In Liter nr. 53, jaargang 12 (2009) schreef ik over Brandaan van de christelijke poëzie, een mooi boek. In de titel zette ik dat ik het een prachtige bloemlezing vond, maar ik had er wel wat op aan te merken. Ik kan dat na zoveel jaren nog steeds wel een beetje navoelen, maar misschien zeurde ik ook een beetje. Als ik de bloemlezing zo goed vond, had ik het dan niet juist daar over moeten hebben in plaats van over die dingen die wat minder zijn?
Het uitgangspunt: alleen christen-dichters opnemen vind ik nog steeds dubieus: waarom zou een bloemlezer moeten beoordelen of een dichter wel een christen is?
Bij zo'n bespreking moet je wel een gedicht citeren, vind ik. Maar waarom nam ik nou juist het gedicht van Lloyd Haft? Blijkbaar realiseerde ik me niet dat ik hetzelfde gedicht al in hetzelfde blad geciteerd had in de eerste jaargang. Die bespreking heb ik al eens afgestoft en die vind je hier.
Ik heb overigens nog meer oude besprekingen van bloemlezingen. Die zal ik ook nog afstoffen. Even geduld. Het komt.
Desondanks een prachtige bloemlezing
Bij uitgeverij Brandaan verscheen Brandaan van de christelijke poëzie, een bloemlezing samengesteld door Rien van den Berg. Voor ik daar iets anders over zeg: het is een prachtig boek en het is goed dat het er is. Het boek is gebonden, de gedichten zijn gedrukt op mooi papier en Van den Berg, die al eerder bloemlezingen maakte, laat zien dat hij een aantrekkelijke bundel kan samenstellen. Bovendien is hij een kenner van de christelijke poëzie en hij heeft uit allerlei bundels, van obscuur tot bekend, veel mooie gedichten gehaald.
Maar er zijn natuurlijk wel wat kanttekeningen bij te maken en vragen bij te stellen.
Allereerst die typische naam Brandaan, wat mij een nogal opzichtige manier lijkt om de naam van de uitgeverij in de markt te zetten. Ware het boek onder een andere imprint of bij een andere uitgeverij uitgekomen, dan had het waarschijnlijk Podium, Mozaïek, Vuurbaak of Atlas van de christelijke poëzie geheten en dan spreek ik nog niet van het ongelukkige geval dat Kok het boek uitgegeven zou hebben.
Dit is bovendien de eerste bloemlezing die ik ken waarbij het portret van de bloemlezer prominent op de flaptekst prijkt. Het zal wel zijn omdat Rien van de Berg fotogenieker is dan Komrij of Breukers, maar het verbaasde mij toch enigszins.
Er zijn aardig wat bloemlezingen over God of religie. Nog onlangs publiceerde uitgeverij Prometheus Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie. Ook een mooi boekje, waarbij de keuze gemaakt werd door Abeltje Hoogenkamp, die bovendien bij veel gedichten wat bezinnende opmerkingen schreef, al zijn die in sommige gevallen vrij oppervlakkig. Net als in de Brandaan vinden we bij Hoogenkamp dichters terug als Van der Graft, Henk Knol, Ida Gerhardt, Huub Oosterhuis, Martinus Nijhoff, Gerrit Achterberg, C.O. Jellema, Gerard Reve en Michel van der Plas, maar ook Remco Campert, Tjitske Jansen, Eva Gerlach, Hans Andreus en Jan Eijkelboom. Het boekje heeft de opbouw van een kerkdienst. Van het op weg gaan (‘Klokken haalden mij uit mijn slaap vandaan’) tot en met de zegen (‘God behoede de mens / en geve hem een zoen’) en de weg naar huis.
De verschillen tussen Hoogenkamp en Van den Berg vloeien voort uit de manier waarop ze gezocht hebben. Hoogenkamp zocht naar gedichten. Van den Berg naar dichters. In de inleiding schrijft hij:
Er is tot op heden echter geen bloemlezing verschenen met werk van dichters die christen zijn. Dat is het vertrekpunt bij de bloemlezing: werk van dichters die op een of ander manier bij de christelijke traditie horen - en dan niet algemeen-cultureel gedefinieerd, maar religieus.Tja. Wie bepaalt eigenlijk of een dichter christen is? Van sommige dichters die ontbreken (Renée van Riessen, Maria de Groot, Tom Naastepad, Mart van der Hiele, Hester Knibbe, Hilde Bosma, Greetje Kruidhof, Jaap van der Molen, Johanna Kruit, Frédéric Leroy) vroeg ik me af of Van de Berg ze niet goed genoeg vond of dat ze eigenlijk niet echt christen zijn. Het is de vraag of een bloemlezer zich over dat laatste moet en kan uitspreken.
Even verderop haalt Van de Berg zijn eigen uitgangspunt onderuit door zich af te vragen of er wel werk opgenomen had moeten worden ‘[v]an dichters die ongelukkig zouden zijn met het etiket christelijk, hoewel hun werk daartoe aanleiding geeft.’ Het is natuurlijk het een of het ander. Of je neemt werk op van dichters die gepatenteerd gelovig zijn, ook als je dat niet uit hun werk kunt opmaken (bijvoorbeeld de diergedichten van Rikkert Zuiderveld) of je kijkt alleen naar de gedichten en dan neem je dus ook de dichters op die Hoogenkamp selecteerde.
De Brandaan is een erg Nederlandse bloemlezing. Weliswaar neemt Rien van de Berg af en toe een Vlaming op (Anton van Wilderode, Aleidis Dierick), maar Vlaanderen zit toch vol met dichters die religieuze gedichten geschreven hebben? Mij schieten Pieter G. Buckinx, Gery Florizone, Jo Gisekin, Hubert van Herreweghen en Patrick Lateur te binnen. Of ze ook echt christen zijn weet ik natuurlijk niet. Het kan zijn dat ze over dat criterium gestruikeld zijn.
En zou er ook in Suriname of op de Antillen niet een katholiek dichter geweest zijn die in de Brandaan had gemogen? Zijn de gedichten van Glenn Sluisdom bijvoorbeeld niet sterk genoeg? Het zou kunnen, maar we weten het niet.
Op het buikbandje staat per ongeluk gedrukt dat er alleen gedichten opgenomen zijn van na 1950. Uit een van de registers achterin blijkt dat 1945 de grens is: vier gedichten van Achterberg, twee van Ida Gerhardt en een gedicht van Muus Jacobse zijn gepubliceerd tussen 1945 en 1950.
Met die registers is ook iets eigenaardigs aan de hand. Wie bijvoorbeeld zou willen weten welke gedichten van Jan Willem Schulte Nordholt opgenomen zijn, moet eerst naar het register op auteur. Daar moet hij opzoeken in welk jaren Schulte Nordholts bundels verschenen. Dan bladert hij door naar het register ‘Chronologie’ en zoekt bij het betreffende jaar de paginanummers op. Dat is een omslachtige manier. Bovendien zijn de registers niet feilloos. Lidy van Eysselstein is bijvoorbeeld bij 1959 niet terug te vinden, hoewel het auteursregister wel naar dat jaartal verwijst.
In het auteursregister kun je ook niet altijd precies zien welke gedichten opgenomen zijn. Bij Aleidis Dierick kun je wel vinden dat van haar ‘Avondmis’ de gedichten viii en xvi gekozen zijn, maar niet welke drie van de series ‘Tortels in het trappenhuis’ en ‘De driemaal zeven bezweringen’.
Ik ben dan ook maar gestopt te tellen hoeveel gedichten er nu exact van elke dichter opgenomen zijn. In ieder geval zijn er behoorlijk veel gedichten geselecteerd van Gerrit Achterberg, Menno van der Beek (van wie Van de Berg het aandurfde om de complete berijming van psalm 119 op te nemen), Lenze Bouwers, Aleidis Dierick, Anton Ent/Marieke Jonkman, Koos Geerds, Ida Gerhardt, (Guillaume) Van der Graft, Jos de Haes, Lloyd Haft, C.O. Jellema, Henk Knol, Willem Jan Otten, Michel van der Plas, Jan Willem Schulte Nordholt, Anton van Wilderode en Harmen Wind. Allemaal minimaal zeven gedichten. Op die keuze is niet zoveel aan te merken. Dierick en de De Haes zijn verrassingen, Otten acht ik als dichter nogal overschat, Bouwers is vrij ruim, maar met deze keuze kan ik wel leven.
Bij de minder ruim geselecteerde dichters moest ik wel even fronsen: wat doen in vredesnaam Jan de Bas, Theo Coenraads, Frank Daen, Dick Ellen, Leendert J. van den Hengel, P. van Klaveren, Nico Knibbe en José de Poortere met duidelijk ondermaats werk in dit mooie boek?
En hoe komt er eigenlijk werk van een anoniem dichter (bladzijde 113 in de bloemlezing) door de selectie? Helemaal anoniem kan de auteur niet zijn, want anders had Van den Berg niet kunnen weten dat het werkelijk een christen was. De bloemlezer plukte het gedicht (dat bepaald niet zo bijzonder is dat hij er niet omheen kon) uit een uitgave in eigen beheer. Ook van bijvoorbeeld Sergej Visser kopieerde hij gedichten uit boekjes die bestaan zullen hebben uit een stel blaadjes die met een wollen draadje aan elkaar zaten. Nou ja, elke bloemlezer heeft zijn eigenaardigheden.
Brandaan van de christelijke poëzie is ingedeeld op thema. Misschien is het niet helemaal consequent om dichters in plaats van gedichten te selecteren en dan niet te groeperen op dichter, maar ik vind het niet zo erg. De gekozen indeling leest in ieder geval prettig. Je kunt deze bloemlezing nu lezen zoals je een verhalenbundel leest: hoofdstuk voor hoofdstuk. Bovendien zie je hoe de verschillende dichters eenzelfde thema behandelen en verder lees je een gedicht anders door de omgeving waarin het staat, waardoor elk gedicht, ook als je het al kende, iets nieuws krijgt. ‘Troost’ van Harmen Wind zette de bloemlezer bijvoorbeeld in de afdeling psalmen. Het gedicht eindigt met:
Ik denk dat het je hand was. Niet de greep, de
aanraking. Ik kon de avond rustig laten vallen.
Je stem vulde de kamer met een lange reis.
Ik denk dat het je hand was. Dat je me droeg.
Niet eerder las ik het gedicht als een psalm, maar nu wel en het blijkt daar prima tegen te kunnen.
Psalm 119 in de berijming van Menno van der Beek is niet in de afdeling psalmen opgenomen en dat is een goede keuze. In zijn massiviteit zou het immers alle andere gedichten daar aan de kant duwen. Nu heeft deze psalm een afdeling voor zichzelf.
De andere afdelingen bevatten onder andere gedichten over ouders en kinderen, over mensen en dieren, over dood en leven en over God, geloof en kerk.
Wel kun je je afvragen waarom een afdeling ‘Vaderlandse geschiedenis’ heet wanneer meer dan de helft van de gedichten erin over de bijbelse geschiedenis gaat. De afdeling ‘light verse’ is eigenlijk mislukt. De meeste van de gedichten daarin bevatten wel humor, maar hadden net zo goed in andere afdelingen ondergebracht kunnen worden. Misschien is deze afdeling in het leven geroepen omdat je toch ergens de vrolijke gedichten van Rikkert Zuiderveld kwijt moet. Maar zonder die afdeling zouden we wel een paar flauwe gedichten van andere auteurs gemist hebben, zoals van Jaap Zijlstra en Koos Geerds, van wie meer missers opgenomen zijn.
Maar overeind blijft, ondanks alle bedenkingen waarmee ik dit stuk opende: dit is een prachtig boek. Van den Berg laat zien dat de christelijke poëzie, die in veel overzichten een marginale positie heeft, veel moois heeft voorgebracht. Genoeg in ieder geval om een kloek boek te vullen. Wat versnipperd was heeft hij bijeengebracht; zo'n beetje alle belangrijke christelijke dichters staan erin, waardoor deze Brandaan wel een standaardwerk zal worden zoals de dikke Komrij dat al is voor de gehele Nederlandse poëzie.
Wie door het boek bladert, heeft de neiging om te blijven citeren: de korte serie ‘Onder de wolk’ van Van der Graft bijvoorbeeld, of het ontroerende ‘Bloedje’ van Henk Knol. Je ziet verrast dat het ‘lieflijk rotsje’ van Marieke Jonkman terugkomt in een ander gedicht van Anton Ent. De zin ‘U bent er al, maar / U komt’ van Gabriël Smit mag meteen aangekruist worden. Je kunt aan het bladeren blijven en steeds weer doe je nieuwe ontdekkingen. En deze van Lloyd Haft kende je al, maar je wilt hem nog één keer voorlezen:
Naar psalm 150
Loof de ziende. Loof hem
in zijn verborgenheid. Loof hem
in het onkenbare dat hij zal kennen.
Loof hem
om het onvindbare van zijn vondsten,
loof hem
op de onmaat van zijn maten.
Loof hem met ons koperen geschal,
loof hem met een onstembare harp,
loof hem met knappende snaren,
loof hem met dom gedans,
loof hem met blèrende bekkens:
loof hem al wordt ons bekken geplet.
Alles wat nog hijgen kan
love de ziende.
Loof. De ziende.
Rennen naar de boekhandel dus, dan heb je de eerste druk nog.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten