donderdag 15 januari 2026

Afgestoft: signaleringen (1)

In het literaire tijdschrift Liter werden indertijd naast de recensies ook korte besprekingen opgenomen in de rubriek 'Signaleringen'. In de tijd dat ik voor het tijdschrift schreef, heb ik verschillende van die korte stukjes geproduceerd en die veeg ik nu bijeen. Ik zal er steeds een paar in een bijdrage verzamelen. 

Deze keer zijn het er vijf, allemaal over poëzie. Onder de bundels bevinden zich twee bloemlezingen met gedichten over het onderwijs. Onlangs schreef ik over een dikke bloemlezing met gedichten over het onderwijs. Toen ik de bloemlezing van Hans Werkman uit mijn kast haalde, zag ik dat het een gesigneerd exemplaar was. Nam Hans Werkman in 2000 afscheid van Liter? Er is vast iemand die dat weet. 

 Psalmbewerkingen


‘Van den beginne wordt gezien, gezien in God, want God is de ziende.’ Zo opent Lloyd Haft de proloog (naar Johannes 1) die voorafgaat aan dertig psalmbewerkingen, verschenen onder de titel Ken u in mijn klacht (uitg. Querido, 45 blz., f 29,90). In de rest van de bundel wordt God dan ook vaak aangesproken met Ziende, hoewel in sommige psalmen Horende of Sprekende beter op hun plaats zouden zijn.

De bundel is geen nieuwe vertaling van de psalmen, al volgt Haft de tekst vaak wel op de voet. Inhoudelijk geeft hij er echter nogal eens net een andere draai aan. In de Statenvertaling luidt Psalm 39:13: ‘Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.’ Bij Haft wordt dat: ‘Hoor wat in mijn smachten is te horen,/vind geen vrede in mijn tranen/want evenals u [cursivering T.B.] ben ik/vreemde en op doortocht.’

Verscheidene van Hafts bewerkingen zijn nogal braaf en weinig verrassend. Hoe eigenzinniger hij omspringt met de grondtekst, hoe beter zijn gedichten zijn. Tot slot een voorbeeld daarvan:

Naar psalm 150

Loof de ziende. Loof hem
in zijn verborgenheid. Loof hem
in het onkenbare dat hij zal kennen.
Loof hem
om het onvindbare van zijn vondsten,
loof hem
op de onmaat van zijn maten.
Loof hem met ons koperen geschal,
loof hem met onstembare harp,
loof hem met knappende snaren,
loof hem met dom gedans.
Loof hem met blèrende bekkens:
loof hem, al wordt ons bekken geplet.
Alles wat nog hijgen kan
love de ziende.
Loof. De ziende.
Uit: Liter, jaargang 1, nr. 4 (1998)


Roel Brouwer

In de poëzie van Roel Brouwer, gebundeld in Hoe het nooit verdwijnt (uitg. Servo, Assen 58 blz.) struikel je om de haverklap over de natuur of het landschap. Daarnaast zijn er herinneringen aan de ouders en aan een gestorven ‘jij’.

De meeste gedichten zijn middelmatig van kwaliteit en sommige zijn zelfs onder de maat. Soms weet Brouwer zijn gemiddelde niveau te ontstijgen, wat dan toch enkele aardige gedichten oplevert:

Ontmoeting

Magdalena, zevenvoudig
in de boeien van haar wanen
kon niet bloeien, hoe ontluisterd
liep zij scheldend langs de straten
door de hoven, bij de groeve
ongeschoeid en zonder hoofddoek
kinderen riepen achter hekken
kijk Maria, kijk die gekke -
Toen zei iemand: kind ik ken je
ik verwacht je, en haar zinnen
gingen open en zij lachte
ach hoe mooi was toen Maria

en de minnaar - was hij tuinman,
vreemde meester van de graven? -
bood zijn rozen in de morgen
zevenvoudig, Magdalena.
Uit: Liter, jaargang 1, nr. 4 (1998)



 Oud asfalt

Van de dichter Kees Hermis verscheen bij uitgeverij Hoenderbossche Verzen de bundel Oud asfalt. Vooral de buitenkant van de bundel ziet er fraai uit; er is duidelijk aandacht besteed aan de vormgeving.

De bundel bevat gedichten in grote diversiteit. Absurdistische (‘opa rookt pijp uit een lantaarnpaal’) en realistische, korte en lange, sobere en pathetische.

Hermis maakt graag gebruik van beelden. Soms maakt dat de gedichten sterker, maar in verscheidene gevallen dreigen de gedichten te bezwijken onder de beeldenlast. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het gedicht ‘Vlieland’, waarvan de eerste strofe luidt: ‘Je haalt je handen open aan de scherpe / randen van een onweerslucht die met / de lippen opgerold zijn tanden toont.’

Een van de betere gedichten vind ik ‘De werkplaats van mijn vader’:
De werkplaats, geur van grenen.
In schaven, beitels, hamers woont
het verleden onverzaagd.
Wat ooit scheen zoekgeraakt, is
hier bewaard. Gekleed in tijd
die is verjaard, smaakt het
naar veilig land dat om zich heen
praat met een stem in hout.
Verte die heden beademt,
in merg en been bestaat.

De bundel telt 40 bladzijden, kost f 15,00 en is te verkrijgen door dit bedrag plus f 4,00 verzendkosten over te maken op bankrekeningnummer 636384160 t.n.v. Hoenderbossche Verzen (Patrijsweg 3, 5406 NG) te Uden.

Uit: Liter, jaargang 2, nr. 7 (1999) 



Schoolgedichten

Wie, zoals Hans Werkman, veertig jaar leraar geweest is, krijgt het krijt niet meer uit zijn kleren geklopt. Ook Hans heeft het onderwijs niet losgelaten (of het onderwijs hem niet). Met Nog één keer door die hoge gang heeft hij een bloemlezing schoolgedichten samengesteld die een feest is om door te bladeren. Althans voor déze schoolmeester.

In de inleiding vertelt Werkman dat deze bundel de eerste bloemlezing is die het hele onderwijsgebied van de kleuterschool via de lagere school en middelbare school tot aan de reünie bestrijkt. Om dat duidelijk te maken is de bundel overzichtelijk verdeeld in afdelingen.

De gedichten komen allemaal uit de twintigste eeuw, waardoor iemand als De Schoolmeester met zijn gedicht over schoolmeesters af moest vallen.

De nadruk ligt op de wat recentere gedichten. Misschien worden er de laatste tijd ook meer onderwijsgedichten geschreven, doordat zo veel kinderen zo lang naar school gaan. Toch heeft Werkman ook de oudere dichters niet vergeten, zodat we ook Dèr Mouw, De Mérode (natuurlijk) en Alice Nahon tegenkomen.

Het leuke van een bloemlezing is voor mij altijd de mix van herkenning en verrassing. Ik kwam, als op een reünie, veel oude bekenden tegen, die ik hartelijk heb gegroet en ook nieuwelingen die mij aangenaam verrast hebben. En natuurlijk mis je er altijd een paar, maar dat lijkt me inherent aan bloemlezingen.

Ik stel voor dat alle middelbare scholen een doos vol van deze bloemlezing aanschaffen. Dan kan elke geslaagde leerling tegelijk met het diploma een exemplaar krijgen van Nog één keer door die hoge gang. Het onderwijzend personeel zal dan de exemplaren die over zijn wel meebietsen.

Hans Werkman (samenstelling), Nog één keer door die hoge gang. De honderd mooiste schoolgedichten uit de Nederlandse literatuur. Uitg. Prometheus, 144 blz. f 25,00 

Liter, jaargang 3 (los katern bij nr. 13), (2000) 

Vaarwel o klas

Kort na elkaar hebben twee bloemlezers zich gewaagd aan het thema onderwijs. Hans Werkman verzamelde onderwijsgedichten in de mooie bloemlezing Nog één keer door die hoge gang en nu heeft Gerrit Buesink gedichten en prozafragmenten verzameld in Vaarwel o klas. Het schoolleven in de Nederlandse literatuur. (Mozaïek, 112 blz., f 22,50)

Zo'n bloemlezing is altijd aardig, omdat je in kort bestek een onderwerp door verschillende schrijvers en dichters behandeld kunt zien. Dat onderwerp zal ook velen aanspreken, want we hebben immers allemaal schoolgegaan. Met wat er in de bloemlezing van Buesink staat, heb ik me dan ook best vermaakt.

Wel heb ik me geërgerd aan de slordige manier waarop deze bloemlezing is samengesteld. Bij de ‘Bronvermelding’ ontbreken alle titels, de gegevens (geboorte- en eventueel sterfjaar) over de schrijvers zijn niet volledig, citeren uit afzonderlijke bundels of uit verzamelbundels lijkt volstrekt willekerig.

Het ergste is, dat de bloemlezing volstrekt zonder enige visie is samengesteld. Een structurering ontbreekt, evenals een verhelderende inleiding. In het schamel ‘Woord vooraf’ verklaart de bloemlezer dat de gedichten en prozafragmenten zo veel mogelijk chronologisch zijn gerangschikt, maar ook op dat gebied zijn er vervelend veel fouten gemaakt. Het gekste is dat tussen drie gedichten van Leeflang (alle uit dezelfde bundel) ineens een gedicht opduikt van Muus Jacobse, die al tien jaar dood was toen Leeflangs bundel verscheen.

De keuze werd ‘voor een deel bepaald door de persoonlijke smaak en voorkeur van de samensteller’. Waardoor die keuze nog meer bepaald is, is niet duidelijk. Ik miste verschillende voor de hand liggende schrijvers en dichters. Dat heb je bij bloemlezingen natuurlijk altijd, maar om een boek als De ziekte van Lodesteijn (Lévi Weemoedt) kun je volgens mij eigenlijk niet heen.

Vlamingen zijn nauwelijks opgenomen, terwijl ook bij hen veel over het onderwijs te vinden is. Bijdragen over het onderwijs in onze voormalige koloniën ontbreken geheel.

Vaarwel o klas is aardig om door te bladeren en wat in te lezen, maar het maakt de pretenties in de ondertitel absoluut niet waar. Het verschil met de zorgvuldig samengestelde bloemlezing van Werkman is schrijnend. Het is ongeveer het verschil tussen een lekke wastobbe en een mooi zeiljacht. 

 Liter, jaargang 3 nr. 15 (2000) 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten