Posts tonen met het label Bloknoot. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bloknoot. Alle posts tonen

woensdag 3 september 2025

Afgestoft: Sapuru (Rijke de Wolf)

De bespreking van de novelle Sapuru van Rijke de Wolf stond in Bloknoot nr. 2, mei 1992 hetzelfde nummer als waarin mijn bespreking van de dichtbundel van P. van Klaveren te vinden was. 

Verder stonden in dat nummer gedichten van René van Loenen, Koos Geerds en Ria Borkent. Dirk Zwart interviewde Geerds en verder was er veel over Hein de Bruin (1899 - 1947): een biografische schets, herinneringen aan hem (door Hans Barendregt), de gedichtencyclus De brief en brieven waarin die genoemd wordt, een beschouwing over Het ingekimde land en gedichten van Henk Knol, Anton Ent en Lenze L. Bouwers over De Bruin. Het is nog steeds wel een mooi nummer, eigenlijk. Jammer dat ik net een mok thee omstootte en het blad maar gedeeltelijk kon redden. Hopelijk valt het mee. 

Over de novelle van Rijke de Wolf was ik niet zo tevreden. Wat betreft taalfoutjes was ik indertijd wel erg pietepeuterig en ik had daarvoor natuurlijk de uitgever verantwoordelijk moeten houden en niet de auteur. Waarschijnlijk was ik indertijd nog veel frikkeriger dan ik nu ben. 

Ik zal hem pijlen, wah!

De novelle waarmee Rijke de Wolf debuteert, heet Sapuru. Volgens het achterplat speelt het verhaal zich af in een dorp op Irian Jaya, maar belangrijk is dat niet. Niets in het boek wijst erop dat het verhaal zich hier zou moeten afspelen. Het dorp, dat verder geen naam draagt, is blijkbaar ooit in aanraking geweest met ontwikkelingshulp. Er heeft een verpleeghulp gewoond, maar die is alweer weg en de polikliniek waar hij gewerkt heeft, is intussen vervallen. Het feit dat er een dorp is, waarin huizen staan, is trouwens al een ontwikkeling. Daarvoor woonde iedereen in boomhuizen in het bos. 

Sapuru wordt in het dorp geboren. Nog voordat hij een jaar oud is, overlijdt zijn moeder, Lenayol, ten gevolge van mishandelingen door haar man. Sapuru wordt opgenomen in een ander gezin. Na verloop van tijd moet hij dat weer verlaten en dan schuift hij door naar een ander echtpaar. Dat herhaalt zich enkele keren. Sapuru roept steeds weerstand op (hij heeft een bijna onstilbare honger, waardoor hij veel steelt en hij is niet zindelijk), maar er werpen zich ook altijd beschermers voor hem op. Zo scherpt hij door zijn komst tegenstellingen aan. 

Naast de verhaallijn van Sapuru, kunnen we de lijn van de wraak volgen. Goyare, Lenayols oom, wil zich wreken op Sapuru's vader, die Lenayol immers gedood heeft. Bovendien heeft hij haar broer laten doden, die er met een van zijn vrouwen vandoor was gegaan. Goyare wil niet direct Sapuru's vader aanpakken, omdat die te veel invloed heeft. Uiteindelijk doodt hij, per ongeluk, Sapuru. 

Zo rechttoe rechtaan als ik het nu weergegeven heb, vertelt De Wolf het verhaal niet. Sapuru is verdeeld in zeven hoofdstukken, die weer onderverdeeld zijn in totaal tweeënvijftig kortere stukjes. Die korte stukjes dragen als titel de naam van degene door wiens ogen we alles waarnemen. Zo wisselt het vertelperspectief bijna per bladzijde. Dat is een aardige structuur, als is die zeker niet nieuw. Arthur van Schendel bijvoorbeeld, structureerde al in 1938 op deze manier De wereld een dansfeest. Deze vorm is heel geschikt om bijvoorbeeld misverstanden te tonen: twee personen geven beiden hun visie en de lezer ziet hoe ze elkaar verkeerd begrijpen. Zo knoopt de oude vrouw Bindu een draagnet voor Sapuru, maar ze kan, omdat ze stervende is, niet meer duidelijk maken voor wie ze het net bedoeld heeft. De vrouw aan wie ze het geeft, denkt dat Bindu het aan haar kind wil geven. 

Het wisselende perspectief zorgt ervoor dat Sapuru van verschillende kanten belicht wordt. Hijzelf komt niet aan het woord. Al die meningen en waarnemingen leveren geen eenduidig beeld van de hoofdpersoon op. Soms is hij teruggetrokken en zwijgzaam, maar op andere momenten is hij geestig en welbespraakt. Dat geeft hem wel iets mysterieus en dat zal de bedoeling van de schrijver ook wel geweest zijn. Voor mij is Sapuru vooral ongeloofwaardig en niet alleen wat zijn karakter betreft. In zijn motorische ontwikkeling is Sapuru achter bij wat er van kinderen van zijn leeftijd verwacht mag worden. Hij loopt bijvoorbeeld niet. Maar dan ineens (sim sala bim!) kan hij rennen! Dat is natuurlijk onzin. 

Het tekenen van karakters is trouwens geen sterke kant van de schrijver. Alleen de oude vrouw Bindu en Goyare overtuigden mij. Het zijn beiden mensen die wat buiten de gemeenschap staan. Bindu bereidt zich voor op haar dood, die tot haar verdriet niet in het bos maar in het dorp plaats zal vinden. Aan het eind van haar leven wil ze nog een draagnet voor Sapuru maken en daar is ze heel gedreven mee bezig. Uiteindelijk bereikt het net zijn bestemming niet, zoals hierboven al verteld is. Goyare woont niet in het dorp. Hij hecht sterk aan tradities en is ervan overtuigd dat de voorouders het wonen in het dorp nooit zouden goedkeuren. In elk hoofdstuk heeft hij  het laatste woord. Zo kan hij het hele boek door preluderen op de noodlottige afloop. 

Er komen nogal wat personen aan het woord en veel van die personen lijken op elkaar. Soms probeert de schrijver een personage te karakteriseren door zijn taalgebruik maar meestal mislukt dat. Sapuru's vader lijkt me een onbehouwen man die alleen denkt aan zichzelf, aan zijn positie. Zinnen als 'Ha, een zoon!' en 'De schoft. Gepijld moet hij . Gepijld zal hij!' passen in zijn mond; Sapuru's vader spreekt met uitroeptekens. Maar dit kan hij nooit gezegd hebben: 'Vannacht waren hier twee familieleden van Ane. Ze wilden zich op Frenelun wreken; ze leefden altijd al in onmin met die familie. Vanzelfsprekend wil ik dat ook, nou en of, ik laat me Ane niet zomaar ontnemen. Maar wat mij betreft is een flinke betaling ook bevredigend.' Zo'n laatste zin hoort bij een verzekeringsadviseur, niet bij Sapuru's vader. 

De stijl is hét zwakke punt van Sapuru. Wat er ook aan aardigs te vinden mag zijn in dit boek, het valt allemaal weg tegen de omslachtige formuleringen, het absolute gebrek aan zeggingskracht. Sommige gedeelten hadden zonder meer geschrapt moeten worden. 

Terwijl we gemeenschap hadden, snuffelde een hond aan mijn been. Ik gaf het beest een snelle trap. 'Wat doe je!' vroeg Waliare. 'Niks, ik joeg een hond weg.' We lachten zachtjes.

Zo'n passage zou niemand gemist hebben. 

De Wolf houdt er blijkbaar van twee keer hetzelfde te zeggen: '... kreeg ik tegen mijn verwachtingen in niet eens een hoestbui' ('tegen mijn verwachtingen in' en 'niet eens'). 'Gek genoeg heb ik toch geen hekel aan Sapuru zelf' ('gek genoeg' en 'toch'). Op die manier verdwijnt alle spanning uit een zin. 

Hoe je verwijswoorden moet gebruiken, is de schrijver ook niet helemaal duidelijk. Hij laat ze nogal eens verwijzen naar iets wat niet genoemd is. 'Zindelijk is het bepaald nog niet. Nalio zorgt daar nog steeds voor.' Bedoeld wordt: voor het opruimen van de ontlasting. 'Daarom (...) schoof (ik) mijn handen onder zijn lijf en trok hem daar weg.' Niemand weet waar. 'Binnenkort zal ze weer bevallen. Benieuwd hoe het met deze zal gaan.' Waarschijnlijk betekent 'deze' zoiets als 'dit kind'.

Ook naar regelrechte taalfouten hoeven we niet te zoeken: 'lidteken', 'bananekam', 'bij hun in de schuld' of zinnen als 'Na mijn ogen uitgewreven te hebben, bleken de zonnestralen weer even fel als voordien.' Zonnestralen die ogen uitwrijven? Deze samentrekking is ook fraai: 'Tot drie keer toe was ik de dorpsstraat op en neer gelopen en hem dus driemaal voorbijgekomen'. Als ik dat laatste stuk nu eens voluit schrijf: Tot drie keer toe was ik hem dus eveneens driemaal voorbijgekomen. 

Als ik lees dat een verbinding losgekoppeld wordt, dat iemand ontdooit ten opzichte van iemand anders, dat Sapuru de tanden in zijn lippen heeft staan, dat twee vrouwen Sapuru urenlang vastbinden (spartelt hij zo tegen?), dan kan ik niet eens meer lachen om al die fouten. Ik erger me aan de slordigheid waarmee dit vrij oppervlakkige boek geschreven is. Wah!

donderdag 28 augustus 2025

Afgestoft: Voorbij mijzelf (P. van Klaveren)

Helemaal krijg ik het stof er niet af: de bundel Voorbij mijzelf (1992) van P. van Klaveren. Ik weet zelfs niet helemaal zeker of de bundel in 1992 uitgekomen is, maar in ieder geval verscheen de recensie in Bloknoot nummer 2, mei 1992. 

Ik was de bundel al vergeten en de dichter ook. Het boekje staat ook niet meer in mijn boekenkast, zie ik. Het kwam uit als nummer 8 in de Zwaluwreeks, die geredigeerd werd door Hans Werkman. 

Van Klaveren moet toch wel iets betekend hebben. Hij publiceerde in De schone zakdoek, waar mensen in schreven wier namen we nog steeds kennen. Kijk het hier maar na. En ook de tijdschriften Parade der profeten en Columbus stelden wel wat voor. 

Toen ik de recensie schreef, was Van Klaveren al een onbekende naam en ik was ook niet heel erg te spreken over zijn gedichten en dat liet ik ook merken: 'dit troosteloze dichterschap', schrijf ik en dat vind ik nu wel hard klinken, al zou ik nog steeds dezelfde kritiek hebben. 

Googlend naar meer informatie kwam ik nog een klein stukje tegen dat ik in Liter nr. 11 (jaargang 3, maart 2000) schreef: een signalering van een bundel van Van Klaveren (en van een van Nel Veerman). Daar hoefde ik indertijd niet direct een oordeel over te geven, maar over die bundels was ik niet heel enthousiast. 

Omdat ik toch een keer wat met al die kleine stukjes moet doen, voeg ik die twee hier maar bij. 

 

Troosteloze tak

Als nummer 8 in de Zwaluwreeks verscheen Voorbij mijzelf, een poëziebundel van P. van Klaveren. Die naam zei mij niets, maar gelukkig hielp de tekst op het achterplat mij: 'Piet van Klaveren (1920) debuteerde in 1941 in De schone zakdoek [...]. Later werkte hij mee aan Parade der profeten en Columbus.' Verder vermeldt de tekst onder andere dat de eerste van de vier afdelingen die de bundel telt, gedichten bevat uit de periode tussen 1950 en 1982.

Die eerste afdeling draagt de titel 'Hoe dit leven heet' en bestaat uit gedichten waaruit vaak een romantisch levensgevoel spreekt. De ik-figuur is duidelijk ongelukkig met het hier en het nu. In een gedicht denkt hij met weemoed terug aan zijn kindertijd, in een ander wordt zelfs naar het paradijs gezocht. Ook het verzet tegen de aanpassing die de maatschappij vraagt ('liever dood / dan in een colbert') past in de romantische traditie. 

Naar de vorm zijn deze gedichten weinig verrassend. In een gedicht over de beperktheid van de taal staat bijvoorbeeld: 'ik kan niet breken / uit de cirkel van zinnen / het vierkant van de letters / de ijzeren kooi van de klanken'. Dat doet nogal clichématig aan. 

Een enkele keer is de formulering origineler, is wat er staat geheimzinniger:

(...)
Kaaimannen roeien in en uit
verduisterde ramen;
golfplaten lengen de
stemmen uit.

De nacht is een vlakte met rails,
stemmen liggen plat op de tegels,
zigzaggen de portieken in. 
Het nare is, dat de kaaimannen mij onmiddellijk doen denken aan Rodenko's kangoeroes, die door de venstergaten keken, maar dat zal wel meer aan mij liggen dan aan het gedicht. 

Afdeling twee ('Het land, de tijden') begint en eindigt met een gedicht over tijd. Daartussen volgen de gedichten de loop van de seizoenen en dan vooral zoals die zich manifesteren in het landschap. Titels als 'Zomerlaan', 'Buitendijks' en 'Het land' wijzen al in die richting. 

'In memoriam' is de titel van de derde afdeling en de opdracht luidt: 'voor Coos'. Het achterplat (hoe handig toch!) vertelt dat Coos de overleden vrouw van de dichter is. De in-memoriamgedichten vertellen hoe de dichter haar mist. 

De laatste afdeling, die dezelfde titel draagt als de bundel, is gevuld met gedichten die bestaan uit observaties en overdenkinkjes. Het eerste: 'Bijna was ik / mezelf vergeten; / een lege man / was dan blijven staan / op een grijs perron.' Ik citeer dit gedicht, omdat het duidelijk de zwakke kanten van Van Klaverens poëzie toont. Niet alleen tref ik in Voorbij mijzelf bijna nergens een oorspronkelijke gedachte aan, de beelden die gebruikt worden zijn ook nog eens bijna altijd de meest voor de hand liggende. Hier struikel ik over 'mezelf vergeten' en over de afgesleten combinatie van 'lege' en 'grijs'. 

In de tweede afdeling is het het ergst. De eerste regel van het eerste gedicht is al: 'Tijd als water', een klassieke vergelijking. Ik weet best dat het moeilijk is daarmee nog iets origineels te doen in de Nederlandse poëzie, maar Van Klaveren probeert het niet eens. Die gemakzucht komen we ook tegen in de volgende gedichten. Als de dichter over herfst schrijft, schrijft hij over vallende blaadjes en kilte. Zijn landschappen zijn 'weids', zijn gif is 'bitter', zijn bootjes 'schommelen', zijn storm 'buldert' en zijn noodweer 'zwelt / tot een zwarte, woedende macht'.

De zon, het licht, als beeld voor de vreugde en de nacht, de duisternis, als beeld voor het verdriet - dat is intussen een cliché, zo groot als de zon zelf. Toch stelt Van Klaveren (in de derde afdeling) 'ochtenden van goud' tegenover 'het zwart van de nacht' en schrijft hij : 'heimwee naar jou / loeit naar de holten / van de onderste nacht'' In het gedicht waaruit ik het laatste citaat gelicht heb, laat hij ook nog handen teder wuiven en ogen glanzen. 

In de eerste afdeling, die nog het minst slecht gelukt is, lezen we een onzuivere beeldspraak als 'de uien uit mijn ogen / [...] zijn opgelost' en een cliché als 'vitrine, waar verloren tijd in stilstond'.

Niet alleen herhaalt Van Klaveren anderen, hij herhaalt ook zichzelf. Steeds dezelfde constructie doet op den duur wat gemakzuchtig aan: 'bitter van gif', 'leeg van verveling', 'doodstil van dikte', 'traag van vragen naar jou'.

'Voor dichterschap / moet je droevig zijn / met een scheutje leuks / als een warm, geel blaadje / aan een troosteloze tak', schrijft Van Klaveren. Voor dit troosteloze dichterschap kan ik meer ergernis dan droefheid voelen. 
Omslagtekening: Marcel Verbrugge

Nel Veerman


Bij het naderen van haar negentigste verjaardag stelde Nel Veerman haar achtste bundel samen. Naschrift bevat gedichten waarin, evenals in vorige bundels, veel natuur en geloof voorkomt. Bijvoorbeeld in dit gedicht:
De wind en de boom

De wind
hoe hij als een rivier
door een bedding van bomen stroomt
of in het voorbij gaan
bijna beschroomd
vluchtig even een blad beroert

hoe de wind de boom
bespeelt als een instrument
hoe de boom op de wind
haarfijn is afgestemd

De naderende dood is ook in verscheidene gedichten terug te vinden. De bundel eindigt hoopvol:
het was na Pasen
straks zou zijn ontkiemd en zijn ontloken
wat slapend in de aarde naar de lente lag gekeerd

De gedichten zijn bescheiden van toon en dat maakt ze sympathiek. Dat ze niet alle een even hoog niveau hebben, moet de lezer dan maar voor lief nemen. (Uitg. Merweboek, 48 blz., f 14,90.) [TB]

P. van Klaveren


Afdronk is alweer de derde bundel van P. van Klaveren die bij Merweboek verschenen is. Er staan wat liefdesgedichten in, wat natuurgedichten en wat gedichten met allerhande. De beeldspraak is meestal nogal gezocht, waardoor veel gedichten een gekunstelde indruk maken. Mijns inziens is een behoorlijk groot deel van de bundel literair gezien onder de maat, maar soms kom je toch een wat minder slecht gedicht tegen.
Visserswijk

In die buurt, zo vaak
door zeestorm geteisterd,
duiken uit lage deuren
vervaarlijke mannen op,
door scheldende vrouwen
gevolgd tot de kroegdeur;
hun tieren verwaait
in vliegend ziltschuim.

Tot diep in de dranknacht
beukt het lawaai
tegen de bierkaai.
(Uitg. Merweboek, 40 blz., f 14,90.) [TB]

woensdag 18 juni 2025

Afgestoft: Paradijs (Hilbrand Rozema)

Poëzie! Een bespreking van de debuutbundel van Hilbrand Rozema (Paradijs), die eerder te lezen was in Bloknoot 21, jaargang 6 nr. 3 (augustus 1997). Daarna heeft Rozema nog meer geschreven en ik heb een vermoeden dat ik ook geschreven heb over de bundels Blauwe plekken (2003) en Slagveldtoerisme (2008), maar ik heb de recensies niet meer en ik heb geen toegang meer tot Literom. Als die recensies bestaan en als iemand ze op kan duikelen, hou ik me aanbevolen. Dan zal ik ze hier graag plaatsen. 

In dit nummer van Bloknoot bespreek ik maar liefst drie bundels. Die van Plaatselijke tijd van Harmen Wind stofte ik hier af. Daarbij is ook te lezen wat er nog meer voor interessants in dit nummer stond. Verder besprak ik Wakker van Rien van den Berg. Die hou je nog van mij tegoed. 

In de onderstaande recensie valt me mijn eigen frikkentoontje op, als ik aan het eind toch nog wat aan weet te wijzen wat ik dan net minder geslaagd vind, terwijl ik enthousiast ben over de bundel als geheel. Dat stukje zou ik nu geschrapt hebben. 


Hoger, groener knollenland

Tegelijk met de krant haalde ik uit de brievenbus het pakketje met daarin de debuutbundel van Hilbrand Rozema, Paradijs. Wat kan er nog paradijselijk zijn in een wereld vol krantenkwaad? In het dorp waar ik woon is een winkel die zich De hof van Ede noemt en ik heb nog ergens een cd met een lied dat 'Paradise by the dashboardlight' heet, maar voor de rest is er toch weinig meer dat aan het paradijs herinnert. 

Om ons duidelijk te maken wat voor hem het paradijs is, heeft Rozema vier gedichten met die titel opgenomen in de bundel: een serie van drie en een op zichzelf staand gedicht. Dat laatste, 'losse' gedicht begint zo:

Gisteren, God, ben ik weer in uw dierentuin beland.
Het restje paradijs waar onze soort nog tuinman is.
Hier geeft Adam de dieren nog bordjes met namen. 
Het gedicht gaat over een dierentuin, of liever: over Gods dierentuin. Ik geloof niet dat hier bedoeld wordt dat God de eigenaar van de zoo is, maar dat de 'tuin' gevuld is met Gods dieren. Dieren horen bij God. Het is vreemd dat we in dit gedicht niet het zicht krijgen op de dieren in het wild, maar alleen op opgesloten dieren. Het is dan ook niet meer dan een 'restje paradijs'. Adam had van God de opdracht gekregen om de tuin te bouwen en te bewaren. Je zou hem tuinman kunnen noemen. Ook hier onderhoudt de mens (Adam) de tuin en geeft de dieren namen, net zoals in Genesis 2. Opmerkelijk genoeg spreekt het gedicht niet van de mens, maar van 'onze soort', een uitdrukking die je eerder bij dieren, diersoorten zou verwachten. Zo wordt de mens verwant aan het dier. Niet alleen dieren horen bij God, ook de mens hoort bij God.

De rest van het gedicht gaat voornamelijk over de dieren. De 'ik' (voor het gemak zeg ik maar even 'de dichter') is een toeschouwer die geniet van al die mooie dieren. ('En dan de roerloze pracht van de argusfazant.') De schoonheid van de dieren brengt hem het paradijs in gedachten. Deze dieren zijn al zo mooi, hoe mooi moet dan niet het paradijs geweest zijn! 

Ook de serie van drie paradijsgedichten gaat over een dierentuin. Ook hier heb je als lezer de indruk dat de dichter vooral heeft staan kijken. Lang heeft staan kijken, nauwkeurig heeft staan kijken. Het is kenmerkend voor veel van Rozema's gedichten: er is veel in te zien. Mij trof vooral het begin van het derde gedicht:
Heuphoge ezeltjes dragen een zwart ruggemerk
staan indolent in hun hoeven, zonder tijdverlies
worden ze duizend jaar oud op een dag. 
Het eerste, en dus misschien wel het belangrijkste, wat over de ezeltjes verteld wordt, is dat ze 'een zwart ruggemerk' dragen. Ik moest onmiddellijk denken aan Jacob van Maerlant die daar in Der naturen bloeme ook op wijst. Met een beetje goede wil is dat 'ruggemerk' (Kok doet nog niet aan nieuwe spelling) te zien als een kruis. Volgens Van Maerlant komt dat doordat Jezus ooit gedragen werd door een ezel. 

Je kunt altijd beweren dat dit stukje gedicht gewoon over een paar stilstaande ezels gaat. Daar gaat het ook (en vooral) over, maar als ik het lees, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat er meer meespeelt. Dat de ezels 'duizend jaar oud [worden] op een dag' (zonder tijdverlies), zal wel betekenen dat de tijd geen vat op hen heeft, maar mij doet het ook denken aan een bijbeltekst, 2 Petrus 3:8, waar staat dat bij God duizend jaren een dag is en een dag duizend jaar. 

'Duizend jaar' komt ook voor in het gedicht 'De koe': 'draagt ze duizend jaar geduldig / het stamboekmerk als plastic / dissonant in handgrote dovemansoren.' Hier geeft het aan hoe lijdzaam de koe is wat weer in de buurt komt van de indolentie van de ezels. 

Een duidelijke verwijzing naar de hierboven genoemde bijbeltekst staat in een van de gedichten in de serie 'Jeugd' die ik verderop nog aan de orde stel. 

Voor Rozema zijn de dieren dus het laatste restje paradijs. In veel gedichten komen dan ook dieren voor (de gedichten tussen de paradijsgedichten in heten 'Karpers' 'Het paard' en 'De koe'), en de meeste gedichten spelen zich buiten af. In 'Terra nova gaat de dichter nog verder terug dan het paradijs. 'Alsof ik / tegentijds de schepping door kan gaan // om dicht bij God te zijn in stille wadden / waar Zijn Geest op zweeft, engelmansplaat.' Het waddenlandschap doet hem denken  aan het 'landschap' van Genesis 1, toen er nog niets was dan God alleen. Dat directe contact met God wijst natuurlijk meteen vooruit naar het toekomstig paradijs, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. het gedicht eindigt dan ook met. 

(...) Wanneer ben ik vervuld

van kapitalen en minuskels, ALFA, OMEGA, 
houtvrij en alles onderschept uit spatnieuw
water onder hoge alpensneeuw vandaan. 
Het is een vraag zonder vraagteken, meer een verlangen waarschijnlijk. Een verlangen om vervuld te zijn van  taal, van hoofdletters en kleine letters, op houtvrij geschept papier. Maar dat niet alleen. Een minuskel is ook een bijbelhandschrift en God heeft gezegd dat Hij de Alfa en de Omega is. Hier staat dus niet minder dan het verlangen vervuld te zijn van God. Houtvrij kan dan zoiets betekenen als: zonder een enkele smet. Mooi is ook dat 'spatnieuw' water, waarin zowel het heel nieuwe als het spatten van water zit. Voor spatnieuw water is een schepping of een herschepping nodig. 

Dit verlangen naar het paradijs, het verlangen houtvrij en spatnieuw te zijn is ook een vertrouwen. Daarvan spreekt ook het gedicht 'Lichtbak'. 
Wat pepert me de levensadem in
als in een jongensboek het hagelschot
dat je verjaagt, de boomgaard uit.
Wat zet me op een lopen. 

Stofgoud kuilt op uit amechtige longen
bij de klaroenstoot, het weidmansheil
blazen. Maar nee, de klopstok van de
drijfjacht van de Dood niet. 

De kerf, de kerm van koperdraad,
ambachtelijk in brandend braam gezet
door een melancholieke stroper
vangt me vlak voor de jagers weg - 
het scheelt maar een dood. 

Hij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen.
Met al mijn wissels is Hij vertrouwd.
Hij omgeeft mij van achteren en van voren, 
en grijpt mij in mijn nekvel. 
Zei ik: duisternis moge mij overvallen,
dan is de nacht een lichtbak om mij heen. 
Het beeld van God als een melancholieke stroper, die de dichter vangt in zijn strik, vind ik erg krachtig. Natuurlijk is het een dier dat door God in zijn nekvel gegrepen wordt; dieren horen immers bij God. Juist in deze situatie identificeert de dichter zich met het dier. Het dier is op de vlucht voor de jagers, op de vlucht voor de Dood. Die is zo afschrikwekkend dat hij een hoofdletter gekregen heeft. God vangt het dier vlak voor de jagers weg. Het scheelt maar een haartje, maar het is wel een levensgroot verschil door wie je gevangen wordt.

Het is duidelijk dat de gehele laatste strofe verwijst naar Psalm 139. Mooi vind ik ook de laatste zin. Als je op God kunt vertrouwen, bestaat de duisternis van de nacht niet. Rozema zegt het mooier: 'dan is de nacht een lichtbak om mij heen.' De lichtbak behoort bij het gereedschap van de stroper, evenals het koperdraad waarmee hij zijn strik zet. Het is verrassend dat juist de stroper, degene die illegaal het wild vangt, een beeld van God is.

Ik weet niet zeker wat voor dier bedoeld is in dit gedicht, maar het zou me niet verbazen als het een haas was. Ook in het openingsgedicht van de bundel wordt over een haas gesproken en over de dichter 'die hem, na een leven van een half gedicht, / naar hoger, groener knollenland verhuist. / Voor 't eerst in rechte lijn, en sneller dan het licht.' Als er een hazenhemel is, dan bestaat die ongetwijfeld in een hoger, groener knollenland. De haas hoeft hier niet al haken slaand naar toe, maar in rechte lijn. Ook de haas die door de stroper in zijn nekvel gepakt is, zal naar de hazenhemel verhuizen. 

Paradijs eindigt met een cyclus van zeven gedichten, 'Jeugd', opgedragen aan Ido, wat gezien de inhoud van de gedichten wel eens des dichters broer kan zijn. Het zijn misschien niet de beste gedichten uit de bundel, maar hun eenvoud spreekt me erg aan. Sommige van Rozema's gedichten zijn nogal zwaar aangezet: een overdaad aan beelden gecombineerd met een soms gekunstelde zinsbouw. Dat is in deze cyclus geheel afwezig. Ik citeer het zesde gedicht. 
De tijd draait straks als een tuimel-
raam om. Polygoon-journaal en Verkade-
albums, dat is dan wat de klok slaat. 
De zomerdag nog koel en vol gebrom.

Een hooikoortsbriesje van bloemen
van vroeger steekt op en salamanders
glippen door waterinlaten.
Uit een boomgaard vol glanzend fruit

gejaagd lopen mijn broertje en ik, steedse
eierrapertjes, door sterrenbeelden groeiend
op de kim, met hemel en aarde verwant

is ons een etmaal duizend regels. 
Ach man, die eeuwige hang naar
woordeloos contact, laat ons lachen. 
Wie het heeft over het paradijs van de jeugd, doet aan geschiedvervalsing, legde de dichter al in het vorige gedicht van deze cyclus uit. Je maakt het mooier dan het is, als in een jongensboek. Bovenstaand gedicht knipoogt dan ook naar 'Lichtbak': 'als in een jongensboek het hagelschot / dat je verjaagt, de boomgaard uit.' In deze cyclus wordt ook de jeugd een boomgaard met louter glanzend fruit, een paradijs waaruit je niet door een engel met een vurig zwaard, maar door een fruitteler met een geweer gejaagd wordt. Paradise lost: de boomgaard van de jeugd is nooit meer te betreden. 

Als de jongetjes verjaagd zijn uit de boomgaard, zie je ze lopen 'op de kim'. Niet alleen met elkaar, maar ook met hemel en aarde verwant. Ze zijn in harmonie met hemel en aarde, maar je kunt ook zeggen dat hun bondgenootschap kosmische afmetingen krijgt, eeuwige vriendschap. Voor hen is een etmaal duizend regels. Behalve dat de tekst uit Petrus weer meeklinkt, lijkt me deze zin ook te duiden op de regels waaraan de jongens zich moeten houden en tegelijkertijd aan de onbeschrijflijkheid van hun vriendschap en van wat ze op een dag meemaken. 

'Ach man', verzucht  de dichter, alsof hij het achteraf toch liever relativeert ('laat ons lachen'). Ik ben blij dat hij dat in het grootste deel van de cyclus niet doet. De relativering is altijd veilig, je houdt jezelf buiten schot. De kans dat je vervalt in sentimentaliteit verklein je daardoor. Maar die veiligheid is ook een stuk minder spannend. Zonder voorbehoud eindigt het laatste gedicht van de cyclus (en van de bundel) met: 'Maar toch. Ik hou. Ik hou zoveel van jou.' Eerst nog haperend, maar dan toch. Je moet van goeden huize komen om zo'n slotzin niet snotterig te laten klinken. Rozema kan dat. 

Het moge duidelijk zijn dat ik Paradijs een goede bundel vind. Enkele mooie gedichten ('Renaissance', 'Troost I') heb ik zelfs nog niet eens kunnen noemen. Ik ben aangenaam getroffen door het vertelplezier dat uit de gedichten spreekt, die soms breed uitwaaieren. Ook op taalgebied is er veel te beleven. De dichter houdt van mooie, soms wat minder bekende woorden en laat vaak zo veel mogelijk betekenissen meespelen. Ten slotte zijn er de mooie en krachtige beelden die overvloedig in de bundel te vinden zijn. 

Dat laatste is meteen een van de zwakke punten. De beelden zijn niet alleen overvloedig, maar ook overdadig. Een strofe als de volgende kan mij absoluut niet bekoren: 'Wit als gesteven linnenkragen / springen de bogen haasje-over, / lopen spanten evenwijdig uit een / sluitsteen als een vuist.' Er is op zich niet zoveel mis met de afzonderlijke beelden (linnenkragen, haasje-over springen, vuist), maar de beelden hebben onderling te weinig met elkaar te maken. 

Het kennelijke of schijnbare gemak waarmee Rozema mooie beelden 'maakt', leidt soms tot mooischrijverij. Een gedicht als 'Paradijs II' is knap gemaakt, maar voor mij blijft het toch vooral een plaatje, een proeve van techniek, waar de dichter zo ongeveer uit verdwenen is. Nogmaals: knap, technisch niets op aan te merken, maar het is mij te veilig, te afstandelijk. Misschien wel: te mooi. 

In ieder geval zijn in deze bundel heel wat goede gedichten aan te wijzen en ook de minder goede bevatten vaak wel enkele mooie zinnen of beelden. Dat is al meer dan we van een debuut mogen verwachten. 

donderdag 10 april 2025

Afgestoft: Plaatselijke tijd (Harmen Wind)

Deze week weer een recensie van een gedichtenbundel afgestoft: van Plaatselijke tijd van Harmen Wind (1945 - 2010). De bespreking was eerder te lezen in Bloknoot 21, jaargang 6 nr. 3, van augustus 1997. Twee jaar eerder stond er in dat blad een interview dat ik met Wind had. Dat heb ik al eerder afgestoft. Bij het doorlezen van de recensie van toen, vond ik het vooral prettig om de gedichten van Wind nog eens te lezen. Zouden die niet een keer gebundeld moeten worden in een verzameluitgave?

Op Bunt Blogt schreef ik ook nog over de roman De dwaling, die postuum werd uitgegeven. Het is geen goed boek. Maar de roman Het verzet heb ik met plezier gelezen. 

In het nummer van Bloknoot was veel interessants te lezen. Gerda van de Haar schreef over de poëzie van Judith Herzberg, A. van Haarlem over God en de natuur in het werk van Wilma, Robert Lemm over Pieter Nouwen en Anne Schipper over onbekende brieven van Gerrit Achterberg en Cornelis Rijnsdorp. 

Behalve onderstaande recensie had ik in het blad nog twee recensies van poëziebundels: van Rien van den Berg en van Hilbrand Rozema. Die typ ik later nog over. Maar er wacht nog meer op mijn stofdoek. Bijvoorbeeld besprekingen van werk van F.B. Hotz en René Stoute. En nu ik elke week vier nieuwe recensies plaats in plaats van drie (voor zolang ik dat volhoud), gaat het niet zo hard met de oude recensies. 




Teloorgegaan bezit is wat mij blijft

Het is nu twee uur plaatselijke tijd als ik begin met schrijven over de recent verschenen poëziebundel van Harmen Wind. Een prachtige bundel vind ik het. Mooie gedichten, net als in Waterstaat (1994), maar deze bundel is ook nog eens heel doordacht opgebouwd, waardoor de afzonderlijke gedichten sterker worden. 

Plaatselijke tijd bevat vier afdelingen: 'Illusies', 'Momenten', 'Locaties' en 'Restanten'. De tweede afdeling begint met het titelgedicht:

Hier is het morgen. Wij schrijven een datum,
kijken het raam uit, smeren een snee
brood en vrezen het ergste zonder dat het 
ons bedreigt. Een ochtend aan de rand van
een gelaten stadje op de oever van stromend
water. Een kerkklok, een scheepshoren, drijft ons
onstuitbaar voort, hoe stil het grijze licht ook
op de vijver hangt. Intussen grondelt in alle rust
de eend en zet de lijsterbes haar knoppen. 
Hun leven gaat zijn gang onaangedaan.
Hun leven vindt bestaan in plaatselijke tijd. 

Het gedicht begint met een oriëntatie op plaats en tijd. De plaats is 'hier', dichtbij huis, zelfs in huis, de plaats waar 'wij' zijn. Geen gestaar naar verten, maar 'hier'. (Het zal wel niet toevallig zijn dat de derde afdeling juist begint met 'Daar'.) Het is morgen, ochtend. Een nieuwe dag, een nieuwe datum. Morgen geeft niet alleen het nu aan, maar wijst ook naar de volgende dagen. Zoals een datum er altijd een uit een rij is. 

'Wij' kijken uit het raam, maar er wordt niet verteld wat er te zien is. Natuurlijk niet. Het kijken heeft veel meer met de tijd dan met de ruimte te maken. Wij vrezen dan ook het ergste. 'Het ergste' ligt nog te wachten in de tijd, in de toekomst. Wij vrezen de dood, terwijl we net een snee brood smeren. Wat hoort er meer bij het leven dan het eten van brood?

We vrezen de dood, maar hij bedreigt ons niet. Je kunt dit lezen als een afwezig zijn van dreiging. Gezien de rest van de bundel, waarin de dood van de moeder nogal eens terugkomt, ben ik geneigd het accent op 'ons' te leggen. De dreiging is er wel degelijk, al betreft die niet ons (maar bijvoorbeeld onze dierbaren of in dit geval waarschijnlijk: de moeder). 

In de volgende regels lijkt het of de camera uitzoomt, we kijken van grotere afstand. Het is nog steeds ochtend, maar het 'hier' breidt zich uit tot aan de ene kant een gelaten stadje en aan de andere kant een rivier. Het stadje is gelaten, onderneemt niets, laat alles maar gebeuren. Het stadje is onbeweeglijk, beperkt zich tot het zijn van een plaats. De rivier stroomt. Een van de mooiste gedichten uit de bundel ('Het blijft') gaat over het water, dat almaar stroomt, almaar doorgaat. Een groot contrast met de onbeweeglijkheid van het stadje. Een rivier is ook een vertrouwd beeld van de tijd die maar doorgaat. Onmiddellijk moest ik denken aan de mooie cyclus 'De rivier' van Willem van Toorn in De aardse republiek, waar de rivier de Waal eenzelfde lading meekrijgt als de rivier bij Harmen Wind. 

In de stad en de rivier zien we dus de plaats en de tijd terug, maar er is meer. De rivier doet mij ook denken aan de Styx, de doodsrivier. De rivier die het einde van de tijd markeert. Zeker nu in de vorige zin de dood als bedreiging het gedicht binnengekomen is. 

De kerkklok uit het stadje en de scheepshoorn van de rivier laten zich horen. Ze geven aan dat de tijd bestaat, maar ook dat de tijd eindigt. In mijn hoofd luidt de doodsklok erdoorheen en blaast Charon op zijn scheepshoorn. Het is tijd. Waarvoor? Misschien wel om te sterven. Herinneren aan de tijd is herinneren aan de tijdelijkheid. Altijd. 

Er is water dat niet beweegt, dat stilstaat in de vijver, waarboven stil grijs licht hangt. Water waarop de tijd geen vat heeft. Maar wij worden onstuitbaar voortgedreven op de rivier van de tijd, zo lang we de roep van de dood horen. We weten dat we niet alle tijd hebben. In deze regels van het gedicht zit beweging. Die beweging zit in de eerste plaats in de tijd, maar voor mijn ogen zie ik ook de plaats veranderen, zie ik de 'wij' wegdrijven. Als er geen 'nu' is, omdat het 'straks' zo roept, is er blijkbaar ook geen 'hier', word je meegezogen naar 'daar'. 

Intussen, terwijl de tijd verstrijkt dus, grondelt in alle rust de eend. Ja, die bevindt zich natuurlijk op de vijver, die drijft niet weg. Hij is bezig met het meest aardse dat een watervogel kan doen: grondelen. Met zijn kop onder water op één plek blijven hangen, zijn kop in het hier steken en dus alleen maar nu bestaan. Alle rust. 

De lijsterbes zet haar knoppen. Zo langzaam, dat een mensenoog het niet kan zien. Zo langzaam, dat alle tijd eruit weggelekt lijkt. Dat gebeurt buiten de mensentijd, waarin de korrels door de zandloper gejaagd worden door de klok en de scheepshoorn. Daarvan trekken eend en lijsterbes zich niets aan. De eend grondelt op één plek en de lijsterbes staat onbeweeglijk met de wortels in de grond. Zij hebben de tijd, de tijd die eigenlijk niet verstrijkt, maar vastgeklonterd zit in de plaats. Plaatselijke tijd.

Ik proef de jaloezie van de dichter die geen deel kan hebben aan de plaatselijke tijd. Gek genoeg moest ik denken aan een gedicht van Rutger Kopland ('Baai'), dat begint met 'Het blijft en het blijft maar, het gaat / niet voorbij'. Uit dat gedicht spreekt juist een verlangen dat dit moment voorbijgaat.

De cyclus 'Momenten' sluit af met 'Hodie tibi, cras mihi', dat al eerder in Bloknoot te lezen was. Al in de eerste zin begint de tijd zachtjes te stromen: 'Wij zitten in de kamer stil voorbij te gaan'. En in de tweede strofe: 'Dit huis, dit aan de grond gelopen / geloof in plaatselijke eeuwigheid.' Plaatselijke tijd is niet genoeg. Al zet de lijsterbes in alle rust zijn knoppen, hij kan niet geheel ontkomen aan de tijd. De tijd moet stilgezet worden, zodat hij er niet meer is. Alles moet onveranderlijk, eeuwig worden. 'Wij' hebben geloofd dat het kon: het is goed, zoals het is. Laat het maar zo blijven. In Waterstaat is 'De profundis' opgenomen, dat wonderlijke gedicht over 'de trage vissen uit genesis'. Het eindigt met: 'Onder een /hemel van sterrekroos komt leven / volmaakt tot rust. Zuiver streelt / het zilver onze wangen, helder / staat de stroom in onze kelen stil.' Weer die stroom en volgens mij: weer die tijd. Weer dat verlangen naar verstilling, volmaakte rust. 

Maar het geloof in de plaatselijke eeuwigheid is 'aan de grond gelopen'. Een lek schip dat achterblijft als wij verder meedrijven op de stroom

In de afdeling vind ik het tweeluik 'Existentie' interessant. Het tweede gedicht:

Neem die blauwe reiger daar in het riet. 
Op die plek hurkt een barende vrouw, waar
jij zit staat een galg. Jij ziet ze niet. Die 
galg, die vrouw, ze zijn hier, maar niet nu. 

Wij onderscheiden plaatsen op dezelfde 
tijd, geen tijden op dezelfde plaats. 
Omdat wij van dit boek geen lezer
maar een bladzij zijn, een 
zin, een woord,
een komma. 

De tijd gaat voorbij, de plaats blijft. Waar blijven de dingen die er niet meer zijn? Jan Dibbets maakte van een raam elk uur een foto en hing die foto's van verschuivende schaduwen naast elkaar op. Harmen Wind legt alle foto's op elkaar, alle foto's van eeuwen her tot nu. Of hij draait die hele film zo snel af dat we alles tegelijk waarnemen. Alleen de plaats blijft, voor de rest gaat alles voorbij. En wij zien het niet, want we gaan zelf ook voorbij. Wij zijn maar een van de foto's of een bladzij van het boek, nee minder nog. Veel minder. Wind eindigt het gedicht met 'een komma' en je hebt als lezer het idee dat zelfs dat nog te veel gezegd is. Natuurlijk zijn wij een komma en geen punt. Na ons gaat de zin van de tijd even hard door. Dat is het verschil met de roman Letter en geest van Kellendonk, waarin de hoofdpersoon verdwijnt in de punt na de laatste zin. De hoofdpersoon is weg als het boek dichtgeslagen wordt, maar Winds boek is nog lang niet uit. 

Mij fascineert het gedachtenspel van Wind. Een plaats als remedie tegen de tijd. 'Een plek kan niet weg', schrijft hij in 'Een portret', en zo is het. Iets wat niet van plaats verandert, kent ook geen tijd. 

In 'De tijd van het jaar' lijkt een verzoening met het voorbijgaan op gang te komen. Het is april, het wordt lente, 'groen knijpt het hout uit'. 'Langzaamaan word ik het weer gewaar: / bitterzoete regen, stallucht, bloesemlicht / en bovenal dat blind verlangen, levenslang / gevangen in mijn buik, mijn borst, mijn strot.' Het verlangen dat al een heel leven lang gevangen zat, vecht zich naar boven. Ik lees dit als positief, misschien wel als een gelukservaring, al zal die misschien net als de regen bitterzoet zijn. 

'Locaties' eindigt met het kleine gedicht 'Gast', dat begint met: 'De overeenkomst tussen / stromen en stilstaan. Blijven / verenigt komen en gaan.' Bijven, dat is wat een gast doet. Bijven, voor een poosje. Dat blijkt uiteindelijk genoeg: schuilen in de luwte van de tijd. Voor een poosje, een leven lang misschien. 

De laatste afdeling heet 'Restanten' en natuurlijk kijkt de dichter hier zijn zakken na: wat is hem werkelijk gebleven?

Uit ervaring

Laat een plek achter en je bent er
geweest. Bewaar hem in een verhaal.
Wat is meegemaakt kan niet meer weg.

Kijk daar. Dat water met de zon erop,
dat riet met de wind erin. Uitgerekend
die lisdodden. Dat plechtige pluis. Je 
onthoudt eraan wat het was zonder jou. 

Je was er, in leven. Plaatselijk is je
bestaan, nauwkeurig begrensd. Elk
vergezicht een zelfportret. Kind in eeuwige
sneeuw, oude van dagen in zinkviooltjes,

jij bent het. Overal. Altijd. 
Vraag niet waar we blijven. 
Wat is meegemaakt is weg. 

Veel moois in dit gedicht laat ik even voor wat het is. Enkele zinnen licht ik eruit. 'Wat is meegemaakt kan niet meer weg' met de omkering ervan in de laatste zin. Wat is meegemaakt, is opgenomen in een verhaal, ingepast in een leven, vastgezet in een geheugen. Maar wat je je herinnert, zijn juist de dingen die er niet meer zijn. Als je iets meegemaakt hebt, wil dat zeggen dat je het niet nu meemaakt, dat het weg is. Alleen het verhaal bestaat nog.

Ook in 'Hodie tibi, cras mihi' komt de dichter uit op 'verhalen, waarin wij weerloos en verzonnen zijn'. Wij gaan voorbij en worden dus opgenomen in een verhaal. Iedereen die Vertrouwd en o zo vreemd van Wie Kayzer gelezen heeft, of de serie tv-programma's gezien heeft, weet intussen dat het geheugen geen archiefkast is waarin de stukken onaangetast bewaard blijven. Het geheugen registreert niet alleen, maar interpreteert en herinterpreteert, maakt er een verhaal van. 

Hoe de verhalen bijven, is te lezen in het slotgedicht van de bundel. 

Verloren voorwerpen

Hazenschedel. Zonder oren. Tot het
bot teruggebrachte waakzaamheid.
Onvindbaar verstopt aan de slootkant. 

Herinneringetje van zilver. Kristallen 
druppel hemel. Logeerliefde. In het 
zwembad van mijn pink gegleden.

Eeuwen ongezien onder het tuinpad:
munt. Zeelandia. 1752. Luctorleeuw.
Verloren bij een weddenschap.

Lorgnet. Messing. Ovale glazen, 
in schildpadkoker nagelaten trots.
Op school gestolen uit mijn regenjas.

Teloorgegaan - verbrijzeld en 
verbrand; verrot, geplet, verdwenen -
is wat mij blijft, mijn kostbaar eigendom. 

Verloren voorwerpen, teloorgegaan bezit, maar dat is wat blijft. Wat in het hoofd zit, kan niet meer weg. Wat je in je hoofd hebt, bezit je meer dan wat je in je hand hebt. De tijd waait door je haren, maar op de verhalen in je hoofd heeft hij geen vat. 

Mooi, dat een dichter daarop uitkomt. In een bundel met gedichten, verhalen voor mijn part. Allemaal woorden die verwijzen naar dingen die wij niet in onze hand hebben, maar in ons hoofd. In de eerste afdeling, 'Illusies', staat een gedicht over de Getty-kouros, een beeldje van een jongeman, uit 530 voor Christus, waarvan ook beweerd werd dat het van recente makelij zou zijn. Wind schrijft daarover: 'Kunst is een leugen. Deze jongeling / kan slechts als nabootsing bestaan. / Hij heeft geen leven, hij is waan / en dus onsterfelijk.' Inderdaad, het echte leven gaat voorbij, de verhalen (voor mijn part: de leugens) blijven bestaan. Ars longa, vita brevis. 

donderdag 27 februari 2025

Afgestoft: De oevers bekennen kleur (Michel van der Plas)

Bij het opruimen van de zolder kwam ik niet alleen meer dan twintig dozen met striptijdschriften tegen, maar ook enkele dozen met literaire tijdschriften. In Bloknoot van mei 1994 trof ik een uitgebreide recensie aan van De oevers bekennen kleur van Michel van der Plas. Een dik boek 568 (blz.), waarin ik veel gelezen heb. Maar de laatste jaren is het daar niet meer van gekomen. 

Nu ik deze recensie heb overgetikt, heb ik toch weer zin in de gedichten van Michel van der Plas. 

Wat stond er verder nog in Bloknoot? Gedichten van onder anderen Juliën Holtrigter, Kees Hermis, Harmen Wind en René van Loenen, een verhaal van Meint R. van den Berg. Michiel van Diggelen over Roel Houwink, een stuk over Hans Andreus en een over C.S. Lewis. En dat is nog maar een greep. Het blad telde maar liefst 136 bladzijden. 

Wat een reis nog naar uw handen

Met de poëzie van Michel van der Plas ben ik altijd nogal nonchalant omgegaan; zijn werk verscheen zonder dat ik het opmerkte en als ik het wel in de gaten had, las ik het meestal niet. In 1980 kocht ik het 'signalement van zijn werk' Paspoort, dat al vier jaar daarvoor verschenen was. Daarin stonden ook gedichten, die ik, herinner ik me, 'wel mooi' vond. Later kocht ik tweedehands Dance for you, waarvan me vooral bijgebleven is, dat ik het al fietsend gelezen heb. 

En nu ligt ineens De oevers bekennen kleur voor me, Van der Plas' Verzamelde gedichten. Een mooi uitgegeven boek, al mis ik een verantwoording of inleiding, waarin verteld wordt dat niet alle gedichten van Van der plas in deze bundel opgenomen zijn. Ook mis ik een bibliografie. In de inhoudsopgave is wel te vinden uit welke bundel een gedicht komt, maar niet wanneer die bundel verschenen is. Jammer. 

Het is een behoorlijk grote overgang: van jarenlang geen Van der Plas naar enkele weken heel veel Van der Plas. Dagenlang lees en herlees ik zijn poëzie. De vertalingen (van poëzie van Eliot, Auden, Claudel en Cummings) laat ik voorlopig ongelezen; ik heb het idee dat ik daar nauwelijks over kan oordelen en er blijft nog meer dan genoeg te lezen over. 

Veel sonnetten, zie ik al bij het doorbladeren. Als vanaf de eerste bundel bedient Van der Plas zich van deze versvorm en het lijkt wel of hij zich er steeds beter bij thuisvoelt. De laatste bundel, Vaderland (1992), bestaat zelfs geheel uit sonnetten. Dat hij andere vormen ook beheerst, laat Van der Plas zien in bundels als Ergenshuizen (1953) en Een hemel op aarde (1955), waarin hij personen uit de klassieke oudheid en de Bijbel aan het woord laat. Deze gedichten hebben een vrijere vormen vaak zijn ze ook langer. 

Vader

Bij het lezen van de gedichten valt al snel op, dat er nogal wat gedichten over de ouders van de dichter opgenomen zijn. Het eerste gedicht dat van Van der Plas gepubliceerd werd (het staat niet in deze bundel overigens) ging al over de vader. Aanvankelijk zijn er trouwens meer gedichten gewijd aan de moeder dan aan de vader. Zoals 'Gras':

Ik heb mijn moeder honderd maal verloren.
In dromen; winters; aan een stenen stad;
aan andere kinderen, uit haar geboren;
en aan die vader, bevend liefgehad.

Maar honderd maal heb ik haar teruggewonnen:
languit voorover in gewoon groen gras,
dat ademde en zwoegde of onbezonnen
golfde als een lied en, golvend, eeuwig was.

Wees eindeloos, wees zacht, een en al armen.
Grasmoeder, moedergras, bevend erbarmen.
Achter ons staat de mensenhemel rood. 

De wolken zeilen en de vogels zweven.
Leer me nog met een hart te veel te leven,
totdat ik weg kan in uw beider schoot. 

In alle gedichten waarin zijn moeder voorkomt, schrijft Van der Plas heel liefdevol over haar. In bovenstaand gedicht wordt de vader aangeduid als 'die vader' en in 'Vader en moeder' wordt hij 'die man' genoemd. Daar spreekt op zijn minst enige reserve, afstand, uit. Niet voor niets lezen we dat zijn moeder (of de dichter) de vader 'bevend' liefhad. 


Vader was blijkbaar niet zo'n gemakkelijke man. We leren uit gedichten zijn driftige stap kennen, zijn koppigheid. In de bundel Langzaam vertrekken (1965) wordt de vader milder beschreven. Zoals in het eenvoudige 'In memoriam patris' (dat voor het doodsprentje van de vader geschreven werd) of het gedicht 'Een man zoals', waarin 'Een man zoals mijn vader is geweest / staat te biljarten.' Het gedicht eindigt met de regels: 'Hij kan niet tegen zijn verlies. Ik houd van hem.'

De laatste bundel, Vaderland, is geheel gewijd aan de vader. In bijna veertig sonnetten bouwt Van der Plas daar een monument voor zijn vader. Liefdevol tekent hij zijn portret. Het slotgedicht, 'Laatste droom', was onlangs nog in Woordwerk te lezen. In dit gedicht valt de vader samen met Jezus, die na Zijn opstanding verschijnt aan zijn discipelen bij de zee van Tiberias. Het is zonder meer het mooiste gedicht uit de hele bundel. Als je Vaderland niet in één keer leest, maar er zomaar een gedicht uit pikt, blijken de gedichten nogal middelmatig te zijn. Ik moest regels lezen als: 'Je had zo graag een hond gehad, een grote, / kleur maakt niet uit, ruwharig, maar fideel: / een Hector aan je zij op hoge poten, / braver dan kinderen en personeel.' Brave sonnetten, denk ik dan, maar niet zo bijzonder. En toch. 

En toch ben ik blij dat ik de bundel gelezen en herlezen heb. De afzonderlijke gedichten mogen dan vaak wat tegenvallen, als geheel blijft de bundel mij toch boeien. Waarschijnlijk komt dat doordat Van der Plas de emoties die hij heeft niet expliciet noemt, maar ze wel dichtbij brengt in zijn beschrijvingen. 'Als ik terugkom met een slentergang / vind ik je slapend, in bretels, een hand / boven je hoofd, een halm over je wang.' Uit zo'n beschrijving blijkt de aandacht waarmee de dichter gekeken heeft. Het beeld van de slapende vader roept misschien zelfs meedogen op door de weerloosheid die eruit spreekt. Dat het bij de dichter, die in dit gedicht nog maar een negenjarig jongetje is, wat gecompliceerder is, blijkt verderop uit het gedicht waarin hij haat voor zijn vader voelt en zich tegelijk realiseert hoeveel zij beiden gemeen hebben. 

Geloof

In In de kou (1969) zei Michel van der Plas tegen Godfried Bomans over zijn vader: 'Hij was een nogal vrome man - als niemand hem zag.' Ook in Vaderland is de vader verschillende keren verbonden met geloof een kerk, wat al te zien is aan titels als 'Hemel', 'Kerk' en 'God'. Maar niet alleen in verband met de vader komt het geloof voor in de gedichten van Van der Plas.

Ooit wilde Van der Plas priester worden en bezocht hij daartoe het seminarie. Uiteindelijk bleek hij een keuze te moeten maken tussen het priesterschap en het dichterschap en hij koos voor het laatste. Soms duiken gedachten aan die seminarietijd nog op, zoals in Korte metten (1980) als hij over 'de witte monniken' schrijft: 'Mannen even oud als ik. / Mijn broeders, denk ik soms een ogenblik. / Maar dan weer: vreemden op een kale maan.'

Van der Plas zegde het priesterschap vaarwel, maar het geloof bleef hij trouw. In nagenoeg alle bundels komen gedichten over het geloof voor. Ik citeer uit De dag van morgen (1958) 'Psalm':

De Heer is mijn verder. Hij laat mij missen:
roes, aarde, nu. Laat mij te weinig zijn
en wensen. Drijft mij op naar duisternissen
van bos en braakland, in een perk van pijn. 

Is mijn elders. Laat hemelen verhalen, 
de macht, de glorie. En houdt mij doodsbang
over mijn dorst gebogen. Zendt zijn stralen
bij mondjesmaat. En wacht, mijn leven lang.

Mijn vijand drinkt en doezelt voor mijn ogen.
De kinderen zingen van een vergezicht.
De Heer is mijn eenmaal. Ik moet nog hoger.

Zijn heil en zegen zullen op mij jagen,
mijn leven lang. Ik zal het dwingelandslicht
zien, haten en verlangen, al mijn dagen. 

Uit dit gedicht blijkt al de ambivalente houding tegenover het geloof: de dichter zal 'het dwingelandslicht' haten èn verlangen, twee uitersten, waartussen veel gedichten over het geloof zich bewegen. 

Al in een eerdere bundel schreef Van der Plas een 'Psalm': 'Een nieuw lied voor de Heer die de vogeltjes schiep.' In deze psalm juicht de dichter het uit. 'O gij wateren, looft, en gij landstreken, looft, / en gij vogeltjes, looft onze Heer.' Zo'n gedicht is uit de zekerheid geschreven. Maar momenten van zekerheid worden afgewisseld door tijden van twijfel. In een wat recentere bundel, God en omstreken (1988), lezen we: 'Mijn laatste geloof begint te versmallen / tot een sprietje dat mij niet meer houden kan. / Nog even maar en ik zal in het koude / heelal voor eeuwig naar het donker vallen.' Of, in 'Donkere metten': 'O God, geef me toch eindelijke een teken, / ach een klein teken maar dat je me kent / en dat je van eeuwig mijn vader bent / en dat ik in jouw huis niet mag ontbreken.'

In de hele bundel God en omstreken worstelt de dichter met het geloof. Er zijn enkele mooie cycli opgenomen zoals 'Jezus in Jericho' en 'De goede moordenaar'. In de eerste wordt Jezus in zijn twijfel getekend, in de tweede wordt de goede moordenaar toegesproken, waarbij de dichter hem om hulp vraagt: 'sta dan op, loop de tuin uit, halverwege, / en roep me in de zwarte kuil van de kou, / en kom me, kom me dan, kom me toch tegen.' Maar ook zingt hij in deze bundel de 'Lof Gods of ik het wil of niet.'

Het ei van Columbus

Het geloof is ook aanwezig in de bundel die ik als Van der Plas' beste beschouw, Het ei van Columbus. Tussen de gedichten door staan stukjes proza die duidelijk maken waarnaar de gedichten verwijzen of wat er tussen twee gedichten door gebeurd is. 

Al in het begin krijgen we de legende van Christofoor te lezen, zoals die aan Columbus verteld wordt. Natuurlijk voelt hij zich met Christofoor verwant; hij draagt immers zijn naam. Ook Columbus wil Christus dragen, 'kruisen planten in ongelovige grond', zoals zijn maîtresse zegt. Vol vertrouwen is hij, maar dat vertrouwen komt onder druk te staan als er maar geen land in zicht komt. Van Christus schrijft hij zelfs op een moment: 'Buiten, op zee, is hij gestorven.'

Aan het eind van zijn leven komt de legende van Christofoor weer terug. Eerst wordt Maria aangeroepen, die immers ook Christus droeg. Op 19 mei 1506, vigilie van Hemelvaart, sterft Columbus en dan lezen we:

Nu moet jij mij dragen. 
Kind, zet de veerman over.
En die ziel in mijn lichaam,
van pijn naar pijn. Nee, verder.

Maak een wolk, onttrek me
aan de ogen van nu, van hier. 

Zet me in mijn wapen
op een eiland neer,
in het derde kwartier, 

waar de quetzal fladdert
en de ara roept,
en dichtbij de oever
van een goudrivier.

In het gedicht dat erop volgt, verzucht hij nog: 'Jezus, Jezus en / wat een reis nog // naar uw handen, / mijn recht, mijn eer.'

Het ei van Columbus geeft een prachtig beeld van Columbus. Als een dichter zich zo in iemand kan inleven, moet hij wat met hem gemeen hebben, denk ik dan. Zowel Columbus' als Van der Plas' vader waren werkzaam in de textiel, maar dat zal wel niet de belangrijkste overeenkomst zijn. Ik kan me voorstellen dat Van der Plas het geloofsvertrouwen en de twijfel van Columbus herkent. Maar de sympathieke en geloofwaardige tekening van Columbus is niet de enige verdienste van deze bundel. De bundel is heel gevarieerd, doordat er verschillende personen aan het woord komen. De verschillende stemmen zijn niet alleen te herkennen aan hun woordgebruik, maar ook aan de verschillende versvormen. Een hoogtepunt in de bundel is het lange gedicht 'De zeldzame brief', over de 'lettera rarissima' die Columbus aan koningin Isabella schreef. Het is één lange, bittere klacht over alle teleurstellingen, gevaren en ellende die hij tijdens de laatste tocht ondervonden heeft. Tussen de woorden van Columbus door krijgen we te lezen hoe Isabella de brief leest en wat ze erbij denkt. De twee 'stemmen' in dit gedicht zingen een prachtig duet.

Nog verscheidene keren zal ik bladeren in De oevers bekennen kleur. Ik zal veel gedichten tegenkomen die ik 'wel mooi' vind. En in ieder geval zal deze bundel altijd het boek blijven waarin Het ei van Columbus opgenomen is. Iemand die dat kan schrijven, wil ik graag alle minder gelukte gedichten vergeven.