin Collau als ze bijvoorbeeld naar de winkel ging en dat was geen pretje. Op een dag liep ze met tante Cor (haar oudere zus) en ome Ab (haar kleine broertje) daar weer voorbij en toen kreeg tante Cor ruzie met een van de grote meiden. Die stond voorover gebukt en ome Ab viel haar aan: hij beet haar in haar kont.

De moeder van het gezin was altijd heel zenuwachtig en riep mijn oma (de moeder van mijn moeder, dus de moeder van je overgrootmoeder) soms binnen. Haar zoontje was heel dwingend. Als hij iets wilde hebben, zei hij: ‘Geef op, of ik zèk oe nat!’

28 februari 2023


Vanochtend had ik het nog met mijn moeder over Corrie Tendeloo. Zij diende in 1955 in het parlement een motie in die het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen aanvocht. Als ik het goed heb werd de wet Handelingsonbekwaamheid in 1956 afgeschaft. Voor die tijd konden vrouwen geen huis kopen, geen geld opnemen van hun rekening en meer van dat soort dingen, zonder machtiging van hun man (of als ze die niet hadden: van hun vader).

Mijn moeder herinnert zich nog dat haar moeder (mijn oma dus) het erover had. Er was toen net een neef van mijn opa op bezoek, Toon de Bruin. ‘Nu hebben we het voor elkaar’, zei mijn oma. ‘Vrouwen hebben nu net zoveel te zeggen als mannen.’ Toon reageerde met: ‘Ze hebben altijd al meer aan de moel gehad.’

Zijn zoon was Zweer de Bruin, die ook wel de rooie Zweer genoemd werd. Die reageerde heel blij toen hij mijn moeder als kind zag: ‘Nu ben ik niet meer de enige rooie in de familie!’ Mijn moeder kreeg een bal van hem. Ze denkt dat hij toen een jaar of veertien, vijftien is geweest. Intussen is hij overleden. Zijn weduwe zit in ‘t Anker, waar mijn moeder ook zit. Die heeft die vrouw aangesproken, maar ze reageerde niet. Ze zal wel niet helemaal helder meer zijn.

donderdag 20 augustus 2026

'Wa zulde dan een oud moedje zijn'

Dit stukje schreef ik in een dagboek op 24 oktober 2023. Het gaat over een paar feesten, in de familie en in de buurt. 

Mijn opa en opoe van moederskant, uit Dojewèrd, waren dertig jaar getrouwd. Op de bovenste foto staan ze met zijn tweeën, onderaan met hun kinderen. Tante Cor staat er maar half op en ome Dik was er niet bij. Die zat bij de marine en kon niet zomaar naar huis komen. 

Er zijn ook nog foto's van mijn moeder en tante Cor die samen een stukje opvoeren, maar die kon ik niet vinden. Als ik ze ergens tegenkom, zal ik ze alsnog delen. 

Mijn opa en opoe van vaderskant, uit Loenen, waren in hetzelfde jaar veertig jaar getrouwd. Ter gelegenheid daarvan werd een foto van ons gezin gemaakt. Van Opa en opoe Loenen heb ik onderaan nog een foto toegevoegd. 

Verder gaat het nog over het huwelijk van tante Gerrie en over de bazar in het dorp en daarna houdt het stukje ook weer zomaar op. 

Opa en Opoe Dojewèrd dertig jaar getrouwd

Het is 1966. Ik ben zes, misschien net zeven. Er zijn dat jaar twee feesten. Bij opa en opoe Loenen is er feest omdat ze veertig jaar getrouwd zijn. Opa en opoe zijn altijd jarig in de zomer: opa op 6 juni, oma op 16 juli. Soms wordt dan de tafel naar buiten gesjouwd en eten we het avondbrood onder de grote goudreinet waar de schommel in hangt. De tantes en de kinderen tenminste. De mannen zijn dan nog op de boerderij bezig: koeien melken, varkens voeren enzovoort.

Soms heeft een tante een fototoestel. Van mijn moeders kant heeft volgens mij alleen tante Cor zoiets, van mijn vaders kant tante Met. Die wijkt af van wat de meeste mensen hebben. Je moet hem voor je buik houden en dan kun je van bovenaf in een raampje kijken om te zien wat er voor de lens staat.

Ook bij het veertigjarig huwelijk van opoe en opa worden er foto’s gemaakt. We zijn bij het huis van ome Wout en tante Met, waar mijn grootouders heel lang hebben gewoond, van 1926 tot 1963 of zo. Op het grind, voor het huis, gaat elk gezin op de foto. Ik heb het bruine pakje aan dat tante Jannie genaaid heeft. Links op mijn borst zit een zakje met een hondje erop.

Er wordt ook een groepsfoto gemaakt, met opa en opoe in het midden op grote stoelen. De ooms en tantes staan achter hen. De kleinkinderen zitten op een rijtje voor hen. Lientje staat naast opoe. Het is zonnig en we moeten tegen de zon in kijken. Sommigen van ons knijpen de ogen een beetje dicht.

We eten bij ome Wout in de kamer. Mijn opa kijkt naar mijn moeder en moet een beetje lachen. Als ze vraagt waarom hij lacht, zegt hij dat hij zat te bedenken hoe ze eruit zou zien als zij en mijn vader veertig jaar getrouwd zijn. ‘Wat zulde dan een oud moedje zijn,’ zegt hij. Mijn moeder is nog net geen dertig. Als ze veertig jaar getrouwd zal zijn, zal ze eenenvijftig zijn. Dat is nog zo ver weg, dat je het je bijna niet kunt voorstellen.

Opa en opoe Dojewèrd zijn dertig jaar getrouwd. Opoe wil het niet vieren. ‘Ik ga gewoon weg’, zegt ze. Maar haar kinderen en haar buren laten dat niet zomaar gebeuren. Ze versieren het huis en ze halen hortensia’s. Opa en opoe krijgen een corsage opgespeld.

Bijna alle kinderen en kleinkinderen zijn er. De kamer van opoe en opa is niet zo heel groot, dus het is al gauw vol. De kleinkinderen spelen dan ook meestal op deel. De verjaardagen bij opa en opoe zijn altijd vrolijk. Soms is ook ome Dik erbij, in zijn uniform van de marine. Dan speelt hij op het harmonium. Hij kan ook bugel spelen. Verder hebben opa en opoe een citer, maar die gebruiken wij als speelgoed. Ik heb er nog nooit iemand serieus op horen spelen.

De mannen zingen vaak luidkeels liederen. Bijvoorbeeld ‘Oh, when the saints’ of over een pot met stront die opgehangen was. ‘En hadden die vol met stront gedaan’, zingen ze extra hard. Die pot wordt opgehangen en als ik het goed begrepen heb, wordt er (door soldaten?) op die pot geschoten. ‘En alle boertjes en boerinnekes waren met die stront belaân!’ Het is kostelijk om iedereen zo vrolijk te zien.

Ik zit bij het raam, vlak bij het orgel. Dan komen ineens mijn moeder en tante Cor uit de slaapkamerdeur de kamer binnen. Ze zijn verkleed. Tante Cor is een dametje, met een hoedje op. Mijn moeder is aangekleed als een man. Ze heeft een pak aan en een hoed op en ze heeft een sigaar in haar mond. Die zit nog in het cellofaan, wat het iets minder echt maakt. Ze zijn Thomasvaar en Pieternel en lezen een gedicht op van een lang vel papier.

Zou mijn moeder dat geschreven hebben? Er zijn wel vaker mensen die haar vragen om een gedicht te schrijven als er een feest is en dan rijmt mijn moeder erop los. Ze lijkt er nooit veel moeite mee te hebben. In ieder geval hebben tante Cor en mijn moeder veel succes.

In hetzelfde jaar gaan ome Ab en tante Ria trouwen. Later zal mijn tante zich Rhea noemen. Ook nu is er een feestje bij opa en oma Dojewèrd. De vader van tante Ria voert een toneelstukje op. Hij doet alsof hij moet huilen. Mijn oma denkt dat het echt is: ‘Wat is ‘t nou, Van den Berg?’ En dan begint hij te vertellen hoe hij met zijn vader over een plank moet lopen die over een sloot ligt. Hij zit bij zijn vader op de nek. En zijn vader heeft ‘grote platspoten’. Steeds komt hetzelfde zinnetje terug: ‘En de plank die brak. Bijna!’ Elke keer dat de zin herhaald wordt, wordt het grappiger.

Er is ook nog feest van tante Gerrie en ome Henk. Die gaan trouwen. Tante Gerrie heeft al een kind, Gertje. Ze is heel kort getrouwd geweest met Gètje Frentz. Die heeft als bijnaam ‘de strontvlieg’, al weet ik niet waarom. Wij gebruiken die ook niet, maar bij oma Kors in huis wordt hij zo genoemd. Opa en opoe waren tegen dat huwelijk, maar tante Gerrie zette toch door. Hoe dat precies gegaan is, weten wij niet.

Maar nu heeft ze ome Henk. Zijn moeder leeft niet meer, zijn vader wel. Die heeft spierwit haar en een bril met een zwart montuur. Hij heeft ook een paar broers en een zus. De stoet vertrekt bij de bungalow van opoe en opa Loenen. Daar woont tante Gerrie trouwens niet. Misschien woont ze in bij de veearts bij wie ze werkt. Eigenlijk weet ik het niet goed.

We gaan met koetsen naar het gemeentehuis. Voordat we instappen gaan we op de foto. Ik met opa en opoe. Opa heeft een hoge hoed op, oma een klein hoedje. Er is afgesproken dat ik bij ze in de koets zit. Het is altijd fijn om bij opa en opoe te zijn, maar nu had ik liever in een andere koets gezeten. Deze is namelijk dicht, terwijl de andere koetsen allemaal open zijn, zodat je alle kanten op kunt kijken.

Op de trap van het gemeentehuis gaan we nog een keer op de foto: mijn vader en moeder, Lientje, ik en mijn nicht Johanna. We zijn ongeveer even oud en ik kan goed met haar opschieten. Waarom ze bij ons komt staan en niet bij haar ouders, weet ik niet. Lientje heeft onderweg in haar broek geplast. Dat kan gebeuren, ook als je al lang zindelijk bent. Er kan onderweg natuurlijk niet gestopt worden voor een plaspauze.

Het is mij ook wel eens overkomen. Ik ben nog klein, drie jaar oud, maar natuurlijk al lang zindelijk. Johanna komt bij ons logeren, zomaar ineens. Het is vrij koud, februari, maar op mijn bed liggen veel dekens. Johanna en ik kruipen dicht tegen elkaar en zo vallen we in slaap. De volgende ochtend blijkt dat ik in bed heb geplast: de pyjamabroek van Johanna is helemaal nat. Ik schaam me, maar mijn moeder vindt het niet erg en Johanna moet erom lachen.

De volgende dag horen we dat Johanna een broertje heeft, Wim (Willem Andries).

‘s Avonds op de bruiloft van tante Gerrie en ome Henk is er feest. Met een band! Dat heb ik nog nooit meegemaakt en ik vind het prachtig. Tante Gerrie is in het lichtblauw met wit en ze heeft een stola om haar schouders. Als ze in de zaal langs de tafeltjes loopt, om haar jurk te laten bekijken, zingt de zanger van de band: ‘O, wat ben je mooi!’ Heel vaak achter elkaar. De volgende dag zing ik alle liedjes die ik mij nog herinner.

Een band hoor je eigenlijk nooit. Er is wel eens muziek op de radio, maar mijn ouders luisteren vooral naar het nieuws, het weerbericht, de waterstanden en de marktberichten. Toch kent mijn moeder heel veel liedjes en die zingt ze vaak: Hou je echt nog van mij, Rocking Billy, Louise, zit niet op je nagels te bijten, Nee, niet zoenen op het zebrapad, Mijn achterband is wel wat zacht, maar het geeft niet, lieve pop. Op den duur ken ik die liedjes ook.

Soms horen we ineens muziek in de straat: een geluidswagen. Meestal is het een Volkswagen kever, met speakers op het dak. Die rijdt door de straat met muziek. Af en toe wordt de muziek uitgezet en dan zegt iemand wat er gaat gebeuren, bijvoorbeeld bazar in het CVC-gebouw. Daar gymmen wij met school.

We gaan wel eens kijken bij de bazar. Je kunt een gulden betalen en je naam schrijven in een vakje van een kaart. Als de kaart vol is, wordt er een naam uitgepikt en die krijgt dan een taart.

Het mooist is het lichtspel: er staat op het podium een groot bord met allerlei namen van bedrijven. Je kunt bij elke ronde kaartjes kopen en op elk kaartje staat de naam van zo’n bedrijf. Het is altijd leuk als je een bedrijf hebt dat je kent. Daarna flitsen er lampjes achter het scherm. Het gaat heel snel heen en weer. Ik probeer het licht met mijn ogen te volgen, maar het is me net te snel af. Dan blijft het licht stilstaan. ‘Garage Latta!’ roept de man met de microfoon. Als die naam op je kaartje staat, loop je naar voren en krijg je je prijs.

Bij een ander kraampje zijn er enveloppen aan een draad geregen. Je betaalt een gulden en trekt een envelop van de lijn. Binnen in zit een briefje met een getal. Bij sommige getallen hoort een prijs. Een enkele keer winnen we iets. Maar het is alleen al leuk om rond te kijken.

Opa en Opoe Loenen 40 jaar getrouwd

Opa en Opoe Dojewèrd met kinderen

'Soms wordt de tafel naar buiten gesjouwd'
Opa Loenen helemaal links, opoe tussen mijn moeder en tante Met in. 
Ik zit tussen tante Gerrie en mijn nicht Johanna in. Mijn hoofd gaat schuil achter mijn tante.

maandag 17 augustus 2026

70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties (Roelof Bouwman / Minke de Vogel)

Reclame geeft een goed beeld van de tijd waarin die ontstaat. Misschien niet meteen van hoe die tijd is, maar wel van wat de idealen uit die tijd waren. Waarschijnlijk denken we nu bij reclame vooral aan filmpjes, maar er was een tijd dat radiospotjes veel belangrijker waren. En dan waren er ook nog de advertenties in de gedrukte media. 

Over dat laatste gaat het 70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties. En dan natuurlijk alleen voor de jaren zeventig. 

Ik vermoed dat de jaren zeventig bepalend zijn geweest voor mijn jeugd. In 1971 ging ik naar de middelbare school, in 1980 ging ik werken: ik werd aangesteld als docent Nederlands op een mavo. In de avonduren deed ik de opleiding Nederlands MO-A en later MO-B. 

Het gezin waarin ik geboren werd was zeker niet typisch een jaren zeventig gezin: we gingen naar een orthodox christelijke kerk en hadden geen tv. Maar wel een radio en de vriendjes die ik had, waren allemaal van buiten de kerk. Verder kan niemand zich onttrekken aan de tijd waarin hij leeft. Wat dat voor tijd is, kun je het best achteraf bepalen. En het kijken naar advertenties is waarschijnlijk wel een goede manier om dat te doen. 

Representatief?

Vooraf: als je dit boek leest, moet je er maar op vertrouwen dat de keuze van de advertenties representatief is. Waarschijnlijk zijn de auteurs van het boek, Roelof Bouwman en Minke de Vogel op zoek gegaan naar advertentie die het levensgevoel van de jaren zeventig weerspiegelen en dan ontkom je waarschijnlijk niet helemaal aan de confirmation bias: je hebt al een beeld van de jaren zeventig en je vindt dan voornamelijk advertenties die dat aan dat beeld voldoen. Maar goed, dat zijn wel advertenties die daadwerkelijk in de jaren zeventig in tijdschriften hebben gestaan. 

Het boek 70's is trouwens prachtig uitgegeven: harde kaft, gebonden, leeslint, mooie kleurenafbeeldingen; kosten nog moeiten gespaard. Achterin een handig register waardoor de advertentie gemakkelijk terug te zoeken zijn. Voorin een stukje van Kees van Kooten ('Koolden jiers'):

Achteraf bezien was het allemaal de schuld van dat jubeljaar 1968, waarin plotsklaps alles kon en mocht en moest gebeuren, tot heil van het stralende decennium der zeventiger jaren dat eraan kwam! Een vrolijke revolutie in de muziek, de mode en alle kunsten.

Het gevoel van vrijheid spreekt uit veel advertenties. Uitbundig kleurgebruik, veel bloot, zonder dat dat erotiserend was. Meer dan in de decennia ervoor ging het over eigen keuzes maken, de dingen doen jij belangrijk of fijn of lekker vindt. 

Verder staan er voor in het boek nog twee artikelen: een over de seventies in retrospectief, 'Hoezo narigheid en zwarigheid' en een over de tijdschriften in de jaren zeventig 'Boordevol advertenties'. In het eerste artikel wordt verteld hoe aan het eind van het decennium bij de terugblikken de schrijvers ervan blij lijken te zijn dat die periode voorbij is. Verder zijn de jaren zeventig te boek komen te staan als het begin van het ik-tijdperk, maar in de advertenties wordt juist vaak de saamhorigheid geprezen van 'Draai een Drum voor elkaar' tot 'Shell helpt' en 'De NMB denkt met u mee'. 

Tijdschriften

Er waren veel tijdschriften in die tijd, zeker in vergelijking met het decennium ervoor, en in allerlei soorten: van opiniebladen, vrouwenbladen, familiebladen, stripbladen en popbladen tot roddelbladen en sportbladen. En dan de oplagen! TROS Kompas: 861.281 in 1979, Libelle 709.276 in datzelfde jaar. Maar ook de Marion (394.699 in 1974) deed het goed. Ik herinner me het blad nog: klein formaat, met in het midden de raderbladen die mijn moeder uitspreidde op de tafel, raderwieltje in de hand. Avenue was in mijn ogen indertijd een chique blad: glad papier, mooie foto's. Mijn ome Ab en tante Rhea (die toen nog Ria heette) hadden er een abonnement op. Ik las achterin de bijdragen van Cees Nooteboom. Het was ook dik en zal vrij duur geweest zijn. Toch had het in 1977 een oplage van 114.989 exemplaren. 

In de rest van het boek zijn de advertenties gegroepeerd naar het soort producten waarvoor reclame wordt gemaakt. Bij elke categorie krijg je minstens vijf voorbeelden, soms meer. In verband met de Tabaks- en rookwarenwet mochten advertentie voor nog bestaande merken (Drum, Samson, Camel, Caballero en Pall Mall) niet in het boek worden opgenomen. Maar heel veel andere merken vind je hier wel: Rider, Bison shag, Belinda, Kelly (halvaret), Gladstone Mild.

Natuurlijk kan niet alles opgenomen worden en bij het bladeren en lezen schoten mij allerlei merken te binnen die er ook nog waren. Zo rookte mijn dikke ome Henk Unic Shag. Wij hadden vier Henks in de familie, dus we moesten er altijd bij vertellen welke Henk het was. Deze werd door mijn moeder ook wel kortweg 'd'n dikke' genoemd. 

Ik realiseer me nu ook hoeveel soorten shag er in een blauw pakje zaten: Van Nelle, Samson, Drum, Rider, Bison. Misschien dat daarom Unic me bijgebleven is en dat ik nu ik dit typ moet denken aan Twin, donkergroen pakje. Ik had het merk van de shag van mijn oom overigens verkeerd onthouden. Ik was ervan overtuigd dat hij Union shag rookte. 

Mijn vader heeft lang gerookt. Het was zo ver dat hij 's ochtends zijn eerste sigaret niet meer in één keer op kon roken: te weinig adem. Toen werd hij ziek (voorhoofdsholteontsteking), waardoor hij een week lang niet kon roken. Toen is hij meteen gestopt. Dat zal omstreeks 1970 geweest zijn. Maar wat rookte hij? Ik heb hem nooit een sigaret zien draaien, dus het geen sjekkies geweest zijn. Hij rookte trouwens ook een tijd lang pijp. 

Bier

Behalve voor shag en sigaretten werd er natuurlijk ook voor andere genotmiddelen geadverteerd: drank ('Schat, staat de Bokma koud?' 'Ha fijn, ha fijn, een borrel van Florijn') en voor de kinderen voor limonade ('Green Spot, zonder prik', 'Likkebaardendlekkerlessend...' enzovoort). En natuurlijk waren er de bierreclames, waarbij er een stel opvallend afwezigen zijn: twee advertenties voor Heineken, maar Grolsch staat er niet in, terwijl de slogan 'Vakmanschap is meesterschap' toch heel lang is meegegaan. En bij Amstel wel de slogan 'De beste drinkers drinken het, 's Lands beste brouwers brouwen het'. Maar niet: 'Dit is de man, dit is zijn bier'. En ook niet: 'Zo, nu eerst een Bavaria!' Maar misschien is die van na de jaren zeventig. 

Verder valt het op dat er nog zo weinig bekende Nederlanders figureren in de reclames. Goed, Piet Bambergen heft het glas Skol en Martine Bijl mag een glas Stella Artois inschenken ('Twee blondjes met karakter'), maar verder zijn de BN'ers zo ongeveer afwezig. Of zaten ze toen ook al meer in de spotjes op tv dan in de tijdschriftadvertenties?

Voor het geval dat het niet duidelijk geworden is, door alle zijpaden die ik bewandeld heb: ik heb heel erg genoten van 70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties. Ten eerste door alle advertenties die erin staan, waarvan sommige werkelijk prachtig zijn, maar ook door de stroom herinneringen die die advertenties op gang brengen. 

Dat ik elke keer vertel wat er niet in het boek staat, wil niet zeggen, dat ik vind dat er zoveel ontbreekt, maar het toont aan dat het boek zoveel associaties op gang brengt. En ik snap ook best dat een boek niet uitputtend kan zijn. Het is al lastig welke categorieën je moet kiezen. Onder het kopje 'Rustig rieleksen' zijn nu advertenties voor thee, koffie en melk samengebracht, terwijl die drie categorieën ook afzonderlijk waarschijnlijk al heel wat advertenties opgeleverd zouden hebben. 

Koffie, thee en melk

Bij de koffie zie je de Moccona, de oploskoffie, die in die tijd iets nieuws geweest zal zijn, zoals eerder de gemalen koffie dat was ('snelfiltermaling'), na de opkomst van de koffiefilter en het koffiezetapparaat. Ik weet nog dat mijn moeder en grootmoeder de koffie zelf maalden. Mijn grootmoeder (van moeders kant) had een vierkante, houten koffiemolen, met de slinger aan de bovenkant, mijn moeder had er eentje aan de muur, of liever gezegd aan de deurpost bij de deur tussen de keuken en de 'geut'. Later kwamen er elektrische koffiemolens. 

Er waren al theezakjes, zie ik in de advertenties. Wanneer zijn die gekomen? Even zoeken op Delpher levert me op dat er in 1959 al theezakjes zijn. Dan worden ze in de Friese Koerier van 4 februari gepresenteerd als de nieuwe manier van theezetten. Ik vermoed dat mijn moeder nog de hele jaren zestig thee gezet heeft van 'losse thee', waar ik ook weer naar terugga. Maar de producenten hebben jarenlang geld verdiend aan thee gezet uit zakjes met theegruis. 

Voor melk wordt er al heel lang reclame gemaakt door de branche. Als kind hoorde ik alleen maar dat melk gezond was en ik had dan ook het idee dat de reclames door de overheid of het Gezondheidscentrum de publieke ruimte in gestuurd werden. Ik las in die tijd de gedichtjes van Mies Bouhuys over Joris Driepinter. Dat waren geweldige gedichtjes, met leuke tekeningen. Stonden die in de Donald Duck? In de Sjors? Eppo? Hoe dan ook, wat mij betreft zouden die gedichtjes alsnog een apart boekje verdienen. De afbeelding haalde ik hier vandaan. 

Liever naakt dan namaak

Een advertentie die ik me meteen herinnerde was die met de slogan 'Liever naakt dan namaak', een reclame voor 'zuiver scheerwol'. In een tijd dat er nogal wat synthetische stoffen waren (terlenka, dralon, acrlyl) deed zoiets het blijkbaar goed. Op de afbeelding zien we een naakte man in een vliegtuigstoel, krant op zijn kruis. Volgens mij waren hier veel verschillende advertenties van. Ik zal ze gelezen hebben in de Libelle, de Margriet of in de Revu, die toen al wel Nieuwe Revu geheten zal hebben. Al las ik dat laatste blad vooral in de jaren zestig bij mijn grootouders (van vaders kant). Op rommelmarkten en kringlopen kijk ik altijd naar jaargangen van de Revu (die ook nog Revue) geheten heeft uit die tijd. Ik kom ze nooit tegen. Wie ze heeft en ze kwijt wil: geef een seintje. 

Het is leuk om te zien hoe er nieuwe apparaten op de markt kwamen, zoals de polaroid camera en waarschijnlijk kun je ook een heel serie maken met advertenties voor scheerapparaten door de jaren heen, waarbij je kunt zien hoe die zich hebben ontwikkeld. De Philishave komt trouwens in het boek voor. Over oude advertenties voor stofzuigers heb ik al eerder geschreven. 

Is 70's, Het levensgevoel van de jaren zeventig in advertenties alleen maar een boek voor oude mensen die zwelgen in de nostalgie? Dat lijkt me niet. Ik kan me voorstellen dat jonge mensen het met verwondering zullen doorbladeren, maar wellicht ook met bewondering voor de levenslust die er uit de advertenties straalt, de vrijheid die erin ademt. 

Het boek is al in 2020 verschenen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam, maar toen is het aan mijn aandacht ontsnapt. Ik kreeg het dit jaar op mijn verjaardag en was er erg blij mee. 

donderdag 13 augustus 2026

'Nu hou ik het niet meer!'

In het dagboek dat ik schreef in de tweede helft van 2023, voor mijn kleinzoon, maak ik een rondgang door wat wij later 'het oude huis' zouden noemen, het huis aan de Merkenhorstraat in Herveld, waar ik geboren ben en bijna tien jaar gewoond heb. Toen verhuisden we naar de Schoolstraat, over ons oude huis kwam de A50. 

Niet alles wat ik indertijd schreef, lijkt me nu nog interessant. Ik neem je mee naar de zolder en wat daar bijvoorbeeld gebeurd is. Het gekke is, dat ik aan een bepaalde gebeurtenis (bijna aan het eind), nog maar weinig herinneringen heb, terwijl die indertijd toch indruk gemaakt moet hebben. 

Ik verwijs in het fragment een keer naar 'de man die naar de ruiters roept'. Schuin tegenover ons huis stond de boerderij de Merkenhorst. Later zou daarachter een manege gebouwd worden. Toen ik nog klein was, lag er wel zand achter het huis en werden er ruiters getraind in dressuur. We hoorden dan aanwijzingen als 'Bij M hand veranderen!'

Het gedeelte hieronder schreef ik op 3 juli 2023. Ik zeg het er toch maar weer bij: het houdt zomaar op. Ik heb gewoon een stukje uit het dagboek geknipt en daardoor is het geen afgerond geheel. Het begint ook vrij plotseling. In de rondgang door het huis beschrijf ik de trap naar de zolder, die afgesloten is door een luik. Met dat luik begint het stukje. 

Hieronder een foto van het huis waarover het gaat. Je ziet in het midden het kleine zolderraam waarvoor wij op onze knieën zaten om naar de pony's te kijken. Het raampje van de achterzolder is op deze foto niet te zien, het bevond zich in de muur aan de linkerkant. Het schuurtje eronder is ook te zien, als je goed kijkt. Het staat tegen het huis aan. Op de voorgrond links staat het kippenhok. 

In de deuropening sta ik, maar daar schreef ik al eerder over. En verder, mocht je het gemist hebben: tien jaar geleden schreef ik een serie bijdragen over mensen die aan de deur kwamen. 



Als ik nog heel klein ben, kan ik dat luik niet zelf openen om naar beneden te gaan. Ik kan wel op mijn hurken gaan zitten en een kiertje maken. Als ik niet wil gaan slapen, roep ik: ‘Mama, ik moet bij jou!’ Mijn moeder heeft me al verschillende keren op bed gelegd en elke keer kom ik er weer uit. Mijn vader is dat zat.

Ik heb het luik weer op een kiertje getild en herhaal weer dat ik bij mijn moeder wil. Dan zie ik dat mijn vader de trap op komt stuiven. Ik laat het luik los, maar pa heeft zo’n vaart dat hij het nog op zijn hoofd krijgt. Daar trekt hij zich niets van aan. Hij grijpt me en ik krijg een pak op mijn broek. Mijn vader heeft grote handen en hij kan hard slaan.

Ik moet hard huilen en mijn moeder wil daarom naar mij toe. Ze denkt dat ik zo hard huil dat mijn bloed karnemelk kan worden. Hoe ze daarbij komt, weet ik niet. ‘Er is nog nooit een kind van janken doodgegaan,’ zegt mijn vader en ik overleef het inderdaad. Daarna is het wel afgelopen met het gezeur.

Niet veel later leer ik hoe ik naar beneden kan komen: het luik iets verder optillen, mijn benen eronder schuiven en zo onder het luik door naar beneden. Ik weet nog hoe triomfantelijk ik dat beneden kom vertellen. Al moet ik eigenlijk op bed blijven, mijn ouders reageren er vrolijk op. Misschien laat ik op die manier zien hoe groot ik al ben.

Wij, de kinderen, slapen, een paar jaar later, met zijn drieën op de zolder. Ik heb een mintgroen, houten ledikant, met een hoog kopeinde en een hoog voeteneinde. Op de hoeken zitten houten ballen, maar ik weet niet of het aantal compleet is. Aan de muur heb ik een poster gehangen: met de Nederlandse deelnemers aan de Olympische Spelen van 1968. Ada Kok gaat zwemmen voor Nederland, René Pijnen wielrennen.

Als je van beneden komt en het luik opent, staat recht voor je een ijzeren ledikantje. Daarin slaapt Carolien. Als je je een kwartslag naar links draait, kijk je naar de voorgevel. In de rechterhoek staat mijn bed, in de linkerhoek een divan. Later zal daar het bed van Carolien staan. Tussen de twee bedden in het bed van Marinus. Die krijgt op een gegeven moment een nieuw bed. Daar kruipen we dus met zijn drieën in.

Recht voor ons is de muur van de voorgevel, met een laag raam. Wij gaan soms op onze knieën zitten om er doorheen te kunnen kijken. Door dat open raam horen we dus de man die naar de ruiters roept. We kunnen de pony’s ook zien, al is het nog best een eind weg.

Achter het trapgat, vlak bij het schuine dak, zit een plank in de vloer los. Die zit aan een touwtje, geloof ik. Als je die plank omhoog haalt, kun je in de keuken kijken, op de kachel. Waarschijnlijk hing men daar vroeger het spek aan.

Tussen dat gat en de divan staat een ladenkast. In de onderste la zitten leesboeken, die van mijn ouders zijn. Mijn vader had als kind veel boeken, maar die zijn in de oorlog verloren gegaan. De boeken over Simon Gieke en Keteltje zijn van mijn moeder, mijn vader heeft een boek over een bakkersknecht, over het kleine boerenknechtje en over Goof Bonk. Er zijn nog meer boeken. Sommige zijn gekaft met bruin papier.

Boven de divan is er een dakraam. Het dak is vrij dik, het is immers van riet, en daarom is er onder het dakraam een stuk board. Als dat net geschilderd is, schrijft mijn oma (van moederskant) met haar haarspeld erin ‘Opoe sliep hier’. Het is de bedoeling dat het nauwelijks te zien is, maar als de verf opdroogt, ziet het eruit alsof de tekst er met potlood op geschreven is. De zin zal er altijd blijven staan.

Weer terug naar het trapgat. Tussen mijn ledikant en het bedje van Carolien is er een opstapje, een trap van een enkele trede. Via dat opstapje ga je naar de achterzolder. Hier heeft mijn moeder waslijnen hangen. Als het slecht weer is, droogt ze daar de was. Anders gaat die buiten aan de waslijn. Er staan ook oude biscuitblikken, die moeilijk open gaan. Daarin worden de gedroogde appeltjes bewaard. Daar snoepen wij wel eens van.

Nog niet zo lang geleden zag ik de blikken in een museum in Ommeren. Ik heb ze meteen gefotografeerd. Ik denk dat ze uit de oorlog stammen. De Engelsen zullen ze wel bij zich gehad hebben. Er zijn meer restanten uit de oorlog, al realiseer ik mij dat als kind nog niet. Mijn vader heeft een groene jerrycan, die van militairen geweest moet zijn. En er zijn mensen die een asbak hebben die van een granaat gemaakt is.

Dat hebben wij niet. Als we verhuizen naar de Schoolstraat, vinden we wel een granaatscherf in de deur van de trap naar de zolder. Het huis heeft in de oorlog een voltreffer gehad.

De achterzolder is vrij donker. Aan het eind ervan zit een klein raampje. Later spelen we een keer verstoppertje en ik heb me heel goed verstopt. Ik heb me uit dat raampje laten zakken en hang aan de vensterbank. Daaronder staat een schuurtje met een rieten dak. Daar zitten wel eens varkens in. Voor die varkens is een weitje gemaakt: ze kunnen vanuit het schuurtje naar buiten lopen, waar ze de grond omwroeten. Misschien kan ik net staan op de plek waar dat schuine dak tegen de muur aan komt. Ik weet het niet zeker meer.

In ieder geval word ik niet gevonden. Ik roep en Lientje en Marinus komen kijken. Het lukt me niet om in mijn eentje weer omhoog te komen, dus ik moet geholpen worden. Dat gaat vrij goed. Ik ben bijna zo ver dat ik me weer naar binnen kan werken. Maar Marinus, die nog klein is, zegt: ‘Nu hou ik het niet meer, hoor!’ Hij laat me los en daar ga ik. Hoe gaat het verder? Val ik door het dak van het schuurtje? Rol ik van het schuine dak af? Hoe reageren mijn ouders? Vertellen wij het meteen? Dat weet ik allemaal niet meer.

Weer terug naar de achterzolder. Als je met je rug naar het raampje gaat staan, kijk je dus naar de zolder. Daarboven is de vliering. Daar mogen wij eigenlijk niet komen, maar we doen het wel. Op de vliering kun je niet overal lopen. Het plafond van de zolder bestaat uit zachtboard, dat met groene latjes tegen de balken is gespijkerd. Op die balken kun je lopen. Als je ernaast stapt, ga je door het board heen. Dat zal ons nooit overkomen.

Op de vliering is het nog donkerder dan op de achterzolder. Geen idee wat er ligt. Ik denk dat er wel een stoel op de achterzolder staat en dat we via die stoel omhoog klimmen, maar ook dat weet ik niet meer precies.

donderdag 6 augustus 2026

Mijn eerste strips

De laatste weken heb ik jeugdherinneringen uit mijn dagboeken gehaald. Het meeste kwam uit het dagboek Jungske, geschreven voor mijn kleinzoon in de tweede helft van 2023. In de andere dagboeken staan ook best wat jeugdherinneringen, maar meestal afgewisseld met andere stukjes. Daar kan ik niet zomaar een blogpost van maken, voor zover ik nu kan zien. Mogelijk moet ik binnenkort uit verschillende dagboeken stukjes bij elkaar schrapen die over vergelijkbare onderwerpen gaan. 

In het dagboek Zomerkind, voor mijn tweede kleindochter, heb ik deze keer een stukje gehaald over de eerste strips in mijn leven. Het stukje schreef ik op 6 maart 2023. Aan het eind gaat het ineens over op voetbal, maar omdat er toch nog een strip in ter sprake komt, laat ik dat maar staan. Daarna kap ik het wel vrij abrupt af. Aan het eind nog een naschriftje. 


Pas vroeg ik me af wanneer de strips in mijn leven gekomen zijn. Bij mijn vriendje Gerard (die we ook wel Joekie noemden en mijn oma Ganseman zei altijd Joepie) lazen ze de Sjors en daar genoot ik zeer van. Mijn buurjongen Chris, die veel ouder was, had de Pep, maar daar kwam ik haast nooit. Hij woonde in het huis waar later een manege achter gebouwd is. Het is allemaal nog te zien, mocht je daar in de buurt zijn. Merkenhorststraat. Het huis waar ik geboren ben, ligt onder de snelweg.

Hoewel ik Chris weinig zag en weinig bij die buren kwam, heb ik wel eens een stapeltje Peps gekregen. En mijn neef Gerrit, die we toen nog Gert noemden, had de Donald Duck. Die las ik als ik daar logeerde. Ik heb nog een zwak voor de striptijdschriften uit die tijd.

Nu ik dit tik, realiseer ik me dat ik het meisjesblad Tina (dat nog steeds bestaat) ook wel eens las. Waarschijnlijk las de oudere zus van Gerard, Ina, dat blad. Mijn zus las later de Anita. Die was goedkoper, denk ik: ander papier en niet in kleur, maar van dezelfde makers. Ik heb ze driftig meegelezen. Ik zie ze trouwens nooit meer ergens op stripbeurzen.

Van mijn tante Cor, zus van mijn moeder, kreeg ik Het geheim van de boekanier, dat nog ergens in een doos op zolder opgeborgen moet zitten. Ik weet nog hoe die boekanier eruitzag en het meisje dat een belangrijke rol speelde, heette Dientje als ik mij niet vergis.

Ik had ook een strip over De koerier van de tsaar. Dat zal wel in de serie Illustrated Classics gezeten hebben, want het is een bekend boek. De hoofdpersoon was Michael Strogoff, die in de loop van het verhaal blind gemaakt wordt. En (spoiler!) later blijkt dat hij niet blind is.

Op de hoek van de Schoolstraat en de Merkenhorststraat zat de winkel van de kruidenier, die later een klein supermarktje werd. Dat was wat: zelfbediening! Het zaakje werd vroeger gedreven door Engeltje Dekker, later door haar zoon Maarten en zijn vrouw Ineke. Toen de eerste klanten met een metalen mandje (winkelwagens waren er nog niet) hun boodschappen verzamelden, liep ze mee om te helpen.

Dat supermarktje was de IFA en ze hadden er ook strips: kleine boekjes, nog geen A5-formaat. Ze stonden in een bakje bij de kassa en kostten 60 cent. Ik kocht altijd de oorlogsstrips en soms de westerns. Ik kreeg vijf kwartjes (1,25) zakgeld per week. Een kop koffie kostte op school 25 cent en zo kon ik elke dag een kop koffie kopen. Wij dronken dat al op jonge leeftijd, maar dat is een ander verhaal.

Soms kocht ik geen koffie en zo kon ik strips kopen. Wat ik dan dronk? Niets. Ook geen water? Nee, ook geen water. Nu denkt elke scholier dat er meteen een ramp gebeurt als de waterfles leeg is. Dan moet die eigenlijk wel tussen de lessen door gevuld worden. We kunnen best een tijdje zonder.  

Nu ik die westerns heb genoemd: ik had ook westerncomics, slappe kaft. De hoofdpersoon was altijd iemand die onschuldig was, maar die toch moest vluchten voor het gezag. Hij kon altijd geweldig schieten. Ik herinner me Kid Colt en Rawhide Kid (die had net als ik rood haar), maar er waren er meer. Die boekjes had ik wel. Kreeg ik die ook van buurjongen Chris? Geen idee.

In hetzelfde formaat waren er strips over superhelden (Batman, Spinneman -die heette nog geen Spiderman in de Nederlandse strip-, de X-mannen, de Hulk en waarschijnlijk waren er nog anderen die ik nu vergeet). Of kreeg ik die strips van mijn klasgenoot Reinier? Die woonde aan de andere kant naast ons. Nou ja, eigenlijk aan de overkant van het kruispunt, aan de Dijkstraat.

Van hem kreeg ik ook de oude nummers van Voetbal International, dat toen min of meer de vorm van een krant had, maar wel in kleur (sommige bladzijden) en op papier dat een beetje glom. In die krant stond een mooie strip, over Abe, een meisje dat bij Ajax voetbalde, vermomd als jongen. Getekend door Theo van den Boogaard. Dat wist ik toen waarschijnlijk niet, maar nu wel. Ik heb er wel plaatjes van uitgeknipt en in mijn agenda geplakt.

Reinier was overigens voor Feyenoord en ik was voor Ajax, al wist ik niet precies waarom. Daar speelden helden als Cruyff, Swart, Keizer, Krol, Hulshoff, Suurbier, Mühren, Rep, Neeskens. Het halve Nederlands elftal speelde bij Ajax. Weinig buitenlandse spelers. Er is ook een tijd geweest dat er maar drie buitenlanders bij een club mochten spelen, maar dat was later. Ik hield erg van de naam Horst Blankenburg, een Duitse verdediger. Ook Ajax. Een wedstrijd zag ik eigenlijk nooit, maar ik luisterde wel naar de radio. Die mocht dan niet hard staan, want dan had mijn moeder er last van, dus ik drukte mijn oor tegen het kastje.

Naschrift

Veel oude striptijdschriften (Sjors, Pep, Donald Duck, maar ook Robbedoes en Kuifje, die ik pas later las). Heb ik in de loop der jaren weer aangeschaft. Ik ben van plan die eens nauwkeurig te gaan inventariseren. Op sommige dozen staat precies welke jaargang erin zit en welke nummers ontbreken, maar ik kom ook opschriften als 'Oude Peps' tegen. 

De oorlogsstrips die ik las, zijn uit de serie Victoria. Toen ik op zoek ging naar plaatjes, zag ik dat ze ook nog vijftig cent gekost hebben, maar dat ze aan het eind van de jaren zeventig al 1,25 kostten. 

Het meisje uit Het geheim van de boekanier heette inderdaad Dientje en er moet een hele reeks strips over haar geweest zijn. De scenarist was Greg, dus het verhaal zat wel goed in elkaar. Cuvelier tekende ook de strip Corentin

De voetbalstrip die ik Voetbal International las, ik ook als album uitgekomen, maar dat heb ik nooit in mijn bezit gehad. 

donderdag 30 juli 2026

De vleespotten van Herveld

Dit gedeelte uit een dagboek schreef ik op 29 september 2023. Daarvoor had ik geschreven over wat we op brood aten en daarbij had ik niet genoemd dat we ook wel eens spek op brood aten. Daarmee begin ik dus. 

Daarna kom ik op het vlees dat we eten, op het slachten en eten van kip en ten slotte, nog eventjes, op het eten van vis. 

Dat we na het slachten op brood ook nier, lever en hart aten, heb ik waarschijnlijk elders al beschreven. 

Bij dit onderwerp heb ik zo gauw geen goede foto paraat en daarom plaats ik maar een foto van ons gezin. Die is genomen in 1966, het jaar dat ik zeven jaar oud werd, mijn zus vijf en mijn broer twee. Mijn vader werd dat jaar zesendertig, mijn moeder dertig (maar die was op deze foto nog negenentwintig). De foto werd genomen toen opa en opoe Loenen vierden dat ze veertig jaar getrouwd waren. Het stukje daarover zal ik nog plaatsen. 



Soms kookt mijn moeder een stuk ‘vet spek’. Daar snijdt ze plakjes van en dat doen we op brood, met mosterd erop. Het is heerlijk. Ik snap niet dat er mensen zijn die niet van spek houden.

Gerookt spek kan ook gekookt worden, net als rookworst. Ook dat is heerlijk op brood. Op zolder, in de spekkast, hangt een gerookte ham, met een laken eromheen, tegen de vliegen, al zouden die eigenlijk niet in de spekkast moeten kunnen komen. Bij het oude huis hadden we niet zo’n kast, aan de Schoolstraat hebben we die wel.

Het gerookte spek moet dun gesneden worden en dat is best lastig. Het is vrij zout, en een beetje hard. Maar ook lekker.

En er zijn altijd rookworsten. Als er geslacht is, brengt mijn vader een veilingkist vol worsten naar Arns, de roker. Onder in de veilingkist liggen kranten, zodat de worsten schoon blijven.

Als de worsten (en de ham) gerookt zijn, komt de kist weer vol terug. Mijn moeder hangt de worsten op de zolder, wat een heerlijke geur geeft. Het zijn heel wat grote rookworsten, niet allemaal even groot. Als ze lang hangen, slaan ze soms een beetje wit uit, maar dat geeft niet.

Er zijn drie kleine worstjes, voor Lientje, Marinus en mij. Die van mij is iets groter dan de andere twee. Ik ben ouder en kan dus meer eten.

Er is ook ‘verse worst’. Die is niet gerookt, maar die is meteen in de diepvries gedaan. Die kun je bakken of koken en dan eet je die worst bij bijvoorbeeld een stamppot. Worst is altijd lekker. Lekkerder dan krabbetjes, die voornamelijk uit bot bestaan, met een beetje vlees eromheen. We eten ze bij de hutspot.

Het lekkerst is gebakken spek. Mijn moeder snijdt het in plakjes en bakt ze heel lang. Als ze ze uit de koekenpan haalt, druipt het vet ervan af. Ook dat vet is lekker. De plakjes spek zijn zo lang gebakken dat de zwoerdjes knapperig geworden zijn. Ze knoepen als je erop bijt. Speklappen zijn soms ook knapperig, maar soms ook niet. Ik heb ze het liefst knapperig.

En dan zijn er natuurlijk nog karbonades. Die kun je kluiven. Mijn ome Henk, het Hommeltje, heeft wel eens verteld dat hij ergens moest eten, blijkbaar bij een deftig iemand. Ze kregen een karbonade en mijn oom nam die ‘op de vuist, zoals hij dat noemt.

De anderen zaten te worstelen met vork en mes. Alleen deftige mensen eten met vork en mes. Wij snijden het vlees met het mes en dan eten we alleen met de vork.

Ome Henk nam de karbonade dus op de vuist, om te kluiven. Enkele andere gasten vonden dat blijkbaar lomp, maar het was een karbonade ‘met handvat’ en die moet je juist kluiven. Dus mijn oom was de enige die het op de juiste manier deed. Tenminste, dat zegt hij. Bij het Hommeltje weet je nooit wat je nu moet geloven en wat niet. Hij liegt dat het gedrukt staat, zegt mijn moeder wel eens. En hij gelooft zelf wat hij zegt.

Verder eten we geregeld gehakt. Mijn moeder kan dat heel lekker maken. Lekkerder dan bij sommige andere moeders. Als er een verjaardag is, bakt ze ook altijd kleine gehaktballetjes. Die kun je een tijd van tevoren maken en op de avond zelf hoeft ze ze alleen maar even op te warmen. Ze doet in elk balletje een cocktailprikker.

Op een van die verjaardagen heb ik zo’n prikker in mijn hand als er iemand naar huis gaat. Mijn moeder loopt mee, de deel over, om de vertrekker uit te zwaaien. De kinderen lopen met haar mee. Daarna rennen we weer naar binnen.

Voor mij rent Joekie. Ik haal hem in en steek mijn prikker in zijn bil. Ik ren snel door naar het voorhuis. Joekie blijft stilstaan. De prikker staat in zijn bil en dat doet hem behoorlijk wat pijn. Voor mij was het maar een grapje, maar dit is niet grappig meer. Ik krijg een uitbrander.

Draadjesvlees is ook lekker. Dat moet heel lang sudderen en dan heb je het lekkerste vlees dat je je kunt voorstellen.

Van tijd tot tijd eten we kip. Dan moet mijn vader een kip slachten. Toen we op de Merkenhorststraat woonden, hadden we een kippenhok. Op het hok liggen golfplaten van asbest. Die worden lekker warm als de zon er een tijdje op staat. Aan de voorkant is het hok veel hoger dan aan de achterkant. Daar kan ik wel op het dak klimmen, via de vlierstruik.

Ik loop over de golfplaten naar het hoogste gedeelte en ga daar liggen. Je kunt goed om je heen kijken van die hoogte. Ik geloof dat mijn vader liever niet heeft, dat ik dat doe, maar ik doe voorzichtig en maak de golfplaten niet kapot.

Als mijn vader een kip gevangen heeft, houdt hij hem vast bij de poten. Hij legt de kip met zijn kop op het hakblok. Met zijn vrije hand pakt hij de bijl. Dat is een grote bijl, die je eigenlijk alleen met twee handen kunt hanteren. Mijn vader noemt het een ‘aks’. Ik heb wel ooms die een klein bijltje hebben. Dat heeft mijn vader niet.

Met die ene hand kan hij moeiteloos de kop van de kip afhakken. Ik kijk naar de kop op het hakblok. De ogen van de kip zijn nu bijna helemaal dicht. Het lijkt wel of er een vliesje over het kippenoog gegaan is.

Mijn vader houdt de kip ver van zich af, want de kip fladdert nog even. Er komen kleine druppeltjes bloed op zijn broek, maar daar trekt hij zich niets van aan. Dan gaat hij de kip slachten.

Er zijn vaders die de kip plukken, dan blijft er een vel over de kip zitten. Dat lijkt me niet lekker. Ik griezel er een beetje van als dat op tafel komt. Mijn vader snijdt bij de buik van de kip het vel open en trekt de kip de jas uit. Hij moet de vleugels kort afsnijden en ook de poten moeten eraf.

Wij willen graag die poten hebben. Als je peutert, zie je een stuk of drie draadjes. Pezen heten die. Als je de goede te pakken hebt en je trekt eraan, krommen de tenen van de kip zich. Soms staan er kinderen bij die dat eng vinden. Die loop ik achterna met mijn kippenpoot. Dat vind ik grappig.

De kale kip wordt opengesneden, van beneden naar boven. ‘Mag ik het hartje?’ vraag ik meteen. ‘En ik de lever?’ zegt Marinus. ‘En ik dan?’ vraagt Lientje. ‘Jij mag de niertjes,’ zeg ik en dan is ze tevreden. Maar een kip heeft geen niertjes. De kip moet eerst nog gebraden worden en dan weten we toch niet meer wat we gevraagd hebben.

De longen en de darmen en zo gaan bij het afval. Mijn vader snijdt de maag open. Het velletje aan de binnenkant van de maag trekt hij eraf. De maag is mooi blauw van binnen, lichtblauw. Mijn vader krijgt altijd de maag, zoals mijn moeder altijd het nekje krijgt. Die lijken me allebei niet zo lekker.

Van oude kippen wordt soep gemaakt. Jonge haantjes worden gebraden. Als kind krijgen wij meestal een vleugeltje. Als we groter zijn, mogen we een poot.

Bij opa en opoe Dojewèrd krijg ik ook een keer kip. Die is nogal droog. Het vlees wordt een bal in mijn mond. Ik blijf erop kauwen, maar de bal lijkt niet kleiner te worden. Ik zou hem het liefst uit mijn mond halen, maar dat durf ik niet. Het duurt heel lang, maar dan heb ik hem toch op.

Soms eten we vis. Vaak op mijn verjaardag. Dan zijn er net nieuwe aardappels. Die eten we dan, met peultjes bijvoorbeeld. Mijn moeder heeft dan kabeljauw gekookt en boterjus gemaakt. Daar doen we mosterd doorheen. Het is heerlijk. Ik heb geluk dat ik in juni jarig ben.

We eten ook wel gebakken vis, maar niet bij het warme eten. Wel ‘s avonds, op brood.

Enkele eerder geplaatste dagboekfragmenten:

donderdag 23 juli 2026

Luiewijvenbrood

Weer een passage, geknipt uit een dagboek, misschien nog wel met een kop, maar zonder staart. Ik begin te schrijven over wat ik vroeger at, maar, maar ga al gauw over naar de broodmaaltijd. Die aten wij in de ochtend, het ontbijt dus, en aan het eind van de middag. Warm aten we 'tussen de middag'. 

Een paar weken geleden schreef ik al over de toetjes van toen. Nu dus over de broodmaaltijd. Lang geleden vertelde ik hier over de bakker die langs de deur kwam. Het dagboekgedeelte hieronder schreef ik drie jaar geleden, op 17 augustus 2023. 

Marinus, neefje Herman, Teunis, Lientje. Brood eten bij opa en opoe Dojewèrd op de bank

Als baby krijg ik borstvoeding. Elke keer als ik huil, denkt mijn moeder dat ik honger heb en dan geeft ze me weer de borst. Ik groei daardoor als kool. Mijn nicht Johanna is een maand jonger dan ik, maar op sommige foto’s lijk ik anderhalf keer zo zwaar als zij.
Teunis en Johanna


Ik heb een emaillen bordje met twee konijnen met een wortel erop. Er hoort een bestekje bij dat ik de rest van mijn leven zal bewaren, evenals de metalen beker met een konijntje erop. In het bordje maakt mijn moeder later Brinta klaar. Er is ook Bambix te koop, dat iets fijner is dan Brinta, maar dat krijg ik niet.

Verder is er Liga. Mijn moeder verkruimelt die soms en doet er melk bij en/of een beetje sinaasappelsap. Al gauw eet ik de warme maaltijd met de pot mee. Als ik mijn groente niet wil eten, doet mijn moeder er een schep suiker doorheen en dan eet ik het wel.

Het brood dat wij eten, wordt gebracht door de bakker. Mijn vader snijdt het op de plank die mijn opa (van moederskant) gemaakt heeft. Misschien heeft hij ook wel het houten handvat van de broodzaag gemaakt. Mijn vader snijdt dikke sneden brood, zodat we minder beleg nodig hebben. Als ik wat groter ben, komt er gesneden brood in de handel. Dat koopt mijn moeder niet. Ze noemt het 'luiewijvenbrood'.

Op brood hebben we altijd vleeswaren en kaas. Hagelslag is er ook altijd, net als stroop, basterdsuiker, jam, chocoladepasta (dat wij gewoon ‘pasta’ noemen), vruchtenhagel en soms appelstroop. In de tijd van de pruimen is er ‘slemp’ (gestoofde pruimen). Dat mogen we gerust dik op onze boterham smeren. Bij uitzondering mogen we speculaasjes op brood.

De jam maakt mijn moeder zelf: van bramen, bessen, frambozen, aardbeien, kruisbessen, pruimen of een combinatie. Ook wel eens van kersen, maar die jam wordt meestal niet goed dik, hoeveel Opekta mijn moeder er ook bij doet. Een enkele keer is er jam van vlierbessen, maar misschien is dat maar een eenmalig experiment.

De potjes gaan in de weckketel en die wordt op de grote gaspit gezet, waar mijn moeder ook de was op kookt. Het is een tref als alle potjes daarna dichtzitten.

Als er net geslacht is, is het feest. Van het varken kookt mijn moeder het hart, de lever, de nieren en de tong. We vinden het allemaal even lekker. Er is dan ook smout. Dat smeren we op brood in plaats van margarine en dan smeren we er stroop overheen of we strooien er suiker over.

Na de slacht bakt mijn moeder ook kaantjes. Heel vet, maar het is heerlijk. We smeren stroop op ons brood en daar komen de kaantjes op. Als we geluk hebben, bakt ma smoutappeltjes, dan zitten er ook nog zoete appeltjes door de kaantjes. De appels zijn soms een beetje stroperig.

Mijn moeder maakt ook hoofdkaas. Soms doet ze die in het zuur: zure zult. Maar zonder zuur vind ik de hoofdkaas ook lekker. Ook maakt mijn moeder leverworst. Eigenlijk is het leverpastei. Zowel de hoofdkaas als de leverworst zijn grijs. Later zal er roze leverworst op de markt komen. Daar zit kleurstof in.

En er wordt balkenbrij gekookt. Dat is zwaar werk. Mijn moeder moet de brij roeren, die in een grote pan zit en steeds taaier wordt. Ze breekt er wel eens een houten lepel mee. De balkenbrij is paars. Dat komt door het rommelkruid dat mijn moeder erin doet. Er zitten ook rozijnen in. Andere moeders hebben soms een ander recept. Ik vind de balkenbrij van mijn moeder het lekkerst.

Als de balkenbrij net gekookt is, kun je die warm eten. Mijn moeder schept een diep bord vol. Wij maken een kuiltje in het midden en daar doen we heel veel stroop in. De rest van de balkenbrij gaat in schalen. Daarin koelt de brij af en wordt stijf. Later kunnen er plakken van gesneden worden, die mijn moeder door de bloem wentelt en bakt in de koekenpan. Die plakken eten wij op brood: eerst stroop op je brood en daar de balkenbrij op. Ongebakken zijn de plakken overigens ook smakelijk, maar gebakken zijn ze lekkerder.

Na de slacht gaan de metworsten naar de rokerij. Als die terugkomen, worden ze op zolder gehangen, wat heerlijk ruikt. Die worsten worden ook geregeld in plakjes gesneden en op brood gedaan.

Roomboter hebben we alleen in het weekend. Door de week hebben we margarine op brood, gewoon uit pakjes. Later zal men zeggen dat dat bakmargarine is, maar iedereen smeert het gewoon op brood. Dat valt niet altijd mee, want de margarine is vaak behoorlijk hard.

Bona brengt margarine in een kuipje op de markt. Ik kan de radioreclame goed meezingen: ‘Rij maar mee in de arreslee door de sneeuw. Wij nemen Bona mee, wij nemen Bona mee.’ Mijn moeder vindt die boter te duur en er wordt verteld dat het gewoon margarine is met water erdoorheen.

In het weekend is er een krentenbrood. Daar mogen we roomboter op. Daarover strooien we altijd suiker. Maar soms mag roomboter ook op een snee wittebrood. Dat is ook heerlijk met suiker of met hagelslag.

Wij eten altijd dubbele sneden brood, een witte op een bruine. Daarom eten we altijd een oneven aantal sneden, want dan kun je eindigen met een enkele. Beschuit is er ook. Die kun je apart eten, maar je kunt hem ook op een snee brood leggen. Altijd met zoet beleg. We mogen best zoet beleg eten, maar altijd eerst ‘hartig’ (vleeswaren of kaas).

Bij het beleg ontbreekt de pindakaas. Die hebben we nooit. Opoe Loenen heeft het wel. Houdt mijn moeder er niet van?

Mijn vader houdt van sinaasappeljam en van gemberjam. Dat krijgt hij van zijn zussen wel eens op zijn verjaardag en daar is hij altijd blij mee. Honing is er aanvankelijk ook. Later vindt mijn moeder de honing te duur worden en dan is er alleen in het weekend honing. Bij opoe Loenen zit de honing in een potje dat de vorm heeft van een bijenkorf, met enkele grote bijen op de buitenkant.



Opoe heeft ook Smac, blikworst. Een nieuw blikje moet je met een sleuteltje openmaken. Dat sleuteltje zit op de bovenkant of op de zijkant geplakt. In het sleuteltje zit een gleufje. Het lipje van het blikje moet door het gleufje en als het goed is, kun je dan zo het blikje opendraaien. Dat gaat nog wel eens verkeerd, als je het sleuteltje niet goed recht kunt houden.

Zo’n sleuteltje zit er ook bij de blikjes sardines, die wij ook wel eens op brood hebben, net als de haring in tomatensaus. Volgens mij maakt mijn moeder dat blik gewoon met de blikopener open. Dan zien we de haringen liggen, maar niet zo lang: mijn moeder prakt de tomatensaus door de haringen heen, zodat iedereen hetzelfde heeft.

Als de visboer geweest is, hebben we soms gebakken vis op brood. Er komt ook wel eens een oom een maaltje vis brengen. Soms smaakt die vis een beetje naar grond, maar dat vinden we niet zo erg. Mijn vader heeft een hekel aan graatjes. Die moet mijn moeder eerst voor hem verwijderen. Paling is het lekkerst, maar die is er niet zo vaak.

Bij de jam uit de winkel kun je boekjes van Flipje krijgen, maar we hebben meestal eigen jam. In de winkel halen we wel bijvoorbeeld abrikozenjam, want die maakt mijn moeder zelf niet.

Een paar boekjes van Flipje hebben we. Er is een verhaal bij waarin iemand natgespoten wordt en dat is favoriet bij mij. Ik vraag mijn moeder of ze nog een keer wil voorlezen van ‘Pies, nat is-tie’. Later zal ik meer van deze boekjes lenen van de kinderen van Methorst, de mulder, die er heel veel van hebben.

Bij de chocoladepasta kun je boekjes krijgen van Sjokkie. Net als bij Flipje zijn het verhalen die uit gedichtjes bestaan. Sommige zinnen ken ik na verloop van tijd uit mijn hoofd. Als Sjokkie pasta heeft geïntroduceerd heeft in het wilde westen is er een cowgirl die zegt: ‘Ik eet mai fingers erbai op!’ De pasta noemen we trouwens ook wel chocopasta of pastachoca.