donderdag 30 juli 2026

De vleespotten van Herveld

Dit gedeelte uit een dagboek schreef ik op 29 september 2023. Daarvoor had ik geschreven over wat we op brood aten en daarbij had ik niet genoemd dat we ook wel eens spek op brood aten. Daarmee begin ik dus. 

Daarna kom ik op het vlees dat we eten, op het slachten en eten van kip en ten slotte, nog eventjes, op het eten van vis. 

Dat we na het slachten op brood ook nier, lever en hart aten, heb ik waarschijnlijk elders al beschreven. 

Bij dit onderwerp heb ik zo gauw geen goede foto paraat en daarom plaats ik maar een foto van ons gezin. Die is genomen in 1966, het jaar dat ik zeven jaar oud werd, mijn zus vijf en mijn broer twee. Mijn vader werd dat jaar zesendertig, mijn moeder dertig (maar die was op deze foto nog negenentwintig). De foto werd genomen toen opa en opoe Loenen vierden dat ze veertig jaar getrouwd waren. Het stukje daarover zal ik nog plaatsen. 



Soms kookt mijn moeder een stuk ‘vet spek’. Daar snijdt ze plakjes van en dat doen we op brood, met mosterd erop. Het is heerlijk. Ik snap niet dat er mensen zijn die niet van spek houden.

Gerookt spek kan ook gekookt worden, net als rookworst. Ook dat is heerlijk op brood. Op zolder, in de spekkast, hangt een gerookte ham, met een laken eromheen, tegen de vliegen, al zouden die eigenlijk niet in de spekkast moeten kunnen komen. Bij het oude huis hadden we niet zo’n kast, aan de Schoolstraat hebben we die wel.

Het gerookte spek moet dun gesneden worden en dat is best lastig. Het is vrij zout, en een beetje hard. Maar ook lekker.

En er zijn altijd rookworsten. Als er geslacht is, brengt mijn vader een veilingkist vol worsten naar Arns, de roker. Onder in de veilingkist liggen kranten, zodat de worsten schoon blijven.

Als de worsten (en de ham) gerookt zijn, komt de kist weer vol terug. Mijn moeder hangt de worsten op de zolder, wat een heerlijke geur geeft. Het zijn heel wat grote rookworsten, niet allemaal even groot. Als ze lang hangen, slaan ze soms een beetje wit uit, maar dat geeft niet.

Er zijn drie kleine worstjes, voor Lientje, Marinus en mij. Die van mij is iets groter dan de andere twee. Ik ben ouder en kan dus meer eten.

Er is ook ‘verse worst’. Die is niet gerookt, maar die is meteen in de diepvries gedaan. Die kun je bakken of koken en dan eet je die worst bij bijvoorbeeld een stamppot. Worst is altijd lekker. Lekkerder dan krabbetjes, die voornamelijk uit bot bestaan, met een beetje vlees eromheen. We eten ze bij de hutspot.

Het lekkerst is gebakken spek. Mijn moeder snijdt het in plakjes en bakt ze heel lang. Als ze ze uit de koekenpan haalt, druipt het vet ervan af. Ook dat vet is lekker. De plakjes spek zijn zo lang gebakken dat de zwoerdjes knapperig geworden zijn. Ze knoepen als je erop bijt. Speklappen zijn soms ook knapperig, maar soms ook niet. Ik heb ze het liefst knapperig.

En dan zijn er natuurlijk nog karbonades. Die kun je kluiven. Mijn ome Henk, het Hommeltje, heeft wel eens verteld dat hij ergens moest eten, blijkbaar bij een deftig iemand. Ze kregen een karbonade en mijn oom nam die ‘op de vuist, zoals hij dat noemt.

De anderen zaten te worstelen met vork en mes. Alleen deftige mensen eten met vork en mes. Wij snijden het vlees met het mes en dan eten we alleen met de vork.

Ome Henk nam de karbonade dus op de vuist, om te kluiven. Enkele andere gasten vonden dat blijkbaar lomp, maar het was een karbonade ‘met handvat’ en die moet je juist kluiven. Dus mijn oom was de enige die het op de juiste manier deed. Tenminste, dat zegt hij. Bij het Hommeltje weet je nooit wat je nu moet geloven en wat niet. Hij liegt dat het gedrukt staat, zegt mijn moeder wel eens. En hij gelooft zelf wat hij zegt.

Verder eten we geregeld gehakt. Mijn moeder kan dat heel lekker maken. Lekkerder dan bij sommige andere moeders. Als er een verjaardag is, bakt ze ook altijd kleine gehaktballetjes. Die kun je een tijd van tevoren maken en op de avond zelf hoeft ze ze alleen maar even op te warmen. Ze doet in elk balletje een cocktailprikker.

Op een van die verjaardagen heb ik zo’n prikker in mijn hand als er iemand naar huis gaat. Mijn moeder loopt mee, de deel over, om de vertrekker uit te zwaaien. De kinderen lopen met haar mee. Daarna rennen we weer naar binnen.

Voor mij rent Joekie. Ik haal hem in en steek mijn prikker in zijn bil. Ik ren snel door naar het voorhuis. Joekie blijft stilstaan. De prikker staat in zijn bil en dat doet hem behoorlijk wat pijn. Voor mij was het maar een grapje, maar dit is niet grappig meer. Ik krijg een uitbrander.

Draadjesvlees is ook lekker. Dat moet heel lang sudderen en dan heb je het lekkerste vlees dat je je kunt voorstellen.

Van tijd tot tijd eten we kip. Dan moet mijn vader een kip slachten. Toen we op de Merkenhorststraat woonden, hadden we een kippenhok. Op het hok liggen golfplaten van asbest. Die worden lekker warm als de zon er een tijdje op staat. Aan de voorkant is het hok veel hoger dan aan de achterkant. Daar kan ik wel op het dak klimmen, via de vlierstruik.

Ik loop over de golfplaten naar het hoogste gedeelte en ga daar liggen. Je kunt goed om je heen kijken van die hoogte. Ik geloof dat mijn vader liever niet heeft, dat ik dat doe, maar ik doe voorzichtig en maak de golfplaten niet kapot.

Als mijn vader een kip gevangen heeft, houdt hij hem vast bij de poten. Hij legt de kip met zijn kop op het hakblok. Met zijn vrije hand pakt hij de bijl. Dat is een grote bijl, die je eigenlijk alleen met twee handen kunt hanteren. Mijn vader noemt het een ‘aks’. Ik heb wel ooms die een klein bijltje hebben. Dat heeft mijn vader niet.

Met die ene hand kan hij moeiteloos de kop van de kip afhakken. Ik kijk naar de kop op het hakblok. De ogen van de kip zijn nu bijna helemaal dicht. Het lijkt wel of er een vliesje over het kippenoog gegaan is.

Mijn vader houdt de kip ver van zich af, want de kip fladdert nog even. Er komen kleine druppeltjes bloed op zijn broek, maar daar trekt hij zich niets van aan. Dan gaat hij de kip slachten.

Er zijn vaders die de kip plukken, dan blijft er een vel over de kip zitten. Dat lijkt me niet lekker. Ik griezel er een beetje van als dat op tafel komt. Mijn vader snijdt bij de buik van de kip het vel open en trekt de kip de jas uit. Hij moet de vleugels kort afsnijden en ook de poten moeten eraf.

Wij willen graag die poten hebben. Als je peutert, zie je een stuk of drie draadjes. Pezen heten die. Als je de goede te pakken hebt en je trekt eraan, krommen de tenen van de kip zich. Soms staan er kinderen bij die dat eng vinden. Die loop ik achterna met mijn kippenpoot. Dat vind ik grappig.

De kale kip wordt opengesneden, van beneden naar boven. ‘Mag ik het hartje?’ vraag ik meteen. ‘En ik de lever?’ zegt Marinus. ‘En ik dan?’ vraagt Lientje. ‘Jij mag de niertjes,’ zeg ik en dan is ze tevreden. Maar een kip heeft geen niertjes. De kip moet eerst nog gebraden worden en dan weten we toch niet meer wat we gevraagd hebben.

De longen en de darmen en zo gaan bij het afval. Mijn vader snijdt de maag open. Het velletje aan de binnenkant van de maag trekt hij eraf. De maag is mooi blauw van binnen, lichtblauw. Mijn vader krijgt altijd de maag, zoals mijn moeder altijd het nekje krijgt. Die lijken me allebei niet zo lekker.

Van oude kippen wordt soep gemaakt. Jonge haantjes worden gebraden. Als kind krijgen wij meestal een vleugeltje. Als we groter zijn, mogen we een poot.

Bij opa en opoe Dojewèrd krijg ik ook een keer kip. Die is nogal droog. Het vlees wordt een bal in mijn mond. Ik blijf erop kauwen, maar de bal lijkt niet kleiner te worden. Ik zou hem het liefst uit mijn mond halen, maar dat durf ik niet. Het duurt heel lang, maar dan heb ik hem toch op.

Soms eten we vis. Vaak op mijn verjaardag. Dan zijn er net nieuwe aardappels. Die eten we dan, met peultjes bijvoorbeeld. Mijn moeder heeft dan kabeljauw gekookt en boterjus gemaakt. Daar doen we mosterd doorheen. Het is heerlijk. Ik heb geluk dat ik in juni jarig ben.

We eten ook wel gebakken vis, maar niet bij het warme eten. Wel ‘s avonds, op brood.

Enkele eerder geplaatste dagboekfragmenten:

Geen opmerkingen:

Een reactie posten