![]() |
| Algemeen Dagblad 28 juni 1946 |
woensdag 10 juni 2026
Het Archief, De oudste strips in een nieuw jasje
dinsdag 9 juni 2026
Afgestoft: Niek Verhaagen
Niek Verhaagen is intussen nagenoeg verdwenen. Dat is jammer, want hij schreef aardig werk. Gelukkig is er intussen wel een boek over hem, geschreven door Lo van Driel. Dat boek wil ik zeer aanbevelen. Ik besprak het hier.
Onder het stof 6
Niek Verhaagen (Delft 1915-Turijn 1948)
Avondmaal
Hij heeft onhandig naar het brood gegrepen
en hield de beker te krampachtig vast.
Toen telde hij verstrooid de schaduwstrepen
der zilvren broodschaal op het wit damast.
Hij dacht er aan een kleine slok te nemen
omdat een grote hier toch ook niet past,
keek toen terzij naar mooie meisjesbenen
en dronk en zocht zijn zakdoek op de tast...
Zo zat hij bij U aan het avondmaal.
Hij zag het tafelkleed, het brood, de beker,
hij at, hij dronk, maar hij zag U voorbij.
En ik zat rechts van hem en schoof de schaal
hem haastig toe en keek, want ik was zeker
van een verwantschap tussen hem en mij.
Soms noemt iemand een dichter van wie ik niets gelezen heb, maar wiens naam mij nog bekend voorkomt. Andere dichters zijn zo ver weg gezakt in het stof van de tijd dat hun naam de naam van ieder ander had kunnen zijn; van een bakker in Dedemsvaart, een fietsenmaker in Andelst of een petroleumboer in Zaamslag. Niek Verhaagen - zijn naam leek al bij zijn leven niet in de hoofden van mensen te willen blijven hangen. Op zijn bundel De verboden vrucht (clandestien verschenen in 1943) staat op de voorkant de naam correct geschreven. Op het titelblad staat ‘Verhagen’, met slechts één ‘a’ dus.
Ook de redactie van het blad Het korenland kon de juiste spelling van de naam blijkbaar maar niet onthouden. In de laatste twee jaargangen (1937 en 1938) verschijnt vier keer een gedicht van hem, ondertekend met ‘Niek Verhagen’. In die jaargangen gaat het overigens ook zes keer goed en krijgt de dichter gewoon de dubbele ‘a’ in zijn naam.
‘Avondmaal’ is niet zo'n heel goed gedicht. Het is in de onvoltooid verleden tijd geschreven, behalve in regel 1. Een reden lijkt daar niet voor te zijn.
In de tweede strofe lijkt de verteller in het hoofd van de avondmaalganger te kunnen kijken en dus te weten waaraan hij denkt. Maar aan het eind van het gedicht blijkt dat de man juist alleen van buiten af wordt geobserveerd.
De derde strofe is waarschijnlijk de zwakste van het gedicht. Tafelkleed, brood, beker, drinken en eten worden nog eens herhaald en daarna komt het uitleggerige ‘maar hij zag U voorbij’, dat zo'n beetje alles doodslaat.
In de laatste strofe is er dan nog een aardige verspringing van de man aan de avondmaalstafel naar de ‘ik’, maar eigenlijk vind ik het slap dat de dichter die omweg nodig heeft, dat hij niet meteen de ‘ik’ introduceert en hem de beker krampachtig vast laat houden en naar de meisjesbenen laat kijken.
C. Rijnsdorp schrijft in In drie etappen dat de poëzie van Niek Verhaagen een klasse apart vormt, ‘niet zozeer om de kwaliteit als om de toon’ en die toon is ook de reden dat ik dit gedicht heb geciteerd.
In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse. Nog steeds wordt wel gesproken over het heilig avondmaal en in sommige kerken is het ronduit een zwaar onderwerp, maar Verhaagen toont ons een gewone man, die naar de schaduw op het witte kleed kijkt en naar zijn zakdoek zoekt. Niks sacraals, niks gewichtigs, niks eerbiedigs, niks beschroomds.
Het gedicht komt uit Verhaagens laatste bundel, Stukwerk (1946), en het zou kunnen zijn dat het in die tijd in het christelijke wereldje toch enigszins gedurfd was om op deze manier over het avondmaal te schrijven.
Verhaagen hield ervan om de kerk en het geloof terug te brengen tot het alledaagse. In dezelfde bundel schreef hij het volgende kwatrijn:
De verdoolde
Ik ben de kerk ontvlucht, want onze predikant
heeft naast zijn gouden ring geen spatter aan de hand.
Maar zie ik door de weeks zijn blonde dochter rijpen
dan neem ik mij weer voor hem beter te begrijpen.
‘Avondmaal’ is een deemoedig gedicht. De ‘ik’ voelt zich verwant met de man die wel het brood eet en de wijn drinkt, maar met zijn hoofd niet bij God is. In de laatste strofe zou men wat schuldgevoel kunnen lezen. Dat doet denken aan een gedicht in zijn debuutbundel, Kort traject (1939):
Gebed in de morgendienst
Heer, deze predikant die psalmen leest
is in de week ver van U weg geweest.
En wij, vanmorgen Uw verdwaalde schapen,
toonden wel ánders dan zo'n blatend beest...
Vergeef ons allen, Heer! maar mij het meest.
En in Stukwerk komt nog een uitdrukkelijke zelfbeschuldiging voor, in het sonnet ‘Kerstmis 1939’: ‘Niet Hitler, Stalin, Chamberlain, maar ik / heb Christus van dit werelddeel verdreven.’ Ik heb het gedicht enkele keren geciteerd gezien en wellicht is het een van de bekendere gedichten van Verhaagen geweest. In de verte doet het denken aan ‘'t En zijn de Joden niet Heer Jesu die u kruisten’ van Revius. Maar ik heb mijn twijfels bij Verhaagen. De vergelijking van de ‘ik’ met de groten der wereld is te grotesk, niet geloofwaardig. De dichter slaat zich net iets te hard vol schuldgevoel op de borst. Het lijkt allemaal zo deemoedig, maar de ‘ik’ plaatst zichzelf wel in het middelpunt en het vers begint wat te ronken.
Heeft dat met de oorlog als onderwerp te maken? Op zijn eerste en zijn laatste bundel na verscheen het hele werk van Verhaagen in de oorlog. De verboden vrucht in 1941, De Hollandse bruiloft in 1942, En zij zagen dat zij naakt waren nog een jaar later. Het waren clandestiene uitgaven. Blijkbaar heeft Verhaagen geweigerd zich aan te melden bij de Nederlandsche Kultuurkamer.
In het voorjaar van 1945 verscheen bij De Bezige Bij de bundel De laatste Adam, die Verhaagen publiceerde onder het pseudoniem Antonie Lems. Het zijn bepaald niet zijn beste gedichten. Verhaagen zet ze vaak behoorlijk vet aan: ‘Wanneer ik uitzie over stad en gracht / naar de verwoeste huizen, die nog roken, / weet ik mijn droom van gisteren gebroken / in de geweldsorgie van deze nacht [...]’.
Ook in deze bundel roept Verhaagen luid: ‘Ik ellendig mens’: ‘als [...] Gij Uw walging voor het mensenras / in bommen naar de aarde hebt gezonden, // waarom mij, even zondig, uitgezonderd / en laten leven tussen steen en as?...’
Het geronk van deze gedichten overstemt dat der bommenwerpers. Vooral als je weet dat Verhaagens stad in de oorlog gespaard is gebleven. Een gebombardeerde stad was blijkbaar een mooi dramatisch decor voor zijn gedichten.
Maar gelukkig heeft Verhaagen in veel andere gedichten, in andere bundels, een andere toon. Verscheidene gedichten drijven op een wat weemoedige ironie en hij moet ook uitgesproken hilarische verzen hebben geschreven. Ab Visser vertelt in ‘Klein mausoleum’ dat Verhaagen hem in dagen van verdriet opbeurde met cadeautjes, ‘verpakt in de allerzotste troostverzen’. En in een ‘in memoriam’ in het blad Ontmoeting schrijft Heeroma dat hij altijd met veel genoegen de gedichten en brieven van Verhaagen las. Een bezoek van of aan hem ‘kon daarentegen wel eens vervelend worden’. Ook Heeroma schrijft over Verhaagens humor: ‘De humor kon hem tot op zekere hoogte redden, maar hij slaagde er ook al weer niet in de humor zo te verdiepen dat deze de vormgeving van het hele leven en het hele dichterschap kon dragen.’
![]() |
| Deze foto stond bij de publicatie in Liter |
Heeroma gold als mentor van veel jonge protestantse dichters. In zijn huis ontmoette Ab Visser voor het eerst Niek Verhaagen. ‘Hij was klein van stuk, aan de gezette kant en blond’, constateerde Visser.
Die eerste ontmoeting was in de mobilisatiewinter van 1939. Verhaagen schreef toen al een tijd. In 1934 of 1935 sloot hij zich aan bij de ‘Christelijk-letterkundige kring te Delft’. Heeroma leerde hem daar kennen. Hij zag hem spelen in Vondels Joseph in Dothan en Adam in ballingschap. ‘Zijn gestalte uit die tijd staat mij het duidelijkst voor ogen in de transformatie van de aartsengel Gabriël, iets te klein, maar zeer beminnelijk.’
Volgens Heeroma zorgde Verhaagens contact met een ‘Christelijk-idealistische jeugdgroep, de Christen Jongeren Bond,’ ervoor dat Verhaagen ‘een radicale, profetische levenshouding’ aannam. In de debuutbundel Kort traject (1939) wordt meteen duidelijk dat Verhaagen een christelijk dichter wil zijn. Bij vier van de eerste vijf gedichten verwijzen de titels nadrukkelijk naar de Bijbel: ‘Jozef bij het kruis’, ‘Het kerstkind’, ‘Als Mozes’ en ‘Als Petrus’ en ook in andere gedichten komt het geloof of het gebrek daaraan naar voren.
Maar er zijn ook gedichten die juist over dagelijkse werkelijkheid gaan, die veel concreter zijn en die naar mijn gevoel een persoonlijker toon hebben. De eerste strofe van ‘Ik ben een schrijver...’ luidt:
Ik ben een schrijver op een klein kantoor
van 's morgens acht, met één uur middageten,
tot 's avonds zes en schrijf aan één stuk door
en tel mijn broeken op kantoorkrukken versleten.
Misschien zit in zo'n gedicht de humor waar Heeroma op doelt, de humor die de dichter niet helemaal zou kunnen redden. Heeroma noemt het in verband met de spanning tussen het leven dat de dichter in werkelijkheid leidde en dat hij zou willen leiden.
Verhaagen trouwde in de oorlog en kreeg een baantje als ambtenaar, schrijver tweede klasse. In 1945 publiceerde hij de korte roman Zonruiter, schrijver tweede klasse, geschreven in december 1943-januari 1944. ‘Sympathiek, maar zwak’, oordeelde Ab Visser. Heeroma ziet in de roman het conflict terug in het leven van Verhaagen: de man die dichter wil zijn, maar zich moet onderwerpen aan de slavernij van het werk, die gefnuikt wordt door zijn huwelijk, zijn vaderschap. Het is comfortabel om werk te hebben, getrouwd te zijn, vader te zijn, maar de onvrede blijft, omdat hij weet dat hij niet doet wat hij werkelijk wil doen.
In Kort traject komt het dorre ambtenarenbestaan vaker terug. ‘Collega x en ex’ opent met:
Men zegt dat hij een dwaas is, want hij dicht,
terwijl hij toch moest werken voor een akte.
En zijn collega x - die nimmer zakte -
stijgt jaarlijks in salaris en gewicht.
In De verboden vrucht is er ook een gedicht over een kantoorbediende. Het begint met:
Ik heb verachting voor de folianten
en maak grimassen als de baas niet kijkt,
knoei in de lijsten die ik vergelijk
en kreuk geestdriftig rekening-couranten.
De man blijkt het baantje toch aan te houden, omdat hij verliefd is op de dochter van de baas. Zoals in het eerder geciteerde kwatrijn iemand in de kerk blijft komen omdat hij het prettig vindt om naar de blonde dochter van de dominee te kijken. In Zonruiter wordt de hoofdpersoon uiteindelijk ontslagen omdat hij onder werktijd wordt betrapt als hij scharrelt met een vrouwelijke collega.
Verhaagen heeft zijn ambtenarenbaantje uiteindelijk opgegeven om van de pen te gaan leven. Maar er moet wel brood op de plank komen en daarom werd hij journalist. ‘Schrijver zoveelste klasse in een krant’, volgens Heeroma. Het lijkt erop dat Verhaagen er niet echt mee opgeschoten is. Het nieuwe baantje vergde nog meer tijd van hem dan het oude, weet Ab Visser.
In ‘Avondmaal’ glimmen onder de tafel de meisjesbenen. Verhaagen liet de erotiek in zijn gedichten toe, wat misschien in die tijd en in die kring toch bijzonder was. In de bundels De verboden vrucht en En zij zagen dat zij naakt waren ontloopt hij het beschrijven van de lichamelijke liefde niet. Niet altijd even geslaagd, niet altijd even subtiel: ‘Dan, onverwacht, strek ik mijn handen uit / en maak haar boezem, stevig bolwerk, buit.’ Maar er zijn gedichten bij die langer blijven hangen, niet briljant, maar op zijn minst heel aardig.
Abisag bij David [I]
Omdat geen kleed hem warmen kon, moet ik
nu bij hem liggen, maar ik vrees zijn handen
die koud als marmer aan mijn borsten branden
en die mijn hals betasten tot ik stik.
De aderen zijn rozerood en dik
en als hij mij omknelt, dan gruw ik van de
bijtende haren en de zwarte tanden
en van zijn grondeloze, harde blik.
Soms bid ik vurig: Here, laat hem sterven!
Ik wil niet bij hem slapen, ik wil niet
dat hij mijn jonge lichaam zal bederven.
Maar God vergeet mij en een rillend riet,
zo lig ik in zijn armen, die mij kérven,
mij weerloos schaap, dat men hem slachten liet.
Goed, dat ‘koud als marmer’ is een cliché en David wordt wel erg afschrikwekkend gemaakt met die ‘bijtende’ haren en dat zwarte gebit en ook dat ‘kerven’, met een accent, is overdreven, maar het gegeven uit de Bijbel wordt wel op een originele manier behandeld.
In het tweede gedicht in de cyclus is David in het begin nog steeds onaantrekkelijk, maar aan het eind van het gedicht is hij mild en begripvol:
Mijn boezem is Hachíla, mijn gezicht
Gilboa - daar is Jonathan gestorven...
Ach! drukt hij daarom steeds mijn ógen dicht?
Verhaagen is niet oud geworden. Ab Visser vertelt dat hij al eerder verkondigde dat hij de veertig niet zou halen en dat Visser dat aanstellerig vond klinken voor iemand die lichamelijk niets leek te mankeren. In 1948 ging Verhaagen op vakantie bij vrienden in Turijn. Hij werd getroffen door een hersenbloeding en overleed. De krant waarvoor hij schreef meldde in een ‘kort bericht’ dat ‘de journalist N. Verhaagen’ was overleden. Laten wij niet de journalist, maar de dichter gedenken. Al is het maar voor even.
maandag 8 juni 2026
Los (Merel Bem)
Tijdens de groepsreis ZelfBewust Wandelen & Communicatie (zbwc) ontdek je hoe het is om écht te wandelen in BewustZijn. Met aandacht voor je lichaam, je omgeving, het moment & de mensen die tijdelijk met je meebewegen. Los van dwang. Los van ruis. (...)
Ben jij iets van jezelf verloren onderweg? Wil jij loskomen van oude patronen en stevig in je eigen kracht gaan staan? Dan is deze wandelworkshop voor jou! gun jezelf dit. Zet die stap. Laat los & word heel.
Madeliefjes
Ik snap wel dat je daarin gelooft. Ze groeien hier gewoon óp de stenen, dat je denkt: hóé dan, joh?
Die madeliefjes staan ook prominent op de cover de roman.
Los begint met een proloog, waarin Anja net de groep wandelaars verlaten heeft. Blijkbaar is de spanning hoog opgelopen.
Ze voelde de verbaasde blikken van de anderen in haar rug, maar het was al te laat, daar ging ze, het was hun eigen schuld. Hadden ze haar maar niet de hele tijd over het hoofd moeten zien.
Kleurloos
Door de jaren heen was Anja gewend geraakt aan haar onzichtbaarheid, waardoor ze soms eenzaam was, maar vaker nog - ze schaamde zich er bijna voor - comfortabel en vreemd bevoorrecht. Niet bekeken worden was zo lekker rustig.
Moeder
Ironie
Enige dramatiek
vrijdag 5 juni 2026
Afgestoft: Justus de Harduwijn
Een groot deel van onze literatuurgeschiedenis bestaat uit namen. Sommige namen kent bijna iedereen, maar dat wil niet zeggen dat het werk van deze schrijvers ook gelezen wordt. Wie leest nog de sonnetten van Kloos? Wie heeft een bundel Vondel op zijn nachtkastje liggen? Wie kan drie gedichten van Bilderdijk reciteren? Hun werk is vindbaar, maar het wordt nog maar weinig gelezen.
Er zijn dichters die intussen zover onder het stof terechtgekomen zijn, dat zelfs hun namen door velen vergeten zijn. Justus de Harduwijn, Joannes Reddingius, H.W.J.M. Keuls, bijvoorbeeld. Van enkele van die dichters wil ik in deze rubriek het stof af blazen.
Sonnet V
't En is de blondheid niet van uw gestruiveld haar,
't en is uw voorhoofd niet zo matig opgerezen,
't en is uw windbrauw niet, noch uwen mond geprezen,
en vieriglijk aanbeên van zo menig minnaar;
't en zijn uw lipkens niet, die elkeneen voorwaar
wonden als 't hen gelieft, en wederom genezen;
't en zijn uw deugden niet, noch uw bevallig wezen,
noch het toov'rig gelaat dat in u schijnt eenpaar;
't en zijn uw wangen niet, met purperrood begoten;
't en zijn die perels niet, in uwen mond gesloten;
't en is uw tale niet, nochtans als heunig zoet;
maar 'tgene dat mijn jeugd als een blad komt verdrogen,
en jongjarig hert van binnen branden doet,
en is anderszins niet, dan 't raaisel uwer ogen.
Justus de Harduwijn
Eind jaren tachtig fietste ik dagelijks naar en van mijn werk, twee keer een uur. Ik kortte de tijd met lezen tijdens het fietsen. Het is even wennen, maar als je de witte streep van het fietspad onder de punt van je boek door laat glijden, is het te doen. Tijdens die fietstochten las ik veel poëzie; korte zinnen, waarvan je nog eens kunt opkijken. Een van de dichters die ik toen las, was Justus de Harduwijn, die toen al driehonderdvijftig jaar dood was, maar al die jaren vielen weg en zijn stem klonk nog glashelder.
Justus de Harduwijn werd geboren op 11 april 1582 in Gent, in een intellectuele en kunstzinnige omgeving. Zo was zijn vader (François) bevriend met een van de eerste renaissancedichters uit onze literatuurgeschiedenis, jonker Jan van der Noot. Justus erfde van een oom een rijke bibliotheek, en een andere oom (Maximiliaan de Vriendt) stimuleerde hem en wees hem de weg naar het humanisme. De Vriendt liet hem onder anderen Petrarca lezen en Justus' vader bracht hem op de hoogte van de nieuwe poëziestromingen in Frankrijk (de Pleiadedichters).
Met de elite van de jeugd werd Justus onderwezen door de jezuïeten. In 1600 ging hij naar Leuven om daar de beide rechten te gaan studeren.
In 1607 werd De Harduwijn tot priester gewijd en aan het eind van dat jaar werd hij benoemd tot pastoor van Oudegem en Mespelaar (bij Dendermonde). In 1613 verscheen anoniem zijn eerste bundel: De weerliicke (wereldlijke) Liefden tot Roose-Mond. De gedichten waren waarschijnlijk al een decennium eerder geschreven, maar De Harduwijn had ze tot die tijd niet uit willen geven. De hoogleraar Erycius Puteanus, factor van de rederijkerskamer in Aalst, was ervan overtuigd dat de gedichten van De Harduwijn belangwekkend waren en samen met enkele literaire vrienden van de dichter, kreeg hij hem zover dat hij zijn poëzie uit handen gaf.
De weerliicke Liefden tot Roosemond bestaat uit een krans van vijftig sonnetten met daar tussendoor enkele liedjes, oden en elegieën gevlochten. De bundel toont ons de opbloei en het verbloeien van een liefde. Het is de eerste bundel in het Nederlands die op die manier gecomponeerd is.
Wie het bovenstaande gedicht leest, merkt dat De Harduwijns gedicht nog niet in zuivere jamben is geschreven, maar hij hanteert het metrum al veel soepeler dan bijvoorbeeld Van der Noot. In navolging van Petrarca benoemt hij allerlei schone onderdelen van zijn geliefde Rozemond, waarbij vooral het hoofd uitgebreid aandacht krijgt: haar, voorhoofd, wenkbrauw, mond, wangen, tanden. Het mooie is dat De Harduwijn al deze schoonheden noemt, maar ze aan het eind van het gedicht weer relativeert. Al die dingen vallen in het niet bij ‘het raaisel uwer ogen’.
Het stralen van Rozemonds ogen maakt zo'n indruk op de dichter dat de rest erbij verbleekt.
In het sonnet ervoor had hij nog geschreven hoe juist het haar, de tanden, de lippen enzovoort hem duizendmaal per dag deden ‘hersterven en herleven’:
O blond-gestruiveld haar! Haar dat de zon beraait,
dat mijn jongjarig hert houdt zo strange bevangen!
O tanden van ivoor! O sneeuwwittige wangen,
die 't pinseel van Apell' met purper heeft verfraaid!
[...]
Rozemonds ogen moeten iets bijzonders geweest zijn. Maar liefst zesenzestig maal noemt De Harduwijn ze in zijn gedichten. Maar ze laten slechts zijn jeugd verdrogen en zijn hart branden, want blijkbaar moet Rozemond niet veel van de dichter hebben. In een ‘klachtdicht’ schrijft De Harduwijn dan ook ‘Schoonheid zeer zoet in 't oog, bitter nochtans in 't hart.’ Zijn aanbedene zal het geschenk dat hij haar met nieuwjaar aanbood, dan ook niet aangenomen hebben:
Heden, als elk zijn lief met giften gaat vereren,
schenk ik u voor nieuwjaar mijn herte, Rozemond.
(Sonnet XLI)
Velen, vooral uit de omgeving van Harduwijn, hebben gesuggereerd dat het hele Rozemondverhaal maar een literair spel is, misschien om de priester De Harduwijn uit de wind te houden. Het zou liefde zonder liefde zijn, amor sine amor. Ik geloof er niets van. Het hart van de dichter klopt er voor mij nog zo duidelijk hoorbaar in, dat niemand mij wijsmaakt dat het maar papier is, dat het maar letters zijn. Voor mij is het allemaal waar, of het nu echt gebeurd is of niet.
Met de Rozemondbundel liep het bijna even triest af als met de liefde van de dichter. Even als later Luyken zou doen, herriep De Harduwijn zijn bundel, nam exemplaren in en vernietigde ze. Hij nam uitdrukkelijk afstand van zijn ‘Venus gejanksel’. Daarna zou hij nog alleen geestelijke poëzie schrijven (die trouwens ook van hoog niveau zou zijn). Lange tijd waren daardoor de liefdesgedichten onvindbaar. In de zevendelige literatuurgeschiedenis van G. Kalff, waarvan het laatste deel in 1912 verscheen, wordt De Harduwijn niet eens genoemd. Pas in 1913 dook het tot nu toe enige bekende exemplaar van het Rozemondbundeltje op. Nog in 1972 volgde een tweede druk van een heruitgave en Komrij gunde De Harduwijn in zijn bloemlezing acht gedichten, waarvan zeven uit Rozemond. Het heeft niet geholpen, vrees ik.
donderdag 4 juni 2026
Bardo deel 3 (Rege) en deel 4 (Bardo) (Odija / Stefaniec)
Genesis
Vuile handen
Gelaagd
woensdag 3 juni 2026
Speldjes, sleutelhangers, stickers
![]() |
| Huis van de familie Zwijnen, aan de dijk in Andelst |
Als ik nog maar heel klein ben, is er een rage: speldjes. Je krijgt ze bij de boodschappen. Wij hebben er ook wel een stelletje. Die prikken we in het behang. We sparen ze niet echt. Er zijn mensen die hebben een groot stuk schuimrubber, bijvoorbeeld in de vorm van een hart en daarop prikken ze de speldjes, soort bij soort.
Als ik iets ouder ben (klas 4 of 5 van de lagere school?) is er een nieuwe rage: sleutelhangers. Bij bijna elk product kun je een sleutelhanger krijgen, vaak in de vorm van dat product: een pak koekjes, een fles afwasmiddel, een stuk zeep, een zakje soep, een fles slasaus.
Bij mijn vriendje Gerard hebben ze er heel veel. Ik heb het idee dat zijn moeder juist die boodschappen bestelt waarbij je sleutelhangers krijgt. Ik kijk mijn ogen uit als ik bij hen in de huiskamer kom: langs de wand hangen lange slingers van sleutelhangers. Er is trouwens veel te zien in de huiskamer: vrouw Zwijnen houdt van prulletjes.
Verder doet ze niet zoveel in huis. Meestal zit ze te haken en je kunt altijd bij haar gaan zitten kletsen. Koken doet haar man, Wim Zwijnen. Ik eet daar nooit mee, maar in de keuken ruikt het altijd naar gekookte aardappels.
De familie Zwijnen woont in een huis dat tegen de dijk aan staat. Overal zijn trappen. Meestal ga ik achterom. Als het water van de Waal erg hoog staat, kan dat bijna niet. Het hele erf loopt dan onder en soms komt het ook in het achterhuis.
Er is een hokje voor geiten of varkens, maar daar zit bijna nooit wat in. Misschien staat het konijnenhok in dat varkenshok. Gerard moet altijd ‘kettingpollen’ voor de konijnen verzamelen. Dat woord ken ik helemaal niet. Volgens mij is het gewoon het blad van de paardenbloem.
Hij heeft wel meer dingen waar ik mijn bedenkingen bij heb. Zo mag hij niet dicht bij het water komen. Daarin zit de oude Jood, hebben zijn ouders verteld en die trekt hem het water in. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Het lijkt mij onzin.
Achter het huis bij Gerard is een brede sloot, een soort strang. In de zomer staat het water soms heel laag en valt het strangetje gedeeltelijk droog. Dan bestaat het voor een deel uit modder. We zien een keer een oude schoen half in de modder. ‘Een schoen van de oude Jood,’ zegt Gerard. Zegt hij dat als grapje? Ik kan me niet voorstellen dat hij het meent en zeg maar niks.
Als je het hokje voorbij bent, kom je op de vrij kleine deel. Daar staat veel rommel. Er is eigenlijk alleen een paadje waarop je kunt lopen. Op die deel wordt wel hout gehakt. Vader Zwijnen hakt hele smalle houtjes om de kachel aan te maken. Wij doen dat met turf.
En Roel en Joekie (zoals we Gerard vaak noemen) sleutelen er wel aan brommers en fietsen. In de hoek van de deel staat een hokje met de wc, net als bij ons.
Je gaat rechtsaf, richting het voorhuis, een paar treden omhoog. Dan kom je weer bij een deelachtige ruimte. Rechtsaf is de keuken. Die is heel donker en vrij nauw. Er staat een tafel met stoelen in, waar je maar net omheen kunt lopen, en er is een aanrecht en een gootsteen. Door het raam erboven kijk je uit op de uiterwaarden Er staat ergens een radio, die vaak aan staat. Op Radio Veronica. En in de hoek staat natuurlijk een kachel.
Weer terug naar het kleine deeltje. Met een stenen trap van een trede of vijf kom je op dijkhoogte. Links zie je de voordeur, rechts is de deur van de kamer, recht voor je de slaapkamer van Gerards ouders en de trap naar boven. Daar zijn de slaapkamers van de kinderen. Achter je rug is er een zolder waar we wel eens wat rommelen. Het is een soort opslagruimte. Je kunt er vanaf de dijk in en dan is het eigenlijk gewoon een schuurtje.
Maar goed, in die kamer hangen dus al die sleutelhangers. Wij hebben ze ook. Niet zoveel als bij Zwijnen, maar wel aardig wat. Ik vind de poppetjes het mooist. Bij de jam krijg je popjes uit de Flipjeverhalen: Flipje zelf, juffrouw Schaap, Bertje big, Jasper aap en die oude ram in zijn zeemanspak. We hebben veel meer poppetjes: Swiebertje en Bromsnor, de rattenvanger van Hamelen, Pipo en de Dikke Deur, smurfen. Als je er hard aan trekt, kun je ze uit elkaar trekken, maar dan zijn ze wel kapot. Dat doe ik wel eens.
Als ik nog iets ouder ben, zijn er stickers. Die krijg je trouwens meestal niet bij de boodschappen, maar allerlei zaken hebben ze. Mijn vader krijgt ze bij het tanken. In Slijk-Ewijk is er een tankstation bij een man die Tineke Paul heet. Die heeft op de lagere school bij mijn vader in de klas gezeten. Hij heeft een bult achter in zijn nek. Tineke is een rare naam voor een man, maar hij blijkt Martien te heten. Martineke, dus. Als we het vragen, krijgen we stickers met FINA erop, het benzinemerk dat hij verkoopt.
Bij Esso krijg je dierenstickers. Die kun je verzamelen. We hebben er wel een paar. Op eentje staan twee zwemmende ijsberen. Maar mijn vader tankt bijna nooit bij Esso, dus we sparen ze niet. Er zijn albums waar je de stickers in kunt plakken, maar ik ken niemand die zo’n album heeft.
Mijn vader tankt meestal Shell, bij Latta, aan de Waalstraat in Andelst. Daar hebben ze stickers van raketten, de Apollo’s. Ik heb een grote poster waar ik ze op kan plakken. In juli 1969 is er voor het eerst een Amerikaanse raket op de maan geland. Daarmee waren ze de Russen mooi te snel af.
Wij moeten op school een werkstuk maken over Apollo 11. Gelukkig heeft mijn oma een krant, anders zou ik niet weten hoe ik dat zou moeten doen. Ik hou ook niet zo heel erg van werkstukken maken.
Maar goed, ik knip wat artikelen uit de krant en schrijf daar wat bij. Ik haal ergens (waar?) twee blaadjes blauw papier vandaan, die de kaft kunnen vormen. Daarna knip ik gaatjes in alle blaadjes, met de grijze perforator van mijn vader. Die heeft hij altijd bij zijn boekhoudspullen liggen. Als je de onderkant openmaakt, heb je confetti.
Door de gaatjes doe ik een draadje wol en dan heb ik een boekje. Als ik er een cijfer voor gekregen heb, zal het wel voldoende zijn geweest, maar niet zoveel meer.Mijn vader moet geregeld tanken en uiteindelijk heb ik de hele poster vol met stickers. Die van de Apollo 11, met de adelaar is het mooist, maar de sticker met de drie paarden met lange manen mag er ook zijn. Ik plak de poster boven mijn bed.
Mensen plakken overal stickers op. Bij BP zijn er stickers van smurfen en die zie je veel op de achterruit van auto’s: ‘Als u dit kunt lezen, smurft u te dichtbij.’ Die stickers blijven nog wel een tijdje, ook als ik al op de middelbare school zal zitten. Maar daar heb ik het nu niet over.
Er is nog meer om te verzamelen. Mijn moeder heeft onderzetters van Rick de Kikker. Ze zijn van plastic in allerlei vrolijke kleuren. In het midden een afbeelding van Rick. Op eentje zit hij op een schildpad, op een andere zit hij te vissen. Ik heb een plat plastic poppetje van Rick met een voetbal. Het kan blijven staan.
Ik heb meer van die platte poppetjes. In sommige zit schuimrubber, zodat ze zacht aanvoelen. Ze kunnen niet allemaal blijven staan. Ik heb bijvoorbeeld Lucky Luke en Batman. Ik neem ze mee naar school. Als ik in de hoogste klas zit, schrijven we al niet meer met pen en inkt, maar de schoolbanken hebben nog wel inktpotjes. Daar kun je de figuurtjes in zetten.
Mijn moeder heeft ook glazen, van Bolletje. Daarop staan een soort cartoons met de tekst ‘Ik wil Bolletje!’, bijvoorbeeld van een jongetje dat staat te springen op de buik van zijn vader, die nog in bed ligt. Hij roept ‘Ik wil Bolletje!’
dinsdag 2 juni 2026
Want ik besta (Jurrian van Dongen / Stien van Kerkckhoven)
Dat is allemaal wel heel lang geleden, maar ook in de twintigste eeuw werden liedteksten nog veelvuldig gebundeld. Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar heeft in de serie Pluche gebundelde liedteksten uitgebracht van onder anderen Lennaert Nijgh, Jules de Corte, Drs. P., Eli Asser en Raymond van het Groenewoud. Daar heb ik vaak uit voorgelezen aan het begin van een les, net als uit bijvoorbeeld Ik zou je het liefste in een doosje willen doen. Oud-leerlingen refereren daar nog wel eens aan.
Het is dan ook niet zo gek dat nu Want ik besta is verschenen, een bundeling van liedteksten die geschreven zijn voor Het Klokhuis door Jurrian van Dongen. Het Klokhuis heeft, voor zover ik weet, vanaf het begin (1988) liedjes gehad, en altijd geschreven door goede tekstschrijvers, zoals Willem Wilmink en Hans Dorrestijn. Ook die liedteksten zijn indertijd gebundeld.
Veel van de genoemde bundelingen zijn waarschijnlijk voornamelijk gelezen door volwassenen en soms werd er in de presentatie van de teksten geen onderscheid gemaakt tussen gedichten en liedteksten. Ze zeggen dat de aarde draait (1988) van Willem Wilmink heeft als ondertitel '37 nieuwe gedichten', terwijl je aan de vorm kunt zien dat sommige ervan als lied zijn bedoeld. Wilmink gebruikte vaak drie strofen (coupletten, moet ik eigenlijk zeggen) van zes regels, waarbij de derde en de zesde regel korter zijn dan de andere. Ook het lied waaraan de titel van de bundel ontleend is ('Mijn wetenschap') heeft die vorm.
Uit Want ik besta leer ik dat bij het Het Klokhuis nog steeds af en toe teksten gegoten worden in een bestaande mal. In de bloemlezing is 'Boeiende groente' opgenomen (over broccoli) en in de aantekening erbij noteert Van Dongen dat er met deze vorm meer dan twintig korte liedjes zijn geschreven.
Voor kinderen
Aan het eind van de bundel staat bij elke liedtekst een korte aantekening. Deze aantekeningen zijn voor kinderen bedoeld. Soms om de context uit te leggen. Je mag ervan uitgaan dat niet ieder kind weet heeft van Srebrenica en dat je dus moet uitleggen wat daar gebeurd is als een kind het lied 'Meisje in Srebrenica' te lezen krijgt. Er wordt bij een andere tekst ('De ridder met het vastgeroeste harnas') uitgelegd dat het een scèneliedje is, een kort toneelstukje op muziek.
De hele bundel is bedoeld voor kinderen. Dat merk je niet alleen aan de aantekeningen aan het eind van het boek, maar veel meer nog aan de vormgeving van het boek. Het heeft het formaat van een prentenboek en het heeft ook wel die uitstraling, vooral door de prachtige tekeningen van Stien Van Kerckhoven. Het zijn paginagrote tekeningen en soms beslaan ze twee pagina's. Enkele teksten zijn afgedrukt op een gekleurde achtergrond, zodat ze min of meer in de tekening zijn opgenomen.
Ziekenhuis
Dat alles zorgt ervoor dat Want ik besta niet alleen een leesboek, maar vooral een kijkboek is. Niet alleen de teksten, maar ook de tekeningen laten je nog even nadenken. In bijvoorbeeld 'Ziekenhuis' gaat het over een vader van wie het kind zich in een ziekenhuis bevindt. In de aantekening is te lezen dat het gaat over het Maxima Centrum, voor kinderen met kanker. Daar zijn gamekamers en hangplekken, en iedereen doet zijn best om het verblijf voor het kind zo fijn mogelijk heeft:
Oké, je hebt een kamer met balkonDus je kan veel naar buiten kijkenDe kleuren en de gangen doen hun bestNiet op een ziekenhuis te lijkenEen eigen hangplek met de nieuwste gamesAl lig je hier niet voor je plezierAls je toch zo ziek moet zijnDan maar hier.Oké, je noemt het zelf een soort hotelEn alle dokters maken grapjesHet eten vind je lekkerder dan thuisAl neem je soms maar kleine hapjes(...)
(...)En het hoort nietHet hoort gewoon nietJij hoort hier niet te liggenik hoor hier niet zo dom te staanMet m'n halfzachte beloftesVan beter wordenEn dan weer naar huis toe gaan(...)
Want ik besta
Dat je ons nooit uitzwaaitAls pappa mij komt halen, mamWeet je wel hoe rot dat voelt?En pap, dat jij om mammaniet naar m'n schooltoneelstuk kwamIs raar, en ook niet eens voor mij bedoeld.Doe gewoon normaalIk voel me bijna een verraderAls ik vrolijk bij de één de ander belHeel lang getrouwd is niet geluktMaar een lieve moeder en een lieve vaderKan toch nog wel?(...)
Dat ik van mijn vader hou,doet moeder soms verdriet.En dat ik van mijn moeder hou,dat weet mijn vader niet.Zo draag ik mijn geheimen meeen loop van hier naar daar.Nog altijd hou ik van die tweedie hielden van elkaar.
Doe gewoon normaalDoe alsof je niet meer weetWaarom jullie ooit trouwdenMaar geef elkaar geen duizend trappen naEr is nog altijd één bewijsHoeveel jullie van elkaar hebben gehoudenWant ik besta
Mijn vader is een lieverd,mijn moeder is een schat,maar dat mijn vader ooit ietsmet mijn moeder heeft gehad,dat kan ik niet begrijpen,daar kan ik echt niet bij.Ze hebben niets, maar dan ookniets gemeen, behalve mij.
Dementerend
(...)Soms ben ik bangWant je wordt vast nooit meer beterOok al voel je je niet ziekMaar dat je vroeger trots en groot en sterk wasEn met mij in je moestuin aan het werk wasEn alle lieve dingen dingenDie je ooit tegen me zeiOnthoud ik wel voor ons allebeiEn zelfs als je m'n naam straks niet meer weetZie ik nog wie je was en wat je deedLieve opa,Daar kun je op vertrouwenIk zal je, tot ik zelf oma wordt, onthouwen
Struisvogel
Voor op het boek staat een jongen op de rug van een struisvogel. In het boek komt nog 'Struisvogels wiegelied' voor, dat meteen doet denken aan 'Stekelvarkentjes wiegelied' van Annie M.G. Schmidt. In de aantekeningen wordt daar ook naar verwezen.
De moederstruis, zingt een wiegelied voor haar kind: een vogel die niet kan vliegen. Moeder troost het kind en ziet al voor zich hoe het kind, eenmaal volwassen, weer haar kind zal troosten:
(...)Laat ze lachen, StruisjeDaar raak je aan gewendEn ben je 't moeM'n schat dan doe jeOf je er niet bentDe lucht is toch al overvolAntennes, toren en SchipholDat is niks voor jouVooruit ga slapen nouOoit sta jij stevig en gezondMet beide benen op de grondEn komt het eens op rennen aanDan lach jij in je vuistjeWelterusten, Struisje
Twee vaders
Twee vadersIk heb één vaderMaar eigenlijk zijn het er tweeDe één helpt bij m'n huiswerkKoopt cadeaus en neuriet blijDe ander schreeuwt en drinkt en slaatM'n moeder en m'n broerEn soms ook mijZo vreemd, ik snap er zelf maar weinig vanDat de handen die me knuffelen en pijn doenHoren bij dezelfde manIk heb één vaderMaar eigenlijk zijn het er tweeEn nooit, als ik naar huis ga,Weet ik wie er op me wachtDe stomme lijkt nooit heel ver wegZelfs als de leuke vrolijk naar me lachtIk heb één vaderMaar eigenlijk zijn het er tweeWie zou dat ooit begrijpen?Hoe hij is, weet ik alleenLaatst toen de kwade me weer sloegZag ik heel kortDe lieve er doorheenAlsof iets in hem zeggen wou:Ik wil dit nietIk hou van jouEn toen hij stil m'n kamer weer verlietMoest ik huilen omdat ik de rotzak haatteMaar de lieve vader niet
![]() |
| Twee vaders |





































