maandag 9 maart 2026

De dagen van de bluegrassliefde (Edward van de Vendel)


Vaak stel ik mij voor ogen wat ik allemaal nog niet gelezen heb. Het kan zijn dat je vindt dat ik niet moet zeuren omdat ik heel veel ook wel gelezen of dat ik koketteer met de gaten in mijn kennis, maar ik klaag niet alleen over de ongelezen boeken - ik vind het ook heerlijk dat ik nog veel kan ontdekken in de tijd die ik nog heb. Zo zijn er klassiekers die ik dit jaar wil lezen en waarop ik me ook echt verheug, zoals De berg van licht van Couperus en De ziener van Vestdijk. 

Van Edward van de Vendel ken ik vooral zijn poëzie voor kinderen, die ik veel voorgelezen heb. De beginregels van het titelgedicht van Superguppie (2003) zijn bijvoorbeeld heerlijk: 'Alle guppies die ik had / zwemmen nu / in onze kat'.

Verder heb ik verschillende interviews met hem beluisterd en ook een lezing, als ik het mij goed herinner. Ik zal zijn Kinderboekenweekgeschenk (Wat rijmt er op puree - 2005) gelezen hebben (maar daar heb ik weinig herinneringen aan). En dat is het dan. Terwijl Van de Vendel juist heel veel geschreven heeft. Er zijn jaren dat hij wel drie of vier boeken uitbracht en de lijst van bekroningen is bijna net zo lang als die van zijn boeken. 

Recent uitgekomen boeken haal ik bij de plaatselijke boekhandel, maar oudere boeken kom ik tegen bij de kringloop en bij minibiebs en daar vind ik blijkbaar weinig van Van de Vendel. Of misschien zie ik dan tegelijkertijd boeken die ik nog liever wil hebben. 

Tycho en Oliver

Een tijdje terug liep ik dan toch aan tegen De dagen van de bluegrassliefde (1999) en ik nam het mee. De hoofdpersoon van het boek is de achttienjarige Tycho Zeling. 

Tycho woonde al jaren in zijn etui. De dagen  openden en sloten zich als zijn boekentas. Hij was de gezichtloze leerling uit 6A, de zoon waar zijn ouders ieder de helft van hun karakter in herkenden, de cd'tjes kopende jongen met het schuwe lachje boven een open portemonnee. Hij keek twee keer in de spiegel, één keer 's ochtends, één keer 's avonds, en de tijd daartussenin dacht hij niet aan zichzelf. 

In de zomervakantie vertrekt Tycho naar Amerika (Knoxville) om te fungeren als 'junior assistant' bij een zomerkamp van het idealistische Little World Organization. Behalve Tycho zijn er nog meer hulpjes: Oliver Kjelsberg uit Gjøvik (Noorwegen) en nog twee meisjes uit de Verenigde Staten. Tycho deelt een klein kamertje (beschreven als een voorraadkast) met Oliver. 

Tycho wordt verliefd op Oliver en dat is best ingewikkeld. De meisjes om de twee heen hebben al veel eerder in de gaten wat Tycho voor Oliver voelt dan dat Tycho dat wil toegeven en dat hij het ook wil laten merken aan Oliver. Uiteindelijk blijkt de liefde wederzijds. 

En zo zou Tycho het zich later ook herinneren: al die eerste nachten begonnen met opdrogende zinnen en daarna volgde het voelen van elkaars contouren. Buitenkant op buitenkant. Daarna ging het tasten langzaam over in een gevoel van warme sneeuw, van smelten, vloeistof met een naam. Totdat tenslotte uit hen samen iemand overbleef die Tycho was én Oliver: een derde lichaam. Een derde lichaam dat hun allebei hetzelfde liet denken, voelen, weten. Dat in slaap viel en weer wakker werd in de ochtend erna, hier een hand -van wie?- en daar een been, een voet, een teen. Een derde lichaam, dat uiteindelijk weer Tycho werd en Oliver, maar pa na 'goeiemorgen' en 'godmorn'. 

Het derde lichaam uit bovenstaand citaat komt terug in de titel van een volgend boek, Ons derde lichaam (2006). Er zal ook nog een derde boek volgen: Oliver (2015), dat zich twee jaar eerder afspeelt. 

Bij een uitje met de leiding van het kamp maken Tycho en Oliver een concert mee van de Marc Mc Kinley Bluegrass Band mee. De band bestaat uit oudere mannen, maar ze spelen met zoveel vuur dat Tycho er helemaal in opgaat. Als ze terug zijn, zegt Oliver: 'laat ze maar kletsen - let's make bluegrasslove...'

Opbouw

Oliver is voetballer, wat ook tot uiting komt in de opbouw van het boek: Eerste helft, Rust, Tweede helft. In de eerste helft leren Tycho en Oliver elkaar kennen, worden ze verliefd op elkaar en leren ze genieten van hun liefde. 

De leiding vindt dat ze niet te handhaven zijn waarna Oliver teruggaat naar Noorwegen. Tycho gaat met hem mee. Rust. 

En dan komt de tweede helft. Oliver vindt het lastig om te beseffen dat de buitenwereld anders naar hem zal kijken als hij een relatie met Tycho heeft. Daarover heeft hij het al op het kamp:

Hij was zijn veters aan het strikken. Hij keek op en zei: 'Luister goed! Ik heb geen zin om gay te zijn! Tenminste niet op die manier. Ik ben gewoon Oliver Kjelsberg uit Noorwegen en dat is alles. En Tycho Zeling uit Nederland is degene bij wie ik wil zijn, en al is dat elke minuut van mijn leven, dan nog wil ik dat niemand daar over loopt te zeiken en als ze dat wel doen dan kunnen ze maar beter oppassen, want dan weet ik nog wel een paar manieren om die shit uit hun koppen te trappen!'

Dat klinkt heel stoer, maar als hij terug is in Noorwegen wil hij eigenlijk toch zijn voetballeven en zijn leven met Tycho gescheiden houden, terwijl Tycho daar juist andere ideeën over heeft. Hoe dat afloopt, laat ik even in het midden, voor het geval dat je dit boek nog gaat lezen, want dan moet je nog wel wat te ontdekken hebben. 

Complex

De dagen van de bluegrassliefde is een mooi jeugdboek. Natuurlijk is het een liefdesgeschiedenis, maar het is ook het verhaal van Tycho die gedwongen wordt om over zichzelf na te denken en die erachter komt dat het verhaal van een liefde niet eindigt met 'en ze leefden nog lang en gelukkig', maar dat er een tweede helft is en dat die complex is, omdat je niet alleen met elkaar te maken hebt, maar ook met een buitenwereld en vooral ook met jezelf. Dat je zelf nog moet ontdekken wat je eigenlijk wilt, van de ander, van jezelf, van het leven, en dat dat complex kan zijn. 

Van de Vendel doet recht aan die complexiteit met zijn boek. Niet op een zware manier, maar wel zonder versimpelingen, zonder relativering. Dat is al knap. Maar hij doet het ook nog in een taal die nergens dof is, die overal fonkelt, die steeds weer de aandacht vraagt en toch niet afleidt van wat er in die taal verteld wordt. Hopelijk blijkt dat uit de citaten die ik gegeven heb. 

In aflevering 21 van de podcast Romanreuzen praat Edward van de Vendel over zijn favoriete boek van eigen hand. Dat blijkt Oliver te zijn. En hij praat over Barend Wels van Theo Thijssen. Het is meer dan veertig jaar geleden dat ik dat boek las. 

In de twee andere boeken van deze trilogie heb ik eigenlijk ook wel zin gekregen. Ik moet in de kringlopen maar eens goed opletten bij de schappen met jeugdboeken. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten