zondag 28 juni 2026

Schandoalen op d'n dijk (De korte broek)

Bij Ouwenhands Dierenpark, in korte broek. Met zus en broertje.

Geregeld luister ik naar oude popmuziek, uit de jaren zestig en zeventig, bijvoorbeeld op Radio 192. Een van de presentatoren, Rob van Wezel, zegt wel eens bij het uitzenden van een top 40 uit pakweg 1965: 'Toen liep ik nog in korte broek.' En dat wil dus zeggen dat hij nog een klein jongetje was. Grote jongens, en zeker volwassen mannen, liepen niet in korte broek. Dat was kinderkleding. 

Van Wezel is twee jaar ouder dan ik; ik ben van 1959. Onlangs vroeg ik me af wanneer die overgang was van korte tot lange broek. Helemaal zeker weet ik het niet, dus corrigeer me vooral als mijn geheugen weer eens loopje met me neemt, maar ik vermoed dat de scheiding tussen kort en lang lag bij de overgang van de vijfde naar de zesde klas. Voor de jongere lezer: bij de overgang van groep zeven naar groep acht. 

Als je eenmaal in de hoogste klas zat, hoefde je in de zomer niet meer de korte broek aan, dan was je 'groot'. Het voelde als een overgang vergelijkbaar met die van je zesde verjaardag, als je naar 'de grote school' ging, naar de eerste klas (nog maar waar eens uitgelegd: nu groep 3). Daarvoor zat je op de kleuterschoool, maar hoeveel kinderen daarheen gingen, weet ik niet. Mijn ouders stuurden mij daar niet heen. 

Op de middelbare school droeg geen enkele jongen een korte broek. Meisjes deden dat wel: het was begin jaren zeventig en toen was de hotpants in de mode. Maar ik beperkt me in dit stukje tot de korte jongensbroek. 

Bij gym droegen we natuurlijk een sportbroekje, maar bij het naar school gaan haalde niemand het in zijn hoofd om in korte broek te komen. Een anekdote van nog eerder maakt dat misschien nog wat duidelijker. 

Het was eind jaren vijftig. Mijn moeder hielp bij een gezin waarin net een baby geboren was of geboren zou worden. Voor degenen die bekend zijn met de situatie in Hien: het was het gezin van Dirkje en Marinus Crum, in de 'stikke drèj'. Het huis stond onder aan de waaldijk, in een bocht. Terwijl Dirkje en mijn moeder op een zomerdag binnen bezig waren, kwamen twee kinderen opgewonden van buiten: 'Mama, mama! Schandoalen op d'n dijk!' 

Daar liepen twee mensen in korte broek. Mijn interpretatie van nu is dat daar waarschijnlijk twee mensen liepen die aan het trainen waren voor de Vierdaagse van Nijmegen. In de weken daarvoor zagen we geregeld mensen die 'zomaar' aan het wandelen waren. Dat deed je ook niet, maar dat is een ander verhaal. 

Toen mijn moeder dat jaren later aan ons vertelde, deed ze dat wel met een brede glimlach. De kinderen hadden er indertijd geen idee van dat mensen in korte broek konden lopen, zonder er 'vur schaand' bij te lopen. Het laat wel zien hoe ongebruikelijk de korte broek was. 

Volwassen mannen in korte broek, dat moesten wel 'stadsen' zijn, mensen die meer rare gewoonten hadden, zoals op vakantie gaan. In mijn familie ging er niemand op vakantie. Juist in de zomer was het druk, met bijvoorbeeld het oogsten van het fruit en met het hooien. 

Waren er dan geen plattelanders in korte broek? Hier en daar wel. De zoon van loonwerker Hanhart, Tutje, zat in korte broek op de trekker. Mijn vader vertelde dat er wel altijd bij: Tutje zat op de trekker 'in een kort bökske' en reed nogal hard over het land. Een wilde jongen blijkbaar, die zich niet aan de regels hield. Daar werd goedmoedig om geglimlacht. Ik herinner me meer verbazing dan afkeuring. 

Mijn vriendin vertelde me dat ze een katholiek vriendje had, uit een ander dorp. Die zou op een zondag met haar en het gezin van haar ouders meegaan naar de kerk. Toen hij de kerkbank in schoof, bleek hij een kort sportbroekje aan te hebben. Vanuit zijn gezichtspunt was het al heel wat dat hij naar een protestantse kerk ging, voor het gezin van mijn vriendin was het volstrekt ongepast. Eigenlijk droeg je al geen korte broek en zeker niet als je naar de kerk ging. 

Ooit hoorde ik iemand het volgende rijmpje opzeggen:

Al doet de zomer ons nog zo zweten, 
de korte broek is voor proleten. 
Wie de auteur van deze regels is, weet ik niet. Degene die het korte gedichtje citeerde, was waarschijnlijk bezig met een achterhoedegevecht. Op mijn werk zie ik heel wat mannen rondlopen in een korte broek. Die broek is in de loop der jaren wel langer geworden: op de knie of maar een klein beetje erboven. De korte broek is gewoon geworden. 

In de zomer ben ik examinator voor de Staatsexamens en daar is de korte broek nog taboe. Toen een nieuwe examinator in een korte broek verscheen, werd hij teruggestuurd. Als vertegenwoordiger van de Staatsexamens, diende hij gepast gekleed te gaan. 

En ik? Ik haal het niet in mijn hoofd om in korte broek naar mijn werk te gaan. Het zal iets uit mijn jeugd zijn: als je 'groot' bent, hoor je niet in korte broek te lopen. Als ik in een vakantie ga wandelen in de bergen loop ik wel in korte broek, wat aan de ene kant prettig is (niet zo warm) en aan de andere kant ook ongemak geeft: als ooit-roodharige moet mijn bleke huid zorgvuldig ingesmeerd worden als ik verbranding wil voorkomen. 

Als ik in en om het huis ben, zou ik best een korte broek aan kunnen trekken. Ik heb zulke broeken immers in mijn garderobe, maar meestal denk ik er domweg niet. Mijn vriendin moet me er dan op attent maken dat ik best een korte broek had kunnen aantrekken. En soms doe ik dat dan alsnog. Vaak ook niet. 

Het is warm in deze dagen. Mocht je mij zien lopen in mijn spijkerbroek, dan weet je hoe het komt. Iets uit mijn jeugd. 


Misschien heb je ook belangstelling voor deze bijdragen:

(over het gebruik van washandjes en katoenen zakdoeken. En het strikken van veters)
Aan de deur (een serie bijdragen over de mensen die bij ons aan de deur kwamen)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten