donderdag 30 april 2026

Dit zijn onze plaatsen, dames!

Het dagboekfragment hieronder noteerde ik op dinsdag 14 november 2023. Het laat goed zien met hoe weinig plan het geschreven is: ik begin met een herinnering aan de kapper, stap over op herinneringen aan kerk en geloof en eindig met het beschrijven van de rollen snoep die in kerk langskwamen. Ook nu weer -ik zeg het er toch elke keer maar weer bij -  houdt het fragment zomaar op. 

Hieronder een foto van opa en opoe Loenen, de ouders van mijn vader. Ik denk dat de foto genomen is op de huwelijksdag van mijn ouders. Mijn andere oma, de moeder van mijn moeder, kun je net nog zien. Die mag hierna blijkbaar met opa op de foto. 

Deze foto is wat raar afgesneden. Er zal nog best een stukje aan de bovenkant gezeten hebben, maar ik had indertijd een eigenzinnige scanner. Als ik dan een bladzijde van een fotoalbum scande, maakte die er zelf afzonderlijke afbeeldingen van. Zo zal het gegaan zijn. Denk ik.


Soms mag ik met mijn vader mee naar de kapper. Voor we gaan, geeft mijn vader mijn moeder een kus. Dat zal hij nooit overslaan als hij het huis uit gaat. Ik stap bij hem voor in de Volkswagenbus. We gaan naar kapper Daams, in de Hoofdstraat. Ik word eerst geknipt en daarna mijn vader.


Ik mag in een hoge stoel zitten en krijg een soort cape om, die strak om mijn nek zit. Ik kijk in de spiegel terwijl Daams met mijn vader praat. Het ruikt lekker bij de kapper. Als het klaar is, pakt hij een fles met een verstuiver. Er zit een oranje rubberen bal met een slang aan bevestigd. Hij nevelt daarmee een soort reukwater over me heen.
 
Na afloop klim ik weer van de stoel af. Daams veegt de haren bij elkaar. In de hoek van de zaak zit er een vierkant putje in de vloer, met een deksel erop. Hij haalt het deksel eraf en veegt de haren in het putje. Wat zouden ze met die haren doen? Dan is mijn vader aan de beurt.
 
Later zal mijn moeder zelf onze haren knippen. Ze doet het net als de kapper: je haar tussen twee vingers nemen en dan afknippen wat erbovenuit steekt. Verder heeft ze zo’n knippertje. Het werkt een beetje als de maaibalk bij de trekker: er gaan twee gepunte vlakken over elkaar heen als mijn moeder de poten van het knippertje bij elkaar knijpt.
 
Soms gaat het allemaal goed, maar het kan ook wel eens trekken en dat doet zeer. Mijn moeder maakt het apparaat dan even schoon en meestal gaat het dan wel weer. Je kunt het beste maar stil blijven zitten, dan is het het snelst voorbij. Bij Marinus is het vaak een heel gedoe: hij maakt zich dan kwaad en moet huilen. Mijn moeder zegt dan dat hij stil moet zitten, want dat ze anders in zijn oor knipt.
 
Vrouwen gaan niet naar de kapper. Tenminste niet in onze familie. Vrouwen horen lang haar te dragen volgens de Bijbel. Bij sommige kerken letten ze daar niet zo op, maar dat zijn dan ook heel lichte kerken, waar ze niet op hele noten zingen en de Bijbel in de nieuwe vertaling lezen. Voor mijn gevoel zijn dat halve heidenen. De dominee waarschuwt niet alleen voor de wereld, maar ook voor de godsdienst. 

We gaan elke zondag naar de kerk, meestal alleen in de ochtend. We hebben geen plekken gehuurd, dus we moeten wachten tot vijf minuten voor tijd het lampje op de preekstoel gaat branden. Eerst is dat een oranje lampje, later, na een verbouwing misschien, wordt dat een groen lampje. Dan zijn alle zitplaatsen vrij.
 
Vaak gaan we in de bank van Methorst zitten, omdat die bijna nooit komt. Mijn opa en oma (van vaders kant) hebben wel plekken gehuurd, in de linker rij, de achtste bank van voren. Alle banken hebben een letter. Opoe en opa zitten in de H-bank. Ik mag wel eens bij ze zitten. Ze hebben eigenlijk maar twee plekken, maar als iedereen een beetje inschikt, kan een klein jongetje er nog wel bij. 

Op een zondag zijn ze erg laat, het lampje brandt al. Ik ga met opa en oma mee, maar hun plekken zijn al bezet; er zitten twee vrouwen. Daar trekt mijn opa zich niets van aan. ‘Dames, dit zijn onze plaatsen,’ zegt hij. Ze zeggen dat het lampje al aan is. Opa herhaalt dat dit de plaatsen van mijn grootouders zijn en dan staan ze toch op.
 
Voordat de mannen gaan zitten in de kerk, doen ze staand een gebed. De vrouwen doen het zittend, met de handen in hun schoot. Tijdens ‘het grote gebed’ gaan ook wel mannen staan. Mijn vader doet dat niet. Ik heb wel eens gevraagd waarom die mannen gaan staan, maar ik heb er geen duidelijk antwoord op gekregen. Misschien zijn ze bang dat ze anders in slaap vallen.
 
Dat is mij ook wel overkomen. Als je laat bent, kun je niet altijd als gezin bij elkaar zitten. Meestal gaat Lientje met mijn moeder mee en ik met mijn vader. Maar soms zijn er ook geen twee plekken naast elkaar vrij. Een keer zet mijn vader mij naast iemand in de bank. Die heet ook Teunis Bunt, weet ik, maar we beschouwen hem niet als familie. Hij is alleen maar ergens in de verte familie. Zijn vrouw heet Wimke, wat ik een rare naam vind voor een vrouw. Mijn vader zit achter mij.
 
Tijdens het gebed sukkel ik in slaap. Misschien heb ik gedroomd, maar ineens schrik ik wakker. Mijn handen, die ik samengevouwen had, gaan uit elkaar en wapperen als ik met een schok wakker word. Ik moet mijn buurman behoorlijk aangestoten hebben. Meteen knijp ik mijn ogen weer dicht en ik voel me rood worden, want ik schaam mij. Mijn buurman doet alsof hij niks gemerkt heeft.

Als ik wat groter ben, neemt Jo Gerritsen mij mee. Hij heeft twee plekken gehuurd, maar zijn vrouw blijft meestal thuis. Het is gemakkelijk als je al kunt zitten voordat het lampje gaat branden en je niet hoeft te zoeken naar een vrije plek. Jo hoeft meestal niets te zeggen: hij kijkt mij aan, knipoogt, en dan loop ik met hem mee.
 
Ome Wout heeft een hele bank gehuurd, rechts vooraan. Wij zitten meestal links achteraan. ‘s Avonds gaan we bijna nooit naar de kerk. Mijn moeder leest dan voor uit de kinderbijbel. Ik zit dan naast haar, aan de tafel voor het keukenraam, dat uitkijkt op de put. Lientje zit bij haar op schoot.

We hebben een mooie kinderbijbel, van Van Wijk. Er staan platen in. De meeste zijn zwartwit, maar die van David en Jonathan is in kleur. Sommige plaatjes zijn een beetje eng, bijvoorbeeld die van de zondvloed. Het water stijgt en mensen proberen te ontsnappen, maar je weet dat ze allemaal zullen verdrinken. En, wat nog erger is, ze gaan ook nog naar de hel en die duurt eeuwig.
Illustratie uit de kinderbijbel van B.J. van Wijk


Eeuwig kun je je bijna niet voorstellen. Mijn moeder heeft het wel eens geprobeerd uit te leggen. Stel je voor dat je een berg hebt. Dat is al moeilijk voor te stellen. In het Loenense bos is er de zandheuvel. Zoiets moet het zijn, maar dan groter. En, gaat mijn moeder verder, dat er een vogeltje is dat elke dag een zandkorreltje van die berg weg zou nemen. Het zou heel lang duren, maar ooit zou die berg dan weg zijn.

Mij lijkt het dat die vogel na honderd dagen nog maar een klein kuiltje in die berg zou hebben en dat het dus wel duizend jaar of nog langer zou duren voor die berg weg is. En de eeuwigheid duurt dus nog langer. Een griezelig idee.
 
De meeste mensen komen in de hel, weet ik. Alleen niet als je bekeerd bent, maar dat zijn er niet zoveel, kom je in de hemel. Soms is er avondmaal. Omdat wij een beetje achter in de kerk zitten, kan ik niet goed zien wie er aan het avondmaal gaat. In de buurt waar wij zitten is dat alleen een vrouw die aan de andere kant van het gangpad zit. Ik weet niet hoe ze heet.
 
Verder natuurlijk de dominee en de ouderling, Van Straaten. Dat is de enige ouderling die we hebben, want een ouderling moet bekeerd zijn en daar zijn er dus niet veel van. Hoeveel mensen gaan er aan tafel? Een stuk of zes? Dat zal het wel zijn en de kerk is best groot. Maar de dominee heeft wel eens gezegd dat hij blij is dat de mensen niet massaal aan het avondmaal gaan, een toeloop als der wateren, of zoiets. Hij zegt dat er kerken zijn waar mensen wel heel gemakkelijk bekeerd worden. Die mensen worden eigenlijk voor de gek gehouden. Ze gaan met een ingebeelde hemel naar de hel. Gelukkig wordt in onze kerk verteld hoe het echt zit.
 
De dienst duurt altijd lang. Ik probeer wel eens te luisteren, maar eigenlijk is het allemaal te moeilijk. Ik tel de pijpen van het orgel, maar ik raak de tel steeds kwijt. Leuker is het om je voor te stellen dat de hele kerk kantelt, met de achterkant omhoog. Ik stel me voor hoe ik dan langs de banken naar beneden zou klimmen. Of hoe het zou zijn als je over het plafond zou moeten lopen of langs de ramen omhoog zou moeten klimmen.
 
De kerkdienst heeft altijd dezelfde volgorde. Eerst komt er een diaken binnen die vertelt wat we gaan zingen. Onder het zingen komt de dominee met de kerkenraad binnen. De dominee krijgt een hand en doet onder aan de preekstoel een gebed. De kerkenraad schuift in de ouderlingenbank en bidt ook staande. Dan gaat de dominee langzaam over de trap naar boven.
 
De diaken leest de wet voor en een Bijbelgedeelte en dan pas komt de dominee aan het woord. Hij doet zijn handen omhoog, als een soort groet of een zegening. Als mijn neefje Anton, een van de kinderen van Ome Wout, voor het eerst meegaat naar de kerk, heeft hij van tevoren op het hart gedrukt gekregen dat hij goed stil moet zitten. Anders gooit de dominee die zware bijbel naar je hoofd, is er gezegd. ‘De dominee ging bijna gooien', zal hij achteraf zeggen. ‘Hij deed de handen al omhoog.’
 
Dan is er een bijna eindeloos gebed. De dominee vraagt niet alleen wat aan God, maar hij vertelt vooral heel veel. Raar dat God die dingen al niet weet. Als het afgelopen is, wordt er gezongen en gecollecteerd. We hebben een dubbeltje en een kwartje meegekregen om in de zak te doen. Op de zak staat dan ook een D of een K.
 
Later wordt me duidelijk dat die letters staan voor Diaconie en Kerk en niet voor dubbeltjes en kwartjes. Eenmaal per maand is er een derde zak, met een C. Die kan niet voor de centen zijn, want in de derde zak doen we een gulden. Hij is van Collecte.
 
Dan begint de preek. We krijgen dan altijd een snoepje. Meestal een Mentos, maar ook wel eens een Rang, een pepermunt of een Fruittella. Het ligt er een beetje aan wie het eerst de rol te pakken heeft. Die geeft hem dan door in de rij. De rol komt vanzelf terug en dan pak je er een snoepje van. Ome Wout heeft vaak Italiano. Die hebben wij niet, maar ik vind die wel lekker. Hij zal die wel bij de mart in Den Bosch gehaald hebben.
 
Soms is er ook drop. Topdrop, met een grote T erop, of Autodrop. Daar doe je niet zo lang mee, want die drop is vrij zacht. De rand van het dropje ziet eruit als een autoband. Maar leuker is dat elk dropje in een papiertje zit met een interessant weetje erop. Dan heb je wat te lezen tijdens de dienst.
 
We hebben ook wel eens stophoest. Lekkere, bruine snoepjes, maar ze smelten wel snel in je mond. Ik probeer zo lang mogelijk met een snoepje te doen. Meestal krijgen we er drie tijdens de dienst.
Mijn oma van moeders kant gaat niet zo vaak naar de kerk. Soms vraagt ze of ze mag meerijden en dan halen we haar op. Blijkbaar dacht ze er op het laatste moment aan dat ze snoep moest meenemen, maar ze had geen rollen in huis. Als we in de kerk zitten, geeft ze een grote rol chocoladeflikken door. Die rol is erg groot en het is heel ongebruikelijk om zoiets door te geven. Maar het is wel lekker.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten