vrijdag 30 september 2022

Afgestoft: Geheime kamers (Jeroen Brouwers)

Er is al heel wat van Jeroen Brouwers dat ik in de loop van de jaren heb gelezen. Bij zijn dood had ik terug willen blikken op die leesgeschiedenis, maar mijn hoofd moest zich bezighouden met andere dingen. Misschien komt het er ooit nog van. 

Wat rondstruinend op Literom, waartoe ik sinds kort toegang heb, kwam ik de recensie van Geheime kamers (2000) die ik indertijd schreef. Dat stuk is eerder gepubliceerd in Nederlands Dagblad van 10 november 2000. 

Van de opmaak was weinig meer over, dus ik heb de verdeling in alinea's opnieuw moeten aanbrengen. Voor de rest heb ik weinig veranderd. Een enkel woord vond ik zo storend, dat ik het vervangen heb en ik heb wat tussenkopjes toegevoegd. Voor de rest is het de tekst van toen.  


De verwoestende kracht van de leugen

Het was 1980, het eerste jaar dat ik voor de klas stond, en ik had eigenlijk geen benul van literatuur. Wel had ik behoorlijk wat poëzie gelezen, maar het proza was voor mij een nog nauwelijks ontgonnen gebied. Ik had er wat in rondgestruikeld, was terechtgekomen bij Couperus, Reve en Hermans, maar ook bij Arnold Clerx, J.J. Cremer en P. van Limburg Brouwer. Geen idee waar ik mij bevond. Geen idee waar al die kronkelpaden heen leidden.

Toen ik mij weer eens door wat struikgewas geworsteld had en nog even mijn kleren afklopte, was daar ineens Jeroen Brouwers, met zijn Kladboek. Ik was meteen verkocht. Dat iemand zo kon schrijven! Zo betrokken, zo persoonlijk en vooral zo mooi! Totaal anders dan alles wat ik daarvoor had gelezen.

En ik kon er ook zo verschrikkelijk om lachen. Ik bezit een opgewekt gemoed, maar mocht ik ooit in somberheid vervallen, reik mij dan Brouwers' Kladboek aan en zoek daarin het stuk op 'Met D. van Tol naar de bedriegertjes' of het artikel over Dirk Ayelt Kooiman.

Liefde, literatuur, dood

Gelukkig bleek mij al gauw, dat er nog veel meer Brouwers was. Mijn Vlaamse jaren en Zonsopgangen boven zee en bovenal Zonder trommels en trompetten, een van Brouwers’ boeken die me het dierbaarst gebleven zijn. En in al die boeken kwam ik de Brouwerse thema's van toen tegen: liefde, literatuur en de dood.

Allemaal waren ze geschreven in Brouwersstijl. Brouwers had niet de stijl van een schrijver die maar gewoon deed, omdat hij dan eigenlijk al te gek deed. Brouwers schonk geen kopje thee met een koekje erbij. Brouwers vond niet dat het gazon nodig geknipt moest worden, want het gras was alweer vier centimeter lang. Brouwers beeldhouwde zijn zinnen met een knoeper van een hamer (en toch met eindeloos veel precisie). Hij verhief zijn stem, hij zwaaide met zijn armen. 'Kome er opnieuw schoonheid', riep hij. En ik vond het allemaal even mooi.

Signeren

De hele jaren tachtig las en herlas ik alles van Brouwers. Toen in 1988 De zondvloed verscheen, pakte ik al mijn Brouwersboeken in een koffer en reisde naar Arnhem, waar de schrijver zou signeren. In de winkel pakte ik die koffer weer uit, stapelde alle titels en daarvan weer al de verschillende drukken op elkaar en schuifelde met die stapel in de rij naar de tafel waarachter de schrijver zich bevond.

Graag had ik hem in alle boeken zijn handtekening laten zetten, maar Brouwers, die de hele sessie wel een bezoeking gevonden zal hebben, begon daar niet aan. Ik mocht de vijf meest dierbare boeken uitkiezen en de rest ging ongesigneerd weer mee naar huis. Ongetwijfeld koos ik de eerste druk van Zonder trommels en trompetten uit en de beide delen van Kroniek van een karakter. Wat ik nog meer koos, zou ik na moeten kijken.

De laatste tien jaar kwam Brouwers minder op mijn pad. Niet meer in de financiële positie zijnde om boeken te kunnen kopen (ach ja, het onderwijs), meed ik de boekhandels, las ik nauwelijks kranten en tijdschriften. Achter in Geheime kamers, de nieuwe roman van Brouwers, heb ik in de bibliografie opgezocht wat ik allemaal gemist heb en het is verbijsterend. Brouwers voegde alleen de laatste tien jaar al zo'n dertig titels aan zijn oeuvre toe. Ik moet nodig gaan sparen.

Soberder

Geheime kamers is de eerste roman in tien jaar, maar de vraag is niet waarom het zo lang geduurd heeft voor die roman er was, maar hoe Brouwers was veranderd, merkte ik. Of ik was veranderd. Of wij beiden. Zijn stijl was kaler geworden, soberder dan ik mij die herinnerde. Die stijl werd in recensies altijd barok genoemd. Het was een stijl met krullen, een stijl met kleuren die de aandacht trokken, niet zo'n sorry-dat-ik-besta-stijl. In Geheime kamers lijkt de stijl wat bescheidener. Wat sneller ook, meer in dienst van het verloop van het verhaal. Misschien is dat winst, maar ik hield ook erg van die krulstijl, waarin Brouwers gelukkig nog met enige regelmaat vervalt.

Ook zijn er meteen alweer de herhalingen. Het kwastje van een baret, dat elke keer opnieuw beschreven wordt of de correctielak in brieven of de geheime kamers of de jojo. Ik heb dat altijd schitterend gevonden. Nog steeds herinner ik mij de mist en het eelt en het 'kwaak kwaak' uit Bezonken rood, die het hele boek door opdoken. Zoals de verschillend gekleurde blokjes op een klimwand de klimmer langs verschillende routes omhoog leiden, leiden de motieven die Brouwers gebruikt je door zijn boek. Soms herhaalt hij ze bijna letterlijk, vaak geeft hij er een tikje tegen, zodat ze net iets anders betekenen dan de vorige keer. Daardoor krijgt het boek samenhang, krijgt alles met alles te maken. "Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt", schreef Brouwers ooit.

Soms is zo'n herhaling wat overnadrukkelijk. Als aan het eind van het boek mensen bezig zijn een vertrek wit te schilderen, denkt zelfs de meest argeloze lezer meteen aan alle correctielak die in de loop van het boek genoemd is. Dat Brouwers het ook nog een keer 'correctiewit' noemt, stoort mij dan.

Verliefdheid

Ook qua inhoud is Geheime kamers typisch een Brouwersboek. De ik-figuur, de afgekeurde geschiedenisleraar Jelmer van Hoff, is verliefd op de operazangeres Daphne, de vrouw van een jeugdvriend. In veel van het eerdere Brouwerswerk komen verliefdheden voor op meisjes die Aurora heten, of Emmy of Iris of Nachtschade. De verliefde mannen dwepen met deze meisjes, cijferen zich weg, hebben alles voor hen over. De meisjes staan op een voetstuk en worden aanbeden.

Ook Jelmer wordt verliefd als hij na zo veel jaren Daphne opnieuw ziet. Zij lijkt ook iets voor hem te voelen, schrijft hem brieven en arrangeert afspraken waar vervolgens vaak wat tussenkomt. Jelmer is in de ban van Daphne, maar niet voortdurend. Hij ziet vanaf het begin van de hernieuwde kennismaking de leugenachtigheid van Daphne in en soms zegt hij haar dat ook.

Maar vaak is haar betovering sterker dan Jelmers bezwaren. Ik heb erg moeten grinniken om een telefoongesprek waar Jelmer Daphne steeds van repliek dient. Maar hij doet het alleen in zijn gedachten. Jelmer verschilt in die zin van eerdere ik-figuren bij Brouwers, dat hij genoeg momenten heeft, waarop hij zich wel degelijk realiseert wat er aan de hand is. Dan ziet hij dat hij aan het lijntje gehouden wordt.

Geheimhouding

Thematisch gezien draait het in Geheime kamers om het beeld dat Daphne gebruikt voor die dingen waar ze haar man buiten wil houden en dat zijn er nogal wat. Weliswaar is ze getrouwd met de hooggeleerde Nico Sibelijn, maar haar echte liefde is haar oud-docent Johann Fahrenfurth. Ook het contact dat Daphne met Jelmer heeft, heeft ze opgesloten in een geheime kamer. Jelmer verzwijgt tegenover zijn vrouw Paula het een en ander over Daphne en zij op haar beurt verzwijgt de relatie die ze heeft met haar collega.

Het huwelijk van Jelmer en Paula stelt niet veel meer voor. Na de geboorte van hun dochter Hanneke, die het syndroom van Down heeft, heeft Paula zich totaal van Jelmer (en trouwens ook van Hanneke) afgewend. Man en vrouw delen een woonboot en dat is het wel zo ongeveer. Daphne is uit leugens opgebouwd. Haar hele huwelijk is een leugen, aangezien ze het alleen gebruikt als dekmantel voor haar relatie met Johann Fahrenfurth, die overigens ondanks zijn huwelijk ook met iedereen het bed in duikt. Maar ze bedriegt Jelmer net zo makkelijk. Als Jelmer dingen die zij vertelt natrekt, blijkt er nooit wat van te kloppen en als hij er vragen over stelt, praat ze eroverheen. Haar achternaam is niet voor niets Uitwyck, ze heeft haar uitvluchten altijd bijdehand.

Hoe destructief de leugen kan zijn, blijkt als een roddelblad zich richt op de beroemde zangeres Daphne en haar man Nico. De artikelen hangen van hele en halve leugens aan elkaar. Er wordt onder andere in gesuggereerd dat Nico zich schuldig gemaakt heeft aan bedrog, bij zijn belangrijkste ontdekking, 'de steen van Sibelijn'. Aan die ontdekking en de publicaties erover dankt Nico zijn faam als wetenschapper en ook zijn baan. De verdachtmakingen ruïneren Nico's status. Ook wat er over Jelmer en Daphne geschreven wordt, is grotendeels verzonnen. Zelfs de foto's zijn gemanipuleerd.

Witblonde vitrage

Er valt trouwens helemaal niet zo veel spannends te vertellen over die twee. Een relatie bestaat er nauwelijks en eigenlijk valt er tussen hen niet werkelijk iets voor. Misschien werd dat al aangekondigd toen Jelmer Daphne voor het eerst terugzag. 'Bij onze poging tot kussen, haar haar viel als witblonde vitrage voor mijn gezicht, stootten onze neuzen tegen elkaar.' Die witblonde vitrage lijkt wel het negatief van de zwarte voile die tussen de hoofdpersoon van Bezonken rood en zijn moeder valt, als ze hem kust, waarna ze hem achter zal laten op het pensionaat.

Zoals het vanaf toen eigenlijk niet meer goed kon komen tussen die twee, lijkt hier bij de begroetingszoen meteen het afscheid zich aan te kondigen. Uiteindelijk kent de hele geschiedenis een dramatische afloop, die ik hier niet uit de doeken zal doen.

Het is een triest beeld dat Brouwers schetst van de relaties tussen mensen. Leugens, bedrog en onoprechtheid. In tegenstelling tot Daphne is Jelmer niet slecht. Hij biecht zelfs alles op aan Paula, maar die gelooft hem al niet meer door de publicaties en het roddelblad.

Dochter

Jelmer is zelfs uitgesproken sympathiek door de manier waarop hij omgaat met zijn dochter Hanneke. Hij bezoekt haar trouw in de inrichting en probeert het beste voor haar te regelen als ze daar niet meer kan blijven. Hanneke kent geen bedrog, zij is wie zij is. Wel probeert men ook haar om de tuin te leiden, als de zuster snel de foto van de hond verwijdert, na het verscheiden van het dier.

Maar Hanneke heeft prima in de gaten wat er aan de hand is. Jelmer probeert Hanneke dan ook voor Daphne in een geheime kamer te houden. Dan is er in ieder geval nog iets wat niet aangetast is door Daphnes leugens. Dat Jelmer zo veel geeft om zijn dochter, is misschien wel het enige hoopvolle in het boek. Het is dan ook het enige wat hij overhoudt, als hij alles is kwijt geraakt.

Ingenieus opgebouwd

Geheime kamers is geen boek om vrolijk van te worden, al heb ik bij sommige passages zeker moeten lachen. Wel is het weer een typisch Brouwersboek, dat ingenieus is opgebouwd. De stijl blijft heerlijk. Ik kan ervan genieten als Brouwers iemand beschrijft 'met een zo strakke scheiding in het geplakte haar, dat die er met een bijl in lijkt te zijn geslagen. 'Zo'n hoofd zou ik zo kunnen uittekenen, als ik daar talent voor had.

De stijl mag dan misschien wat ingehoudener zijn geworden dan hoe ik die mij herinner uit vroeger werk van Brouwers, in de situaties die hij beschrijft schuwt hij de overdrijving niet. Als het noodweer is, waaien de vissen het water uit en vliegen hele stadsparken in de lucht. En ook op andere momenten neigen Brouwers' beschrijvingen naar het extreme. Natuurlijk maakt dat het boek minder realistisch, maar waarom zou realisme een eis moeten zijn?

Voor mij was Geheime kamers een hernieuwde kennismaking met het werk van Brouwers en al zijn boeken bleven meeneuriën tijdens het lezen. Toen ik het sterven van de hond las, stierf opnieuw de kat in Zonder trommels en trompetten en de rode laarsjes van Daphne lieten meteen de laarsjes van Aurora uit Zonsopgangen boven zee door mijn hoofd lopen. Bij het opnieuw doorbladeren van zijn laatste boek zullen er steeds meer van die lijntjes getrokken worden, totdat ook Geheime kamers muurvast zit in het oeuvre van Brouwers.

woensdag 28 september 2022

Dichterlijke nalatenschap (E.A. Borger)

Elias Annes Borger (1784 - 1820) was ooit een beroemdheid. Toen hij stierf, op zesendertigjarige leeftijd, pakten heel veel dichters uit met een gedicht waarin ze Borger prezen. 

Zijn oeuvre was toen overigens niet zo groot: het past in het kleine boekje Dichterlijke nalatenschap, waarin ook nog ruimte ingenomen wordt door een levensbeschrijving, de vertalingen van de gedichten en de lofdichten na zijn dood. Mijn uitgave (van 1852) telt 218 bladzijden, maar het boek heeft een heel klein formaat: het is kleiner dan mijn telefoon.
 

Jeneverstoker

Borger kwam uit een eenvoudig milieu, lees ik op verschillende plaatsen. Zijn vader was koopman, brander en jeneverstoker. Hoe eenvoudig dat was, kan ik moeilijk inschatten. Volgens het biografietje voor in het boek, 'was zijne moeder eene vrouw van groote schranderheid, en onvermoeid werkzaam om zich dat eenige noodige te verwerven, op welks bezit de Heer zoo zeer aandrong.' Ze las veel, vooral in de 'Heilige Schriften'. Vader had minder die neiging: hij was druk met zijn beroep en moest hard werken om zijn gezin de onderhouden. Elias Annes was het vijfde van acht kinderen.
 
Op driejarige leeftijd kon Elias vlot lezen. Hij werd verder opgeleid door meester Hornstra, die hem ook  landkaarten liet tekenen en hem leerde dammen. In 1801 vertrekt de jongen, zeventien jaar oud, naar Leiden om daar theologie te studeren.

Zodra hij preekbevoegdheid krijgt, maakt hij naam als kanselredenaar. Hier begint zijn beroemdheid. Hij zal later buitengewoon en daarna gewoon hoogleraar in de godgeleerdheid worden en hij gaat ook doceren in geschiedenis en Grieks.
 

Aan den Rhijn

Zijn faam als dichter ontleent hij grotendeels aan een enkel gedicht: 'Aan den Rhijn, in de Lente van het jaar 1820.' Het gedicht komt bijvoorbeeld voor in de Camera obscura van Hildebrand, waar, in 'De familie Stastok' mevrouw Dorbeen 'Rhijntje' declameert.
 
Het autobiografische gedicht maakt bij herlezing nog steeds indruk. Borgers eerste vrouw, Abrahamina van der Meulen, stierf in het kraambed. Twee jaar later trouwede Borger met Cornelia Scheltema. Ze kregen een dochtertje dat al snel overleed en daarna overleed ook Cornelia. We lezen het in 'Aan den Rhijn'.
 
Voor onze begrippen is Borger dan nog jong (hij werd in 1820 zesendertig jaar), maar hij schetst zich als oud:
En nu - ik kan mijn haren tellen,
Maar wie telt mijner tranen tal?
Borger weet dat God alles bestiert en maar als zelfs Job in zijn verdriet de dag van zijn geboorte vervloekt, is het niet vreemd dat hij verdriet heeft:
Dien slag, die mij ten tweeden male 
De kroon deed vallen van het hoofd, -
'k Heb steeds, mijn God, aan U geloofd,
En zal zoolang ik adem hale,
Mij sterken in uw vadertrouw,
Die nimmer plaagt uit lust tot plagen:
Maar toch, het valt mij zwaar te dragen
Dien zwaren last van dubblen rouw!

Dramatisch beeld

Borger beschrijf nauwkeurig wat er gebeurd is. Als zijn tweede vrouw overleden is,  wordt het kistje met het al begraven kind opgegraven en haar lichaampje wordt bij moeder in de grote kist gelegd. 

Dat is een beeld dat de lezer voor zich blijft zien en als dan in hetzelfde jaar de dichter overlijdt is het drama compleet. 

Tollens

Veel dichters herdenken hem. De gedichten zijn opgenomen in de Dichterlijke nalatenschap, maar Tollens geeft geen toestemming tot publicatie van zijn 'Lijkzang op Elias Annes Borger, uitgesproken na de lijkrede van den hoogleeraar J.H. van der Palm, in de kerk der Luthersche gemeente te Leyden, op den 20 van den wintertmaand, 1820.'

In het gedicht wordt Borger vergeleken met een boom die boven de andere oprijst, maar in hem knaagt een worm en uiteindelijk wordt de boom door de wind geveld. 
Dat, Borger! is uw beeld. Zoo stondt gij, opgestegen, 
Bewonderd, onbereikt, van rang tot rang gesneld;
Zoo stort gij eensklaps neer, met al uw glans gezegen,
Geplonderd in uw bloei en in uw kracht geveld. 
Het gedicht telt maar liefst achtentwintig strofen van acht regels. Je merkt dat Tollens een ervaren dichter is; hij neemt je moeiteloos mee in zijn verhaal. Hij noemt nog even zijdelings de Rijn, maar meer opvallend is dat hij God niet noemt. Er zijn drie pijlen afgeschoten. De eerste twee troffen de echtgenoten van Borger (het kind blijft onvermeld) en de derde treft dan de dichter. 

Grote woorden

Dat Tollens God niet noemt, valt des te meer op, omdat alle andere dichters dat wel doen. Ten eerste valt in de gedichten op dat er, in hedendaagse ogen, nogal overdreven wordt. Men schuwt de grote woorden niet. Het hele vaderland moet treuren, omdat Borger overleden is. Mr. H.A. Spandaw:
Treur, treur, mijn Vaderland!
in leed en rouwe zinkend;
G.W. van Motman, Jr.:
Treur, stervling, treur o Borger's dood!
Nee, juich, hij was deze aard te groot;-
J.T. Wielandt:
O! dat was Borger! - Nimmer blonk
Des menschen adel zoo in waarde,
Als waar, tot licht en heil der aarde,
De Heer der schepping Borgers schonk.
A. Moolenaar:
Onder vele duizendtalen
Vond men nauwlijks één zo groot.

God is erbij

Verder wordt in veel gedichten God erbij gehaald. Blijkbaar is het geloof de norm en het valt op als iemand niet naar God verwijst. Dat kan iets zeggen over de negentiende eeuw, maar misschien maakt het ook uit dat Borger een theoloog is. 

Aangezien God over alles gaat, was het dus Gods wil dat Borger overleden is. Daarom mogen er eigenlijk niet getreurd worden. Bovendien is Borger nu in de hemel en die wil men hem ook niet onthouden. Een gedicht uit de Vaderlandsche Letteroefeningen, zonder vermelding van de dichter:
Wij treuren, ed'le!... nee, wij staren
Op 't heil u reeds zoo vroeg weêrvaren;
Wij blijven u verknocht met onverbreekbren band.
Gij wilt niet dat wij troostloos weenen;
Gij weet, het uur genaakt van eeuwig blij hereenen;
Het oord, waar gij verblijft, is ook ons Vaderland.
De hereniging, in de hemel, is die tussen de dichter en Borger. In een ander gedicht wordt ook wel gesuggereerd dat hem 'een hemelsche eerkroon' door zijn vrouwen wordt aangeboden. 

Sterfbed

Een enkel gedicht, dat van D. Bax, is heel plastisch. In een passage zien we zelfs Borger op zijn sterfbed:
Daar ligt hij magteloos; het doodzweet op 't gelaat,
En de adem koud als ijs, het hart dan nauw meer slaat,
De zwaar beklemde borst, die, onder 't angstig hijgen,
Naar lucht, naar ademtogt, toch naauwlijks lucht kan krijgen;
Dat ingezonken oog, dat naar den Hemel staart,
En zich niet eens meer wendt naar deez' rampzalige aard;
't Verkondigt al den dood, het plegtig uur van scheiden
Borgers moeder leefde nog toen haar zoon overleed en zij wordt ook in dit gedicht genoemd. 
Vaak is er iets van troost, al is het maar dat Borger te groot was voor deze aarde of dat hij het nu beter heeft. Er is een verhaal nodig om te kunnen leven met het leed. 

En in veel gedichten is er een verwijzing naar het beroemdste gedicht van Borger.

Iets voor mijn kind

En hoe houden zijn gedichten het na zo lange tijd? De gelegenheidsgedichten, bij bijvoorbeeld een huwelijk, maken op mij niet veel indruk meer. Zelfs een gedicht voor zijn eerste vrouw lijkt niet uitzonderlijk. Het gedicht aan zijn kind ('Iets voor mijn kind') komt meer binnen, waarschijnlijk ook door de concrete autobiografische elementen. Zo beschrijft hij dat kort daarvoor zijn schoonvader overleden is. 

Borger schrijft dat God hem zijn gade gaf en zijn afgod heeft ontnomen. Alsof God hem wilde behoeden voor afgoderij. 

Verder is er nog een fantasie dat het in de toekomst niet allemaal goed zal gaan met het kind en dat de moeder dat niet meer mee hoeft te maken. Daarbij corrigeert hij zichzelf ook weer, trouwens. Aan het slot draagt hij zijn kind op aan God.
 
'Vasthi', een verhalend gedicht, waarvan alleen maar een fragment is geschreven, staat ook nog steeds. Je gaat makkelijk mee in het verhaal en het gedicht houdt vaart. 

Maar 'Aan den Rhijn', het laatste wat Borger schreef, voor zover ik weet, is het meest indrukwekkend. Het is niet eens zo lang, dus je kunt het gemakkelijk even nalezen. Je vindt het bijvoorbeeld hier

Dat zou misschien genoeg moeten zijn: een enkel goed gedicht, dat je tweehonderd jaar later nog kunt lezen en waarvan je het verdriet dat erin verwoord is nog kunt meevoelen. Het heeft niet kunnen verhinderen dat de eens zo beroemde Borger nu door velen vergeten is. 

Hoe groot de faam van Borger was, is te lezen in een artikel van  Rick Honings, uit 2014. Er werden straten en een bloem naar hem genoemd, hij kreeg een zuil. Louis Saalmink schreef een artikel over iemand die als colporteur boekjes van Borger aan de man bracht. Dat vind je hier. Uit dat artikel heb ik het portret gejat, dat uit een particuliere collectie komt. 

zaterdag 24 september 2022

De dikke Stok (Barbara Stok)


Van Barbara Stok heb ik zo'n beetje alles gelezen en eigenlijk altijd met plezier. Nu zijn haar autobiografische strips een een dikke verzamelbundel uitgebracht: De dikke Stok. Een mooie gelegenheid om al die strips te herlezen. 

De verhalen (en de losse tekeningen) gaan over het leven van Barbara Stok. Ze zijn dus persoonlijk. Maar als ze alleen maar persoonlijk zouden zijn, zou de lezer er misschien niets aan hebben. Dus tegelijkertijd ontstijgen ze het persoonlijke en tonen ze het algemeen menselijke, de menselijke conditie, hoe het is om te leven. 

Leven gaat niet altijd gemakkelijk. Er is tegenslag, er is klunzigheid, er is verdriet en Barbara Stok toont het ons. Daarin blijft ze dicht bij zichzelf en ze schuwt de schaamte niet. Dat maakt de verhalen spannend: je merkt dat er iets op het spel staat, ondanks de vaak achteloze manier van vertellen. 

Ontwikkeling

We maken ook de ontwikkeling van Barbara Stok als striptekenaar mee. De tekeningen hebben al vanaf het begin het handschrift van Stok: ze vereenvoudigt en probeert tot de kern van de afbeelding te komen. In het begin zijn de lijntjes dunner dan in haar latere werk. Daarnaast zijn in het begin de decors vaak drukker dan later. 

Goed vergelijkingsmateriaal bieden de verhalen over zeiltochten. Het eerste, 'Windkracht negen', kent nauwelijks witvlakken: alles is volgetekend. Dat de situatie dreigend is, is duidelijk. Maar ook bij de latere verhalen, 'Onze eerste IJsselmeertocht' en 'Onze eerste oversteek' is de situatie spannend. Stok weet dan met kleinere middelen hetzelfde gevoel over te brengen. 

In deze laatste verhalen zijn de tekeningen overigens ingekleurd en kleur doet natuurlijk ook wat. In de losse tekening 'Zeilen op het Paterswoldsemeer' gaat de vereenvoudiging nog verder. Je zou  de afbeelding zelfs minimalistisch kunnen noemen: een deel van het zeil en de mast tegen een strakblauwe lucht, met daarin alleen een klein vliegtuigje dat een wit streepje trekt. 

Op deze tekening staan geen mensen en dat is uitzonderlijk voor Barbara Stok. Ook bij een dagboektekening komt het voor: de kruinen van bijna kale bomen in de herfst met twee vliegende ganzen erboven. Bij beide tekeningen kun je de mens bedenken die naar boven kijkt en waarneemt wat we op de tekeningen zien, zodat de mens impliciet aanwezig is. Maar meestal op de meeste tekeningen zijn personen prominent aanwezig. 

Veel verhalen ontstaan in de menselijke interactie, in wat mensen zeggen en doen en hoe het personage Barbara daarop reageert. De gebeurtenissen brengen de gedachten op gang. In de strips zien we dan wat er gebeurt en de reflectie daarop.

Loopbaan

Niet alleen zien we hoe het tekenen van Stok zich ontwikkelt, maar ook hoe het gaat met haar loopbaan. In het begin heeft ze een baan naast het tekenen om in haar onderhoud te voorzien, maar die baan put haar uit en het is een bevrijding als ze die op kan zeggen. Daarna wordt het striptekenen haar baan en nog weer later wordt het haar succes, als ze wereldwijd doorbreekt met Vincent. Maar ook succes heeft een keerzijde: na alle drukte is er de leegte. 

De laatste tekening is een blik op de zee vanuit een vliegtuigraampje. Weer leegte, maar die lijkt niet vervelend. Er is nog van alles mogelijk. We weten intussen dat Stok doorgegaan is en een mooie graphic novel heeft gemaakt: De filosoof, de hond en de bruiloft.

Met het herlezen van de autobiografische verhalen heb ik mij geen moment verveeld, terwijl het toch zo'n 450 pagina's zijn. Als je zo lang met een personage optrekt, leef je met haar mee, wil je dat het goed gaat met haar. En Barbara Stok laat de lezer dicht bij het personage komen en het personage staat, voor mijn gevoel, dicht bij de stripmaker, al zal er altijd wel sprake zijn van een zekere vertekening. 

Relativeren

Veel tekeningen en korte verhalen zijn een reflectie op het eigen handelen en de relativerende kijk brengt de luchtigheid aan. Maar soms zijn dingen niet te relativeren, zoals bij de dood van Guus, de broer van de partner van Barbara. Maar ook hier heeft ze oog voor het detail dat toch doet glimlachen: de uitvaartondernemer zegt dat de as vlak boven de grond uitgestrooid moet worden, omdat je die anders op je schoenen krijgt. Zo'n glimlach relativeert het leed overigens helemaal niet. Prachtig zijn de drie tekeningen erna: Ricky die op de rand van het bed zit, Barbara die stil de kamer binnenkomt en bij hem gaan zitten. Er is veel leegte en stilte op de tekeningen, maar er is ook nabijheid. 

Barbara Stok is een vakvrouw, die weet hoe je een goed stripverhaal moet maken. Ze kan vertellen en ze kan tekenen. Maar bovenal is haar werk menselijk, waardoor je het herkent wat ze tekent, ook al maak je zelf heel andere dingen mee. Het zijn nabije strips. Je ontkomt er niet aan, je moet er wel van houden. 

Titel: De dikke Stok
Auteur: Barbara Stok
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
Amsterdam 2022, 448 blz. 30,00 euro (hardcover)

Eerder schreef ik over:






vrijdag 23 september 2022

Traag


Waar blijf ik toch! Waar hang ik toch uit! Waar blijven mijn bijdragen, nog wel aan mijn eigen weblog! Ja, ik weet het, ik ben traag. Daarom maar enige uitleg. 

Er is een tijd geweest dat ik drie bijdragen in de week plaatste en dat is niet eens zo lang geleden. Maar ik ben na de vakantie begonnen aan een nieuwe baan en die vraagt veel van me. Het werk is leuk, zeker, maar soms zit mijn hoofd vol, voor mijn gevoel. En dan moet ik even in de pauzestand. 

Ik had gedacht dat ik het ietsje rustiger zou krijgen: van vijf dagen werken ging ik naar vier, al wist ik ook wel dat een eerste jaar op een nieuwe werkplek altijd druk is. De woensdag is mijn vrije dag. Op woensdagochtend kan ik meestal rustig aan doen, maar in de middag ben ik toch bezig voor mijn werk: voorbereiden, corrigeren. 

De dikke Stok

Ook afgelopen woensdag heb ik een stuk geschreven, over De dikke Stok, een mooie verzameling strips van Barbara Stok. Ik vroeg illustratiemateriaal aan de uitgever, maar ik kreeg een pdf, in plaats van een jpg en nadat ik de bestanden geconverteerd had, was de kwaliteit niet goed. Ik wacht nog even op beter materiaal en anders moet ik het maar doen met wat ik nog elders heb. 


De bijdrage van deze week komt dus heus nog wel en er komt zeker nog wel meer. Ik lees de Dichterlijke nalatenschap van E.A. Borger, een dichter uit de negentiende eeuw, die een beetje vergeten is, maar zijn gedicht 'Aan den Rijn' was ooit heel populair en er wordt zelfs naar verwezen in de Camera Obscura van Hildebrand. Het gedicht werkt nog steeds, merk ik. Daar ga ik zeker over schrijven. 

Onderweg naar De Hartz

En verder? Ik herlees De engelenmaker van Stefan Brijs, omdat twee mijner klassen dat klassikaal lezen. Ik lees gelijk met ze op en ben op de helft. Verder lees ik Onderweg naar De Hartz van Wessel te Gussinklo. Ook dat is gerelateerd aan mijn werk. De leerlingen die meedoen aan De Inktaap lezen het. 


Het boek van Te Gussinklo is dik (vijfhonderd pagina's) en mijn leestempo is laag bij dit boek (dertig bladzijden per uur, schat ik). Dat is niet erg, want het is goed geschreven, maar er gaat dus wel veel tijd in zitten. 

Het gereformeerdenboek

Onlangs las ik Het gereformeerdenboek van Willem Bouwman. Dat is geen recent boek, maar ik tikte het ergens op de kop en ben het gaan lezen. Het bevat een schat aan anekdoten en aan markante figuren. Ik weet nog niet goed hoe ik daarover iets coherents kan schrijven, maar ik ga mij daar wel toe zetten. 

Er ligt nog heel wat waaraan ik wil beginnen, zoals de strip De wereld van Sofie. Die kan misschien wel een keer tussendoor. Er is ook een nieuwe Siebelink heb ik gezien en hoewel veel van zijn laatste boeken mij tegenvielen, wil ik dit boekje toch wel lezen. 


Het komt, echt. Uiterlijk morgen zet ik het stuk over Stok online, desnoods met excuses voor de plaatjes. En dan verdiep ik mij nog even in Wormmaan van Mariken Heithuizen, waarover ik wat ga vertellen op de lokale omroep. 

Het is allemaal geen luiheid, maar soms duurt het even. Graag geduld met mijn traagheid. 

woensdag 14 september 2022

Max, Mischa & het Tet-offensief (Johan Harstad)


Men heeft een de neiging een dik boek overmatig te prijzen, alleen al vanwege dat men het uitgelezen heeft. Zoiets heb ik ooit ergens gelezen, maar ik weet niet meer waar en ook niet meer van wie de uitspraak was. De dikte (1230 bladzijden) zal toch wel niet de enige reden zijn waarom Max, Mischa & het Tet-offensief  van de Noor Johan Harstad de Europese Literatuurprijs heeft gewonnen. 

Er komen in het dikke boek niet eens zoveel belangrijke personages voor. De hoofdpersoon is de regisseur Max Hansen. Verder Mischa Grey, met wie hij een deel van zijn leven een relatie heeft, zijn vriend Mordecai, een acteur en zijn oom Ove/Owen. 

Max groeit op in het Noorse Stavanger, maar zijn ouders verhuizen naar Amerika. Daar leert hij Mischa en Mordecai kennen. Mischa is zeven jaar ouder dan hij, wat best wel een verschil is: hij is zestien als hij haar leert kennen. Maar ze krijgen een relatie.

Alles verandert in shit

In de loop van het boek springen we wat heen en weer in de tijd: in het begin is Max al een geslaagd regisseur en hij kondigt aan dat hij het verhaal van de mensen om hem heen gaat vertellen:

Ik schrijf dit tenslotte voor jullie, voor ons, voor mijzelf. Ik schrijf dit voordat ik het vergeet, zoals jullie het misschien al vergeten zijn, zoals alles vroeg of laat in shit verandert, zoals Wohlman ook altijd zei (...).

Degenen die ertoe doen in zijn leven zijn er op dat moment niet:

Ik raak jullie langzaam maar zeker kwijt. Owen is dood, ik heb alleen zijn papieren nog, een soort aan niemand gericht dagboek. En Mischa is terug naar Canada, naar Montreal. Mordecai zit in Californië, ik zou hem vaker moeten bellen. Mijn vader woont op de parkeerplaats bij LAX. En mijn moeder? Die heeft zich ingekapseld in Howard Beach. 

Max vertelt over de toneelstukken die hij geregisseerd heeft en hij vraagt zich af wat dat over hem zegt. Uiteindelijk gaat het over ontheemd raken, of de angst ervoor. Bezig zijn met leven en toch nooit helemaal je plek kunnen vinden. Dat begint natuurlijk al met weggaan uit Noorwegen, maar eigenlijk geldt het voor alle personages. 

In het begin van het boek zegt Max ook nog:

Ik ben moe. Ik wil naar huis. Ik weet alleen niet waar dat is. 

Pogingen grip te krijgen

Alle personages zijn bezig met het vormgeven van hun leven. Max door toneelstukken te regisseren, Mischa door schilderijen te maken, Mordecai door te acteren, Owen door piano te spelen. Het is alleen niet genoeg. Het zijn pogingen grip te krijgen, maar het leven ontglipt hun telkens weer. 

De jeugd in Noorwegen, waarbij de kinderen het Tet-offensief naspelen is bijna idyllisch, al komt Max er niet zonder kleerscheuren af. Maar het leven is nog spel. En later is Max gefascineerd door de film Apocalypse now, maar Owen gaat echt naar Vietnam en daarna moet hij weer proberen zijn leven op te pakken. 

De worsteling van kleine mensen in een gecompliceerd leven geeft Harstad goed weer. Het mooie is ook dat hij het alleen maar laat zien, zonder verklaringen te geven. Max en Mischa houden erg veel van elkaar, maar soms kunnen ze het niet bij elkaar uithouden. Ik moest hierbij denken aan De wereld een dansfeest van Arthur van Schendel, waarin een jongen en een meisje goede dansers zijn, maar ze hebben elk een eigen ritme, wat het moeilijk maakt om bij elkaar te zijn. 

Max snapt ook niet altijd waarom het tussen hem en Mischa zo loopt, waarom Mischa soms lang zonder hem moet en waarom het dan weer lang duurt voor hij naar haar op zoek gaat. 

Mateloosheid

Het zijn vooral de losse scènes die me zullen bijblijven en de mateloosheid in de manier van schrijven. Harstad veroorlooft zich zijpaden, teksten uit catalogi, allerlei details, stromen van gedachten en omdat hij zichzelf de ruimte heeft gegeven, lijkt er geen rem op te zitten. Soms is dat heerlijk en dan heeft het boek een soort polsslag die je als lezer voortdrijft. Maar soms leek het me ook een handigheidje en toen ik de kaap van duizend bladzijden had gerond, was ik er ook wel een beetje klaar mee. Als ik dan weer hele bladzijden zag zonder een nieuwe alinea had ik toch de neiging om er diagonaal doorheen te lezen. Ik bracht het domweg niet op om alles tot in detail te lezen. 

Voor mijn gevoel had het boek zeker de helft dunner gekund, strakker geschreven en gecomponeerd, maar daar heeft Harstad dus niet voor gekozen. Blijkbaar laat hij liever de volle breedte van het leven zien en gezien de prijs die hij gekregen heeft, wordt dat ook gewaardeerd. Mij was het te veel. Aan het eind wilde ik gewoon van het boek af. Ik heb er ook best lang over gedaan. Het is druk en veel van mijn tijd lekt weg. Ik wilde wel weer naar een volgend boek. 

Natuurlijk zijn er ook aan het eind genoeg scènes die me toch weer grepen, maar ik zal niet gauw een ander boek van Harstad gaan lezen. Ik heb wel even genoeg gehad. 

woensdag 7 september 2022

Mijn lagen (Pénélope Bagieu)


Je zou kunnen zeggen dat iemands persoonlijkheid is opgebouwd uit lagen en als je die afpelt, kom je bij de kern uit. Het lijkt me een dubieus beeld, maar ik denk dat Pénélope Bagieu toch zoiets bedoelt. In ieder geval noemde ze haar nieuwe boek Mijn lagen en alle verhalen erin gaan zeer over haarzelf.

Het zijn scènes, korte en lange verhalen die samen het beeld geven van kanten van de vertelster. Lagen  heb ik niet zozeer ontdekt, maar ik zie wel dat de ene gebeurtenis bepalender is dan de andere. Er komen wel grote gebeurtenissen langs, zoals het overlijden van een oma, maar meer zien we de dagelijkse dingetjes van de vertelster, in veel gevallen als terugblikken op haar jongere ik.  

Vaak hou ik daar wel van: de stripmaker die zichzelf beziet, liefst met enige ironie, scherp observerend wat het nu eigenlijk betekent om juist die persoon te zijn. In veel van haar vroegere boeken heeft Barbara Stok dat gedaan en ook van een boek als Waarom ik mensen niet in mootjes hak, van Renske de Greef heb ik zeer genoten.

Tobben en struikelen

Pénélope doet hetzelfde: kleine scènes uit een leven, die vooral het getob laten zien en die ons duidelijk maken hoe iemand door het leven struikelt. Dat is natuurlijk troostend voor de tobbende en struikelende lezer en de manier van vertellen laat je glimlachen. 

Toch duurde het een tijd voordat ik gewonnen was. Mijn lagen begint met een lang verhaal over het hebben van een kat. Ik snap nog wel dat zo'n kat belangrijk is voor de vertelster, maar ik kwam niet verder dan het ophalen van de schouders. Gewoonlijk geniet ik ervan als een er een klein deel uit een leven gelicht wordt, omdat juist die kleine dingen zo bepalend kunnen zijn. Maar in dit geval wordt het ook meteen groot gemaakt, alsof er niets anders meer is dan de kat. Dan is er wel erg weinig afstand en blijkbaar laat ik mij die kattenproblemen niet opdringen. 

Bij veel verhalen zie ik wel dat het leuk gedaan is, dat er ook wel goed geobserveerd is en er wordt onderhoudend verteld en getekend, maar het doet me niet zoveel. De details zijn vaak wel interessant. Het verhaal over het kouwelijke van de vertelster is sprekender geworden met het gedoe over een muntjesautomaat die gevuld moet worden om het huis warm te krijgen. 

Wensbeentje

Indrukwekkend is 'Een verhaal over een wensbeentje', waarin een vertelster op weg naar school in een overvolle metro bevriest bij ongewenste aanrakingen. In de cruciale scène is er eigenlijk geen tekst en wat er gebeurt wordt meer aangeduid dan getoond, maar het is een heftige passage. En daarna loopt de metro leeg en gaat het leven verder. 'Dit was het eerste jaar waarin ik zelfstandig van school terug naar huis mocht gaan' is de zakelijke beschrijving. We zien het meisje lopen, in een dikke jas, met een sjaal voor haar mond. En boven de flats kijken de ogen van de aanrander nog steeds naar haar. 

Juist doordat het verhaal verder gaat, zit er een zekere terloopsheid in de gebeurtenis. Maar dat maakt het, voor mijn gevoel, alleen maar schrijnender. 

De dag van de muziek

Ook het verhaal over 'De dag van de muziek' is een goed verhaal: het meisje is verliefd (zoals ze dat heel vaak is), maar ze wil er ook wat mee doen: ze spoort de naam van de jongen op en zijn telefoonnummer en ze belt hem op. Hij speelt in een band en ze gaat mee naar een optreden. Hij ziet haar niet staan, maar ze heeft in ieder geval gedaan wat ze kon. Haar latere ik troost haar en complimenteert haar: wat ze deed was eigenlijk heel dapper, al is het allemaal op niks uitgelopen. 

Zo'n laatste plaatje vind ik te expliciet. Het is een nadrukkelijke moraal en daar wordt het verhaal niet beter van. Ik denk dat Bagieu de conclusie uitstekend aan de lezer had kunnen overlaten. 

Het beste uit Mijn lagen is echt goed, maar er staat te veel in dat me niet raakt. Misschien ligt dat aan mij. Bagieu is niet de eerste de beste. Met de twee delen Wereldwijven had ze groot succes: vertaald in twintig talen en bekroond met een Eisner Award. Dan moet je wel wat kunnen. In dat licht bezien was Mijn lagen voor mij toch een beetje een tegenvaller. 

Titel: Mijn lagen
Tekst en tekeningen: Pénélope Bagieu
Uitgever: Scratch Books
Vertaling: Toon Dohmen
Lettering: Frits Jonker
z.pl. 2022, 144 blz. 17,50 euro (paperback)

woensdag 31 augustus 2022

Blikken op de boekenkast 3: Geert van Beek



Boven in mijn boekenkast staat een heel rijtje met boeken van Geert van Beek (1920 - 2001). Bijna niemand kent hem nog, bijna niemand leest zijn werk nog. Ik heb de boeken al heel lang niet ingekeken, maar ze staan op het plank en zijn niet in een doos terechtgekomen. 

Ik haal de boeken van de plank en probeer erachter te komen wanneer ik ze gekocht heb. Vroeger schreef ik dat wel eens voorin. Ik heb zelfs, in een deel van 1984, lelijke stickers in boeken geplakt waarop ik de maand van aanschaf opschreef. Daar heb ik nu spijt van: ze laten zich niet goed verwijderen. 

Blazen tot honderd

Het zal begonnen zijn met Blazen tot honderd (1967), een novelle van niks, qua omvang. De derde druk verscheen in 1983 als Salamander en ik kocht die in juni 1984. Het verhaal draait om een jongen, een meisje en een rivier. De jongen is gespitst op de dood en heeft fantasieën waarin rampen gebeuren. Als hij langs een benzinepomp loopt, ziet hij die in gedachten al ontploffen. 

Het meisje is argeloos, meer gericht op het leven. De jongen zegt dat haar niets kan overkomen als hij bij haar is, maar wat als hij er niet is? Ze ontmoeten elkaar bij de rivier, in verschillende seizoenen. Het boek eindigt in de winter. Nee, het loopt niet goed af. 

De titel verwijst naar het wegblazen van de pluisjes van een paardenbloem. Als je dat lukt, wordt je honderd, zegt de jongen. Het lukt hem niet. 

Heel grote letters, nog geen honderd pagina's en overal heb ik streepjes gezet, aantekeningen gemaakt. Heb ik Geert van Beek ooit besproken op een literatuurkring? Het zou kunnen, maar ik weet het niet meer. Ik weet nog wel dat ik op zoek ben geweest naar kleurensymboliek in zijn werk. Geel is de zon, is leven en ook oranje heeft die lading. Was er niet ook iets met de combinatie rood en zwart? Ik kan het me niet goed herinneren. En dieren. Een veulen, een leeuwerik (positief, denk ik) en een hond (negatief). Daar zit voor iemand nog wel een scriptie in. 

Titels

Indertijd moet ik erg onder de indruk zijn geweest van het werk van Van Beek. Een maand na de aanschaf van Blazen tot honderd, in juli 1984 dus, kocht ik zes boeken van hem: Buiten schot (1961), De steek van de  schorpioen (1968, bekroond met de Vijverbergprijs, voorloper van de F. Bordewijkprijs), De 1500 meter (1971), De dia's van Andrea (1977), Beeld voor dag en nacht (1982) en Een vrouw vloog naar Engeland (1983). In dat jaar kocht ik ook De gekruisigde rat (1965). Ik noteerde niet in welke maand. 

Het jaar erop, 1985, kocht ik het debuut, Een hand boven de ogen (1960), Het Mexicaanse paardje (1966), een eerdere druk van De steek van de schorpioen en van Blazen tot honderd, waar ik later ook een eerste druk van zou aanschaffen, net als van Een hand boven de ogen en Buiten schot en De steek van de schorpioen. Al in 1984 kocht ik ook nog de dichtbundel Van je familie moet je 't hebben (1976). De gedichten hebben mij nooit zo heel erg kunnen boeien. 

Ook heb ik nog jaargangen van de tijdschriften Raam en Roeping aangeschaft, vooral omdat Van Beek daarin schreef. Bij de laatste verhuizing heb ik die aan iemand anders gegeven. Ik herinner me het verhaal '1 april', waarvan ik niet weet of het ooit gebundeld is. Een dode poes wordt begraven op 1 april. Het dochtertje is die dag al verschillende keren voor de gek gehouden. Vader vertelt dat de poes nu naar de poezenhemel is, waar hij de hele dag muizen kan vangen en drinken uit beekjes vol melk. 'Maar hoe ziet de muizenhemel er dan uit?' vraagt het meisje. Ze merkt dat het allemaal niet kan kloppen. 'Zeker ook 1 april?' Boos en teleurgesteld loopt ze weg. 

In 1987 verscheen Gezichten binnen handbereik, dat ik kocht en las en in 1993 De tekens van het meisje Cynthia. Ik heb het niet en ik herinner me ook niet dat ik het gelezen heb. 

De dia's van Andrea

Op het Cynthiaboek na heb ik alles gelezen en sommige boeken heb ik ook verschillende keren herlezen. Ik kan niet over elk boek wat zeggen, maar ik was bijvoorbeeld heel erg geboeid door De dia's van Andrea, waarin een veertienjarig meisje aan het woord is. Ze schrijft brieven aan haar vriendin. Ze is levenslustig en hoopvol, maar haar vader is vervuld van pessimisme en misschien wel angst. 

Andrea schrijft dat ze met haar vader naar een museum is geweest. Daar ziet ze een oude man met een blind meisje. Hij vertelt haar wat er op de schilderijen te zien is:
Ik deed onbeleefd, ik liep achter hen aan, ik hoorde hoe het meisje keek naar twee mensen, een man en een vrouw, die van verliefdheid samen hand in hand door de lucht zweefden met hun mond haast op elkaar, op de grond stonden andere mensen verbaasd en jaloers omhoog te wijzen, een hond blafte vrolijk en een haan kraaide uit volle borst en twee vogels uit het paradijs zo mooi vlogen mee. Het blinde meisje lachte stilletjes. 
Andrea vraag haar vader om voor haar ook schilderijen te beschrijven, terwijl zij haar ogen dichthoudt en zich voorstelt dat ze blind is. Een van de schilderijen is het schilderij dat ze al gezien heeft. Maar vader interpreteert het heel anders:
'Een man heeft een vrouw ontvoerd,' zei hij, 'maar dat vindt ze niet erg. Heel dicht bij elkaar zweven ze samen door de lucht naar een land hier ver vandaan, de mensen spreken er schande van en wijzen verontwaardigd naar het tweetal. Woedend staat een hond te blaffen en een haan kraait over verraad, en twee prachtige vogels zetten de achtervolging in. Het is de vraag of ze nog lang en gelukkig zullen leven.,' zei hij. Ik hield zijn hand nog steviger vast dan tevoren. 

Bombardement

Geweld en dood zijn nooit ver weg in het werk van Geert van Beek. Misschien heeft dat met zijn leven te maken. Van Beek maakte het bombardement op Nijmegen mee, door de geallieerden. Dat is lang een vergissing genoemd, maar later werd daar weer aan getwijfeld. Ik weet niet hoe de geschiedkundigen het nu beoordelen. 

De vader van Andrea zegt op een gegeven moment tegen haar: '[A]ls kegels heb ik ze zien vallen, Andrea, de bal komt aanrollen en ze tuimelen neer; sommigen wankelen op hun voetstuk voor ze definitief neergaan.' 

Andrea weet wat hij bedoelt:
Het bombardement van zijn stad bedoelde hij, toen de sirenes loeiden dat alles veilig was en de vliegtuigen overgevlogen waren, maar een paar keerden terug en gooiden de binnenstad plat en in brand.  

Weinig aandacht

Het werk van Geert van Beek heeft, voor zover ik weet, nooit erg veel aandacht gekregen, terwijl het echt een oeuvre is. Hij is misschien geen groot schrijver, maar elk boek maakte zijn oeuvre completer, bouwde zijn thematiek uit. Heel vrolijk word je er niet van, maar ik las zijn boeken graag. Ik vond het onterecht dat niet meer mensen zijn werk kenden. 

Lange tijd vond ik dat ik 'iets' met zijn werk moest doen. In 2000 (vermoed ik) schreef ik hem, omdat ik hem wilde interviewen, maar dat kon niet meer: hij was ziek. Op 2 januari 2001 overleed hij. Ik heb toen niet over hem geschreven en pas nu vertel ik iets over hem. Te weinig, te laat. 

Maar in antiquariaten moeten zijn boeken nog zijn. Lees De dia's van Andrea of de harde verhalen uit De gekruisigde rat of Blazen tot honderd. Dat laatste heb je zo uit. En misschien koop je de andere boeken dan ook. 

dinsdag 30 augustus 2022

Mijn dood en ik (Remco Campert)



Op 4 juli 2022 overleed Remco Campert, bijna 93 jaar oud. Meestal schrijf ik bij het verscheiden van een schrijver een soort leesautobiografie, waarin ik naga wanneer het werk van de auteur in mijn leven gekomen is en hoe het me vergezeld heeft. Maar toen Campert stierf, zat mijn hoofd vol andere dingen.

Misschien dat het er ooit nog van komt. Dan schrijf ik in ieder geval over het tijdschrift Gedicht, waarvan Campert de redactie voerde en waarvoor ik mijn zakgeld spaarde om het te kunnen kopen. 

Korte gedichten

Uit een stationswisselkraam viste ik een aantal maanden geleden Mijn dood en ik, de laatste dichtbundel van Campert, uit 2019.  Die was me indertijd ontgaan. Het boekje bevat korte gedichten, van minder dan tien regels en ze staan allemaal in het licht van de dood. Niet in de schaduw van de dood, want donker zijn de gedichten niet. Campert lijkt eerder nieuwsgierig. Hij observeert, hij overpeinst en daar schrijft hij over. 

Campert heeft het overigens wel over de schaduw:
in de slagschaduw van de dood
is mij nog enig leven gegund
maar ook wenkt er het graf
en de aarde
zuivere grond
die ik in mijn mond zal nemen
Maar ook dat is geen donker gedicht. Die 'zuivere grond' klinkt positief en het in de mond nemen van de grond lijkt te duiden op het omarmen van de dood. 

Een gedicht met een opmerkelijke gedachte is het volgende:
ha die dood
die me mijn hele leven vergezelde
trouwe vriend
van wie ik nu afscheid neem
Je zou denken dat je bij het sterven de dood ontmoet, maar in dit gedicht was de dood er het hele leven al. De 'ik' heeft met de dood geleefd. Pas als hij gestorven is, zal dat niet meer zo zijn. 

Oorlog

Het lijkt me niet dat het poëtisch ik al zijn hele leven verlangde naar de de dood. Eerder dat hij er altijd al weet van had. In de bundel Scènes in hotel Morandi staat het gedicht 'Januari 1943', waarin hij vertelt hoe hij als kind te horen krijgt dat zijn vader in de oorlog in Neuengamme vermoord is. 

Zoveel jaar later staat dat blijkbaar nog steeds zo dichtbij dat hij erover schrijft in Mijn dood en ik:
mijn vader was verraden
door wie
eens in die vooroorlogse tijd
zijn vrienden waren
de oorlog duurt voort in mij
In zo'n beetje elk gedicht komt de dood voor. Voor iemand van bijna (of helemaal) negentig is dat natuurlijk niet vreemd: je weet dat je leven er bijna op zit. Campert observeert wat de doorgaande tijd met zijn lichaam doet. Het wordt schraal, zoals ook zijn woorden schraal worden. Het kortste gedicht bestaat uit slechts zeven woorden:
zo licht
het gewicht 
van dit gedicht

Niet zwaar

Voor alle gedichten geldt dat het geen zware gedichten zijn. Ze zijn nieuwsgierig, ze stellen vragen, maar ze zijn niet somber. Soms is er de gedachte aan wie voorgegaan zijn in de dood. Maar ook dan gaat het niet om de rouw of om het gemis, maar aan het feit dat de 'ik' aan hen denk en hen zo levend houdt: 'denken is sterk / daar kan geen enkele / kracht tegenop. 

Campert leeft gelukkig nog in veler gedachten. Laten we dat denken volhouden, zijn werk blijven lezen en hem zo levend houden. Er is altijd een lichtheid in zijn werk, die we meer dan hard nodig hebben. 

maandag 29 augustus 2022

Het proces / De tekening (Marc-Antoine Mathieu)



Ach, wat hou ik toch van de verhalen over Maurits Cornelis van Esk, gevangen in dromen! Eerder schreef ik over de albums De oorsprong en Wachten op K... In beide plaatste de stripmaker Marc-Antoine Mathieu zijn hoofdpersoon in een wonderlijke wereld. We volgen zijn verhaal, maar tegelijkertijd zet dat ons aan het nadenken over de manier waarop dat verhaal verteld wordt. 

In Het proces komen we weer in een opmerkelijke wereld terecht. De klok van M.C. van Esk loopt niet helemaal gelijk. Als hij 's ochtends uit bed valt, blijkt hij de tijd te volgen van zijn klok. Maar er is ook een Van Esk die precies op tijd leeft, zodat er twee Van Esken zijn, die elkaar ook kunnen ontmoeten. 

Net als in de vorige albums worden absurditeiten als vanzelfsprekendheden gepresenteerd. Van Esk woont klein, zo te zien maar in een enkele ruimte, maar door de nijpende woningnood heeft hij inwoning gekregen: er is een man die in een soort kast woont en dus rechtop, vastgesnoerd in zijn bed, moet slapen. Hoe vervreemdend dat ook is, je gaat erin mee, omdat je blijkbaar terechtgekomen bent in een werkelijkheid waar andere regels gelden dan in de onze. 

Droomwereld

Dat alles lezen we in hoofdstuk 1. De volgende hoofdstukken heten 'De droomfabriek', 'De nachtmerrie van het plafond', 'Op zoek naar de verloren droom', 'Infra-droom of ultra-realiteit' en ten slotte 'Af bij terug'. Uit de titels blijkt al dat we meekijken in een soort droomwereld. 

Maar in zijn dromen bezit Van Esk een zekere luciditeit: hij beschouwt zijn droomwereld en kijkt hoe hij zijn weg in die wereld kan vinden. 

Een stripfiguur weet over het algemeen niet beter of het platte vlak waarin hij leeft is zijn wereld. Maar Van Esk kan rechtop over de bladzijden lopen waarin zijn verhaal verteld wordt, waarmee hij een blik op zijn wereld krijgt, die anderen niet vergund is. 

Mogelijkheden van het medium

Al in eerdere recensies wees ik op de verwijzingen naar M.C. Escher en Kafka. Die blijven ook hier in stand. De mooiste vondst, die laat zien wat er allemaal mogelijk is in een stripalbum, is die van de vortex, waar ik verder niets over zeg, om de verrassing niet weg te nemen. 

De naam zegt het al: het gaat om een draaiende beweging, om een spiraal. Die spiraal vinden we al op de eerste pagina, de veer van de klok, die alles in gang zet. Maar hij komt ook terug in de vorm van het dromenarchief, of in het bordspel dat twee mensen spelen. Het zit allemaal geraffineerd in elkaar.
 
Van Esk komt erachter dat hij uit zijn droom gestapt is en dat hij de droom weer terug moet vinden om weer samen te vallen met zichzelf. Zeer fraai is de laatste pagina, waar het op uitloopt. Ook hier weer een spiraal. 

Het proces is een duizelingwekkend verhaal over dromen en werkelijkheid. Heel grappig, maar ook ernstig. Blijkbaar kan dat uitstekend samengaan. 


De tekening

Ontroerend en in zekere zin ook duizelingwekkend is het album De tekening. Het verhaal begint met een begrafenis. Emile moet afscheid nemen van zijn vriend Edouard. Edouard is dood en begraven, maar is hij ook weg? Emile krijgt nog een brief van hem en in een soort depot treft hij een gravure van Edouard aan. Het is een afbeelding van diens atelier. 

Als hij de tekening nauwkeuriger bekijkt, blijkt dat bij inzoomen zich steeds weer details prijsgeven, alsof je in de wereld van de tekening kunt duiken. Emile kopieert stukjes van de tekening en vergroot die uit, waarmee hij succes heeft, maar hij blijft intussen op zoek naar het mysterie van de tekening, naar wat Edouard daarin verborgen heeft. 

Hij komt een heel eind, zeker als hij merkt dat het woord 'spiegeling' een rol speelt en dat er ook nog een parallel is met het universum. Hij nadert Edouard steeds meer, zeker als hij ontdekt dat ook kleur belangrijk is. Dat valt meteen op in een album dat verder in zwartwit is uitgevoerd. 

Rouwen

Net als bij de andere albums blijkt hier de fictie, de tekening, een wereld op zich te zijn, maar De tekening gaat ook om rouwen. Edouard is overleden, maar Emile zoekt hem, probeert hem te naderen, zelfs nu hij dood is.
 
Hierbij moest ik sterk denken aan de gedichten van Gerrit Achterberg, in wiens werk de gestorven geliefde een belangrijk thema is. De dichter probeert met de taal de geliefde te naderen. Het gedicht 'Contact' eindigt met:
ik smeed het woord
dat naar u heet,
en ik besta
bij de gena
van deze blinde bezigheid.
Eigenlijk leggen zowel de 'ik' in de gedichten van Achterberg als Emile in De tekening niet neer bij het definitieve van de dood. Zo lang ze dichten of tekenen is de ander er. Het getuigt niet van de liefde die er is tot de dood scheiding brengt, maar tot die samenvoegt. 

De tekening is net zo fascinerend als de andere albums van Marc-Antoine Mathieu, maar veel gevoeliger. Mooi. Mooimooimooi. 

Titels: Het proces. De tekening.
Tekst en tekeningen: Marc-Antoine Mathieu
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2022, 48 blz. per deel, 24,95 euro per deel. (hardcover)


Het proces
De tekening
De tekening

woensdag 24 augustus 2022

Blikken op de boekenkast 2: Armando



Bij het opnieuw inrichten van de boekenkasten, moet er geschift worden. Dat is alle vorige keren natuurlijk ook al gebeurd en soms met pijn in het hart. Er zijn veel schrijvers wier werk ik waardeer, maar het past niet allemaal in de drie kasten die ik voor proza heb gereserveerd. De meeste boeken belanden op zolder.

Wat staat er wel? Deze keer beperk ik me tot het begin van het alfabet: de A. Op de bovenste plank staat veel van Armando. Ik heb ook wat boeken over zijn beeldende werk en wat dichtbundels. Die staan ergens anders. Armando is een stuurs en eigenzinnig schrijver, maar als je voor hem gewonnen bent, wil je zoveel mogelijk van hem lezen. Tenminste, zo verging het mij. 

Aantekeningen over de vijand

Ik denk dat het bij mij begon bij Aantekeningen over de vijand. Dat verscheen in 1981, maar ik kocht het in december 1986, zie ik. Blijkbaar schreef ik dat in die tijd met potlood voor in het boek. In dezelfde maand kocht ik ook Machthebbers (1983) en Krijgsgewoel (1986). Ik moet meteen flink aan het lezen zijn geslagen in Armando.

Aantekeningen over de vijand is een boek waar ik indertijd maar moeilijk grip op kreeg. Het boek bestaat uit allemaal korte stukjes, gescheiden door een punt. Ik heb die stukjes met potlood genummerd en op een kladpapiertje, dat nog steeds in het boek ligt, staan de volgende termen: plek, landschap, bomen/bos, vijand, dader, aantekeningen, met daarachter de nummers van de stukjes waar dat woord of dat onderwerp in voorkomt. 

Als ik het mij goed herinner, deed ik dat omdat ik een inleiding over Armando heb gehouden op een literatuurkring in Rotterdam. Nu kan ik mij niet meer voorstellen dat mij dat geholpen heeft. 

Ik sla het boekje drie keer open en citeer steeds een willekeurige aantekening.

Denk je echt dat ze voor niets gesneuveld zijn? Denk je dat echt? Misschien heb je wel gelijk.

Alle schuld heeft zich in me opgestapeld. Een bouwwerk bijna. Ik ben ieders schuld. Ik ben langzamerhand degene. Ik ben behoorlijk op weg. Mij is een troon beschoren. 

875 doden. Is dat genoeg? Lijkt me wel.

Misschien dacht ik toen nog dat Aantekeningen over de vijand over de Tweede Wereldoorlog gaat. Dat denk ik nu niet meer. 

De straat en het struikgewas

Maar de Tweede Wereldoorlog speelt wel een rol in het werk van Armando, bijvoorbeeld in De straat en het struikgewas (1988), een van zijn bekendste boeken. Ook in dat boek schreef ik voorin iets met potlood: 'Van Amber en Ingrid. 1988.' Amber en Ingrid herinner ik me nog wel. Blijkbaar kreeg ik van hen in 1988 een boekenbon, toen ik afscheid nam van de school waar ik toen werkte. Ik neem niet aan dat ze uit zichzelf dit boek hebben gekocht. 

De straat en het struikgewas is een van de meer toegankelijke boeken van Armando, die opgroeide vlak bij de plaats waar in de oorlog Kamp Amersfoort werd gebouwd. In het boek komt ook een jongen voor die een Duitser doodt. Dat zou autobiografisch kunnen zijn, al heeft Armando dat nooit bevestigd. 

Nu ik opnieuw door het boek blader, zie ik dat het bestaat uit korte hoofdstukken en die hoofdstukken bestaan weer uit kort stukjes. Ik heb met mijn potloodje aardig wat aangestreept. 

Er is iets gebeurd. Er is iets gebeurd, wat was het ook weer. O ja, de vijand is er. Ik ga vandaag weer naar 'm kijken. 

Dat is een stukje uit het hoofdstuk 'De zichtbaarheid'. Ik heb erbij geschreven: 'Feindbeobachtung'. Blijkbaar was ik op de hoogte van de schilderijen van Armando. Die titel komt verschillende keren voor. 

Leven is oorlog

Het werk van Armando gaat, denk ik, niet over de Tweede Oorlog, maar over oorlog. En misschien is het leven wel oorlog. Hoe meer je van hem leest, hoe meer alles met alles te maken heeft. Je begeeft je tijdens het lezen in een harde wereld, maar met veel menselijkheid eronder en er is ook humor. Optimisme over jezelf of over je soort hou je er niet aan over. 

Blijkbaar heb ik het werk van Armando graag bij me, al pak ik het weinig uit de kast. Misschien was dat wel het laatst bij zijn overlijden, vier jaar geleden. De tijd vliegt. 

Over zijn schuldige landschap (dat alles gezien heeft, maar niet heeft ingegrepen) heb ik het maar even niet. Daar is elders genoeg over te vinden.

Lees de boeken van Armando, zodat hij er nog een tijdje is. Het is zo'n menselijk oeuvre. Nee, niet altijd makkelijk, dat is zo. Wat had je dan gedacht?

Nog een gedicht. 

Vaarwel

Ruikt het gras en stapt
door struiken
recht op de weerzin af.

Vaarwel, 
en spreekt een woord van dank
tot de krijgshaftige omgeving.

Vaarwel,
en brengt een groet aan vroeger,
toen nog geen enkel zwaard
beschikbaar was. 


Eerder schreef ik over Armando:

maandag 22 augustus 2022

Frenchman/Pawnee (Patrick Prugne)

Altijd word ik een beetje warm vanbinnen van films en strips die zich afspelen in Amerika in de negentiende eeuw. Vroeger spraken we van 'het wilde Westen',  waar 'cowboys' en 'indianen' leefden. Ik heb als kind de comics over bijvoorbeeld Kid Colt en Rawhide Kid verslonden, evenals de strips over Old Shatterhand en Winnetou en de boeken over Arendsoog en over Buffalo Bill. 

In die boeken had je nog zuivere helden en schurken en waarschijnlijk waren ze vrij schematisch getekend. Ik zou ze niet meer terug durven lezen. De nobele helden hadden vaak het beste voor met de oorspronkelijke Amerikanen en dat deed mijn jonge lezershartje deugd: die 'indianen' waren immers de underdogs en als je aan die kant stond, moest je wel een goed mens zijn. Natuurlijk dacht ik dat niet letterlijk zo, maar zo moet het ongeveer gewerkt hebben in mijn kinderbeleving. 

Maar intussen zijn we, gelukkig, wel wat opgeschoten. Neem nu het tweeluik Frenchman en Pawnee van Patrick Prugne (tekst en tekeningen), dat een heel wat complexere wereld tekent dan die van helden en schurken.  

De kolonie die door Napoleon verkocht werd

Verkoop Louisiana

We worden teruggezet naar 1803. Napoleon Bonaparte heeft de kolonie Louisiana verkocht aan de jonge Amerikaanse natie. De kolonie was veel groter dan de huidige staat met dezelfde naam: door de aankoop verdubbelde zo ongeveer het grondgebied van Amerika. Een groot deel van de kolonie werd overigens door de Fransen niet gebruikt: er leefden inheemse stammen. 

Vrijgeloot?

In Frankrijk wierf Napoleon intussen soldaten. Dat gebeurde door middel van loting. In een Normandisch dorpje heeft Albin Labiche in oktober 1803 geluk: hij wordt vrijgeloot. De vriend van zijn zus Angèle, Louis de Mauge, heeft minder geluk. Zijn vader, die vermogend is, biedt de ouders van de arme Albin zo veel geld dat die niet kunnen weigeren. Albin moet de plaats van Louis innemen en wordt ingescheept naar Amerika. 

Je zou de ouders van Albin kwalijk kunnen nemen dat ze op zo'n voorstel ingaan, ten koste van hun eigen kind. Maar het moet voor de mensen in die tijd een kapitaal geweest zijn en waarschijnlijk wist de vader van Louis dat ze eigenlijk wel moesten. De onrechtvaardigheid van wat geld teweegbrengt kan geen enkele lezer ontgaan. 

Even later verneemt Louis wat er gebeurd is en hij reist Albin na. Hij voelt zich verplicht tegenover Angèle.

Op de vlucht

In Amerika is Albin al snel in de problemen geraakt: hij grijpt in als hij ziet dat iemand een slaaf wil doden, wat tot gevolg heeft dat hij op de vlucht moet, met een prijs op zijn hoofd. Hij krijgt hulp van Toussaint Charbonneau, die zich gewoonlijk als tolk en als gids verhuurt. 

Het eerste deel, Frenchman, is een mooi verhaal over intermenselijke problemen, over loyaliteit en verraad, over onrechtvaardigheid en onmacht. Maar daarnaast merk je hoe precair de situatie in die tijd was. De oorspronkelijke Amerikanen zien zich bedreigd. Er hoeft maar weinig te gebeuren of de lont in het kruitvat wordt ontstoken. Je leest niet alleen het verhaal, maar ook de geschiedenis. 

Angèle naar Amerika

Het verhaal gaat verder in Pawnee, dat zich later afspeelt. Angèle reist naar Amerika, op zoek naar Louis, die weer op zoek is naar Albin. Albin moet steeds beducht zijn voor premiejagers. De toestand is zeer onrustig, wat alleen maar erger wordt als er een groepje van de oorspronkelijke bewoners wordt uitgemoord. 

Patrick Prugne heeft met deze twee albums een mooie strip in twee delen afgeleverd. Niet alleen vanwege het verhaal over de drie Fransen en hun ingewikkelde verhouding, maar ook door inzichtelijk te maken hoe de situatie was in dit gedeelte van Amerika, aan het begin van de negentiende eeuw. Dat de Fransen een zo groot grondgebied tot hun eigendom hadden, had ik hiervoor nog nooit beseft. Door het lezen van Frenchman en Pawnee zal ik het niet meer vergeten. 

Elk album heeft een korte inleiding en aan de binnenkant van de kaft van Frenchman is een kaartje getekend dat je helpt je voor te stellen waar de verschillende scènes zich afspelen. 

Tekeningen

Maar nog voor ik aan het lezen was, was ik al onder de indruk van de prachtige tekeningen, met aquarel ingekleurd. Prugne gebruikt geen geïnkte kaders, waardoor de overgang van achtergrond naar tekening minder hard is. Er zijn binnen de tekeningen niet meer inktlijnen gebruikt dan nodig is: wat met verf gedaan kan worden, is daarmee gedaan. 

Tussen de bladzijden met kleine tekeningen door is er af en toe een grotere tekening van meer dan een halve pagina en een enkele keer zelfs een spread. Dat is bijzonder fraai gedaan. 

Silvester heeft er mooie boeken van gemaakt: hardcovers met stofomslag en aan de binnenkant van de stofomslag een mooie tekening. Achter in elk deel zijn schetsen opgenomen, al dan niet ingekleurd, met daartussen uitleg in potlood. Dat is zeer aan mij besteed. Door deze pagina's heb je het idee dat je dicht op het tekenproces zit. 

Een redelijk goed verhaal, mooi geplaatst in de tijd in de tijd en ook nog prachtig getekend. Niemand zal zich vervelen bij Frenchman en Pawnee.

Titels: Frenchman, Pawnee
Scenario en tekeningen: Patrick Prugne
Uitgever: Silvester
's-Hertogenbosch 2022, 80 blz. per deel, 24,95 euro per deel, samen 44,95 (hardcover, stofomslag)