Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

dinsdag 28 juli 2026

Een moeder van niks (Annemarie Oster)

Geregeld lees ik wat oudere boeken om de gaten in mijn kennis iets kleiner te maken. Daarbij heb ik vooral aandacht voor vrouwelijke auteurs, omdat ik vermoed dat ik die nogal eens veronachtzaamd heb. Daarom heb ik bijvoorbeeld ook geschreven over bijvoorbeeld Aleida LeeuwenbergIna Boudier-BakkerHermine Heijermans en Anja Meulenbelt.

Deze keer schrijf ik over Annemarie Oster. Ik had nooit wat van haar gelezen, wel eens iets over haar. In 2025 verscheen er een boek van haar: Mannen. Over charmeurs, egotrippers, kroegtijgers, hoogvliegers en gewoon leuke jongens. Leek me een leuk boek. Ga ik misschien ook nog lezen. 

Wat wist ik verder van haar? Wie haar ouders zijn (want dat wordt er altijd bij vermeld als het over haar gaat) en wat titels: Een moeder van niks (1980) en Mooi geweest (2022). Die laatste titel staat me erg aan, vanwege de ironie erin. Ik dacht dat ze ook Dame in broekpak had geschreven, maar dat is van Annie van den Oever. Van haar heb ik ook nooit wat gelezen en dat moet ik wel gaan doen. 

En ik wist dat Oster Bomans goed gekend heeft. Ik heb de biografie in huis en heb gekeken wat daar over haar gezegd wordt. Niet dat Bomans haar 'Dijmans' noemde. Blijkbaar vond hij haar benen bijzonder. Ik zal Oster dat wel eens hebben horen zeggen in een documentaire over Bomans, vermoed ik. 

NRC Handelsblad, 28 november 1980

Verhalen, columns

Een moeder van niks was haar debuut. Volgens de ondertitel zijn het verhalen, zeventien stuks, maar ze lezen als columns. Misschien omdat de auteur er zelf prominent in voorkomt en dat er van fictie weinig sprake lijkt te zijn. De verhalen gaan over het moederschap. 

Indertijd moet het een succesvol boekje zijn geweest. De eerste druk verscheen in september 1980 en een maand later moest het al herdrukt worden. Ik las de vierde druk, uit april 1981. 

Carmiggelt prijst op de flaptekst Een moeder van niks aan. Die tekst leest wel erg als een reclametekst en tijdens het lezen van de verhalen vroeg ik me af of ik ook nog verwantschap met het werk van Carmiggelt kon ontdekken.

Ook hij kwam vaak in zijn eigen stukjes voor en hij observeerde de wereld en vooral de mensen om zich heen scherp. Die scherpe observaties heeft Annemarie Oster zeker. 

Het dichtst bij Carmiggelt komt ze in het verhaal 'Zielig vriendje' over een jongetje van wie de moeder het gezin heeft verlaten. Ze praat met de vader. Die ogenschijnlijk liefdevol over zijn ex-partner praat, maar daar ook iets vileins doorheen laat glippen. Hij wordt getypeerd door hoe hij vertelt, zoals Carmiggelt dat ook deed. Oster maakt van de vader prachtig een personage. Dan komt wat Oster schrijft nog het dichtst bij een verhaal. 

Voor de rest lees ik ze als columns en misschien zijn ze dat voor een deel ook wel geweest. Het zou zomaar kunnen zijn dat een verhaal opgebouwd is uit verschillende columnachtige teksten. 

Troostend

Oster schrijft dus over de opvoeding. Die komt voornamelijk op de moeder neer in haar boek en dat valt nog niet mee. Je kunt van alles verkeerd doen en dat doe je dan dus ook. 

Ik kan me voorstellen dat het voor de opvoeders van toen heel troostend was om deze verhalen te lezen. Lastige situaties komen in alle gezinnen voor en blijkbaar mag je daar openlijk over praten. Het moederschap hoeft blijkbaar niet alleen een zegen te zijn, het heeft ook moeilijke of ronduit vervelende kanten. 

Neem nu een situatie als deze:

Het is lekker weer en ze vervelen jou en zichzelf tot gekwordens toe. 'Waarom gaan jullie niet buiten spelen?' Een opdracht in vragende vorm, bovendien nog verpakt als negatief zwakte-bod, 'waarom nou niet', is tot mislukken gedoemd. Je had het kunnen weten, druiloor. En zeker met iets te veel volume, na opgekropte irritatie onvermijdelijk. Dan wil het zelfs wel eens een averechts effekt sorteren, zoals verlammingsverschijnselen, op de grond liggen, ergens aan hangen of over elkaar heen dweilen. 'Nee, we willen binnen.'

Of dat je een situatie daadkrachtig ter hand neemt, maar dat je, terwijl je dat doet al begint te twijfelen aan je beslissing.

Was jij een meisje van Jan de Wit! Vooruit, jij moest het heft maar weer in handen nemen: 'jongens we gaan op onderzoek uit.'
Nauwelijks had je die veelbelovende woorden uitgesproken, of het werd je bang te moede want kon je dit vooruitzicht wel invullen, liep de voorgenomen tocht met jou als zonnig akela aan de kop, niet op stront uit?

Het moederschap slurpt veel energie op. Dat heeft de vertelster er ook echt wel voor over, maar ze vraagt zich ook af of ze daarbij niet over haar eigen grenzen gaat. 

Ja jongetjes, vriendjes, jullie hebben het leuk gehad en mamma dus ook want die houdt van jullie. Maar misschien iets te veel en misschien iets te weinig van zich zelf...

Dame, werkster, hoer, moeder

En het is niet alleen het moederschap. De vrouw heeft veel rollen. En in al die rollen moet ze excelleren. Vinden anderen. Maar vindt ze vooral ook zelf. De opvattingen van de maatschappij zijn geïnternaliseerd en het is heel moeilijk om je daaraan te onttekken. 

Hoe was het ook weer? Dame op straat, werkster in de keuken. Hoer in bed. En moeder, waar zat die?

Deze drie rollen komen in twee verschillende verhalen expliciet terug. 

Door het moederschap is de vertelster in een andere fase terechtgekomen. Er is ineens een verantwoordelijkheid die er daarvoor niet was en je bent ook ineens geen meisje meer, maar een vrouw. En niemand heeft het erover dat het moeilijk is. Voor de lezers is het natuurlijk fijn dat dat eens opgeschreven wordt en voor de vertelster is het fijn als ze hetzelfde geworstel in iemand anders herkent.

Hoe weinig geestverwante ook, opeens kun je zielsveel van zo'n vrouw houden al was het alleen maar doordat je weer eens bewezen ziet dat je niet de enige bent, niet de enige geteisterde moeder en dus nooit meer meisje, niet de enige met dat afgedwongen verantwoordelijkheidsgevoel waarvan je zo jong schijnt te blijven maar waardoor jij je juist vaak zo stokoud voelt.

Kwetsbaar

Je bent kwetsbaar in je kinderen en je maakt je zorgen over hen. Als ze naar een nieuwe school gaan, hou je ze extra in de gaten. 

Op de officiële kennismakingsavond een paar weken later als de school op volle toeren draait, zegt de juffrouw op voorzichtige toon dat je zoon wat 'aanpassingsmoeilijkheden' heeft. Ze had je net zo goed met de vlakke hand een klap in je gezicht kunnen geven. 

En je kinderen zelf wat laten doen (iets kopen, bijvoorbeeld) gaat gepaard met zorgen en met fantasieën over wat er allemaal kan gebeuren. 

Terwijl jij je nog paniekerig zorgen had staan maken dat ze uren moesten wachten, -al die grote klerelijers zouden natuurlijk voordringen, ze onder de voet lopen of hun geld zou vallen en als ze het op wilden rapen, zou een botte laars op hun handje trappen of ze zouden in de verdrukking komen tussen dat nietsontziend, gevoelloos volkje. Niets daarvan. Ze deden gewoon wat er gedaan moest worden en verder geen nieuws. 

En de vertelster wil het juist zo graag goed doen. Ze geeft een blik in haar verleden, toen ze als meisje last over de familie De Bloeme, in een christelijk jeugdboek, en zich identificeerde met het voorbeeldige meisje Meta. Zoals Meta zou ze ook willen zijn en daarin schoot ze steeds tekort. 

Het geploeter van een vrouw die alles maar op de rit moet houden, die voor de buitenwereld dat met een zekere opgewektheid doet, maar die ook haar twijfels heeft, die ook niet altijd het geduld heeft, die soms ook niet weet hoe het allemaal moet - dat zal indertijd zeer herkenbaar en, zoals gezegd, troostend geweest zijn. 

En de verhalen lezen ook wel lekker. Er zit een montere toon in, ook (of juist) als ze over de lastige dingen schrijft. Door de ironie zit er ook altijd wel wat afstand in, maar die ironie maakt het moeilijke ook verteerbaar. Het lezen roept een glimlach op en toch kun je niet heen om wat er staat: dat opvoeden geen kattenpis is. 

Schuldgevoelens

Natuurlijk is Annemarie Oster geen moeder van niks, maar het is de vrees om dat gevonden te worden, de gedachte aan het oordeel van anderen dat soms ook het oordeel van jezelf is. Zeker nu ze is gaan schrijven. Er komt een oppas voor de kinderen, maar intussen zit moeder in een ander vertrek te schrijven. Fijn dat het zo kan, maar ze is vervuld van schuldgevoelens. 

Moeder van het jaar nul die haar kinderen niet eens zelf verzorgt omdat ze zich zo nodig moet ontplooien, creatief wil zijn... creatief, dat kun je ook met de kinders samen: boetseren, knutselen... of je neemt een werkje ter hand, ben je tóch aanspreekbaar... Maar nee... luxepop moet zich zo nodig afzonderen, in het luchtledige oplossen: dag mamma... pfft, een stofwolk en mamma is vervluchtigd, bestaat alleen nog uit twee ijle handen boven de schrijfmachine en voor de rest... niet thuis!

 Schuldgevoelens, zelfverwijt - ze zijn nooit ver weg in Een moeder van niks. Vaak nog wel een beetje luchtig verwoord.

Als moeder faal je dat het een aard heeft, je schrijft uitsluitend kokette nonsens en mooi ben je ook al lang niet meer, zo je het ooit geweest bent. 

Maar onder de lichtheid zit wel degelijk zwaarte en die brengt Oster zeker over. 

Eigenlijk heb ik Een moeder van niks niet als literatuur gelezen. Ik was tijdens het lezen ook helemaal niet zo gericht op hoe het geschreven was, maar meer op wat Oster over wilde brengen, wat dat zei over de maatschappij van toen en mogelijk nog steeds over die van nu, waarin moeders door de sociale media nog meer normen opgelegd krijgen (of zichzelf normen opleggen) waaraan ze moeten voldoen. 

Opvallend is de eigenzinnige spelling, die toen ongetwijfeld als modern gold en waaraan ik me indertijd ook wel schuldig heb gemaakt. Blijkbaar was de 'c' een conservatieve letter en die moest dus zoveel mogelijk door de 'k' vervangen worden: kompetitie, kommentaar, kapitulerend, gekombineerd, dekorgeveltjes en nog veel meer 'k's'. Nu doet dat juist gedateerd aan. 

Misschien geldt dat ook wel voor nieuwvormingen als: af-laten-weterig, met een kluitje in het ried stuurderig gedrag, dit soort natte-hond-achtige medemannen. Maar, met mate gebruikt, hebben die ook wel iets grappigs. 

Ik denk dat de kracht van Een moeder van niks zit in de scherpe observatie, van de omgeving, van de kinderen, van de vertelster zelf. En die dan nauwkeurig verwoorden, zodat anderen herkennen waarover het gaat. 

Natuurlijk gaat het over een andere tijd en als er verteld wordt over De Man van Zes Miljoen is dat voor mij zelfs pure nostalgie. Maar de problematiek is actueel: de eisen die aan je gesteld worden en waaraan je wilt voldoen, ook als je inziet dat dat eigenlijk te veel gevraagd is. Hoe je op die manier klem komt te zitten, heeft Oster goed beschreven. 


Toen ik zocht op 'Annemarie Oster, Een moeder van niks', omdat ik een afbeelding wilde van het boek in de uitgave die ik gelezen had, stuitte ik op deze foto. In het boek dat ik hierboven bespreek, zijn de kinderen jonger: de jongste is nog een kleuter. De omslagtekening van Een moeder van niks is van Anjo Mutsaars, die verschillende omslagtekeningen zou maken voor de Salamanderreeks. 

woensdag 22 juli 2026

Fenrir (Hella S. Haasse)

Van Hella Haasse (1918 - 2011) heb ik best wat gelezen, maar ook heel veel niet. Vooral aan sommige van haar vroege romans ben ik nooit toe gekomen, zoals aan Het woud der verwachting (1949), De scharlaken stad (1952) en De ingewijden (1957). Sommige daarvan heb ik intussen in huis en ik hoop er de komende tijd te vinden om ze alsnog te lezen. 

Van haar latere werk besprak ik hier Sleuteloog (2002) en nu heb ik Fenrir (2000) gelezen. Het behoort niet tot haar beste boeken, maar een iets mindere Haasse is altijd nog te verkiezen boven een hoop andere boeken. 

De ondertitel is Een lang weekend in de Ardennen. Dat 'weekend' is wel heel ruim bemeten: de tijd die beschreven wordt loopt van 24 september tot en met 21 oktober en dan is er nog een epiloog die zich twee maanden later afspeelt, in september. Maar het duurt inderdaad tot in oktober voor alle personages in de Ardennen zijn. 

In de ban van wolven

In een soort proloog worden we voorgesteld aan de journalist Matthias Crone, die op 25 september naar een concert van de pianiste Edith Waldschade is geweest. Hij is al sinds zijn vroege jeugd in de ban van wolven en hij werkt zelfs aan een wolvenencyclopedie. Nu heeft hij vernomen dat Edith Waldschade wolven houdt in het bos bij haar landhuis in de Ardennen. 

Crone weet zo'n beetje alles van wolven. Zo kent hij ook de wolf Fenrir. Daarover schrijft Edith in een brief aan ene Jon:

Tot mijn vroegste herinneringen hoort het ogenblik waarop mijn vader mij vertelde van de Wolf Fenrir, die jaar na jaar probeert de zon te verslinden. De zon verliest aan stralenkracht, dooft tot een bloedrode bol, weerloze prooi van het ondier. Oorlog en rampen teisteren de wereld, kinderen vermoorden hun ouders, broers slaan elkaar dood, 'de mens de mens een wolf', een ijskorst bedekt de aarde, en dan wordt het voor lange, lange tijd nacht. 

Het huis in de Ardennen heet Breidablick, zoals in de Oudnoorse mythologie het huis van Balder, de god van licht en vreugde. 

In het huis woont ook nog Ediths zus Gerda met haar man Egon Blanck en dochter Siv. Hen zou Edith het liefst uitkopen, maar het is maar de vraag of ze dat willen. En dan duikt er nog een opmerkelijke man op, Erwin, die beweert een halfbroer van de zussen te zijn. Hij zou geboren zijn uit een eerder huwelijk van hun vader, Erik Waldschade. 

Nieuwe heidenen

Bovendien haalt een bijeenkomst van 'nieuwe heidenen' op het landgoed de krant. De bijeenkomst is georganiseerd door Grootmeesteres Gerda Blanck, 'die diverse spreuken en bezweringen zingzegde en op de harp een aantal mysterieuze composities ten gehore bracht.' De schrijver van het artikel vindt dat er een luchtje aan de bijeenkomst zit: 'Wordt hier een extreem rechtse vrijplaats gevormd? Waakzaamheid lijkt geboden.'

De verdachtmakingen komen niet uit de lucht vallen. De moeder van Edith komt uit een ultrarechtse flamingantenfamilie en er zijn vragen over de zuiverheid van vader, die germanist was. Deugden zijn opvattingen eigenlijk wel?

Edith had een goede verhouding met haar vader en ze heeft hem altijd verdedigd, maar ze heeft ook vragen:

Toch heb ik de indruk dat ik iets over het hoofd zie. Er blijft ergens een lacune, het gemis van een essentieel gegeven. Nooit eerder heb ik duidelijk beseft dat er op de achtergrond van mijn verhouding tot vader sprake is van een onbeantwoorde vraag. 

Intussen heeft Matthias een oud-klasgenoot ontmoet, Rollo Bley, die hij jaren niet meer gezien heeft. Rollo houdt zich bezig met zaken die het daglicht niet of nauwelijks kunnen verdragen. Hij blijkt toevallig Siv (de dochter van Gerda en Egon ontmoet te hebben). Matthias gaat met hem mee naar Breidablick. 

Toevallig

Het lijkt erop dat Haasse zich in allerlei bochten heeft moeten wringen om Matthias op Breidablick te krijgen. Te veel toeval, te gekunsteld. Er zijn meer van dat soort toevalligheden. In de epiloog wil de mogelijke halfbroer Erwin een asielzoekerscentrum openen in een dorp en dat is toevallig het dorp waar Matthias geboren is. 

En dan heb ik het nog niet gehad over de verhaallijn van Edith en Jon, de violist met wie ze jarenlang een duo heeft gevormd, maar met wie ze geen contact meer heeft. Daar bijkt Erwin ook iets meer over te weten. 

Matthias komt in ieder geval in contact met Edith en krijgt toestemming van haar om de bibliotheek te gebruiken, waarin het complete werk van haar vader te vinden is. Wat hij daar vindt, werpt mogelijk een ander licht op vader Waldschade. 

Spannend

Fenrir is wel een spannend boek. Je zit als lezer met heel veel vragen: Deugde de oude Waldschade? Is Erwin een halfbroer? Wat gebeurt er met die nieuwe heidenen? Hoe zat het tussen Edith en Jon? Hoe gaat het verder met de wolven? Het lijkt erop dat Haasse niet alle verhaallijntjes goed aan elkaar geknoopt krijgt en je vraag je af of al die lijnen wel van belang zijn. Maar het verhaal blijft wel vaart houden. 

Verder zijn er allerlei soorten teksten. Als er over Edith geschreven wordt, is dat in de vorm van een soort toneeltekst, er zijn brieven, een krantenbericht en 'gewoon' proza dat je in een roman verwacht. Waarom bijvoorbeeld de teksten over Edith op deze manier vorm hebben gekregen was me niet duidelijk. 

Hoe het afloopt, zal ik niet verklappen. Er zit best wat actie in het verhaal, zeker als blijkt dat de wolven ontsnapt zijn. Ik heb me tijdens het lezen niet verveeld. Fenrir is nog altijd een Haasse en schrijven kan ze wel. Maar het niveau van Sleuteloog, dat ze twee jaar later zou schrijven, heeft Fenrir niet. 

Wel zijn er elementen in die nog steeds actueel zijn en dat verraste me wel. Natuurlijk denk ik hierbij aan de hele wolvendiscussie, maar ook aan die over de opvang van asielzoekers en over mensen die teruggrijpen op oude natuurreligies. Fenrir is meer dan vijfentwintig jaar oud, maar het verhaal oogt nog redelijk fris. Ik kom het op boekenlijsten tegenwoordig niet meer tegen, maar het zou er nog best op kunnen. 

Eerder schreef ik over:

Boekenweek 1959 (Haasse schreef het Boekenweekgeschenk)

maandag 20 juli 2026

Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes (Hendrik Smeeks)

Hoe actueel de discussie is over het lezen van hertaalde werken, weet ik niet: ik heb het niet bijgehouden. Uit het verleden herinner ik me dat er voorstanders waren, die vonden dat het lezen van hertalingen een goed middel is om de oudere literatuur toegankelijk te maken en tegenstanders die vonden dat je daarmee de literaire werken verminkt. 

Intussen zijn er, zeker bij uitgeverij Kleine Uil heel wat hertalingen verschenen, die ik allemaal langs me heen heb laten gaan. Ik heb ze wel gezien, maar ik heb ze niet gelezen. Veel van die werken las ik in de oorspronkelijke uitgave en als ik een boek als De stille kracht van Couperus zou gaan herlezen, zou ik ook weer de oude uitgave kiezen. Maar ik heb makkelijk praten. Er zijn lezers voor wie de drempel naar de oudere literatuur hoger is. 

Ik heb geen bezwaar tegen hertalingen, ook niet als de hertaler fors ingrijpt in de oorspronkelijke tekst. Bij sommige romans uit bijvoorbeeld de negentiende eeuw, kunnen er bijvoorbeeld best wat natuurbeschrijvingen uit, zonder dat de werken worden aangetast. 

Bovendien hoor je de bezwaren die aangevoerd worden tegen hertalingen niet bij vertalingen. Als dat een Russische roman van een paar eeuwen geleden is, wordt die vertaald in hedendaags Nederlands en daar is blijkbaar geen bezwaar tegen. Misschien moeten we dan ook niet te moeilijk doen over hertaalde werken uit een wat ouder Nederlands. Mogelijk zijn ze een toegangspoortje tot literatuur die anders niet toegankelijk zou zijn. 

Misschien had ik ooit gehoord van de Beschyvinge van het magtig Koningryk Kinke Kesmes (1708), gelezen had ik het niet. Maar nu de hertaling verschenen is (Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes), werd ik nieuwsgierig. De hertaling is van Arjen van Meijgaard, die van de oude tekst helder en goed leesbaar Nederlands heeft gemaakt. 

Imaginair reisverhaal

Krinke Kesmes (ik kort het maar even af) is een imaginair reisverhaal, zoals we er meer kennen. Van Reize door het Aapenland tot Eene aanmerkelijke luchtreis. Bekend werd Robinson Crusoë (1719) van Daniel Defoe, dat in het Nederlands vele navolgers kreeg, zoals De Hollandsche Robinson (1743), De Walcherse Robinson (1752) en De Haagsche Robinson (1758). Maar binnen het verhaal over Krinke Kesmes zit al een robinsonade en dat is elf jaar voordat het boek van Defoe verscheen en dus ook al voordat het woord  'robinsonade' bestond. 

Tegenwoordig is zo'n beetje de hele wereld in kaart gebracht, maar er was een tijd dat dat nog niet zo was, waardoor je kon fantaseren over een mogelijk bestaand land. Zo'n land was het Zuidland, waarnaar de titel van het debuut van P.F. Thomése verwijst. 

Ook in Krinke Kesmes wordt er gezocht naar het Zuidland. De verteller is Juan de Posos. Hij heeft contact met een meester, die wel wat wegheeft van de auteur, Hendrik Smeeks, chirurgijn te Zwolle.  Deze meester heeft al over allerlei onderwerpen nagedacht, van organisatorische zaken bij het aandoen van het Zuidland tot de zeestroom bij Texel. De verteller vindt het allemaal even interessant en dat is het ook wel, maar de uitgebreide behandeling ervan gaat wel ten koste van de grote lijn in het verhaal. 

Uiteindelijk gaat de verteller op reis, vanuit Panama naar de Filipijnen en belandt hij in Krinke Kesmes. Hij wordt vriendelijk ontvangen en hij ontmoet iemand die als scheepsjongen bij de verkenning van het eiland zijn groep is kwijtgeraakt. De anderen hadden gelukkig spullen voor hem achtergelaten, zodat hij zich een beetje kon redden en er wordt uitgebreid verteld hoe hij aan eten komt, hutten bouwt en zich weet te verdedigen. 

Dat verslag is eigenlijk het leukste van het hele boek: er zit spanning in, het is vernuftig uitgedacht en het is echt een verhaal, zonder allerlei uiteenzettingen. Verder krijgt de verteller allerlei geschriften te lezen en is er een gids (de Garbon) die hem allerlei dingen laat zien. Zo krijgen we een beeld van het machtig koninkrijk. 

Godsdienst

Op Krinke Kesmes zijn er verschillende zaken die, zeker vanuit het oogpunt van nu, interessant zijn. Zo wordt er niet gekozen voor een al bestaande godsdienst, maar zijn er vijf geboden voor de daar geldende godsdienst, waarvan er eentje behelst dat je eerlijk en rechtschapen moet zijn en een ander dat je anderen moet behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Daarbij moet je wel gehoorzaam zijn aan de gezagsdragers en gewillig belasting betalen en je moet dagelijks de engel Baloka groeten. 

In dit boek wordt er duidelijk stelling genomen tegen godsdiensttwisten. Niet alleen tegen de twisten tussen de verschillende godsdiensten, maar ook die binnen een godsdienst, waar de ene denominatie de heilige tekst beter begrepen denkt de hebben dan de andere. 

Elke geloofsgemeenschap, hoe tegengesteld ze ook aan elkaar zijn, kan de heilige teksten zo uitleggen dat het in haar straatje past. Daarom bewijzen die heilige teksten niets met zekerheid aan mensen die onpartijdig zijn. 
Het geloof is in talloze groeperingen verdeeld die elk beweren dat zij de enige echte wetten van God volgen. Het tegendeel is het geval, er is weinig fatsoen, veel mensen doen elkaar kwaad en danken daarna God voor de slechte dingen die ze hebben gedaan. 

Dat hebben ze dus op Krinke Kesmes anders geregeld. En het advies dat in het boek gegeven wordt, kunnen mensen zich nu nog steeds aantrekken:

Geloof zonder net te doen alsof, maar wees niet al te godsdienstig of te ijverig met godsdienstige zaken. Pas op voor beloftes waar je zelf niets aan hebt en de ander uiteindelijk ook niet. 

Er zijn nog meer spreuken en adviezen die nog steeds fris klinken. Over de opvoeding:

Wie meer bezig zijn met rijk worden en niet met de opvoeding van hun kinderen, die uiteindelijk die rijkdom moeten erven, zijn gek. 

Of deze:

Voor de jongeren werkt het beter om het goede voorbeeld te geven met oefeningen, dan ze te onderwijzen. Want een voorbeeld geven gaat boven praten, preken en schrijven. Omgaan met goede mensen is de adem van de ziel. 

Nemman en Wonvure

Dan zijn er nog twee bijzondere eilanden: Nemman (anagram van 'mannen') en Wonvure (anagram van 'vrouwen'). Op het eerste leven en studeren ongetrouwde mannen. Je blijft er acht jaar en in die tijd kun je studeren of een ambacht leren. Het eiland is ook voor arme mannen beschikbaar. 

Wonvure is een soortgelijk eiland, maar dan voor vrouwen. Vrouwen hebben dus dezelfde rechten als mannen en daarmee is Krinke Kesmes de tijd ver vooruit. 

Hendrik Smeeks heeft met de Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes een bijzonder boek geschreven. Aan de ene kant wilde hij blijkbaar kwijt hoe een samenleving beter zou kunnen dan die waar hij zich in bevond. Dat wilde hij doen door een verhaal te vertellen. Het eerste is beter gelukt dan het laatste. 

Het verhaal komt vrij traag op gang en in het begin zit er nog niet zo heel veel richting in. Dat wordt beter als het gezelschap aankomt in Krinke Kesmes, al zijn er in dat verhaal ook nog allerlei uitweidingen over de gebruiken in Krinke Kesmes. Die heb je aan de ene kant nodig om een beter beeld van het koninkrijk en zijn gebruiken te krijgen, aan de andere kant stokt dan ook het verhaal. Het verhaal in het verhaal van de man die zich alleen moet zien te redden in het land waar hij gestrand is, is het spannendste gedeelte van het boek. 

Krinke Kesmes is een vrij omvangrijk boek en ondanks de heldere taal is het voor sommigen misschien toch een kluif. Dat ligt niet aan de hertaling, maar aan het oorspronkelijke boek. Maar wie een bijzonder verhaal wil lezen, mag ook best een beetje doorbijten. In ieder geval ben ik blij met deze Beschrijving van het machtig koninkrijk Krinke Kesmes, dat ik zonder de hertaling waarschijnlijk nooit gelezen zou hebben. 

Hendrik Smeeks, Beschrijving van het machtig koninkrijk Krinke Kesmes. Hertaling: Arjen van Meijgaard. Uitg. Kleine Uil, 256 blz. € 22,50

woensdag 15 juli 2026

Finale (Ina Boudier-Bakker)

Het werk van Ina Boudier-Bakker heb ik lange tijd nogal verwaarloosd. In een ver verleden las ik, min of meer bij toeval, Een dorre plant (1909), maar daar heb ik weinig herinneringen aan. Daarna liet ik haar werk een aantal jaren links liggen. 

De laatste tien jaar (zo ongeveer) lees ik elke paar jaar wat van haar en daar schrijf ik dan ook over. Links naar de besprekingen vind je onderaan. Aan De klop op de deur (1930) hebben veel mensen dierbare herinneringen en misschien verwachtte ik er daarom net te veel van. Maar De eeuwige andere (1959) vond ik goed.  Twee voeten (1928) weer wat minder, maar het was niet vervelend om het te lezen. 

Onlangs kocht ik De moderne vrouw en haar tekort (1920, tweede druk). Als mijn eigen tekort me niet te veel in de weg zit, zal ik dat nog lezen. 

Lof voor Finale

Maar nu heb ik Finale (1957) gelezen. Boudier-Bakker (1875 - 1966) was de tachtig al gepasseerd en mogelijk was ze in deze periode op haar best. Ik zou meer van haar gelezen moeten hebben om dat te kunnen beoordelen, maar De eeuwige andere verscheen twee jaar daarna. Op dit moment ontbreekt me de tijd om uitgebreider te zoeken, maar wat ik aan recensies op Delpher heb gezien, was positief. Het Rotterdamsch Parool kopte op 6 juli 1957: '82-jarige verbaast schrijvend en lezen Nederland.' 

Algemeen Dagblad 7 juni 1957

Jan Greshoff begon zijn bespreking op 10 augustus in Het Vaderland als volgt:


En hij eindigde net zo lovend:

Het is mij niet mogelijk de juiste worden te vinden dit boek te prijzen, omdat het boven log verheven is. Het is er. En op een zo volledige en onafwijsbare wijze dat het bijna onbetamelijk wordt er over te oordelen. Als iemand in een jaar niet meer dan twee romans kan kopen, dan behoort, voor 1957, Finale door Ina Boudier-Bakker daar nummer één van te zijn. 

Het boek verkocht blijkbaar goed. Drie jaar later, in 1960 dus, verscheen de vierde druk als Salamander. 

Haar oude zelf

Een oude vrouw verlaat haar huis en gaat in een villa, een pension, aan zee wonen. Ze wil alleen zijn om haar 'oude zelf' terug te vinden. 

Ze groeide op met haar moeder en haar jongere zus Fie, ging in zee met de kunstenaar Nico, met wie ze uiteindelijk trouwde. Ze gingen wonen in het huis van neef Victor. Nico is van gegoede stand en de vrouw heeft zich nooit thuis gevoeld in de familie waarin ze terechtkwam. Samen kregen ze zes kinderen. Die zijn intussen het huis uit en Nico en Victor zijn overleden. 

Toen Finale  verscheen, was de oorlog nog maar goed tien jaar voorbij en die wordt soms zijdelings genoemd, bijvoorbeeld als het gaat over haar jongste zoon Job, die in de oorlog te werk werd gesteld in Berlijn. Toen hij bij het sterfbed van Nico zat, moest hij daaraan terugdenken. 

Hij kon dezen zieke, zijn vader, teder behoed, verzorgd en veilig geborgen in eigen huis, nooit anders meer zien dan tegen dat andere. Dit sterven, benijdenswaardig immers. 

De oude vrouw is in de finale van haar leven. Ze trekt zich terug en wil alleen zijn. Kinderen en kleinkinderen komen wel langs, voor een deel wellicht omdat ze zich daartoe verplicht voelen. 

Een wijde boog gesloten

Vroeger was de oude vrouw gehecht aan haar vrijheid, maar ze is terechtgekomen in een leven waarin ze zich moest gedragen en waarin ze plichten had. 

Een wijde boog had zich gesloten. Een wilde jonge meid op een schildersatelier - een oude deftige dame. En daartussen de lange jaren, dat ze zorgvuldig haar woorden bewakend, had gelogen, verzonnen, gebukt...

Ze wil niet meer de dingen doen die van haar verwacht worden, maar de dingen die ze zelf wil. Aan de ene kant trekt ze zich terug, maar het is ook een vreemde gedachte dat ze nu nergens meer bij hoort. Ze heeft zich proberen te verzoenen met haar zus Fie, maar die stond daar niet voor open. Ook bij haar hoort ze niet meer. 

De vrouw maakt zich klaar voor de finale, waarin ze niet van alles meer hoeft, maar dan blijkt dat mensen haar nodig hebben. Een stiefkleinkind waar niemand raad mee weet, komt bij haar tot rust en als een kleindochter ongehuwd moeder wordt is zij de eerste om haar in het ziekenhuis te bezoeken. En ook de mevrouw die haar verzorgt in het pension blijkt haar nodig te hebben. 

Ze heeft gedacht, dat voor haar alles voorbij was - dat er voor haar niets meer op aankwam. Jawèl! Wis en waarachtig! Ze heeft het alleen maar alles scheef gezien. Ze heeft zich te weer gesteld tegen den Dood, toen die de sterkere scheen. Maar het Leven is de sterkste, die dit late geschenk in petto hield. Ze weet niet, nu ze triomfantelijk opkijkt in den gloed van den avondhemel, hoe in dat ogenblik een gezicht opbloeit, dat twee mannen hebben liefgehad. 

Hoe dat zit met die twee mannen, laat maar even in het midden. Daar kom je wel achter als je Finale leest. Het boek eindigt met een verwijzing naar een gedicht van P.C. Boutens:

Laat het duister zijn,
Als maar onderhand de dagen lengen.
Finale is een goed boek, een indringend portret van een oude dame. In hoeverre zou Boudier-Bakker zichzelf voor ogen hebben gehad? Zou zij ook het idee hebben dat ze zich in het leven te veel had aangepast? In ieder geval ging ze in haar schrijven haar eigen gang en bleef ze doorschrijven, zo lang ze kon. 

In 2001 verscheen nog een herdruk van Finale bij uitgeverij Aspekt. 

Twentsch Dagblad Tubantia 9 april 1959

Eerder schreef ik over ander werk van Ina Boudier-Bakker:

vrijdag 3 juli 2026

Afgestoft: Signaleringen (2)

Nu ik wat aan het grasduinen ben in de korte besprekingen die ik schreef voor de rubriek 'Signaleringen' van het tijdschrift Liter valt me op dat die voornamelijk (of misschien wel alleen maar) gaan over gedichtenbundels. In een eerdere bijdrage veegde ik al vijf van deze korte besprekingen bij elkaar en nu heb ik er nog twee. Ze komen uit de derde jaargang Liter (2000), uit nummer 11 en 12. 

Religieuze Gezelle

Als de ziele luistert is een bloemlezing uit de religieuze gedichten van Guido Gezelle. Wie iets van Gezelle weet, zal veel bekends tegenkomen. Van ‘Gij badt op eenen berg alleen’ tot ‘Het schrijverke’ en ‘O! 't ruischen van het ranke riet.’ Dat geeft de poëzie in deze bundel meteen iets vertrouwds en dat is prettig.

Maar in een bundel van meer dan tweehonderd bladzijden staan natuurlijk ook veel gedichten die onbekender zijn, waarmee het aangenaam kennismaken is. Die mix van bekend en volstrekt onbekend maakt deze bloemlezing tot een boek waarin je blijft bladeren en lezen.

De bloemlezing voldoet aan de hoogste eisen die je aan een bloemlezing kunt stellen: een degelijke inleiding met daarin een goede verantwoording van de keuze, een heldere en doordachte opbouw, een goede keuze uit de gedichten en uitgebreide annotaties, die het lezen niet in de weg staan.

Piet Thomas verdeelde de bundel in tweeën: deel 1 (‘Biddenderwijs’) is gebedslyriek, deel 2 (‘Overwegen, mijmeren en belijden’) behelst wat de titel al aangeeft. De delen zijn weer verdeeld in rubrieken als: danken, smeken (deel 1) of De natuur en God en tijd, dood en eeuwigheid (deel 2). Het is maar een greep uit een groot aantal afdelingen.

Bij de keuze van de gedichten heeft Thomas in de eerste plaats naar kwaliteit gekeken. Verder overwoog hij in hoeverre een gedicht thans nog inlevingsmogelijkheden bood. Dat hij op die manier tot een goede keuze kwam, blijkt als je de bundel leest.

In de annotaties toont Thomas zich zeer deskundig. Hij schetst soms de aanleiding tot het gedicht, laat zien in welke context het gefunctioneerd heeft en is goed op de hoogte van de literatuur die erover verschenen is. In noten onder aan de bladzijden zijn woorden verklaard die voor de hedendaagse lezer problemen zouden kunnen opleveren.

Aan de bloemlezing is een cd toegevoegd, waarop Tine Ruysschaert een aantal gedichten leest, afgewisseld met harpmuziek. Dat maakt het helemaal compleet.

Als de ziele luistert is een kwalitatief bijzonder goede bloemlezing. Zo een als Gezelle verdient. 




Maria de Groot

In Brieven uit een hermitage nam Maria de Groot veel gedichten op die geïnspireerd zijn door een reis naar Noorwegen. Dat wordt al duidelijk uit titels als ‘Vikafjell’, ‘Utne’, ‘Het hert van Skjolden’ en ‘Hardangervidda’.

De gedichten geven niet alleen een beschrijving van de bezochte plaatsen, maar ook het verleden klinkt er duidelijk in door. Omdat ook oude Noorse goden als bijvoorbeeld Odin af en toe opduiken en er gerept wordt van onder andere offers en altaren, hebben de gedichten al gauw een mythologische sfeer. Ter illustratie het begin van ‘Rouwsteen’:

Ik gedenk je op de rotsenvidde,
voeg een rouwsteen toe aan de gelaagde
piramide die hier is gestapeld.

Neem mijn offer, schuif het niet terzijde,

[...].


Uit de gedichten spreekt de grote verlatenheid die aan het landschap eigen is. Grond met een geschiedenis, maar zonder de mensen nu. Tegelijkertijd is er een verbondenheid met die grond en is de verlatenheid eerder prettig dan beangstigend.

In de laatste (derde) afdeling is er sprake van een thuiskomst, waarbij het Nederlandse landschap mooi contrasteert met het Noorse:

De geur van nat gras,
de mais zet volle kolven,
nu vlucht de schaduw.


Bij de thuiskomst hoort blijkbaar ook het thuiskomen in het dichterschap, in de taal. De taal neemt zelfs de plaats in van de moeder.

In het slotgedicht vraagt de ‘ik’ zich af of ze in het gedicht zelfs de zoete geuren kan ruiken van ‘eyn sof’, een begrip uit de joodse Kabbala waarmee het Oneindige aangeduid wordt waaruit het geschapene ontvlamt.

Wat vorm betreft, is de bundel nogal divers. Naast vormvaste, bijna klassieke gedichten (sonnetten, een rondeel) staan vrijere verzen en haiku. De eerste soort bevalt mij wat beter dan de tweede, maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Ondanks de diversiteit is het De Groot toch gelukt om van de bundel een eenheid te maken. Ik denk dat dat te maken heeft met de toon die uit de hele bundel spreekt. De stem van de dichteres is in elk gedicht herkenbaar en dat is een verdienste. 

vrijdag 26 juni 2026

Afgestoft: Flitsleemte (Elma van Haren)/De deugende cirkel (Saskia de Jong)

Twee korte besprekingen deze keer, die ooit gepubliceerd zijn in  Liter nr. 59, jaargang 13 (2010) en beide recensies van dichtbundels: Flitsleemte van Elma van Haren en De deugende cirkel van Saskia de Jong. 

Ik zal zoeken naar de oude recensies die ik nog niet afgestoft heb. Dat zullen er een stel uit Nederlands Dagblad zijn, maar ik heb niet tot alles wat ik daarin ooit geschreven heb nog toegang. In Liter heb ik een serie artikelen geschreven in een rubriek 'Onder het mes'. Die heb ik niet gelezen, maar ik vermoed dat dat nogal betweterige stukjes zijn, die misschien maar beter onder het stof kunnen blijven. 

En ik heb nog wel het een en ander geschreven voor de Poëziekrant, maar ik heb de oude nummers van dat blad ooit aan iemand cadeau gedaan, dus die recensies heb ik niet meer en ik weet ook niet hoe die nog te pakken kan krijgen. 



Een dot lukraak geluk

Soms wandel je, handen in de zakken, kop naar de grond, langs de prachtigste dingen zonder ze te zien. Zonde. Van Elma van Haren heb ik de eerste twee bundels in de kast staan: De reis naar het welkom geheten en De wankel. Hoe ik eraan kom, weet ik niet eens meer. Ik heb ze nauwelijks gelezen. Als iemand mij ernaar gevraagd zou hebben, zou ik iets vaags gemompeld hebben als: ‘lange zinnen’ (waarvan ik niet zo houd) en ‘wel eigenzinnig, ja’, en daarmee zou ik niets gezegd hebben.

Maar nu heb ik haar laatste bundel in huis: Flitsleemte. En ik heb hem gelezen en steeds weer gelezen en ik wil iedereen die bundel geven en alle vorige bundels gaan lezen en roepen dat het poëzie is die vonkt en tinkelt, die je het water in de mond laat lopen, die je zachtjes over je arm krabt, die in je nek ademt, die je kietelt, die je een por in je zij geeft.

Poëzie met daarin stukjes zin als ‘een partijtje geurworstelen’, ‘sterk als eigen getrokken kippenbouillon’, ‘een dot lukraak geluk’, ‘levertranen’, ‘klompenlicht’, ‘heupwiegend loof’, ‘het dijende landschap’, ‘niet als gespikkelde eieren zo broos’, ‘zoomzwelgend’.

Bijzonder zinnelijke poëzie is het; een tafel helemaal vol gerechten die er allemaal lekker uitzien en je weet niet waar je moet beginnen te eten. Poëzie die ‘Joehoe’ zegt en ‘Zag je dat?’ en ‘Zul je dit nooit meer flikken?’, alsof ze naast je staat en heel vertrouwd is met je. Maar ook poëzie die afstand weet te bewaren:

Het zijn Uw vleugels, doch het is mijn hooghartigheid!
Op een warme avond dolf ik naar goud, maar vond
in het rode blad van een geranium het kleinste bloedvat boven, 
    de grimas van de geur hartvormig,
    hartstochtelijk in haar verbetenheid.
Zonder U ben ik donkerend hout met een vleug vorst erin.
Doch ik heb zon in mijn zinnen en tong waar U bestaat. 
Ik ga graag op in rauwe dingen,
ik zing hoog en vals, tot 
U blauw de glazen breekt en mij in gruzelementen vallen laat 
en vangen kan 
                        in Uw zingend rood geraniumorgaan.

Die afstand is trouwens niet zo verwonderlijk. Het motto boven het gedicht waaruit dit citaat komt is van Hadewijch: ‘Doen werdic genoeget van buten in allen vollen sade.’ Net als Hadewijch weet Elma van Haren het hogere en tastbare met elkaar te verbinden.

In verbindingen maken is ze trouwens toch goed. Haar gedichten dansen van de associaties. Allemaal dingen die ze even noemt en als lezer ga je ze verbinden en dan gaat er steeds meer meezingen in het gedicht.

Soms legt ze de verbinding expliciet, zoals die tussen verwelkte prei en de oren van een lusteloos hangoorkonijn en nooit meer zal ik het een kunnen zien zonder aan het ander te moeten denken.

En hoewel ik ze al tien keer gelezen heb, zal ik nog vaak terugbladeren naar bijvoorbeeld het Hadewijchgedicht (‘Klompenlicht’) of ‘Klop van het engagement’, waarin de gruwelijkheid van de jacht (‘luid keelgeklop van de fazanten / opgejaagd door de honden. / Hazen en reeën buitelen dwaas tussen / steeds dunner wordend loof’) gecombineerd wordt met gezellig koffie drinken (‘Het is een vrolijke dood hier in de bossen en / vooralsnog drinken wij buiten de koffie.’).

Dreiging en genot, ze zijn er allebei. Zoals ook verder in het gedicht ‘Klop van het engagement’: 
Het zijn dagen waarin vrienden, gekoppeld aan accu's 
van kleine mechanische harten (en zo hun sterven al acht keer 
hebben uitgesteld) elkaar bezoeken en het leven bezingen 
met kasten vol boeken en muren vol kunst. 
Hun hele leven dat hart gevolgd en dus 
geen cent te makken gehad, maar hopelijk, 
als we het halen en mogen van een terugkerend katholicisme, 
zullen we in de toekomst de klop van nieuwe harten volgen, 
in kunst in liefde in hartstocht in het genot.

Zinderende gedichten schrijft Elma van Haren. Ik laat me er graag door bij de keel grijpen.


De godgans gakte


Er is heel wat poëzie speciaal voor kinderen geschreven. Ted van Lieshout, Wiel Kusters en Edward van de Vendel zijn enkele dichters die me zo te binnen schieten en als ik even langer nadenk, kom ik ook nog wel op Bas Rompa, André Sollie en Daniël Billiet. Bij dat rijtje mag nu ook gerust Saskia de Jong aanschuiven, met De deugende cirkel.

De bundel begint met enkele zwarte bladzijden en dan is er het eerste gedicht: ‘en het was licht, de godgans gakte.’ Het begin van de schepping dus. Na de godgans (‘de godganse dag op het water lopend’) volgen in alfabetische volgorde vijfentwintig andere dieren, bezongen in rondelen en elk rondeel vergezeld van een prachtig ‘knipsel’.

De auteur gaat niet op haar hurken zitten om de kinderen toe te spreken, maar vertrouwt erop dat zij ook wel in soms wat lastiger gedichten zullen doordringen. Vaak zijn de gedichten vrolijk of op zijn minst monter. Maar de ernst ontwijkt De Jong niet. Over de olifant dichtte ze: 
daar lag die dode olifant 
we vormden een kring voor het afscheid 
troostten met onze slurf uitgebreid 
en raakten haar aan, zielsverwant 
probeerden haar nog in rechte stand 

het was een hele plechtigheid 
daar lag die dode olifant 
aarde en bladeren op haar gespreid 

zijn wij bij beenderen aanbeland 
dan besnuffelen wij deze geheid 
herinneren ons een vroegere tijd 
dan peutert het aan ons verstand 
daar lag die dode olifant

Het leukst van de bundel is de woordenlijst achterin, waarin werkelijk elk woord dat in de gedichten voorkomt op te zoeken is. Ik vond er verklaringen als ‘dit: wat hier is’, ‘dauw: een vochtig goedje dat 's morgen op de natuur ligt’ en ‘armen: uitsteeksels aan je lichaam waarmee je kunt zwaaien.’

Ik geloof dat het vooral na het lezen van de woordenlijst was, dat ik geen kwaad woord meer over De deugende cirkel wilde horen of zeggen. Een boek dat je zo breed doet grijnzen, kun je alleen maar aanprijzen. Dat doe ik graag.



dinsdag 16 juni 2026

Gala en Zev (Jannah Loontjens)


Je kunt niet alles lezen, ik weet het. En toch is dat een gedachte die ik maar moeilijk kan verkroppen. Op leesgebied heb ik een gretigheid die altijd verder gaat dan wat ik aankan. Mijn moeder zou zeggen: 'Je ogen zijn groter dan je maag.' En groter dan mijn brein dus. Zo had ik tot voor kort niets gelezen van Jannah Loontjens. 

Ik ben echt van plan geweest om mijn hoofd om een hoekje van haar werk te steken om te zien wat het is, zeker nadat ze in 2023 de roman En toen ging hij publiceerde. Niet alleen speelt het verhaal zich af in Zweden in de tijd dat Olof Palme vermoord werd, wat ik me nog levendig herinner, maar ook vanwege de titel die me onweerstaanbaar doet denken aan 'And then you left me' van Tracey Emin. Die tekening hangt in Rijksmuseum Twente. Naar dat museum wilde ik in 2020 omdat er een expositie was waar Picasso's hingen. Daar kwam corona tussen en een aantal jaren later dwaalde ik door dat museum, zomaar wat rondkijkend. In een hoekje hing de tekening van Emin, waarvoor ik lang gestaan heb, ontroerd. 

Maar nu heeft Loontjens Gala en Zev geschreven en nu wilde ik niet langer wachten met de kennismaking met haar werk. 

Gala en Zev zijn de twee vertellers in deze roman. Op haar dertiende komt Gala op Scheveningen wonen. Ze heeft met haar moeder in een woongroep en daarna in een afbraakpand gewoond en nu komt ze in een wijk waar ze een nieuweling is. En dan woont ze ook nog 'aan de goede kant van de trambaan'. De kinderen in de wijk moeten toch de nieuwelingen al niet en ze noemen haar het rijkeluiskind, terwijl ze dat allerminst is. 

Elkaar overeind houden

Maar Zev sluit vriendschap met haar en daar komt Rem (Remco) nog bij. Ze herkennen iets in elkaar. 

Zev was niet zomaar een van mijn jongensvrienden. Met hem lag het anders. Bij hem heb ik het gevoel herkend dat je niets meer te verliezen hebt. En op de bodem van dat gevoel hebben wij elkaar vastgegrepen. Als we met elkaar spraken, was het wij samen, wij met z'n tweeën tegen de wereld. Dat voelde direct zo, vanaf het allereerste begin. 

Het komt ook nog terug als ze jaren later in gesprek is met de vrouw van Rem.

 'Je hebt geen idee wat wij voor elkaar hebben betekend,' zeg ik zacht. Ik zou willen zeggen: hoe we elkaar hebben vastgegrepen. Elkaar gered. Hoe we door onze ouders aan ons lot werden overgelaten, hoe wij tieners, Zev en ik, maar ook Rem, hoe we elkaar overeind hielden. 

Van haar dertiende tot haar achttiende gaan Gala en Zev met elkaar om. Dan vertrekt Gala naar Amsterdam voor haar geschiedenis- en mediastudie.  Daardoor heeft ze zich losgemaakt van de wijk. Tegen Zev heeft ze gezegd dat de wijk altijd in hem zal zitten. 

Zev is op een andere manier succesvol: hij is gaan dealen en is later terechtgekomen in de professionele drugshandel, samen met Rem, voor wie hij zich verantwoordelijk voelt. Daarmee verdient hij veel geld. Maar Rem wordt vermoord en Zev wordt verdacht van die moord. Gala wordt gevraagd inlichtingen over Zev te geven. 

Gala staat aan de kant van Zev, maar ze weet niet of hij Rem gedood heeft. Ze probeert een beter beeld van hem te krijgen door te gaan praten met vrouwen uit zijn omgeving: Isis, de vrouw van Rem, Natasja, een buurmeisje, en Rebecca, de zus van Zev. 

Geen hoofdletters

Ook Zev is bezig de zaken op een rijtje te zetten. Dat vraagt zijn advocaat van hem, maar Zev wil ook zelf begrijpen wat zijn situatie is en wat zijn begin, in de wijk, te maken heeft met wat er nu aan de hand is. De gedeelten waarin we Zev volgen, zijn duidelijk onderscheiden van die waarin Gala aan het woord is: Zev gebruikt geen hoofdletters. Je kunt je afvragen waarom dat zo is of waarom er wel leestekens worden gebruikt, maar in de praktijk blijkt het goed te werken. Misschien zegt het dat Zev zich niets van de conventies wil aantrekken, dat hij ook wat dat betreft vrij wil zijn. 

Gala heeft na haar jeugd nog wel contact met Zev gehad, al was het twintig jaar stil tussen hen. Wat er later allemaal gebeurd is, laat ik even rusten, om niet te veel weg te geven van de inhoud. Het is leuker als je dat zelf leest. 

Ergens bij horen

In het leven van Gala is ergens bij horen wel een thema. Bij een lezing wordt ze door iemand uit het publiek weggezet als iemand uit een bevoorrechte klasse, die niet weet waarover ze het heeft. Dat is te vergelijken met de positie van het 'rijkeluiskind' waarin ze ooit werd geplaatst.  

De ondertitel van Gala en Zev is: Over misdaad, klasse en een liefde. De misdaad lijkt me duidelijk: Zev zit er tot over zijn oren in. De klasse zegt niet alleen iets over de afkomst van beiden, maar die heeft hen ook bepaald. Steeds weer worden ze ermee geconfronteerd in hun leven. En er is liefde, al bekennen ze die niet aan elkaar, in hun jeugd. Gala is 'ziekelijk, duizelingwekkend verliefd', maar dat laat ze niet merken. En Zev:

gala leefde op een andere hoogte. daarom raakte ik haar niet aan, nam me voor haar nooit te versieren. het zou haar omlaaghalen. als ik me aan lust overgaf, zou ze me kunnen afdanken. ik zou ervoor zorgen dat ze me zou blijven respecteren. 

Het dorp, het strand

En het is juist de plaats van hun jeugd, de wijk en vooral het strand, die bepalend zijn geweest. Zev:

pas na de dood van m'n pa begon scheveningen weer aan me te trekken. langzaam kwam de overtuiging: dat is waar mijn lot ligt, dat dorp is mijn thuis, daar waar ik het zout in de wind kan proeven.

En Gala:

Als ik me nog eens omdraai naar het strand, denk ik dat het misschien door Scheveningen komt, door de zee, dat ik vaak stoïcijns ben genoemd, het altijd stug doorgaan, zoals golven die blijven komen: als de ene in de branding breekt, is de volgende al onderweg. Het ritme van het deinen, van het blijven gaan en blijven komen. Zo ben ik ook jarenlang wat koel en schijnbaar onaanraakbaar door het leven gegaan, althans dat is hoe anderen mij zagen. Hoe vaak heb ik niet gehoord dat ik een harde vrouw ben, dat ik mee met mijn gevoel in contact moet komen?

Vrijheid

Een belangrijk begrip in Gala en Zev is vrijheid. Zev ziet in Gala iemand die vrij is, die onafhankelijk is. 

kijk, iedereen streeft vrijheid na, maar zij, zij is de enige die in de kern precies is zoals ik. zij zal zich nooit verlagen tot minderwaardige afhankelijkheid. stel dat zij afgewezen wordt, doet er niet toe door wie, door iemand van haar werk of een minnaar, op wat voor manier dan ook, zij zal 'm direct de rug toekeren, die ander absoluut het gevoel niet gunnen dat hij haar heeft kunnen kleineren, of macht over haar heeft. 

Hij heeft zelf ook de vrijheid nagestreefd en dacht die te bereiken door geld te hebben.

de echte, grootste vergissing was het toewerken naar vrijheid. geld is het glijmiddel dat je naar vrijheid doet roetsjen, die gedachte. altijd maar denken dat ik me vrij zou gaan voelen als ik meer geld had. 
dat was een vergissing.
geloof me, als je toewerkt naar vrijheid, voel je het niet als je die al hebt. 

Kun je vrijheid doorgeven? Als Gala ineens veel geld zou hebben en een huis zou kunnen kopen, zou ze dan meer vrijheid hebben? Daarover is wel het een en ander te lezen in Gala en Zev, maar dat ga ik weer niet vertellen. 

Geen verraad

Ook denken Gala en Zev na over wie ze zijn. Dat Gala kiest voor Zev, vanwege een gedeeld verleden, zonder dat ze weet wat hij gedaan heeft, wat zegt dat over haar? Ze snapt dat verschillende mensen daar verschillende antwoorden op geven, maar ze wil zelf ook weten wat dat werkelijk over haar zegt. Ze weet dat ze Zev nooit zal verraden, zoals Zev weet dat hij nooit anderen zal verraden. En dat beeld wil hij ook graag hebben van Rem. 

Maar hij weet ook dat het kwaad in hem zit, dat ook hij het kwaad is. Dat heeft ook nog te maken met een problematische relatie met zijn vader. Die ga ik hier niet uit de doeken, maar die geeft wel diepte aan het personage Zev. 

Zev heeft steeds voor zichzelf moeten zorgen, heeft hard moeten zijn. Dat maakt hem ook aantrekkelijk voor Gala. Zoals Gala voor Zev iemand was die onafhankelijk is, is Zev iemand met een pantser, waar Gala doorheen wil breken. 

Spannend en rijk

Gala en Zev is een spannend boek. Je wilt als lezer weten wat er gebeurd is. Heeft Zev te maken met de moord op Rem? En wat is er allemaal gebeurd tussen Gala en Zev? Daarom lijkt het me een boek dat het ook goed gaat doen op middelbare scholen: een interessant milieu, een verhaal met plots. 

Maar het is ook een rijk boek, waarin Gala onderzoekt wat haar nu werkelijk bepaald heeft en wie ze is. Bij wie hoort ze? Wat is haar kern? Ze is, na een paar relaties die niet goed voor haar waren, getrouwd en heeft kinderen. Maar in hoeverre begrijpt haar man wie Gala is? In hoeverre kan hij dat begrijpen als zij dat zelf al niet helemaal helder heeft? De personages hebben diepte en roepen vragen op die gaan woelen in het hoofd van de lezer. 

In de proloog betrekken Gala en haar man een nieuw huis, beginnen ze aan een nieuwe toekomst. Maar het is geen schone lei: Gala zal haar verleden met zich meedragen, omdat ze dat verleden ook is. En de lezer vraagt zich af wat op zijn lei geschreven is, welke niet te wissen verhalen hij met zich meedraagt. 

vrijdag 12 juni 2026

Lucky Me (Manon Albers)


Al verschillende keren heb ik het hier geschreven, maar ik herhaal het nog maar weer: op het gebied van strips ben ik geen kenner, hooguit een liefhebber. In mijn kennis van de stripgeschiedenis en de stripwereld zitten nogal wat gaten. Ik wist bijvoorbeeld niet wie Henk Albers (1927 - 1987) was. 

Dat had ik best kunnen weten, als mij het boek Henk Albers, een leven (2007) niet was ontgaan. Het is een biografie, geschreven door zijn dochter Manon Albers. Albers is al jong begonnen als striptekenaar bij de Toonder Sudio's en Stripfilm. In verband daarmee wordt hij nog genoemd in mijn vorige bijdrage

Hij was productief en er is een lange lijst aan te leggen van publicaties waaraan hij heeft meegewerkt. Het meest tot de verbeelding spreekt waarschijnlijk zijn samenwerking met Morris, de tekenaar van Lucky Luke. Albers maakte sfeervolle tekeningen van deze strip- en revolverheld. 

Tom Lucky

Er was trouwens al eerder een 'Lucky' in zijn leven: al in 1946 had hij een strip in Ons Noorden met als titel Tom Lucky en de veedieven.
 
Ons Noorden, 20 maart 1946

Het zal allemaal terug te vinden zijn in de biografie, maar die heb ik dus niet gelezen (al ben ik er wel nieuwsgierig naar). Wat nu voor me ligt, is een ander boek van Manon Albers, Lucky Me. Manon Albers schrijft columns in Het Parool en op het eerste gezicht lijkt dit een bundeling van die columns. Dat is het ook, maar het is meer. 

Geregeld laat ze mensen aan het woord die enkele bladzijden lang mogen vertellen over haar vader. Een bron wordt daar verder niet bij vermeld, maar ik neem aan dat ze dat aan Albers (de dochter, bedoel ik) geschreven of verteld hebben. De verhalen van Thom Roep en Dick Matena komen bijvoorbeeld voorbij, maar ook wel van mensen wier namen niet direct bekend klinken, maar die Henk Albers persoonlijk gekend hebben. Samen met wat Manon over haar vader vertelt, geven die bijdragen niet een compleet beeld, maar wel een beeld, van een onconventionele man, die zijn eigen weg ging. Hij deed niet altijd wat goed was voor zichzelf en zijn omgeving, maar deed het wel met volle overgave. 

Verhalen van een dochter

De ondertitel van Lucky Me is Verhalen van een dochter. In veel stukken in dit boek gaat het over het beeld dat Manon heeft van haar vader, hoe een jeugd met deze vader haar bepaald heeft, maar ook over waar ze nu staat en wat voor moeder ze is voor haar dochter. Er staan ook heel andere stukjes tussendoor, meer observaties, waarin Albers, meestal in niet te lange zinnen, om zich heen kijkt en een deel van het leven op zijn staart probeert te trappen voordat het haar ontglipt. 

Op het eerste gezicht zit er weinig weinig lijn in het boek, maar een rechttoe rechtaan verteld verhaal past wellicht ook niet bij wie Henk Albers was en bij wie Manon Albers is. Het gaat om het geheel, om wat er in al die losse facetten opduikt en wat er blijft hangen. 

Liefdevol

In ieder geval is Lucky Me een liefdevol boek, over een dochter die postuum haar vader nog dichter wil naderen. Het is geen hagiografie en ze verbloemt de moeilijke kanten van haar vader niet, maar je merkt hoe ze aan haar vader hangt, hoe ze op sommige punten tegen hem opkijkt, trots op hem is. Misschien is ze nog steeds bezig haar best te doen om een goede dochter te zijn, om gezien te worden. Dat is ontroerend. 

Henk Albers (l.) en Otto Veenhoven (r.)
(en hond Rattaplan)


Tegelijk krijg je een beeld van Manon zelf, van haar liefde voor muziek, van haar manier van leven, van hoe ze in de wereld staat. Haar boek eindigt met Lucky Me. Aan de ene kant is dat natuurlijk een knipoog naar Lucky Luke maar ook laat het zien hoe ze haar weg gevonden heeft, hoe het leven haar beter is gaan passen. 

Illustraties

Lucky Me ziet er aantrekkelijk uit: er staan veel illustraties in. Bij de teksten zijn de illustraties van Pieter Hogenbirk en Kees de Boer. Prachtige tekeningen die meer zijn dan alleen maar illustraties. Verschillende ervan hebben de tekst niet nodig en kunnen ook uitstekend op zichzelf staan. 

Achter in Lucky Me zijn er enkele pagina's opgenomen met foto's en met tekeningen van Henk Albers. Die laten maar weer eens zien hoe goed hij was. 

Het Parool, 4 maart 1975
Dat de bundel losjes van opzet is, weinig lijn heeft, stond me tijdens het lezen aanvankelijk een beetje tegen, maar uiteindelijk leek het me slechts een klein bezwaar, omdat het boek zoveel meer biedt. Niet alleen is het een mooi persoonlijk verhaal, maar ik werd ook nieuwsgierig naar het werk van Henk Albers. 

Kobus Kat

Ik heb wat rondgeneusd in oude kranten. In Lucky Me wordt bijvoorbeeld de strip Kobus Kat genoemd, die werd ingezet in een 'netheidscampagne' van de stad Amsterdam, in 1975. Mede ingegeven door het feit dat Amsterdam  zijn zevenhonderdjarig bestaan vierde. Kobus Kat werd geschreven door Otto Veenhoven en getekend door Henk Albers. 

De naam van de hoofdfiguur is opmerkelijk. Die komt namelijk al voor in een kerstverhaal van Henriëtte van Eyk, 'Kerstmis in het oude huis', dat gepubliceerd werd in Het Rotterdamsch Parool van 24 december 1949. Hoofdpersonen daarin zijn de broers Karel en Kobus Kat. Het is misschien toeval, maar het is toch opmerkelijk. Bij het verhaal stond ook een illustratie afgedrukt en het zou mooi zijn als die van Albers was geweest, maar dat is niet zo. De tekenaar was Wim Bijmoer. 

De campagne die gekoppeld was aan Kobus Kat (of andersom) kreeg veel aandacht. Zo was er een week voordat het figuurtje voor het eerst in de strip zou optreden, een aankondiging op de voorpagina van Het Parool en verder was er een interview te lezen met de makers van de strip (Henk Albers en Otto Veenhoven), compleet met foto (zie boven). Kobus zou terugkomen op de gemeentewagens en posters in scholen. 

Lucky Me werd gepresenteerd tijdens Strips op de markt, begin mei in Gouda. Daar was ik, maar ik had me niet goed ingelezen, was druk met het spreken van andere mensen, met het tevergeefs zoeken naar een tekenaar (Ivan Petrus Adriaenssens) en met het drooghouden van wat ik gekocht had, wat me niet helemaal gelukt is. Zo ontging mij de presentatie, maar gelukkig was uitgeverij Personalia zo vriendelijk om mij het boek toe te sturen.  Ik had het niet graag willen missen. 

Het Parool, 13 maart 1975

Manon Albers, Lucky Me, Verhalen van een dochter. Uitg. Personalia, 2026, 120 blz. € 19,90





dinsdag 9 juni 2026

Afgestoft: Niek Verhaagen

Eigenlijk zou ik vandaag een recensie plaatsen. Die is ook af, maar het illustratiemateriaal erbij is niet van goede kwaliteit. Ik heb de uitgever gemaild om andere plaatjes, maar die zijn nog niet binnen. 

Daarom stof ik een oud stuk af. Weer een bijdrage in de reeks 'Onder het stof', die ik schreef voor Liter. Deze stond in Liter nr. 48, jaargang 10 (2007). Het was de zesde aflevering in de reeks. Er stond bij 'Met dank aan Dirk Zwart', al staat mij na zoveel jaar niet meer bij waarom ik Dirk dankbaar moest zijn. 

Niek Verhaagen is intussen nagenoeg verdwenen. Dat is jammer, want hij schreef aardig werk. Gelukkig is er intussen wel een boek over hem, geschreven door Lo van Driel. Dat boek wil ik zeer aanbevelen. Ik besprak het hier

De laatste keer dat ik iets uit deze reeks hier plaatste was de bijdrage over Justus de Harduwijn. Onder aan die bijdrage vind je nog enkele links naar de eerder geplaatste afleveringen. 

Onder het stof 6
Niek Verhaagen (Delft 1915-Turijn 1948)



Avondmaal

Hij heeft onhandig naar het brood gegrepen
en hield de beker te krampachtig vast.
Toen telde hij verstrooid de schaduwstrepen
der zilvren broodschaal op het wit damast.

Hij dacht er aan een kleine slok te nemen
omdat een grote hier toch ook niet past,
keek toen terzij naar mooie meisjesbenen
en dronk en zocht zijn zakdoek op de tast...

Zo zat hij bij U aan het avondmaal.
Hij zag het tafelkleed, het brood, de beker,
hij at, hij dronk, maar hij zag U voorbij.

En ik zat rechts van hem en schoof de schaal
hem haastig toe en keek, want ik was zeker
van een verwantschap tussen hem en mij.


Soms noemt iemand een dichter van wie ik niets gelezen heb, maar wiens naam mij nog bekend voorkomt. Andere dichters zijn zo ver weg gezakt in het stof van de tijd dat hun naam de naam van ieder ander had kunnen zijn; van een bakker in Dedemsvaart, een fietsenmaker in Andelst of een petroleumboer in Zaamslag. Niek Verhaagen - zijn naam leek al bij zijn leven niet in de hoofden van mensen te willen blijven hangen. Op zijn bundel De verboden vrucht (clandestien verschenen in 1943) staat op de voorkant de naam correct geschreven. Op het titelblad staat ‘Verhagen’, met slechts één ‘a’ dus.

Ook de redactie van het blad Het korenland kon de juiste spelling van de naam blijkbaar maar niet onthouden. In de laatste twee jaargangen (1937 en 1938) verschijnt vier keer een gedicht van hem, ondertekend met ‘Niek Verhagen’. In die jaargangen gaat het overigens ook zes keer goed en krijgt de dichter gewoon de dubbele ‘a’ in zijn naam.

‘Avondmaal’ is niet zo'n heel goed gedicht. Het is in de onvoltooid verleden tijd geschreven, behalve in regel 1. Een reden lijkt daar niet voor te zijn.

In de tweede strofe lijkt de verteller in het hoofd van de avondmaalganger te kunnen kijken en dus te weten waaraan hij denkt. Maar aan het eind van het gedicht blijkt dat de man juist alleen van buiten af wordt geobserveerd.

De derde strofe is waarschijnlijk de zwakste van het gedicht. Tafelkleed, brood, beker, drinken en eten worden nog eens herhaald en daarna komt het uitleggerige ‘maar hij zag U voorbij’, dat zo'n beetje alles doodslaat.

In de laatste strofe is er dan nog een aardige verspringing van de man aan de avondmaalstafel naar de ‘ik’, maar eigenlijk vind ik het slap dat de dichter die omweg nodig heeft, dat hij niet meteen de ‘ik’ introduceert en hem de beker krampachtig vast laat houden en naar de meisjesbenen laat kijken.

C. Rijnsdorp schrijft in In drie etappen dat de poëzie van Niek Verhaagen een klasse apart vormt, ‘niet zozeer om de kwaliteit als om de toon’ en die toon is ook de reden dat ik dit gedicht heb geciteerd.

In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse. Nog steeds wordt wel gesproken over het heilig avondmaal en in sommige kerken is het ronduit een zwaar onderwerp, maar Verhaagen toont ons een gewone man, die naar de schaduw op het witte kleed kijkt en naar zijn zakdoek zoekt. Niks sacraals, niks gewichtigs, niks eerbiedigs, niks beschroomds.

Het gedicht komt uit Verhaagens laatste bundel, Stukwerk (1946), en het zou kunnen zijn dat het in die tijd in het christelijke wereldje toch enigszins gedurfd was om op deze manier over het avondmaal te schrijven.

Verhaagen hield ervan om de kerk en het geloof terug te brengen tot het alledaagse. In dezelfde bundel schreef hij het volgende kwatrijn:


De verdoolde

Ik ben de kerk ontvlucht, want onze predikant
heeft naast zijn gouden ring geen spatter aan de hand.
Maar zie ik door de weeks zijn blonde dochter rijpen
dan neem ik mij weer voor hem beter te begrijpen.


‘Avondmaal’ is een deemoedig gedicht. De ‘ik’ voelt zich verwant met de man die wel het brood eet en de wijn drinkt, maar met zijn hoofd niet bij God is. In de laatste strofe zou men wat schuldgevoel kunnen lezen. Dat doet denken aan een gedicht in zijn debuutbundel, Kort traject (1939):


Gebed in de morgendienst

Heer, deze predikant die psalmen leest
is in de week ver van U weg geweest.
En wij, vanmorgen Uw verdwaalde schapen,
toonden wel ánders dan zo'n blatend beest...
Vergeef ons allen, Heer! maar mij het meest.


En in Stukwerk komt nog een uitdrukkelijke zelfbeschuldiging voor, in het sonnet ‘Kerstmis 1939’: ‘Niet Hitler, Stalin, Chamberlain, maar ik / heb Christus van dit werelddeel verdreven.’ Ik heb het gedicht enkele keren geciteerd gezien en wellicht is het een van de bekendere gedichten van Verhaagen geweest. In de verte doet het denken aan ‘'t En zijn de Joden niet Heer Jesu die u kruisten’ van Revius. Maar ik heb mijn twijfels bij Verhaagen. De vergelijking van de ‘ik’ met de groten der wereld is te grotesk, niet geloofwaardig. De dichter slaat zich net iets te hard vol schuldgevoel op de borst. Het lijkt allemaal zo deemoedig, maar de ‘ik’ plaatst zichzelf wel in het middelpunt en het vers begint wat te ronken.

Heeft dat met de oorlog als onderwerp te maken? Op zijn eerste en zijn laatste bundel na verscheen het hele werk van Verhaagen in de oorlog. De verboden vrucht in 1941, De Hollandse bruiloft in 1942, En zij zagen dat zij naakt waren nog een jaar later. Het waren clandestiene uitgaven. Blijkbaar heeft Verhaagen geweigerd zich aan te melden bij de Nederlandsche Kultuurkamer.

In het voorjaar van 1945 verscheen bij De Bezige Bij de bundel De laatste Adam, die Verhaagen publiceerde onder het pseudoniem Antonie Lems. Het zijn bepaald niet zijn beste gedichten. Verhaagen zet ze vaak behoorlijk vet aan: ‘Wanneer ik uitzie over stad en gracht / naar de verwoeste huizen, die nog roken, / weet ik mijn droom van gisteren gebroken / in de geweldsorgie van deze nacht [...]’.

Ook in deze bundel roept Verhaagen luid: ‘Ik ellendig mens’: ‘als [...] Gij Uw walging voor het mensenras / in bommen naar de aarde hebt gezonden, // waarom mij, even zondig, uitgezonderd / en laten leven tussen steen en as?...’

Het geronk van deze gedichten overstemt dat der bommenwerpers. Vooral als je weet dat Verhaagens stad in de oorlog gespaard is gebleven. Een gebombardeerde stad was blijkbaar een mooi dramatisch decor voor zijn gedichten.

Maar gelukkig heeft Verhaagen in veel andere gedichten, in andere bundels, een andere toon. Verscheidene gedichten drijven op een wat weemoedige ironie en hij moet ook uitgesproken hilarische verzen hebben geschreven. Ab Visser vertelt in ‘Klein mausoleum’ dat Verhaagen hem in dagen van verdriet opbeurde met cadeautjes, ‘verpakt in de allerzotste troostverzen’. En in een ‘in memoriam’ in het blad Ontmoeting schrijft Heeroma dat hij altijd met veel genoegen de gedichten en brieven van Verhaagen las. Een bezoek van of aan hem ‘kon daarentegen wel eens vervelend worden’. Ook Heeroma schrijft over Verhaagens humor: ‘De humor kon hem tot op zekere hoogte redden, maar hij slaagde er ook al weer niet in de humor zo te verdiepen dat deze de vormgeving van het hele leven en het hele dichterschap kon dragen.’
Deze foto stond bij de publicatie in Liter


Heeroma gold als mentor van veel jonge protestantse dichters. In zijn huis ontmoette Ab Visser voor het eerst Niek Verhaagen. ‘Hij was klein van stuk, aan de gezette kant en blond’, constateerde Visser.

Die eerste ontmoeting was in de mobilisatiewinter van 1939. Verhaagen schreef toen al een tijd. In 1934 of 1935 sloot hij zich aan bij de ‘Christelijk-letterkundige kring te Delft’. Heeroma leerde hem daar kennen. Hij zag hem spelen in Vondels Joseph in Dothan en Adam in ballingschap. ‘Zijn gestalte uit die tijd staat mij het duidelijkst voor ogen in de transformatie van de aartsengel Gabriël, iets te klein, maar zeer beminnelijk.’

Volgens Heeroma zorgde Verhaagens contact met een ‘Christelijk-idealistische jeugdgroep, de Christen Jongeren Bond,’ ervoor dat Verhaagen ‘een radicale, profetische levenshouding’ aannam. In de debuutbundel Kort traject (1939) wordt meteen duidelijk dat Verhaagen een christelijk dichter wil zijn. Bij vier van de eerste vijf gedichten verwijzen de titels nadrukkelijk naar de Bijbel: ‘Jozef bij het kruis’, ‘Het kerstkind’, ‘Als Mozes’ en ‘Als Petrus’ en ook in andere gedichten komt het geloof of het gebrek daaraan naar voren.

Maar er zijn ook gedichten die juist over dagelijkse werkelijkheid gaan, die veel concreter zijn en die naar mijn gevoel een persoonlijker toon hebben. De eerste strofe van ‘Ik ben een schrijver...’ luidt:

Ik ben een schrijver op een klein kantoor
van 's morgens acht, met één uur middageten,
tot 's avonds zes en schrijf aan één stuk door
en tel mijn broeken op kantoorkrukken versleten.


Misschien zit in zo'n gedicht de humor waar Heeroma op doelt, de humor die de dichter niet helemaal zou kunnen redden. Heeroma noemt het in verband met de spanning tussen het leven dat de dichter in werkelijkheid leidde en dat hij zou willen leiden.

Verhaagen trouwde in de oorlog en kreeg een baantje als ambtenaar, schrijver tweede klasse. In 1945 publiceerde hij de korte roman Zonruiter, schrijver tweede klasse, geschreven in december 1943-januari 1944. ‘Sympathiek, maar zwak’, oordeelde Ab Visser. Heeroma ziet in de roman het conflict terug in het leven van Verhaagen: de man die dichter wil zijn, maar zich moet onderwerpen aan de slavernij van het werk, die gefnuikt wordt door zijn huwelijk, zijn vaderschap. Het is comfortabel om werk te hebben, getrouwd te zijn, vader te zijn, maar de onvrede blijft, omdat hij weet dat hij niet doet wat hij werkelijk wil doen.

In Kort traject komt het dorre ambtenarenbestaan vaker terug. ‘Collega x en ex’ opent met:

Men zegt dat hij een dwaas is, want hij dicht,
terwijl hij toch moest werken voor een akte.
En zijn collega x - die nimmer zakte -
stijgt jaarlijks in salaris en gewicht.


In De verboden vrucht is er ook een gedicht over een kantoorbediende. Het begint met:

Ik heb verachting voor de folianten
en maak grimassen als de baas niet kijkt,
knoei in de lijsten die ik vergelijk
en kreuk geestdriftig rekening-couranten.


De man blijkt het baantje toch aan te houden, omdat hij verliefd is op de dochter van de baas. Zoals in het eerder geciteerde kwatrijn iemand in de kerk blijft komen omdat hij het prettig vindt om naar de blonde dochter van de dominee te kijken. In Zonruiter wordt de hoofdpersoon uiteindelijk ontslagen omdat hij onder werktijd wordt betrapt als hij scharrelt met een vrouwelijke collega.

Verhaagen heeft zijn ambtenarenbaantje uiteindelijk opgegeven om van de pen te gaan leven. Maar er moet wel brood op de plank komen en daarom werd hij journalist. ‘Schrijver zoveelste klasse in een krant’, volgens Heeroma. Het lijkt erop dat Verhaagen er niet echt mee opgeschoten is. Het nieuwe baantje vergde nog meer tijd van hem dan het oude, weet Ab Visser.

In ‘Avondmaal’ glimmen onder de tafel de meisjesbenen. Verhaagen liet de erotiek in zijn gedichten toe, wat misschien in die tijd en in die kring toch bijzonder was. In de bundels De verboden vrucht en En zij zagen dat zij naakt waren ontloopt hij het beschrijven van de lichamelijke liefde niet. Niet altijd even geslaagd, niet altijd even subtiel: ‘Dan, onverwacht, strek ik mijn handen uit / en maak haar boezem, stevig bolwerk, buit.’ Maar er zijn gedichten bij die langer blijven hangen, niet briljant, maar op zijn minst heel aardig.

Abisag bij David [I]

Omdat geen kleed hem warmen kon, moet ik
nu bij hem liggen, maar ik vrees zijn handen
die koud als marmer aan mijn borsten branden
en die mijn hals betasten tot ik stik.

De aderen zijn rozerood en dik
en als hij mij omknelt, dan gruw ik van de
bijtende haren en de zwarte tanden
en van zijn grondeloze, harde blik.

Soms bid ik vurig: Here, laat hem sterven!
Ik wil niet bij hem slapen, ik wil niet
dat hij mijn jonge lichaam zal bederven.

Maar God vergeet mij en een rillend riet,
zo lig ik in zijn armen, die mij kérven,
mij weerloos schaap, dat men hem slachten liet.


Goed, dat ‘koud als marmer’ is een cliché en David wordt wel erg afschrikwekkend gemaakt met die ‘bijtende’ haren en dat zwarte gebit en ook dat ‘kerven’, met een accent, is overdreven, maar het gegeven uit de Bijbel wordt wel op een originele manier behandeld.

In het tweede gedicht in de cyclus is David in het begin nog steeds onaantrekkelijk, maar aan het eind van het gedicht is hij mild en begripvol:

Mijn boezem is Hachíla, mijn gezicht
Gilboa - daar is Jonathan gestorven...
Ach! drukt hij daarom steeds mijn ógen dicht?


Verhaagen is niet oud geworden. Ab Visser vertelt dat hij al eerder verkondigde dat hij de veertig niet zou halen en dat Visser dat aanstellerig vond klinken voor iemand die lichamelijk niets leek te mankeren. In 1948 ging Verhaagen op vakantie bij vrienden in Turijn. Hij werd getroffen door een hersenbloeding en overleed. De krant waarvoor hij schreef meldde in een ‘kort bericht’ dat ‘de journalist N. Verhaagen’ was overleden. Laten wij niet de journalist, maar de dichter gedenken. Al is het maar voor even.