Ik zal zoeken naar de oude recensies die ik nog niet afgestoft heb. Dat zullen er een stel uit Nederlands Dagblad zijn, maar ik heb niet tot alles wat ik daarin ooit geschreven heb nog toegang. In Liter heb ik een serie artikelen geschreven in een rubriek 'Onder het mes'. Die heb ik niet gelezen, maar ik vermoed dat dat nogal betweterige stukjes zijn, die misschien maar beter onder het stof kunnen blijven.
En ik heb nog wel het een en ander geschreven voor de Poëziekrant, maar ik heb de oude nummers van dat blad ooit aan iemand cadeau gedaan, dus die recensies heb ik niet meer en ik weet ook niet hoe die nog te pakken kan krijgen.
Een dot lukraak geluk
Soms wandel je, handen in de zakken, kop naar de grond, langs de prachtigste dingen zonder ze te zien. Zonde. Van Elma van Haren heb ik de eerste twee bundels in de kast staan: De reis naar het welkom geheten en De wankel. Hoe ik eraan kom, weet ik niet eens meer. Ik heb ze nauwelijks gelezen. Als iemand mij ernaar gevraagd zou hebben, zou ik iets vaags gemompeld hebben als: ‘lange zinnen’ (waarvan ik niet zo houd) en ‘wel eigenzinnig, ja’, en daarmee zou ik niets gezegd hebben.
Maar nu heb ik haar laatste bundel in huis: Flitsleemte. En ik heb hem gelezen en steeds weer gelezen en ik wil iedereen die bundel geven en alle vorige bundels gaan lezen en roepen dat het poëzie is die vonkt en tinkelt, die je het water in de mond laat lopen, die je zachtjes over je arm krabt, die in je nek ademt, die je kietelt, die je een por in je zij geeft.
Poëzie met daarin stukjes zin als ‘een partijtje geurworstelen’, ‘sterk als eigen getrokken kippenbouillon’, ‘een dot lukraak geluk’, ‘levertranen’, ‘klompenlicht’, ‘heupwiegend loof’, ‘het dijende landschap’, ‘niet als gespikkelde eieren zo broos’, ‘zoomzwelgend’.
Bijzonder zinnelijke poëzie is het; een tafel helemaal vol gerechten die er allemaal lekker uitzien en je weet niet waar je moet beginnen te eten. Poëzie die ‘Joehoe’ zegt en ‘Zag je dat?’ en ‘Zul je dit nooit meer flikken?’, alsof ze naast je staat en heel vertrouwd is met je. Maar ook poëzie die afstand weet te bewaren:
Het zijn Uw vleugels, doch het is mijn hooghartigheid!Op een warme avond dolf ik naar goud, maar vondin het rode blad van een geranium het kleinste bloedvat boven,de grimas van de geur hartvormig,hartstochtelijk in haar verbetenheid.Zonder U ben ik donkerend hout met een vleug vorst erin.Doch ik heb zon in mijn zinnen en tong waar U bestaat.Ik ga graag op in rauwe dingen,ik zing hoog en vals, totU blauw de glazen breekt en mij in gruzelementen vallen laaten vangen kanin Uw zingend rood geraniumorgaan.
Die afstand is trouwens niet zo verwonderlijk. Het motto boven het gedicht waaruit dit citaat komt is van Hadewijch: ‘Doen werdic genoeget van buten in allen vollen sade.’ Net als Hadewijch weet Elma van Haren het hogere en tastbare met elkaar te verbinden.
In verbindingen maken is ze trouwens toch goed. Haar gedichten dansen van de associaties. Allemaal dingen die ze even noemt en als lezer ga je ze verbinden en dan gaat er steeds meer meezingen in het gedicht.
Soms legt ze de verbinding expliciet, zoals die tussen verwelkte prei en de oren van een lusteloos hangoorkonijn en nooit meer zal ik het een kunnen zien zonder aan het ander te moeten denken.
En hoewel ik ze al tien keer gelezen heb, zal ik nog vaak terugbladeren naar bijvoorbeeld het Hadewijchgedicht (‘Klompenlicht’) of ‘Klop van het engagement’, waarin de gruwelijkheid van de jacht (‘luid keelgeklop van de fazanten / opgejaagd door de honden. / Hazen en reeën buitelen dwaas tussen / steeds dunner wordend loof’) gecombineerd wordt met gezellig koffie drinken (‘Het is een vrolijke dood hier in de bossen en / vooralsnog drinken wij buiten de koffie.’).
Dreiging en genot, ze zijn er allebei. Zoals ook verder in het gedicht ‘Klop van het engagement’:
Het zijn dagen waarin vrienden, gekoppeld aan accu'svan kleine mechanische harten (en zo hun sterven al acht keerhebben uitgesteld) elkaar bezoeken en het leven bezingenmet kasten vol boeken en muren vol kunst.Hun hele leven dat hart gevolgd en dusgeen cent te makken gehad, maar hopelijk,als we het halen en mogen van een terugkerend katholicisme,zullen we in de toekomst de klop van nieuwe harten volgen,in kunst in liefde in hartstocht in het genot.
Zinderende gedichten schrijft Elma van Haren. Ik laat me er graag door bij de keel grijpen.
De godgans gakte
Er is heel wat poëzie speciaal voor kinderen geschreven. Ted van Lieshout, Wiel Kusters en Edward van de Vendel zijn enkele dichters die me zo te binnen schieten en als ik even langer nadenk, kom ik ook nog wel op Bas Rompa, André Sollie en Daniël Billiet. Bij dat rijtje mag nu ook gerust Saskia de Jong aanschuiven, met De deugende cirkel.
De bundel begint met enkele zwarte bladzijden en dan is er het eerste gedicht: ‘en het was licht, de godgans gakte.’ Het begin van de schepping dus. Na de godgans (‘de godganse dag op het water lopend’) volgen in alfabetische volgorde vijfentwintig andere dieren, bezongen in rondelen en elk rondeel vergezeld van een prachtig ‘knipsel’.
De auteur gaat niet op haar hurken zitten om de kinderen toe te spreken, maar vertrouwt erop dat zij ook wel in soms wat lastiger gedichten zullen doordringen. Vaak zijn de gedichten vrolijk of op zijn minst monter. Maar de ernst ontwijkt De Jong niet. Over de olifant dichtte ze:
daar lag die dode olifantwe vormden een kring voor het afscheidtroostten met onze slurf uitgebreiden raakten haar aan, zielsverwantprobeerden haar nog in rechte standhet was een hele plechtigheiddaar lag die dode olifantaarde en bladeren op haar gespreidzijn wij bij beenderen aanbelanddan besnuffelen wij deze geheidherinneren ons een vroegere tijddan peutert het aan ons verstanddaar lag die dode olifant
Het leukst van de bundel is de woordenlijst achterin, waarin werkelijk elk woord dat in de gedichten voorkomt op te zoeken is. Ik vond er verklaringen als ‘dit: wat hier is’, ‘dauw: een vochtig goedje dat 's morgen op de natuur ligt’ en ‘armen: uitsteeksels aan je lichaam waarmee je kunt zwaaien.’
Ik geloof dat het vooral na het lezen van de woordenlijst was, dat ik geen kwaad woord meer over De deugende cirkel wilde horen of zeggen. Een boek dat je zo breed doet grijnzen, kun je alleen maar aanprijzen. Dat doe ik graag.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten