Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

woensdag 9 september 2026

Net echt (Saskia de Coster)

Toen ik het na ging kijken, verbaasde het me: hier heb ik nog nooit geschreven over een boek van Saskia de Coster. Ik las Held (2007), maar dat was voordat ik begon hier mijn besprekingen te plaatsen. Mogelijk heb ik het indertijd besproken in Nederlands Dagblad, maar wat ik daar geschreven heb, heb ik niet meer tot mijn beschikking. Verder was ik vast van plan Wij en ik (2013) te lezen, maar ik realiseer me nu pas dat ik dat nooit gedaan. En in 2019 nam ik Nachtouders op in het lijstje met de beste boeken van dat jaar die ik niet las, maar het jaar erop las ik het niet. De helft van dat lijstje las ik wel. Vreemd. 

Nu heb ik Net echt (2023) gelezen, omdat ik het enkele keren tegenkwam op boekenlijsten van kandidaten voor het Staatsexamen. Gelukkig maar. Intussen ben ik wel wat in twijfel geraakt over de spelling van de naam van de auteur. Die schreef ik altijd als Saskia De Coster, met een hoofdletter 'D' dus, maar op de titelpagina van deze roman is 'de' een minuskel. Dat hou ik dan maar aan. 

Max, Manon en Noah

In Net echt ligt het perspectief wisselend bij Max, Manon en hun dochter Noah. Max en Manon hebben een huis gekocht in de Blauwstraat in Antwerpen. Het is een negentiende-eeuws herenhuis en er moet nog wel het een en ander aan verbouwd worden. Max is architect en het lijkt een klus die je wel aan hem kunt overlaten, maar het schiet niet op. 

Max verkondigt na een tijdje ook dat het misschien niet hoeft, dat je het huis kunt zien als een voorbeeld van onaffe architectuur. Maar de voordeur blijft wel knellen. Max zegt zijn baan op en is daarna veel binnenshuis. Hij gaat een relatie aan met de buurvrouw, Lia. 

Manon werkt bij het bedrijf iCar, waar ze op een gegeven moment 'head legal' kan worden voor de USA, waarvoor ze uiteindelijk een tijd naar de Verenigde Staten moet. Dochter Noah trekt veel op met Pixie, een meisje dat ooit een arm verloren heeft. Ze is verliefd op haar. 

Dat is zo'n beetje de setting. Het huis herbergt een gezin waarvan de leden het moeilijk hebben. De staat van het huis is gebrekkig, zoals de samenhang van het gezin. Max en Manon drijven verder uit elkaar en dat lijkt maar gewoon te gebeuren. 

Als het boek begint, is het helemaal fout gelopen: Max is het huis ontvlucht en verblijft in Kopenhagen, Noah zit aan het andere eind van de wereld. 

Ander soort tekst

De manier van vertellen is aan dat begin (en ook tegen het eind) opmerkelijk: nagenoeg elke zin begint op een nieuwe regel en ook in de loop van de zinnen is er soms ineens een harde return gebruikt, waardoor die stukken niet lezen als deel van een roman, maar eerder als een soort toneeltekst of iets wat tussen poëzie en proza in zit. 

Zes maanden geleden is hij gevlucht, als een misdadiger.
    Ooit was hij een goed mens
    maar wie gelooft dat nog?
    Zijn hele leven ondersteboven,
    opeens was de bodem eruit geslagen. 
    Alle betekenis weg,
    zo veel verloren, 
    zoals dit bad dat leegloopt,
    het ijskoude water verdwijnt in de tuin. 
Het lezen ervan houdt je heel erg bij dit moment, het moment waarop het 'gezegd' wordt. Anders dan de 'echte' prozagedeelten, waaruit een groot deel van het boek bestaat. Daarin zit meer een lijn, volg je meer de voortgang in de tijd. 

Wit op zwart

Na enkele hoofdstukken is er steeds een hoofdstuk in witte letters op zwart papier. Iemand spreekt daarin een 'jij' toe, die schrijfster is. Ik heb het gelezen als een innerlijke dialoog, als de dingen die de vertelster tegen zichzelf zegt. 

Vroeger maakte ze hutten in het bos, nu schrijft ze. De teksten die ze schrijft zijn de hutten die ze voor zichzelf bouwt. Het verhaal van Max, Manon en Noah wordt daardoor de hut die de schrijfster, de 'jij', gebouwd heeft en misschien is het ook wel het onderkomen dat ze nodig heeft. 

De 'jij', die ik voor het gemak maar even de vertelster noem, blijkt ook in de Blauwstraat gewoond te hebben. 

En ondertussen woonden daar rond de Blauwstraat zo veel mensen op elkaar, stapelden de verhalen zich op, en werd hun verhaal ook van jou. 

Je komt het een en ander te weten over haar verleden, met een onvoorspelbare vader, en over de moeite om haar leven op orde te houden of te krijgen. Er wordt verteld dat ze twee dingen wil: schrijven en een geliefde die haar begrijpt. Maar hoe krijg je dat voor elkaar. 

Ze houdt zichzelf een spiegel voor: 

Hier ben je dan, met je eigen verhaal verpakt als dat van andere mensen. 

Toeschouwertjes

Het verhaal van Max, Manon en Noah is een manier om naar zichzelf te kijken. Binnen dat verhaal heeft Max ook al zo'n soort mechanisme: de toeschouwertjes. Die geven commentaar op wat hij doet. Zoals iemand de 'jij' toespreekt, spreken de toeschouwertjes Max toe. 

Die toeschouwertjes zijn er al een tijd:

(...) die waren weer klaarwakker nadat ze jaren in hem hadden geslapen als speelgoedsoldaatjes in een doos in de kelder.

Max is architect, die zich uiteindelijk ex-architect noemt. Hij heeft niet meer het overzicht over het bouwwerk van zijn leven, zoals hij niet meer de controle had over het huis en zoals zijn gezin hem tussen  de vingers door is geglipt. Maar misschien wordt hij juist daardoor teruggeworpen op zichzelf en moet hij zich wel afvragen wie hij is en wat hij moet. 

En dat is dus weer het verhaal dat de 'jij' gebruikt om naar zichzelf te kijken, om zich af te vragen hoe het zit met de bewoonbaarheid van de hutten die ze gebouwd heeft, haar teksten. En in hoeverre is ze zelf daarin te vinden?

Net echt eindigt met:

Het huis staat daar maar. Tot er een sleutel wordt omgedraaid. Het geluid van een slot dat lang niet bewogen heeft en nu krakend uit zijn scharnieren komt, de mond van de deur die sleutel weer hapt, de deur die stroef opendraait. 

De roman is een huis dat je als lezer binnentreedt als je begint te lezen. Achter op het boek staat: 'Begin nu. Leg je scherven bij elkaar. Ga het huis binnen.' Ook de roman zou je kunnen zien als onaffe architectuur, een huis dat zich niet helemaal prijsgeeft en dat in ieder geval een bewoner, een lezer, nodig heeft. En die heeft misschien ook weer zijn eigen toeschouwertjes, zoals de reien in een klassieke tragedie. 

Veiligheid en harmonie

Als kind stelde de 'jij' zich een huis voor dat een symbool was van veiligheid en harmonie. 

En door je zo hard het huis voor te stellen, zou het tot leven komen, je had nog dat kinderlijke geloof. Het huis had een toverkracht, het zou alle zenuwen en angst doen verdwijnen, het was een antigif. Over de drempel stappen zou je genezen van angst. Zo'n huis zou je later bewonen, een huis dat niet voortdurend onder stroom stond. 

Wat voor de 'jij' geldt, zal voor iedereen wel gelden. We fantaseren ons een huis, we maken een verhaal van ons leven in de hoop dat het een huis is, waarin het niet al te zeer waait, wel wetend dat het huis ook een eigen wil heeft. 

Het huis vertoonde zo veel gaten en kieren dat het een eigen leven had. Het verzette zich tegen een verbouwing, de voordeur klemde de kaken steeds meer opeen. 

Maar woorden kunnen veel. Voor en achter in het boek staan motto's die ontleend zijn aan Ocean Vuong. In een ervan staat woorden niets kunnen vernietigen dat niet door woorden herbouwd kan worden. 

In ieder geval heeft Saskia de Coster met Net echt een huis gebouwd waarin we nog lang kunnen ronddwalen. Het geeft niet zomaar alle uithoeken prijs. 

Nu heb ik zin om meteen meer van Saskia de Coster te gaan lezen, maar ik weet dat ik niet al mijn leesvoornemens ten uitvoer breng. Herinner me er maar aan als het te lang duurt voor ik weer over haar schrijf. 

dinsdag 25 augustus 2026

Kreeft (Franca Treur)


Wat mensen hebben met astrologie is me een raadsel. Bijna iedereen weet dat horoscopen onzin zijn en toch weet een overgrote meerderheid van de mensen, of in ieder geval van de Nederlanders, zijn sterrenbeeld. Dat is nog tot daaraan toe, maar er zijn ook mensen die zich ermee identificeren. Die zullen ook wel weten dat ze bij een ander teken van de dierenriem gehoord zouden hebben als ze een paar dagen eerder of later geboren zouden zijn, maar blijkbaar hechten ze daar geen waarde aan. 

De astrologie heeft een zekere aantrekkingskracht en dan zit er dus geld in. Er waren in mijn jeugd meisjes met een kettinkje met een sterrenbeeld eraan en misschien waren er ook wel zulke bedeltjes voor aan een armband. Dat soort hangertjes zijn nog steeds te koop en enig googlen leerde mij dat er zelfs beeldjes van kristal zijn van de verschillende dierenriemtekens. En uitgeverij Lebowski heeft een reeks boekjes waarin steeds een sterrenbeeld centraal staat. Er waren al boekjes verschenen van Hadassah de Boer (ram), Hagar Peeters (stier) en Christine de Boer (tweelingen). En nu is er Kreeft, van Franca Treur

Ik neem aan dat de auteurs ook jarig zijn in de periode die bij het sterrenbeeld hoort. Bij Franca Treur heb ik het opgezocht en ze is jarig op 23 juni. Net als ik, trouwens. Van haar is bekend dat ze opgroeide in een orthodox-christelijke omgeving en voor zover ik weet, moet men daar niet veel hebben van allerlei 'wind van leer', zweverigheid en bijgeloof. Ik was er dan ook van uitgegaan dat ze al aan het begin van Kreeft korte metten zou maken met de astrologie, maar dat doet ze niet. Ze heeft er weetjes over opgezocht en die weet ze best boeiend te presenteren. 

Psychologie

Maar ze begint bij haar eigen geschiedenis: 1997, als ze besloten heeft om psychologie te gaan studeren. Opa doet de studie af met een bijbeltekst, uit het boek Spreuken: 'Een verslagen geest, wie zal die opheffen?' Het was vooral de behoefte aan zelfkennis die Treur tot de studie van de psychologie aanzette. Die kennis was tot nog toe vooral tot haar gekomen via de Bijbel en de Heidelbergse catechismus. Een somber mensbeeld: we zijn geneigd tot alle kwaad. 

Eigenlijk is het bijzonder dat juist bij de bevindelijke christenen altijd gewezen wordt op de noodzaak van een persoonlijke bekering en dat het gaat om een persoonlijke relatie met God, en dat aan de andere kant er heel veel gesproken wordt over de mens in het algemeen. Treur viel het op daar medestudenten veel meer theorieën over zichzelf hadden dan zij en dat ze die graag wilden delen. Misschien heb je ook minder de neiging om aandacht aan jezelf te besteden als je altijd geleerd wordt dat je niets voorstelt (een stofje aan de weegschaal). Treur stapte over naar de studie Nederlands. 

Jaap

In Kreeft is dat de voorgeschiedenis. Pas in het tweede hoofdstuk begint het werkelijke verhaal dat twee lijnen omvat: de ene gaat over Jaap, een oom met het syndroom van Down, en het andere over Treur die afstand heeft genomen van het geloof en van de kerk. 

Het begint meteen met een sterke scène: de vertelster waakt bij het sterfbed van Jaap. De dood is geen onbekende in de familie: voor zijn geboorte is zijn broertje al omgekomen. 
In mijn familie werken ze met grond. Ze stoppen er zaden in en hebben daar verwachtingen van. Nu moeten ze hun kind in de grond stoppen. 
Schrijnende zinnen, in al hun eenvoud. Ze doen sterk denken aan 'Brief aan de grootouders' van Ida Gerhardt, waarin verteld wordt dat een kind slechts een enkele dag geleefd heeft: 'Ik heb de akkers mogen ploegen. / De aarde draagt het winterzaad.'

Nu ze enige afstand heeft, kijkt Treur scherp naar het bevindelijke milieu waarin ze opgegroeid is. 
Het blijft een wrang onderdeel van deze godsdienst: God, de gever van leven, is ook Degene die neemt. En ook Degene bij wie men vervolgens troost zoekt. 
Lange tijd laat Treur ongenoemd wat er met Jaap is, al krijg je al wel snel in de gaten dat er iets met hem moet zijn. Ze schetst een bijzonder liefdevol portret van hem. En ze zit naast zijn bed, juist in een tijd die onzeker is: ze heeft afscheid genomen van het geloof, waardoor er veel weggevallen is en het is nog niet duidelijk wat er allemaal voor in de plaats komt. 

Op je plek

Dan komt de vertelster terug op de astrologie, waartegen ze zich dan toch afzet: net als de godsdienst doet die een beroep op de kosmos en probeert die je vast te pinnen: zo ben je nu eenmaal. Jaap is autonoom en is op zijn plek, maar de vertelster voelt zich anders: 
Als je niet aardt waar je hoort, op een bepaalde plek onder de sterren, dan voel je je misplaatst. 
Aan de ene kant voelt ze de loyaliteit aan de gemeenschap waarin ze opgegroeid is, aan de andere kant voelt ze de noodzaak om daar afstand van te nemen. Je hoort al niet meer bij ze, je bent niet bij hen op je plek. 
Dus wil je zo ver mogelijk de andere kant op. Weg van de achterblijvers, weg van degenen die jouw vertrek in hun verdriet niet kunnen vatten, die vinden dat je hun God zo diep hebt beledigd. Hun huis is wel de allerlaatste plek waar je heen wilt. Het drukt op je om onder hetzelfde dak te zijn, zelfs al liggen ze op bed. 
Wel bij mensen horen, maar niet meer bij hun wereld. Dat is wat Treur laat zien in Kreeft en dat maakt ze duidelijk aan de hand van Jaap, met wie ze zich verbonden voelt, maar van wie ze nu ook afscheid moet nemen. 
Dan is er zijn laatste adem.
Lieve Jaap. Laat me niet alleen.
Hij laat me alleen.
Al maak ik er nu misschien een Jaap en Franca van die nooit hebben bestaan. 

Een echte Treur

Kreeft is voluit een Franca-Treurverhaal. Het past helemaal in haar oeuvre waarin ze geregeld geschreven heeft over het bevindelijk-christelijke milieu waarin ze is opgegroeid (Dorsvloer vol confetti, Hoor nu mijn stem) en hoe ze nu dat, juist nu ze afstand heeft, scherp kan bezien. 

In de scherpte waarmee ze dat milieu observeert, zit veel liefde, zoals die in haar vorige boeken ook altijd al zat, al werd die liefde in het beschreven milieu zelf niet altijd opgemerkt of begrepen. Tegelijkertijd maakt de vertelster zichzelf steeds meer duidelijk dat ze buiten dat milieu staat, dat ze zelf haar weg moet kiezen. Zeker nu Jaap er ook niet meer is. 

Franca Treur heeft zich met Kreeft aanvankelijk braaf in de mal van de reeks geperst, maar uiteindelijk blijkt ze in dit verhaal haar eigen gang te gaan. Gelukkig maar. Kreeft is een echte Treur. En een prachtige novelle. 

Eerder schreef ik over ander werk van Franca Treur:
Hoor nu mijn stem (herlezing)

woensdag 19 augustus 2026

Nachtbezorger (Lucas de Waard)


Andrecht was een kuststad. Of misschien vormde het wel een schiereiland. Maar op een dag kwamen de graafmachines en werd Andrecht losgemaakt van Het Land. Wie in de stad zit, zit daar vast. In de verwarring die ontstaat is er een man die het voortouw neemt: Leander Winkelman, een 'zonnebankbruine' volkszanger met een voorliefde voor Frankrijk. Hij zorgt er eigenhandig voor dat er weer stroom komt en hij neemt de leiding van de stad over. Maar hij trekt wel erg veel macht naar zich toe. Zo zorgt hij voor de verdeling van het voedsel en het is niet de bedoeling dat mensen zelf in hun voeding voorzien: er komt een verbod op moestuintjes. Zijn Gendarmerie houdt alles in de gaten. 

In deze bijzondere stad leeft Amy, die post bezorgt. Dat is een illegale bezigheid, want inwoners van Andrecht mogen geen contact meer hebben met Het Land. Daarom bezorgt ze de post in de nacht. Daarnaar verwijst dan ook de titel van de roman van Lucas de Waard: Nachtbezorger

De mensen die de brieven krijgen, moeten daarvoor betalen. Maar als een van de ontvangers, Ben, geen geld genoeg heeft, besluit Amy dat hij niet hoeft te betalen. 

Vertellers

Er zijn verschillende vertellers in Nachtbezorger: Amy, ex-profboksster, ooit beschuldigd van het gebruik van doping. Ze trok zich terug in Atrecht, bij een vriendin, Zara, vlak voor de graafmachines kwamen. Verder is er Ben, kleermaker, die zich probeert te redden in de halfdode stad. Hij krijgt af en toe post van zijn dochter Samira. En hij kent uit zijn verleden de jongen die later hoofd van de Gendarmerie werd, een reus van een vent, half dierlijk: De Beer. En dan is er nog Jona, uitbater van café Mingus. Hij hoort niet en hij spreekt niet, al zou hij dat laatste misschien wel kunnen. 

Het verhaal komt op gang als Amy een bijzondere opdracht krijgt: ze moet een brief van Leander Winkelman bezorgen bij diens moeder, die ergens in Het Land woont. Ze besluit samen met Jona de brief open te maken en de inhoud ervan blijkt compromitterend voor Winkelman te zijn. Vanaf dat moment is ze haar leven niet meer zeker. 

Wat er daarna gebeurt, is spannend beschreven door Lucas de Waard. Er zit vaart in het verhaal en je leeft heel erg mee met Amy, van wie je steeds meer te weten komt. Je wilt dat ze het redt, maar je weet ook dat de kans daarop erg klein is, want de macht is goed georganiseerd. 

Als je je maar mee laat voeren met het verhaal, leest het lekker weg. Het heeft een beetje de sfeer van young-adultroman, voor mijn gevoel. Er zijn best wat raadselachtige dingen in Atrecht, maar De Waard houdt er wel van om dingen uit te leggen in plaats van ze te laten zien. Je krijgt dan zinsneden als 'was het bokkige antwoord' en 'Ze grinnikt bitter'. Als lezer hoef je niet al te veel zelf te bedenken. 

Vragen stellen

Als je je vragen gaat stellen, gaat het verhaal aan het wankelen. Hoe worden de mensen bijvoorbeeld gevoed? Voor zover mij duidelijk werd, is er geen landbouw in Atrecht (op wat subversieve moestuintjes na) en als er een voedingsindustrie zou zijn, is het niet duidelijk hoe die aan grondstoffen zou moeten komen. En hoe zit het met de economie van de stad? Zijn er banken? Heeft Atrecht zijn eigen geld? Verdienen mensen eigenlijk wel geld? Hoe komen ze dan aan wat ze nodig hebben?

Maar de belangrijkste vraag is natuurlijk: waarom besluit Leander Winkelman, die alle macht heeft, dat juist Amy de brief moet bezorgen. Hij weet wat erin staat en hij weet dat hij een enorm risico neemt. Hij zal ook de macht hebben om te zorgen dat er toch iemand het kanaal oversteekt om de brief te bezorgen. Daar heeft hij Amy helemaal niet voor nodig. 

Compositie

Het verhaal wordt afwisselend verteld door Amy, Ben en Jona. Amy en Jona komen al gauw samen en ze spannen samen tegen Winkelman. Het verhaal van Ben geeft wel een inkijkje in het leven in Atrecht, maar zeker in de eerste helft van het boek voegt het niet heel veel toe. Pas aan het eind, als blijkt dat Ben en De Beer elkaar kennen, gaat die lijn iets meer betekenen. Verder zijn er twee hoofdstukjes, 'Ballon' en 'Dochters', die De Waard blijkbaar nodig had om een deel van het verhaal te vertellen. Dat maakt de compositie minder strak. 

Op een gegeven moment bevinden Amy en Jona zich in een tram, waarvan het verhaal gaat dat er wonderlijke dingen gebeuren en die gebeuren er dan ook. Maar waarom eigenlijk? Het lijkt een ideetje dat in de roman gepropt is, maar dat ook achterwege gelaten had kunnen worden. En zo gaat het met meer verhaalelementen. Wat mij betreft had de redacteur hier en daar best wat strenger mogen zijn. 

 Eigenlijk was ik nogal teleurgesteld door Nachtbezorger, maar dat heeft mogelijk te maken met mijn verwachtingen. Ik ken uitgeverij De Geus als een uitgever van literatuur (Esther Gerritsen, Jaap Robben, Jannah Loontjens, Kristien Hemmerechts, Robert Haasnoot). Pas nadat ik Nachtbezorger uit had, las ik dat er een boek van De Waard ooit genomineerd was voor de Gouden Strop Schaduwprijs, een prijs voor thrillers. Van thrillers weet ik eigenlijk niets, maar ik kan me voorstellen dat daarbij de spanning het belangrijkst is. 

Dat ik het boek ook gelezen heb als een young-adultroman zal te maken hebben met Amy, die al een heel verleden heeft, maar toch overkomt als een jongere. En ook bij dat soort romans ligt de nadruk vaak op de actie, is mijn indruk. 

Nachtbezorger leest wel lekker door, maar het bood me te weinig. Dat je meeleeft met iemand die zich verzet tegen de macht, ligt nogal voor de hand. Dan sta je als lezer automatisch aan de goede kant en dat is misschien wel een net te gemakkelijke positie. Hoewel er nuances aangebracht worden, is redelijk duidelijk wie er deugt en wie niet. Ook al zijn de gebeurtenissen niet voorspelbaar, de roman is wel voorspelbaar in zijn strekking en dat heeft ervoor gezorgd dat ik me toch een beetje verveeld heb bij het lezen. 

Maar misschien is dit gewoon geen roman voor mij en moet ik mij maar bij de literatuur houden. Wie tijdens een vakantie onbekommerd wil lezen, zal Nachtbezorger een prima boek vinden. 

Lucas de Waard, Nachtbezorger, Roman. Uitg. De Geus 2026; 224 blz. €20,99

donderdag 13 augustus 2026

Noodweer (Marijke Schermer)

Dat in 2016 een boek van Marijke Schermer, Noodweer, verscheen, ontging mij indertijd geheel. Toch zal er indertijd over geschreven zijn en het is in ieder geval goed verkocht. Het boek verscheen in september en aan  het eind van het jaar kwam de derde druk al uit. Ik las de vijfde, uit september 2017. Maar blijkbaar was ik tien jaar geleden te druk met het lezen en las ik te weinig over die boeken. 

Liefde als dat het is (2019)viel mij wel op, waarschijnlijk ook door de intrigerende titel, maar pas toen in 2024 In het oog uitkwam kocht en las ik iets van Schermer. Een paar maanden geleden las ik Liefde als dat het is en nu ook Noodweer.

Zwijgen

Het boek gaat over Emilia en Bruch, ouders van twee kinderen, Leo en Osip. Ze zijn de stad uit getrokken en zijn gaan wonen in een dijkhuisje, buitendijks. Toen ze elkaar net kenden, heeft Emilia drie maanden geen contact gehad met Bruch, maar daarna namen ze de draad weer op. De aanleiding was een dramatische gebeurtenis, waarover Emilia altijd gezwegen heeft. Ik ga dat hier ook niet uit de doeken doen, zodat je zelf nog iets te ontdekken hebt in het boek. 

Emilia heeft ooit met drie medestudenten het bedrijf SOS opgericht, Systematisch Onderzoek Statistiek, Bruch is immunoloog. 

Door allerlei aanleidingen wordt Emilia uit evenwicht gebracht. Ze bezoekt met Bruch het toneelstuk A streetcar named desire, waarin Blanche ook het een en ander verzwijgt en als iemand haar van achteren benadert, gaat ze letterlijk door de knieën. Verder stijgt het waterpeil, waardoor hun dijkhuis wordt bedreigd en haar collega Eddie wordt beschuldigd van intimidatie en aanranding. 

Emilia verliest de controle, kan afspraken niet nakomen en haar huwelijk met Bruch komt onder druk te staan. Ze valt terug op haar oudere broer Jacob, maar gaat weer terug naar het dijkhuis waar het crisis is. 

Normaalverdeling

De beroepen van Emilia en Bruch zijn tekenend. Emilia doet statistisch onderzoek en daarin worden de meest extreme uitkomsten genegeerd. Wat Emilia overkomen is, heeft ze eigenlijk ook geschrapt. Ze dacht dat ze het achter zich kon laten en gewoon door kon gaan. En Bruch heeft haar daarbij geholpen. 

Hij had haar weggelokt van de extremiteiten, hij had de liefde uit de clandestiene hoek gesleurd en haar uitzicht geboden op een leven, samen. Hij had haar onder de klok gelokt, midden in de normaalverdeling. 

Later twijfelt Emilia daarover. In haar werk laat ze juist zien dat de statistiek een model is, dat je de zekerheid van cijfers moet nuanceren. Aan die nuanceringen heeft ze voorbijgeleefd. 

De normaalverdeling was helemaal niet het juiste model, een typerende fout voor de statisticus: uitgaan van het verkeerde model. Ze had beter de oneigenlijke verdeling kunnen toepassen, de oneigenlijke prior die zich eindeloos naar alle kanten uitstrekt, een vlakte als een wateroppervlak, zonder pieken, zonder schuilplaats, dan was ze nu niet bedrogen uitgekomen. 

Immunologie

Bruch is immunoloog. Hij onderzoekt hoe het lichaam zich tegen zichzelf kan keren. Geldt dat ook voor hun huwelijk? Is er iets in dat huwelijk dat zichzelf ondermijnt? Dat zou datgene kunnen zijn dat Emilia altijd verzwegen heeft. Maar er blijkt ook een andere kant aan het huwelijk te zijn, die van Bruch. Wat heeft hij verzwegen?

De titel Noodweer verwijst naar het stijgende water, dat het huis bedreigt. Aan de ene kant is dat de aanleiding voor oplopende spanning: hun huis, en daarmee hun gezamenlijke leven, wordt bedreigd. Aan de andere kant is dat stijgende water ook de spiegel van wat er in het huwelijk gebeurt: de toestand wordt bedreigender en het is maar de vraag of Bruch en Emilia het hoofd boven water kunnen houden. 

Van Noodweer heb ik zeer genoten. Het is een vrij dun boek, 160 bladzijden, en op het eerste gezicht is het niet zo'n ingewikkeld verhaal. Schermer heeft een bijzonder heldere manier van vertellen. Maar elk detail lijkt een functie te hebben en hoe langer je erover nadenkt, hoe meer je ziet hoe ingenieus het boek in elkaar zit. 

Neuzen in andermans spullen

Leuk is ook hoe een passage in Noodweer vooruit lijkt te wijzen naar In het oog. Als Emilia Bruch nog maar kort kent, neust ze in zijn spullen als hij 's ochtends gaat hardlopen. 

Ze vond ansichtkaarten van zijn ex Mariette. Ook de kleinste details van zijn leven, aantekeningen in een kantlijn, het begin van een brief aan een vriend wiens naam nnog niet in zijn verhalen opgedoken was, een verdwaalde foto, een bewaarde steen, gaven het het idee dat ze dieper tot hem doordrong. 

Dat doet Schermer tegenwoordig ook voor de Volkskrant. Mensen geven haar toestemming om in hun huist te verblijven en schrijft over wat de dingen in het huis zeggen over de bewoner ervan. 

In alle boeken die ik tot nu van Schermer gelezen heb, draait het om de relaties tussen mensen. Aan de ene kant maak je mee hoe die zich ontwikkelen of op scherp worden gezet, aan de andere kant kijkje daar van een afstandje naar. Het is opmerkelijk dat je zowel heel betrokken kunt zijn bij de personages als een zekere afstandelijkheid kunt hebben. 

Boeiende boeken, menselijke verhalen. Scherpe observaties, helder verwoord. Goede schrijfster. Na zo'n boek ben ik meestal meteen van plan om meer werk van de betreffende auteur te lezen en meestal komt het daar niet van. We zullen zien. 

Eerder schreef ik over:

woensdag 5 augustus 2026

Dood en leven van de jonge Selder (Allard Schröder)


 Wat lezen betreft, ben ik niemand iets verschuldigd; ik kan lezen wat ik wil. Toch voel ik een zweem van schuldgevoel als ik het werk van een schrijver veronachtzaam. Ik had het bijvoorbeeld bij Wessel te Gussinklo, van wie ik pas in 2020 voor het eerst een roman las en ik heb het eigenlijk ook bij Allard Schröder

Van hem las ik Raaf (1995) al snel na verschijnen en die roman beviel me goed. Maar daarna las ik niets meer van hem, zonder voor mij achterhaalbare reden. Grover (1999) werd genomineerd voor twee literaire prijzen, De hydrograaf (2002) werd bekroond, maar ik liet de boeken ongelezen. Wel heb ik onlangs die laatste roman meegenomen uit een kringloop (netjes betaald, hoor), dus die zal ik nog wel gaan lezen. 

Zeker nu ik de nieuwste roman, Dood en leven van de jonge Selder heb gelezen. Goed boek. En het soort boek waarvan ik hou. Het is een boek waarin gespeeld wordt met verbeelding en werkelijkheid. Van sommige delen weet je niet of die nu werkelijk zijn of dat ze alleen in het hoofd van het personage bestaan. Dat vind ik altijd heerlijk. Daarom hou ik ook van romans als Door de waterspiegel (2014) en De vrolijke verrijzenis van Arago (2019) van Tomas Lieske.

De titel Dood en leven van de jonge Selder doet me, door dat 'jonge', denken aan Het lijden van de jonge Werther, en ook wel aan Het leven en sterven van een hedendaags aristocraat van Gerrit Paape, maar mogelijk is dat toeval. Die jonge Selder is Robert Selder, afkomstig uit een welgesteld milieu uit 'de voorstad' en studerend in 'de universiteitsstad'. Nou ja, niet echt studerend - hij voert al anderhalf jaar niets uit. 

Feest in Villa Nysa

Als hij zijn ouderlijk huis weer eens bezoekt, vindt hij post die voor hem bestemd is. Een uitnodiging van zijn oud-klasgenoot Denis Lenaeus, voor 'een feestelijke bijeenkomst' in Villa Nysa, diezelfde dag nog. Robert gaat erheen. 

Onderweg naar de Langelaan kwam er een onvrijwillige herinnering in hem op, die met haar te maken had, degene van wie hij was weggelopen. Of was zij van hem weggelopen? Op momenten dat hij alleen met zichzelf was, dacht hij vaak aan haar, terwijl hij zich toch had voorgenomen dat nooit meer te doen.

Die vrouw blijkt Katja Camberling te heten en als lezer wil je weten wat er tussen die twee is voorgevallen. Er wordt al wel snel verteld dat Robert bij haar weggelopen is, uit angst dat ze anders bij hem weg zou lopen. Maar het fijne ervan is dan nog lang niet duidelijk. Later wordt verteld dat hij twee keer bij haar is weggelopen. 

Bij het betreden van het terrein van de Villa Nysa heeft Robert het gevoel dat hij een onzichtbare grens passeert, 'maar als dat zo was, waar was hij dan terechtgekomen?' Wat Robert verder overkomt op het feest lijkt werkelijk, maar door dit soort zinnetjes is er al een beetje gemorreld aan de betrouwbaarheid van zijn waarnemingen. Bovendien nuttigt Robert nogal wat alcohol, wat zijn werkelijkheidsbeleving ook zal beïnvloeden. 

Hij ontmoet Katja inderdaad (ze heeft intussen een kind), maar Denis, de gastheer, blijkt in geen velden of wegen te bekennen. Na verloop van uren vindt Robert zichzelf terug onder een struik, waar hij blijkbaar geslapen heeft, Hij loopt naar de weg en wordt daar aangereden door auto. Alles wordt zwart. 

In Almannië

In het volgende hoofdstuk gaat het verhaal echter verder en bereikt Robert gewoon het ouderlijk huis, waar iedereen erg ongerust is. Maar als hij met de auto van zijn moeder naar de universiteitsstad gaat, verdwaalt hij en hij komt in een compleet andere wereld terecht. Hij kan er niets met zijn telefoon, zijn geld is onbruikbaar en niemand heeft ooit van het koninkrijk der Nederlanden gehoord. 

Onderweg was hij gestopt en had toen gedroomd van een verre, wonderlijke stad, die als een luchtspiegeling aan de horizon was verschenen. Is hij daar uiteindelijk terechtgekomen? In ieder geval is hij beland in Almannië, dat gelokaliseerd zou kunnen zijn waar Duitsland ooit was, maar het is allemaal met onduidelijkheden omgeven. In welke tijdlaag beweegt Robert zich?

In de stad waar hij terechtkomt is zijn verhaal volstrekt ongeloofwaardig en hij blijkt gevaar te lopen omdat hij er illegaal verblijft. Uiteindelijk krijgt hij woonruimte aangeboden door iemand die hij niet vertrouwt en later komt er een jonge vrouw bij hem wonen, Aliese, die ook illegaal is. Ze is moeilijk te benaderen, maar Robert gaat zich aan haar hechten. Dan wordt ze opgepakt door de Zekerheid, zoals de politie (of de geheime dienst) heet. 

In het leger

In een poging zijn aanwezigheid te legaliseren, meldt Robert zich aan bij het leger. Daarbij neemt hij een andere naam aan: Reyer Elders. Hij komt in een oorlog terecht. Uiteindelijk wil hij Aliese gaan zoeken. 

Als lezer leef je met Robert/Reyer mee. Zijn leven is totaal veranderd: van een leven in de voorstad en de universiteitsstad naar een leven als illegaal en als soldaat (velder) in Almannië. Het moeizame van een illegaal heb ik in de literatuur maar weinig zo goed beschreven gezien. Het eerste boek waaraan ik moest denken was De weg naar het noorden (1995), bij de beschrijving van het soldatenleven had ik vooral associaties met Montyn (1982). 

Het is een onwerkelijk leven en dat roept bij Robert de vraag op hoe werkelijk zijn leven daarvoor was. In welk leven bestaat hij echt?

Slecht op zijn gemak keek Elders om zich heen. In een vlaag van verwarring vroeg hij zich af wie het eigenlijk was die er in zijn gedaante door dit woud liep, was het Robert Selder of Reyer Elders of opnieuw iemand anders die zich tot dan in hem had schuilgehouden?

Nog weer later neemt hij de naam Redsel aan. Hij gaat dan met medevelder Alberecht naar diens oom Winewin. 

Als dat achter de rug is:

De momenten dat hij wakker was en min of meer helder in zijn hoofd, vroeg hij zich af wie het eigenlijk was die daar in bed lag. Was dat Reyer Elders de velder, Redsel de door Alberecht verzonnen welgestelde zoon van Armen of Robert Selder, kind van de voorstad? Of lag er een nieuwe gestalte van hem in dat bed, die nog geen naam had?

En in een andere passage:

Zijn aardse leven was steeds dat van een simpele rationele materialist geweest, zoals dat van zoveel anderen, maar er was ook dat andere, onaardse leven, het leven van alles wat hij dacht en droomde, waarin hij net zo goed bestond. Misschien waren er nog meer onstoffelijke gestalten van hem, waarvan hij totaal geen weet had. Misschien was hij veel meer dan hij besefte. 

Maar hij twijfelt ook aan zijn leven in de voorstad, dat ooit aards, concreet was:

Moest hij geloven dat hij altijd in een verzonnen wereld had geleefd en dat de voorstad altijd een luchtspiegeling was geweest, waarin je alleen kon wonen als je zelf ook een luchtspiegeling was? 

Oom Winewin

Als ze in de buurt van oom Winewin komen, steekt er een centaur met zijn kroost over. Alberecht weet dat er onder invloed van zijn oom vreemde dingen kunnen gebeuren. Oom Winewin wordt in verband gebracht met de Dionysus. Op de stofomslag van de roman staat een masker van Dionysus afgebeeld. 

Roberts oud-docent Sleen heeft ooit de link tussen Denis en Dionysus gelegd:

Je bent hier in de tuin van Dionysus, m'n beste jongen. We zijn hier ter ere van hem. We vieren hier de wijn en de dood, de geilheid en duizend gezichten van de god. 

Denis, die een oud-leerling van oom Winewin zou zijn, duikt in allerlei gestalten op in het leven van Robert. Als hij onder de struik ligt, tijdens het feest, droomt hij over hem. Of hoort hij de stem van Denis in zijn hoofd?

Misschien had zijn dromende hoofd, zoals een radio een zender ontvangt, signalen van Denis ontvangen. Als de god die hij volgens Sleen moest zijn, die zich hier onder de mensen had begeven, kon hij die zenden. 

Dat Denis invloed op hem heeft, is wel duidelijk. 

Het was waar, zonder dat hij zich kon verzetten had Selder zich altijd aangetrokken gevoeld door Denis Lenaeus' rattenvangerige aanwezigheid - je had steeds het verlangen in zijn buurt te zijn, hij zoog je naar zich toe, alsof je nog een zweterige tiener was en hij je idool. 

Duizend gestalten

Oom Winewin zegt dat Denis duizend gestalten tot zijn beschikking heeft en kan zijn wie hij wil. Ook vertelt hij dat de nacht, de roes en de dood van Denis zijn, omdat ze eigenlijk hetzelfde zijn. 

Pas op, jongen, hij is een verleider. Hij laat de mensen uit zichzelf treden, vooral als ze dronken zijn of in welke roes ook verkeren, maar altijd wanneer ze sterven. De extase van het stervensuur is zijn werk, hij laat de stervenden, teder als hij dan is, uit zichzelf treden en zorgt dat hun zielen weer oplossen in het ene geheel waar ze ooit vandaan zijn gekomen. 

Opmerkelijk is dat Denis vroeger in de klas ook een uitspraak over het sterven gedaan heeft die op eenzelfde manier begint als wat oom Winewin zegt. 

'Pas op, jongens, als jullie doodgaan,' had hij gapend gezegd, 'dan vliegt de ziel niet een tijdloze bovenzinnelijke wereldruimte in, of hoe het daar ook heet. Het tegendeel gebeurt, de eeuwigheid verschijnt aan jou en ontvouwt zich in jou - wees maar niet bang, dat neemt maar een ondeelbaar kort moment in beslag, al kan het voor mensen een eeuwigheid duren - het ogenblik van de dood is voor hen nu eenmaal eindeloos kort en eeuwig lang tegelijk.'

Een ondeelbaar moment dat een eeuwigheid kan duren: is dat wat Robert overkomt nadat hij door een auto is aangereden? Voor zijn gevoel is hij enkele jaren in Almannië geweest, maar is dat ook zo? Dat doet weer sterk denken aan De trein der traagheid (1950) waarin drie mensen na een treinongeluk dwalen door het niemandsland tussen leven en dood. 

Robert heeft de stem van Denis in zijn hoofd gehoord en die kondigt aan dat hij vanaf nu een balling zal zijn en dat hij zal moeten wachten tot hij geroepen wordt. Hij zal een zwervend bestaan leiden tot hij bij zinnen komt. Dat is ook wat er gebeurt. Waar Robert ook is, in welk van zijn levens dan ook, steeds duikt er een gestalte op waarvan Robert weet dat het Denis is. 

Maar wat moet hij ermee? In zijn hallucinaties ziet hij steeds mensen die wachten. 

Opnieuw vroeg hij zich af waarom hij in zijn hallucinaties zo vaak mensen aantrof die ergens op wachtten. Ze kwamen allen uit zijn hoofd, het waren zijn scheppingen, maar waren al die mensen dan ook min of meer zoals hij?

Bestemming

Het laatste hoofdstuk heet 'Bestemming'. Het lijkt erop dat het leven van Robert Selder een tijd zonder richting is geweest en dat hij uiteindelijk een bestemming moet kiezen, moet bepalen wat hij echt wil met zijn leven. Speelt Katja daarbij een rol?

De verhouding met Katja wordt gespiegeld in die met Aliese, die van hem weggevoerd wordt, maar voor wie hij duidelijk wel zijn best wil doen, wat hij tot nu toe voor Katja niet gedaan heeft. 

Ook al was hij bij haar weggelopen, nooit was hij haar kwijtgeraakt, altijd was bij hem achtergebleven als deel van hem, soms fel en levend, soms een beetje zeurend als een oude wond, die nooit werkelijk ernstig was geweest, maar hem wel vaak had lastiggevallen. 

Dit soort lijnen vind je door de hele roman: Denis die steeds opduikt (of op lijkt te duiden), de relaties met Katja en Aliese, de vioolmuziek (in de villa speelde een vrouw viool), het wisselen van identiteiten, je ergens thuis voelen of je ontheemd voelen, de onduidelijke grens tussen waan en werkelijkheid. Dat maakt Dood en leven van de jonge Selder tot een hecht gecomponeerd boek, waarbij de compositie niet zo nadrukkelijk wordt dat die je in de weg zit. Het is ook gewoon een spannend boek, waarin je maar blijft lezen, omdat je wilt weten hoe het afloopt met Robert. 

Wat waan is en wat werkelijkheid en wat er nu echt gebeurd is (zo dat al uit te maken zou zijn), laat ik hier in het midden. De verwarring waarin je als lezer verkeert, maakt deel uit van de charme van het boek en die wil ik niet van je wegnemen. 

Het zal duidelijk zijn: in het kamertje met boeken die ik nu toch onderhand eens zou moeten lezen, moet ik op zoek gaan naar De hydrograaf. En daarna naar het andere werk van Allard Schröder. Dood en leven van de jonge Selder is een intrigerend en verbluffend boek dat me doet verlangen naar meer. 

Allard Schröder, Dood en leven van de jonge Selder. Uitg. De Arbeiderspers, 2026; 448 blz. € 29,99 (hardcover, stofomslag)

dinsdag 28 juli 2026

Een moeder van niks (Annemarie Oster)

Geregeld lees ik wat oudere boeken om de gaten in mijn kennis iets kleiner te maken. Daarbij heb ik vooral aandacht voor vrouwelijke auteurs, omdat ik vermoed dat ik die nogal eens veronachtzaamd heb. Daarom heb ik bijvoorbeeld ook geschreven over bijvoorbeeld Aleida LeeuwenbergIna Boudier-BakkerHermine Heijermans en Anja Meulenbelt.

Deze keer schrijf ik over Annemarie Oster. Ik had nooit wat van haar gelezen, wel eens iets over haar. In 2025 verscheen er een boek van haar: Mannen. Over charmeurs, egotrippers, kroegtijgers, hoogvliegers en gewoon leuke jongens. Leek me een leuk boek. Ga ik misschien ook nog lezen. 

Wat wist ik verder van haar? Wie haar ouders zijn (want dat wordt er altijd bij vermeld als het over haar gaat) en wat titels: Een moeder van niks (1980) en Mooi geweest (2022). Die laatste titel staat me erg aan, vanwege de ironie erin. Ik dacht dat ze ook Dame in broekpak had geschreven, maar dat is van Annie van den Oever. Van haar heb ik ook nooit wat gelezen en dat moet ik wel gaan doen. 

En ik wist dat Oster Bomans goed gekend heeft. Ik heb de biografie in huis en heb gekeken wat daar over haar gezegd wordt. Niet dat Bomans haar 'Dijmans' noemde. Blijkbaar vond hij haar benen bijzonder. Ik zal Oster dat wel eens hebben horen zeggen in een documentaire over Bomans, vermoed ik. 

NRC Handelsblad, 28 november 1980

Verhalen, columns

Een moeder van niks was haar debuut. Volgens de ondertitel zijn het verhalen, zeventien stuks, maar ze lezen als columns. Misschien omdat de auteur er zelf prominent in voorkomt en dat er van fictie weinig sprake lijkt te zijn. De verhalen gaan over het moederschap. 

Indertijd moet het een succesvol boekje zijn geweest. De eerste druk verscheen in september 1980 en een maand later moest het al herdrukt worden. Ik las de vierde druk, uit april 1981. 

Carmiggelt prijst op de flaptekst Een moeder van niks aan. Die tekst leest wel erg als een reclametekst en tijdens het lezen van de verhalen vroeg ik me af of ik ook nog verwantschap met het werk van Carmiggelt kon ontdekken.

Ook hij kwam vaak in zijn eigen stukjes voor en hij observeerde de wereld en vooral de mensen om zich heen scherp. Die scherpe observaties heeft Annemarie Oster zeker. 

Het dichtst bij Carmiggelt komt ze in het verhaal 'Zielig vriendje' over een jongetje van wie de moeder het gezin heeft verlaten. Ze praat met de vader. Die ogenschijnlijk liefdevol over zijn ex-partner praat, maar daar ook iets vileins doorheen laat glippen. Hij wordt getypeerd door hoe hij vertelt, zoals Carmiggelt dat ook deed. Oster maakt van de vader prachtig een personage. Dan komt wat Oster schrijft nog het dichtst bij een verhaal. 

Voor de rest lees ik ze als columns en misschien zijn ze dat voor een deel ook wel geweest. Het zou zomaar kunnen zijn dat een verhaal opgebouwd is uit verschillende columnachtige teksten. 

Troostend

Oster schrijft dus over de opvoeding. Die komt voornamelijk op de moeder neer in haar boek en dat valt nog niet mee. Je kunt van alles verkeerd doen en dat doe je dan dus ook. 

Ik kan me voorstellen dat het voor de opvoeders van toen heel troostend was om deze verhalen te lezen. Lastige situaties komen in alle gezinnen voor en blijkbaar mag je daar openlijk over praten. Het moederschap hoeft blijkbaar niet alleen een zegen te zijn, het heeft ook moeilijke of ronduit vervelende kanten. 

Neem nu een situatie als deze:

Het is lekker weer en ze vervelen jou en zichzelf tot gekwordens toe. 'Waarom gaan jullie niet buiten spelen?' Een opdracht in vragende vorm, bovendien nog verpakt als negatief zwakte-bod, 'waarom nou niet', is tot mislukken gedoemd. Je had het kunnen weten, druiloor. En zeker met iets te veel volume, na opgekropte irritatie onvermijdelijk. Dan wil het zelfs wel eens een averechts effekt sorteren, zoals verlammingsverschijnselen, op de grond liggen, ergens aan hangen of over elkaar heen dweilen. 'Nee, we willen binnen.'

Of dat je een situatie daadkrachtig ter hand neemt, maar dat je, terwijl je dat doet al begint te twijfelen aan je beslissing.

Was jij een meisje van Jan de Wit! Vooruit, jij moest het heft maar weer in handen nemen: 'jongens we gaan op onderzoek uit.'
Nauwelijks had je die veelbelovende woorden uitgesproken, of het werd je bang te moede want kon je dit vooruitzicht wel invullen, liep de voorgenomen tocht met jou als zonnig akela aan de kop, niet op stront uit?

Het moederschap slurpt veel energie op. Dat heeft de vertelster er ook echt wel voor over, maar ze vraagt zich ook af of ze daarbij niet over haar eigen grenzen gaat. 

Ja jongetjes, vriendjes, jullie hebben het leuk gehad en mamma dus ook want die houdt van jullie. Maar misschien iets te veel en misschien iets te weinig van zich zelf...

Dame, werkster, hoer, moeder

En het is niet alleen het moederschap. De vrouw heeft veel rollen. En in al die rollen moet ze excelleren. Vinden anderen. Maar vindt ze vooral ook zelf. De opvattingen van de maatschappij zijn geïnternaliseerd en het is heel moeilijk om je daaraan te onttekken. 

Hoe was het ook weer? Dame op straat, werkster in de keuken. Hoer in bed. En moeder, waar zat die?

Deze drie rollen komen in twee verschillende verhalen expliciet terug. 

Door het moederschap is de vertelster in een andere fase terechtgekomen. Er is ineens een verantwoordelijkheid die er daarvoor niet was en je bent ook ineens geen meisje meer, maar een vrouw. En niemand heeft het erover dat het moeilijk is. Voor de lezers is het natuurlijk fijn dat dat eens opgeschreven wordt en voor de vertelster is het fijn als ze hetzelfde geworstel in iemand anders herkent.

Hoe weinig geestverwante ook, opeens kun je zielsveel van zo'n vrouw houden al was het alleen maar doordat je weer eens bewezen ziet dat je niet de enige bent, niet de enige geteisterde moeder en dus nooit meer meisje, niet de enige met dat afgedwongen verantwoordelijkheidsgevoel waarvan je zo jong schijnt te blijven maar waardoor jij je juist vaak zo stokoud voelt.

Kwetsbaar

Je bent kwetsbaar in je kinderen en je maakt je zorgen over hen. Als ze naar een nieuwe school gaan, hou je ze extra in de gaten. 

Op de officiële kennismakingsavond een paar weken later als de school op volle toeren draait, zegt de juffrouw op voorzichtige toon dat je zoon wat 'aanpassingsmoeilijkheden' heeft. Ze had je net zo goed met de vlakke hand een klap in je gezicht kunnen geven. 

En je kinderen zelf wat laten doen (iets kopen, bijvoorbeeld) gaat gepaard met zorgen en met fantasieën over wat er allemaal kan gebeuren. 

Terwijl jij je nog paniekerig zorgen had staan maken dat ze uren moesten wachten, -al die grote klerelijers zouden natuurlijk voordringen, ze onder de voet lopen of hun geld zou vallen en als ze het op wilden rapen, zou een botte laars op hun handje trappen of ze zouden in de verdrukking komen tussen dat nietsontziend, gevoelloos volkje. Niets daarvan. Ze deden gewoon wat er gedaan moest worden en verder geen nieuws. 

En de vertelster wil het juist zo graag goed doen. Ze geeft een blik in haar verleden, toen ze als meisje last over de familie De Bloeme, in een christelijk jeugdboek, en zich identificeerde met het voorbeeldige meisje Meta. Zoals Meta zou ze ook willen zijn en daarin schoot ze steeds tekort. 

Het geploeter van een vrouw die alles maar op de rit moet houden, die voor de buitenwereld dat met een zekere opgewektheid doet, maar die ook haar twijfels heeft, die ook niet altijd het geduld heeft, die soms ook niet weet hoe het allemaal moet - dat zal indertijd zeer herkenbaar en, zoals gezegd, troostend geweest zijn. 

En de verhalen lezen ook wel lekker. Er zit een montere toon in, ook (of juist) als ze over de lastige dingen schrijft. Door de ironie zit er ook altijd wel wat afstand in, maar die ironie maakt het moeilijke ook verteerbaar. Het lezen roept een glimlach op en toch kun je niet heen om wat er staat: dat opvoeden geen kattenpis is. 

Schuldgevoelens

Natuurlijk is Annemarie Oster geen moeder van niks, maar het is de vrees om dat gevonden te worden, de gedachte aan het oordeel van anderen dat soms ook het oordeel van jezelf is. Zeker nu ze is gaan schrijven. Er komt een oppas voor de kinderen, maar intussen zit moeder in een ander vertrek te schrijven. Fijn dat het zo kan, maar ze is vervuld van schuldgevoelens. 

Moeder van het jaar nul die haar kinderen niet eens zelf verzorgt omdat ze zich zo nodig moet ontplooien, creatief wil zijn... creatief, dat kun je ook met de kinders samen: boetseren, knutselen... of je neemt een werkje ter hand, ben je tóch aanspreekbaar... Maar nee... luxepop moet zich zo nodig afzonderen, in het luchtledige oplossen: dag mamma... pfft, een stofwolk en mamma is vervluchtigd, bestaat alleen nog uit twee ijle handen boven de schrijfmachine en voor de rest... niet thuis!

 Schuldgevoelens, zelfverwijt - ze zijn nooit ver weg in Een moeder van niks. Vaak nog wel een beetje luchtig verwoord.

Als moeder faal je dat het een aard heeft, je schrijft uitsluitend kokette nonsens en mooi ben je ook al lang niet meer, zo je het ooit geweest bent. 

Maar onder de lichtheid zit wel degelijk zwaarte en die brengt Oster zeker over. 

Eigenlijk heb ik Een moeder van niks niet als literatuur gelezen. Ik was tijdens het lezen ook helemaal niet zo gericht op hoe het geschreven was, maar meer op wat Oster over wilde brengen, wat dat zei over de maatschappij van toen en mogelijk nog steeds over die van nu, waarin moeders door de sociale media nog meer normen opgelegd krijgen (of zichzelf normen opleggen) waaraan ze moeten voldoen. 

Opvallend is de eigenzinnige spelling, die toen ongetwijfeld als modern gold en waaraan ik me indertijd ook wel schuldig heb gemaakt. Blijkbaar was de 'c' een conservatieve letter en die moest dus zoveel mogelijk door de 'k' vervangen worden: kompetitie, kommentaar, kapitulerend, gekombineerd, dekorgeveltjes en nog veel meer 'k's'. Nu doet dat juist gedateerd aan. 

Misschien geldt dat ook wel voor nieuwvormingen als: af-laten-weterig, met een kluitje in het ried stuurderig gedrag, dit soort natte-hond-achtige medemannen. Maar, met mate gebruikt, hebben die ook wel iets grappigs. 

Ik denk dat de kracht van Een moeder van niks zit in de scherpe observatie, van de omgeving, van de kinderen, van de vertelster zelf. En die dan nauwkeurig verwoorden, zodat anderen herkennen waarover het gaat. 

Natuurlijk gaat het over een andere tijd en als er verteld wordt over De Man van Zes Miljoen is dat voor mij zelfs pure nostalgie. Maar de problematiek is actueel: de eisen die aan je gesteld worden en waaraan je wilt voldoen, ook als je inziet dat dat eigenlijk te veel gevraagd is. Hoe je op die manier klem komt te zitten, heeft Oster goed beschreven. 


Toen ik zocht op 'Annemarie Oster, Een moeder van niks', omdat ik een afbeelding wilde van het boek in de uitgave die ik gelezen had, stuitte ik op deze foto. In het boek dat ik hierboven bespreek, zijn de kinderen jonger: de jongste is nog een kleuter. De omslagtekening van Een moeder van niks is van Anjo Mutsaars, die verschillende omslagtekeningen zou maken voor de Salamanderreeks. 

woensdag 22 juli 2026

Fenrir (Hella S. Haasse)

Van Hella Haasse (1918 - 2011) heb ik best wat gelezen, maar ook heel veel niet. Vooral aan sommige van haar vroege romans ben ik nooit toe gekomen, zoals aan Het woud der verwachting (1949), De scharlaken stad (1952) en De ingewijden (1957). Sommige daarvan heb ik intussen in huis en ik hoop er de komende tijd te vinden om ze alsnog te lezen. 

Van haar latere werk besprak ik hier Sleuteloog (2002) en nu heb ik Fenrir (2000) gelezen. Het behoort niet tot haar beste boeken, maar een iets mindere Haasse is altijd nog te verkiezen boven een hoop andere boeken. 

De ondertitel is Een lang weekend in de Ardennen. Dat 'weekend' is wel heel ruim bemeten: de tijd die beschreven wordt loopt van 24 september tot en met 21 oktober en dan is er nog een epiloog die zich twee maanden later afspeelt, in september. Maar het duurt inderdaad tot in oktober voor alle personages in de Ardennen zijn. 

In de ban van wolven

In een soort proloog worden we voorgesteld aan de journalist Matthias Crone, die op 25 september naar een concert van de pianiste Edith Waldschade is geweest. Hij is al sinds zijn vroege jeugd in de ban van wolven en hij werkt zelfs aan een wolvenencyclopedie. Nu heeft hij vernomen dat Edith Waldschade wolven houdt in het bos bij haar landhuis in de Ardennen. 

Crone weet zo'n beetje alles van wolven. Zo kent hij ook de wolf Fenrir. Daarover schrijft Edith in een brief aan ene Jon:

Tot mijn vroegste herinneringen hoort het ogenblik waarop mijn vader mij vertelde van de Wolf Fenrir, die jaar na jaar probeert de zon te verslinden. De zon verliest aan stralenkracht, dooft tot een bloedrode bol, weerloze prooi van het ondier. Oorlog en rampen teisteren de wereld, kinderen vermoorden hun ouders, broers slaan elkaar dood, 'de mens de mens een wolf', een ijskorst bedekt de aarde, en dan wordt het voor lange, lange tijd nacht. 

Het huis in de Ardennen heet Breidablick, zoals in de Oudnoorse mythologie het huis van Balder, de god van licht en vreugde. 

In het huis woont ook nog Ediths zus Gerda met haar man Egon Blanck en dochter Siv. Hen zou Edith het liefst uitkopen, maar het is maar de vraag of ze dat willen. En dan duikt er nog een opmerkelijke man op, Erwin, die beweert een halfbroer van de zussen te zijn. Hij zou geboren zijn uit een eerder huwelijk van hun vader, Erik Waldschade. 

Nieuwe heidenen

Bovendien haalt een bijeenkomst van 'nieuwe heidenen' op het landgoed de krant. De bijeenkomst is georganiseerd door Grootmeesteres Gerda Blanck, 'die diverse spreuken en bezweringen zingzegde en op de harp een aantal mysterieuze composities ten gehore bracht.' De schrijver van het artikel vindt dat er een luchtje aan de bijeenkomst zit: 'Wordt hier een extreem rechtse vrijplaats gevormd? Waakzaamheid lijkt geboden.'

De verdachtmakingen komen niet uit de lucht vallen. De moeder van Edith komt uit een ultrarechtse flamingantenfamilie en er zijn vragen over de zuiverheid van vader, die germanist was. Deugden zijn opvattingen eigenlijk wel?

Edith had een goede verhouding met haar vader en ze heeft hem altijd verdedigd, maar ze heeft ook vragen:

Toch heb ik de indruk dat ik iets over het hoofd zie. Er blijft ergens een lacune, het gemis van een essentieel gegeven. Nooit eerder heb ik duidelijk beseft dat er op de achtergrond van mijn verhouding tot vader sprake is van een onbeantwoorde vraag. 

Intussen heeft Matthias een oud-klasgenoot ontmoet, Rollo Bley, die hij jaren niet meer gezien heeft. Rollo houdt zich bezig met zaken die het daglicht niet of nauwelijks kunnen verdragen. Hij blijkt toevallig Siv (de dochter van Gerda en Egon ontmoet te hebben). Matthias gaat met hem mee naar Breidablick. 

Toevallig

Het lijkt erop dat Haasse zich in allerlei bochten heeft moeten wringen om Matthias op Breidablick te krijgen. Te veel toeval, te gekunsteld. Er zijn meer van dat soort toevalligheden. In de epiloog wil de mogelijke halfbroer Erwin een asielzoekerscentrum openen in een dorp en dat is toevallig het dorp waar Matthias geboren is. 

En dan heb ik het nog niet gehad over de verhaallijn van Edith en Jon, de violist met wie ze jarenlang een duo heeft gevormd, maar met wie ze geen contact meer heeft. Daar bijkt Erwin ook iets meer over te weten. 

Matthias komt in ieder geval in contact met Edith en krijgt toestemming van haar om de bibliotheek te gebruiken, waarin het complete werk van haar vader te vinden is. Wat hij daar vindt, werpt mogelijk een ander licht op vader Waldschade. 

Spannend

Fenrir is wel een spannend boek. Je zit als lezer met heel veel vragen: Deugde de oude Waldschade? Is Erwin een halfbroer? Wat gebeurt er met die nieuwe heidenen? Hoe zat het tussen Edith en Jon? Hoe gaat het verder met de wolven? Het lijkt erop dat Haasse niet alle verhaallijntjes goed aan elkaar geknoopt krijgt en je vraag je af of al die lijnen wel van belang zijn. Maar het verhaal blijft wel vaart houden. 

Verder zijn er allerlei soorten teksten. Als er over Edith geschreven wordt, is dat in de vorm van een soort toneeltekst, er zijn brieven, een krantenbericht en 'gewoon' proza dat je in een roman verwacht. Waarom bijvoorbeeld de teksten over Edith op deze manier vorm hebben gekregen was me niet duidelijk. 

Hoe het afloopt, zal ik niet verklappen. Er zit best wat actie in het verhaal, zeker als blijkt dat de wolven ontsnapt zijn. Ik heb me tijdens het lezen niet verveeld. Fenrir is nog altijd een Haasse en schrijven kan ze wel. Maar het niveau van Sleuteloog, dat ze twee jaar later zou schrijven, heeft Fenrir niet. 

Wel zijn er elementen in die nog steeds actueel zijn en dat verraste me wel. Natuurlijk denk ik hierbij aan de hele wolvendiscussie, maar ook aan die over de opvang van asielzoekers en over mensen die teruggrijpen op oude natuurreligies. Fenrir is meer dan vijfentwintig jaar oud, maar het verhaal oogt nog redelijk fris. Ik kom het op boekenlijsten tegenwoordig niet meer tegen, maar het zou er nog best op kunnen. 

Eerder schreef ik over:

Boekenweek 1959 (Haasse schreef het Boekenweekgeschenk)

maandag 20 juli 2026

Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes (Hendrik Smeeks)

Hoe actueel de discussie is over het lezen van hertaalde werken, weet ik niet: ik heb het niet bijgehouden. Uit het verleden herinner ik me dat er voorstanders waren, die vonden dat het lezen van hertalingen een goed middel is om de oudere literatuur toegankelijk te maken en tegenstanders die vonden dat je daarmee de literaire werken verminkt. 

Intussen zijn er, zeker bij uitgeverij Kleine Uil heel wat hertalingen verschenen, die ik allemaal langs me heen heb laten gaan. Ik heb ze wel gezien, maar ik heb ze niet gelezen. Veel van die werken las ik in de oorspronkelijke uitgave en als ik een boek als De stille kracht van Couperus zou gaan herlezen, zou ik ook weer de oude uitgave kiezen. Maar ik heb makkelijk praten. Er zijn lezers voor wie de drempel naar de oudere literatuur hoger is. 

Ik heb geen bezwaar tegen hertalingen, ook niet als de hertaler fors ingrijpt in de oorspronkelijke tekst. Bij sommige romans uit bijvoorbeeld de negentiende eeuw, kunnen er bijvoorbeeld best wat natuurbeschrijvingen uit, zonder dat de werken worden aangetast. 

Bovendien hoor je de bezwaren die aangevoerd worden tegen hertalingen niet bij vertalingen. Als dat een Russische roman van een paar eeuwen geleden is, wordt die vertaald in hedendaags Nederlands en daar is blijkbaar geen bezwaar tegen. Misschien moeten we dan ook niet te moeilijk doen over hertaalde werken uit een wat ouder Nederlands. Mogelijk zijn ze een toegangspoortje tot literatuur die anders niet toegankelijk zou zijn. 

Misschien had ik ooit gehoord van de Beschyvinge van het magtig Koningryk Kinke Kesmes (1708), gelezen had ik het niet. Maar nu de hertaling verschenen is (Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes), werd ik nieuwsgierig. De hertaling is van Arjen van Meijgaard, die van de oude tekst helder en goed leesbaar Nederlands heeft gemaakt. 

Imaginair reisverhaal

Krinke Kesmes (ik kort het maar even af) is een imaginair reisverhaal, zoals we er meer kennen. Van Reize door het Aapenland tot Eene aanmerkelijke luchtreis. Bekend werd Robinson Crusoë (1719) van Daniel Defoe, dat in het Nederlands vele navolgers kreeg, zoals De Hollandsche Robinson (1743), De Walcherse Robinson (1752) en De Haagsche Robinson (1758). Maar binnen het verhaal over Krinke Kesmes zit al een robinsonade en dat is elf jaar voordat het boek van Defoe verscheen en dus ook al voordat het woord  'robinsonade' bestond. 

Tegenwoordig is zo'n beetje de hele wereld in kaart gebracht, maar er was een tijd dat dat nog niet zo was, waardoor je kon fantaseren over een mogelijk bestaand land. Zo'n land was het Zuidland, waarnaar de titel van het debuut van P.F. Thomése verwijst. 

Ook in Krinke Kesmes wordt er gezocht naar het Zuidland. De verteller is Juan de Posos. Hij heeft contact met een meester, die wel wat wegheeft van de auteur, Hendrik Smeeks, chirurgijn te Zwolle.  Deze meester heeft al over allerlei onderwerpen nagedacht, van organisatorische zaken bij het aandoen van het Zuidland tot de zeestroom bij Texel. De verteller vindt het allemaal even interessant en dat is het ook wel, maar de uitgebreide behandeling ervan gaat wel ten koste van de grote lijn in het verhaal. 

Uiteindelijk gaat de verteller op reis, vanuit Panama naar de Filipijnen en belandt hij in Krinke Kesmes. Hij wordt vriendelijk ontvangen en hij ontmoet iemand die als scheepsjongen bij de verkenning van het eiland zijn groep is kwijtgeraakt. De anderen hadden gelukkig spullen voor hem achtergelaten, zodat hij zich een beetje kon redden en er wordt uitgebreid verteld hoe hij aan eten komt, hutten bouwt en zich weet te verdedigen. 

Dat verslag is eigenlijk het leukste van het hele boek: er zit spanning in, het is vernuftig uitgedacht en het is echt een verhaal, zonder allerlei uiteenzettingen. Verder krijgt de verteller allerlei geschriften te lezen en is er een gids (de Garbon) die hem allerlei dingen laat zien. Zo krijgen we een beeld van het machtig koninkrijk. 

Godsdienst

Op Krinke Kesmes zijn er verschillende zaken die, zeker vanuit het oogpunt van nu, interessant zijn. Zo wordt er niet gekozen voor een al bestaande godsdienst, maar zijn er vijf geboden voor de daar geldende godsdienst, waarvan er eentje behelst dat je eerlijk en rechtschapen moet zijn en een ander dat je anderen moet behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Daarbij moet je wel gehoorzaam zijn aan de gezagsdragers en gewillig belasting betalen en je moet dagelijks de engel Baloka groeten. 

In dit boek wordt er duidelijk stelling genomen tegen godsdiensttwisten. Niet alleen tegen de twisten tussen de verschillende godsdiensten, maar ook die binnen een godsdienst, waar de ene denominatie de heilige tekst beter begrepen denkt de hebben dan de andere. 

Elke geloofsgemeenschap, hoe tegengesteld ze ook aan elkaar zijn, kan de heilige teksten zo uitleggen dat het in haar straatje past. Daarom bewijzen die heilige teksten niets met zekerheid aan mensen die onpartijdig zijn. 
Het geloof is in talloze groeperingen verdeeld die elk beweren dat zij de enige echte wetten van God volgen. Het tegendeel is het geval, er is weinig fatsoen, veel mensen doen elkaar kwaad en danken daarna God voor de slechte dingen die ze hebben gedaan. 

Dat hebben ze dus op Krinke Kesmes anders geregeld. En het advies dat in het boek gegeven wordt, kunnen mensen zich nu nog steeds aantrekken:

Geloof zonder net te doen alsof, maar wees niet al te godsdienstig of te ijverig met godsdienstige zaken. Pas op voor beloftes waar je zelf niets aan hebt en de ander uiteindelijk ook niet. 

Er zijn nog meer spreuken en adviezen die nog steeds fris klinken. Over de opvoeding:

Wie meer bezig zijn met rijk worden en niet met de opvoeding van hun kinderen, die uiteindelijk die rijkdom moeten erven, zijn gek. 

Of deze:

Voor de jongeren werkt het beter om het goede voorbeeld te geven met oefeningen, dan ze te onderwijzen. Want een voorbeeld geven gaat boven praten, preken en schrijven. Omgaan met goede mensen is de adem van de ziel. 

Nemman en Wonvure

Dan zijn er nog twee bijzondere eilanden: Nemman (anagram van 'mannen') en Wonvure (anagram van 'vrouwen'). Op het eerste leven en studeren ongetrouwde mannen. Je blijft er acht jaar en in die tijd kun je studeren of een ambacht leren. Het eiland is ook voor arme mannen beschikbaar. 

Wonvure is een soortgelijk eiland, maar dan voor vrouwen. Vrouwen hebben dus dezelfde rechten als mannen en daarmee is Krinke Kesmes de tijd ver vooruit. 

Hendrik Smeeks heeft met de Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes een bijzonder boek geschreven. Aan de ene kant wilde hij blijkbaar kwijt hoe een samenleving beter zou kunnen dan die waar hij zich in bevond. Dat wilde hij doen door een verhaal te vertellen. Het eerste is beter gelukt dan het laatste. 

Het verhaal komt vrij traag op gang en in het begin zit er nog niet zo heel veel richting in. Dat wordt beter als het gezelschap aankomt in Krinke Kesmes, al zijn er in dat verhaal ook nog allerlei uitweidingen over de gebruiken in Krinke Kesmes. Die heb je aan de ene kant nodig om een beter beeld van het koninkrijk en zijn gebruiken te krijgen, aan de andere kant stokt dan ook het verhaal. Het verhaal in het verhaal van de man die zich alleen moet zien te redden in het land waar hij gestrand is, is het spannendste gedeelte van het boek. 

Krinke Kesmes is een vrij omvangrijk boek en ondanks de heldere taal is het voor sommigen misschien toch een kluif. Dat ligt niet aan de hertaling, maar aan het oorspronkelijke boek. Maar wie een bijzonder verhaal wil lezen, mag ook best een beetje doorbijten. In ieder geval ben ik blij met deze Beschrijving van het machtig koninkrijk Krinke Kesmes, dat ik zonder de hertaling waarschijnlijk nooit gelezen zou hebben. 

Hendrik Smeeks, Beschrijving van het machtig koninkrijk Krinke Kesmes. Hertaling: Arjen van Meijgaard. Uitg. Kleine Uil, 256 blz. € 22,50

woensdag 15 juli 2026

Finale (Ina Boudier-Bakker)

Het werk van Ina Boudier-Bakker heb ik lange tijd nogal verwaarloosd. In een ver verleden las ik, min of meer bij toeval, Een dorre plant (1909), maar daar heb ik weinig herinneringen aan. Daarna liet ik haar werk een aantal jaren links liggen. 

De laatste tien jaar (zo ongeveer) lees ik elke paar jaar wat van haar en daar schrijf ik dan ook over. Links naar de besprekingen vind je onderaan. Aan De klop op de deur (1930) hebben veel mensen dierbare herinneringen en misschien verwachtte ik er daarom net te veel van. Maar De eeuwige andere (1959) vond ik goed.  Twee voeten (1928) weer wat minder, maar het was niet vervelend om het te lezen. 

Onlangs kocht ik De moderne vrouw en haar tekort (1920, tweede druk). Als mijn eigen tekort me niet te veel in de weg zit, zal ik dat nog lezen. 

Lof voor Finale

Maar nu heb ik Finale (1957) gelezen. Boudier-Bakker (1875 - 1966) was de tachtig al gepasseerd en mogelijk was ze in deze periode op haar best. Ik zou meer van haar gelezen moeten hebben om dat te kunnen beoordelen, maar De eeuwige andere verscheen twee jaar daarna. Op dit moment ontbreekt me de tijd om uitgebreider te zoeken, maar wat ik aan recensies op Delpher heb gezien, was positief. Het Rotterdamsch Parool kopte op 6 juli 1957: '82-jarige verbaast schrijvend en lezen Nederland.' 

Algemeen Dagblad 7 juni 1957

Jan Greshoff begon zijn bespreking op 10 augustus in Het Vaderland als volgt:


En hij eindigde net zo lovend:

Het is mij niet mogelijk de juiste worden te vinden dit boek te prijzen, omdat het boven log verheven is. Het is er. En op een zo volledige en onafwijsbare wijze dat het bijna onbetamelijk wordt er over te oordelen. Als iemand in een jaar niet meer dan twee romans kan kopen, dan behoort, voor 1957, Finale door Ina Boudier-Bakker daar nummer één van te zijn. 

Het boek verkocht blijkbaar goed. Drie jaar later, in 1960 dus, verscheen de vierde druk als Salamander. 

Haar oude zelf

Een oude vrouw verlaat haar huis en gaat in een villa, een pension, aan zee wonen. Ze wil alleen zijn om haar 'oude zelf' terug te vinden. 

Ze groeide op met haar moeder en haar jongere zus Fie, ging in zee met de kunstenaar Nico, met wie ze uiteindelijk trouwde. Ze gingen wonen in het huis van neef Victor. Nico is van gegoede stand en de vrouw heeft zich nooit thuis gevoeld in de familie waarin ze terechtkwam. Samen kregen ze zes kinderen. Die zijn intussen het huis uit en Nico en Victor zijn overleden. 

Toen Finale  verscheen, was de oorlog nog maar goed tien jaar voorbij en die wordt soms zijdelings genoemd, bijvoorbeeld als het gaat over haar jongste zoon Job, die in de oorlog te werk werd gesteld in Berlijn. Toen hij bij het sterfbed van Nico zat, moest hij daaraan terugdenken. 

Hij kon dezen zieke, zijn vader, teder behoed, verzorgd en veilig geborgen in eigen huis, nooit anders meer zien dan tegen dat andere. Dit sterven, benijdenswaardig immers. 

De oude vrouw is in de finale van haar leven. Ze trekt zich terug en wil alleen zijn. Kinderen en kleinkinderen komen wel langs, voor een deel wellicht omdat ze zich daartoe verplicht voelen. 

Een wijde boog gesloten

Vroeger was de oude vrouw gehecht aan haar vrijheid, maar ze is terechtgekomen in een leven waarin ze zich moest gedragen en waarin ze plichten had. 

Een wijde boog had zich gesloten. Een wilde jonge meid op een schildersatelier - een oude deftige dame. En daartussen de lange jaren, dat ze zorgvuldig haar woorden bewakend, had gelogen, verzonnen, gebukt...

Ze wil niet meer de dingen doen die van haar verwacht worden, maar de dingen die ze zelf wil. Aan de ene kant trekt ze zich terug, maar het is ook een vreemde gedachte dat ze nu nergens meer bij hoort. Ze heeft zich proberen te verzoenen met haar zus Fie, maar die stond daar niet voor open. Ook bij haar hoort ze niet meer. 

De vrouw maakt zich klaar voor de finale, waarin ze niet van alles meer hoeft, maar dan blijkt dat mensen haar nodig hebben. Een stiefkleinkind waar niemand raad mee weet, komt bij haar tot rust en als een kleindochter ongehuwd moeder wordt is zij de eerste om haar in het ziekenhuis te bezoeken. En ook de mevrouw die haar verzorgt in het pension blijkt haar nodig te hebben. 

Ze heeft gedacht, dat voor haar alles voorbij was - dat er voor haar niets meer op aankwam. Jawèl! Wis en waarachtig! Ze heeft het alleen maar alles scheef gezien. Ze heeft zich te weer gesteld tegen den Dood, toen die de sterkere scheen. Maar het Leven is de sterkste, die dit late geschenk in petto hield. Ze weet niet, nu ze triomfantelijk opkijkt in den gloed van den avondhemel, hoe in dat ogenblik een gezicht opbloeit, dat twee mannen hebben liefgehad. 

Hoe dat zit met die twee mannen, laat maar even in het midden. Daar kom je wel achter als je Finale leest. Het boek eindigt met een verwijzing naar een gedicht van P.C. Boutens:

Laat het duister zijn,
Als maar onderhand de dagen lengen.
Finale is een goed boek, een indringend portret van een oude dame. In hoeverre zou Boudier-Bakker zichzelf voor ogen hebben gehad? Zou zij ook het idee hebben dat ze zich in het leven te veel had aangepast? In ieder geval ging ze in haar schrijven haar eigen gang en bleef ze doorschrijven, zo lang ze kon. 

In 2001 verscheen nog een herdruk van Finale bij uitgeverij Aspekt. 

Twentsch Dagblad Tubantia 9 april 1959

Eerder schreef ik over ander werk van Ina Boudier-Bakker:

vrijdag 3 juli 2026

Afgestoft: Signaleringen (2)

Nu ik wat aan het grasduinen ben in de korte besprekingen die ik schreef voor de rubriek 'Signaleringen' van het tijdschrift Liter valt me op dat die voornamelijk (of misschien wel alleen maar) gaan over gedichtenbundels. In een eerdere bijdrage veegde ik al vijf van deze korte besprekingen bij elkaar en nu heb ik er nog twee. Ze komen uit de derde jaargang Liter (2000), uit nummer 11 en 12. 

Religieuze Gezelle

Als de ziele luistert is een bloemlezing uit de religieuze gedichten van Guido Gezelle. Wie iets van Gezelle weet, zal veel bekends tegenkomen. Van ‘Gij badt op eenen berg alleen’ tot ‘Het schrijverke’ en ‘O! 't ruischen van het ranke riet.’ Dat geeft de poëzie in deze bundel meteen iets vertrouwds en dat is prettig.

Maar in een bundel van meer dan tweehonderd bladzijden staan natuurlijk ook veel gedichten die onbekender zijn, waarmee het aangenaam kennismaken is. Die mix van bekend en volstrekt onbekend maakt deze bloemlezing tot een boek waarin je blijft bladeren en lezen.

De bloemlezing voldoet aan de hoogste eisen die je aan een bloemlezing kunt stellen: een degelijke inleiding met daarin een goede verantwoording van de keuze, een heldere en doordachte opbouw, een goede keuze uit de gedichten en uitgebreide annotaties, die het lezen niet in de weg staan.

Piet Thomas verdeelde de bundel in tweeën: deel 1 (‘Biddenderwijs’) is gebedslyriek, deel 2 (‘Overwegen, mijmeren en belijden’) behelst wat de titel al aangeeft. De delen zijn weer verdeeld in rubrieken als: danken, smeken (deel 1) of De natuur en God en tijd, dood en eeuwigheid (deel 2). Het is maar een greep uit een groot aantal afdelingen.

Bij de keuze van de gedichten heeft Thomas in de eerste plaats naar kwaliteit gekeken. Verder overwoog hij in hoeverre een gedicht thans nog inlevingsmogelijkheden bood. Dat hij op die manier tot een goede keuze kwam, blijkt als je de bundel leest.

In de annotaties toont Thomas zich zeer deskundig. Hij schetst soms de aanleiding tot het gedicht, laat zien in welke context het gefunctioneerd heeft en is goed op de hoogte van de literatuur die erover verschenen is. In noten onder aan de bladzijden zijn woorden verklaard die voor de hedendaagse lezer problemen zouden kunnen opleveren.

Aan de bloemlezing is een cd toegevoegd, waarop Tine Ruysschaert een aantal gedichten leest, afgewisseld met harpmuziek. Dat maakt het helemaal compleet.

Als de ziele luistert is een kwalitatief bijzonder goede bloemlezing. Zo een als Gezelle verdient. 




Maria de Groot

In Brieven uit een hermitage nam Maria de Groot veel gedichten op die geïnspireerd zijn door een reis naar Noorwegen. Dat wordt al duidelijk uit titels als ‘Vikafjell’, ‘Utne’, ‘Het hert van Skjolden’ en ‘Hardangervidda’.

De gedichten geven niet alleen een beschrijving van de bezochte plaatsen, maar ook het verleden klinkt er duidelijk in door. Omdat ook oude Noorse goden als bijvoorbeeld Odin af en toe opduiken en er gerept wordt van onder andere offers en altaren, hebben de gedichten al gauw een mythologische sfeer. Ter illustratie het begin van ‘Rouwsteen’:

Ik gedenk je op de rotsenvidde,
voeg een rouwsteen toe aan de gelaagde
piramide die hier is gestapeld.

Neem mijn offer, schuif het niet terzijde,

[...].


Uit de gedichten spreekt de grote verlatenheid die aan het landschap eigen is. Grond met een geschiedenis, maar zonder de mensen nu. Tegelijkertijd is er een verbondenheid met die grond en is de verlatenheid eerder prettig dan beangstigend.

In de laatste (derde) afdeling is er sprake van een thuiskomst, waarbij het Nederlandse landschap mooi contrasteert met het Noorse:

De geur van nat gras,
de mais zet volle kolven,
nu vlucht de schaduw.


Bij de thuiskomst hoort blijkbaar ook het thuiskomen in het dichterschap, in de taal. De taal neemt zelfs de plaats in van de moeder.

In het slotgedicht vraagt de ‘ik’ zich af of ze in het gedicht zelfs de zoete geuren kan ruiken van ‘eyn sof’, een begrip uit de joodse Kabbala waarmee het Oneindige aangeduid wordt waaruit het geschapene ontvlamt.

Wat vorm betreft, is de bundel nogal divers. Naast vormvaste, bijna klassieke gedichten (sonnetten, een rondeel) staan vrijere verzen en haiku. De eerste soort bevalt mij wat beter dan de tweede, maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Ondanks de diversiteit is het De Groot toch gelukt om van de bundel een eenheid te maken. Ik denk dat dat te maken heeft met de toon die uit de hele bundel spreekt. De stem van de dichteres is in elk gedicht herkenbaar en dat is een verdienste.