Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

woensdag 28 oktober 2026

Vroeger was de aarde plat (Marten Toonder)

Over biografieën heb ik al verschillende keren geschreven. Wie wat door mijn weblog scrolt, komt ze tegen: van Karel van het Reve tot Geertruida Muysken-Kaptein, van Arthur van Schendel tot Heere Heeresma en van Ageeth Scherphuis tot Jan Blokker, Cissy van Marxveldt, Betje Wolff en Jacob van Lennep. Ik lees dit soort boeken graag. Ze geven niet alleen een beeld van de gebiografeerde, maar ook van een tijd en soms heb ik die tijd zelf meegemaakt. 

Autobiografieën kwamen er minder op mijn pad. Meestal noemden de schrijvers van boeken over hun eigen leven het ook geen autobiografie, maar noemden ze het jeugdherinneringen of memoires. Tegenwoordig heet  iets al gauw 'een memoir', als het iets beschrijft dat de auteur zelf heeft meegemaakt. In ieder geval heb ik geschreven over de jeugdherinneringen van Annie M.G. Schmidt (Wat ik nog weet, 1992) en verder las ik autobiografische boeken van bijvoorbeeld Justus van Maurik (Toen ik nog jong was, 1901), Maurits Dekker (Amsterdam bij gaslicht, 1949), Theo Thijssen (In de ochtend van het leven, 1941) en de vrouwenarts L.M. Muller (Aan de poort van het leven, 1948).

Drie delen en een epiloog

Maar deze keer gaat het over een heuse biografie, met een flinke omvang: de autobiografie van Marten Toonder (1912 - 2005), die later als een enkel boek verschenen is, maar die aanvankelijk uit drie delen (en een dunnere epiloog) bestond. Die delen zijn: Vroeger was de aarde plat (1912 - 1939), Het geluid van bloemen (1939 - 1945), Onder het kollende meer Doo (1945 - 1965) en ten slotte het deeltje Tera (epiloog 1998). De laatste drie delen had ik in de loop der jaren in kringlopen bij elkaar gescharreld, maar het eerste deel ontbrak. Ongeveer tegelijkertijd had ik er ineens twee exemplaren van: ik vond er een in een kringloop en mijn zoon had er eentje voor me gekocht, voor mijn verjaardag. Daarna kon ik eindelijk beginnen met lezen. 

Bij zo'n autobiografie moet je altijd een beetje wantrouwig zijn. Grote kans dat de auteur zijn leven een beetje bijkleurt, minder gunstige gebeurtenissen weglaat. In hoeverre dat gebeurd is bij Vroeger was de aarde plat (1992) kan ik niet goed beoordelen, maar ik maak daar verder ook geen punt van. Ik lees gewoon wat er staat en zie wel. 

Verteller

Toonder is een verteller en dat merk je ook in deze autobiografie, die een verhalende toon heeft. Dat leest erg lekker. Het korte openingshoofdstuk, dat je misschien als een soort proloog kunt lezen, begint als volgt:

Toen ik een walvis op het strand vond, was het erg mistig. Daardoor zag ik hem niet direct, maar de nevels die om me heen wolkten hadden een vreemde geur. Het was de geur van de dood: en toen dat tot me doordrong bleef ik staan en keek beklemd om me heen. 

Dat zou het begin van een roman kunnen zijn, maar het is een herinnering van Toonder die een dode walvis ziet. Een man zegt tegen hem: 'Death is full of uncanny life'. In een latere periode van zijn leven moet Toonder daaraan terugdenken. Zijn echtgenote Phiny Dick (1912 - 1990) was intussen overleden en Toonder zocht de memoires op waar hij ooit aan bezig was geweest.

Ik besloot ermee verder te gaan. Het was een eenzaam werk, maar het hielp om oude herinneringen op te schrijven. Gouden kralen waren het niet; ze bestonden uit 'uncanny life', en dat is een soort 'vervreemd leven', waar de dood inderdaad vol van is. 

Kapitein

In zijn jeugd was Toonders vader veel afwezig; hij was kapitein. Het gezin bestond in de praktijk dus vaak uit moeder, Marten en zijn twee jaar jongere broer Jan Gerhard, die ook schrijver zou worden. Moeder verhuisde vaak. 

Iets wat ik een ouderlijk huis kan noemen heb ik niet gehad; mijn moeder kende geen rust, en wanneer het ene huis was ingericht, zocht ze al weer naar een ander.

Als vader weer eens thuis is, brengt hij op een keer Weekly Comics mee, stripbijvoegsels van Amerikaanse zondagsbladen. Er stonden verschillende strips in, waarvan Felix the Cat Toonders favoriet werd. 

Toonder beschrijft zijn vroege jeugd onderhoudend, met leuke details, zoals deze:

Maat was een dienstmeisje dat ik me goed herinner, omdat ze altijd een hoed droeg tegen haar kiespijn; een geneeswijze die sindsdien in onbruik is geraakt. 

Zo is er ook nog een buurvrouw die 'tweehonderd pond' weegt en die dagelijks urenlang piano speelt om te vermageren. 

Ipsen

Verschillende dingen uit het leven van Marten zullen later in zijn werk opduiken. Met een vader als zeeman, ligt kapitein Walrus misschien wel voor de hand. En dan deze passage:

Het was toen, dat ik een boomgroepje ontdekte waar een oud vloerkleed over de onderste takken hing. Daarvoor brandde een vuurtje, en een gebogen figuur zat in het blikje te roeren dat erboven hing. 
Dit was niet zo geheimzinnig als ik verwacht had, maar ik liep er toch nieuwsgierig naar toe. De roerende figuur bleek een verschrompelde grijsaard te zijn die een afgedragen hoed droeg, waaronder vervilte haarpieken staken. Toen hij me hoorde, keerde hij zijn hoofd met een ruk naar me toe en keek me aan met felle ogen. 

De figuur noemt zich Peregrinus en hij heeft een opmerkelijk taalgebruik. Hij begroet Marten met: 'Goed dag, jong man,' en later zegt hij:

'Ipse,' zei hij met plotselinge verheffing van stem. 'Ipse, ipsum, ipsimus! dat zal help geven.'

Het kleine volkje (Pee Pastinakel, Kwetal/Kweetal) zal het werkwoord 'ipsen' later nog veel gebruiken. Hier is dus de bron. 

De titel van dit eerste deel is ook aan Peregrinus ontleend:

'Aarde is plat,' verklaarde hjij plechtig. 'De zon wielt onderdoor en bovenheen: niet recht, maar kwart.'

Verderop komt Toonder nog eens terug op die platte aarde, maar dat laat ik even voor wat het is. 

De formuleringen die Toonder gebruikt, na decennia lang schrijven over Tom Poes en Olivier B. Bommel, zouden soms zomaar uit een Bommelverhaal kunnen komen. 

Alles wat met magie te maken heeft moet geheim blijven, anders gebeurt er iets vervelends. Dat voelde ik toen al heen fijn aan, hoewel ik nog nooit met zoiets van doen had gehad. 

Ik voel dat heel fijn aan is ook de titel van een bundel waarin twee verhalen van Toonder ('De opvoedering' en 'De aamnaak') gebundeld zijn. 

De vader van Toonder tekent trouwens. Hij vertelt over de lotgevallen van Abraham en tekent die dan ook. Wat dat betreft valt de appel niet ver van de boom. 

Gewonere vader

In de loop der jaren is Toonders beeld van zijn vader veranderd. Vader is daarin gewoner geworden.

Hij begon als de hoofdfiguur van een mythe; een soort Vliegende Hollander, die in eerbied gememoreerd moest worden wanneer de storm om het huis huilde. Langzaamaan veranderde hij in een God der Wrake, die in regen en wind ons welzijn op het oog had, maar die bij misstanden deerlijk zou toornen. En omstreeks de Abraham-tijd leek hij een gemoedelijke man te zijn, wel veel van huis, maar verder niets bijzonders. Zelfs was het zo dat men zich soms af kon vragen, wie nu eigenlijk de baas in dat huis was, en dan is het natuurlijk ver gekomen. 

Maar als vader thuis is, hangt er toch een soort spanning, die weer opgetrokken is als hij naar zee is. Als Marten acht jaar oud is, maakt het gezin een reisje mee met vader, naar Hamburg. Dan pas beseft hij hoezeer de wereld van vader anders dan die van de rest van het gezin. 

Phiny Dick

Op dansles leert Marten de dochter van een andere zeeman kennen: Afine Kornélie Dick. De familie noemde haar Fientje, maar zij had een hekel aan die naam en noemde zichzelf Phiny. Ze zijn een tijdje buurkinderen. Hij zou later met haar trouwen. 

De scholen gingen moeizaam bij de jonge Marten. Hij kreeg het advies om naar de ambachtsschool te gaan, maar dat werd de mulo en later de hbs. In 1931 vaart hij naar Zuid-Amerika, waar hij kennis maakt met Jim Davis, die gewerkt heeft bij de schepper van Felix the Cat en met Dante Quinterno, die opgeleid is door Walt Disney. 

Marten moet zijn weg zoeken en hij wil graag tekenen. Zijn vader zegt dat hij een jaar lang mag proberen of hij er een broodwinning van kan maken. 

Thuisgevoel

Voortdurend staan er in het boek reflecties op het gezinsleven:

Ik realiseerde me toen ineens, dat ik eigenlijk geen ouders had gehad. Twee mensen die ieder in een eigen wereld leefden - en in die wereld speelden kinderen geen rol. Materieel hadden mijn broer en ik het goed: we waren zelfs nogal verwend. Maar een ouderlijk huis kenden we niet, en ook geen ouders om mee te praten of een opvoeding van te krijgen. 

Het thuisgevoel heeft hij meer in de verhalen die hij verzint:

Ik zag in, dat ik eigenlijk altijd in verhalen geleefd had: ook later toen ik met Phiny naar dansles ging en een club oprichtte. Met de werkelijkheid had dat allemaal niet veel te maken. Ik was me daar diep van bewust, wanneer ik aan het doel van mijn leven dacht. 

De vaders van Marten en Phiny zien niet veel in een verbintenis van hun kinderen en de kapiteins kunnen onderling ook niet goed overweg. De moeders maken geen bezwaar. Als Marten zijn militaire dienstplicht vervult, is hij geregeld een weekend bij Piny. Ze wandelen samen in het Baarnse bos.

Ach ja, de verlatenheid en de diepe stilte van dat woud, waar de herfstnevels tussen de oude stammen kronkelden en het meertje te glinsteren lag in het licht van de maan; het dwarrelen van de dorrende bladeren, de geuren van de paddestoelen, de zachtheid van het dichte mos - tja, dat waren de hoogtepunten van de diensttijd. 

 Bij zo'n beschrijving zie ik al voor me welke tekening Toonder er later bij zou maken. Is hier het Donkere Bomen Bos geboren?

Toonder krijgt zijn eerste krantenstrip, Bram Ibrahim, waar zijn vader wel enthousiast over is. Het is intussen 1933 en vader vertelt over wat hij in Duitsland heeft gezien. 

Hij had 's morgens vroeg de postbodes in het gelid uit het postkantoor zien komen, en er marcheerden zingende troepen mannen in hun bruine kielen door de straten. Allemaal met laarzen. 'Het dreunt daar van de laarzen,' zei hij nadenkend. 'Als je nu in Duitsland laarzen in de grond plant, komen er soldaten uit.' 

Marten heeft een krantenstrip en werkt als illustrator bij de Rotogravure. Hij moet daar ook cartoons tekenen, wat hij eigenlijk niet kan. Hij haalt ze uit obscure tijdschriften en moderniseert ze, wat een vorm van plagiaat is. 

Terpen Tijn

Hij maakt kennis met de kunstenaars Onnaerd en Eterman. Als ik ze hoor over vibraties, moet ik wel aan de schilder Terpen Tijn denken. 

'Maar dat is toch evident,' zei de kunstenaar. 'Momenteel verstarren de vibraties; het vleeslichaam overheerst de etherische krachten. Ik voelde de noodzaak fijnere trillingen te zoeken dan de steen kan geven, om mijn astrale ik niet de prooi van de catastrofische invloeden te laten worden. (...) 
Deze groftrillende malverseur een kunstenaar! Ha!'
Marten en Phiny trouwen in 1935 en in 1936 werd hun zoon Eiso geboren. Het is hard werken om genoeg te verdienen. Er gaan heel wat uren in het tekenen zitten. 

In de autobiografie komen enkele mensen die van oorsprong Duitstalig zijn. Ze kunnen zinnen zeggen als: 
'Daar heeft der kunstmaker doch niet zien gekund wat der originaal war.' En dat doet weer sterk denken aan de taal van Professor Prlwytzkofsky. En als Phiny zegt dat ze iets van Marten zo knap vindt, hoor ik 
juffrouw Doddel (Doddeltje). 

Phiny schrijft en tekent trouwens ook. Zo bedenkt zo Olle Kapoen en Miezelientje en schrijft ze teksten bij Kappie. Toonder schrijft dat ze verder had kunnen komen als ze ambitie had gehad. 

Ze had het in een van die liefhebberijen ver kunnen brengen als ze gewild had; maar omdat ze voor zichzelf geen eerzucht kende, had ze daar geen behoefte aan. Soms probeerde ik haar duidelijk te maken wat ze kon bereiken; ik heb haar op mogelijkheden gewezen, maar daar had ze geen belangstelling voor. 
'Dat is meer iets voor jou. Jij bent zo knap,' zei ze dan, zodat ik me ontmoedigd terugtrok om Al Peppernose te gaan tekenen. 
Dit is zo'n passage waarvan ik wel zou willen weten wat ervan klopt. Voor iemand met weinig ambitie heeft ze toch aardig wat bij elkaar geschreven en getekend. Mogelijk is Miezelientje een soort voorbeeld geweest voor Tom Poes. De kat, die Tom Poes zal worden, ontstaat nog net voor het eind van dit eerste deel. 

Oorlogsjaren

Het tweede deel zal geheel gewijd zijn aan de oorlogsjaren. Dat zal ook interessant zijn. Tom Poes begint dan en Toonder blijft in dienst bij de foute Telegraaf en ziet zichzelf al een tekenfilm maken. Hij zal na de oorlog veroordeeld worden wegens collaboratie, maar zegt dat hij ook verzetswerk heeft gedaan. Wat zijn visie is zal in dat tweede deel te lezen zijn. 

Dat ga ik ook daadwerkelijk lezen, maar ik heb nog meer non-fictie liggen, waaronder een dik boek over vijfenzeventig jaar Nederlandstalige muziek en de biografieën van Godfried Bomans en Michaël Zeeman. En die van Frank Martinus Arion wil ik eigenlijk ook wel lezen. Ik had hem ter recensie aangevraagd, maar ik ving bot. 

Vroegere was de aarde plat is een aangename kennismaking met de autobiografie van Marten Toonder. Het leest lekker en je krijgt heel wat gebeurtenissen uit zijn leven. Verspreid over het boek zijn er heel wat foto's te vinden en die geven niet alleen een beeld van de jonge Marten, maar ook van de tijd waarin hij opgroeide. 

Er is overigens ook een biografie van Marten Toonder, geschreven door Wim Hazeu. Die heeft heel veel biografieën op zijn naam staan (van Lucebert, Achterberg, Slauerhoff, Vestdijk, Escher) en deze dus ook. Die heb ik nooit gelezen. Misschien moet ik dat wel een keer doen. 

woensdag 21 oktober 2026

Sprokkelaars (Mira Aluç)


Sommige titels laat ik aan mij voorbijgaan; je kunt niet alles lezen. Maar sommige bereiken mij niet eens. Dat laatste gebeurde mij met Sprokkelaars van Mira Aluç. Vooraf heb ik geen recensie ervan gezien en dat het boek de Bronzen Uil gewonnen heeft in 2025 is mij ook al ontgaan. Een kandidaat voor de Staatsexamens had het op haar of zijn lijst gezet en daarom vond ik dat het moest lezen. 

Het verhaal van de roman heeft een bijzondere setting: een loods op een 'vergeten' industrieterrein tussen twee steden in. Daar komen restpartijen aan van van alles en nog wat, spullen die weer gesleten worden aan de klanten. De hoofdpersoon, die door zijn oom Jong wordt genoemd, werkt er zes maanden lang, na het beëindigen van zijn studie. Naast zijn oom is er nog iemand in dienst, een grote man, Baris, die blikjes energiedrank drinkt. 

Sprokkelaars

Op het industrieterrein van je nog een tankstation, een snackkar, een zalencentrum. Het zijn mensen die hun leven bij elkaar sprokkelen en dat geldt ook voor de klanten. 

Stakkers vond ik het, maar het waren sprokkelaars; mensen die met al hun kracht en tekortkomingen hun bestaansrecht bijeensprokkelen. 

Jong heeft net zijn studie afgerond en hij komt dus terecht in een wereld die hij helemaal niet kent. Daarvoor is hij zijn oom dankbaar.

Ik weet niet of ik van hem hield, maar ik ben dankbaar. Hij gaf me een studiebeurs voor iets wat je niet leert in een collegezaal en waarvan ik de maandelijkse toelage in een envelop onder mijn kinderbed bewaarde. 

Stilstand

Maar het is ook een wereld waarin het leven van Jong tot stilstand gekomen is. Je zou kunnen zeggen dat er eigenlijk niets gebeurt en dat geldt ook voor een groot deel van de roman: die laat het leven in en om de loods zien, maar er is niet iets wat het verhaal voortstuwt. Als Jong de administratie onder handen neemt en daarmee het systeem van zijn oom in de war schopt, lijkt het even tot een conflict te leiden, maar ook dat vlakt weer af. 

Aan de ene kant geeft Sprokkelaars daardoor een goed beeld van het leven van Jong en de mensen om hem heen, maar aan de andere kant verlangde ik ook wel naar enige ontwikkeling, dat er een verhaal op gang zou komen, dat er nou eens iets gebeurde. 

Een andere mogelijke aanzet tot gebeurtenissen is de komst van Lunya, die optrekt met Baris, maar ook vriendschappelijk omgaat met Jong. Maar zij verdwijnt weer. 

Ik was Jong en zij was Lunya. Ik kon haar dat niet kwalijk nemen. Lunya geloofde in de toekomst en dat kon niemand van haar afpakken. Ze had geprobeerd me mee te trekken en toen dat niet lukte, koos ze voor zichzelf. Ze was niet gevlucht; ze was gegaan. 

Dat gebrek aan verhaal, aan gebeurtenissen, aan ontwikkeling vind ik wel een bezwaar van Sprokkelaars; het suddert maar door. Maar ik snap ook dat het past bij het leven van Jong, die zonder illusies de dingen doet die hij moet doet, die met weinig mensen omgaat, geen plannen maakt voor zijn leven. 

Spullen

Hij is omringd door spullen. Het zijn aanwezigheden in zijn leven. Spullen zijn een stabiele factor. 

Pas tegen de ochtend viel ik in slaap. Ik gaf me over, aan de dingen. Aan alle dingen die ooit zijn gemaakt en verbrand, stukgegooid, doorgezaagd, versnipperd en omgesmolten. Verwoest, vernield en teruggebracht tot nul. Aan alle spullen op aanrechten, alle aanrechten in keukens, alle keukens met servies. Aan alle kleden onder meubels, aan alle meubels in huizen, aan alle huizen met kleden. Er zijn meeer spullen geweest dan er nu zijn. En alles wat er niet meer is, daarvan zijn zelfs de asdeeltjes, het laatste partikel tot niets, spoorloos verdwenen. 

In zo'n opsomming ga ik als lezer zeker mee en Mira Aluç kan wel degelijk schrijven. Het wereldje dat ze oproept boeit me ook wel, maar toch was ik niet echt gegrepen door Sprokkelaars. Anderen hebben het boek trouwens zeer geprezen en ik noemde al dat het de Bronzen Uil gewonnen heeft. 

Die positieve recensies snap ik ook wel. Ik zie ook wel hoe de leegte en de eenzaamheid goed naar voren komen in Sprokkelaars. Maar ik kan niet nalaten te denken: En toch... Het is me net te weinig. Maar ga het boek vooral zelf lezen. Het is niet dik (172 bladzijden), dus je hebt het zo uit. 

maandag 19 oktober 2026

Nachtnotitie (Jan Siebelink)



Bij Jan Siebelink denkt de gemiddelde lezer het eerst aan Knielen op een bed violen (2005), het boek dat hem het grote succes gebracht heeft. Daarvoor had hij ook al goede boeken geschreven, zoals Met afgewend hoofd (1986), De overkant van de rivier (1990) en Verdwaald gezin (1993). Eerlijk gezegd moet De overkant van de rivier het wel vooral van de eerste helft hebben. 

Na Knielen op een bed violen heeft Siebelink nog wel andersoortige boeken geschreven, zoals Oscar (2011), maar in verschillende romans bleef hij dicht bij de thematiek van zijn violenboek, zoals in Margje (2015), De buurjongen (2017) en Brengschuld (2022). Aan de ene kant is het begrijpelijk dat een schrijver dicht bij zijn autobiografie blijft, aan de andere kant voelde het ook wel een beetje als het uitmelken van het succes en als herhaling met een kleine variatie. De boeken zijn soms aardig als aanvulling op wat je al weet, maar ze redden het eigenlijk niet als zelfstandig boek. 

Rouwjournaal (2025) gaat over het overlijden van zijn vrouw. Dat boek heb ik overgeslagen, dus daar kan ik niets over zeggen. Maar Nachtnotitie, zijn nieuwste, heb ik toch maar weer aangeschaft. Het is eigenlijk wel een heel aardig boek. 

Ook in Nachtnotitie komt weer veel bekends voor, dat te maken heeft met de tuinderij in Velp, maar deze keer is de verteller niet Ruben Sievez, maar de 'ik' is de schrijver. Zo noemt hij de naam van zijn overleden vrouw, Gerda. En zijn overleden vriend Louis Ferron heet aanvankelijk nog wel Loet IJzertje, maar even verderop zegt Siebelink over wie het werkelijk gaat. 

In Nachtnotitie ligt de verteller op bed en er gaat van alles door zijn hoofd. Herinneringen aan zijn vrouw, maar ook aan de tuinderij van zijn vader en aan hoe hij als kind met zijn slee van de heuvel ging. Zijn vader had iets op een latje van de slee geschreven en de verteller probeert zich te herinneren wat dat is. 

Schoolleven

In zijn oeuvre heeft Siebelink niet alleen vaak geschreven over de tuinderij in Velp, maar ook over zijn werk als docent Frans. Dat deed hij bijvoorbeeld in Nachtschade (1975), Laatste schooldag (2000) en Suezkade (2008).

Ook in Nachtnotitie komt de school terug. De verteller kreeg anonieme brieven in zijn postvak met kritiek op zijn manier van docent zijn. Hij zou te weinig toetsen geven en het zijn werk op school zou lijden onder 'al dat boekengeschrijf'. 

Op een dag had hij zijn tas al achter op zijn fiets en stond hij op het punt naar school te gaan, maar hij kreeg het niet voor elkaar het huis daadwerkelijk te verlaten. Daarover schreef Siebelink al eerder in het verhaal 'Ten strengste verboden dit pand te betreden', dat opgenomen werd in een bundel over het Huis Kernhem in Ede, in 2003. Daarin verwoordde hij het zo:
Wat was er die dag met mij aan de hand? Zojuist had ik mijn vrouw goedendag gezegd, die boven met de baby bezig was (enige weken daarvoor was er een dochter in ons gezin geboren), ik had de fiets al uit de schuur gehaald, mijn tas onder de snelbinders gedaan. De beide oudste kinderen groetten mij, gingen op weg naar school. Nu ik zelf nog. Zonlicht viel in de keuken, ik stond op het punt de achterdeur open te doen, riep nog dat ik nu wegging...
Maar het lukt hem niet het huis te verlaten. 

Siebelink beschrijft ook hoe een collega Engels, die juist zelf moeite heeft met de orde, de verteller hem aanspreekt en op een feest van de school pikt hij dat niet meer en heef hij zichzelf niet meer in de hand. Hij werkt de collega tegen de grond. Zijn vrouw zal tegen hem zeggen: 'Je raakte buiten jezelf. Dat wilde je ook. Je ging in zekere zin je vader achterna.'

Godzoeker

Die vader speelt ook in Nachtnotitie een centrale rol. Niet alleen in zijn gezwoeg om de tuinderij draaiend te houden, maar ook in zijn extreme vorm van geloof. Siebelink schrijft:
Heel zeker is dat ik, al maar zoekend - ik besef dat ik een godzoeker ben -, ergens in me dat geloof van vader met me meedraag. 
Siebelink is bezig met het geloof zoals zijn vader dat beleefd heeft. Hij leest dan ook een preek van Smytegeld. Met instemming citeert hij de slotzin van À rebours van J.K. Huysmans:
Ik ken de laatste zin van de roman uit mijn hoofd: 'Seigneur... O, Heer, heb medelijden met de ongelovige die zou willen geloven, met de galeislaaf van het leven, die alleen scheep gaat, in de nacht, onder een firmament dat niet meer wordt verlicht door de vertroostende bakens van de oude hoop!
Het is het beeld van een ongelovige die wil geloven en dat lukt hem niet. 
Geloven is weten. Maar wat weet ik nou? Niet eens wat mijn vader op de slee heeft geschreven. 

Bergafwaarts

Het met slee naar beneden suizen komt steeds terug en wellicht is dat een beeld van de schrijver die in een fase gekomen is dat hij bergafwaarts gaat, maar het is geen schrikbeeld meer. Het overlijden van zijn vrouw heeft hem in een nieuwe fase gebracht, die hem anders doet kijken, niet alleen naar de toekomst, maar ook naar zijn eigen verleden:
Het sterven van Gerda roept het ingesloten sterven van vader op, het besef van het alleen-zijn van mijn moeder. Ook mijn eigen naderende einde. 

Het jongetje gaat hard met zijn slee van de Koningsberg af, met de slee die een boodschap van zijn vader meegekregen heeft. Hij geniet van de snelheid: 'ik ga ineens zo hard, daarginds het schijnsel, ik verlang naar huis, thuis wordt op mij gewacht...'

Zo gaat het ook met de ik-figuur. Hij beseft dat hij de berg af gaat, maar tegelijkertijd is er het besef dat er thuis op hem gewacht wordt. Niet dat hij er bijna geweest is, maar dat hij er bijna is. 

Charmant

Nachtnotitie is een charmant boekje, waarin Siebelink de maskers van romanpersonages laat vallen en direct over zijn eigen leven schrijft. Alle thema's in zijn werk zijn de thema's van zijn leven en ze komen nog een keer langs. Aan de ene kant is het peinzen in de nacht een vrij losse manier van ordenen, omdat gedachten nu eenmaal alle kanten heen gaan, aan de andere kant zit er ook duidelijk lijn in het boek door het herhalen van de sleetocht de heuvel af. 

De slotzin van het boek ('Deze nanacht heb ik mezelf gered') kwam voor mij nog wel een beetje uit de lucht zetten en ik vind hem ook wel een beetje zwaar aangezet, maar dat geeft niet. Het is mooi om te zien dat Siebelink met het bekende nog steeds iets nieuws kan doen, dat toch weer iets toevoegt aan wat we al weten.  


Eerder schreef ik over:

woensdag 14 oktober 2026

Bollengrond (Dicky Nieuwenhuis)

Noor Vrijburg groeit op in een gezin met vier kinderen: haar oudere broer Joris, oudere zus Maud en jongere zus Brechtje. Het is een christelijk gezin op een bollenkwekerij in het westen van het land, niet ver van de zee. Op een dag wordt duidelijk dat Maud, die met Noor een kamer en een bed deelt, door vader seksueel misbruikt is. Noor is dan zestien. 

Nu is het dertig jaar later. En Noor heeft besloten om in het verleden te duiken. Wat is er gebeurd en waarom hield iedereen indertijd zijn mond? Ze overlegt daarover met haar broer en zussen, die haar niet tegen willen houden. Moeder is intussen overleden, vader is dementerend. 

Dat is de situatie in de roman Bollengrond, het debuut van Dicky Nieuwenhuis. In het heden volgen we de zoektocht van Noor, die op bezoek gaat bij familieleden en anderen die dicht bij het gezin stonden. Aan de andere kant zijn er herinneringen aan de kindertijd, in hoofdstukken die als titel alleen de leeftijd vermelden die Noor indertijd had. Verder zijn er stukjes uit dagboeken, gesprekken op WhatsApp en spraakmemo's, ingesproken door Noor. Soms om haar geheugen te ondersteunen, soms ook om te reflecteren op wat gebeurd is of op wat ze gehoord heeft. 

Het spreekt niet vanzelf dat Noor het verleden naar boven wil halen. Een jeugdvriend, Bart, zegt: 

'Het is dat jij ernaar vraagt,' onderbreekt Bart mijn gedachten, 'maar ik denk eigenlijk nooit aan vroeger. Wat heb je eraan? Voorbij is voorbij.' 

Niet geweten

Aan de ene kant heeft Noor het idee dat haar indertijd veel ontgaan is. Als Maud eindelijk gaat praten, beseft Noor dat ze juist altijd zo'n fijne jeugd heeft gehad. Dat is niet helemaal waar, want vader misbruikte niet alleen Maud, hij had ook woedeaanvallen waar de anderen het slachtoffer van waren. 

Dat Noor niet alles geweten heeft, ontdekt ze tijdens haar zoektocht. Ze wist bijvoorbeeld niet dat moeder antidepressiva slikte en dat ze aan de drank was. 

Mama die aan de drank was, flessen op tafel, een glas in haar handen. Ik zie niets, herinner me niets. Ben ik de enige die dit totaal heeft gemist? 

Ook de signalen die er waren dat vader niet van de jonge vrouwen af kon blijven, heeft ze nooit helemaal opgepikt en de gedachte dat moeder ervan afgeweten moet hebben, dringt ook nu pas tot haar door. 

Dat er iets is met Maud, heeft ze indertijd wel gezien, maar ze wist niet wat er werkelijk met haar aan de hand was. 

Wat is er met Maud? Ik zie haar zo vaak huilen op onze kamer. Ik durf nooit iets te vragen. Mijn oudere zus leeft in een andere wereld, met een andere taal, andere mensen, waar zaken spelen -eindexamens, vriendjes, deuren die op slot gaan als haar vriendje op bezoek is- die ik nooit aan den lijve heb ervaren. Als ze huilt, zou ik willen dat ik haar taal sprak. 

Maud heeft wel aan Noor laten merken dat er meer aan hand was dan haar zus wist: 'Noor, je hebt geen idee van wat er hier in huis gebeurt.'

Schuldgevoel

Aan de andere kant is er een schuldgevoel. Niet alleen de schuld van het niet weten, het niet geweten hebben, maar ook de schuld van het geen slachtoffer zijn. Als iemand vraagt of zij of Maud in het verleden slachtoffer is geweest, legt ze uit hoe het zit en tegelijkertijd schaamt ze zich. 

Je zou kunnen zeggen dat het onderzoek niet alleen voortgedreven wordt door de wil om informatie te verzamelen, maar ook door schuldgevoel. 

Vaak is Noor zeker van haar zaak. Er is lang genoeg gezwegen door iedereen en nu moet het maar eens openbaar worden. 

Ik ga vragen stellen die ik nooit door mijn strot kreeg, op zoek naar de dingen waar ik altijd voor wegliep. Ik ga naar de donkere diepte duiken. 

Maar er is ook twijfel:

Nu twijfel ik weer aan alles. Soms voel ik me bijna een dader. Is de boel opgengooien echt voor iedereen beter?

En:

Wat nou als mijn voortdurende gepeuter aan de familiewond iets veel ergers zichtbaar maakt? Lichtgele larven met spitse kopjes en stompe achterlijven die decennia geleden al onder de familiehuid zijn gekropen, en nu voor het eerst zuurstof krijgen?

Zwijgen

Het seksueel misbruik is indertijd openbaar gemaakt, maar er is vooral over gezwegen. Door het gezin, door de omgeving. Dat was niet alleen kwaadwilligheid, zoals Noor ziet als ze haar eigen gedrag onder de loep neemt.

Mijn leven lang liep ik hiervoor weg, liet ik me overweldigen door de angst mama pijn te doen en noemde ik dat liefde. Maar liefde moet ook hard zijn, want zonder dat wordt de bodem van het hart nooit bereikt, kan de liefde nooit wortelschieten. 

Dat Maud indertijd geen aangifte heeft gedaan was ook om moeder te sparen. En Maud vroeg zich ook af of het allemaal wel erg genoeg voor aangifte was. 

Noor reflecteert voortdurend op haar eigen drijfveren. Dient dat wel een hoger doel of dient het alleen haarzelf? Wil ze alleen haar eigen leven beter begrijpen? Maud zegt tegen haar:

Dat familieonderzoek en dat geschrijf van jou allemaal niet mijn keuze. 

Kerk

Indertijd is het gezin een beetje aan zijn lot overgelaten. Noor had het idee dat alleen dominee Hintzel wat heeft ondernomen, maar als ze na zoveel jaren  contact met hem opneemt antwoordt hij:

Hoe lastig ook, nu moeder overleden is en vader niet meer bereikbaar is, blijft het belangrijk hen te respecteren. Temer daar we van doen hebben met een gaarne vergevend God om Jezus Christus, ook over de zonden die in het verleden bedreven zijn. 

Een ouderling geeft toe dat de kerkenraad indertijd niet goed gehandeld heeft. 

We hadden veel meer aandacht aan jullie als kinderen moeten besteden. We hebben jullie zelfs nooit gesproken. 

En een oom schrijft:

Noor, om te beginnen wil ik zeggen dat ik het heel erg vind dat je tante en ik niet in actie zijn gekomen voor Maud en jullie allemaal, toen het verhaal bekend werd. Wij hoorden het via via en we wilden niet klakkeloos geruchten volgen. Maar we hadden het jullie zelf moeten vragen. Daar waren jullie oud genoeg voor. We hebben het niet goed aangepakt.  

Maar hij schrijft ook dat men in de familie vindt dat het boek van Noor vooral over hun gezin moet gaan en niet over de familie. En daarna:

Noor, het wordt misschien ook tijd om je te gaan verzoenen met je vader, en met alles wat er gebeurd is. 

Wegkijken

Een tante ontkent het domweg: nee, ze heeft nooit gehoord dat er seksueel misbruik in het gezin was. Later blijkt dat ze het wel degelijk wist als ze zegt: 'Ik weet ook niet of er wel wat gebeurd is.' Tante heeft weggekeken, zoals zoveel mensen weggekeken hebben. En degenen die niet wegkeken, hebben vaak niets gedaan, al waren er al veel langer signalen, het gedrag van vader tegenover andere jonge vrouwen. 

Meer nog dan over seksueel misbruik gaat Bollengrond over het zwijgen, het wegkijken, het uit de weg gaan van de waarheid. Het doet denken aan Het hele dorp wist het van Rinke Verkerk, dat ik overigens niet gelezen heb, maar waar ik wel over gelezen heb. Verkerk houdt zich sindsdien bezig met het omstanderschap, ook wat betreft bijvoorbeeld de genocide in Gaza. 

Dat het gezin Vrijburg een christelijk gezin was, zal ook meegespeeld hebben. Zelfs na zoveel jaren is de reflex bij sommigen christenen dat er maar eens vergeven moet worden, dat het tijd is voor verzoening, waarbij de situatie van slachtoffers genegeerd wordt. 

Mislukte puzzel

Noor zegt aan het eind van het boek dat haar puzzel mislukt is. Wat ze daarna met de bladen doet, is wel erg zwaar aangezet, net als hoe ze zich gedraagt bij het sterfbed van haar vader. Zelfs als het alleen in de verbeelding gebeurt en niet in de werkelijkheid van het boek, viel het voor mijn gevoel uit de toon. Het imaginaire gesprek met de moeder kwam bijvoorbeeld meer natuurlijk over. 

Nieuwenhuis heeft de neiging om alles expliciet te maken en daar hikte ik in het begin wel tegenaan. Tijdens een gesprek lees je dan: 'Nu de uitsmijter, die is het spannendst'. Dat het spannend is voor Noor had ik liever zelf opgemaakt uit het gesprek. Hoewel dat in de rest van het boek ook zo blijft, heeft me dat toch meestal niet gestoord. Wellicht omdat het ook laat zien hoe overbewust Noor zich is van haar eigen handelen. 

Maar ik vind Bollengrond beter in de details waarin alleen maar gesuggereerd wordt. Als Noor ziet dat vader indertijd veel hysop heeft aangeplant, vraagt ze zich waarom hij dat gedaan zou hebben. Bij de lezer komt dan waarschijnlijk wel de psalmtekst boven: 'Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, / Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.'

Er wordt ook verteld over een beroemde reclame voor Rolo: een jongetje pest een jonge olifant en krijgt jaren later een mep van diezelfde olifant. Nieuwenhuis maakt ervan dat dat dertig jaar later is, de tijd die zit tussen wat er in het verleden gebeurd is en de zoektocht van Noor. Wie krijgt er na zo veel jaren een mep? De dader? De omgeving? Komt de klap nu pas bij Noor aan? Door het allemaal niet uit te leggen, komt er ruimte voor interpretaties, die allemaal voor een deel mee kunnen spelen. 

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het zwemmen, dat Noor geregeld doet. Aan de ene kant is dat gewoon een bezigheid, maar het wordt ook soort metafoor. Noor laat zich niet alleen in het water zakken, maar ook in het verleden. En er zijn momenten (het zwemmen in de mist) dat ze denkt dat ze daaraan onderdoor gaat. 

Pijnlijke inzichten

Noor zegt dat de puzzel mislukt is, maar het is maar de vraag of dat ook zo is. Het heeft niet een mooi compleet plaatje opgeleverd, maar het puzzelen zelf heeft haar wel allerlei inzichten gebracht, heeft mensen in andere posities geplaatst, heeft haar na laten denken over haar gezin en over haarzelf. 

De inzichten zijn soms pijnlijk:

'Die onafscheidelijke zussen zaten vooral in mijn hoofd, Maud,' roep ik in de wind. 'In werkelijkheid waren we allebei alleen.'

Dat Noor dat nu onder ogen kan zien, toont aan welke stappen ze gezet heeft, hoe ze verder is gekomen met haar gepuzzel. 

In Bollengrond maken we een particuliere tocht mee: de zoektocht van Noor. Aan de andere kant zien we ook de mechanismen die er optreden in de omgeving: het liever niet willen weten, het denken aan de eigen positie, het uitgaan van de eigen waarheid en niet echt geïnteresseerd zijn van wat een ander is overkomen. Noor zorgt ervoor dat de omgeving niet langer kan wegkijken, ze dwingt bekenden na te denken over wat er gebeurd is. Niet alleen wat er gebeurd is, is verschrikkelijk, maar ook hoe anderen daarop gereageerd hebben. 

Bollengrond is een debuut, maar het is niet een voorzichtig probeersel. Het komt over als een boek van een auteur die weet wat ze wil: in alle kwetsbaarheid laten zien dat zij het ook niet allemaal weet, maar dat ze vastbesloten is de tocht de ondernemen. Dat is niet alleen de zoektocht van Noor, maar ook de onderneming van het schrijven, het maken van een boek. Dat is in ieder geval goed gelukt. 

Dicky Nieuwenhuis, Bollengrond. Uitg. Mozaïek, 2026; 400 blz. € 24,99

woensdag 7 oktober 2026

Winarta (Basuki Gunawan)

Als ik er een seizoen examineren voor de Staatsexamens op heb zitten (vlak voor en in de zomervakantie), heb ik altijd een lijstje met boeken die op boekenlijsten voorkomen, maar die ik nog niet gelezen heb. Daarom heb ik onlangs Net echt van Saskia de Coster gelezen en Tussenjaren van Yannick Dangre. Nou ja, dat laatste boek was eigenlijk een tip van een collega. 

Op mijn lijstje staan nog een heel stel titels, waaronder Wat ons nog rest (Aline Sax), We moeten praten (Jan van Mersbergen), Trofee (Gaea Schoeters) en Jente Posthuma (Mensen zonder uitstraling). Winarta, van Basuki Gunawan, stond ook op die lijst, maar dat heb ik intussen gelezen. 

Basuki Gunawan (1929 - 2014) is een Indonesisch schrijver; hij werd geboren op Java, onder het koloniale bewind. Na de Japanse bezetting werd hij tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog lid van een guerilla-eenheid die opereerde tegen de Nederlandse bezetting. 

De nieuwe stem

Hij kon met een studiebeurs naar Nederland, waar hij promoveerde in de sociologie. Vroeg in de jaren vijftig werd hij met tuberculose opgenomen in het Studenten Sanatorium in Laren. Daar schreef hij Winarta, dat hij opdroeg 'Aan mijn vrienden in het Nederlands Studenten Sanatorium'. De novelle verscheen in vier afleveringen in jaargang 9 van het blad De nieuwe stem. De tekst is op DBNL niet in te zien ('op verzoek van de rechthebbende'). In de inhoudsopgave is te zien dat de schrijver vooraf een stukje van een bladzijde of vier geschreven heeft, met de titel 'Strijder'. Is dat een inleiding geweest? Stelt de auteur zichzelf voor? Vanachter mijn bureau is dat niet meer na te gaan. 

Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Winarta gehoord. Het verscheen in 2022 als boek, uitgegeven door Alfabet Uitgevers, met een voorwoord van Gustaaf Peek. In 2024 volgde een tweede druk. Het was niet de eerste keer dat de novelle in boekvorm verscheen, maar wel, voor zover ik kan nagaan, voor het eerst dat het als zelfstandige uitgave verscheen. Daarvoor werd het opgenomen in de bloemlezing Moderne Indonesische verhalen (1967), samengesteld door Beb Vuyk en A. Teeuw en in De keerzijde van de medaille, 1940 - 1950. Verhalen van Indonesische auteurs. (1982), samengesteld door Joop van den Berg. In de bespreking ervan in NRC Handelsblad van 28 januari 1983 noemt Gerard Termorshuizen ook de eerdere uitgave, waarnaar Van den Berg blijkbaar niet juist verwezen heeft. 

Op de Wikipediapagina die aan Basuki Gunawan gewijd is (waarvan ik ook enkele zaken die ik hierboven noem overgenomen heb), wordt gezegd dat in Winarta de Indonesische revolutie beschreven wordt vanuit het perspectief van een Indonesiër. Strikt genomen is niet na te gaan of dat zo is. Indonesië wordt namelijk niet genoemd, net zo min als Nederland. Er wordt wel gesproken over 'de vijand'. 

Gezien de achtergrond van Gunawan zal de onafhankelijkheidsoorlog wel de aanleiding zijn geweest, maar mogelijk heeft Winarta een bredere strekking. Ik moest daarbij denken aan het werk van Armando, bijvoorbeeld Aantekeningen over de vijand (1981), waarin met 'de vijand' zeker niet alleen 'de Duitser' wordt bedoeld.

De openingszin, die meteen de openingsalinea van Winarta is, luidt: 'De oude cipier is weggegaan'. Het deed me denken aan de eerste zin van Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans, maar dat verscheen pas veel later, in 1966. 

In de gevangenis

Winarta zit gevangen. De oude cipier komt soms met hem praten. Hij bewondert zijn gevangene, net zoals sommige andere gevangen dat doen. 

Het stoort me dat ze mij zo bewonderen. Maar het kan ook niet anders. Zelf heb ik geen zin om hun de ware toedracht te vertellen. Het zou niet goed voor hen zijn. Ik ben bereid mijn rust op te offeren voor hun illusie. Daarom vind ik het goed dat ze mij bewonderen, ook al stoort het me. Ik heb nooit vrienden onder mijn strijdmakkers gemaakt. Naast hun bewondering vrezen ze mij. Ik ben anders in hun ogen. Ik ben de Moedige. Ze begrijpen me niet omdat ik de Moedige ben. Misschien hebben slechts mijn laatste commandant en nog enkele anderen mij een beetje begrepen. 

Even verder neemt Winarta dat laatste terug:

Alles bij elkaar genomen heeft niemand mij werkelijk begrepen. Ook mijn commandant niet met al zijn menselijkheid. 

Daarna krijgen we te horen wat eraan vooraf is gegaan. Winarta volgt een medische studie, met de gedachte dat hij zijn medemensen zou kunnen helpen, maar in het derde jaar komt hij tot de conclusie dat de gezondheid van zijn medemensen hem eigenlijk weinig kan schelen. Hij houdt de studie vol, met de gedachte dat hij als arts rijk kan worden, maar ziet in dat er snellere manieren zijn om dat te bereiken. Zijn vader zou graag zien dat zijn zoon academicus was en hij wil zijn vader wel een plezier doen, maar bedenkt ook dat zijn vader vandaag of morgen dood zal gaan en dat zijn studie dan zinloos is geworden. 

Revolutie

Als hij de studie op wil geven en zich wil wijden aan de schilderkunst, breekt 'de revolutie' uit. 

Het verwonderde me niet dat het gebeurde. Hoewel ik met instemming het bericht vernam, kon het me toch weinig schelen. Ik wenste afzijdig te blijven van dingen die 'het volk' betroffen. Zulke dingen interesseerden me niet. Het volk was mij steeds vreemd, zoals ik voor het volk. Onze wegen konden nooit hetzelfde zijn. 

Zowel wat betreft zijn studie als de revolutie valt het volkomen gebrek aan idealisme of aan engagement op. De zinloosheid van alles, keert steeds terug. 

Een maand na het uitbreken van de revolutie krijgt Winarta het bericht dat zijn ouders door de vijand vermoord zijn. Later blijkt dat het gevolg van een misverstand: de vijand was op zoek naar iemand anders met dezelfde naam. 

Winarta, wiens naam dan trouwens nog niet in de tekst genoemd is, moet in zijn onderhoud voorzien en denkt dat hij dan wel ambtenaar moet worden. 

Wat min of meer vaststond ws dat ik door mijn zwakke positie na de brand en de dood van mijn ouders onvermijdelijk moest huichelen ten opzichte van mijn medemensen. Mijn huidige toestand was zo kwetsbaar dat ik niet mezelf kon bijven. Ik moest dus meer aandacht schenken aan de meningen van anderen. Voor mezelf vond ik die niet belangrijk. Meningmaal had ik dat ook laten blijken. Nu kon het niet meer. 

Winarta maakt kennis met Nuraina, wier naam 'licht van mijn ogen betekent'. Zij noemt hem Narta, de eerste keer dat de naam van de hoofdpersoon genoemd wordt. 

Hij is van haar gecharmeerd, wat weer onderkoeld geformuleerd wordt: 'Ik zag in ieder geen reden om niet van haar te houden.' 

Doch in deze omstandigheden zou men uiterst sentimenteel moeten zijn om zoiets toe te laten. Dit was zeker niet geschikte tijd om iemand lief te hebben. 

In de trein

In het tweede deel gaat Winarta met de trein op reis. Hij heeft een gesprek met een oude man in de coupé. Ze zien hoe een reiziger uit de trein gesleurd en mishandeld wordt. De oude man vertelt dat het een spion is. Als Winarta vraagt hoe ze weten dat het een spion is, zegt de man: 'Dat zien ze aan zijn gezicht.'

Hij heeft met de man een gesprek over rechtvaardigheid. De oude man: 

Voor mij is wat u willekeur noemt rechtvaardigheid en wat u rechtvaardig noemt kortzichtigheid. 

Winarta meldt zich aan bij Strijdgroep X. Op de vraag waarom hij zich bij de strijdgroep wil aansluiten, antwoordt hij dat hij tegen de vijand wil vechten. 

'Je wilt dus strijden voor land en volk, nietwaar?'
Ik begreep niet waarom hij 'dus' zei, want vanzelfsprekend leek me dat niet. Ik antwoordde: 'Het is moeilijk te zeggen. Ik weet het niet. 

Ook nu weer: geen idealisme, geen hoger doel. Maar ook geen huichelachtigheid. Winarta vertrekt twee weken later naar het front. 

Aan het front

Bij een van de acties wordt een jongen van veertien jaar gearresteerd. 

De spion was een jongen van ongeveer veertien jaar oud. Het verwonderde me dat de vijand niet schroomde kinderen te gebruiken, maar ik bedacht dat er oorlog was. 

Bij de ondervraging wordt Winarta kwaad.

Wat een brutale jongen, een brutale spion, flitste het door mijn hoofd. Later zou hij een gevaarlijke spion worden, die door een vergissing het geluk van onschuldige mensen zou vernietigen. Mijn hoofd begon te gloeien. Ik dacht aan mijn ouders. 

Hij doodt de jongen en daarvan slaapt hij een nacht lang slecht.

De jongen met de afgesneden hals kwam me nog enkele malen voor de geest. Hij was het slachtoffer van duistere machten geworden. Hij kon er niets aan doen, evenmin als ik. Ik kon toch geen uitzonderingen maken, wilde ik niet aan mezelf twijfelen? Het was me duidelijk dat mijn weg doordrenkt zou zijn met bloed. En ik aanvaardde dat. 

Hevige strijd

In het derde deel zal blijken dat die weg inderdaad doordrenkt is met bloed. Als de commandant van de eenheid voor een operatie naar het ziekenhuis moet, heeft Winarta het commando. Een bange jongen gooit zijn geweer weg en loopt weg. Winarta doodt hem.

Ik riep hem toe dat hij terug moest maar hij wilde niet meer luisteren. Ten einde raad joeg ik hem een kogel door het hoofd. Hij was op slag dood. De jongens zwegen en bespiedden de vijandelijke soldaten. 

De strijd die volgt is hevig. Na afloop kijkt de gewonde Winarta om zich heen. 

Ik bekeek mijn manschappen. Ik telde ze. Allen compleet. Geen enkele levende behalve ikzelf. 

Als hij terugkeert, spreken de anderen 'van een heldenstrijd en een heldendood van ons peloton', maar de commandant, Abubakar reageert anders:

'Ik ken je langer dan vandaag. Jij hebt de boel verpest. Jij bent verantwoordelijk voor hun dood.'

Winarta stijgt wel in de achting van zijn commandanten en zijn meerderen. Omdat hij bij volgende acties niet meer gewond wordt, schrijven de soldaten hem een zekere lichamelijke onkwetsbaarheid toe. 

Leegte

Op een gegeven moment wordt de wapenstilstand getekend. Dat zorgt voor een gevoel van leegte. Winarta is te zeer gehecht geraakt aan de spanning van de strijd. Hij zoekt vertier in de stad en bezoekt bordelen. Als de leegte hem bijna te gronde richt, breekt er weer een tijd van strijd aan: de communistenopstand. Afdelingen van het leger lopen over naar de opstandelingen. 

Door beide partijen werden heldendaden verricht en wreedheden begaan. Het werd een bloedige strijd als nooit tevoren. 

Winarta ziet de opstandelingen als een vijfde colonne, omdat ze met hun opstand de weerbaarheid tegenover de vijand aantasten. Hij neemt met zijn compagnie een groep gevangen, die hij verdeelt in meelopers en schuldigen. De meelopers moeten een maand lang dwangarbeid verrichten. 'Voor de schuldigen zag ik geen andere straf dan de dood.' 

Er worden tien jongens geëxecuteerd. 

Ik vond de jongens te jong om te sterven, maar ik kon er niets aan doen. Ze hadden het immers zelf gewild. 

Terug naar de maatschappij

Als Winarta getroffen wordt door een granaat, wordt hij opgenomen in een militair hospitaal. Daar komt hij tot de conclusie dat hij genoeg heeft van zijn daden. 

Het was een zinloze bezigheid geweest. Om een zinloosheid te wreken had ik zinloosheid bedreven! Ik zag in dat de strijd me niets meer kon bieden. Ik nam me voor het leger te verlaten en terug te keren in de maatschappij. 

Hij overweegt zelfmoord, maar vindt dat die dan wel zin moet hebben. 'Maar welke zin moest ik aan zelfmoord geven? Ik kwam er niet uit.'

Het gebrek aan idealisme, het ervaren van zinloosheid, je weg moeten kiezen, maar eigenlijk geen leidraad hebben. Voor mijn gevoel past dat bij het existentialisme, dat pas in de jaren zestig prominente aanhangers zou krijgen. Winarta lijkt me goed binnen deze  stroming te passen. 

Aan het begin van het vierde deel bevindt Winarta zich weer in de maatschappij. Hij is intussen getrouwd. Maar dan begint de tweede militaire actie. Hij bewerkstelligt een echtscheiding en neemt weer dienst in het leger. 

Met een klein groepje dringt hij een stad binnen, op weg naar een munitiedepot van de vijand, dat ze inderdaad in brand kunnen steken, waarna ontploffingen volgen. Winarta is de enige die het overleeft en op vrije voeten blijft, maar hij wordt gezocht. Winarta weet dat hij geen kans heeft om te ontsnappen. 

Ratna

Hij zoekt onderdak bij een prostituée, Ratna. Eigenlijk wil hij niet meer terug. Als Ratna vraagt of hij genoeg heeft van zijn vrienden, zegt hij dat hij genoeg heeft van de strijd. 

'Ben je teleurgesteld in je idealen?'
'Nou niet bepaald. Dat kan trouwens ook niet. Ik houd er geen idealen op na.'
'Waarom ga je dan strijden?'
'Ik strijd omdat ik daar zin in heb. Ik zou liever zeggen: moorden.'
Hij krijgt nog de kans om terug te keren naar zijn compagnie. 
Ik aarzelde. Naar mijn compagnie terug... en alleen en eenzaam zijn... een moordenaar tussen idealisten... een mens die de zin van zijn daden niet inzag en die niet kon verantwoorden. 

Winarta blijft bij Ratna en er lijkt toch iets van warmte tussen die twee. Maar Ratna kan niet voorkomen dat Winarta gearresteerd wordt. Uit het begin van het boek weten we dat hij in de gevangenis terechtkomt. 

Kale stijl

Winarta is een sterke novelle, geschreven in een vrij kale, maar krachtige stijl. In de inleiding vergelijkt Gustaaf Peek het boek met Het bittere kruid van Marga Minco en De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve. Of dat terecht is, kan ik niet goed beoordelen. Daar zou ik de andere twee voor moeten herlezen. 

Voor mijn gevoel is Winarta meer ontluisterend, meer gespeend van elke menselijkheid. Winarta ontwaart de zinloosheid van alles wat hij doet. Hij leeft voor de strijd, omdat die spanning geeft, maar ook daarvan ziet hij de zin niet meer in. Er lijkt iets van warmte te zijn tussen Ratna en hem, maar die houdt geen stand. 

Als je leest, kun je meeleven met de hoofdpersoon, maar je kunt eigenlijk niet met hem meevoelen, omdat elk gevoel lijkt te ontbreken. Dat maakt het lezen van Winarta tot een verbijsterende ervaring. 

Andere publicaties

De naam Basuki Gunawan was hiervoor niet tot mij doorgedrongen, al heeft hij meer geschreven dan alleen deze novelle. Tjalie Robinson meldt in een van zijn krantenstukjes dat er een tekst (een gedicht?) van Gunawan in het Fries is vertaald: De nieuwsgier, 12 oktober 1954. 

In het jaar dat Winarta in afleveringen gepubliceerd werd, schreef hij een ingezonden brief in De Gooi- en Eemlander (20 maart 1954)

In 1956 was werk van hem voor de radio te horen, zo lezen we in de Preangerbode van 12 april van dat jaar. Bij het herdenken van de jong gestorven Indonesische dichter Chairil Anwar werd er werk van tien jonge auteurs ten gehore gebracht en onder hen bevond zich Basuki Gunawan. 

Verder heeft Gunawan vooral non-fictie gepubliceerd. Als socioloog publiceerde hij Indonesische studenten in Nederland, wat besproken werd in De Tijd, dagblad voor Nederland van 30 augustus. In dezelfde krant werd op 28 januari 1969 Kudertá, Staatsgreep in Djakarta besproken. 

Andere auteurs

Het is goed dat Winarta opnieuw uitgegeven is. Er is niet zo veel Nederlandstalig werk van Indonesische schrijvers. Ik ken verder alleen Suwarsih Djojopuspito en Noto Soeroto. Deskundigen op dit gebied zullen meer auteurs kennen, maar ik heb de indruk dat het er in totaal weinig zijn. Van Noto Soeroto heb ik vijf bundels in mijn boekenkast staan. Als student aan de pedagogische academie plaatste ik een van zijn gedichten in de schoolkrant, waarvan ik redacteur was. Mijn lerares Nederlands deed daar wat lacherig over. Niet omdat ze het een slecht gedicht vond, maar omdat ze de auteur niet kende en hem daarom als obscuur beschouwde. 

Ik dank de examenkandidaat die Winarta op zijn of haar lijst heeft gezet en mogelijk ook de docent die hem of haar daarop gewezen heeft. Het boek is alweer vier jaar uit en het wordt onderhand wel tijd dat meer leerlingen het gaan lezen. Het is niet dik (zo'n 125 bladzijden) en dat helpt misschien ook. Vooruit, naar de bibliotheek!

maandag 5 oktober 2026

Aardige vrouwen (Megan van Kessel)

Twee vrouwen staan centraal in de roman Aardige vrouwen van Megan van Kessel: Cindy ten Blik en Dolores Lambrechts. Bij het begin van het boek zijn het middelbare-scholieren, maar ze blijven nog heel lang met elkaar verbonden. 

Cindy is een buitenstaander: een Nederlandse in een Belgisch dorp (Bombaye, in de provincie Luik), niet ver van Maastricht. Ook op school is ze een buitenstaander en als er een nieuwe leerling komt, trekken ze naar elkaar. Dolores heeft het verdriet al in haar naam, maar Cindy klampt zich aan haar vast. 

Mijn  moeder waarschuwde me voor vrouwenvertrouwerij, daar komt ellende van, maar zij had zich laten kwetsen en was gesloten. Ik stond nog open. 

Dolores woont op een landhuis en neemt daardoor al een aparte positie in. Zo wordt ze een keer met een koets van school opgehaald. Cindy en zij worden vriendinnen, al is Cindy meer van Dolores afhankelijk dan andersom. Cindy wil vooral een hartsvriendin en ze is bereid om daarvoor veel te slikken. Als Dolores haar laat zitten zal ze nooit 'sorry' tegen Cindy zeggen, maar Cindy kiest ervoor om haar daar niet echt mee te confronteren en in ieder geval de relatie in stand te houden. 

Dolores is haar eerste echte vriendin en Cindy weet ook niet precies hoe dat nu werkt met vriendinnen. 

Ik vroeg me af wat ik nu hoorde te doen. Wat een vriendin was. Of juist niet. 

Ruzie voorkomen

Cindy komt uit een gezin van drie kinderen, van wie zij het middelste is. Dolores is thuis het oudste. Cindy vergelijkt haar met Veronique, haar oudste zus. 

Zij leek op Veronique: verantwoordelijk en snel ontvlambaar. Ik leek op haar middelste zusje. Zij had ook de neiging om te doen alsof ze alles wel prima vond, om ruzie te voorkomen.

Later zal de moeder van Dolores, Cécile, zich vergelijken met Cindy:

'Zo'n vriendin als jij bent, zo ben ik ook.' Ze likte de pudding uit haar mondhoek. 'Een vastklamper. Er is één enkele vriendin met wie ik al mijn hele leven bevriend ben. We kunnen niet met en niet zonder elkaar. In die vriendschap ben ik jou, iemand die er nooit uit stapt. (...)

Na de middelbare school gaan Cindy en Dolores naar de Rietveld Academie. Ze blijven met elkaar verbonden, al is er wel wat meer afstand. Het blijven vriendinnen en van een afstandje zijn ze misschien ook wel aardige vrouwen, zoals ook de titel aangeeft. Het motto van de roman, ontleend aan Virginia Woolf luidt: 'Vrouwen vinden vrouwen niet aardig'. Zeker Dolores doet af en toe onaardig. 

Om maar iets te noemen: de manier waarop ze reageert op de haarkleur van Cindy. 

'Dit is alweer te geel. Je moet er een toner overheen doen, hoe vaak heb ik dat nou niet gezegd. Dit ziet er niet uit.' Ze keek me diep in de ogen. 

Dat had ook liefdevol kunnen zijn, behulpzaam haar vriendin ergens op wijzen. Maar zo komt het nooit over. Het lijkt erop dat Cindy altijd op haar plaats gezet wordt. 

Mensen in Cindy's omgeving laten weten hoe ze over de vriendschap denken. Een vriend zegt haar:

'Je doet het jezelf aan.' Hij stopte het broodje in één keer in zijn mond. 'Dit is geen vriendschap, dit is masochisme. Jullie sporen niet. Jeanne is een echte vriendin, die accepteert jou gewoon zoals je bent. Dolores zegt alleen wat je moet doen. Altijd kritiek. Dodelijk.' 

En een andere vriend vraagt haar waarom ze Dolores niet laat stikken. 'Ik heb altijd zo'n gevoel dat ik haar nodig ga hebben als er een keer echt iets aan de hand is,' antwoordt Cindy. 

Maar als er echt iets aan de hand is, kan ze niet op Dolores rekenen. Het schrijnendst komt dat tot uitdrukking als Cindy verkracht is. Dolores komt met adviezen achteraf, die je niet anders kunt zien dan de schuld bij het slachtoffer leggen:

'Je moet duidelijkers zijn, Cindy. Mannen,' ze keek even naar Maarten, 'mannen zitten heel anders in elkaar.'

Zeker wil Dolores er op dat moment zijn, maar ze wil vooral ook merken dat Cindy haar heel erg nodig heeft. Als Cindy anders reageert dan Dolores in haar hoofd had, gaat ze weer. 

Wraak

Op een gegeven moment neemt Cindy wraak door een film over Dolores te maken. Ik weet niet of wraak het goede woord is. Dat element zit er wellicht in, maar het is ook ene manier om de ware Dolores te leren kennen, Dolores zonder masker. Dat behoeft eigenlijk uitleg, maar ik heb het idee dat ik die maar niet moet geven, zodat de toekomstige lezer zelf kan ontdekken waarover het gaat. 

Cindy weet haar eigen plek in te nemen; ze werkt zich uit de afhankelijkheid. Wellicht had het allemaal ook anders kunnen lopen, maar dat is niet gebeurd. Zoals Van Kessel schrijft: 

In een ander verhaal was dit een moment van verzoening, dan zouden we inzien dat we elkaar nodig hadden. We zouden er proberen wat van te maken, omdat niemand zichzelf alleen kan worden. Maar het was geen ander verhaal. 

Het toeval is er al vrij aan het begin van een boek, als Cindy en Dolores hun tombolaloten ruilen met elkaar, waarna Cindy een snijmachine wint. Volgens het bijgeloof mag je vrienden geen mes cadeau geven, dat snijdt de vriendschap af. De snijmachine zal er later voor zorgen dat Dolores het topje van een vinger verliest. Mogelijk is dat een ongeluk, maar dat is niet helemaal duidelijk. 

Het eerste boek van Van Kessel, Uitzicht van dichtbij, was een interessant boek en ik schreef indertijd dat ik nieuwsgierig was naar hoe de schrijfster zich zou ontwikkelen. Als ik zeg dat ik Aardige vrouwen heel wat beter vind dat het debuut, wil ik daarmee niet dat eerste boek tekort doen, maar ik vind dit tweede steviger als geheel. 

Door het verhaal heen zijn er weetjes, of observaties, die als vanzelf een metafoor worden voor de relatie tussen Cindy en Dolores. Bijvoorbeeld dat van de woestijnsprinkhanen, die aardiger worden voor een soortgenoot als ze elkaar meer aanraken, maar die een andere karakterstand hebben als ze solitair zijn. Of dat van de lachuil, die uitgestorven is omdat zijn voedsel bestond uit een soort rat die de mens succesvol bestreden heeft. Als je te lang vasthoudt aan het verkeerde kan het je dood betekenen. 

Terloops

Het knappe van Onaardige vrouwen is dat het wel toont wat er allemaal gebeurt, maar dat je toch het idee hebt dat je het vanuit je ooghoeken ziet. Het heeft een zekere terloopsheid, een onnadrukkelijkheid, alsof het werkelijk belangrijke zich in tussenzinnetjes afspeelt. Bijvoorbeeld:

Ze bestelde een oolongthee met een heel grote koek. Ik wist dat ze de helft van die koek aan me zou opdringen en me dan een tikkie zou sturen.

Het zou schouderophalend gezegd kunnen zijn en het is tegelijkertijd treffend. 

Ook in dialogen (die vaak bijzonder goed zijn) staat er vaak een onbetekenend zinnetje tussendoor. In de citaten hierboven zijn dat zinnetjes als 'Ze likte de pudding uit haar mondhoek' en 'Hij stopte het broodje in één keer in zijn mond'. En daarna gaat het gesprek weer verder. Als je dat te vaak toepast, wordt het een maniertje, maar zoals Van Kessel het gebruikt, werkt het heel goed. 

Het aangrijpendst gebeurde dat bij de verkrachting, waarvan op het moment dat het gebeurt niet veel meer verteld wordt dan dat van de man de riem op de grond lag en dat zijn onderarmen zo harig en dik waren 'als van een gorilla'. Daarna gaat het verder als de man weer weg is:

Ik beet in mijn kussen, sloeg twee aspirines naar binnen en slikte ze zonder water door. Ik staarde naar mijn handen, niet in staat te bedenken dat dit mijn eigen handen waren. 

Juist de ingehouden manier van vertellen maakt het gruwelijk en hartverscheurend.

Blinde vlekken

Toen ik, enkele weken geleden, in een Instagramverhaal deelde dat ik het boek uit had, vroeg de schrijfster me: 'Kwam je er doorheen, als man zijnde?' Eigenlijk was ik me tijdens het lezen er niet van bewust dat ik een mannelijke lezer ben. Misschien had ik me daar wel van bewust moeten zijn. Ik voelde me de witte mens die zegt dat kleur voor hem er niet toe doet, daarmee toegevend hoe blind hij is voor wat er aan de hand is. 

Hoe het met mijn blinde vlekken zit, daarover moet ik maar eens flink gaan nadenken. In ieder geval heb ik wel gezien dat Aardige vrouwen een goed boek is: scherpe observaties, goed geschreven, stevig opgebouwd. Ik heb dit jaar al heel veel goede boeken gelezen, maar als ik aan het eind mijn lijstje met de beste boeken samenstel, staat dit in ieder geval op mijn longlist. 

Megan van Kessel, Aardige vrouwen. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 2026; 320 blz. € 21,99

woensdag 23 september 2026

Onder professoren (Willem Frederik Hermans)

Sommige klassiekers heb ik nooit gelezen, al weet ik vaak wel waarover ze gaan. Sterker nog: ik heb er onbekommerd naar gevraagd bij het afnemen van mondelinge examens. Met enkele geestgenoten speelde ik vroeger wel eens het spelletje 'Bescheidenheid'. In een groep van vier bijvoorbeeld, noem je een titel van een boek dat je niet gelezen hebt, maar waarvan je vermoedt dat de anderen het wel gelezen hebben. Voor elke groepsgenoot die het betreffende boek wel gelezen heeft, krijg je een punt. Heeft iedereen het gelezen: dubbele punten. 

Bij dat spel kon ik scoren met De kleine Johannes, De berg van licht en ook met Onder professoren. Maar dat laatste boek heb ik intussen gelezen. Toen ik eraan begon, wist ik alleen dat het een afrekening was met de Universiteit van Groningen en de mensen die daar indertijd werkten. En Uit talloos veel miljoenen (1981) zou een soort vervolg zijn. Dat boek heb ik overigens wel gelezen. 

Nobelprijs

Onder professoren opent met het bezorgen van een telegram bij een boerderijtje (eigenlijk een arbeiderswoning) op het platteland in het noorden van het land. Het is het tweede huisje van de hoogleraar Rufus (Roef) Dingelam en zijn vrouw Gré. In het telegram wordt verteld dat Dingelam de Nobelprijs voor scheikunde is toegekend voor zijn ontdekking, twintig jaar geleden, van een stof die wel de derde witmaker werd genoemd, maar die ook als potentieverhogend middel gebruikt zou kunnen worden. 

Dingelam staat bekend als iemand die nooit lacht en dat doet hij bij het ontvangen van dit bericht dus ook niet. Zijn vrouw Gré houdt hem bovendien met de voeten op de grond: 'Maar man! Tweehonderdtachtduizend gulden, dat is nog geen vier keer je jaarsalaris. Daar ben je zo doorheen!'

Het vrije volk, 23 mei 1975

Gré heeft iets aandoenlijks: ze beseft nauwelijks wat de Nobelprijs inhoudt, kan eigenlijk niet koken en past ook niet helemaal in het milieu waartoe ze veroordeeld is. Maar ze is ook grootmoedig, wil geen kwaad van haar man denken en neemt het allemaal voor hem op. Zonder meer een interessant personage. 

Graantje meepikken

De omgeving van Dingelam is weliswaar blij voor hem, maar probeert ook een graantje mee te pikken. Men hoopt dat het aanzien van de prijswinnaar afstraalt op de universiteit waar Dingelam werkzaam is. Iedere lezer heeft daarbij de universiteit van Groningen in gedachten, waar Hermans lector is geweest. In het nawoord bij de roman, door dr. B.J.O. Zomerplaag (Hermans zelf) wordt nadrukkelijk gesteld dat het gaat om 'denkbeeldige professoren aan een denkbeeldige universiteit'. De roman is, volgens Zomerplaag, geen sleutelroman. 

De universiteit lijkt met een soort minderwaardigheidscomplex te kampen en kan misschien bij haar strijd om gelijkheid de Nobelprijs inzetten:

Wij moeten onze Nobelprijs op tafel leggen en zeggen: Binnen een maand twintig fotokopieermachines en anders hoeft er niet meer op te worden gerekend dat er nog een enkele wetenschappelijke publikatie uit onze universiteit te voorschijn zal komen. 

Sleutelroman

Dat Onder professoren behoorlijk wat trekken van een sleutelroman heeft, is intussen wel bekend. Sommige mensen (Lou de Jong, Jan Pen, Andreas Burnier, J.B. Charles) zijn herkenbaar geportretteerd of ze zijn zo vaak benoemd in relatie tot dit boek dat je ze daardoor tijdens het lezen door de personages heen ziet. Bij prof. dr. R. Tamsma, met wie Hermans in zijn Groningentijd een conflict had, heeft hij de naam nauwelijks veranderd (Prof. drs. K. Talsma), maar hij degradeerde hem wel van dr. tot drs. Het is een personage dat er bijzonder slecht afkomt. 

In het Nieuwsblad van het noorden staat bij een bericht over de Nobelprijs bij vergissing het portret van Talsma afgedrukt in plaats van dat van Dingelam. 

Dat snuit van Tamstra in de krant. En als die man nu nog een enigszins fatsoenlijk gezicht had! Maar het is precies de tronie van een spoorloos verdwenen Duitse oorlogsmisdadiger. Moet je dat mondje zien! En die enge oogjes! De overal vruchteloos gezochte voormalige commandant van het Duitse vernietigingskamp. 

Van die vergissing zal Talsma nog misbruik maken. 

Studenten hebben besloten een deel van de universiteit te bezetten, waardoor Dingelam niet meer bij zijn laboratorium kan. Later zal zijn huldiging verhinderd worden door een rookbom. Talsma verklaart zich solidair met de bezetters, maar waarschuwt wel de politie, waarbij hij zich uitgeeft voor Dingelam. 

Dingelam leeft voor zijn vak en hij beseft nauwelijks waarmee de bezetters bezig zijn. 'Baas in eigen reageerbuis' is hun leus. Al op de eerste bladzijde laat de verteller weten dat Dingelam niet veel op heeft met de inspraak die er tegenwoordig geëist wordt op universiteiten. 

Sinds de universiteiten waren gedemocratiseerd, wat inhield dat hij bijna elke week vele uren moest vergaderen om mensen die niets afwisten van de zaken waar ze over praatten, de gelegenheid te geven van hun democratische recht gebruik te maken er toch het hoogste woord over te voeren, ergerde hij zich. 

Aksie!

De modieusheid van het actievoeren blijkt ook uit de spelling die Hermans hanteert als het over de bezetters gaat: aksie, aitems, konkrete situaatsie, prosent, systematiese, tejorie, ekonomiese emansipaatsie, implikaatsies, konsepten, demokraatsie, sosiale en ekonomiese revolutie, repressieve toleransie, hoostesses, sjoow. 

Misschien legt hij een verband met het televisiekijken en typeert hij de studentengeneratie als jongeren die veel tv hebben gekeken. 

Bij het woord 'aitempie' geeft hij een voetnoot: 'telefiesisch voor: onderwerp'. Ook het taalgebruik in de tv-reclame wordt belachelijk gemaakt: heel vaak 'dus'.

Daar kwam die mevrouw die nooit meer kloven in haar vingers had sinds ze het afwasmiddel Lux gebruikte dus. Het water blijft ook langer schuimen dus en het laat geen vette kringen achter in de afwasbak dus en mijn handen blijven gaaf en glad dus. Lux voor de vuile vaat. Met de derde witmaker. 
En daar was die andere mevrouw weer, die haar vlees braadde in Diamantvet dus, omdat het dan veel mooier bruin werd dus en dat alles zonder spatten dus. 
Ook de studenten gebruiken vaak 'dus', en 'weet u wel' zal ook wel zo'n stoplap zijn:

En dat het lijkt of de hele aksie speciaal tegen professor Dingelam was gericht, maar dat is absoluut niet waar, dus. Het gaat om de strukturen van de maatschappij, weet u wel?
Wat ze uiteindelijk willen, is: 'Ol pouwer toe de piepul!'. Ze noemen geregeld Marcuse ('Marcuse heeft zonder aarzeling alle implikaatsies van zijn konsepten geaksepteerd.') maar wat ze over hem zeggen lijkt geen inhoud te hebben. 

Toeval

Uiteindelijk laat Dingelam de universiteit achter zich en hij gaat op reis met Gré, waar ze veel geld winnen in het casino. Stom geluk, zoals het leven van toeval aan elkaar hangt. 

In veel van Hermans' boeken komen stuntels en losers voor, maar Dingelam is een ander soort personage. Hij wordt ineens uitgeroepen tot een bekend persoon, maar wordt daar niet gelukkiger door. 
De nutteloze conversatie met dokter Barend kwam in zijn herinnering terug en bevestigde zijn vermoeden dat de hem toegekende unieke onderscheiding hem tot een van de eenzaamste mensen ter wereld maakte. Alsof hij eigenlijk niet altijd eenzaam was geweest. Maar hij had het tot dusverre tamelijk wel geheim kunnen houden. 
Zijn vrouw is de stabiele factor in zijn leven, op wie hij altijd terug blijkt te kunnen vallen. 

Venijn

Hermans tekent de universitaire wereld met veel venijn. Hij moet daar behoorlijk wat plezier aan beleefd hebben. Zo geeft hij iemand de bijnaam 'Plofje de olifant' en heel vermakelijk is het personage Goudewolf, ex SS'er, wiens hand weigert als hij de benoeming van een joodse hoogleraar moet ondertekenen. Ook heeft zijn rechterarm steeds de neiging om de Hitlergroet te brengen. Tegen de buitenwereld verkondigt hij dat hij in het verzet heeft gezeten: 'Tot over mijn oren, mag ik wel zeggen.' Hij geeft wel toe dat hij niet in een concentratiekamp gezeten heeft, 'maar wel een tijdje gevangen. Maar daar wil ik het nu niet over hebben.'

Grappig is ook dat Roef en Gré een haan krijgen, om te slachten, maar dat kunnen ze niet over hun hart krijgen. Het beest wordt een huisdier, maar poept overal. Uiteindelijk ontsnapt het. 

Ook de beschrijving van de ontmoeting met Talsma in een bordeel, waar alles er heel klungelig aan toe gaat, is op en top Hermans: grappig, met een triest randje.  

Soms duurden gesprekken in het boek me wel wat te lang, soms overheerste de boodschap het verhaal, maar gemiddeld genomen heb ik Onder professoren met veel plezier gelezen. Hermans voert je gemakkelijk mee door het verhaal dat op de meeste plekken genoeg vaart heeft, luchtig van toon is en dat vooral helder is. Het boek haalt het niet bij romans als Nooit meer slapen, De donkere kamer van Damokles, Aantekeningen van een engelbewaarder of Een heilige van de horlogerie, maar het is een roman waar je naar volle tevredenheid een aantal uren aan kunt besteden. 

Eerder schreef ik over:

de Telegraaf 12 september 1975

maandag 21 september 2026

We zijn hier niet om vrienden te maken (Emma van den Berg)


'Ik ben een vriend, geloof ik', zegt Elmer tegen de vader van Werther Nieland in de beroemde novelle van Gerard Reve. Het is het bekendste citaat uit het boek en het laat zien dat het moeilijk is om te weten wat een vriendschap betekent. Over vriendschap is altijd al geschreven, van De vriendschap van Connie Palmen tot Bougainville van F. Springer en Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Maar de laatste tijd kom ik het thema vaak tegen in recente literatuur. Ik las Aardige vrouwen van Megan van Kessel, ik zag de titel We hebben het over je gehad van Stéphanie Hoogenberk voorbijkomen (Dat boek moet ik maar eens gaan lezen) en ik las We zijn hier niet om vrienden te maken van Emma van den Berg. 

Dat boek begint met een kort gedeelte, dat niet begint met een hoofdletter, zodat je het idee hebt dat je ergens middenin valt. Het leest als een proloog. Later kom je erachter dat het een stukje is uit het laatste hoofdstuk. 

Het woord 'hoofdstuk' klopt misschien niet helemaal. We zijn hier niet om vrienden te maken is opgebouwd in vier delen en binnen die delen zijn er een soort van hoofdstukken, maar ze zijn niet genummerd en hebben geen titel. Veel van die hoofdstukken (zo noem ik ze toch maar even) zijn scènes uit het leven van de verteller, Felicia, door haar ouders Fee genoemd, door haar vriendin Sacha Fees. 

Sacha en Fees

Het eerste deel heet 'Sacha en Fees' en beschrijft de basisschooltijd van de twee vriendinnen. Aan het eind ervan komt er een derde in het verbond, Cat. Een vriendin, maar ze voelt voor Felicia ook als een concurrent. Cat is er ineens als Fees terugkomt van vakantie. 

Sacha wilde met z'n drieën afspreken: zij, Cat en ik. Het was een heel redelijk voorstel, dus zei ik ja, terwijl ik eigenlijk boos wilde doen. Ik wilde dat ze naar mijn vakantie in Frankrijk vroeg en welke smaken ijs ik daar geproefd had. 

Fees heeft de oudere rechten op de vriendschap en ze heeft het idee dat ze daarin voorbijgestreefd is door Cat. Zeker als Cat ook nog op de begrafenis van de oma van Sacha mag komen. 

Ik vroeg me ondertussen af waarom Cat op de begrafenis mocht komen. Ze had Sacha's oma nooit ontmoet toen ze nog leefde en ik vond het behoorlijk vroeg in de vriendschap om iemand uit te nodigen voor de begrafenis van een ander. Sacha en Cat waren nog niet eens op elkaars verjaardagsfeest geweest. Ze wisten niet van welke taarten de ander hield en welke cadeautjes het meest gewenst waren. 

De drie leven in een toeristisch dorp aan het Markermeer. Fees vergelijkt zichzelf en Sacha met het Markermeer en het IJsselmeer, waartussen de Houtribdijk ligt. Dat zou dan Cat zijn, degene die scheiding aanbrengt tussen de twee. 

Onvoorwaardelijk

Het tweede deel ('Sacha en Fees en Cat') beslaat de tijd van de middelbare school. De meiden zijn naar verschillende scholen gegaan, maar ze houden contact met elkaar. Ze hebben een hechte vriendschap en Cat benadrukt de onvoorwaardelijkheid ervan:

Onze vriendschap is onvoorwaardelijk, zei Cat. Ze zei dat wel vaker. 
Ja, zei ik. Sacha knikte.
Als ik een zwerver moest worden óf onze vriendschap op moest geven, dan werd ik een zwerver.
We knikten driftig. Ja, wij ook. 
Ik zou me nog eerder laten verkrachten dan dat ik onze vriendschap opgeef. 
Oké, zei ik. 

Fees knikt driftig mee als Cat het zegt, maar uit haar laatste reactie blijkt toch enige reserve: onvoorwaardelijkheid gaat wel erg ver. 

In de titel van het derde deel, 'Felicitas', is alleen de hoofdpersoon overgebleven, al heeft ze nog wel contact met Sacha en Cat. Felicitas is intussen gaan studeren. Dat de vriendschap niet meer zo stevig is, blijkt bijvoorbeeld als Fees Sacha na een feestje niet naar huis wil brengen, hoewel haar vriendin zich echt niet goed voelt. 

Het is niet direct onwil, het is ook ongemak. Fees voelt zich schuldig omdat ze Sacha tijdens het feestje uit het oog verloren is en ze meent dat ze zich aan een jongen verplicht heeft nog even te blijven. Fees is een zoeker, die probeert uit te vinden hoe het leven eigenlijk moet, wie ze is. 

En dat is niet gemakkelijk. In een appartement woont ze met vier anderen, die elk hun eigen kamer hebben, waarvandaan de geluiden doordringen tot Fees. 

De band die ik had met de buren was de intiemste die ik gekend had. Op hun beurt konden zij mij vaker horen huilen dan mijn vrienden of familie dat ooit gedaan hadden. 

Leugens

Cat is altijd erg aanwezig, weet zich te presenteren en liegt als haar dat beter uitkomt. Dat laatste was er al vanaf het begin, toen Cat vertelde dat ze een fotografisch geheugen had, maar niet meer de plek wist waar ze haar fiets neergezet had. Nu vraag Felicia haar waarom ze liegt. 

Nog een paar tellen bleef ze stil. Omdat ik me dan beter voel over mezelf, fluisterde ze toen terug. Het was geen moment van inkeer of emotie, het bracht ons niet dichter bij elkaar en voelde ook niet kwetsbaar. Ze bracht het op de toon van iemand die woordjes had gestampt en een vertaling oplepelde. Droog en feitelijk. 

Het laat zien dat Felicia intussen anders in de vriendschap staat dan vroeger. In de loop van de tijd gaat het minder goed met Sacha en uiteindelijk wordt ze opgenomen, wat ze aanvankelijk niet wil vertellen. 

Ik wist niet hoe ik haar moest uitleggen dat ik boos was omdat Sacha altijd eerlijk tegen me geweest was, zolang ik mij kon herinneren, en ik wilde niet twee vriendinnen die logen. Ik wilde er maar eentje (...). En ik wist niet hoe ik haar moest uitleggen dat de woede me tegelijkertijd bevrijdde, dat ik het misschien al langer gezocht had, maar nooit een goede reden had gezien om het te voelen. 

Felicia besluit te stoppen met de vriendschap, of die in ieder geval op te schorten. 'Misschien is het beter als we elkaar even niet zien', laat ze weten. Cat reageert met: 'Je hebt ons misschien niet meer zo hard nodig, maar wij jou wel.' Later zal ze zeggen dat ze zichzelf uit de optelsom van hun drieën haalde. 

Ze wil bij de coole mensen horen, maar ze weet niet goed hoe dat moet. En ze heeft al vaak gelezen dat je eerst van jezelf moet houden om van een ander te kunnen houden. Op dat gebied heeft ze nog wel wat werk te doen.

Terugkijken

Dat lezen we in het vierde deel, 'Feest', dat niet zo feestelijk is. Nou ja, Fees viert haar dertigste verjaardag, maar juist dan is ze gedwongen om terug te kijken op de vriendschap van hun drieën. Weliswaar heeft ze negen keer de box dvd's van Friends gekeken, maar ze vraagt af in hoeverre ze een vriendin is geweest. Bij herinneringen heeft ze toch al de neiging om juist de pijnlijke naar boven te halen:

Ik heb het idee dat ik veel belangrijke dingen vergeet, terwijl juist de momenten die ik het liefst zou vergeten me hardnekkig bijblijven. 

Eigenlijk kan ik best vertellen wat er precies in het vierde deel gebeurt, want We zijn hier niet om vrienden te maken moet het niet in de eerste plaats hebben van de plot, maar als iemand toch daar haar of zijn leesplezier aan meent te kunnen ontlenen, wil ik die ook niet voor de voeten lopen en daarom laat ik maar in het midden wat de aanleiding is voor de terugblik van Fees, de eerste drie delen. 

Ze voelt zich achteraf schuldig tegenover Sacha (en Cat):

Ik heb dingen nagelaten en fout gedaan, en kan alleen maar concluderen dat ik hier niet ben om vrienden te maken. Ik zal zonder hen kunnen doorleven, ik zal mijn ledematen aan laten groeien, ik zal ze nooit eindeloos liefhebben. Ik ben bang dat ik vluchtig van haar hield terwijl zij dieper van mij hield. Ik ben bang dat ik slechts verliefd was, als een wind die over het wateroppervlak strijkt, terwijl zij een vriend nodig had, wat een veel dapperder gevoel van mij vereiste, dat ik nooit kon geven. En ik ben bang voor de grenzen die ik ben overgegaan in de nachten die ik bij haar thuis doorbracht, als ik bij haar mocht liggen, de keren dat ik haar aanraakte en ze verstijfde en ik doorging, en ik ben bang voor mijn aandeel in alles wat volgde, want ik wil helemaal niet verantwoordelijk zijn en ik verlang nog steeds naar slachtofferschap. Het lukt me alleen niet meer om het uit de pijn van een ander te halen. 

Dat betekent dat ik ben aangewezen op mijn eigen schamele en vooral doodnormale leven. 

Schamel leven

'Wie zijn makkers in de steek laat, laat alleen zichzelf alleen', schreef George Groot in zijn bewerking van het Solidariteitslied van Bertolt Brecht. Daar moest ik aan denken bij het lezen van We zijn hier niet om vrienden te maken. Fees beziet haar 'eigen schamele leven', waarmee ze verder moet. Pas nadat ze de vriendschap heeft opgezegd en gedwongen is erop terug te kijken, ziet ze wat de som der delen van die vriendschap was, maar ook welke rol zij erin gespeeld heeft. 

Het laatste hoofdstuk in de roman is mij net te expliciet, geeft net te veel uitleg, alsof er toch een soort conclusie moet zijn. Dat vind ik een beetje jammer, want de kracht van het boek zit juist in het laten zien wat er gebeurt, in de aaneenrijging van de scènes, zonder nadere uitleg. En ook heel erg in de vertelstem: die heeft iets laconieks en de ironie die er vaak is, houdt de vertelster een beetje op afstand tot wat er gebeurt, misschien ook wel omdat dat voor haar de minst ongemakkelijke positie is. 

Het gevolg is dat de gebeurtenissen, ook als ze belangrijk zijn, zijdelings verteld lijken te worden. Ook omdat de vertelster misschien niet altijd in de gaten heeft wat er belangrijk is in haar leven. Pas nu ze terugblikt, kan ze het belang scherper zien. 

Ook door de opzet (korte hoofdstukjes), vlieg je bij het lezen door We zijn hier niet om vrienden te maken heen. Maar net als Fees, moet je je daarna afvragen wat je nu eigenlijk gelezen hebt, wat er nu gebeurd is, zoals er ook in je eigen leven soms dingen tussen jou en anderen gebeuren waarvan je maar moeilijk kunt inschatten wat die betekenen. Of misschien neem je niet de moeite om er bij stil te staan. 

Fees heeft bij veel dingen misschien te weinig stil gestaan. Maar de lezer kan er niet omheen. En als het boek uit is, gonst het nog een tijdje na in je hoofd. 

Emma van den Berg, We zijn hier niet om vrienden te maken. Roman. Uitg. Lebowski, 176 blz. € 22,99