woensdag 25 maart 2026

Herinnering: Opa overleden

Weer een stukje uit een dagboek. Deze herinnering tekende ik op op dinsdag 26 september 2023. 

Het gaat over het overlijden van mijn grootvader, de vader van mijn vader, wiens naam ik draag, Teunis Bunt dus. Hij werd geboren op 6 juni 1901 en overleed op 16 mei 1968. Op de rouwkaart stond niet dat hij toen 66 jaar oud was, maar 'bijna 67 jaar'. 

Mijn grootouders woonden aanvankelijk in een boerderij in Loenen (in de Betuwe, bij Slijk-Ewijk), maar ze lieten een houten bungalow bouwen in de boomgaard, waar ze samen naar verhuisden. Daarna woonden Ome Wout en Tante Met alleen in de boerderij, met hun kinderen. 

Op de foto zie je mijn opa en oma (Janna Johanna Maria Hofs) in de boomgaard vlak achter de bungalow. Rechts op de foto zie je nog net een stukje van het stuur van de brommer, een Sparta, waar mijn opa op reed. Die brommer komt nog voor in het stuk uit het dagboek. 


Opa en opoe Loenen (1964)

Het is nog vroeg. Ik lig op bed. Mijn moeder komt op de rand van mijn bed zitten en vertelt dat opa Loenen dood is. Ik weet niet goed wat ik mij daarbij moet voorstellen.

Opa Loenen is aardig. Hij is meestal vrolijk en ik loop met hem mee door de boomgaard als hij van de bungalow naar het huis van ome Wout loopt om de varkens te voeren. ‘Zute kjèlje,’ zegt hij soms tegen mij. Hij vertelt ook een keer tegen iemand dat ik al ‘Opent Uwen mond’ kan zingen. ‘Hij kent de hele Bijbel uit de kop’, zegt hij. Ik weet dat dat niet klopt, maar het is fijn dat opa zo trots is.

Als ik een jaar of vier oud ben, is er een verjaardag bij opa en oma. Ze zijn in juni en juli jarig. Het is dus zomer. Het wordt laat en ik val in slaap bij opa op schoot. Opa zit op zijn vaste plek, in de rookstoel naast de kachel. De volwassenen kletsen met elkaar en ik slaap.

Ineens word ik wakker. Ik ben misselijk. Heb ik slagroom op? Daar kan ik niet altijd goed tegen. Nog voor ik iets kan zeggen, moet ik overgeven, over de broek van opa. Meteen zijn er tantes en mijn moeder die de broek schoonmaken en zich over mij ontfermen. Mannen doen zoiets niet. Iedereen is vrolijk, maar ik vind het vervelend dat ik de broek van opa vies heb gemaakt.
 
Enkele jaren later ga ik een keer op mijn fietsje naar Loenen, waar opa en oma wonen. Dat kan ik best zelf. Het is misschien drie kilometer door het bos. Toen ik zes werd, heb ik een fiets van opa en oma gekregen. Dat is een groot cadeau.
 
Als ik met opa door de boomgaard loop, pakt opa zijn pruimtabak. Hij haalt een plukje tabak uit het pakje en stopt dat achter zijn kiezen. Ik kijk nieuwsgierig toe. Ik mag van opa ook wel een pruimpje, maar ik vind het niet lekker. Het is een scherpe smaak en ik wil de pruim weer uitspugen. ‘Nee, inhouden,’ zegt opa en dat doe ik dus maar. Misschien wordt de smaak beter. Af en toe slik wat door van mijn speeksel, dat een rare smaak heeft gekregen.
 
Ik voel mij helemaal niet lekker en besluit om weer naar huis te fietsen, naar de Merkenhorststraat. Zo gauw het kan, spuug ik de pruim uit en spring op mijn fiets. Onderweg kom ik erachter hoe misselijk ik ben, maar ik kan nu niet afstappen.
 
De weg naar huis is lang. Als ik thuis ben, gooi ik de fiets tegen de muur. Op de deel trek ik mijn laarzen uit en ik kom de geut binnen. Zo noemen wij het vertrek dat eigenlijk de keuken is. Mijn moeder is daar bezig. Ik ben misselijk en voel me slap.
 
Ik laat me op de grond zakken en ga op mijn rug liggen. Mijn moeder ziet dat het niet goed gaat met me en vraagt me van alles, maar ik kan niks terugzeggen. Ineens komt er braaksel naar boven. Het komt in golven uit mijn mond. Ik kan mijn hoofd een beetje naar de zijkant draaien, maar ik blijf op mijn rug liggen. ‘Hij lag op de rug te kotsen’, zal mijn moeder later tegen andere mensen vertellen. Nooit meer heb ik pruimtabak geprobeerd.
 
Met opa ga ik ook wel eens mee naar de diepvries, achter op de brommer. In veel dorpen is een gezamenlijke diepvries. De diepvries lijkt een soort schuurtje, maar binnen vriest het. Als je de dikke deur open hebt gedaan en naar binnen bent gegaan, zie je gangetjes met een soort kluisjes, tot aan de zolder toe. Opa weet precies waar het kastje is waarin hun spullen liggen. De kastjes zijn best groot. Als er geslacht is, kan er wel een half varken in pakketjes in.
 
Er staat een ijzeren trap in de vriescel. Die is voor de mensen die hun kastje helemaal bovenaan hebben. Opa heeft hem niet nodig. Je mag niet aan de trap likken. Dat heeft mijn moeder ooit uitgelegd. Met haar ga ik ook wel eens naar de diepvries, bij Brugman in de Hoofdstraat. Opa gaat naar Slijk-Ewijk.
 
Het lijkt me nogal logisch dat je niet aan een trap mag likken. Ik zou ook nooit zelf op het idee gekomen zijn. Opa rommelt in het kastje. Er zitten plastic zakjes met vlees in. Op de zakjes zitten etiketten geplakt, waarop staat wat erin zit. Na de slacht wordt het vlees in porties ingevroren. Daarvoor is een aparte la, de voorvriezer. Als het vlees goed bevroren is, gaat het in je eigen kastje. Misschien zit er ook groente in de vriezer. Mijn grootouders hebben ook een groentetuin. Opa laadt een tas vol.
 
Daarna gaan we weer naar buiten. Binnen is het koud, maar het is eigenlijk wel goed uit te houden. Als we buiten komen, is het altijd warm, ook als het buiten vriest. Dat is een wonderlijke ervaring. Ik word er altijd blij van.
 
Ik ben ook eens met opa mee geweest naar de rand van de boomgaard. Daar staan drie of vier bomen met sterappels. Opa en ik rapen de appels op en doen die in kisten. Thuis legt opa de appels op een laagje stro. Ze moeten nog een tijdje in de zon liggen en dan worden ze donkerrood. Om de paar dagen moet opa alle appels omdraaien, zodat ze overal even rood worden.
 
Maar vanochtend vertelt mijn moeder dus dat opa dood is. Samen met mijn ouders ga ik naar oma toe. Waar zijn Lientje en Marinus? We gaan met het Volkswagenbusje. Ik zit voorin, tussen mijn vader en mijn moeder in.
 
Bij de bungalow zitten de gordijnen dicht, terwijl het gewoon dag is. Binnen zijn de lampen aan. Mijn oma zit op haar eigen stoel, aan de tafel. Anders zit ze altijd te breien of te haken, maar nu niet. Er zijn ook nog andere ooms en tantes en mijn oma vertelt hoe het allemaal gebeurd is. Ze zal dat nog vaak vertellen op deze dag.
 
Ze lag naast opa op bed en werd wakker, omdat opa een geluidje maakte. Ze vroeg hem wat er was, maar hij zei niets. Daarom trok ze aan het koord van de lamp, dat boven hun hoofd vlak bij de muur hangt en toen zag ze al dat het mis was. Opa was al dood.
 
We drinken thee en mijn ouders praten wat. Dan gaan we bij opa kijken. Ik ga mee. Opa ligt op zijn rug op bed. Hij is heel wit en heel stil. Aan de zijkant van zijn voorhoofd heeft hij enkele rode puntjes, die ik daar nog nooit heb gezien. Hij heeft een wit overhemd aan. Het lijkt of opa slaapt, maar daarvoor ligt hij veel te stil. Iedereen kijkt naar opa. Sommigen snikken.
 
Ik sta maar een klein eindje over de drempel, tegen mijn vader en moeder aan en kijk heel stilletjes en heel geconcentreerd. Ineens vind ik het genoeg. Ik ren de slaapkamer uit, door het halletje, de keuken en het achterhuis. Zo heet het eigenlijk niet, maar ik weet geen andere naam voor die ruimte. Ik ren naar buiten en ga naar het busje dat op de oprit staat. Ik ga erin zitten en wacht op wat er komen gaat. Even later komen mijn vader en moeder en gaan we naar huis.
 
Door alle drukte denkt mijn vader er niet aan om de bromfiets van opa op te halen. Hij had beloofd om die op de dag van overlijden op te halen en nu heeft hij zijn belofte gebroken. Dat zit hem aardig dwars.

Als opa begraven wordt, zijn alle ooms, tantes, neefjes en nichtjes er. Wij lopen achter het huis van ome Wout, waar niemand op ons let. Steeds komen er auto’s om de hoek, die allemaal ergens moeten parkeren. Sommigen van die mensen kennen we niet, enkelen wel. Wij voelen ons belangrijk. Het is per slot van rekening onze opa die begraven wordt.
 
In de kamer van ome Wout en tante Met staan tafels waar wit papier over ligt. Dat staat netjes, een beetje feestelijk zelfs. De luiken zijn gesloten, de lampen zijn aan. De volwassen mensen krijgen koffie. De dominee is er ook, samen met de ouderling, Woutje van Straaten. Dat is een oud en mager mannetje.
Iedereen is in het zwart gekleed. De mannen in een zwart jasje en een streepjesbroek. De dominee leest uit de Bijbel en vertelt wat. Het lijkt op een preek, maar het voelt niet als een preek, omdat iedereen een kop koffie voor zich heeft. Uiteindelijk gaan we met een rij auto’s naar het kerkhof.
 
Als we weer terugkomen, zijn er broodjes. Dat is een verrassing. Die krijgen we wel eens op een verjaardag, maar lang niet altijd. Het lijkt nu wel feest. De mensen praten met elkaar en ze lijken minder ernstig dan vanmorgen. Misschien zijn ze opgelucht dat het erop zit. Wij mogen volop mee-eten van de broodjes, want er is genoeg.
 
De dominee heeft hardop gebeden voordat we gaan eten. Bij ons in de familie bidt niemand hardop voor de maaltijd. Ja, de kinderen wel: Here, zegen deze spijze. Amen! Maar volwassenen niet. Dominees doen dat natuurlijk wel.
 
Na de maaltijd vraagt de dominee of Woutje van Straaten ‘een gebedje’ wil doen. Dat doet hij. Hij heeft een zachte stem en je kunt hem moeilijk verstaan. Maar hij kan het ook, hardop bidden.
 
Daarna gaan de mensen weer naar huis. De ooms en tantes, de neefjes en nichtjes, blijven achter. Het witte papier wordt weer van de tafels gehaald. Daarna gaan we weer naar huis. Mijn vader kleedt zich thuis om. Hij moet zo weer gaan melken.

Geboorteakte van Opa


Geen opmerkingen:

Een reactie posten