donderdag 27 augustus 2026

'Al sloa de me dood, ik gif oe gin gelijk'

Een stel korte stukjes uit verschillende dagboeken. Ik heb er steeds boven gezet op welke dag ik ze opgeschreven heb. Het zijn dingen die mijn moeder vertelde als ik bij haar op bezoek ging. 

In verschillende ervan figureert mijn ome Ab, daarom plaats ik er een foto bij waar hij prominent op staat, vooraan in het midden. De foto is genomen bij de voordeur van het huis van mijn grootouders, de ouders van mijn moeder, op de trouwdag van mijn ouders. Behalve mijn ouders staan mijn grootouders en mijn ooms en tantes van moederskant erop. Tante Cor ontbreekt. Dat heb ik hier uitgelegd. 

De vrouw naast mijn oma, ken ik niet. Het zal de toenmalige vriendin zijn geweest van mijn ome Henk, die in die tijd blijkbaar in militaire dienst zat. Verder staat links tante Gijb en op de voorstr rij, aan weerszijden van ome Ab, zitten tante Riet en ome Dik. 

12 september 2020


Wel haalde mijn moeder andere herinneringen uit haar eigen jeugd op. Dat haar moeder, mijn oma dus, in 1954 nog een miskraam kreeg.

Mijn moeder was toen als meisje voor dag en nacht in dienst van de familie Methorst. Ze ging dan ‘s ochtends om halfvijf naar haar eigen ouders om de was te doen. Ze moest weer op tijd terug zijn bij Methorst. Vrouw Methorst zat toen in een inrichting en mijn moeder moest ervoor zorgen dat de kinderen op tijd op school kwamen.

Ze kon bij haar ouders wel de was koken, maar spoelen moest tante Gijb doen, die toen pas negen jaar was. Er waren toen ook oudere broers (Henk, Ab), maar blijkbaar kwam het in niemands hoofd op dat die ook wat in het huishouden zouden kunnen doen.

Ome Ab had als kind hersenvliesontsteking gehad en was daardoor verwend. Later werd hij erg ondeugend en als hij iets verkeerds had gedaan, riep hij: ‘Ge meug me lekker toch niet sloan!’

Toen hij wat ouder werd, gebeurde dat overigens wel en opa was niet zachtzinnig: die sloeg met zijn riem. Ome Ab zei: ‘Al sloa de me dood, ik geef oe gin gelijk.’ Maar de buurman kwam die keer tussenbeide.

Ome Ab werd beschuldigd van het stelen van een portemonnee en van een psalmboek. Dat laatste kwam later boven water en hij bleek dat niet gedaan te hebben. Maar de portemonnee werd gevonden bij Hentje van den Berg, net over het spoor bij Zetten. Daar zit nu een Chinees restaurant. Ome Ab zal het geld wel gebruikt hebben voor drank.

Hij had een keer de solex van zijn moeder meegenomen naar het café (Café De Zon, bij Pietje Beschuit). Hij kwam lopend terug, omdat hij de solex verkocht had. Ook bij mijn ouders heeft hij ooit honderd gulden gestolen. Mijn moeder vermoedt dat mijn vader een kalf had verkocht of zo. De portemonnee lag in de la, waar hij later ook altijd zou liggen. Mijn vader had nooit een portemonnee bij zich.

Mijn moeder zei dat ze toen nog nooit een biljet van honderd gulden had gezien, wat wel kan kloppen, want in het begin van hun huwelijk hadden mijn ouders niet veel geld. Mijn vader vertelde aanvankelijk niet aan mijn moeder dat het geld gestolen was. Wel aan zijn schoonouders. Oma kwam toen helpen in huis bij mijn moeder, om het op die manier terug te betalen. Het lijkt erop dat ook toen de hand boven het hoofd van mijn oom werd gehouden. Toch noemde mijn moeder hem ‘een best jong.’

Ook vertelde ze dat ze als vijftienjarige hielp op de boerderij bij Trien (Catrinus). Ze moest eigenlijk in huis werken, bij Arta, maar die zei dat ze maar op het bedrijf moest gaan helpen. Ik heb alles gedaan, zei mijn moeder: ploegen, eggen. Allemaal met het paard. Er waren twee paarden: de bruine, waar ze bang voor was, en de schimmel. Die had Trien gekregen na de oorlog als compensatie voor de oorlogsschade. De Duitsers hadden alle paarden gevorderd.

De schimmel was een oud circuspaard en als hij voor de wagen liep, speelde mijn moeder op haar mondharmonica, zodat het paard heel showerig ging lopen: kop omhoog en de voorpoten heel hoog optillen. Dat heeft ze wel vaker verteld.

13 september 2020


Ik heb nog een aanvulling op gisteren, ook door mijn moeder verteld. Er was ook nog een ‘jonge’ Trien, die 47 jaar oud was. Die kwam aan mijn grootmoeder vragen of mijn moeder niet op de boerderij kon blijven. Eigenlijk was het de bedoeling dat hij dan later met mijn moeder ging trouwen. Mijn oma zei: 'Denk je dat ik mijn kind verkoop?' Mijn moeder mocht niet meer naar de boerderij.

Die jonge Trien kwam ook een keer huilend bij het huis van mijn grootouders aan. Tijdens het melken in de wei was hij gewond geraakt. Hij goot de melk uit in het zeef, over de draad, toen er een tochtige koe op zijn rug sprong. Hij kwam met zijn borst op de heiningpaal terecht. Daarna hebben mijn moeder en haar jongere broer Henk een tijdje gemolken op die boerderij. Ze hadden een hoop lol gehad, begreep ik.

13 februari 2023


Ik zal je nog een verhaal vertellen dat ik een tijdje terug van mijn moeder hoorde. Vroeger moest zij altijd langs het gezin Collau als ze bijvoorbeeld naar de winkel ging en dat was geen pretje. Op een dag liep ze met tante Cor (haar oudere zus) en ome Ab (haar kleine broertje) daar weer voorbij en toen kreeg tante Cor ruzie met een van de grote meiden. Die stond voorover gebukt en ome Ab viel haar aan: hij beet haar in haar kont.

De moeder van het gezin was altijd heel zenuwachtig en riep mijn oma (de moeder van mijn moeder, dus de moeder van je overgrootmoeder) soms binnen. Haar zoontje was heel dwingend. Als hij iets wilde hebben, zei hij: ‘Geef op, of ik zèk oe nat!’

28 februari 2023


Vanochtend had ik het nog met mijn moeder over Corrie Tendeloo. Zij diende in 1955 in het parlement een motie in die het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen aanvocht. Als ik het goed heb werd de wet Handelingsonbekwaamheid in 1956 afgeschaft. Voor die tijd konden vrouwen geen huis kopen, geen geld opnemen van hun rekening en meer van dat soort dingen, zonder machtiging van hun man (of als ze die niet hadden: van hun vader).

Mijn moeder herinnert zich nog dat haar moeder (mijn oma dus) het erover had. Er was toen net een neef van mijn opa op bezoek, Toon de Bruin. ‘Nu hebben we het voor elkaar’, zei mijn oma. ‘Vrouwen hebben nu net zoveel te zeggen als mannen.’ Toon reageerde met: ‘Ze hebben altijd al meer aan de moel gehad.’

Zijn zoon was Zweer de Bruin, die ook wel de rooie Zweer genoemd werd. Die reageerde heel blij toen hij mijn moeder als kind zag: ‘Nu ben ik niet meer de enige rooie in de familie!’ Mijn moeder kreeg een bal van hem. Ze denkt dat hij toen een jaar of veertien, vijftien is geweest. Intussen is hij overleden. Zijn weduwe zit in ‘t Anker, waar mijn moeder ook zit. Die heeft die vrouw aangesproken, maar ze reageerde niet. Ze zal wel niet helemaal helder meer zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten