dinsdag 10 maart 2026

De bovenste regel heeft ook geld gekost. Herinneringen aan school

Zoals ik eerder aankondigde, zal ik af en toe hier wat plaatsen uit de dagboeken die ik geschreven heb voor mijn kleinkinderen. Mijn vroegste herinneringen deelde ik hier. Deze keer twee stukjes uit een dagboek uit 2023 die te maken hebben met de lagere school. 

In het eerste fragment beschrijf ik wat ik me herinner van de eerste schooldag, in het tweede gaat het vooral over hoe het gebouw eruitzag en een herinnering aan het hoofd van de school. 

Het is misschien allemaal plotloos en fragmentarisch, maar hopelijk geeft het wel een beeld van hoe de dingen gingen in de jaren zestig. Ik ging in 1965 voor het eerst naar de lagere school. 

Over de voorgeschiedenis van de lagere school in Herveld schreef ik hier.

Lagere school met het huis van het hoofd

27 juli 2023

Als ik zes jaar oud ben, brengt mijn moeder mij naar school, die heel toepasselijk in de Schoolstraat staat. In 1969 zullen wij in de Schoolstraat gaan wonen en als ik in klas zes zit (nu groep 8) verhuist de school naar Herveld-Noord. In het gebouw zit daarna nog een tijdje een fabriek waarin ze ‘leren’ tassen en koffers maken, fluorescerend rood. We halen wel eens restjes uit de container die bij de oude school staat. Nog weer later wordt de school gesloopt en komen er op die plek vier huizen. Dan heeft Herveld een Schoolstraat zonder school, zoals het dorp ook al een Kerkstraat zonder kerk heeft.

Ouders, moeders eigenlijk, komen alleen de eerste dag mee naar school. Later niet meer, geen kind wordt naar school gebracht. Zijn er ouderavonden? Niet dat ik mij herinner. Boven in de deur van het lokaal zitten zes (acht?) kleine ruitjes. Als de deur dicht eenmaal is, zie ik dat mijn moeder nog even op haar tenen staand door het ruitje kijkt.

Ik vind het spannend op school, maar niet vervelend spannend. Ik kan eigenlijk al lezen. Dat heeft mijn moeder me geleerd uit het boekje Leer lezen in een wip 2. Hoe we aan dat boekje komen, weet ik niet.

Wat doen we die eerste schooldag? Er zal wel een Bijbelverhaal verteld zijn, maar dat herinner ik me niet. We zitten met zijn tweeën in een bank. Ik zit aan de linkerkant, omdat ik linkshandig ben, in de rij het dichtst bij de deur. Tweede bank van voren, schat ik. Naast me zit André van Cleef. We mogen tekenen en ik vraag wat hij aan het tekenen is. ‘Een tjoeketrein’, zegt hij. Ik vind dat een dom antwoord, maar dat zeg ik niet.

Iedereen heeft in zijn bank een pennengleuf en een inktpotje. Maar aan het begin van het jaar mogen we nog niet met pen schrijven, maar alleen met potlood. Pas een paar maanden later schrijven we met pen en inkt. Niet met een kroontjespen, maar met een pennetje met een iets bredere punt. Er is een boogje uitgespaard in de pen, zodat het lijkt alsof hij altijd lacht. Mijn penhouder is blauw. Pas in de derde klas krijgen we een balpen. Ballpoint, zeggen verschillende mensen dan nog.

Het eerste woord dat we leren is ‘toos’. Toos is een meisje met een blauwe jurk, dat aan tafel zit te schrijven of te tekenen. Voor elk woord is er een mooie plaat. De eerste woorden zijn: toos, miep, kees, jaap en dan die twee samen: kees en jaap. Ik vind de platen prachtig, al zijn het eenvoudige tekeningen. We moeten de woorden overtrekken op overtrekpapier. Linksboven staat de afbeelding van de plaat, een kleine tekening. Ook die mogen we overtrekken. Ik ben er erg trots op dat me dat lukt.

Onze juf heet juffrouw De Graaf. Ik vind haar erg aardig. Ze ruikt zoet. En ze leest voor. Een verhaal over Hanneke, die in pannetjes roert. Ze spreekt de a-klank in Hanneke anders uit dan ik dat doe. Niet met de a van ‘kan’ maar met die van ‘Annie’. Daarom herinner ik me de zin ‘Hanneke roert in al die pannetjes.’ Later kom ik erachter dat de zin voorkomt in een verhaal van W.G. van de Hulst. 


28 juli 2023
Om het schoolplein staat een ijzeren omheining, met gaas. Als je door de poort komt, zie je recht voor je het fietsenhok. Er is nog een foto van klas 1 en 2, met op de achtergrond dat fietsenhok. Als je op de omheining klimt, kun je op het fietsenhok klimmen. Als je dan over het dak naar de school loopt, kun je op het platte dak van de school komen. Dat moet soms als er een bal op terechtkomt.

Vlak naast het fietsenhok zit het gaas niet vast, zodat je het opzij kunt schuiven. Dan kun je naar de achterkant van de school lopen. Tussen de fruitbomen en de brandnetels door.

Als je naar de ingang van de school wilt, moet je vanuit het hek naar rechts. Daar is een stenen trap met ongeveer zes treden. Bovenaan links is een zware deur. Als je die opent, kijk je de gang in. Daarboven is een plat dak.

Links zijn de wc’s. Een stuk of vier, vijf, schat ik. Als je er dicht langsloopt, ruik je de pislucht. Aan het eind van de gang is het kolenhok. We noemen het nog steeds zo, al worden er geen kolen meer in opgeslagen; op school hebben we oliekachels.

Je kunt door het kolenhok heen lopen en dan is er weer een deur. Als je daar doorheen gaat, ben je aan de achterkant van de school. Je moet een paar treden af, maar niet zoveel. Blijkbaar ligt de grond aan de achterkant van de school hoger dan aan de voorkant. Je komt bijna meteen bij een betonnen ring die in grond is gegraven. De doorsnee ervan enkele meters.

Als ik in de hoogste klas zit, zit ik vaak op vrijdagmiddag op de trap met de betonnen treden. Zo gauw de meester na de middag op school is, vraag ik of ik de prullenbakken mag legen. Dat moet altijd voor het weekend. Ik haal dan later op de middag, samen met een klasgenoot de grote houten prullenbakken op bij de andere lokalen. We legen ze in de betonnen ring en verbranden de inhoud. We blijven erbij tot alles verbrand is.

Weer terug naar de voordeur van de school, waar we de gang in kijken. Rechts zijn vier lokalen. Eerst het lokaal van klas 3 en 4, dan een leeg lokaal, waar we toch wel eens komen. In de hogere klassen doen we er natuurkundeproefjes, Sinterklaas wordt er ontvangen en wat er nog meer gebeurt, weet ik niet. Er zijn wat meubels opgeslagen en wat landkaarten. Als de school groeit, komt er een klas in dat lokaal. In het derde lokaal zit juffrouw De Graaf, met klas 1 en 2. In het achterste lokaal zit de hoofdonderwijzer met klas 5 en 6. Als ik op school kom, is dat nog meester Dantuma, die naast de school in het bijbehorende huis woont.

Ik moet bij dat huis een keer wat brengen of wat vragen en de zoon van Dantuma, Hille, doet open. Op zijn sloffen en in zijn pyjama. Hij ziet er slaperig uit. Dat zal me bijblijven. Er is niets te bespeuren van de deftigheid die toch een beetje om het hoofd heen hangt.

In het lokaal van de hoofdonderwijzer staat een hoge lessenaar, met een hoge stoel. Er staan soms geheimzinnige woorden op het bord: ‘Le coq est sur le mur'. Meester Dantuma leert de kinderen in de zesde Frans. Als in de oorlog de bevolking van Herveld geëvacueerd wordt naar België, komt het goed uit dat Dantuma Frans spreekt, maar hij spreekt het minder goed dan hij zelf ingeschat heeft. ‘Ik stamelde als een klein kind,’ zal hij later zeggen. Zijn zoontje Hille is nog heel klein en moet steeds huilen. In de vrachtwagen waarmee de mensen vervoerd worden, ergert iemand zich aan het gehuil en roept: ‘Zet dat jong op een natte zak!’

Als kinderen kijken we wel op tegen het hoofd der school. Hij is natuurlijk in pak. Een man die voor de klas staat, heeft trouwens altijd een jasje aan. Een enkele keer moeten we een les volgen in het lokaal van het hoofd. Is dat omdat de meester of juf ziek is? Ik weet het niet meer. Als hij mijn schrift controleert, ziet hij dat ik de bovenste regel niet gebruik. Mijn eerste zin staat steeds tussen de eerste twee lijntjes in, maar niet op het bovenste lijntje. Volgens mij heb ik gedaan wat me is aangeleerd, maar ik moet voor straf in mijn hele schrift strafregels op de bovenste regel schrijven: ‘De bovenste regel heeft ook geld gekost.’

Als ik in de zesde zit, is meester Dantuma al weg en krijg ik les van meester Postma. Meester Postma woont niet naast de school, maar op De Tip, waar later ook nog mijn zus zal wonen als ze volwassen is. Af en toe werken enkele jongens bij de meester in de groentetuin, op zaterdag. We krijgen daarvoor een paar pakjes kauwgum of zo. Eigenlijk zijn we goedkope arbeidskrachten, maar we voelen ons uitverkoren.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten