woensdag 23 januari 2019

Stille nacht (Frank Flöthmann)


Nu de drie koningen alweer naar huis zijn en de paaseitjes alweer in de schappen liggen, is het eigenlijk niet zo'n passend moment om over het kerstverhaal te beginnen. Maar dat dat verhaal niet alleen van alle tijden, maar ook van alle momenten is, is ook te verdedigen. Daarom toch maar nu deze bijdrage.

Het gaat over Stille nacht van Frank Flöthmann van wie ik eerder Sprookjes van Grimm zonder woorden besprak. Bij die bespreking plaatste ik al een filmpje over het kerstboek. Dat boek besprak ik onlangs op Literair Nederland.

Flöthmann vertelt het verhaal zonder woorden


Duimpjes (omhoog of naar beneden), smiley’s, verkeersborden, aanduidingen bij toiletten: overal om ons heen zijn pictogrammen die ons zonder woorden informatie geven. We staan er niet meer bij stil en dat is ook de bedoeling. Wie bijvoorbeeld op de afbeelding van een diskette klikt om een bestand op te slaan, realiseert zich niet meer wat er letterlijk afgebeeld wordt. De striptekenaar Frank Flöthmann gebruikt bekende en nieuwe pictogramman in zijn strips.

In strips wordt er altijd al veel informatie overgebracht door tekeningen, maar meestal hebben we ook nog tekst, in tekstblokken of tekstballonnetjes. In Sprookjes van Grimm zonder woorden (2017) liet Flöthmann zien dat de tekst vervangen kan worden door pictogrammen. Hetzelfde procedé herhaalt hij in Stille nacht. Ook nu is het een klassiek verhaal dat Flöthmann als uitgangspunt gebruikt. Dat is handig, want dat betekent dat de grote lijn bij veel lezers bekend zal zijn. Ook als dat niet zo zou zijn, is het verhaal overigens goed te lezen.


Eenvoudig en strak

De tekeningen zijn eenvoudig en strak: eigenlijk zoals figuren in pictogrammen zijn. Ook het kleurgebruik is sober gehouden: naast zwart en wit worden alleen rood en blauw gebruikt, zonder kleurnuance. In grote lijnen vertelt Flöthmann het verhaal zoals dat in de Bijbel staat. Hier en daar vult hij iets aan of wijkt licht af. Dat heeft vaak een humoristisch effect. Zo laat hij Jozef zoeken naar zijn potlood, dat achter zijn oor blijkt te zitten.

Het verhaal begint in Nazareth, in het huis van Jozef en Maria. Jozef timmert er lustig op los en Maria is bezig met de boekhouding, waarbij ze zich goed moet concentreren. Als Jozef haar roept, zegt ze dan ook dat hij even stil moet zijn. Flöthmann kan volstaan met het tekentje voor ‘mute’, een speaker met een streep erdoorheen.

Veranderen van context

Zo’n teken is duidelijk en toch moet je er even over nadenken, omdat het buiten zijn gewone context wordt gebruikt. Als het tekentje op een afstandsbediening had gestaan, had niemand er aandacht aan geschonken. Dat veranderen van context gebruikt Flöthmann verschillende keren. Bijvoorbeeld als Jozef Maria stilletjes wil verlaten. Dan zien we in een gedachtewolkje het tekentje voor ‘nooduitgang’.

Steeds lukt het Flöthmann om helder het verhaal te vertellen, ook als het vrij ingewikkelde gesprekken betreft. Zo spelen twee herders het spelletje steen, papier, schaar om te bepalen wie er op wacht moet staan bij de schapen. Ze krijgen onenigheid: wint papier van steen of andersom? De discussie is prima te volgen.

Humor

De humor zit niet alleen in de gebeurtenissen, maar ook in hoe ze gepresenteerd worden. Je kunt je voorstellen dat Maria aan Jozef uit moet leggen dat hij niet de vader is van het kind dat ze draagt. Dat gesprek wordt in bed gevoerd. Pas als je de bladzijde omslaat, zie je dat Jozef en Maria gescheiden slapen, waardoor nog duidelijker wordt dat Jozef zijn vraagtekens zet bij de zwangerschap.

Lees hier het slot van de recensie. 




dinsdag 22 januari 2019

Hoe alles moest beginnen (Thomas Verbogt)


Al verschillende keren heb ik gezeurd over de titels van Thomas Verbogt. Altijd een beetje vaag en ze lijken inwisselbaar. Ook Hoe alles moest beginnen is, voor mijn gevoel tenminste, niet een krachtige titel die ik met gemak zal onthouden. Maar het gaat natuurlijk om het boek, niet om de titel.

Van dat boek verwachtte ik wel wat. Ik zette het op plaats 5 in het lijstje met de beste boeken van 2017 die ik niet gelezen heb. De verkoopcijfers waren ook goed: drie drukken in augustus, september en oktober 2017 en een vierde druk in oktober 2018. Die laatste kocht ik. Het lijkt erop dat Verbogt doorgedrongen is bij een wat groter publiek.

Beschouwende hoofdpersoon

Dat mocht ook onderhand wel. De romans van Verbogt zijn allerminst spectaculair, maar ze zijn sfeervol, geschreven in een nauwkeurige, licht poëtische stijl en je kunt gemakkelijk meeleven. De hoofdpersoon is meestal een beschouwer, die zichzelf en de wereld om hem bekijkt en bepeinst. Niet zo'n doener. Thomas in Hoe alles moest beginnen constateert over zichzelf: 'dat ik iets miste, het vermogen verbinding te maken met alles en iedereen om zich heen.'

Bij hem in de straat woont Licia (Alicia), met wie hij hecht bevriend is. Laten we het maar liefde noemen. Licia's moeder sterft op jonge leeftijd. Haar vader verhuist later met zijn nieuwe vriendin en Licia naar Italië. Thomas en Licia zitten dan net op de middelbare school.

Weg maar aanwezig

Licia is weg, maar ze blijft aanwezig. In Thomas' gedachten, maar hij zoekt haar ook daadwerkelijk op, als hij eenentwintig is en als hij bijna veertig is. Als ze drieënzestig zijn, ontmoeten ze elkaar weer. Samen gaan ze kijken in de straat waar ze als kind hebben gewoond. Dan worden ook wat dingen uit het verleden duidelijk. Zo wordt de cirkel rond gemaakt.

De liefde tussen Thomas en Licia wordt teer beschreven. Dat kan Verbogt goed, omdat hij niet zo stellig is. Hij weet niet alleen de zekerheid, maar ook de twijfel goed weer te geven. De verteller wantrouwt zijn geheugen. Hij weet soms niet zeker wie van de twee iets gezegd heeft en of het dan gezegd is op de manier die hij zich herinnert: 'Misschien zei Licia het niet zo, maar zo herinner ik het me.'

Je zou kunnen zeggen dat Thomas niet zeker weet of hij zich iets herinnert of dat hij het verzint. Dat laatste zou niet zo vreemd zijn: Thomas is schrijver en dus per definitie een verzinner. Maar ook Licia gaat graag mee in de wereld die de twee samen oproepen: 'We konden buiten adem raken van wat we verzonnen.'

Toen Thomas drie jaar oud was, heeft hij langdurig in het ziekenhuis gelegen, afgezonderd van zijn ouders. Daar word je natuurlijk wel observerend, beschouwend van en dat zal ook de bron zijn van het verzinnen van een wereld. Zo'n verzonnen wereld houdt de werkelijke wereld leefbaar.

De loop der jaren

Als Licia naar Italië vertrekt, weet Thomas dat hun levens met elkaar verbonden zullen blijven. Hoe ver ze ook uit elkaar zijn, in de loop van het leven zullen ze elkaar steeds opzoeken. Dat is natuurlijk eerder gedaan, bijvoorbeeld in De eenzaamheid van de priemgetallen van Paolo Giordano en bij veel meer boeken, maar het werkt wel goed.

In de loop der jaren lijken er dingen te veranderen: als Thomas Licia in Italië bezoekt, is hij weinig meer voor haar dan 'een vriend', maar hun levens blijven verbonden. Blijkbaar is er ook iets wat altijd hetzelfde blijft.

Het is een liefdesgeschiedenis zoals die al vaak beschreven is: twee geliefden, die eigenlijk bij elkaar horen, maar toch niet lange tijd samen kunnen zijn. Daarover schreef bijvoorbeeld Arthur van Schendel al in De wereld een dansfeest. Dat de thematiek bekend is, is overigens geen bezwaar. Het is een verhaal dat je elke keer weer opnieuw kunt vertellen en Verbogt doet het op zijn eigen manier.

Ons kan niets overkomen

Als de twee uit elkaar raken, kan er ook van alles met een van de twee gebeuren. Ze zeggen tegen elkaar dat hun niets kan overkomen, zolang ze samen zijn. Die passage doet denken aan Blazen tot honderd van Geert van Beek (ook een auteur met de wortels in Nijmegen), waarin de jongen het meisje verzekert dat haar niets kan overkomen, als hij bij haar is. Ze verdrinkt op het moment dat hij er niet bij is.

Ook Licia komt in de problemen. Op een gegeven moment wordt ze zelfs verdacht van betrokkenheid bij een terreurbeweging. Thomas hoort het en gaat haar opzoeken in Duitsland. Hoe hij feilloos het huis kan vinden, wordt niet duidelijk en ook niet hoe het kan dat de pers helemaal niet in de gaten heeft dat Licia zich in het huis bevindt. Het kwam als zeer onwaarschijnlijk bij me over.

Bij het lezen had ik wel meer bedenkingen. Het niet-exacte, het vage, is een van de charmes van het boek, maar ik werd het ook wel eens zat. Dan was het me allemaal te week, te donzig. Zo'n passage, bijvoorbeeld:
Na al die jaren dringt het tot me door dat er iets is waarvan ik geen idee heb. In het leven van Licia dat ik door en door ken, althans het leven dat we deelden, ik ken het net zo goed als mijn eigen leven, moet ik naar iets zoeken waaraan ik nog nooit gedacht heb, maar ik weet niet waar ik met zoeken moet beginnen. Ik hoor het mezelf hardop zeggen achter het stuur van mijn auto: er is iets. Ik hoor het me een paar keer zeggen, steeds luider: 'Er is iets.' 

Nadrukkelijke symboliek

In het huis in Duitsland vindt Thomas een pistool. Hij pakt het in zijn hand, strekt zijn arm en richt. We krijgen dan een hele uitleg over al datgene waarop Thomas richt in zijn leven. De nadrukkelijke symboliek en dan ook nog de uitleg maakten voor mij het boek niet aantrekkelijker. Hier had de schrijver best wat meer te raden over kunnen laten.

Aan het eind, als Thomas en Licia hun oude straat bezoeken, doet Licia twee bekentenissen. Dat is er misschien ook wel eentje te veel. Waarom moet alles uitgelegd worden? Waarom niet volstaan met de suggestie?

Hoe alles moest beginnen is best een mooi boek, maar het feit dat ik 'best' gebruik, zegt al iets. Ik gun Verbogt het succes, maar ik weet niet of dit boek nu beter is dan bijvoorbeeld Perfecte stilte of Als de winter voorbij is. Eerlijk gezegd had ik er iets meer van verwacht, maar misschien waren domweg mijn verwachtingen te hoog.

Verbogt is goed in stijl en in sfeer, maar een beetje verhaal kan geen kwaad in een roman. Daardoor dobber je als lezer meer dan dat je ergens heen vaart. Dat is aangenaam, maar het is met toch te weinig.

Eerder schreef ik, behalve over de genoemde boeken, over Kleur van geluk en Herfst in het oosten.

zaterdag 19 januari 2019

Podcast: Venezia


Bij de zuiderburen zijn heel wat mooie podcasts te beluisteren. In het verleden besteedde ik bijvoorbeeld aandacht aan In mijn tijd was 't beterOordop en Het hart van Napoleon. Vooral de laatste is een aanrader: Johan Op de Beeck is een sublieme verteller, van wie je meer en meer wilt weten.

Ook een goede verteller is Serge Simonart, die onze gids is in de podcast Venezia. In geschiedenis ben ik geïnteresseerd, maar niet speciaal in Venetië. Ooit las ik, met plezier, De dievenbende van Scipio (Cornela Funke) en daaruit leer je wel iets over de plattegrond van Venetië, maar dat is het dan ook zo ongeveer.

Goede verteller

Maar nu! Ik luister geboeid naar Simonart, die me, steeds meer dan honderd minuten lang,  meeneemt door de stegen en over de pleinen van Venetië. Hij weet er bijzonder veel van af, en kan er ook nog heel boeiend over vertellen. Ik hang aan zijn lippen. Hij spreekt Nederlands met een licht Vlaamse tongval, wat ik altijd prettig vind. Het aantrekkelijkste is waarschijnlijk zijn enthousiasme en de lol die hij heeft over sommige details die hij vertelt.

Hij heeft soms wonderlijke bronnen. Zo heeft hij een boek van een Amerikaan, wiens naam ik verstond als Harrison Roach. Die heeft een boek over Venetië geschreven dat na zijn dood slechts in één exemplaar is gedrukt. En dat heeft Simonart dus gekocht. Zoals hij zegt: als ik het weggooi, heeft deze man nooit bestaan.

Verder maakt Simonart gebruik van brieven, dagboeken, oude reisgidsen. Hij haalt daar weetjes uit die je niet zo gauw vindt in de standaardgidsen.

Opmerkelijke feiten

In zijn aflevering over het carnaval vertelt hij bijvoorbeeld over de regels die er ooit waren. Je mocht je niet verkleden als kardinaal en je mocht ook niet gemaskerd gokken of een klooster in gaan. Meteen begint je fantasie te werken: zouden mensen ooit misbruik van hun masker gemaakt hebben?

Nooit geweten: in het Canal Grande zijn ooit twee zwembaden geweest. Nog zoiets: al die componisten die in Venetië geweest zijn (de jonge Mozart, Wagner, Mahler) en al die anekdotes die dat oplevert! Ook de uitzending over Casanova (daar begint de serie mee) is bijzonder boeiend. Het clichébeeld van de man vergruist al snel.

Fenix

Of hoe Simonart beschrijft hoe moeilijk het is om een brand te blussen in Venetië. Er is water genoeg, maar meestal kun je maar aan één kant van het gebouw bij de brand. Een operahuis, dat ook nog Fenix (La Fenice) heet, werd enkele keren door brand verwoest. Maar net als de fenix, stond het weer op uit de as.

Eigenlijk wil je nog maar één ding, als je Simonart beluisterd hebt: naar Venetië. Naar die plekken die Simonart heeft aangewezen en daar voelen hoe de eeuwen op je neerkijken. De muziek in de podcast helpt zeker mee: het zijn niet zomaar opvullertjes, maar de fragmenten krijgen de ruimte en elke aflevering sluit met een nog langer stuk muziek. Voor wie wel de muziek wil en niet de verhalen, is de cd te koop.

Klara

De serie is ooit uitgezonden door de Belgische zender Klara. Die zender heeft meer van dit soort mooie series gehad, bijvoorbeeld over Rubens of Op wandel met monsieur Margritte. Daar hoop ik in de toekomst nog eens over te schrijven.

De eerste versie van de podcast was ruw gemonteerd: aan het begin zat nog een nieuwsuitzending. Leuk als je het fijn vindt om te horen dat Roeselare kampioen in het volleyballen is geworden, maar het is natuurlijk handiger als je de 'schone' versie kunt beluisteren. Dat kan nu! Zie hier.

Venezia bestaat uit negen afleveringen, van een uur en drie kwartier elk. Voor iedereen die van Venetië houdt. Voor ieder die van geschiedenis houdt. Voor ieder die prachtige verhalen wil horen. Zeer aanbevolen!

vrijdag 18 januari 2019

Duitsche autoriteiten, tankgasstations, vlaggen en wimpels (Wie, wat, waar? 6)

 


In de vorige bijdragen (klikken en dan scrollen) over Wie wat waar? Jaarboek 1942 nam ik zo'n beetje de eerste honderd bladzijden van het jaarboek door. Nu het volgende deel.

Er zijn wenken 'Voor den amateur tuinier' en daarna een deel over 'De moestuin', compleet met 'Wat te doen met afgevallen en minder mooi fruit?' Daarna de betekenis van keurmerken ('waarborgen' op goud en zilver) en een tabel met 'Macht, vierkantswortel, derde machtswortel.'

Nederland in getallen

Daarna staatjes, lijstjes, over Nederland: de oppervlakte van het grondgebied en het aantal inwoners, per gebiedsdeel en per provincie. Hoe nauwkeurig zal dat geweest zijn? Suriname telt bijvoorbeeld maar 171.000 inwoners, wat niet zo heel veel meer is als Curaçao (101.000). Zouden daarbij de inwoners zijn geteld die wij toen 'indianen' en 'bosnegers' noemden? In Suriname wonen overigens in 1941 veel minder Europeanen dan op Curaçao: 2.000 tegen 70.000.

We krijgen verder nog aardige weetjes, zoals de oppervlakte van de 'hoofdsteden der provincie' en een lijst van 'Gemeenten in Nederland met meer dan 10.000 inwoners', de 'Markten hier te lande', de 'Vreemde consulaire vertegenwoordiging hier te lande', het 'Verbruik van sigaren, sigaretten en tabak' en een overzicht van de levensverwachting van dieren.


Duitse autoriteiten

Echt interessant wordt het bij de afdeling 'Duitsche Autoriteiten in ons land'. Het begint natuurlijk met de Rijkscommissaris/Rijksminister, Dr. A. Seyss-Inquart. En daarna volgt de 'Weermachtsbevelhebber', de generaal der vliegers Friedrich Christiansen. Van beide heren krijgen we een biografie.

Dan 'De Duitsche Commissarissen-Generaal'. Dat zijn minister H. Fischböck, Generalkommissar für das Sicherheitswesen, S.S. Gruppenführer und Generalleutnant der Polizei, Hans Rauter, Commisaris-generaal Fritz Schmidt en Dr. Friedrich Wimmer. De 'leider der dagelijksche persconferentie' is Willi Janke. Ook hun levens worden beschreven.


Nederlandse autoriteiten

Na de Duitse krijgen we de 'Nederlandsche Autoriteiten.' Dat zijn: Prof. J. van Dam, secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming; Mr. dr. K.J. Frederiks, secretaris-generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken en waarnemend secretaris-generaal van Algemene Zaken en van Buitenlandse Zaken; Prof. dr. T. Goedewaagen, secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten; Dr. H.M. Hirschfeld, directeur-generaal van het Departement van Economische Zaken; Mr. M.M Rost van Tonningen, waarnemend secretaris-generaal van het Departement van Financiën; Jhr. O.E.W. Six, secretaris-generaal bij het Departement van Koloniën; Mr. D.G.W. Spitzen, secretaris-generaal van het Departement van Waterstaat; Ir. R.A. Verwey, waarnemend secretaris-generaal, waarnemend hoofd van het Departement van Sociale Zaken.

Het zijn een soort ministers, lijkt me, maar blijkbaar worden ze niet zo genoemd. Enkele namen zijn nog steeds bekend. Rost van Tonningen werd ver na de oorlog vooral bekend vanwege zijn weduwe en Tobi Goedewaagen kennen we wellicht ook nog in verband met de Kultuurkamer. Ik heb het boek van Geert Mak over de mannen Six niet gelezen, maar zou dat ook over deze Six gaan?

Van de 'Commissarissen der Provincies' krijgen we ook pasfoto en biografie. Daarna een overzicht van de rechterlijke macht: de Hoge Raad, de vijf gerechtshoven, negentien arrondissementsrechtbanken en 62 kantongerechten. We lezen in een handig overzicht wat het verschil tussen deze onderdelen van de rechterlijke macht.

Rechterlijke macht

De president van de Hoge Raad is in 1941 nieuw benoemd en er zijn ook verscheidene raadsheren die pas in 1940 of 1941 benoemd zijn. Je vraagt je wel af hoe die vacatures ontstaan zijn. Zijn de Joodse collega's ontslagen? Van alle gerechtshoven wordt vermeld wat het adres is, wie de president is en wie de andere functies vervullen. Ook het Vredesgerechtsof 's-Gravenhage wordt genoemd.

Onder het kopje 'Voedselvoorziening in Oorlogstijd' worden de adressen en telefoonnummers gegeven van alle afdelingen, net als van de 'Crisis-Centrales'. Ook de namen van de directeuren, voorzitters en secretarissen van de centrales worden genoemd. De centrales houden zich bezig met aardappelmeel, akkerbouw, eieren en pluimvee, groenten en fruit, meel, sierteelt, turf, veehouderij, visserij en zuivel. Wanneer zo'n crisiscentrale gebeld of bezocht werd, is mij onduidelijk.

Rijksbureaus

Er zijn twintig 'Rijksbureaux voor Handel en Nijverheid': voor aardolieproducten, bouwmaterialen, chemische producten, diamant, genees- en verbandmiddelen, hotel-, café-, restaurant- en pensionbedrijf, hout, huiden en leder, kolen, non-ferro-metalen, oude materialen en afvalstoffen, papier, rubber, tabak en tabaksproducten, textiel, distributie van textielproducten, verwerkende industrieën, wol en lompen, ijzer en staal, zeescheepvaart.

Het is in hedendaagse ogen een wonderlijk lijstje. De diamanthandel was blijkbaar zo groot dat er een apart bureau voor was. Voor zuivel of fruit was er geen bureau, maar er waren wel twee aparte bureaus voor textiel en de distributie van textielproducten.

Prachtig is de 'Lijst van tankgasstations (Stand op 15 Augustus 1941)'. Veel stations leveren 'stadsgas', voor methaan of cokesovengas zijn er ook stations. In Amsterdam zijn er wel tien adressen, maar in Arnhem kun je alleen terecht bij de 'Bataafsche Import Mij.' Pas als je zo'n lijst ziet, merk je hoe de beschikbaarheid van veel dingen verbeterd is en hoe we dat als vanzelfsprekend ervaren.

Waterstanden

Wanneer is er hoog en laag water in 1942? Tenminste in Rotterdam? In een tabel kun je het exacte tijdstip aflezen . Op Nieuwjaarsdag is er bijvoorbeeld hoog water op 5.08 uur en op 17.29 uur. Rotterdam is de norm en dan kun je uitrekenen wanneer het op andere plaatsen hoog dan wel laag water is. Delfzijl is bijvoorbeeld vijf uur vroeger, Dordrecht een half uur later, Vlissingen drie uur vroeger.


Verteerbaarheid

Niet alles verteert even snel, lezen we in de tabel van 'De verteerbaarheid van spijzen'. Gekookt of gezouten rundvlees heeft vier uur nodig, gebraden rundvlees maar drie. Hersens hebben een uur plus drie kwartier nodig. Spinazie verteert sneller dan tomaten, appels verteren sneller dan meloen en aardbeien net zo snel als hardgekookte eieren. Doe er je voordeel mee.

Je komt op die manier wel iets te weten over de eetgewoonten in die tijd. Er wordt aardig gevogelte gegeten blijkbaar: naast de vertrouwde kip ook fazant, duif en gans. Er staan geen garnalen bij de vis en de schaaldieren. Broccoli kenden we nog niet, maar champignons al wel.

Vlaggen, kerkgenootschappen, uitvindingen

Door de volgende onderdelen blader ik slechts. We treffen informatie aan over: vlaggen en wimpels; kerken en kerkgenootschappen; voornaamste bezienswaardigheden, musea enz. in Nederland; bezittingen der Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland; universiteitsbibliotheken; Nederlandse Jeugdherberg Centrale, met een overzicht van alle jeugdherbergen in Nederland; Wat te doen met een rentekaart?; Wat biedt de invaliditeitsverzekering?; belangrijke uitvindingen; tarieven der posterijen.

In die tijd kon je nog voor vijf cent een brief tot en met twintig gram versturen, tenminste als het 'locaal verkeer' was. Voor het binnenland was je al zeven en een halve cent kwijt.


Overzeese gebiedsdelen

Er zijn nog enkele hoofdstukjes over de overzeese gebiedsdelen: over het bestuur van Nederlands Oost-Indië, Suriname en Curaçao en over de bevolking van 'Nederlandsch Oost-Indië' en Suriname. We krijgen ook een overzicht van de voornaamste Indische producten.

We zijn zo rond blz. 180 aangekomen als een jaaragenda krijgen van de werkzaamheden van natuurliefhebbers, ofwel: 'Wat de natuurliefhebber in den loop van het jaar moet halen of koopen, kweeken, nagaan en teekenen.'

Ten slotte een overzicht van de hoogterecords door de eeuwen heen. Het eerste record was van Latham, die vliegend in een Antoinette een hoogte van ruim 155 meter bereikte. We schrijven 29 augustus 1909. Het meest recente record is van F.R.D. Swain, die een hoogte van meer dan 15.000 meter bereikte.

Wie, wat, waar? Jaarboek 1942 is een allegaartje, maar dat maakt het ook zo aantrekkelijk. In een volgende bijdrage blader ik verder door het boek.

woensdag 16 januari 2019

De vrolijke verrijzenis van Arago (Tomas Lieske)


Een goed verhaal vertellen is al een hele kunst. Maar sommige schrijvers vragen meer van zichzelf en daardoor ook van de lezer. Het lijkt erop dat ze het verhaal elke keer weer opnieuw uitvinden. Er is niet een verhaallijn die netjes van A naar B gaat, maar die lijn of die wirwar van lijnen moet geconstrueerd of ontdekt worden. Daarbij lijken alle mogelijkheden open te liggen, waarbij de beperkingen van de 'werkelijkheid' niet gelden.

Als voorbeeld zou ik een wat oudere roman kunnen noemen. Vóór alles een dame (1989) van Renate Dorrestein zag eruit als een kalender. Binnen het verhaal liepen de werkelijkheid van de schrijver en die van de personages door elkaar: de personages namen de schrijfster gevangen en schreven zelf verder aan het boek.

Schippers

Ook bij K. Schippers zijn de wetten in de roman anders dan in de werkelijkheid. Iemand kan verdwijnen in een foto, doden kunnen meepraten over een boek dat de indruk wekt tegelijk geschreven te worden en gelezen door de lezer, de taal kan aangetast worden en verdwijnen.

In de vergeten roman van Michiel Hanrath, De vleugeladjudant,  verandert iemand in een melodie en in de graphic novel Totem verandert een jongen in zijn totem, een vos. Je zou kunnen zeggen dat dat laatste ook in zekere zin gebeurt in de nieuwe roman van Tomas Lieske.

Lieske heeft al verschillende boeken geschreven waarin hij rammelt aan de hekken om de werkelijkheid. In Alles kantelt ontmoet een man zijn jongere ik, waardoor verleden en heden door elkaar gaan lopen. In Door de waterspiegel kantelt er nog meer: mensen komen op andere plaatsen terecht en in andere tijden en personages nemen elkaars rol over.

De vrolijke verrijzenis van Arago verscheen in maart 2018. Ik neem aan dat ik indertijd op zijn minst een enkele recensie heb gelezen, maar het boek verdween bij mij weer uit het zicht. Nu heb ik het toch gekocht. En gelezen. En net als de vorige boeken: het is een avontuur.

Bohr en Ehrenfest

Ik probeer het verhaal na te vertellen. Het boek opent met een scène waarin de natuurwetenschappers Niels Bohr en Paul Ehrenfest met een sportieve auto (een Fiat 519 uit 1922) Wenen bezoeken. Het is 1924. Ze gaan naakt zwemmen en zien een mooie vrouw die op een motor uit het water rijst. De motor rijdt over een draad naar een hoog gelegen platform. De mannen herkennen de vrouw. Het moet Lise Werner zijn.

Daarna springen we naar een andere tijd, eenzelfde (dezelfde?) auto: 1999, het grensgebied van Italë en Oostenrijk. De vijftienjarige, puberende Joys Bianca Pacqué rijdt mee met haar ouders in een Fiat 519 uit 1922. Ze hebben in Triëst de zonsverduistering bewonderd en vader moet de auto afleveren. Hij beweegt zich op, maar ook over, de grens van wat legaal is; louche zaakjes.

Midden op de bochtige weg zit een jonge vos. Vader kan de vos niet ontwijken, waardoor de auto tegen een boom knalt en in het ravijn valt. Joys is uit de auto geslingerd en ligt buiten bewustzijn naast de weg.

Coma

Later zullen twee Oostenrijkse mannen (Gifkikker en Magerkäse) haar vinden en haar afleveren in een ziekenhuis in Vipiteno. Ze ligt in coma en niemand weet waar ze vandaan komt.  De twee Oostenrijkers bezoeken haar geregeld, gebruikmakend van de omstandigheid dat Joys zich niet kan verweren. Ze betasten haar, denkend dat zij dat niet zal merken.

Tot zover lijkt er niet zoveel aan de hand. Maar intussen is er al een heel ander verhaal gestart. Joys ziet, als ze in de berm ligt, hoe de dode vos tot leven komt. Ze weet zeker dat hij Arago heet, maar op sommige momenten, als hun samenzijn vertrouwder is, noemt ze hem Smoet. Samen trekken ze de Dolomieten in, waarbij Joys bijna leeft als een vos.

Ze klopt aan bij een vrouw, Simone Werner, die een en al vriendelijkheid is. Als een soort aangenomen dochter blijft Joys bij haar. Ze heet dan Lise Werner. Simone trekt met Lise en Arago naar haar neef, Paul Ehrenfest, in Leiden. Het blijkt 1922 te zijn. Ook in Door de waterspiegel kwam iemand overigens opeens in Leiden terecht.

Leiden

Lise weet niets van voor het ongeluk. Ze is de herinnering aan haar jeugd kwijt. In Leiden ontmoet ze niet alleen Ehrenfest en zijn zoontje Vassik, die het Syndroom van Down heeft, maar ook de wetenschappers Niels Bohr en Willem de Sitter. Voor de beide laatsten vat ze genegenheid op.

Is er een verklaring voor het feit dat iemand in een andere tijd terechtkomt? Joys zegt dat ze Lise heeft verzonnen.
Waarom Lise, zult u vragen. Omdat ik gelukkig wil zijn. 
Als we even uitgaan van een rechtlijnige verklaring (dat de hele verhaallijn in 1922 een verzinsel is van Joys) hebben we daar ook een verklaring voor: Joys weet veel over de stand van de wetenschap in 1922, omdat haar vader haar dat verteld heeft. Hij was immers geabonneerd op het blad Natuur en techniek. Niet voor niets wilde hij per se de zonsverduistering zien.

Sterk verhaal

Dat Joys Lise verzonnen heeft, met alles wat die in 1922 heeft meegemaakt, is wel een sterk verhaal. Bovendien merk je dat het verhaal sterker is dan de bedenker ervan. Als Lise gaat schaatsen met Willem de Sitter, voelt Joys gevaar. Ze heeft het idee dat Lise beter de polders en de plassen kan vermijden. Het lijkt erop dat het verhaal intussen zijn eigen gang is gegaan en dat ze het niet meer helemaal kan sturen.

Lise heeft soms het idee dat ze door iemand in de gaten gehouden wordt. Dat zou Joys kunnen zijn, die haar bedacht heeft. Meteen komt de vraag op door wie wij bedacht zijn en door wie wij in de gaten gehouden worden. Willem de Sitter praat met haar over een engelbewaarder. Op de engelen in dit boek kom ik later terug.

Onder het ijs

Nog een uitspraak van Lise:
Daar op die plassen, toen ik daar schaatste, leek het alsof er vlak onder het ijs als een soort schaduw iemand meeschaatste, gelijk met mij. Het zal een soort gezichtsbedrog geweest zijn.
Een schaduwfiguur, een dubbelganger. Ook dat kan Joys zijn. Het zal wellicht niet zo bedoeld zijn, maar ik moest ook denken aan het gedicht 'Vos onder ijs', van Ingmar Heytze. Onder en boven het ijs - dat zijn twee werelden, net als de wereld van de schrijver, aan de ene kant van het papier en de wereld van de lezer, aan de andere kant.

Zoals gezegd: het zal wel een particuliere associatie zijn, maar ik heb die dankbaar aanvaard. Opeens is er ook de andere wereld van de lezer. Als grenzen van werkelijkheden doorbroken kunnen worden, kan de lezer meedoen in het verhaal. En natuurlijk doet de lezer ook mee. Heb ik, zittend op mijn stoel, niet meegeschaatst met Lise en De Sitter! Nou dan!

Ook zou Lise zich best met een vos kunnen associëren: in de Dolomieten heeft ze geleefd als een vos, zoals Arago in Leiden min of meer als een mens leeft.

Wat kan en wat niet kan

Wie De vrolijke verrijzenis van Arago leest terwijl hij aan het controleren is hoe het precies zit en of alles wat beschreven is wel mogelijk is, doet zichzelf tekort. In de eerste plaats moet je meegaan in het verhaal, wat overigens verrassend gemakkelijk gaat.

Ook Lise heeft overigens haar twijfels als ze ziet hoe de vos Arago verrijst uit de dood. Ze kan het niet direct verklaren, maar denkt dat het te maken heeft met de indeling van de wereld in alles wat kan, wat mogelijk is, aan de ene kant en wat onmogelijk is aan de andere kant. Maar dat zegt het verstand, en het verstand is niet altijd betrouwbaar.
Bovendien zeg je gemakkelijk dat iets wat bestaat, belangrijker is dan iets wat niet bestaat. Het is de vraag of dat klopt. 
Later ziet ze dat ze de wereld op een verkeerde manier heeft ingedeeld:
En pas toen we daar wegliepen, ik de bossen in en hij achter mij aan, begreep ik dat de verdeling tussen wat kon en wat niet kon door mij volkomen verkeerd was gemaakt. Je kan beter kijken naar wat belangrijk is en wat niet. En wat belangrijk is, moet op een of andere manier bestaan. Ook al denk je dat het niet kan.
Als iets belangrijk is, zal het bestaan, al is het maar in je gedachten en voor je het weet zijn je gedachten werkelijkheid. Vooral Niels Bohr is goed in het denken van het onmogelijke. Paul Ehrenfest bewondert dan ook het voorstellingsvermogen van zijn vriend, zijn gedachte-experimenten.

Paul legt uit wat een gedachte-experiment is:
Dat is een mogelijkheid in ons vak om iets wat niet kan of niet bestaat te beschrijven en daarover te praten.
Binnen die definitie valt ook veel van De vrolijke verrijzenis van Arago. Natuurlijk is een roman altijd een gedachte-experiment van de schrijver, maar ook binnen deze roman zijn er dat soort experimenten. Denk aan de ouverture van het boek. Zijn Ehrenfest en Bohr met de gehuurde Fiat in Wenen geweest? Zijn ze naakt gaan zwemmen? Hebben ze die vreemde vrouw met de motor uit het water zien rijzen. Het is waarschijnlijker dat ook dat een gedachte-experiment is. Ze hebben het gedacht en omdat het belangrijk bleek te zijn, bestond het.

Er zijn verschillende tijden en plaatsen, verschillende werkelijkheden, en Joys verkeert in die alle, soms als zichzelf, soms als Lise. Vader moest de auto wegbrengen, maar hoewel de auto verongelukte, bracht die haar naar Leiden in de jaren twintig. In een omgeving waarin ze zich op haar gemak voelde. Gifkikker had het al gezegd: 'Iedereen wil ergens aankomen waar hij zich thuisvoelt.'

Parsec

Op hun schaatstocht legt Willem de Sitter aan Lise uit wat een Parsec is. Het is een afstand: ruim tweehonderdduizend AE, wat de afstand is van de aarde tot de zon en weer terug. 'Voor een engelbewaarder is het een afstand van niks,' zegt Lise.

Engelen kennen we als boodschappers, als degenen die pendelen tussen de werkelijkheden. De verpleegster die Joys verzorgt als ze in coma is, noemt ze haar tactiele engel. Ze is de verbinding tussen de werkelijkheid in haar hoofd en de werkelijkheid buiten haar lichaam.

Bohr en Ehrenfest discussiëren aan het begin van het boek over de vraag of engelen bestaan. Voor wie gelooft wel? Voor ongelovigen niet en voor gelovigen zijn ze belangrijk. En wiskundigen hebben hun eigen engelen: imaginaire getallen.

Ook de twee Oostenrijkers zijn nogal tactiel, maar op een smerige manier. Zijn het duivelen? Of zullen juist zij ervoor zorgen dat Joys uit haar coma ontwaakt?

Twee werelden

Die twee werelden zijn overigens niet strikt gescheiden. Zo komen haar overleden ouders haar opzoeken, al heeft ze weinig steun aan hen.  Het zijn zowel schrijnende als hilarische scènes. Zo heeft Vader heeft nog het stuur van de auto in handen.

Voor een engel stelt een parsec niets voor. Als er geen onderscheid is tussen wat kan en niet kan en als je van de ene tijd in de andere kunt stappen, speelt afstand ook geen rol.

Dat blijkt ook uit het mooie slot van het boek. Arago/Smoet is dan op een wonderlijke manier omgekomen. Simone, die Lise als haar dochter heeft aangenomen, vertelt over hoe haar neef Paul werkt.
Hij denkt en hij maakt aantekeningen en hij verzint proeven die helemaal niet kunnen. Die hij nooit kan uitvoeren. Dat is onmogelijk. En zo, Lise, op dezelfde manier, op de manier waarop Paul werkt, moeten wij Smoet tot leven denken. Smoet is een gedachte, een mooie gedachte, die we telkens opnieuw moeten verzinnen. 
Lize antwoordt: 'Maar ik kan zo'n gedachte-experiment niet aaien of in mijn armen houden.'

Daarmee lijkt ze toch weer onderscheid te maken tussen wat kan en niet kan, de kracht van de gedachte, of de verbeelding onderschattend.

Troost

In de slotalinea wordt ze getroost:
Ze bewondert de gazons en roept. Smoet komt eraan en blijft naast haar. Als ze geduld heeft en enkele minuten wacht, dan zal ze laag boven de horizon de grote planeet zien blinken. En ook al is alles wellicht een parsec verwijderd, daar staat Jupiter. 
Het is ondoenlijk om alles uit de roman naar voren te halen, gelukkig. Jupiter verbindt Lise overigens met De Sitter, maar dat is weer een ander verhaal.

Zo zijn er meer verbindingen. Joys voelt zich ongewenst en Lise voelt zich zeer gewenst. Maar Vassik, het zoontje van Ehrenfest, is hem een last en hij laat hem opnemen in Jena. De hele roman wachtte ik op de dramatische ontknoping, die ik kende uit de werkelijkheid buiten de roman: Ehrenfest schiet zijn zoontje dood en pleegt daarna zelfmoord. Het gebeurt niet in de roman. Misschien heeft Joys het met haar gedachten voorkomen.

Verleden gewist

Lise weet niets van voor de ontmoeting met Arago. Haar verleden is gewist. Ook Simone heeft een deel van haar verleden gewist. Daarin heeft ze twee mannen gedood. Je kunt je afvragen hoeveel iemand van zichzelf kan wissen en tegelijkertijd zichzelf kan blijven. En wat is er gewist bij Joys? Voor de buitenwereld is ze lange tijd alleen maar een lichaam in coma, een mens zonder context. Alleen haar tactiele engel maakt haar tot mens.

Op een gegeven moment gaat het gezelschap rond Paul Ehrenfest naar een uitvoering van Die Schöpfung Haydn. Ook de schepping kun je misschien zien als een gedachte-experiment. En natuurlijk is De vrolijke verrijzenis van Arago ook een schepping.

Tomas Lieske heeft het verhaal geschapen, maar ook de lezer neemt deel aan het gedachte-experiment. Samen met de personages loopt hij nietsvermoedend de werkruimte in waar de auteur zit te schrijven. Voor een lezer stelt een parsec niks voor.

donderdag 10 januari 2019

Podcast: Opgejaagd


Deze keer een podcast die al afgelopen is: een afgerond geheel van negen afleveringen. Opgejaagd is  gemaakt door Jennifer Petterson; vorig jaar rond deze tijd startte ze de podcast en in juli 2018 verscheen de laatste aflevering online.

Jennifer is van oorsprong Zweeds, woont al jaren in Nederland en is getrouwd met een Nederlandse man. Ze heeft twee kinderen. De oudste neemt intussen deel aan het basisonderwijs. En daar zit het probleem.

Bedenkingen

Nu Petterson gezien heeft hoe het Nederlandse onderwijs in de praktijk uitpakt, heeft ze grote bedenkingen. Ze heeft de indruk dat er nogal wat aan mankeert: een leerkracht die te veel leerlingen onder zich heeft, de toetscultuur, de geringe aandacht voor de muzische vakken, het kindbeeld dat in het onderwijs gangbaar is.

Heeft ze er wel goed aan gedaan om haar kind naar een Nederlandse school te sturen? Is het onderwijs in Zweden niet zoveel beter dat ze remigratie zou moeten overwegen? Haar man is wat minder somber over het Nederlandse onderwijs en voor hem is verhuizen naar Zweden natuurlijk een grotere stap. En wat vinden de kinderen zelf?

Petterson voelt zich opgejaagd: er moet een beslissing genomen worden en het liefst op korte tijd. Ze gaat op onderzoek uit: ze praat met ouders, met leerkrachten, met andere deskundigen. Ze loopt mee in de klas van een onderbouwdocent, zodat ook de luisteraars een indruk krijgen van hoe de lessen verlopen.

Zweden

Ook in Zweden steekt ze haar licht op: is het onderwijs inderdaad zoals ze zich herinnert of heeft ze het geïdealiseerd? Uiteindelijk moet er een beslissing genomen worden. Dat gebeurt in aflevering negen: 'En nu?'

Je weet als luisteraar dat er besloten moet worden over wel of niet naar Zweden verhuizen en dat drijft het verhaal voort. Hoe de beeldvorming van het onderwijs in Nederland en Zweden zich ontwikkelt, maak je live mee en dat houdt de aandacht er gemakkelijk bij.

Wie niets of weinig van het Nederlandse onderwijs weet, krijgt een goede indruk van hoe het daar reilt en zeilt. Omdat we een beeld krijgen van verschillende Nederlandse basisscholen, krijgen we ook een indruk van hoe schoolculturen kunnen verschillen. Ook worden we aan het denken gezet over de neiging om alles te toetsen. Is het onderwijs daarin doorgedraaid?

Lichte irritatie

Ik had wel een lichte irritatie bij de wat weke manier waarop Petterson praat. Het heeft iets zijïgs, zeker in het gesprek met de eigen kinderen. De kritische instelling beviel me beter, al snap ik ook best dat scholen graag niet te veel van dit soort ouders hebben.

De problemen die het Nederlandse onderwijs kan veroorzaken, worden concreet gemaakt: hoe werkt het uit bij dit kind, bij dit gezin? Ook de gesprekken in het gezin worden weergegeven, zodat we dichtbij kunnen komen en de worsteling van korte afstand kunnen meemaken.

Helderheid

De reportages zijn helder, de onderwerpen goed per aflevering afgebakend, de problemen worden duidelijk geëtaleerd. De helderheid is een van de aantrekkelijke kanten van deze podcast, samen met het boeiende van het doorlopende verhaal.

In de loop van vorig jaar heb ik steeds met interesse geluisterd en als er een nieuwe aflevering online stond, heb ik die vaak binnen een week beluisterd. En wat het gezin uiteindelijk besluit? Om dat te weten te komen, moet je toch echt zelfs gaan luisteren. Dat kan bijvoorbeeld hier.

vrijdag 4 januari 2019

Aswoensdag (Hanneke Hendrix)


Terug naar de plaats van je jeugd en daar dingen herkennen of daar zaken ontwarren die indertijd in de knoop geraakt zijn - er is met gemak een lange lijst te maken met boeken die dat als grondplan hebben: van De provincie van Jan Brokken tot De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst, van Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers tot Ventoux van Bert Wagendorp.

Ook Aswoensdag van Hanneke Hendrix borduurt voort op dat stramien: Marit heeft al vijftien jaar geen contact meer met haar moeder (Stans), die intussen is gaan dementeren. Als het thuis wonen grote problemen gaat opleveren, trekt Marit bij haar moeder in om de nodige zaken voor haar te regelen. Ze keert daarmee terug naar het dorp waar ze is opgegroeid, een mijndorp in Noord-Limburg, Sint Nazareth Aan De Woestijn (Sint Naaz).

Dorpscultuur

Dat deed me denken aan Hoor nu mijn stem van Franca Treur en ook aan Dorst van Esther Gerritsen. De hoofdpersoon bij Treur, Ina, keert terug om een oude tante te verzorgen. Ze is weer terug in de reformatorische wereld die ze achter zich gelaten heeft. Dat betekent dat ze moet stappen in een cultuur die nog in haar zit, maar die in haar actieve leven geen rol meer leek te spelen.

Ook Marit keert terug naar de dorpscultuur in Limburg. Ze is vijftien jaar geleden naar de kust getrokken. Ze heette toen nog Marietje. Blijkbaar heeft ze, om haar nieuwe leven te onderstrepen, een nieuwe naam aangenomen. Maar voor het dorp blijft ze Marietje en iedereen blijkt nog steeds alles van iedereen te weten. Als er bijvoorbeeld onder toonbank bier verkocht wordt aan Marit, is dat al gauw breed bekend.

De hoofdpersoon in Dorst gaat inwonen bij haar moeder, die terminaal ziek is. Dat is misschien wel niet zo'n goed idee, want de relatie tussen moeder en dochter is bepaald niet prettig. Dat is eigenlijk ook het geval bij Marit en haar moeder. Marit is niet voor niets weggegaan. Wat er scheef zit tussen moeder en dochter is een van de vragen die de lezer beantwoord wil zien.

Mantelzorg

Marit zal proberen moeder opgenomen te krijgen en daarvoor moet heel wat geregeld worden. Tot nu toe is er naar moeder omgekeken door buurvrouw Dings, Stientje, die als kind al vriendin van moeder was. En door Rudy, de buurtregisseur, een wonderlijke figuur, die betrokken is bij moeder, maar die tegelijkertijd vindt dat hij zelf erg weinig aandacht krijgt.

Moeder is niet gemakkelijk voor haar omgeving. Zo loopt ze geregeld weg. Zelfs als Marit de deur barricadeert, weerhoudt dat moeder niet om de benen te nemen. Een van de verhaallijnen is die van moeder in het heden: hoe ontwikkelt het ziektebeeld zich en zal het goed gaan of komen tussen Marit en haar?

Een andere lijn is die van de ongewenste kinderloosheid van Marit en Maarten. Ze zijn een traject in gegaan van ivf-behandelingen dat veel vraagt van Marit maar ook van de relatie tussen de beide partners. Vraagt dat te veel? Intussen heeft ze de verantwoordelijkheid voor een moeder die als een kind zorg behoeft. Ongewild heeft ze de moederrol al aangenomen.

Jeugdherinneringen

Ten slotte zijn er de jeugdherinneringen van moeder: haar broers zijn ooit omgekomen in de mijn en daarna is er veel veranderd thuis. De dorpsgemeenschap heeft ze laten stikken, wordt er wel gezegd en vader en moeder waren zo bezig met hun verdriet dat er niet veel aandacht meer overbleef voor Stans. Die moest ook nog leven met dingen die ze wist, maar nooit zou kunnen vertellen.

Het dorp leeft toe naar de carnavalstijd, die uit zal monden in de Aswoensdag. Moeder en Marit gaan ook meedoen met de carnavalsfeesten, al heeft Marit eigenlijk niet een geschikt pekske: ze loopt rond in een berenpak.

Vasteloavond

De Vasteloavond is een aantal jaren geleden prachtig opgeroepen in Naar de overkant van de nacht, door Jan van Mersbergen. Dat feest heeft niets te maken met platte lol, maar met loutering. Onbekenden zingen gezamenlijk liedjes in de streektaal en vertellen elkaar hun levensverhaal. Die liederen citeert Hendrix uitvoerig en ze werken uitstekend. Er is weemoed om wat voorbij is en nooit meer terugkomt, er is gemis en er is het heul zoeken bij elkaar. De beschrijving ervan behoort tot de hoogtepunten van Aswoensdag. 

De roman zit goed in elkaar. Dat er bij Marit herinneringen loskomen is logisch: ze bevindt zich op haar oude plek. Maar ook bij Stans komt er veel boven, zeker nadat Marit de jukebox in de voorkamer heeft laten repareren. De muziek van vroeger laat het verleden herleven.

Lief doen

Wat in vorige generaties is gebeurd, werkt door in de volgende. Doordat Stans' ouders zo bezig waren met het verlies van 'de jongens' heeft zij het in haar eentje moeten rooien. Zelfs toen ze zich verwondde met een mes, werd ze eigenlijk niet gezien. Zij was vast van plan om het later, als ze moeder was, anders te doen.
'Ik had een heel klein dochtertje', zei Marits moeder. 'Heel klein. Lief klein baby'tje. Ik heb die niet alleen onder de kapstok laten zitten. Ik zei tegen haar: de jongens zijn er niet meer, maar jij bent er nog wel. ik heb haar niet zomaar gelaten met dat mes.'
'Nee?' vraagt Marit.
'Nee. Ik heb lief gedaan. Ook al voelde ik me alleen.'
Moeder was het meisje met het mes, het meisje dat alleen onder kapstok ging zitten. Je zou kunnen zeggen dat ze datgene wat ze gemist heeft alsnog aan haar dochtertje wilde geven en dus aan het meisje dat zij zelf is geweest.

Schrijnend is dat moeder zegt dat ze 'lief gedaan' heeft. Dat was blijkbaar het maximale dat ze kon. Niet lief zijn, maar lief doen. Je ziet hoe het zuur zich door de generaties heen vreet. Wil Marit daarom zo graag een kind? Wil ook zij goedmaken wat ze zelf tekortgekomen is? Daar lijkt het wel op.

Mijndorp

De plaats waar alles zich afspeelt, is tekenend: een mijndorp in Noord-Limburg.  We zouden mijnen juist in het zuiden van Limburg verwachten. Dat kon dan ook niet goedgaan. Niet alleen eiste de mijn zijn slachtoffers, uiteindelijk bracht hij ook niet genoeg op. Ook daarbij heeft men het geprobeerd, maar is het allemaal niet gelukt. Er ligt alleen nog een berg, waar nu de 'import' skilessen neemt. En er zijn afgesloten mijngangen.

Alles wijst op mislukte pogingen. Een mijn die niet gelukt is, kinderen die omgekomen zijn, relaties die onder spanning staan of waaruit de spanning verdwijnt, een kind dat maar niet geboren wil worden, een moeder die verdwaald is in haar leven en in haar verleden.

Ook Marit lijkt het niet te redden. Ze doet dapper haar best, maar de taak om voor haar moeder te zorgen is eigenlijk te zwaar voor haar. Ook bij haar dringt het verleden in het heden. Ze ziet bijvoorbeeld ineens haar opa aan de tafel zitten, hoewel ze weet dat hij er niet kan zijn.

Voor het eerst van haar leven heeft Marit het idee dat ze iets zinvols aan het doen is, maar ook dat dreigt uit haar vingers te glippen. En ze stoot ook nog Maarten van zich af, die ze eigenlijk zo hard nodig heeft. Ze zou bovendien onderhand haar werk moeten bellen, waar men moeilijk begint te doen over haar ongeoorloofd verzuim. Ze doet het niet.

Afloop

Op Vasteloavond komt het tot een hoogtepunt, waarover ik niet al te veel zal zeggen. Aan de ene kant  is het het hoogtepunt van het boek. Ik vroeg me aan de andere kant wel af of de afloop niet net te zoet was. Maar het werkt wel en misschien moet dat dan maar het criterium zijn.

Wel wordt nogal duidelijk uitgelegd wat er nu aan de hand was bij het omkomen van de broers. Ook dat heeft twee kanten. Je wilt dat enerzijds als lezer weten, maar anderzijds wordt er misschien ook te veel door verklaard. Je hebt het idee dat je daarna snapt hoe alles zit, terwijl de pijn natuurlijk schuilt in dat wat je niet kunt snappen, waar geen logische verklaring voor is. Misschien hadden we niet alle uitleg nodig gehad om verder te kunnen leven met de personages en de gebeurtenissen.

In mijn lijst van de tien beste boeken van 2018 die ik niet gelezen heb, zette ik Aswoensdag op de tiende plaats. Mijn inschatting was dat ik het een interessant boek zou vinden. Ik las ooit Hendrix' debuut, De verjaardagen, waarin de schrijfster zich nog wel erg schatplichtig betoonde aan de vroege Renate Dorrestein. Haar tweede boek, De dyslectische-hartenclub, is geheel aan mijn aandacht ontsnapt.

Stap voorwaarts

In vergelijking met het debuut heeft Hendrix duidelijk een stap gemaakt. Vooral op het gebied van de emotie boort ze dieper. Ik vermoed dat meer lezers geraakt zullen worden door de relatie tussen moeder en dochter. Tot ze aan het eind aan het uitleggen slaat, laat ze de complexiteit van die relatie bestaan.

En de beschrijving van de Vastelaovond met de kenmerkende liedjes is goed gedaan. Het is ook mooi hoe dubbel daarin de situatie van Marit is: aan de ene kant is zo'n avond haar vertrouwd, met de liederen die ze stuk voor stuk kent, en aan de andere kant loopt ze rond in een berenpak, waarmee ze toont dat ze er tegelijkertijd niet helemaal bij hoort. Dat is een spannende positie.

Aswoensdag is een intrigerende roman. Ik heb het boek gelezen, wat niet wil zeggen dat ik het ook uit heb. Stans en Marit zullen nog wel even door mijn hoofd wandelen, vrees ik.

donderdag 3 januari 2019

Zeven dwergen (Wilfrid Lupano/Roberto Ali)


Sprookjes zijn diep geworteld in onze literatuur. In veel literaire werken komen sprookjesmotieven voor, er zijn gedichten over sprookjes, er zijn parodieën. Veel sprookjes zijn intussen verfilmd of als musical opgevoerd. Blijkbaar kunnen de verhalen steeds opnieuw verteld worden.

Ook in strips vinden we de sprookjes terug. In 2014 waren er de duistere sprookjes van scenarist Bonifay, die samenwerkte met verscheidene tekenaars en in 2017 vertelde Frank Flöthmann de sprookjes na zonder woorden te gebruiken. Vermeldenswaard is ook Pieter de Poortere, die in Prins Boerke (2014) hilarisch varieerde op sprookjes. Het zijn enkele albums die mij nu te binnen schieten. Ongetwijfeld zijn er veel meer voorbeelden.

Zeven

Bij Silvester Strips loopt al een tijdje een reeks die draait om het getal zeven. Eerder besteedde ik aandacht aan Zeven draken en Zeven detectives. Onlangs verscheen het eerste deel van het derde seizoen, Zeven dwergen. De scenarist,  Wilfrid Lupano, koos ervoor om dicht bij de zeven dwergen te blijven die we kennen uit het sprookje van Sneeuwwitje. Wel gaf hij ze een andere achtergrond: de dwergen leven aan het hof, waar ze narren zijn, maar vallen in ongenade. Ze worden het paleis uit gegooid en moeten nu in hun eigen levensonderhoud voorzien.

Verder zijn er de vertrouwde personages: Sneeuwwitje, de boze stiefmoeder en de jager. De sprekende spiegel en de giftige appel zijn er ook weer. Sneeuwwitje zien we bezig als een soort Assepoester, de vloeren boenend. Mooi is ze wel en net als in het sprookje is dat de reden dat ze uit de weg geruimd moet worden. Maar de hitsige jager heeft andere dingen aan zijn hoofd.

Niet zo onschuldig

Sneeuwwitje duikt onder bij de dwergen, maar er zijn dan al verschillende verhaallijnen uitgezet die Lupano handig ontrolt. Sneeuwwitje blijkt een stuk minder onschuldig dan in het sprookje. Ze is niet van plan te wachten op wat het lot voor haar in petto heeft, maar neemt de touwtjes zelf in handen.

In dit album is het sprookje danig opgefrist. Het verhaal wordt vlot verteld, is humoristisch en heeft onverwachte wendingen. Tegelijkertijd blijft het ontegenzeggelijk een variant op het bekende sprookje, wat maar weer eens aangeeft hoe sterk het oorspronkelijke verhaal is.

Tekeningen

De tekeningen zijn van Roberto Ali, die de neiging heeft alles flink vet aan te zetten. De jachtmeester is een bruut. Hij is daarbij ook nog eens heel erg groot en hij heeft vervaarlijke honden. Elk misverstand wordt uit de weg geruimd: we mogen hem maar op één manier zien. Sneeuwwitje is behoorlijk zelfstandig, maar ze is ook een lustobject, dus ze heeft een decolleté gekregen waar haar borsten steeds uit dreigen te glippen. En de dwergen voeren een mannenhuishouden: uitermate smerig.

Daardoor wordt de setting natuurlijk karikaturaal, maar in sprookjes zijn de verhoudingen eigenlijk altijd eenduidig: je hebt goeden en slechten, helden en schurken. Altijd is duidelijk aan welke kant je moet staan. Dat komt de helderheid in ieder geval ten goede. En in Zeven dwergen is Sneeuwwitje in ieder geval niet eendimensionaal: ze heeft onvermoede kanten, die ook zorgen voor de definitieve wending in het verhaal.

Zeven dwergen is geen sprookje om aan de kleintjes voor te lezen voor het slapengaan, maar wel een frisse variant op een bekend verhaal, waarmee je je prima kunt amuseren.

Titel: Zeven dwergen
Tekst: Wilfrid Lupano
Tekeningen: Roberto Ali
Uitgever: Silvester
's-Hertogenbosch 2018, 64 blz; hardcover, € 16,95



woensdag 2 januari 2019

De brief voor de koning (Tonke Dragt)


Tonke Dragt is de grande dame van de Nederlandse jeugdliteratuur. In november 2018 werd ze 88 jaar. In de loop der jaren schreef ze een respectabel aantal boeken, waarvan er verscheidene bekroond zijn.

Haar tweede boek, De brief voor de koning (1962) werd uitgeroepen tot Kinderboek van het Jaar, de voorloper van de Gouden Griffel. In 2004 kreeg het boek de Griffel der Griffels. Het werd toen gezien als het beste bekroonde boek in vijftig jaar (1955 - 2004).

Ik kende de faam van het boek, maar ik had het nooit gelezen, zoals ik ook andere bekende boeken van Dragt niet gelezen heb: Geheimen van het Wilde Woud (1965), Torenhoog en mijlen breed (1969) en De torens van februari (1973). Het enige boek dat ik wel las, is Ogen van tijgers (1982).

Dat las ik ook in 1982. In die tijd had de sectie Nederlands de verantwoordelijkheid voor het draaiende houden van de schoolbibliotheek van de Christelijke Mavo in Zetten. Enkele keren per jaar gingen mijn collega en ik op een avond naar de plaatselijke boekhandel om een doos boeken uit te zoeken. Die lazen we vooraf om te controleren of het taalgebruik door de beugel kon. Daardoor heb ik in de jaren tachtig aardig wat jeugdboeken gelezen.

Verfilming

De zevensprong (1966) werd verfilmd en velen zullen met plezier terugdenken aan de spannende televisieserie. Op dit moment wordt ook De brief voor de koning verfilmd. Het is de bedoeling dat het een Netflixserie wordt. Dragt beoordeelde het scenario en keurde delen daarvan af.

De brief voor de koning is een avonturenroman. Het verhaal speelt zich af in twee fictieve landen, het Rijk van Unauwen en het Rijk van Dagonaut. Ten zuiden van beide landen ligt Eviellan en daar deugt het niet. Ik moest dan ook steeds denken aan 'evil land'. Ridders uit Eviellan verschijnen geregeld in Dagonaut en Unauwen.

In het Rijk van Dagonaut verblijven enkele jongemannen een nacht in een kapel, waar zij waken en mediteren. De volgende dag zullen ze tot ridder geslagen worden. Een van hen is Tiuri, de zoon van Tiuri. Hij hoort iemand bij de deur van de kapel om hulp vragen en besluit om de kapel te verlaten en met de man mee te gaan.

Het blijkt een oude man te zijn, de schildknaap van Edwinem, de Zwarte Ridder met het Witte Schild. Hij vraagt Tiuri om een brief te bezorgen bij zijn heer. Waarom schildknaap en ridder zo ver uit elkaar zijn geraakt, is overigens niet duidelijk, zoals ook niet helder is waarom een brief met zo'n belangrijke inhoud niet in de handen van de ridder is. Maar goed, Tiuri neemt de taak op zich om de brief te bezorgen.

Opdracht

Hij vindt de ridder, maar die is stervende. De ridder geeft hem de opdracht om de brief te overhandigen aan de koning van Unauwen en dat gaat Tiuri doen. Het zal een lange tocht worden, vol gevaren. Er zijn namelijk mensen die willen verhinderen dat de brief de koning bereikt. Halverwege de tocht, bij het oversteken van de Grote Bergen, krijgt Tiuri een andere jongen als gids, Piak. Die zal hem de rest van de tocht vergezellen.

Wat er in de brief staat en of de tocht helemaal goed afloopt, zal ik niet verklappen. Makkelijk is het in ieder geval niet. Ik denk dat Tiuri toch wel ongeveer een maand onderweg is geweest. Dragt neemt de ruimte om alle wederwaardigheden gedetailleerd weer te geven: de roman is meer dan 450 bladzijden dik.

Dat is ook het lekkere van het boek: je duikt in het verhaal en het kan niet lang genoeg duren. Aangezien de gebeurtenissen zich afspelen in een fictief land, kun je strikt genomen misschien niet spreken van een historische roman, maar de setting is die van de riddertijd. De ridders verplaatsen zich te paard, er zijn burchten en kloosters en alles ademt de Middeleeuwen.

Historische kinderboeken

Het zou nog meer dan tien jaar duren voordat Thea Beckman Kruistocht in spijkerbroek (1973) zou publiceren en daarna haar trilogie over de Honderdjarige Oorlog. Daarmee kreeg het historische kinderboek pas een goede duw in de rug. Maar Tonke Dragt zat dus al begin jaren zestig op dat spoor.

Zoals gezegd, De brief voor de koning is een heerlijke roman, zeker voor jeugdige lezers die niet terugschrikken voor een dik boek. Er zijn ook wel wat kanttekeningen bij te maken. Ik noemde al de toch wat vreemde manier waarop Tiuri bij het avontuur betrokken raakt. Verder voelt Tiuri mij net iets te goed aan of iemand wel of niet deugt.
Ze waren intussen dicht bij de brug gekomen. Tiuri keek omhoog. Er leunde iemand over de stenen balustrade en keek op hen neer. Het was een man met een breedgerande hoed op, die zijn gezicht bijna geheel verborg. Toen het schip nog dichterbij kwam, boog hij zich verder naar voren. Tiuri kon zijn blik niet van hem afhouden, al wist hij niet wie de man was. Hij hoorde hem lachen, een spottende, triomfantelijke lach. Die klonk nog in zijn oren toen ze onder de eerste boog van de brug door voeren. Hij wierp een blik op Piak, om te weten of deze er ook door getroffen was. Maar Piak zat in elkaar gedoken naast hem en keek voor zich uit. 
Het zal duidelijk zijn: de man met de hoed deugt niet. Verderop in het verhaal wordt duidelijk dat Tiuri dat goed heeft aangevoeld. Het is overigens wel een beetje vreemd dat het gezicht van de man niet goed te zien is door de hoed die hij draagt, terwijl die man hoog boven de helden over de balustrade leunt.

Verder lijken broers altijd op elkaar en zonen lijken op vaders. Als Tiuri de koning van Unauwen ontmoet, heeft die iets bekends. Ja, hij heeft diens broer al eens ontmoet. Zoals Tiuri, toekomstig ridder, zoon is van een ridder, zal hij ook andere ridders ontmoeten die zoon of broer van een ridder zijn. Het blijkt altijd uit hun uiterlijk.

Bondgenoten en vijanden

Tiuri deugt. Geen haartje kwaad zit er aan die jongen. Ook dat is een bezwaar dat je tegen De brief voor de koning zou kunnen aanvoeren: de karaktertekening is zwart/wit. Mensen deugen of deugen niet. Maar bij een dreigende oorlog (en dat is hier het geval) worden mensen natuurlijk al gauw verdeeld in bondgenoten en vijanden.

De brief voor de koning is geen zoetsappig boek. Het kwaad is reëel en wint ook wel eens. Niet voor niets krijgen we al in het begin te maken met een stervende held, de Zwarte Ridder met het Witte Schild. Uiteindelijk wint het goede. Dat is een van de hoopvolle boodschappen van het boek.

Wezenlijker is misschien het inzicht dat Tiuri opdoet dat voor hem de inhoud van de brief niet meer het belangrijkst is, maar dat hij de belofte nakomt die hij gedaan heeft aan de stervende ridder. Weliswaar is hij uit de kapel gelopen voordat hij tot ridder geslagen kon worden, maar hij heeft het rechtvaardigheidsgevoel en het plichtsbesef van een ridder. Met dat soort mannen kun je een oorlog winnen.

Auteurs uit de jaren zestig

Het is niet helemaal eerlijk om een boek van meer dan vijftig jaar oud de maat te nemen met de normen van nu. Pas na het verschijnen van dit boek zou de jeugdroman in Nederland zich snel ontwikkelen door schrijvers als Thea Beckman, Jan Terlouw, Paul Biegel, Evert Hartman, Guus Kuijer, Joke van Leeuwen en Anton Quintana, om er maar een paar te noemen. Begin jaren zestig hadden we al wel Miep Diekmann, die vanaf 1947 kinderboeken publiceerde. Verder kenden we  Jaap ter Haar, maar die schreef nog series als Saskia en Jeroen en Ernstjan en SnabbeltjeBoris zou hij pas in 1966 schrijven. An Rutgers van der Loeff was in die tijd ook een kwalitatief goede kinderboekenauteur. De kinderkaravaan was al in 1949 verschenen en in de jaren vijftig publiceerde ze een heel stel boeken, waaronder Rossy, dat krantenkind (1952), Lawines razen (1954) en Ze verdrinken ons dorp (1957).

Natuurlijk waren er meer auteurs, die ik nu over het hoofd zie. Mij schiet nog Siny van Itterson te binnen, die afgelopen jaar overleed. Ze werd 98 jaar. Ik hoorde daar pas van aan het eind van het jaar.  Van haar las ik alleen De adjudant van de vrachtwagen (1967).

Naar de normen van nu

Naar de normen van nu is De brief voor de koning te schematisch in de karaktertekening. Je kunt merken dat het boek geschreven is in een tijd dat je nog onbekommerd helden als personage kon kiezen.  Het is ook wel heel erg een jongens- of mannenwereld die er getekend wordt, maar dat hangt wellicht ook samen met de tijd die beschreven wordt en het onderwerp. Ik zal niet zeggen dat het boek van Tonke Dragt een jongensboek is, maar meisjes spelen er maar een heel klein rolletje in. In de Netflixserie die gaat komen, krijgt wel een meisje een belangrijke rol, lezen we hier. Maar ze mag van de auteur haar held niet overvleugelen: 'Ik heb wel benadrukt dat Tiuri de baas is.'

Dat alles laat onverlet dat De brief voor de koning een degelijk jeugdboek is, dat een wereld voor je oproept waarin je moeiteloos met de hoofdpersoon rond kunt lopen. Beeldend is het boek sterk. Voorin vind je een landkaart, maar ook als die er niet zou zijn, zou je Tiuri makkelijk op zijn tocht kunnen volgen. Je ziet de omgeving voor je, net als de personages. Wat dat betreft ben ik ook wel een beetje huiverig voor de verfilming, die ongetwijfeld andere beelden zal aanleveren dan de lezer al in zijn hoofd heeft.

De Netflixserie wakkert de aandacht voor het werk van Tonke Dragt nu al aan. Zo werd ze uitgebreid geïnterviewd in The Guardian. Mogelijk zal in de slipstream daarvan een groter deel van de Nederlandse jeugdliteratuur meer buitenlandse lezers vinden.

dinsdag 1 januari 2019

Podcast: Hallo, hier Hilversum


Podcast kun je beluisteren wanneer je wilt. Bij een nog lopende podcast krijg je elke keer een aflevering binnen, bij een al beëindigde podcast kun je overgaan tot bingeluisteren. Dat heb ik bijvoorbeeld gedaan met Het hart van Napoleon. Aan voorbeelden van beide categorieën zal ik hier nog aandacht besteden.

Wie op een al rijdende trein wil springen, zou kunnen gaan luisteren naar Hallo, hier Hilversum, een podcast over honderd jaar radio, door Vincent Bijlo en Ger Jochems. De podcastserie is op 6 november 2018 gestart en tot nu toe zijn er acht afleveringen verschenen.

De uitzendingen zijn thematisch: kinderprogramma's door de jaren heen bijvoorbeeld of het aanbod aan programma's op oudejaarsavonden. Er is ook een uitzending geweest over de zeezenders en over de start van Hilversum 3. Een overzicht van de afleveringen vind je hier.

Van dit soort podcasts geniet ik zeer. Er worden herinneringen opgehaald en het is altijd prettig om dingen te herkennen en je naar aanleiding daarvan andere zaken te herinneren. Daarnaast zijn er natuurlijk fragmenten die onbekend zijn (al was het maar omdat ze van voor mijn tijd zijn). Dat is een mooie mix.

Het is ongeveer dezelfde beleving als die ik had bij podcast van KX Radio, 50 jaar 3FM. Door die meer dan vijftig uitzendingen ben ik nog steeds niet helemaal heen, maar ik zal ze allemaal tot mij nemen. Ook daarin waren fragmenten te horen die de aanjager waren voor het ophalen van herinneringen.

Vincent Bijlo en Ger Jochems zijn bekende radiostemmen. Beide presentatoren zijn betrokken en enthousiast, wat lekker luistert. Tussen de fragmenten door vertellen ze weetjes, die vaak voor mij nognietweetjes waren.

De geluidsfragmenten betrekken ze bij Beeld en Geluid. Ze zijn van goede kwaliteit. Af en toe is het onvervalste middengolfgeluid te horen, wat op zich al een bron van nostalgie is. Bij mij althans. Ik ben even kwijt hoeveel afleveringen de podcast zal gaan tellen. Dertig? We kunnen in ieder geval nog even vooruit.

In het kader van de uitzendingen op oudejaar: Wim Kan in 1966, uit het archief van Radio Nederland Wereldomroep. Aan die zender wordt wellicht ook nog eens apart aandacht besteed.