Posts tonen met het label Afgestoft. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Afgestoft. Alle posts tonen

vrijdag 3 juli 2026

Afgestoft: Signaleringen (2)

Nu ik wat aan het grasduinen ben in de korte besprekingen die ik schreef voor de rubriek 'Signaleringen' van het tijdschrift Liter valt me op dat die voornamelijk (of misschien wel alleen maar) gaan over gedichtenbundels. In een eerdere bijdrage veegde ik al vijf van deze korte besprekingen bij elkaar en nu heb ik er nog twee. Ze komen uit de derde jaargang Liter (2000), uit nummer 11 en 12. 

Religieuze Gezelle

Als de ziele luistert is een bloemlezing uit de religieuze gedichten van Guido Gezelle. Wie iets van Gezelle weet, zal veel bekends tegenkomen. Van ‘Gij badt op eenen berg alleen’ tot ‘Het schrijverke’ en ‘O! 't ruischen van het ranke riet.’ Dat geeft de poëzie in deze bundel meteen iets vertrouwds en dat is prettig.

Maar in een bundel van meer dan tweehonderd bladzijden staan natuurlijk ook veel gedichten die onbekender zijn, waarmee het aangenaam kennismaken is. Die mix van bekend en volstrekt onbekend maakt deze bloemlezing tot een boek waarin je blijft bladeren en lezen.

De bloemlezing voldoet aan de hoogste eisen die je aan een bloemlezing kunt stellen: een degelijke inleiding met daarin een goede verantwoording van de keuze, een heldere en doordachte opbouw, een goede keuze uit de gedichten en uitgebreide annotaties, die het lezen niet in de weg staan.

Piet Thomas verdeelde de bundel in tweeën: deel 1 (‘Biddenderwijs’) is gebedslyriek, deel 2 (‘Overwegen, mijmeren en belijden’) behelst wat de titel al aangeeft. De delen zijn weer verdeeld in rubrieken als: danken, smeken (deel 1) of De natuur en God en tijd, dood en eeuwigheid (deel 2). Het is maar een greep uit een groot aantal afdelingen.

Bij de keuze van de gedichten heeft Thomas in de eerste plaats naar kwaliteit gekeken. Verder overwoog hij in hoeverre een gedicht thans nog inlevingsmogelijkheden bood. Dat hij op die manier tot een goede keuze kwam, blijkt als je de bundel leest.

In de annotaties toont Thomas zich zeer deskundig. Hij schetst soms de aanleiding tot het gedicht, laat zien in welke context het gefunctioneerd heeft en is goed op de hoogte van de literatuur die erover verschenen is. In noten onder aan de bladzijden zijn woorden verklaard die voor de hedendaagse lezer problemen zouden kunnen opleveren.

Aan de bloemlezing is een cd toegevoegd, waarop Tine Ruysschaert een aantal gedichten leest, afgewisseld met harpmuziek. Dat maakt het helemaal compleet.

Als de ziele luistert is een kwalitatief bijzonder goede bloemlezing. Zo een als Gezelle verdient. 




Maria de Groot

In Brieven uit een hermitage nam Maria de Groot veel gedichten op die geïnspireerd zijn door een reis naar Noorwegen. Dat wordt al duidelijk uit titels als ‘Vikafjell’, ‘Utne’, ‘Het hert van Skjolden’ en ‘Hardangervidda’.

De gedichten geven niet alleen een beschrijving van de bezochte plaatsen, maar ook het verleden klinkt er duidelijk in door. Omdat ook oude Noorse goden als bijvoorbeeld Odin af en toe opduiken en er gerept wordt van onder andere offers en altaren, hebben de gedichten al gauw een mythologische sfeer. Ter illustratie het begin van ‘Rouwsteen’:

Ik gedenk je op de rotsenvidde,
voeg een rouwsteen toe aan de gelaagde
piramide die hier is gestapeld.

Neem mijn offer, schuif het niet terzijde,

[...].


Uit de gedichten spreekt de grote verlatenheid die aan het landschap eigen is. Grond met een geschiedenis, maar zonder de mensen nu. Tegelijkertijd is er een verbondenheid met die grond en is de verlatenheid eerder prettig dan beangstigend.

In de laatste (derde) afdeling is er sprake van een thuiskomst, waarbij het Nederlandse landschap mooi contrasteert met het Noorse:

De geur van nat gras,
de mais zet volle kolven,
nu vlucht de schaduw.


Bij de thuiskomst hoort blijkbaar ook het thuiskomen in het dichterschap, in de taal. De taal neemt zelfs de plaats in van de moeder.

In het slotgedicht vraagt de ‘ik’ zich af of ze in het gedicht zelfs de zoete geuren kan ruiken van ‘eyn sof’, een begrip uit de joodse Kabbala waarmee het Oneindige aangeduid wordt waaruit het geschapene ontvlamt.

Wat vorm betreft, is de bundel nogal divers. Naast vormvaste, bijna klassieke gedichten (sonnetten, een rondeel) staan vrijere verzen en haiku. De eerste soort bevalt mij wat beter dan de tweede, maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Ondanks de diversiteit is het De Groot toch gelukt om van de bundel een eenheid te maken. Ik denk dat dat te maken heeft met de toon die uit de hele bundel spreekt. De stem van de dichteres is in elk gedicht herkenbaar en dat is een verdienste. 

vrijdag 19 juni 2026

Afgestoft: Martien Beversluis

Al eerder heb ik hier bijdragen geplaatst die ooit verschenen zijn in de serie 'Onder het stof', in het blad Liter. Dit is de laatste uit het rijtje, al verscheen die indertijd als vierde, in Liter nr. 46, jaargang 10 (2007). 

De laatste bijdragen uit die reeks die afgestoft heb, zijn die over Niek Verhaagen  en Justus de Harduwijn. Onder het stuk over die laatste vind je de links naar de andere drie bijdragen, over H.W.J.M. Keuls, Joannes Reddingius en Willem Brandt. 

Met Martien Beversluis heb ik me lang beziggehouden. Ik heb nagenoeg al zijn werk, waaronder enkele manuscripten en een paar brieven. Het is een boeiend figuur, over wie de onvolprezen Lo van Driel een biografie geschreven heeft. Daarin corrigeerde hij wat ik in onderstaand stukje schrijf: het meisje dat daarin voorkomt heette niet Anmuth, maar Almuth. Goed dat hij dat gecorrigeerd heeft. Ik moest vertrouwen op mijn geheugen en dat bleek weer eens niet helemaal nauwkeurig. 

Hier schreef ik over de biografie, Het ongerijmde leven van Martien Beversluis. 

Het portret van Beversluis is gemaakt door Herman Gouwe. Het werd afgedrukt voor in de bundel Canzonen (1925).



Portret van Martien Beversluis door Herman Gouwe



Onder het stof 4
Martien Beversluis (Barendrecht 1894-Veere? 1966)

Het kleine gebed op de binnenplaats

O! Heer! Behoed voor Uw geweld
mijn hart, een scheefstaand cherubijntje,
dat in de schaduw overhelt
op het verlaten binnenpleintje -
De plooien van mijn kleed en beî
mijn vleugels, door het stage droppen
der zeven zonden boven mij
gestort uit even zoveel koppen,
zijn weggewist en afgebrokkeld;
Mijn handen, eens tot vrome nis,
door wind en water grauw betokkeld,
vangen bederf en droefenis.
O Heer, mijn hart half opgericht,
bij 't ingebladerde fonteintje,
hef het weer op en zend het licht
nog eenmaal op dit binnenpleintje.
Amen!


Dit kleine gebed is een van de weinige gedichten van Martien Beversluis die, wat mij betreft, de tijd hebben doorstaan. Veel van wat Beversluis ooit schreef is onleesbaar geworden. Te veel techniek, te weinig bezieling, te veel geronk vooral. En ook in dit gedicht storen mij de drie nadrukkelijke uitroeptekens. Maar verder vind ik het een mooi, ingehouden gedicht.

Het is te vinden aan het slot van de bundel Chimera's, die verscheen in 1937, een tijd dat Beversluis net was gaan staan in de christelijke hoek. Hij zou in zijn leven verscheidene keren van hoek wisselen, alsof het hem niet uitmaakte waar hij bij hoorde; socialist, communist, nationaal socialist. Wie zal zeggen waarom hij zo met alle winden meewaaide? Het zou mij niet verbazen als uiteindelijk alleen de kans op applaus zijn richting bepaalde. Hij was een ijdele man, die zich graag liet bejubelen.

En hij is in zijn leven genoeg bejubeld. Samen met Henriëtte Roland Holst stond hij op het podium van het Concertgebouw om zijn gedichten voor te lezen. Zijn poëzie sloeg beter aan dan die van tante Jet, die voor de arbeiders toch wat moeilijk was. ‘Martien! Martien!’ riepen ze als Beversluis verscheen en dan deed hij zijn armen omhoog. Tenminste, als ik Beversluis' tweede vrouw, Johanna Verstraete, mag geloven.

Achter in de zaal stond politie, die kwam luisteren of Beversluis geen verboden gedichten voorlas. De regering was immers bepaald niet gecharmeerd van de gedichten in bijvoorbeeld de bundel Verzamelen (1935). Het eerste gedicht uit de bundel is rechtstreeks gericht aan de minister van Justitie. Drie bladzijden lang houdt Beversluis een vurige toespraak. Halverwege het gedicht zegt hij:

Minister! Men neemt in de laatste tijd
een loopje hier met de gerechtigheid.
Men houdt met Gestapo en Hitlertrawanten
een drijfjacht op hulploze emigranten.
Men gunt ze geen vrijheid, asiel en verblijf.
Uw dienaren slaan hen en vloeken hen stijf.
Minister van Schaik! Mijnheer Excellentie!
Ik vraag niet uw gunst, noch uw hoge clementie.
Ik eis in de naam der Justitie, die gij zijt,
hun Vrijheid!!


‘Daar komt-ie!’ riep Beversluis, en hij las het gedicht voor, terwijl de arbeiders de politieagenten tegenhielden, die zich naar het podium probeerden te worstelen. Nogmaals: volgens Johanna Verstraete.

Verzamelen is een eenvoudige bundel, maar de gedichten gloeien van het protest dat erin doorklinkt. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het feit dat in verschillende neutrale en christelijke kookscholen in de grote steden cursussen gegeven werden aan de arbeidersvrouwen. Op advies van de geneeskundige dienst werd hun daar geleerd hoe ze van viskoppen nog voedsel konden fabriceren. Het bracht Beversluis tot een woedend gedicht dat eindigde met:

Mis! Mis! Helemaal mis
is de proleet die daar zoet mee is.
Jij slechts de graten, de kop of de staart?
Open de kast waar de kuit is bewaard!
Eeuwenlang nemen de dieven de moten!
Wring ze de hom en de zooi uit de poten!

Vis! Vis! Boter bij de vis!
En de uitvreters naar de verdoemenis.


Het lijkt of er een idealist aan het woord is, een man die ergens voor stáát. Misschien is dat ook wel zo, maar voor hoe lang? Beversluis kon zo'n ‘links’ gedicht schrijven, hij werd ontslagen bij de Vara, onder andere omdat hij niet gematigd genoeg was, hij stapte over naar de communisten, omdat de socialisten hem niet ver genoeg gingen. Maar hij zou net zo gemakkelijk meedraaien in De nieuwe Gids toen die al volstrekt fout was, hij zou met plezier NSB-burgemeester van Veere worden en, wellicht met enige trots, het boek Wij zagen den Führer vertalen, waarin foto's staan waarop Hitler zo leuk met kinderen omgaat.

Tijdens de bezetting ging Beversluis om met SS-officieren. Een ervan had zijn hele gezin naar Zeeland over laten komen. Toen diens dochtertje stierf aan tuberculose, schreef Beversluis gedichten die uitgedeeld werden op de begrafenis: ‘Für Anmuth’. Johanna Verstraete toonde ze mij ooit, maar na haar dood vond ik ze niet terug in de nalatenschap die naar het Letterkundig Museum ging. Blijkbaar achtte de familie het raadzaam de boel te zuiveren.

Noem de naam Beversluis en je krijgt als reactie dat dat een foute dichter was. Terecht natuurlijk. Maar wie kent zijn poëzie nog? In 1920 debuteerde Beversluis met Zwerversweelde en twee jaar later verscheen de bundel Verzen. J.A. Rispens noemde deze gedichten ‘verzen, die door eenvoud, zuiverheid van gevoel en plastische kracht, vermelding verdienen.’ Over gedichten uit de bundel Canzonen schreef hij zelfs: ‘Hier doet Beversluis in genen dele voor de beste dichters der Beweging onder.’

Ach ja, het zijn wel charmante natuurgedichten waarmee Beversluis zijn dichtersloopbaan begon. Maar veel meer dan schouderophalen zal een lezer niet kunnen opbrengen als hij leest:

In de effen schoot der velden
liggen plekkend drom bij drom
bruingedorde bospartijen
in de weggefijnde zije,
nevel van de morgenzon.


Als er nog literatuurgeschiedenis binnen het voortgezet onderwijs zou bestaan, zou een docent het kunnen gebruiken als illustratie bij epigonen van Tachtig, maar dan houdt het wel zo ongeveer op.

De bundels Canzonen (1925) en De bellenblazer (1929) herinnerde ik mij als de beste van Beversluis' hand, maar bij het opnieuw doorbladeren blijkt het toch lastig iets citeerbaars te vinden. Waarschijnlijk zijn het wel de laatste bundels waarin de dichter zijn gedichten schreef om de gedichten en niet met een of ander ‘hoger’ ideaal voor ogen. Na gedichten die het pacifisme uit moesten dragen of die de arbeidersstrijd mee moesten strijden, gedichten die vaderlandsliefde moesten preken en wat al niet meer, keerde hij nog in de oorlog terug naar de natuurlyriek, met bundels als Uit de wijdte en Het zaad (beide 1943).

De eerste bundel opent met ‘Gevallen koren’.

De slaande nanacht drukte diep haar sporen
met loden regen in 't bezwaard gewas.
En wijd en zijd ligt het verstruikeld koren,
gevallen terwe en vervlegeld vlas.


Niet eens een onaardige strofe, maar verderop zakt het gedicht helemaal in en ik heb de verdenking dat ook niet elke zin grammaticaal helemaal klopt. Haastwerk, blijkt uit het manuscript. Beversluis schreef de hele bundel (veertig gedichten) in veertien dagen. Geen wonder dat hij zo'n rij titels op zijn naam kon krijgen. Ik schat zijn werk op zeker een meter kastplank, wat voor een dichter ongewoon veel is.

Na de oorlog stonden de uitgevers natuurlijk niet op Beversluis te wachten, waardoor hij veel in eigen beheer moest uitgeven. Nog steeds had hij een kring bewonderaars. Jonge dichters kwamen bij hem aan huis en misschien hebben ze eerbiedig geluisterd naar wat de meester te vertellen had. Ook in Vlaanderen schijnt hij lang populair gebleven te zijn.

Aan het einde van zijn leven vond Beversluis onderdak bij Callenbach. In de jaren zestig kon hij daar nog drie bundeltjes kwijt: De kinkhoorn, Kruisbogen en Doorzichten. Doorsneepoëzie die je vindt in doorsneebundeltjes in antiquariaten. De gedichten zijn vergeten en dat moet maar zo blijven.

Beversluis stierf in 1966. Zijn weduwe bleef nog jaren wonen in Veere, in het huis dat ze De Veste hadden genoemd. Toen stierf ook zij. Soms kom ik haar schrijversnaam nog tegen als ik in een boekenstalletje ineens Jikkemien van Dignate Robbertz in mijn hand houd. Maar als ik het boek wegleg, is ook de schrijfster weg.

dinsdag 9 juni 2026

Afgestoft: Niek Verhaagen

Eigenlijk zou ik vandaag een recensie plaatsen. Die is ook af, maar het illustratiemateriaal erbij is niet van goede kwaliteit. Ik heb de uitgever gemaild om andere plaatjes, maar die zijn nog niet binnen. 

Daarom stof ik een oud stuk af. Weer een bijdrage in de reeks 'Onder het stof', die ik schreef voor Liter. Deze stond in Liter nr. 48, jaargang 10 (2007). Het was de zesde aflevering in de reeks. Er stond bij 'Met dank aan Dirk Zwart', al staat mij na zoveel jaar niet meer bij waarom ik Dirk dankbaar moest zijn. 

Niek Verhaagen is intussen nagenoeg verdwenen. Dat is jammer, want hij schreef aardig werk. Gelukkig is er intussen wel een boek over hem, geschreven door Lo van Driel. Dat boek wil ik zeer aanbevelen. Ik besprak het hier

De laatste keer dat ik iets uit deze reeks hier plaatste was de bijdrage over Justus de Harduwijn. Onder aan die bijdrage vind je nog enkele links naar de eerder geplaatste afleveringen. 

Onder het stof 6
Niek Verhaagen (Delft 1915-Turijn 1948)



Avondmaal

Hij heeft onhandig naar het brood gegrepen
en hield de beker te krampachtig vast.
Toen telde hij verstrooid de schaduwstrepen
der zilvren broodschaal op het wit damast.

Hij dacht er aan een kleine slok te nemen
omdat een grote hier toch ook niet past,
keek toen terzij naar mooie meisjesbenen
en dronk en zocht zijn zakdoek op de tast...

Zo zat hij bij U aan het avondmaal.
Hij zag het tafelkleed, het brood, de beker,
hij at, hij dronk, maar hij zag U voorbij.

En ik zat rechts van hem en schoof de schaal
hem haastig toe en keek, want ik was zeker
van een verwantschap tussen hem en mij.


Soms noemt iemand een dichter van wie ik niets gelezen heb, maar wiens naam mij nog bekend voorkomt. Andere dichters zijn zo ver weg gezakt in het stof van de tijd dat hun naam de naam van ieder ander had kunnen zijn; van een bakker in Dedemsvaart, een fietsenmaker in Andelst of een petroleumboer in Zaamslag. Niek Verhaagen - zijn naam leek al bij zijn leven niet in de hoofden van mensen te willen blijven hangen. Op zijn bundel De verboden vrucht (clandestien verschenen in 1943) staat op de voorkant de naam correct geschreven. Op het titelblad staat ‘Verhagen’, met slechts één ‘a’ dus.

Ook de redactie van het blad Het korenland kon de juiste spelling van de naam blijkbaar maar niet onthouden. In de laatste twee jaargangen (1937 en 1938) verschijnt vier keer een gedicht van hem, ondertekend met ‘Niek Verhagen’. In die jaargangen gaat het overigens ook zes keer goed en krijgt de dichter gewoon de dubbele ‘a’ in zijn naam.

‘Avondmaal’ is niet zo'n heel goed gedicht. Het is in de onvoltooid verleden tijd geschreven, behalve in regel 1. Een reden lijkt daar niet voor te zijn.

In de tweede strofe lijkt de verteller in het hoofd van de avondmaalganger te kunnen kijken en dus te weten waaraan hij denkt. Maar aan het eind van het gedicht blijkt dat de man juist alleen van buiten af wordt geobserveerd.

De derde strofe is waarschijnlijk de zwakste van het gedicht. Tafelkleed, brood, beker, drinken en eten worden nog eens herhaald en daarna komt het uitleggerige ‘maar hij zag U voorbij’, dat zo'n beetje alles doodslaat.

In de laatste strofe is er dan nog een aardige verspringing van de man aan de avondmaalstafel naar de ‘ik’, maar eigenlijk vind ik het slap dat de dichter die omweg nodig heeft, dat hij niet meteen de ‘ik’ introduceert en hem de beker krampachtig vast laat houden en naar de meisjesbenen laat kijken.

C. Rijnsdorp schrijft in In drie etappen dat de poëzie van Niek Verhaagen een klasse apart vormt, ‘niet zozeer om de kwaliteit als om de toon’ en die toon is ook de reden dat ik dit gedicht heb geciteerd.

In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse. Nog steeds wordt wel gesproken over het heilig avondmaal en in sommige kerken is het ronduit een zwaar onderwerp, maar Verhaagen toont ons een gewone man, die naar de schaduw op het witte kleed kijkt en naar zijn zakdoek zoekt. Niks sacraals, niks gewichtigs, niks eerbiedigs, niks beschroomds.

Het gedicht komt uit Verhaagens laatste bundel, Stukwerk (1946), en het zou kunnen zijn dat het in die tijd in het christelijke wereldje toch enigszins gedurfd was om op deze manier over het avondmaal te schrijven.

Verhaagen hield ervan om de kerk en het geloof terug te brengen tot het alledaagse. In dezelfde bundel schreef hij het volgende kwatrijn:


De verdoolde

Ik ben de kerk ontvlucht, want onze predikant
heeft naast zijn gouden ring geen spatter aan de hand.
Maar zie ik door de weeks zijn blonde dochter rijpen
dan neem ik mij weer voor hem beter te begrijpen.


‘Avondmaal’ is een deemoedig gedicht. De ‘ik’ voelt zich verwant met de man die wel het brood eet en de wijn drinkt, maar met zijn hoofd niet bij God is. In de laatste strofe zou men wat schuldgevoel kunnen lezen. Dat doet denken aan een gedicht in zijn debuutbundel, Kort traject (1939):


Gebed in de morgendienst

Heer, deze predikant die psalmen leest
is in de week ver van U weg geweest.
En wij, vanmorgen Uw verdwaalde schapen,
toonden wel ánders dan zo'n blatend beest...
Vergeef ons allen, Heer! maar mij het meest.


En in Stukwerk komt nog een uitdrukkelijke zelfbeschuldiging voor, in het sonnet ‘Kerstmis 1939’: ‘Niet Hitler, Stalin, Chamberlain, maar ik / heb Christus van dit werelddeel verdreven.’ Ik heb het gedicht enkele keren geciteerd gezien en wellicht is het een van de bekendere gedichten van Verhaagen geweest. In de verte doet het denken aan ‘'t En zijn de Joden niet Heer Jesu die u kruisten’ van Revius. Maar ik heb mijn twijfels bij Verhaagen. De vergelijking van de ‘ik’ met de groten der wereld is te grotesk, niet geloofwaardig. De dichter slaat zich net iets te hard vol schuldgevoel op de borst. Het lijkt allemaal zo deemoedig, maar de ‘ik’ plaatst zichzelf wel in het middelpunt en het vers begint wat te ronken.

Heeft dat met de oorlog als onderwerp te maken? Op zijn eerste en zijn laatste bundel na verscheen het hele werk van Verhaagen in de oorlog. De verboden vrucht in 1941, De Hollandse bruiloft in 1942, En zij zagen dat zij naakt waren nog een jaar later. Het waren clandestiene uitgaven. Blijkbaar heeft Verhaagen geweigerd zich aan te melden bij de Nederlandsche Kultuurkamer.

In het voorjaar van 1945 verscheen bij De Bezige Bij de bundel De laatste Adam, die Verhaagen publiceerde onder het pseudoniem Antonie Lems. Het zijn bepaald niet zijn beste gedichten. Verhaagen zet ze vaak behoorlijk vet aan: ‘Wanneer ik uitzie over stad en gracht / naar de verwoeste huizen, die nog roken, / weet ik mijn droom van gisteren gebroken / in de geweldsorgie van deze nacht [...]’.

Ook in deze bundel roept Verhaagen luid: ‘Ik ellendig mens’: ‘als [...] Gij Uw walging voor het mensenras / in bommen naar de aarde hebt gezonden, // waarom mij, even zondig, uitgezonderd / en laten leven tussen steen en as?...’

Het geronk van deze gedichten overstemt dat der bommenwerpers. Vooral als je weet dat Verhaagens stad in de oorlog gespaard is gebleven. Een gebombardeerde stad was blijkbaar een mooi dramatisch decor voor zijn gedichten.

Maar gelukkig heeft Verhaagen in veel andere gedichten, in andere bundels, een andere toon. Verscheidene gedichten drijven op een wat weemoedige ironie en hij moet ook uitgesproken hilarische verzen hebben geschreven. Ab Visser vertelt in ‘Klein mausoleum’ dat Verhaagen hem in dagen van verdriet opbeurde met cadeautjes, ‘verpakt in de allerzotste troostverzen’. En in een ‘in memoriam’ in het blad Ontmoeting schrijft Heeroma dat hij altijd met veel genoegen de gedichten en brieven van Verhaagen las. Een bezoek van of aan hem ‘kon daarentegen wel eens vervelend worden’. Ook Heeroma schrijft over Verhaagens humor: ‘De humor kon hem tot op zekere hoogte redden, maar hij slaagde er ook al weer niet in de humor zo te verdiepen dat deze de vormgeving van het hele leven en het hele dichterschap kon dragen.’
Deze foto stond bij de publicatie in Liter


Heeroma gold als mentor van veel jonge protestantse dichters. In zijn huis ontmoette Ab Visser voor het eerst Niek Verhaagen. ‘Hij was klein van stuk, aan de gezette kant en blond’, constateerde Visser.

Die eerste ontmoeting was in de mobilisatiewinter van 1939. Verhaagen schreef toen al een tijd. In 1934 of 1935 sloot hij zich aan bij de ‘Christelijk-letterkundige kring te Delft’. Heeroma leerde hem daar kennen. Hij zag hem spelen in Vondels Joseph in Dothan en Adam in ballingschap. ‘Zijn gestalte uit die tijd staat mij het duidelijkst voor ogen in de transformatie van de aartsengel Gabriël, iets te klein, maar zeer beminnelijk.’

Volgens Heeroma zorgde Verhaagens contact met een ‘Christelijk-idealistische jeugdgroep, de Christen Jongeren Bond,’ ervoor dat Verhaagen ‘een radicale, profetische levenshouding’ aannam. In de debuutbundel Kort traject (1939) wordt meteen duidelijk dat Verhaagen een christelijk dichter wil zijn. Bij vier van de eerste vijf gedichten verwijzen de titels nadrukkelijk naar de Bijbel: ‘Jozef bij het kruis’, ‘Het kerstkind’, ‘Als Mozes’ en ‘Als Petrus’ en ook in andere gedichten komt het geloof of het gebrek daaraan naar voren.

Maar er zijn ook gedichten die juist over dagelijkse werkelijkheid gaan, die veel concreter zijn en die naar mijn gevoel een persoonlijker toon hebben. De eerste strofe van ‘Ik ben een schrijver...’ luidt:

Ik ben een schrijver op een klein kantoor
van 's morgens acht, met één uur middageten,
tot 's avonds zes en schrijf aan één stuk door
en tel mijn broeken op kantoorkrukken versleten.


Misschien zit in zo'n gedicht de humor waar Heeroma op doelt, de humor die de dichter niet helemaal zou kunnen redden. Heeroma noemt het in verband met de spanning tussen het leven dat de dichter in werkelijkheid leidde en dat hij zou willen leiden.

Verhaagen trouwde in de oorlog en kreeg een baantje als ambtenaar, schrijver tweede klasse. In 1945 publiceerde hij de korte roman Zonruiter, schrijver tweede klasse, geschreven in december 1943-januari 1944. ‘Sympathiek, maar zwak’, oordeelde Ab Visser. Heeroma ziet in de roman het conflict terug in het leven van Verhaagen: de man die dichter wil zijn, maar zich moet onderwerpen aan de slavernij van het werk, die gefnuikt wordt door zijn huwelijk, zijn vaderschap. Het is comfortabel om werk te hebben, getrouwd te zijn, vader te zijn, maar de onvrede blijft, omdat hij weet dat hij niet doet wat hij werkelijk wil doen.

In Kort traject komt het dorre ambtenarenbestaan vaker terug. ‘Collega x en ex’ opent met:

Men zegt dat hij een dwaas is, want hij dicht,
terwijl hij toch moest werken voor een akte.
En zijn collega x - die nimmer zakte -
stijgt jaarlijks in salaris en gewicht.


In De verboden vrucht is er ook een gedicht over een kantoorbediende. Het begint met:

Ik heb verachting voor de folianten
en maak grimassen als de baas niet kijkt,
knoei in de lijsten die ik vergelijk
en kreuk geestdriftig rekening-couranten.


De man blijkt het baantje toch aan te houden, omdat hij verliefd is op de dochter van de baas. Zoals in het eerder geciteerde kwatrijn iemand in de kerk blijft komen omdat hij het prettig vindt om naar de blonde dochter van de dominee te kijken. In Zonruiter wordt de hoofdpersoon uiteindelijk ontslagen omdat hij onder werktijd wordt betrapt als hij scharrelt met een vrouwelijke collega.

Verhaagen heeft zijn ambtenarenbaantje uiteindelijk opgegeven om van de pen te gaan leven. Maar er moet wel brood op de plank komen en daarom werd hij journalist. ‘Schrijver zoveelste klasse in een krant’, volgens Heeroma. Het lijkt erop dat Verhaagen er niet echt mee opgeschoten is. Het nieuwe baantje vergde nog meer tijd van hem dan het oude, weet Ab Visser.

In ‘Avondmaal’ glimmen onder de tafel de meisjesbenen. Verhaagen liet de erotiek in zijn gedichten toe, wat misschien in die tijd en in die kring toch bijzonder was. In de bundels De verboden vrucht en En zij zagen dat zij naakt waren ontloopt hij het beschrijven van de lichamelijke liefde niet. Niet altijd even geslaagd, niet altijd even subtiel: ‘Dan, onverwacht, strek ik mijn handen uit / en maak haar boezem, stevig bolwerk, buit.’ Maar er zijn gedichten bij die langer blijven hangen, niet briljant, maar op zijn minst heel aardig.

Abisag bij David [I]

Omdat geen kleed hem warmen kon, moet ik
nu bij hem liggen, maar ik vrees zijn handen
die koud als marmer aan mijn borsten branden
en die mijn hals betasten tot ik stik.

De aderen zijn rozerood en dik
en als hij mij omknelt, dan gruw ik van de
bijtende haren en de zwarte tanden
en van zijn grondeloze, harde blik.

Soms bid ik vurig: Here, laat hem sterven!
Ik wil niet bij hem slapen, ik wil niet
dat hij mijn jonge lichaam zal bederven.

Maar God vergeet mij en een rillend riet,
zo lig ik in zijn armen, die mij kérven,
mij weerloos schaap, dat men hem slachten liet.


Goed, dat ‘koud als marmer’ is een cliché en David wordt wel erg afschrikwekkend gemaakt met die ‘bijtende’ haren en dat zwarte gebit en ook dat ‘kerven’, met een accent, is overdreven, maar het gegeven uit de Bijbel wordt wel op een originele manier behandeld.

In het tweede gedicht in de cyclus is David in het begin nog steeds onaantrekkelijk, maar aan het eind van het gedicht is hij mild en begripvol:

Mijn boezem is Hachíla, mijn gezicht
Gilboa - daar is Jonathan gestorven...
Ach! drukt hij daarom steeds mijn ógen dicht?


Verhaagen is niet oud geworden. Ab Visser vertelt dat hij al eerder verkondigde dat hij de veertig niet zou halen en dat Visser dat aanstellerig vond klinken voor iemand die lichamelijk niets leek te mankeren. In 1948 ging Verhaagen op vakantie bij vrienden in Turijn. Hij werd getroffen door een hersenbloeding en overleed. De krant waarvoor hij schreef meldde in een ‘kort bericht’ dat ‘de journalist N. Verhaagen’ was overleden. Laten wij niet de journalist, maar de dichter gedenken. Al is het maar voor even.

vrijdag 5 juni 2026

Afgestoft: Justus de Harduwijn

Ooit verzorgde ik in Liter een soort vaste rubriek: 'Onder het stof', waarin ik aandacht besteedde aan dichters die min of meer vergeten waren. Enkele afleveringen van die rubriek heb ik al eerder afgestoft. De links vind je onderaan. 

De rubriek heeft niet heel lang bestaan: zes afleveringen lang. Vandaag stof ik er eentje af. Na deze zal ik nog die over Niek Verhaagen en die over Martien Beversluis plaatsen.

Ik mocht de stukken vrij losjes schrijven, al heb ik nooit zomaar wat over de dichters beweerd. Wel had ik mijn bronnen explicieter kunnen maken, denk ik nu. Blijkbaar vond ik dat toen niet zo belangrijk (en de redactie ook niet) en waarschijnlijk hoopte ik alleen maar dat anderen het werk van de vergeten dichters zouden gaan lezen. 

Terwijl ik dit typ, vraag ik me af of dat wel klopt. Toen ik het werk van deze dichters ging herlezen bleef er bij sommigen toch weinig over. Ze waren niet voor niets vergeten. Maar dat was niet het geval bij de eerste in de reeks, Justus de Harduwijn. Het stukje stond in  Liter nr. 37, jaargang 8 (2005). De bundel van De Harduwijn staat in zijn geheel op DBNL.


Een groot deel van onze literatuurgeschiedenis bestaat uit namen. Sommige namen kent bijna iedereen, maar dat wil niet zeggen dat het werk van deze schrijvers ook gelezen wordt. Wie leest nog de sonnetten van Kloos? Wie heeft een bundel Vondel op zijn nachtkastje liggen? Wie kan drie gedichten van Bilderdijk reciteren? Hun werk is vindbaar, maar het wordt nog maar weinig gelezen.

Er zijn dichters die intussen zover onder het stof terechtgekomen zijn, dat zelfs hun namen door velen vergeten zijn. Justus de Harduwijn, Joannes Reddingius, H.W.J.M. Keuls, bijvoorbeeld. Van enkele van die dichters wil ik in deze rubriek het stof af blazen.

Sonnet V

't En is de blondheid niet van uw gestruiveld haar,
't en is uw voorhoofd niet zo matig opgerezen,
't en is uw windbrauw niet, noch uwen mond geprezen,
en vieriglijk aanbeên van zo menig minnaar;

't en zijn uw lipkens niet, die elkeneen voorwaar
wonden als 't hen gelieft, en wederom genezen;
't en zijn uw deugden niet, noch uw bevallig wezen,
noch het toov'rig gelaat dat in u schijnt eenpaar;

't en zijn uw wangen niet, met purperrood begoten;
't en zijn die perels niet, in uwen mond gesloten;
't en is uw tale niet, nochtans als heunig zoet;

maar 'tgene dat mijn jeugd als een blad komt verdrogen,
en jongjarig hert van binnen branden doet,
en is anderszins niet, dan 't raaisel uwer ogen.

Justus de Harduwijn


Eind jaren tachtig fietste ik dagelijks naar en van mijn werk, twee keer een uur. Ik kortte de tijd met lezen tijdens het fietsen. Het is even wennen, maar als je de witte streep van het fietspad onder de punt van je boek door laat glijden, is het te doen. Tijdens die fietstochten las ik veel poëzie; korte zinnen, waarvan je nog eens kunt opkijken. Een van de dichters die ik toen las, was Justus de Harduwijn, die toen al driehonderdvijftig jaar dood was, maar al die jaren vielen weg en zijn stem klonk nog glashelder.  

Justus de Harduwijn werd geboren op 11 april 1582 in Gent, in een intellectuele en kunstzinnige omgeving. Zo was zijn vader (François) bevriend met een van de eerste renaissancedichters uit onze literatuurgeschiedenis, jonker Jan van der Noot. Justus erfde van een oom een rijke bibliotheek, en een andere oom (Maximiliaan de Vriendt) stimuleerde hem en wees hem de weg naar het humanisme. De Vriendt liet hem onder anderen Petrarca lezen en Justus' vader bracht hem op de hoogte van de nieuwe poëziestromingen in Frankrijk (de Pleiadedichters).

Met de elite van de jeugd werd Justus onderwezen door de jezuïeten. In 1600 ging hij naar Leuven om daar de beide rechten te gaan studeren.

In 1607 werd De Harduwijn tot priester gewijd en aan het eind van dat jaar werd hij benoemd tot pastoor van Oudegem en Mespelaar (bij Dendermonde). In 1613 verscheen anoniem zijn eerste bundel: De weerliicke (wereldlijke) Liefden tot Roose-Mond. De gedichten waren waarschijnlijk al een decennium eerder geschreven, maar De Harduwijn had ze tot die tijd niet uit willen geven. De hoogleraar Erycius Puteanus, factor van de rederijkerskamer in Aalst, was ervan overtuigd dat de gedichten van De Harduwijn belangwekkend waren en samen met enkele literaire vrienden van de dichter, kreeg hij hem zover dat hij zijn poëzie uit handen gaf.
             
   
De weerliicke Liefden tot Roosemond
bestaat uit een krans van vijftig sonnetten met daar tussendoor enkele liedjes, oden en elegieën gevlochten. De bundel toont ons de opbloei en het verbloeien van een liefde. Het is de eerste bundel in het Nederlands die op die manier gecomponeerd is.

Wie het bovenstaande gedicht leest, merkt dat De Harduwijns gedicht nog niet in zuivere jamben is geschreven, maar hij hanteert het metrum al veel soepeler dan bijvoorbeeld Van der Noot. In navolging van Petrarca benoemt hij allerlei schone onderdelen van zijn geliefde Rozemond, waarbij vooral het hoofd uitgebreid aandacht krijgt: haar, voorhoofd, wenkbrauw, mond, wangen, tanden. Het mooie is dat De Harduwijn al deze schoonheden noemt, maar ze aan het eind van het gedicht weer relativeert. Al die dingen vallen in het niet bij ‘het raaisel uwer ogen’.

Het stralen van Rozemonds ogen maakt zo'n indruk op de dichter dat de rest erbij verbleekt.

In het sonnet ervoor had hij nog geschreven hoe juist het haar, de tanden, de lippen enzovoort hem duizendmaal per dag deden ‘hersterven en herleven’:

O blond-gestruiveld haar! Haar dat de zon beraait,
dat mijn jongjarig hert houdt zo strange bevangen!
O tanden van ivoor! O sneeuwwittige wangen,
die 't pinseel van Apell' met purper heeft verfraaid!
[...]

Rozemonds ogen moeten iets bijzonders geweest zijn. Maar liefst zesenzestig maal noemt De Harduwijn ze in zijn gedichten. Maar ze laten slechts zijn jeugd verdrogen en zijn hart branden, want blijkbaar moet Rozemond niet veel van de dichter hebben. In een ‘klachtdicht’ schrijft De Harduwijn dan ook ‘Schoonheid zeer zoet in 't oog, bitter nochtans in 't hart.’ Zijn aanbedene zal het geschenk dat hij haar met nieuwjaar aanbood, dan ook niet aangenomen hebben:

Heden, als elk zijn lief met giften gaat vereren,
schenk ik u voor nieuwjaar mijn herte, Rozemond.
(Sonnet XLI)


Velen, vooral uit de omgeving van Harduwijn, hebben gesuggereerd dat het hele Rozemondverhaal maar een literair spel is, misschien om de priester De Harduwijn uit de wind te houden. Het zou liefde zonder liefde zijn, amor sine amor. Ik geloof er niets van. Het hart van de dichter klopt er voor mij nog zo duidelijk hoorbaar in, dat niemand mij wijsmaakt dat het maar papier is, dat het maar letters zijn. Voor mij is het allemaal waar, of het nu echt gebeurd is of niet.

Met de Rozemondbundel liep het bijna even triest af als met de liefde van de dichter. Even als later Luyken zou doen, herriep De Harduwijn zijn bundel, nam exemplaren in en vernietigde ze. Hij nam uitdrukkelijk afstand van zijn ‘Venus gejanksel’. Daarna zou hij nog alleen geestelijke poëzie schrijven (die trouwens ook van hoog niveau zou zijn). Lange tijd waren daardoor de liefdesgedichten onvindbaar. In de zevendelige literatuurgeschiedenis van G. Kalff, waarvan het laatste deel in 1912 verscheen, wordt De Harduwijn niet eens genoemd. Pas in 1913 dook het tot nu toe enige bekende exemplaar van het Rozemondbundeltje op. Nog in 1972 volgde een tweede druk van een heruitgave en Komrij gunde De Harduwijn in zijn bloemlezing acht gedichten, waarvan zeven uit Rozemond. Het heeft niet geholpen, vrees ik.

Eerder plaatste ik hier de afleveringen over:



vrijdag 22 mei 2026

Afgestoft: Klaagliedjes (Judith Herzberg)

Maar weer eens een poëzierecensie afgestoft. Het is de recensie van Klaagliedjes van Judith Herzberg uit Liter nr. 66, jaargang 15 (2012). Zo heel veel heb ik trouwens niet gedaan aan het afstoffen. Alle citaten uit de gedichten stonden in de oorspronkelijke recensie weergeven als de rest van de tekst, met slashes op de plaats waar een volgende regel begon. Dat kwam waarschijnlijk omdat ik toen de gedichten niet in hun oorspronkelijke vorm kon/mocht citeren. 

Hier heb ik de zinnen weer onder elkaar geplaatst. Waarschijnlijk zijn het maar plukjes uit gedichten en had ik dat strikt genomen aan moeten geven met (...). Dat heb ik niet gedaan, maar ik vermeld het hier. 

Klaagliedjes gaat over een rouwende vrouw, maar ook over een verwoeste stad. Tussen 2012 en nu zijn er heel wat steden verwoest en zijn er heel wat rouwende mensen bij gekomen. De bundel zal wel altijd actueel blijven, vrees ik. 


Ach bed, ach straat


Veertig jaar geleden publiceerde Judith Herzberg 27 liefdesliedjes, een bundel gedichten die geïnspireerd waren op het Bijbelboek Hooglied. In de gedichten bleef ze dicht bij de Bijbeltekst. Van gedicht tot gedicht kon je de corresponderende teksten in de Bijbel aanwijzen.

Nu is er de bundel Klaagliedjes, die ontstond nadat de componist Boudewijn Tarenskeen aan Herzberg vroeg een tekst te schrijven voor een muziekstuk dat gebaseerd was op de Klaagliederen.

Die Bijbelse Klaagliederen zijn eigenlijk alleen in de eerste gedichten herkenbaar. In het eerste hoofdstuk van het Bijbelboek wordt de stad Jeruzalem vergeleken met een weduwe. Herzberg keert de zaken om: de hele bundel door toont ze een treurende vrouw, die ze vergelijkt met een verwoeste stad: ‘Als een vernielde stad die ooit vol pracht / en leven was, zit zij daar, verloren, armlastig.’ Daarmee is Klaagliedjes een bundel over rouw geworden.

Het is nog niet zo gemakkelijk om die rouw te verwoorden. De weduwe moet voor de rouw nog een taal leren. De woorden die ze kent, zoals ‘diep verdriet’ voldoen niet. Het is ook nieuw voor haar dat er een verdriet is waaraan ze geen einde ziet.

Fraai is het gedicht waarin de vrouw het huis tekent: 
De ramen hangen scheef 
in de gerimpelde kozijnen, 
ze zijn beslagen, één veeg 
en je ziet weer even 
wat zien had kunnen zijn.
Natuurlijk verandert het huis als de geliefde er nooit meer kan zijn, maar tegelijk heb je het idee dat de rouwende vrouw zelf dat huis wordt, met de klemmende of kierende deuren, een woning waarin niets meer precies past.

Behalve op de Bijbel gaat Klaagliedjes terug op A mind of my own: my life with Robert Maxwell, van Elizabeth Maxwell. Robert Maxwell was een gevluchte Tsjech, die in Engeland lid van het Lagerhuis werd en een media-imperium opbouwde, dat na zijn dood ineenstortte. In verschillende gedichten in Herzbergs bundel is er een Maxwell-achtige overledene terug te vinden: 
Zijn fondsen bleven rijzen 
er kwamen huizen, fabrieken 
paleizen, of het fortuin 
vrijwillig aan hem kleefde.
In die gedichten zie je een weduwe die haar overleden man niet idealiseert, maar wel solidair met hem blijft: 
Bij hem moest “geven” groots,
en met aplomb, galmend
in alle kranten staan.

Ik snapte dat.

Maxwell werd na zijn dood wel van fraude en corruptie beticht. Herzberg schrijft: 
Corruptie vind ik een vulgair begrip
ik houd het liever op
verwonderlijke kastekorten.
En meteen daarna: 
Ach bed ach straat 
ach laan ach plein 
ach stad. Ach dak.
Op het moment dat de weduwe het begrip ‘corruptie’ nuanceert, lijkt ze alles onder controle te hebben, maar direct erna volgt haar klacht, die als het ware door haar zelfbeheersing heen breekt.

Verder geeft Herzberg aan dat ze Beim Häuten der Zwiebel gelezen heeft, de memoires van Günter Grass. Indertijd deed het boek nogal stof opwaaien, vanwege de onthulling dat Grass ooit lid van de Waffen-SS was geweest. Het verband tussen dit boek en Klaagliedjes is mij niet helemaal duidelijk. Misschien zit dat in het ophalen van herinneringen die pijnlijk kunnen zijn.

Niet alle gedichten van Herzberg spreken mij even veel aan, maar eigenlijk geeft dat niet. De bundel als geheel geeft goed weer wat er met iemand gebeurt die een geliefde verliest. Je bent verwoest, zoals dat met een stad kan gebeuren. En nooit ben je meer te helen, omdat er een verlangen blijft dat niet meer te vervullen is: 
Ik slaap denk praat koop bied 
leef loop ren rem val til en bouw 
voor om door ondanks dankzij jou 
en ik verlang naar jou.

donderdag 14 mei 2026

Afgestoft: Dieperik / Waar was ik weer (Leo Pleysier)

Het is een tijdje geleden dat ik een oude recensie heb afgestoft. Laat ik dat nu maar weer eens doen. Het is een niet zo lange recensie, over twee uitgaven, maar eigenlijk over vier boeken. Het stukje stond op 10 december 2010 in Nederlands Dagblad. 

De roman Dieperik van Leo Pleysier was net verschenen, een behoorlijke tijd na het enorme succes van Wit is altijd schoon (1989). Naar aanleiding daarvan verschenen in 1989 drie van zijn vroege romans samen in een band in herdruk onder de titel Waar was ik weer? Ik noem de drie titels in het stukje hieronder, al had bij de eerste roman het jaartal 1978 moeten staan. 

Maar waarom besprak ik Waar was ik weer? in 2010. Werd het toen weer herdrukt? Eigenlijk besprak ik de drie boeken niet, wat ook niet gekund had in zo'n kort bestek. Als mijn geheugen mij niet bedriegt kreeg ik wel het beoogde aantal woorden van het stukje als richtlijn. 

Van Pleysier heb ik best wat gelezen, maar ik heb ook nog het een en ander van hem niet gelezen. Een boek als Heel de tijd (2018) zou ik toch eigenlijk wel moeten lezen. 

Er is nog heel veel wat niet recent is en wat het lezen waard is. Binnenkort schrijf ik over De ziener van Simon Vestdijk en ik wil het komende jaar ook weer het een en ander van Hella Haasse en Arthur van Schendel lezen en ik heb ook wel zin in werk van bijvoorbeeld A.H. Nijhoff, Clare Lennaert, Melati van Java, Wilma en Top Naeff. Het is geen belofte dat ik dat ook ga doen, maar het is wel een geheugensteuntje voor mezelf als ik binnenkort een boek van de stapel moet nemen. 

En hopelijk grijp jij een keer naar een boek van Leo Pleysier. Je moet in ieder geval Wit is altijd schoon lezen, maar hij heeft veel meer goede boeken geschreven. 

 

De diepte aan de oppervlakte


Een jongetje rijdt op zijn fiets op het erf van een boerderij een parcours in de vorm van een acht. Buiten, op een bank zit zijn moeder een paar emmers prinsessenbonen klaar te maken voor de weck. Het is zomer.

Een vredig tafereeltje. Leo Pleysier begint er zijn nieuwe roman Dieperik mee. Maar eigenlijk is het helemaal niet zo vredig, want het hoofd van het jongetje Michel barst bijna uit elkaar, omdat er iets in zit wat hij niet mag vertellen. Niet van zichzelf en niet van Nonkel Wies, die bij hen inwoont.

In de epiloog legt de verteller uit dat het dit beeld van het fietsende jongetje is, waar hij taal aan toegevoegd heeft.
En zo is die herinnering nu verdubbeld geraakt tot twee herinneringen: die ene mét woorden, de andere zonder.
Wie Dieperik gelezen heeft, zou zijn schouders op kunnen halen en kunnen zeggen dat het boek nauwelijks over iets gaat: zo'n gebeurtenisje en dat wat uitgesponnen is. Maar juist dat kan Leo Pleysier heel goed: de zaken klein houden, de kleine dingen beschrijven, zodat je weet hoe het ruikt op de boerderij, hoe de mensen praten, wat voor weer het is en hoe dat voelt. Groter hoeft het voor mij, eigenlijk, niet. 

Pleysier laat die kleine dingen bijna achteloos zien. Hij poetst ze niet op, maakt ze niet zwaar symbolisch, wijdt er geen ronkende zinnen aan. Hij is de soberheid zelf en hij weet dat dat genoeg is.

Zijn zinnen lopen gemakkelijk, alsof er nauwelijks aan gewerkt is. Dat is natuurlijk de kunst. Je mag als schrijver zwoegen en zweten, maar de lezer moet dat er niet aan af kunnen zien. Pleysier verstaat die kunst. Het lijkt of hij bij ons aan de keukentafel zit en het ons rustig vertelt. 

Op het hoogtepunt van het verhaal dat Pleysier ons vertelt (en dat ik maar even niet onthul), schieten er zinnen door de hoofdpersoon heen. Het is een bonte verzameling uitspraken van drie bladzijden lang, waarin de vrouw van Potifar, Boerke Naas, Roodkapje, Kapitein Haddock, Herodes, Nonkel Fik en Anton van Wilderode naast elkaar kunnen staan. In het tweede deel van het boek is er nog zo'n lijst, waarin Pleysier aangeeft hoe de tijd verstrijkt. Hij rijgt daarin grote gebeurtenissen aan kleine, bijna zeven bladzijden lang. Het werkt.

Deze opsommingen doen denken aan die in eerdere boeken van Pleysier. Drie daarvan (De razernij der winderige dagen (1977), De weg naar Kralingen (1981) en Kop in kas (1983) zijn onlangs herdrukt in één band, onder de titel Waar was ik weer? 

Het eerste boek begint meteen met een reeks korte zinnetjes onder elkaar: '
Op de boerenbuiten wonen.
In het aloude Kempenland.
In het land van berk en brem.
Het heideland.
De wónderfrisse perel aan de Dietse kroon.
En zo verder. De weg naar Kralingen heeft tegen het einde een inventarislijst van vier bladzijden lang. Hoewel we ze van hem gewend zijn, zijn in Dieperik toch beide opsommingen verrassend en bovendien bijzonder effectief. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die Pleysier verwijten dat hij met zijn laatste boek niet meer de dieperik in gegaan is. Het is een verwijt dat ook ooit Marijke Höweler kreeg, die trouwens een totaal ander schrijfster was dan Pleysier is. Maar haar antwoord zou Pleysier zo in de mond kunnen nemen: 'Bij mij zit de diepte aan de oppervlakte'. 

Dat is Dieperik: een anekdote, een onbeduidendheid, die een heel leven lang in iemand door kan blijven zeuren. Niet iedereen kan dat beschrijven op een manier die blijft boeien. Pleysier wel.

Van Pleysier recenseerde ik ook:

vrijdag 3 april 2026

Afgestoft: Woorden om het licht te horen (Lenze L. Bouwers)

Lenze Bouwers is een bijzondere auteur. Waarschijnlijk is er geen nog levende dichter te vinden die zo veel rondelen heeft geschreven. Technisch kan Bouwers veel en toch heb ik vaak wat op zijn gedichten aan te merken gehad. Als je nauwkeurig leest, blijken zijn zinnen vaak net niet nauwkeurig geformuleerd. 

Maar misschien ben ik gewoon een dorknoper die muggen aan het ziften is en zullen anderen zich helemaal niet ergeren aan zijn formuleringen en voluit genieten van zijn gedichten. Zijn verzamelbundel met rondelen, Woorden om het licht te horen, besprak ik in Liter jaargang 13, nr. 57 (2010). Het is een vrij korte bespreking. Mogelijk was mij niet meer ruimte toebedeeld, mogelijk vond ik een korte recensie gepast voor de bundel. 

Daarbij heb ik niet een compleet gedicht geciteerd en dat is toch wel jammer. Ik vermoed dat ik indertijd geen complete gedichten kwijt kon in de vrij smalle kolommen, maar dat weet ik niet zeker. Maar nu vind ik het vreemd dat er een poëziebundel besproken wordt zonder dat je een gedicht uit die bundel te lezen krijgt. Ook om het werk van Bouwers recht te doen, alsnog een rondeel in zijn geheel. 

een stem nog sterker dan de storm die raast:
kom snel -gebons- help mee, de dijk bezwijkt,
verzamelpunt de kerk, met schop en laars;
de hele nacht zat ik op wacht, verbaasd
dat je niet sterft bij zoveel angst, verdwaasd
omdat de zondvloed zeker verder reikt
dan zeeland - hoor hoe vader wakker blijkt:
een stem nog sterker dan de storm die raast;
hij gaat, terwijl zijn schildknaap achterblijft
en week bij moeder waakt, die langzaam strijkt,
gaat zitten, op het uur naar buiten kijkt
en met haar handen onverstaanbaar praat:
een stem nog sterker dan de storm die raast

Bij nader inzien heb ik over dit gedicht wel wat te zeuren: waarom maar een enkele laars? Maar er zit ook veel moois in dit rondeel. 


Bouwers' rondelen verzameld


Toen Lenze Bouwers in 1985 de bundel Rondelen op de markt bracht, kreeg hij er behoorlijk wat aandacht mee: een hele bundel vormvaste gedichten, geschreven in een compacte taal, dat zag je in die tijd niet vaak. Bouwers bleef rondelen schrijven. Soms hele bundels vol (De route van de rondvaartboot, De schaduw van de buizerd), soms kwamen er een paar in een bundel met andere gedichten terecht (Biotoop, Groeiringen).

Nu zijn Bouwers' rondelen verzameld in Woorden om het licht te horen. De eerste afdeling bevat een complete, nieuwe rondelenbundel, de tweede een ruime keuze uit de vroegere bundels.

De gedichten van Lenze Bouwers lees ik vaak met een mengeling van ergernis en interesse. Ze hebben altijd wel iets aangenaams: een metrum dat lekker loopt, een aardig rijm, soms een mooie beeldspraak. Ik zet meteen een plusje in de kantlijn bij ‘een manchestersterk profeet’ en ik heb ook een streepje gezet bij ‘zo zilverwit als i in lichtgewicht / zo zwaar vaak als ik keurend naast je sta’.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat in deze regels eigenlijk onzin staat. De i is immers helemaal niet wit. Verder is zo'n woord als ‘zilverwit’ ook wel erg nadrukkelijk poëtisch. Ik zie die bezwaren wel, maar toch werken deze regels. Bouwers heeft het woord ‘lichtgewicht’ goed gekozen. Hij had ook kunnen schrijven ‘zo zilverwit als i in internist’. Ik had dan misschien een witte jas voor me gezien en had het witte van de i me beter kunnen voorstellen.

Maar Bouwers doet het geraffineerder: hij schrijft dat het over het witte gaat, maar in je hoofd blijft het woord ‘lichtgewicht’ hangen, vooral ook doordat hij de regel erna ‘zwaar’ gebruikt. Zo gaat het dus niet alleen over het witte, maar ook over het lichte. De associatie zorgt ervoor dat je meer leest dan er staat. Bouwers op zijn best.

Vaak vertrouwt Bouwers op die associatie en heel vaak ook gaat dat mis. Wanneer je nauwkeurig gaat lezen wat er nu precies staat, klopt het dan domweg niet.

De uitgever citeert zelfs zo'n kromme zin op de achterflap: ‘De ronding heeft een eigen zeggingskracht, / zoals een vrucht er is, de aarde, maan.’ De ronding heeft blijkbaar zeggingskracht zoals een vrucht, de aarde en maan. Tja, het is zo dat die alledrie een ronding hebben, maar heeft de juttepeer eenzelfde zeggingskracht als ‘de ronding’?

Ook de asymmetrie ‘de aarde, maan’ staat mij niet zo aan. Ik vermoed dat bij de maan het lidwoord weggevallen is vanwege het metrum, zoals ik ook vermoed dat Bouwers bij ‘De dagen en nacht voorbij’ een lettergreep te veel had en daarom niet ‘nachten’ schreef. Het maakt een onmachtige indruk.

Vaak speelt Bouwers nogal gemakkelijk op het effect, door het gebruik van sfeerwoorden en expliciete typeringen: je lippen zo zacht, je lieve mond, bleek verfijnd, vederlicht, ik vind je mooi, uw gulle lach, je intieme lach, zomerpracht, korengoud, blaadje van fluweel, warm ingebed, blij verliefd, droomtrance, bladgoud (over bladeren in de herfst, een ‘vondst’ die hij in twee gedichten gebruikt). Eerlijk gezegd stellen de meeste gedichten dan ook literair gezien niet zoveel voor.

Toch hebben ze iets aangenaams. Misschien komt dat wel door de geest die door veel gedichten waait. Overduidelijk blijkt de betrokkenheid van de dichter bij zijn omgeving, bij de mensen om hem heen. Ziekte en dood komen in veel gedichten terug. In sommige worden nadrukkelijk een rolstoel, multiple sclerose, een chemokuur, kanker, opname, de vechtlustige zieke genoemd en met veel compassie schrijft de dichter over mensen die vechten voor hun leven en vaak toch verliezen.

Veel van de gedichten zijn sympathiek, omdat je gemakkelijk kunt meevoelen met welke emotie ze waarschijnlijk geschreven zijn. Maar in poëzie gaat het uiteindelijk niet om de emotie van de dichter, maar om die van de lezer. Soms weet Bouwers die te raken, maar vaker missen de gedichten daarvoor de kracht.

Eerder schreef ik over:

vrijdag 27 maart 2026

Afgestoft: Hotel New Flandres (Dirk van Bastelaere, Erwin Jans, Patrick Peeters)

Afgelopen zondag publiceerde ik hier een planning: wekelijks drie nieuwe recensies en ik vertelde er ook bij welke dat zouden zijn. Nog geen week later wijk ik daar alweer vanaf. Dat zit zo.

Deze week schreef ik, naast de recensies van De Wind in de Wilgen en Boekjes bij de thee een recensie van Exovida van Adriaan Bijloo en Govert Schilling. Nou ja, die recensie is nagenoeg af. Hier en daar nog een splinter wegschaven of een likje verf en het is gepiept. Maar toen zag ik dat het boek pas op 15 april gepresenteerd wordt en daarom wacht ik nog even met het online zetten van het stuk. 

Twee nieuwe recensies dus deze week en twee oude die ik afgestoft heb. En natuurlijk de herinnering aan het overlijden van mijn opa. 

Voor vandaag is het, net als gisteren, een oude recensie van een bloemlezing, Hotel New Flandres, eerder gepubliceerd in Liter nr. 56 (jaargang 12, 2009). Ik ben wel erg aan het tellen geweest, vind ik, nu ik het stuk teruglees en ik noem heel veel namen van dichters. Blijkbaar vond ik dat toen nodig. Gelukkig komt er ook nog een gedicht in voor. 
   


Een Michelingids voor de Vlaamse poëzie


Wat de dikke Komrij voor de Nederlandstalige poëzie is, wordt misschien Hotel New Flandres wel voor de Vlaamse poëzie. Deze dikke bloemlezing, samengesteld door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters, zou ook wel eens kunnen gaan fungeren als een soort canon.

Net als bij Komrijs verzameling is er gedoe over Hotel New Flandres. De samenstellers openden zelfs een website, om te reageren op de recensies. Ze blijken niet van plan om stil te blijven zitten als ze geschoren worden door bijvoorbeeld Benno Barnard, Philip Hoorne of Hans Vandevoorde, maar reageren gepikeerd en met een zeker dedain. Misschien niet allemaal even verheffend, maar wel vermakelijk.

Hotel New Flandres geeft een beeld van de Vlaamse poëzie van 1945 tot 2005. Je kunt je afvragen of de Vlaamse poëzie wel zelfstandig bestaat, maar als je daarvan uitgaat, is een dergelijke bloemlezing zeker gerechtvaardigd. Uit de inleiding blijkt dat de samenstellers aan de ene kant het landschap van de Vlaamse poëzie in beeld hebben willen brengen, maar aan de andere kant ook nadrukkelijk de aandacht hebben willen richten op vernieuwende dichters. Daarbij zijn ze trouwens niet kieskeurig geweest. Er staan veel dichters in aan wie zo'n beetje alle vernieuwingen voorbij gegaan zijn.

In een bloemlezing ontkom je niet aan een kwaliteitsoordeel. Van grote dichters als Claus en De Coninck zul je meer gedichten opnemen dan van bijvoorbeeld Ben Klein, Maja Panajotova, Pol le Roy en Ivo Vroom, dichters wier naam ik zelfs niet kende, maar die wel met meer dan een gedicht vertegenwoordigd zijn.

Maar Hotel New Flanders moest niet alleen literair-historisch verantwoord zijn, het doel was ook een beeld te geven van de poëzieproductie in Vlaanderen. De samenstellers zeggen dat ze meer dan andere bloemlezers aandacht voor de heterogeniteit hebben gehad. 
Daarom bevat deze bloemlezing niet enkel gedichten die we goed vinden, maar ook gedichten van dichters die ons weinig of niet interesseren, omdat we ze saai, flauw, truttig of ouderwets vinden. Toch hebben we hen opgenomen.
Dat betekent ook dat de samenstellers lastig aan te spreken zijn op hun keuze. Ze kunnen altijd antwoorden dat ze de gedichten van Hans Devroe, Bart Mesotten en Renaat Ramon ook niks vinden, maar ja, die dichters zijn er nu eenmaal.

In de inleiding geven Van Bastelaere, Jans en Peeters uitleg bij het sterrensysteem dat ze, net als de Michelingids, gehanteerd hebben. Behalve in de inleiding komen de sterren in de bloemlezing overigens niet terug.

Vijf sterren (dat wil zeggen negen of tien gedichten) kregen wat zij noemen de paradigmadichters, simpel gezegd: de vernieuwers. Dat zijn Hugo Claus, Leonard Nolens, Hugues Pernath, Willy Roggeman (allen tien gedichten), Dirk van Bastelaere, Herman de Coninck en Jotie T'Hooft (negen gedichten).

Er is natuurlijk wel kritiek gekomen op het grote aantal gedichten dat Van Bastelaere van zichzelf opnam. Het lijkt me inderdaad een geval van zelfoverschatting om je boven bijvoorbeeld Christine D'Haen en Anton van Wilderode te plaatsen, zeker als je dan ook nog een gedicht als ‘abc-hart’ opneemt, dat speels genoemd zou kunnen worden, maar ook flauw.

Van De Coninck werden overigens alleen poëticale gedichten opgenomen, wat een vreemde keuze is. Dat geeft een vertekend beeld van zijn oeuvre. Gingen de samenstellers ervan uit dat de lezers de rest van De Conincks gedichten wel kenden? Maar waarom is bij andere bekende dichters dan niet een thematische keuze gemaakt?

Vier sterren kregen de oeuvredichters, over het algemeen dichters die zich niets aangetrokken hebben van modes, maar stug hun oeuvre bij elkaar geschreven hebben. Dat zijn Jan de Roek, Eddy van Vliet (acht gedichten), Claude van de Berge, Albert Bontridder, Hendrik Carette, Paul Claes, Christine D'Haen, Aleidis Dierick, Gust Gils, Luuk Gruwez, Herwig Hensen, Stefan Hertmans, Mark Insingel, Roland Jooris, Remy C. van de Kerkckhove, Roger M.J. de Neef, Erik Spinoy en Anton van Wilderode (zeven gedichten).

Jan de Roek kende ik niet en bij nazoeken blijkt hij ook niet voor te komen in de auteurslijst van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. De Roek kwam in 1971 om het leven en het zou dan ook logisch geweest zijn, als zijn gedichten in de bloemlezing terecht gekomen zou zijn tussen andere gedichten uit eind jaren zestig. De samenstellers van Hotel New Flanders hebben immers alle gedichten chronologisch gerangschikt op jaar van publicatie. Maar ze plaatsten de Roekgedichten bij 1980, toen de Verzamelde gedichten op de markt kwamen. De motivering dat op dat moment pas zijn belang voor de Vlaamse poëzie duidelijk wordt, houdt geen steek. Ook bij Daisne wordt, om dezelfde reden, uit zijn verzameld werk geciteerd. Het lijkt me sterk dat van de dichters bij wie uit de afzonderlijke bundels wordt geciteerd het belang meteen in het publicatiejaar duidelijk was. Verder lijkt me Roger M.J. de Neef ruim betaald en bij Roland Jooris blijf ik altijd wat twijfels houden, maar dat zal wel een kwestie van smaak zijn.

Drie sterren kregen de dichters die ‘in belangrijke mate bij[dragen] tot de articulatie van een paradigma.’ Het zijn dus dichters die een bepaalde stroming vertegenwoordigen. Om maar even het hele rijtje te noemen: Paul Snoek (zes gedichten), Wilfried Adams, Michel Bartosik, Leopold M. van den Brande, Nic van Bruggen, Ben Cami, Patrick Conrad, Frans Deschoemaeker, Charles Ducal, Jos de Haes, Miriam Van hee, Hubert van Herreweghen, Karel Jonckheere, Tom Lanoye, Marcel van Maele, Gwij Mandelinck, Jan van Nijlen, Erik van Ruysbeek, Lucienne Stassaert, Peter Verhelst, Freddy de Vree, Marcel Wauters.

Tja, wat moet je ervan zeggen? Misschien wat weinig eer voor Lanoye en Verhelst.

Maar er zijn meer auteurs die er bekaaid afkomen. Opvallend is bijvoorbeeld het ene gedicht van Bart Moeyaert dat werd opgenomen.

Over bloemlezingen is altijd te strijden en dat moeten we ook vooral doen. Hoe meer reuring, hoe meer aandacht voor de poëzie, hoop ik. En van die poëzie staat er genoeg moois in Hotel New Flanders. In ieder geval zal mij het ontroerende gedicht ‘Adieu xviii’ bijblijven dat Gaston Burssens schreef aan de nagedachtenis van Paul van Ostaijen: 
O Heer, mijn grote vriend en ik,
wij hebben U zo dikwijls aangeroepen
met vloeken en met bedelarij,
maar met gebedjes ook om van te snoepen,
want daar was zoveel schone vroomheid bij
als van een koperen cent die wij tot goudmunt schuurden.
Gij weet het wel, de moordenaars en de dieven,
geschuurd met zand van afgunst en van gunst,
verhieven wij tot heiligen der kunst.

Maar ik alleen bleef over,
en dat was erger dan het toeteren
van mijn klaxon in mijn woestijn.
Gij hadt er geen idee van hoe het ploeteren
in mijn moeras mij op één hand liet lopen.
Nu weet Gij het, nu ik het zeg,
maar 't was voorwaar geen spel zo, tussen heg en steg,
alleen en zonder tandenborstel
en al die jaren op mijn hoofd te moeten staan,
terwijl mijn sleutels uit mijn zakken vielen. -
En nu!
Nu ik weer op mijn voeten sta, maar krom gebogen,
nu zijn mijn oren doof, en dof mijn ogen.

D. van Bastelaere, E. Jans en P. Peeters (red.), Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005. Poëziecentrum, Gent 2008, 752 blz., €29,95.

donderdag 26 maart 2026

Afgestoft: Brandaan van de christelijke poëzie

Nu weer eens door mijn oude besprekingen ga, kom ik erachter dat ik heel geregeld heb geschreven over bloemlezingen. Zo heb ik de besprekingen over bloemlezingen met schoolgedichten al eens afgestoft en nog vrij recent schreef ik over zo'n gedichtenverzameling. 

In Liter nr. 53, jaargang 12 (2009) schreef ik over Brandaan van de christelijke poëzie, een mooi boek. In de titel zette ik dat ik het een prachtige bloemlezing vond, maar ik had er wel wat op aan te merken. Ik kan dat na zoveel jaren nog steeds wel een beetje navoelen, maar misschien zeurde ik ook een beetje. Als ik de bloemlezing zo goed vond, had ik het dan niet juist daar over moeten hebben in plaats van over die dingen die wat minder zijn? 

Het uitgangspunt: alleen christen-dichters opnemen vind ik nog steeds dubieus: waarom zou een bloemlezer moeten beoordelen of een dichter wel een christen is? 

Bij zo'n bespreking moet je wel een gedicht citeren, vind ik. Maar waarom nam ik nou juist het gedicht van Lloyd Haft? Blijkbaar realiseerde ik me niet dat ik hetzelfde gedicht al in hetzelfde blad geciteerd had in de eerste jaargang. Die bespreking heb ik al eens afgestoft en die vind je hier

Ik heb overigens nog meer oude besprekingen van bloemlezingen. Die zal ik ook nog afstoffen. Even geduld. Het komt. 



Desondanks een prachtige bloemlezing


Bij uitgeverij Brandaan verscheen Brandaan van de christelijke poëzie, een bloemlezing samengesteld door Rien van den Berg. Voor ik daar iets anders over zeg: het is een prachtig boek en het is goed dat het er is. Het boek is gebonden, de gedichten zijn gedrukt op mooi papier en Van den Berg, die al eerder bloemlezingen maakte, laat zien dat hij een aantrekkelijke bundel kan samenstellen. Bovendien is hij een kenner van de christelijke poëzie en hij heeft uit allerlei bundels, van obscuur tot bekend, veel mooie gedichten gehaald.

Maar er zijn natuurlijk wel wat kanttekeningen bij te maken en vragen bij te stellen.

Allereerst die typische naam Brandaan, wat mij een nogal opzichtige manier lijkt om de naam van de uitgeverij in de markt te zetten. Ware het boek onder een andere imprint of bij een andere uitgeverij uitgekomen, dan had het waarschijnlijk Podium, Mozaïek, Vuurbaak of Atlas van de christelijke poëzie geheten en dan spreek ik nog niet van het ongelukkige geval dat Kok het boek uitgegeven zou hebben.

Dit is bovendien de eerste bloemlezing die ik ken waarbij het portret van de bloemlezer prominent op de flaptekst prijkt. Het zal wel zijn omdat Rien van de Berg fotogenieker is dan Komrij of Breukers, maar het verbaasde mij toch enigszins.

Er zijn aardig wat bloemlezingen over God of religie. Nog onlangs publiceerde uitgeverij Prometheus Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie. Ook een mooi boekje, waarbij de keuze gemaakt werd door Abeltje Hoogenkamp, die bovendien bij veel gedichten wat bezinnende opmerkingen schreef, al zijn die in sommige gevallen vrij oppervlakkig. Net als in de Brandaan vinden we bij Hoogenkamp dichters terug als Van der Graft, Henk Knol, Ida Gerhardt, Huub Oosterhuis, Martinus Nijhoff, Gerrit Achterberg, C.O. Jellema, Gerard Reve en Michel van der Plas, maar ook Remco Campert, Tjitske Jansen, Eva Gerlach, Hans Andreus en Jan Eijkelboom. Het boekje heeft de opbouw van een kerkdienst. Van het op weg gaan (‘Klokken haalden mij uit mijn slaap vandaan’) tot en met de zegen (‘God behoede de mens / en geve hem een zoen’) en de weg naar huis.

De verschillen tussen Hoogenkamp en Van den Berg vloeien voort uit de manier waarop ze gezocht hebben. Hoogenkamp zocht naar gedichten. Van den Berg naar dichters. In de inleiding schrijft hij: 
Er is tot op heden echter geen bloemlezing verschenen met werk van dichters die christen zijn. Dat is het vertrekpunt bij de bloemlezing: werk van dichters die op een of ander manier bij de christelijke traditie horen - en dan niet algemeen-cultureel gedefinieerd, maar religieus.
Tja. Wie bepaalt eigenlijk of een dichter christen is? Van sommige dichters die ontbreken (Renée van Riessen, Maria de Groot, Tom Naastepad, Mart van der Hiele, Hester Knibbe, Hilde Bosma, Greetje Kruidhof, Jaap van der Molen, Johanna Kruit, Frédéric Leroy) vroeg ik me af of Van de Berg ze niet goed genoeg vond of dat ze eigenlijk niet echt christen zijn. Het is de vraag of een bloemlezer zich over dat laatste moet en kan uitspreken.

Even verderop haalt Van de Berg zijn eigen uitgangspunt onderuit door zich af te vragen of er wel werk opgenomen had moeten worden ‘[v]an dichters die ongelukkig zouden zijn met het etiket christelijk, hoewel hun werk daartoe aanleiding geeft.’ Het is natuurlijk het een of het ander. Of je neemt werk op van dichters die gepatenteerd gelovig zijn, ook als je dat niet uit hun werk kunt opmaken (bijvoorbeeld de diergedichten van Rikkert Zuiderveld) of je kijkt alleen naar de gedichten en dan neem je dus ook de dichters op die Hoogenkamp selecteerde.

De Brandaan is een erg Nederlandse bloemlezing. Weliswaar neemt Rien van de Berg af en toe een Vlaming op (Anton van Wilderode, Aleidis Dierick), maar Vlaanderen zit toch vol met dichters die religieuze gedichten geschreven hebben? Mij schieten Pieter G. Buckinx, Gery Florizone, Jo Gisekin, Hubert van Herreweghen en Patrick Lateur te binnen. Of ze ook echt christen zijn weet ik natuurlijk niet. Het kan zijn dat ze over dat criterium gestruikeld zijn.

En zou er ook in Suriname of op de Antillen niet een katholiek dichter geweest zijn die in de Brandaan had gemogen? Zijn de gedichten van Glenn Sluisdom bijvoorbeeld niet sterk genoeg? Het zou kunnen, maar we weten het niet.

Op het buikbandje staat per ongeluk gedrukt dat er alleen gedichten opgenomen zijn van na 1950. Uit een van de registers achterin blijkt dat 1945 de grens is: vier gedichten van Achterberg, twee van Ida Gerhardt en een gedicht van Muus Jacobse zijn gepubliceerd tussen 1945 en 1950.

Met die registers is ook iets eigenaardigs aan de hand. Wie bijvoorbeeld zou willen weten welke gedichten van Jan Willem Schulte Nordholt opgenomen zijn, moet eerst naar het register op auteur. Daar moet hij opzoeken in welk jaren Schulte Nordholts bundels verschenen. Dan bladert hij door naar het register ‘Chronologie’ en zoekt bij het betreffende jaar de paginanummers op. Dat is een omslachtige manier. Bovendien zijn de registers niet feilloos. Lidy van Eysselstein is bijvoorbeeld bij 1959 niet terug te vinden, hoewel het auteursregister wel naar dat jaartal verwijst.

In het auteursregister kun je ook niet altijd precies zien welke gedichten opgenomen zijn. Bij Aleidis Dierick kun je wel vinden dat van haar ‘Avondmis’ de gedichten viii en xvi gekozen zijn, maar niet welke drie van de series ‘Tortels in het trappenhuis’ en ‘De driemaal zeven bezweringen’.

Ik ben dan ook maar gestopt te tellen hoeveel gedichten er nu exact van elke dichter opgenomen zijn. In ieder geval zijn er behoorlijk veel gedichten geselecteerd van Gerrit Achterberg, Menno van der Beek (van wie Van de Berg het aandurfde om de complete berijming van psalm 119 op te nemen), Lenze Bouwers, Aleidis Dierick, Anton Ent/Marieke Jonkman, Koos Geerds, Ida Gerhardt, (Guillaume) Van der Graft, Jos de Haes, Lloyd Haft, C.O. Jellema, Henk Knol, Willem Jan Otten, Michel van der Plas, Jan Willem Schulte Nordholt, Anton van Wilderode en Harmen Wind. Allemaal minimaal zeven gedichten. Op die keuze is niet zoveel aan te merken. Dierick en de De Haes zijn verrassingen, Otten acht ik als dichter nogal overschat, Bouwers is vrij ruim, maar met deze keuze kan ik wel leven.

Bij de minder ruim geselecteerde dichters moest ik wel even fronsen: wat doen in vredesnaam Jan de Bas, Theo Coenraads, Frank Daen, Dick Ellen, Leendert J. van den Hengel, P. van Klaveren, Nico Knibbe en José de Poortere met duidelijk ondermaats werk in dit mooie boek?

En hoe komt er eigenlijk werk van een anoniem dichter (bladzijde 113 in de bloemlezing) door de selectie? Helemaal anoniem kan de auteur niet zijn, want anders had Van den Berg niet kunnen weten dat het werkelijk een christen was. De bloemlezer plukte het gedicht (dat bepaald niet zo bijzonder is dat hij er niet omheen kon) uit een uitgave in eigen beheer. Ook van bijvoorbeeld Sergej Visser kopieerde hij gedichten uit boekjes die bestaan zullen hebben uit een stel blaadjes die met een wollen draadje aan elkaar zaten. Nou ja, elke bloemlezer heeft zijn eigenaardigheden.

Brandaan van de christelijke poëzie is ingedeeld op thema. Misschien is het niet helemaal consequent om dichters in plaats van gedichten te selecteren en dan niet te groeperen op dichter, maar ik vind het niet zo erg. De gekozen indeling leest in ieder geval prettig. Je kunt deze bloemlezing nu lezen zoals je een verhalenbundel leest: hoofdstuk voor hoofdstuk. Bovendien zie je hoe de verschillende dichters eenzelfde thema behandelen en verder lees je een gedicht anders door de omgeving waarin het staat, waardoor elk gedicht, ook als je het al kende, iets nieuws krijgt. ‘Troost’ van Harmen Wind zette de bloemlezer bijvoorbeeld in de afdeling psalmen. Het gedicht eindigt met:
Ik denk dat het je hand was. Niet de greep, de
aanraking. Ik kon de avond rustig laten vallen.
Je stem vulde de kamer met een lange reis.
Ik denk dat het je hand was. Dat je me droeg.

Niet eerder las ik het gedicht als een psalm, maar nu wel en het blijkt daar prima tegen te kunnen.

Psalm 119 in de berijming van Menno van der Beek is niet in de afdeling psalmen opgenomen en dat is een goede keuze. In zijn massiviteit zou het immers alle andere gedichten daar aan de kant duwen. Nu heeft deze psalm een afdeling voor zichzelf.

De andere afdelingen bevatten onder andere gedichten over ouders en kinderen, over mensen en dieren, over dood en leven en over God, geloof en kerk.

Wel kun je je afvragen waarom een afdeling ‘Vaderlandse geschiedenis’ heet wanneer meer dan de helft van de gedichten erin over de bijbelse geschiedenis gaat. De afdeling ‘light verse’ is eigenlijk mislukt. De meeste van de gedichten daarin bevatten wel humor, maar hadden net zo goed in andere afdelingen ondergebracht kunnen worden. Misschien is deze afdeling in het leven geroepen omdat je toch ergens de vrolijke gedichten van Rikkert Zuiderveld kwijt moet. Maar zonder die afdeling zouden we wel een paar flauwe gedichten van andere auteurs gemist hebben, zoals van Jaap Zijlstra en Koos Geerds, van wie meer missers opgenomen zijn.

Maar overeind blijft, ondanks alle bedenkingen waarmee ik dit stuk opende: dit is een prachtig boek. Van den Berg laat zien dat de christelijke poëzie, die in veel overzichten een marginale positie heeft, veel moois heeft voorgebracht. Genoeg in ieder geval om een kloek boek te vullen. Wat versnipperd was heeft hij bijeengebracht; zo'n beetje alle belangrijke christelijke dichters staan erin, waardoor deze Brandaan wel een standaardwerk zal worden zoals de dikke Komrij dat al is voor de gehele Nederlandse poëzie.

Wie door het boek bladert, heeft de neiging om te blijven citeren: de korte serie ‘Onder de wolk’ van Van der Graft bijvoorbeeld, of het ontroerende ‘Bloedje’ van Henk Knol. Je ziet verrast dat het ‘lieflijk rotsje’ van Marieke Jonkman terugkomt in een ander gedicht van Anton Ent. De zin ‘U bent er al, maar / U komt’ van Gabriël Smit mag meteen aangekruist worden. Je kunt aan het bladeren blijven en steeds weer doe je nieuwe ontdekkingen. En deze van Lloyd Haft kende je al, maar je wilt hem nog één keer voorlezen:

Naar psalm 150

Loof de ziende. Loof hem
in zijn verborgenheid. Loof hem
in het onkenbare dat hij zal kennen.
Loof hem
om het onvindbare van zijn vondsten,
loof hem
op de onmaat van zijn maten.
Loof hem met ons koperen geschal,
loof hem met een onstembare harp,
loof hem met knappende snaren,
loof hem met dom gedans,
loof hem met blèrende bekkens:
loof hem al wordt ons bekken geplet.
Alles wat nog hijgen kan
love de ziende.
Loof. De ziende.

Rennen naar de boekhandel dus, dan heb je de eerste druk nog.

vrijdag 20 maart 2026

Afgestoft: Boeken voor de katholieke jeugd

Intussen lig ik weer aardig op schema wat betreft het posten van nieuwe bijdragen. Ik heb bij het schrijven nog wel een achterstand op mijn lezen, maar dat komt wel goed. Deze week is overigens wel druk, want ik loop in de avonden rond met de collectebus. Aangezien er in onze wijk weinig collectanten zijn, neem ik dertien straten voor mijn rekening en daar ben ik wel drie avonden aan kwijt. 

Voor vandaag een stukje dat eerder verschenen is in Liter nr. 65, jaargang 15 (2012). In die tijd plaatste ik wat ik in een krant of een tijdschrift publiceerde niet op mijn weblog. Het blijkt dat ik indertijd toch een stukje  online gezet heb en dat komt voor een deel (het lange citaat) overeen met wat ik in Liter schreef. Maar dat is allemaal alweer lang geleden, dus ik vind dat ik met een gerust hart het Literstukje hier kan plaatsen. Dat was, zoals je kunt zien, een niet zo lange bespreking. 

In de loop der jaren heb ik geregeld oude jeugdboeken gekocht en die heb ik nog lang niet allemaal gelezen. Mijn voornemen is om dat wel te gaan doen. Om mijn herinnering te controleren, als het boeken betreft die ik al in mijn jeugd las, maar vooral om te kijken wat voor wereldbeeld erin naar voren komt. Onder het label Zwart en wit heb ik verschillende boeken besproken die met inclusie en exclusie te maken hebben, waaronder ook een stel oudere kinderboeken. Over dit soort boeken wil ik in ieder geval nog gaan schrijven. 



Boeken voor de katholieke jeugd


Als kind las ik alles wat ik te pakken kreeg, althans zo herinner ik het mij. De boeken uit de kast van mijn ouders (Goof Bonk, Hotse Hiddes); de Sjors van mijn vriendje Joekie Bil, die eigenlijk anders heette; de pockets uit de boekenrekjes van nicht Aantje en neef Teunis (auteurs als A.G. Eggebeen, P. de Zeeuw JGzn). En af en toe kwam er een man aan de deur met een zwarte hoed op, een zwarte jas aan en een grote koffer bij zich. Daarin zaten boeken en dan mochten alle kinderen uit ons gezin een boek uitzoeken. Zo kwam ik aan Luyt Lievensz, de liedjeszanger van H. te Merwe en Het hol op de hei van G. van Essen. Op verjaardagen kreeg ik deeltjes van De Kameleon, Pietje Bell en later ook wel van Arendsoog.

Ha, Arendsoog! En zijn betrouwbare vriend Witte Veder en zijn paard Lightfeet, waarover in elk deel werd verteld dat hij zo hard liep als hij nog nooit gelopen had. Jaren later vertelde iemand mij dat en ik vond het verhaal te mooi om te controleren. Natuurlijk hield ik van een held als Bob Stanhope, zoals Arendsoog in werkelijkheid heette. Ik was immers even moedig en even slim, alleen had ik geen paard en er waren geen boeven in de buurt met wie ik moest afrekenen.

Arendsoog was een cowboy, zoals Old Shatterhand, die ik uit Sjors kende en Buffalo Bill, over wie ik een reeks pockets kocht bij Warenhuis Houpst, dat gerund werd door een stel bejaarde zussen, die je altijd van alles wilden aansmeren. ‘We hebben nog heel goedkope agenda's, van vorig jaar. Je hoeft alleen maar de datum door te strepen.’ Als wraak heb ik ze eens een kwartier laten zoeken naar plastic geheugensteuntjes. Buffalo Bill was net zo heldhaftig als Arendsoog, maar ik vond de boekjes grappiger, wat waarschijnlijk kwam door het personage Scot Oliver.

Buffalo Bill was niet christelijk, net zo min als de karakters uit Sjors, Pietje Bell of De kameleon. Er werd bijvoorbeeld niet in gebeden. In Arendsoog ook niet.

Dacht ik.

Maar nu heb ik een boek in huis dat Boeken voor de katholieke jeugd heet en het omslag staat vol Arendsogen. Hè? Is Arendsoog Rooms? Nooit wat van gemerkt.

Het eerste boek dat ik van Arendsoog kocht, was deel 38, Arendsoog en de Duncandollars. Het boek blijkt uit 1969 te zijn. Zou ik het voor mijn tiende verjaardag hebben gekregen? P. Nowee schreef het, maar er waren ook deeltjes waarop J. Nowee stond. Ook die vroege delen las ik, later. Ik geloof niet dat ik toen verschil merkte.

Toch moeten die delen anders geweest zijn. Dat schrijft in ieder geval Karen Ghonem-Woets in haar boek. Arendsoog verraadde in de eerste delen nog wel de katholieke geest van vader Nowee; zo deed de cowboy geregeld een beroep op de Voorzienigheid. Dat is mij ontgaan. Maar misschien was ik al aan zoveel godsdienst in jeugdboeken gewend, dat een schietgebedje mij helemaal niet opviel.

In Boeken voor de katholieke jeugd beschrijft Karen Ghonem-Woets de geschiedenis van de katholieke uitgeverijen Zwijssen en Malmberg, die zich zowel op de markt van de schoolboeken als van de leesboeken begaven. Ze doet dat degelijk en redelijk prettig leesbaar.

In het begin (van de oprichting in de negentiende eeuw tot ongeveer 1945) zijn de uitgeverijen katholiek, zowel wat de lesmethoden als de jeugdboeken betreft. Onder de auteurs bevinden zich ook geestelijken.

Frater Sigebertus Rombouts formuleerde in 1925 richtlijnen waaraan een goed katholiek boek zou moeten voldoen. Het godsdienstige stond natuurlijk voorop. Verder: 

2. Te veroordelen is ieder boek met een heidense, anti- of onroomse sfeer. Dus ook het neutrale boek. 
3. Boeken moeten worden afgekeurd als: a. Een of andere hartstocht, b.v. haat, afgunst, gierigheid, eerzucht er sterk in spreekt en later niet door goede leiding of flinkheid van eigen karakter wordt overwonnen. b. Als ze verruwend werken door het milieu, door platte of onbehoorlijke woorden en uitdrukkingen. Onder deze categorie vallen schrijvers als Kievit (Dik Trom) en Van Abcoude (Pietje Bell, Kruimeltje). Het gezag van ouders, opvoeders en politie mag nooit bespottelijk worden gemaakt. c. Als ze meer of minder duidelijk enige “voorlichting” geven, of dingen aanroeren waarmee een kind niets te maken heeft. d. Als de illustraties in zedelijk opzicht niet deugen. Plaatjes die de sexuele verbeelding prikkelen, maar ook illustraties met daarop personen die niet volgens de kerkelijke richtlijnen gekleed zijn. 
4. Het verhaal moet geen tastbare onmogelijkheden of doldwaze dingen bevatten.

Een uitgebreid citaat, maar ik vond het zo fraai dat ik niet kon laten het over te tikken.

In de loop van de decennia worden de boeken van Malmberg en Zwijsen steeds minder katholiek. Al toen ik op de lagere school zat, die toch goed Hervormd was, kregen wij op school de Taptoe en de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie). Blijkbaar was in de jaren zestig van de vorige eeuw het katholieke al niet meer te herkennen.

Bob Stanhope, alias Arendsoog, was rond die tijd ook al van zijn geloof gevallen en toen hij nog wel van het houtje was, viel het mij niet op. Karen Ghonem-Woets behandelt Arendsoog uitvoerig, evenals Puk en Muk. Dat doet ze goed, maar eigenlijk had ik voor ik begon te lezen gehoopt op een ander boek. Een boek waarin iemand mij vertelt hoe zijn moeder de prentenboeken uit de serie Voor Roomsche kleuters voorlas; of hoe hij de missieverhalen las, stiekem in bed, want hij moest eigenlijk al slapen; of hoe hij las over Damiaan en zelf ook wel melaats wilde worden als dat nodig was om mensen te helpen. Misschien moet iemand als Ton van Reen zo'n boek schrijven. Dat zal ik dan met plezier lezen. Nu loop ik eerst maar eens naar de zolder om te kijken in welke doos Buffalo Bill en Arendsoog opgeborgen zitten. Ik ruik de kruitlucht al.

Karen Ghonem-Woets, Boeken voor de katholieke jeugd. Verzuiling en ontzuiling in de geschiedenis van Zwijsen en Malmberg. Walburg Pers, Zutphen 2011, 256 blz., €39,50.

dinsdag 24 februari 2026

Afgestoft: Nineve (Rick de Gier)

Soms blijven boeken je nog lang bij en herinner je je allerlei details, soms blijft er niet veel meer over dan een sfeer of een vage herinnering aan wat je van het boek indertijd vond. Dat laatste overkomt me bij Nineve van Rick de Gier. Veel verder dan 'heel aardig boek' kwam ik eigenlijk niet. Maar toen ik de recensie las die ik indertijd schreef in Liter nr. 62 (jaargang 14, 2011), kwam weer het een en ander bij me boven. 

Het werk van De Gier ben ik helemaal uit het oog verloren. Op Wikipedia lees ik dat hij nog twee boeken gepubliceerd heeft: de verhalenbundel Verdwaald in Ponoka (2013) en Vliegtuigsporen boven Houten - notities uit 2025. Ze zijn me geheel ontgaan.  


Jona in de popmuziek

Meestal is een boek alleen maar om te lezen. De beelden, de geluiden en de geuren die in een roman voorkomen, moet de lezer zelf oproepen.

Rick de Gier helpt de lezer een eind op weg in zijn debuutroman Nineve. De hoofdpersoon in het boek, Daan, gaat na een filmpje dat zijn zus op YouTube zet, de muziek in. Die muziek is ook bijgeleverd, in de vorm van de cd Outtakes from the Revival Songbook van Ponoka, de band waarvan Rick de Gier de frontman is. Bij elk hoofdstuk hoort een song.

De filmpjes waarnaar in het boek verwezen wordt, kunnen ook bekeken worden. Ze staan op YouTube. Zo blijft de werkelijkheid van het boek niet alleen binnen de kaft en binnen het hoofd van de lezer, maar annexeert ze ook andere gebieden.

Aan het begin van elk deel van de roman staat een beeldpagina, die eruit ziet als een stuk van een vergrote bladzijde uit een stripboek. De plaatjes verwijzen naar passages uit het volgende deel.

Dat alles maakt voor mij Nineve al tot een leuk boek. Bovendien leest het boek lekker en neemt het verhaal je gemakkelijk mee.

Over het algemeen schrijft Rick de Gier in een behoorlijke stijl. Zeker wanneer hij achteraf vertelt wat er gebeurd is. Zo gauw je als lezer echter bij de gebeurtenissen aanwezig bent en meemaakt wat er op dat moment gebeurt, komen er geregeld clichés en truttigheden in zijn stijl. Dan stokt iemands adem, dan is iemand zich ergens pijnlijk van bewust, dan is er lonkend vrouwenvlees en dan giert opwinding door het lijf.

Ook valt het tempo dan soms weg. Misschien wel doordat De Gier de neiging heeft om te veel uit te leggen. Het is bijvoorbeeld leuk om boven een kast met christelijke films ‘Holywood’ te zetten, maar ik voel me als lezer beledigd als de schrijver me de woordspeling uit de doeken doet.

De Giers roman heet Nineve en verwijst daarmee naar Jona, de profeet die met zijn dwarse kop tegen Gods bevel inging en daarna hardhandig herinnerd moest worden aan zijn opdracht. Daan is ook zo'n dwarskop: hij verlaat het veilige evangelische wereldje, waarin hij niet meer kan ademen en vertrekt naar Utrecht. Niet om, zoals Jona in Nineve, het oordeel aan te zeggen, al zit er misschien toch wel onbewust een beetje gepreek in het introduceren van christelijke films in een videotheek en in het gebruiken van de Opwekkingsbundel als grondstof voor popsongs.

Het afstand nemen van een christelijk nest is al eerder tot romanthematiek gekozen, maar omdat het hier niet gaat om het orthodox calvinisme, deed De Gier me niet denken aan bijvoorbeeld Maarten 't Hart. Eerder aan Paulo van Vliet, die afscheid nam van de Jehovah's Getuigen. Maar De Gier is veel milder dan Van Vliet en zijn karakters zijn geloofwaardiger.

Daan heeft nooit helemaal gepast in zijn evangelische omgeving: 
Ik had me nooit erg op mijn gemak gevoeld bij de uitbundigheid waarmee de lofprijzing gepaard ging, de gesloten ogen en uitgestrekte handen, het gekreun en geprevel en gesnik.
Hij ontvluchtte die wereld toen die hem zijn vriendin Esther afpakte. Later komt hij haar weer tegen, met haar man, die dan werkzaam is bij ‘Hemel tv’.

Daan zal nog verder de wereld in moeten. Hij wordt bekend als popmusicus en gaat op tournee met zijn band. Uiteindelijk verliest hij ook zijn bandleden en blijft helemaal alleen over.

Nou ja, niet helemaal alleen. In de proloog en de epiloog is hij samen met Jezus, met wie hij in een ‘bloedrode’ Cadillac rondtoert. Het lied bij het op een na laatste hoofdstuk vertelde het al: ‘There's still a few I love / And there's a lot I'm tired of / Wish you'd offer some perspective from above’.

Dat perspectief wordt hem uiteindelijk ook geboden. Jezus neemt hem mee naar een berg. 
Hij gebaart bezield om zich heen, naar de bergen, de cipressen, de glinsterende baai, de eindeloze kluwen staal, glas, hout en beton die zich van het water uitstrekt tot aan de horizon om al het krioelende leven daar beneden een schijn van orde en veiligheid te bieden.
Het uitzicht is niet de hemel, maar de aarde. Daar moet het gebeuren. En Daan zal moeten beslissen wat hij op deze aarde wil.

Nineve is een roman waar best het een en ander op aan te merken is, maar het is een fris debuut van een schrijver die niet bang is om een hoge gooi te doen. Ik ben benieuwd naar wat dat nog meer gaat opleveren.