donderdag 2 april 2026

Koppige opa

Een stukje uit een dagboek. Ik schreef het op zaterdag 16 mei 2020, in het coronajaar. Het dagboek is gericht aan mijn toen nog ongeboren kleindochter. Als ik het heb over mijn moeder, heb ik het dus ook over haar overgrootmoeder. 

Het zijn meer flarden van verhalen dan dat het mooi afgeronde vertelsels zijn, maar dat moet je maar op de koop toe nemen. Mijn opa van moeders kant komt erin voor. Je ziet hem hieronder op de foto, met zijn geiten, bij het hout dat gejut had. Hij woonde aan de Waal en er dreef nog wel eens wat aan. Soms moesten we roeien naar zijn huis. Een foto van het huis vind je hier.

In het dagboek schrijf ik dat de huizen van mijn grootouders er nog staan, maar het huis van opa en opoe Dojewèrd is intussen gesloopt. Er staat nu een huis dat wel doet denken aan het oorspronkelijke huis. 

In dit stukje komt vooral de koppigheid van opa naar voren, maar hij had ook andere kanten. Ook daarover heb ik geschreven. Die stukjes zal ik nog eens opzoeken. Ik heb vooral goede herinneringen aan hem. 

Verder gaat het ook nog even over het trouwen van mijn ouders, al bericht ik daar maar kort over. Ik was toen bij mijn moeder geweest (die in januari 2025 zou overlijden) en gaf vooral weer wat zij vertelde. 


Opa Dojewèrd, in 1968

Vanochtend weer bij mijn moeder geweest, die me dingen vertelde die ik misschien wel eens gehoord had, maar niet onthouden. Dat tante Cor niet op de bruiloft van mijn ouders was, maar alleen op de dijk (voor het huis van mijn grootouders) het bruidspaar kon feliciteren. Ze stond toen al een paar jaar op voet van oorlog met mijn opa. Ze wilde het geld dat ze verdiend had niet afgeven en opa zei: ‘Ik houd geen kostgangers’ en toen kon ze gaan. Eruit en niet meer erin.
 
Dat een paar jaar later de spanningen nog niet voorbij waren, zegt iets over de koppigheid van mijn opa. Geen koppiger mensen dan Gansemannen en geen driftiger mensen dan Bunten, zei iemand ooit. Daar ben ik dus een mix van en jij ook, voor een kwart.
 
Toen ik het had over de koppigheid van mijn opa, zei mijn moeder: ‘Ja, maar Cor was ook niet makkelijk.’ En de opstelling van mijn oma, die altijd met iedereen medelijden had, zal daarbij niet geholpen hebben. Zo gaf ze het geld dat bedoeld was voor de slager aan Corrie, die er slangenleren schoenen van kocht.
 
Tussen haar vriend Henk en mijn opa ging het ook niet goed. Er zijn heel veel Henken in mijn familie. Bij deze man, die later mijn ome Henk zou zijn, zeiden we er altijd ‘van tante Cor’ bij, of ‘Van der Veen’.
 
Hij bracht zijn vriendin te laat thuis en mijn opa kapittelde hem. Henk zei dat hij voor niemand zijn petje in de ogen hoefde te trekken en kwam niet meer over de vloer. Hij bleef op de weg staan als hij tante Cor kwam ophalen. En die liet hem wachten, omdat ze nog niet klaar was, met haar haar bijvoorbeeld en oma maar zeggen dat ze ‘die jong’ niet moest laten wachten.
 
Het is niet alleen van voor de tijd van je moeder, maar ook van voor mijn tijd. Ik herinner me niet anders of tante Cor en ome Henk konden bij iedereen over de vloer komen. Later raakte tante Cor in de war. Als ze een punt taart had of een koekje liet ze het laatste stukje altijd liggen. Als ze dood zou neervallen kon altijd nog onderzocht worden of ze vergiftigd was.
 
Je overgrootmoeder vertelde ook over haar eigen bruiloft: mijn oma had een groot stuk vlees gevraagd aan Methorst, bij wie mijn moeder in dienst was als meisje voor dag en nacht. Methorst had pas geslacht en mijn oma wilde een stuk vlees van hem overnemen. Dat heeft Methorst toen geschonken.
 
De overbuurvrouw, Nel van de Geer, zorgde voor de groente en er werd een lekkere maaltijd gemaakt. Als toetje was er Haagse bluf, wat mijn opa van vaderskant, die wij opa Loenen noemden, nog nooit gegeten had.

Ma gnuifde nog steeds toen ze het vertelde. Opa Bunt was boer, had een boerderij en had het goed. Het gezin van mijn moeder had weinig geld. Je overgrootmoeder gebruikte het woord ‘armoedzaaiers’. Dat ze zo’n maaltijd niet verwacht hadden van zulke armoedzaaiers.
 
Van de avond zelf, op de deel van het huis van mijn grootouders (opa en opoe Dojewérd, Dodewaard), wist ze alleen nog dat er zoute haring was. Dat had blijkbaar indruk gemaakt. En dat zij en mijn vader al naar huis waren toen het feest nog niet afgelopen waren.
 
Daar was een verrassing: er lagen kokosmatten op de vloer. De familie (of was het de buurt?) had een raam omhoog geschoven en had matten op de tegelvloer gelegd. Mijn moeder had wel gespaard voor haar huwelijk: ze had tweehonderd gulden. Daarvan had ze de trouwjurk en de gordijnen laten maken en ze had een weckketel gekocht.
 
Mijn vader zal de meubels wel betaald hebben. Van zijn ouders kreeg hij een groot cadeau: een koe.
 
Natuurlijk had ik je graag mettertijd dat huis laten zien, maar het is er niet meer: het is gesloopt en de A-50 is eroverheen gelegd. Ik kan nog wel het huis laten zien waarnaar mijn ouders (met intussen drie kinderen) verhuisden in 1969. Daar woont Marinus, mijn broer.
 
De huizen van mijn grootouders zijn er nog. Het geboortehuis van mijn vader (die door mijn kinderen altijd Opa Koeien is genoemd) werd door mijn opa in 1926 gekocht. Het heet De Grote Doorn en staat in Loenen. In de Betuwe, bij Slijk-Ewijk, aan de rand van het bos. Mijn grootouders hadden gewild dat mijn ouders bij hen in kwamen wonen, maar dat wou mijn moeder niet.
 
Toen zijn Ome Wout (de broer van mijn vader) en tante Met daar gaan wonen. Maar dat ging niet goed. Ik gok dat dat het met mijn oma had te maken, die niet altijd gemakkelijk was, al was ze altijd erg aardig voor mij. Nu zouden we zeggen ‘lief’, maar zo zouden wij dat als kind niet noemen.
 
Mijn opa en oma lieten een houten huis bouwen in de boomgaard en daar hebben ze gewoond tot opa overleed. Intussen zijn er stenen muren om dat oude huis gebouwd. Marinus heeft het gekocht en er woont een van mijn achterneven in.
 
Ja, oude verhalen, ik weet het. Ik hou van die verhalen, maar ik vertel ze ook omdat het goed is om de geschiedenis van je familie te weten. Het zal wel biologische onzin om te zeggen dat die geschiedenis opgeslagen wordt in de genen, maar ik ben ervan overtuigd dat ook de onbekende verhalen een soort baslijn in mijn leven zijn.
 
Ook zij horen bij de grond waarin ik geworteld ben. Met Thomas heb ik ooit aan het graf van Opa en Opoe Loenen gestaan, gewoon omdat we in de buurt waren. Het was vreemd: ik las mijn eigen naam op de zerk. Ik ben namelijk naar opa Loenen genoemd.
 
Eigenlijk had ik dat helemaal niet willen vertellen, maar als jij mij niet onderbreekt, ratel ik gewoon door. Ik had willen vertellen dat ik voor het eerst sinds lange tijd weer bij Wilma in huis was en dat we samen geluncht hebben. Iets wat altijd zo vanzelfsprekend was, was nu tegelijk onwennig en meteen weer vertrouwd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten