Posts tonen met het label Column. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Column. Alle posts tonen

zondag 28 juni 2026

Schandoalen op d'n dijk! (De korte broek)

Bij Ouwenhands Dierenpark, in korte broek. Met zus en broertje.

Geregeld luister ik naar oude popmuziek, uit de jaren zestig en zeventig, bijvoorbeeld op Radio 192. Een van de presentatoren, Rob van Wezel, zegt wel eens bij het uitzenden van een top 40 uit pakweg 1965: 'Toen liep ik nog in korte broek.' En dat wil dus zeggen dat hij nog een klein jongetje was. Grote jongens, en zeker volwassen mannen, liepen niet in korte broek. Dat was kinderkleding. 

Van Wezel is twee jaar ouder dan ik; ik ben van 1959. Onlangs vroeg ik me af wanneer die overgang was van korte tot lange broek. Helemaal zeker weet ik het niet, dus corrigeer me vooral als mijn geheugen weer eens loopje met me neemt, maar ik vermoed dat de scheiding tussen kort en lang lag bij de overgang van de vijfde naar de zesde klas. Voor de jongere lezer: bij de overgang van groep zeven naar groep acht. 

Als je eenmaal in de hoogste klas zat, hoefde je in de zomer niet meer de korte broek aan, dan was je 'groot'. Het voelde als een overgang vergelijkbaar met die van je zesde verjaardag, als je naar 'de grote school' ging, naar de eerste klas (nog maar waar eens uitgelegd: nu groep 3). Daarvoor zat je op de kleuterschoool, maar hoeveel kinderen daarheen gingen, weet ik niet. Mijn ouders stuurden mij daar niet heen. 

Op de middelbare school droeg geen enkele jongen een korte broek. Meisjes deden dat wel: het was begin jaren zeventig en toen was de hotpants in de mode. Maar ik beperkt me in dit stukje tot de korte jongensbroek. 

Bij gym droegen we natuurlijk een sportbroekje, maar bij het naar school gaan haalde niemand het in zijn hoofd om in korte broek te komen. Een anekdote van nog eerder maakt dat misschien nog wat duidelijker. 

Het was eind jaren vijftig. Mijn moeder hielp bij een gezin waarin net een baby geboren was of geboren zou worden. Voor degenen die bekend zijn met de situatie in Hien: het was het gezin van Dirkje en Marinus Crum, in de 'stikke drèj'. Het huis stond onder aan de waaldijk, in een bocht. Terwijl Dirkje en mijn moeder op een zomerdag binnen bezig waren, kwamen twee kinderen opgewonden van buiten: 'Mama, mama! Schandoalen op d'n dijk!' 

Daar liepen twee mensen in korte broek. Mijn interpretatie van nu is dat daar waarschijnlijk twee mensen liepen die aan het trainen waren voor de Vierdaagse van Nijmegen. In de weken daarvoor zagen we geregeld mensen die 'zomaar' aan het wandelen waren. Dat deed je ook niet, maar dat is een ander verhaal. 

Toen mijn moeder dat jaren later aan ons vertelde, deed ze dat wel met een brede glimlach. De kinderen hadden er indertijd geen idee van dat mensen in korte broek konden lopen, zonder er 'vur schaand' bij te lopen. Het laat wel zien hoe ongebruikelijk de korte broek was. 

Volwassen mannen in korte broek, dat moesten wel 'stadsen' zijn, mensen die meer rare gewoonten hadden, zoals op vakantie gaan. In mijn familie ging er niemand op vakantie. Juist in de zomer was het druk, met bijvoorbeeld het oogsten van het fruit en met het hooien. 

Waren er dan geen plattelanders in korte broek? Hier en daar wel. De zoon van loonwerker Hanhart, Tutje, zat in korte broek op de trekker. Mijn vader vertelde dat er wel altijd bij: Tutje zat op de trekker 'in een kort bökske' en reed nogal hard over het land. Een wilde jongen blijkbaar, die zich niet aan de regels hield. Daar werd goedmoedig om geglimlacht. Ik herinner me meer verbazing dan afkeuring. 

Mijn vriendin vertelde me dat ze een katholiek vriendje had, uit een ander dorp. Die zou op een zondag met haar en het gezin van haar ouders meegaan naar de kerk. Toen hij de kerkbank in schoof, bleek hij een kort sportbroekje aan te hebben. Vanuit zijn gezichtspunt was het al heel wat dat hij naar een protestantse kerk ging, voor het gezin van mijn vriendin was het volstrekt ongepast. Eigenlijk droeg je al geen korte broek en zeker niet als je naar de kerk ging. 

Ooit hoorde ik iemand het volgende rijmpje opzeggen:

Al doet de zomer ons nog zo zweten, 
de korte broek is voor proleten. 
Wie de auteur van deze regels is, weet ik niet. Degene die het korte gedichtje citeerde, was waarschijnlijk bezig met een achterhoedegevecht. Op mijn werk zie ik heel wat mannen rondlopen in een korte broek. Die broek is in de loop der jaren wel langer geworden: op de knie of maar een klein beetje erboven. De korte broek is gewoon geworden. 

In de zomer ben ik examinator voor de Staatsexamens en daar is de korte broek nog taboe. Toen een nieuwe examinator in een korte broek verscheen, werd hij teruggestuurd. Als vertegenwoordiger van de Staatsexamens, diende hij gepast gekleed te gaan. 

En ik? Ik haal het niet in mijn hoofd om in korte broek naar mijn werk te gaan. Het zal iets uit mijn jeugd zijn: als je 'groot' bent, hoor je niet in korte broek te lopen. Als ik in een vakantie ga wandelen in de bergen loop ik wel in korte broek, wat aan de ene kant prettig is (niet zo warm) en aan de andere kant ook ongemak geeft: als ooit-roodharige moet mijn bleke huid zorgvuldig ingesmeerd worden als ik verbranding wil voorkomen. 

Als ik in en om het huis ben, zou ik best een korte broek aan kunnen trekken. Ik heb zulke broeken immers in mijn garderobe, maar meestal denk ik er domweg niet. Mijn vriendin moet me er dan op attent maken dat ik best een korte broek had kunnen aantrekken. En soms doe ik dat dan alsnog. Vaak ook niet. 

Het is warm in deze dagen. Mocht je mij zien lopen in mijn spijkerbroek, dan weet je hoe het komt. Iets uit mijn jeugd. 


Misschien heb je ook belangstelling voor deze bijdragen:

(over het gebruik van washandjes en katoenen zakdoeken. En het strikken van veters)
Aan de deur (een serie bijdragen over de mensen die bij ons aan de deur kwamen)

donderdag 22 januari 2026

Winter


(column, voorgelezen bij Cultureel Café Dante)

Het is winter. Weliswaar is de sneeuw weg en wordt er niet meer geschaatst op natuurijs, maar wie het wereldnieuws volgt, zet zijn kraag op, slaat de sjaal een extra keer om de hals en drukt de bontmuts wat dieper in de ogen: kilte alom. En dan zitten we nog wel op een vrij rustig plekje op aarde en niet in Taiwan, Venezuela of Groenland, om van Oekraïne, Gaza, Soedan of Iran nog maar te zwijgen.

Maar veel mensen maken zich zorgen, en terecht. Alles wat op het wereldtoneel stabiel leek, is aan het schuiven gegaan en veel zekerheden brokkelen af onder onze vingers. Geen wonder dat mensen kampen met depressie en burn-out, dat er gesprekken gevoerd worden waarbij zorgelijk gekeken wordt. Het is winter en Van de Hulst zou zeggen dat het ‘bitter, bitter koud’ is.

In 2024 bleek uit een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam dat mensen in tijden van angst en onzekerheid optimistischer worden en daarop wordt ook wel ingespeeld: een toekomstig premier roept steeds dat het wel kan en iemand die premier had willen zijn roept dat de zon gaat schijnen in Nederland. Maar om ons heen horen we vooral het woord crisis: klimaatcrisis, wooncrisis, asielcrisis, energiecrisis, geopolitieke crisis.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde eind 2025 het onderzoek Naar een toekomst die jongeren toekomt. Daarin werd aan jongeren gevraagd naar de zorgen die ze hebben om de toekomst, maar ook naar datgene wat hen kon steunen. Een aantal vragen ging over het ‘cultureel kapitaal’: hoe vaak ga je naar een museum, zijn er boeken in huis? Blijkbaar is de cultuur een medicijn tegen de somberheid. Juist de cultuur kan ons optillen uit onze dagelijkse sores.

Ik merkte dat zelf aan het eind van de coronaperiode (ook al een crisis!), toen ik voor het eerst weer naar een expositie kon. Ik dacht dat ik de tijd van lockdowns aardig was doorgekomen, maar pas toen die voorbij was, merkte ik hoezeer ik de kunst gemist had.

En daarom is het zo mooi dat er hier maandelijks een cultureel café is. Niet alleen omdat het gezellig is, niet alleen omdat er mooie dingen te zien en te horen zijn, maar ook uit oogpunt van de volksgezondheid. Ik snap dat Dante de drempel laag wil houden en alleen een vrijwillige bijdrage vraagt in de collectezak, maar als je voor de toegang flink zou moeten betalen, zou je dat geld terug moeten kunnen krijgen van je ziektekostenverzekering. Een avond Dante spaart heel veel andere zorg uit.

Je kunt op zo’n donderdagavond gaan sporten, maar het is belangrijker voor je mentale gezondheid om je onder te dompelen in een cultuurbad. Hier is het warm, hier schijnt de zon, hier kan het wél. Hier kun je je jas uitdoen en je sjaal af, en leg die bontmuts maar op de kapstok.

Buiten is het winter, buiten heerst de kou, wat buiten gebeurt laat je tanden klapperen. Maar wij zitten hier met muziek, zalf voor onze ziel. Met kunst, balsem voor onze ogen. Met elkaar, met de warmte die we elkaar geven. We veroorzaken onze kleine geestelijke klimaatverandering en als we aan het eind van de avond naar huis gaan, lijkt de kou ons minder te deren. Er gloeit iets in ons waar we nog lang op kunnen teren.

(bron illustratie: Chatgpt)

vrijdag 25 oktober 2024

Reünie



(column, voorgelezen in Cultureel Café Dante)

Afgelopen zaterdag was ik op de reünie van Het Streek. Ik gaf daar les van 1988 tot 1999. Voor die tijd kende ik Ede ook al een beetje. Vanaf zo ongeveer mijn zestiende fietste ik elk jaar op de laatste zaterdag van november vanuit de Betuwe naar Ede. Als ik over het fietspad langs de Tooroplaan reed en ik keek naar het zuiden, zag ik toen nog voornamelijk weilanden, met hier en daar een boerderij. 

Elf jaar lang gaf ik les op Het Streek, met veel plezier. Ik werd inwoner van Ede en intussen voel ik mij een Edenaar. 

En zaterdag was ik dus terug op school, te midden van het gewoel van een paar duizend mensen. Collega’s – oud geworden, leerlingen – veranderd en toch hetzelfde gebleven. Ze praten nog net zo, ze kijken nog net zo uit hun ogen. En dan nog degenen die er niet meer zijn. Ze zijn soms ineens in de gesprekken nadrukkelijk aanwezig. 

Een reünie is vooral veel: al die mensen die je aanschieten en die herinneringen ophalen. Veel leerlingen blijken van mij onthouden te hebben dat ik muziek draaide tijdens de leswisselingen, dat ik mijn lessen begon met het voorlezen van gedichten en dat ik las tijdens het fietsen. Voor dat laatste zou ik tegenwoordig bekeurd worden, vrees ik.  

Er zijn mensen die principieel niet naar een reünie gaan: ze zeggen die tijd achter zich gelaten te hebben. Nu zijn ze ergens anders in hun leven en ze willen niet achteruitkijken, maar vooruit. 

Het zal mijn neiging tot melancholie wel zijn, maar ik kijk graag achterom. Zonder de weg die ik ooit afgelegd heb, was ik immers niet, wie ik nu ben. En ik hou ervan om die mensen te spreken. Ooit kwamen onze levenspaden bij elkaar, we liepen een tijdje samen op en toen gingen we weer uiteen. Het was maar een paar jaar, maar het is wel belangrijk. Voor mij, althans. En blijkbaar ook voor de anderen die allemaal de moeite hadden gedaan om te komen. 

Ida Gerhardt schreef ooit de cyclus ‘Sonnetten van een leraar’. Het laatste gedicht heet ‘Karakter’. De eerste strofe luidt:

Wanneer ik eenmaal mijn pensioen zal halen
en ’t stadje làten, waar ik leraar was,
dan zal, als ze mijn gage uitbetalen,
mijn hart zijn overstempeld als een pas. 

Dat had ze goed gezien, net als wat ze in de laatste strofe vertelt: dat een docent wel een stempel op een klas kan drukken, ‘maar het is hij die duizend stempels heeft.’

Sommige van die stempels waren in de loop van de jaren vervaagd, maar ze kleurden ineens weer bij, soms al na een paar zinnen. En toen ik na afloop naar huis fietste, duizelde mijn hoofd en het duizelt nog een beetje na. 

En nu ben ik voor een avondje weer terug bij Dante en dat voelt ook een beetje als een reünie, vooral omdat Willem aangekondigd had dat we ook zouden terugblikken op meer dan vijfentwintig jaar Dante, waarvan ik er achttien van dichtbij heb meegemaakt. In september 2001 las ik een column voor waarin ik vooruitblikte op een reünie van Dante. Die column eindigde als volgt:

En over twintig jaar, bij de reünie van Dante, ben ik er weer en ik zeg tegen René Hazeleger: Wat was dat toch een mooie tijd toen Dante net begon: we konden nog lopen zonder stok en drinken zonder morsen en als we buiten plasten, spatte het grind op. We waren volmaakt gelukkig. 

Maar ook aan elke reünie komt een einde. We schudden een keer met ons hoofd om de duizeling kwijt te raken, we rechten onze rug, voor zover dat nog kan, en richten onze blik op de toekomst. Wie weet wat voor moois er om te hoek op ons ligt te wachten. 

maandag 13 maart 2023

Schrijvers en bakkers


Het is Boekenweek! Zaterdag heb ik meteen wat inkopen gedaan. Bij de boekhandel kreeg ik het Boekenweekgeschenk, geschreven door Lize Spit en bij de christelijke boekhandel het christelijke Actieboek, geschreven door Gabi de Ridder.

Voor een lezer die gewend is literatuur te lezen is het verschil pijnlijk groot: Lize Spit (van het Boekenweekgeschenk dus), schrijft in kort bestek een mooi verhaal, dat je meevoert en dat ook nog iets geeft om over na te denken. Gabi de Ridder komt niet verder dan een verhaal over iemand die zich bedrogen voelt in wat zij een relatie noemt. Aan het eind van het boek is het verhaal helemaal uit en weet je precies wat de schrijfster heeft bedoeld. Het is een sympathiek boek en de schrijfster heeft hart voor mensen, maar haar boekje bood me weinig.

Af en toe lees ik literatuur uit christelijke hoek en er zijn schrijvers die daar goede dingen doen. Maar vaker lees ik boeken waaraan ik de goede bedoelingen kan aflezen, maar die onder de maat zijn. Als je de christelijke literatuur (van nu, in Nederland) vergelijkt met de reguliere, is het alsof je de Paralympics vergelijkt met de Olympische Spelen.

Het is goed dat die Paralympische Spelen er zijn en het initiatief is sympathiek, maar er zullen geen records gebroken worden die op de reguliere Spelen gevestigd zijn.

Waarom blijft die christelijke literatuur zo achter? Daar zijn wel verklaringen voor. Allereerst zijn er veel meer schrijvers in het reguliere circuit en dus zijn er ook veel meer goede schrijvers: de wet van de grote aantallen, als ik de uitdrukking tenminste correct gebruik.

Maar er lijkt mij meer aan de hand. Achter op het christelijke Actieboek staat bij de informatie over de auteur: Gabi de Ridder wil met haar romans Gods liefde voor zwakke mensen doorgeven. Dat is een mooi streven, maar levert het ook goede romans op? Blijkbaar is het niet haar hoofddoel om gewoon een goed boek te schrijven; ze heeft een ander doel, dat in haar ogen hoger is.

Misschien zijn er christelijke bakkers die met hun brood Gods liefde willen doorgeven, maar het lijkt me dat ze in de eerste plaats lekker en goed brood moeten bakken. Als dat niet lukt, zal de bakkerij het niet redden, vrees ik.

Nu kan het zijn dat de lezers van De Ridder helemaal niet zitten te wachten op een literaire roman, maar op een menselijk boek of een theologisch of moreel verantwoord boek. Dan is het ook niet eerlijk dat ik voor Volgende week, zelfde tijd? (zo heet het Actieboek) literaire maatstaven aanleg.

In dat geval blijkt het boek van De Ridder gewoon niet voor mij bedoeld. Iemand die iets hartigs wil eten, moet niet klagen over de zoetigheid in de snoepwinkel; hij had gewoon ergens anders moeten gaan winkelen.

Maar dan toch even terug naar de christelijke literatuur, naar de schrijvers uit die hoek die wel degelijk literaire ambities hebben. Er zijn er maar weinig die tot het grote publiek weten door te dringen. Degenen bij wie dat wel lukt, waren al bekend voordat duidelijk werd dat zij geloofden. Hoe komt dat?

Het lijkt me niet dat er te weinig publiek is. Ook in de christelijke hoek (als ik die even zo vaag mag aanduiden) zijn er genoeg lezers die graag literatuur lezen.

Wellicht dat het toch in de schrijvers zelf zit. Ook als hun eerste doel is een goede roman te schrijven, speelt misschien de gedachte mee dat ze iets goeds moeten uitdragen, dat ze hun kring moeten dienen, dat ze een instrument in Gods hand moeten zijn. Mogelijk zit die gedachte niet prominent in hun hoofd, maar zeurt die toch ergens op de achtergrond. Zelfcensuur ligt dan op de loer en een schrijver die zichzelf censureert, schrijft gemankeerde boeken, denk ik.

Juist daar waar het schrijnt, juist daar waar de schaamte schuilt, de twijfel, de angst – juist op die plaatsen ontstaat de literatuur. Daar zou de schrijver moeten zoeken, zijn of haar verdediging moeten laten zakken, zich durven laten zien.

Meer vertrouwen hebben in jezelf, durven zijn wie je ten diepste bent, met alle gebreken en onzekerheden en ook meer vertrouwen hebben in de lezer. Die lezer hoef je niet uitdrukkelijk of verborgen een boodschap mee te geven. Vertel een goed verhaal en ieder haalt eruit wat voor haar of hem van belang is. Bak een zo goed mogelijk brood. Bespaar ons de misbaksels, hoe goed bedoeld ook.


(Column voorgelezen op 13 maart 2023 bij EdeFM, Kerkvenster)  


vrijdag 3 juni 2022

Collecteren

Je kunt op allerlei manieren kennismaken de de samenleving. Als je dat via Twitter doet, kom je bijvoorbeeld mensen tegen die zich boos maken over iemand op tv of die dagelijks een foto tonen van zichzelf in de outfit van de dag of die interessante weetjes verspreiden. 

Als je de samenleving wilt leren kennen via deelname aan het verkeer, kom je mensen tegen die haast hebben, die zich lomp gedragen of die zich keurig aanpassen aan hun omgeving. 

Natuurlijk heb ik dat ook allemaal ervaren en zo heb ik enig zicht gekregen op de wereld waarin ik leef, maar onlangs leerde ik andere kanten van onze maatschappij kennen, toen ik ging collecteren voor een goed doel. Dat biedt nieuw zicht op je eigen wijk. 

Bordjes en stickers

Opvallend is de grote verscheidenheid van bordjes en stickers, die allemaal het doel hebben om te voorkomen dat mensen aanbellen. De stickers proberen bijvoorbeeld verkopers en geloofsovertuigers te weren. En al die stickers brengen mensen aan bij hun deur. Ze zien er niet allemaal hetzelfde uit en ze zijn ook niet altijd aangebracht op een handige plek. Soms had ik al aangebeld voor ik het bordje ontdekte. 

Aanvankelijk vond ik die afwerend bordjes onvriendelijk, maar na verloop van tijd zag ik het stickerwoud als service: het voorkomt tevergeefs aanbellen. 

Soms wordt expliciet vermeld dat collectanten welkom zijn. Dat betekent overigens niet dat er dan altijd gereageerd wordt op je bellen en ook niet dat mensen die opendoen bij voorbaat wat geven, maar je staat wel hoopvoller te wachten op een reactie op je gebel.

Liever kloppen 

Steeds vaker las ik het verzoek: ''s Avonds liever kloppen!' Dat heeft dan te maken met slapende kindren, die anders wakker zouden worden van het geluid van de bel. Dat verzoek heb ik steeds gehonoreerd, maar kloppen klinkt zachter dan bellen en als het mooi weer is, zitten mensen in de tuin, zodat ik verschillende keren tevergeefs heb staan kloppen. 

Bij sommige huizen hangt er geen klopverzoek, maar gaan de bewoners er toch van uit dat je niet aanbelt. In mijn eigen straat deed een vrouw open, telefoon aan haar oor, terwijl ze zei: 'Nu heb ik weer een huilend kind. Ik ga echt een bordje ophangen, ik ben er helemaal klaar mee!' Daarna ging de deur weer dicht. 

Camera

Veel huizen hebben een bel met een camera. Het kan gebeuren dat je aanbelt en een stem hoort die vraagt wat je komt doen. Ik vertelde dat ik kwam collecteren. De stem zei: 'Ik kan niet opendoen, want ik ben op een feestje in Wassenaar.' Waarom zou iemand die op een feestje in Wassenaar is, willen weten wie er in Ede aan de deur is?

Blijkbaar willen we, in deze digitale wereld, voortdurend van werkelijk alles op de hoogte zijn. Misschien zijn we bang dat we iets missen, the Fear Of Missing Out. Het lijkt me vooral veel onrust te geven als je voortdurend meldingen krijgt van wat er om je huis gebeurt. 

Misschien is het gewoon angst. Er wordt maar weinig ingebroken, maar de verkopers van cameradeurbellen hebben het gevaar natuurlijk heel groot gemaakt en angst is weliswaar een slechte raadgever, maar wel eentje waarnaar gretig geluisterd wordt. Ik vermoed dat het bezit van zo'n camera de angst alleen maar vergroot, bijvoorbeeld als je wel weet dat er is aangebeld is, maar niet wie de aanbeller is. Wat doet die duistere figuur bij mijn huis?

Controle

Het lijkt me dat onze voordeuren laten zien dat wij de controle willen houden. We willen voorkomen dat er zomaar mensen aanbellen, we willen weten wie er voor de deur staat en als we de stickers geplakt hebben en de camera geïnstalleerd hebben, hebben we gedaan wat we kunnen. Dit deel van het leven hebben we een beetje onder controle. 

Ik geloof niet dat we daar gelukkiger van worden. Misschien voorkomt het hier en daar een onaangename verrassing, maar misschien ontzeggen we ons zo ook de aangename verrassingen. 

In het leven zijn veel zaken waarover we geen controle hebben en eigenlijk geeft dat ook niet. Als we altijd leven met de angst voor wat er zou kunnen gebeuren, komen we aan het leven zelf niet meer toe. 

Daarom laat ik stickers en camera bij mijn huis nog maar even achterwege. Soms zal er aangebeld worden op een onhandig moment, maar wie weet welke verrassing het leven juist dan voor me in petto heeft. 

maandag 15 maart 2021

Kerk en staat



(Column voorgelezen in het radioprogramma Kerkvenster van Ede FM)

Het is verkiezingsweek en we gaan dus weer onze stem uitbrengen. Sommige ouderen doen dat per post, de rest doet het op de traditionele manier, in het stemhokje. Daarna is het wachten op de uitslag.

Maar moeten we het in een programma als dit wel hebben over politiek? Moet er geen scheiding zijn tussen Kerkvenster en staat? Misschien, maar bijna de helft van alle Nederlanders noemt zich gelovig en geloof en politiek hebben altijd veel met elkaar te maken gehad.

Op dit moment zitten er zelfs drie christelijke partijen in de Tweede Kamer, waarvan er twee deel uitmaken van de nu demissionaire regering. In het verleden hadden christelijke partijen zelfs wel de absolute meerderheid. Dat was het laatst het geval bij de verkiezingen van 1963: tachtig van de honderdvijftig zetels. Alleen al de drie partijen die nu het CDA vormen, hadden toen samen 76 zetels. Vijftig daarvan gingen er naar de KVP.

Wanneer geloof en politiek bij elkaar komen, roepen mensen al gauw iets over de scheiding van kerk en staat, wat echt wat anders is. Die houdt namelijk in dat de kerk, als instituut, zich niet mag bemoeien met regering en wetgeving en dat de overheid zich niet inlaat met wat er in de kerken gebeurt. Natuurlijk mogen gelovigen wel plaatsnemen in een regering of in een lagere overheid, zoals politici ook een functie kunnen vervullen in het kerkbestuur.

In de Kamer en zelfs in de regering hebben in de loop der jaren verschillende dominees en priesters zitting gehad. De eerste, in 1849, was overigens een liberaal.

Vrijheid van godsdienst

De scheiding van kerk en staat is niet in de grondwet terug te vinden. Wel de vrijheid van godsdienst (artikel 6), waarbij de beperking staat: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.’

Het afgelopen jaar bemoeide de overheid zich nadrukkelijk wel met de kerken, in verband met de coronapandemie. Dat gebeurde in voortdurend overleg, maar er zijn mensen die toch vinden dat die overheidsbemoeienis te ver is gegaan. Een massale opstand van het kerkvolk is uitgebleven.

Dat komt enerzijds voort uit de opvatting dat de overheden die over ons gesteld zijn gehoorzaamd moeten worden, anderzijds zagen velen wel in dat de voorschriften van het kabinet niet onredelijk waren. De vrijheid van godsdienst was niet in het geding. Iedereen mocht nog steeds zijn eigen religie hebben en uitdragen. De vorm waarin die beleden kon worden was niet meer helemaal vrij.

Roep om inmenging

Van buiten de kerk is er wel af en toe de roep om inmenging van de overheid, als er kerken of dominees zijn die opvattingen verkondigen die je in onze maatschappij als een minderheidsstandpunt kunt zien. Maar juist daarvoor hebben we de vrijheid van meningsuiting.

Die vrijheid moeten we koesteren. Het betekent ook dat mensen die de opvattingen van bepaalde kerken verafschuwen dat ook mogen uiten en dus ook mogen demonstreren in de buurt van een kerk. Dat is onaangenaam voor kerkgangers, maar de vrijheid van meningsuiting heeft nu eenmaal zijn prijs.

Zoals gezegd, geloof en politiek zijn niet te scheiden en dat is maar goed ook. Ieder moet vanuit zijn eigen levensovertuiging politiek kunnen bedrijven.

Mogen predikanten hun politieke voorkeuren uitdragen op de kansel? Er is geen wet die dat verbiedt, al zal de kerkenraad waarschijnlijk wel in de gaten houden of de dominee daarbij niet doorschiet. Ooit hoorde ik een kerkganger verzuchten: ‘Dominee zou meer uit de Bijbel moeten preken en minder uit de krant.’

Maar goed, eerst gaan we stemmen, daarna worden die stemmen zorgvuldig geteld en dan is er een uitslag. En geen kerk of regering kan daar iets aan veranderen.

Afbeelding gevonden op deze pagina, zonder verdere bronvermelding

donderdag 24 september 2020

Zacht zijn voor elkaar


(Column vandaag voorgelezen in Cultureel Café Dante)

De herfst is eigenlijk een nazomer, er wordt met enige vertraging weer gesport, er is weer een Prinsjesdag geweest, we kunnen uit eten en naar het theater en zelfs naar het cultureel café. Het lijkt een gewone september in een gewoon jaar.

Maar dat is het niet. En nu bedoel ik niet dat elke dag bijzonder is en dat in het leven niets gewoon is, als je er maar aandacht voor hebt. Nee, ik bedoel dat het wel 2020 is en dat het een raar jaar is. We zitten met mondkapjes op in de trein, we slalommen in de winkelstraat om elkaar heen om afstand te houden, we volgen of geven colleges via een computerscherm en op onze verjaardagen komen alleen de meest nabijen op bezoek, bij voorkeur in de tuin en op ruime afstand. Het is een tijd waarin we op onze hoede moeten zijn: de anderen zijn een potentieel gevaar voor ons en wij zijn dat voor anderen.

Dat is niet prettig, want het doet onnatuurlijk aan. Het leven dient niet in allenigheid, maar in gezamenlijkheid geleefd te worden en daarom is het niet vreemd dat de afzondering ons tegenstaat, dat we er ongelukkig van worden en dat we de nabijheid van onze omgeving missen.

Er zijn mensen die zeggen dat ze dat allemaal niet meer willen, dat ze zich niet meer willen houden aan de maatregelen die afgekondigd zijn. Want die komen voort uit complotten of ze werken niet of er zijn andere redenen, die eigenlijk altijd te ingewikkeld of te simpel zijn.

Maar als je een tijdje meesurft met de suggesties die het algoritme van YouTube je geeft en als je op de sociale media alleen mensen ontmoet die net als jij denken dat er een verborgen agenda is of dat de ziekte niet bestaat of dat een pedofielennetwerk via 5G het allemaal bekokstoofd heeft, dan denk je dat alle anderen gek zijn en dat alleen jouw gemeenschapje de wijsheid in pacht heeft.

En al je meningen daarover moeten meteen openbaar gemaakt worden en liefst op een kwade toon. Anderen zullen weer boos op die meningen reageren of juichend hun instemming betuigen. Zo werkt het blijkbaar.

Van mij mogen alle mensen een mening hebben, maar ik zou het prettig vinden als ze die vaker voor zichzelf zouden houden. Laat iedereen in de beslotenheid van zijn huiskamer zijn mening op schoot nemen, haar strelen als een kat, haar koesteren, van haar genieten.

En als we naar buiten gaan, laten we onze mening in het mandje voor de kachel en zeggen we dat we het domweg niet weten. Wetenschappers die hun hele leven zich al bezighouden met deze materie hebben ook hun twijfels. Dat is inherent aan de wetenschap. Die bedrijf je omdat er dingen zijn waarvan je nog niet zeker bent.

En wij, als niet-wetenschappers op dit gebied, zijn dus leken. We weten het niet. Ook niet als we iets opgezocht hebben op Wikipedia of als we elke avond een talkshow hebben bekeken. We weten het niet en dat geeft niet. De anderen weten het ook niet.

En laten we maar niet proberen om mensen te overtuigen: daar krijgen we maar een slecht humeur van. Of die mensen het nu juist erg eens of erg oneens zijn met het regeringsbeleid, dat maakt niet uit. Mensen zijn boos, mensen zijn bang en dan roepen ze soms rare dingen. In andere tijden zou ik zeggen dat we ze zouden moeten omarmen totdat hun woede zakt of totdat ze niet meer bang zijn.

Dat kan nu niet. Maar we kunnen elkaar in de ogen kijken en zeggen: ik zie jou. Je bent niet alleen een mening, je bent geen tegenstander, maar je bent een medemens die het ook niet weet en zich daarom vastklampt aan een overtuiging, een stuk drijfhout om het hoofd boven water te houden.

We ploeteren allemaal. Hou vol. En laat al die meningen op tv en op internet maar een beetje. Er is vast nog een mooie roman te lezen, een film te zien, muziek te beluisteren. Er zijn geliefden om te omarmen, buren om mee te lachen. Laten we zacht zijn voor elkaar. En voor onszelf.


(Illustraties zijn geknipt uit advertenties tegen geluidsoverlast. De campagne daartegen, die halverwege de  jaren zeventig begon, had de slogan 'Laten we zacht zijn voor elkaar.') 

 Foto: Edwin Nieuwstraten


dinsdag 7 mei 2019

Iedere ketter heeft zijn letter


Je hebt christenen in allerlei soorten en maten en met allerlei opvattingen. Over homoseksualiteit, abortus, de positie van de vrouw (in het gezin en in de gemeente) en over het al bijna spreekwoordelijke kopen van een ijsje op zondag.

Steven Anderson, de baptistenvoorganger die onlangs de toegang is ontzegd tot Nederland en het hele Schengengebied, is een christen met wel heel uitgesproken opvattingen. Hij weet zeker van zichzelf dat hij Gods wil aan het uitvoeren is en hij beroept zich op de Bijbel, die hij voor een deel letterlijk uit het hoofd kent. Toch ondersteunden ook onverdacht christelijke partijen als de ChristenUnie en de SGP het inreisverbod voor Anderson.

Grond voor tegengestelde meningen

Alle christenen gaan uit van de de Bijbel. Dat geldt voor Anderson, maar ook voor de christenen die hem liever niet in Nederland zien. Blijkbaar kun je in de Bijbel voor tegengestelde meningen grond vinden: voor slavernij en voor de afschaffing ervan, voor het oproepen tot het doden van homo's en voor het homohuwelijk, voor en tegen het vrouwenkiesrecht. Zoals men lang geleden al zei: iedere ketter heeft zijn letter.

Misschien is dit de manier waarop het gewoonlijk gaat: mensen hebben een overtuiging en zoeken de bijbelteksten erbij die hen steunen. Zo kun je altijd beweren dat je je op de Bijbel baseert.

Bijbelgetrouwe christenen

Veel gelovigen zullen zeggen dat mensen die het niet met hen eens zijn op een verkeerde manier omgaan met de Bijbel en misschien zelfs dat zij geen echte christenen zijn. In de discussie rond de Nashvilleverklaring kwam in het Reformatorisch Dagblad in ingezonden brieven verschillende keren de term ‘bijbelgetrouwe christenen’ voor en de briefschrijvers rekenden zich blijkbaar daartoe. Waarschijnlijk vonden zij zichzelf de echte christenen; mensen met een andere mening waren slechts ‘naamchristenen’.

Steven Anderson is voorganger van de Faithful World Baptist Church. Ook in Nederland zijn er baptistengemeenten. Toch zullen er weinig baptisten zijn die in alle opvattingen meegaan met Anderson. Zo wil hij geen enkele homo in zijn kerk. Hij is ervan overtuigd dat iemand pas homoseksueel wordt als hij door God losgelaten is en dat voor zo iemand alle hoop verloren is.

Hij doet dan ook forse uitspraken, zoals ‘LGBTQ is de afkorting van Let God Burn Them Quickly.’ Hij grijnst er breed bij, in een interview dat op YouTube terug te vinden is.

Discussies

Er zijn hier verschillende discussies over te voeren. Je kunt je afvragen of het niet verkeerd is mensen te weren met een afwijkende en misschien zelfs verderfelijke mening. Weegt de vrijheid van meningsuiting niet zwaarder? Als iemand door wat hij zegt de wet overtreedt, kan hij altijd nog veroordeeld worden, maar dat is achteraf.

Je kunt ook theologische discussies gaan voeren, waarbij je elkaar met bijbelteksten om de oren slaat om alsnog je gelijk te krijgen en op het moment dat je tegenstander geen teksten meer bij de hand heeft, ben jij blijkbaar de ware christen.

Ik geloof niet dat we daar iets mee opschieten. Het onwrikbare gelijk heeft al heel wat mensenlevens gekost. Laat mensen uit de Bijbel halen wat ze willen, zo lang anderen daar niet de dupe van zijn. Laat voor de een de Bijbel een richtlijn voor het leven zijn, voor de ander een literair werk en voor een derde een sprookjesboek. En laat al die mensen gezellig samen koffie of bier drinken of brood en wijn nuttigen, maar laat ze niet hun interpretatie van de Bijbel opleggen aan de ander. Laat iedere ketter zijn eigen letter.

Column voorgelezen in het programma Kerkvenster van EdeFM
Illustratie: still uit de opname van een preek van Steven Anderson

dinsdag 26 maart 2019

Afgestoft: Column 'Gelukkig!'


Veel van wat ik ooit schreef, ben ik kwijt en vergeten. Verloren geraakt op oude computers, zoekgeraakt tussen papieren, gedeletet om ruimte te maken. Heel soms vind ik iets terug, waarvan ik al niet meer wist dat ik het geschreven had. 

Onderstaande column schreef ik voor het Cultureel Café Dante en ik las het stukje voor op 26 mei 2011, nog voor Bunt Blogt bestond. Sommige dingen waarnaar verwezen wordt ontgaan mij nu: wat hebben hoofddoeken met de fiscus te maken? 

Blijkbaar was er, vlak voor ik de column schreef een onderzoek gedaan naar geluk. Dat is onlangs weer gebeurd, lees ik hier, en ook nu scoren de Nederlanders weer hoog. We zijn gelukkig! Indertijd schreef ik er dit over:

Gelukkig!


Wij zijn gelukkig. Niet alleen u en ik en de dames achter de bar, maar de Nederlanders. Goed, er zal nog wel ergens een mopperpot zijn die op dit moment sikkeneurig in zijn koffie staart, maar gemiddeld genomen zijn de Nederlanders gelukkig. Ik las het vanochtend in mijn krant en ik heb het nog eens nagekeken op internet.

Ik was meteen gerustgesteld. Over geluk hoef ik dus niet meer in te zitten; dat is binnen.

Dat wij zo gelukkig zijn, vind je terug op de Better Life Index van de OESO. We staan daarop vierde, achter Denemarken, Canada en Noorwegen.

Nu verbaast het mij niet dat wij gelukkiger zijn dan bijvoorbeeld mensen uit Griekenland. Die moeten al op hun eenenzestigste met pensioen, in de zomer sterft het er van de toeristen en dan heb je ook nog heel vaak hetzelfde weer: zon en anders niks.

Of je zult inwoner van IJsland zijn. Dan zijn er steeds mensen boos op je. Omdat ze hun geld niet terugkrijgen, bijvoorbeeld. Of omdat er weer een aswolkje ontsnapt is, waar jij als eenvoudige IJslander ook niets aan kunt doen. Dat lijkt een beetje op een verjaardag waar iedereen je boos aankijkt, terwijl volgens jou de ontglipte wind van iemand anders was.

Toch had ik niet verwacht dat ons land zo hoog zou eindigen op de geluksindex. Per slot van rekening wordt er heel wat afgeklaagd in dit land en we hebben zelfs een politieke partij die alleen maar dankzij dat geklaag bestaat.

Zo gauw de leider van die partij zijn mond opentrekt, komt er een tsunami van geklaag over je heen. Om het niet te hoeven horen, had ik een dubbel geïsoleerde hoofddoek omgedaan, maar dat bleek fiscaal weer niet handig te zijn.

En, laten we dat hier ook maar een keer hardop zeggen, we hebben toch eigenlijk ook wel redenen om te klagen. We hebben bijvoorbeeld alweer het Eurovisie songfestival niet gewonnen. Sterker nog, we hebben de finale niet eens gehaald.

Ik zal het wel weer niet mogen zeggen, maar volgens mij komt dat niet door de autochtone Nederlanders. Die stonden allemaal als één man achter de artistiek hoogbegaafde musici die wij afgevaardigd hadden. Hoe ze heten weet ik eigenlijk niet. Je schrijft 3JS, maar ze zeggen zelf de 3 j’s. Aan de Nederlanders (en onze premier zegt dan altijd: de hardwerkende Nederlanders) heeft het niet gelegen. Het zijn natuurlijk weer de buitenlanders die ons buiten de finale hebben gehouden.

Het zijn die onbetrouwbare Grieken, die hun rekeningen niet betalen, die IJslandse luchtvervuilers, die Belgen zonder regering, de Turken natuurlijk en de Marokkanen, want die zitten in alle Europese landen. Die drie j’s komen uit Volendam en daar stemt iedereen PVV, dus de link is gauw gelegd.

Reden genoeg dus om te mopperen. Maar we doen het niet. We laten snotverdorie ons geluk niet verpesten door dit soort kleinigheden. We lachen erom. 'Wij zijn gelukkig!' roepen we en als ze niet willen luisteren roepen we het nog iets harder: 'Wij zijn hartstikke gelukkig!'

En nu ook nog de pauze aanbreekt en de columnist zijn mond houdt, vallen we elkaar om de hals. We kunnen ons geluk niet op.

donderdag 24 januari 2019

Column: Honderd jaar radio

Wij zeiden het vroeger vaak genoeg: Hallo, hallo, wie stinkt er zo? Het mannetje van de radio!

2019 is een jubileumjaar. Misschien is het u ontgaan, maar honderd jaar geleden was de eerste radio-uitzending ter wereld te beluisteren, verzorgd door ingenieur Hanso Idzerda, een Nederlander. In het begin zag men er niet veel in: radio, dat zou nooit wat worden.

Maar de radio leefde door en groeide, en in mijn jeugd was die alomtegenwoordig. Er was natuurlijk al tv, maar dat wereldse ding kwam ons christelijke gezin niet binnen. Nou ja, af en toe mocht ik bij de buren naar Swiebertje kijken.

De radio werd bij ons thuis dagelijks beluisterd. Om de mededelingen voor land- en tuinbouw te horen en de waterstanden, als de koeien al in de uiterwaarden liepen en het water alsnog steeg. Maar mijn vader was ook een fan van Biels en Co, een radiostrip, met Ko van Dijk. En later zou hij altijd naar het begin van Met het oog op morgenluisteren, voordat hij in bed stapte. Soms werd het gezin om de radio verenigd voor een hoorspel.

De kinderen luisterden naar Kleutertje luister, waarin presentatrice Lily Petersen ons begroette met: ‘Hallo kindertjes uit het hele land!’ We probeerden te antwoorden op vragen in kwissen als Centenkwestie en Hersengymastiek en we zongen mee met de Boertjes van buut’n.

Ik vrees dat de radio mij behoorlijk bepaald heeft. Natuurlijk luisterde ik als puber naar de zeezenders, waarbij ik vaak Radio Mi Amigo opzocht. Toen in 1974 Veronica en Noordzee moesten stoppen, vertrok Mi Amigo naar Spanje en ging door met de uitzendingen. Nog steeds word ik week als ik het middengolfgeluid terughoor.

En dan de radioreclames uit die tijd! Ik weet nog precies waarom het jongetje bij Japie z’n moeder ging eten: Japie z’n moeder heeft lekker King Corn. Het was verpakt brood: het enige wat je weggooit, is de verpakking.

Witte Reus waste een berg en kostte een beetje, Persil had twee witmakers, als je Supra opendeed, kwam het aroma je tegemoet en met Danclan kon je in dertig seconden je kunstgebit schoonmaken. Bona was de enige margarine in een kuipje en die was dus altijd smeerbaar: Bona mee, in de arreslee, door de sneeuw. California soep, die was pas lekker en iedereen was in zijn sas met Badedas.

Mijn moeder citeerde wel eens reclames die waarschijnlijk nog ouder zijn, zoals
Al kon ik je hartje niet winnen,
toch blijf ik je altijd beminnen,
want van jou, lieve schat,
heb ik zegels gehad
van de Vivo en dus ben ik binnen.

Zelf zing ik in een uitgelaten bui nog wel eens over de goudhaantjes van Herman Kramer en ook:
Eén, twee, drie, je proeft het zo:
het is ijs van Caraco.
Mexicaantje, oranje hoed,
Caraco-ijs, geweldig goed.

Er was nog geen cultureel café, maar er was de radio en de radio is weer helemaal terug, in die zin dat er steeds meer naar podcasts geluisterd wordt. Iedereen is tegenwoordig zijn eigen radiomaker.

Laten we daarom het jubileumjaar vieren door radioherinneringen te delen. ‘Mag ik Paul Vlaanderen van jou, dan krijg je van mij Sprong in het heelal’en wie zingt er mee met ‘Cha cha cha, wat zullen we eten?’

En misschien moeten we enkele radiotradities in ere herstellen. ’s Morgens vroeg het hanengekraai van de VARA, af en toe het gebimbam van de Big Ben en om twaalf uur springt iedereen in de houding, want dan wordt het Wilhelmus gespeeld.

En daarna is het stil. De radio zwijgt, de televisie is al lang op het testbeeld gesprongen en wij gaan met een hoofd vol herinneringen naar bed.


Column voorgelezen bij Cultureel café Dante.

Eerder schreef ik over de podcast Hallo, hier Hilversum!

vrijdag 7 september 2018

Washandje



Soms lijkt de tijd sneller te gaan ikzelf. Alsof de trein waarin ik zit, sneller gaat dan de coupé waarin ik me bevind. Ik dommel wat, kijk naar buiten en zie het landschap verglijden. En dan kijk ik om me heen en constateer dat mijn coupé is verschoven. Ik bevind me in dezelfde trein, maar enkele compartimenten verder naar achteren. Ik weet dat dat steeds zal gebeuren en dat ooit de trein door zal rijden zonder mij.

Alles verandert voortdurend, al valt dat niet steeds op. Je verandert immers mee. Maar in sommige dingen verander je niet. Ik zie het aan mijn moeder die nog steeds 'gulden' zegt als ze 'euro' bedoelt en die nog steeds geld overmaakt met overschrijvingskaarten. Nu ik dit opschrijf denk ik aan de ponskaarten die ik al bijna vergeten was en hoe gemakkelijk ik die achter me gelaten heb. Overgaan naar internetbankieren ging al minder gemakkelijk, maar ook over die drempel ben ik gestapt.

Zoals mijn moeder nooit over de drempel naar de computer gestapt is, zullen er ook voor mij steeds hogere drempels verschijnen. Sommige zal ik niet nemen.

Er zijn nu al zaken waarin ik niet meeveranderd ben, waar ik vastgehouden heb aan het bekende, terwijl veel anderen dat al hebben losgelaten. Ik heb nog steeds een katoenen zakdoek in mijn broekzak. Ik draag sokken die tot over mijn enkels reiken. Ik strik mijn veters. En ik gebruik een washandje.

Washandje

Er zijn nog steeds washandjes te koop, zie ik in bijvoorbeeld de Wibra, maar ik geloof niet dat iemand van de generatie van mijn kinderen zoiets gebruikt. Waarom eigenlijk niet? Ook in hotels worden tegenwoordig geen washandjes meer verstrekt.

Tot nu toe nam ik zelf een washandje mee naar het hotel. Een oud, dat ik na afloop achter kon laten in de prullenbak. Maar deze zomer vergat ik dat. Ik moest me wassen op de manier waarop anderen dat doen. Nou ja, de manier waarvan ik aannam dat anderen die gebruikten: blupje douchegel op je hand en wrijven. Het beviel me niet: niet alleen heeft een washandje een soort schrobeffect dat een hand niet heeft, maar ik moest ook veel meer douchegel gebruiken.

Misschien deed ik iets verkeerd en kunnen anderen zich wel helemaal wassen met een hoeveelheid ter grootte van een euromunt, maar mij lukte het niet. Als echter ook anderen een paar keer de fles moeten hanteren, waarom hoor ik dan nooit iemand die met het milieu begaan is daartegen protesteren? Waarom zouden we zoveel meer van dit soort middelen ter lichaamsreiniging gebruiken dan nodig is? Waarom zouden we toestaan dat er zoveel meer ongetwijfeld onprettig spul in ons afvoerwater terechtkomt?

Scheren

Ik zal wel teergevoelig zijn op dat punt, hoor. Ik herinner me nog dat ik ronduit geschokt was toen ik Hans Sibbel (Lebbis) in een van zijn conferences hoorde zeggen dat hij zich stond te scheren onder de douche. Ik had hem ingeschat als iemand die begaan was met de planeet (laat ik het meteen maar groot maken), zodat hij dus zuinig zou omspringen met water. Scheren terwijl je de kraan laat lopen? Ik was onthutst.

Misschien onterecht. Misschien draait Lebbis de kraan dicht als hij scheert. Maar misschien ook is dit wel de manier waarop bijna iedereen zich scheert. Ik ben baarddrager uit gemakzucht, dus ik heb lange tijd niet gelet op de scheerpraktijk. Mijn vader schoor zich tweemaal in de week: op woensdag en op zaterdag. Met een krabbertje, dat hij afspoelde in een rood bekertje met kokend water. Gezeten voor de scheerkist, het tweede cadeau dat hij ooit van mijn moeder kreeg. Het eerste was een leren hoesje voor zijn rijbewijs.  De spiegel van de scheerkist was al lang gesneuveld, pa had een klein spiegeltje, dat hij op de spiegelhouder klemde.

Dat is de coupé waarmee ik door de tijd gereisd ben. Ik let even niet op, kijk om me heen en alles is veranderd. Iedereen is doorgegaan en ik ben op mijn plaats gebleven. Of in ieder geval veel langzamer doorgegaan.

Rationaliteit

Weer even naar het washandje. Mensen mogen zich wassen hoe ze willen. Geen probleem. Maar als er iets verandert, wil ik graag de rationaliteit achter die verandering begrijpen, en die ontgaat me hier. Je wast je niet beter zonder washandje en je gebruikt ook nog eens meer  douchegel. Goed, je hebt geen washandje meer nodig, maar ik weet niet of ik dat een voordeel vind.

Nu ik erover nadenk, is het eigenlijk helemaal niet logisch dat ik indertijd afgestapt ben van het stukje zeep, waar je maanden mee kon doen. Wanneer heb ik dat besloten? Er zijn nergens meer zeepbakjes, terwijl er nog wel luxe zeepwinkels zijn. Vreemd.

Er zijn meer veranderingen die ik niet (of maar half) meegemaakt heb, omdat ik de rationaliteit er niet van inzag. Het zal al wel enkele decennia geleden zijn, toen jongeren ineens hun veters niet meer vastmaakten. Het leek me erg onpraktisch. Wat loopt er nou lekkerder dan schoenen met flink aangesnoerde veters?

Sportschoenen

Misschien was het dezelfde tijd dat mensen ineens sportkleding en sportschoenen gingen dragen, ook als ze niet aan het sporten waren. Ik weet dat ik tegenwoordig 'sneakers' moet zeggen, maar heb nog steeds de neiging (niet om te zeggen, maar wel om te denken), als ik met iemand in gesprek kom met sportschoenen met een opzichtig logo en felle kleuren (ja, ik vind ze ook heel lelijk): 'Lekker gegymd?'

Ik geloof dat ik zo zoiets ook las in Remington van Bert Natter. Daar betrof het een bejaarde vader. Ja, ja, ook ik word bejaard of ben het al. Mij zullen ze niet zien op sportschoenen of zelfs maar op schoenen met witte zolen. En ik knoop mijn veters dicht.

Kleren met gaten en scheuren - ook zoiets onpraktisch. Ik heb een moeder die vroeger mijn overalls keurig lapte als er scheuren in zaten. Zij kon dat heel goed. Andere moeders naaiden gewoon een lap over het gat heen, mijn moeder zette een nieuw stuk in de broek, van naad tot naad. Voor zo'n broek hoefde je je niet schamen. Ze zou vinden dat ik 'vur schaand' liep met een gescheurde broek. Misschien vind ik dat stiekem nog steeds en misschien wel uit loyaliteit met mijn moeder.

Katoenen zakdoek

Dat mensen geen katoenen zakdoek meer gebruiken, snap ik weer wel. Eigenlijk is het niet hygiënisch om je snot te bewaren. En als je echt zwaar verkouden bent, red je het niet met zo'n stoffen lap en gaan er pakjes vol zakdoekjes doorheen. Ik weet ook niet of al die papieren zakdoekjes zoveel slechter voor het milieu zijn dan het uitwassen van een zakdoek. Er is vast wel iemand die mij dat kan vertellen.

Mijn vader had vroeger een rode zakdoek. Een boerenzakdoek, denk ik. Hij hield die veel te lang in zijn broekzak. Hij zal hem niet alleen gehad hebben om zijn neus te snuiten, maar ook om zijn zweet af te vegen. Zijn werk vergde nogal wat lichamelijke inspanning. Soms had ik als kind dringend een zakdoek nodig en dan vroeg ik of ik de zijne mocht gebruiken. 'Zakdoekje stink, jongen,' zei hij dan, terwijl hij mij zijn muffe zakdoek aanreikte. Dat vond ik toen geen probleem. Mijn moeder zal wel op hem gefoeterd hebben dat hij niet vaker een schone zakdoek pakte. Trouwens: het woord 'foeteren' gebruikt ook bijna niemand meer.

Achter in de trein

Daar zit ik dan achter in de trein. Ik heb nog een vaste telefoonverbinding, lees nog een papieren krant, weiger om ook maar het kleinste restje eten weg te gooien, let ook bij berichten op WhatsApp op leestekens en hoofdletters, draag sokken die je kunt optrekken (en dat zijn zelfs van tijd tot tijd gebreide sokken), heb nog een leren schooltas, die al meer dan twintig jaar meegaat en gebruik bijna nooit mijn BlueTooth koptelefoon, omdat ik tijden bezig ben om de verbinding te leggen.

'En je laat niet voor twintig euro eten bezorgen als je geen zin hebt om te koken,' vult mijn dochter aan. Het idee dat je wel eens geen zin kunt hebben om te koken komt al niet in mij op.

Straks komt de conducteur, die hoofdschuddend mijn kaartje bekijkt. Misschien schaam ik mij dan. Misschien kan ik glimlachend berusten en uitstappen als de trein me te snel gaat. Dan wandel ik nog even langs het spoor om te genieten van de paardenbloemen, de wilgen, de merels. Al die dingen die al eeuwenlang hetzelfde zijn.

maandag 19 maart 2018

Verloren zonen


In de zomer van vorig jaar was er kort ophef over een uitspraak van Edwin Bakker, hoogleraar contra-terrorisme aan de Universiteit Leiden. Hij vond dat Nederland meer moest doen voor geradicaliseerde jongeren die naar Syrië getrokken zijn. Ik citeer:
Waarom proberen we niet onze verloren zonen terug te krijgen? Zijn we niet gevoelig meer voor dit soort christelijke reflexen? Nederland, stel je op als winnaar, regel iets voor de verliezers nu het kalifaat instort, en laat ze zich hier voor hun daden tegenover de rechter verantwoorden. 
De vergelijking van Syriëgangers met verloren zonen schoot sommige mensen in het verkeerde keelgat. Afshin Ellian trok bijvoorbeeld flink van leer in Elsevier, waarbij hij gemakshalve niet inging op de opmerking van Bakker dat de verloren zonen zich wel moesten verantwoorden voor de rechter.

Mij zette de gebeurtenis aan het denken over de gelijkenis van de verloren zoon. Het verhaal is bekend, maar ik vat het nog even samen:

Een vader heeft twee zonen. De jongste eist zijn aandeel in de erfenis op, trekt de wijde wereld in en jaagt zijn geld erdoor, zodat hij volledig aan de grond raakt. Hij wordt varkenshoeder, waarbij het hem niet eens toegestaan is om van het varkensvoer te eten. Hij ziet in hoe fout zijn handelwijze is, wil zelfs tegen zijn vader zeggen dat hij niet meer waard is om een zoon genoemd te worden en keert terug naar het ouderlijk huis. Vader ontvangt hem met open armen en laat het gemeste kalf slachten. De oudste zoon raakt zeer ontstemd: waarom wordt er een feest gegeven voor zijn broer die niet wil deugen en niet voor hem?
Vader antwoordt dat de oudste zoon immers altijd al bij de vader is en dat al wat van de vader is, ook van de zoon is. Maar deze jongste zoon was dood en is nu weer levend, hij was verloren en is nu gevonden.

Als we deze gelijkenis naast de lotgevallen van de Syriëgangers leggen, zien we overeenkomsten: ze hebben het ouderlijk huis verlaten, hebben zich beziggehouden met zaken die we afkeuren en komen weer terug. We laten niet het gemeste kalf slachten, lijkt me, maar we kunnen ze netjes behandelen door ze te berechten.

De vraag is: waar zijn wij in dit verhaal? Wij zijn degenen die in Nederland gebleven zijn en ons trouw gekweten hebben van onze maatschappelijke taken: we hebben van negen tot vijf ons werk gedaan, we hebben zorg gedragen voor onze familieleden en andere geliefden, we hebben onze verantwoordelijkheid genomen. Wij zijn de oudste zoon.

Wie de gelijkenis leest (of hoort) heeft moeite zich te identificeren met de oudste zoon. De zoon die op het slechte pad was, maar tot inkeer komt - dat is iemand die we wel willen zijn. Of de vader, die heeft moeten lijden, maar die altijd is blijven houden van zijn kind - dat is ook een mooi karakter. Maar zo’n oudste zoon die de zon niet in het water kan zien schijnen, die niet wil vergeven, die verongelijkt reageert? Hem zijn wij liever niet.

En toch zijn wij in zijn positie en we blijken ook nog als hij te reageren: we vinden dat de Syriëgangers het land niet meer in mogen: weg van het erf van mijn vader! We vinden dat ze het zelf maar moeten uitzoeken. Ze wilden toch zo graag? We gaan ze niet terughalen als ze niet zelf terug kunnen komen en we veroordelen ze zo nodig bij verstek, ook al heeft elke verdachte het recht om aanwezig te zijn bij zijn eigen rechtszaak. En dat gemeste kalf eten we mooi zelf op. Als ze niet weg waren gegaan, hadden de verloren zonen ook mee kunnen eten.

Hoe het allemaal moet met IS-strijders en andere Syriëgangers die terugkeren, weet ik ook niet. In de gelijkenis wordt niet aan de oudste zoon gevraagd wat er moet gebeuren en dat is maar goed ook. Als het aan hem gelegen had, waren de honden op de jongste zoon af gestuurd. Maar de manier waarop de vader de zoon ontvangt die terugkeert van zijn dwaalweg, ontroert nog steeds.

Het verhaal van de verloren zoon is al oud, maar het is nog steeds actueel; het houdt ons nog steeds een spiegel voor. Misschien moeten we eens in die spiegel kijken, hoe onaangenaam dat ook is. Het is niet prettig om onszelf in de ogen te kijken als we daarin de boze witte mens zien, de oudste zoon, degene die voor zichzelf kiest, die vergeving iets voor watjes vindt, die zijn gelijk belangrijker vindt dan zijn geluk of het geluk van een ander. Die ander is dan bijvoorbeeld een moeder of een vader die angstig wacht op de terugkeer van een kind. Misschien is het goed om daar even aan denken als we vanavond op ons lapje kalfsvlees kauwen.

(Tekening van Rembrandt, gejat van Statenvertaling.net)

donderdag 25 januari 2018

Nepnieuws


De Europese Unie gaat nepnieuws aanpakken. Er komt een site waarop niet-kloppende berichten verzameld worden en er wordt een commissie gevormd die het allemaal gaat onderzoeken. Ook Facebook wil iets gaan doen tegen nepnieuws: het gaat een samenwerking aan met de site Nu.nl en met de NieuwsCheckers van de Universiteit Leiden. Nederland is immers een doelwit voor het verspreiden van misleidende berichten, liet minister Olongren weten. Het CPB oppert het plan om te gaan werken met een vergunningenstelsel voor digitale platforms: verspreid je niet het echte nieuws, dan kun je je vergunning kwijtraken.

Voor de goede orde: wat ik zonet verteld heb, is door mij gecheckt en juist bevonden.

Wat is waarheid? Pilatus vroeg het zich al af en het lijkt wel of steeds meer mensen ernaar op zoek zijn. In bijna alle kranten wordt er van berichten of uitspraken gecontroleerd of ze wel kloppen. Daarna komt er een stempel op: ‘klopt helemaal’, ‘klopt grotendeels’, ‘niet te controleren’, ‘grotendeels onwaar’ of ‘er klopt geen zak van’. Zo weten we of we wel goed geïnformeerd zijn.

Vroeger liep men het gevaar misleid te worden door te weinig informatie, nu is eerder een teveel aan informatie er de oorzaak van dat onze burgers niet meer weten hoe het echt zit. Vandaar dat veel mensen op zoek zijn naar de waarheid. Pas als ze de werkelijke feiten boven water hebben, voelen ze zich gerustgesteld.

Ik vind het legitiem dat mensen houvast zoeken. Dat ze willen weten waar ze aan toe zijn. Zoals het ook niet zo vreemd is dat mensen zoeken naar de zin van het leven of denken in causale verbanden. Maar je kunt het ook loslaten: bedenken dat er niet voor alles een logische oorzaak te vinden is, dat het leven wellicht niet per definitie zin heeft en dat we nooit zullen weten wat waarheid is.

Daarom wil ik hier graag een goed woordje doen voor nepnieuws. Het staat in een kwade reuk, maar het levert vaak mooie verhalen op. Zoals het verhaal dat de lengte van de marathon gelijk is aan de afstand tussen Marathon en Athene. Daarom heeft de huidige hardloopwedstrijd zo’n vreemde lengte: 42 kilometer en 195 meter. We zien de boodschapper zich de longen uit het lijf lopen om het nieuws naar Athene te brengen dat de Perzen verslagen zijn. In sommige varianten van het verhaal valt hij ook nog dood neer na het brengen van de boodschap.

Maar klopt het wel? Of heeft de marathon pas zijn huidige lengte gekregen toen de hardloopwedstrijd op de Olympische Spelen van 1908 verlengd moest worden omdat anders de lopers niet pal voor de koninklijke tribune finishten? Het zijn twee mooie verhalen en het is zonde om ze kapot te checken.

Misschien moeten we aanvaarden dat we van veel dingen domweg niet zullen weten hoe het zit. Laten we daarom genieten van de verhalen, of ze nu verspreid worden door Poetin, door Trump, door Kim Jung Un of door de buurvrouw.

Laten we genieten van de verbeelding die onze omgeving kleurt. En laten we vooral ook elkaar verhalen vertellen. Het verhaal van de liefde die niet overgaat; de parabel van de politicus die het beste voorheeft met het land; de legende van de ideale maatschappij; het sprookje van het geluk dat voor het grijpen ligt. En laten we daar vooral ook in geloven.

Van de waarheid wordt niemand gelukkiger.

(afbeelding gestolen van deze site)
Column voorgelezen bij Cultureel Café Dante

zondag 19 maart 2017

Thierry en Joop

Op 16 maart jl. schreef Anne Fleur Dekker op Joop.nl het artikeltje 'Thierry Baudet is Wilders in schaapskleren'. Het is maar een kort stukje, nog geen driehonderd woorden, maar Dekker ('Activist en blogger') krijgt het toch voor elkaar om in dat korte bestek verschillende malen uit de bocht te vliegen. 

Na de titel volgt, cursief gedrukt, de zin:
De lijsttrekker praatte verkrachting goed en deed racistische uitspraken, maar komt nog steeds in Tweede Kamer
Dat is een wat onhandige zin na een titel waarin twee lijsttrekkers worden genoemd, maar het is toch wel duidelijk dat hier Thierry Baudet wordt bedoeld. De zin lijkt me een samenvatting vooraf. Ik laat die voor wat die is.

Opvattingen van auteur of personage?

 Dan krijgen we een citaat:
Vraag het ook maar eens aan een verkrachter. Even los van al het tegengestribbel en uiterlijk verzet: vrouwen reageren ontzettend op zulke nietsontziende mannelijkheid. In veel gevallen komen ze ook gewoon klaar (…)
Dekker noemt het een gruwelijk citaat. Ze legt uit dat het niet uit een psychologische thriller of uit de memoires van een seriemoordenaar komt, maar uit 'het boek van nieuwbakken Tweede Kamerlid Thierry Baudet'.

Over de inhoud van het citaat ga ik verderop in. Dekker geeft aan dat ze over zo'n citaat niet begonnen zou zijn als het uit een psychologische thriller geplukt zou zijn. In een roman kunnen er nu eenmaal personages rondlopen met vreemde opvattingen.

Maar het boek van Baudet, Voorwaardelijke liefde, is ook een roman. Blijkbaar mag je een schrijver van een psychologische roman niet afrekenen op de opvattingen van zijn personages, maar Thierry Baudet wel.

Dekker ziet wel in dat dat niet helemaal zuiver is. Daarom schrijft ze: 
Goed, het boek is officieel een roman en dus fictie, maar Baudet heeft zich in meerdere interviews geïdentificeerd met de hoofdpersoon.
Ze geeft toe dat het boek een roman is (en dus fictie), maar ze zwakt het af door te zeggen dat het 'officieel' een roman is en dat Baudet zich in 'meerdere interviews' heeft geïdentificeerd met de hoofdpersoon.

Welke interviews dat zijn, vermeldt ze niet, maar ik neem aan dat ze die zo zou kunnen noemen. Of ze de roman van Baudet gelezen heeft, is mij niet duidelijk. Ze verwijst naar een recensie op de site van HP/De Tijd (van de hand van Dries Muus), die weinig heel laat van Voorwaardelijke liefde.

De roman van Baudet heb ik niet gelezen. Voordat ik het stukje van Dekker las, wist ik niet eens dat Baudet een roman geschreven had. Maar ik wil wel ingaan op de veronderstelling dat je een schrijver verantwoordelijk mag houden voor de uitlatingen van zijn personages, in ieder geval wanneer hij zich met hen identificeert.

Dat lijkt me onzin. Een schrijver identificeert zich altijd met zijn personages: hij moet zich inleven in hun manier van denken, wil hij geloofwaardig over hen kunnen schrijven. Bij literatuur zal de autobiografie van de schrijver altijd meespelen, ook als hij stof gebruikt die ver van zijn eigen leven af staat. Een romanpersonage van Louis Ferron zei ooit, weliswaar overdrijvend: 'Zelfs een bloembollencatalogus is nog autobiografisch'.

Fictie en werkelijkheid

Bij schrijvers lopen fictie en werkelijkheid wel eens door elkaar. Jan Siebelink bijvoorbeeld had tijdens het schrijven van zijn bestseller Knielen op een bed violen een briefje op zijn bureau liggen met de tekst 'Hem loslaten'. Die 'Hem' is zijn vader, die model stond voor de hoofdpersoon van de roman. Siebelink probeerde nadrukkelijk een personage van zijn vader te maken, maar in zijn hoofd leken die twee wel heel erg op elkaar. In interviews kreeg Siebelink vragen over het personage Hans Sievez, maar vaak gaf hij een antwoord dat op zijn vader sloeg.

Maar ook als fictie en autobiografie niet goed te scheiden zijn, moet je een roman als een roman beoordelen. Waarschijnlijk heeft ook Baudet stukken uit zijn eigen leven in de roman verwerkt. Maar hij heeft ook meteen afstand genomen, bijvoorbeeld door de hoofdpersoon een andere naam te geven (Gregor).

Het boek kan niet dienen om er argumenten aan te ontlenen, het is fictie en niet alleen 'officieel'. In een roman mogen racisten, moordenaars, verkrachters, activisten, bloggers of milieuvervuilers voorkomen. Ze mogen de wet overtreden en ze mogen stevige meningen hebben: het zijn personages. Je mag een schrijver daar niet op afrekenen, zoals het ook onterecht is als je de acteur die de schurk gespeeld heeft, verwijt dat hij een slecht karakter heeft.

Een schrijver is niet verantwoordelijk voor de uitlatingen van zijn personages, al heeft hij hun die uitlatingen zelf in de mond gelegd. Kun je een auteur wel verantwoordelijk houden voor de strekking van zijn roman? Dat lijkt me wel. Bij een roman die oproept tot geweld kun je best kritisch schrijven over de strekking. Maar ook dat is een mijnenveld. Het kan in ieder geval niet op de van-dik-hout-zaagt-men-planken-manier die Dekker hanteert.

Eerder besprak ik hier Van dode mannen win je niet, een roman over een extreem gewelddadige man, die het hele boek door zijn gedrag probeert te rechtvaardigen tegenover een jongen. Hij wil hem laten inzien dat diens moeder niet voor niets door hem in elkaar geslagen is; ze had het er zelf naar gemaakt.

De hele roman zitten wij als lezer in het hoofd van de hoofdpersoon. De auteur neemt geen afstand van zijn personage. Het gevolg is dat het boek ons laat nadenken over hoe het is om zo'n gewelddadige man te zijn. Iemand die oppervlakkig leest, zou kunnen beweren dat Van den Berg het wereldbeeld van zo'n man niet alleen duidelijk maakt, maar ook propageert. Dat is niet het geval.

Goedpraten van verkrachting

Aangezien Dekker gauw thuis wil zijn, maakt ze grote stappen: twee zinnen verder al noemt ze Baudet 'iemand die verkrachting goedpraat'. Hier wordt de bocht wel erg grof afgesneden.

Ten eerste gaat het om een personage en niet om Thierry Baudet en ten tweede kan ik niet uit het citaat halen dat het personage verkrachting goedpraat. Hij zegt alleen dat vrouwen tijdens een verkrachting een orgasme kunnen krijgen. Of dat zo is, wist ik hiervoor niet, maar hier, in het boek Seksuologie (2004), kwam ik dat wel tegen. Ik neem maar even aan dat dat klopt.

Er zijn ook verschillende fora waarin slachtoffers hun verhaal doen, hier bijvoorbeeld, maar dat zijn niet te checken verhalen. Dat vrouwen in 'veel gevallen' een orgasme krijgen tijdens een verkrachting krijgen zal wel overdreven zijn; in Seksuologie wordt gesproken over 'soms'.

Ik kan niet inzien dat er hier sprake is van goedpraten van verkrachting, niet door het personage Gregor en al helemaal niet door Thierry Baudet.

Misgoynie

Het zijn overigens niet de enige beschuldigingen die Dekker uit:
Hij laat zich wel vaker niet alleen seksistisch, maar zelfs misogyn en racistisch uit. 
Ze geeft daarbij twee links. Voor 'misogyn' verwijst ze naar het artikel 'Julien Blanc heeft volkomen gelijk' waarin Thierry Baudet, de versiergoeroe Julien Blanc gelijkgeeft. Het artikel is (opnieuw) gepubliceerd op The Post Online. Baudet verwijst in het artikel naar een bericht op dezelfde site waarin vermeld wordt dat Blanc niet toegelaten wordt tot Groot-Brittannië.

Of het artikel van Baudet een uiting van vrouwenhaat (misogynie) is, kun je betwijfelen. Hij doet nogal generaliserende uitspraken over vrouwen, die niet al te slim overkomen en het is begrijpelijk dat hij daarop aangevallen wordt. Ook in de eerder genoemde recensie krijgt Baudet het verwijt dat hij overhaaste generalisaties gebruikt. Of die uitingen zijn van misogynie weet ik niet. Misschien wel. Maar misschien had de bewering dat Baudet zich 'wel vaker' misogyn uitlaat iets steviger onderbouwd kunnen worden.

Racisme

Ook bij de beschuldiging van racisme geeft Dekker een bewijsplaats: een discussie tussen Baudet en Sylvana Simons. Het onderwerp van de discussie is de vraag of er quota opgelegd moeten worden om ervoor te zorgen dat de politiek en het bedrijfsleven een betere afspiegeling vormen van de diversiteit in de samenleving. Simons is daarvoor, Baudet denkt dat zulke quota niet werken. Bij de discussie tussen de 'Lagerhuisleden' blijkt dat ook daar de meningen verdeeld zijn.

Deze discussie wordt door Anne Fleur Dekker gepresenteerd als het argument voor Baudets racisme, maar ik kan dat racisme werkelijk niet terugvinden. Veronderstelt Dekker dat iedereen die het met Sylvana Simons oneens is bij voorbaat al een racist is? Dat moet haast wel.

Voor de duidelijkheid: Sylvana Simons is mij sympathiek Baudet bepaald niet. Ik had veel liever dat haar partij in de Kamer was gekomen dan het Forum voor Democratie. Maar dat wil niet zeggen dat alle tegenstanders van Simons racistisch zijn. Of zo'n quotum werkt, weet ik niet. Daar zal wel onderzoek naar gedaan zijn. Als niets doen niet helpt, moet er misschien wat geprobeerd worden en zo'n quotum kan misschien een zetje geven.

Van het artikeltje van Anne Fleur Dekker is intussen weinig over: ze beschuldigt Thierry Baudet ervan dat hij verkrachting goedpraat, waarvoor ze alleen een uitspraak van een personage aanhaalt waarin verkrachting helemaal niet goedgepraat wordt.

Voor de beschuldiging van misogynie geeft ze een enkele bewijsplaats, waarover je van mening kunt verschillen en het argument dat ze geeft bij de beschuldiging van racisme onderbouwt haar stelling niet. Daarmee wil ik niet beweren dat Baudet geen racistische of  misogyne opvattingen huldigt. Dat blijkt alleen niet uit het artikeltje van Dekker.

Volgens Dekker hebben de media zich vooral gericht op Wilders (wiens uitspraken zij 'fascistoïde' noemt) en 'wordt er geen woord gerept over Baudet die een overwinning heeft behaald.'  'Onbegrijpelijk' zegt Dekker.

Aantoonbaar onjuist

Haar bewering is aantoonbaar onjuist. Eerder in het artikel geeft ze een link naar Het Lagerhuis en verwijst ze naar Pauw & Jinek die aandacht besteedden aan Baudet.  Ook na Baudets overwinning besteedden Pauw en Jinek aandacht aan het Forum voor Democratie.

Dekker zet de PVV en het Forum voor Democratie zo ongeveer op één lijn. Een onderbouwing geeft ze daarbij niet. Doet Baudet net als Wilders 'fascistoïde' uitspraken? Het is belangrijk om nu het Forum voor Democratie in de gaten te houden zegt Dekker, 'en met verzet daar ook op in te spelen'. Dat is wat ongelukkig geformuleerd. Blijkbaar moeten we ons verzetten tegen het Forum voor Democratie. Hoe dat verzet eruit moet zien, wordt niet uitgelegd.

Het doel van het verzet is het 'voorkomen dat FvD ooit net zo groot, dan niet groter wordt dan de PVV'. Het Forum voor Democratie is de kleinste partij in de Tweede Kamer. Natuurlijk kan die partij groeien, maar suggereren dat de partij een gevaar kan opleveren (voor wie of wat eigenlijk?) heeft op zijn minst de schijn van demagogie.

Anne Fleur Dekker noemt zichzelf 'activist en blogger' en haar stukje zal wel een activistische of blogachtige toon hebben, maar dat is het dan ook wel. Inhoudelijk stelt het weinig voor. Of Joop een redactie heeft die bijdragen beoordeelt, weet ik niet. Dat naar het schrijfseltje van Dekker niet kritisch gekeken is, is duidelijk.

Het soort uithalen als in 'Thierry Baudet is Wilders in schaapskleren' diskwalificeren slechts de schrijfster van het  artikel en daarmee de site waarop het geplaatst is.